Inhoud
9583
3367/001
3367/001
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
DOC 54
DOC 54
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
tot aanpassing van bepaalde federale
fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek
van vennootschappen en verenigingen
adaptant certaines dispositions fiscales
fédérales au nouveau Code des sociétés
et des associations
22 novembre 2018
22 november 2018
SOMMAIRE
Pages
Résumé .......................................................................
3
Exposé des motifs .......................................................
4
Avant-projet .................................................................
55
Analyse d’impact .........................................................
97
Avis du Conseil d’État .................................................
100
Projet de loi .................................................................
118
Coordination des articles ............................................
396
INHOUD
Blz.
Samenvatting ..............................................................
3
Memorie van toelichting ..............................................
4
Voorontwerp ................................................................
55
Impactanalyse .............................................................
94
Advies van de Raad van State ....................................
100
Wetsontwerp ...............................................................
118
Coördinatie van de artikelen .......................................
166
2
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De regering heeft dit wetsontwerp op
22 november 2018 ingediend.
Le gouvernement a déposé ce projet de loi le
22 novembre 2018.
De “goedkeuring tot drukken” werd op
22 november 2018 door de Kamer ontvangen.
Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le
22 novembre 2018.
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA:
Questions et Réponses écrites
CRIV:
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
CRABV:
Compte Rendu Analytique
CRIV:
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le
compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu
analy tique traduit des interventions (avec les an-
nexes)
PLEN:
Séance plénière
COM:
Réunion de commission
MOT:
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes:
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.lachambre.be
courriel : publications@lachambre.be
Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen:
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.dekamer.be
e-mail : publicaties@dekamer.be
De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier
Afkortingen bij de nummering van de publicaties:
DOC 54 0000/000:
Parlementair document van de 54e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV:
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV:
Beknopt Verslag
CRIV:
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag
en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken
(met de bijlagen)
PLEN:
Plenum
COM:
Commissievergadering
MOT:
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti Socialiste
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
sp.a
:
socialistische partij anders
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
cdH
:
centre démocrate Humaniste
VB
:
Vlaams Belang
PTB-GO!
:
Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
PP
:
Parti Populaire
Vuye&Wouters
:
Vuye&Wouters
3
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Doordat het Wetboek van Vennootschappen een
grondige herziening heeft genoten en daarbij werd
omgedoopt tot het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen (zie het wetsontwerp “tot invoering van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen
en houdende diverse bepalingen” nr. 54-3119), was
het noodzakelijk om ook de federale fiscale wetsbepa-
lingen aan te passen aan dit nieuwe vennootschaps-
en verenigingsrecht.
Dit wetsontwerp tracht in principe de neutraliteit
van dit nieuwe wetboek op fiscaal vlak te waarbor-
gen, wat inhoudt dat er geen substantiële wijzigingen
werden aangebracht aan de fiscale wetsbepalingen.
Toch dwongen de wijzigingen op het vlak van ven-
nootschaps- en verenigingsrecht ertoe om ook de
fiscale bepalingen ten gronde te wijzigen, opdat
geen discrepanties zouden ontstaan tussen de twee
rechtstakken en een goede werking van het nieuwe
vennootschaps- en verenigingsrecht zowel op ven-
nootschapsrechtelijk als op fiscaal vlak verzekerd
wordt.
Zo leidden onder andere de volgende substantiële
wijzigingen in het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen tot een grondige herziening van de
fiscale wetsbepalingen: de invoering van de statu-
taire zetelleer voor de bepaling van de nationaliteit
van de vennootschap, het afschaffen van het begrip
maatschappelijk kapitaal (met uitzondering van de
nv), de invoering van nieuwe mogelijkheden bij de
omvorming van vennootschappen en de verplaatsing
van de maatschappelijke zetel,…
Het is met betrekking tot deze substantiële wijzigin-
gen van het vennootschaps- en verenigingsrecht dat
ook de fiscale wetsbepalingen op een meer grondige
wijze werden herzien.
Le Code des sociétés ayant fait l’objet d’une
révision approfondie et ayant été renommé Code
des sociétés et des associations (voir le projet de loi
“introduisant le Code des sociétés et des associations
et portant des dispositions diverses” n° 54-3119), il
était nécessaire de modifier aussi les dispositions
fiscales fédérales au regard du nouveau droit sur les
sociétés et les associations.
Ce projet de loi vise à assurer, en principe, la
neutralité sur le plan fiscal de ce nouveau code, ce
qui implique qu’aucune modification substantielle
n’a été apportée aux dispositions fiscales. Toutefois,
les modifications apportées sur le plan du droit des
sociétés et des associations ont également obligé
à modifier les dispositions fiscales sur le fond, afin
d’éviter toute divergence entre ces deux branches du
droit et le bon fonctionnement du nouveau droit des
sociétés et des associations, tant en matière du droit
des sociétés qu’en matière de droit fiscal.
Ont ainsi conduit à une révision en profondeur
des dispositions du droit fiscal, les modifications
substantielles suivantes, entre autres, du code des
sociétés et associations: introduction de la doctrine
de siège pour la détermination de la nationalité de la
société, suppression de la notion de capital social
(à l’exception de la SA), l’introduction de nouvelles
possibilités lors de la transformation des sociétés et
du déplacement du siège social, ...
C’est en rapport avec ces modifications substan-
tielles du droit des sociétés et des associations que
les dispositions relatives au droit fiscal ont également
été révisées de manière plus approfondie.
RÉSUMÉ
SAMENVATTING
4
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
MEMORIE VAN TOELICHTING
DAMES EN HEREN,
ALGEMENE TOELICHTING
Het wetsontwerp dat de regering de eer heeft u ter
goedkeuring voor te leggen, beoogt de noodzakelijke
aanpassingen van de federale fiscale bepalingen aan
het nieuwe Wetboek van vennootschappen en vereni-
gingen (WVV), dat het onderwerp uitmaakt van het
wetsontwerp “tot invoering van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen en houdende diverse
bepalingen” nr. 54-3119 (hierna: het wetsontwerp tot
invoering van het WVV”).
Dit wetsontwerp is principieel bedoeld om de neutra-
liteit van dit nieuwe wetboek op fiscaal vlak te waarbor-
gen, en niet om substantiële wijzigingen door te voeren
aan deze fiscale bepalingen. In bepaalde gevallen noopt
de gewijzigde context inzake het rechtspersonenrecht
echter tot bepaalde wijzigingen ten gronde, die in deze
toelichting zullen worden belicht.
Het wetsontwerp tot invoering van het WVV brengt
belangrijke wijzigingen aan het bestaande vennoot-
schapsrecht aan. Deze wijzigingen verplichten de
regering ertoe om de fiscale wetboeken op hun beurt
aan te passen aan het nieuwe vennootschaps- en ver-
enigingsrecht. De krachtlijnen van deze aanpassingen
aan de fiscale wetboeken kunnen als volgt worden
samengevat:
Wijzigingen als gevolg van de toepassing in het
wetsontwerp tot invoering van het WVV van de statu-
taire zetelleer voor de bepaling van de “nationaliteit”
van een vennootschap
Tot op heden wordt de “nationaliteit” van een ven-
nootschap in het Belgisch recht bepaald door de leer
van de “werkelijke zetel”: een vennootschap is onder-
worpen aan het vennootschapsrecht van de Staat waar
haar werkelijke zetel is gevestigd. In het wetsontwerp
tot invoering van het WVV wordt deze leer, ten gevolge
van ontwikkeling op het vlak van de Europese Unie,
verlaten en wordt er overgeschakeld op de leer van de
“statutaire zetel”: een vennootschap is onderworpen
aan het vennootschapsrecht van het land waar haar
maatschappelijk zetel is gevestigd. Als gevolg daarvan
kan men niet langer meer veronderstellen dat een
vennootschap die onderworpen is aan de Belgische
EXPOSÉ DES MOTIFS
MESDAMES, MESSIEURS,
EXPOSÉ GÉNÉRAL
Le projet de loi que le gouvernement a l’honneur de
soumettre à votre approbation apporte les adaptations
nécessaires aux dispositions fiscales fédérales suite au
nouveau Code des sociétés et des associations (CSA)
qui fait l’objet du projet de loi “introduisant le Code des
sociétés et des associations et portant des dispositions
diverses” n° 54-3119 (ci-après: “le projet de loi introdui-
sant le CSA”).
Le présent projet de loi vise en principe à assurer la
neutralité de ce nouveau code sur le plan fiscal et non
à apporter des modifications fiscales de fond. Dans
certains cas toutefois, le nouveau contexte du droit
des personnes morales a nécessité des modifications
de fond qui seront signalées dans le présent exposé.
Le projet de loi introduisant le CSA apporte d’impor-
tantes modifications au droit des sociétés et associa-
tions. Ces modifications nécessitent d’adapter à leur
tour les codes fiscaux au nouveau droit des sociétés
et associations. Les lignes de force de ces adaptations
aux codes fiscaux peuvent être résumées comme suit:
Modifications résultant de l’application, dans le
projet de loi introduisant le CSA, de la théorie du
siège statutaire pour déterminer la “nationalité”
d’une société
Jusqu’à présent, la “nationalité” d’une société est
déterminée en droit belge par la théorie du “siège réel”:
une société est soumise au droit des sociétés de l’État
où se situe son siège réel. A la suite des développe-
ments au niveau de l’Union européenne, le projet de loi
introduisant le CSA abandonne cette théorie et passe à
la théorie du “siège statutaire”: une société est soumise
au droit des sociétés du pays où est établi son siège
statutaire. On ne peut par conséquent plus présupposer
qu’une société assujettie à l’impôt des sociétés belge –
qui applique actuellement la théorie du siège réel – est
nécessairement soumise au droit belge des sociétés. En
effet, la théorie du siège réel doit rester d’application en
5
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschapsbelasting – waar de werkelijke zetelleer
thans wordt toegepast – noodzakelijkerwijze ook aan het
Belgische vennootschapsrecht is onderworpen. Echter,
voor de toepassing van de vennootschapsbelasting
moet verder gebruik worden gemaakt van de werkelijke
zetelleer omwille van de redenen die hierna worden
vermeld bij de artikelsgewijze commentaar.
Het uiteenlopen van de regels om de fiscale woon-
plaats van een vennootschap te bepalen en de nieuwe
vennootschapsrechtelijke regels omtrent de “nationali-
teit” van een vennootschap, vereisen dat het Wetboek
van inkomstenbelasting 1992 (WIB 92) op verschillende
plaatsen wordt aangepast en dat bijvoorbeeld in dit
Wetboek sommige nieuwe definities worden voorzien
(bijv. definitie van “vennootschap”, “binnenlandse ven-
nootschap”, “buitenlandse vennootschap”, opheffing
van het criterium “maatschappelijke zetel” enz.). Ook is
het wenselijk dat de definities en procedureregels i.v.m.
fusies, splitsingen en andere reorganisatieverrichtingen
niet langer verwijzen naar de omschrijving van deze
verrichtingen in het Belgische Wetboek van vennoot-
schappen of in analoge – en voor de fiscus moeilijk toe
te passen- bepalingen van buitenlands recht, maar ver-
vangen worden door autonome definities die aansluiten
bij de terminologie van de Europese fiscale fusierichtlijn
2009/133/EC, eventueel aangepast door de bestaande
Belgische wetgeving. Verder is het noodzakelijk te
voorzien dat een vennootschap waarvan de statutaire
zetel in het buitenland is gelegen, maar waarvan de
werkelijke zetel in België is gelegen, een boekhouding
voert overeenkomstig het Belgische boekhoudrecht
zodat de Belgische administratie deze vennootschap
in België kan belasten op haar wereldwijde winst in
de vennootschapsbelasting zoals dat het geval is voor
vennootschappen waarvan zowel de statutaire zetel
als de zetel van werkelijke leiding in België is gelegen.
Wijzigingen als gevolg van het feit dat in het wets-
ontwerp tot invoering van het WVV, met uitzondering
van de naamloze vennootschap, alle andere vormen
van Belgische vennootschappen niet langer over een
maatschappelijk kapitaal beschikken
Het wetsontwerp tot invoering van het WVV behoudt
het kapitaal-concept enkel voor de naamloze vennoot-
schap (“NV”). Voor de besloten vennootschap (“BV”)
en de coöperatieve vennootschap (“CV”) worden het
begrip “maatschappelijk kapitaal” – en meteen ook het
vereiste van een minimumkapitaal van 18 550 euro
(zoals het thans geldt voor de BVBA) – afgeschaft. In
de toekomst zullen dus niet alleen de vennootschap
onder firma (“VOF”) en de gewone commanditaire
vennootschap (“GCV“, onder het WVV “commanditaire
vennootschap” (“CommV”) genoemd)) vennootschap-
pen zonder maatschappelijk kapitaal zijn, maar ook de
matière d’impôt des sociétés, pour les raisons qui seront
exposées ci-après dans le commentaire des articles.
La divergence entre les règles fiscales qui déter-
minent la résidence fiscale d’une société et les nouvelles
règles du droit des sociétés concernant la “nationalité”
d’une société nécessite d’adapter en plusieurs endroits
le Code des impôts sur le revenu 1992 (CIR 92) et, par
exemple, de prévoir dans ce code certaines nouvelles
définitions (par exemple, les définitions de “société”,
“société résidente”, “société étrangère”, la suppression
du critère du “siège social”, etc.). Il est également sou-
haitable que les définitions et les règles de procédure
relatives aux fusions, scissions et autres formes de
réorganisation ne renvoient plus à la description de
ces opérations dans le Code des sociétés belge ou des
dispositions de droit étranger analogues – ce qui est
d’application malaisée pour le fisc – mais soient rempla-
cées par des définitions autonomes qui correspondent à
la terminologie de la directive fiscale européenne sur les
fusions 2009/133/CE, telle que le cas échéant adaptée
par la législation belge actuelle. Il est en outre néces-
saire de prévoir qu’une société dont le siège statutaire
est situé à l’étranger mais dont le siège réel est situé
en Belgique tiendra une comptabilité conformément
au droit comptable belge de sorte que l’administration
belge puisse taxer cette société en Belgique sur son
bénéfice mondial comme c’est le cas pour les sociétés
qui ont en Belgique à la fois leur siège statutaire et leur
siège de direction effective.
Modifications résultant du fait que, dans le projet
de loi introduisant le CSA, à l’exception de la société
anonyme, toutes les autres formes de sociétés
belges n’ont plus un capital social
Le projet de loi introduisant le CSA conserve le
concept de capital social uniquement pour la société
anonyme (“SA”). Pour la société à responsabilité limi-
tée (“SRL”) et la société coopérative (“SC”), la notion
de “capital social” – et dès lors l’exigence d’un capital
minimum de 18 550 euros (telle qu’elle s’applique
actuellement à la SPRL) – est supprimée. A l’avenir,
non seulement la société en nom collectif (“SNC”) et la
société en commandite simple (“SCS”, appelée dans le
CSA “société en commandite” (“SComm”)) seront des
sociétés sans capital social, mais aussi la SRL et la
SC. Ces changements nécessitent des adaptations au
6
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
BV en de CV. Deze wijzigingen nopen tot aanpassingen
aan het WIB 92 en in beperkte mate ook aan sommige
andere wetboeken. Zo wordt er in het WIB 92 een spe-
cifieke definitie van “kapitaal” ingevoerd die voorziet
in een afzonderlijk begrip voor, enerzijds, kapitaalven-
nootschappen en, anderzijds, vennootschappen die niet
beschikken over een kapitaal in de zin van het vigerende
vennootschapsrecht. Verder wordt ook de bestaande
definitie van het fiscale begrip ‘gestort kapitaal” in het
WIB 92 aangepast. Voorts worden er in het WIB 92 een
aantal aanpassingen doorgevoerd aan de bestaande
bepalingen inzake kapitaalverminderingen, inzonder-
heid om rekening te houden met het feit dat deze be-
palingen in de toekomst toegepast moeten worden op
kapitaalloze vennootschappen.
Wijzigingen ten gevolge van het feit dat het
wetsontwerp tot invoering van het WVV, nieuwe
mogelijkheden schept voor de omvorming van ven-
nootschappen en de verplaatsing van de maatschap-
pelijke zetel
Het wetsontwerp tot invoering van het WVV breidt de
mogelijkheden van omvorming van vennootschappen
aanzienlijk uit. Zo wordt het bijvoorbeeld mogelijk dat
een vennootschap naar buitenlands recht (met zetel van
werkelijke leiding in België) zich omvormt tot een ven-
nootschap met een andere rechtsvorm naar buitenlands
recht (met zetel van werkelijke leiding in België); dat
een vennootschap naar Belgisch recht zich omvormt
in een vennootschap naar buitenlands recht; dat een
vennootschap zich omvormt tot VZW, enz. Dergelijke
omvormingen kunnen gepaard gaan met de verplaatsing
van de zetel van werkelijke leiding naar het buitenland
en kunnen tot gevolg hebben dat een vennootschap
niet langer aan de vennootschapsbelasting is onder-
worpen maar wel aan de rechtspersonenbelasting.
Om met deze nieuwe realiteiten, die naargelang het
geval, verschillende fiscale gevolgen teweegbrengen,
rekening te houden, moeten sommige bepalingen uit
het WIB 92 worden aangepast of moeten er nieuwe
bepalingen aan het WIB 92 worden toegevoegd.
Diverse technische aanpassingen om ervoor te
zorgen dat de fiscale wetboeken verwijzen naar
de bepalingen van het nieuwe WVV en/of rekening
houden met nieuwe terminologieën ingevoerd door
het WVV
Verschillende begrippen die thans in fiscale wetboe-
ken voorkomen verwijzen voor hun definitie naar bepa-
lingen uit het Wetboek van vennootschappen of naar be-
palingen van het verenigingsrecht, die zullen ophouden
te bestaan. Veel van deze bepalingen worden (dikwijls in
ongewijzigde vorm) overgenomen in de artikelen van het
WVV (vb. “kleine vennootschap”, “microvennootschap”,
CIR 92 de même que, dans une mesure limitée, à cer-
tains autres codes. Ainsi introduit-on dans le CIR 92 une
définition spécifique du “capital”, qui vise des notions
distinctes pour, d’une part, les sociétés avec capital
et, d’autre part, les sociétés qui n’ont pas de capital
au sens du droit des sociétés applicable. De même
adapte-t-on la définition actuelle de la notion fiscale
de “capital libéré” du CIR 92. Sont encore introduites
dans le CIR 92 un certain nombre d’adaptations dans
les dispositions actuelles en matière de réductions de
capital, en particulier pour tenir compte du fait que ces
dispositions doivent à l’avenir s’appliquer à des sociétés
sans capital.
Modifications dues au fait que le projet de loi
introduisant le CSA crée de nouvelles possibilités
de transformation des sociétés et de déplacement
du siège social
Le projet de loi introduisant le CSA élargit considéra-
blement les possibilités de transformation des sociétés.
Ainsi devient-il par exemple possible pour une société
de droit étranger (ayant le cas échéant son siège de
direction effective en Belgique) de se transformer en une
société d’une forme juridique différente de droit étranger
(ayant son siège de direction effective en Belgique);
pour une société de droit belge de se transformer en
une société de droit étranger; pour une société de se
transformer en ASBL, etc. De telles transformations
peuvent s’accompagner du transfert du siège direction
effective à l’étranger et avoir comme conséquence que
la société n’est plus soumise à l’impôt des sociétés ou
devient soumise à l’impôt des personnes morales. Afin
de tenir compte de ces nouvelles réalités, auxquelles
s’attachent des conséquences fiscales différentes
selon les cas, il faut adapter certaines dispositions du
CIR 92 ou en ajouter de nouvelles.
Quelques adaptations techniques pour faire en
sorte que les codes fiscaux se réfèrent aux disposi-
tions du nouveau CSA et/ou tiennent compte de la
nouvelle terminologie introduite par le CSA
Plusieurs notions figurant actuellement dans les
codes fiscaux renvoient, pour leur définition, à des dis-
positions du Code des sociétés ou du droit des associa-
tions qui cesseront d’exister. Beaucoup de ces disposi-
tions sont reprises (souvent dans une forme inchangée)
dans les articles du CSA (par exemple “petite société”,
“micro-société”, “société liée et associée”, “contrôle”,
7
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“verbonden en geassocieerde vennootschap”, “con-
trole”, “quasi inbreng” enz.). Anderzijds worden som-
mige van deze bepalingen door het ontwerp van wet tot
invoering van het WVV afgeschaft (vb. Wet 27 juni 1921).
In de mate dat de fiscale wetboeken naar deze oude
begrippen of wetten verwijzen, moeten ze aangepast
worden aan het nieuwe wetgevend kader dat door het
WVV wordt opgericht.
Het wetsontwerp tot invoering van het WVV voert
daarnaast verschillende wijzigingen door aan het tradi-
tionele begrippenarsenaal uit het vennootschapsrecht.
Zo wordt onder meer het onderscheid tussen handels-
vennootschappen en burgerlijke vennootschappen afge-
schaft. Sommige rechtsvormen worden afgeschaft (vb.
commanditaire vennootschap op aandelen; economisch
samenwerkingsverband). Ze dienen omgezet te worden
in lichamen met een andere rechtsvorm (vb. het econo-
misch samenwerkingsverband dient zich om te vormen
tot vennootschap onder firma). Van andere rechtsvor-
men wijzigt de benaming (vb. “besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid” wordt “besloten ven-
nootschap”; “vennootschap met sociaal oogmerk” wordt
“sociale onderneming”; “landbouwvennootschap wordt
“landbouwonderneming”). Sommige vennootschappen
kunnen hun statuut maar ontlenen mits erkenning (bijv.
bepaalde coöperatieve vennootschappen; sociale on-
dernemingen; landbouwondernemingen). In de mate
dat de bestaande wetboeken verwijzen naar deze afge-
schafte onderscheiden en rechtsvormen of benamingen
hanteren die in het WVV niet meer worden gebruikt enz.
dienen ze te worden aangepast om rekening te houden
met deze nieuwe realiteit en moeten de fiscale gevolgen
ervan worden geregeld (vb. wat betreft de erkenning
van landbouwondernemingen, de omzetting van een
economisch samenwerkingsverband).
Overgangsbepalingen
Aangezien het wetsontwerp tot invoering van het WVV
voorziet in de inwerkingtreding ervan op 1 januari 2019,
voorziet dit wetsontwerp in een inwerkingtreding op
dezelfde datum.
Het wetsontwerp tot invoering van het WVV schenkt
echter bijzondere aandacht aan de op 1 januari 2019
bestaande vennootschappen, waarvoor gedetail-
leerde overgangsbepalingen zijn voorzien. Voor deze
bestaande vennootschappen zal het oude Wetboek
van vennootschappen voor een bepaalde periode van
toepassing blijven. Dit ontwerp houdt hiermee rekening
door ervoor te zorgen dat de verwijzingen in de fiscale
wetboeken naar de bepalingen van het Wetboek van
vennootschappen behouden blijven voor vennoot-
schappen die hieraan onderworpen blijven en, voor
ondernemingen die tijdelijk een opgeheven rechtsvorm
“quasi-apport”, etc.). Certaines de ces dispositions sont
par ailleurs supprimées par le projet de loi introduisant
le CSA (par exemple la loi du 27 juin 1921). Dans la
mesure où les codes fiscaux se réfèrent à ces notions
ou lois anciennes, ils doivent être adaptés au nouveau
cadre législatif instauré par le CSA.
Le projet de loi introduisant le CSA apporte égale-
ment plusieurs modifications à l’arsenal traditionnel
des concepts du droit des sociétés. Ainsi la distinction
entre sociétés commerciales et sociétés civiles est-elle
supprimée. Certaines formes juridiques sont suppri-
mées (par exemple, la société en commandite par
actions, le groupement d’intérêt économique). Celles-ci
doivent être transformées en organismes d’une autre
forme juridique (par exemple, le groupement d’intérêt
économique doit être transformé en société en nom
collectif). La dénomination de certaines autres formes
juridiques est modifiée (par exemple, “société privée à
responsabilité limitée” devient “société à responsabilité
limitée”, “société à finalité sociale” devient “entreprise
sociale”, “société agricole” devient “entreprise agricole”).
Certaines sociétés ne peuvent accéder à leur statut
que moyennant un agrément (par exemple, certaines
sociétés coopératives, entreprises sociales, entreprises
agricoles). Dans la mesure où les codes existants ren-
voient à ces distinctions et formes juridiques supprimées
ou utilisent des dénominations qui ne sont plus utilisées
dans le CSA etc., ils doivent être adaptés pour tenir
compte de cette nouvelle réalité et les conséquences
fiscales doivent en être réglées (par exemple en ce
qui concerne l’agrément des entreprises agricoles, la
transformation d’un groupement d’intérêt économique).
Dispositions transitoires
Le projet de loi introduisant le CSA prévoit son entrée
en vigueur le 1er janvier 2019 et le présent projet de loi
prévoit dès lors une entrée en vigueur à la même date.
Le projet de loi introduisant le CSA accorde toute-
fois une attention particulière aux sociétés existantes
au 1er janvier 2019, pour lesquelles des dispositions
transitoires élaborées sont prévues. Pour ces socié-
tés existantes, l’ancien Code des sociétés continuera
à s’appliquer pendant un certain temps. Le présent
projet en tient compte en veillant à maintenir, pour les
sociétés qui y resteraient soumises, les références des
codes fiscaux aux dispositions du Code des sociétés,
comme en veillant à maintenir temporairement, pour
les sociétés qui peuvent garder temporairement une
forme juridique abrogée (p.ex. la société agricole ou le
8
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
kunnen behouden (bv. de landbouwvennootschap of het
economisch samenwerkingsverband), door ook tijdelijk
de verwijzingen naar deze opgeheven vennootschaps-
vormen te handhaven in de fiscale wetboeken.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
TITEL 1
Algemene bepaling (artikel 1)
Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet, bepaalt
dit artikel dat de wet een door artikel 74 van de Grondwet
beoogde aangelegenheid regelt.
TITEL 2
Aanpassing van bepaalde federale fiscale
bepalingen aan het nieuwe Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen aan het Wetboek van
inkomstenbelastingen 1992
1. Wijzigingen t.g.v. het nieuwe criterium inzake
de “nationaliteit “van vennootschappen
Tot op heden wordt de “nationaliteit” van een vennoot-
schap in België bepaald door de zogenaamde “werke-
lijke zetel”-leer: een vennootschap wordt beheerst door
het recht van de staat waar haar werkelijke zetel zich
bevindt. Europese ontwikkelingen hebben er echter toe
geleid dat de opstellers van het WVV hebben gekozen
voor de zogenaamde statutaire zetelleer. Voortaan zal
een vennootschap dus worden beheerst door het ven-
nootschapsrecht van de staat waarin zij haar statutaire
zetel heeft. Het wetsontwerp tot invoering van het WVV
wijzigt in deze zin artikel 110 van het Wetboek van in-
ternationaal privaatrecht.
Deze wijziging doorbreekt de huidige feitelijke iden-
titeit tussen de “nationaliteit” van een vennootschap en
haar fiscale woonplaats. Deze laatste moet inderdaad
verbonden blijven aan de staat van de werkelijke zetel
van de vennootschap of, overeenkomstig de traditionele
formulering van het WIB 92, de staat van haar “voor-
naamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer”;
dit is inderdaad niet alleen het traditionele aanknopings-
punt van het WIB 92, maar ook het aanknopingspunt
dat veruit het meest wordt gebruikt in het internationaal
fiscaal recht.
groupement d’intérêt économique), la référence dans
les codes fiscaux à ces formes de sociétés disparues.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
TITRE 1ER
Disposition générale (article 1er)
Conformément à l’article 83 de la Constitution, cet
article précise que cette loi règle une matière visée à
l’article 74 de la Constitution.
TITRE 2
Adaptation de certaines dispositions fiscales
fédérales au nouveau Code des sociétés et des
associations
CHAPITRE 1ER
Modifications du Code des impôts
sur les revenus 1992
1. Adaptations au nouveau critère de la
“nationalité” des sociétés
Jusqu’à présent, la “nationalité” d’une société est
déterminée en Belgique par la théorie dite “du siège
réel”: une société est régie par le droit de l’État où se
situe son siège réel. Les évolutions européennes ont
conduit les auteurs du CSA à opter pour la théorie dite
du siège statutaire. Désormais, une société sera régie
par le droit des sociétés de l’État dans lequel elle a
son siège statutaire. Le projet de loi introduisant le
CSA modifie en ce sens l’article 110 du Code de droit
international privé.
Cette modification rompt l’actuelle identité de fait
entre la “nationalité” d’une société et sa résidence
fiscale. Cette dernière doit en effet rester rattachée à
l’État du siège réel de la société ou, suivant la formule
traditionnelle du CIR 92, à l’État de son “principal éta-
blissement ou siège de direction ou d’administration”;
tel est en effet non seulement le critère de rattachement
traditionnel du CIR 92 mais encore le critère de loin le
plus largement adopté en droit fiscal international.
9
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De toepassing van de statutaire zetelleer in het ven-
nootschapsrecht impliceert dat niet langer kan worden
aangenomen dat een vennootschap die onderworpen is
aan de vennootschapsbelasting (Ven.B) noodzakelijker-
wijs beheerst wordt door het Belgische vennootschaps-
recht. Indien een vennootschap haar werkelijke zetel in
België heeft, maar haar statutaire zetel in een vreemde
(Europese of niet-Europese) staat, zal zij onderworpen
zijn aan de Ven.B, maar beheerst worden door het ven-
nootschapsrecht van die vreemde staat. Voorbeeld: een
Besloten vennootschap heeft haar statutaire zetel in
Nederland, maar haar werkelijke zetel in België. Door
de wijziging van het Belgische vennootschapsrecht zal
deze niet langer worden beheerst door het Belgisch
recht, althans wat het vennootschapsrecht betreft,
maar zal deze bij voortduur onderworpen blijven aan
de Belgische Ven.B.
Deze wijziging vereist verschillende aanpassingen
aan het WIB 92 om de doelstelling van fiscale neutrali-
teit van de hervorming van het vennootschapsrecht te
waarborgen.
1) In de regel worden volgens het WIB 92 enkel de
lichamen die bekleed zijn met rechtspersoonlijkheid
volgens het rechtspersonenrecht dat hen beheerst,
als zodanig, als belastingplichtigen beschouwd. Indien
het buitenlands rechtspersonenrecht betreft, is het
niet altijd eenvoudig om te bepalen of een lichaam
“rechtspersoonlijkheid” heeft. Om deze moeilijkheid
te overkomen, worden de lichamen, met een werke-
lijke zetel in het buitenland, die niet bekleed zijn met
rechtspersoonlijkheid maar die “zijn opgericht in een
rechtsvorm die vergelijkbaar is met de rechtsvorm van
een vennootschap naar Belgisch recht” reeds sinds
geruime tijd belast volgens het WIB 92 in de belasting
van niet-inwoners/vennootschappen (BNI-Ven) (arti-
kel 227, 2°, WIB 92). De overgang naar de statutaire
zetelleer impliceert echter dat dezelfde moeilijkheid
kan ontstaan voor binnenlandse vennootschappen (in
het geval van een vennootschap met statutaire zetel in
een vreemde staat en haar werkelijke zetel in België),
hetgeen bepaalde wijzigingen van de algemene defini-
tie van “vennootschap” in het WIB 92 alsook bepaalde
procedurele wijzigingen vereist.
a) (artikel 2, 2°, en 53,1° van het ontwerp) De regel
die van toepassing is op de BNI-Ven die zonet in herin-
nering werd gebracht is vanaf nu geïncorporeerd in de
algemene definitie van de “vennootschap” in artikel 2,
§ 1, 5°, a, WIB 92. Deze is dus van toepassing zowel
op de BNI-Ven als op de Ven.B. Dit impliceert dat er
een dienovereenkomstige wijziging moet gebeuren van
artikel 227, 2°, WIB 92 om overlappingen te vermijden.
L’adoption de la théorie du siège statutaire en droit
des sociétés implique que l’on ne pourra plus partir
du présupposé qu’une société assujettie à l’impôt des
sociétés (ISoc.) est nécessairement régie par le droit
belge des sociétés. Si la société a son siège réel en
Belgique mais son siège statutaire dans un État étranger
– européen ou extra-européen –, elle sera assujettie à
l’ISoc. mais régie par le droit des sociétés de cet État
étranger. Exemple: une “Besloten vennootschap” a
son siège statutaire aux Pays-Bas mais son siège réel
en Belgique. En raison de la modification du droit des
sociétés belge, elle ne sera plus régie par le droit belge
en ce qui concerne le droit des sociétés, mais sera
toujours assujettie à l’ISoc. belge.
Cette modification nécessite plusieurs adaptations
du CIR 92 pour assurer l’objectif de neutralité fiscale
de la réforme du droit des sociétés.
1) En règle générale, le CIR 92 considère comme
contribuables en tant que tels uniquement les orga-
nismes qui sont dotés de la personnalité juridique en
vertu du droit des personnes morales qui les régit. Dans
le cas d’un droit des personnes morales étranger, il n’est
pas toujours aisé de déterminer si un organisme a la
“personnalité juridique”. Pour parer à cette difficulté, le
CIR 92 assujettit de longue date à l’impôt des non-ré-
sidents-Sociétés (INR-Soc) également les organismes,
ayant leur siège réel à l’étranger, qui sont dénués de
personnalité juridique mais “constitués sous une forme
juridique analogue à celle d’une société de droit belge”
(article 227, 2°, CIR 92). Le passage à la théorie du siège
statutaire implique que la même difficulté pourra désor-
mais se présenter pour les sociétés résidentes (cas
d’une société ayant son siège statutaire dans un État
étranger et son siège réel en Belgique), ce qui conduit
à certaines adaptations de la définition générale de la
“société” dans le CIR 92 et à certaines adaptations de
procédure.
a) (articles 2, 2°, et 53, 1°, du projet) La règle
applicable à l’INR-Soc qui vient d’être rappelée est
désormais incorporée dans la définition générale de la
“société” de l’article 2, § 1er, 5°, a, CIR 92, applicable
donc tant à l’INR-Soc qu’à l’ISoc. Cela implique une
modification corrélative de l’article 227, 2°, CIR 92 pour
éviter un double emploi.
10
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
b) (artikel 72, 2°, van het ontwerp) Om rekening te
houden met de onzekerheden die zouden blijven be-
staan omtrent de rechtspersoonlijkheid of de analogie
met een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid naar
Belgisch recht, stelt artikel 357, 4°, WIB 92 nu gelijk aan
“dezelfde belastingschuldige”, voor de nieuwe of subsi-
diaire aanslagen gevestigd conform de artikelen 355 en
356 WIB 92, een vennootschap en zijn aandeelhouders
of vennoten en omgekeerd. Bijgevolg, als de adminis-
tratie verkeerdelijk de aanslag heeft gevestigd ten name
van de aandeelhouders of vennoten terwijl zij dit had
moeten doen ten name van de vennootschap, zal zij
gerechtigd zijn om de vervangende aanslag te vestigen
ten name van deze laatste, en vice-versa.
c) (artikel 77, van het wetsontwerp) Omwille van de
uitbreiding van de onderwerping aan de belasting van
lichamen zonder rechtspersoonlijkheid maar die “een
rechtsvorm hebben die vergelijkbaar is met die van een
vennootschap met rechtspersoonlijkheid naar Belgisch
recht”, bevat een nieuw artikel 399quater, WIB 92 ex-
pliciet de mogelijkheid om de belasting ten name van
dergelijk lichaam of ten name van de aandeelhouders of
vennoten. Het spreekt voor zich dat deze bepaling geen
afbreuk doet aan de ruimere rechten die de administratie
zou kunnen putten uit het gemeen recht, bijvoorbeeld
de solidariteit van aandeelhouders of vennoten die het
buitenlands recht, waaronder het lichaam ressorteert,
voorziet. De begrippen “kapitaal” en “eigen vermogen”
verwijzen naar de definitie die gegeven wordt in artikel 2,
§ 1, 6°, WIB 92.
d) (artikelen 2, 1°, en 7, 2°, van het ontwerp) Ten
slotte schrapt dit ontwerp in de definitie van “ven-
nootschap” de woorden “die regelmatig is opgericht,
“zoals die thans voorkomen in artikel 2 § 1, 5°, a) ee-
rste lid, WIB 92. Het ontwerp heft in artikel 29, § 2, 1°,
WIB 92 tevens de woorden “onregelmatig opgerichte”
handelsvennootschappen” op. Deze terminologie is im-
mers voorbijgestreefd. Sedert de wet van 13 april 1995
verkrijgt een vennootschap alleen rechtspersoonlijkheid
door de neerlegging van de oprichtingsakte op de griffie
van de rechtbank. Deze regeling is opgenomen in het
wetsontwerp tot invoering van het WVV (artikel 2:6).
Door “onregelmatig opgerichte vennootschappen” uit
te sluiten uit de definitie van “vennootschap” en deze
vennootschappen bijgevolg niet aan de Ven.B te onder-
werpen, beoogde het WIB 92 van de oude rechtspraak
van het Hof van Cassatie af te wijken, volgens dewelke
twee of meer personen die onder een firma handel
drijven en niet geldig een andere vennootschapsvorm
hebben gekozen, een vennootschap onder firma heb-
ben opgericht die rechtspersoonlijkheid bezit, ook al
maakt deze vennootschap niet het voorwerp uit van een
geschreven oprichtingsakte (Cass., 17 mei 1968, A.C.,
b) (article 72, 2°, du projet) Pour tenir compte des in-
certitudes qui pourront subsister quant à la personnalité
juridique ou l’analogie avec une forme juridique dotée de
la personnalité juridique en droit belge, l’article 357, 4°,
CIR 92 assimile désormais au “même redevable”, pour
les réimpositions permises par les articles 355 et 356 du
CIR 92, une société et ses actionnaires ou associés et
réciproquement. Ainsi, si l’administration a erronément
établi l’impôt au nom des actionnaires ou associés alors
qu’elle aurait dû le faire au nom de la société, elle sera
en droit d’établir la cotisation de remplacement au nom
de celle-ci, et vice versa.
c) (article 77, du projet de loi) En raison de l’exten-
sion de l’assujettissement à l’impôt des organismes
dénués de la personnalité juridique mais ayant “une
forme juridique analogue à celle d’une société de droit
belge dotée de la personnalité juridique”, un nouvel
article 399quater, CIR 92 prévoit expressément la
possibilité de recouvrer au nom des actionnaires ou
associés l’impôt enrôlé au nom d’un tel organisme. Il
va de soi que cette disposition ne porte pas préjudice
aux droits plus étendus que l’administration trouverait
dans le droit commun, par exemple une solidarité des
actionnaires ou associés que prévoirait le droit étran-
ger qui régit l’organisme. Les notions de “capital” et
“capitaux propres” sont celles de la définition figurant à
l’article 2, § 1er, 6°, CIR 92.
d) (articles 2, 1°, et 7, 2°, du projet) Enfin, le présent
projet supprime dans la définition de la “société” les
mots “régulièrement constituée” qui figurent actuelle-
ment dans l’article 2, § 1er, 5°, a, alinéa 1er, CIR 92 et
supprime la mention des sociétés commerciales “irrégu-
lièrement constituées” dans l’article 29, § 2, 1°, CIR 92.
Ces mentions sont en effet obsolètes. Depuis la loi du
13 avril 1995 une société n’acquiert la personnalité
juridique que par le dépôt de l’acte constitutif au greffe
du tribunal. Cette règle est reprise dans le projet de loi
introduisant le CSA (article 2:6).
En excluant de la définition de “société” et, partant,
de l’assujettissement à l’ISoc., les “sociétés irrégu-
lièrement constituées”, le CIR 92 visait à déroger à la
jurisprudence ancienne de la Cour de cassation suivant
laquelle si deux personnes ou plus font commerce sous
une raison sociale sans avoir choisi valablement une
autre forme de société, elles ont formé une société en
nom collectif possédant la personnalité juridique, même
si cette société n’a pas fait l’objet d’un acte de constitu-
tion écrit (Cass., 17 mai 1968, Pas., 1968, I, p. 1074; voir
Com. IR 92, n° 29/4). Depuis la loi du 13 avril 1995, une
11
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1967-1968, p. 1144; Com IB 92, n° 29/4). Sedert de wet
van 13 april 1995 kan dergelijke vennootschap geen
rechtspersoonlijkheid verkrijgen bij gebrek aan neer-
legging van haar oprichtingsakte (zie verslag Senaat,
Parl. St., Senaat, 1993-1994, n° 1086-2, p. 20 tot 26).
De winst van zulke vennootschap is dus niet in haar
hoofde belastbaar maar in hoofde van haar leden bij
toepassing van artikel 29, WIB 92.
2) (artikelen 2, 3° en 5°, 15, 16, 19, 2°, 20, 3°, 21, 2°,
24, 3°, 25, 3°, 41, 43, 5°, 52, 53, 2°, 54, 55, 2°, 80, 1°
tot 5°, 7° en 8°, van het wetsontwerp) Het WIB 92 wijst
“de werkelijke zetel” aan, die de fiscale woonplaats
van een vennootschap bepaalt, als zijnde “haar
maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of
haar zetel van bestuur of beheer” (cf. de definitie van
“binnenlandse vennootschap” in artikel 2, § 1, 5°, b,
WIB 92 – kortweg zullen we hier het begrip “werkelijke
zetel” gebruiken). Wanneer het vennootschapsrecht de
leer van de statutaire zetel aanneemt terwijl de fiscale
wet blijft vasthouden aan de werkelijke zetel, leidt het
vermelden van de “maatschappelijke zetel” in deze
definitie tot verwarring. Dit wetsontwerp schaft bijgevolg
telkens de woorden “maatschappelijke zetel” af bij het
bepalen of de fiscale woonplaats van een vennootschap
of vereniging in België is gelegen.
3) De definitie van de “binnenlandse vennootschap”
van artikel 2, § 1, 5°, b, WIB 92 is aangepast om rekening
te houden met de mogelijke dissociatie die de invoer-
ing van de leer van de statutaire zetel teweegbrengt
tussen de “nationaliteit” en de fiscale woonplaats van
de vennootschap.
a) (artikel 2, 3°, b, van het wetsontwerp) Met het oog
op rechtszekerheid, bevestigt de definitie van de “bin-
nenlandse vennootschap” de huidige administratieve
praktijk (Com. IB 92, n° 179/22) en de rechtspraak
(Brussel, 29 juni 1982, FJF 82/119), volgens dewelke de
vennootschap die haar statutaire zetel in België heeft,
wordt vermoed, juris tantum, eveneens haar werkelijke
zetel in België te hebben.
b) (artikel 2, 3°, b, et 5°, van het wetsontwerp) Om te
vermijden dat de hervorming van het vennootschapsrecht
de mogelijkheid zou scheppen voor fiscaal “dubbel niet-
inwonerschap”, verduidelijkt de definitie van de “binnen-
landse vennootschap” dat een vennootschap die haar
statutaire zetel in België heeft enkel als een buitenlandse
vennootschap kan worden aangemerkt indien door
haar of door de Belgische belastingadministratie niet
alleen wordt aangetoond dat zij haar werkelijke zetel
niet in België heeft gevestigd maar ook dat haar fiscale
woonplaats zich in een andere Staat dan België bevindt
volgens de fiscale wetgeving van die andere Staat.
Dat laatste betekent dat de vennootschap haar fiscale
telle société ne saurait acquérir la personnalité juridique
à défaut de dépôt de son acte constitutif (voir rapport
Sénat, Doc. parl., Sénat, 1993-1994, n° 1086-2, p. 20 à
26). Le bénéfice d’une telle société n’est pas taxé dans
le chef de la société mais dans le chef de ses membres
par application de l’article 29, CIR 92.
2) (articles 2, 3° et 5°, 15, 16, 19, 2°, 20, 3°, 21, 2°, 24,
3°, 25, 3°, 41, 43, 5°, 52, 53, 2°, 54, 55, 2°, 80, 1° à 5°, 7°
et 8°, du projet de loi) Le CIR 92 désigne “le siège réel”,
qui détermine la résidence fiscale d’une société, par
l’expression “son siège social, son principal établisse-
ment ou son siège de direction ou d’administration” (cf.
la définition de “société résidente” dans l’article 2, § 1er,
5°, b, CIR 92 – par souci de concision, nous utiliserons
ici l’expression “siège réel”). Dès lors que le droit des
sociétés adopte la théorie du siège statutaire tandis
que la loi fiscale continue à s’en tenir au siège réel,
la mention du “siège social” dans cette définition est
source d’ambiguïté. Le présent projet de loi supprime
donc chaque fois les mots “siège social” lorsqu’il s’agit
de déterminer si la résidence fiscale d’une société ou
association se situe en Belgique.
3) La définition de la “société résidente” de l’article 2,
§ 1er, 5°, b, CIR 92 est adaptée pour tenir compte de la
dissociation possible entre la “nationalité” et la résidence
fiscale de la société qu’implique l’adoption de la théorie
du siège statutaire.
a) (article 2, 3°, b, du projet de loi) Dans un but de
sécurité juridique, la définition de la “société résidente”
confirme la pratique administrative actuelle (Com. IR 92,
n° 179/22) et la jurisprudence (Bruxelles, 29 juin 1982,
FJF, 82/119), selon laquelle la société qui a son siège
statutaire en Belgique est présumée, juris tantum, avoir
également en Belgique son siège réel.
b) (article 2, 3°, b, et 5°, du projet de loi) Afin d’éviter
que la réforme du droit des sociétés puisse être l’occa-
sion de “doubles non-résidences” fiscales, la définition
de la “société résidente” précise qu’une société qui a
son siège statutaire en Belgique peut être considérée
comme une société étrangère uniquement s’il est établi
par elle-même ou par l’administration fiscale belge, non
seulement qu’elle n’a pas son siège réel en Belgique
mais également qu’elle a son domicile fiscal dans un
autre État que la Belgique en vertu de la législation
fiscale de cet autre État. Ce qui précède signifie que la
société doit avoir son domicile fiscal dans un autre État
aussi bien sous l’angle du droit interne de cet État que, le
12
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
woonplaats in een andere Staat moet hebben zowel
onder het interne recht van deze Staat als, indien van
toepassing, onder de overeenkomsten tot voorkoming
van dubbele belasting gesloten door deze Staat.
Met andere woorden, de vennootschap die haar
statutaire zetel in België heeft en die, noch volgens het
fiscaal recht van de Staat waarin haar werkelijke zetel
gelegen is, noch volgens het fiscaal recht van een an-
dere staat, als fiscaal inwoner wordt beschouwd, wordt
aangemerkt als een binnenlandse vennootschap in de
zin van artikel 2, § 1, 5°, b, WIB 92.
Aangezien buitenlandse Staten andere aanknoping-
scriteria dan de werkelijke zetel kunnen hanteren, is de
voorkeur gegeven aan het gebruik van de uitdrukking
“fiscale woonplaats” eerder dan “werkelijke zetel” of
“voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer”
wanneer het de aanduiding van de fiscale woonplaats
betreft (in de zin van “integrale” onderworpenheid – cfr.
het Commentaar op het OESO Modelverdrag inzake
inkomsten en kapitaal, art. 4, nr. 3).
In de Franse tekst van het huidige ontwerp werd
de uitdrukking “domicile fiscal” verkozen boven “rési-
dence fiscale” aangezien de eerste het meest gebruikt
wordt in het WIB 92. De twee uitdrukkingen zijn echter
synoniemen.
De regering meent dat het niet aangewezen is om
rekening te houden met de suggestie van het advies
nr. 63.598/3 van de Raad van State betreffende de
definitie van “binnenlandse vennootschap” in het ar-
tikel 2, § 1, 5°, b, WIB 92, om de volgende redenen.
De Raad van State suggereert om stelselmatig de
uitdrukking “voornaamste inrichting” te gebruiken, in
plaats van de uitdrukking “voornaamste inrichting of
zetel van bestuur of beheer” die momenteel wordt voor-
zien in de definitie van “binnenlandse vennootschap” in
het artikel 2, § 1, 5°, b, WIB 92 en in dit ontwerp wordt
gehandhaafd, om de reden dat deze laatste opsom-
ming overbodig is. Dat is juist, maar enerzijds wordt
de uitdrukking “voornaamste inrichting” als dusdanig
internationaal echter niet gehanteerd voor de aandui-
ding van de fiscale woonplaats van vennootschappen
en anderzijds zou het enkele gebruik van dit begrip
verwarring kunnen doen ontstaan met het internationaal
erkende begrip van “vaste inrichting” dat een andere
betekenis heeft.
Ingevolge het advies van de Raad van State wordt in
de Nederlandse tekst het artikel 2, 3°, b, van het ontwerp
de uitdrukking “maatschappelijke zetel” vervangen door
de uitdrukking “statutaire zetel”.
cas échéant, sous l’angle des conventions préventives
de la double imposition conclues par cet État.
En d’autres termes, la société qui a son siège statu-
taire en Belgique et qui n’est considérée comme rési-
dente fiscale, ni par le droit fiscal de l’État où est situé
son siège réel, ni par le droit fiscal d’un autre État, sera
considérée comme une société résidente au sens de
l’article 2, § 1er, 5°, b, CIR 92.
Les États étrangers étant susceptibles d’utiliser
d’autres critères de rattachement que le siège réel, on
utilise l’expression “domicile fiscal” plutôt que celle de
“siège réel” ou de “principal établissement ou siège de
direction ou d’administration” lorsqu’il s’agit de viser la
résidence fiscale (au sens de l’assujettissement “inté-
gral” – cf. le commentaire du Modèle de convention
fiscale concernant le revenu et la fortune de l’OCDE,
art. 4, n° 3) à l’impôt dans un État étranger.
Dans le texte français du présent projet, l’expression
“domicile fiscal” a été préférée à celle de “résidence fis-
cale” car c’est celle la plus fréquemment utilisée par le
CIR 92. Les deux expressions doivent être considérées
comme synonymes.
Le gouvernement considère qu’il n’y a pas lieu de
tenir compte de la suggestion de l’avis n° 63.598/3 du
Conseil d’État en ce qui concerne la définition de
“société résidente” à l’article 2, § 1er, 5°, b, CIR 92, pour
les motifs suivants.
Le Conseil d’État suggère d’utiliser systématique-
ment l’expression “principal établissement” au lieu
de l’expression “principal établissement ou siège de
direction ou d’administration” figurant actuellement
dans la définition de “société résidente” à l’article 2,
§ 1er, 5°, b, CIR 92 et maintenue dans le projet, au motif
que cette dernière énumération est redondante. Cela
est certes exact mais, d’une part, l’expression “principal
établissement” n’est pas utilisée en tant que telle sur
le plan international pour désigner la résidence fiscale
des sociétés et, d’autre part, cette expression utilisée
isolément pourrait créer une confusion avec la notion
internationalement reconnue d’ “établissement stable”,
qui a une signification différente.
Conformément à l’avis du Conseil d’État, l’expres-
sion “maatschappelijke zetel” a été remplacée par
l’expression “statutaire zetel” dans le texte néerlandais
de l’article 2, 3°, b, du projet.
13
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wat betreft de opmerking van de Raad van State
omtrent het in artikel 2, § 1, 5°, b, tweede lid, WIB 92,
in ontwerp, ingevoegde wettelijk vermoeden, dient te
worden opgemerkt dat het gebruik van wettelijke –
maar weerlegbare – vermoedens door de wetgever,
zowel in het WIB 92 als in andere wetten of wetboeken,
veelvuldig is. In casu is het bewijs van de plaats van
de werkelijke zetel veel makkelijker voor de betrokken
vennootschap dan voor de administratie. Het is dus
noodzakelijk en geenszins onredelijk om dit bewijs van
de vennootschap te eisen wanneer zij ervoor gekozen
heeft om haar statutaire zetel in België te vestigen.
Artikel 2, 3°, b, van het ontwerp, dat de definitie van
“binnenlandse vennootschap” in artikel 2, § 1, 5°, b, WIB
92, aanvult met een nieuw lid, werd niettemin aange-
past ingevolge het advies van de Raad van State met
betrekking tot het leveren van tegenbewijs voorzien in
de bepaling van het ontwerp. Het tegenbewijs van het
tegendeel kan bijgevolg zowel door de belastingplichtige
als door de fiscale administratie worden geleverd.
c) (artikel 2, 6°, van het ontwerp) Meerdere bepalingen
van het WIB 92 en zijn uitvoeringsbesluit verwijzen naar
vennootschappen of andere lichamen “gevestigd” in
een staat of een groep van staten (in dit geval wordt
hiermee bedoeld een (al dan niet juridisch) geheel van
staten, bijvoorbeeld de Europese Unie of de Europese
Economische Ruimte). Zie bijvoorbeeld, artikel 2, § 1,
13°, eerste lid, b, 2 en 3, en artikel 5/1, § 3, b, WIB 92).
Omwille van de mogelijke ontkoppeling die de invoering
van de leer van de statutaire zetel teweegbrengt
tussen de “nationaliteit” en de fiscale woonplaats van
de vennootschap die mogelijks de term “gevestigd”
dubbelzinnig maakt, bevestigt een nieuwe definitie
opgenomen in artikel 2, § 1, 5°ter, WIB 92 dat dat
begrip de Staat of de groep van Staten betreft waar het
lichaam haar fiscale woonplaats heeft, behalve indien
een dubbelbelastingverdrag tot gevolg heeft dat het
lichaam zijn fiscale woonplaats buiten deze staat of
groep van staten heeft gevestigd. Deze bepaling en haar
formulering zijn geïnspireerd door de definitie van de
“Intra-Europese vennootschap” vervat in de Europese
moeder-dochterrichtlijn en de Europese fusierichtlijn.
d) De definitie van de “buitenlandse vennootschap” uit
artikel 2, § 1, 5°, c, WIB 92 werd bijgevolg ook aangepast.
4) Tot op heden verwijst het WIB 92 voor de definitie
van fusies en andere reorganisaties van vennootschap-
pen impliciet naar de definitie van het Belgisch Wetboek
van vennootschappen. De overgang naar de leer van de
statutaire zetel maakt deze verwijzing naar het vennoot-
schapsrecht ongeschikt aangezien een binnenlandse
vennootschap, onderworpen aan de Ven.B, vanaf
nu beheerst kan worden door een buitenlands recht,
En ce qui concerne la remarque du Conseil d’État
concernant la présomption légale de l’article 2, § 1er,
5°, b, alinéa 2, CIR 92, en projet, il convient de noter
que l’utilisation de présomptions légales – mais réfra-
gables – par le législateur, tant dans le CIR 92 que dans
d’autres lois ou codes, est fréquente. En l’espèce, la
preuve du lieu du siège réel est beaucoup plus aisée
pour la société intéressée que pour l’administration. Il
est donc nécessaire, et nullement déraisonnable, d’exi-
ger cette preuve de la société lorsque celle-ci a choisi
d’établir son siège statutaire en Belgique.
L’article 2, 3°, b, du projet, lequel complète la défini-
tion de “société résidente” à l’article 2, § 1er, 5°, b, CIR
92, par un nouvel alinéa, a néanmoins été adapté afin
de tenir compte de l’avis du Conseil d’État en ce qui
concerne l’établissement de la preuve contraire prévue
dans la disposition en projet. La preuve contraire pourra
dès lors être établie aussi bien par le contribuable que
par l’administration fiscale.
c) (article 2, 6°, du projet) Plusieurs dispositions du
CIR 92 et de son arrêté d’exécution se réfèrent aux
sociétés ou autres organismes “établis” dans un État ou
un groupe d’États (expression qui vise ici le cas où une
disposition se réfère à un ensemble, juridique ou non,
de plusieurs États, par exemple l’Union européenne
ou l’Espace économique européen). Voir, par exemple,
article 2, § 1er, 13°, al. 1er, b, 2 et 3, et article 5/1, § 3, b,
CIR 92). La dissociation possible entre la “nationalité” et
la résidence fiscale de la société qu’implique l’adoption
de la théorie du siège statutaire pouvant rendre ce terme
“établi” ambigu, une nouvelle définition insérée dans
l’article 2, § 1er, 5°ter, CIR 92 confirme que ce terme vise
l’État ou le groupe d’États dans lequel l’organisme a
son domicile fiscal, sauf si une convention en matière
de double imposition a pour effet que l’organisme doive
être considéré comme ayant son domicile fiscal en
dehors de cet État ou groupe d’États. Ce dispositif et sa
formulation sont inspirés de la définition de la “société
d’un État membre” dans la directive européenne mère-
filiale et dans la directive européenne sur les fusions
transnationales.
d) La définition de la “société étrangère” de l’article 2,
§ 1er, 5°, c, CIR 92 est adaptée en conséquence.
4) Jusqu’à présent, le CIR 92 se réfère implicitement
pour la définition des fusions et autres réorganisations
de sociétés à la définition du Code des sociétés belge.
L’adoption de la théorie du siège statutaire rend cette
référence au droit des sociétés belge inadéquate
puisqu’une société résidente, assujettie à l’ISoc., sera
désormais susceptible d’être régie par un droit des
sociétés étranger, y compris pour la définition et la
14
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
eveneens voor wat betreft de definitie en de toepassing
van fusies en andere reorganisaties. De omzetting in
het WIB 92 van de Europese fusierichtlijn met betrek-
king tot fusies en andere reorganisaties (vandaag,
richtlijn 2009/133/CE) had deze verwijzing al moeilijk
gemaakt aangezien de wetgever, voor de opslorpende
vennootschap of de verkrijgende vennootschap bij
splitsing, moest verwijzen naar “de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen en, desgevallend, ven-
nootschapsrechtelijke bepalingen van gelijke aard die
van toepassing zijn op de overnemende of verkrijgende
intra-Europese vennootschap” (artikel 211, § 1, vierde lid,
2°, WIB 92). Deze oplossing verplicht de administratie
om de conformiteit na te gaan van een verrichting met
het buitenlands recht die misschien weinig gekend is
in België en om de analogie van de bepalingen van dat
recht met deze uit ons vennootschapsrecht te beoor-
delen. Deze oplossing voldoet niet meer, nu dat niet
alleen de overnemende of verkrijgende vennootschap
maar ook de overgenomen of gesplitste vennootschap
beheerst kunnen worden door een buitenlands ven-
nootschapsrecht, ook in het geval dat deze twee ven-
nootschappen, vanuit fiscaal oogpunt, binnenlandse
vennootschappen zijn en in het geval dat, vanuit een
fiscaal oogpunt, de verrichting geen enkel grensover-
schrijdend aspect heeft. Het wetsontwerp past bijgevolg
de bepalingen van het WIB 92 aan in deze materie aan
als volgt:
a) (artikel 2, 8°, van het ontwerp) Het ontwerp
schrapt in dit verband de impliciete verwijzing naar het
vennootschapsrecht en voegt in artikel 2, § 1, 6°/1 en
6°/2 WIB 92 definities eigen aan het WIB 92 en andere
bepalingen inzake inkomstenbelastingen in, enerzijds,
voor de inbreng van een algemeenheid en inbreng van
een bedrijfsafdeling, en, anderzijds, voor de verschil-
lende vormen van fusies en splitsingen, samen verkort
aangeduid als “fusie, splitsing en verrichting gelijkge-
steld met een fusie of met een splitsing”. De “verrichting
gelijkgesteld met een splitsing”, waarvoor het huidige
ontwerp de benaming uit het vennootschapsrecht heeft
overgenomen, stemt overeen met hetgeen men gebrui-
kelijk de “partiële splitsing” noemt en die gekenmerkt
wordt door het feit dat de “gesplitste vennootschap”
enkel een gedeelte van haar vermogen overdraagt en
niet wordt ontbonden. Deze definities hernemen deze
uit hogervermelde fiscale richtlijn, aangepast in de mate
dat de Belgische wetgever er terecht voor gekozen
heeft om voor de verrichting flexibelere voorwaarden
te aanvaarden (mogelijkheid tot niet-proportionele
splitsing of partiële splitsing die geen betrekking heeft
op een bedrijfsafdeling) of een terminologische ver-
duidelijking heeft toegevoegd (afzonderlijke definities
voor de verschillende vormen van fusies en splitsingen
en gelijkgestelde verrichtingen) of zich preciezer heeft
uitgedrukt (definitie van inbreng van een algemeenheid
mise en œuvre des fusions et autres réorganisations.
La transposition dans le CIR 92 de la directive fiscale
sur les fusions et autres restructurations de sociétés
intéressant des sociétés d’États membres différents
(aujourd’hui, directive 2009/133/CE) avait déjà rendu ce
renvoi malaisé puisque le législateur avait dû, s’agissant
de la société absorbante ou bénéficiaire de la scission,
se référer “aux dispositions du Code des sociétés et,
le cas échéant, aux dispositions analogues du droit
des sociétés applicables à la société intra-européenne
absorbante ou bénéficiaire” (article 211, § 1er, al. 4,
2°, CIR 92). Cette solution oblige l’administration à
apprécier la conformité d’une opération à un droit des
sociétés étranger peut-être très mal connu en Belgique
et à apprécier l’analogie des dispositions de ce droit
avec celles de notre droit des sociétés. Cette solution
n’est plus satisfaisante à présent que non seulement la
société absorbante ou bénéficiaire, mais également la
société absorbée ou scindée, pourront être régies par
un droit des sociétés étranger, y compris dans le cas où
ces deux sociétés sont résidentes fiscales belges et où
l’opération n’a, du point de vue fiscal, aucun caractère
transnational. Le projet de loi adapte dès lors les dispo-
sitions du CIR 92 en la matière comme suit:
a) (article 2, 8°, du projet) Le projet abroge en la
matière la référence implicite au droit des sociétés
et introduit à l’article 2, § 1er, 6°/1 et 6°/2, CIR 92 des
définitions propres au CIR 92 et aux autres disposi-
tions relatives aux impôts sur les revenus, d’une part,
pour les apports d’universalité et apports de branche
d’activité et, d’autre part, pour les différentes formes
de fusions et scissions, visées ensemble en abrégé par
l’expression “fusion, scission et opération assimilée à
une fusion ou à une scission”. L’”opération assimilée à
la scission”, pour laquelle on a repris la dénomination
du droit des sociétés, correspond à ce que l’on appelle
couramment la “scission partielle”, caractérisée par
le fait que la “société scindée” transfère une partie
seulement de son patrimoine et n’est pas dissoute.
Ces définitions reprennent celles de la directive fiscale
précitée, adaptées dans la mesure où le législateur
belge avait fait le choix, que rien ne justifie de modifier,
d’accepter pour l’opération des modalités plus souples
(possibilité de scission non proportionnelle ou de scis-
sion partielle ne portant pas sur une branche d’activité)
ou avait ajouté une précision terminologique (définitions
séparées pour les différentes formes de fusions et de
scissions et opérations assimilées) ou s’était exprimé
plus précisément (définition des apports d’universalité et
de branche d’activité). Ce changement de méthode ne
modifie rien sur le fond à la définition des opérations que
15
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
en van een bedrijfsafdeling). Deze wijziging van methode
wijzigt niets ten gronde aan de definitie van verrichtingen
die het WIB 92 tot op heden beschouwt onder dezelfde
benaming met impliciete verwijzing naar het Wetboek
van vennootschappen. Echter, vanaf nu, wanneer de
bepalingen inzake inkomstenbelasting, zoals de arti-
kelen 46, 210 en volgende WIB 92, verwijzen naar ver-
richtingen met deze benaming, dan verwijzen zij naar
verrichtingen zoals gedefinieerd in het nieuwe artikel 2,
§ 1, 6°/1 et 6°/2 WIB 92.
b) (art. 9,3°, 45 en 43, 2°, 3° en 7°, van het ontwerp)
Deze wijziging van methode leidt tot het wegvallen van
de fiscale vereiste dat de verrichting wordt “verwezen-
lijkt conform vennootschapsrechtelijke bepalingen”,
zoals bepaald in de artikelen 46, § 1, derde lid, 2 °, en
211, § 1, vierde lid, WIB 92. Deze vereiste is inderdaad
moeilijk te verifiëren wanneer het gaat om buitenlands
vennootschapsrecht en diens draagwijdte en nut ervan
waren bovendien niet duidelijk. De andere toepassings-
voorwaarden voor het fiscaal neutraal regime blijven
uiteraard gelden. Een fusie, splitsing of verrichting
gelijkgesteld met een fusie of een splitsing zal, zoals
tot op heden, onderworpen zijn aan belasting zoals
voorzien in artikel 210, WIB 92 indien één of meerdere
voorwaarden vooropgesteld in artikel 211, § 1, vierde lid,
1° en 3°, WIB 92 niet voldaan zijn, t.t.z. indien de opslor-
pende of verkrijgende vennootschap geen binnenlandse
vennootschap of intra-Europese vennootschap is en/of
indien de verrichting niet beantwoordt aan het bepaalde
in artikel 183bis, WIB 92. Het was ook noodzakelijk om
te voorkomen dat een binnenlandse vennootschap het
geheel of een deel van haar vermogen vrij van belas-
ting zou kunnen overdragen bij een verrichting die niet
zou voldoen aan de definitie van een fusie, splitsing
of verrichting gelijkgesteld met een fusie of met een
splitsing, bijvoorbeeld in het kader van een herstructu-
rering voorzien door het vennootschapsrecht dat deze
vennootschap beheerst (ervan uitgaande dat deze
haar statutaire zetel in een buitenlandse staat heeft)
maar niet voldoet aan deze definities. Hiertoe wordt
artikel 210, § 1, WIB 92 aangevuld om de toepassing
van dit artikel uit te breiden indien, anders dan door een
fusie, splitsing of verrichting gelijkgesteld met een fusie
of splitsing zoals gedefinieerd door het WIB 92, een bin-
nenlandse vennootschap zou worden ontbonden zonder
gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen
(art. 210, § 1, 2°, WIB 92, gewijzigd) of zonder volledige
of gedeeltelijke ontbinding het geheel of een deel van
haar maatschappelijk vermogen zou overdragen in het
kader van een verrichting gelijkaardig aan deze die het
WIB 92 definieert als verrichting gelijkgesteld met een
splitsing maar die niet voldoet aan de definitie hiervan
(art. 210, § 1, 2°bis, WIB 92, nieuw). Deze bepalingen
zullen van toepassing zijn, bijvoorbeeld, indien een bin-
nenlandse vennootschap “overgenomen” wordt in het
le CIR 92 visait jusqu’ici sous la même dénomination par
renvoi implicite au Code des sociétés. Mais désormais,
lorsque des dispositions en matière d’impôts sur les
revenus, telles que les articles 46 et 210 et suivants du
CIR 92, parlent des opérations ainsi dénommées, elles
visent ces opérations telles que définies par l’article 2,
§ 1er, 6°/1 et 6°/2 nouveaux du CIR 92.
b) (art. 9,3°, 45 et 43, 2°, 3° et 7°, du projet) Ce chan-
gement de méthode conduit à abandonner l’exigence
fiscale que l’opération soit “réalisée conformément
au droit des sociétés”, formulée dans les articles 46,
§ 1er, alinéa 3, 2°, et 211, § 1er, alinéa 4, CIR 92. Cette
exigence est en effet de vérification malaisée lorsqu’il
s’agit d’un droit des sociétés étranger et sa portée et
son utilité n’étaient au demeurant pas claires. Les autres
conditions d’application du régime de neutralité fiscale
continuent bien entendu à s’appliquer. Une fusion,
scission ou opération assimilée à une fusion ou à une
scission sera, comme aujourd’hui, soumise à taxation
comme prévu par l’article 210, CIR 92 dans le cas où
l’une ou l’autre des conditions prévues par l’article 211,
§ 1er, alinéa 4, 1° et 3°, CIR 92 ne serait pas satisfaite,
c’est-à-dire si la société absorbante ou bénéficiaire n’est
pas une société résidente ou une société intra-euro-
péenne et/ou si l’opération ne répond pas au prescrit de
l’article 183bis, CIR 92. Il convenait également d’éviter
qu’une société résidente puisse transférer tout ou partie
de son patrimoine en exemption d’impôt dans le cadre
d’une opération qui ne répondrait pas à la définition de
la fusion, scission ou opération assimilée à une fusion
ou à une scission, par exemple dans le cadre d’une opé-
ration de restructuration prévue par le droit des sociétés
qui régit la société (ayant par hypothèse son siège
statutaire dans un État étranger) mais ne répondant à
aucune de ces définitions. A cette fin, l’article 210, § 1er,
CIR 92 est complété pour étendre l’application de cet
article au cas où, autrement que par une fusion, scission
ou opération assimilée à une fusion ou à une scission
telles que définies par le CIR 92, une société résidente
serait dissoute sans qu’il y ait néanmoins partage total
de son avoir social (art. 210, § 1er, 2°, CIR 92, modifié) ou
transfèrerait sans dissolution tout ou partie de son avoir
social dans le cadre d’une opération qui serait analogue
à celle que le CIR 92 définit comme l’opération assimilée
à une scission mais ne répondant pas à la définition
de celle-ci (art. 210, § 1er, 2°bis, CIR 92, nouveau). Ces
dispositions s’appliqueront, par exemple, si une société
résidente est “absorbée” dans le cadre d’une “fusion par
absorption” comportant une soulte en espèces supé-
rieure à celle que permet la définition de la fusion par
absorption du CIR 92 (art. 210, § 1er, 2°, CIR 92, modifié),
ou transfère une partie de son patrimoine dans le cadre
16
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
kader van een “fusie door overneming” met een opleg
in geld die hoger is dan toegelaten in de definitie van
de fusie door overneming in het WIB 92 (art. 210, § 1,
2°, WIB 92, gewijzigd), of een deel van haar vermogen
overdraagt in het kader van een “partiële splitsing”
met rechtstreekse toekenning van nieuwe aandelen of
deelbewijzen aan haar aandeelhouders of vennoten,
niet van de verkrijgende vennootschap, maar van de
moedervennootschap daarvan (art. 210, § 1, 2°bis,
WIB 92, nieuw). Overigens, artikel 210, § 1, 2°, WIB 92,
waarop het ontwerp aldus steunt, omvatte reeds lange
tijd de verrichting van “ontbinding zonder verdeling van
het maatschappelijk vermogen” anders dan bij wijze van
fusie, splitsing of verrichting gelijkgesteld met een fusie
of met een splitsing, om te verzekeren dat het regime
van vereffening van toepassing is in het geval dat alle
aandelen of deelbewijzen van de vereffende vennoot-
schap in handen zijn van één enkele aandeelhouder
of vennoot; er is in dit geval inderdaad strikt genomen
geen echt sprake van “verdeling van het maatschap-
pelijk vermogen”.
c) (artikelen 43, 1° en 8°, 57, 1° en 2°, 68, 70, 72, 1°, 74,
76, 80, 1° tot 5°, 7° en 8°, en 81, van het ontwerp) Deze
wijzigingen vereisen overeenstemmende aanpassingen
in diverse bepalingen van het WIB 92: artikelen 201, § 1,
1°bis, en § 4, 231, § 2, eerste en derde lid, 305, derde
lid, 310, tweede lid, 357, 3°, 365, 399ter, 413/1, § 1, eer-
ste lid, 1° tot 5°, en § 3, eerste lid, 1° en 4°, en 442bis,
§ 4. Naar aanleiding van het advies nr. 63.599/3 van de
Raad van State werden de woorden “de eerste maal”
en “de tweede maal” geschrapt in de Nederlandstalige
tekst van artikel 70 van het ontwerp.
6) (artikelen 5, 69 en 71, van het ontwerp) De
overgang naar de statutaire zetelleer houdt niet alleen
in dat een binnenlandse vennootschap, die aan de
Ven.B onderworpen is, van nu af aan een buitenlands
vennootschapsrecht kan onderworpen zijn, maar ook dat
ze aan een buitenlands boekhoudrecht (en verplichtingen
voorgeschreven door dat recht) kan onderworpen zijn.
Artikel 5 van dit ontwerp vult dus artikel 24, WIB 92 aan
door te stellen dat de belastbare winst wordt bepaald
overeenkomstig de Belgische boekhoudkundige
regels, teneinde alle twijfel hieromtrent weg te nemen.
Deze bepaling wijzigt op generlei wijze de bestaande
boekhoudkundige verplichtingen noch de winstbepaling
in hoofde van vennootschappen waarvan de werkelijke
zetel reeds in België is gelegen vóór de inwerkingtreding
van de huidige wet. Het betreft een codificatie van
bestaande rechtspraak van het Hof van Cassatie (zie
Hof van Cassatie, 20 februari 1997, AC, 1997, nr. 100,
en Hof van Cassatie, 22 juni 2000, AC, 2000, nr. 393;
zie ook Hof van Cassatie, 10 juni 2010, AC, 2010, nr. 41).
Een nieuw artikel 320/1, WIB 92, zoals ingevoegd door
artikel 71 van het huidige ontwerp, bepaalt dat elke
d’une “scission partielle” avec remise directe à ses
actionnaires ou associés d’actions ou parts nouvelles,
non de la société bénéficiaire du transfert, mais de la
société mère de celle-ci (art. 210, § 1er, 2°bis, CIR 92,
nouveau). Rappelons incidemment que l’article 210,
§ 1er, 2°, CIR 92, sur lequel le projet prend ainsi appui,
visait de longue date le cas de “dissolution sans qu’il y
ait partage de l’avoir social” autrement que par fusion,
scission ou opération assimilée à une fusion ou à une
scission, pour faire en sorte que le régime de la liqui-
dation s’applique dans le cas où toutes les actions ou
parts de la société liquidée sont entre les mains d’un
seul actionnaire ou associé; il n’y a en effet dans ce cas
pas à proprement-parler de “partage de l’avoir social”.
c) (articles 43, 1° et 8°, 57, 1° et 2°, 68, 70, 72, 1°, 74,
76, 80, 1° à 5°, 7° et 8°, et 81, du projet) Ces modifications
nécessitent des adaptations corrélatives dans diverses
dispositions du CIR 92: articles 210, § 1er, 1°bis, et § 4,
231, § 2, alinéas 1er et 3, 305, alinéa 3, 310, alinéa 2,
357, 3°, 365, 399ter, 413/1, § 1er, alinéa 1er, 1° à 5°, et
§ 3, alinéa 1er, 1° et 4°, et 442bis, § 4. Suite à l’avis
n° 63.599/3 du Conseil d’État, les mots “de eerste maal”
et “de tweede maal” ont été supprimés dans le texte en
néerlandais de l’article 70 du projet.
6) (articles 5, 69 et 71, du projet) Le passage à la
théorie du siège statutaire implique qu’une société
résidente, assujettie à l’ISoc., sera désormais sus-
ceptible d’être régie non seulement par un droit des
sociétés étranger mais également par un droit et des
obligations comptables étrangers. L’article 5 du présent
projet complète dès lors l’article 24, CIR 92 pour écar-
ter tout doute sur le fait que les bénéfices imposables
sont déterminés conformément aux règles comptables
belges. Cette disposition ne modifie en aucune manière
ni les obligations comptables ni la détermination des
bénéfices imposables des sociétés dont le siège réel
est déjà situé en Belgique. Il s’agit d’une codification
de la jurisprudence de la Cour de cassation (voir Cass,
20 février 1997, Pas., 1997, I, n° 100, et Cass., 22 juin,
2000, Pas., 2000, I, n° 393; voir aussi Cass, 10 Juin
2010, Pas., 2010, n° 41). Un nouvel article 320/1, CIR 92,
tel qu’inséré par l’article 71 du présent projet, prévoit
que toute société résidente ainsi que tout contribuable
étranger (au sens de l’article 227, 2 °, qui recueille des
bénéfices au sens de l’article 228, § 2, 3°, par le biais
d’un établissement belge visé à l’article 229) est tenu,
17
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
binnenlandse vennootschap en elke buitenlandse
belastingplichtige (in de zin van artikel 227, 2°, die winst
in de zin van artikel 228, § 2, 3°, voortbrengt d.m.v. een
in artikel 229 bedoelde Belgische inrichting) ertoe is
gehouden, met het oog op het bepalen en het nazien
van zijn fiscale toestand, een boekhouding te voeren,
een inventaris op te stellen en een jaarrekening bij te
houden overeenkomstig het Belgische boekhoudrecht
dat van toepassing is op ondernemingen die aan dat
recht zijn onderworpen, een gelijkaardige rechtsvorm
hebben en dezelfde activiteit uitoefenen. Indien de
belastingplichtige aan de belasting van niet-inwoners
onderworpen is, zijn deze verplichtingen beperkt tot
de verrichtingen, bezittingen, rechten, vorderingen,
schulden, verplichtingen van welke aard ook die
verbonden zijn aan bovenvermelde Belgische inrichting.
Het is evenwel mogelijk dat in bepaalde gevallen, de
verplichting voor de belastingplichtige om een boekhou-
ding te houden en een jaarrekening op te stellen in over-
eenstemming met de Belgische boekhoudwetgeving
geen echte meerwaarde oplevert voor de controle en
de vaststelling van de belastbare basis. De tekst staat
derhalve de Koning toe te voorzien in een volledige of
gedeeltelijke vrijstelling van deze boekhoudkundige
verplichtingen.
Tot slot bepaalt een nieuw artikel 307, § 2/1, WIB 92,
zoals ingevoegd door artikel 69, van dit ontwerp, dat
elke Belgische en buitenlandse vennootschap de jaar-
rekening, zoals hierboven bedoeld, moet aanhechten in
bijlage bij de aangifte in de vennootschapsbelasting en
de belasting van niet-inwoners. Indien de vennootschap
echter gehouden is dergelijke jaarrekening te publiceren,
moet deze niet bij de aangifte worden gevoegd, maar
maakt deze niettemin deel uit van de aangifte. Hiermee
wordt beoogd dat de Belgische belastingadministratie,
ook voor vennootschappen met statutaire zetel buiten
België maar met werkelijke zetel in België (dus binnen-
landse vennootschappen die bijgevolg onderworpen
zijn aan belasting op de wereldwijde winst), steeds be-
schikt over een Belgische jaarrekening voor de fiscale
winstbepaling. Deze maatregel is gerechtvaardigd om
de Belgische fiscus toe te laten zijn controlebevoegd-
heden uit te oefenen, de winst van de vennootschap
en de belastbare basis correct te bepalen aan de hand
van het Belgische boekhoudrecht en beoogt fraude te
vermijden.
7) De bepalingen van het WIB 92 met betrekking
tot de verwerving van eigen aandelen of deelbewijzen
moesten op drie manieren worden aangepast.
a) (artikel 29, 1 ° van het ontwerp) Artikel 186, tweede
lid, WIB 92 wijkt af van de onmiddellijke belasting als
dividend van de “inkoopbonus” (het positieve verschil
en vue de la détermination et de la vérification de sa
situation fiscale, de tenir une comptabilité, procéder à un
inventaire et établir des comptes annuels conformément
au droit comptable belge applicable aux entreprises
soumises à ce droit ayant une forme analogue et exer-
çant la même activité. Si le contribuable est assujetti à
l’impôt des non-résidents, ces obligations sont limitées
aux opérations, avoirs, droits, dettes, obligations et
engagements de toute nature, liés à l’établissement
belge précité.
Il se pourrait cependant que, dans certains cas,
l’obligation faite au contribuable de tenir une compta-
bilité et établir des comptes annuels conformément au
droit comptable belge n’apporte pas de réelle valeur
ajoutée pour le contrôle et la détermination de la base
imposable. Le texte habilite dès lors le Roi à prévoir
des dispenses de tout ou partie de ces obligations
comptables.
Enfin, un nouvel article 307, § 2/1, CIR 92, tel qu’in-
séré par l’article 69, du présent projet, dispose que
toute société belge et étrangère doit joindre les comptes
annuels, tels que mentionnés ci-dessus, à la déclaration
à l’impôt des sociétés et à l’impôt des non-résidents. Si
la société est tenue de publier de tels comptes annuels,
ceux-ci ne doivent pas être joints à la déclaration mais
en font néanmoins partie intégrante. On garantit ainsi
que l’administration fiscale belge dispose toujours de
comptes annuels belges pour la détermination du béné-
fice fiscal, y compris pour les sociétés ayant leur siège
statutaire en dehors de la Belgique mais leur siège
réel en Belgique (donc des sociétés résidentes et dès
lors soumises à la taxation sur le bénéfice mondial).
Cette mesure est légitime pour permettre au fisc belge
d’exercer ses compétences de contrôle, de déterminer
correctement le bénéfice de la société et la base impo-
sable sur la base du droit comptable belge et d’éviter
la fraude.
7) Les dispositions du CIR 92 relatives aux acqui-
sitions d’actions ou parts propres ont dû recevoir des
adaptations de trois ordres.
a) (article 29, 1°, du projet) L’article 186, alinéa 2,
CIR 92, déroge à la taxation immédiate en tant que divi-
dende du “boni d’acquisition” (excédent que présente le
18
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
tussen de verkrijgingsprijs of, bij ontstentenis daarvan,
de waarde van de verkregen eigen aandelen of deel-
bewijzen, en het gedeelte van het gerevaloriseerde
gestorte kapitaal dat zij vertegenwoordigen) wanneer
de aandelen of deelbewijzen worden verworven “onder
de voorwaarden gesteld in het Wetboek van vennoot-
schappen”. Deze bepaling verwijst vanaf heden naar de
voorwaarden voorgeschreven door het WVV of, indien
de vennootschap niet wordt beheerst door dit Wetboek,
naar de voorwaarden voorgeschreven door het rechts-
personenrecht dat haar beheerst. De overgang naar de
statutaire zetelleer maakt deze laatste precisering nood-
zakelijk, aangezien een binnenlandse vennootschap,
onderworpen aan de Ven.B, vanaf nu door buitenlands
vennootschapsrecht kan worden beheerst.
b) (artikelen 3, 4°, 29, 2°, en 30, van het ontwerp)
Tot nog toe liet het Wetboek van vennootschappen,
waarnaar artikel 186, tweede lid, WIB 92 verwees, zoals
hiervoor wordt vermeld, het behoud van eigen aandelen
in portefeuille toe ten belope van ten hoogste 20 pct.
Het wetsontwerp tot invoering van het WVV schaft dit
maximum af (zie, voor de naamloze vennootschap, de
artikelen 7:201 en volgende WVV).
Om de fiscale neutraliteit van de hervorming van het
vennootschapsrecht te verzekeren, wordt dit maximum
van 20 pct. nu opgenomen in het WIB 92 zelf door in
nieuw artikel 186, zesde lid, te voorzien dat, in de mate
dat de verkrijging van eigen aandelen tot gevolg heeft
dat de vennootschap die de aandelen heeft uitgege-
ven eigen aandelen in portefeuille houdt die meer dan
20 pct. van haar kapitaal vertegenwoordigen, de nieuw-
verworven aandelen worden geacht te zijn vernietigd in
de zin van het tweede lid, 3°, van artikel 186, WIB 92.
Door deze fictie is het uitstel van belastingheffing
bepaald in artikel 186, tweede lid, WIB 92 niet van
toepassing op deze aandelen zodat de “inkoopbonus”
van deze aandelen onmiddellijk wordt beschouwd als
een uitgekeerd dividend in hoofde van de vennootschap
die de aandelen heeft uitgegeven en de overdragende
aandeelhouder of vennoot. Het begrip “kapitaal “, alsook
het begrip “gestort kapitaal “, heeft hier dezelfde betekenis
als in artikel 2, WIB 92. Een toepassingsvoorbeeld van
deze regel: een vennootschap waarvan het kapitaal
door 100 aandelen wordt vertegenwoordigd, heeft
17 eigen aandelen in portefeuille en wenst 8 extra eigen
aandelen te verwerven die ze in portefeuille wenst te
behouden. Indien de vennootschap voorafgaand aan
de nieuwe verwerving 5 van de 17 eigen aandelen
die zij in portefeuille heeft, vernietigt of vervreemdt,
dan is de nieuwe regel niet van toepassing omdat de
verwerving van de 8 extra aandelen niet tot gevolg
zal hebben dat de vennootschap meer dan 20 pct.
van haar eigen aandelen zal bezitten. Indien ze
prix d’acquisition ou, à défaut, la valeur des actions ou
parts propres acquises, sur la quote-part de la valeur
réévaluée du capital libéré représenté par celles-ci)
dans le cas où les actions ou parts sont acquises “aux
conditions prescrites par le Code des sociétés”. Cette
disposition renvoie désormais aux conditions prescrites
par le CSA ou, dans le cas où la société n’est pas régie
par ce Code, aux conditions prescrites par le droit des
personnes morales qui la régit. Le passage à la théorie
du siège statutaire nécessite cette dernière précision
puisqu’une société résidente, assujettie à l’ISoc, sera
désormais susceptible d’être régie par un droit des
sociétés étranger.
b) (articles 3, 4°, 29, 2°, et 30, du projet) Jusqu’à
présent, le Code des sociétés, auquel l’article 186,
alinéa 2, CIR 92 faisait référence comme dit ci-dessus,
autorisait la conservation d’actions ou parts propres en
portefeuille à concurrence de maximum 20 p.c. Le projet
de loi introduisant le CSA supprime ce plafond (voir, pour
la société anonyme, les art. 7:201 et suivants du CSA).
Pour assurer la neutralité fiscale de la réforme du
droit des sociétés, ce plafond de 20 p.c. est à présent
introduit dans le CIR 92 lui-même en prévoyant, dans
l’article 186, alinéa 6, nouveau, que, dans la mesure
où l’acquisition des actions ou parts propres a pour
effet que la société émettrice détient en portefeuille des
actions ou parts propres représentant plus de 20 p.c.
de son capital, les actions ou parts propres nouvelle-
ment acquises sont censées être détruites au sens de
l’alinéa 2, 3°, de l’article 186, CIR 92.
Cette fiction rend dès lors inapplicable, pour ces ac-
tions et parts, le sursis à taxation prévu par l’article 186,
alinéa 2, CIR 92 de sorte que le “boni d’acquisition”
de ces actions ou parts est immédiatement considéré
comme un dividende distribué dans le chef de la société
émettrice et de l’actionnaire ou associé cédant. Le terme
“capital”, comme l’expression “capital libéré”, ont ici le
sens défini dans l’article 2, CIR 92. Exemple d’appli-
cation de cette règle: une société dont le capital est
représenté par 100 actions a en portefeuille 17 actions
propres et souhaite acquérir 8 actions propres supplé-
mentaires qu’elle souhaite conserver en portefeuille. Si
préalablement à la nouvelle acquisition la société annule
ou aliène 5 des 17 actions propres qu’elle a en porte-
feuille, la règle nouvelle ne jouera pas puisque l’acqui-
sition des 8 actions supplémentaires n’aura pas pour
effet que la société détiendra plus de 20 p.c. d’actions
propres. Si, en revanche, elle conserve en portefeuille
ces 17 actions propres, 5 des actions propres nouvel-
lement acquises et conservées en portefeuille seront
19
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
daarentegen de 17 eigen aandelen in portefeuille
houdt, dan zullen de 5 nieuw verworven eigen aandelen
die in portefeuille worden gehouden fiscaal worden
geacht te zijn vernietigd vanaf de verwerving. Indien
de extra aandelen gelijktijdig worden verworven,
maar van verschillende overdragers en/of tegen een
verschillende prijs, belet niets dat de vennootschap
de aandelen aanduidt die zullen worden geacht te zijn
vernietigd. Bij gebrek aan een dergelijke aanduiding,
zal de fictie van de vernietiging proportioneel worden
toegepast op het aantal aandelen dat is overgedragen
door iedere overdrager en/of tegen iedere andere prijs.
Het voorontwerp van wet wordt aangevuld om deze
regels van toerekening in het artikel 186, WIB 92 zelf
in te voegen ingevolge het advies van de Raad van
State. Niets belet uiteraard dat de vennootschap
daadwerkelijk een deel van de nieuw verworven eigen
aandelen vernietigt vanaf hun verwerving, in welk geval
artikel 186, zesde lid, WIB 92 uitsluitend op het saldo
van toepassing zal zijn.
Het nieuwe artikel 186, zesde lid, WIB 92 bepaalt in
fine dat zolang de eigen aandelen die worden geacht
te zijn vernietigd, in portefeuille worden gehouden,
hun fiscale nettowaarde gelijk is aan nul en de waarde
waarvoor ze op de balans zijn ingeschreven een uit-
gedrukte niet verwezenlijkte meerwaarde vormt, zoals
bedoeld in de artikelen 44, § 1, 1°, en 190, WIB 92.
Artikel 188, WIB 92 wordt in die zin aangevuld dat in
geval van een latere vervreemding van eigen aandelen
die worden geacht te zijn vernietigd, de prijs of andere
netto vergoeding die de vennootschap verkrijgt voor
deze vervreemding, enerzijds, geen invloed zal hebben
op haar belastbare winst ten belope van de aanschaff-
ingswaarde van de vervreemde eigen aandelen en,
anderzijds, het gestort kapitaal van de vennootschap zal
verhogen ten belope van ten hoogste het bedrag van het
gestort kapitaal dat was verminderd bij de verwerving.
Ten slotte wordt het voorontwerp van wet aangevuld
teneinde rekening te houden met de opmerking van de
Raad van State in zijn advies nr. 63.598/3 betreffende
de toepassing van de vrijstellingsvoorwaarden voor
meerwaarden op aandelen voorzien in artikel 192, § 1,
WIB 92, wanneer een vennootschap die eigen aandelen
in portefeuille behoudt die meer dan 20 pct. van haar
kapitaal vertegenwoordigen en die geacht worden te
zijn vernietigd overeenkomstig artikel 186, zesde lid,
WIB 92, in ontwerp, deze aandelen overdraagt.
Concreet betekent dit dat de duur van een jaar van
het ononderbroken behoud van de aandelen (perma-
nentievoorwaarde) en het bedrag van de minimale
deelneming (participatievoorwaarde) als bedoeld in
het artikel 202, § 2, WIB 92, niet worden onderbroken
respectievelijk verminderd ingevolge de fictie van
fiscalement censées détruites dès l’acquisition. Dans le
cas où l’acquisition des actions supplémentaires a lieu
simultanément mais auprès de cédants différents et/ou
pour des prix différents, rien ne s’oppose à ce que la
société désigne celles des actions qui seront censées
détruites. A défaut d’une telle désignation, la fiction de
destruction sera appliquée de façon proportionnelle au
nombre d’actions cédées par chaque cédant et/ou à
chaque prix différent. L’avant-projet de loi est complété
afin d’insérer ces règles d’imputation dans l’article 186,
CIR 92, même, suivant en cela l’avis du Conseil d’État.
Rien ne s’oppose, bien entendu, à ce que la société
détruise effectivement une partie des actions propres
nouvellement acquises dès leur acquisition, auquel cas
l’article 186, alinéa 6, CIR 92 s’appliquera uniquement
au solde.
Le nouvel article 186, alinéa 6, CIR 92 prévoit in
fine que tant que les actions ou parts propres censées
détruites sont conservées en portefeuille, leur valeur
fiscale nette est égale à zéro et la valeur pour laquelle
elles sont inscrites au bilan constitue une plus-value
exprimée non réalisée visée aux articles 44, § 1er, 1°,
et 190, CIR 92. L’article 188, CIR 92 est complété pour
prévoir qu’en cas d’aliénation ultérieure des actions
propres ainsi censées détruites, le prix ou autre contre-
partie nette que la société obtient pour cette aliénation,
d’une part, restera sans incidence sur son bénéfice
imposable jusqu’à concurrence de la valeur d’acqui-
sition des actions propres aliénées et, d’autre part,
majorera le capital libéré de la société à concurrence
au maximum du montant du capital libéré qui avait été
réduit lors de l’acquisition.
Enfin, l’avant-projet de loi est complété afin de tenir
compte de la remarque du Conseil d’État dans son avis
n° 63.598/3 concernant l’application des conditions
d’exonération des plus-values prévues par l’article 192,
§ 1er, CIR 92, lorsqu’une société qui conserve des
actions ou parts propres en portefeuille représentant
plus de 20 p.c. de son capital et qui sont censées être
détruites en application de l’article 186, alinéa 6, CIR 92,
en projet, cède ces actions ou parts.
Cela signifie concrètement que la durée de détention
ininterrompue d’un an des actions ou parts (condi-
tion de permanence) et le montant de la participation
minimale (condition de participation) qui sont prévus
à l’article 202, § 2, CIR 92, ne sont pas respective-
ment interrompus et réduits en raison de la fiction de
20
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vernietiging van de aandelen voorzien in artikel 186,
nieuw zesde lid, WIB 92.
Wat de toepassing van de permanentievoorwaarde en
de participatievoorwaarde betreft, met betrekking tot de
verzaking aan de roerende voorheffing op de inkoopboni
van eigen aandelen bij toepassing van de fictie van
vernietiging van de aandelen voorzien in artikel 186,
nieuw zesde lid, WIB 92, is het duidelijk dat, zoals door
de Raad van State vermeld, deze voorwaarden op het
ogenblik van de aankoop beoordeeld moeten worden,
aangezien de vennootschap op dat ogenblik geacht
wordt een dividend uit te keren.
De Raad van State richt zich ook op het geval waarbij
de inkoop van de eigen aandelen onder het plafond van
20 pct. blijft, en deze inkoop niet gevolgd wordt door een
onmiddellijke verkoop of vernietiging. In deze hypothese
zijn het ogenblik van de betaling van de aandelen
(de verdeling van een deel van het maatschappelijk
vermogen) en het ogenblik waarop de gebeurtenis
plaatsvindt die aanleiding geeft tot de uitkering van
het dividend, die wordt bepaald door het plaatsvinden
van een van de situaties bedoeld in artikel 186, tweede
lid, WIB 92, gedissocieerd van elkaar in de tijd, met
de gevolgen hiervan die door de Raad van State in
herinnering worden gebracht. Dat zijn evenwel geen
gevolgen van de nieuwe ontwerpbepalingen, maar
van het vigerende stelsel dat werd ingesteld door de
wetten van 22 december 1989 en 24 december 2002,
zodat de oplossing voor deze gevallen moet worden
ondergebracht in een ontwerp dat losstaat van dit
ontwerp, dat enkel voorziet in de verzekering van de
fiscale neutraliteit in vergelijking met de vigerende
situatie, waarbij de bepalingen van het Wetboek van
vennootschappen, die op dit ogenblik worden herzien,
de onmiddellijke vernietiging voorzagen van de eigen
aandelen die meer dan 20 pct. vertegenwoordigen van
het kapitaal van de vennootschap.
Voorbeelden:
De naamloze vennootschap A beschikt over een
kapitaal van 1 200 000 euro, volledig samengesteld uit
gestort kapitaal, vertegenwoordigd door 4 000 aandelen
met een nominale waarde per eenheid van 300 euro.
Terwijl zij al 800 eigen aandelen, verworven aan een
eenheidsprijs van 300 euro, in portefeuille heeft, koopt
zij tijdens hetzelfde boekjaar 1 000 eigen aandelen bij
aan een eenheidsprijs van 1 000 euro.
destruction des actions ou parts prévue à l’article 186,
alinéa 6, nouveau, CIR 92.
En ce qui concerne l’application des conditions de
permanence et de participation en vue de la renoncia-
tion au précompte mobilier sur les bonis d’acquisition
d’actions ou parts propres, il est clair, comme le relève
le Conseil d’État, qu’en cas d’application de la fiction de
destruction des actions ou parts prévue à l’article 186,
alinéa 6, nouveau, CIR 92, ces conditions doivent s’ap-
précier au moment de l’acquisition, puisque la société
est censée distribuer un dividende à ce moment.
Le Conseil d’État envisage également la situation
des achats d’actions ou parts propres, en dessous du
plafond de 20 p.c., non suivis d’une vente ou d’une des-
truction immédiate. Dans cette hypothèse, le moment
du paiement des actions ou parts (la distribution d’une
partie de l’avoir social) et le moment où apparaît le
fait générateur de la distribution du dividende, qui est
déterminé par la survenance d’une des situations visées
à l’article 186, alinéa 2, CIR 92, sont en effet dissociés
dans le temps, avec les conséquences qui sont rappe-
lées par le Conseil d’État. Il ne s’agit cependant pas
de conséquences des nouvelles dispositions en projet,
mais de conséquences du régime actuel instauré par
les lois du 22 décembre 1989 et du 24 décembre 2002,
de sorte qu’une solution à ces situations devrait être
recherchée dans le cadre d’un projet distinct du présent
projet, lequel vise uniquement à assurer la neutralité
fiscale par rapport à la situation actuelle, dans laquelle
les dispositions du Code des sociétés qui est actuel-
lement soumis à révision impliquaient la destruction
immédiate des actions ou parts propres représentant
plus de 20 p.c. du capital de la société.
Exemples:
La société anonyme A dispose d’un capital de
1 200 000 euros entièrement composé de capital libéré,
représenté par 4 000 actions d’une valeur nominale
unitaire de 300 euros.
Alors qu’elle possède déjà en portefeuille 800 actions
propres acquises au prix unitaire de 300 euros, elle
achète 1 000 actions propres supplémentaires au prix
unitaire de 1 000 euros au cours du même exercice
comptable.
21
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1. In de veronderstelling van een aankoop van eigen
aandelen gevolgd door een overdracht:
1.1. Boekhoudkundig:
— Beginsituatie:
Vaste activa: 1 660 000
Kapitaal: 1 200 000
Eigen aandelen: 240 000
Wettelijke en beschikba-
re reserves: 1 560 000
Kredietinstellingen:
1 100 000
Onbeschikbare reserve:
240 000
Totaal van de activa:
3 000 000
Totaal van de passiva:
3 000 000
— Aankoop van 1 000 aandelen A aan een prijs per
eenheid van 1 000 euro:
Vaste activa: 1 660 000
Kapitaal: 1 200 000
Eigen aandelen:
1 240 000
Wettelijke en beschik-
bare reserves: 560 000
Kredietinstellingen:
100 000
Onbeschikbare reserve:
1 240 000
Totaal van de activa:
3 000 000
Totaal van de passiva:
3 000 000
— Hypothese 1. Verkoop van 1 000 aandelen A aan
een eenheidsprijs van 800 euro:
Vaste activa: 1 660 000
Kapitaal: 1 200 000
Eigen aandelen: 240 000
Wettelijke en beschikba-
re reserves: 1 360 000
Kredietinstellingen:
900 000
Onbeschikbare reserve:
240 000
Totaal van de activa:
2 800 000
Totaal van de passiva:
2 800 000
— Hypothese 2. Verkoop van 1 000 aandelen A aan
een eenheidsprijs van 1 200 euro:
Vaste activa: 1 660 000
Kapitaal: 1 200 000
Eigen aandelen: 240 000
Wettelijke en beschikba-
re reserves: 1 760 000
Kredietinstellingen:
1 300 000
Onbeschikbare reserve:
240 000
Totaal van de activa:
3 200 000
Totaal van de passiva:
3 200 000
1. Dans l’hypothèse d’un achat d’actions ou parts
propres suivi d’une cession:
1.1. Comptablement:
— Situation de départ:
Immobilisations:
1 660 000
Capital: 1 200 000
Actions propres: 240 000
Réserves légale et
disponibles: 1 560 000
Etablissements de crédit:
1 100 000
Réserve indisponible:
240 000
Total de l’actif: 3 000 000
Total du passif:
3 000 000
— Achat de 1 000 actions A au prix unitaire de
1 000 euros:
Immobilisations:
1 660 000
Capital: 1 200 000
Actions propres:
1 240 000
Réserves légale et
disponibles: 560 000
Etablissements de crédit:
100 000
Réserve indisponible:
1 240 000
Total de l’actif: 3 000 000
Total du passif:
3 000 000
— Hypothèse 1. Vente de 1 000 actions A au prix
unitaire de 800 euros:
Immobilisations:
1 660 000
Capital: 1 200 000
Actions propres: 240 000
Réserves légale et
disponibles: 1 360 000
Etablissements de crédit:
900 000
Réserve indisponible:
240 000
Total de l’actif: 2 800 000
Total du passif:
2 800 000
— Hypothèse 2. Vente des 1 000 actions A au prix
unitaire de 1 200 euros:
Immobilisations:
1 660 000
Capital: 1 200 000
Actions propres: 240 000
Réserves légale et
disponibles: 1 760 000
Etablissements de crédit:
1 300 000
Réserve indisponible:
240 000
Total de l’actif: 3 200 000
Total du passif:
3 200 000
22
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1.2. Fiscaal:
— Beginsituatie:
Opgave 328D (toestand van het kapitaal)
Kolom 2 (verrichtingen): verwerving van 800 eigen
aandelen
Kolom 4 (werkelijk gestort kapitaal)
1 200 000
-240 000 (20 pct.)
960 000
Kolom 8 (eigen aandelen in portefeuille)
240 000
Opgave 328R (toestand van de belaste reserves)
Wettelijke en beschikbare reserves
1 560 000
Onbeschikbare reserve voor eigen aandelen
240 000
Totaal van de belaste reserves
1 800 000
Opgave 328S (toestand van de vrijgestelde reserves)
Uitgedrukte niet-verwezenlijkte meerwaarde
0
— Aankoop van 1 000 aandelen A aan een een-
heidsprijs van 1 000 euro. De vennootschap heeft al
aandelen in portefeuille die 20 pct. van het kapitaal
vertegenwoordigen (800 aandelen met een nominale
waarde van 300 euro), waardoor de 1 000 bijkomende
aandelen geacht worden vernietigd te zijn zolang deze
aandelen in portefeuille blijven (artikel 186, zesde lid,
WIB 92, in ontwerp).
1.2. Fiscalement:
— Situation de départ:
Relevé 328D (situation du capital)
Colonne 2 (opérations): acquisition de 800 actions
propres
Col. 4 (Capital réellement libéré)
1 200 000
-240 000 (20 p.c.)
960 000
Col. 8 (actions propres en portefeuille)
240 000
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
1 560 000
Réserve indisponible pour actions propres
240 000
Total des réserves taxées
1 800 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée
0
— Achat de 1 000 actions A au prix unitaire de
1 000 euros. La société détenant déjà en portefeuille
des actions représentant 20 p.c. du capital (800 actions
d’une valeur nominale de 300), les 1 000 actions sup-
plémentaires sont censées être détruites tant que ces
actions restent en portefeuille (article 186, alinéa 6,
CIR 92, en projet).
23
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— Tussentijdse situatie:
Opgave 328D (toestand van het kapitaal)
Kolom 2 (verrichtingen): verwerving van 800 +
1 000 eigen aandelen
Kolom 4 (werkelijk gestort kapitaal)
1 200 000
-240 000 (20 pct.)
-300 000 (25 pct.)
660 000
Kolom 8a (eigen aandelen in portefeuille)
240 000
Kolom 8b (eigen aandelen in portefeuille geacht
vernietigd te zijn)
300 000 (> 20 pct.)
Opgave 328R (Toestand van de belaste reserves)
Wettelijke en beschikbare reserves
1 560 000 (A)
-1 000 000
560 000 (A)
Onbeschikbare reserve voor eigen aandelen
240 000
+300 000 (1)
540 000 (B)
Totaal van de belaste reserves
1 100 000 (A+B)
(1) Vanuit fiscaal oogpunt, werd de on-
beschikbare reserve uitgekeerd ten belope van
700 000 (1 000 000 -300 000 gestort kapitaal)
Opgave 328S (Toestand van de vrijgestelde reserves)
Onbeschikbare reserve voor eigen aandelen.
Uitgedrukte niet-verwezenlijkte meerwaarde
700 000 (2)
Onbeschikbare reserve uit kapitaal
300 000
— Situation intermédiaire:
Relevé 328D (situation du capital)
Colonne 2 (opérations): acquisition de 800 +
1 000 actions propres
Col. 4 (Capital réellement libéré)
1 200 000
-240 000 (20 p.c.)
-300 000 (25 p.c.)
660 000
Col. 8a (actions propres en portefeuille)
240 000
Col. 8b (actions propres en portefeuille censées
annulées)
300 000 (> 20 p.c.)
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
1 560 000 (A)
-1 000 000
560 000 (A)
Réserve indisponible pour actions propres
240 000
+ 300 000 (1)
540 000 (B)
Total des réserves taxées
1 100 000 (A+B)
(1) Fiscalement, la réserve indisponible a été distri-
buée à concurrence de 700 000 (1 000 000 -300 000 de
capital libéré)
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Réserve indisponible sur actions propres. Plus-value
exprimée non réalisée
700 000 (2)
Réserve indisponible prélevée sur le capital
300 000
24
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
(2) De onbeschikbare reserve vertegenwoordigt ten
belope van 700 000 de tegenhanger van de uitgedrukte
niet-verwezenlijkte meerwaarde op de fictief vernietigde
aandelen.
Fiscaal resultaat:
Belastbaar gereserveerde winst:
— Onttrekking aan de reserve:
-700 000 (3)
— Dividenden:
+700 000 (4)
— Belastbare grondslag in de Ven.B.:
0
(3) De aandelen die vanuit fiscaal oogpunt vernietigd
waren, betreffen een minderwaarde die niet is opge-
nomen in de verworpen uitgaven, aangezien dat een
gelijkaardig bedrag is opgenomen als dividend en dat
geen enkel bedrag moet worden opgenomen in de ver-
worpen uitgaven ten belope van het bedrag opgenomen
in het gestort kapitaal.
(4) RV aan 30 pct., tenzij vrijstelling (aankoop via een
gereglementeerde markt, artikel 264, eerste lid, 2°bis,
WIB 92) of verzaking van haar inning.
— Hypothese 1. Verkoop van 1 000 aandelen A
aan een eenheidsprijs van 800 euro tijdens hetzelfde
aanslagjaar:
Opgave 328D (toestand van het kapitaal)
Kolom 2 (verrichtingen): verkoop van 1 000 eigen
aandelen
Kolom 4 (Werkelijk gestort kapitaal)
660 000
+300 000
960 000
Kolom 8a (eigen aandelen in portefeuille)
240 000
Kolom 8b (eigen aandelen in portefeuille geacht
vernietigd te zijn)
0
(2) La réserve indisponible représente à concurrence
de 700 000 la contrepartie de la plus-value exprimée
non réalisée sur les actions annulées par fiction.
Résultat fiscal:
Bénéfices réservés imposables:
— Prélèvement sur réserve:
-700 000 (3)
— Dividendes:
+700 000 (4)
— Base imposable à l’Isoc.:
0
(3) Les actions ayant été annulées fiscalement,
il s’agit d’une moins-value qui n’est pas reprise en
dépenses non admises étant donné qu’un montant
correspondant est repris en dividende et qu’aucun
montant ne doit être repris en dépenses non admises
à concurrence du montant porté en capital libéré.
(4) Pr.M à 30 p.c. sauf exemption de Pr.M (achat sur
un marché réglementé, article 264, alinéa 1er, 2°bis,
CIR 92) ou renonciation à sa perception.
— Hypothèse 1. Vente des 1 000 actions A au prix
unitaire de 800 euros au cours du même exercice:
Relevé 328D (situation du capital)
Colonne 2 (opérations): vente 1000 actions propres
Col. 4 (Capital réellement libéré)
660 000
+300 000
960 000
Col. 8a (actions propres en portefeuille)
240 000
Col. 8b (actions propres en portefeuille censées
annulées)
0
25
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Opgave 328R (Toestand van de belaste reserves)
Wettelijke en beschikbare reserves
1 560 000
Onbeschikbare reserve voor eigen aandelen
240 000
Overgedragen verlies (minderwaarde op eigen
aandelen)
-200 000
Saldo
1 600 000
Opgave 328S (Toestand van de vrijgestelde reserves)
Saldo
0
Fiscaal resultaat:
Belastbare reserves:
-200 000 (5)
Vermeerdering van de beginsituatie van de belastbare
reserves:
-500 000 (6)
Belastbare gereserveerde winst:
-700 000
Uitgekeerde dividenden
700 000 (7)
Belastbare grondslag in de Ven.B.:
0
5) 1 600 000 (eindsituatie van de belaste reserves)
-1 800 000 (beginsituatie van de belaste reserves)
(6) 800 000 (verkoopprijs) min het bedrag in kapitaal
(300 000)
(7) Op het ogenblik van de fictieve vernietiging van
de aandelen, te hernemen in de aangifte.
— Hypothese 2. Verkoop van 1 000 aandelen A aan
een eenheidsprijs van 1 200 euro tijdens hetzelfde
aanslagjaar:
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
1 560 000
Réserve indisponible pour actions propres
240 000
Perte reportée (moins-value sur actions propres)
-200 000
Solde
1 600 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Solde
0
Résultat fiscal:
Réservés imposables: -200 000 (5)
Majoration de la situation de début des réserves
imposables:
-500 000 (6)
Bénéfices réservés imposables:
-700 000
Dividendes distribués
700 000 (7)
Base imposable à l’ISoc.:
0
(5) 1 600 000 (situation de fin des réserves taxées)
-1 800 000 (situation de début des réserves taxées)
(6) 800 000 (prix de vente moins montant en capital)
(7) Au moment de l’annulation des actions par fiction,
à reprendre dans la déclaration.
— Hypothèse 2. Vente des 1 000 actions A au prix
unitaire de 1 200 euros au cours du même exercice:
26
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Opgave 328D (toestand van het kapitaal)
Kolom 2 (verrichtingen): verkoop van 1 000 eigen
aandelen
Kolom 4 (Werkelijk gestort kapitaal)
660 000
+300 000
960 000
Kolom 8a (eigen aandelen in portefeuille)
240 000
Kolom 8b (eigen aandelen in portefeuille geacht
vernietigd te zijn) 0
Opgave 328R (Toestand van de belaste reserves)
Wettelijke en beschikbare reserves
1 560 000
Onbeschikbare reserve voor eigen aandelen
240 000
Overgedragen winst (meerwaarde op eigen aande-
len)
+200 000
Saldo
2 000 000
Opgave 328S (Toestand van de vrijgestelde reserves)
Saldo
0
Fiscaal resultaat:
Belastbare reserves:
+200 000 (8)
Vermeerdering van de beginsituatie van de belast-
bare reserves:
-700 000 (9)
Belastbare gereserveerde winst:
-500 000
Uitgekeerde dividenden
700 000 (10)
Belastbare grondslag in de Ven.B.:
200 000
(8) 2 000 000 (eindsituatie van de belaste reserves)
-1 800 000 (beginsituatie van de belaste reserves).
(9) 700 000 (verkoopprijs beperkt tot de aanschaf-
fingswaarde min het bedrag in kapitaal)
Relevé 328D (situation du capital)
Colonne 2 (opérations): vente de 1 000 actions
propres
Col. 4 (Capital réellement libéré)
660 000
+300 000
960 000
Col. 8a (actions propres en portefeuille)
240 000
Col. 8b (actions propres en portefeuille censées
annulées) 0
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
1 560 000
Réserve indisponible pour actions propres
240 000
Bénéfice reporté (plus-value sur actions propres)
+200 000
Solde
2 000 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Solde
0
Résultat fiscal:
Réservés imposables:
+200 000 (8)
Majoration de la situation de début des réserves
imposables:
-700 000 (9)
Bénéfices réservés imposables:
-500 000
Dividendes distribués
700 000 (10)
Base imposable à l’ISoc.:
200 000
(8) 2 000 000 (situation de fin des réserves taxées)
-1 800 000 (situation de début des réserves taxées).
(9) 700 000 (prix de vente limité à la valeur d’acqui-
sition moins montant en capital)
27
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
(10) Op het ogenblik van de fictieve vernietiging van
de aandelen, te hernemen in de aangifte.
2. In de veronderstelling van een aankoop van eigen
aandelen gevolgd door een vernietiging van de aandelen
tijdens hetzelfde aanslagjaar:
2.1. Boekhoudkundig:
— Beginsituatie:
Vaste activa: 1 400 000
Kapitaal: 1 200 000
Kredietinstellingen:
1 100 000
Wettelijke en beschikba-
re reserves: 1 300 000
Totaal activa: 2 500 000
Totaal passiva:
2 500 000
— Aankoop van 1 000 eigen aandelen aan een een-
heidsprijs van 1 000 euro (zonder voorafgaand andere
eigen aandelen in portefeuille te houden):
Vaste activa: 1 400 000
Kapitaal: 1 200 000
Eigen aandelen:
1 000 000
Wettelijke en beschik-
bare reserves: 300 000
Kredietinstellingen:
100 000
Onbeschikbare reserve:
1 000 000
Totaal activa: 2 500 000
Totaal passiva:
2 500 000
— Vernietiging van de aandelen:
Vaste activa: 1 400 000
Kapitaal: 900 000
Eigen aandelen: 0
Wettelijke en beschik-
bare reserves: 600 000
Kredietinstellingen:
100 000
Onbeschikbare reserve:
0
Totaal activa: 1 500 000
Totaal passiva:
1 500 000
(10) Au moment de l’annulation des actions par fiction,
à reprendre dans la déclaration.
2. Dans l’hypothèse d’un achat d’actions ou parts
propres suivi d’une destruction des actions ou parts au
cours du même exercice:
2.1. Comptablement:
— Situation de départ:
Immobilisations:
1 400 000
Capital: 1 200 000
Etablissements de crédit:
1 100 000
Réserves légale et dis-
ponibles: 1 300 000
Total de l’actif: 2 500 000
Total du passif:
2 500 000
— Achat de 1 000 actions propres au prix de
1 000 euros (sans détenir préalablement d’autres
actions propres en portefeuille):
Immobilisations:
1 400 000
Capital: 1 200 000
Actions propres:
1 000 000
Réserves légale et dis-
ponibles: 300 000
Etablissements de crédit:
100 000
Réserve indisponible:
1 000 000
Total de l’actif: 2 500 000
Total du passif:
2 500 000
— Destruction des actions:
Immobilisations:
1 400 000
Capital: 900 000
Actions propres: 0
Réserves légale et dis-
ponibles: 600 000
Etablissements de crédit:
100 000
Réserve indisponible: 0
Total de l’actif: 1 500 000
Total du passif:
1 500 000
28
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2.2. Fiscaal:
Opgave 328D (toestand van het kapitaal)
Gestort kapitaal
1 200 000
Vermindering van het gestort kapitaal
-300 000 (*)
Gestort kapitaal
900 000
(*) Artikel 188, WIB 92
Opgave 328R (Toestand van de belaste reserves)
Wettelijke en beschikbare reserves
1 300 000
Overgedragen verlies (minderwaarde op eigen
aandelen)
-700 000
Wettelijke en beschikbare reserve:
600 000
Opgave 328S (Toestand van de vrijgestelde reserves)
Uitgedrukte niet-verwezenlijkte meerwaarde
0
Fiscaal resultaat:
Wettelijke en beschikbare reserves:
-700 000
Belastbare gereserveerde winst:
-700 000
Verworpen uitgaven, verlies op eigen aandelen:
0 (11)
Dividenden:
700 000 (11)(12)
Belastbare grondslag in de Ven.B.:
0
(11) Artikel 188, derde lid, 2°, WIB 92
(12) RV aan 30 pct., tenzij vrijstelling (aankoop via een
gereglementeerde markt, artikel 264, eerste lid, 2°bis,
WIB 92) of verzaking van haar inning.
Het ontwerp maakt van de gelegenheid gebruik om
een terminologische onjuistheid in artikel 188, eerste
2.2. Fiscalement:
Relevé 328D (situation du capital)
Capital libéré
1 200 000
Réduction du capital libéré
-300 000 (*)
Capital libéré
900 000
(*) Article 188, CIR 92
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
1 300 000
Perte reportée (moins-value sur actions pro-
pres
-700 000
Réserves légale et disponibles:
600 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée
0
Résultat fiscal:
Réserves légales et disponibles:
-700 000
Bénéfices réservés imposables:
-700 000
Dépenses non admises, perte sur actions propres:
0 (11)
Dividendes:
700 000 (11)(12)
Base imposable à l’Isoc.:
0
(11) Article 188, alinéa 3, 2°, CIR 92
(12) Pr.M de 30 p.c. sauf exonération (achat sur un
marché réglementé, article 264, alinéa 1er, 2°bis, CIR 92)
ou renonciation à sa perception.
On saisit l’occasion pour corriger une imperfection
terminologique dans l’article 188, alinéa 1er, CIR 92 Ces
29
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
lid, WIB 92 te verbeteren. Deze aanpassingen vereisen
een overeenkomstige aanpassing van artikel 18, vijfde
lid, WIB 92.
8) (artikelen 19,4° en 25, 5°, van het ontwerp) De
invoering van de statutaire zetelleer vereist tot slot een
aantal technische aanpassingen in andere bepalingen
van het WIB 92: zie de aanpassingen aangebracht in
artikelen 1451, 4°, en 184ter, § 2, WIB 92 (correctie van
een schrijffout).
2. Wijzigingen als gevolg van het feit dat, m.u.v.
de NV, het kapitaalbegrip verdwijnt in het WVV
2.1. Wijzigingen aan de bepalingen van het
WIB 92 i.v.m. het kapitaalbegrip in het WVV
Het wetsontwerp tot invoering van het WVV behoudt
het maatschappelijk kapitaal-concept enkel voor de
naamloze vennootschap (“NV”). Voor de besloten ven-
nootschap (“BV”) en de coöperatieve vennootschap
(“CV”) worden het begrip “maatschappelijk kapitaal”
– en meteen ook het vereiste van een minimumka-
pitaal van 18 550 euro (zoals thans gesteld voor de
BVBA) – afgeschaft. Voortaan zal de bescherming
van de aandeelhouders en de schuldeisers van deze
vennootschapsvormen gewaarborgd worden door de
vereiste dat de vennootschap bij oprichting over een
toereikend “eigen vermogen” (“aanvangsvermogen”)
beschikt. Bij de oprichting van de vennootschap is dat
aanvangsvermogen samengesteld uit de inbrengen in
geld of in natura die de oprichters hebben volstort tegen
uitgifte van aandelen, alsmede de achtergestelde mid-
delen (leningen) die zij eventueel ter beschikking hebben
gesteld. Tijdens het leven van de vennootschap worden
de reserves en overgedragen winsten aan het eigen
vermogen toegevoegd. Uitkeringen aan aandeelhouders
zullen enkel mogelijk zijn als de vennootschap aan een
netto-actief-test en een liquiditeitstest voldoet (voor de
BV, zie o.a. art. 5:3, 5:141 tot 5:144 en 5:153 en voor de
CV, zie in het bijzonder art. 6:3).
In de NV wordt voortaan niet langer de uitdrukking
“maatschappelijk kapitaal” gebruikt, maar kortweg
“kapitaal” (art. 7:1 en 7:2) WVV). Ten gevolge van
de afschaffing van het kapitaal-concept zal de groep
kapitaalloze vennootschappen, tot dewelke nu reeds
de vennootschap onder firma (“VOF”) en de gewone
commanditaire vennootschap (“GCV“, onder het WVV
“commanditaire vennootschap” (“CommV”) genoemd))
behoren, bijgevolg uitgebreid worden met de BV en de
CV.
adaptations nécessitent par ailleurs une adaptation
corrélative de l’article 18, alinéa 5, CIR 92.
8) (articles 19,4° et 25, 5°, du projet) L’adoption
de la théorie du siège statutaire a enfin nécessité
quelques adaptations techniques dans d’autres dispo-
sitions du CIR 92: voir les modifications apportées aux
articles 1451, 4°, et 184ter, § 2, CIR 92 (correction d’une
erreur de rédaction).
2. Modifi cations résultant du fait que, à l’exception
de la SA, le concept de capital disparaît dans le CSA
2.1. Modifications des dispositions du
CIR 92 relatives à la notion de capital dans le CSA
Le projet de loi introduisant le CSA conserve le
concept de capital social uniquement pour la société
anonyme (“SA”). Pour la société à responsabilité limi-
tée (“SRL”) et la société coopérative (“SC”), la notion
de “capital social” – et dès lors l’exigence d’un capital
minimum de 18 550 euros (tel qu’imposée actuelle-
ment pour la SPRL) – est supprimée. Dorénavant, la
protection des actionnaires et des créanciers de ces
formes de sociétés sera garantie par l’exigence que
la société dispose lors de sa constitution de “capitaux
propres” suffisants (“capitaux propres de départ”). Lors
de la constitution de la société, ces capitaux propres
de départ sont formés des apports en numéraire ou
en nature versés par les fondateurs contre l’émission
d’actions ou parts, ainsi que des moyens subordonnés
(prêts) qu’ils ont éventuellement mis à sa disposition.
Durant la vie de la société, les réserves et les béné-
fices reportés sont ajoutés aux capitaux propres. Des
distributions aux actionnaires ne seront possible que
si la société satisfait à un test d’actif net et à un test de
liquidité (pour la SRL, voir notamment les art. 5:3, 5:141 à
5:144, 5: 153, et pour la SC, voir, notamment l’art. 6:3).
Dans la SA, ce n’est désormais plus l’expression “ca-
pital social” qui est utilisée mais “capital” tout court (art.
7:1 et 7:2 du CSA). Suite à la suppression du concept
de “capital”, le groupe de sociétés sans capital, auquel
appartiennent déjà la société en nom collectif (“SNC”)
et la société en commandite simple (“SCS”, appelée
dans le CSA “société en commandite” (“SComm”)), est
ainsi élargi à la SRL et à la SC.
30
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
In het WIB 92 komt het woord “kapitaal” zeer re-
gelmatig voor, zowel als opzichzelfstaand begrip als
in combinatie met andere begrippen, vb. “werkelijk
gestort kapitaal”, “werkelijk gestort maatschappelijk
kapitaal”, “statutair kapitaal”, “maatschappelijk kapitaal”,
“aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegen-
woordigen”, enz.
Ondanks het veelvuldig gebruik van het begrip
“kapitaal” in het WIB 92 ondervinden de VOF en de
GCV op het vlak van de vennootschapsbelasting thans
geen hinder van het feit dat zij juridisch niet over een
kapitaal beschikken.1 Niettemin is het wenselijk, gelet
op het grote aantal BV’s en CV’s dat als gevolg van het
WVV kapitaalloos wordt, om de bepalingen van het
WIB 92 (en KB/WIB 92) af te stemmen op de nieuwe
vennootschappelijke werkelijkheid. Vanzelfsprekend
dienen deze aanpassingen niet verder te gaan dan nodig
en neutraal te zijn t.a.v. de huidige situatie.
In het licht van het voorgaande, brengt dit wetsont-
werp drie wijzigingen aan het WIB 92 aan:
(1) telkens wanneer het woord “maatschappelijk” of
“statutair” in een bepaling wordt gebruikt in combinatie
met het woord “kapitaal” wordt het woord “maatschap-
pelijk” of “statutair” geschrapt;
(2) er wordt een definitie van het begrip “kapitaal” in
artikel 2, § 1, WIB 92 ingevoerd;
(3) de definitie van het begrip “gestort kapitaal” in
artikel 2, § 1, 6°, en artikel 184, WIB 92 wordt aangepast.
Wat de eerste aanpassing betreft, wordt in o.a. de
artikelen 9, 1°, 10, 11, 20, 5°, 21, 1°, b en c, en 4°, 24,
1°, en 2, 25, 48, 3°, a, 62, 4° en 65, 4°, van het ontwerp
het woord “maatschappelijk” of “statutair” geschrapt
wanneer dat woord gebruikt wordt in combinatie met
het woord “kapitaal” (bijvoorbeeld in artikelen 46, 52,
11°, 53, 16° en 18°, 184bis § 3 en § 4, 184ter § 1, eerste
lid en 215, derde lid, 2°, WIB 92). Deze schrapping is te
verklaren door het feit dat het WIB 92 nu een definitie
van het woord “kapitaal” zal bevatten.
1
Zie bijvoorbeeld de diverse rulings waarin de DVB bevestigd
heeft dat de inbreng in natura in een VOF of een GCV
kwalificeert als gestort kapitaal: nr. 2011 272 dd. 18.10 2011;
nr. 2012 371 dd. 27.11.2012; nr. 2012 448 dd. 23.04.2013;
nr. 2013 516 dd. 21.04.2014; zie ook de uitdrukkelijke bevestiging
door de administratie in het Com.IB 92, nr. 215/27 dat VOF en
GCV van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting
kunnen genieten ondanks de verschillende verwijzingen in
artikel 215 WIB 92 naar gestort kapitaal. Deze bepalingen werd
bij de wet van 25 december 2017 aangepast en stelt sommige
van deze voorwaarden niet langer.
Dans le CIR 92, le mot “capital” revient très souvent,
aussi bien en tant que notion isolée qu’en combinaison
avec d’autres notions, comme, par exemple, le “capi-
tal réellement libéré”, le “capital statutaire”, le “capital
social”, “les actions ou parts représentatives du capital
social”, etc.
En dépit de l’utilisation fréquente de la notion de
“capital” dans le CIR 92, la SNC et la SCS ne subissent
actuellement pas d’inconvénient du fait qu’elles n’ont
juridiquement pas de capital.1 Néanmoins, il est souhai-
table, étant donné le grand nombre de SRL et de SC qui
deviennent des sociétés sans capital à la suite du SCA,
d’aligner les dispositions du CIR 92 (et de l’AR/CIR 92)
sur la nouvelle réalité du droit des sociétés. Il va de soi
que ces modifications ne doivent pas aller au-delà de
ce qui est nécessaire et doivent être neutres par rapport
à la situation actuelle.
A la lumière de ce qui précède, le présent projet de
loi apporte trois adaptations au CIR 92:
(1) chaque fois qu’une disposition utilise le mot
“social” ou “statutaire” en combinaison avec le mot
“capital”, le mot “social” ou “statutaire” est supprimé;
(2) une définition de la notion de “capital” est introduite
à l’article 2, § 1er, CIR 92;
(3) la définition de la notion de “capital libéré” de
l’article 2, § 1er, 6 °, CIR 92 et de l’article 184, CIR 92 est
adaptée.
S’agissant de la première adaptation, les articles 9,
1 °, 10, 11, 20, 5°, 21, 1°, b et c, et 4°, 24, 1°, et 2°, 25,
48, 3°, a, 3°, a, 62, 4°, et 65, 4° notamment, du projet,
suppriment le mot “social” ou “statutaire” lorsque ce
mot est utilisé en combinaison avec le mot “capital”
(par exemple, dans les articles 46, 52, 11 °, 53, 16°,
et 18 °, 184bis, § 3 et § 4, 184ter, § 1er, alinéa 1er, 215,
alinéa 3, 2 °, CIR 92). Cette suppression est due au fait
que le CIR 92 contiendra désormais une définition du
mot “capital”.
1
Cf. par exemple les divers rulings dans lesquels le SDA a décidé
que l'apport en nature dans une SNC ou une SCS est pris en
considération pour déterminer le capital libéré: n° 2011 272 du
18.10 2011; n° 2012 371 du 27.11.2012; n° 2012 448 du 23.04.2013;
n° 2013 516 du 21.04.2014; cf. également la confirmation expresse
par l'administration dans le Com.IR 92, n° 215/27 que les SNC
et les SCS peuvent bénéficier des taux réduits à l'impôt des
sociétés nonobstant les différentes références au capital libéré
dans l'article 215, CIR 92. Ces dispositions ont été modifiées
par la loi du 25 décembre 2017 et certaines de ces conditions
ne sont plus applicables.
31
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Immers, de tweede aanpassing betreft het invoeren
van een definitie van het begrip “kapitaal” in artikel 2, § 1,
WIB 92 door artikel 2, 7°, van het ontwerp. Het begrip
“kapitaal” komt nu al regelmatig in het WIB 92 voor maar
wordt er thans niet gedefinieerd. Doordat het begrip
“kapitaal” in het WVV nog slechts enkel voor de NV is
gereserveerd, dreigen de verwijzingen naar “kapitaal” in
het WIB 92 zonder betekenis te worden voor alle andere
vennootschapsvormen. Teneinde te vermijden dat men
in tientallen bepalingen waarin het begrip “kapitaal” in
het WIB 92 voorkomt telkenmale het onderscheid moet
maken tussen kapitaalvennootschappen, enerzijds, en
vennootschappen zonder kapitaal, anderzijds – hetgeen
de leesbaarheid van die bepalingen niet te goede zou
komen – wordt in dit wetsontwerp aan het begrip “kapi-
taal” een eigen fiscale definitie gegeven. Het bestaande
artikel 2, § 1, 6°, WIB 92 (dat thans de definitie van het
begrip “gestort kapitaal” bevat) wordt daarom in twee
delen opgesplitst. In littera a) wordt de definitie van
“kapitaal” opgenomen en in littera b) wordt de definitie
van “gestort kapitaal” opgenomen.
De definitie van “kapitaal” in littera a) maakt lo-
gischerwijze een onderscheid tussen enerzijds de
kapitaalvennootschappen en anderzijds de andere ven-
nootschapsvormen. Voor de eerste groep kan worden
aangeknoopt bij het kapitaal-begrip zoals dat gekend
is in het recht dat de vennootschap beheerst. Voor de
tweede groep kan dat niet en werd gekozen voor een
aanknoping bij de inbreng vanwege de aandeelhouder
of vennoot. Bijgevolg moet voor kapitaalvennootschap-
pen onder “kapitaal” worden verstaan, het kapitaal van
een naamloze vennootschap zoals bedoeld in het WVV
of, in geval het een vennootschap betreft met een andere
rechtsvorm waarvoor het Belgisch of buitenlands recht
dat haar beheerst in een gelijkaardig begrip voorziet,
het begrip zoals dat bedoeld wordt in dat recht (met
“Belgisch recht” wordt hier ook bedoeld de normen van
internationaal recht met rechtstreekse werking, zoals vb.
de Europese verordening nr. 2157/2001 op de Europese
vennootschap, die voor deze vennootschapsvorm een
kapitaal voorziet). Voor vennootschapsvormen waarvoor
het Belgisch of buitenlands recht dat hen beheerst het
begrip “kapitaal” niet kent, wordt met “kapitaal” bedoeld
het eigen vermogen van de vennootschap zoals dat is
omschreven in het Belgisch of buitenlands recht dat de
vennootschap beheerst, in zoverre het is samengesteld
uit inbrengen in geld of in natura andere dan inbrengen
in nijverheid. Hoewel de inbreng in nijverheid in de BV
en de CV onder het WVV een volwaardige inbreng
vormt die door de uitgifte van aandelen kan worden
vergoed (art. 5:7 en memorie van toelichting bij het
Voorontwerp WVV, p. 135)2 blijft de inbreng zeer moeilijk
2
Bij de NV blijft de inbreng in nijverheid in het kapitaal principieel
verboden (artikel 7:6).
En effet, la deuxième adaptation concerne l’introduc-
tion d’une définition de la notion de “capital” à l’article 2,
§ 1er, CIR 92 par l’article 2, 7°, du projet. La notion de
“capital” revient déjà régulièrement dans le CIR 92 mais
elle n’y est actuellement pas définie. Dès lors que le
CSA réserve désormais la notion de “capital” à la SA,
les références au “capital” dans le CIR 92 risquaient de
devenir sans signification pour toutes les autres formes
de sociétés. Pour éviter d’avoir à faire la distinction entre
les sociétés avec capital, d’une part, et les sociétés sans
capital, d’autre part, dans les dizaines de dispositions du
CIR 92 dans lesquelles apparaît la notion “capital” – ce
qui nuirait à la lisibilité de ces dispositions – le présent
projet de loi dote la notion de “capital” d’une définition
fiscale propre. L’actuel article 2, § 1er, 6 °, CIR 92 (qui
contient actuellement la définition du “capital libéré”) est
dès lors divisé en deux parties. La définition de “capital”
est insérée dans le littera a) et la définition du “capital
libéré” est insérée dans le littera b).
La définition de “capital” du littera a) fait logiquement
la distinction entre, d’une part, les sociétés à capital
et, d’autre part, les autres formes de sociétés. Pour le
premier groupe, il peut être fait référence à la notion de
capital telle que celle-ci est connue dans le droit qui
régit la société. Pour le deuxième groupe, cela ne peut
pas se faire, et le choix a été fait de partir de l’apport
de l’actionnaire ou de l’associé. Par conséquent, pour
les sociétés avec capital, il convient de comprendre par
“capital” le capital d’une société anonyme tel que prévu
par le CSA, ou, pour une société ayant une autre forme
juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la
régit prévoit une notion analogue, cette notion telle que
prévue dans ce droit (par “droit belge”, on vise aussi les
normes de droit international à effet direct, telles que,
par exemple, le règlement européen n° 2157/2001 sur
la Société européenne, qui prévoit un capital pour cette
forme de société). Pour les formes de sociétés pour les-
quelles le droit belge ou étranger qui régit la société ne
connaît pas la notion de capital, on entend par “capital”
les capitaux propres de la société tels que décrits par
le droit belge ou étranger qui régit la société, dans la
mesure où ils sont formés par des apports en numé-
raire ou en nature autres que des apports en industrie.
Bien que selon le CSA l’apport en industrie constitue
dans la SRL et la SC un apport valable qui peut être
rémunéré par l’émission d’actions (art. 5:7 et exposé
des motifs de l’avant-projet CSA, p. 135)2, l’apport en
industrie reste très difficilement évaluable. On ne peut
donc exclure des surévaluations et des abus, également
à des fins fiscales. En pratique, on constate d’ailleurs
2
L'apport en industrie dans le capital reste en principe interdit
dans les SA (article 7:6).
32
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
waardeerbaar. Overwaarderingen en misbruik, ook voor
fiscale doeleinden, zijn bijgevolg niet uitgesloten. In de
praktijk stelt men overigens vast dat ingebrachte arbeid
niet onder de activa van de balans wordt opgenomen
(vb. bij de uitgifte van winstbewijzen wordt de toege-
zegde arbeid balansmatig niet uitgedrukt). Om deze
redenen sluit het wetsontwerp het eigen vermogen van
een vennootschap dat gevormd wordt door een inbreng
in nijverheid van het fiscale kapitaal-begrip uit.
Het is duidelijk dat de nieuwe definitie van “kapitaal”
ook toepasbaar is wanneer dit woord in een samenge-
steld woord (vb. “kapitaalverhoging”) of in combinatie
met andere woorden (vb. “terugbetaling van kapitaal”,
enz.) wordt gebruikt.
De derde aanpassing betreft de wijzigingen aange-
bracht aan de bestaande definitie van het begrip “gestort
kapitaal”. Artikel 2, 7°, van het ontwerp brengt de definitie
van “gestort kapitaal” in artikel 2, § 1, 6°, WIB 92 onder
in een nieuwe littera b). Precies zoals thans het geval
is, beperkt het ontwerp zich ertoe in littera b) te stellen
dat het begrip “gestort kapitaal” dezelfde betekenis heeft
zoals in de vennootschapsbelasting. Het preciseert
nader dat deze definitie zowel geldt voor verrichtingen
waarbij een binnenlandse als een buitenlandse ven-
nootschap betrokken is. Thans staat deze gelijkstelling
in het laatste lid van artikel 18, WIB 92 geschreven en
is daar uitdrukkelijk gekoppeld aan de toepassing van
artikel 18, eerste lid, 2° en 2°bis, WIB 92. Met de toevoe-
ging van deze gelijkstelling in de definitie van “gestort
kapitaal” in artikel 2, § 1, 6°, b), wordt duidelijk gemaakt
dat het begrip “gestort kapitaal” van toepassing is op
alle verrichtingen waarbij binnenlandse of buitenlandse
vennootschappen betrokken zijn en dat dit begrip een rol
speelt voor de fiscale behandeling ervan (ook vb. inkoop
eigen aandelen, gehele of gedeeltelijke verdeling van
maatschappelijk vermogen, artikel 18, eerste lid, 2°ter
jo. artikelen 186 en 209, WIB 92) .
Precies zoals vandaag het geval is, werkt arti-
kel 23 van het ontwerp de definitie van “gestort kapitaal”
verder uit in artikel 184, WIB 92. Het ontwerp wijkt niet af
van de systematiek van het huidige artikel 184, WIB 92.
Precies zoals in het huidige eerste lid voorziet het eerste
lid van artikel 23 van het ontwerp dat het begrip toeziet
op het kapitaal (als thans gedefinieerd in artikel 2 § 1,
6°, a)) dat gevormd wordt door werkelijke inbrengen in
geld of in natura (andere dan inbrengen in nijverheid) en
in zoverre er geen terugbetaling of vermindering heeft
plaatsgevonden. Door het gebruik van de uitdrukking
“werkelijke inbrengen” wil het ontwerp, zoals thans ook
het geval is, vermijden dat overgewaardeerde inbrengen
aanleiding geven tot de vorming van werkelijk gestort
kapitaal. Met het woord “terugbetaling” wordt de situatie
beoogd waarbij de vennootschap haar gestort kapitaal
que le travail apporté n’est pas repris à l’actif du bilan
(par exemple lors de l’émission de parts bénéficiaires,
le travail promis n’est pas exprimé dans le bilan). Pour
ces raisons, le projet de loi exclut de la notion fiscale
de capital les capitaux propres d’une société constitués
par un apport en industrie.
Il est clair que la nouvelle définition de “capital” s’ap-
plique également lorsque ce mot est utilisé en combi-
naison avec d’autres (p.ex. “augmentation de capital”,
“remboursement de capital”, etc.).
La troisième adaptation concerne les changements
apportés à la définition actuelle de la notion de “capital
libéré”. L’article 2, 7 °, du projet déplace la définition
de “capital libéré” à l’article 2, § 1er, 6°, CIR 92 sous un
nouveau littera b). Comme c’est le cas actuellement, le
projet se limite, au littera b), à préciser que la notion de
“capital libéré” a le même sens qu’à l’impôt des sociétés.
Il précise en outre que cette définition s’applique aux
opérations impliquant tant une société résidente qu’une
société étrangère. Actuellement cette assimilation figure
dans le dernier alinéa de l’article 18, CIR 92 et y est
explicitement liée à l’application de l’article 18, alinéa 1er,
2° et 2°bis, CIR 92. L’addition de cette assimilation à
la définition du “capital libéré” à l’article 2, § 1er, 6°, b),
clarifie que la notion de “capital libéré” s’applique à
toutes les opérations impliquant des sociétés résidentes
ou étrangères et joue un rôle dans le traitement fiscal
de ces opérations (aussi p.ex. les rachats d’actions ou
parts propres, les partages totaux ou partiels de l’avoir
social, article 18, alinéa 1er, 2°ter, lu en combinaison
avec les articles 186 et 209, CIR 92).
Comme c’est le cas aujourd’hui, l’article 23 du projet
développe la définition de la notion de “capital libéré”
à l’article 184, CIR 92. Le projet ne déroge pas à la
méthodologie de l’actuel article 184, CIR 92. Comme
dans l’alinéa 1er actuel, l’article 23, alinéa 1er, du projet
prévoit que la notion correspond au capital (tel qu’à
présent défini à l’article 2, § 1er, 6°, a)) qui est formé par
des apports réels en numéraire ou en nature (autres
que des apports en industrie), et dans la mesure où il
n’y a pas eu de remboursement ou de réduction. En
utilisant l’expression “apports réellement”, le projet
entend, comme c’est le cas actuellement, éviter que
des apports surévalués donnent lieu à la formation de
capital réellement libéré. Avec le mot “remboursement”,
on vise la situation dans laquelle la société réduit son
capital par un remboursement effectif à l’actionnaire
33
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vermindert door een effectieve terugbetaling aan de
aandeelhouder in speciën of daarbij niet onmiddellijk
overgaat tot een effectieve terugbetaling maar het be-
drag aan de aandeelhouder schuldig blijft. Het woord
“vermindering” beoogt de formele kapitaalvermindering
ten gevolge van de aanzuivering van verliezen waarbij
geen effectieve terugbetaling aan de aandeelhouder
plaatsvindt.
Thans bepaalt het tweede lid van artikel 184,
WIB 92 dat uitgiftepremies betaald bij kapitaalverho-
gingen en bedragen ingebracht naar aanleiding van
de uitgifte van winstbewijzen onder voorwaarden met
“gestort kapitaal” worden gelijkgesteld. Daarvoor is
vereist dat deze bedragen op een afzonderlijke rekening
op het passief van de balans onder het eigen vermogen
van de vennootschap worden geboekt en dat er statutair
(of ten gevolge van een beslissing van de algemene
vergadering) voorzien is dat deze bedragen, zoals het
maatschappelijk kapitaal, de waarborg voor derden
vormen en ze enkel verminderd kunnen worden door
een nieuwe en regelmatige beslissing van de algemene
vergadering volgens de regels voor statutenwijziging (zie
ook Advies CBN 142/1984 en COM IB 184/30).
Artikel 23, 1°, tweede lid, van het ontwerp vervangt
het huidige tweede lid van artikel 184, WIB 92 maar
blijft dezelfde systematiek volgen en houdt daarbij re-
kening met het nieuwe WVV en het feit dat deze bepa-
ling ook van toepassing kan zijn op vennootschappen
die zijn opgericht naar buitenlands recht en waarvan
de maatschappelijke zetel niet in België is gelegen,
ongeacht of ze als binnenlandse of buitenlandse ven-
nootschap kwalificeren. De vereiste van boeking van
de uitgiftepremies en de andere in artikel 184, tweede
lid, WIB 92 genoemde bedragen op een afzonderlijke
eigen vermogensrekening op het passief van de ba-
lans blijft behouden, maar de vereiste van statutaire
onbeschikbaarheid van de bedragen wordt niet langer
gesteld. Immers bij de kapitaalloze vennootschappen
hebben alle inbrengen hetzelfde statuut en is een sta-
tutaire onbeschikbaarheidsclausule de uitzondering.
Daarenboven, levert de huidige vereiste van statutaire
onbeschikbaarheid problemen op indien vennootschap-
pen die door het buitenlands recht worden beheerst,
vermogensuitkeringen doen aan in België gevestigde
aandeelhouders omdat dat buitenlands recht deze
vereiste vaak niet kent (Voorafgaande Beslissingen
nr. 2016 536 dd. 18.10.2016, nr. 2013 626 dd. 29.04.2014,
nr. 2011 564 dd. 24.01.2012; nr. 800 343 dd. 25.11.2008
enz.). Uitgiftepremies zullen onder het nieuwe WVV
waarschijnlijk enkel nog relevant zijn bij kapitaalver-
hogingen verricht door naamloze vennootschappen.
Aangezien het kapitaal-concept niet meer bestaat voor
andere Belgische vennootschapsvormen en de algeme-
ne vergadering de vrijheid heeft om de uitgifteprijs van
en espèces ou ne procède pas immédiatement à un
remboursement effectif mais reste débitrice du montant
envers l’actionnaire. Le mot “réduction” vise la réduction
formelle du capital à la suite d’une compensation des
pertes dans laquelle il n’y a aucun remboursement
effectif à l’actionnaire.
Actuellement, l’article 184, alinéa 2, CIR 92 dispose
que les primes d’émission payées lors d’augmentations
de capital et les sommes souscrites à l’occasion d’émis-
sion de parts bénéficiaires sont assimilées au “capital
libéré” sous conditions. Il est exigé pour cela que ces
montants soient comptabilisés dans un compte distinct
au passif du bilan sous les capitaux propres de la société
et qu’il soit prévu dans les statuts (ou en vertu d’une
décision de l’assemblée générale) que ces sommes
constituent la garantie des tiers au même titre que le
capital social et ne peuvent être réduites que par une
décision nouvelle et régulière de l’assemblée générale
prise conformément aux règles applicables aux modifi-
cations des statuts (voir également l’avis CNC 142/1984
et Com. IR 184/30).
L’article 23, 1°, alinéa 2, du projet remplace l’ali-
néa 2 actuel de l’article 184, CIR 92 mais continue
à suivre la même méthodologie, en tenant compte
du nouveau CSA et du fait que cette disposition peut
également s’appliquer aux sociétés de droit étranger
et dont le siège social n’est pas situé en Belgique, que
ces sociétés se qualifient comme sociétés résidentes
ou étrangères. La condition de comptabilisation des
primes d’émission et des autres sommes mentionnées
à l’article 184, alinéa 2, CIR 92 sur un compte distinct
dans les capitaux propres au passif du bilan est main-
tenue, mais la condition d’indisponibilité statutaire des
sommes à l’égal du capital social n’est plus requise. En
effet, dans les sociétés sans capital tous les apports ont
le même statut et une clause d’indisponibilité statutaire
constitue l’exception. De plus, la condition actuelle d’in-
disponibilité statutaire pose problème dans les cas où
des sociétés régies par un droit étranger font des distri-
butions de capital à des actionnaires établis en Belgique,
parce que le droit étranger ne connaît pas souvent
cette condition (décisions anticipées n° 2016 536 du
18.10.2016, n° 2013 626 du 29.04.2014, n° 2011 564 du
24.01.2012, n° 800 343 du 25.11.2008, etc.). Sous le nou-
veau CSA, les primes d’émission seront probablement
encore pertinentes uniquement pour les augmentations
de capital réalisées par les sociétés anonymes. Comme
le concept de capital n’existe plus pour les autres formes
de sociétés belges et que l’assemblée générale est libre
de déterminer le prix d’émission des actions ou parts,
on s’attend à ce que ces sociétés ne recourent pas au
concept de prime d’émission en cas d’augmentation
34
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
de aandelen te bepalen, wordt verwacht dat deze ven-
nootschappen bij kapitaalverhoging geen beroep zullen
doen op het concept van de uitgiftepremie. Naamloze
vennootschappen kunnen winstbewijzen uitgeven die
het kapitaal niet vertegenwoordigen (artikel 7:58 WVV).
De aanhef van het tweede lid van artikel 184 in ontwerp,
WIB 92 is daarom niet relevant voor Belgische naamloze
vennootschappen. De auteurs van het WVV verwachten
niet dat een besloten vennootschap (BV) zal overgaan
tot uitgifte van winstbewijzen omdat het kapitaalbegrip
bij deze vennootschapsvorm niet langer bestaat en
de vennootschap een grote flexibiliteit heeft inzake de
rechten die ze aan haar effecten wenst toe te kennen
(memorie van toelichting bij het voorontwerp van WVV,
p. 138-139). Om rekening te houden met het feit dat het
begrip “gestort kapitaal” ook van toepassing kan zijn op
buitenlandse vennootschappen of op binnenlandse ven-
nootschappen opgericht naar buitenlands recht waarvan
de statutaire zetel niet in België is gelegen, wordt, in
tegenstelling met wat thans het geval is, de gelijkstelling
met gestort kapitaal niet alleen voorzien voor bedragen
die zijn ingebracht ter gelegenheid van de uitgifte van
winstbewijzen maar ook ter gelegenheid van de uitgifte
van aandelen, in de mate dat deze bedragen al niet door
het eerste lid van artikel 184, WIB 92 zijn geviseerd.
Ten slotte vult artikel 23, 1°, van het ontwerp in een
derde lid de huidige definitie van “gestort kapitaal” aan
voor verenigingen, stichtingen en andere lichamen met
rechtspersoonlijkheid die, hoewel ze een belangeloos
doel nastreven, aan de vennootschapsbelasting zijn
onderworpen omdat ze geacht worden een onderne-
ming te exploiteren of winstgevende bezigheden uit
te oefenen en ze niet van de vennootschapsbelasting
uitgesloten zijn. In de huidige stand van de wetgeving
is er betwisting of dergelijke lichamen een gestort ka-
pitaal kunnen hebben. Volgens sommige rulings is dat
niet het geval omdat de middelen die aan het lichaam
ter beschikking worden gesteld niet de aard van een
inbreng hebben bij gebrek aan uitgifte van aandelen
(Voorafgaande beslissing nr. 2015 478 dd. 28.10.2015).
Sommige rechtspraak is echter de tegenovergestelde
mening toegedaan omdat er anders een verboden
discriminatie zou ontstaan tussen “echte” vennoot-
schappen en “valse” VZW’s (Rb. Mons, 21.01.2010, FJF
2011/19). Artikel 23, derde lid, van het ontwerp lost deze
discussie op en rekent tot het “gestort kapitaal” van een
dergelijk lichaam, in navolging van het begrip “gestort
kapitaal” van een vennootschap, de bedragen die in het
lichaam zijn ingebracht en die door de inbrenger kunnen
worden teruggenomen wanneer de wet die terugname
toelaat. Een voorbeeld hiervan is de stichting waarvan
de statuten, in overeenstemming met artikel 11:2, WVV,
voorzien dat wanneer het belangeloos doel van de stich-
ting is verwezenlijkt, de stichter of zijn rechthebbenden
de ingebrachte goederen of een bedrag gelijk aan deze
goederen kan terugnemen.
de capital. Les sociétés anonymes peuvent émettre
des parts bénéficiaires qui ne représentent pas le
capital (article 7:58 CSA). La précision apportée dans
l’alinéa 2 de l’article 184 en projet, CIR 92 n’est donc
pas pertinente pour les sociétés anonymes belges. Les
auteurs du CSA ne s’attendent pas à ce qu’une société
à responsabilité limitée (SRL) procédera à l’émission de
parts bénéficiaires étant donné que la notion de capital
n’existe plus pour cette forme de société et que la so-
ciété dispose d’une grande souplesse dans l’attribution
des droits qu’elle entend attacher à ses titres (exposé
des motifs de l’avant-projet du CSA, p. 138-139). Pour
tenir compte du fait que la notion de “capital libéré” peut
également s’appliquer à des sociétés étrangères ou
à des sociétés résidentes créées sous l’empire d’un
droit étranger et dont le siège statutaire n’est pas situé
en Belgique, l’assimilation au capital libéré est prévue,
contrairement à ce qui est le cas actuellement, non seu-
lement pour les sommes apportées lors de l’émission
de parts bénéficiaires mais également pour les sommes
à l’occasion de l’émission d’actions ou parts, dans la
mesure où ces sommes ne sont pas déjà visées par
l’alinéa 1er de l’article 184, CIR 92.
Enfin, l’article 23, 1°, du projet complète par un ali-
néa 3 la définition actuelle du “capital libéré” pour les
associations, les fondations et autres organismes dotés
de la personnalité juridique qui, bien que poursuivant
un but désintéressé, sont soumis à l’impôt des sociétés
parce qu’ils sont considérés comme se livrant à une ex-
ploitation ou à des opérations de caractère lucratif et ne
sont pas exonérés de l’impôt des sociétés. Dans l’état
actuel de la législation, la question de savoir si de tels
organismes peuvent avoir un capital libéré est controver-
sée. Selon certains rulings, tel n’est pas le cas parce que
les moyens mis à la disposition de l’organisme n’ont pas
la nature d’un apport en l’absence d’émission d’actions
ou parts (décision anticipée n° 2015 478 du 28.10.2015).
Une certaine jurisprudence est cependant d’un avis
opposé au motif que pratiquer autrement reviendrait
à créer une discrimination interdite entre les “vraies”
sociétés et les “fausses” asbl (trib. Mons, 21.01.2010,
FJF 2011/19). L’article 23, alinéa 3, du projet met fin à
cette discussion et considère comme “capital libéré”
d’un tel organisme, dans la ligne de la notion de “capital
libéré” d’une société, les sommes qui ont été apportées
à l’organisme et qui peuvent être reprises par l’apporteur
lorsque la loi permet une telle reprise. Un exemple est
la fondation dont les statuts prévoient conformément à
l’article 11:2 du CSA que lorsque le but désintéressé
de la fondation a été réalisé, le fondateur ou ses ayants
droits peuvent reprendre les biens apportés ou une
somme égale à la valeur de ces biens.
35
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2.2. Kapitaalvermindering
De wet van 25 december 2017 heeft diverse wijzigin-
gen aangebracht aan de artikelen 18 en 184, WIB 92.
Als gevolg van deze wijzigingen worden de aandeelhou-
ders die bedragen ontvangen van een vennootschap
die een kapitaalvermindering doorvoert, steeds geacht
een pro rata bedrag van de reserves van de vennoot-
schap te ontvangen, zelfs als de vennootschap vanuit
boekhoudkundig perspectief enkel ingebracht kapitaal
aan de aandeelhouder terugbetaalt en de kapitaalver-
mindering gebeurt met naleving van de regels van het
vennootschapsrecht.
Artikelen 3, 1°, 2° en 5°, en 23, van het ontwerp pas-
sen deze bepalingen aan om rekening te houden met het
feit dat de meeste vennootschapsvormen in de toekomst
niet meer over een maatschappelijk kapitaal zullen
beschikken. Zo bijvoorbeeld vervangt artikel 3 van het
ontwerp in het huidige artikel 18, WIB 92 de verwijzing
naar “maatschappelijk kapitaal” door een verwijzing naar
“kapitaal” (zie supra) en vervangt ook de verwijzing naar
“een regelmatige beslissing tot kapitaalvermindering”
door een verwijzing naar “een regelmatige beslissing
van de vennootschap overeenkomstig het WVV of,
indien de vennootschap niet onder het WVV ressor-
teert, overeenkomstig het recht dat haar beheerst” om
bijvoorbeeld kapitaal (in zijn fiscale betekenis, zie supra)
of uitgiftepremies terug te betalen. Verder vervangt
artikel 3 van het ontwerp het tweede, derde en het ze-
vende lid van het huidige artikel 18, WIB 92 of vult het
aan om de chronologische werking van de verschillende
technische aanrekeningsregels te verduidelijken in over-
eenstemming met de bedoeling die de wetgever had bij
de totstandkoming van de wet van 25 december 2017.
Om dezelfde reden past artikel 23 van het ontwerp ook
het huidige vierde lid van artikel 184, WIB 92, dat het
vijfde lid wordt, aan.
Het huidige artikel 18, vijfde lid, WIB 92, bepaalt dat
bij de toepassing van de pro rata verhoudingsregel er
geen rekening gehouden wordt met de onbeschikbare
reserves voor eigen aandelen en winstbewijzen binnen
de grenzen als bepaald in artikel 620, § 1, 2°, van het
Wetboek van vennootschappen. Artikel 3, 4°, van dit
ontwerp past deze verwijzing aan door nu te stellen dat
er rekening gehouden moet worden met de 20 pct. grens
terug ingevoerd door artikel 186, zesde lid, WIB 92 zoals
gewijzigd door artikel 29, 2°, van dit ontwerp.
2.3. VVPRbis
Artikel 269, § 2, derde lid, WIB 92 bepaalde dat
vennootschappen zonder minimaal kapitaal in prin-
cipe worden uitgesloten van het voordeel van de
VVPRbis-regeling. In het WVV wordt de kapitaalvereiste
2.2. Réduction de capital
La loi du 25 décembre 2017 a apporté plusieurs
modifications aux articles 18 et 184, CIR 92. Suite à
ces modifications, les actionnaires qui reçoivent des
montants d’une société qui procède à une réduction
de capital sont toujours réputés recevoir un prorata des
réserves de la société, même dans le cas où la société
ne rembourse comptablement à l’actionnaire que du
capital apporté et que la réduction du capital se fait dans
le respect des règles du droit des sociétés.
Les articles 3, 1°, 2° et 5°, et 23, du projet adaptent
ces dispositions pour tenir compte du fait qu’à l’avenir
la plupart des formes de sociétés n’auront plus de capi-
tal social. Par exemple, l’article 3 du projet remplace
dans l’actuel article 18, CIR 92 la référence au “capital
social” par une référence au “capital” (voir ci-dessus)
et remplace la référence à “une décision régulière de
réduction du capital” par une référence à “une décision
régulière de la société conformément au CSA, ou, si
la société n’est pas régie par le CSA, conformément
aux dispositions du droit qui la régit”, par exemple pour
rembourser le capital (au sens fiscal, voir ci-dessus)
ou des primes d’émission. L’article 3 du projet modifie
également ou complète l’article 18, alinéa 2, 3 et 7,
CIR 92 pour clarifier l’application chronologique des
différentes règles techniques d’imputation conformé-
ment à l’intention du législateur lors de l’élaboration
de la loi du 25 décembre 2017. Pour la même raison,
l’article 23 du projet adapte également l’alinéa 4 actuel
de l’article 184, CIR 92 qui devient l’alinéa 5.
L’article 18, alinéa 5, CIR 92, actuel dispose que
pour l’application de la règle de prorata on ne prend
pas en compte les réserves indisponibles pour actions
propres et parts bénéficiaires dans les limites prévues à
l’article 620, § 1er, 2 °, du Code des sociétés. L’article 3,
4°, du présent projet adapte ce renvoi pour prévoir à
présent qu’il faut tenir compte de la limite de 20 p.c.
réintroduite par l’article 186, alinéa 6, CIR 92, inséré
par l’article 29, 2°, du présent projet.
2.3. VVPRbis
L’article 269, § 2, alinéa 3, CIR 92 dispose que
les sociétés sans capital minimum sont en principe
exclues du bénéfice du régime VVPRbis. Dans le CSA,
l’exigence de fonds propres est supprimée; dans cette
36
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
afgeschaft, in deze filosofie is het dan ook niet langer
opportuun om de bepaling te handhaven.
3. Aanpassingen inzake de nieuwe mogelijkheden
betreffende reorganisaties en zetelverplaatsingen
van vennootschappen, verenigingen en stichtingen
1) (artikelen. 43, 4°, en 46 van het ontwerp) Om
rekening te houden met de ontwikkelingen op dat
gebied, wordt artikel 210, § 1, 3°, WIB 92, betreffende
de wijziging van de rechtsvorm van een vennoot-
schap, aangepast om ook betrekking te hebben op
de omzetting van een vennootschap naar buitenlands
recht (met werkelijke zetel in België) naar een andere
vennootschap naar buitenlands recht (met werkelijke
zetel in België), van een vennootschap naar Belgisch
recht naar een vennootschap naar buitenlands recht,
van een vennootschap naar een vzw (deze laatste om-
zetting is mogelijk gemaakt door het wetsontwerp tot
invoering van het WVV), enz. De tekst neemt mutatis
mutandis de twee voorwaarden over die reeds waren
opgenomen in het WIB 92 (zie huidig artikel 210, § 1,
3°, WIB 92, a contrario, en huidig artikel 214, § 1, eerste
lid, WIB 92) en bepaalt dat de omzetting van belas-
tingheffing is vrijgesteld en dus van fiscale neutraliteit
geniet, op voorwaarde dat deze omzetting plaatsvindt
zonder onderbreking van de rechtspersoonlijkheid
en in overeenstemming met het rechtspersonenrecht
dat de omzetting beheerst. Artikel 214, § 1, eerste lid,
WIB 92 wordt overeenkomstig aangepast.
Als de omzetting gepaard gaat met een overdracht
van de werkelijke zetel naar het buitenland of een over-
gang van de Ven.B naar de rechtspersonenbelasting
(RPB), dan blijven de artikelen 209 en 210 niettemin van
toepassing (art. 210, § 1, 4°, en nieuw art. 210/1), zoals
hierna wordt vermeld.
2) (artikelen 44 en 80, 6°, van het ontwerp). De over-
gang van de Ven.B naar de RPB wordt van nu af aan
uitdrukkelijk in algemene bewoordingen geregeld in
artikel 210/1, WIB 92, nieuw, en doet zich bijvoorbeeld
voor wanneer een vennootschap wordt omgezet in een
VZW, een IVZW of een stichting waarvan de onderne-
mingsactiviteiten dermate beperkt zijn dat de VZW, een
IVZW of stichting aan de RPB onderworpen is, of ook
wanneer een VZW, een IVZW of stichting die aan de
Ven.B is onderworpen aan de RPB wordt onderworpen
als gevolg van een wijziging van haar activiteiten. De
toepassing van de artikelen 208 en 209, WIB 92 heeft
in het bijzonder tot gevolg dat de latente meerwaarden
en vrijgestelde reserves die bij de vennootschap op
dat ogenblik bestaan, belastbaar worden. Artikel 413/1,
WIB 92 wordt echter uitgebreid tot de hypothese van
philosophie, il n’est aussi alors plus opportun de main-
tenir la disposition.
3. Adaptations aux nouvelles possibilités
de transformation des sociétés, associations
et fondations et de déplacement de leur siège
statutaire
1) (articles 43, 4°, et 46 du projet) Pour tenir compte
des évolutions en la matière, l’article 210, § 1er, 3°,
CIR 92, relatif au changement de la forme juridique
d’une société, est adapté pour viser aussi la transforma-
tion d’une société de droit étranger (avec siège réel en
Belgique) en une autre société de droit étranger (avec
siège réel en Belgique), d’une société de droit belge
en une société de droit étranger, d’une société en une
asbl (cette dernière transformation étant rendue possible
par le projet de loi introduisant le CSA), etc. Reprenant
mutatis mutandis les deux conditions qui figuraient
déjà dans le CIR 92 (voir article 210, § 1er, 3°, CIR 92,
actuel, a contrario, et article 214, § 1er, alinéa 1er, CIR 92,
actuel) le texte prévoit que la transformation échappe
à la taxation, et jouit donc de la neutralité fiscale, pour
autant qu’elle se réalise sans rupture de la personnalité
juridique et en conformité avec le droit des personnes
morales qui s’applique à la transformation. L’article 214,
§ 1er, alinéa 1er, CIR 92 est adapté corrélativement.
Si la transformation s’accompagne du transfert du
siège réel à l’étranger ou du passage de l’ISoc. à
l’impôt des personnes morales (IPM), les articles 209 et
210 s’appliqueront néanmoins (article 210, § 1er, 4°, et
art 210/1 nouveau), comme dit ci-après.
2) (articles 44 et 80, 6°, du projet) Le passage de
l’ISoc. à l’IPM est à présent expressément visé en
termes généraux par l’article 210/1, CIR 92, nouveau,
et se produira par exemple en cas de la transformation
d’une société en une asbl, une aisbl ou une fondation
dont les activités entrepreneuriales sont assez limitées
pour que cette asbl, aisbl ou fondation soit assujettie
à l’IPM, ou encore dans le cas où une asbl, une aisbl
ou fondation assujettie à l’ISoc. deviendrait assujettie
à l’IPM à la suite d’un changement de ses activités.
L’application des articles 208 et 209, CIR 92 entraî-
nera en particulier la taxation des plus-values latentes
et réserves immunisées existant dans la société à ce
moment. L’article 413/1, CIR 92 est cependant étendu
à cette hypothèse du passage de l’ISoc. à l’IPM pour
permettre à la société, si elle le souhaite, de différer
37
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
overgang van de Ven.B naar de RPB om de vennoot-
schap de mogelijkheid te bieden, zo deze het wenst, de
betaling van de belasting uit te stellen volgens hetgeen
thans al is voorzien in geval van zetelverplaatsing naar
het buitenland. Omwille van het feit dat er geen activa
worden overgedragen naar het vermogen van de aan-
deelhouders of vennoten, zal artikel 18, eerste lid, 2°ter,
WIB 92 niet van toepassing zijn en zal de verrichting
bijgevolg niet worden beschouwd als een dividenduit-
kering aan de aandeelhouders of vennoten.
Dit ontwerp wijzigt op geen enkele wijze de huidige
voorwaarden waaronder de lichamen die geen winst-
oogmerk nastreven in de zin van de artikelen 181 en
182, WIB 92 aan de Ven.B of de RPB zijn onderworpen.
Naar aanleiding van het advies nr. 63.599/3 van de
Raad van State betreffende de tijdelijke onderwerping
aan de vennootschapsbelasting overeenkomstig arti-
kel 179/1, WIB 92, wordt het nieuwe artikel 210/1 WIB 92,
vervolledigd teneinde het gedeelte van de vrijgestelde
reserves en het gedeelte van de latente meerwaarden
die betrekking hebben op een belastbaar tijdperk ver-
bonden met een aanslagjaar waarvoor de vennootschap
niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen was,
niet in aanmerking te nemen voor de bepaling van
de belastbare grondslag waarop de belastingheffing
overeenkomstig het nieuwe artikel 210/1, WIB 92, zal
worden toegepast.
4. Technische correcties en aanpassingen van
kruisverwijzingen
4.1. Verdwijnende rechtsvormen en onderscheid
burgerlijke en handelsvennootschappen
(artikelen 2, 4°, en 61,2° van het ontwerp). Omwille
van het feit dat het WVV de benamingen “besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid”, “coö-
peratieve vennootschap met beperkte aansprakelijk-
heid” en ““coöperatieve vennootschap met onbeperkte
aansprakelijkheid” schrapt en dat de definitie van “intra-
Europese vennootschap” uit artikel 2, § 1, 5°, b)bis,
verwijst naar de rechtsvormen vermeld in bijlage I, deel
A van de fiscale richtlijn inzake grensoverschrijdende
fusies, wordt deze definitie aangevuld om te verdui-
delijken dat wanneer het Belgische vennootschappen
betreft, de oude benamingen bedoeld in deze bijlage
begrepen moeten worden alsof ze ook verwijzen naar
de nieuwe benamingen uit het WVV, te weten, respec-
tievelijk ”besloten vennootschap”, “coöperatieve ven-
nootschap” en “commanditaire vennootschap”. Dankzij
deze gelijkstelling kan een binnenlandse vennootschap
fiscaal neutraal worden opgeslorpt door bijvoorbeeld
een vennootschap die inwoner is van Duitsland, zelfs
le paiement de l’impôt à l’instar de ce qui est déjà
prévu actuellement en cas de transfert de siège vers
l’étranger. En l’absence de tout transfert d’actifs dans
le patrimoine des actionnaires ou associés par le fait du
changement d’assujettissement, l’article 18, alinéa 1er,
2°ter, CIR 92 ne sera pas applicable, l’opération ne sera
donc pas traitée comme impliquant un dividende dans
le chef des actionnaires ou associés.
Le présent projet ne modifie en rien les conditions
actuelles de l’assujettissement à l’ISoc. ou à l’IPM des
organismes qui ne poursuivent pas un but lucratif au
sens des articles 181 et 182, CIR 92.
Suite à l’avis n° 63.599/3 du Conseil d’État concer-
nant l’assujettissement temporaire à l’impôt des
sociétés conformément à l’article 179/1, CIR 92, le
nouvel article 210/1, CIR 92, est complété afin de ne
pas prendre en considération la partie des réserves
exonérées et la partie des plus-values latentes, qui se
rapportent à une période imposable se rattachant à un
exercice d’imposition pour lequel la société n’était pas
soumise à l’impôt des sociétés, pour la détermination de
la base imposable sur laquelle la taxation sera appliquée
conformément au nouvel article 210/1, CIR 92.
4. Corrections techniques et adaptations de
renvois
4.1. Formes juridiques qui disparaissent et
distinction entre sociétés civiles et commerciales
(articles 2, 4°, et 61, 2°, du projet) Le CSA abandon-
nant les dénominations “société privée à responsabilité
limitée”, “société coopérative à responsabilité limitée”
et “société coopérative à responsabilité illimitée”, et
“société en commandite simple”, et la définition de
la “société intra-européenne” de l’article 2, § 1er, 5°b)
bis, CIR 92 se référant aux formes juridiques citées
dans l’annexe I, partie A de la directive fiscale sur les
fusions transnationales, cette définition est complétée
pour préciser que, s’agissant des sociétés de droit
belge, ces anciennes dénominations visées dans cette
annexe doivent s’entendre aussi comme des références
aux nouvelles dénominations utilisées dans le CSA,
à savoir respectivement celles de “société à respon-
sabilité limitée”, “société coopérative” et “société en
commandite”. Grâce à cette assimilation, une société
résidente belge pourra être absorbée en neutralité
d’impôt par une société résidente de l’Allemagne, par
exemple, quand bien même cette société absorbante
38
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
als de opslorpende vennootschap zou worden beheerst
door het Belgische rechtspersonenrecht en de vorm
van een BV, CV of CommV naar Belgisch recht zou
hebben (de voorgestelde bepaling gaat niet verder dan
de richtlijn en breidt het voordeel ervan bijgevolg niet
uit tot het geval dat een binnenlandse vennootschap
wordt opgeslorpt door een vennootschap, die weliswaar
inwoner is van een EU lidstaat voor fiscale doeleinden,
maar beheerst wordt door het rechtspersonenrecht van
een derde land die de statutaire zetelleer toepast en
evenmin tot een vereniging of stichting naar Belgisch
recht die zijn zetel van werkelijke leiding in het buitenland
heeft gevestigd, ongeacht of deze in een EU lidstaat
of een derde land is gevestigd). Dezelfde gelijkstelling
wordt in artikel 264/1, §§ 1 en 2, WIB 92 ingevoerd met
betrekking tot de verwijzing die in deze bepaling wordt
gemaakt naar de rechtsvormen vermeld in bijlage 1, A
van de moeder-dochterrichtlijn.
Het nieuwe WVV schaft het onderscheid af tussen
handelsvennootschappen en burgerlijke vennootschap-
pen. De artikelen 6, 7, 1°, 14, 1°, 55, 2°, 59, 73, 75, 84,
87, 88, 89, 94, c, en 97, van dit ontwerp zorgen ervoor
dat dit onderscheid ook niet langer in het WIB 92 ge-
maakt wordt.
Daarnaast schaft het nieuwe WVV de vormen van de
“tijdelijke handelsvennootschap” en de “stille handels-
vennootschap” af. Artikelen 78 en 79 van dit ontwerp
schrappen dan ook de vermeldingen van deze rechts-
vormen in het WIB 92.
4.2. Het begrip “controle”
De huidige artikelen 13/1° en 145, 2°, a, WIB 92 ver-
wijzen naar het begrip “controle” zoals gedefinieerd
in artikel 5 van het Wetboek van Vennootschappen.
De artikelen 2, 9°, en 18 van dit ontwerp passen deze
kruisverwijzingen aan. Vanaf nu wordt verwezen naar
artikel 1:14 van het WVV dat deze definitie herneemt.
4.3. Ve r w ij z in g e n n a a r c o ö p e r a t i eve
vennootschappen
Op een aantal plaatsen in het WIB 92 wordt er mel-
ding gemaakt van “coöperatieve vennootschappen die
door de Nationale Raad van de Coöperatie zijn erkend”.
De erkenning van deze vennootschappen wordt vanaf
nu geregeld in artikel 8:4 van het WVV. Artikelen 3, 5°,
27, 48, 2°, 48, 3°, b, 48, 4°, en 60, van dit ontwerp zorgen
ervoor dat vanaf nu verwezen wordt naar artikel 8:4 van
het WVV.
serait régie par le droit des personnes morales belge
et aurait la forme juridique d’une SRL, SC ou SComm
de droit belge (le texte proposé ne va pas plus loin que
la directive et n’étend donc pas le bénéfice de celle-ci
au cas où une société résidente belge serait absorbée
par une société, certes résidente fiscale d’un État de
l’UE, mais régie par le droit des personnes morales
d’un État tiers pratiquant la théorie du siège statutaire,
ni à une association ou fondation de droit belge ayant
son siège réel à l’étranger, que ce soit dans un État
membre ou dans un État tiers). La même assimilation
est introduite dans l’article 264/1, §§ 1er et 2, CIR 92, à
propos de la référence faite dans cette disposition aux
formes juridiques citées dans l’annexe I, partie A de la
directive fiscale mère-filiale.
Le nouveau CSA supprime la distinction entre les
sociétés commerciales et les sociétés civiles. Les
articles 6, 7, 1°, 14, 1°, 55, 2°, 59, 73, 75, 84, 87, 88, 89,
94, c, et 97, du présent projet font en sorte que cette
distinction ne soit plus faite dans le CIR 92.
En outre, le nouveau CSA supprime les formes de
“société momentanée” et de “société interne”. Les
articles 78 et 79 du présent projet suppriment donc les
références à ces formes juridiques dans le CIR 92.
4.2. La notion de “contrôle”
Les actuels articles 13/1° et 145, 2°, a, CIR 92 se
réfèrent à la notion de “contrôle” telle que définie à
l’article 5 du Code des sociétés. Les articles 2, 9°, et
18 du présent projet adaptent ces renvois. Dorénavant,
il est fait référence à l’article 1:14 du CSA qui reprend
cette définition.
4.3. Modifications en matière de sociétés
coopératives
Le CIR 92 mentionne à plusieurs reprises les “socié-
tés coopératives agréées par le Conseil national de la
Coopération”. L’agrément de ces sociétés est désormais
régi par l’article 8:4 du CSA. Les articles 3, 5°, 27, 48,
2°, 48, 3°, b, 48, 4°, et 60, du présent projet font en sorte
qu’il soit désormais fait référence à l’article 8:4 du CSA.
39
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
4.4. Verwijzingen naar vennootschappen met een
sociaal oogmerk
Op een aantal plaatsen in het WIB 92 wordt er mel-
ding gemaakt van “vennootschappen met een sociaal
oogmerk”. Onder het huidige Wetboek van vennoot-
schappen vallen deze vennootschappen onder een
aparte regeling (artikelen 661 tot 667 W.Venn.). Onder
het WVV worden vennootschappen die tot doel hebben
een positieve maatschappelijke impact te bewerkstel-
ligen op mens, milieu of samenleving “sociale onder-
nemingen” genoemd en zullen ze als dusdanig moeten
worden erkend. Hiertoe moet de vennootschap aan
een aantal voorwaarden voldoen. Eén daarvan is dat
ze de rechtsvorm van een CV heeft aangenomen. De
erkenning van deze vennootschappen wordt vanaf nu
geregeld in artikel 8:5 van het WVV. Artikelen 4, 1°, 4, 2°,
25, 1°, b), en 43, 9°, van dit ontwerp zorgen ervoor dat
vanaf nu verwezen wordt naar de “sociale onderneming”
en naar de erkenning volgens artikel 8:5 van het WVV.
4.5. Kleine vennootschappen
De mogelijke toepassing van een aantal bepalingen
van het WIB 92 is afhankelijk van de kwalificatie van een
of meer van de betrokken personen als een “kleine ven-
nootschap” op grond van de criteria vermeld in artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen. Deze
criteria worden vanaf nu opgesomd in artikel 1:24 van
het WVV. Artikelen 4, 3°, 13, 20, 4°, 26, 28, 33, 34, 35,
38, 40, 42, 48, 1°, 49, 50, 51, 1°, 62, 1°, 63, 63, 1°, 64, 65,
1°, en 67, 1°, van dit ontwerp zorgen ervoor dat vanaf nu
verwezen wordt naar artikel 1:24 van het WVV.
4.6. Omvorming landbouwvennootschappen naar
landbouwondernemingen
De landbouwvennootschap is een vennootschap
die de exploitatie van een land- en tuinbouwbedrijf tot
doel heeft en waarvan de rechtsvorm sterk gelijkt op de
vennootschap onder firma of de gewone commanditaire
vennootschap. Het wetsontwerp tot invoering van het
WVV schaft de afzonderlijke rechtsvorm “landbouwven-
nootschap” (artikel 789, W.Venn.) af. Onder het WVV
kunnen vennootschappen die de exploitatie van een
land- en tuinbouwbedrijf tot doel hebben, erkend worden
als landbouwonderneming.
Deze erkenning kan worden gegeven aan een ven-
nootschap onder firma (‘VOFLO’), een commanditaire
vennootschap (‘CommVLO’), een besloten vennoot-
schap (‘BVLO’) en een coöperatieve vennootschap
(‘CVLO’). Deze erkenning wordt geregeld in arti-
kel 8:2 van het WVV. Artikelen 7, 3°, 9, 2°, 9, 4°, en 43,
6°, van dit ontwerp zorgen er bijgevolg voor dat vanaf nu
4.4. Modifi cations en matière de sociétés à fi nalité
sociale
Le CIR 92 mentionne à différents endroits les “socié-
tés à finalité sociale”. Dans le Code des sociétés actuel,
ces sociétés sont soumises à une réglementation
distincte (articles 661 à 667, CSoc). Sous l’empire du
CSA, les sociétés qui ont pour but de générer un impact
sociétal positif pour l’homme, l’environnement ou la
société sont appelées “entreprises sociales” et devront
être agréées comme telles. À cette fin, la société doit
remplir un certain nombre de conditions. L’une d’elles
est que la société ait adopté la forme juridique d’une
SC. L’agrément de ces sociétés est désormais régi par
l’article 8:5 du CSA. Les articles 4, 1°, 4, 2°, 25, 1°, b, et
43, 9°, du présent projet font en sorte qu’il soit désormais
fait référence à l’ “entreprise sociale” et à l’agrément de
l’article 8:5 du CSA.
4.5. Petites sociétés
L’application d’un certain nombre de dispositions du
CIR 92 dépend de la qualification d’une ou plusieurs
des personnes concernées comme “petite société”
sur la base des critères énoncés à l’article 15, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés. Dorénavant, ces critères
sont repris à l’article 1:24 du CSA. Les articles 4, 3°,
13, 20, 4°, 26, 28, 33, 34, 35, 38, 40, 42, 48, 1°, 49, 50,
51, 1°, 62, 1°, 63, 63, 1°, 64, 65, 1°, et 67, 1°, du présent
projet font en sorte qu’il soit désormais fait référence à
l’article 1:24 du CSA.
4.6. Transformation des sociétés agricoles en
entreprises agricoles
La société agricole est une société qui a pour objet
l’exploitation d’une entreprise agricole ou horticole et
dont la forme juridique est très analogue à la société
en nom collectif ou à la société en commandite simple.
Le projet de loi introduisant le CSA supprime la forme
juridique particulière d’ “entreprise agricole” (art. 789 du
Code des sociétés). Sous l’empire du CSA, les sociétés
dont le but est l’exploitation d’une entreprise agricole
ou horticole peuvent être agréées comme “entreprise
agricole”.
Cet agrément peut être accordé à une société en
nom collectif (“SNCEA”), à une société en commandite
(“SCommEA”), à une société à responsabilité limitée
(“SRLEA”) et à une société coopérative (“SCEA”).
Cet agrément est réglé par l’article 8:2 du CSA. Les
articles 7, 3°, 9, 2°, 9, 4°, et 43, 6°, du présent projet
font donc référence à l’agrément visé à l’article 8:2 du
40
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
verwezen wordt naar de erkenning als bedoeld in arti-
kel 8:2 van het WVV, daar waar het WIB 92 momenteel
verwijst naar “landbouwvennootschap”.
Op grond van artikel 29, WIB 92 wordt de huidige
landbouwvennootschap fiscaal transparant belast,
tenzij ze opteert voor onderworpenheid aan de ven-
nootschapsbelasting. Om het status quo op fiscaal vlak
te behouden bepaalt artikel 7, 3°, van dit ontwerp, dat
het artikel 29, WIB 92 wijzigt, dat deze laatstgenoemde
bepaling slechts van toepassing is op VOFLO’s en
CommVLO’s. Andere vormen van landbouwonderne-
mingen (BVLO’s en CVLO’s) zullen bijgevolg niet aan-
zien worden als fiscaal transparant.
Het is mogelijk dat een vennootschap die aan de
vennootschapsbelasting is onderworpen ten gevolge
van een wijziging van haar activiteiten als landbouw-
onderneming erkend wordt. Uit het voorgaande volgt
dat wanneer deze vennootschap de rechtsvorm van
een VOFLO of CommVLO heeft, ze dan in principe
als fiscaal transparant wordt aangemerkt en dus niet
langer meer aan vennootschapsbelasting is onderwor-
pen. Artikel 210, 7°, dat door artikel 43, 6°, van huidig
ontwerp aan het WIB 92 wordt toegevoegd, regelt deze
situatie en bepaalt dat de vennootschap in dat geval
geacht wordt ontbonden en vereffend te zijn en dus
overeenkomstig de artikelen 208 en 209, WIB 92 moet
afrekenen over haar latente meerwaarden en vrijge-
stelde reserves. Artikel 43, 6°, van het huidige ontwerp
voegt ook artikel 210, 8°, aan het WIB 92 toe. Deze ziet
toe op het geval dat een landbouwonderneming die
voor de toepassing van de vennootschapsbelasting
geopteerd heeft, de optie niet verlengt of niet meer
aan de voorwaarden van de optie voldoet maar niet-
temin een landbouw- of tuinbedrijf blijft exploiteren. In
dergelijk geval wordt de vennootschap niet langer aan
de vennootschapsbelasting onderworpen, maar wordt
haar winst bij toepassing van artikel 29, WIB 92 (fiscale
transparantie) in hoofde van haar vennoten belast. Ook
in dat geval dringt de toepassing van de artikelen 208 en
209, WIB 92 zich bijgevolg op. Dat is al de praktijk van-
daag (zie Circ. 412/311 175, nr. 35 – 36) en aan deze
praktijk wordt nu een wettelijke basis verleend. In de
twee hier genoemde gevallen is er geen overdracht van
activa naar het vermogen van de vennoten zodat er geen
reden is om artikel 18, eerste lid, 2°ter, WIB 92 toe te
passen en een dividenduitkering te belasten in hoofde
van de vennoten. Ook dat is in lijn met hogervermelde
administratieve praktijk.
CSA, là où le CIR 92 se réfère actuellement à la “société
agricole”.
Sur pied de l’article 29, CIR 92, la société agricole
actuelle est imposée de manière fiscalement trans-
parente, sauf si elle opte pour l’assujettissement à
l’impôt des sociétés. Pour maintenir le statu quo sur le
plan fiscal, l’article 7, 3°, du présent projet, qui modifie
l’article 29, CIR 92, prévoit que cette dernière disposition
s’applique uniquement aux SNCEA et SCommEA. Les
autres formes d’entreprises agricoles (SRLEA et SCEA)
ne seront donc par conséquent pas considérées comme
fiscalement transparentes.
Il se peut qu’une société soumise à l’impôt des socié-
tés soit, à la suite d’une modification de ses activités,
agréée comme “entreprise agricole”. Il s’ensuit que si
cette société a la forme juridique d’une SNCEA ou d’une
SCommEA, elle est en principe considérée comme
fiscalement transparente et cesse donc d’être soumise
à l’impôt des sociétés. L’insertion de l’article 210, 7°,
dans le CIR 92 par l’article 43, 6°, du projet actuel, règle
cette situation et dispose que, dans ce cas, la société
est réputée dissoute et liquidée et que ses plus-values
latentes et réserves exonérées doivent donc être impo-
sées en application des articles 208 et 209, CIR 92.
L’article 43, 6°, du projet actuel, insère également
l’article 210, 8°, au CIR 92. Cela règle le cas où une en-
treprise agricole qui a opté pour l’application de l’impôt
des sociétés ne prolonge pas cette option ou ne remplit
plus les conditions de l’option mais continue cependant
à exploiter une entreprise agricole ou horticole. Dans
un tel cas, la société ne sera plus soumise à l’impôt
des sociétés, mais son bénéfice sera, par application
de l’article 29, CIR 92 (transparence fiscale), imposé
dans le chef de ses associés. Dans ce cas également,
les articles 208 et 209, CIR 92 s’appliquent. La loi
confirme ainsi la pratique actuelle (voir Circ. 412/311 175,
n° s 35-36). Dans les deux cas mentionnés ci-avant, il
n’y a pas de transfert d’actifs dans le patrimoine des
associés de sorte qu’il n’y a aucune raison d’appliquer
l’article 18, alinéa 1er, 2°ter, CIR 92 et de taxer une dis-
tribution de dividende dans le chef des associés. Cela
est également conforme à la pratique administrative
évoquée ci-dessus.
41
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
4.7. Omvorming economisch samenwerkings-
verband naar vennootschap onder fi rma
De rechtsvorm genaamd “economisch samenwer-
kingsverband” zal worden uitgefaseerd door de nieuwe
vennootschapswetgeving. Bestaande economische
samenwerkingsverbanden kunnen op basis van arti-
kel 32 WVV worden omgezet naar een vennootschap
onder firma. De gevolgen van deze omzetting worden
geregeld door artikel 7, 4°, van dit ontwerp.
Thans worden economische samenwerkingsverban-
den op grond van artikel 29, § 2, WIB 92 geacht vereni-
gingen zonder rechtspersoonlijkheid te zijn, waardoor
de transparantieregel van artikel 29, § 1, WIB 92 op
hen van toepassing is. Deze transparantieregel zal van
toepassing blijven op economische samenwerkingsver-
banden die zich omgezet hebben naar een vennoot-
schap onder firma op voorwaarde dat zij uitsluitend tot
doel hebben om de economische bedrijvigheid van haar
vennoten te vergemakkelijken of te ontwikkelen, dan wel
de resultaten van die bedrijvigheid te verbeteren of te
vergroten. Daarenboven moet de bedrijvigheid van de
vennootschap onder firma aansluiten bij deze van haar
vennoten en van ondergeschikte betekenis zijn.
Bestaande economische samenwerkingsverbanden
moeten momenteel reeds aan deze voorwaarden vol-
doen op basis van artikel 839 van Wetboek van ven-
nootschappen. Door deze bewoordingen in te schrijven
in artikel 29, § 2, WIB 92 blijft het status quo behouden.
Door het huidige artikel 840 van het Wetboek van
vennootschappen worden er enige beperkingen opge-
legd aan de activiteiten van het samenwerkingsverband,
waaronder het verbod om aandelen te houden, obliga-
ties uit te geven en het verbod om zich rechtstreeks
of onrechtstreeks te mengen in de uitoefening van de
bedrijvigheid van zijn leden. Deze beperkingen vloeien
voort uit de vereiste dat de activiteiten van het samen-
werkingsverband, de activiteiten van haar leden dient te
vergemakkelijken of te ondersteunen. Deze beperkingen
worden niet opgenomen in artikel 29, § 2, 4°, WIB 92 zo-
als gewijzigd door het ontwerp, maar het spreekt voor
zich dat het niet-respecteren van deze beperkingen door
het tot VOF omgevormde samenwerkingsverband, het
verlies van de fiscale transparantie met zich meebrengt.
4 . 8 . V e r b o n d e n e n g e a s s o c i e e r d e
vennootschappen
Op een aantal plaatsen in het WIB 92 wordt er
verwezen naar de begrippen “verbonden vennoot-
schappen”, “geassocieerde vennootschappen” en
“verbonden en geassocieerde vennootschappen” in
de zin van de artikelen 11 en/of 12 van het Wetboek
4.7. Transformation d’un groupement d’intérêt
économique en société en nom collectif
La forme juridique dénommée “groupement d’intérêt
économique” sera progressivement supprimée par le
nouveau droit des sociétés. Les groupements d’intérêt
économique existants peuvent être transformés en
société en nom collectif sur la base de l’article 32, CSA.
Les conséquences de cette transformation sont réglées
par l’article 7, 4°, du présent projet.
Actuellement, sur base de l’article 29, § 2, CIR 92,
les groupements d’intérêt économique sont considérés
comme des associations sans personnalité juridique
auxquelles s’applique la règle de transparence de
l’article 29, § 1er, CIR 92. Cette règle de transparence
restera applicable aux groupements d’intérêt écono-
mique qui se seront transformés en une société en nom
collectif à condition qu’ils aient uniquement pour but de
faciliter ou de développer l’activité économique de leurs
associés ou d’améliorer ou d’accroître les résultats de
cette activité. En outre, l’activité de la société en nom
collectif doit se rattacher à l’activité de ses associés
et avoir un caractère accessoire par rapport à celle-ci.
Les groupements d’intérêt économique existants
doivent actuellement déjà remplir ces conditions sur la
base de l’article 839 du Code des sociétés. En repre-
nant ces termes à l’article 29, § 2, CIR 92, le statu quo
est maintenu.
Sous l’actuel article 840 du Code des sociétés,
certaines restrictions sont imposées aux activités du
groupement, notamment l’interdiction de détenir des
actions, d’émettre des obligations et l’interdiction de
s’immiscer directement ou indirectement dans l’exercice
de l’activité de ses membres. Ces limitations découlent
de l’exigence selon laquelle les activités du groupement
doivent faciliter ou soutenir les activités de ses membres.
Ces limitations ne sont pas reprises dans l’article 29,
§ 2, 4°, CIR 92 tel que modifié par le projet, mais il
va de soi que le non-respect de ces limitations par le
groupement transformé en SNC entraîne la perte de la
transparence fiscale.
4.8. Sociétés liées et associées
Le CIR 92 fait à plusieurs reprises référence aux
concepts de “sociétés liées”, “sociétés associées” et
“sociétés liées et associées” au sens des articles 11 et/
ou 12 du Code des sociétés. Ces références sont
adaptées aux dispositions correspondantes, à savoir
42
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van vennootschappen. Deze verwijzingen worden aan-
gepast naar de corresponderende bepalingen, zijnde
artikelen 1:20 en 1:21 van het WVV, door de volgende
bepalingen van dit ontwerp:
— Voor wat betreft de referenties naar “verbonden
vennootschappen”: artikelen 2, 12, 32, 36, 51, 2°, 65,
2°, en 66;
— Voor wat betreft de referenties naar “geassoci-
eerde vennootschappen”: artikel 65, 3°;
— Voor wat betreft de referenties naar “verbonden
en geassocieerde” vennootschappen: artikelen 55, 1°;
56; 62, 4°, en 65, 5°.
4.9. Algemene verwijzingen naar vennootschaps-
recht
Op een aantal plaatsen in het WIB 92 wordt er op
algemene wijze verwezen naar het vennootschapsrecht
door te refereren naar “het Wetboek van vennootschap-
pen”. De artikelen 19, 4°; 29, 1°; 31 en 81 van dit ontwerp
hebben tot gevolg dat er vanaf de inwerkingtreding van
deze wet verwezen wordt naar het WVV.
4.10. Quasi-inbreng
Artikel 14526, § 3, derde lid, 4°, WIB 92, zoals thans
van toepassing, verwees naar een quasi-inbreng, zoals
bedoeld in de artikelen 220, 396, 445 of 657 van het
Wetboek van vennootschappen. Alleen artikel 445 van
het Wetboek van vennootschappen (voor wat betreft
de Naamloze Vennootschap) is opgenomen in het
nieuwe WVV. De reden hiervoor wordt uitgelegd op
bladzijde 135 van de memorie van toelichting bij het
WVV. Artikel 20, 6°, van dit ontwerp wijzigt artikel 14526,
WIB 92 om te verwijzen naar de corresponderende
bepaling in het WVV (namelijk artikel 7:8).
4.11. Microvennootschap
Artikelen 14526, § 3, zesde lid en 27510, vierde lid,
WIB 92 verwijzen voor de definitie van een microven-
nootschap naar artikel 15/1 van het Wetboek van ven-
nootschappen. Artikelen 20, 7°, en 67, 2°, van dit ontwerp
wijzigen artikel 14526, WIB 92 om te verwijzen naar
de corresponderende bepaling in het WVV (namelijk
artikel 1:25).
4.12. Opheffing Wet van 27 juni 1921
De Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen
zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese
les articles 1:20 et 1:21 du CSA, par les dispositions
suivantes du présent projet:
— En ce qui concerne les références aux “sociétés
liées”: articles 2, 12, 32, 36, 51, 2°, 65, 2°, et 66;
— En ce qui concerne les références aux “sociétés
associées”: article 65, 3°;
— En ce qui concerne les références aux sociétés
“liées et associées”: articles 55, 1°, 56, 62, 4°, et 65, 5°.
4.9. Références générales au droit des sociétés
Le CIR 92 fait à plusieurs endroits référence en
termes généraux au droit des sociétés en se référant
au “Code des sociétés”. Les articles 19, 4°, 29, 1°,
31 et 81 du présent projet ont pour effet qu’à partir de
l’entrée en vigueur de la présente loi, référence sera
faite au CSA.
4.10. Quasi-apport
L’article 14526, § 3, alinéa 3, 4°, CIR 92, tel qu’actuel-
lement applicable, se réfère à un quasi-apport tel que
visé aux articles 220, 396, 445 ou 657 du Code des
sociétés. Seul l’article 445 du Code des Sociétés (en
ce qui concerne la société anonyme) est repris dans
le nouveau CSA. La raison en est expliquée à la page
135 de l’exposé des motifs du CSA. L’article 20, 6°,
du présent projet modifie l’article 14526, CIR 92 pour
renvoyer à la disposition correspondante du CSA (à
savoir l’article 7:8).
4.11. Micro-société
Les articles 14526, § 3, alinéa 6, et 27510, alinéa 4,
CIR 92 se réfèrent à l’article 15/1 du Code des sociétés
pour la définition de la micro-entreprise. Les articles 20,
7°, et 67, 2°, du présent projet modifient l’article 14526,
CIR 92 pour renvoyer à la disposition correspondante
du CSA (à savoir l’article 1:25)
4.12. Abrogation de la loi du 27 juin 1921
La loi du 27 juin 1921 sur les associations sans
but lucratif, les fondations, les partis politiques et les
43
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
politieke partijen en stichtingen wordt door de hervor-
ming van het vennootschapsrecht grotendeels opge-
heven. Artikel 28 van het WVV-wetsontwerp bepaalt
immers dat de wet wordt opgeheven, met uitzondering
van titel I, hoofdstuk 1, titel III, titel IIIter en titel IIIquater
voor wat betreft de Europese politieke partij en de
Europese politieke stichting. Andere entiteiten vallen
onder de relevante bepalingen van Deel 3 van het WVV.
De terminologie gebruikt in artikel 22 van dit ontwerp,
dat artikel 181, 8°, WIB 92, betreffende vennootschap-
pen waarvan de activiteit louter bestaat uit de certificatie
van effecten, wijzigt, maakt het mogelijk dat VZW’s
opgericht onder de wet van 1921 en die dergelijke acti-
viteit oefent buiten het toepassingsgebied blijven van de
vennootschapsbelasting, waardoor de huidige situatie
wordt gehandhaafd.
Artikelen 37 en 39 van dit ontwerp wijzigen bestaande
referenties naar de wet van 1921 in referenties naar Deel
3 van het WVV.
Artikel 25, 1°, a), van dit ontwerp wijzigt artikel 184ter,
§ 1, eerste lid, WIB 92 in zoverre dat artikel verwijst
naar het netto-actief vermeld in artikel 26sexies van de
wet van 27 juni 1921. Vanaf nu wordt verwezen naar de
corresponderende bepalingen van het WVV (namelijk
artikel 14:42).
Artikel 82 van dit ontwerp wijzigt artikel 442quater,
§ 1, eerste lid, WIB 92 in zoverre dat artikel verwijst naar
een rechtspersoon bedoeld in artikel 17, § 3 van de wet
van 27 juni 1921. Vanaf nu wordt verwezen naar rechts-
personen bedoeld in de corresponderende bepalingen
van het WVV (zijnde artikelen 3:47, § 3 en 3:50, § 3).
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen aan het wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde
De wijzigingen die de artikelen 83 tot 86 van het
ontwerp aan het Wetboek aanbrengen, zijn beperkt
en strekken ertoe om, rekening houdend met de wijzi-
gingen die het wetsontwerp tot invoering van het WVV
met zich meebrengt, het fiscale status quo inzake btw
te behouden.
Artikel 83 voorziet aldus vooreerst in een aanpassing
van artikel 56, § 1, van het Btw-wetboek aan de gewijzig-
de benamingen van bepaalde vennootschapsvormen.
Artikel 84 voorziet verder in de aanpassing van arti-
kel 57, § 6, 1°, van het Btw-Wetboek. Dat artikel voorziet
fondations politiques européennes est largement abro-
gée par la réforme du droit des sociétés. L’article 28 du
projet de loi CSA prévoit que la loi est abrogée, à
l’exception du titre I, chapitre 1er, titre III, titre IIIter et
titre IIIquater pour ce qui concerne les partis politiques
européens et les fondations politiques européennes.
Les autres organismes sont soumis aux dispositions
pertinentes de la partie 3 du CSA.
La terminologie utilisée à l’article 22 du présent projet,
qui modifie l’article 181, 8°, CIR 92, relatif aux sociétés
dont l’activité consiste uniquement en la certification de
titres, permet aux asbl créées sous l’empire de la loi de
1921 et qui se livrent à cette activité de rester en dehors
du champ d’application de l’impôt des sociétés, ce qui
maintient ainsi la situation actuelle.
Les articles 37 et 39 du présent projet remplacent les
références existantes à la loi de 1921 par des références
à la partie 3 du CSA.
L’article 25, 1°, a), du présent projet modifie l’ar-
ticle 184ter, § 1er, alinéa 1er, CIR 92 en ce qu’il fait
référence à l’actif net mentionné à l’article 26sexies de
la loi du 27 Juin 1921. Dorénavant, il est fait référence
aux dispositions correspondantes du CSA (à savoir
l’article 14:42).
L’article 82 du présent projet modifie l’article 442qua-
ter, § 1er, alinéa 1er, CIR 92 en ce qu’il fait référence à
une personne morale visée à l’article 17, § 3, de la loi
du 27 juin 1921. Dorénavant, il est fait référence aux
personnes morales visées aux dispositions correspon-
dantes du CSA (à savoir les articles 3:47, § 3, et 3:50,
§ 3).
CHAPITRE 2
Modifications au code de la taxe
sur la valeur ajoutée
Les modifications que les articles 83 à 86 du projet
apportent au Code sont limitées et visent à maintenir,
compte tenu des modifications qu’entraine le projet de
loi introduisant le CSA, le statu quo fiscal en matière
de T.V.A.
L’article 83 prévoit donc, tout d’abord, une adaptation
de l’article 56, § 1er, du Code de la T.V.A. aux dénomi-
nations modifiées de certains types de sociétés.
Ensuite, l’article 84 prévoit l’adaptation de l’ar-
ticle 57, § 6, 1°, du Code de la T.V.A. Cet article prévoit
44
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
momenteel dat de bijzondere regeling voor landbouw-
ondernemingen opgenomen in artikel 57 van het Btw-
Wetboek niet kan worden toegepast door belastingplich-
tigen die de vorm van een handelsvennootschap hebben
aangenomen. Belastingplichtigen die optreden in het
kader van een burgerlijke vennootschap zoals de land-
bouwvennootschap, kunnen dienovereenkomstig wel
de bijzondere regeling voor landbouwondernemingen
inzake btw toepassen. Ingevolge de nieuwe bepalingen
van het WVV verdwijnt het onderscheid tussen “handels-
vennootschap” en “burgerlijke vennootschap” en mede
daardoor blijft ook de “landbouwvennootschap” niet
langer als afzonderlijke vennootschapsvorm bestaan.
Daarentegen kunnen bepaalde vennootschappen (de
VOF, de commanditaire vennootschap, de coöperatieve
vennootschap en de besloten vennootschap) evenwel
als landbouwonderneming worden erkend, onder de
door de Koning vast te stellen voorwaarden. Om het
bestaande toepassingsgebied van de bijzondere re-
geling voor landbouwondernemingen inzake btw zo
adequaat mogelijk te behouden, rekening houdend
met de impact van de voormelde wijzigingen in het
WVV, past artikel 84 derhalve artikel 57, § 6, 1°, van
het Btw-Wetboek aan zodat de bijzondere regeling
voor landbouwondernemingen niet meer kan worden
toegepast door belastingplichtigen die hun activiteit
uitoefenen onder de vorm van een vennootschap, tenzij
die vennootschap erkend is als landbouwonderneming
bedoeld in artikel 8:2, WVV. Op die manier wordt ook
tegemoetgekomen aan de opmerkingen ter zake in het
advies nr. 63.598/3 van 6 juli 2018 van de Raad van
State.
Tot slot passen de artikelen 85 en 86 respectievelijk
artikel 93undecies, B en C, van het Btw-wetboek aan
om te garanderen dat die artikelen verwijzen naar het
nieuwe WVV.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen aan het wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten
Ook de wijzigingen die de artikelen 87 tot 96 van het
ontwerp aan het Wetboek aanbrengen zijn beperkt.
Ze betreffen in de eerste plaats de aanpassing
van bepalingen omwille van het feit dat niet langer
het onderscheid tussen “burgerlijke vennootschap-
pen” en “handelsvennootschappen” wordt gemaakt
(artikelen 87, 88, 89 en 94, c). Naar aanleiding van het
advies nr. 63.599/3 van de Raad van State werden in de
Nederlandstalige tekst van artikel 88 van het ontwerp de
actuellement que le régime particulier pour les exploita-
tions agricoles prévu à l’article 57 du Code de la T.V.A.
ne peut être appliqué par des assujettis qui ont emprunté
la forme d’une société commerciale. Des assujettis qui
agissent dans le cadre d’une société civile, telle que la
société agricole, peuvent par conséquent appliquer le
régime spécial des exploitations agricoles en matière
de T.V.A. En vertu des nouvelles dispositions du CSA,
la distinction entre “société commerciale” et “société
civile” disparaît et par conséquent, la “société agricole”
n’existe plus en tant que forme particulière de société.
En revanche, certaines sociétés (la société en nom col-
lectif, la société en commandite, la société coopérative
et la société à responsabilité limitée) peuvent toutefois
être reconnues comme une entreprise agricole dans
les conditions qui doivent être fixées par le Roi. Afin
de maintenir le plus adéquatement possible la portée
actuelle du régime particulier pour les exploitations agri-
coles en matière de T.V.A. compte tenu de l’impact des
modifications précitées dans le CSA, l’article 84 adapte
ainsi l’article 57, § 6, 1°, du Code de la T.V.A. afin que
le régime particulier des exploitations agricoles ne
puisse plus être utilisé par des assujettis qui exercent
leur activité sous la forme d’une société, à moins que
cette société ne soit reconnue comme une entreprise
agricole visée à l’article 8:2, CSA. De cette manière,
cela répond également aux remarques contenues dans
l’avis n ° 63.598/3 du 6 juillet 2018 du Conseil d’État.
Enfin, les articles 85 et 86 adaptent respectivement
les articles 93undecies, B et C, du Code de la T.V.A.
afin d’assurer que ces articles renvoient bien au nou-
veau CSA.
CHAPITRE 3
Modifications au code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Les modifications apportées au Code par les ar-
ticles 87 à 96 du projet sont également limitées.
Elles concernent en premier lieu l’adaptation à la
suppression de la distinction entre “sociétés civiles” et
“sociétés commerciales” (articles 87, 88, 89 et 94, c).
Suite à l’avis n° 63.599/3 du Conseil d’État, les mots
“burgerlijke vennootschappen of handelsvennootschap-
pen” ont été remplacés dans le texte en néerlandais
de l’article 88 du projet par les mots “burgerlijke
45
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
woorden “burgerlijke of handelsvennootschappen” aan-
gepast naar de woorden “burgerlijke vennootschappen
of handelsvennootschappen” zoals staat in de huidige
tekst van het Wetboek.
Vervolgens worden, zoals in het WIB 92, systematisch
de verwijzingen naar de woorden “maatschappelijk” of
“statutair” geschrapt wanneer deze worden gebruikt
in combinatie met het begrip “kapitaal” (artikelen 90,
92, 2°, 93 en 96). De bepalingen die inbrengen in het
kapitaal van een vennootschap betreffen worden, waar
nodig aangevuld, met het begrip “eigen vermogen”
voor het geval dat het een vennootschap betreft die,
in tegenstelling tot een naamloze vennootschap, niet
over een kapitaal in de zin van het WVV beschikt (zie
de artikelen 91, 3° en 6°, 93 en 96). In tegenstelling
tot het WIB 92, is er in het Wetboek der Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten, geen behoefte aan
een afzonderlijke definitie van kapitaal voor vennoot-
schappen met en zonder vennootschappelijk kapitaal,
waarbij de nadruk wordt gelegd op de inbreng van de
aandeelhouder of vennoot (zie supra en art. 2, 7°, van
dit ontwerp). De relevante bepalingen van het Wetboek
der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten (artike-
len 115 tot 130), die het ontwerp aanpast, zijn immers
enkel van toepassing op inbrengen in geld of in natura
in ruil voor aandelen van de vennootschap. Wanneer
bijgevolg voor kapitaalloze vennootschappen naar eigen
vermogen wordt verwezen, kan er geen twijfel over be-
staan dat er bedoeld wordt het eigen vermogen van de
vennootschap dat gevormd is door een inbreng vanwege
de aandeelhouder of vennoot. Daarenboven is het vaste
cassatie-rechtspraak dat begrippen die voorkomen in
fiscale bepalingen en aldaar geen van het gemeen recht
afwijkende definitie hebben gekregen, volgens hun be-
tekenis uit het gemeen recht moeten worden uitgelegd.
Dat wil zeggen dat de begrippen “kapitaal” en “eigen
vermogen” die opgenomen worden in het Wetboek der
Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten als gevolg van
het huidige ontwerp, hun gemeenrechtelijke betekenis
(in casu deze uit het WVV) hebben.
Een tweetal bepalingen wordt aangevuld met een
definitie van het begrip “fractiewaarde” voor het geval
het een kapitaalloze vennootschap betreft. Dat gebeurt
door gebruik te maken van de definitie uit het WVV die
dit ontwerp ook hanteert voor het WIB 92 (artikel 91,
2° en 5°).
Andere aanpassingen betreffen de schrapping van
verwijzingen naar rechtsfiguren die onder het WVV
verdwijnen (economische samenwerkingsverbanden,
artikel 94), de aanpassing van bepalingen aan nieuwe
terminologieën (sociale onderneming, artikel 92, 1°) of
de aanpassing van bepalingen teneinde te garanderen
dat deze verwijzen naar het nieuwe WVV (artikel 95).
vennootschappen of handelsvennootschappen”, tels
qu’ils figurent dans le texte actuel du Code.
Ensuite, comme dans le CIR 92, les références aux
mots “social” ou “statutaire” sont systématiquement
supprimées lorsque ces mots sont utilisés en combinai-
son avec la notion de “capital” (articles 90, 92, 2°, 93 et
96). Les dispositions relatives aux apports au capital
d’une société sont, là où c‘est nécessaire, complétées
le cas échéant avec la notion de “capitaux propres”
pour le cas où il s’agit d’une société qui, contrairement
à une société anonyme, ne dispose pas d’un capital
au sens du CSA (voir articles 91, 3° et 6°, 93 et 96).
Contrairement au CIR 92, le Code des droits d’enre-
gistrement, d’hypothèque et de greffe ne requiert pas
une définition distincte du capital selon que la société a
ou n’a pas de capital, l’accent étant mis sur l’apport de
l’actionnaire ou de l’associé (voir ci-dessus et l’article 2,
7°, du présent projet), parce que les dispositions perti-
nentes du Code d’enregistrement, d’hypothèque et de
greffe (articles 115 à 130), que ce projet adapte, sont
uniquement applicables aux apports en numéraire ou
en nature en échange d’actions ou parts de la société.
Par conséquent, lorsqu’il est fait référence aux capitaux
propres pour les sociétés sans capital, il ne fait aucun
doute que c’est le patrimoine de la société qui est formé
par une contribution de l’actionnaire ou de l’associé. En
outre, selon la jurisprudence constante de la Cour de
Cassation, les notions qui apparaissent dans les dispo-
sitions fiscales et qui n’ont pas de définition différente du
droit commun doivent être interprétées dans le sens du
droit commun. Cela signifie que les notions de “capital”
et de “capitaux propres” qui figurent dans le Code des
droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe à
la suite du projet actuel ont leur sens de droit commun
(dans ce cas, ceux du CSA).
Deux dispositions sont complétées par une définition
de la notion de “pair comptable” pour le cas où il s’agit
d’une société sans capital. Il est fait usage de la défini-
tion du CSA que le présent projet applique également
pour le CIR 92 (article 91, 2° et 5°).
D’autres adaptations suppriment des références à
des figures juridiques qui disparaissent sous le régime
du CSA (groupements d’intérêt économique, article 94),
adaptent des dispositions à de nouvelles terminologies
(entreprise sociale, article 92, 1°) ou modifient des
dispositions pour que celles-ci se réfèrent au nouveau
CSA (article 95). Suite à l’avis n° 63.599/3 du Conseil
46
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Naar aanleiding van het advies nr. 63.599/3 van de
Raad van State werden in de Nederlandstalige tekst
van artikel 94 van het ontwerp de woorden “van een
samenwerkingsverband of” aangepast naar de woorden
“van een economisch samenwerkingsverband of” zoals
staat in de huidige tekst van het Wetboek.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen aan wetboek der successierechten
Ook hier zijn de aanpassingen die de artikelen 97 tot
102 van dit ontwerp aan het wetboek aanbrengt, be-
perkt. Ze betreffen de aanpassing van bepalingen om-
wille van het feit dat niet langer het onderscheid tussen
“burgerlijke vennootschappen” en “handelsvennoot-
schappen” wordt gemaakt (artikel 97); de aanpassing
van bepalingen aan nieuwe terminologieën (erkende
CV, artikelen 99, 1°, 100, 1°, en 101); de aanpassing van
bepalingen teneinde te garanderen dat deze verwijzen
naar het nieuwe WVV (artikel 96). Waar de bepalingen
van het wetboek betrekking hebben op cooperatieve
vennootschappen vervangt het ontwerp de verwijzing
naar het “maatschappelijk kapitaal” door een verwijzing
naar het “eigen vermogen gevormd door de inbrengen
vanwege de aandeelhouders” om duidelijk te maken
dat men in de toekomst – zoals nu ook het geval is bij
de interpretatie van het begrip maatschappelijk kapi-
taal – enkel rekening houdt met eigen vermogen dat
de aandeelhouders in de CV hebben ingebracht in ruil
voor aandelen (artikelen 99, 2°, en 100, 2°). In de artike-
len 98 en 99, 3°, van het ontwerp worden de verwijzingen
naar artikel 21, 6°, WIB 92 vervangen door een verwij-
zing naar het geactualiseerde artikel 185, § 1, eerste lid,
WIB 92 ten gevolge van de opheffing van bovenvermeld
artikel 21, 6°, bij de wet van 25 december 2017.
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen aan het wetboek
diverse rechten en taksen
De enige wijzigingen die artikelen 103 en 104 van het
ontwerp aan het Weboek brengen beogen te garande-
ren dat de bepalingen verwijzen naar het nieuwe WVV.
d’État, les mots “van een samenwerkingsverband of”
ont été remplacés dans le texte en néerlandais de
l’article 94 du projet par les mots “van een economisch
samenwerkingsverband of”, tels qu’ils figurent dans le
texte actuel du Code.
CHAPITRE 4
Modifications au code des droits de succession
Ici aussi, les modifications apportées au Code, par
les articles 97 à 102 du présent projet, sont limitées.
Elles concernent l’adaptation de dispositions pour
tenir compte du fait qu’il n’y a plus de distinction entre
“sociétés civiles” et “sociétés commerciales” (article 97);
l’adaptation des dispositions à de nouvelles terminolo-
gies (SC agréée, articles 99, 1°, 100, 1°, et 101); l’adap-
tation de dispositions pour que celles-ci se réfèrent au
nouveau CSA (article 96). Lorsque les dispositions du
Code portent sur des sociétés coopératives, le projet
remplace la référence au “capital social” de la société
par une référence au “capitaux propres constitués par
les apports des actionnaires” pour qu’il soit clair qu’à
l’avenir – comme c’est le cas actuellement pour l’inter-
prétation de la notion de capital social – il sera seulement
tenu compte des capitaux propres que les associés ont
apportés à la SC en contrepartie d’actions (articles 99,
2°, et 100, 2°). Dans les articles 98 et 99, 3°, du projet, les
références à l’article 21, 6°, CIR 92 sont remplacées par
une référence actualisée à l’article 185, § 1er, alinéa 1er,
CIR 92, suite à l’abrogation de l’article 21, 6°, précité
par la loi du 25 décembre 2017.
CHAPITRE 5
Modifications au code des
droits et taxes divers
Les seuls changements que les articles 103 et 104 du
projet apportent au Code visent à faire en sorte que les
dispositions se réfèrent au nouveau CSA.
47
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 6
Diverse bepalingen
Afdeling 1
Bosgroeperingsvennootschappen
Artikelen 105 tot 108 van het ontwerp vervangen in
de wet van 6 mei 1999 ter bevordering van de oprich-
ting van burgerlijke bosgroeperingsvennootschappen
de verwijzing naar “maatschappelijk kapitaal” door een
verwijzing naar “kapitaal”.
Afdeling 2
Diamant Stelsel
Naar aanleiding van het advies nr. 63.599/3 van de
Raad van State werd het artikel 109 van het ontwerp
aangepast wat betreft de verwijzing naar het nieuwe
koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen.
De verwijzingen naar de bepalingen van het uit-
voeringsbesluit van het Wetboek van vennootschap-
pen worden vervangen door de verwijzingen naar het
toekomstig uitvoeringsbesluit van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen om de begrippen
“omzet” en de “kostprijs” vermeld in artikel 67, 4° en 5°
van de programmawet van 10 augustus 2015, gewijzigd
door de wet van 18 december 2016.
In artikel 68, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 18 december 2016, is het noodzakelijk om de
woorden “artikel 11 van het Wetboek van vennootschap-
pen” te vervangen door de woorden “artikel 1:20 van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Afdeling 3
Zeescheepvaart
Artikel 111 van dit ontwerp wijzigt de referentie naar
het begrip “bedrijfsafdeling of tak van werkzaam-
heid” in artikel 115, § 2, 3°, van de programmawet van
2 augustus 2002, in de fiscale bepalingen ten gunste
van de zeescheepvaart (tonnage taks).
In artikel 122, § 3, van dezelfde programmawet, is het
noodzakelijk om de woorden “maatschappelijke zetel”
te vervangen door de woorden “voornaamste inrichting
of de zetel van bestuur of beheer”.
CHAPITRE 6
Dispositions diverses
Section 1re
Sociétés de groupements forestiers
Les articles 105 à 108 du projet remplacent dans la
loi du 6 mai 1999 visant à promouvoir la création de
sociétés civiles de groupements la référence au “capital
social“par une référence au “capital”.
Section 2
Régime Diamant
Suite à l’avis n° 63.599/3 du Conseil d’État, l’ar-
ticle 109 du projet a été adapté en ce qui concerne la
référence au nouvel arrêté royal portant exécution du
Code des sociétés et des associations.
Les références aux dispositions de l’arrêté d’exé-
cution du Code des sociétés sont remplacées par les
références au futur arrêté d’exécution du Code des
sociétés et des associations pour définir les notions de
“chiffre d’affaires” et de “coût de revient” mentionnées à
l’article 67, 4° et 5° de la loi-programme du 10 août 2015,
modifié par la loi du 18 décembre 2016.
Dans l’article 68, § 2, de la même loi, modifié par la
loi du 18 décembre 2016, il y a lieu de remplacer les
mots “l’article 11 du Code des sociétés” par les mots
“l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations”.
Section 3
Navigation maritime
L’article 111 du présent projet adapte la référence
à la notion de “branche d’activité” dans l’article 115,
§ 2, 3°, de la loi-programme du 2 août 2002, dans les
dispositions relatives aux mesures fiscales en faveur du
transport maritime (tax tonnage).
Dans l’article 122, § 3, de la même loi-programme,
il y a lieu de remplacer les mots “siège social” par les
mots “principal établissement ou siège de direction ou
d’administration”.
48
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Afdeling 4
Havens
In artikel 3, eerste lid, 1°, van de wet van 29 mei 2018
tot bepaling van de voorwaarden van overgang bij de
onderwerping aan de vennootschapsbelasting van
havenbedrijven, dienen de woorden “maatschappelijk
kapitaal” vervangen worden door het woord “kapitaal”.
In de bepaling onder 4° van hetzelfde lid, worden
de woorden “artikel 57 van het koninklijk besluit van
30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van
vennootschappen” vervangen door de woorden “artikel
[…] van het koninklijk besluit van […] tot uitvoering van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”
teneinde te verwijzen naar de voorwaarden die van
toepassing zijn op de herwaarderingsmeerwaarden.
Afdeling 5
Intercommunales
(oud, zoals bezorgd aan de Raad van State)
Artikel 114 van het ontwerp (oud, zoals bezorgd aan
de Raad van State), vervangen in artikel 26, eerste
lid, 1°, van de programmawet van 19 december 2014
betreffende de intercommunales de verwijzing naar
“maatschappelijk kapitaal” door een verwijzing naar
“kapitaal”.
Ondertussen is in het ontwerp van wet tot rege-
ling van de overgang van de onderwerping aan de
rechtspersonenbelasting naar de onderwerping aan
de vennootschapsbelasting een artikel toegevoegd dat
artikel 26 van de programmawet van 19 december 2014
opheft vanaf de aanslagjaren verbonden aan een
belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt vanaf
1 januari 2019. Door deze opheffing is de voorziene
wijziging van artikel 26, eerste lid, 1°, van de program-
mawet van 19 december 2014 dus niet meer nodig.
Afdeling 5
Stelsel dat voorziet in de terugvordering van staatssteun
In artikel 100, eerste lid, van de programmawet
van 25 december 2016, gewijzigd door de wet van
17 december 2017 is het noodzakelijk om de woorden
“artikelen 5 tot 11 van het Wetboek van vennootschap-
pen” te vervangen door de woorden “artikelen 1:14 tot
1:20 van het Wetboek van vennootschappen en vereni-
gingen”. Naar aanleiding van het advies nr. 63.599/3 van
de Raad van State werd in de Nederlandstalige tekst
Section 4
Ports
A l’article 3, alinéa 1er, 1°, de la loi du 29 mai 2018
fixant les conditions du passage à l’assujettissement
à l’impôt des sociétés d’entreprises portuaires, il y a
lieu de remplacer les mots “capital social” par le mot
“capital”.
Dans le 4°, du même alinéa, les mots “l’article 57 de
l’arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du
code des sociétés” sont remplacés par les mots “l’article
[…] de l’arrêté royal du […] portant exécution du Code
des sociétés et des associations” afin de renvoyer aux
conditions applicables aux plus-values de réévaluation.
Section 5
Intercommunales
(ancien, tel que transmis au Conseil d’État)
L’article 114 du projet (ancien, tel que transmis au
Conseil d’État), remplace dans l’article 26, alinéa 1er,
1°, de la loi-programme du 19 décembre 2014 relatif aux
intercommunales la référence au “capital social“par une
référence au “capital”.
Entretemps, il est ajouté un article au projet de loi
organisant le passage de l’assujettissement à l’impôt
des personnes morales à l’assujettissement à l’impôt
des sociétés, qui abroge l’article 26 de la loi-programme
du 19 décembre 2014 à partir des exercices d’imposi-
tion se rattachant à une période imposable qui débute
au plus tôt le 1er janvier 2019. Par cette abrogation, la
modification prévue de l’article 26, alinéa 1er, 1°, de la
loi-programme du 19 décembre 2014 est ainsi devenue
sans objet.
Section 5
Régime de récupération des aides d’État
Dans l’article 100, alinéa 1er, de la loi-pro-
gramme du 25 décembre 2016, modifié par la loi du
17 décembre 2017, il y a lieu de remplacer les mots
“articles 5 à 11 du Code des sociétés” par les mots
“articles 1:14 à 1:20 du Code des sociétés et des asso-
ciations”. Suite à l’avis n° 63.599/3 du Conseil d’État,
dans le texte en néerlandais de l’article 114 du projet,
(ancien article 115 du projet, tel que transmis au Conseil
49
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van artikel 114 van het ontwerp (oud artikel 115 van
het ontwerp, zoals bezorgd aan de Raad van State) de
verwijzing naar de programmawet aangepast naar de
programmawet van 25 december 2016.
In artikel 102, derde lid, van dezelfde programma-
wet worden de woorden “artikel 11 van het Wetboek
van vennootschappen” vervangen door de woorden
“artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”.
Naar aanleiding van het advies nr. 63.599/3 van de
Raad van State werden in de tekst van artikel 105 van
dezelfde programmawet worden de woorden “bedoeld
in de artikelen 671 tot en met 677 van het Wetboek van
vennootschappen, of een gelijkaardige verrichting on-
der buitenlands vennootschapsrecht” vervangen door
de woorden “of een andere ontbinding zonder verde-
ling van het gehele maatschappelijke vermogen”. De
Nederlandstalige tekst van het ontwerp werd eveneens
aangepast om taalkundige redenen.
HOOFDSTUK 7
Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
(artikel 117)
Artikel 117 regelt als volgt de inwerkingtreding van
de tekst.
Artikel 117, § 1. Het artikel 117, § 1, eerste lid, bepaalt
dat de tekst inwerking treedt op 1 januari 2019, namelijk
op dezelfde datum als de nieuwe WVV. Een uitzondering
wordt gemaakt voor artikel 35 van het ontwerp, dat een
bepaling van het WIB 92 aanpast waarvan de wet van
25 december 2017 de inwerkingtreding heeft vastgesteld
op 1 januari 2020.
De inwerkingtreding op 1 januari 2019 betekent, in
overeenstemming met het gemeen recht, dat wanneer
de nieuwe bepalingen bepaalde verrichtingen definië-
ren of het belastingstelsel regelen, zij van toepassing
zijn op verrichtingen die worden uitgevoerd vanaf
1 januari 2019. Het leek nuttig om uitdrukkelijke deze
verduidelijking te voorzien omtrent de inwerkingtreding
van bepaalde bepalingen, waarover twijfel niet helemaal
is uitgesloten.
Een eerste groep van dergelijke bepalingen zijn de-
gene die in het WIB 92 een nieuwe autonome definitie
invoeren voor verrichtingen die reeds bestonden in het
WIB 92, namelijk, aan de ene kant, artikel 2, 9°, van
het ontwerp dat autonome definities invoert voor fusies,
splitsingen, met fusies en splitsingen gelijkgestelde
verrichtingen en inbrengen van een algemeenheid van
d’État) la référence à la loi-programme est corrigée par
la référence à la loi-programme du 25 décembre 2016.
Dans l’article 102, alinéa 3, de la même loi-pro-
gramme, les mots “l’article 11 du Code des sociétés”
sont remplacés par les mots “l’article 1:20 du Code des
sociétés et des associations”.
Suite à l’avis n° 63.599/3 du Conseil d’État, dans le
texte de l’article 105 de la même loi-programme, les
mots “visées aux articles 671 à 677 du Code des socié-
tés, ou d’une opération de droit des sociétés similaire en
droit étranger” sont remplacés par les mots”, ou ayant
fait l’objet d’une autre dissolution sans partage total
de l’avoir social“. Le texte en néerlandais du projet est
également adapté par souci de correction de la langue.
CHAPITRE 7
Entrée en vigueur, prise d’effet et dispositions
transitoires (article 117)
L’article 117 règle comme suit l’entrée en vigueur et
la prise d’effet du texte.
Article 117, § 1er. L’article 117, § 1er, alinéa 1er, dispose
que le texte entre en vigueur le 1er janvier 2019, c’est-
à-dire à la même date que le nouveau CSA. Exception
est faite pour l’article 35 du projet, qui modifie une
disposition du CIR 92 dont la loi du 25 décembre 2017
a fixé l’entrée en vigueur au 1er janvier 2020.
L’entrée en vigueur au 1er janvier 2019 implique,
conformément au droit commun, que lorsque les dis-
positions nouvelles définissent certaines opérations
ou en règlent le régime fiscal, elles s’appliquent aux
opérations effectuées à partir du 1er janvier 2019. Il a
paru utile de donner expressément cette précision pour
la prise d’effet de certaines dispositions, pour lesquelles
un doute n’est pas nécessairement exclu.
Un premier groupe de dispositions concernées
sont celles qui introduisent dans le CIR 92 une défi-
nition autonome nouvelle pour des opérations que le
CIR 92 visait déjà, à savoir, d’une part, l’article 2, 9°,
du projet qui introduit des définitions autonomes pour
les fusions, scissions, opérations assimilées à la fusion
et à la scission et apports d’universalité de biens et
50
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
goederen en bedrijfsafdelingen – definities die overigens
geen inhoudelijke wijzigingen meebrengen –, en, aan
de andere kant, artikel 43, 4°, van het ontwerp dat de
definitie van het belastingvrij aannemen door een ven-
nootschap, van een andere juridische vorm, aanpast
aan het nieuwe vennootschapsrecht. Artikel 117, § 1,
tweede lid, verduidelijkt daarom uitdrukkelijk dat de
autonome definities van fusies, splitsingen, met fusies
en splitsingen gelijkgestelde verrichtingen en inbrengen
van een algemeenheid van goederen en bedrijfsafde-
lingen ingevoerd door artikel 2, 9°, van het ontwerp
enkel van toepassing is op verrichtingen uitgevoerd
vanaf 1 januari 2019. Aangezien deze verrichtingen van
nu af aan het voorwerp zullen zijn van een autonome
definitie in het WIB 92 eerder dan een definitie door
middel van (impliciete) verwijzing naar deze van het
Wetboek van vennootschappen, terwijl de benaming van
deze verrichtingen in hoofdzaak ongewijzigd blijft, leek
het nuttig om alle twijfels omtrent de inwerkingtreding
van de nieuwe bepalingen in dit verband uit te sluiten
en in het bijzonder om twijfel weg te nemen omtrent
het voortbestaan van de blijvende gevolgen die het
WIB 92 aan deze verrichtingen hecht voor een overne-
mende onderneming, een begunstigde van een fusie of
splitsing of een verrichting gelijkgesteld met een fusie
of een splitsing, of een begunstigde van een inbreng
van een algemeenheid van goederen of bedrijfsafde-
ling, die dergelijke verrichting vóór 1 januari 2019 heeft
uitgevoerd. De verduidelijking dat de nieuwe autonome
definities ingevoerd voor deze verrichtingen enkel van
toepassing zijn op de verrichtingen die uitgevoerd zijn
vanaf 1 januari 2019 impliceert, bijvoorbeeld, dat wan-
neer de artikelen 210 en 211, WIB 92 het belastingstel-
sel van een “fusie door overneming” regelen in hoofde
van de overgenomen vennootschap en dat wanneer
de artikelen 212 en 213, WIB 92 de blijvende gevolgen
van een “fusie door overneming” die vrijgesteld is in
hoofde van de overnemende vennootschap regelen, het
begrip “fusie door overneming” in dergelijke bepalingen
moet verstaan worden als de “fusie door overneming”
zoals gedefinieerd in het WIB 92 in het geval waar de
verrichting ten vroegste op 1 januari 2019 wordt uit-
gevoerd, en wat betreft de “fusie door overneming” in
zijn betekenis vóór 1 januari 2019 in het geval waar de
verrichting uitgevoerd werd vóór die datum (namelijk
de fusie door overneming zoals gedefinieerd door het
voormalig Wetboek van vennootschappen, samen met,
in het geval van een overname door een intra-Europese
vennootschap, soortgelijke bepalingen van het ven-
nootschapsrecht die daarop van toepassing zijn). Deze
verduidelijking van de inwerkingtreding neemt elke twijfel
weg over het feit dat de overnemende vennootschap
die een “fusie door overneming” heeft uitgevoerd voor
1 januari 2019 na deze datum gehouden blijft aan de
gevolgen die de artikelen 212 en 213 verbinden aan de
verrichting in haar hoofde; hetzelfde geldt, met name,
de branches d’activité – définitions qui n’apportent au
demeurant aucune modification de fond – , et, d’autre
part, l’article 43, 4°, du projet qui adapte au nouveau
droit des sociétés la définition de l’adoption, par une
société, d’une autre forme juridique en exemption
d’impôt. L’article 117, § 1er, alinéa 2, précise dès lors
expressément que les définitions autonomes des
fusions, scissions, opérations assimilées à la fusion et
à la scission et apports d’universalité de biens et de
branches d’activité introduites par l’article 2, 9°, du projet
s’appliqueront uniquement aux opérations réalisées à
partir du 1er janvier 2019. Dès lors que ces opérations
feront désormais l’objet d’une définition autonome
dans le CIR 92 plutôt que d’une définition par référence
(implicite) à celle du Code des sociétés, mais que la
dénomination de ces opérations reste pour l’essentiel
inchangée, il a en effet paru utile d’écarter tout doute sur
la prise d’effet des dispositions nouvelles en la matière
et écarter en particulier tout doute sur la pérennité des
conséquences durables que le CIR 92 attache à ces
opération pour une société absorbante, bénéficiaire
d’une fusion ou scission ou opération assimilée à la
fusion ou à la scission, ou bénéficiaire d’un apport
d’universalité de biens ou de branche d’activité, qui a
réalisé une telle opération avant le 1er janvier 2019. La
précision que les nouvelles définitions autonomes intro-
duites pour ces opérations s’appliqueront uniquement
aux opérations réalisées à partir du 1er janvier 2019
implique, par exemple, que lorsque les articles 210 et
211 du CIR 92 règlent le régime fiscal d’une “fusion
par absorption” dans le chef de la société absorbée, et
que lorsque les articles 212 et 213, CIR 92 règlent les
conséquences pérennes d’une “fusion par absorption”
immunisée dans le chef de la société absorbante, la
notion de “fusion par absorption” doit se lire dans ces
dispositions comme visant la “fusion par absorption”
telle que définie dans le CIR 92 dans le cas où l’opé-
ration est effectuée au plus tôt le 1er janvier 2019, et
comme visant la “fusion par absorption” dans son
acception antérieure au 1er janvier 2019 dans le cas où
l’opération a été effectuée avant cette date (c’est-à-dire
la fusion par absorption définie par l’ancien Code des
sociétés combiné, en cas d’absorption par une société
intra-européenne, aux dispositions analogues du droit
des sociétés applicables à celle-ci). Cette précision
de prise d’effet lève ainsi tout doute sur le fait que la
société absorbante qui a procédé à une “fusion par
absorption” avant le 1er janvier 2019 reste tenue après
cette date des conséquences que les articles 212 et
213 attachent à l’opération dans son chef; il en va de
même, notamment, des conséquences pérennes que
l’article 231, § 2, alinéas 5 à 7, y attache dans certains
cas à l’impôt des non-résidents. De son côté, le § 1er,
alinéa 6, de l’article 117 précise expressément que la
modification apportée par l’article 43, 4°, du projet à la
définition de l’adoption d’une autre forme juridique en
51
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
voor de blijvende gevolgen die artikel 231, 2, vijfde tot
zevende lid, eraan verbindt in bepaalde gevallen in de
belasting op niet-inwoners. Van zijn kant verduidelijkt
artikel 117, § 1, zesde lid uitdrukkelijk dat de aanpassing
aangebracht door artikel 43, 4°, van het ontwerp aan de
definitie van het aannemen van een andere rechtsvorm
met vrijstelling van belasting vervat in artikel 210, § 1,
3°, WIB 92, van toepassing is op het aannemen van een
andere rechtsvorm vanaf 1 januari 2019 (of, in het geval
van een vennootschap, vereniging of stichting geviseerd
door artikel 117, § 2 van het ontwerp, vanaf de dag
waarop de WVV op hen van toepassing is: zie verder
de commentaar op § 2). Aldus, moeten de blijvende
gevolgen die artikel 214, WIB 92 volgens zijn bewoor-
dingen, verbindt aan een verandering van rechtsvorm
die belastingvrij werd gerealiseerd “door toepassing
van artikel 210, § 1, 3°”, verstaan worden als zijnde in
overeenstemming met de nieuwe definitie in het geval
waar de verandering uitgevoerd wordt ten vroegste op
1 januari 2019, en zijnde in overeenstemming met de
vroegere definitie in het geval waar de verandering uit-
gevoerd wordt voor 1 januari 2019. Deze verduidelijking
omtrent de inwerkingtreding neemt bijgevolg alle twijfel
weg over het feit dat de vennootschap die een andere
rechtsvorm heeft aangenomen voor 1 januari 2019, na
deze datum gehouden blijft aan de gevolgen die arti-
kel 214, WIB 92 aan deze verrichting verbindt.
Een tweede groep van bepalingen zijn deze die ver-
wijzen naar het “kapitaal” van een vennootschap door
te verwijzen naar een verrichting die in het verleden
plaatsvond. De invoering in het WIB 92 van een auto-
nome definitie van het begrip “kapitaal” van een ven-
nootschap – dat vereist is door de verdwijning van dit
begrip voor verschillende vormen vennootschappen in
het vennootschapsrecht – terwijl het WIB 92 tot nu toe
verwees naar “maatschappelijk kapitaal” in de zin van
het vennootschapsrecht, veroorzaakt in principe geen
problemen met betrekking tot het overgangsrecht. De
nieuwe definitie is vanaf 1 januari 2019 van toepassing
bij de uitwerking van alle bepalingen die verwijzen naar
kapitaal (en mutatis mutandis naar “gestort kapitaal”).
In sommige bepalingen wordt echter verwezen naar
kapitaal verbonden aan een in het verleden uitgevoerde
verrichting, en doet er zich bijgevolg een situatie voor
die vergelijkbaar is met de hierboven aangehaalde
eerste groep bepalingen. De tweede groep van bepa-
lingen omvat artikel 52, 11°, WIB 92, op grond waarvan
bedrijfsleiders van jaar tot jaar de interesten mogen
aftrekken die daadwerkelijk betaald werden op schulden
aangegaan met het oog op de verkrijging van aandelen
die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van
een vennootschap vertegenwoordigen, en artikel 53,
16°, op grond waarvan deze interesten niet meer in
mindering mogen worden gebracht vanaf de datum
waarop de bedrijfsleider zijn aandelen heeft vervreemd
exonération d’impôt contenue dans l’article 210, § 1er,
3°, CIR 92, est applicable aux adoptions d’une autre
forme juridique réalisées à partir du 1er janvier 2019
(ou, dans le cas d’une société, association ou fondation
visée à l’article 117, § 2, du projet, à partir du jour où
le CSA lui devient applicable: voir ci-dessous le com-
mentaire du § 2). Ainsi, les conséquences pérennes
que l’article 214 CIR 92 attache, selon ses termes, à
un changement de forme juridique réalisé en exemp-
tion d’impôt “par application de l’article 210, § 1er, 3°,
CIR 92” doivent se comprendre comme s’attachant à un
changement de forme juridique conforme à la définition
nouvelle dans le cas où le changement a été effectué
au plus tôt le 1er janvier 2019, et comme s’attachant à un
changement de forme juridique conforme à la définition
ancienne dans le cas où le changement a été effectué
avant le 1er janvier 2019. Cette précision de prise d’effet
lève ainsi tout doute sur le fait que la société qui a
adopté une autre forme juridique avant le 1er janvier 2019
reste tenue après cette date des conséquences que
l’article 214, CIR 92 attache à l’opération.
Un second groupe de dispositions concernées sont
celles qui parlent du “capital” d’une société en se référant
à une opération accomplie dans le passé. L’introduction
dans le CIR 92 d’une définition autonome pour le “capi-
tal” d’une société – nécessitée par la disparition de ce
concept en droit des sociétés pour plusieurs formes de
sociétés –, alors que le CIR 92 se référait jusqu’ici au
“capital social”, au sens du droit des sociétés, ne soulève
en règle pas de difficulté de droit transitoire: la nouvelle
définition s’applique en règle générale pour l’application
à partir du 1er janvier 2019 de toutes les dispositions qui
se réfèrent au capital (et mutatis mutandis pour le “capi-
tal libéré”). Mais certaines dispositions parlent du capital
en se référant à une opération accomplie dans le passé,
et l’on rencontre alors une situation analogue à celle que
l’on a rencontrée dans le premier groupe de dispositions
identifié ci-dessus. Appartiennent à ce second groupe
de dispositions, l’article 52, 11°, CIR 92 qui autorise les
dirigeants d’entreprise à déduire d’année en année
les intérêts effectivement payés de dettes contractées
en vue de l’acquisition d’actions ou parts représenta-
tives d’une fraction du capital social d’une société, et
l’article 53,16°, qui interdit la déduction de ces intérêts
à partir de la date à laquelle le dirigeant d’entreprise a
réalisé ses parts ou à partir du jour et dans la mesure où
la société a remboursé le capital social représenté par
les parts. En précisant que les articles 10 et 11 du projet,
qui remplacent dans ces deux dispositions les termes
52
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
of vanaf de dag en voor zover dat de vennootschap
het door de aandelen vertegenwoordigde maatschap-
pelijk kapitaal heeft terugbetaald. Door te preciseren
dat de artikelen 10 en 11 van het ontwerp, waarin de
term “maatschappelijk kapitaal” vervangen wordt door
de term “kapitaal”, van toepassing zijn op enerzijds de
verwervingen van aandelen vanaf 1 januari 2019 en
anderzijds op de terugbetalingen van kapitaal vanaf
1 januari 2019, is elke twijfel weggenomen dat wanneer
de verwerving van de aandelen of de terugbetaling
van het maatschappelijk kapitaal plaatsvond vóór deze
datum, men moet blijven verwijzen naar het kapitaal
in de oude betekenis om na te gaan of de verworven
aandelen “een fractie van het maatschappelijk kapi-
taal vertegenwoordigen” en of “het door de aandelen
vertegenwoordigde maatschappelijk kapitaal” niet het
voorwerp van een terugbetaling is geweest. De tweede
groep van bepalingen bevat daarnaast ook artikel 184,
vijfde lid, WIB 92, dat de toekomstige gevolgen van de
vermindering van het maatschappelijk kapitaal voor
het gestorte kapitaal regelt; door te specifiëren dat ar-
tikel 23, 2°, van het ontwerp, die deze bepaling wijzigt,
van toepassing is op terugbetalingen van het kapitaal
vanaf 1 januari 2019, wordt elke twijfel weggenomen
over het feit dat terugbetalingen die vóór die datum zijn
gedaan verder beoordeeld moeten worden aan de hand
van het begrip “kapitaal” in de oude betekenis (deze
verduidelijking is niet nodig voor de vervanging van
het begrip “maatschappelijk kapitaal” door het begrip
“kapitaal” in de bepalingen met betrekking tot fusies,
splitsingen, met fusie en splitsing gelijkgestelde verrich-
tingen of inbreng van algemeenheid van goederen en
bedrijfsafdelingen, wegens de nadere preciseringen die
voor deze verrichtingen reeds zijn voorzien in artikel 117,
§ 1, eerste lid, van het ontwerp). Tot deze tweede groep
van bepalingen behoort het artikel 269, § 2, WIB 92, dat
de blijvende gevolgen regelt wat betreft het tarief van
de roerende voorheffing, voor bepaalde kapitaalver-
hogingen (het zogenaamde VVPRbis-stelsel). Hierbij
wordt verduidelijkt dat de wijzigingen aangebracht aan
deze bepaling door het artikel 62, 1°, 2°, 4° en 5°, van
dit ontwerp, van toepassing zijn op kapitaalverhogingen
en kapitaalverminderingen verricht vanaf 1 januari 2019.
De resterende twijfelgevallen moeten volgens de-
zelfde beginselen worden opgelost.
Artikel 117, § 2. Krachtens de overgangsbepalingen
van hoofdstuk IV, afdeling II, van het wetsontwerp tot
invoering van de WVV, mogen de vennootschappen,
verenigingen en stichtingen die reeds bestaan op
1 januari 2019 de toepassing van de WVV uitstellen
tot uiterlijk 1 januari 2020 (zie met name artikel 31, § 1,
van het wetsontwerp tot invoering van de WVV). De
overgangsbepaling voorzien door artikel 117, § 2, van
dit ontwerp is bedoeld om rekening te houden met deze
“capital social” par le terme “capital”, sont applicables, le
premier, aux acquisitions d’actions ou parts effectuées
à partir du 1er janvier 2019, et le second aux rembour-
sements du capital effectués à partir du 1er janvier 2019,
on lève tout doute sur le fait que lorsque l’acquisition
des parts ou le remboursement du capital social a été
effectué avant cette date il faudra continuer à se référer
au capital au sens ancien pour vérifier si les actions
ou parts acquises sont “représentatives d’une fraction
du capital social” et si “le capital social représenté par
les parts” n’a pas fait l’objet d’un remboursement.
Appartient également à ce second groupe, l’article 184,
alinéa 5, CIR 92, qui règle les conséquences futures
sur le capital libéré des réductions du capital social;
en précisant que l’article 23, 2°,du projet, qui modifie
cette disposition, est applicable aux remboursements
du capital effectués à partir du 1er janvier 2019, on lève
tout doute sur le fait que les remboursements effec-
tués avant cette date doivent continuer à s’apprécier
par rapport au capital au sens ancien (cette précision
n’est pas nécessaire pour le remplacement des termes
“capital social” par le terme “capital” dans les disposi-
tions qui concernent les fusions, scissions, opérations
assimilées à la fusion et à la scission ou les apports
d’universalité de biens et de branches d’activité, en
raison de la précision déjà prévue pour ces opérations
par l’article 117, § 1er, alinéa 1er, du projet). Appartient
à ce second groupe de dispositions, l’article 269, § 2,
CIR 92, qui règle les conséquences durables, en termes
de taux du précompte mobilier, de certaines augmen-
tations de capital (régime dit “VVPRbis”). Il est précisé
que les modifications apportées à cette disposition
par l’article 62, 1°, 2°, 4° et 5°, du présent projet sont
applicables aux augmentations et réductions de capital
effectuées à partir du 1er janvier 2019.
Les cas douteux qui subsisteraient devront être réso-
lus conformément aux mêmes principes.
Article 117, § 2. En vertu des dispositions transitoires
figurant au chapitre IV, section II, du projet de loi intro-
duisant le CSA, les sociétés, associations et fondations
existant au 1er janvier 2019 peuvent différer l’application
du CSA jusqu’au 1er janvier 2020 au plus tard (voir en
particulier l’article 31, § 1er du projet de loi introduisant le
CSA). La disposition transitoire prévue à l’article 117, § 2,
du présent projet est destinée à tenir compte de cette
situation. Par exemple, le présent projet remplace, dans
53
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
situatie. Dit ontwerp vervangt bijvoorbeeld, in de talrijke
bepalingen in het WIB 92 die voorzien in een defini-
ering van “kleine vennootschap”, de verwijzing naar
de criteria van “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van vennootschappen” door een verwijzing naar de
criteria – die overigens identiek zijn – van “artikel 1:24,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”. Zolang de WVV, overeenkomstig
hoofdstuk IV, afdeling II, van de wet tot invoering van de
WVV, niet van toepassing is op een op 1 januari 2019
bestaande vennootschap, blijft zij onderworpen aan het
oude Wetboek van vennootschappen (W.venn.) en valt
zij dus met name onder artikel 15 van het W.venn. en
niet onder artikel 1:24 van de WVV. Zo verwijzen ook
veel bepalingen van het WIB 92 naar verenigingen “die
zijn opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921
betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk,
internationale verenigingen zonder winstoogmerk en
stichtingen”. Dit ontwerp vervangt de verwijzing naar
de wet van 27 juni 1921 door een verwijzing naar “de
bepalingen van Deel 3 van de WVV”, maar zolang een
vzw niet onderworpen is aan de WVV, moet deze ver-
wijzing gelezen blijven worden als een verwijzing naar
de wet van 27 juni 1921. Vanaf het moment dat een
bestaande vennootschap of een vzw aan de WVV on-
derworpen wordt, zal de verwijzing naar de bepalingen
van het W.venn. of de wet van 27 juni 1921 automatisch
worden geschrapt en vervangen door de verwijzing naar
de overeenkomstige bepalingen van de WVV, maar
zonder terugwerkende kracht. Zo wordt in artikel 201,
§ 1, eerste lid, 1°, WIB 92, op het gebied van investe-
ringsaftrek, thans verwezen naar een vennootschap die
“op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen” als klein wordt beschouwd “voor het
aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk
waarin die investeringen worden verricht”; artikel 269,
§ 2, eerste lid, 1°, WIB 92 met betrekking tot het ver-
laagde tarief van de roerende voorheffing op dividenden
heeft momenteel betrekking op een vennootschap die,
“op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen” als klein wordt beschouwd “voor het
aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk
waarin de kapitaalinbreng is gedaan”. De vervanging van
de verwijzing naar artikel 15 W.venn. door een verwijzing
naar artikel 1:24 WVV gaat in op het moment dat de
vennootschap onderworpen is aan de WVV en niet met
terugwerkende kracht tot het belastbaar tijdperk waarin
de vennootschap de investeringen heeft gedaan of de
kapitaalinbreng heeft ontvangen indien de vennoot-
schap op dat moment onder de W.venn. viel.
Artikel 117, § 3. De WVV schaft verschillende ven-
nootschapsvormen af die erkend werden door het
voormalige Wetboek van vennootschappen. Op grond
van de overgangsbepalingen in hoofdstuk IV, afdeling II,
van het wetsontwerp tot invoering van de WVV kunnen
les nombreuses dispositions du CIR 92 qui définissent la
“petite société”, la référence aux critères de “l’article 15,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés” par une référence aux
critères – au demeurant identiques – de “l’article 1:24,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés et des associations”.
Aussi longtemps que, conformément au chapitre IV, sec-
tion II, de la loi introduisant le CSA, le CSA ne s’applique
pas à une société existant au 1er janvier 2019, celle-ci
reste soumise à l’ancien Code des sociétés (CSoc) et
est donc soumise notamment à l’article 15 du CSoc et
non à l’article 1:24 du CSA. La disposition transitoire fait
en sorte que, pour une telle société, la nouvelle réfé-
rence à l’article 1:24 du CSA continue à se lire comme
une référence à l’article 15 du CSoc aussi longtemps
que cette société n’est pas soumise au CSA. De même,
de nombreuses dispositions du CIR 92 se réfèrent aux
associations “qui sont constituées en application de la
loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif,
les associations internationales sans but lucratif et les
fondations”. Le présent projet remplace la référence à la
loi du 27 juin 1921 par une référence “aux dispositions
de la Partie 3 du CSA” mais, aussi longtemps qu’une
asbl ne sera pas soumise au CSA, cette référence
devra continuer à se lire comme une référence à la
loi du 27 juin 1921. A partir du moment où une société
ou asbl existante sera soumise au CSA, la référence
aux dispositions du CSoc ou de la loi du 27 juin 1921
s’effacera automatiquement pour laisser place à la
référence aux dispositions correspondantes du CSA,
mais sans effet rétroactif. Par exemple, l’article 201,
§ 1er, alinéa 1er, 1°, CIR 92 vise actuellement, en matière
de déduction pour investissement, la société qui, “sur
base de l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés”
est considérée comme petite, “pour l’exercice d’impo-
sition lié à la période imposable au cours de laquelle
elle a effectué [d]es investissements”; l’article 269,
§ 2, alinéa 1er, 1°, CIR 92 relatif au taux de précompte
mobilier réduit sur les dividendes vise actuellement la
société qui, “sur base de l’article 15, §§ 1er à 6, du Code
des sociétés” est considérée comme petite “pour l’exer-
cice d’imposition lié à la période imposable au cours
de laquelle l’apport en capital a lieu”. Le remplacement
de la référence à l’article 15 CSoc par une référence à
l’article 1:24 CSA prendra effet à partir du moment où
la société est soumise au CSA et ne rétroagira pas à
la période imposable au cours de laquelle la société a
effectué les investissements ou reçu l’apport en capital
si, à ce moment, la société était régie par le CSoc.
Article 117, § 3. Le CSA supprime plusieurs formes
de sociétés que reconnaissait l’ancien Code des
sociétés. En vertu des dispositions transitoires figurant
au chapitre IV, section II du projet de loi introduisant le
CSA, certaines sociétés existantes au 1er janvier 2019
54
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bepaalde vennootschappen die reeds bestonden op
1 januari 2019 hun afgeschafte rechtsvorm echter nog
enige tijd behouden, zelfs nadat de WVV op hen van
toepassing is geworden. Zo kan een landbouwven-
nootschap of een economisch samenwerkingsverband
(ESV) deze rechtsvorm tot 1 januari 2024 behouden,
terwijl ze vanaf 1 januari 2020 wel al onderworpen is aan
een aantal dwingende bepalingen van de WVV (zie arti-
kel 32 van het wetsontwerp tot invoering van de WVV).
In artikel 117, § 3, van dit ontwerp wordt met deze situatie
rekening gehouden door voor deze vennootschappen
de verwijzing naar deze vormen van verdwenen ven-
nootschappen, zoals deze in het WIB 92 voorkwam
vóór de in dit ontwerp voorziene wijziging, tijdelijk te
behouden. Een op 1 januari 2019 reeds bestaande
landbouwvennootschap of ESV dat deze rechtsvorm
tot 1 januari 2014 behoudt, kan zich dus nog steeds op
de bepalingen van het WIB 92 beroepen alsof deze nog
steeds de landbouwvennootschap of het ESV viseren
(zie bijvoorbeeld artikel 29, WIB 92).
De minister van Financiën,
Johan VAN OVERTVELDT
pourront néanmoins conserver pour un temps leur forme
juridique disparue, même après que le CSA leur sera
devenu applicable. Ainsi, une société agricole ou un
groupement d’intérêt économique (GIE) pourra conser-
ver cette forme juridique jusqu’au 1er janvier 2024, tout
en étant soumis à certaines dispositions impératives du
CSA à partir du 1er janvier 2020 (voir article 32 du projet
de loi introduisant le CSA). L’article 117, § 3, du présent
projet tient compte de cette situation en maintenant
temporairement, pour ces sociétés, la référence à ces
formes de sociétés disparues telle qu’elle figurait dans
le CIR 92 avant sa modification prévue par le présent
projet. Une société agricole ou un GIE existant au 1er jan-
vier 2019 qui gardera cette forme juridique jusqu’au
1er janvier 2014 pourra donc toujours se fonder sur
les dispositions du CIR 92 comme si celles-ci visaient
encore la société agricole ou le GIE (voir, par exemple,
l’article 29, CIR 92).
Le ministre des Finances,
Johan VAN OVERTVELDT
55
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
VOORONTWERP VAN WET
onderworpen aan het advies van de Raad van State
Voorontwerp van wet tot aanpassing van bepaalde
federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek
van vennootschappen en verenigingen
TITEL 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in arti-
kel 74 van de Grondwet.
TITEL 2
Aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen
aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en
verenigingen
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen aan het Wetboek van
inkomstenbelastingen 1992
Art. 2
In artikel 2, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelas-
tingen 1992, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en
gewijzigd bij wetten van 17 mei 2004, 15 december 2004,
27 december 2006, 11 december 2008, 30 juli 2013,
21 december 2013, 8 mei 2014, 12 mei 2014, 10 augustus 2015,
18 december 2015, 26 december 2015, 3 augustus 2016
en 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de bepaling onder 5°, a, eerste lid, worden de woor-
den “, regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit
en” opgeheven;
2° de bepaling onder 5°, a, eerste lid, wordt aangevuld
als volgt:
“en die:
— ofwel rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht,
Belgisch of buitenlands, dat haar beheerst;
— ofwel wordt beheerst door een buitenlands recht die
haar geen rechtspersoonlijkheid toekent maar een rechtsvorm
heeft die vergelijkbaar is met die van een vennootschap met
rechtspersoonlijkheid naar Belgisch recht.”;
3° in de bepaling onder 5°, b:
a) worden de woorden “haar maatschappelijke zetel,”
opgeheven;
AVANT-PROJET DE LOI
soumis à l’avis du Conseil d’État
Avant-projet de loi adaptant certaines dispositions
fiscales fédérales au nouveau Code des sociétés et
des associations
TITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la
Constitution.
TITRE 2
Adaptation de certaines dispositions fiscales
fédérales au nouveau Code des sociétés
et des associations
CHAPITRE 1ER
Modifications au Code des impôts
sur les revenus 1992
Art. 2
A l’article 2, § 1er, du Code des impôts sur les revenus
1992, remplacé par la loi du 10 août 2001 et modifié par les
lois des 17 mai 2004, 15 décembre 2004, 27 décembre 2006,
11 décembre 2008, 30 juillet 2013, 21 décembre 2013,
8 mai 2014, 12 mai 2014, 10 août 2015, 18 décembre 2015,
26 décembre 2015, 3 août 2016 et 25 décembre 2017, les
modifications suivantes sont apportées:
1° dans le 5°, a, alinéa 1er, les mots “régulièrement consti-
tué” et les mots “possède la personnalité juridique et” sont
abrogés;
2° le 5°, a, alinéa 1er, est complété comme suit:
“et qui:
— soit possède la personnalité juridique en vertu du droit,
belge ou étranger, qui le régit;
— soit est régie par un droit étranger qui ne lui accorde pas
la personnalité juridique mais a une forme juridique analogue
à celle d’une société de droit belge dotée de la personnalité
juridique en vertu du droit belge.”;
3° dans le 5°, b:
a) les mots “son siège social,” sont abrogés;
56
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
b) de bepaling wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Behoudens tegenbewijs, wordt de vennootschap die in
België haar maatschappelijke zetel heeft, vermoed daar ook
haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of be-
heer te hebben; het tegenbewijs is alleen toegelaten wanneer
de vennootschap bovendien aantoont dat haar fiscale woon-
plaats in een andere Staat is gevestigd dan België volgens
de fiscale wetgeving van deze Staat.”;
4° in de bepaling onder 5°, b)bis, wordt het tweede streepje
aangevuld als volgt:
“met dien verstande dat, met betrekking tot de vennoot-
schappen naar Belgisch recht bedoeld in punt b van deze
bijlage, de verwijzingen naar “besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid”, “coöperatieve vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid”, “coöperatieve vennootschap met
onbeperkte aansprakelijkheid”, en naar “gewone comman-
ditaire vennootschap” ook moeten worden verstaan als een
verwijzing naar respectievelijk de “besloten vennootschap”,
de “coöperatieve vennootschap “en de “commanditaire ven-
nootschap”, “;
5° in de bepaling onder 5°, c, worden de woorden “onver-
minderd het vermoeden bedoeld in 5°, b, tweede lid,” inge-
voegd tussen de woorden “buitenlandse vennootschap” en
de woorden “enigerlei vennootschap”, en worden de woorden
“maatschappelijke zetel,” opgeheven;
6° tussen de bepaling onder 5°bis en de bepaling onder 6°,
wordt een bepaling onder 5°ter ingevoegd, luidende:
“5°ter Gevestigd
Wanneer de term gevestigd gebruikt wordt met betrekking
tot enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling
in verhouding tot een Staat of een groep van Staten, betekent
deze term dat deze haar fiscale woonplaats heeft in die Staat
of in een van die Staten van die groep van Staten volgens de
fiscale wetgeving van die Staat, zonder dat zij ten gevolge
van een verdrag ter vermijding van dubbele belasting haar
fiscale woonplaats buiten die Staat of groep van Staten heeft.”;
7° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt:
“6° Kapitaal
Er wordt verstaan onder:
a) “Kapitaal”, in hoofde van een vennootschap:
1) het kapitaal van een naamloze vennootschap zoals be-
doeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen,
of, in geval van een vennootschap met een andere rechtsvorm
waarvoor het Belgisch of buitenlands recht dat haar beheerst
in een gelijkaardig begrip voorziet, het begrip zoals bedoeld
in dat recht;
2) voor vennootschapsvormen waarvoor het Belgisch of
buitenlands recht dat de vennootschap beheerst niet in een
b) la disposition est complétée par un alinéa rédigé comme
suit:
“La société qui a son siège statutaire en Belgique est
présumée sauf preuve contraire y avoir aussi son principal
établissement ou son siège de direction ou d’administration;
la preuve contraire est admise uniquement si la société établit
en outre qu’elle a son domicile fiscal dans un autre État que
la Belgique en vertu de la législation fiscale de cet État.”;
4° dans le 5°, b)bis, le deuxième tiret est complété comme
suit:
“, étant entendu que, s’agissant des sociétés de droit belge
visées au point b de ladite annexe, les références à la “société
privée à responsabilité limitée”, aux “société coopérative à
responsabilité limitée” et “société coopérative à responsabi-
lité illimitée”, et à la “société en commandite simple” doivent
s’entendre comme des références également respectivement
à la “société à responsabilité limitée”, à la “société coopérative”
et à la “société en commandite”,”;
5° dans le 5°, c, les mots “sans préjudice de la présomp-
tion prévue par le 5°, b, alinéa 2,” sont insérés avant les mots
“toute société” et les mots “son siège social,” sont abrogés;
6° entre le 5°bis et le 6°, il est inséré un 5°ter rédigé comme
suit:
“5°ter Etabli(e)
Lorsque le terme établi(e) est utilisée à propos d’une
société, association, établissement ou organisme quelconque
en rapport avec un État ou groupe d’États, ce terme signifie
qu’il a son domicile fiscal dans cet État ou dans l’un des États
de ce groupe d’États selon la législation fiscale de cet État,
sans qu’une convention en matière de double imposition ait
pour effet qu’il doive être considéré comme ayant son domicile
fiscal en dehors de cet État ou groupe d’États.”;
7° le 6° est remplacé par ce qui suit:
“6° Capital
On entend par:
a) “Capital”, dans le chef d’une société:
1) le capital d’une société anonyme, tel que prévu par le
Code des sociétés et des associations, ou, pour une société
ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou
étranger qui la régit prévoit une notion analogue, cette notion
telle que prévue dans ce droit;
2) pour les formes de sociétés pour lesquelles le droit
belge ou étranger qui régit la société ne prévoit pas une
57
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
gelijkaardig begrip voorziet, het eigen vermogen van de ven-
nootschap als bedoeld in het Belgisch recht of het buitenlands
recht dat de vennootschap beheerst, in zoverre het gevormd
wordt door inbrengen in geld of in natura, andere dan inbren-
gen in nijverheid.
b) Gestort kapitaal:
Zowel voor een binnenlandse als voor een buitenlandse
vennootschap, het werkelijk gestort kapitaal zoals het geldt
terzake van de vennootschapsbelasting.”;
8° tussen de bepaling onder 6° en de bepaling onder 7°
worden de bepalingen onder 6°/1 en 6°/2 ingevoegd, luidende:
“6°/1 Fusie door overneming, fusie door oprichting van een
nieuwe vennootschap, splitsing door overneming, splitsing
door oprichting van nieuwe vennootschappen, gemengde
splitsing, verrichting gelijkgesteld met fusie door overneming
en verrichting gelijkgesteld met splitsing, of, verkort, “fusie,
splitsing en verrichting gelijkgesteld met een fusie of met
een splitsing”
Er wordt verstaan onder:
a) Fusie door overneming: de rechtshandeling waarbij de
activa en passiva van het vermogen van één of meer vennoot-
schappen, als gevolg van een ontbinding zonder vereffening,
in hun geheel op een andere, reeds bestaande vennootschap
overgaan tegen uitreiking van aandelen in de verkijgende
vennootschap aan de aandeelhouders of vennoten van de
ontbonden vennootschap of vennootschappen, eventueel met
een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan een tiende
van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale
waarde, van de fractiewaarde van deze aandelen. Indien het
Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende vennoot-
schap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan dat van
het kapitaal van een naamloze vennootschap voorziet, wordt
met de fractiewaarde gelijkgesteld, de inbrengwaarde, zoals
die blijkt uit de jaarrekening, van alle door de aandeelhouders
of vennoten toegezegde inbrengen in geld of in natura, met
uitzondering van de inbrengen in nijverheid, in voorkomend
geval verhoogd met de reserves die op grond van een statu-
taire bepaling slechts aan de aandeelhouders kunnen worden
uitgekeerd mits een statutenwijziging, dit alles gedeeld door
het aantal aandelen;
b) Fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap: de
rechtshandeling waarbij de activa en passiva van het vermo-
gen van twee of meer vennootschappen, als gevolg van een
ontbinding zonder vereffening, in hun geheel op een door hen
opgerichte vennootschap overgaan tegen uitreiking van aan-
delen in de nieuwe vennootschap aan de aandeelhouders of
vennoten van de ontbonden vennootschappen, eventueel met
een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan een tiende
van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale
waarde, van de fractiewaarde van de uitgereikte aandelen.
Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende
vennootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan dat
van het kapitaal van een naamloze vennootschap voorziet,
wordt de fractiewaarde bepaald volgens de regels sub a);
notion analogue, les capitaux propres de la société tels que
prévus par le droit belge ou étranger qui régit la société, dans
la mesure où ils sont formés par des apports en numéraire ou
en nature, autres que des apports en industrie.
b) Capital libéré
Tant pour une société résidente que pour une société
étrangère, le capital réellement libéré au sens de ce qui est
prévu en matière d’impôt des sociétés.”;
8° il est inséré entre le 6° et le 7° un 6°/1 et un 6°/2 rédigés
comme suit:
“6°/1 Fusion par absorption, fusion par constitution d’une
nouvelle société, scission par absorption, scission par
constitution de nouvelles sociétés, scission mixte, opération
assimilée à la fusion par absorption et opération assimilée
à la scission, ou, en abrégé, “fusion, scission et opération
assimilée à une fusion ou à une scission”
On entend par:
a) Fusion par absorption: l’opération par laquelle une ou
plusieurs sociétés transfèrent, par suite d’une dissolution
sans liquidation, l’ensemble de leur patrimoine, activement
et passivement, à une autre société préexistante, moyennant
l’attribution à leurs actionnaires ou associés d’actions ou parts
de la société bénéficiaire et, éventuellement, d’une soulte en
espèces ne dépassant dix pour cent de la valeur nominale,
ou à défaut de valeur nominale, du pair comptable de ces
titres. Si le droit belge ou étranger qui régit la société béné-
ficiaire ne prévoit pas une notion analogue à celle du capital
d’une société anonyme, est assimilée au pair comptable la
valeur, telle qu’elle résulte des comptes annuels, de tous les
apports en numéraire ou en nature, autres que les apports en
industrie, consentis par les actionnaires ou associés , le cas
échéant augmenté des réserves qui, en vertu d’une disposi-
tion statutaire, ne peuvent être distribuées aux actionnaires
ou associés que moyennant une modification des statuts, le
tout divisé par le nombre des actions ou parts;
b) Fusion par constitution d’une nouvelle société: l’opéra-
tion par laquelle deux ou plusieurs sociétés transfèrent, par
suite d’une dissolution sans liquidation, l’ensemble de leur
patrimoine, activement et passivement, à une nouvelle société
qu’elles constituent, moyennant l’attribution à leurs action-
naires ou associés d’actions ou parts de la nouvelle société
et, éventuellement, d’une soulte en espèces ne dépassant
pas dix pour cent de la valeur nominale ou, à défaut de valeur
nominale, du pair comptable de ces titres. Si le droit belge ou
étranger qui régit la société bénéficiaire ne prévoit pas une
notion analogue à celle du capital d’une société anonyme, le
pair comptable est déterminé selon les règles sub a);
58
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
c) Verrichting gelijkgesteld met een fusie door overneming:
de rechtshandeling waarbij de activa en de passiva van
het vermogen van een vennootschap, als gevolg van haar
ontbinding zonder vereffening, in hun geheel overgaan op
de vennootschap die al haar aandelen en andere stemrecht-
verlenende effecten bezit;
d) Splitsing door overneming: de rechtshandeling waarbij
de activa en de passiva van het vermogen van een vennoot-
schap, als gevolg van haar ontbinding zonder vereffening,
in hun geheel op meerdere vennootschappen overgaan,
tegen uitreiking aan de aandeelhouders of vennoten van
de ontbonden vennootschap, al dan niet volgens een pro-
rataregeling, van aandelen van de verkrijgende vennoot-
schappen, eventueel met een opleg in geld die niet meer
mag bedragen dan 10 pct. van de nominale waarde, of bij
gebrek aan een nominale waarde, van de fractiewaarde van
de uitgereikte aandelen. Indien het Belgisch of buitenlands
recht dat de verkrijgende vennootschap beheerst niet in een
begrip gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naam-
loze vennootschap voorziet, wordt de fractiewaarde bepaald
volgens de regels sub a);
e) Splitsing door oprichting van nieuwe vennootschappen:
de rechtshandeling waarbij de activa en passiva van het
vermogen van een vennootschap, als gevolg van haar ontbin-
ding zonder vereffening, in hun geheel op verschillende door
haar opgerichte vennootschappen overgaan tegen uitreiking
aan de aandeelhouders of vennoten van de ontbonden ven-
nootschappen, al dan niet volgens een pro-rataregeling, van
aandelen in de verkrijgende vennootschappen, eventueel met
een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan 10 pct. van
de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale waarde,
van de fractiewaarde van de uitgereikte aandelen. Indien het
Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende vennoot-
schap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan dat van het
kapitaal van een naamloze vennootschap voorziet, wordt de
fractiewaarde bepaald volgens de regels sub a);
f) Gemengde splitsing: de rechtshandeling waarbij de acti-
va en de passiva van het vermogen van een vennootschap, als
gevolg van haar ontbinding zonder vereffening, in hun geheel
overgaan op één of meer bestaande vennootschappen en op
één of meer door haar opgerichte vennootschappen tegen uit-
reiking aan de aandeelhouders of vennoten van de ontbonden
vennootschap, al dan niet volgens een pro-rataregeling, van
aandelen van de verkrijgende vennootschappen, eventueel
met een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan 10 pct.
van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale
waarde, van de fractiewaarde van de uitgereikte aandelen.
Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende
vennootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan dat
van het kapitaal van een naamloze vennootschap voorziet,
wordt de fractiewaarde bepaald volgens de regels sub a);
g) Verrichtingen gelijkgesteld met een splitsing:
1) De rechtshandeling waarbij een deel van de activa en
passiva van het vermogen van een vennootschap, zonder
ontbinding, overgaat op één of meer bestaande of door haar
opgerichte vennootschappen tegen uitreiking aan de aan-
deelhouders of vennoten van de overdragende vennootschap,
c) Opération assimilée à la fusion par absorption: l’opé-
ration par laquelle une société transfère, par suite de sa
dissolution sans liquidation, l’ensemble de son patrimoine,
activement et passivement, à la société qui détient toutes
ses actions ou parts et autres titres conférant le droit de vote;
d) Scission par absorption: l’opération par laquelle une
société transfère, par suite de sa dissolution sans liquidation,
l’ensemble de son patrimoine, activement et passivement, à
plusieurs sociétés, moyennant l’attribution à ses actionnaires
ou associés, selon une règle proportionnelle ou non , d’actions
ou parts des sociétés bénéficiaires de l’apport et, éventuelle-
ment, d’une soulte en espèces ne dépassant pas 10 p.c. de
la valeur nominale ou, à défaut de valeur nominale, du pair
comptable de ces titres. Si le droit belge ou étranger qui régit
la société bénéficiaire ne prévoit pas une notion analogue à
celle du capital d’une société anonyme, le pair comptable est
déterminé selon les règles sub a);
e) Scission par constitution de nouvelles sociétés: l’opé-
ration par laquelle une société transfère, par suite de sa
dissolution sans liquidation, l’ensemble de son patrimoine,
activement et passivement, à plusieurs sociétés qu’elle
constitue, moyennant l’attribution à ses actionnaires ou
associés, selon une règle proportionnelle ou non , d’actions
ou parts des sociétés bénéficiaires de l’apport et, éventuelle-
ment, d’une soulte en espèces ne dépassant pas 10 p.c. de
la valeur nominale ou, à défaut de valeur nominale, du pair
comptable de ces titres. Si le droit belge ou étranger qui régit
la société bénéficiaire ne prévoit pas une notion analogue à
celle du capital d’une société anonyme, le pair comptable est
déterminé selon les règles sub a);
f) Scission mixte: l’opération par laquelle une société trans-
fère, par suite de sa dissolution sans liquidation, l’ensemble
de son patrimoine, activement et passivement, à une ou
plusieurs sociétés existantes et à une ou plusieurs sociétés
qu’elle constitue, moyennant l’attribution à ses actionnaires
ou associés, selon une règle proportionnelle ou non, d’actions
ou parts des sociétés bénéficiaires de l’apport et, éventuel-
lement, d’une soulte en espèces ne dépassant pas le 10 p.c.
de la valeur nominale ou, à défaut de valeur nominale, du pair
comptable de ces titres. Si le droit belge ou étranger qui régit
la société bénéficiaire ne prévoit pas une notion analogue à
celle du capital d’une société anonyme, le pair comptable est
déterminé selon les règles sub a);
g) Opérations assimilées à la scission:
1) L’opération par laquelle une société transfère, sans
être dissoute, une partie de son patrimoine, activement et
passivement, à une ou plusieurs sociétés préexistantes ou
qu’elle constitue, moyennant l’attribution à ses actionnaires ou
associés, au prorata ou, dans le cas où le transfert est fait à
59
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
volgens een pro-rataregeling, of in geval de overdracht plaats-
vindt aan meerdere vennootschappen al dan niet volgens een
pro-rataregeling, van aandelen in de verkrijgende vennoot-
schap of vennootschappen, eventueel met een opleg in geld
die niet meer mag bedragen dan 10 pct. van de nominale
waarde of, bij gebrek aan een nominale waarde, van de frac-
tiewaarde van de uitgereikte aandelen. Indien het Belgisch of
buitenlands recht dat de verkrijgende vennootschap beheerst
niet in een begrip gelijkaardig aan dat van het kapitaal van
een naamloze vennootschap voorziet, wordt de fractiewaarde
bepaald volgens de regels sub a);
2) De rechtshandeling waarbij een deel van de activa en
passiva van het vermogen van een vennootschap, zonder
ontbinding, overgaat op een andere vennootschap die reeds al
haar aandelen en andere stemrechtverlenende effecten bezit.
Deze rechtshandelingen kunnen ook plaatsvinden wanneer
een of meer vennootschappen waarvan het vermogen over-
gaat, in vereffening zijn of in staat van faillissement verkeren,
mits zij nog geen begin hebben gemaakt met de uitkering van
hun vermogen aan hun aandeelhouders of vennoten.
6°/2: Inbreng van de algemeenheid van goederen en in-
breng van bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid
Er wordt verstaan onder:
a) Inbreng van een algemeenheid van goederen: de
rechtshandeling waarbij een natuurlijke persoon of een ven-
nootschap de activa en passiva van het vermogen, zonder
ontbinding, in hun geheel overdraagt aan een vennootschap
tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat uit aandelen van
de verkrijgende vennootschap; in het geval van inbreng door
een natuurlijke persoon, moet onder het gehele vermogen al
zijn takken van werkzaamheid worden verstaan;
b) Inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van werk-
zaamheid: de rechtshandeling waarbij een natuurlijke persoon
of een vennootschap, zonder ontbinding, een bedrijfstak
overdraagt aan een andere vennootschap tegen een vergoe-
ding die uitsluitend bestaat in aandelen van de verkrijgende
vennootschap;
c) Bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid: het geheel van
de activa en passiva van een afdeling van een vennootschap
dat uit organisatorisch oogpunt een onafhankelijke exploitatie
vormt, dat wil zeggen een geheel dat op eigen kracht kan
functioneren.”.
9° in de bepaling onder 13°/1, derde lid, eerste streepje,
worden de woorden “artikel 5 van het Wetboek van vennoot-
schappen” vervangen door de woorden “artikel 1:14 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 3
In artikel 18 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 28 juli 1992 en 20 maart 1996, bij het konink-
lijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van
22 december 1998, 10 maart 1999, 24 december 2002,
plusieurs sociétés, de façon proportionnelle ou non, d’actions
ou parts de la société ou des sociétés bénéficiaires et, éven-
tuellement, d’une soulte en espèces ne dépassant pas 10 p.c.
de la valeur nominale ou, à défaut de valeur nominale, du pair
comptable de ces titres. Si le droit belge ou étranger qui régit
la société bénéficiaire ne prévoit pas une notion analogue à
celle du capital d’une société anonyme, le pair comptable est
déterminé selon les règles sub a);
2) L’opération par laquelle une société transfère sans
dissolution une partie de son patrimoine, activement et pas-
sivement, à une autre société qui est déjà titulaire de toutes
ses actions ou parts et autres titres conférant le droit de vote.
Ces opérations peuvent également avoir lieu lorsqu’une
ou plusieurs des sociétés dont le patrimoine sera transféré
sont en liquidation ou en faillite pourvu qu’elles n’aient pas
encore commencé la répartition de leurs actifs entre leurs
actionnaires ou associés.
6°/2: Apport d’universalité et apport de branche d’activité
On entend par:
a) Apport d’une universalité de biens: l’opération par
laquelle une personne physique ou une société, sans disso-
lution, transfère l’intégralité de son patrimoine, activement et
passivement, à une société, moyennant une rémunération
consistant exclusivement en actions ou parts de la société
bénéficiaire de l’apport; dans le cas d’une personne physique,
l’intégralité de son patrimoine s’entend de toutes les branches
de son activité;
b) Apport de branche d’activité: l’opération par laquelle
une personne physique ou une société transfère, sans disso-
lution, une branche d’activité à une société, moyennant une
rémunération consistant exclusivement en actions ou parts
de la société bénéficiaire de l’apport;
c) Branche d’activité: l’ensemble des éléments d’actif et
de passif d’une division d’une société qui constituent, du
point de vue de l’organisation, une exploitation autonome,
c’est-à-dire un ensemble capable de fonctionner par ses
propres moyens.”.
9° au 13°/1, alinéa 3, premier tiret, les mots “article 5 du
Code des sociétés” sont remplacés par les mots “ar-
ticle 1:14 du Code des sociétés et des associations”.
Art. 3
A l’article 18 du même Code, modifi é par les lois des
28 juillet 1992 et 20 mars 1996, par l’arrêté royal du
20 décembre 1996 et par les lois des 22 décembre 1998,
10 mars 1999, 24 décembre 2002, 15 décembre 2004,
60
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
15 december 2004, 27 december 2005, 31 januari 2006,
22 december 2009, 28 juli 2011, 10 augustus 2015,
26 december 2015, 25 december 2016 en 25 december 2017,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, worden de bepalingen onder 2° en 2°bis
vervangen als volgt:
“2° gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van kapitaal,
met uitzondering van de terugbetalingen die overeenkomstig
het tweede lid geacht worden voort te komen van het gestort
kapitaal of van de in 2°bis vermelde bedragen die met ge-
stort kapitaal worden gelijkgesteld en die zijn verkregen ter
uitvoering van een regelmatige beslissing van de vennoot-
schap overeenkomstig het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen of, indien de vennootschap niet onder het
Wetboek ressorteert, overeenkomstig de bepalingen van het
recht dat haar beheerst;
2°bis gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van uitgifte-
premies en andere bedragen waarop ter gelegenheid van de
uitgifte van aandelen of winstbewijzen is ingeschreven, met
uitzondering van terugbetalingen van bedragen die overeen-
komstig artikel 184 tweede lid met gestort kapitaal worden
gelijkgesteld en die zijn verkregen ter uitvoering van een
regelmatige beslissing van de vennootschap overeenkomstig
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of, indien
de vennootschap niet onder het Wetboek ressorteert, over-
eenkomstig de bepalingen van het recht dat haar beheerst, in
de mate dat deze terugbetalingen overeenkomstig het tweede
lid geacht worden voort te komen van het gestort kapitaal
of van de voormelde bedragen die met gestort kapitaal zijn
gelijkgesteld;”;
2° het tweede en derde lid worden vervangen als volgt:
“Onverminderd de toepassing van artikel 537 en van het
zevende lid van dit artikel, worden de terugbetalingen bedoeld
in eerste lid, 2° en 2°bis, geacht voort te komen:
— van het gestort kapitaal en van de voormelde bedragen
die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld ten belope van
een percentage dat de verhouding uitdrukt tussen, in de
teller, de som van het gestort kapitaal en van de voormelde
bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld, en,
in de noemer, de som van de belaste reserves, de in het ka-
pitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves en het bedrag
bepaald in de teller;
— voor het saldo, van de belaste reserves en van de in het
kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves.
Onverminderd de toepassing van het zevende lid, worden
de terugbetalingen als bepaald in het vorige lid, aangerekend
als volgt:
a) wat betreft het gedeelte dat geacht wordt van de reserves
voort te komen, eerst op de in het kapitaal geïncorporeerde
belaste reserves, vervolgens op de niet in het kapitaal geïn-
corporeerde belaste reserves en tenslotte op de in het kapitaal
geïncorporeerde vrijgestelde reserves;
27 décembre 2005, 31 janvier 2006, 22 décembre 2009,
28 juillet 2011, 10 août 2015, 26 décembre 2015,
25 décembre 2016 et 25 décembre 2017, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 1er, les 2° et 2°bis sont remplacés par ce qui
suit:
“2° les remboursements totaux ou partiels de capital, à
l’exception des remboursements qui sont censés provenir,
conformément à l’alinéa 2, du capital libéré ou des sommes
assimilées à du capital libéré visées au 2°bis et opérés en exé-
cution d’une décision régulière de la société conformément
au Code des sociétés et des associations, ou, si la société
n’est pas régie par ce Code, conformément aux dispositions
du droit qui la régit;
2°bis les remboursements totaux ou partiels de primes
d’émission ou d’autres sommes souscrites à l’occasion
de l’émission d’actions ou parts ou de parts bénéficiaires,
à l’exception des remboursements de sommes assimilées
conformément à l’article 184, alinéa 2, à du capital libéré
opérés en exécution d’une décision régulière de la société
conformément au Code des sociétés et des associations,
ou, si la société n’est pas régie par ce Code, conformément
aux dispositions du droit qui la régit, dans la mesure où ces
remboursements sont conformément à l’alinéa 2 censés pro-
venir du capital libéré ou des sommes susvisées assimilées
à du capital libéré;”;
2° les alinéas 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit:
“Sans préjudice de l’application de l’article 537 et de
l’alinéa 7 du présent article, les remboursements visés à
l’alinéa 1er, 2° et 2°bis, sont censés provenir:
— du capital libéré et des sommes susvisées assimilées à
du capital libéré à concurrence d’un pourcentage qui exprime
le rapport entre, au numérateur, la somme du capital libéré et
des sommes susvisées assimilées à du capital libéré, et, au
dénominateur, la somme des réserves taxées, des réserves
exonérées incorporées au capital et du montant déterminé
au numérateur;
— pour le solde, des réserves taxées et des réserves
exonérées incorporées au capital.
Sans préjudice de l’application de l’alinéa 7, les rembour-
sements, déterminés comme dit à l’alinéa précédent, sont
imputés comme suit:
a) en ce qui concerne la quotité censée provenir des
réserves, d’abord sur les réserves taxées incorporées au capi-
tal, ensuite sur les réserves taxées non incorporées au capital
et enfin sur les réserves exonérées incorporées au capital;
61
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
b) wat betreft het gedeelte dat geacht wordt voort te komen
van het gestort kapitaal en van de voormelde bedragen die
met gestort kapitaal worden gelijkgesteld:
— in het geval van een terugbetaling van kapitaal bedoeld
in het eerste lid, 2°, eerst op het gestort kapitaal en, indien
dat bedrag ontoereikend is, op de voormelde bedragen die
met gestort kapitaal worden gelijkgesteld, beginnend met de
uitgiftepremies;
— in het geval van een terugbetaling van uitgiftepremies
bedoeld in het eerste lid, 2°bis, eerst op de uitgiftepremies
die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld, en, indien dat
bedrag ontoereikend is, achtereenvolgens op het gestort
kapitaal en op de andere bedragen waarop ter gelegenheid
van de uitgifte van aandelen of winstbewijzen is ingeschreven
en die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld;
— in het geval van een terugbetaling van andere bedragen
waarop ter gelegenheid van de uitgifte van aandelen of winst-
bewijzen is ingeschreven, bedoeld in het eerste lid, 2°bis, eerst
op de voormelde bedragen die met gestort kapitaal worden
gelijkgesteld, en, indien dat bedrag ontoereikend is, achter-
eenvolgens op het gestort kapitaal en op de uitgiftepremies
die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld.”
3° in het vierde lid worden de woorden “derde lid” door de
woorden “tweede lid”;
4° in het vijfde lid, zevende streepje, worden de woorden
“binnen de grenzen als bepaald in artikel 620, § 1, 2°, Wetboek
van Vennootschappen;” vervangen door de woorden “binnen
de grens van 20 pct. bedoeld in artikel 186, zesde lid;”;
5° in het zevende lid:
a) worden de woorden “bedoelde beslissing van de alge-
mene vergadering” vervangen door de woorden “beslissing
van de vennootschap”;
b) wordt in de Nederlandse tekst een komma ingevoegd
tussen de woorden “zijn toegepast” en de woorden “het
bedrag”;
6° in het achtste lid, 2°, zoals dat van toepassing is tot
en met 31 december 2019 en van toepassing zal zijn vanaf
1 januari 2020 als gevolg van artikel 86C van de wet van
25 december 2017 worden de woorden “coöperatieve ven-
nootschappen die door de Nationale Raad van de Coöperatie
zijn erkend” vervangen door “overeenkomstig artikel 8:4 van
het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen erkende
coöperatieve vennootschappen”;
7° in het tiende lid, worden de woorden “artikel 2, § 1, 6°”
vervangen door de woorden “artikel 2, § 1, 6°, b)”.
Art. 4
In artikel 21, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laat-
stelijk gewijzigd bij de wetten van 26 december 2015,
b) en ce qui concerne la quotité censée provenir du capital
libéré et des sommes susvisées assimilées à du capital libéré:
— dans le cas d’un remboursement de capital visé à
l’alinéa 1er, 2°, d’abord sur le capital libéré et, si celui-ci est
insuffisant, sur les sommes susvisées assimilées à du capital
libéré en commençant par les primes d’émission;
— dans le cas de remboursement de primes d’émission
visé à l’alinéa 1er, 2°bis, d’abord sur les primes d’émission
assimilées à du capital libéré, et, si celles-ci sont insuffisantes,
successivement sur le capital libéré et sur les autres sommes
souscrites à l’occasion de l’émission d’actions ou parts ou de
parts bénéficiaires assimilées à du capital libéré;
— dans le cas de remboursement d’autres sommes
souscrites à l’occasion de l’émission d’actions ou parts ou de
parts bénéficiaires, visé à l’alinéa 1er, 2°bis, d’abord sur ces
autres sommes assimilées à du capital libéré et, si celles-ci
sont insuffisantes, successivement sur le capital libéré et sur
les primes d’émission assimilées à du capital libéré. “;
3° dans l’alinéa 4, les mots “l’alinéa 3” sont remplacés par
les mots “l’alinéa 2”;
4° dans l’alinéa 5, septième tiret, les mots “dans les limites
fixées à l’article 620, § 1er, 2°, du Code des sociétés;” sont
remplacés par les mots “dans la limite de 20 p.c. visée à
l’article 186, alinéa 6;”;
5° dans l’alinéa 7:
a) les mots “la décision de l’assemblée générale” sont
remplacés par les mots “la décision de la société”;
b) dans le texte néerlandais, une virgule est ajoutée entre
les mots “zijn toegepast” et les mots “het bedrag”;
5° dans l’alinéa 8, 2°, tel qu’il est applicable jusqu’au
31 décembre 2019 et tel qu’il sera applicable à partir
du 1er janvier 2020 en vertu de l’article 86C de la loi du
25 décembre 2017 les mots “sociétés coopératives agréées
par le Conseil national de la Coopération;“sont remplacés
par les mots “sociétés coopératives agréées conformément
à l’article 8:4 du Code des sociétés et des associations”;
7° dans l’alinéa 10, les mots “l’article 2, § 1er, 6°” sont
remplacés par les mots “l’article 2, § 1er, 6°, b)”.
Art. 4
A l’article 21, alinéa 1er, du même Code, modifié en dernier
lieu par les lois des 26 décembre 2015, 18 décembre 2016,
62
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
18 december 2016, 31 juli 2017 en 25 december 2017, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 10°, inleidende zin, worden de woor-
den “hetzij vennootschappen met een sociaal oogmerk, hetzij
door de vennootschappen gevestigd in een andere lidstaat
van de Europese Economische Ruimte die er onderworpen
zijn aan een wetgeving gelijkaardig aan de bepalingen van
het Wetboek van vennootschappen die van toepassing zijn
op vennootschappen met een sociaal oogmerk” vervangen
door de woorden “hetzij overeenkomstig artikel 8:5 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen erkende so-
ciale ondernemingen, hetzij door vennootschappen gevestigd
in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte
die er onderworpen zijn aan een wetgeving gelijkaardig aan
de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen die van toepassing zijn op overeenkomstig ar-
tikel 8:5 van dat Wetboek erkende sociale ondernemingen:”;
2° in de bepaling onder 10°, in fine, worden de woorden
“een andere, onder vorig streepje vermelde, vennootschap
met sociaal oogmerk of in een andere vennootschap gevestigd
in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte
die er onderworpen is aan een wetgeving gelijkaardig aan de
bepalingen van het Wetboek van vennootschappen die van
toepassing zijn op de onder het vorige streepje vermelde
vennootschappen met een sociaal oogmerk” vervangen
door de woorden “andere sociale onderneming of in een
andere vennootschap gevestigd in een andere lidstaat van
de Europese Economische Ruimte die er onderworpen is
aan een wetgeving gelijkaardig aan de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen die van toe-
passing zijn op de onder het vorig streepje vermelde sociale
ondernemingen;”;
3° in de bepaling onder 13°, a, worden de woorden “arti-
kel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen;”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen;”.
Art. 5
In artikel 24 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van
27 december 2006, wordt tussen het tweede en het derde lid,
dat het vierde lid wordt, een lid ingevoegd, luidende:
“De belastbare winst wordt, onder voorbehoud van de
afwijkende bepalingen in dit Wetboek, in de bijzondere
wetsbepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen
en in de tot uitvoering ervan genomen besluiten, vastgesteld
overeenkomstig de Belgische wetgeving met betrekking tot
de boekhoudkundige verplichtingen van ondernemingen.”.
Art. 6
In titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 4, onderafdeling 1, van
hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van punt E vervangen
als volgt:
31 juillet 2017 et 25 décembre 2017, les modifications sui-
vantes sont apportées:
1° dans le 10°, phrase liminaire, les mots “soit par des
sociétés à finalité sociale soit par des sociétés établies dans
un autre État membre de l’Espace économique européen qui y
sont soumises à une législation analogue aux dispositions du
Code des sociétés applicables aux sociétés à finalité sociale:”
sont remplacés par les mots “soit par des sociétés agréées
comme entreprise sociale conformément à l’article 8:5 du
Code des sociétés et des associations, soit par des sociétés
établies dans un autre État membre de l’Espace économique
européen qui y sont soumises à une législation analogue
aux dispositions du Code des sociétés et des associations
applicables aux sociétés agréées comme entreprise sociale
conformément à l’article 8:5 de ce Code:”;
2° dans le 10°, in fine, les mots “une autre société à finalité
sociale visée au tiret précédent ou dans une autre société
établie dans un autre État membre de l’Espace économique
européen qui y est soumise à une législation analogue aux
dispositions du Code des sociétés applicables aux sociétés
à finalité sociale visées également au tiret précédent” sont
remplacés par les mots “une autre entreprise sociale visée
au tiret précédent ou dans une autre société établie dans un
autre État membre de l’Espace économique européen qui
y est soumise à une législation analogue aux dispositions
du Code des sociétés et des associations applicables aux
entreprises sociales visées également au tiret précédent;”;
3° dans le 13°, a, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code
des sociétés;” sont remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés et des associations;”.
Art. 5
Dans l’article 24 du même Code, modifié par la loi du
27 décembre 2006, entre l’alinéa 2 et l’alinéa 3, qui devient
l’alinéa 4, il est inséré un alinéa rédigé comme suit:
“Sous réserve des dispositions dérogatoires dans le pré-
sent Code, les dispositions légales particulières relatives aux
impôts sur les revenus et les arrêtés pris pour leur exécution,
les bénéfices imposables sont déterminés conformément à
la législation belge relative aux obligations comptables des
entreprises.”.
Art. 6
Dans le titre 2, chapitre 2, section 4, sous-section pre-
mière, du même Code, l’intitulé du point E est remplacé par
ce qui suit:
63
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“E.- Vennootschappen of verenigingen zonder
rechtspersoonlijkheid”.
Art. 7
In artikel 29 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet
van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “burgerlijke ven-
nootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid”
vervangen door de woorden “vennootschappen of verenigin-
gen zonder rechtspersoonlijkheid, andere dan deze bedoeld
in artikel 2, § 1, 5°, a), eerste lid, tweede streepje,”;
2° in paragraaf 2 wordt de bepaling onder 1° opgeheven;
3° in paragraaf 2, 2°, wordt het woord “landbouwven-
nootschappen” vervangen door de woorden”vennootschappen
erkend als landbouwonderneming, als bedoeld in ar-
tikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en verenig-
ingen, en die de rechtsvorm hebben van een vennootschap
onder firma of commanditaire vennootschap”;
4° in paragraaf § 2, wordt de bepaling onder 4° vervangen
als volgt:
“4° de vennootschappen onder firma voortkomende uit de
omvorming van een economisch samenwerkingsverband bij
toepassing van artikel 32 van het Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen op voorwaarde dat de activiteiten van
de vennootschap onder firma uitsluitend tot doel hebben om
de economische bedrijvigheid van haar vennoten te verge-
makkelijken of te ontwikkelen, dan wel de resultaten van die
bedrijvigheid te verbeteren of te vergroten; daarenboven moet
de bedrijvigheid van de vennootschap onder firma aansluiten
bij deze van haar vennoten en van ondergeschikte betekenis
zijn.”.
Art. 8
Artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 11 december 2008, wordt aangevuld
met de volgende zin:
“Indien de inbrengverkrijgende vennootschap een ven-
nootschap is bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, a), 2, moet onder
de fractiewaarde worden verstaan de inbrengwaarde, zoals
die blijkt uit de jaarrekening, van alle door de aandeelhouders
of vennoten toegezegde inbrengen in geld of in natura, met
uitzondering van de inbrengen in nijverheid, in voorkomend
geval verhoogd met de reserves die op grond van een stat-
utaire bepaling slechts aan de aandeelhouders of vennoten
kunnen worden uitgekeerd mits een statutenwijziging, dit alles
gedeeld door het aantal aandelen.”.
“E.- Sociétés ou associations sans personnalité juridique”.
Art. 7
Dans l’article 29 du même Code, modifié par la loi
du 22 décembre 1998, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er les mots “sociétés civiles ou
associations sans personnalité juridique” sont remplacés par
les mots “sociétés ou associations sans personnalité juridique,
autres que celles visées à l’article 2, § 1er, 5°, a), alinéa 1er,
deuxième tiret,”;
2° dans le paragraphe 2, le 1°, est abrogé;
3° au paragraphe 2, 2°, les mots “sociétés agricoles,” sont
remplacés par les mots “sociétés agréés comme entreprise
agricole visées à l’article 8:2 du Code des sociétés et des
associations, et qui ont la forme d’une société en nom collectif
ou d’une société en commandite,”;
4° dans le paragraphe 2, le 4° est remplacé par ce qui suit:
“4° les sociétés en nom collectif issues de la transforma-
tion d’un groupement d’intérêt économique en application
de l’article 32 du Code des sociétés et des associations, à
condition que les activités de la société en nom collectif aient
exclusivement pour but de faciliter ou de développer l’activité
économique de ses associés, d’améliorer ou d’accroître les
résultats de cette activité; en outre, l’activité de la société en
nom collectif doit se rattacher à l’activité de ses associés et
avoir un caractère auxiliaire par rapport à celle-ci.”.
Art. 8
L’article 45, § 1er, alinéa 1er, 2°, du même Code, remplacé
par la loi du 11 décembre 2008, est complété par la phrase
suivante:
“Si la société bénéficiaire de l’apport est une société visée
à l’article 2, § 1er, 6°, a), 2, le pair comptable s’entend à cet
effet de la valeur, telle qu’elle résulte des comptes annuels,
de tous les apports en numéraire ou en nature, autres que
les apports en industrie, consentis par les actionnaires ou
associés, le cas échéant augmenté des réserves qui, en vertu
d’une disposition statutaire, ne peuvent être distribuées aux
actionnaires ou associés que moyennant une modification
des statuts, le tout divisé par le nombre des actions ou parts.“.
64
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 9
In artikel 46 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd
bij de wetten van 3 augustus 2016 en 9 februari 2017, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de woorden “maat-
schappelijk kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal”;
2° in paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt het woord “landbouw-
vennootschap” vervangen door de woorden “vennootschap
erkend als landbouwonderneming bedoeld in artikel 8:2 van
het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen”;
3° in paragraaf 1, derde lid, wordt de bepaling onder 2°
opgeheven;
4° in paragraaf 2, vierde lid, wordt het woord “land-
bouwvennootschappen” vervangen door de woorden “ven-
nootschappen erkend als landbouwonderneming bedoeld
in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 10
In artikel 52, 11°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij
de wet van 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van
20 december 1996 en bij de wet van 20 december 2017,
worden de woorden “maatschappelijk kapitaal” vervangen
door het woord “kapitaal”.
Art. 11
In artikel 53 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten
van 30 maart 1994, 7 april 1995 en 20 december 1995, bij het
koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van
7 maart 2002, 24 december 2002, 28 april 2003, 10 mei 2004,
27 december 2004, 1 maart 2007, 11 mei 2007, 23 maart 2009,
22 december 2009, 13 december 2012, 27 december 2012,
6 december 2015, 22 oktober 2017, 25 december 2017 en
26 maart 2018 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 16°, worden de woorden “maat-
schappelijk kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal”;
2° in de bepaling onder 18°, worden de woorden “maat-
schappelijk kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal”.
Art. 12
In artikel 56, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 14 april 2011, worden de woorden “artikel 11 van
het Wetboek van vennootschappen” vervangen door de
woorden “artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”.
Art. 9
A l’article 46 du même Code, modifié en dernier lieu par
les lois des 3 août 2016 et 9 février 2017, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les mots “capital
social” sont remplacé par le mot “capital”;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, les mots “société
agricole” sont remplacés par les mots “société agréée comme
entreprise agricole visée à l’article 8:2 du Code des sociétés
et des associations”;
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, le 2° est abrogé;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots “sociétés agri-
coles” sont remplacés par les mots “sociétés agréées comme
entreprise agricole visée à l’article 8:2 du Code des sociétés
et des associations”.
Art. 10
Dans l’article 52, 11°, du même Code, modifié par la loi du
20 décembre 1995, par l’arrêté royal du 20 décembre 1996 et
par la loi du 20 décembre 2017, les mots “capital social” sont
remplacés par le mot “capital”.
Art. 11
Dans l’article 53 du même Code, modifié par les lois
des 30 mars 1994, 7 avril 1995 et 20 décembre 1995,
par l’arrêté royal du 20 décembre 1996 et par les lois des
7 mars 2002, 24 décembre 2002, 28 avril 2003, 10 mai 2004,
27 décembre 2004, 1er mars 2007, 11 mai 2007, 23 mars 2009,
22 décembre 2009, 13 décembre 2012, 27 décembre 2012,
6 décembre 2015, 22 octobre 2017, 25 décembre 2017 et
26 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° au 16°, les mots “capital social” sont remplacés par le
mot “capital”;
2° au 18°, les mots “capital social” sont remplacés par le
mot “capital”.
Art. 12
Dans l’article 56, § 3, du même Code, inséré par la loi du
14 avril 2011, les mots “l’article 11 du Code des sociétés” sont
remplacés par les mots “l’article 1:20 du Code des sociétés
et des associations”.
65
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 13
In artikel 69, § 1, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, in-
gevoegd bij de wet 10 augustus 2015, worden de woorden
“artikel 15, §§ 1 tot 6 van het Wetboek van Vennootschappen”
vervangen door “artikel 1:24 §§ 1 tot 6 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
Art. 14
In artikel 80 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet
van 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “burgerlijke vennootschappen” worden
vervangen door het woord “vennootschappen”;
2° de woorden “economische samenwerkingsverbanden,”
worden vervangen door “vennootschappen onder firma
bedoeld in artikel 29, § 2, 4°,”.
Art. 15
In artikel 90, eerste lid, 9°, tweede streepje, van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2008, worden
de woorden “de maatschappelijke zetel,” opgeheven.
Art. 16
In artikel 94 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden
“de maatschappelijke zetel, “opgeheven.
Art. 17
Artikel 95, eerste lid, tweede streepje, van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2008
en gewijzigd bij de wetten van 26 december 2015 en
25 december 2016, wordt aangevuld als volgt:
“; indien de inbrengverkrijgende vennootschap een ven-
nootschap is bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, a), 2, moet onder de
fractiewaarde worden verstaan de inbrengwaarde, zoals die
blijkt uit de jaarrekening, van alle door de aandeelhouders toe-
gezegde inbrengen in geld of in natura, met uitzondering van
de inbrengen in nijverheid, in voorkomend geval verhoogd met
de reserves die op grond van een statutaire bepaling slechts
aan de aandeelhouders kunnen worden uitgekeerd mits een
statutenwijziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen.”.
Art. 18
In artikel 145, eerste lid, 2°, a, van hetzelfde Wetboek
worden de woorden “artikel 5 van het Wetboek van vennoot-
schappen” vervangen door de woorden “artikel 1:14 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 13
Dans l’article 69, § 1er, alinéa 5, du même Code, inséré par
la loi du 10 août 2015, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6 du Code
des sociétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés et des associations”.
Art. 14
A l’article 80 du même Code, modifié par la loi du
4 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes:
1° dans le texte en néerlandais, les mots “burgerlijke ven-
nootschappen “sont remplacés par le mot “vennootschappen”;
2° les mots “groupements d’intérêt économique,” sont
remplacés par “sociétés en nom collectif visées à l’article 29,
§ 2, 4°,”.
Art. 15
Dans l’article 90, alinéa 1er, 9°, deuxième tiret, du même
Code, remplacé par la loi du 11 décembre 2008, les mots “le
siège social,” sont abrogés.
Art. 16
Dans l’article 94 du même Code, les mots “le siège social,”
sont abrogés.
Art. 17
L’article 95, alinéa 1er, deuxième tiret, du même Code,
remplacé par la loi du 11 décembre 2008 et modifié par les
lois des 26 décembre 2015 et 25 décembre 2016, est complété
par ce qui suit:
“; si la société bénéficiaire de l’apport est une société visée
à l’article 2, § 1er, 6°, a), 2, le pair comptable s’entend à cet
effet de la valeur, telle qu’elle résulte des comptes annuels,
de tous les apports en numéraire ou en nature consentis par
les actionnaires, autres que les apports en industrie, le cas
échéant augmentés des réserves qui, en vertu d’une dispo-
sition statutaire, ne peuvent être distribuées aux actionnaires
que moyennant une modification des statuts, le tout divisé par
le nombre des actions.”.
Art. 18
Dans l’article 145, alinéa 1er, 2°, a, du même Code, les
mots “l’article 5 du Code des sociétés” sont remplacés par les
mots “l’article 1:14 du Code des sociétés et des associations”.
66
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 19
In artikel 1451, 4°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de
wet van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden “maatschappelijk kapitaal” worden vervan-
gen door het woord “kapitaal”;
2° de woorden “maatschappelijke zetel,“worden opgeheven;
3° in de Franse tekst, worden de woorden “qui occupe
le contribuable “tussen de woorden “de la société” en de
woorden “et dont” opgeheven, en worden deze woorden
“qui occupe le contribuable” ingevoegd tussen de woorden
“économique européen” en de woorden “ou dont la société
employeur”;
4° de woorden “het Wetboek van vennootschappen of
van een daarmee vergelijkbare regelgeving van een lidstaat
van de Europese Economische Ruimte” worden vervangen
door de woorden “van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen, of, indien de vennootschap niet door dit
Wetboek beheerst is, de gelijkaardige bepalingen die op haar
toepasselijk zijn”.
Art. 20
In artikel 14526 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 10 augustus 2015 en gewijzigd bij de wetten van
18 december 2015, 18 december 2016 en 17 december 2017,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, eerste lid, a, b en c worden de woorden “maat-
schappelijk kapitaal” telkens vervangen door het woord
“kapitaal”;
2° in § 2, derde lid, 1°, worden de woorden “maatschappelijk
kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal”;
3° in § 3, eerste lid, 1°, worden de woorden “de maatschap-
pelijke zetel,“opgeheven;
4° in § 3, eerste lid, 3°, worden de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6 van het Wetboek van Vennootschappen” vervangen
door “artikel 1:24 §§ 1 tot 6 van het Wetboek van vennoot-
schappen en verenigingen”;
5° in § 3, derde lid, 3°, worden de woorden “maatschappelijk
kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal”;
6° in § 3, derde lid, 4°, worden de woorden “artikelen 220,
396, 445 of 657 van het Wetboek van Vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 7:8 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”;
7° in § 3, zesde lid, worden de woorden “artikel 15/1 van
het Wetboek van vennootschappen” vervangen door de
woorden “artikel 1:25 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”.
Art. 19
A l’article 1451, 4°, du même Code, remplacé par la loi
du 27 décembre 2006, les modifications suivantes sont
apportées:
1° les mots “capital social” sont remplacés par le mot
“capital”;
2° les mots “le siège social, “sont abrogés;
3° dans le texte français, les mots “qui occupe le contri-
buable” sont abrogés entre les mots “de la société” et les
mots “et dont” et ces mots “qui occupe le contribuable” sont
insérés entre les mots “économique européen” et les mots
“ou dont la société employeur”;
4° les mots “du Code des sociétés ou d’une réglementation
analogue d’un État membre de l’Espace économique euro-
péen,” sont remplacés par les mots “du Code des sociétés
et des associations ou, si la société n’est pas régie par ce
Code, aux dispositions analogues qui lui sont applicables,”.
Art. 20
A l’article 14526 du même Code, inséré par la loi du
10 août 2015 et modifié par les lois des 18 décembre 2015,
18 décembre 2016 et 17 décembre 2017, les modifications
suivantes sont apportées:
1° au § 1er, alinéa 1er, a, b et c, les mots “capital social” sont
chaque fois remplacés par le mot “capital”;
2° au § 2, alinéa 3, 1°, les mots “capital social” sont rem-
placés par le mot “capital”;
3° au § 3, alinéa 1er, 1°, les mots “le siège social,“sont
abrogés;
4° au § 3, alinéa 1er, 3°, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du
Code des sociétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:24,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés et des associations”;
5° au § 3, alinéa 3, 3°, les mots “capital social” sont rem-
placés par le mot “capital”;
6° au § 3, alinéa 3, 4°, les mots “aux articles 220, 396,
445 ou 657 du Code des sociétés.” sont remplacés par les
mots “à l’article 7:8 du Code des sociétés et des associations.”;
7° au § 3, alinéa 6, les mots “l’article 15/1 du Code des
sociétés.” sont remplacés par les mots “l’article 1:25 du Code
des sociétés et des associations.”.
67
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 21
In artikel 14527 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de
wet van 26 maart 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in § 1, a en b, worden de woorden “maatschappelijk
kapitaal” telkens vervangen door het woord “kapitaal”;
2° in § 2, 1°, worden de woorden “maatschappelijke zetel”
opgeheven;
3° in § 2, 2°, worden woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van Vennootschappen” vervangen door de woorden
“artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen”
4° in § 2, vijfde lid, 3°, worden de woorden “maatschappelijk
kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal”;
Art. 22
In artikel 181, 8°, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij
de wet van 2 mei 2002, van hetzelfde wetboek, worden
de woorden “opgericht zijn met toepassing van de wet van
27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoog-
merk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en
de stichtingen” vervangen door de woorden “onder toepassing
vallen van Deel 3 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 23
In artikel 184 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 28 juli 1992, 30 januari 1996, 22 december 1998,
4 mei 1999, 31 januari 2006, 11 december 2008,
25 december 2016 en 25 december 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° het eerste en het tweede lid worden vervangen door
drie leden, luidende:
”Het gestort kapitaal is het kapitaal voorzover dat gevormd
wordt door werkelijk gestorte inbrengen in geld of in natura,
andere dan inbrengen in nijverheid, en in zoverre er geen
terugbetaling of vermindering heeft plaatsgevonden.
In zoverre zij niet in het eerste lid zijn bedoeld, worden uit-
giftepremies en andere bedragen waarop wordt ingeschreven
door werkelijk gestorte inbrengen in geld of in natura, andere
dan inbrengen in nijverheid, ter gelegenheid van de uitgifte
van aandelen of winstbewijzen, gelijkgesteld met het gestort
kapitaal op voorwaarde dat ze op een of meer afzonderlijke
rekeningen onder het eigen vermogen op het passief van de
balans worden en blijven vermeld.
In verenigingen, stichtingen, vennootschappen en andere
instellingen die rechtspersoonlijkheid bezitten en die een
belangeloos doel nastreven zijn de eerste twee leden alleen
Art. 21
A l’article 14527 du même Code, tel que rétabli par la loi du
26 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° au § 1er, a et b, les mots “capital social” sont chaque fois
remplacés par le mot “capital”;
2° au § 2, 1°, les mots “le siège social,” sont abrogés;
3° au § 2, 2°, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés,” sont remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à
6, du Code des sociétés et des associations,”;
4° au § 2, alinéa 5, 3°, les mots “capital social” sont rem-
placés par le mot “capital”;
Art. 22
A l’article 181, 8°, du même Code, les mots “qui sont
constituées en application de la loi du 27 juin 1921 sur les
associations sans but lucratif, les associations internationales
sans but lucratif et les fondations” sont remplacés par les
mots “auxquelles s’appliquent les dispositions de la Partie
3 du Code des sociétés et des associations”.
Art. 23
A l’article 184 du même Code, modifié par les lois des
28 juillet 1992, 30 janvier 1996, 22 décembre 1998, 4 mai 1999,
31 janvier 2006, 11 décembre 2008, 25 décembre 2016 et
25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° les alinéas 1er et 2 sont remplacés par trois alinéas
rédigés comme suit:
“Le capital libéré est le capital dans la mesure où celui-ci
est formé par des apports réellement libérés en numéraire
ou en nature, autres qu’en industrie, et où il n’a fait l’objet
d’aucun remboursement ou réduction.
Dans la mesure où elles ne sont pas visées par le premier
alinéa, les primes d’émission et autres sommes souscrites
par des apports réellement libérés en numéraire ou en nature,
autres qu’en industrie, à l’occasion de l’émission d’actions ou
parts ou de parts bénéficiaires sont assimilées au capital libéré
à la condition d’être portées et maintenues à un ou plusieurs
comptes distincts dans les capitaux propres au passif du bilan.
Dans les associations, fondations, et autres organismes
possédant la personnalité juridique qui poursuivent un but
désintéressé, les alinéas 1er et 2 s’appliquent uniquement à
68
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van toepassing op het gedeelte van de inbrengen die door
de inbrenger of zijn rechthebbenden wettelijk kunnen worden
teruggenomen.”;
2° het vijfde lid dat het zesde lid wordt, wordt vervangen
als volgt:
“Voor de toepassing van deze titel, wordt het bedrag van
het in het eerste lid bedoelde gestort kapitaal en de bedragen
die overeenkomstig het tweede lid met gestort kapitaal worden
gelijkgesteld, geacht niet verminderd te zijn ten belope van
de terugbetalingen die in toepassing van artikel 18, tweede
tot vijfde lid als dividenden op de belaste reserves en op de
vrijgestelde reserves zijn aangerekend.”.
Art. 24
In artikel 184bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 11 december 2008, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in § 3, eerste lid, worden de woorden “maatschappelijk
kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal”;
2° in § 4, eerste lid, worden de woorden “statutaire kapitaal,”
vervangen door het woord “kapitaal,”;
3° in § 5, eerste lid, worden de woorden “maatschappe-
lijke zetel,” opgeheven en de woorden “statutaire kapitaal,”
vervangen door het woord “kapitaal,”.
Art. 25
In artikel 184ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij de wet
van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid:
a) worden de woorden “artikel 26sexies van de wet van
27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoog-
merk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en
de stichtingen” vervangen door de woorden “artikel 14:42 van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”;
b) worden de woorden “het maatschappelijk kapitaal
uitmaakt van een vennootschap met een sociaal oogmerk”
vervangen door “het kapitaal uitmaakt van een overeenkom-
stig artikel 8:5 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen erkende sociale onderneming”;
c) worden de woorden “Dat maatschappelijk kapitaal”
vervangen door de woorden “Dat kapitaal”;
2° in paragraaf 1, tweede lid:
a) worden de woorden “het maatschappelijk kapitaal van
een handelsvennootschap” vervangen door de woorden “het
kapitaal van een vennootschap”;
la partie des apports qui peuvent être légalement repris par
l’apporteur ou ses ayants droit.”;
2°, l’alinéa 5, qui devient l’alinéa 6, est remplacé par ce
qui suit:
“Pour l’application du présent titre, le montant du capital
libéré visé à l’alinéa 1er et des sommes assimilées à du capi-
tal libéré conformément à l’alinéa 2, est censé ne pas être
diminué à concurrence des remboursements qui sont imputés
sur les réserves taxées ou sur les réserves exonérées par
application de l’article 18, alinéas 2 à 5.”.
Art. 24
A l’article 184bis du même Code, inséré par la loi
du 11 décembre 2008, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le § 3, alinéa 1er, les mots “capital social” sont
remplacés par le mot “capital”;
2° dans le § 4, alinéa 1er, les mots “capital statutaire,” sont
remplacés par le mot “capital,”;
3° dans le § 5, alinéa 1er, les mots “son siège social, “sont
abrogés et les mots “capital statutaire,” sont remplacés par
le mot “capital,”.
Art. 25
A l’article 184ter du même Code, inséré par la loi du
11 décembre 2008 et modifié par la loi du 25 décembre 2017,
les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er:
a) les mots “l’article 26sexies de la loi du 27 juin 1921 sur
les associations sans but lucratif, les organisations interna-
tionales sans but lucratif et les fondations” sont remplacés
par les mots “l’article 14:42 du Code des sociétés et des
associations”;
b) les mots “le capital social d’une société à finalité sociale”
sont remplacés par les mots “le capital d’une société agréée
comme entreprise sociale conformément à l’article 8:5 du
Code des sociétés et des associations”;
c) les mots “Ce capital social” sont remplacés par les mots
“Ce capital”;
2° au paragraphe 1er, alinéa 2:
a) les mots “le capital social d’une société commerciale”
sont remplacés par les mots “le capital d’une société”;
69
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
b) worden de woorden “Dat maatschappelijk kapitaal”
vervangen door de woorden “Dat kapitaal”;
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden
“maatschappelijke zetel,” opgeheven en worden de woorden
“verbonden aan” vervangen door de woorden “aangewend in”;
4° in paragraaf 2, derde lid, zoals in werking getreden
vanaf 1 januari 2019 en van toepassing op de overdrachten
die plaatsvinden vanaf 1 januari 2019, worden de woorden
“maatschappelijke zetel, de” opgeheven en wordt het woord
“Belgische” ingevoegd tussen de woorden “naar de” en de
woorden “voornaamste inrichting”.
Art. 26
In artikel 184quater, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 19 december 2014 en gewijzigd bij
de wet van 18 december 2015, worden de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van Vennootschappen” vervangen
door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 27
In artikel 185, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ge-
wijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden
“door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöpe-
ratieve vennootschappen” vervangen door de woorden “over-
eenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen erkende coöperatieve vennootschappen”.
Art. 28
In artikel 185quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 8 juni 2008 en gewijzigd bij de wetten van
22 december 2009, 18 december 2015 en 26 december 2015,
worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van vennootschappen” vervangen door de woorden “arti-
kel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”.
Art. 29
In artikel 186 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet-
ten van 6 juli 1994 en 22 december 2009, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid, worden in de inleidende zin de woor-
den “het Wetboek van vennootschappen,” vervangen door de
woorden “het Wetboek van vennootschappen en verenigingen
terzake of, indien de vennootschap niet door dat Wetboek
wordt beheerst, onder de voorwaarden gesteld in het rechts-
personenrecht dat haar beheerst,”;
2° het artikel wordt met een lid aangevuld, luidende:
b) les mots “Ce capital social” sont remplacés par les mots
“Ce capital”;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “de son siège
social,” sont abrogés et le mot “liés” est remplacé par le mot
“affectés”;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 3, tel qu’en vigueur à
partir du 1er janvier 2019 et applicable aux transferts qui ont
lieu à partir du 1er janvier 2019, les mots “le siège social,”
sont abrogés et les mots “en Belgique” sont insérés entre
les mots “ou d’administration” et les mots “, ou vers un autre
établissement”.
Art. 26
Dans l’article 184quater, alinéa 1er, du même Code,
inséré par la loi du 19 décembre 2014 et modifié par la loi du
18 décembre 2015, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code
des sociétés,” sont remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés et des associations,”.
Art. 27
Dans l’article 185, § 1er, alinéa 1er, du même Code, modifié
par la loi du 25 décembre 2017, les mots “sociétés coopéra-
tives agréées par le Conseil national de la coopération “sont
remplacés par les mots “sociétés coopératives agréées
conformément à l’article 8:4 du Code des sociétés et des
associations”.
Art. 28
Dans l’article 185quater du même Code, inséré par la loi
du 8 juin 2008 et modifié par les lois des 22 décembre 2009,
18 décembre 2015 et 26 décembre 2015, les mots “l’article 15,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont remplacés par les
mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 29
A l’article 186 du même Code, modifié par les lois des
6 juillet 1994 et 22 décembre 2009, les modifications suivantes
sont apportées:
1° dans l’alinéa 2, phrase liminaire, les mots “le Code des
sociétés,” sont remplacés par les mots “le Code des sociétés
et des associations ou, dans le cas où la société n’est pas
régie par ce Code, aux conditions prescrites par le droit des
personnes morales qui la régit,”;
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
70
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“In de mate dat de verkrijging tot gevolg heeft dat de ven-
nootschap die de aandelen heeft uitgegeven eigen aandelen
in portefeuille houdt die meer dan 20 pct. van haar kapitaal
vertegenwoordigen, worden de nieuw verworven aandelen
geacht te zijn vernietigd. Zolang deze aandelen in portefeuille
worden gehouden is hun fiscale nettowaarde gelijk aan nul en
de waarde waarvoor ze op de balans zijn ingeschreven vormt
een uitgedrukte niet verwezenlijkte meerwaarde bedoeld in
de artikelen 44, § 1, 1°, en 190.”
Art. 30
In artikel 188 van hetzelfde Wetboek worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in de eerste lid, wordt het woord “het kapitaal” vervangen
door de woorden “het gestort kapitaal”;
2° het artikel wordt verder aangevuld met een lid luidende:
“Wanneer de aandelen verworven in het geval bedoeld in
artikel 186, zesde lid, later worden vervreemd, wordt:
1° de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde, ver-
minderd met de kosten van vervreemding, niet in aanmerking
genomen om de belastbare winst te bepalen ten belope van
de aanschaffingswaarde ervan;
2° het gestort kapitaal van de vennootschap verhoogd met
een bedrag gelijk aan de ontvangen vergoeding of de verkoop-
waarde, verminderd met de kosten van vervreemding, zonder
dat deze verhoging meer kan bedragen dan het bedrag van
de vermindering van het gestort kapitaal doorgevoerd naar
aanleiding van de verwerving van de aandelen. Deze regel
blijft zonder gevolg voor het bepalen van de belastbare winst.”.
Art. 31
In artikel 190, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten
van 16 juli 2001 en 10 augustus 2001, worden de woorden
“Wetboek van vennootschappen” vervangen door de woorden
“Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 32
In artikel 194ter, § 1, eerste lid, 1° en 2°, en § 10, 7°, in-
gevoegd bij de wet van 12 mei 2014 en gewijzigd bij de wet
van 26 mei 2016, worden de woorden “artikel 11 van het
Wetboek van Vennootschappen” telkens vervangen door de
woorden “artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”.
Art. 33
In artikel 194quater, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd bij
de wetten van 22 december 2009, 18 december 2015 en
“Dans la mesure où l’acquisition a pour effet que la société
émettrice des actions ou parts détient en portefeuille des
actions ou parts propres représentant plus de 20 p.c. de son
capital, les actions ou parts propres nouvellement acquises
sont censées être détruites. Tant que ces actions ou parts
sont conservées en portefeuille, leur valeur fiscale nette est
égale à zéro et la valeur pour laquelle elles sont inscrites au
bilan constitue une plus-value exprimée non réalisée visée
aux articles 44, § 1er, 1°, et 190.”.
Art. 30
A l’article 188 du même Code, les modifications suivantes
sont apportées:
1° à l’alinéa 1er, le mot “ce capital” est remplacé par les
mots “ce capital libéré”;
2° l’article est complété par l’alinéa suivant:
“En cas d’aliénation ultérieure des actions ou parts
acquises dans l’hypothèse visée à l’article 186, alinéa 6:
1° l’indemnité perçue ou la valeur de réalisation, diminuée
des frais de réalisation, n’est pas prise en considération pour
la détermination du bénéfice imposable jusqu’à concurrence
de la valeur d’acquisition;
2° l’indemnité perçue ou la valeur de réalisation, diminuée
des frais de réalisation, majore à due concurrence le capital
libéré de la société, sans que cette majoration puisse excé-
der le montant de capital libéré réduit lors de l’acquisition
desdites actions ou parts; cette règle est sans incidence sur
la détermination du bénéfice imposable.”.
Art. 31
Dans l’article 190, alinéa 3, du même Code, remplacé
par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par les lois des
16 juillet 2001 et 10 août 2001, les mots “Code des socié-
tés,” sont remplacés par les mots “Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 32
Dans l’article 194ter, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, et § 10, 7°, du
même Code, inséré par la loi du 12 mai 2014 et modifié par la
loi du 26 mai 2016, les mots “l’article 11 du Code des sociétés”
sont chaque fois remplacés par les mots “l’article 1:20 du
Code des sociétés et des associations”.
Art. 33
Dans l’article 194quater, § 1er, du même Code, inséré
par la loi du 24 décembre 2002 et modifié par les lois des
22 décembre 2009, 18 décembre 2015 et 25 décembre 2017,
71
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
25 december 2017, worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot
6, van het Wetboek van vennootschappen” vervangen door
de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
Art. 34
In artikel 196, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek
worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6 van het Wetboek
van Vennootschappen” vervangen door de woorden “arti-
kel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”.
Art. 35
In artikel 196, § 4, eerste en tweede lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 zoals
in werking getreden op 1 januari 2020 en van toepassing op
activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2020,
worden telkens de woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen” vervangen door de woorden
“artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen”.
Art. 36
In artikel 198, § 3, eerste lid, ingevoegd bij de wet van
29 maart 2012 en gewijzigd bij de wet van 22 juni 2012,
worden de woorden “artikel 11 van het Wetboek van vennoot-
schappen” vervangen door de woorden “artikel 1:20 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 37
In artikel 198, § 3, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 29 maart 2012 en gewijzigd bij de wetten
van 22 juni 2012 en 25 december 2017, worden de woorden
“de belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting
onderworpen zijn, op wie de wet van 27 juni 1921 betreffende
de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale
verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, van
toepassing is” telkens vervangen door de woorden “de ver-
enigingen en stichtingen op wie Deel 3 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen, van toepassing is en die
aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn”.
Art. 38
In artikel 201, § 1, eerste lid, 1°, en zesde en zevende lid,
van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 juni 2005
en gewijzigd bij de wetten van 26 december 2015 en
25 december 2017, worden telkens de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van Vennootschappen” telkens
vervangen door de woorden “artikel 1:24 §§ 1 tot 6 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont
remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés et des associations,”.
Art. 34
Dans l’article 196, § 2, alinéa 1er, du même Code, les mots
“l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont remplacés
par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés
et des associations,”.
Art. 35
Dans l’article 196, § 4, alinéas 1er et 2, du même Code,
inséré par la loi du 25 décembre 2017 tel qu’en vigueur le
1er janvier 2020 et applicable aux actifs acquis ou constitués
à partir du 1er janvier 2020, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés,” sont chaque fois remplacés par les
mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 36
Dans l’article 198, § 3, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 29 mars 2012 et modifié par la loi du 22 juin 2012,
les mots “l’article 11 du Code des sociétés.” sont remplacés
par les mots “l’article 1:20 du Code des sociétés et des
associations.”.
Art. 37
Dans l’article 198, § 3, alinéa 4, du même Code, insé-
rés par la loi du 29 mars 2012 et modifiés par les lois des
22 juin 2012 et 25 décembre 2017, les mots “les contribuables
soumis à l’impôt des sociétés, auxquels s’applique la loi du
27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les asso-
ciations internationales sans but lucratif et les fondations,”
sont remplacés par les mots “les associations et fondations
auxquelles s’appliquent les dispositions de la Partie 3 du
Code des sociétés et des associations et qui sont soumises
à l’impôt des sociétés,”.
Art. 38
Dans l’article 201, § 1er, alinéa 1er, 1°, et alinéas 6 et 7, du
même Code, remplacé par la loi du 22 juin 2005 et modifié
par les lois des 26 décembre 2015 et 25 décembre 2017,
les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont
chaque fois remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés et des associations,”.
72
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 39
In artikel 205ter, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 22 juni 2005 en gewijzigd bij de wetten van
21 december 2013, 25 december 2017 en XXX 2018 wor-
den de woorden “de belastingplichtigen die aan de ven-
nootschapsbelasting onderworpen zijn op wie de wet van
27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoog-
merk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk
en de stichtingen van toepassing is” vervangen door de
woorden “de verenigingen en stichtingen op wie Deel 3 van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van
toepassing is en die aan de vennootschapsbelasting onder-
worpen zijn”.
Art. 40
In artikel 205quater, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 22 juni 2005 en gewijzigd bij de wetten van
22 december 2009 en 18 december 2015, worden de woorden
“artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
Art. 41
In artikel 206, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij de wet van
25 december 2017, worden de woorden “maatschappelijke
zetel, de” opgeheven.
Art. 42
In artikel 207, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden “ar-
tikel 15, §§ 1 tot 6 van het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 43
In artikel 210 van hetzelfde wetboek, vervangen bij de wet
van 16 juli 2001, gewijzigd bij de wet van 27 december 2004,
bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011 en van de wetten van
12 mei 2014, 3 augustus 2016 en 17 december 2017, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 1°bis, worden de woorden “fusie of” en
de woorden “, zonder dat alle overdragende vennootschappen
ophouden te bestaan” opgeheven;
2° in paragraaf 1, 2°, wordt het woord “gehele” ingevoegd
tussen het woord “zonder” en het woord “verdeling”;
3° in paragraaf 1, wordt tussen de bepaling onder 2° en de
bepaling onder 3° een bepaling 2°bis ingevoegd, luidende:
Art. 39
Dans l’article 205ter, § 5, du même Code, inséré par la loi
du 22 juin 2005 et modifié par les lois des 21 décembre 2013,
25 décembre 2017 et xxx 2018, les mots “les contribuables
soumis à l’impôt des sociétés, auxquels s’applique la loi du
27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les asso-
ciations internationales sans but lucratif et les fondations,”
sont remplacés par les mots “les associations et fondations
auxquelles s’appliquent les dispositions de la Partie 3 du
Code des sociétés et des associations et qui sont soumises
a l’impôt des sociétés,”.
Art. 40
Dans l’article 205quater, § 6, du même Code, inséré par la
loi du 22 juin 2005 et modifié par les lois du 22 décembre 2009
et 18 décembre 2015, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6 du Code
des sociétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés et des associations,”.
Art. 41
Dans l’article 206, § 3, du même Code, inséré par la loi du
11 décembre 2008 et modifié par la loi du 25 décembre 2017,
les mots “son siège social, “sont abrogés.
Art. 42
Dans l’article 207, alinéa 6, du même Code, inséré par la loi
du 25 décembre 2017, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code
des sociétés,” sont remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés et des associations,”.
Art. 43
A l’article 210 du même Code, remplacé par la loi du
16 juillet 2001, modifié par la loi du 27 décembre 2004, par
l’arrêté royal du 3 mars 2011 et par les lois des 12 mai 2014,
3 août 2016 et 17 décembre 2017, les modifications suivantes
sont apportées:
1° au paragraphe 1er, 1°bis, les mots “à la fusion ou” et les
mots “, sans que toutes les sociétés transférantes cessent
d’exister” sont abrogés;
2° au paragraphe 1er, 2°, le mot “total” est inséré entre le
mot “partage” et les mots “de l’avoir social”;
3° au paragraphe 1er, il est inséré un 2°bis entre le 2° et le
3°, rédigé comme suit:
73
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“2°bis in geval van overdracht zonder ontbinding, van het
geheel of een gedeelte van het maatschappelijk vermogen in
het kader van een verrichting gelijkaardig aan deze bedoeld
in 1°bis”;
4° in paragraaf 1, 3°, worden de woorden “artikelen 774 tot
787 van het Wetboek van vennootschappen;” vervangen door
de woorden “artikelen 14:2 tot 14:14 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen en in de andere gevallen
waarbij een andere rechtsvorm wordt aangenomen op voor-
waarde dat deze omzetting plaatsvindt zonder onderbreking
van de rechtspersoonlijkheid en in overeenstemming met het
rechtspersonenrecht dat de omzetting beheerst;”;
5° in paragraaf 1, 4°, worden de woorden “de maatschap-
pelijke zetel,” opgeheven;
6° paragraaf 1 wordt aangevuld met bepalingen onder 7°
en 8°, luidende:
“7° in geval van erkenning als landbouwonderneming als
bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen, behoudens wanneer de vennootschap aan
de vennootschapsbelasting onderworpen blijft;
8° wanneer een landbouwonderneming als bedoeld in
artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en ver-
enigingen, niet langer aan de vennootschapsbelasting is
onderworpen.”;
7° in paragraaf § 3, eerste lid, worden de woorden “en over-
dracht bedoeld in § 1, 2°bis” ingevoegd tussen de woorden”in
§ 1, 1°bis” en de woorden”, niet van toepassing”;
8° in paragraaf 4, inleidende zin, worden de woorden “bij
met splitsing gelijkgestelde verrichting,” vervangen door de
woorden “bij met fusie of splitsing gelijkgestelde verrichting,”
en worden de woorden “overeenkomstig de bepalingen van
het Wetboek van vennootschappen en van het koninklijk
besluit tot uitvoering van dat Wetboek,” opgeheven;
9° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden “een
vennootschap met sociaal oogmerk” telkens vervangen door
“een overeenkomstig artikel 8:5 van het wetboek van vennoot-
schappen en verenigingen erkende sociale onderneming”.
Art. 44
In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 5, van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 210/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 210/1. De artikelen 208 en 209 zijn eveneens van
toepassing in het geval dat een vennootschap niet langer
onderworpen is aan de vennootschapsbelasting en onder-
worpen wordt aan de rechtspersonenbelasting.”.
“2°bis en cas de transfert, sans dissolution, de tout ou
partie de l’avoir social dans le cadre d’une opération analogue
à celles visées au 1°bis”;
4° au paragraphe 1er, 3°, les mots “articles 774 à 787 du
Code des sociétés;” sont remplacés par les mots “ar-
ticles 14:2 à 14:14 du Code des sociétés et des associations
et dans les autres cas d’adoption d’une autre forme juridique
pour autant que celle-ci se réalise sans solution de continuité
de la personnalité juridique et en conformité avec le droit des
personnes morales qui s’applique à la transformation;”;
5° au paragraphe 1er, 4°, les mots “du siège social,” sont
abrogés;
6° le paragraphe 1er est complété par un 7° et un 8° rédigés
comme suit:
“7° en cas d’agrément comme entreprise agricole visée à
l’article 8:2 du Code des sociétés et des associations, sauf
maintien de l’assujettissement à l’impôt des sociétés;
8° dans le cas où une entreprise agricole visée à l’ar-
ticle 8:2 du Code des sociétés et des associations cesse
d’être assujettie à l’impôt des sociétés.”;
7° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “et de transfert visé
au § 1er, 2°bis,” sont insérés entre les mots “au § 1er, 1°bis” et
les mots “, les dispositions”;
8° dans le paragraphe 4, phrase liminaire, les mots “opé-
ration assimilée à la scission,” sont remplacés par les mots
“opération assimilée à la fusion ou à la scission,” et les mots
“conformément aux dispositions du Code des sociétés et de
l’arrêté royal portant exécution du même Code,” sont abrogés;
9° dans le paragraphe 5, alinéa 2, les mots “société à
finalité sociale,” sont remplacés chaque fois par les mots “une
entreprise sociale reconnue conformément à l’article 8:5 du
Code des sociétés et des associations,”.
Art. 44
Dans le titre 3, chapitre 2, section 5, du même Code, il est
inséré un article 210/1 rédigé comme suit:
“Art. 210/1. Les articles 208 et 209 sont également appli-
cables dans le cas où une société cesse d’être assujettie
à l’impôt des sociétés pour devenir assujettie à l’impôt des
personnes morales.”.
74
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 45
In artikel 211, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ver-
vangen bij de wet van 11 december 2008, wordt de bepaling
onder 2° opgeheven.
Art. 46
Artikel 214, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ver-
vangen bij de wet van 4 mei 1999, wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Artikel 212 is van toepassing op de vennootschap die
een andere rechtsvorm heeft aangenomen met vrijstelling van
belasting bij toepassing van artikel 210, § 1, 3°.”.
Art. 47
In artikel 214bis, inleidende zin, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij
de wet van 14 april 2011, worden de woorden “de maatschap-
pelijke zetel,” opgeheven.
Art. 48
In artikel 215 van hetzelfde Wetboek gewijzigd bij de
wetten van 28 juli 1992, 28 december 1992 en 22 juli 1993,
bij het konjkelijke besluit van 20 december 1996, bij de
wet van 22 december 1998, bij de koninklijke besluiten
van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wetten van
24 december 2002, 8 januari 2004, 27 december 2006,
21 december 2013, 12 mei 2014, 18 december 2015
, 3 augustus 2016 en 25 december 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid, worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot
6, van het Wetboek van vennootschappen” vervangen door
de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”;
2° in het derde lid, 1°, worden de woorden “door de
Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve
vennootschappen,” vervangen door de woorden “overeen-
komstig artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen, erkende coöperatieve vennootschappen,”;
3° in het derde lid, 2°:
a) worden de woorden “maatschappelijk kapitaal” vervan-
gen door het woord “kapitaal”;
b) worden de woorden “door de Nationale raad van de co-
operatie erkende coöperatieve vennootschappen” vervangen
door de woorden “overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen, erkende coöperatieve
vennootschappen”;
4° in het derde lid, 4°, worden de woorden “door de
Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve
Art. 45
Dans l’article 211, § 1er, alinéa 4, du même Code, remplacé
par la loi du 11 décembre 2008, le 2° est abrogé.
Art. 46
L’article 214, § 1er, alinéa 1er, du même Code, remplacé par
la loi du 4 mai 1999, est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. L’article 212 est applicable à la société qui a adopté
une autre forme juridique en exemption d’impôt par application
de l’article 210, § 1er, 3°.”.
Art. 47
Dans l’article 214bis, phrase liminaire, du même Code,
inséré par la loi du 11 décembre 2008 et modifié par la loi du
14 avril 2011, les mots “du siège social, “sont abrogés.
Art. 48
A l’article 215 du même Code, modifié par les lois des
28 juillet 1992, 28 décembre 1992 et 22 juillet 1993, par l’arrêté
royal du 20 décembre 1996, par la loi du 22 décembre 1998,
par les arrêtés royaux des 20 juillet 2000 et 13 juillet 2001
et par les lois des 24 décembre 2002, 8 janvier 2004,
27 décembre 2006, 21 décembre 2013, 12 mai 2014,
18 décembre 2015, 3 août 2016 et 25 décembre 2017, les
modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 2, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code
des sociétés,” sont remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés et des associations,”;
2° dans l’alinéa 3, 1°, les mots “sociétés coopératives
agréées par le Conseil national de la coopération,” sont
remplacés par les mots “sociétés coopératives agréées
conformément à l’article 8:4 du Code des sociétés et des
associations,”;
3° dans l’alinéa 3, 2°:
a) les mots “capital social” sont remplacés par le mot
“capital”;
b) les mots “sociétés coopératives agréées par le Conseil
national de la coopération,” sont remplacés par les mots “so-
ciétés coopératives agréées conformément à l’article 8:4 du
Code des sociétés et des associations,”;
4° dans l’alinéa 3, 4°, les mots “sociétés coopératives
agréées par le Conseil national de la coopération,” sont
75
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschappen,” vervangen door de woorden “overeen-
komstig artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen, erkende coöperatieve vennootschappen”.
Art. 49
In artikel 218, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 22 december 2009 en gewijzigd bij de wet van
18 december 2015, worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot
6, van het Wetboek van vennootschappen” vervangen door
de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
Art. 50
In artikel 219ter, § 7, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van
18 december 2015, worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot
6, van het Wetboek van vennootschappen” vervangen door
de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
Art. 51
In artikel 219quinquies, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 25 december 2017 en gewijzigd bij wet van xxx
2018 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 5 worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot
6, van het Wetboek van vennootschappen” vervangen door
de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”;
2° in paragraaf 6 worden de woorden “artikel 11 van het
Wetboek van Vennootschappen” vervangen door de woorden
“artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 52
In artikel 220, 3°, van hetzelfde Wetboek, worden de
woorden “hun maatschappelijke zetel,” opgeheven.
Art. 53
In artikel 227 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd
bij de Wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzig-
ing aangebracht:
1° In de bepaling onder 2° worden de woorden “, zomede
verenigingen, instellingen of lichamen zonder rechtspersoon-
lijkheid die zijn opgericht in een rechtsvorm die vergelijkbaar
is met de rechtsvorm van een vennootschap naar Belgisch
recht en die hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste
inrichting of hun zetel van bestuur of beheer niet in België
hebben” opgeheven;
remplacés par “sociétés coopératives agréées conformément
à l’article 8:4 du Code des sociétés et des associations,”.
Art. 49
Dans l’article 218, § 2, du même Code, remplacé par la loi du
22 décembre 2009 et modifié par la loi du 18 décembre 2015,
les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont
remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés et des associations,”.
Art. 50
Dans l’article 219ter, § 7, du même Code, inséré par la loi
du 30 juillet 2013 et modifié par la loi du 18 décembre 2015,
les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont
remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés et des associations,”.
Art. 51
Dans l’article 219quinquies, du même Code, inséré par la
loi du 25 décembre 2017 et modifié par la loi du xxx 2018 les
modifications suivantes sont apportées:
1° dans paragraphe 5, les mots “l’article 15, §§ 1er à
6, du Code des sociétés,”, sont remplacés par les mots
“l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”;
2° dans paragraphe 6, les mots “l’article 11 du Code des
sociétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:20 du Code
des sociétés et des associations”.
Art. 52
Dans l’article 220, 3°, du même Code, les mots “leur siège
social,” sont abrogés.
Art. 53
Dans l’article 227 du même Code, modifié pour la dernière
fois par la loi du 25 décembre 2016, sont apportées les modi-
fications suivantes:
1° dans le 2°, les mots ainsi que “ainsi que les associations,
établissements ou organismes quelconques sans person-
nalité juridique qui sont constitués sous une forme juridique
analogue à celle d’une société de droit belge et qui n’ont pas
en Belgique leur siège social, leur principal établissement ou
leur siège de direction ou d’administration “sont abrogés;
76
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2° in de bepaling onder 3° worden de woorden “hun maat-
schappelijke zetel” opgeheven.
Art. 54
In artikel 228, § 2, 6°, b, en 7°bis, b, van hetzelfde Wetboek,
worden de woorden “maatschappelijke zetel” opgeheven.
Art. 55
In artikel 229 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet-
ten van 28 juli 1992, 11 december 2008, 22 december 2009,
14 april 2011, 13 december 2012, 9 februari 2017 en
25 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 2/2, worden de woorden “artikelen 11 en
12 van het Wetboek van vennootschappen” vervangen door
de woorden “artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen”;
2° in paragraaf 3 worden de woorden “burgerlijke vennoot-
schap” vervangen door het woord “vennootschap”, en worden
de woorden “als bedoeld in artikel 29” ingevoegd tussen het
woord “rechtspersoonlijkheid” en het woord “die”, en worden
de woorden “haar maatschappelijk zetel,” opgeheven.
Art. 56
In artikel 230, tweede lid, a, vierde streepje, tweede lid, c,
tweede streepje, en derde lid, eerste streepje, van hetzelfde
wetboek worden de woorden “artikelen 11 en 12 van het
Wetboek van vennootschappen” telkens vervangen door de
woorden “artikelen 1:20 en 1:21 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen”.
Art. 57
In artikel 231 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 28 juli 1992, 21 december 1994, 30 januari 1996,
16 april 1997, 22 december 1998, 14 januari 2003,
27 december 2004, 25 april 2007, 11 december 2008 en
22 december 2009, bij het konijkelijk besluit van 3 maart 2011
en bij de wetten van 13 december 2013, 21 december 2013,
12 mei 2014, 3 augustus 2016, 9 februari 2017 en
25 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “ermee
gelijkgestelde verrichting” vervangen door de woorden
“verrichting gelijkgesteld met een fusie of met een splitsing
gelijkgestelde” en worden de woorden “van de algemeenheid
van goederen” vervangen door de woorden “inbreng van een
algemeenheid van goederen”;
2° in paragraaf 2, wordt het derde lid vervangen als volgt:
2° dans le 3°, les mots “leur siège social,” sont abrogés.
Art. 54
Dans l’article 228, § 2, 6°, b, et 7°bis, b, du même Code,
les mots “son siège social,” sont abrogés.
Art. 55
Dans l’article 229 du même Code, modifié par les lois
des 28 juillet 1992, 11 décembre 2008, 22 décembre 2009,
14 avril 2011, 13 décembre 2012, 9 février 2017 et
25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 2/2, les mots “articles 11 et 12 du Code
des sociétés,” sont remplacés par “articles 1:20 et 1:21 du
Code des sociétés et des associations,”;
2° au paragraphe 3, les mots “société civile” sont rempla-
cés par le mot “société”, les mots “visées à l’article 29” sont
insérés entre les mots “personnalité juridique” et les mots “qui
a”, et les mots “son siège social,” sont abrogés.
Art. 56
Dans l’article 230, alinéa 2, a, quatrième tiret, alinéa 2, c,
deuxième tiret, et alinéa 3, premier tiret, du même Code, rem-
placé par la loi du 27 décembre 2006, les mots “articles 11 et
12 du Code des sociétés” sont chaque fois remplacés par “ar-
ticles 1:20 et 1:21 du Code des sociétés et des associations”.
Art. 57
A l’article 231 du même Code, modifié par les lois
des 28 juillet 1992, 21 décembre 1994, 30 janvier 1996,
16 avril 1997, 22 décembre 1998, 14 janvier 2003,
27 décembre 2004, 25 avril 2007, 11 décembre 2008 et
22 décembre 2009, par l’arrêté royal du 3 mars 2011 et par les
lois des 13 décembre 2013, 21 décembre 2013, 12 mai 2014,
3 août 2016, 9 février 2017 et 25 décembre 2017, les modifi-
cations suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots “y assimilée,”
sont remplacés par les mots “assimilée à une fusion ou à
une scission,” et les mots “d’une universalité de biens” sont
remplacés par les mots “d’un apport d’universalité de biens”;
2° au paragraphe 2, l’alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
77
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Het eerste lid is daarenboven slechts van toepassing op
voorwaarde dat de verrichting beantwoordt aan het bepaalde
in artikel 183bis.”;
3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “maat-
schappelijk kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal”.
Art. 58
In artikel 240bis, § 2, van hetzelde Wetboek, ingevoerd
bij de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij de wet
van 14 april 2011, worden de woorden “de maatschappelijke
zetel,” opgeheven.
Art. 59
In artikel 248, § 1, tweede lid, 1°, a, van hetzelfde Wetboek
worden de woorden “burgerlijke vennootschap” vervangen
door het woord “vennootschap”.
Art. 60
In artikel 264, eerste lid, 2°ter, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 24 december 2002, worden de woorden
“door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöpe-
ratieve vennootschap” vervangen door de woorden “overeen-
komstig artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen erkende coöperatieve vennootschap”.
Art. 61
In artikel 264/1 van hetzelde Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord “Belgische”
vervangen door het woord “binnenlandse”;
2° in paragraaf 1, vierde lid, eerste streepje, en in § 2,
eerste lid, 1°:
a) worden tussen de woorden “van 8 juli 2014 (2014/86/EU)
wordt genoemd” en de woorden “of een rechtsvorm hebben
die vergelijkbaar is” de woorden “met dien verstande dat met
betrekking tot vennootschappen naar Belgisch recht, bedoeld
onder punt b, de verwijzingen naar “besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid” en “coöperatieve vennoot-
schap met beperkte aansprakelijkheid” en “coöperatieve
vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid” en de
“gewone commanditaire vennootschap” moeten ook worden
begrepen als verwijzend naar respectievelijk de “besloten
vennootschap”, de “coöperatieve vennootschap” en de “com-
manditaire vennootschap”;
b) in de Franse tekst, worden de woorden “soumise au”
vervangen door de woorden “régie par “.
“En outre, l’alinéa 1er n’est d’application qu’à la condition
que l’opération réponde au prescrit de l’article 183bis.”;
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “capital social” sont
remplacés par le mot “capital”.
Art. 58
Dans l’article 240bis, § 2, du même Code, inséré par la loi
du 11 décembre 2008 et modifié par la loi du 14 avril 2011, les
mots “du siège social,” sont abrogés.
Art. 59
Dans l’article 248, § 1er, alinéa 2, 1°, a, du même Code,
les mots “société civile” sont remplacés par le mot “société”.
Art. 60
Dans l’article 264, alinéa 1er, 2°ter, du même Code, inséré
par la loi du 24 décembre 2002, les mots “société coopérative
agréée par le Conseil national de la coopération;” sont rempla-
cés par les mots “société coopérative agréée conformément
à l’article 8:4 du Code des sociétés et des associations;”.
Art. 61
A l’article 264/1 du même Code, inséré par la loi du
25 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, le mot “belge” est remplacé
par le mot “résidente”;
2° au paragraphe 1er, alinéa 4, premier tiret, et au § 2,
alinéa 1er, 1°:
a) les mots “, étant entendu que, s’agissant des sociétés
de droit belge, visées au point b, les références à la “société
privée à responsabilité limitée”, aux “société coopérative à
responsabilité limitée” et “société coopérative à responsabi-
lité illimitée”, et à la “société en commandite simple” doivent
s’entendre comme visant respectivement aussi la “société à
responsabilité limitée”, la “société coopérative” et la “société
en commandite” sont insérés entre les mots “du 8 juillet 2014
(2014/86/UE)” et les mots “ou une forme analogue” ;
b) dans le texte français, les mots “soumise au” sont rem-
placés par les mots “régie par”.
78
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 62
In artikel 269, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 28 juni 2013 en gewijzigd bij de wetten van
18 december 2015 en 26 december 2015, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in eerste lid, 1°, worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot
6, van het Wetboek van vennootschappen,” vervangen door
“artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen,”;
2° het derde lid wordt opgeheven.
3° in het achtste lid dat het zevende lid wordt, worden de
woorden “, onverminderd de toepassing van het derde lid”
opgeheven;
4° in het achtste lid dat het zevende lid wordt, het elfde
lid dat het tiende lid wordt en het twaalfde lid dat het elfde
lid wordt, worden de woorden “maatschappelijk kapitaal”
vervangen door het woord “kapitaal”;
5° in het negende lid dat het achtste lid wordt, worden de
woorden “artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennoot-
schappen” vervangen door “artikelen 1:20 en 1:21 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 63
In artikel 2753, § 1, achtste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij
de wetten van 27 december 2006, 25 april 2007, 8 juni 2008,
24 juli 2008, 27 maart 2009, 21 december 2009, 17 juni 2013,
21 december 2013, 18 december 2015 en 25 december 2017,
worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van Vennootschappen” vervangen door de woorden “arti-
kel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”.
Art. 64
In artikel 2757, tweede lid, a en derde lid, b, 2°, van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij de wet van 26 december 2015 en ge-
wijzigd bij de wet van 18 december 2016, worden de woorden
“artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen,”
telkens vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6,
van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen,”.
Art. 65
In artikel 2758, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet
van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015
en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “arti-
kel 15, §§ 3 tot 5, van het Wetboek van Vennootschappen”
Art. 62
A l’article 269, § 2, du même Code, inséré par la loi du
28 juin 2013 et modifié par les lois des 18 décembre 2015
et 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont
apportées:
1° à l’alinéa 1er, 1°, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code
des sociétés,” sont remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés et des associations,”;
2° l’alinéa 3 est abrogé.
3° dans l’alinéa 8 qui devient l’alinéa 7, les mots “, nonobs-
tant l’application de l’alinéa 3” sont abrogés;
4° aux alinéas 8 qui devient l’alinéa 7, 11 qui devient l’ali-
néa 10 et 12 qui devient l’alinéa 11, les mots “capital social”
sont chaque fois remplacés par le mot “capital”;
5° dans l’alinéa 9 qui devient l’alinéa 8, les mots “ar-
ticles 11 et 12 du Code des sociétés,” sont remplacés par
les mots “articles 1:20 et 1:21 du Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 63
Dans l’article 2753, § 1er, alinéa 8, du même Code,
inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modifié par les
lois des 27 décembre 2006, 25 avril 2007, 8 juin 2008,
24 juillet 2008, 27 mars 2009, 21 décembre 2009, 17 juin 2013,
21 décembre 2013, 18 décembre 2015 et 25 décembre 2017,
les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont
remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés et des associations,”.
Art. 64
Dans l’article 2757, alinéas 2, a et 3, b, 2°, du même Code,
remplacé par la loi du 26 décembre 2015 et modifié par la
loi du 18 décembre 2016, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés,” sont chaque fois remplacés par les
mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 65
A l’article 2758, du même Code, inséré par la loi du
15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015 et
18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “l’article 15,
§§ 3 à 5, du Code des sociétés” sont remplacés par les
79
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 3 tot 5, van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen”;
2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden “arti-
kel 11 van het Wetboek van Vennootschappen” vervangen
door de woorden “artikel 1:20 van het Wetboek van vennoot-
schappen en verenigingen”;
3° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden “arti-
kel 12 van het Wetboek van Vennootschappen” vervangen
door de woorden “artikel 1:21 van het Wetboek van vennoot-
schappen en verenigingen”;
4° in paragraaf 2, zesde lid, vierde streepje, worden de
woorden “maatschappelijk kapitaal” vervangen door het
woord “kapitaal”;
5° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden “de ar-
tikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “de artikelen 1:20 en 1:21 van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 66
In artikel 2759, § 1, zevende lid, ingevoegd bij de wet
van 24 maart 2015, worden de woorden “artikel 11 van het
Wetboek van vennootschappen” vervangen door de woor-
den “artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 67
In artikel 27510 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 10 augustus 2015 en gewijzigd bij de wetten van
18 december 2015 en 26 december 2015, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid, 2°, worden de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van Vennootschappen” vervangen
door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen” en de woorden “het
voormelde artikel 15, §§ 1 tot 6” worden vervangen door de
woorden “het voormelde artikel 1:24, §§ 1 tot 6”;
2° in het vierde lid worden de woorden “artikel 15/1 van het
Wetboek van vennootschappen” vervangen door de woorden
“artikel 1:25 Wetboek van vennootschappen en verenigingen”
en de woorden “het voormelde artikel 15/1” worden vervangen
door de woorden”het voormelde artikel 1:25”.
Art. 68
In artikel 305, derde lid, van hetzelde Wetboek, vervangen
bij de wet van 22 december 2008, worden de woorden “als be-
doeld in de artikelen 671 tot en met 677 van het Wetboek van
vennootschappen, of een gelijkaardige vennootschapsrechte-
lijke verrichting onder buitenlands recht” vervangen door de
woorden “of die een andere ontbinding zonder verdeling van
het gehele maatschappelijke vermogen hebben doorgevoerd”.
mots “l’article 1:24, §§ 3 à 5, du Code des sociétés et des
associations”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “l’article 11 du
Code des sociétés,” sont remplacés par les mots “l’ar-
ticle 1:20 du Code des sociétés et des associations,”;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots “l’article 12 du
Code des sociétés” sont remplacés par les mots “l’ar-
ticle 1:21 du Code des sociétés et des associations,”;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 6, quatrième tiret, les mots
“capital social;” sont remplacés par le mot “capital;”;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 3, les mots “aux ar-
ticles 11 et 12 du Code des sociétés,” sont remplacés par les
mots “aux articles 1:20 et 1:21 du Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 66
Dans l’article 2759, § 1er, alinéa 7, du même Code, inséré
par la loi du 24 mars 2015, les mots “l’article 11 du Code des
sociétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:20 du Code
des sociétés et des associations”.
Art. 67
A l’article 27510 du même Code, inséré par la loi du
10 août 2015 et modifié par les lois des 18 décembre 2015
et 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans l’alinéa 2, 2°, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du
Code des sociétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:24,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés et des associations” et les
mots “dudit article 15, §§ 1er à 6;” sont remplacés par les mots
“dudit article 1:24, §§ 1er à 6;”;
2° dans l’alinéa 4, les mots “l’article 15/1 du Code des so-
ciétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:25 du Code des
sociétés et des associations” et les mots “l’article 15/1 pré-
cité.” sont remplacés par les mots “l’article 1:25 précité.”.
Art. 68
Dans l’article 305, alinéa 3, du même Code, remplacé par la
loi du 22 décembre 2008, les mots “visées aux articles 671 à
677 du Code des sociétés, ou d’une opération de droit des
sociétés similaire en droit étranger,” sont remplacés par les
mots “, ou ayant fait l’objet d’une autre dissolution sans par-
tage total de l’avoir social,“.
80
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 69
In artikel 307 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij
de wet van 22 juli 1993, bij het koninkelijk besluit van
20 december 1996 en bij de wetten van 15 maart 1999,
10 augustus 2001, 8 juni 2009, 23 december 2009,
29 maart 2012, 27 december 2012, 30 juli 2013, 25 april 2014,
10 augustus 2015, 26 december 2015, 1 juli 2016 en
25 december 2017, wordt tussen § 2 en § 3, een para-
graaf 2/1 ingevoegd, luidende:
“§ 2/1. Bij de aangifte in de vennootschapsbelasting en de
belasting van niet-inwoners voor wat betreft belastingplich-
tigen zoals bedoeld in artikel 227, 2°, moet de jaarrekening
zoals bedoeld in artikel 320/1 in bijlage worden aangehecht.
Als de vennootschap gehouden is dergelijke jaarrekening te
publiceren, moet de gepubliceerde jaarrekening niet bij de
aangifte worden gevoegd. Zij wordt niettemin geacht deel uit
te maken van de aangifte.”.
Art. 70
In artikel 310, tweede lid, van hetzelde Wetboek, vervan-
gen bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende
wijzigingen ingebracht:
1° de woorden”zoals bedoeld in de artikelen 671 tot en
met 677 van het Wetboek van vennootschappen, of een
gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder
buitenlands recht mag” worden de eerste maal vervangen
door de woorden “, of die een andere ontbinding zonder ver-
deling van het gehele maatschappelijke vermogen hebben
doorgevoerd mag”;
2° de woorden “de fusie, de aan een fusie gelijkgestelde
verrichting of een splitsing zoals bedoeld in de artikelen 671 tot
en met 677 van het Wetboek van vennootschappen, of een
gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder
buitenlands recht” worden een tweede maal vervangen door
de woorden “de verrichting”.
Art. 71
In titel 7, hoofdstuk 3, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 320/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 320/1. Elke binnenlandse vennootschap, alsook elke
in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtige die winst in de
zin van artikel 228, § 2, 3°, voortbrengt door middel van een in
artikel 229 bedoelde Belgische inrichting is ertoe gehouden,
met het oog op het bepalen en het nazien van zijn fiscale
toestand, een boekhouding te voeren, een inventaris op te
stellen en een jaarrekening bij te houden overeenkomstig het
Belgische boekhoudrecht dat van toepassing is op onderne-
mingen die aan dat recht zijn onderworpen, een gelijkaardige
rechtsvorm hebben en dezelfde activiteit uitoefenen. Indien
de belastingplichtige aan de belasting der niet-inwoners
onderworpen is zijn deze verplichtingen beperkt tot de ver-
richtingen, bezittingen, rechten, vorderingen, schulden,
verplichtingen van welke aard ook die verbonden zijn aan
Art. 69
Dans l’article 307 du même Code, modifié par la loi du
22 juillet 1993, par l’arrêté royal du 20 décembre 1996 et
par les lois des 15 mars 1999, 10 août 2001, 8 juin 2009,
23 décembre 2009, 29 mars 2012, 27 décembre 2012,
30 juillet 2013, 25 avril 2014, 10 août 2015, 26 décembre 2015,
1er juillet 2016 et 25 décembre 2017, il est inséré entre le § 2 et
le § 3 un paragraphe 2/1 rédigé comme suit:
“§ 2/1. La déclaration à l’impôt des sociétés et, pour les
contribuables visés à l’article 227, 2°, à l’impôt des non-rési-
dents, doit inclure en annexe à la formule les comptes annuels
visés à l’article 320/1. Si la société est tenue de publier de tels
comptes annuels, les comptes annuels publiés ne doivent pas
être joints à la déclaration. Ils font néanmoins partie intégrante
de la déclaration.”.
Art. 70
Dans l’article 310, alinéa 2, du même Code, remplacé par
la loi du 22 décembre 2008, sont apportés les modifications
suivantes:
1° les mots “visées aux articles 671 à 677 du Code des
sociétés, ou d’une opération de droit des sociétés similaire
en droit étranger,” sont remplacés par les mots “, ou ayant fait
l’objet d’une autre dissolution sans partage total de l’avoir
social,”;
2° les mots “la fusion, l’opération assimilée à une fusion ou
la scission visée aux articles 671 à 677 du Code des sociétés,
ou l’opération de droit des sociétés similaire en droit étranger
ou la scission,” sont remplacés par les mots “l’opération,”.
Art. 71
Dans le titre 7, chapitre 3, section première, du même Code,
il est inséré un article 320/1 rédigé comme suit:
“Art. 320/1. Toute société résidente, ainsi que tout contri-
buable visé à l’article 227, 2°, qui recueille des bénéfices au
sens de l’article 228, § 2, 3°, par le biais d’un établissement
belge visé à l’article 229 est tenu, en vue de la détermina-
tion et de la vérification de sa situation fiscale, de tenir une
comptabilité, procéder à un inventaire et établir des comptes
annuels conformément au droit comptable belge applicable
aux entreprises soumises à ce droit ayant une forme analogue
et exerçant la même activité. Si le contribuable est assujetti à
l’impôt des non-résidents, ces obligations sont limitées aux
opérations, avoirs, droits, dettes, obligations et engagements
de toute nature liés à l’établissement belge précité. Pour
l’application de ces dispositions, la société résidente régie par
un droit étranger est assimilée à une société en commandite
81
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bovenvermelde Belgische inrichting. Voor de toepassing van
deze bepalingen, wordt de binnenlandse vennootschap die
door een buitenlands recht wordt beheerst gelijkgesteld met
een commanditaire vennootschap als tenminste een van de
vennoten aansprakelijk is voor de schulden van de venoot-
schap in minstens dezelfde mate als een beherende vennoot.”.
Art. 72
In artikel 357 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet
van 6 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
“3° naargelang het geval, de vennootschap die een fusie,
splitsing, verrichting gelijkgesteld met een fusie of andere
ontbinding zonder verdeling van het gehele maatschappelijke
vermogen heeft doorgevoerd en de opslorpende of verkrij-
gende vennootschap of de verkrijgende vennootschappen;”;
2° in de bepaling onder 4°, worden de woorden “het hoofd
of de directeur oorspronkelijk werd aangeslagen” vervangen
door de woorden “het hoofd, de directeur, de aandeelhouders
of de vennoten oorspronkelijk werden aangeslagen”.
Art. 73
In artikel 364 van hetzelfde Wetboek worden de woorden
“burgerlijke vennootschappen” vervangen door het woord
“vennootschappen” en worden de woorden “als bedoeld in
artikel 29” ingevoegd tussen het woord “rechtspersoonlijkheid”
en het woord “wordt”.
Art. 74
In artikel 365 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij de wet
van 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden”als bedoeld in de artikelen 671 tot en met
677 van het Wetboek van vennootschappen, of een gelijkaar-
dige vennootschapsrechtelijke verrichting onder buitenlands
recht” worden vervangen door de woorden “, of die een andere
ontbinding zonder gehele verdeling van het maatschappelijke
vermogen heeft doorgevoerd”;
2° de woorden “de overgenomen of gesplitste vennoot-
schap “worden telkens vervangen door de woorden “de ven-
nootschap die de verrichting heeft doorgevoerd”;
3° de woorden “wordt de aanslag” worden vervangen door
de woorden “mag de aanslag” en het woord “gevestigd” wordt
vervangen door de woorden “ook gevestigd worden”;
4° tussen het woord “overnemende” en het woord “ven-
nootschap” worden de woorden “of verkrijgende” ingevoegd;
si l’un au moins de ses associés est tenu des dettes sociales
dans une mesure au moins égale à un associé commandité.”.
Art. 72
Dans l’article 357 du même Code, modifié par la loi du
6 juillet 1994, sont apportées les modifications suivantes:
1° le 3° est remplacé par ce qui suit:
“3° selon le cas, la société qui a procédé à une fusion,
scission, opération assimilée à la fusion ou autre dissolution
sans partage total de l’avoir social, et la société absorbante
ou bénéficiaire ou les sociétés bénéficiaires de l’opération;”;
2° dans le 4°, les mots “le chef ou le directeur a été pri-
mitivement imposé” sont remplacés par les mots “le chef, le
directeur, les actionnaires ou les associés ont été primitive-
ment imposés”.
Art. 73
Dans l’article 364 du même Code, les mots “sociétés
civiles” sont remplacés par le mot “sociétés” et les mots
“visées à l’article 29” sont insérés entre les mots “personnalité
juridique” et “, l’ensemble”.
Art. 74
Dans l’article 365 du même Code, inséré par la loi du
11 décembre 2008 et modifié par la loi du 13 décembre 2012,
les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots “visées aux articles 671 à 677 du Code des
sociétés, ou d’une opération de droit des sociétés similaire en
droit étranger,” sont remplacés par les mots “, ou a fait l’objet
d’une autre dissolution sans partage total de l’avoir social,”;
2° les mots “la société absorbée ou scindée “sont à chaque
fois remplacés par les mots “la société ayant fait l’objet de
l’opération”;
3° les mots “est établie” sont remplacés par les mots “peut
aussi être établie”;
4° entre les mots “absorbante “et les mots “ou des sociétés
bénéficiaires” sont insérés les mots “ou bénéficiaire”;
82
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
5° de woorden “zelfs op een tijdstip” worden vervangen
door de woorden “vanaf het tijdstip”.
Art. 75
In artikel 399 van hetzelfde Wetboek worden de woorden
“burgerlijke vennootschappen” vervangen door het woord
“vennootschappen” en worden de woorden “als bedoeld in
artikel 29” ingevoegd tussen het woord “rechtspersoonlijkheid”
en het woord “kan”.
Art. 76
In artikel 399ter van hetzelde Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 11 december 2008, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden “met toepassing van de artikelen 673 tot
en met 675 van het Wetboek van vennootschappen of van
een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting onder
buitenlands recht gesplitste vennootschap” worden vervan-
gen door de woorden “vennootschap die een fusie, splitsing,
verrichting gelijkgesteld met een fusie of andere ontbinding
zonder verdeling van het gehele maatschappelijk vermogen
heeft doorgevoerd”;
2° tussen de woorden “gevestigd ten name van” en de
woorden “de verkrijgende vennootschappen” worden de
woorden “, naargelang het geval, de vennootschap die de
verrichting heeft doorgevoerd, de opslorpende of verkrijgende
vennootschap of” ingevoegd;
3° tussen het woord “wordt” en de woorden”, behoudens
afwijkende vermeldingen” worden de woorden “ook vericht,
naargelang het geval, ten name van de opslorpende of verkrij-
gende vennootschap of van de verkrijgende vennootschappen
en, in dit laatste geval” ingevoegd.
Art. 77
In titel 7, hoofdstuk 8, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek,
wordt een artikel 399quater ingevoegd, luidende:
“Art. 399quater. De invordering van de belasting gevestigd
ten name van vennootschappen zoals bedoeld in in artikel 2,
§ 1, 5°, a, eerste lid, tweede streepje, kan rechtstreeks ten
laste van de aandeelhouders of vennoten worden vervolgd
in zover die belasting proportioneel overeenstemt met het
aandeel van die aandeelhouders of vennoten in het kapitaal.”
Art. 78
In artikel 402, § 5, van hetzelfde Wetboek worden de
woorden “een tijdelijke handelsvennootschap, een stille han-
delsvennootschap of” opgeheven. In de Franse tekst worden
de woorden “société de droit commun,” vervangen door de
woorden “société simple,”.
5° les mots “même à un moment “sont remplacés par les
mots “à partir du moment”.
Art. 75
Dans l’article 399 du même Code, les mots “sociétés
civiles” sont remplacés par le mot “sociétés” et les mots
“visées à l’article 29” sont insérés entre les mots “personnalité
juridique” et le mot “, peut”.
Art. 76
Dans l’article 399ter du même Code, inséré par la loi
du 11 décembre 2008, sont apportées les modifications
suivantes:
1° les mots “scindée en application des articles 673 à
675 du Code des sociétés, ou d’une opération de droit des
sociétés similaire en droit étranger,” sont remplacés par les
mots “ayant fait l’objet d’une fusion, d’une scission, d’une
opération assimilée à la fusion ou d’une autre dissolution
sans qu’il y ait partage total de l’avoir social,”;
2° entre les mots “dans le chef de” et les mots “des socié-
tés bénéficiaires” sont insérés les mots “de, selon le cas, la
société qui a fait l’objet de l’opération, la société absorbante
ou bénéficiaire, ou”;
3° entre le mot “est” et les mots “, sauf mentions contraires”
sont insérés les mots”effectué aussi, selon le cas, dans le
chef de la société absorbante bénéficiaire ou des sociétés
bénéficiaires et, dans ce dernier cas”.
Art. 77
Dans le titre 7, chapitre 8, section première, du même
Code, il est inséré un article 399quater rédigé comme suit:
“Art. 399quater. Le recouvrement de l’impôt établi à
charge des sociétés visées à l’article 2, § 1er, 5°, a, alinéa 1er,
deuxième tiret, peut être poursuivi directement à charge des
actionnaires ou associés, dans la mesure où cet impôt cor-
respond proportionnellement à la part de ces actionnaires ou
associés dans le capital.”.
Art. 78
Dans l’article 402, § 5, du même Code, les mots “d’une
société momentanée, d’une société interne ou” sont abrogés
et les mots “société de droit commun,” sont remplacés par les
mots “société simple,”.
83
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 79
In artikel 405 van hetzelfde Wetboek worden de woorden
“een tijdelijke handelsvennootschap, een stille handelsven-
nootschap of” en de woorden “de tijdelijke handelsvennoot-
schap, de stille handelsvennootschap of” opgeheven. In de
Franse tekst worden de woorden “société de droit commun”
vervangen door de woorden “société simple”.
Art. 80
In artikel 413/1 van hetzelde Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 1 december 2016 en gewijzigd bij de wetten van
25 december 2017 en 26 maart 2018 worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de woorden “de
maatschappelijke zetel, “opgeheven;
2° paragraaf 1, eerste lid wordt aangevuld met een bepa-
ling onder 6, luidende:
“6° het gedeelte van het maatschappelijk vermogen dat
als uitgekeerd dividend wordt aangemerkt bij toepassing van
artikel 210/1 in het geval dat de vennootschap niet langer
onderworpen is aan de vennootschapsbelasting en aan de
rechtspersonenbelasting onderworpen is. “;
3° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, worden de woorden “de
maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de ze-
tel van bestuur of beheer” vervangen door de woorden “de
fiscale woonplaats”;
4° in paragraaf 3, eerste lid, 4°, worden de woorden “ver-
richting onder een buitenlands recht gelijkaardig aan een
fusie, een aan een fusie gelijkgestelde verrichting of een
splitsing als bedoeld in de artikelen 671 tot 677 van het
Wetboek van vennootschappen, “vervangen door de woorden
“fusie, splitsing en verrichting gelijkgesteld met een fusie of
met een splitsing,”.
Art. 81
In artikel 442bis, § 4, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van
22 december 2009 en 19 mei 2010 en bij het koninklijk besluit
van 19 december 2010, worden de woorden “artikel 60 van de
wet van 31 januari 2009 betreffende de continuiteit van de on-
dernemingen” vervangen door de woorden “artikel XX.85 van
het Wetboek van economisch recht” en worden de woorden
“overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennoot-
schappen” vervangen door de woorden “in overeenstemming
met de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen of bepalingen van buitenlands recht toepas-
selijk op de rechtshandeling wanneer die een evenwaardige
bescherming aan de schuldeiser geeft”.
Art. 79
Dans l’article 405 du même Code, les mots “d’une société
momentanée, d’une société interne ou “et les mots “la société
momentanée, la société interne ou” sont abrogés et les mots
“société de droit commun” sont remplacés par les mots
“société simple”.
Art. 80
A l’article 413/1 du même Code, inséré par la loi du 1er dé-
cembre 2016 et modifié par les lois du 25 décembre 2017 et
26 mars 2018 les modifications suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les mots “du siège
social,” sont abrogés;
2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par un 6°,
rédigé comme suit:
“6° la partie de l’avoir social qui est considérée comme un
dividende distribué par application de l’article 210/1 dans le
cas où la société cesse d’être assujettie à l’impôt des sociétés
pour devenir assujettie à l’impôt des personnes morales. “;
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, les mots “du siège
social, du principal établissement ou du siège de direction
ou d’administration” sont remplacés par les mots “de la rési-
dence fiscale”;
4° au paragraphe 3, alinéa 1er, 4°, les mots “opération
régie par le droit étranger similaire à une fusion, ou à une
opération assimilée à une fusion ou à une scission, visées
aux articles 671 à 677 du Code des sociétés,”, sont remplacés
par les mots “fusion, scission ou opération assimilée à une
fusion ou scission,”.
Art. 81
Dans l’article 442bis, § 4, du même Code, remplacé
par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par les lois des
22 décembre 2009 et 19 mai 2010 et par l’arrêté royal
du 19 décembre 2010, les mots “l’article 60 de la loi du
31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises” sont
remplacés par les mots “l’article XX.85 du Code de droit éco-
nomique” et les mots “conformément aux dispositions du Code
des sociétés.” sont remplacés par les mots “conformément
aux dispositions du Code des sociétés et des associations
ou aux dispositions du droit étranger régissant l’opération qui
offrent aux créanciers une protection équivalente.”.
84
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 82
In artikel 442quater, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 20 juli 2006, worden de woorden
“een rechtspersoon bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet van
27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoog-
merk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en
de stichtingen,” vervangen door de woorden “een vereniging
of stichting bedoeld in artikel 3:47, § 3, of artikel 3:50, § 3, van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen,”
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen aan het Wetboek
van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 83
In artikel 56, § 1 van het Wetboek van de belasting over
de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van xxx 2018,
wordt het tweede lid vervangen als volgt:
“Het eerste lid is van toepassing op vennootschap-
pen onder firma, op commanditaire vennootschappen en
op vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid tot
31 december 2019.”.
Art. 84
In artikel 57 § 6, 1°, van hetzelfde Wetboek, ver-
vangen bij de wet van 28 december 1992, wordt het
woord”handelsvennootschap” vervangen door het woord
“vennootschap”.
Art. 85
In artikel 93undecies B, § 4, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 10 augustus 2005 en laatstelijk gewijzigd
bij het koninklijk besluit van 19 december 2010, worden de
woorden “Wetboek van vennootschappen” vervangen door de
woorden “Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 86
In artikel 93undecies C § 1, eerste lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2006 en gewijzigd
bij de wet van ** 2018, worden de woorden “een rechtspersoon
bedoeld in artikel 17, § 3, van de wet van 27 juni 1921 betref-
fende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen
en de Europese politieke partijen en stichtingen” vervangen
door de woorden “een vereniging of stichting respectievelijk
bedoeld in artikel 3:47, § 3, of artikel 3:50, § 3, van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 82
Dans l’article 442quater, § 1er, alinéa 1er, du même Code,
inséré par la loi du 20 juillet 2006, les mots “une personne
morale visée à l’article 17, § 3, de la loi du 27 juin 1921 sur les
associations sans but lucratif, les associations internationales
sans but lucratif et les fondations,” sont remplacés par les mots
“une association ou fondation visée à l’article 3:47, § 3, ou à
l’article 3:50, § 3, du Code des sociétés et des associations,”.
CHAPITRE 2
Modifications au Code
de la taxe sur la valeur ajoutée
Art. 83
A l’article 56, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajou-
tée, remplacé par la loi du xx 2018, l’alinéa 2 est remplacé
par ce qui suit:
“L’alinéa 1er est applicable aux sociétés en nom collectif,
aux sociétés en commandite et aux sociétés à responsabilité
limitée jusqu’au 31 décembre 2019.”.
Art. 84
Dans l’article 57, § 6, 1°, du même Code, remplacé par la
loi du 28 décembre 1992, les mots”société commerciale” sont
remplacés par le mot”société”.
Art. 85
Dans l’article 93undecies B, § 4, du même Code, inséré
par la loi du 10 août 2005 et modifié en dernier lieu par l’arrêté
royal du 19 décembre 2010, les mots”Code des sociétés.”
sont remplacés par les mots “Code des sociétés et des
associations.”.
Art. 86
Dans l’article 93undecies C, § 1er, alinéa 1er, du même
Code, inséré par la loi du 20 juillet 2006, et modifié par la loi
du ** 2018, les mots “une personne morale visée à l’article 17,
§ 3, de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but
lucratif, les fondations, les partis politiques européens et les
fondations politiques européennes,” sont remplacés par les
mots “une association ou fondation respectivement visée à
l’article. 3:47, § 3, ou à l’article 3:50, § 3, du Code des sociétés
et des associations,“.
85
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen aan het Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten
Art. 87
In het opschrift van titel I, hoofdstuk IV, afdeling XI, van
het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten,
worden de woorden “burgerlijke of handelsvennootschappen”
vervangen door het woord “vennootschappen”.
Art. 88
In artikel 115, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 20 juni 2005 worden de woorden
“burgerlijke of handelsvennootschappen” vervangen door het
woord “vennootschappen”.
Art. 89
In artikel 115bis, eerste lid van hetzelfde Wetboek in-
gevoegd bij de wet van 30 maart 1994 en gewijzigd bij
de wet van 20 juni 2005 worden de woorden “burgerlijke
of handelsvennootschappen” vervangen door het woord
“vennootschappen”.
Art. 90
In artikel 116, eerste en derde lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 3 juli 1972 en gewijzigd bij wet van
22 juni 2005, wordt het woord “statutair” telkens opgeheven.
Art. 91
In artikel 117 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet
van 12 augustus 1985 en gewijzigd bij de wetten van 22de-
cember 1998 en 2 mei 2002, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden de woorden “of,
bij gebrek aan een nominale waarde, van de fractiewaarde”
ingevoegd tussen de woorden “nominale waarde” en de
woorden “van de toegekende maatschappelijke aandelen of
deelbewijzen”;
2° paragraaf 1, tweede lid, 2°, wordt aangevuld met de
volgende zin:
“Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de verkrij-
gende vennootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig
aan dat van het kapitaal van een naamloze vennootschap
voorziet, wordt met de fractiewaarde gelijkgesteld, de inbreng-
waarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van alle door de
aandeelhouders of vennoten toegezegde inbrengen in geld
of in natura, met uitzondering van de inbrengen in nijverheid,
in voorkomend geval verhoogd met de reserves die op grond
CHAPITRE 3
Modifications au Code des droits d’enregistrement,
d’hypothèque et de greffe
Art. 87
Dans l’intitulé du titre Ier, chapitre IV, section XI, du Code
des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe les
mots “sociétés civiles et commerciales” sont remplacés par
le mot “sociétés”.
Art. 88
A l’article 115, alinéa 1er, du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 20 juin 2005 les mots “sociétés civiles ou
commerciales” sont remplacés par le mot “sociétés”.
Art. 89
A l’article 115bis, alinéa 1er, du même Code inséré par la
loi du 30 mars 1994 et modifié par la loi du 20 juin 2005, les
mots “sociétés civiles ou commerciales” sont remplacés par
le mot “sociétés”.
Art. 90
A l’article 116, alinéas 1er et 3, du même Code, remplacé
par la loi du 3 juillet 1972 et modifié par la loi du 22 juin 2005,
les mot “statutaire” est chaque fois abrogé.
Art. 91
A l’article 117 du même Code, remplacé par la loi du
12 août 1985 et modifié par les lois des 22 décembre 1998
et 2 mai 2002, sont apportées les modifications suivantes:
1° au paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, les mots “ou, à défaut
de valeur nominale, du pair comptable” sont insérés entre
les mots “valeur nominale “et “des actions ou parts sociales
attribuées.”;
2° le paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, est complété par la
phrase suivante:
“Si le droit belge ou étranger qui régit la société bénéficiaire
ne prévoit pas une notion analogue à celle du capital d’une
société anonyme, est assimilée au pair comptable la valeur,
telle qu’elle résulte des comptes annuels, de tous les apports
en numéraire ou en nature, autre qu’en industrie, consentis
par les actionnaires ou associés , le cas échéant augmentée
des réserves qui, en vertu d’une disposition statutaire, ne
peuvent être distribuées aux actionnaires ou associés que
86
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van een statutaire bepaling slechts aan de aandeelhouders
of vennoten kunnen worden uitgekeerd mits een statutenwij-
ziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen.”;
3° in paragraaf 3, eerste lid, inleidende zin, worden de
woorden “het maatschappelijk kapitaal” vervangen door de
woorden “het kapitaal of van het eigen vermogen”;
4° in paragraaf 3, derde lid, 2°, worden de woorden “of,
bij gebrek aan een nominale waarde, van de fractiewaarde”
ingevoegd tussen de woorden “nominale waarde” en de
woorden “van de toegekende maatschappelijke aandelen of
deelbewijzen”;
5° paragraaf 3, derde lid, 2°, wordt aangevuld met de
volgende zin:
“; indien het Belgisch of buitenlands recht dat de verkrij-
gende vennootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig
aan dat van het kapitaal van een naamloze vennootschap
voorziet, wordt met de fractiewaarde gelijkgesteld, de inbreng-
waarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van alle door de
aandeelhouders of vennoten toegezegde inbrengen in geld
of in natura, met uitzondering van de inbrengen in nijverheid,
in voorkomend geval verhoogd met de reserves die op grond
van een statutaire bepaling slechts aan de aandeelhouders
of vennoten kunnen worden uitgekeerd mits een statutenwij-
ziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen.“;
6° in paragraaf 3, derde lid, 3°, worden de woorden “het
maatschappelijk kapitaal” vervangen door de woorden “het
kapitaal of van het eigen vermogen”.
Art. 92
In artikel 121 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 1°, vervangen bij de wet van 14 april 1965
en gewijzigd bij de wet van 22 december 1998, worden de
woorden “vennootschap met sociaal oogmerk“vervangen
door de woorden “sociale onderneming “;
2° In het tweede lid, vervangen bij de wet van 3 juli 1972,
wordt het woord “statutair” opgeheven.
Art. 93
In artikel 123, eerste lid, van hetzelfde wetboek, opge-
heven bij de wet van 14 april 1965 en hersteld bij wet van
10 februari 1998, worden de woorden “statutair kapitaal”
vervangen door de woorden “kapitaal of het eigen vermogen”.
Art. 94
In artikel 159 van hetzelfde Wetboek worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
moyennant une modification des statuts, le tout divisé par le
nombre des actions ou parts.”;
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, phrase liminaire, les mots
“du capital social” sont remplacés par les mots “du capital ou
des capitaux propres”;
4° au paragraphe 3, alinéa 3, 2°, les mots “ou, à défaut
de valeur nominale, du pair comptable “sont insérés entre
les mots “valeur nominale“et “des actions ou parts sociales
attribuées“;
5° le paragraphe 3, alinéa 3, 2°, est complété par la phrase
suivante:
“; si le droit belge ou étranger qui régit la société bénéfi-
ciaire ne prévoit pas une notion analogue à celle du capital
d’une société anonyme, est assimilée au pair comptable, la
valeur, telle qu’elle résulte des comptes annuels, de tous les
apports en numéraire ou en nature, autres que les apports en
industrie, consentis par les actionnaires ou associés , le cas
échéant augmenté des réserves qui, en vertu d’une disposi-
tion statutaire, ne peuvent être distribuées aux actionnaires
ou associés que moyennant une modification des statuts, le
tout divisé par le nombre des actions ou parts.“;
6° au paragraphe 3, alinéa 3, 3°, les mots “du capital social
“sont remplacés par les mots “du capital ou des capitaux
propres “.
Art. 92
A l’article 121 du même Code, les modifications suivantes
sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, 1°, remplacé par la loi du 14 avril 1965
et modifié par la loi du 22 décembre 1998, les mots “société
à finalité sociale.“sont remplacés par les mots “entreprise
sociale.”;
2° dans l’alinéa 2, remplacé par la loi du 3 juillet 1972, le
mot “statutaire” est abrogé.
Art. 93
A l’article 123, alinéa 1er, du même Code, supprimé par la
loi du 14 avril 1965 et rétabli par la loi du 10 février 1998, les
mots “capital statutaire,” sont remplacés par les mots “capital
ou des capitaux propres,”.
Art. 94
A l’article 159 du même Code sont apportées les modifi-
cations suivantes:
87
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
a) in de bepaling onder 11° ingevoegd bij de wet van
12 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 17 juli 1989 worden
de woorden “in een samenwerkingsverband beheerst, door
de wet van 17 juli 1989 betreffende de economische samen-
werkingsverbanden of” opgeheven;
b) in de bepaling onder 12° ingevoegd bij de wet van
12 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 17 juli 1989 worden
de woorden “van een samenwerkingsverband of” opgeheven;
c) in de bepaling onder 14° ingevoegd bij de wet van
30 maart 1994 worden de woorden “burgerlijke vennootschap-
pen of handelsvennootschappen” vervangen door het woord
“vennootschappen”.
Art. 95
In artikel 173, 1°bis, van hetzelfde Wetboek ingevoegd
bij wet van 14 december 2005 en gewijzigd bij wet van
21 december 2013, worden de woorden “artikel 67 van het
wetboek van vennootschappen” vervangen door de woor-
den “artikel 2:12 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 96
In artikel 209, eerste lid, 5°, van hetzelfde Wetboek inge-
voegd bij wet van 10 februari 1998 worden de woorden “sta-
tutair kapitaal” telkens vervangen door de woorden “kapitaal
of het eigen vermogen”.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen aan het Wetboek van Successierechten
Art. 97
In artikel 150, tweede lid, 5°, van het Wetboek van
Successierechten, vervangen bij de wet van 2 mei 2002 en
gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, worden de woor-
den “door handelsvennootschappen waarvan de vereniging
of stichting als bezitter-emittent wordt aangemerkt krachtens
de wet van 15 juli 1998 betreffende de certificatie van effecten
uitgegeven door handelsvennootschappen” vervangen door
de woorden “door vennootschappen waarvan de vereniging
of stichting als bezitter-emittent wordt aangemerkt krachtens
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of, indien
de vennootschap niet door dat Wetboek wordt beheerst, over-
eenkomstig de bepalingen van het recht dat haar beheerst”.
Art. 98
In artikel 161 van hetzelfde Wetboek ingevoegd bij wet van
22 juli 1993 en vervangen bij de wet van 22 december 2003,
worden de bepalingen onder 5° en 6°, vervangen als volgt:
“5° de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 6 van
de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht
a) au 11°, inséré par la loi du 12 juillet 1989 et modifié par la
loi du 17 juillet 1989, les mots “à un groupement régi par la loi
du 17 juillet 1989 sur les groupements d’intérêt économique
ou” sont abrogés;
b) au 12°, inséré par la loi du 12 juillet 1989 et modifié par
la loi du 17 juillet 1989, les mots “du groupement d’intérêt
économique ou” sont abrogés;
c) au 14°, inséré par la loi du 30 mars 1994, les mots
“sociétés civiles ou commerciales” sont remplacés par le
mot “sociétés”.
Art. 95
A l’article 173, 1°bis, du même Code inséré par la loi du
14 décembre 2005 et modifié par la loi du 21 décembre 2013,
les mots “à l’article 67 du Code des sociétés;” sont rempla-
cés par les mots “article 2:12 du Code des sociétés et des
associations;”.
Art. 96
A l’article 209, alinéa 1er, 5°, du même Code, inséré par la
loi du 10 février 1998, les mots “capital statutaire” sont chaque
fois remplacés par les mots “capital ou des capitaux propres”.
CHAPITRE 4
Modifications au Code des droits de succession
Art. 97
A l’article 150, alinéa 2, 5°, du Code des droits de succes-
sion, remplacé par la loi du 2 mai 2002 et modifié par la loi du
24 décembre 2002, les mots “par des sociétés commerciales,
dont l’association ou la fondation est considérée comme pro-
priétaire-émettant en vertu de la loi du 15 juillet 1998 relative à
la certification de titres émis par des sociétés commerciales,”
sont remplacés par les mots “par des sociétés, dont l’asso-
ciation ou la fondation est considérée comme propriétaire-
émettant en vertu du Code des sociétés et des associations
ou, si la société n’est pas régie par ce code, conformément
aux dispositions du droit qui la régit,”.
Art. 98
A l’article 161 du même Code inséré par la loi du
22 juillet 1993 et remplacé par la loi du 22 décembre 2003,
les 5° et 6°, sont remplacés par ce qui suit:
“5° les entreprises d’assurances visées à l’article 6 de la loi
du 13 mars 2016 relative au statut au contrôle des entreprises
88
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen die
inkomsten als bedoeld in artikel 21, 9°, van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992 of dividenden die van ven-
nootschapsbelasting zijn vrijgesteld op basis van artikel 185,
§ 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
toekennen;
6° de verzekeringsondernemingen bedoeld in artikel 6 van
de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht
op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, die
verzekeringsverrichtingen doen als bedoeld in het bijlage II,
A, 23, van dezelfde wet.”.
Art. 99
In artikel 161bis, § 6, van hetzelfde Wetboek inge-
voegd bij wet van 22 juli 1993 en vervangen bij de wet
van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden “de vorm heeft aangenomen van een coö-
peratieve vennootschap erkend door de Nationale Raad van
de Coöperatie” worden vervangen door “die de vorm heeft
aangenomen van een overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen erkende
coöperatieve vennootschap”;
2° worden de woorden”maatschappelijk kapitaal” vervan-
gen door de woorden “eigen vermogen”;
3° worden de woorden”artikel 21, 6°,” vervangen door de
woorden “artikel 185, § 1,”.
Art. 100
In artikel 161ter, 4°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 22 juli 1993 vervangen bij de wet van
22 december 2003 en gewijzigd bij de wetten van 17 juni 2013
en 3 augustus 2016, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden “die de vorm van een coöperatieve ven-
nootschap hebben, erkend door de Nationale Raad van de
Coöperatie” worden vervangen door de woorden “die de
vorm aannemen van een overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen erkende
coöperatieve vennootschap”.
2° worden de woorden”maatschappelijk kapitaal” vervan-
gen door de woorden”eigen vermogen”.
Art. 101
In artikel 161quater, tweede lid, van hetzelfde Wetboek
ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993 en gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 18 november 1996 en bij de wet van
20 januari 1999, worden de woorden “bedoeld in artikel 21,
6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,”
vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 161, 5°,”.
d’assurance ou réassurance qui attribuent des revenus visés
à l’article 21, 9°, du Code des impôts sur les revenus 1992 ou
des dividendes exonérés de l’impôt des sociétés sur la base
de l’article 185, § 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992;
6° les entreprises d’assurances visées à l’article 6 de la loi
du 13 mars 2016 relative au statut au contrôle des entreprises
d’assurance ou de réassurance, qui effectuent des opérations
d’assurance visées à l’annexe II, A, 23, de la même loi.”.
Art. 99
A l’article 161bis, § 6, du même Code inséré par la loi du
22 juillet 1993 et remplacé par la loi du 22 décembre 2003,
sont apportées les modifications suivantes:
1° les mots”a adopté la forme d’une société coopérative
agréée par le Conseil national de la coopération,” sont rem-
placés par “a adopté la forme d’une société coopérative
agréée conformément à l’article 8:4 du Code des sociétés et
des associations,”;
2° les mots”du capital social” sont remplacés par les
mots”des capitaux propres”;
3° les mots”l’article 21, 6°,” sont remplacés par les
mots”l’article 185, § 1er,”.
Art. 100
A l’article 161ter, 4°, du même Code, inséré par la loi du
22 juillet 1993 remplacé par la loi du 22 décembre 2003 et
modifié par les lois du 17 juin 2013 et 3 août 2016, les modi-
fications suivantes sont apportées:
1° les mots “qui ont adopté le forme d’une société coopé-
rative agréée par le Conseil national de la coopération” sont
remplacés par les mots “qui ont adopté la forme d’une société
coopérative agréée conformément à l’article 8:4 du Code des
sociétés et des associations”.
2° les mots”du capital social” sont remplacés par les
mots”des capitaux propres”.
Art. 101
A l’article 161quater, alinéa 2, du même Code, inséré
par la loi du 22 juillet 1993 et modifi é par l’arrêté royal du
18 novembre 1996 et par la loi du 20 janvier 1999, les mots
“visés à l’article 21, 6°, du Code des impôts sur les revenus
1992,” sont remplacés par les mots “visés à l’article 161, 5°,”.
89
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 102
In artikel 161quinquies, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993 en gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 18 november 1996, worden de woor-
den “de coöperatieve vennootschappen erkend door de
Nationale Raad van de Coöperatie” vervangen door de
woorden “de overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen erkende coöperatieve
vennootschappen” en de woorden “bedoeld in artikel 21, 6°,
van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,” worden
vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 161, 5°,”.
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen aan het Wetboek diverse rechten en taksen
Art. 103
In artikel 4 van het Wetboek diverse rechten en taksen, in-
gevoegd bij wet van 19 december 2006 worden de woorden “in
het Wetboek van vennootschappen” vervangen door de woor-
den “in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 104
In artikel 126/1, 8°, van hetzelfde Wetboek, opgehe-
ven bij de wet van 22 juli 1993 en hersteld bij de wet van
22 oktober 2017, worden de woorden “in artikel 620, § 1, 1°,
van het Wetboek van de vennootschappen” vervangen door
de woorden “in artikel 7:215, § 1, 1°, van het Wetboek van de
vennootschappen en verenigingen”.
HOOFDSTUK 6
Diverse bepalingen
Afdeling 1
Bosgroeperingsvennootschappen
Art. 105
In de wet van 6 mei 1999 ter bevordering van de oprichting
van burgerlijke bosgroeperingsvennootschappen, wordt het
opschrift vervangen als volgt:
“Wet van 6 mei 1999 ter bevordering van de oprichting van
bosgroeperingsvennootschappen.”
Art. 106
In artikel 2 van dezelfde wet wordt worden de woorden
“elke burgerlijke vennootschap die de rechtsvorm van een
handelsvennootschap heeft aangenomen, die erkend is door
de minister van Financiën op advies van de minister van het
betrokken gewest die de bossen onder zijn bevoegdheid heeft,
en die uitsluitend tot maatschappelijk doel en activiteit heeft,
Art. 102
A l’article 161quinquies, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 22 juillet 1993 et modifi é par l’arrêté royal du 18 no-
vembre 1996, les mots “les sociétés coopératives agréées
par le Conseil national de la coopération” sont remplacés par
les mots “les sociétés coopératives agréées conformément à
l’article 8:4 du Code des sociétés et associations” et les mots
“visés à l’article 21, 6°, du Code des impôts sur les revenus
1992,” sont remplacés par les mots “visés à l’article 161, 5°,”.
CHAPITRE 5
Modifications au Code des droits et taxes divers
Art. 103
A l’article 4 du Code des droits et taxes divers, inséré
par la loi du 19 décembre 2006, les mots “dans le Code des
sociétés” sont remplacés par les mots “dans le Code des
sociétés et des associations”.
Art. 104
A l’article 126/1, 8°, du même Code, abrogé par la loi du
22 juillet 1993 et rétabli par la loi du 22 octobre 2017, les mots
“à l’article 620, § 1er, 1°, du Code des sociétés” sont remplacés
par les mots “à l’article 7:215, § 1er, 1°, du Code des sociétés
et des associations”.
CHAPITRE 6
Dispositions diverses
Section 1re
Sociétés de groupements forestiers
Art. 105
L’intitulé de la loi du 6 mai 1999 visant à promouvoir la
création de sociétés civiles de groupements forestiers est
remplacé par ce qui suit:
“Loi du 6 mai 1999 visant à promouvoir la création de
sociétés de groupements forestiers”
Art. 106
Dans l’article 2 de la même loi, les mots “toute société civile
ayant adopté la forme juridique d’une société commerciale,
agréée par le ministre des Finances sur avis du ministre de la
région concernée qui a les forêts dans ses attributions, comme
ayant exclusivement pour objet social et pour activité la pro-
duction forestière sur des terrains dont elle est propriétaire,
90
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
de bosbouw op gronden waarvan ze eigenaar is, alsmede
alle verrichtingen die met dat doel verband houden of er
normaal uit voortvloeien op voorwaarde dat ze het burgerlijk
karakter van de groepering niet wijzigen” vervangen door de
woorden “elke vennootschap die erkend is door de minister
van Financiën op advies van de minister van het betrokken
gewest die de bossen onder zijn bevoegdheid heeft, en die uit-
sluitend tot voorwerp heeft, de bosbouw op gronden waarvan
ze eigenaar is, alsmede alle verrichtingen die met dat doel
verband houden of er normaal uit voortvloeien”
Art 107
In artikel 3, 1°, van dezelfde wet, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”.
Art 108
In artikel 4, vierde lid, van dezelfde wet, worden de
woorden “maatschappelijk kapitaal” vervangen door het
woord “kapitaal”.
Afdeling 2
Diamant Stelsel
Art. 109
In artikel 67 van de programmawet van 10 augustus 2015,
gewijzigd bij de wet van 18 december 2016, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 4°, worden de woorden “artikel 96.
I. A, eerste lid van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot
uitvoering van het Wetboek van vennootschappen” vervangen
door de woorden “artikel 96. I. A, eerste lid, van het koninklijk
besluit van XXXX 2018 tot uitvoering van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”;
2°° in de bepaling onder 5°, worden de worden “artikel 96.
II. A, eerste lid van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot
uitvoering van het Wetboek van vennootschappen” vervangen
door de woorden “artikel 96. I. A, eerste lid, van het koninklijk
besluit van XXXX 2018 tot uitvoering van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
Art. 110
In artikel 68, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 18 december 2016, worden de woorden “artikel 11 van
het Wetboek van vennootschappen” vervangen door de
woorden “artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”.
ainsi que toutes les opérations quelconques se rattachant
à cet objet ou en dérivant normalement pourvu qu’elles ne
modifient pas le caractère civil du groupement” sont rem-
placé par les mots “toute société agréée par le ministre des
Finances sur avis du ministre de la région concernée qui a
les forêts dans ses attributions, comme ayant exclusivement
pour objet la production forestière sur des terrains dont elle
est propriétaire, ainsi que toutes les opérations quelconques
se rattachant à cet objet ou en dérivant normalement”.
Art 107
Dans l’article 3, 1°, de la même loi, les mots “capital social”
sont remplacés par le mot “capital”.
Art 108
Dans l’article 4, alinéa 4, de la même loi, les mots “capital
social” sont remplacés par le mot “capital”.
Section 2
Régime Diamant
Art. 109
Dans l’article 67 de la loi-programme du 10 août 2015,
modifié par la loi du 18 décembre 2016, les modifications
suivantes sont apportées:
1° au 4°, les mots “l’article 96, I.A., alinéa 1er, de l’arrêté
royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des socié-
tés” sont remplacés par les mots “l’article 96, I.A., alinéa 1er,
de l’arrêté royal du XXXX 2018 portant exécution du Code
des sociétés et des associations”;
2° au 5°, les mots “l’article 96, II.A., alinéa 1er, de l’arrêté
royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des socié-
tés “sont remplacés par les mots “l’article 96, II.A., alinéa 1er,
de l’arrêté royal du XXXX 2018 portant exécution du Code
des sociétés et des associations”.
Art. 110
Dans l’article 68, § 2, de la même loi, modifié par la loi du
18 décembre 2016, les mots “l’article 11 du Code des socié-
tés” sont remplacés par les mots “l’article 1:20 du Code des
sociétés et des associations”.
91
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Afdeling 3
Zeescheepvaart
Art. 111
In artikel 115, § 2, 3°, van de programmawet van
2 augustus 2002, gewijzigd bij de programmawet van
27 december 2004, en bij de wet van XX juli 2018 tot wijziging
van de belastingsmaatregelen ten voordele van het zeever-
voer, worden de woorden “een bedrijfsafdeling of tak van werk-
zaamheid kan beschouwd worden in de zin van artikel 46, § 1,
eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992 enerzijds en anderzijds als een bedrijfstak in de zin van
artikel 680 van het Wetboek van vennootschappen” vervangen
door de woorden “een bedrijfstak in de zin van artikel 2, § 1,
6°/2, c, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992”.
Art. 112
In artikel 122, § 3, van dezelfde programmawet, worden de
woorden “maatschappelijke zetel” vervangen door de woorden
“voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer”.
Afdeling 4
Havens
Art. 113
In artikel 3, eerste lid, van de wet van […] tot bepaling
van de voorwaarden van overgang bij de onderwerping aan
de vennootschapsbelasting van havenbedrijven, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 1° worden de woorden “maatschap-
pelijk kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal” en worden
de woorden “in het eerste en tweede lid” vervangen door de
woorden “in het eerste tot derde lid”;
2° in de bepaling onder 4° worden de woorden “ar-
tikel 57 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot
uitvoering van het wetboek van vennootschappen” vervangen
door de woorden “artikel […] van het koninklijk besluit van
[…] tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Afdeling 5
Intercommunales
Art. 114
In artikel 26, eerste lid, 1°, van de programmawet van
19 december 2014, vervangen bij de wet van 10 augustus 2015,
worden de woorden “maatschappelijk kapitaal” vervangen
door het woord “kapitaal” en worden de woorden “in het
eerste en tweede lid” vervangen door de woorden “in het
eerste tot derde lid”.
Section 3
Navigation maritime
Art. 111
Dans l’article 115, § 2, 3°, de la loi-programme du 2 août 2002,
modifié par la loi-programme du 27 décembre 2004, et par la
loi du XX juillet 2018 modifiant le régime d’aides fiscales en
faveur du transport maritime, les mots “une branche d’activité
au sens de l’article 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, du Code des impôts
sur les revenus 1992, d’une part, et comme une branche
d’activité au sens de l’article 680 du Code des sociétés d’autre
part,” sont remplacés par les mots “une branche d’activité au
sens de l’article 2, § 1er, 6°/2, c, du Code des impôts sur les
revenus 1992,”.
Art. 112
Dans l’article 122, § 3, de la même loi-programme, les
mots “siège social” sont remplacés par les mots “principal
établissement ou siège de direction ou d’administration”.
Section 4
Ports
Art. 113
A l’article 3, alinéa 1er, de la loi du […] fixant les conditions
du passage à l’assujettissement à l’impôt des sociétés
d’entreprises portuaires, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le 1°, les mots “capital social” sont remplacés
par le mot “capital” et les mots “par les alinéas 1er et 2” sont
remplacés par les mots”par les alinéas 1er à 3”;
2° dans le 4°, les mots “l’article 57 de l’arrêté royal du
30 janvier 2001 portant exécution du code des sociétés” sont
remplacés par les mots “l’article […] de l’arrêté royal du […]
portant exécution du Code des sociétés et des associations”.
Section 5
Intercommunales
Art. 114
Dans l’article 26, alinéa 1er, 1°, de la loi-programme du
19 décembre 2014, remplacé par la loi du 10 août 2015, les
mots “capital social” sont remplacés par le mot “capital” et les
mots “par les alinéas 1er et 2” sont remplacés par les mots”par
les alinéas 1er à 3”.
92
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Afdeling 6
Stelsel dat voorziet in de terugvordering van staatssteun
Art. 115
In artikel 100, eerste lid, van de programmawet
van 25 december 2012, gewijzigd door de wet van
17 december 2017 worden de woorden “artikelen 5 tot 11 van
het Wetboek van vennootschappen” vervangen door de
woorden “artikelen 1:14 tot 1:20 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen”.
Art. 116
In artikel 101, derde lid, van dezelfde programmawet
worden de woorden “artikel 11 van het Wetboek van vennoot-
schappen” vervangen door de woorden “artikel 1:20 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 117
In artikel 105 van dezelfde programmawet worden de
woorden “bedoeld in de artikelen 671 tot en met 677 van het
Wetboek van vennootschappen, of een gelijkaardige ver-
richting onder buitenlands vennootschapsrecht” vervangen
door de woorden “of die een andere ontbinding zonder ver-
deling van het gehele maatschappelijke vermogen hebben
doorgevoerd”.
HOOFDSTUK 7
Inwerkingtreding, aanvang en
overgangsbepalingen
Art. 118
§ 1. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2019, behalve
artikel 35, dat in werking treedt op 1 januari 2020 en van
toepassing is op activa verkregen of tot stand gebracht vanaf
1 januari 2020.
Artikel 2, 8°, is van toepassing op de aldaar gedefinieerde
verrichtingen die worden uitgevoerd vanaf 1 januari 2019.
Artikel 10 is van toepassing op de verwerving van aandelen
of deelbewijzen gedaan vanaf 1 januari 2019.
Artikel 11, 1°, is van toepassing op de terugbetalingen van
kapitaal uitgevoerd vanaf 1 januari 2019.
Artikel 23, 2°, is van toepassing op terugbetalingen verricht
vanaf 1 januari 2019.
Artikel 43, 4°, is van toepassing op de wijzigingen van
rechtsvorm doorgevoerd vanaf 1 januari 2019 of, in het geval
van een vennootschap, vereniging of stichting bedoeld in § 2,
vanaf de dag waarop het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen op haar van toepassing wordt.
Section 6
Régime de récupération des aides d’État
Art. 115
Dans l’article 100, alinéa 1er, de la loi-programme du
25 décembre 2016, modifié par la loi du 17 décembre 2017,
les mots “articles 5 à 11 du Code des sociétés” sont rempla-
cés par les mots “articles 1:14 à 1:20 du Code des sociétés
et des associations”.
Art. 116
Dans l’article 101, alinéa 3, de la même loi-programme,
les mots “l’article 11 du Code des sociétés” sont remplacés
par”l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations”.
Art. 117
Dans l’article 105 de la même loi-programme, les mots
“visées aux articles 671 à 677 du Code des sociétés, ou d’une
opération de droit des sociétés similaire en droit étranger”
sont remplacés par les mots “, ou ayant fait l’objet d’une autre
dissolution sans partage total de l’avoir social“.
CHAPITRE 7
Entrée en vigueur, prise d’effet
et dispositions transitoires
Art. 118
§ 1er. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2019,
à l’exception de l’article 35, qui entre en vigueur le 1er jan-
vier 2020 et qui est applicable aux actifs acquis ou constitués
à partir du 1er janvier 2020.
L’article 2, 8°, est applicable aux opérations y définies qui
sont effectuées à partir du 1er janvier 2019.
L’article 10 est applicable aux acquisitions d’actions ou
parts effectuées à partir du 1er janvier 2019.
L’article 11, 1°, est applicable aux remboursements du
capital effectués à partir du 1er janvier 2019.
L’article 23, 2°, est applicable aux remboursements effec-
tués à partir du 1er janvier 2019.
L’article 43, 4°, est aux applicable aux changements de
forme juridique réalisés à partir du 1er janvier 2019 ou, dans
le cas d’une société, association ou fondation visée au § 2,
à partir du jour où le Code des sociétés et des associations
lui devient applicable.
93
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Artikel 62, 1° en 3° is van toepassing op verhogingen en ver-
minderingen van kapitaal doorgevoerd vanaf 1 januari 2019.
§ 2. Zolang het Wetboek van vennootschappen en ver-
enigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II van de
wet van (xxx), niet van toepassing is op een vennootschap,
vereniging of stichting, moet elke verwijzing naar een bepaling
van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen die
voorkomt in een bepaling van het Wetboek van de inkomsten-
belastingen 1992, het Wetboek van Registratie-, Hypotheek-
en Griffierechten, het Wetboek van Successierechten, het
Wetboek diverse rechten en taksen en het Wetboek van de
Belasting over de Toegevoegde Waarde, de tot uitvoering
ervan genomen besluiten en de bijzondere wetgeving van toe-
passing op deze belastingen, worden gelezen, voor wat deze
vennootschap, vereniging of stichting betreft, als een verwij-
zing naar de bepaling van het Wetboek van vennootschappen
of andere bijzondere wetgeving die in zulke fiscale wetgeving
voorkwam voor de inwerkingtreding van deze huidige wet.
§ 3. Zolang, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II
van de wet van (xxx), een vennootschap, vereniging of
stichting, die door het Belgisch recht wordt beheerst, een
rechtsvorm heeft die het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen niet erkent, worden de bepalingen van het
Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, het Wetboek van
Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, het Wetboek van
Successierechten, het Wetboek diverse rechten en taksen en
het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde,
de tot uitvoering ervan genomen besluiten en de bijzondere
wetgeving van toepassing op deze belastingen, die voor de
inwerkingtreding van huidige wet deze rechtsvorm vermeld-
den, geacht deze rechtsvorm te blijven vermelden voor wat
deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, zoals voor
de inwerkingtreding van huidige wet.
L’article 62, 1° et 3° est applicable aux augmentations et
réductions de capital effectués à partir du 1er janvier 2019.
§ 2. Aussi longtemps que, conformément au chapitre
IV, section II de la loi du (xxx), le Code des sociétés et des
associations ne s’applique pas à une société, association
ou fondation, toute référence à une disposition du Code des
sociétés et des associations ou de son arrêté d’exécution
qui figure dans une disposition du Code des impôts sur les
revenus 1992, du Code des droits d’enregistrement, d’hypo-
thèque et de greffe, du Code des droits de succession, du
Code des droits et taxes divers, du Code de la Taxe sur la
valeur ajoutée, de la législation particulière relative à ces
impôts ou des arrêtés pris pour leur exécution doit se lire,
pour ce qui concerne cette société, association ou fondation,
comme une référence à la disposition du Code des sociétés,
de son arrêté d’exécution ou autre législation particulière qui
figurait dans cette disposition fiscale avant l’entrée en vigueur
de la présente loi.
§ 3. Aussi longtemps que, conformément au chapitre IV,
section II, de la loi du…(xxx), une société, association ou
fondation régie par le droit belge conserve une forme légale
que le Code des sociétés et des associations ne reconnaît
pas, les dispositions du Code des impôts sur les revenus
1992, du Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque
et de greffe, du Code des droits de succession, du Code
des droits et taxes divers, du Code de la Taxe sur la valeur
ajoutée, de la législation particulière relative à ces impôts ou
des arrêtés pris pour leur exécution qui mentionnaient cette
forme légale avant l’entrée en vigueur de la présente loi sont
réputées continuer à la mentionner comme avant l’entrée en
vigueur de la présente loi pour ce qui concerne cette société,
association ou fondation.
94
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Voorontwerp van wet tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van
vennootschappen en verenigingen - (v1) - 13/11/2018 14:56
1/3
Geïntegreerde impactanalyse
Beschrijvende fiche
A. Auteur
Bevoegd regeringslid
Johan Van Overtveldt, Minister van Financiën
Contactpersoon beleidscel
Naam : /
E-mail : info@kcfin.be
Tel. Nr. : /
Overheidsdienst
FOD Financiën
Contactpersoon overheidsdienst
Naam : Dr1 Inkomstenbelastingen Nationaal
E-mail : regl.dr1-ibisr.nat@minfin.fed.be
Tel. Nr. : /
B. Ontwerp
Titel van de regelgeving
Voorontwerp van wet tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek
van vennootschappen en verenigingen
Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn,
samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering.
Deze bepalingen hebben tot doel om een stabiel en ondubbelzinnig juridisch kader te voorzien
waarbinnen de onderwerping aan de vennootschapsbelasting van rechtspersonen die tot dan aan de
rechtspersonenbelasting onderworpen waren, zal plaatsvinden.
Impactanalyses reeds uitgevoerd:
Ja
Nee
C. Raadpleging over het ontwerp van regelgeving
Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen
D. Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren
Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en referentiepersonen
95
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Voorontwerp van wet tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van
vennootschappen en verenigingen - (v1) - 13/11/2018 14:56
2/3
Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s?
1. Kansarmoedebestrijding
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
2. Gelijke kansen en sociale cohesie
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
3. Gelijkheid van vrouwen en mannen
1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar
geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen?
Er zijn personen betrokken.
Personen zijn niet betrokken.
Leg uit waarom:
Het betreft een regelgeving die moet zorgen voor een algemene behandeling van elke overgang van de
onderwerping aan de rechtspersonenbelasting naar de onderwerping aan de vennootschapsbelasting.
Enkel rechtspersonen worden beoogd.
4. Gezondheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
5. Werkgelegenheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
6. Consumptie- en productiepatronen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
7. Economische ontwikkeling
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
8. Investeringen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
9. Onderzoek en ontwikkeling
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
10. Kmo's
1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken?
Er zijn ondernemingen (inclusief kmo's) betrokken.
Ondernemingen zijn niet betrokken.
Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (
KMO's zonder minimum kapitaal
2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s.
96
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Voorontwerp van wet tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van
vennootschappen en verenigingen - (v1) - 13/11/2018 14:56
3/3
N.B. de impact op de administratieve lasten moet bij het punt 11 gedetailleerd worden
Vennootschappen zonder minimaal kapitaal worden niet langer uitgesloten van het voordeel van de
VVPRbis-regeling.
Er is een negatieve impact.
11. Administratieve lasten
Ondernemingen of burgers zijn betrokken.
Ondernemingen of burgers zijn niet betrokken.
12. Energie
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
13. Mobiliteit
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
14. Voeding
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
15. Klimaatverandering
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
16. Natuurlijke hulpbronnen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
17. Buiten- en binnenlucht
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
18. Biodiversiteit
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
19. Hinder
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
20. Overheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
21. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling
1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de
ontwikkelingslanden op het vlak van: voedselveiligheid, gezondheid en toegang tot geneesmiddelen,
waardig werk, lokale en internationale handel, inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie),
mobiliteit van personen, leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling), vrede
en veiligheid.
Impact op ontwikkelingslanden.
Geen impact op ontwikkelingslanden.
Leg uit waarom:
De wet beoogt enkel de noodzakelijke aanpassing van de federale fiscale bepalingen aan het nieuwe
Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
97
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Avant-projet de loi adaptant certaines dispositions fiscales fédérales au nouveau Code des sociétés et des associations -
(v1) - 13/11/2018 14:56
1/3
Analyse d'impact intégrée
Fiche signalétique
A. Auteur
Membre du Gouvernement compétent
Johan Van Overtveldt, Ministre des Finances
Contact cellule stratégique
Nom : /
E-mail : info@kcfin.be
Téléphone : /
Administration
SPF Finances
Contact administration
Nom : Dr1 Inkomstenbelastingen Nationaal
E-mail : regl.dr1-ibisr.nat@minfin.fed.be
Téléphone : /
B. Projet
Titre de la règlementation
Avant-projet de loi adaptant certaines dispositions fiscales fédérales au nouveau Code des sociétés et
des associations
Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités,
directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre.
Le projet de loi vise l'adaptation nécessaire des dispositions fiscales fédérales au nouveau Code des
Sociétés et des Associations, qui fait l'objet du projet de loi "introduisant le Code des Sociétés et des
Associations et portant des dispositions diverses". Le présent projet de loi vise principalement à garantir
la neutralté sur le plan fiscal, et non pas d'implémenter des modifications substantielles dans les
dispositions fiscales.
Analyses d'impact déjà réalisées :
Oui
Non
C. Consultations sur le projet de réglementation
Consultation obligatoire, facultative ou informelle
D. Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact
Statistiques, documents, institutions et personnes de référence
98
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Avant-projet de loi adaptant certaines dispositions fiscales fédérales au nouveau Code des sociétés et des associations -
(v1) - 13/11/2018 14:56
2/3
Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ?
1. Lutte contre la pauvreté
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
2. Égalité des chances et cohésion sociale
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
3. Égalité des femmes et des hommes
1. Quelles personnes sont (directement et indirectement) concernées par le projet et quelle est la
composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ?
Des personnes sont concernées.
Aucune personne n’est concernée.
Expliquez pourquoi :
Le projet concerne l'adaptation de certaines dispositions fiscales fédérales au nouveau Code des
sociétés et des associations
4. Santé
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
5. Emploi
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
6. Modes de consommation et production
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
7. Développement économique
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
8. Investissements
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
9. Recherche et développement
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
10. PME
1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées ?
Des entreprises (dont des PME) sont concernées.
Aucune entreprise n'est concernée.
Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (
Les PME sans capital minimum
2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME.
99
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Avant-projet de loi adaptant certaines dispositions fiscales fédérales au nouveau Code des sociétés et des associations -
(v1) - 13/11/2018 14:56
3/3
N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11
Les sociétés sans capital minimum ne sont plus exclues de l'avantage de la mesure VVPRbis.
Il y a des impacts négatifs.
11. Charges administratives
Des entreprises/citoyens sont concernés.
Les entreprises/citoyens ne sont pas concernés.
12. Énergie
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
13. Mobilité
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
14. Alimentation
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
15. Changements climatiques
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
16. Ressources naturelles
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
17. Air intérieur et extérieur
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
18. Biodiversité
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
19. Nuisances
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
20. Autorités publiques
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
21. Cohérence des politiques en faveur du développement
1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les
domaines suivants : sécurité alimentaire, santé et accès aux médicaments, travail décent, commerce local et
international, revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation), mobilité des personnes,
environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre), paix et sécurité.
Impact sur les pays en développement.
Pas d'imapct sur les pays en développement.
Expliquez pourquoi :
La loi ne vise que l'adaptation nécessaire des mesures fiscales fédérales au nouveau Code des sociétés
et des associations.
100
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
NR. 63.598/36 VAN 6 JULI 2018
Op 28 mei 2018 is de Raad van State, afdeling Wetgeving,
door de minister van Financiën verzocht binnen een termijn
van dertig dagen een advies te verstrekken over een vooront-
werp van wet “tot aanpassing van bepaalde federale fiscale
bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”.
Het voorontwerp is door de derde kamer onderzocht op
26 juni 2018. De kamer was samengesteld uit Jo BAERT,
kamervoorzitter, Jan SMETS en Jeroen VAN NIEUWENHOVE,
staatsraden, Jan VELAERS en Bruno PEETERS, assessoren, en
Astrid TRUYENS, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Frédéric VANNESTE en
Jonas RIEMSLAGH, auditeurs.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Jo BAERT,
kamervoorzitter.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op
6 juli 2018.
*
1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wet-
ten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973,
heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek
van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de
rechtsgrond3, alsmede van de vraag of aan de te vervullen
vormvereisten is voldaan.
Daarnaast bevat dit advies ook een aantal opmerkingen
over andere punten. Daaruit mag echter niet worden afgeleid
dat de afdeling Wetgeving binnen de haar toegemeten termijn
een exhaustief onderzoek van het voorontwerp heeft kunnen
verrichten.
*
STREKKING VAN HET VOORONTWERP
2. Het om advies voorgelegde voorontwerp van wet strekt
ertoe de federale fiscale wetgeving aan te passen aan het
nieuw geconcipieerde Wetboek van vennootschappen en
verenigingen (hierna: WVV).4
3
Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder
“rechtsgrond” de conformiteit met hogere rechtsnormen verstaan.
4
Over het voorontwerp van wet “tot invoering van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse
bepalingen” heeft de afdeling Wetgeving op 9 oktober 2017 het
advies 61.988/2 gegeven. Het wetsontwerp is op 4 juni 2018
ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers (Parl.St.
Kamer 2017-18, nr. 54-3119/001).
AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT
N° 63.598/36 DU 6 JULLET 2018
Le 28 mai 2018, le Conseil d’État, section de législation,
a été invité par le ministre des Finances à communiquer un
avis, dans un délai de trente jours, sur un avant-projet de loi
“adoptant certaines dispositions fiscales fédérales au nouveau
Code des sociétés et des associations”.
L’avant-projet a été examiné par la troisième chambre le
26 juin 2018. La chambre était composée de Jo Baert, pré-
sident de chambre, Jan Smets et Jeroen Van Nieuwenhove,
conseillers d’État, Jan Velaers et Bruno Peeters, assesseurs,
et Astrid Truyens, greffier.
Le rapport a été présenté par Frédéric Vanneste et
Jonas Riemslagh, auditeurs.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de
Jo Baert, président de chambre.
L’avis, dont le texte suit, a été donné le 6 juillet 2018.
*
1. En application de l’article 84, § 3, alinéa 1er, des lois sur
le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973, la section
de législation a fait porter son examen essentiellement sur
la compétence de l’auteur de l’acte, le fondement juridique3
et l’accomplissement des formalités prescrites.
Par ailleurs, le présent avis comporte également un cer-
tain nombre d’observations sur d’autres points. Il ne peut
toutefois s’en déduire que, dans le délai qui lui est imparti, la
section de législation a pu procéder à un examen exhaustif
de l’avant-projet.
*
PORTÉE DE L’AVANT-PROJET
2. L’avant-projet de loi soumis pour avis a pour objet
d’adapter la législation fiscale fédérale au Code des sociétés
et des associations nouvellement élaboré (ci-après: CSA)4.
3
S’agissant d’un avant-projet de loi, on entend par “fondement
juridique” la conformité avec les normes supérieures.
4
Sur l’avant-projet de loi “introduisant le Code des sociétés et des
associations et portant des dispositions diverses”, la section de
législation a donné le 9 octobre 2017, l’avis 61.988/2. Le projet de
loi a été déposé le 4 juin 2018 à la Chambre des représentants
(Doc. parl., Chambre, 2017-18, n° 54-3119/001).
101
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
ALGEMENE OPMERKINGEN
3. Het wetsontwerp dat tot het nieuwe WVV moet leiden,
is door de wetgever nog niet aangenomen, maar wordt nog
besproken in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het
is dus niet denkbeeldig dat het nog wijzigingen ondergaat.
Gebeurlijk zal het voorontwerp dus nog moeten worden aan-
gepast ingevolge dergelijke wijzigingen.
Voor haar onderzoek van het voorontwerp heeft de afde-
ling Wetgeving noodgedwongen gebruik moeten maken van
de haar door de adviesaanvrager meegedeelde tekst van het
wetsontwerp. Bij dat onderzoek is ervan uitgegaan dat het
wetsontwerp ongewijzigd zal worden aangenomen.
Indien de aan de Raad van State voorgelegde tekst nog
wijzigingen zou ondergaan die geen gevolg zijn van in dit
advies gemaakte opmerkingen, onder meer ten gevolge van
wijzigingen die het WVV nog zou ondergaan, moeten de
gewijzigde of de toegevoegde bepalingen, ter inachtneming
van het voorschrift van artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten
op de Raad van State, aan de afdeling Wetgeving worden
voorgelegd.
4. Het vervangen van begrippen in de geldende wetgeving
heeft soms onbedoelde gevolgen. De stellers van het ontwerp
moeten daar beducht voor zijn en zorgvuldig nagaan of dit
geen bijkomende aanpassingen in de wetgeving noodzakelijk
maakt.
Een goed voorbeeld van zo’n onbedoeld gevolg is te
vinden in artikel 84 van het voorontwerp, dat in de memorie
van toelichting wordt omschreven als een wijziging waarvan
de draagwijdte beperkt is en die voortkomt uit het feit dat het
begrip “handelsvennootschap” niet langer wordt gebruikt.
Artikel 84 strekt ertoe om in artikel 57, § 6, van het Wetboek
van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (hierna: het
Btw-wetboek) het woord “handelsvennootschap” te vervangen
door het woord “vennootschap”, zodat uit de betrokken bepa-
ling blijkt dat de landbouwondernemers onderworpen blijven
aan alle verplichtingen van btw-belastingplichtigen “wanneer
ze de vorm van een vennootschap hebben aangenomen”.
Artikel 2, § 3, van het huidige Wetboek van vennootschap-
pen “erkent als burgerlijke vennootschap met rechtsper-
soonlijkheid de landbouwvennootschap, afgekort LV”. Dat
betekent dat landbouwondernemers die de vorm van een
landbouwvennootschap hebben aangenomen thans in be-
ginsel niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 57, § 6, 1°,
van het Btw-Wetboek, vermits het veelal niet om handelsven-
nootschappen gaat.
Het ontworpen artikel 8:2 van het WVV voorziet erin dat
vennootschappen, onder door de Koning te bepalen voorwaar-
den, kunnen “worden erkend als een landbouwonderneming”.
In al die gevallen zal de landbouwonderneming echter “de
vorm van een vennootschap hebben aangenomen” en vol-
doen aan de voorwaarde van het bij artikel 84 van de aan te
nemen wet te wijzigen artikel 57, § 6, 1°, van het Btw-Wetboek.
Dit betekent dat de draagwijdte van deze bepaling wel degelijk
inhoudelijk wordt gewijzigd.
OBSERVATIONS GÉNÉRALES
3. Le projet de loi qui doit devenir le nouveau CSA n’a pas
encore été adopté par le législateur, mais est actuellement
à l’examen à la Chambre des représentants. Il n’est par
conséquent pas inconcevable qu’il soit encore modifié. Le
cas échéant, l’avant-projet devra donc encore être adapté à
la suite de telles modifications.
Pour son examen, la section de législation a, inévitable-
ment, dû utiliser le texte du projet de loi que lui a communiqué
le demandeur de l’avis. Cet examen est fondé sur l’hypothèse
que le projet de loi sera adopté en l’état.
Si le texte soumis au Conseil d’État devait encore subir
des modifications qui ne sont pas la conséquence des obser-
vations formulées dans le présent avis, notamment à la suite
de modifications qui seraient encore apportées au CSA, les
dispositions modifiées ou ajoutées devraient être soumises
à la section de législation, conformément à la prescription
de l’article 3, § 1er, alinéa 1er, des lois sur le Conseil d’État.
4. Le remplacement de notions dans la législation en
vigueur a parfois des effets qui ne sont pas voulus. Les auteurs
du projet doivent s’en inquiéter et examiner attentivement
s’il n’en résulte pas d’autres adaptations nécessaires de la
législation.
On peut trouver une bonne illustration d’un tel effet non
souhaité à l’article 84 de l’avant-projet, que l’exposé des
motifs qualifie de modification dont la portée est limitée, et
qui découle du fait que la notion de “société commerciale”
n’est plus utilisée.
L’article 84 vise à remplacer les mots “société commer-
ciale” par le mot “société” à l’article 57, § 6, 1°, du Code de
la taxe sur la valeur ajoutée (ci-après: C.TVA), de sorte qu’il
résulte de la disposition concernée que les exploitants agri-
coles restent soumis à toutes les obligations incombant aux
assujettis à la TVA “lorsqu’ils ont emprunté la forme d’une
société”.
L’article 2, § 3, du Code des sociétés actuel “reconnaît
en tant que société civile dotée de la personnalité juridique,
la société agricole, en abrégé S. Agr.”. Cela signifie que les
exploitants agricoles qui ont adopté la forme d’une société
agricole ne satisfont actuellement pas, en principe, à la condi-
tion de l’article 57, § 6, 1°, du C.TVA, dès lors qu’il ne s’agit
généralement pas de sociétés commerciales.
L’article 8:2, en projet, du CSA prévoit que, dans les condi-
tions à déterminer par le Roi, des sociétés “peu[ven]t être
reconnue[s] comme une entreprise agricole”. Dans tous ces
cas, l’entreprise agricole aura cependant adopté “la forme
d’une société” et remplira la condition de l’article 57, § 6, 1°,
du C.TVA que l’article 84 de la loi à adopter entend modifier.
Il s’ensuit que la portée de cette disposition est bel et bien
modifiée substantiellement.
102
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Hieromtrent ondervraagd verklaarde de gemachtigde het
volgende:
“Het ontwerp van het nieuwe Wetboek van vennootschap-
pen vertrekt vanuit het idee van een afschaffing van het onder-
scheid tussen burgerlijke vennootschappen en handelsven-
nootschappen wat tot gevolg heeft dat de huidige verwijzing
in artikel 57, § 6, 1°, van het Btw-wetboek noodgedwongen
moet worden aangepast.
Momenteel kan de landbouwvennootschap die opgericht
is onder de vorm van een vennootschap naar burgerlijk recht
met als doel de exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf
worden onderworpen aan de bijzondere btw-regeling voor
landbouwers. Landbouwondernemingen die gebruik maken
van de rechtsvorm van de VOF, de gewone commanditaire
vennootschap en de BVBA zijn anderzijds in principe uitge-
sloten van de toepassing van de bijzondere regeling.
Ter zake bepaalt de memorie van toelichting bij het nieuwe
Wetboek van vennootschappen het volgende:
“De coöperatieve vennootschap met onbeperkte aanspra-
kelijkheid van de vennoten (CVOA) en het Belgische econo-
misch samenwerkingsverband (ESV) worden afgeschaft. Dit
is ook het geval voor de landbouwvennootschap (LV), die als
rechtsvorm in zeer grote mate overeenkomt met een vennoot-
schap onder firma of gewone commanditaire vennootschap.
Nu deze vennootschapsvorm toegang verschaft tot bepaalde
voordelen, op burgerrechtelijk vlak (zoals bijvoorbeeld inzake
pacht) en in andere domeinen, kan een VOF, een CommV,
en zelfs een besloten vennootschap (zie hieronder) of een
coöperatieve vennootschap die actief is als land- of tuinbouw-
bedrijf, onder de door de Koning vast te leggen voorwaarden
worden erkend als landbouwonderneming. Aan deze erken-
ning kunnen dan bepaalde gevolgen worden vastgeknoopt,
bv. op fiscaal vlak, of nog, inzake subsidies. Verder wordt er
zorg voor gedragen dat de exploitatie door een beherend
vennoot van een vennootschap die een exploitatie van een
land- of tuinbouwbedrijf tot voorwerp heeft, voor doeleinden
van de pachtwet nog steeds wordt gelijkgesteld met diens
persoonlijke exploitatie (zie artikel 838 W.Venn.).”
Het is niet noodzakelijkerwijze de bedoeling door de aan-
passing van de terminologie de draagwijdte van de bepaling
inhoudelijk te wijzigen. Rekening houdend met de memorie
van toelichting is het niet onmiskenbaar duidelijk of er daad-
werkelijk een reëel verschil in draagwijdte wordt gecreëerd
binnen de bijzondere btw-regeling door de nieuwe termino-
logie. Er zal niettemin worden onderzocht op welke manier
de draagwijdte van de huidige bepaling zoveel mogelijk intact
wordt gelaten aan de hand van de nieuwe terminologie en zo
nodig zal die maximale overeenstemming worden hersteld
aan de hand van specifieke uitsluitingen van bepaalde ven-
nootschappen of ondernemingen uit het concept “vennoot-
schappen” voor de toepassing van de bijzondere btw-regeling
voor landbouwers.”
Interrogé à ce sujet, le délégué a déclaré ce qui suit:
“Het ontwerp van het nieuwe Wetboek van vennootschap-
pen vertrekt vanuit het idee van een afschaffing van het onder-
scheid tussen burgerlijke vennootschappen en handelsven-
nootschappen wat tot gevolg heeft dat de huidige verwijzing
in artikel 57, § 6, 1°, van het Btw-wetboek noodgedwongen
moet worden aangepast.
Momenteel kan de landbouwvennootschap die opgericht
is onder de vorm van een vennootschap naar burgerlijk recht
met als doel de exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf
worden onderworpen aan de bijzondere btw-regeling voor
landbouwers. Landbouwondernemingen die gebruik maken
van de rechtsvorm van de VOF, de gewone commanditaire
vennootschap en de BVBA zijn anderzijds in principe uitges-
loten van de toepassing van de bijzondere regeling.
Ter zake bepaalt de memorie van toelichting bij het nieuwe
Wetboek van vennootschappen het volgende:
“De coöperatieve vennootschap met onbeperkte aans-
prakelijkheid van de vennoten (CVOA) en het Belgische
economisch samenwerkingsverband (ESV) worden afges-
chaft. Dit is ook het geval voor de landbouwvennootschap
(LV), die als rechtsvorm in zeer grote mate overeenkomt met
een vennootschap onder firma of gewone commanditaire
vennootschap. Nu deze vennootschapsvorm toegang ver-
schaft tot bepaalde voordelen, op burgerrechtelijk vlak (zoals
bijvoorbeeld inzake pacht) en in andere domeinen, kan een
VOF, een CommV, en zelfs een besloten vennootschap (zie
hieronder) of een coöperatieve vennootschap die actief is als
land- of tuinbouwbedrijf, onder de door de Koning vast te leg-
gen voorwaarden worden erkend als landbouwonderneming.
Aan deze erkenning kunnen dan bepaalde gevolgen worden
vastgeknoopt, bv. op fiscaal vlak, of nog, inzake subsidies.
Verder wordt er zorg voor gedragen dat de exploitatie door
een beherend vennoot van een vennootschap die een exploi-
tatie van een land- of tuinbouwbedrijf tot voorwerp heeft, voor
doeleinden van de pachtwet nog steeds wordt gelijkgesteld
met diens persoonlijke exploitatie (zie artikel 838 W.Venn.).”
Het is niet noodzakelijkerwijze de bedoeling door de
aanpassing van de terminologie de draagwijdte van de
bepaling inhoudelijk te wijzigen. Rekening houdend met
de memorie van toelichting is het niet onmiskenbaar dui-
delijk of er daadwerkelijk een reëel verschil in draagwijdte
wordt gecreëerd binnen de bijzondere btw-regeling door de
nieuwe terminologie. Er zal niettemin worden onderzocht op
welke manier de draagwijdte van de huidige bepaling zoveel
mogelijk intact wordt gelaten aan de hand van de nieuwe
terminologie en zo nodig zal die maximale overeenstemming
worden hersteld aan de hand van specifieke uitsluitingen van
bepaalde vennootschappen of ondernemingen uit het concept
“vennootschappen” voor de toepassing van de bijzondere
btw-regeling voor landbouwers”.
103
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
ONDERZOEK VAN DE TEKST
Artikel 2
5. Artikel 2, 3°, van het voorontwerp strekt ertoe om in arti-
kel 2, § 1, 5°, b), van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
1992 (hierna: WIB 92) het volgende weerlegbaar vermoeden
in te voeren:
“Behoudens tegenbewijs, wordt de vennootschap die in
België haar maatschappelijke zetel heeft, vermoed daar ook
haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of be-
heer te hebben; het tegenbewijs is alleen toegelaten wanneer
de vennootschap bovendien aantoont dat haar fiscale woon-
plaats in een andere Staat is gevestigd dan België volgens
de fiscale wetgeving van deze Staat.”
Uit de memorie van toelichting blijkt dat deze toevoeging
wordt ingevoerd
“om rekening te houden met de mogelijke dissociatie die
de invoering van de leer van de statutaire zetel teweegbrengt
tussen de “nationaliteit” en de fiscale woonplaats van de ven-
nootschap. (…) Met het oog op rechtszekerheid, bevestigt
de definitie van de “binnenlandse vennootschap” de huidige
administratieve praktijk (Com. IB 92, n° 179/23) en de recht-
spraak (Brussel, 29 juni 1982 FJF 82/119), volgens dewelke
de vennootschap die haar maatschappelijke zetel in België
heeft wordt vermoed juris tantum, eveneens haar werkelijke
zetel in België te hebben.”
5.1. Het begrip “maatschappelijke zetel” wordt niet gede-
finieerd in het WIB 92. Ook in het WVV komt dit begrip niet
voor. Uit de memorie van toelichting bij het voorontwerp kan
worden afgeleid dat de stellers met “maatschappelijke zetel”
de statutaire zetel bedoelen. Dat begrip wordt ook gebruikt in
het WVV.5 In de memorie van toelichting bij het voorontwerp
wordt zelfs aangegeven dat het begrip “maatschappelijke
zetel” tot verwarring aanleiding geeft.
Op basis van de letterlijke bewoordingen van de ontworpen
bepaling is het ook niet vanzelfsprekend om dat begrip, waar-
aan uiteenlopende betekenissen kunnen worden gegeven,
te interpreteren als de statutaire zetel. Het verdient dan ook
aanbeveling om het begrip “statutaire zetel” te gebruiken.
5.2. Voorts rijst de vraag waarom in de voorgestelde
definitie nog steeds gebruik wordt gemaakt van het begrip-
penpaar “voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur
of beheer”. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de
wet van 20 november 1962 “houdende hervorming van de
inkomstenbelasting” werd verduidelijkt dat de zetel van be-
stuur en de zetel van beheer veeleer synoniemen zijn.6 Verder
kan uit deze parlementaire voorbereiding worden afgeleid
dat de toevoeging van dit begrippenpaar geen inhoudelijke
wijziging betekende, maar enkel diende om te benadrukken
dat een vennootschap in België vennootschapsbelasting
5
Zie artikel 14:16 van het WVV. Cf. ook de memorie van toelichting
bij het WVV: “Met de notie zetel wordt in dit wetsartikel en
doorheen het ganse wetboek de “statutaire zetel” bedoeld.” (Parl.
St. Kamer 2017-18, nr. 54-3119/001, 325).
6
Parl.St. Senaat 1961-62, nr. 366, 180.
EXAMEN DU TEXTE
Article 2
5. L’article 2, 3°, de l’avant-projet vise à introduire dans
l’article 2, § 1er, 5°, b), du Code des impôts sur les revenus
(ci-après: CIR 1992), la présomption réfragable suivante:
“La société qui a son siège statutaire en Belgique est
présumée sauf preuve contraire y avoir aussi son principal
établissement ou son siège de direction ou d’administration;
la preuve contraire est admise uniquement si la société établit
en outre qu’elle a son domicile fiscal dans un autre État que
la Belgique en vertu de la législation fiscale de cet État”.
Il ressort de l’exposé des motifs que cette disposition est
introduite
“pour tenir compte de la dissociation possible entre la
“nationalité” et la résidence fiscale de la société qu’implique
l’adoption de la théorie du siège statutaire. (…) Dans un but
de sécurité juridique, la définition de la “société résidente”
confirme la pratique administrative actuelle (Com. IR 92,
n° 179/23) et la jurisprudence (Bruxelles, 29 juin 1982, FJF,
82/119), selon laquelle la société qui a son siège statutaire
en Belgique est présumée, juris tantum, avoir également en
Belgique son siège réel”.
5.1. Le CIR 92 ne définit pas la notion de “siège social”.
Cette notion n’apparaît pas non plus dans le CSA. Il peut se
déduire de l’exposé des motifs de l’avant-projet que le terme
“siège social” utilisé par les auteurs vise le siège statutaire.
Le CSA utilise également cette notion5. L’exposé des motifs
de l’avant-projet indique même que la notion de “siège social”
peut être une source d’ambiguïté.
Prise à la lettre, la disposition en projet ne permet pas non
plus de considérer d’emblée que cette notion, susceptible
d’avoir diverses significations, vise le siège statutaire. Il est
dès lors recommandé d’utiliser la notion de “siège statutaire”.
5.2. La question se pose en outre de savoir pourquoi la
définition proposée continue à utiliser le couple de notions
“principal établissement ou son siège de direction ou
d’administration”. Lors des travaux préparatoires de la loi
du 20 novembre 1962 “portant réforme des impôts sur les
revenus”, il a été précisé que siège de direction et siège
d’administration sont plutôt synonymes6. Il peut en outre se
déduire de ces travaux préparatoires que l’introduction de
ce couple de notions n’impliquait pas de modification subs-
tantielle, mais ne servait qu’à souligner qu’une société doit
l’impôt des sociétés en Belgique dès l’instant où elle y a établi
5
Voir l’article 14:16 du CSA. Voir également l’exposé des motifs
du CSA: “Dans le présent article ainsi que dans l’ensemble du
code, la notion de “siège” signifie “siège statutaire””, Doc. parl.,
Chambre, 2017-18, n° 54-3119/001, p. 325.
6
Doc. parl., Sénat, 1961-62, n° 366, p. 180.
104
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
moet betalen als haar maatschappelijke zetel of de zetel van
waaruit ze haar bedrijvigheid bestuurt of beheert in België is
gevestigd, ongeacht waar de bedrijvigheid zelf wordt uitgeoe-
fend.7 Deze zienswijze is bevestigd door het hof van beroep
van Antwerpen.8
Er kan dus worden volstaan met de vermelding van de
“voornaamste inrichting”.
5.3. Voorts rijst de vraag of het wel wenselijk is een
weerlegbaar vermoeden in te voeren. Volgens artikel 1350
van het Burgerlijk Wetboek is een wettelijk vermoeden een
vermoeden dat door een bijzondere wetsbepaling met zekere
handelingen of zekere feiten verbonden is. De wet leidt met
andere woorden uit een bekend feit een onbekend feit af en
de rechter moet deze regel toepassen, voor zover het tegen-
bewijs ervan niet wordt geleverd.
Uit de aanwezigheid van een statutaire zetel in België
wordt door de stellers van het voorontwerp de aanwezigheid
van de werkelijke zetel afgeleid, hoewel de waarschijnlijkheid
van deze gevolgtrekking is verdwenen doordat in het ven-
nootschapsrecht enig verband in de toekomst tussen beide
zetels zal ontbreken. Dat de statutaire zetel in de toekomst niet
indicatief zal zijn voor de werkelijke zetel, blijkt des te meer
uit de achterliggende bedoeling om het Belgische vennoot-
schapsrecht aantrekkelijker te maken en vennootschappen
daarbij via de statutairezetelleer de mogelijkheid te bieden
de meest geschikte wetgeving te kiezen, ongeacht waar het
zwaartepunt van het beslissingsproces is gelegen.
De keuze voor een dergelijk vermoeden dient vanuit dit
oogpunt aan een nieuw onderzoek te worden onderworpen.
5.4. Het wettelijk vermoeden kan enkel worden weerlegd
“wanneer de vennootschap bovendien[9] aantoont dat haar
fiscale woonplaats in een andere Staat is gevestigd dan België
volgens de fiscale wetgeving van deze Staat”. Toont de ven-
nootschap dit niet aan, dan kan de belastingdienst zelf dat
tegenbewijs blijkbaar niet leveren. Het is niet duidelijk waarom
in die hypothese het tegenbewijs niet door de administratie
zou kunnen worden geleverd. Het fiscaal recht is van open-
bare orde, zodat ook de fiscale administratie de werkelijke
zetel in een andere Staat moet kunnen doen erkennen, ook
in omstandigheden dat de vennootschap zelf dat bewijs niet
levert, maar de administratie daartoe wel in staat is omdat zij
over de relevante gegevens beschikt.
5.5. Gelet op wat hiervoor is opgemerkt, wordt ter overwe-
ging gegeven om het ontworpen artikel 2, § 1, 5°, b), van het
WIB 92 als volgt te redigeren:
7
Parl.St. Senaat 1961-62, nr. 366, 180.
8
Antwerpen 17 december 2013, nr. 2012/AR/1274: “Zetel van
bestuur en zetel van beheer zijn in feite synoniemen van
voornaamste inrichting. De plaats van de voornaamste inrichting
moet worden beoordeeld los van de exploitatiezetel(s) van de
vennootschap en los van het land van de wetgeving waaronder
de vennootschap is opgericht.”.
9
De wijze waarop deze bepaling is gesteld en inzonderheid
de plaats van het woord “bovendien” erin brengt mee dat de
ontworpen bepaling enigszins vreemd aandoet.
son siège social ou le siège à partir duquel elle dirige ou gère
ses activités, quel que soit le lieu où ses activités proprement
dites sont exercées7. Cette interprétation a été confirmée par
la cour d’appel d’Anvers8.
La mention de “principal établissement” peut dès lors
suffire.
5.3. La question se pose en outre de savoir s’il est réelle-
ment opportun d’instaurer une présomption réfragable. Selon
l’article 1350 du Code civil, la présomption légale est celle
qui est attachée par une loi spéciale à certains actes ou à
certains faits. En d’autres mots, d’un fait connu, la loi déduit
un fait inconnu et le juge est tenu d’appliquer cette règle pour
autant que la preuve contraire n’en soit pas apportée.
Les auteurs de l’avant-projet déduisent de la présence
d’un siège statutaire en Belgique la présence du siège réel,
bien que la probabilité de conclure en ce sens ait disparu, dès
lors que dans le droit des sociétés, tout lien entre les deux
sièges fera défaut à l’avenir. Le fait que, dans le futur, le siège
statutaire ne sera pas indicatif pour déterminer le siège réel,
ressort d’autant plus de l’intention sous-jacente de rendre le
droit belge des sociétés plus attrayant et, à cet égard, d’offrir
la possibilité aux sociétés, par le biais de la doctrine du
siège statutaire, d’opter pour la législation la mieux adaptée,
indépendamment du lieu où se situe le centre de gravité du
processus décisionnel.
Le choix d’une telle présomption doit être soumis à un
nouvel examen au regard de ces considérations.
5.4. La présomption légale peut être uniquement renversée
“si la société établit en outre[9] qu’elle a son domicile fiscal
dans un autre État que la Belgique en vertu de la législation
fiscale de cet État”. Si la société ne le démontre pas, le service
des impôts ne peut manifestement pas lui-même apporter la
preuve contraire. On n’aperçoit pas clairement pourquoi, dans
cette hypothèse, l’administration ne pourrait pas apporter la
preuve contraire. Le droit fiscal étant d’ordre public, l’adminis-
tration fiscale doit également pouvoir faire reconnaître le siège
réel dans un autre État, même dans des circonstances où ce
n’est pas la société elle-même qui apporte cette preuve, mais
l’administration qui, dès lors qu’elle dispose des informations
pertinentes, est effectivement en mesure de le faire.
5.5. Vu les observations ci-dessus, il est suggéré de rédi-
ger l’article 2, § 1er, 5°, b), en projet, du CIR 92 comme suit:
7
Doc. parl., Sénat, 1961-62, n° 366, p. 180.
8
Anvers, 17 décembre 2013, n° 2012/RG/1274: (traduction) “Siège
de direction et siège d’administration sont en fait des synonymes
de principal établissement. Pour déterminer le lieu du principal
établissement, il n’y a pas lieu d’avoir égard au(x) siège(s)
d’exploitation de la société, ni au pays de la législation sous
l’empire de laquelle la société a été constituée”.
9
La manière dont cette disposition est rédigée et notamment la
place des mots “en outre” qui y sont mentionnés a pour effet que
la disposition en projet paraît quelque peu singulière.
105
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“b) binnenlandse vennootschap: enigerlei vennootschap
die niet van de vennootschapsbelasting is uitgesloten en die
in België haar voornaamste inrichting heeft of, op voorwaarde
dat haar fiscale woonplaats niet in een andere Staat is ge-
vestigd volgens de fiscale wetgeving van deze Staat, die in
België haar statutaire zetel heeft”.10
Deze formulering zal tot gevolg hebben dat de fiscale admi-
nistratie, wanneer zij van oordeel is dat de fiscale woonplaats
van de vennootschap daadwerkelijk in een andere Staat is
gevestigd, de verplichting heeft om af te zien van het criterium
“statutaire zetel” als territoriaal aanknopingspunt.
Op deze manier geformuleerd, spoort de ontworpen be-
paling overigens met de memorie van toelichting, waarin het
volgende wordt uiteengezet:
“Met andere woorden, wordt de vennootschap die haar
statutaire zetel in België heeft en die, noch volgens het fis-
caal recht van de staat waarin haar werkelijke zetel gelegen
is, noch volgens het fiscaal recht van een andere staat als
fiscaal inwoner wordt beschouwd, aangemerkt als een bin-
nenlandse vennootschap.”
Artikel 3
6. In artikel 3, 3°, van de Nederlandse tekst van het voor-
ontwerp dient het woord “vervangen” te worden toegevoegd.
Artikel 25
7. Artikel 25, 4°, van het voorontwerp strekt er onder meer
toe om in artikel 184ter, § 2, derde lid, van het WIB 92 het
woord “Belgische” in te voegen tussen de woorden “naar
de” en “voornaamste inrichting”. In artikel 184ter, § 2, derde
lid, van het WIB 92, dat is ingevoegd bij artikel 17, 3°, van de
wet van 25 december 2017 “tot hervorming van de vennoot-
schapsbelasting”, komt dat woord echter al voor op die plaats.
De zinsnede “en wordt het woord “Belgische” ingevoegd
tussen de woorden “naar de” en de woorden “voornaamste
inrichting”” moet derhalve weggelaten worden.
Artikel 29
8. Artikel 29, 2°, van het voorontwerp strekt tot het toevoe-
gen van een lid aan artikel 186 van het WIB 92. In dat artikel
wordt bepaald wat als uitgekeerd dividend moet worden
aangemerkt als een vennootschap eigen aandelen verkrijgt.
In het ontworpen lid wordt bepaald dat de nieuw verworven
aandelen geacht moeten worden te zijn vernietigd, “[i]n de
mate dat de verkrijging voor gevolg heeft dat de vennoot-
schap die de aandelen heeft uitgegeven eigen aandelen
in portefeuille houdt die meer dan 20 pct. van haar kapitaal
vertegenwoordigen”.
In de memorie van toelichting is daarover het volgende
te lezen:
10
Indien dit tekstvoorstel wordt gevolgd, zal ook artikel 2, § 1, 5°,
c), van het WIB 92 moeten worden aangepast.
“b) société résidente: toute société qui n’est pas exclue de
l’impôt des sociétés et qui a son principal établissement en
Belgique ou, à condition que son domicile fiscal ne soit pas
établi dans un autre État selon la législation fiscale de cet
État, qui a son siège statutaire en Belgique”10.
Cette formulation aura pour effet que l’administration
fiscale, lorsqu’elle estime que le domicile fiscal de la société
est effectivement établi dans un autre État, a l’obligation de
renoncer au critère du “siège statutaire” en tant que point de
rattachement territorial.
Ainsi formulée, la disposition en projet s’accorde par
ailleurs avec l’exposé des motifs, qui mentionne ce qui suit:
“En d’autres termes, la société qui a son siège statutaire
en Belgique et qui n’est considérée comme résidente fiscale
ni par le droit fiscal de l’État de son siège réel ni par le droit
fiscal d’un autre État sera considérée comme résidente
fiscale belge”.
Article 3
6. À l’article 3, 3°, du texte néerlandais de l’avant-projet,
on ajoutera le mot “vervangen”.
Article 25
7. L’article 25, 4°, de l’avant-projet vise notamment à
insérer les mots “en Belgique” entre les mots “ou d’adminis-
tration” et les mots “, ou vers un autre établissement” dans
l’article 184ter, § 2, alinéa 3, du CIR 92. À l’article 184ter,
§ 2, alinéa 3, du CIR 92, qui a été inséré par l’article 17, 3°,
de la loi du 25 décembre 2017 “portant réforme de l’impôt
des sociétés”, ces mots apparaissent toutefois déjà à cette
place. Le membre de phrase “et les mots “en Belgique” sont
insérés entre les mots “ou d’administration” et les mots “, ou
vers un autre établissement”” doit par conséquent être omis.
Article 29
8. L’article 29, 2°, de l’avant-projet vise à ajouter un alinéa
à l’article 186 du CIR 92. Cet article précise ce qu’il y a lieu
de considérer comme dividende distribué lorsqu’une société
acquiert ses propres actions ou parts. L’alinéa en projet dis-
pose que les actions ou parts nouvellement acquises sont
censées être détruites, “[d]ans la mesure où l’acquisition a
pour effet que la société émettrice des actions ou parts détient
en portefeuille des actions ou parts propres représentant plus
de 20 p.c. de son capital”.
À ce sujet, dans l’exposé des motifs, on peut lire ce qui suit:
10
Si cette proposition de texte est suivie, l’article 2, § 1er, 5°, c), du
CIR 92 devra également être adapté.
106
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Indien de extra aandelen gelijktijdig worden verworven,
maar van verschillende overdragers en/of tegen een verschil-
lende prijs, belet niets dat de vennootschap de aandelen
aanduidt die zullen worden geacht te zijn vernietigd. Bij gebrek
aan een dergelijke aanduiding, zal de fictie van de vernietiging
proportioneel worden toegepast op het aantal aandelen dat
is overgedragen door iedere overdrager en/of tegen iedere
andere prijs.”
Dit zal in de wet zelf tot uiting moeten worden gebracht.
De vermelding daarvan in de memorie van toelichting volstaat
niet.
9. De voorbeelden die in de memorie van toelichting worden
gegeven inzake het verwerven van eigen aandelen zijn niet
geheel duidelijk. Aan de gemachtigde is daarom gevraagd
die voorbeelden verder uit te werken. Die verduidelijking
luidt als volgt:
“La société anonyme A dispose d’un capital de
1 200 000 euros représenté par 4 000 actions d’une valeur
nominale unitaire de 300 euros.
Alors qu’elle possède déjà en portefeuille 800 actions
propres, elle achète 1 000 actions propres supplémentaires
au prix unitaire de 1000 euros.
a.1. Dans l’hypothèse d’un achat d’actions ou parts propres
suivi d’une cession:
a.1.1. Comptablement:
— Situation de départ:
Immobilisations: 1 400 000
Capital: 1 200 000
Etablissements de crédit:
1 100 000
Réserves légale et
disponibles: 1 300 000
Total de l’actif: 2 500 000
Total du passif: 2 500 000
— Achat de 1000 actions A au prix unitaire de 1000 euros:
Immobilisations: 1 400 000
Capital: 200 000
Actions propres: 1 000 000
Réserves légale et
disponibles: 300 000
Etablissements de crédit:
100 000
Réserve indisponible:
1 000 000
Total de l’actif: 2 500 000
Total du passif: 2 500 000
— Vente des 1000 actions A au prix unitaire de 800 euros:
Immobilisations: 1 400 000
Capital: 1 200 000
Actions propres: 0
Réserves légale et
disponibles: 1 100 000
Etablissements de crédit:
900 000
Total de l’actif: 2 300 000
Total du passif: 2 300 000
“Dans le cas où l’acquisition des actions supplémentaires
a lieu simultanément mais auprès de cédants différents et/ou
pour des prix différents, rien ne s’oppose ä ce que la société
désigne celles des actions qui seront censées détruites. A
défaut d’une telle désignation, la fiction de destruction sera
appliquée de façon proportionnelle au nombre d’actions
cédées par chaque cédant et/ou à chaque prix différent”.
Cette précision devra être inscrite dans la loi même. Il n’est
pas suffisant d’en faire mention dans l’exposé des motifs.
9. Les exemples donnés dans l’exposé des motifs concer-
nant l’acquisition d’actions propres manquent de clarté. Le
délégué a dès lors été invité à les préciser. Ces éclaircisse-
ments se présentent comme suit:
“La société anonyme A dispose d ’un capital de
1 200 000 euros représenté par 4 000 actions d’une valeur
nominale unitaire de 300 euros.
Alors qu’elle possède déjà en portefeuille 800 actions
propres, elle achète 1 000 actions propres supplémentaires
au prix unitaire de 1000 euros.
a.1. Dans l’hypothèse d’un achat d’actions ou parts propres
suivi d’une cession:
a.1.1. Comptablement:
— Situation de départ:
Immobilisations: 1 400 000
Capital: 1 200 000
Etablissements de crédit:
1 100 000
Réserves légale et
disponibles: 1 300 000
Total de l’actif: 2 500 000
Total du passif: 2 500 000
— Achat de 1000 actions A au prix unitaire de 1000 euros:
Immobilisations: 1 400 000
Capital: 200 000
Actions propres: 1 000 000
Réserves légale et
disponibles: 300 000
Etablissements de crédit:
100 000
Réserve indisponible:
1 000 000
Total de l’actif: 2 500 000
Total du passif: 2 500 000
— Vente des 1000 actions A au prix unitaire de 800 euros:
Immobilisations: 1 400 000
Capital: 1 200 000
Actions propres: 0
Réserves légale et
disponibles: 1 100 000
Etablissements de crédit:
900 000
Total de l’actif: 2 300 000
Total du passif: 2 300 000
107
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— Vente des 1000 actions A au prix unitaire de 1200 euros:
Immobilisations: 400 000
Capital: 1 200 000
Actions propres: 0
Réserves légale et
disponibles: 1. 500 000
Etablissements de crédit:
1 300 000
Total de l’actif: 2 700 000
Total du passif: 2 700 000
a.1.2. Fiscalement:
— Situation de départ:
Relevé 328D (situation du capital)
Capital libéré
1 200 000
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
1 300 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée
0
— Achat de 1000 actions A au prix unitaire de 1000 euros.
La société détenant déjà en portefeuille des actions représen-
tant 20 p.c. du capital (800 actions au prix unitaire de 300),
les 1 000 actions supplémentaires sont censées être détrui-
tes tant que ces actions restent en portefeuille (article 186,
alinéa 6, CIR 92, en projet). Situation intermédiaire:
Relevé 328D (situation du capital)
Colonne 2 (opérations): acquisition de 1000 actions propres
Colonne 4 (Capital réellement libéré)
1 200 000
-300 000
900 000
Colonne 8b ( actions propres en portefeuille cénsées an-
nulées ) 300 000
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
1 300 000
Réduction de valeur sur actions propre -700 000
Réserves légale et disponibles
600 000
Réserve indisponible pour actions propres
0
— Vente des 1000 actions A au prix unitaire de 1200 euros:
Immobilisations: 400 000
Capital: 1 200 000
Actions propres: 0
Réserves légale et
disponibles: 1. 500 000
Etablissements de crédit:
1 300 000
Total de l’actif: 2 700 000
Total du passif: 2 700 000
a.1.2. Fiscalement:
— Situation de départ:
Relevé 328D (situation du capital)
Capital libéré
1 200 000
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
1 300 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée
0
— Achat de 1000 actions A au prix unitaire de 1000 euros.
La société détenant déjà en portefeuille des actions représen-
tant 20 p.c. du capital (800 actions au prix unitaire de 300),
les 1 000 actions supplémentaires sont censées être détruites
tant que ces actions restent en portefeuille (article 186, ali-
néa 6, CIR 92, en projet). Situation intermédiaire:
Relevé 328D (situation du capital)
Colonne 2 (opérations): acquisition de 1000 actions propres
Colonne 4 (Capital réellement libéré)
1 200 000
-300 000
900 000
Colonne 8b ( actions propres en portefeuille cénsées
annulées ) 300 000
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
1 300 000
Réduction de valeur sur actions propre -700 000
Réserves légale et disponibles
600 000
Réserve indisponible pour actions propres
0
108
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée 1 000 000
Résultat fiscal:
Bénéfices réservés imposables:
— Réduction de valeur sur actions propres -700 000(*)
— Dividendes:
+700 000(**)(***)
Base imposable à l’ISoc.:
0
(*) Pas d’application de l’article 198, 7°, CIR 92 dans ce cas
pour éviter un double emploi avec les articles 186, al. 1er, et
188, al. 2 (voir QP n° 138 du 18.09 1992 du Sénateur Hatry,
Bull. Contr., n° 723, p. 208; Com.IR 92, n° 186/12) mais ap-
plication de l’article 188, al. 2, CIR 92
(**) Article 186, alinéa 2, 2°, CIR 92
(***) Pr.M à 30 p.c. sauf renonciation à la perception
— Vente des 1 000 actions A au prix unitaire de 800 euros:
Relevé 328D (situation du capital)
Colonne 4 (Capital réellement libéré)
1 200 000
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
600 000
Transfert de la réserve immunisée
+700 000
Moins-value sur actions
-200 000
Solde
1 100 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée
1 000 000
Transfert à capital
-300 000
Transfert à réserve légale et disponible -700 000
Solde
0
Résultat fiscal:
Bénéfices réservés imposables: -200 000(*)
Diminution de la situation de début des réserves
(moins-value exonérée sur actions ou parts) -200 000
Base imposable à l’ISoc.:
0
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée 1 000 000
Résultat fiscal:
Bénéfices réservés imposables:
— Réduction de valeur sur actions propres -700 000(*)
— Dividendes:
+700 000(**)(***)
Base imposable à l’ISoc.:
0
(*) Pas d’application de l’article 198, 7°, CIR 92 dans ce cas
pour éviter un double emploi avec les articles 186, al. 1er, et
188, al. 2 (voir QP n° 138 du 18.09 1992 du Sénateur Hatry,
Bull. Contr., n° 723, p. 208; Com.IR 92, n° 186/12) mais ap-
plication de l’article 188, al. 2, CIR 92
(**) Article 186, alinéa 2, 2°, CIR 92
(***) Pr.M à 30 p.c. sauf renonciation à la perception
— Vente des 1 000 actions A au prix unitaire de 800 euros:
Relevé 328D (situation du capital)
Colonne 4 (Capital réellement libéré)
1 200 000
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
600 000
Transfert de la réserve immunisée
+700 000
Moins-value sur actions
-200 000
Solde
1 100 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée
1 000 000
Transfert à capital
-300 000
Transfert à réserve légale et disponible -700 000
Solde
0
Résultat fiscal:
Bénéfices réservés imposables:
-200 000(*)
Diminution de la situation de début des réserves
(moins-value exonérée sur actions ou parts) -200 000
Base imposable à l’ISoc.:
0
109
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— Vente des 1 000 actions A au prix de 1 200 euros:
Relevé 328D (situation du capital)
Colonne 4 (Capital réellement libéré)
1 200 000
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
600 000
Transfert de la réserve immunisée
+700 000
Plus-value sur actions propres +200 000
Solde
1 500 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée
1 000 000
Transfert à capital
-300 000
Transfert à réserve légale et disponible -700 000
Solde
0
Résultat fiscal:
Réserves légales et disponibles:
+200 000
Majoration de la situation de début des réserves
(plus-value exonérée sur actions ou parts)
-0(*)
Bénéfices réservés imposables:
200 000
Dividendes:
0
Base imposable à l’ISoc.:
200 000
(*) -200 000 moyennant le respect des conditions de
l’article 192, § 1er, CIR 92. Mais en l’espèce, la société déte-
nait plus de 10 p.c. de ses actions, mais elle n’a pas détenu
les actions pendant la p ériode minimale requise d’un an, les
opérations se déroulant par hypothèse au cours de la même
période imposable.
b.2. Dans l’hypothèse d’un achat d’actions ou parts propres
suivi d’une destruction des actions ou parts:
b.1.1. Comptablement:
— Situation de départ:
Immobilisations 1 400 000
Capital 1 200 000
Etablissements de crédit
1 100 000
Réserves légale et
disponibles 1 300 000
Total de l’actif 2 500 000
Total du passif 2 500 000
— Vente des 1 000 actions A au prix de 1 200 euros:
Relevé 328D (situation du capital)
Colonne 4 (Capital réellement libéré)
1 200 000
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles
600 000
Transfert de la réserve immunisée
+700 000
Plus-value sur actions propres +200 000
Solde
1 500 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée
1 000 000
Transfert à capital
-300 000
Transfert à réserve légale et disponible -700 000
Solde
0
Résultat fiscal:
Réserves légales et disponibles:
+200 000
Majoration de la situation de début des réserves
(plus-value exonérée sur actions ou parts)
-0(*)
Bénéfices réservés imposables:
200 000
Dividendes:
0
Base imposable à l’ISoc.:
200 000
(*) -200 000 moyennant le respect des conditions de
l’article 192, § 1er, CIR 92. Mais en l’espèce, la société déte-
nait plus de 10 p.c. de ses actions, mais elle n’a pas détenu
les actions pendant la période minimale requise d’un an, les
opérations se déroulant par hypothèse au cours de la même
période imposable.
b.2. Dans l’hypothèse d’un achat d’actions ou parts
propres suivi d’une destruction des actions ou parts:
b.1.1. Comptablement:
— Situation de départ:
Immobilisations 1 400 000
Capital 1 200 000
Etablissements de crédit
1 100 000
Réserves légale et
disponibles 1 300 000
Total de l’actif 2 500 000
Total du passif 2 500 000
110
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— Achat de 1 000 actions A au prix de 1 000 euros:
Immobilisations 1 400 000
Capital 1 200 000
Actions propres 1 000 000
Réserves légale et
disponibles 300 000
Etablissements de crédit
100 000
Réserve indisponible
1 000 000
Total de l’actif 2 500 000
Total du passif 2 500 000
— Destruction des actions:
Immobilisations 1 400 000
Capital 900 000
Actions propres 0
Réserves légale et
disponibles 600 000
Etablissements de crédit
100 000
Réserve indisponible 0
Total de l’actif 1 500 000
Total du passif 1 500 000
b.1.2. Fiscalement:
Relevé 328D (situation du capital)
Capital libéré 1 200 000
Réduction du capital libéré
-300 000(*)
Capital libéré 900 000
(*) Article 188, CIR 92
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles 1 300 000
Perte sur actions propres
-700 000
Réserves légales et disponibles:
600 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée
0
Résultat fiscal:
Réserves légales et disponibles:
-700 000
Bénéfices réservés imposables:
-700 000
Dépenses non admises, perte sur actions propres:
0(*)
Dividendes:
700 000(**)(***)
Base imposable à l’Isoc.:
0
(*) Pas d’application de l’article 198, 7°, CIR 92 dans ce cas.
(**) Article 186, alinéa 2, 2°, CIR 92
(***) Pr.m de 30 p.c. sauf renonciation à la perception.”
— Achat de 1 000 actions A au prix de 1 000 euros:
Immobilisations 1 400 000
Capital 1 200 000
Actions propres 1 000 000
Réserves légale et
disponibles 300 000
Etablissements de crédit
100 000
Réserve indisponible
1 000 000
Total de l’actif 2 500 000
Total du passif 2 500 000
— Destruction des actions:
Immobilisations 1 400 000
Capital 900 000
Actions propres 0
Réserves légale et
disponibles 600 000
Etablissements de crédit
100 000
Réserve indisponible 0
Total de l’actif 1 500 000
Total du passif 1 500 000
b.1.2. Fiscalement:
Relevé 328D (situation du capital)
Capital libéré 1 200 000
Réduction du capital libéré
-300 000(*)
Capital libéré 900 000
(*) Article 188, CIR 92
Relevé 328R (Bénéfices réservés imposables)
Réserves légale et disponibles 1 300 000
Perte sur actions propres
-700 000
Réserves légales et disponibles:
600 000
Relevé 328S (Bénéfices réservés exonérés)
Plus-value exprimée non réalisée
0
Résultat fiscal:
Réserves légales et disponibles:
-700 000
Bénéfices réservés imposables:
-700 000
Dépenses non admises, perte sur actions propres:
0(*)
Dividendes:
700 000(**)(***)
Base imposable à l’Isoc.:
0
(*) Pas d’application de l’article 198, 7°, CIR 92 dans ce cas.
(**) Article 186, alinéa 2, 2°, CIR 92
(***) Pr.m de 30 p.c. sauf renonciation à la perception.”
111
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Het verdient aanbeveling om de vo orbeelden in de memo-
rie van toelichting te vervangen door deze meer uitgewerkte
cijfervoorbeelden.
10. Aan de gemachtigde is ook het volgende gevraagd:
“Indien de verkregen nettoprijs 1200 bedraagt, zal volgens
de toelichting sprake zijn van een belastbare winst van 200, in
voorkomend geval vrijgesteld op grond van art. 192, § 1 WIB
92. De vrijstelling van art. 192, § 1 is afhankelijk van het vol-
doen aan een aantal voorwaarden (permanentievoorwaarde,
participatievoorwaarde en taxatievoorwaarde, cf. DBI-aftrek).
De vraag rijst evenwel wat het temporeel ijkpunt is dat in
aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of
deze voorwaarden al dan niet zijn vervuld: het ogenblik van
de inkoop, van de verkoop of eventueel van de vernietiging.
Deze vraag is van belang wanneer de inkoop enerzijds en
de verkoop of vernietiging anderzijds niet plaatsvinden in
hetzelfde belastbaar tijdperk. Meer specifiek rijst ook de vraag
hoe de fictie van vernietiging (indien de inkoop de drempel van
20 % overschrijdt) doorwerkt in de beoordeling of voormelde
voorwaarden zijn vervuld. Het is aangewezen dat dit uitdruk-
kelijk in de wet wordt bepaald.”
Het antwoord luidt:
“La fiction instaurée par le projet de loi à l’article 186, ali-
néa 6, CIR 92 ne vaut que “tant que les actions ou parts sont
conservées en portefeuille”.
En cas de revente des actions ou parts propres, la fiction
légale cesse de produire ses effets et les règles suivantes se-
ront applicables au résultat de la vente des actions: en cas de
la plus-value sur actions ou parts, l’exposé des motifs renvoie
explicitement à l’application des conditions de l’article 192,
§ 1er, CIR 92, lequel conditionne l’exonération de la plus-value
au respect des conditions des articles 202 et 203, CIR 92.
Ces conditions doivent s’apprécier au moment de la revente
des actions ou parts à partir de la date d’acquisition de ces
actions ou parts.
En cas de moins-value, il y a application de l’article 198,
7°, CIR 92, à défaut de risque de double emploi avec les
articles 186, al. 1er, et 188, al. 2, ceux-ci ayant déjà joué au
moment de l’acquisition par l’effet de la fiction légale.”
Uit deze toelichting volgt dat de vervulling van de voor-
waarden van de vrijstelling van artikel 192, § 1, van het WIB
92 wordt beoordeeld bij de wederverkoop van de aandelen,
maar te beginnen vanaf de datum van inkoop. Het verdient
aanbeveling dit te bepalen in de wet zelf. Bovendien rijst de
vraag of het daarbij een verschil maakt of de inkoop en de
verkoop plaatsvinden in hetzelfde tijdperk. Ook hierover wordt
het best uitsluitsel gegeven.
Daarnaast is in lijn met de vorige vraag ten aanzien van
de gemachtigde ook opgemerkt dat de inhouding van de roe-
rende voorheffing vragen doet rijzen bij het temporeel ijkpunt
waarop het al dan niet voldaan zijn aan de voorwaarden van de
vrijstelling van roerende voorheffing (participatievoorwaarde,
Il est recommandé de remplacer les exemples figurant dans
l’exposé des motifs par ces exemples chiffrés mieux détaillés.
10. La question suivante a également été posée au
délégué:
“Selon le commentaire, si le prix net obtenu est de 1200, il
sera question d’un bénéfice imposable de 200, le cas échéant
exonéré conformément à l’art. 192, § 1er, CIR 92. L’exonération
prévue à l’art. 192, § 1er est soumise au respect d’un certain
nombre de conditions (condition de permanence, condition
de participation et condition de taxation, cf. déduction RDT).
La question se pose toutefois de savoir quel est le point de
référence temporel à prendre en considération pour appré-
cier si ces conditions ont été remplies ou non: le moment de
l’achat, de la vente ou éventuellement de la destruction. Cette
question est importante lorsque l’achat, d’une part, et la vente
ou la destruction, d’autre part, n’ont pas lieu durant la même
période imposable. Se pose également plus spécifiquement la
question de savoir comment la fiction de destruction (si l’achat
dépasse le seuil de 20 %) produit ses effets sur l’appréciation
du respect des conditions précitées. Il est recommandé d’en
faire expressément mention dans la loi”.
La réponse s’énonce comme suit:
“La fiction instaurée par le projet de loi à l’article 186, ali-
néa 6, CIR 92 ne vaut que “tant que les actions ou parts sont
conservées en portefeuille”.
En cas de revente des actions ou parts propres, la fiction
légale cesse de produire ses effets et les règles suivantes se-
ront applicables au résultat de la vente des actions: en cas de
la plus-value sur actions ou parts, l’exposé des motifs renvoie
explicitement à l’application des conditions de l’article 192,
§ 1er, CIR 92, lequel conditionne l’exonération de la plus-value
au respect des conditions des articles 202 et 203, CIR 92.
Ces conditions doivent s’apprécier au moment de la
revente des actions ou parts à partir de la date d’acquisition
de ces actions ou parts.
En cas de moins-value, il y a application de l’article 198,
7°, CIR 92, à défaut de risque de double emploi avec les
articles 186, al. 1er, et 188, al. 2, ceux-ci ayant déjà joué au
moment de l’acquisition par l’effet de la fiction légale”.
Il ressort de ce commentaire que le respect des conditions
de l’exonération visées à l’article 192, § 1er, CIR 92 s’apprécie
au moment de la revente des actions ou parts, mais à partir
de la date d’acquisition. Il est recommandé de le préciser
dans la loi proprement dite. La question se pose en outre de
savoir si cela fait une différence que l’achat et la vente inter-
viennent dans la même période. Mieux vaudrait également
éclaircir ce point.
En outre, il a également été observé dans le droit fil de la
question précédente posée au délégué que la retenue du pré-
compte mobilier soulève des questions quant au point de réfé-
rence temporel auquel il convient d’apprécier si les conditions
de l’exonération du précompte mobilier ont été respectées ou
112
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
permanentievoorwaarde) moet worden beoordeeld, eveneens
in het licht van de fictie van vernietiging.
Daarop reageerde de gemachtigde als volgt:
“Les réponses données à la question b, alinéa 1er, ci-dessus
s’appliquent mutatis mutandis aux conditions de renonciation
à la perception du Pr.M.”
De vraag rijst evenwel of geen onderscheid moet worden
gemaakt naargelang het gaat over een inkoop van aandelen
boven of onder de drempel van 20 % en naargelang het
moment van vernietiging of verkoop van deze ingekochte
aandelen:
a) Bij een inkoop boven de 20 %-drempel gevolgd door een
onmiddellijke vernietiging of verkoop, is er fiscaal gezien on-
middellijk sprake van een dividenduitkering. In die hypothese
valt de inkoopverrichting en de dividenduitkering samen op
hetzelfde moment en is dat het ijkpunt om te beoordelen of
de voorwaarden voor de vrijstelling van de inhouding van de
roerende voorheffing vervuld zijn. Dit blijkt ook uit het voor-
beeld van de gemachtigde.
b) Bij een inkoop onder de 20 %-drempel zonder onmiddel-
lijke vernietiging of verkoop is de situatie evenwel anders. Op
grond van artikel 267 van het WIB 92 is de roerende voorhef-
fing opeisbaar bij de toekenning of betaalbaarstelling van een
dividend. Het inkoopmoment is het moment waarop de beta-
ling plaatsvindt, maar fiscaal gezien is er slechts sprake van
een dividenduitkering als zich een vermogensverlies voordoet,
bijvoorbeeld bij vernietiging of verkoop (artikel 186, tweede lid,
van het WIB 92). Als de vernietiging of verkoop niet onmid-
dellijk gebeurt, is er enerzijds geen sprake van een roerend
inkomen bij de betaling van de inkoopbonus en anderzijds is
er op het moment van de latere vernietiging of verkoop geen
sprake meer van toekenning of betaling. Die toekenning of
betaling is nochtans bepalend voor de opeisbaarheid van de
roerende voorheffing. Bepaalde rechtspraak oordeelt dat er in
die hypothese geen wettelijke grondslag is voor de inhouding
van de roerende voorheffing.11
Dit alles zal duidelijker tot uiting moeten worden gebracht
in de ontworpen bepaling. Tevens moet worden verduidelijkt
of deze regeling geldt ongeacht de verkoop of vernietiging in
hetzelfde dan wel in een ander belastbaar tijdperk plaatsheeft
dan dit van de inkoop van de aandelen.12
De vraag wat het temporeel ijkpunt is, is overigens ook
van belang voor de verrekenbaarheid van de roerende voor-
heffing bij de aandeelhouder. Als de roerende voorheffing
werd ingehouden, is ze verrekenbaar op voorwaarde dat de
11
Rb. Leuven 26 januari 2007, besproken door P. Smet in Fiscoloog
2007, nr. 1096, p. 7.
12
Zowel de minister van Financiën als de Dienst Voorafgaande
Beslissingen (hierna: DVB) zijn van oordeel dat als de inkoop en
de verkoop of vernietiging in hetzelfde tijdperk plaatsvinden, het
temporeel ijkpunt de inkoop is en niet het moment van verkoop of
vernietiging (Hand. Kamer 2002-03, 6 december 2002, 32; DVB,
voorafgaande beslissing nr. 2016 734 van 6 december 2016).
non (condition de participation, condition de permanence), à
la lumière également de la fiction de destruction.
À ce sujet, le délégué a déclaré ce qui suit:
“Les réponses données à la question b, alinéa 1er, ci-dessus
s’appliquent mutatis mutandis aux conditions de renonciation
à la perception du Pr.M”.
La question se pose toutefois de savoir s’il n’y a pas lieu
d’opérer une distinction selon qu’il s’agit du rachat d’actions
ou de parts au-delà ou en-deçà du seuil de 20 % et selon le
moment de la destruction ou de la vente de ces actions ou
parts rachetées:
a) En cas de rachat excédant le seuil de 20 %, suivi
immédiatement d’une destruction ou d’une vente, il s’agit
instantanément, du point de vue fiscal, d’une distribution de
dividendes. Dans cette hypothèse, l’opération de rachat et
la distribution de dividendes sont concomitants et il s’agit du
point de référence pour apprécier si les conditions de l’exo-
nération de la retenue du précompte mobilier sont remplies.
C’est ce qui ressort également de l’exemple donné par le
délégué.
b) En cas de rachat au dessous du seuil de 20 %, sans
destruction ou vente immédiate, la situation est toutefois
différente. En vertu de l’article 267 du CIR 92, l’attribution
ou la mise en paiement d’un dividende entraîne l’exigibilité
du précompte mobilier. Le moment du rachat est le moment
auquel le paiement a lieu, mais d’un point de vue fiscal, il n’est
question d’une distribution de dividendes qu’en cas de perte
patrimoniale, par exemple en cas de destruction ou de vente
(article 186, alinéa 2, CIR 92). Si la destruction ou la vente
n’intervient pas immédiatement, il n’est d’une part pas ques-
tion de revenu mobilier lors du paiement du boni d’acquisition
et, d’autre part, au moment de la destruction ou de la vente
ultérieure, il n’est plus question d’attribution ou de paiement.
Cette attribution ou ce paiement est néanmoins déterminant
pour l’exigibilité du précompte mobilier. Une certaine juris-
prudence estime que, dans cette hypothèse, la retenue du
précompte mobilier est dénuée de fondement légal11.
Il convient d’exprimer tous ces éléments plus clairement
dans la disposition en projet. On précisera également si ces
règles sont applicables, que la vente ou la destruction ait lieu
ou non durant la même période imposable que celle du rachat
des actions ou parts12.
La définition du point de référence temporel est d’ailleurs
également importante pour l’imputabilité du précompte mobi-
lier dans le chef de l’actionnaire. Si le précompte mobilier
a été retenu, il est imputable à condition que l’actionnaire
11
Civ. Louvain 26 janvier 2007, analyse de P. Smet dans Fiscoloog
2007, n° 1096, p. 7.
12
Tant le ministre des Finances que le Service des décisions
anticipées (ci-après: SDA) estiment que si le rachat et la vente
ou la destruction ont lieu au cours d’une même période, c’est
le rachat et non le moment de la vente ou de la destruction qui
est le point de référence temporel (Annales, Chambre, 2002-03,
6 décembre 2002, p. 32; SDA, décision anticipée n° 2016 734 du
6 décembre 2016).
113
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
aandeelhouder de volle eigendom heeft gehad gedurende
twaalf maanden op het moment van toekenning of betaal-
baarstelling van het dividend (artikel 282 van het WIB 92).13
De vraag rijst of dit zo blijft, en wat de regeling is als de inkoop
van de aandelen en de vernietiging niet in hetzelfde tijdperk
plaatsvinden.
De aan te nemen wet zal duidelijk tot uiting moeten brengen
welke de antwoorden op al deze vragen zijn.
Artikel 43
11. Artikel 43 van het voorontwerp bevat wijzigingen van
artikel 210 van het WIB 92. Die wijzigingen strekken ertoe
de regels inzake vennootschappen in vereffening en inzake
verdeling van het vermogen (artikelen 208 en 209 van het WIB
92) mede van toepassing te verklaren wanneer een landbouw-
vennootschap niet langer aan de vennootschapsbelasting
onderworpen wordt (ontworpen artikel 210, § 1, 7° en 8°).
12. Aan de gemachtigde is de vraag voorgelegd hoe de
omvorming van een als landbouwvennootschap erkende
vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap –
vennootschapsvormen die fiscaal transparant zijn – naar een
als landbouwvennootschap erkende besloten vennootschap
of coöperatieve vennootschap – die fiscaal niet transparant
zijn – fiscaal wordt geregeld.
De gemachtigde antwoordde als volgt:
“Om het status quo op fiscaal vlak te behouden bepaalt
artikel 7, 3°, van het huidige ontwerp, dat artikel 29, WIB
92 wijzigt, dat laatstgenoemde bepaling slechts van toepas-
sing is op VOFLO’s en CommVLO’s. Andere vormen van
landbouwondernemingen (BVLO’s en CVLO’s) zullen bijgevolg
niet aanzien worden als fiscaal transparant.
Voor de omvorming van een VOFLO of een CommVLO
naar een BVLO of een CVLO worden enkel de vennoot-
schapsrechtelijke regels gevolgd. Op fiscaal vlak stellen zich
bij deze omvorming geen moeilijkheden aangezien de activa
en passiva al voor de omvorming deel uitmaken van het
vermogen van een vennootschap en er dus geen oprichting
van een nieuwe vennootschap is waarbij meer-of minwaarden
op activa bij inbreng worden gerealiseerd. Deze situatie is
niet anders dan diegene die thans onder de huidige regeling
bestaat wanneer een transparante landbouwvennootschap
na verloop van tijd opteert voor onderworpenheid aan ven-
nootschapsbelasting. Er is voor deze situatie thans geen nood
aan een regeling. Het is dus in de toekomst ook niet nodig
om een fiscale regeling uit te werken voor de omvorming
13
De minister van Financiën is van oordeel dat de voorwaarde
van volle eigendom wordt geacht vervuld te zijn als de inkoop
wordt verricht met het oog op de vernietiging en deze vernietiging
plaatsvindt in hetzelfde belastbaar tijdperk als de inkoop (Vr.
nr. 1237 van 20 april 2006 van de heer X. de Donnea, Vr. en Antw.
Kamer 2005-06, nr. 127, 24 932-24 933 ). De DVB heeft dan
weer geoordeeld dat de voorwaarde van twaalf maanden moet
worden beoordeeld op het moment van de inkoop als de inkoop
wordt verricht met het oog op vernietiging en deze vernietiging
plaatsvindt in hetzelfde belastbaar tijdperk als dit van de inkoop
(DVB, voorafgaande beslissing nr. 600 208 van 27 juni 2006).
ait eu la pleine propriété pendant douze mois au moment
de l’attribution ou de la mise en paiement du dividende
(article 282 CIR 92)13. La question se pose de savoir s’il en
est toujours ainsi, et quelle est la règle si le rachat des actions
et la destruction n’ont pas lieu au cours de la même période.
La loi à adopter devra indiquer clairement quelles sont les
réponses à toutes ces questions.
Article 43
11. L’article 43 de l’avant-projet modifie l’article 210 du
CIR 92. Ces modifications visent à rendre les règles relatives
aux sociétés en liquidation et du à la répartition du patrimoine
(articles 208 et 209 CIR 92) également applicables lorsqu’une
société agricole n’est plus assujettie à l’impôt des sociétés
(article 210, § 1er, 7° et 8°, en projet).
12. La question a été posée au délégué de savoir comment
est réglée sur le plan fiscal la transformation d’une société
en nom collectif ou société en commandite agréée comme
société agricole – des formes de société transparentes sur
le plan fiscal – en société à responsabilité limitée ou société
coopérative agréée comme société agricole – qui ne sont pas
transparentes du point de vue fiscal.
Le délégué a répondu en ces termes:
“Om het status quo op fiscaal vlak te behouden bepaalt
artikel 7, 3°, van het huidige ontwerp, dat artikel 29, WIB 92 wij-
zigt, dat laatstgenoemde bepaling slechts van toepassing
is op VOFLO’s en CommVLO’s. Andere vormen van land-
bouwondernemingen (BVLO’s en CVLO’s) zullen bijgevolg
niet aanzien worden als fiscaal transparant.
Voor de omvorming van een VOFLO of een CommVLO
naar een BVLO of een CVLO worden enkel de vennootschap-
srechtelijke regels gevolgd. Op fiscaal vlak stellen zich bij
deze omvorming geen moeilijkheden aangezien de activa
en passiva al voor de omvorming deel uitmaken van het
vermogen van een vennootschap en er dus geen oprichting
van een nieuwe vennootschap is waarbij meer-of minwaarden
op activa bij inbreng worden gerealiseerd. Deze situatie is
niet anders dan diegene die thans onder de huidige regeling
bestaat wanneer een transparante landbouwvennootschap
na verloop van tijd opteert voor onderworpenheid aan ven-
nootschapsbelasting. Er is voor deze situatie thans geen nood
aan een regeling. Het is dus in de toekomst ook niet nodig
om een fiscale regeling uit te werken voor de omvorming van
13
Le ministre des Finances estime que la condition de la pleine
propriété est réputée remplie si l’opération de rachat est effectuée
dans le but d’annuler les actions et si cette annulation survient
au cours de la même période imposable que le rachat (Question
n° 1237 du 20 avril 2006 de M. X. de Donnea, Questions et réponses,
Chambre, 2005-06, n° 127, 24 932-24 933). Le SDA a jugé pour
sa part que la condition de douze mois doit être appréciée au
moment du rachat si l’opération de rachat est effectuée à des
fins de destruction et si cette destruction intervient au cours de la
même période imposable que le rachat (SDA, décision anticipée
n° 600 208 du 27 juin 2006).
114
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van een transparante landbouwonderneming naar een niet-
transparante landbouwonderneming.
Het is enkel in de omgekeerde richting, namelijk de over-
gang van niet-transparante vennootschap naar transparante
vennootschap dat er zich fiscale vraagstukken kunnen stellen
aangezien er latente meerwaarden en tijdelijk vrijgestelde
reserves in de vennootschap aanwezig kunnen zijn waarover
finaal moet worden afgerekend omdat het lichaam ophoudt
onderworpen te zijn aan vennootschapsbelasting.”
13. Aan de gemachtigde werden ook een aantal vragen
voorgelegd in verband met de overgang van de vennoot-
schapsbelasting naar de rechtspersonenbelasting.
13.1. Vraag 1: hoe verhoudt dit voorontwerp zich tot het
voorontwerp van wet tot regeling van de overgang van de
onderwerping aan de rechtspersonenbelasting naar de on-
derwerping aan de vennootschapsbelasting?
Antwoord:
“Beide regelingen moeten in een stabiel en ondubbelzin-
nig juridisch kader voorzien voor de overgang tussen twee
belastingregimes, zijnde van de vennootschapsbelasting naar
de rechtspersonenbelasting en omgekeerd.
Ze zijn ook beide gebaseerd op regelingen die nu al
gelden voor gelijkaardige situaties. Wat de overgang van de
vennootschapsbelasting naar de rechtspersonenbelasting
betreft, zijn de bepalingen die de overgang regelen dezelfde
als deze die reeds van toepassing zijn voor vennootschap-
pen die het regime van de vennootschapsbelasting verlaten
voor een buitenlands belastingregime of voor het afwijkend
regime bedoeld in artikel 185bis WIB 92. Wat de overgang
van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbe-
lasting betreft, zijn de bepalingen die de overgang regelen
dan weer gebaseerd op deze geldend voor intercommuna-
les die overgaan van de rechtspersonenbelasting naar de
vennootschapsbelasting.
Omdat de grondslag van belasting in de rechtspersonen-
belasting beperkter is dan deze in de vennootschapsbelas-
ting wordt in beide gevallen de vennootschapsbelasting als
uitgangspunt genomen. Bij de overgang van de vennoot-
schapsbelasting naar de rechtspersonenbelasting gebeurt
dit in de vorm van een eindbelasting in de vennootschaps-
belasting. Bij de overgang van de rechtspersonenbelasting
naar de vennootschapsbelasting wordt er dan weer een
vertrekpunt bepaald voor de toekomstige onderwerping aan
de vennootschapsbelasting.”
13.2. Vraag 2: de artikelen 44 en 80, 2°, van het voor-
ontwerp regelen de overgang van vennootschapsbelasting
naar rechtspersonenbelasting (nl. de invoeging van een
nieuw artikel 210/1 van het WIB 92 resp. de aanpassing van
artikel 413/1, § 1, eerste lid, 6°, van het WIB 92), waardoor de
artikelen 208 en 209 van het WIB 92 (ontbinding en vereffe-
ning) toepasselijk worden. Waarom is de generieke regeling
van overgang van rechtspersonenbelasting naar vennoot-
schapsbelasting in een afzonderlijke wetsontwerp geregeld?
een transparante landbouwonderneming naar een niet-trans-
parante landbouwonderneming.
Het is enkel in de omgekeerde richting, namelijk de over-
gang van niet-transparante vennootschap naar transparante
vennootschap dat er zich fiscale vraagstukken kunnen stellen
aangezien er latente meerwaarden en tijdelijk vrijgestelde
reserves in de vennootschap aanwezig kunnen zijn waarover
finaal moet worden afgerekend omdat het lichaam ophoudt
onderworpen te zijn aan vennootschapsbelasting”.
13. Un certain nombre de questions ont également été
soumises au délégué concernant le passage de l’impôt des
sociétés à l’impôt des personnes morales.
13.1. Question 1: comment cet avant-projet de loi s’articule-
t-il avec l’avant-projet de loi réglant le passage de l’assujettis-
sement à l’impôt des personnes morales à l’assujettissement
à l’impôt des sociétés?
Réponse:
“Beide regelingen moeten in een stabiel en ondubbelzin-
nig juridisch kader voorzien voor de overgang tussen twee
belastingregimes, zijnde van de vennootschapsbelasting naar
de rechtspersonenbelasting en omgekeerd.
Ze zijn ook beide gebaseerd op regelingen die nu al
gelden voor gelijkaardige situaties. Wat de overgang van de
vennootschapsbelasting naar de rechtspersonenbelasting
betreft, zijn de bepalingen die de overgang regelen dezelfde
als deze die reeds van toepassing zijn voor vennootschap-
pen die het regime van de vennootschapsbelasting verlaten
voor een buitenlands belastingregime of voor het afwijkend
regime bedoeld in artikel 185bis WIB 92. Wat de overgang
van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbe-
lasting betreft, zijn de bepalingen die de overgang regelen
dan weer gebaseerd op deze geldend voor intercommu-
nales die overgaan van de rechtspersonenbelasting naar de
vennootschapsbelasting.
Omdat de grondslag van belasting in de rechtspersonen-
belasting beperkter is dan deze in de vennootschapsbelasting
wordt in beide gevallen de vennootschapsbelasting als ui-
tgangspunt genomen. Bij de overgang van de vennootschap-
sbelasting naar de rechtspersonenbelasting gebeurt dit in de
vorm van een eindbelasting in de vennootschapsbelasting.
Bij de overgang van de rechtspersonenbelasting naar de
vennootschapsbelasting wordt er dan weer een vertrek-
punt bepaald voor de toekomstige onderwerping aan de
vennootschapsbelasting”.
13.2. Question 2: les articles 44 et 80, 2°, de l’avant-pro-
jet règlent le passage de l’impôt des sociétés à l’impôt des
personnes morales (à savoir, respectivement, l’insertion
d’un nouvel article 210/1 dans le CIR 92 et l’adaptation de
l’article 413/1, § 1er, alinéa 1er, 6°, du CIR 92), rendant ainsi
applicables les articles 208 et 209 du CIR 92 (dissolution et
liquidation). Pourquoi le régime générique de passage de
l’impôt des personnes morales à l’impôt des sociétés est-il
réglé dans un projet de loi distinct?
115
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Antwoord:
“Het voorliggende voorontwerp bevat enkel artikelen die
wijzigingen aanbrengen aan het Wetboek van de inkom-
stenbelastingen 1992 en aan reeds bestaande wetten ten
gevolge van het wetsontwerp ter invoering van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen. De bepalingen
voor de overgang van de vennootschapsbelasting naar de
rechtspersonenbelasting werden in dit wetsontwerp voorzien
ingevolge de bepalingen voorzien in het ontworpen boek 14,
titel 2 (omzetting van een vennootschap in een VZW) van dit
nieuwe Wetboek. De bepalingen voor de overgang van de
rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting
staan op zich en worden daarom opgenomen in een apart
wetsontwerp. Dit heeft het voordeel dat de toekomstige con-
sultatie van deze bepalingen makkelijker zal verlopen dan in
het geval deze bepalingen slechts een van de onderdelen zou
vormen van dit voorliggende voorontwerp dat, zoals gezegd,
een andere finaliteit heeft.”
13.3. Vraag 3: wat is het personele toepassingsgebied
van het aangepaste artikel 210/1 van het WIB 92? Geldt
dit bijvoorbeeld ook in het raam van de tax shelter voor de
productie van audiovisueel werk of van een podiumwerk wan-
neer de onderwerping aan de vennootschapsbelasting van
een vzw tijdelijk is (de vzw verlaat na enkele jaren de sfeer
van de vennootschapsbelasting om opnieuw onderworpen te
worden aan de rechtspersonenbelasting)?
“De beide bepalingen maken geen uitzondering voor de
rechtspersonen die overeenkomstig artikel 179/1 WIB 92 aan
de vennootschapsbelasting onderworpen zijn. In het geval een
VZW bij toepassing van dat artikel aan de vennootschapsbe-
lasting onderworpen wordt zullen de in het aparte wetsontwerp
opgenomen bepalingen dan ook van toepassing zijn, net zoals
de regeling voorzien in het nieuwe artikel 210/1 WIB 92 van
toepassing zal zijn wanneer deze VZW later opnieuw de
overstap naar de rechtspersonenbelasting maakt.”
Artikel 70
14. In de Nederlandse tekst van artikel 70 van het vooront-
werp dienen de woorden “de eerste maal” (artikel 70, 1°) en
“een tweede maal” (idem, 2°) geschrapt te worden.
Artikel 83
15. Artikel 83 van het voorontwerp strekt ertoe in artikel 56,
§ 1, van het Btw-wetboek het tweede lid, “vervangen bij de
wet van xxx 2018”, opnieuw te vervangen.
Artikel 12 van het wetsontwerp “houdende diverse be-
palingen inzake belasting over de toegevoegde waarde”,14
dat momenteel in de Kamer van volksvertegenwoordigers
besproken wordt, voorziet in de vervanging van artikel 56 van
het Btw-wetboek door een bepaling waarvan het tweede lid
luidt als volgt:
14
Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-3121/001, 52.
Réponse:
“Het voorliggende voorontwerp bevat enkel artikelen die
wijzigingen aanbrengen aan het Wetboek van de inkoms-
tenbelastingen 1992 en aan reeds bestaande wetten ten
gevolge van het wetsontwerp ter invoering van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen. De bepalingen
voor de overgang van de vennootschapsbelasting naar de
rechtspersonenbelasting werden in dit wetsontwerp voorzien
ingevolge de bepalingen voorzien in het ontworpen boek 14,
titel 2 (omzetting van een vennootschap in een VZW) van dit
nieuwe Wetboek. De bepalingen voor de overgang van de
rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting
staan op zich en worden daarom opgenomen in een apart
wetsontwerp. Dit heeft het voordeel dat de toekomstige
consultatie van deze bepalingen makkelijker zal verlopen dan
in het geval deze bepalingen slechts een van de onderdelen
zou vormen van dit voorliggende voorontwerp dat, zoals
gezegd, een andere finaliteit heeft”.
13.3. Question 3: quel est le champ d’application person-
nel de l’article 210/1, adapté, du CIR 92? S’applique-t-il par
exemple également dans le cadre du tax shelter pour la pro-
duction audiovisuelle ou la production d’une œuvre scénique
lorsque l’assujettissement à l’impôt des sociétés d’une ASBL
est temporaire (l’ASBL sort après quelques années du champ
d’application de l’impôt des sociétés pour être de nouveau
assujettie à l’impôt des personnes morales)?
“De beide bepalingen maken geen uitzondering voor de
rechtspersonen die overeenkomstig artikel 179/1 WIB 92 aan
de vennootschapsbelasting onderworpen zijn. In het geval een
VZW bij toepassing van dat artikel aan de vennootschapsbe-
lasting onderworpen wordt zullen de in het aparte wetsontwerp
opgenomen bepalingen dan ook van toepassing zijn, net zoals
de regeling voorzien in het nieuwe artikel 210/1 WIB 92 van
toepassing zal zijn wanneer deze VZW later opnieuw de
overstap naar de rechtspersonenbelasting maakt”.
Article 70
14. Dans le texte néerlandais de l’article 70 de l’avant-
projet, on supprimera les mots “de eerste maal” (article 70,
1°) et “een tweede maal” (idem, 2°).
Article 83
15. L’article 83 de l’avant-projet vise à remplacer de nou-
veau l’alinéa 2, “remplacé par la loi du xx 2018”, à l’article 56,
§ 1er, du C.TVA.
L’article 12 de l’avant-projet de loi “portant des dispositions
diverses en matière de taxe sur la valeur ajoutée”14, qui est
actuellement à l’examen à la Chambre des représentants,
prévoit le remplacement de l’article 56 du C.TVA par une
disposition dont l’alinéa 2 s’énonce comme suit:
14
Doc. parl., Chambre, 2017-18, n° 54-3121/001, p. 52.
116
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Het eerste lid is van toepassing op vennootschappen
onder firma, op gewone commanditaire vennootschappen en
op besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
tot 31 december 2019.”
De wijziging die het voorwerp vormt van het om advies
voorgelegde voorontwerp luidt:
– in de Nederlandse tekst:
“Het eerste lid is van toepassing op vennootschappen
onder firma, op gewone commanditaire vennootschappen
en op vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid tot
31 december 2019.”
– in de Franse tekst:
“L’alinéa 1er est applicable aux sociétés en nom collectif,
aux sociétés en commandite et aux sociétés à responsabilité
limitée jusqu’au 31 décembre 2019.”
In het WVV wordt de besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid vervangen door de “besloten vennoot-
schap” (in het Frans: “société à responsabilité limitée”).15
Vermits in de memorie van toelichting wordt vooropge-
steld dat “de wijzigingen die de artikelen 83 tot 86 van het
ontwerp aan het Wetboek aanbrengen (…) beperkt” zijn
en artikel 83 louter “de aanpassing van een bepaling aan
de gewijzigde benamingen van bepaalde vennootschaps-
vormen” betreft, moet worden aangenomen dat de Franse
tekst van artikel 83 van het voorontwerp correct is en dat in
de Nederlandse tekst de woorden “vennootschappen met
beperkte aansprakelijkheid” moeten worden vervangen
door “besloten vennootschappen”. De gemachtigde heeft
dit bevestigd.
Artikel 88
16. In de Nederlandse tekst van artikel 115bis van het
Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten
moeten niet de woorden “burgerlijke of handelsvennootschap-
pen”, maar de woorden “burgerlijke vennootschappen of
handelsvennootschappen” worden vervangen door het woord
“vennootschappen”. Dit is aan te passen in artikel 88 van het
voorontwerp.
Artikel 94
17. In de Nederlandse tekst van artikel 94, b), van het
voorontwerp moeten de woorden “van een samenwerkings-
verband of” worden vervangen door “van een economisch
samenwerkingsverband of”.
15
Zie o.m. artikel 5:1 van het WVV.
“L’alinéa 1er est applicable aux sociétés en nom collectif,
aux sociétés en commandite simple et aux sociétés privées
à responsabilité limitée jusqu’au 31 décembre 2019”.
La modification qui fait l’objet de l’avant-projet soumis pour
avis s’énonce comme suit:
– dans le texte français:
“L’alinéa 1er est applicable aux sociétés en nom collectif,
aux sociétés en commandite et aux sociétés à responsabilité
limitée jusqu’au 31 décembre 2019”.
– dans le texte néerlandais:
“Het eerste lid is van toepassing op vennootschappen
onder firma, op gewone commanditaire vennootschappen
en op vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid tot
31 december 2019”.
Dans le CSA, la société privée à responsabilité limitée est
remplacée par “société à responsabilité limitée” (en néerlan-
dais: “besloten vennootschap”)15.
L’exposé des motifs indiquant que “[l]es modifications que
les articles 83 à 86 du projet apportent au Code sont limitées”
et que l’article 83 ne concerne que “l’adaptation d’une disposi-
tion à la nouvelle dénomination de certains types de sociétés”,
force est d’admettre que le texte français de l’article 83 de
l’avant-projet est correct et qu’il convient, dans le texte
néerlandais, de remplacer les mots “vennootschappen met
beperkte aansprakelijkheid” par “besloten vennootschappen”,
ce qu’a confirmé le délégué.
Article 88
16. Dans le texte néerlandais de l’article 115bis du Code
des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe, ce
ne sont pas les mots “burgerlijke of handelsvennootschap-
pen”, mais bien les mots “burgerlijke vennootschappen of
handelsvennootschappen” qu’il faut remplacer par le mot
“vennootschappen”. Il convient d’adapter l’article 88 de
l’avant-projet en ce sens.
Article 94
17. Dans le texte néerlandais de l’article 94, b), de l’avant-
projet, on remplacera les mots “van een samenwerkingsver-
band of” par les mots “van een economisch samenwerkings-
verband of”.
15
Voir notamment l’article 5:1 du CSA.
117
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Artikel 109
18. Artikel 109 van het voorontwerp strekt ertoe verwijzin-
gen naar een welbepaald onderdeel van het koninklijk besluit
van 30 januari 2001 “tot uitvoering van het Wetboek van
vennootschappen” te vervangen door verwijzingen naar een
onderdeel met hetzelfde nummer van “het koninklijk besluit
van XXXX 2018 tot uitvoering van het Wetboek van vennoot-
schappen en verenigingen”. De afdeling Wetgeving heeft geen
kennis van een ontwerp van koninklijk besluit “tot uitvoering
van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Tenzij het koninklijk besluit van 30 januari 2001 “tot uitvoering
van het Wetboek van vennootschappen” zal worden behouden
en artikel 109 anticipeert op een wijziging van het opschrift
ervan, moet ter zake een voorbehoud worden gemaakt.
Artikel 115
19. In de Nederlandse tekst van artikel 115 moet de
datum “25 december 2012” worden vervangen door
“25 december 2016”.
Artikel 117
20. Om taalkundige redenen moet in de Nederlandse
tekst van artikel 117 van het voorontwerp het zinsdeel “of
die een andere ontbinding zonder verdeling van het gehele
maatschappelijke vermogen hebben doorgevoerd” worden
vervangen door het zinsdeel “of een andere ontbinding zonder
verdeling van het gehele maatschappelijke vermogen”.
De griffier,
De voorzitter,
Astrid TRUYENS
Jo BAERT
Article 109
18. L’article 109 de l’avant-projet vise à remplacer les
références à une disposition déterminée de l’arrêté royal du
30 janvier 2001 “portant exécution du Code des sociétés” par
des références à une disposition portant le même numéro de
“l’arrêté royal du XXXX 2018 portant exécution du Code des
sociétés et des associations”. La section de législation n’a
pas connaissance d’un projet d’arrêté royal “portant exécu-
tion du Code des sociétés et des associations”. Il convient
d’émettre des réserves à cet égard, à moins que l’arrêté royal
du 30 janvier 2001 “portant exécution du Code des sociétés”
soit maintenu et que l’article 109 anticipe une modification
de son intitulé.
Article 115
19. Dans le texte néerlandais de l’article 115, on
remplacera la date du “25 december 2012” par celle du
“25 december 2016”.
Article 117
20. Par souci de correction de la langue, on remplacera,
dans le texte néerlandais de l’article 117 de l’avant-projet,
le segment de phrase “of die een andere ontbinding zonder
verdeling van het gehele maatschappelijke vermogen hebben
doorgevoerd” par le segment de phrase “of een andere ont-
binding zonder verdeling van het gehele maatschappelijke
vermogen”.
Le greffier,
Le président,
Astrid TRUYENS
Jo BAERT
118
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
WETSONTWERP
FILIP,
KONING DER BELGEN,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.
Op de voordracht van de minister van Financiën,
HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ:
De minister van Financiën is ermee belast in onze
naam bij de Kamer van volksvertegenwoordigers het
ontwerp van wet in te dienen waarvan de tekst hierna
volgt:
TITEL 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 74 van de Grondwet.
TITEL 2
Aanpassing van bepaalde federale fiscale
bepalingen aan het nieuwe Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen aan het Wetboek van
inkomstenbelastingen 1992
Art. 2
In artikel 2, § 1, van het Wetboek van de in-
komstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet
van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij wetten van
17 mei 2004, 15 december 2004, 27 december 2006,
11 december 2008, 30 juli 2013, 21 december 2013,
8 mei 2014, 12 mei 2014, 10 augustus 2015,
18 december 2015, 26 december 2015, 3 augustus 2016,
25 december 2017 en 30 juli 2018 worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 5°, a, eerste lid, worden de
woorden “, regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijk-
heid bezit en” opgeheven;
PROJET DE LOI
PHILIPPE,
ROI DES BELGES,
À tous, présents et à venir,
SALUT.
Sur la proposition du ministre des Finances,
NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS:
Le ministre des Finances est chargé de présenter en
notre nom à la Chambre des représentants le projet de
loi dont la teneur suit:
TITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’ar-
ticle 74 de la Constitution.
TITRE 2
Adaptation de certaines dispositions fiscales
fédérales au nouveau Code des sociétés et des
associations
CHAPITRE 1ER
Modifications au Code des impôts
sur les revenus 1992
Art. 2
A l’article 2, § 1er, du Code des impôts sur les reve-
nus 1992, remplacé par la loi du 10 août 2001 et modi-
fié par les lois des 17 mai 2004, 15 décembre 2004,
27 décembre 2006, 11 décembre 2008, 30 juillet 2013,
21 décembre 2013, 8 mai 2014, 12 mai 2014, 10 août 2015,
18 décembre 2015, 26 décembre 2015, 3 août 2016,
25 décembre 2017 et 30 juillet 2018, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le 5°, a, alinéa 1er, les mots “régulièrement
constitué” et les mots “possède la personnalité juridique
et” sont abrogés;
119
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2° de bepaling onder 5°, a, eerste lid, wordt aange-
vuld als volgt:
“en die:
— ofwel rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht,
Belgisch of buitenlands, dat haar beheerst;
— ofwel wordt beheerst door een buitenlands recht
die haar geen rechtspersoonlijkheid toekent maar een
rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met die van een
vennootschap met rechtspersoonlijkheid naar Belgisch
recht.”;
3° in de bepaling onder 5°, b, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) de woorden “haar maatschappelijke zetel,” worden
opgeheven;
b) de bepaling wordt aangevuld met een lid, luidende:
“De vennootschap die haar statutaire zetel in België
heeft, wordt behoudens tegenbewijs vermoed daar ook
haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur
of beheer te hebben. Het tegenbewijs wordt enkel aan-
vaard indien er bovendien is aangetoond dat de fiscale
woonplaats van de vennootschap in een andere Staat
dan België is gevestigd volgens de fiscale wetgeving
van deze andere Staat;”;
4° in de bepaling onder 5°, b)bis, wordt het tweede
streepje aangevuld als volgt:
“met dien verstande dat, met betrekking tot de ven-
nootschappen naar Belgisch recht bedoeld in punt b van
deze bijlage, de verwijzingen naar “besloten vennootsc-
hap met beperkte aansprakelijkheid”, “coöperatieve ven-
nootschap met beperkte aansprakelijkheid”, “coöpera-
tieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid”,
en naar “gewone commanditaire vennootschap” ook
moeten worden verstaan als een verwijzing naar respec-
tievelijk de “besloten vennootschap”, de “coöperatieve
vennootschap “en de “commanditaire vennootschap”,”;
5° in de bepaling onder 5°, c, worden de woorden
“onverminderd de bepaling onder 5°, b,” ingevoegd voor
de woorden “enigerlei vennootschap”, en worden de
woorden “maatschappelijke zetel,” opgeheven;
6° in de bepaling onder 5°/1, worden de woorden “ar-
tikel 11 van het Wetboek van vennootschappen” vervan-
gen door de woorden “artikel 1:20 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”:
2° le 5°, a, alinéa 1er, est complété comme suit:
“et qui:
— soit possède la personnalité juridique en vertu du
droit, belge ou étranger, qui le régit;
— soit est régie par un droit étranger qui ne lui
accorde pas la personnalité juridique mais a une forme
juridique analogue à celle d’une société de droit belge
dotée de la personnalité juridique en vertu du droit
belge.”;
3° au 5°, b, les modifications suivantes sont apportées:
a) les mots “son siège social,” sont abrogés;
b) la disposition est complétée par un alinéa rédigé
comme suit:
“La société qui a son siège statutaire en Belgique
est présumée sauf preuve contraire y avoir aussi son
principal établissement ou son siège de direction ou
d’administration. La preuve contraire est admise unique-
ment s’il est démontré en outre que le domicile fiscal de
la société est établi dans un autre État que la Belgique
en vertu de la législation fiscale de cet autre État;”;
4° dans le 5°, b)bis, le deuxième tiret est complété
comme suit:
“, étant entendu que, s’agissant des sociétés de
droit belge visées au point b de ladite annexe, les réfé-
rences à la “société privée à responsabilité limitée”, aux
“société coopérative à responsabilité limitée” et “société
coopérative à responsabilité illimitée”, et à la “société
en commandite simple” doivent également s’entendre
comme une référence, respectivement, à la “société à
responsabilité limitée”, à la “société coopérative” et à la
“société en commandite”,”;
5° dans le 5°, c, les mots “sans préjudice du 5°, b,”
sont insérés avant les mots “toute société” et les mots
“son siège social,” sont abrogés;
6° dans le 5°/1, les mots “l’article 11 du Code des
sociétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:20 du
Code des sociétés et des associations”;
120
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
7° tussen de bepaling onder 5°bis en de bepaling
onder 6°, wordt een bepaling onder 5°ter ingevoegd,
luidende:
“5°ter Gevestigd
Wanneer de term gevestigd gebruikt wordt met be-
trekking tot enigerlei vennootschap, vereniging, inricht-
ing of instelling in verhouding tot een Staat of een groep
van Staten, betekent deze term dat deze haar fiscale
woonplaats heeft in die Staat of in een van die Staten
van die groep van Staten volgens de fiscale wetgeving
van die Staat, zonder dat zij ten gevolge van een ver-
drag ter vermijding van dubbele belasting haar fiscale
woonplaats buiten die Staat of groep van Staten heeft.”;
8° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt:
“6° Kapitaal
Er wordt verstaan onder:
a) “Kapitaal”, in hoofde van een vennootschap:
1) het kapitaal van een naamloze vennootschap
zoals bedoeld in het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen, of, in geval van een vennootschap
met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgisch of
buitenlands recht dat haar beheerst in een gelijkaardig
begrip voorziet, het begrip zoals bedoeld in dat recht;
2) voor vennootschapsvormen waarvoor het Belgisch
of buitenlands recht dat de vennootschap beheerst niet
in een gelijkaardig begrip voorziet, het eigen vermogen
van de vennootschap als bedoeld in het Belgisch recht
of het buitenlands recht dat de vennootschap beheerst,
in zoverre het gevormd wordt door inbrengen in geld of
in natura, andere dan inbrengen in nijverheid.
b) Gestort kapitaal:
Zowel voor een binnenlandse als voor een buiten-
landse vennootschap, het werkelijk gestort kapitaal
zoals het geldt terzake van de vennootschapsbelasting.”;
9° tussen de bepaling onder 6° en de bepaling onder
7° worden de bepalingen onder 6°/1 en 6°/2 ingevoegd,
luidende:
“6°/1 Fusie door overneming, fusie door oprichting van
een nieuwe vennootschap, splitsing door overneming,
splitsing door oprichting van nieuwe vennootschap-
pen, gemengde splitsing, verrichting gelijkgesteld met
fusie door overneming en verrichting gelijkgesteld met
splitsing, of, verkort, “fusie, splitsing en verrichting ge-
lijkgesteld met een fusie of met een splitsing”;
7° entre le 5°bis et le 6°, il est inséré un 5°ter rédigé
comme suit:
“5°ter Etabli(e)
Lorsque le terme établi(e) est utilisé à propos d’une
société, association, établissement ou organisme quel-
conque en rapport avec un État ou groupe d’États, ce
terme signifie qu’il a son domicile fiscal dans cet État
ou dans l’un des États de ce groupe d’États selon la
législation fiscale de cet État, sans qu’une convention
en matière de double imposition ait pour effet qu’il
doive être considéré comme ayant son domicile fiscal
en dehors de cet État ou groupe d’États.”;
8° le 6° est remplacé par ce qui suit:
“6° Capital
On entend par:
a) “Capital”, dans le chef d’une société:
1) le capital d’une société anonyme, tel que prévu par
le Code des sociétés et des associations, ou, pour une
société ayant une autre forme juridique pour laquelle le
droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion
analogue, cette notion telle que prévue dans ce droit;
2) pour les formes de sociétés pour lesquelles le
droit belge ou étranger qui régit la société ne prévoit
pas une notion analogue, les capitaux propres de la
société tels que prévus par le droit belge ou étranger
qui régit la société, dans la mesure où ils sont formés
par des apports en numéraire ou en nature, autres que
des apports en industrie.
b) Capital libéré
Tant pour une société résidente que pour une société
étrangère, le capital réellement libéré au sens de ce qui
est prévu en matière d’impôt des sociétés.”;
9° il est inséré entre le 6° et le 7° un 6°/1 et un
6°/2 rédigés comme suit:
“6°/1 Fusion par absorption, fusion par constitution
d’une nouvelle société, scission par absorption, scission
par constitution de nouvelles sociétés, scission mixte,
opération assimilée à la fusion par absorption et opé-
ration assimilée à la scission, ou, en abrégé, “fusion,
scission et opération assimilée à une fusion ou à une
scission”;
121
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Er wordt verstaan onder:
a) Fusie door overneming: de rechtshandeling waar-
bij de activa en passiva van het vermogen van één of
meer vennootschappen, als gevolg van een ontbinding
zonder vereffening, in hun geheel op een andere, reeds
bestaande vennootschap overgaan tegen uitreiking van
aandelen in de verkrijgende vennootschap aan de aan-
deelhouders of vennoten van de ontbonden vennoot-
schap of vennootschappen, eventueel met een opleg in
geld die niet meer mag bedragen dan een tiende van de
nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale waar-
de, van de fractiewaarde van deze aandelen. Indien het
Belgisch of buitenlands recht dat de verkrijgende ven-
nootschap beheerst niet in een begrip gelijkaardig aan
dat van het kapitaal van een naamloze vennootschap
voorziet, wordt met de fractiewaarde gelijkgesteld, de
inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van
alle door de aandeelhouders of vennoten toegezegde
inbrengen in geld of in natura, met uitzondering van de
inbrengen in nijverheid, in voorkomend geval verhoogd
met de reserves die op grond van een statutaire bepa-
ling slechts aan de aandeelhouders kunnen worden
uitgekeerd mits een statutenwijziging, dit alles gedeeld
door het aantal aandelen;
b) Fusie door oprichting van een nieuwe vennoot-
schap: de rechtshandeling waarbij de activa en passiva
van het vermogen van twee of meer vennootschappen,
als gevolg van een ontbinding zonder vereffening, in
hun geheel op een door hen opgerichte vennootschap
overgaan tegen uitreiking van aandelen in de nieuwe
vennootschap aan de aandeelhouders of vennoten van
de ontbonden vennootschappen, eventueel met een op-
leg in geld die niet meer mag bedragen dan een tiende
van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale
waarde, van de fractiewaarde van de uitgereikte aan-
delen. Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de
verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip
gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze
vennootschap voorziet, wordt de fractiewaarde bepaald
volgens de regels sub a);
c) Verrichting gelijkgesteld met een fusie door over-
neming: de rechtshandeling waarbij de activa en de
passiva van het vermogen van een vennootschap, als
gevolg van haar ontbinding zonder vereffening, in hun
geheel overgaan op de vennootschap die al haar aan-
delen en andere stemrechtverlenende effecten bezit;
d) Splitsing door overneming: de rechtshandeling
waarbij de activa en de passiva van het vermogen van
een vennootschap, als gevolg van haar ontbinding
zonder vereffening, in hun geheel op meerdere vennoot-
schappen overgaan, tegen uitreiking aan de aandeel-
houders of vennoten van de ontbonden vennootschap,
On entend par:
a) Fusion par absorption: l’opération par laquelle une
ou plusieurs sociétés transfèrent, par suite d’une disso-
lution sans liquidation, l’ensemble de leur patrimoine,
activement et passivement, à une autre société préexis-
tante, moyennant l’attribution à leurs actionnaires ou
associés d’actions ou parts de la société bénéficiaire
et, éventuellement, d’une soulte en espèces ne dépas-
sant un dixième de la valeur nominale, ou à défaut de
valeur nominale, du pair comptable de ces titres. Si le
droit belge ou étranger qui régit la société bénéficiaire
ne prévoit pas une notion analogue à celle du capital
d’une société anonyme, est assimilée au pair comptable
la valeur, telle qu’elle résulte des comptes annuels, de
tous les apports en numéraire ou en nature, autres que
les apports en industrie, consentis par les actionnaires
ou associés, le cas échéant augmenté des réserves qui,
en vertu d’une disposition statutaire, ne peuvent être
distribuées aux actionnaires ou associés que moyen-
nant une modification des statuts, le tout divisé par le
nombre des actions ou parts;
b) Fusion par constitution d’une nouvelle société:
l’opération par laquelle deux ou plusieurs sociétés trans-
fèrent, par suite d’une dissolution sans liquidation, l’en-
semble de leur patrimoine, activement et passivement,
à une nouvelle société qu’elles constituent, moyennant
l’attribution à leurs actionnaires ou associés d’actions
ou parts de la nouvelle société et, éventuellement, d’une
soulte en espèces ne dépassant pas un dixième de la
valeur nominale ou, à défaut de valeur nominale, du pair
comptable de ces titres. Si le droit belge ou étranger qui
régit la société bénéficiaire ne prévoit pas une notion
analogue à celle du capital d’une société anonyme, le
pair comptable est déterminé selon les règles sub a);
c) Opération assimilée à la fusion par absorption:
l’opération par laquelle une société transfère, par suite
de sa dissolution sans liquidation, l’ensemble de son
patrimoine, activement et passivement, à la société
qui détient toutes ses actions ou parts et autres titres
conférant le droit de vote;
d) Scission par absorption: l’opération par laquelle
une société transfère, par suite de sa dissolution sans
liquidation, l’ensemble de son patrimoine, activement
et passivement, à plusieurs sociétés, moyennant
l’attribution à ses actionnaires ou associés, selon une
règle proportionnelle ou non, d’actions ou parts des
122
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
al dan niet volgens een pro rataregeling, van aandelen
van de verkrijgende vennootschappen, eventueel met
een opleg in geld die niet meer mag bedragen dan
10 pct. van de nominale waarde, of bij gebrek aan een
nominale waarde, van de fractiewaarde van de uitge-
reikte aandelen. Indien het Belgisch of buitenlands
recht dat de verkrijgende vennootschap beheerst niet
in een begrip gelijkaardig aan dat van het kapitaal van
een naamloze vennootschap voorziet, wordt de fractie-
waarde bepaald volgens de regels sub a);
e) Splitsing door oprichting van nieuwe vennootschap-
pen: de rechtshandeling waarbij de activa en passiva
van het vermogen van een vennootschap, als gevolg
van haar ontbinding zonder vereffening, in hun geheel
op verschillende door haar opgerichte vennootschap-
pen overgaan tegen uitreiking aan de aandeelhouders
of vennoten van de ontbonden vennootschappen, al
dan niet volgens een pro rataregeling, van aandelen in
de verkrijgende vennootschappen, eventueel met een
opleg in geld die niet meer mag bedragen dan 10 pct.
van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale
waarde, van de fractiewaarde van de uitgereikte aan-
delen. Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de
verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip
gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze
vennootschap voorziet, wordt de fractiewaarde bepaald
volgens de regels sub a);
f) Gemengde splitsing: de rechtshandeling waarbij
de activa en de passiva van het vermogen van een
vennootschap, als gevolg van haar ontbinding zonder
vereffening, in hun geheel overgaan op één of meer
bestaande vennootschappen en op één of meer door
haar opgerichte vennootschappen tegen uitreiking aan
de aandeelhouders of vennoten van de ontbonden ven-
nootschap, al dan niet volgens een pro rataregeling, van
aandelen van de verkrijgende vennootschappen, even-
tueel met een opleg in geld die niet meer mag bedragen
dan 10 pct. van de nominale waarde of, bij gebrek aan
een nominale waarde, van de fractiewaarde van de
uitgereikte aandelen. Indien het Belgisch of buitenlands
recht dat de verkrijgende vennootschap beheerst niet
in een begrip gelijkaardig aan dat van het kapitaal van
een naamloze vennootschap voorziet, wordt de fractie-
waarde bepaald volgens de regels sub a);
g) Verrichtingen gelijkgesteld met een splitsing:
1) De rechtshandeling waarbij een deel van de
activa en passiva van het vermogen van een vennoot-
schap, zonder ontbinding, overgaat op één of meer
bestaande of door haar opgerichte vennootschappen
tegen uitreiking aan de aandeelhouders of vennoten
van de overdragende vennootschap, al dan niet volgens
een pro rataregeling, van aandelen in de verkrijgende
sociétés bénéficiaires de l’apport et, éventuellement,
d’une soulte en espèces ne dépassant pas 10 p.c. de
la valeur nominale ou, à défaut de valeur nominale, du
pair comptable de ces titres. Si le droit belge ou étranger
qui régit la société bénéficiaire ne prévoit pas une notion
analogue à celle du capital d’une société anonyme, le
pair comptable est déterminé selon les règles sub a);
e) Scission par constitution de nouvelles sociétés:
l’opération par laquelle une société transfère, par suite
de sa dissolution sans liquidation, l’ensemble de son
patrimoine, activement et passivement, à plusieurs
sociétés qu’elle constitue, moyennant l’attribution à
ses actionnaires ou associés, selon une règle propor-
tionnelle ou non, d’actions ou parts des sociétés béné-
ficiaires de l’apport et, éventuellement, d’une soulte en
espèces ne dépassant pas 10 p.c. de la valeur nominale
ou, à défaut de valeur nominale, du pair comptable de
ces titres. Si le droit belge ou étranger qui régit la société
bénéficiaire ne prévoit pas une notion analogue à celle
du capital d’une société anonyme, le pair comptable est
déterminé selon les règles sub a);
f) Scission mixte: l’opération par laquelle une société
transfère, par suite de sa dissolution sans liquidation,
l’ensemble de son patrimoine, activement et passive-
ment, à une ou plusieurs sociétés existantes et à une
ou plusieurs sociétés qu’elle constitue, moyennant
l’attribution à ses actionnaires ou associés, selon une
règle proportionnelle ou non, d’actions ou parts des
sociétés bénéficiaires de l’apport et, éventuellement,
d’une soulte en espèces ne dépassant pas 10 p.c. de
la valeur nominale ou, à défaut de valeur nominale, du
pair comptable de ces titres. Si le droit belge ou étranger
qui régit la société bénéficiaire ne prévoit pas une notion
analogue à celle du capital d’une société anonyme, le
pair comptable est déterminé selon les règles sub a);
g) Opérations assimilées à la scission:
1) L’opération par laquelle une société transfère, sans
être dissoute, une partie de son patrimoine, activement
et passivement, à une ou plusieurs sociétés préexis-
tantes ou qu’elle constitue, moyennant l’attribution à
ses actionnaires ou associés, de façon proportionnelle
ou non, d’actions ou parts de la société ou des socié-
tés bénéficiaires et, éventuellement, d’une soulte en
123
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap of vennootschappen, eventueel met een
opleg in geld die niet meer mag bedragen dan 10 pct.
van de nominale waarde of, bij gebrek aan een nominale
waarde, van de fractiewaarde van de uitgereikte aan-
delen. Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de
verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip
gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze
vennootschap voorziet, wordt de fractiewaarde bepaald
volgens de regels sub a);
2) De rechtshandeling waarbij een deel van de activa
en passiva van het vermogen van een vennootschap,
zonder ontbinding, overgaat op een andere vennoot-
schap die reeds al haar aandelen en andere stemrecht-
verlenende effecten bezit.
Deze rechtshandelingen kunnen ook plaatsvinden
wanneer een of meer vennootschappen waarvan het
vermogen overgaat, in vereffening zijn of in staat van
faillissement verkeren, mits zij nog geen begin hebben
gemaakt met de uitkering van hun vermogen aan hun
aandeelhouders of vennoten.
6°/2: Inbreng van de algemeenheid van goederen en
inbreng van bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid
Er wordt verstaan onder:
a) Inbreng van een algemeenheid van goederen: de
rechtshandeling waarbij een natuurlijke persoon of een
vennootschap de activa en passiva van het vermogen,
zonder ontbinding, in hun geheel overdraagt aan een
vennootschap tegen een vergoeding die uitsluitend
bestaat uit aandelen van de verkrijgende vennootschap;
in het geval van inbreng door een natuurlijke persoon,
moet onder het gehele vermogen al zijn takken van
werkzaamheid worden verstaan;
b) Inbreng van een bedrijfsafdeling of een tak van
werkzaamheid: de rechtshandeling waarbij een natuur-
lijke persoon of een vennootschap, zonder ontbinding,
een bedrijfstak overdraagt aan een andere vennoot-
schap tegen een vergoeding die uitsluitend bestaat in
aandelen van de verkrijgende vennootschap;
c) Bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid: het
geheel van de activa en passiva van een afdeling van
een vennootschap dat uit organisatorisch oogpunt een
onafhankelijke exploitatie vormt, dat wil zeggen een
geheel dat op eigen kracht kan functioneren.”;
10° in de bepaling onder 13°/1, derde lid, eerste
streepje, worden de woorden “artikel 5 van het Wetboek
van vennootschappen” vervangen door de woorden
“artikel 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
espèces ne dépassant pas 10 p.c. de la valeur nominale
ou, à défaut de valeur nominale, du pair comptable de
ces titres. Si le droit belge ou étranger qui régit la société
bénéficiaire ne prévoit pas une notion analogue à celle
du capital d’une société anonyme, le pair comptable est
déterminé selon les règles sub a);
2) L’opération par laquelle une société transfère sans
dissolution une partie de son patrimoine, activement et
passivement, à une autre société qui est déjà titulaire
de toutes ses actions ou parts et autres titres conférant
le droit de vote.
Ces opérations peuvent également avoir lieu
lorsqu’une ou plusieurs des sociétés dont le patrimoine
sera transféré sont en liquidation ou en faillite pourvu
qu’elles n’aient pas encore commencé la répartition de
leurs actifs entre leurs actionnaires ou associés.
6°/2: Apport d’universalité et apport de branche
d’activité
On entend par:
a) Apport d’une universalité de biens: l’opération par
laquelle une personne physique ou une société, sans
dissolution, transfère l’intégralité de son patrimoine,
activement et passivement, à une société, moyennant
une rémunération consistant exclusivement en actions
ou parts de la société bénéficiaire de l’apport; dans le
cas d’une personne physique, l’intégralité de son patri-
moine s’entend de toutes les branches de son activité;
b) Apport de branche d’activité: l’opération par la-
quelle une personne physique ou une société transfère,
sans dissolution, une branche d’activité à une société,
moyennant une rémunération consistant exclusivement
en actions ou parts de la société bénéficiaire de l’apport;
c) Branche d’activité: l’ensemble des éléments d’actif
et de passif d’une division d’une société qui constituent,
du point de vue de l’organisation, une exploitation auto-
nome, c’est-à-dire un ensemble capable de fonctionner
par ses propres moyens.”;
10° au 13°/1, alinéa 3, premier tiret, les mots
“article 5 du Code des sociétés” sont remplacés par
les mots “article 1:14 du Code des sociétés et des
associations”.
124
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 3
In artikel 18 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 28 juli 1992 en 20 maart 1996, bij het konink-
lijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van
22 december 1998, 10 maart 1999, 24 december 2002,
15 december 2004, 27 december 2005, 31 januari 2006,
22 december 2009, 28 juli 2011, 10 augustus 2015,
26 december 2015, 25 december 2016 en
25 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in het eerste lid, worden de bepalingen onder 2°
en 2°bis vervangen als volgt:
“2° gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van
kapitaal, met uitzondering van de terugbetalingen die
overeenkomstig het tweede lid geacht worden voort te
komen uit het gestort kapitaal of uit de in 2°bis vermelde
bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld
en die zijn verkregen ter uitvoering van een regelmatige
beslissing van de vennootschap overeenkomstig het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen of,
indien de vennootschap niet onder het Wetboek res-
sorteert, overeenkomstig de bepalingen van het recht
dat haar beheerst;
2°bis gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van
uitgiftepremies en andere bedragen waarop ter gele-
genheid van de uitgifte van aandelen of winstbewijzen
is ingeschreven, met uitzondering van terugbetalingen
van bedragen die overeenkomstig artikel 184, tweede
lid, met gestort kapitaal worden gelijkgesteld en die
worden gedaan ter uitvoering van een regelmatige
beslissing van de vennootschap overeenkomstig het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen of,
indien de vennootschap niet onder dit Wetboek res-
sorteert, overeenkomstig de bepalingen van het recht
dat haar beheerst, in de mate dat deze terugbetalingen
overeenkomstig het tweede lid geacht worden voort
te komen uit het gestort kapitaal of uit de voormelde
bedragen die met gestort kapitaal zijn gelijkgesteld;”;
2° het tweede en derde lid worden vervangen als
volgt:
“Onverminderd de toepassing van artikel 537 en van
het zevende lid van dit artikel, worden de terugbetalin-
gen bedoeld in het eerste lid, 2° en 2°bis, geacht voort
te komen:
— uit het gestort kapitaal en uit de met gestort kapi-
taal gelijkgestelde bedragen vermeld in het eerste lid,
2°bis, ten belope van een percentage dat de verhouding
uitdrukt tussen, in de teller, de som van het gestort ka-
pitaal en van de voormelde bedragen die met gestort
Art. 3
A l’article 18 du même Code, modifié par les lois des
28 juillet 1992 et 20 mars 1996, par l’arrêté royal du
20 décembre 1996 et par les lois des 22 décembre 1998,
10 mars 1999, 24 décembre 2002, 15 décembre 2004,
27 décembre 2005, 31 janvier 2006, 22 décembre 2009,
28 juillet 2011, 10 août 2015, 26 décembre 2015,
25 décembre 2016 et 25 décembre 2017, les modifica-
tions suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 1er, les 2° et 2°bis sont remplacés par
ce qui suit:
“2° les remboursements totaux ou partiels de capital,
à l’exception des remboursements qui sont censés
provenir, conformément à l’alinéa 2, du capital libéré ou
des sommes assimilées à du capital libéré visées au
2°bis et opérés en exécution d’une décision régulière
de la société conformément au Code des sociétés et
des associations, ou, si la société n’est pas régie par
ce Code, conformément aux dispositions du droit qui
la régit;
2°bis les remboursements totaux ou partiels de
primes d’émission ou d’autres sommes souscrites
à l’occasion de l’émission d’actions ou parts ou de
parts bénéficiaires, à l’exception des remboursements
de sommes assimilées conformément à l’article 184,
alinéa 2, à du capital libéré opérés en exécution d’une
décision régulière de la société conformément au Code
des sociétés et des associations, ou, si la société n’est
pas régie par ce Code, conformément aux dispositions
du droit qui la régit, dans la mesure où ces rembourse-
ments sont conformément à l’alinéa 2 censés provenir
du capital libéré ou des sommes susvisées assimilées
à du capital libéré;”;
2° les alinéas 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit:
“Sans préjudice de l’application de l’article 537 et de
l’alinéa 7 du présent article, les remboursements visés
à l’alinéa 1er, 2° et 2°bis, sont censés provenir:
— du capital libéré et des sommes assimilées à du
capital libéré visées à l’alinéa 1er, 2°bis, à concurrence
d’un pourcentage qui exprime le rapport entre, au numé-
rateur, la somme du capital libéré et des sommes susvi-
sées assimilées à du capital libéré, et, au dénominateur,
125
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
kapitaal worden gelijkgesteld, en, in de noemer, de som
van de belaste reserves, de in het kapitaal geïncorpo-
reerde vrijgestelde reserves en het bedrag bepaald in
de teller;
— voor het saldo, uit de belaste reserves en uit de
in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserves.
Onverminderd de toepassing van het zevende lid,
worden de terugbetalingen als bepaald in het vorige lid,
aangerekend als volgt:
a) wat betreft het gedeelte dat geacht wordt uit de
reserves voort te komen, eerst op de in het kapitaal
geïncorporeerde belaste reserves, vervolgens op de
niet in het kapitaal geïncorporeerde belaste reserves
en tenslotte op de in het kapitaal geïncorporeerde vrij-
gestelde reserves;
b) wat betreft het gedeelte dat geacht wordt voort
te komen uit het gestort kapitaal en uit de voormelde
bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld:
— in het geval van een terugbetaling van kapitaal
bedoeld in het eerste lid, 2°, eerst op het gestort kapitaal
en, indien dat bedrag ontoereikend is, op de voormelde
bedragen die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld,
beginnend met de uitgiftepremies;
— in het geval van een terugbetaling van uitgiftepre-
mies bedoeld in het eerste lid, 2°bis, eerst op de uitgif-
tepremies die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld,
en, indien dat bedrag ontoereikend is, achtereenvolgens
op het gestort kapitaal en op de andere bedragen
waarop ter gelegenheid van de uitgifte van aandelen
of winstbewijzen is ingeschreven en die met gestort
kapitaal worden gelijkgesteld;
— in het geval van een terugbetaling van andere
bedragen waarop ter gelegenheid van de uitgifte van
aandelen of winstbewijzen is ingeschreven, bedoeld in
het eerste lid, 2°bis, eerst op de voormelde bedragen
die met gestort kapitaal worden gelijkgesteld, en, indien
dat bedrag ontoereikend is, achtereenvolgens op het
gestort kapitaal en op de uitgiftepremies die met gestort
kapitaal worden gelijkgesteld.”;
3° in het vierde lid worden de woorden “derde lid”
vervangen door de woorden “tweede lid”;
4° in het vijfde lid, zevende streepje, worden de woor-
den “binnen de grenzen als bepaald in artikel 620, § 1,
2°, Wetboek van Vennootschappen;” vervangen door
de woorden “binnen de grens van 20 pct. bedoeld in
artikel 186, zesde lid;”;
la somme des réserves taxées, des réserves exonérées
incorporées au capital et du montant déterminé au
numérateur;
— pour le solde, des réserves taxées et des réserves
exonérées incorporées au capital.
Sans préjudice de l’application de l’alinéa 7, les
remboursements, déterminés comme dit à l’alinéa
précédent, sont imputés comme suit:
a) en ce qui concerne la quotité censée provenir des
réserves, d’abord sur les réserves taxées incorporées
au capital, ensuite sur les réserves taxées non incor-
porées au capital et enfin sur les réserves exonérées
incorporées au capital;
b) en ce qui concerne la quotité censée provenir du
capital libéré et des sommes susvisées assimilées à
du capital libéré:
— dans le cas d’un remboursement de capital visé à
l’alinéa 1er, 2°, d’abord sur le capital libéré et, si celui-ci
est insuffisant, sur les sommes susvisées assimilées
à du capital libéré en commençant par les primes
d’émission;
— dans le cas d’un remboursement de primes
d’émission visé à l’alinéa 1er, 2°bis, d’abord sur les
primes d’émission assimilées à du capital libéré, et,
si celles-ci sont insuffisantes, successivement sur le
capital libéré et sur les autres sommes souscrites à
l’occasion de l’émission d’actions ou parts ou de parts
bénéficiaires assimilées à du capital libéré;
— dans le cas d’un remboursement d’autres sommes
souscrites à l’occasion de l’émission d’actions ou parts
ou de parts bénéficiaires, visé à l’alinéa 1er, 2°bis,
d’abord sur ces autres sommes assimilées à du capital
libéré et, si celles-ci sont insuffisantes, successivement
sur le capital libéré et sur les primes d’émission assimi-
lées à du capital libéré.”;
3° dans l’alinéa 4, les mots “l’alinéa 3” sont remplacés
par les mots “l’alinéa 2”;
4° dans l’alinéa 5, septième tiret, les mots “dans
les limites fixées à l’article 620, § 1er, 2°, du Code des
sociétés;” sont remplacés par les mots “dans la limite
de 20 p.c. visée à l’article 186, alinéa 6;”;
126
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
5° in het zevende lid:
a) worden de woorden “bedoelde beslissing van de
algemene vergadering” vervangen door de woorden
“beslissing van de vennootschap”;
b) worden de woorden “op andere dan in het vierde
lid bedoelde reserves” vervangen door de woorden op
andere dan in het vijfde lid bedoelde reserves”;
c) wordt in de Nederlandse tekst een komma inge-
voegd tussen de woorden “zijn toegepast” en de woor-
den “het bedrag”;
6° in het achtste lid, 2°, zoals dat van toepassing is
tot en met 31 december 2019 en van toepassing zal
zijn vanaf 1 januari 2020 als gevolg van artikel 86C
van de wet van 25 december 2017 worden de woorden
“coöperatieve vennootschappen die door de Nationale
Raad van de Coöperatie zijn erkend” vervangen door
“overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen erkende coöperatieve
vennootschappen”;
7° in het tiende lid, worden de woorden “artikel 2, § 1,
6°” vervangen door de woorden “artikel 2, § 1, 6°, b”.
Art. 4
In artikel 21, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laat-
stelijk gewijzigd bij de wetten van 26 december 2015,
18 december 2016, 31 juli 2017, 25 december 2017
en 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de bepaling onder 10°, inleidende zin, worden de
woorden “hetzij vennootschappen met een sociaal oog-
merk, hetzij door de vennootschappen gevestigd in een
andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte
die er onderworpen zijn aan een wetgeving gelijkaardig
aan de bepalingen van het Wetboek van vennootschap-
pen die van toepassing zijn op vennootschappen met
een sociaal oogmerk” vervangen door de woorden
“hetzij overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen erkende sociale on-
dernemingen, hetzij door vennootschappen gevestigd
in een andere lidstaat van de Europese Economische
Ruimte die er onderworpen zijn aan een wetgeving
gelijkaardig aan de bepalingen van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen die van toepassing
zijn op de overeenkomstig artikel 8:5 van dat Wetboek
erkende sociale ondernemingen:”;
2° in de bepaling onder 10°, in fine, worden de
woorden “een andere, onder vorig streepje vermelde,
5° dans l’alinéa 7:
a) les mots “la décision de l’assemblée générale”
sont remplacés par les mots “la décision de la société”;
b) les mots “sur des réserves autres que celles visées
à l’alinéa 4” sont remplacés par mots “sur des réserves
autres que celles visées à l’alinéa 5”;
c) dans le texte néerlandais, une virgule est ajoutée
entre les mots “zijn toegepast” et les mots “het bedrag”;
6° dans l’alinéa 8, 2°, tel qu’il est applicable jusqu’au
31 décembre 2019 et tel qu’il sera applicable à partir
du 1er janvier 2020 en vertu de l’article 86C de la loi
du 25 décembre 2017 les mots “sociétés coopératives
agréées par le Conseil national de la Coopération;” sont
remplacés par les mots “sociétés coopératives agréées
conformément à l’article 8:4 du Code des sociétés et
des associations”;
7° dans l’alinéa 10, les mots “l’article 2, § 1er, 6°” sont
remplacés par les mots “l’article 2, § 1er, 6°, b”.
Art. 4
A l’article 21, alinéa 1er, du même Code, modifié
en dernier lieu par les lois des 26 décembre 2015,
18 décembre 2016, 31 juillet 2017, 25 décembre 2017
et 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le 10°, phrase liminaire, les mots “soit par des
sociétés à finalité sociale soit par des sociétés établies
dans un autre État membre de l’Espace économique
européen qui y sont soumises à une législation analogue
aux dispositions du Code des sociétés applicables aux
sociétés à finalité sociale:” sont remplacés par les mots
“soit par des sociétés agréées comme entreprise sociale
conformément à l’article 8:5 du Code des sociétés et
des associations, soit par des sociétés établies dans un
autre État membre de l’Espace économique européen
qui y sont soumises à une législation analogue aux
dispositions du Code des sociétés et des associations
applicables aux sociétés agréées comme entreprise
sociale conformément à l’article 8:5 de ce Code: “;
2° dans le 10°, in fine, les mots “une autre société
à finalité sociale visée au tiret précédent ou dans une
127
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap met sociaal oogmerk of in een andere
vennootschap gevestigd in een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte die er onderworpen is
aan een wetgeving gelijkaardig aan de bepalingen van
het Wetboek van vennootschappen die van toepassing
zijn op de onder het vorige streepje vermelde vennoot-
schappen met een sociaal oogmerk” vervangen door de
woorden “andere sociale onderneming of in een andere
vennootschap gevestigd in een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte die er onderworpen is
aan een wetgeving gelijkaardig aan de bepalingen van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen
die van toepassing zijn op de onder het vorig streepje
vermelde sociale ondernemingen;”;
3° in de bepaling onder 13°, a, worden de woorden
“artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennoot-
schappen;” vervangen door de woorden “artikel 1:24,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen;”.
Art. 5
In artikel 24, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wet van 27 december 2006, wordt tussen het tweede
en het derde lid, dat het vierde lid wordt, een lid inge-
voegd, luidende:
“De belastbare winst wordt, onder voorbehoud van de
afwijkende bepalingen in dit Wetboek, in de bijzondere
wetsbepalingen met betrekking tot de inkomstenbelas-
tingen en in de tot uitvoering ervan genomen besluiten,
vastgesteld overeenkomstig de Belgische wetgeving
met betrekking tot de boekhoudkundige verplichtingen
van ondernemingen.”.
Art. 6
In titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 4, onderafdeling 1,
van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van punt E
vervangen als volgt:
“E.- Vennootschappen of verenigingen zonder
rechtspersoonlijkheid”.
Art. 7
In artikel 29, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij
de wet van 22 december 1998, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “burger-
lijke vennootschappen of verenigingen zonder
autre société établie dans un autre État membre de
l’Espace économique européen qui y est soumise à
une législation analogue aux dispositions du Code
des sociétés applicables aux sociétés à finalité sociale
visées également au tiret précédent” sont remplacés
par les mots “une autre entreprise sociale visée au
tiret précédent ou dans une autre société établie dans
un autre État membre de l’Espace économique euro-
péen qui y est soumise à une législation analogue aux
dispositions du Code des sociétés et des associations
applicables aux entreprises sociales visées également
au tiret précédent;”;
3° dans le 13°, a, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés;” sont remplacés par les mots
“l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations;”.
Art. 5
Dans l’article 24, du même Code, modifié par la loi
du 27 décembre 2006, entre l’alinéa 2 et l’alinéa 3, qui
devient l’alinéa 4, il est inséré un alinéa rédigé comme
suit:
“Sous réserve des dispositions dérogatoires dans
le présent Code, les dispositions légales particulières
relatives aux impôts sur les revenus et les arrêtés pris
pour leur exécution, les bénéfices imposables sont
déterminés conformément à la législation belge relative
aux obligations comptables des entreprises.”.
Art. 6
Dans le titre 2, chapitre 2, section 4, sous-section
première, du même Code, l’intitulé du point E est rem-
placé par ce qui suit:
“E.- Sociétés ou associations sans personnalité
juridique”.
Art. 7
A l’article 29, du même Code, modifié par la loi du
22 décembre 1998, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er les mots “sociétés civiles
ou associations sans personnalité juridique” sont
128
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
rechtspersoonlijkheid” vervangen door de woorden
“vennootschappen of verenigingen zonder rechtsper-
soonlijkheid, andere dan deze bedoeld in artikel 2, § 1,
5°, a, eerste lid, tweede streepje,”;
2° in paragraaf 2 wordt de bepaling onder 1°
opgeheven;
3° in paragraaf 2, 2°, wordt het woord
“landbouwvennootschappen” vervangen door de
woorden “vennootschappen erkend als landbouwon-
derneming, als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen, en die de
rechtsvorm hebben van een vennootschap onder firma
of commanditaire vennootschap”;
4° in paragraaf 2, wordt de bepaling onder 4° vervan-
gen als volgt:
“4° de vennootschappen onder firma voortkomende
uit de omvorming van een economisch samenwerkings-
verband bij toepassing van artikel 32 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen op voorwaarde
dat de activiteiten van de vennootschap onder firma
uitsluitend tot doel hebben om de economische bedrij-
vigheid van haar vennoten te vergemakkelijken of te
ontwikkelen, dan wel de resultaten van die bedrijvigheid
te verbeteren of te vergroten; daarenboven moet de
bedrijvigheid van de vennootschap onder firma aanslui-
ten bij deze van haar vennoten en van ondergeschikte
betekenis zijn.”.
Art. 8
Artikel 45, § 1, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 11 december 2008, wordt
aangevuld met de volgende zin:
“Indien de inbrengverkrijgende vennootschap een
vennootschap is bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, a, 2, moet
onder de fractiewaarde worden verstaan de inbreng-
waarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van alle door
de aandeelhouders of vennoten toegezegde inbrengen
in geld of in natura, met uitzondering van de inbrengen
in nijverheid, in voorkomend geval verhoogd met de re-
serves die op grond van een statutaire bepaling slechts
aan de aandeelhouders of vennoten kunnen worden
uitgekeerd mits een statutenwijziging, dit alles gedeeld
door het aantal aandelen.”.
Art. 9
In artikel 46, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij-
zigd bij de wetten van 3 augustus 2016, 9 februari 2017
remplacés par les mots “sociétés ou associations
sans personnalité juridique, autres que celles visées à
l’article 2, § 1er, 5°, a, alinéa 1er, deuxième tiret,”;
2° dans le paragraphe 2, le 1°, est abrogé;
3° au paragraphe 2, 2°, les mots “sociétés agri-
coles,” sont remplacés par les mots “sociétés agréées
comme entreprise agricole visées à l’article 8:2 du
Code des sociétés et des associations, et qui ont la
forme d’une société en nom collectif ou d’une société
en commandite,”;
4° dans le paragraphe 2, le 4° est remplacé par ce
qui suit:
“4° les sociétés en nom collectif issues de la trans-
formation d’un groupement d’intérêt économique en
application de l’article 32 du Code des sociétés et des
associations, à condition que les activités de la société
en nom collectif aient exclusivement pour but de faciliter
ou de développer l’activité économique de ses associés,
d’améliorer ou d’accroître les résultats de cette activité;
en outre, l’activité de la société en nom collectif doit se
rattacher à l’activité de ses associés et avoir un carac-
tère auxiliaire par rapport à celle-ci.”.
Art. 8
L’article 45, § 1er, alinéa 1er, 2°, du même Code, rem-
placé par la loi du 11 décembre 2008, est complété par
la phrase suivante:
“Si la société bénéficiaire de l’apport est une société
visée à l’article 2, § 1er, 6°, a, 2, le pair comptable
s’entend à cet effet de la valeur, telle qu’elle résulte des
comptes annuels, de tous les apports en numéraire ou
en nature, autres que les apports en industrie, consen-
tis par les actionnaires ou associés, le cas échéant
augmenté des réserves qui, en vertu d’une disposition
statutaire, ne peuvent être distribuées aux actionnaires
ou associés que moyennant une modification des sta-
tuts, le tout divisé par le nombre des actions ou parts.“.
Art. 9
A l’article 46, du même Code, modifié en der-
nier lieu par les lois des 3 août 2016, 9 février 2017
129
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
en 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”;
2° in paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt het woord “land-
bouwvennootschap” vervangen door de woorden “ven-
nootschap erkend als landbouwonderneming bedoeld
in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”;
3° in paragraaf 1, derde lid, wordt de bepaling onder
2° opgeheven;
4° in paragraaf 2, vierde lid, wordt het woord “land-
bouwvennootschappen” vervangen door de woorden
“vennootschappen erkend als landbouwonderneming
bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van vennoot-
schappen en verenigingen”.
Art. 10
In artikel 52, 11°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wet van 20 december 1995, bij het koninklijk
besluit van 20 december 1996 en bij de wet van
20 december 2017, worden de woorden “maatschap-
pelijk kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal”.
Art. 11
In artikel 53, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wetten van 30 maart 1994, 7 april 1995 en
20 december 1995, bij het koninklijk besluit van
20 december 1996 en bij de wetten van 7 maart 2002,
24 december 2002, 28 april 2003, 10 mei 2004,
27 december 2004, 1 maart 2007, 11 mei 2007,
23 maart 2009, 22 december 2009, 13 december 2012,
27 december 2012, 6 december 2015, 22 oktober 2017,
25 december 2017 en 26 maart 2018 worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 16°, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”;
2° in de bepaling onder 18°, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”.
et 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les mots
“capital social” sont remplacés par le mot “capital”;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, les mots
“société agricole” sont remplacés par les mots “société
agréée comme entreprise agricole visée à l’article 8:2 du
Code des sociétés et des associations”;
3° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, le 2° est abrogé;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 4, les mots “sociétés
agricoles” sont remplacés par les mots “sociétés agréées
comme entreprise agricole visée à l’article 8:2 du Code
des sociétés et des associations”.
Art. 10
Dans l’article 52, 11°, du même Code, modifié
par la loi du 20 décembre 1995, par l’arrêté royal du
20 décembre 1996 et par la loi du 20 décembre 2017, les
mots “capital social” sont remplacés par le mot “capital”.
Art. 11
Dans l’article 53, du même Code, modifié par les lois
des 30 mars 1994, 7 avril 1995 et 20 décembre 1995,
par l’arrêté royal du 20 décembre 1996 et par les lois
des 7 mars 2002, 24 décembre 2002, 28 avril 2003,
10 mai 2004, 27 décembre 2004, 1er mars 2007,
11 mai 2007, 23 mars 2009, 22 décembre 2009,
13 décembre 2012, 27 décembre 2012, 6 décembre 2015,
22 octobre 2017, 25 décembre 2017 et 26 mars 2018,
les modifications suivantes sont apportées:
1° au 16°, les mots “capital social” sont remplacés
par le mot “capital”;
2° au 18°, les mots “capital social” sont remplacés
par le mot “capital”.
130
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 12
In artikel 56, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 14 april 2011, worden de woorden “ar-
tikel 11 van het Wetboek van vennootschappen” vervan-
gen door de woorden “artikel 1:20 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
Art. 13
In artikel 69, § 1, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet 10 augustus 2015, worden de
woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
Vennootschappen” vervangen door “artikel 1:24,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 14
In artikel 80, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wet van 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de Nederlandse tekst worden de woorden
“burgerlijke vennootschappen” vervangen door het
woord “vennootschappen”;
2° de woorden “economische samenwerkingsver-
banden,” worden vervangen door de woorden “ven-
nootschappen onder firma bedoeld in artikel 29, § 2, 4°,”.
Art. 15
In artikel 90, eerste lid, 9°, tweede streepje,
van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van
11 december 2008, worden de woorden “de maatschap-
pelijke zetel,” opgeheven.
Art. 16
In artikel 94, van hetzelfde Wetboek, worden de
woorden “de maatschappelijke zetel,” opgeheven.
Art. 17
Artikel 95, eerste lid, tweede streepje, van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2008
en gewijzigd bij de wetten van 26 december 2015 en
25 december 2016, wordt aangevuld als volgt:
Art. 12
Dans l’article 56, § 3, du même Code, inséré par la
loi du 14 avril 2011, les mots “l’article 11 du Code des
sociétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:20 du
Code des sociétés et des associations”.
Art. 13
Dans l’article 69, § 1er, alinéa 5, du même Code,
inséré par la loi du 10 août 2015, les mots “l’article 15,
§§ 1er à 6 du Code des sociétés” sont remplacés par les
mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
des associations”.
Art. 14
A l’article 80, du même Code, modifié par la loi du
4 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes:
1° dans le texte en néerlandais, les mots “burger-
lijke vennootschappen “sont remplacés par le mot
“vennootschappen”;
2° les mots “groupements d’intérêt économique,”
sont remplacés par les mots “sociétés en nom collectif
visées à l’article 29, § 2, 4°,”.
Art. 15
Dans l’article 90, alinéa 1er, 9°, deuxième tiret, du
même Code, remplacé par la loi du 11 décembre 2008,
les mots “le siège social,” sont abrogés.
Art. 16
Dans l’article 94, du même Code, les mots “le siège
social,” sont abrogés.
Art. 17
L’article 95, alinéa 1er, deuxième tiret, du même Code,
remplacé par la loi du 11 décembre 2008 et modifié par
les lois des 26 décembre 2015 et 25 décembre 2016,
est complété par ce qui suit:
131
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“; indien de inbrengverkrijgende vennootschap een
vennootschap is bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, a, 2, moet
onder de fractiewaarde worden verstaan de inbreng-
waarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van alle door
de aandeelhouders toegezegde inbrengen in geld of
in natura, met uitzondering van de inbrengen in nijver-
heid, in voorkomend geval verhoogd met de reserves
die op grond van een statutaire bepaling slechts aan
de aandeelhouders kunnen worden uitgekeerd mits
een statutenwijziging, dit alles gedeeld door het aantal
aandelen.”.
Art. 18
In artikel 145, eerste lid, 2°, a, van hetzelfde Wetboek
worden de woorden “artikel 5 van het Wetboek van
vennootschappen” vervangen door de woorden “ar-
tikel 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 19
In artikel 1451, 4°, van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 27 december 2006, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “maatschappelijk kapitaal” worden
vervangen door het woord “kapitaal”;
2° de woorden “maatschappelijke zetel,” worden
opgeheven;
3° in de Franse tekst, worden de woorden “qui occupe
le contribuable “tussen de woorden “de la société” en
de woorden “et dont” opgeheven, en worden de woor-
den “qui occupe le contribuable” ingevoegd tussen de
woorden “économique européen” en de woorden “ou
dont la société employeur”;
4° de woorden “het Wetboek van vennootschappen
of van een daarmee vergelijkbare regelgeving van een
lidstaat van de Europese Economische Ruimte” worden
vervangen door de woorden “van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen, of, indien de vennoot-
schap niet door dit Wetboek beheerst is, de gelijkaardige
bepalingen die op haar van toepassing zijn”.
Art. 20
In artikel 14526, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 10 augustus 2015 en gewijzigd bij de
“; si la société bénéficiaire de l’apport est une so-
ciété visée à l’article 2, § 1er, 6°, a, 2, le pair comptable
s’entend à cet effet de la valeur, telle qu’elle résulte des
comptes annuels, de tous les apports en numéraire ou
en nature consentis par les actionnaires, autres que les
apports en industrie, le cas échéant augmentés des
réserves qui, en vertu d’une disposition statutaire, ne
peuvent être distribuées aux actionnaires que moyen-
nant une modification des statuts, le tout divisé par le
nombre des actions.”.
Art. 18
Dans l’article 145, alinéa 1er, 2°, a, du même Code, les
mots “l’article 5 du Code des sociétés” sont remplacés
par les mots “l’article 1:14 du Code des sociétés et des
associations”.
Art. 19
A l’article 1451, 4°, du même Code, remplacé par la
loi du 27 décembre 2006, les modifications suivantes
sont apportées:
1° les mots “capital social” sont remplacés par le
mot “capital”;
2° les mots “le siège social,” sont abrogés;
3° dans le texte français, les mots “qui occupe
le contribuable” sont abrogés entre les mots “de la
société” et les mots “et dont” et les mots “qui occupe le
contribuable” sont insérés entre les mots “économique
européen” et les mots “ou dont la société employeur”;
4° les mots “du Code des sociétés ou d’une régle-
mentation analogue d’un État membre de l’Espace
économique européen,” sont remplacés par les mots
“du Code des sociétés et des associations ou, si la
société n’est pas régie par ce Code, aux dispositions
analogues qui lui sont applicables,”.
Art. 20
A l’article 14526, du même Code, inséré par la loi du
10 août 2015 et modifié par les lois des 18 décembre 2015,
132
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
wetten van 18 december 2015, 18 december 2016 en
17 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, a, b en c, worden de
woorden “maatschappelijk kapitaal” telkens vervangen
door het woord “kapitaal”;
2° in paragraaf 2, derde lid, 1°, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”;
3° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, worden de woorden
“de maatschappelijke zetel,” opgeheven;
4° in paragraaf 3, eerste lid, 3°, worden de woor-
den “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
Vennootschappen” vervangen door “artikel 1:24,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”;
5° in paragraaf 3, derde lid, 3°, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”;
6° in paragraaf 3, derde lid, 4°, worden de woorden
“artikelen 220, 396, 445 of 657 van het Wetboek van
Vennootschappen” vervangen door de woorden “ar-
tikel 7:8 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”;
7° in paragraaf 3, zesde lid, worden de woorden “ar-
tikel 15/1 van het Wetboek van vennootschappen” ver-
vangen door de woorden “artikel 1:25 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 21
In artikel 14527, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de
wet van 26 maart 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, a en b, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” telkens vervangen door het
woord “kapitaal”;
2° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden de woorden
“maatschappelijke zetel” opgeheven;
3° in paragraaf 2, eerste lid, 2°, worden woorden “ar-
tikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van Vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”
18 décembre 2016 et 17 décembre 2017, les modifica-
tions suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, a, b et c, les mots
“capital social” sont chaque fois remplacés par le mot
“capital”;
2° au paragraphe 2, alinéa 3, 1°, les mots “capital
social” sont remplacés par le mot “capital”;
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, les mots “le siège
social,” sont abrogés;
4° au paragraphe 3, alinéa 1er, 3°, les mots “l’article 15,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés” sont remplacés par
les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés
et des associations”;
5° au paragraphe 3, alinéa 3, 3°, les mots “capital
social” sont remplacés par le mot “capital”;
6° au paragraphe 3, alinéa 3, 4°, les mots “aux
articles 220, 396, 445 ou 657 du Code des sociétés.”
sont remplacés par les mots “à l’article 7:8 du Code des
sociétés et des associations.”;
7° au paragraphe 3, alinéa 6, les mots “l’article 15/1 du
Code des sociétés.” sont remplacés par les mots “l’ar-
ticle 1:25 du Code des sociétés et des associations.”.
Art. 21
A l’article 14527, du même Code, tel que rétabli par
la loi du 26 mars 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° au paragraphe 1er, a et b, les mots “capital social”
sont chaque fois remplacés par le mot “capital”;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, 1°, les mots “le siège
social,” sont abrogés;
3° au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°, les mots “l’article 15,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont remplacés par
les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés
et des associations,”;
133
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
4° in paragraaf 2, vijfde lid, 3°, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”;
Art. 22
In artikel 181, 8°, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij
de wet van 2 mei 2002, van hetzelfde wetboek, worden
de woorden “opgericht zijn met toepassing van de wet
van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder
winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder
winstoogmerk en de stichtingen” vervangen door de
woorden “onder toepassing vallen van Deel 3 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 23
In artikel 184, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wetten van 28 juli 1992, 30 januari 1996,
22 december 1998, 4 mei 1999, 31 januari 2006,
11 december 2008, 25 december 2016 en
25 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° het eerste en het tweede lid worden vervangen
door drie leden, luidende:
”Het gestort kapitaal is het kapitaal voor zover dat
gevormd wordt door werkelijk gestorte inbrengen in
geld of in natura, andere dan inbrengen in nijverheid, en
in zoverre er geen terugbetaling of vermindering heeft
plaatsgevonden.
In zoverre zij niet in het eerste lid zijn bedoeld, wor-
den uitgiftepremies en andere bedragen waarop wordt
ingeschreven door werkelijk gestorte inbrengen in geld
of in natura, andere dan inbrengen in nijverheid, ter ge-
legenheid van de uitgifte van aandelen of winstbewijzen,
gelijkgesteld met het gestort kapitaal op voorwaarde dat
ze op een of meer afzonderlijke rekeningen onder het
eigen vermogen op het passief van de balans worden
en blijven vermeld.
In verenigingen, stichtingen, vennootschappen en
andere instellingen die rechtspersoonlijkheid bezitten
en die een belangeloos doel nastreven zijn de eerste
twee leden alleen van toepassing op het gedeelte van de
inbrengen die door de inbrenger of zijn rechthebbenden
wettelijk kunnen worden teruggenomen.”;
2° het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt ver-
vangen als volgt:
4° au paragraphe 2, alinéa 5, 3°, les mots “capital
social” sont remplacés par le mot “capital”;
Art. 22
Dans l’article 181, 8°, du même Code, les mots “qui
sont constituées en application de la loi du 27 juin 1921
sur les associations sans but lucratif, les associations
internationales sans but lucratif et les fondations” sont
remplacés par les mots “auxquelles s’appliquent les
dispositions de la Partie 3 du Code des sociétés et des
associations”.
Art. 23
A l’article 184, du même Code, modifié par les lois
des 28 juillet 1992, 30 janvier 1996, 22 décembre 1998,
4 mai 1999, 31 janvier 2006, 11 décembre 2008,
25 décembre 2016 et 25 décembre 2017, les modifica-
tions suivantes sont apportées:
1° les alinéas 1er et 2 sont remplacés par trois alinéas
rédigés comme suit:
“Le capital libéré est le capital dans la mesure où
celui-ci est formé par des apports réellement libérés en
numéraire ou en nature, autres qu’en industrie, et où
il n’a fait l’objet d’aucun remboursement ou réduction.
Dans la mesure où elles ne sont pas visées par l’ali-
néa 1er, les primes d’émission et autres sommes sous-
crites par des apports réellement libérés en numéraire
ou en nature, autres qu’en industrie, à l’occasion de
l’émission d’actions ou parts ou de parts bénéficiaires
sont assimilées au capital libéré à la condition d’être por-
tées et maintenues à un ou plusieurs comptes distincts
dans les capitaux propres au passif du bilan.
Dans les associations, fondations, et autres orga-
nismes possédant la personnalité juridique qui
poursuivent un but désintéressé, les alinéas 1er et
2 s’appliquent uniquement à la partie des apports qui
peuvent être légalement repris par l’apporteur ou ses
ayants droit.”;
2° l’alinéa 5, qui devient l’alinéa 6, est remplacé par
ce qui suit:
134
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Voor de toepassing van deze titel, wordt het bedrag
van het in het eerste lid bedoelde gestort kapitaal en de
bedragen die overeenkomstig het tweede lid met gestort
kapitaal worden gelijkgesteld, geacht niet verminderd
te zijn ten belope van de terugbetalingen die overeen-
komstig artikel 18, tweede tot vijfde lid, als dividenden
op de belaste reserves of op de vrijgestelde reserves
zijn aangerekend.”.
Art. 24
In artikel 184bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 11 december 2008, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”;
2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden “sta-
tutaire kapitaal,” vervangen door het woord “kapitaal,”;
3° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden
“maatschappelijke zetel,” opgeheven en de woor-
den “statutaire kapitaal,” vervangen door het woord
“kapitaal,”.
Art. 25
In artikel 184ter, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij de wet
van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid:
a) worden de woorden “artikel 26sexies van de wet
van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder
winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke
partijen en stichtingen” vervangen door de woorden
“artikel 14:42 van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”;
b) worden de woorden “het maatschappelijk kapi-
taal uitmaakt van een vennootschap met een sociaal
oogmerk” vervangen door “het kapitaal uitmaakt van
een overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen erkende sociale
onderneming”;
c) worden de woorden “Dat maatschappelijk kapitaal”
vervangen door de woorden “Dat kapitaal”;
2° in paragraaf 1, tweede lid:
“Pour l’application du présent titre, le montant du
capital libéré visé à l’alinéa 1er et des sommes assimilées
à du capital libéré conformément à l’alinéa 2, est censé
ne pas être diminué à concurrence des remboursements
qui sont imputés en tant que dividendes sur les réserves
taxées ou sur les réserves exonérées par application
de l’article 18, alinéas 2 à 5.”.
Art. 24
A l’article 184bis, du même Code, inséré par la loi
du 11 décembre 2008, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “capital
social” sont remplacés par le mot “capital”;
2° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots “capital
statutaire,” sont remplacés par le mot “capital,”;
3° dans le paragraphe 5, alinéa 1er, les mots “son
siège social, “sont abrogés et les mots “capital statu-
taire,” sont remplacés par le mot “capital,”.
Art. 25
A l’article 184ter, du même Code, inséré par la
loi du 11 décembre 2008 et modifié par la loi du
25 décembre 2017, les modifications suivantes sont
apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er:
a) les mots “l’article 26sexies de la loi du 27 juin 1921
sur les associations sans but lucratif, les fondations,
les partis politiques européens et les fondations poli-
tiques européennes “sont remplacés par les mots “l’ar-
ticle 14:42 du Code des sociétés et des associations”;
b) les mots “le capital social d’une société à finalité
sociale” sont remplacés par les mots “le capital d’une
société agréée comme entreprise sociale conformément
à l’article 8:5 du Code des sociétés et des associations”;
c) les mots “Ce capital social” sont remplacés par les
mots “Ce capital”;
2° au paragraphe 1er, alinéa 2:
135
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
a) worden de woorden “het maatschappelijk kapitaal
van een handelsvennootschap” vervangen door de
woorden “het kapitaal van een vennootschap”;
b) worden de woorden “Dat maatschappelijk kapitaal”
vervangen door de woorden “Dat kapitaal”;
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden
“maatschappelijke zetel,” opgeheven en worden de
woorden “verbonden aan” vervangen door de woorden
“aangewend in”;
4° in paragraaf 2, derde lid, zoals in werking getreden
vanaf 1 januari 2019 en van toepassing op de over-
drachten die plaatsvinden vanaf 1 januari 2019, worden
de woorden “maatschappelijke zetel, de” opgeheven en
worden in de Franse tekst de woorden “en Belgique”
ingevoegd tussen de woorden “ou d’administration” en
de woorden “, ou vers un autre établissement”.
Art. 26
In artikel 184quater, eerste lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2014
en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden
de woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van Vennootschappen” vervangen door de woorden
“artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen”.
Art. 27
In artikel 185, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de
woorden “door de Nationale Raad van de Coöperatie
erkende coöperatieve vennootschappen” vervangen
door de woorden “overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen er-
kende coöperatieve vennootschappen”.
Art. 28
In artikel 185quater, nvan hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 8 juni 2008 en gewijzigd bij de
wetten van 22 december 2009, 18 december 2015,
26 december 2015 en 30 juli 2018, worden de woorden
“artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennoot-
schappen” vervangen door de woorden “artikel 1:24,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
a) les mots “le capital social d’une société commer-
ciale” sont remplacés par les mots “le capital d’une
société”;
b) les mots “Ce capital social” sont remplacés par les
mots “Ce capital”;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “de son
siège social,” sont abrogés et le mot “liés” est remplacé
par le mot “affectés”;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 3, tel qu’en vigueur
à partir du 1er janvier 2019 et applicable aux transferts
qui ont lieu à partir du 1er janvier 2019, les mots “le
siège social,” sont abrogés et dans le texte en français
les mots “en Belgique” sont insérés entre les mots
“ou d’administration” et les mots “, ou vers un autre
établissement”.
Art. 26
Dans l’article 184quater, alinéa 1er, du même Code,
inséré par la loi du 19 décembre 2014 et modifié par la
loi du 18 décembre 2015, les mots “l’article 15, §§ 1er à
6, du Code des sociétés,” sont remplacés par les mots
“l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 27
Dans l’article 185, § 1er, alinéa 1er, du même Code,
modifié par la loi du 25 décembre 2017, les mots “socié-
tés coopératives agréées par le Conseil national de la
coopération “sont remplacés par les mots “sociétés
coopératives agréées conformément à l’article 8:4 du
Code des sociétés et des associations”.
Art. 28
Dans l’article 185quater, du même Code, in-
séré par la loi du 8 juin 2008 et modifié par les
lois des 22 décembre 2009, 18 décembre 2015,
26 décembre 2015 et 30 juillet 2018, les mots “l’ar-
ticle 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont rempla-
cés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés et des associations,”.
136
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 29
In artikel 186, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 6 juli 1994 en 22 december 2009, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid, worden in de inleidende zin
de woorden “het Wetboek van vennootschappen,”
vervangen door de woorden “het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen terzake of, indien de
vennootschap niet door dat Wetboek wordt beheerst,
onder de voorwaarden gesteld in het rechtspersonen-
recht dat haar beheerst,”;
2° het artikel wordt met twee leden aangevuld,
luidende:
“In de mate dat de verkrijging tot gevolg heeft dat de
vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven eigen
aandelen in portefeuille houdt die meer dan 20 pct. van
haar kapitaal vertegenwoordigen, worden de nieuw
verworven aandelen geacht te zijn vernietigd in de zin
van het tweede lid, 3°. In geval van een gelijktijdige
verkrijging van aandelen van verschillende overdragers
of tegen een verschillende aanschaffingswaarde, duidt
de vennootschap de nieuw verworven aandelen aan
die geacht worden te zijn vernietigd. Bij gebrek aan
dergelijke aanduiding, worden de nieuw verworven
aandelen proportioneel geacht te zijn vernietigd naar
het aantal aandelen per overdrager of per aanschaf-
fingswaarde. Zolang de aandelen die geacht worden
te zijn vernietigd in portefeuille worden gehouden, is
hun fiscale nettowaarde gelijk aan nul en de waarde
waarvoor ze op de balans zijn ingeschreven vormt een
uitgedrukte niet verwezenlijkte meerwaarde bedoeld in
de artikelen 44, § 1, 1°, en 190.
De toepassing van het vorige lid heeft geen invloed
op de toepassing van het artikel 192, § 1, in hoofde van
de vennootschap die eigen aandelen overdraagt die in
portefeuille werden gehouden.”.
Art. 30
In artikel 188, van hetzelfde Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de eerste lid, wordt het woord “het kapitaal”
vervangen door de woorden “het gestort kapitaal”;
2° het artikel wordt verder aangevuld met een lid
luidende:
Art. 29
A l’article 186, du même Code, modifié par les lois
des 6 juillet 1994 et 22 décembre 2009, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 2, phrase liminaire, les mots “le Code
des sociétés,” sont remplacés par les mots “le Code des
sociétés et des associations ou, dans le cas où la société
n’est pas régie par ce Code, aux conditions prescrites
par le droit des personnes morales qui la régit,”;
2° l’article est complété par deux alinéas rédigés
comme suit:
“Dans la mesure où l’acquisition a pour effet que la
société émettrice des actions ou parts détient en por-
tefeuille des actions ou parts propres représentant plus
de 20 p.c. de son capital, les actions ou parts propres
nouvellement acquises sont censées être détruites au
sens de l’alinéa 2, 3°. En cas d’acquisition simultanée
d’actions ou parts de différents cédants ou à différents
valeurs d’acquisition, la société indique quelles sont les
actions ou parts nouvellement acquises qui sont cen-
sées être détruites. A défaut d’une telle indication, les
actions ou parts nouvellement acquises sont censées
être détruites proportionnellement au nombre d’actions
ou parts par cédant ou par valeur d’acquisition. Tant que
les actions ou parts qui sont censées être détruites sont
conservées en portefeuille, leur valeur fiscale nette est
égale à zéro et la valeur pour laquelle elles sont inscrites
au bilan constitue une plus-value exprimée non réalisée
visée aux articles 44, § 1er, 1°, et 190.
L’application de l’alinéa précédent reste sans inci-
dence sur l’application de l’article 192, § 1er, dans le chef
de la société qui revend des actions ou parts propres
qu’elle conservait en portefeuille.”.
Art. 30
A l’article 188, du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 1er, le mot “ce capital” est remplacé par
les mots “ce capital libéré”;
2° l’article est complété par l’alinéa suivant:
137
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Wanneer de aandelen verworven in het geval be-
doeld in artikel 186, zesde lid, later worden vervreemd,
wordt:
1° de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde,
verminderd met de kosten van vervreemding, niet in
aanmerking genomen om de belastbare winst te be-
palen ten belope van de aanschaffingswaarde ervan;
2° het gestort kapitaal van de vennootschap verhoogd
met een bedrag gelijk aan de ontvangen vergoeding
of de verkoopwaarde, verminderd met de kosten van
vervreemding, zonder dat deze verhoging meer kan
bedragen dan het bedrag van de vermindering van het
gestort kapitaal doorgevoerd naar aanleiding van de
verwerving van de aandelen. Deze regel blijft zonder
gevolg voor het bepalen van de belastbare winst.”.
Art. 31
In artikel 190, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ver-
vangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij
de wetten van 16 juli 2001 en 10 augustus 2001, worden
de woorden “Wetboek van vennootschappen” vervan-
gen door de woorden “Wetboek van vennootschappen
en verenigingen”.
Art. 32
In artikel 194ter, § 1, eerste lid, 1° en 2°, en § 10, 7°,
ingevoegd bij de wet van 12 mei 2014 en gewijzigd bij de
wet van 26 mei 2016, worden de woorden “artikel 11 van
het Wetboek van Vennootschappen” telkens vervangen
door de woorden “artikel 1:20 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen”.
Art. 33
In artikel 194quater, § 1, van hetzelfde Wetboek, in-
gevoegd bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd
bij de wetten van 22 december 2009, 18 december 2015
en 25 december 2017, worden de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 34
In artikel 196, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek
worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6 van het
“En cas d’aliénation ultérieure des actions ou parts
acquises dans l’hypothèse visée à l’article 186, alinéa 6:
1° l’indemnité perçue ou la valeur de réalisation,
diminuée des frais de réalisation, n’est pas prise en
considération pour la détermination du bénéfice impo-
sable jusqu’à concurrence de la valeur d’acquisition;
2° l’indemnité perçue ou la valeur de réalisation, dimi-
nuée des frais de réalisation, majore à due concurrence
le capital libéré de la société, sans que cette majoration
puisse excéder le montant de capital libéré réduit lors
de l’acquisition desdites actions ou parts; cette règle
est sans incidence sur la détermination du bénéfice
imposable.”.
Art. 31
Dans l’article 190, alinéa 3, du même Code, remplacé
par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par les lois
des 16 juillet 2001 et 10 août 2001, les mots “Code
des sociétés,” sont remplacés par les mots “Code des
sociétés et des associations,”.
Art. 32
Dans l’article 194ter, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, et § 10,
7°, du même Code, inséré par la loi du 12 mai 2014 et
modifié par la loi du 26 mai 2016, les mots “l’article 11 du
Code des sociétés” sont chaque fois remplacés par
les mots “l’article 1:20 du Code des sociétés et des
associations”.
Art. 33
Dans l’article 194quater, § 1er, du même Code,
inséré par la loi du 24 décembre 2002 et modifié par
les lois des 22 décembre 2009, 18 décembre 2015 et
25 décembre 2017, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés,” sont remplacés par les mots
“l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 34
Dans l’article 196, § 2, alinéa 1er, du même Code,
les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés,”
138
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetboek van Vennootschappen” vervangen door de
woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
Art. 35
In artikel 196, § 4, eerste en tweede lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017
zoals in werking getreden op 1 januari 2020 en van toe-
passing op activa verkregen of tot stand gebracht vanaf
1 januari 2020, worden telkens de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 36
In artikel 198, § 3, eerste lid, ingevoegd bij de wet van
29 maart 2012 en gewijzigd bij de wet van 22 juni 2012,
worden de woorden “artikel 11 van het Wetboek van
vennootschappen” vervangen door de woorden “ar-
tikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 37
In artikel 198, § 3, vierde lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 29 maart 2012 en gewijzigd
bij de wetten van 22 juni 2012 en 25 december 2017,
worden de woorden “de belastingplichtigen die aan de
vennootschapsbelasting onderworpen zijn, op wie de
wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder
winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder
winstoogmerk en de stichtingen, van toepassing is”
telkens vervangen door de woorden “de verenigingen
en stichtingen op wie Deel 3 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen van toepassing is en
die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn”.
Art. 38
In artikel 201, § 1, eerste lid, 1°, en zesde en ze-
vende lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de
wet van 22 juni 2005 en gewijzigd bij de wetten van
26 december 2015 en 25 december 2017, worden tel-
kens de woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van Vennootschappen” telkens vervangen door de
woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
sont remplacés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés et des associations,”.
Art. 35
Dans l’article 196, § 4, alinéas 1er et 2, du même
Code, inséré par la loi du 25 décembre 2017 tel qu’en
vigueur le 1er janvier 2020 et applicable aux actifs
acquis ou constitués à partir du 1er janvier 2020, les
mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés,”
sont chaque fois remplacés par les mots “l’article 1:24,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés et des associations,”.
Art. 36
Dans l’article 198, § 3, alinéa 1er, du même Code,
inséré par la loi du 29 mars 2012 et modifié par la loi du
22 juin 2012, les mots “l’article 11 du Code des sociétés.”
sont remplacés par les mots “l’article 1:20 du Code des
sociétés et des associations.”.
Art. 37
Dans l’article 198, § 3, alinéa 4, du même Code,
insérés par la loi du 29 mars 2012 et modifiés par les
lois des 22 juin 2012 et 25 décembre 2017, les mots “les
contribuables soumis à l’impôt des sociétés, auxquels
s’applique la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans
but lucratif, les associations internationales sans but
lucratif et les fondations,” sont remplacés par les mots
“les associations et fondations auxquelles s’appliquent
les dispositions de la Partie 3 du Code des sociétés et
des associations et qui sont soumises à l’impôt des
sociétés,”.
Art. 38
Dans l’article 201, § 1er, alinéa 1er, 1°, et alinéas 6 et
7, du même Code, remplacé par la loi du 22 juin 2005
et modifié par les lois des 26 décembre 2015 et
25 décembre 2017, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6, du
Code des sociétés,” sont chaque fois remplacés par les
mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
des associations,”.
139
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 39
In artikel 205ter, § 4, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 22 juni 2005 en gewijzigd bij de
wetten van 21 december 2013, 25 december 2017 en
30 juli 2018 worden de woorden “de belastingplichtigen
die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn op
wie de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen
zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen
zonder winstoogmerk en de stichtingen van toepassing
is” vervangen door de woorden “de verenigingen en
stichtingen op wie Deel 3 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen van toepassing is en
die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn”.
Art. 40
In artikel 205quater, § 6, van hetzelfde Wetboek, in-
gevoegd bij de wet van 22 juni 2005 en gewijzigd bij de
wetten van 22 december 2009 en 18 december 2015,
worden de woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen” vervangen door “arti-
kel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen”.
Art. 41
In artikel 206, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij de
wet van 25 december 2017, worden de woorden “maat-
schappelijke zetel, de” opgeheven.
Art. 42
In artikel 207, zesde lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 25 december 2017, worden
de woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6 van het Wetboek
van vennootschappen” vervangen door de woorden
“artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennoot-
schappen en verenigingen”.
Art. 43
In artikel 210, van hetzelfde wetboek, vervangen
bij de wet van 16 juli 2001, gewijzigd bij de wet van
27 december 2004, bij het koninklijk besluit van
3 maart 2011 en van de wetten van 12 mei 2014,
3 augustus 2016 en 17 december 2017, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
Art. 39
Dans l’article 205ter, § 4, du même Code, inséré
par la loi du 22 juin 2005 et modifié par les lois des
21 décembre 2013, 25 décembre 2017 et 30 juillet 2018,
les mots “les contribuables soumis à l’impôt des
sociétés, auxquels s’applique la loi du 27 juin 1921
sur les associations sans but lucratif, les associations
internationales sans but lucratif et les fondations,” sont
remplacés par les mots “les associations et fondations
auxquelles s’appliquent les dispositions de la Partie
3 du Code des sociétés et des associations et qui sont
soumises à l’impôt des sociétés,”.
Art. 40
Dans l’article 205quater, § 6, du même Code, inséré
par la loi du 22 juin 2005 et modifié par les lois du
22 décembre 2009 et 18 décembre 2015, les mots
“l’article 15, §§ 1er à 6 du Code des sociétés” sont rem-
placés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code
des sociétés et des associations,”.
Art. 41
Dans l’article 206, § 3, du même Code, inséré par
la loi du 11 décembre 2008 et modifié par la loi du
25 décembre 2017, les mots “son siège social,” sont
abrogés.
Art. 42
Dans l’article 207, alinéa 6, du même Code, inséré
par la loi du 25 décembre 2017, les mots “l’article 15,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont remplacés par
les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés
et des associations,”.
Art. 43
A l’article 210, du même Code, remplacé par la loi du
16 juillet 2001, modifié par la loi du 27 décembre 2004,
par l’arrêté royal du 3 mars 2011 et par les lois des
12 mai 2014, 3 août 2016 et 17 décembre 2017, les
modifications suivantes sont apportées:
140
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1° in paragraaf 1, 1°bis, worden de woorden “fusie
of” en de woorden “, zonder dat alle overdragende
vennootschappen ophouden te bestaan” opgeheven;
2° in paragraaf 1, 2°, wordt het woord “gehele”
ingevoegd tussen het woord “zonder” en het woord
“verdeling”;
3° in paragraaf 1, wordt tussen de bepaling onder 2°
en de bepaling onder 3° een bepaling 2°bis ingevoegd,
luidende:
“2°bis in geval van overdracht zonder ontbinding, van
het geheel of een gedeelte van het maatschappelijk
vermogen in het kader van een verrichting gelijkaardig
aan deze bedoeld in 1°bis;”;
4° in paragraaf 1, 3°, worden de woorden “artike-
len 774 tot 787 van het Wetboek van vennootschappen;”
vervangen door de woorden “artikelen 14:2 tot 14:14,
15:32 tot 15:33 en 16:10 tot 16:11 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen en in de andere
gevallen waarbij een andere rechtsvorm wordt aange-
nomen op voorwaarde dat deze omzetting plaatsvindt
zonder onderbreking van de rechtspersoonlijkheid en
in overeenstemming met het rechtspersonenrecht dat
de omzetting beheerst;”;
5° in paragraaf 1, 4°, worden de woorden “de maat-
schappelijke zetel,” opgeheven;
6° paragraaf 1 wordt aangevuld met bepalingen onder
7° en 8°, luidende:
“7° in geval van erkenning als landbouwonderneming
als bedoeld in artikel 8:2 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen, behoudens wanneer
de vennootschap aan de vennootschapsbelasting
onderworpen blijft;
8° wanneer een landbouwonderneming als bedoeld
in artikel 8:2 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen, niet langer aan de vennootschapsbelas-
ting is onderworpen.”;
7° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden
“en overdracht bedoeld in § 1, 2°bis” ingevoegd tus-
sen de woorden”in § 1, 1°bis” en de woorden”, niet van
toepassing”;
8° in paragraaf 4, inleidende zin, worden de woorden
“bij met splitsing gelijkgestelde verrichting,” vervangen
door de woorden “bij met fusie of splitsing gelijkge-
stelde verrichting,” en worden de woorden “uitgevoerd
1° au paragraphe 1er, 1°bis, les mots “à la fusion ou”
et les mots “, sans que toutes les sociétés transférantes
cessent d’exister” sont abrogés;
2° au paragraphe 1er, 2°, le mot “total” est inséré entre
le mot “partage” et les mots “de l’avoir social”;
3° au paragraphe 1er, il est inséré un 2°bis entre le 2°
et le 3°, rédigé comme suit:
“2°bis en cas de transfert, sans dissolution, de tout
ou partie de l’avoir social dans le cadre d’une opération
analogue à celles visées au 1°bis;”;
4° au paragraphe 1er, 3°, les mots “articles 774 à
787 du Code des sociétés;” sont remplacés par les mots
“articles 14:2 à 14:14, 15:32 à 15:33 et 16:10 à 16:11 du
Code des sociétés et des associations et dans les autres
cas d’adoption d’une autre forme juridique pour autant
que celle-ci se réalise sans rupture de la personnalité
juridique et en conformité avec le droit des personnes
morales qui s’applique à la transformation;”;
5° au paragraphe 1er, 4°, les mots “du siège social,”
sont abrogés;
6° le paragraphe 1er est complété par un 7° et un 8°
rédigés comme suit:
“7° en cas d’agrément comme entreprise agricole
visée à l’article 8:2 du Code des sociétés et des asso-
ciations, sauf maintien de l’assujettissement à l’impôt
des sociétés;
8° dans le cas où une entreprise agricole visée à
l’article 8:2 du Code des sociétés et des associations
cesse d’être assujettie à l’impôt des sociétés.”;
7° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “et de transfert
visé au § 1er, 2°bis,” sont insérés entre les mots “au § 1er,
1°bis” et les mots “, les dispositions”;
8° dans le paragraphe 4, phrase liminaire, les mots
“opération assimilée à la scission,” sont remplacés
par les mots “opération assimilée à la fusion ou à la
scission,” et les mots “réalisées conformément aux
141
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van
vennootschappen en van het koninklijk besluit tot uit-
voering van dat Wetboek,” opgeheven;
9° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden “een
vennootschap met sociaal oogmerk” telkens vervangen
door “een overeenkomstig artikel 8:5 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen erkende sociale
onderneming”.
Art. 44
In titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 5, van hetzelfde
Wetboek wordt een artikel 210/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 210/1. De artikelen 208 en 209 zijn eveneens
van toepassing in het geval dat een vennootschap niet
langer onderworpen is aan de vennootschapsbelasting
en onderworpen wordt aan de rechtspersonenbelasting.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het gedeelte
van de vrijgestelde reserves dat werd aangelegd tijdens
een belastbaar tijdperk verbonden met een aanslagjaar
waarvoor de vennootschap niet aan de vennootschaps-
belasting was onderworpen, alsook het gedeelte van
de naar aanleiding van de toepassing van het eerste
lid vastgestelde meerwaarden dat betrekking heeft op
een belastbaar tijdperk verbonden met een aanslagjaar
waarvoor de vennootschap niet aan de vennootschaps-
belasting was onderworpen, niet in aanmerking geno-
men voor de bepaling van de belastbare grondslag.”
Art. 45
In artikel 211, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 11 december 2008, wordt de
bepaling onder 2° opgeheven.
Art. 46
Artikel 214, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 4 mei 1999, wordt vervangen
als volgt:
“§ 1. Artikel 212 is van toepassing op de vennootschap
die een andere rechtsvorm heeft aangenomen met
vrijstelling van belasting bij toepassing van artikel 210,
§ 1, 3°.”.
dispositions du Code des sociétés et de l’arrêté royal
portant exécution du même Code,” sont abrogés;
9° dans le paragraphe 5, alinéa 2, les mots “société
à finalité sociale,” sont remplacés chaque fois par les
mots “une entreprise sociale reconnue conformément à
l’article 8:5 du Code des sociétés et des associations,”.
Art. 44
Dans le titre 3, chapitre 2, section 5, du même Code,
il est inséré un article 210/1, rédigé comme suit:
“Art. 210/1. Les articles 208 et 209 sont également
applicables dans le cas où une société cesse d’être
assujettie à l’impôt des sociétés pour devenir assujettie
à l’impôt des personnes morales.
Pour l’application du présent article, la partie des
réserves exonérées constituées au cours d’une période
imposable qui se rattache à un exercice d’imposition
pour lequel la société n’était pas soumise à l’impôt des
sociétés, ainsi que la partie des plus-values constatées à
l’occasion de l’application de l’alinéa 1er qui se rapporte
à une période imposable se rattachant à un exercice
d’imposition pour lequel la société n’était pas soumise à
l’impôt des sociétés, ne sont pas prises en considération
pour la détermination de la base imposable.”
Art. 45
Dans l’article 211, § 1er, alinéa 4, du même Code, rem-
placé par la loi du 11 décembre 2008, le 2° est abrogé.
Art. 46
L’article 214, § 1er, alinéa 1er, du même Code, rempla-
cé par la loi du 4 mai 1999, est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. L’article 212 est applicable à la société qui a
adopté une autre forme juridique en exemption d’impôt
par application de l’article 210, § 1er, 3°.”.
142
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 47
In artikel 214bis, inleidende zin, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 december 2008
en gewijzigd bij de wet van 14 april 2011, worden de
woorden “de maatschappelijke zetel,” opgeheven.
Art. 48
In artikel 215, van hetzelfde Wetboek gewijzigd bij de
wetten van 28 juli 1992, 28 december 1992 en 22 juli 1993,
bij het konjkelijke besluit van 20 december 1996, bij de
wet van 22 december 1998, bij de koninklijke besluiten
van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wetten van
24 december 2002, 8 januari 2004, 27 december 2006,
21 december 2013, 12 mei 2014, 18 december 2015,
3 augustus 2016, 25 december 2017 en 30 juli 2018,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid, worden de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”;
2° in het derde lid, 1°, worden de woorden “door de
Nationale Raad van de coöperatie erkende coöpera-
tieve vennootschappen,” vervangen door de woorden
“overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen, erkende coöperatieve
vennootschappen,”;
3° in het derde lid, 2°:
a) worden de woorden “maatschappelijk kapitaal”
vervangen door het woord “kapitaal”;
b) worden de woorden “door de Nationale raad van
de coöperatie erkende coöperatieve vennootschap-
pen” vervangen door de woorden “overeenkomstig
artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen, erkende coöperatieve vennootschappen”;
4° in het derde lid, 4°, worden de woorden “door de
Nationale Raad van de coöperatie erkende coöpera-
tieve vennootschappen,” vervangen door de woorden
“overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen, erkende coöperatieve
vennootschappen”.
Art. 49
In artikel 218, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 22 december 2009 en gewijzigd bij de wet
van 18 december 2015, worden de woorden “artikel 15,
Art. 47
Dans l’article 214bis, phrase liminaire, du même
Code, inséré par la loi du 11 décembre 2008 et modifié
par la loi du 14 avril 2011, les mots “du siège social,”
sont abrogés.
Art. 48
A l’article 215, du même Code, modifié par les lois
des 28 juillet 1992, 28 décembre 1992 et 22 juillet 1993,
par l’arrêté royal du 20 décembre 1996, par la loi
du 22 décembre 1998, par les arrêtés royaux des
20 juillet 2000 et 13 juillet 2001 et par les lois des
24 décembre 2002, 8 janvier 2004, 27 décembre 2006,
21 décembre 2013, 12 mai 2014, 18 décembre 2015,
3 août 2016 25 décembre 2017 et 30 juillet 2018, les
modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 2, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés,” sont remplacés par les mots
“l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”;
2° dans l’alinéa 3, 1°, les mots “sociétés coopératives
agréées par le Conseil national de la coopération,” sont
remplacés par les mots “sociétés coopératives agréées
conformément à l’article 8:4 du Code des sociétés et
des associations,”;
3° dans l’alinéa 3, 2°:
a) les mots “capital social” sont remplacés par le mot
“capital”;
b) les mots “sociétés coopératives agréées par le
Conseil national de la coopération,” sont remplacés par
les mots “sociétés coopératives agréées conformément
à l’article 8:4 du Code des sociétés et des associations,”;
4° dans l’alinéa 3, 4°, les mots “sociétés coopératives
agréées par le Conseil national de la coopération,”
sont remplacés par “sociétés coopératives agréées
conformément à l’article 8:4 du Code des sociétés et
des associations,”.
Art. 49
Dans l’article 218, § 2, du même Code, remplacé
par la loi du 22 décembre 2009 et modifié par la loi du
18 décembre 2015, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6,
143
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 50
In artikel 219ter, § 7, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van
18 december 2015, worden de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 51
In artikel 219quinquies, van hetzelfde Wetboek, in-
gevoegd bij de wet van 25 december 2017 en gewijzigd
bij wet van 30 juli 2018 worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 5 worden de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”;
2° in paragraaf 6 worden de woorden “artikel 11 van
het Wetboek van Vennootschappen” vervangen door
de woorden “artikel 1:20 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen”.
Art. 52
In artikel 220, 3°, van hetzelfde Wetboek, worden
de woorden “hun maatschappelijke zetel,” opgeheven.
Art. 53
In artikel 227, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° In de bepaling onder 2° worden de woorden “,
zomede verenigingen, instellingen of lichamen zonder
rechtspersoonlijkheid die zijn opgericht in een re-
chtsvorm die vergelijkbaar is met de rechtsvorm van
een vennootschap naar Belgisch recht en die hun
maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of
hun zetel van bestuur of beheer niet in België hebben”
opgeheven;
2° in de bepaling onder 3° worden de woorden “hun
maatschappelijke zetel” opgeheven.
du Code des sociétés,” sont remplacés par les mots
“l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 50
Dans l’article 219ter, § 7, du même Code, inséré
par la loi du 30 juillet 2013 et modifié par la loi du
18 décembre 2015, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés,” sont remplacés par les mots
“l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 51
Dans l’article 219quinquies, du même Code, inséré
par la loi du 25 décembre 2017 et modifié par la loi
du 30 juillet 2018 les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 5, les mots “l’article 15, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés,”, sont remplacés par les
mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
des associations,”;
2° dans le paragraphe 6, les mots “l’article 11 du
Code des sociétés” sont remplacés par les mots “l’ar-
ticle 1:20 du Code des sociétés et des associations”.
Art. 52
Dans l’article 220, 3°, du même Code, les mots “leur
siège social,” sont abrogés.
Art. 53
Dans l’article 227, du même Code, modifié pour
la dernière fois par la loi du 25 décembre 2016, sont
apportées les modifications suivantes:
1° dans le 2°, les mots ainsi que “ainsi que les asso-
ciations, établissements ou organismes quelconques
sans personnalité juridique qui sont constitués sous
une forme juridique analogue à celle d’une société de
droit belge et qui n’ont pas en Belgique leur siège social,
leur principal établissement ou leur siège de direction
ou d’administration” sont abrogés;
2° dans le 3°, les mots “leur siège social,” sont
abrogés.
144
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 54
In artikel 228, § 2, 6°, b, en 7°bis, b, van hetzelfde
Wetboek, worden de woorden “maatschappelijke zetel”
opgeheven.
Art. 55
In artikel 229, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wetten van 28 juli 1992, 11 december 2008,
22 december 2009, 14 april 2011, 13 december 2012,
9 februari 2017 en 25 december 2017, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2/2, worden de woorden “artikel-
en 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikelen 1:20 en 1:21 van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”;
2° in paragraaf 3 worden de woorden “burgerlijke
vennootschap” vervangen door het woord “vennootsc-
hap”, en worden de woorden “als bedoeld in artikel 29”
ingevoegd tussen het woord “rechtspersoonlijkheid”
en het woord “die”, en worden de woorden “haar
maatschappelijk zetel,” opgeheven;
3° in paragraaf 5, tweede lid, 1°, worden de woorden
“de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting
of de zetel van bestuur of beheer” vervangen door de
woorden “de fiscale woonplaats”.
Art. 56
In artikel 230, tweede lid, a, vierde streepje, tweede
lid, c, tweede streepje, en derde lid, eerste streepje, van
hetzelfde wetboek worden de woorden “artikelen 11 en
12 van het Wetboek van vennootschappen” telkens
vervangen door de woorden “artikelen 1:20 en 1:21 van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 57
In artikel 231, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wetten van 28 juli 1992, 21 december 1994,
30 januari 1996, 16 april 1997, 22 december 1998,
14 januari 2003, 27 december 2004, 25 april 2007,
11 december 2008 en 22 december 2009, bij het ko-
nijkelijk besluit van 3 maart 2011 en bij de wetten van
13 december 2013, 21 december 2013, 12 mei 2014,
3 augustus 2016, 9 februari 2017 en 25 december 2017,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Art. 54
Dans l’article 228, § 2, 6°, b, et 7°bis, b, du même
Code, les mots “son siège social,” sont abrogés.
Art. 55
Dans l’article 229, du même Code, modifié par
les lois des 28 juillet 1992, 11 décembre 2008,
22 décembre 2009, 14 avril 2011, 13 décembre 2012,
9 février 2017 et 25 décembre 2017, les modifications
suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 2/2, les mots “articles 11 et 12 du
Code des sociétés,” sont remplacés par “articles 1:20 et
1:21 du Code des sociétés et des associations,”;
2° au paragraphe 3, les mots “société civile” sont
remplacés par le mot “société”, les mots “visées à
l’article 29” sont insérés entre les mots “personnalité
juridique” et les mots “qui a”, et les mots “son siège
social,” sont abrogés;
3° au paragraphe 5, alinéa 2, 1°, les mots “du siège
social, du principal établissement ou du siège de direc-
tion ou d’administration” sont remplacés par les mots
“du domicile fiscal”.
Art. 56
Dans l’article 230, alinéa 2, a, quatrième tiret, ali-
néa 2, c, deuxième tiret, et alinéa 3, premier tiret, du
même Code, remplacé par la loi du 27 décembre 2006,
les mots “articles 11 et 12 du Code des sociétés” sont
chaque fois remplacés par “articles 1:20 et 1:21 du Code
des sociétés et des associations”.
Art. 57
A l’article 231, du même Code, modifié par les lois
des 28 juillet 1992, 21 décembre 1994, 30 janvier 1996,
16 avril 1997, 22 décembre 1998, 14 janvier 2003,
27 décembre 2004, 25 avril 2007, 11 décembre 2008 et
22 décembre 2009, par l’arrêté royal du 3 mars 2011 et
par les lois des 13 décembre 2013, 21 décembre 2013,
12 mai 2014, 3 août 2016, 9 février 2017 et
25 décembre 2017, les modifications suivantes sont
apportées:
145
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden
“ermee gelijkgestelde verrichting” vervangen door de
woorden “verrichting gelijkgesteld met een fusie of met
een splitsing “en worden de woorden “van de alge-
meenheid van goederen” vervangen door de woorden
“inbreng van een algemeenheid van goederen”;
2° in paragraaf 2, wordt het derde lid vervangen als
volgt:
“Het eerste lid is daarenboven slechts van toepassing
op voorwaarde dat de verrichting beantwoordt aan het
bepaalde in artikel 183bis.”;
3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”.
Art. 58
In artikel 240bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, inge-
voerd bij de wet van 11 december 2008 en gewijzigd
bij de wet van 14 april 2011, worden de woorden “de
maatschappelijke zetel,” opgeheven.
Art. 59
In artikel 248, § 1, tweede lid, 1°, a, van hetzelfde
Wetboek worden de woorden “burgerlijke vennoot-
schap” vervangen door het woord “vennootschap”.
Art. 60
In artikel 264, eerste lid, 2°ter, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 24 december 2002, worden de
woorden “door de Nationale Raad van de Coöperatie
erkende coöperatieve vennootschap” vervangen door
de woorden “overeenkomstig artikel 8:4 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen erkende coöpe-
ratieve vennootschap”.
Art. 61
In artikel 264/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 25 december 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord
“Belgische” vervangen door het woord “binnenlandse”;
2° in paragraaf 1, vierde lid, eerste streepje, en in
paragraaf 2, eerste lid, 1°:
1° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots “y assimilée,”
sont remplacés par les mots “assimilée à une fusion ou
à une scission,” et les mots “d’une universalité de biens”
sont remplacés par les mots “d’un apport d’universalité
de biens”;
2° au paragraphe 2, l’alinéa 3 est remplacé par ce
qui suit:
“En outre, l’alinéa 1er n’est d’application qu’à la
condition que l’opération réponde au prescrit de
l’article 183bis.”;
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “capital social”
sont remplacés par le mot “capital”.
Art. 58
Dans l’article 240bis, § 2, du même Code, inséré
par la loi du 11 décembre 2008 et modifié par la loi du
14 avril 2011, les mots “du siège social,” sont abrogés.
Art. 59
Dans l’article 248, § 1er, alinéa 2, 1°, a, du même
Code, les mots “société civile” sont remplacés par le
mot “société”.
Art. 60
Dans l’article 264, alinéa 1er, 2°ter, du même Code,
inséré par la loi du 24 décembre 2002, les mots “société
coopérative agréée par le Conseil national de la coopé-
ration;” sont remplacés par les mots “société coopéra-
tive agréée conformément à l’article 8:4 du Code des
sociétés et des associations;”.
Art. 61
A l’article 264/1, du même Code, inséré par la loi du
25 décembre 2017, les modifications suivantes sont
apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, le mot “belge” est
remplacé par le mot “résidente”;
2° au paragraphe 1er, alinéa 4, premier tiret, et au
paragraphe 2, alinéa 1er, 1°:
146
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
a) worden de woorden “met dien verstande dat met
betrekking tot vennootschappen naar Belgisch recht,
bedoeld onder punt b, de verwijzingen naar “besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid”, naar
“coöperatieve vennootschap met beperkte aansprake-
lijkheid” en “coöperatieve vennootschap met onbeperkte
aansprakelijkheid” en naar de “gewone commanditaire
vennootschap” ook moeten worden begrepen als verwij-
zend naar respectievelijk de “besloten vennootschap”,
de “coöperatieve vennootschap” en de “commanditaire
vennootschap”” ingevoegd tussen de woorden “van
8 juli 2014 (2014/86/EU) wordt genoemd” en de woorden
“of een rechtsvorm hebben die vergelijkbaar is”;
b) in de Franse tekst, worden de woorden “soumise
au” vervangen door de woorden “régie par”.
Art. 62
In artikel 269, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 28 juni 2013 en gewijzigd bij de wetten
van 18 december 2015 en 26 december 2015, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in eerste lid, 1°, worden de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen,”
vervangen door “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen,”;
2° het derde lid wordt opgeheven.
3° in het achtste lid dat het zevende lid wordt, worden
de woorden “, onverminderd de toepassing van het
derde lid” opgeheven;
4° in het achtste lid dat het zevende lid wordt, het
elfde lid dat het tiende lid wordt en het twaalfde lid dat
het elfde lid wordt, worden de woorden “maatschappelijk
kapitaal” vervangen door het woord “kapitaal”;
5° in het negende lid dat het achtste lid wordt, worden
de woorden “artikelen 11 en 12 van het Wetboek van
vennootschappen” vervangen door “artikelen 1:20 en
1:21 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 63
In artikel 2753, § 1, achtste lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005
en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006,
25 april 2007, 8 juni 2008, 24 juli 2008, 27 maart 2009,
21 december 2009, 17 juni 2013, 21 december 2013,
18 december 2015 en 25 december 2017, worden de
a) les mots “, étant entendu que, s’agissant des socié-
tés de droit belge, visées au point b, les références à
la “société privée à responsabilité limitée”, aux “société
coopérative à responsabilité limitée” et “société coopé-
rative à responsabilité illimitée”, et à la “société en com-
mandite simple” doivent s’entendre comme visant res-
pectivement aussi la “société à responsabilité limitée”,
la “société coopérative” et la “société en commandite”,”
sont insérés entre les mots “du 8 juillet 2014 (2014/86/
UE)” et les mots “ou une forme analogue” ;
b) dans le texte français, les mots “soumise au” sont
remplacés par les mots “régie par le”.
Art. 62
A l’article 269, § 2, du même Code, inséré par la loi du
28 juin 2013 et modifié par les lois des 18 décembre 2015
et 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans l’alinéa 1er, 1°, les mots “l’article 15, §§ 1er à
6, du Code des sociétés,” sont remplacés par les mots
“l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”;
2° l’alinéa 3 est abrogé.
3° dans l’alinéa 8 qui devient l’alinéa 7, les mots “,
nonobstant l’application de l’alinéa 3” sont abrogés;
4° dans l’alinéa 8 qui devient l’alinéa 7, l’alinéa 11 qui
devient l’alinéa 10, et l’alinéa 12 qui devient l’alinéa 11,
les mots “capital social” sont chaque fois remplacés par
le mot “capital”;
5° dans l’alinéa 9 qui devient l’alinéa 8, les mots
“articles 11 et 12 du Code des sociétés,” sont remplacés
par les mots “articles 1:20 et 1:21 du Code des sociétés
et des associations,”.
Art. 63
Dans l’article 2753, § 1er, alinéa 8, du même Code,
inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modifié par les
lois des 27 décembre 2006, 25 avril 2007, 8 juin 2008,
24 juillet 2008, 27 mars 2009, 21 décembre 2009,
17 juin 2013, 21 décembre 2013, 18 décembre 2015
et 25 décembre 2017, les mots “l’article 15, §§ 1er à 6,
147
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
woorden “artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
Vennootschappen” vervangen door de woorden “arti-
kel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen”.
Art. 64
In artikel 2757, tweede lid, a en derde lid, b, 2°,
van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van
26 december 2015 en gewijzigd bij de wet van
18 december 2016, worden de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen,”
telkens vervangen door de woorden “artikel 1:24,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen,”.
Art. 65
In artikel 2758, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten
van 24 maart 2015, 18 december 2015 en 30 juli 2018,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “arti-
kel 15, §§ 3 tot 5, van het Wetboek van Vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 3 tot 5, van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”;
2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden
“artikel 11 van het Wetboek van Vennootschappen” ver-
vangen door de woorden “artikel 1:20 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen”;
3° in paragraaf 2, zesde lid, vierde streepje, worden
de woorden “maatschappelijk kapitaal” vervangen door
het woord “kapitaal”;
4° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden “de
artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschap-
pen” vervangen door de woorden “de artikelen 1:20 en
1:21 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 66
In artikel 2759, § 1, achtste lid, ingevoegd bij de wet
van 24 maart 2015, worden de woorden “artikel 11 van
het Wetboek van vennootschappen” vervangen door
de woorden “artikel 1:20 van het Wetboek van vennoot-
schappen en verenigingen”.
du Code des sociétés,” sont remplacés par les mots
“l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations,”.
Art. 64
Dans l’article 2757, alinéas 2, a et 3, b, 2°, du même
Code, remplacé par la loi du 26 décembre 2015 et modi-
fié par la loi du 18 décembre 2016, les mots “l’article 15,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés,” sont chaque fois rem-
placés par les mots “l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code
des sociétés et des associations,”.
Art. 65
A l’article 2758, du même Code, inséré par la loi du
15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015,
18 décembre 2015 et 30 juillet 2018, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “l’ar-
ticle 15, §§ 3 à 5, du Code des sociétés” sont rempla-
cés par les mots “l’article 1:24, §§ 3 à 5, du Code des
sociétés et des associations”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “l’ar-
ticle 11, du Code des sociétés,” sont remplacés par
les mots “l’article 1:20 du Code des sociétés et des
associations,”;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 6, quatrième tiret, les
mots “capital social;” sont remplacés par le mot “capital;”;
4° dans le paragraphe 3, alinéa 3, les mots “aux
articles 11 et 12 du Code des sociétés,” sont rempla-
cés par les mots “aux articles 1:20 et 1:21 du Code des
sociétés et des associations,”.
Art. 66
Dans l’article 2759, § 1er, alinéa 8, du même Code,
inséré par la loi du 24 mars 2015, les mots “l’article 11 du
Code des sociétés” sont remplacés par les mots “l’ar-
ticle 1:20 du Code des sociétés et des associations”.
148
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 67
In artikel 27510, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 10 augustus 2015 en gewijzigd bij de wetten
van 18 december 2015 en 26 december 2015, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid, 2°, worden de woorden “artikel 15,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van Vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen”
en de woorden “het voormelde artikel 15, §§ 1 tot 6”
worden vervangen door de woorden “het voormelde
artikel 1:24, §§ 1 tot 6”;
2° in het vierde lid worden de woorden “artikel 15/1 van
het Wetboek van vennootschappen” vervangen door
de woorden “artikel 1:25 Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen” en de woorden “het voormelde
artikel 15/1” worden vervangen door de woorden”het
voormelde artikel 1:25”.
Art. 68
In artikel 305, derde lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 22 december 2008, worden
de woorden “als bedoeld in de artikelen 671 tot en met
677 van het Wetboek van vennootschappen, of een
gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting on-
der buitenlands recht” vervangen door de woorden “of
een andere ontbinding zonder verdeling van het gehele
maatschappelijke vermogen”.
Art. 69
In artikel 307, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij
de wet van 22 juli 1993, bij het koninkelijk besluit van
20 december 1996 en bij de wetten van 15 maart 1999,
10 augustus 2001, 8 juni 2009, 23 december 2009,
29 maart 2012, 27 december 2012, 30 juli 2013,
25 april 2014, 10 augustus 2015, 26 december 2015,
1 juli 2016, 25 december 2017, 7 februari 2018 en
30 juli 2018, wordt tussen § 2 en § 3 een para-
graaf 2/1 ingevoegd, luidende:
“§ 2/1. Bij de aangifte in de vennootschapsbelasting
en de belasting van niet-inwoners voor wat betreft be-
lastingplichtigen zoals bedoeld in artikel 227, 2°, moet
de jaarrekening zoals bedoeld in artikel 320/1 in bijlage
worden aangehecht. Als de vennootschap gehouden
is dergelijke jaarrekening te publiceren, moet de ge-
publiceerde jaarrekening niet bij de aangifte worden
gevoegd. Zij wordt niettemin geacht deel uit te maken
van de aangifte.”.
Art. 67
A l’article 27510, du même Code, inséré par la loi du
10 août 2015 et modifié par les lois des 18 décembre 2015
et 26 décembre 2015, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans l’alinéa 2, 2°, les mots “l’article 15, §§ 1er à
6, du Code des sociétés” sont remplacés par les mots
“l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations” et les mots “dudit article 15, §§ 1er à 6;” sont
remplacés par les mots “dudit article 1:24, §§ 1er à 6;”;
2° dans l’alinéa 4, les mots “l’article 15/1 du Code des
sociétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:25 du
Code des sociétés et des associations” et les mots
“l’article 15/1 précité.” sont remplacés par les mots
“l’article 1:25 précité.”.
Art. 68
Dans l’article 305, alinéa 3, du même Code, remplacé
par la loi du 22 décembre 2008, les mots “visées aux
articles 671 à 677 du Code des sociétés, ou d’une opé-
ration de droit des sociétés similaire en droit étranger,”
sont remplacés par les mots “, ou ayant fait l’objet d’une
autre dissolution sans partage total de l’avoir social,”.
Art. 69
Dans l’article 307, du même Code, modifié par la loi
du 22 juillet 1993, par l’arrêté royal du 20 décembre 1996
et par les lois des 15 mars 1999, 10 août 2001,
8 juin 2009, 23 décembre 2009, 29 mars 2012,
27 décembre 2012, 30 juillet 2013, 25 avril 2014,
10 août 2015, 26 décembre 2015, 1er juillet 2016,
25 décembre 2017, 7 février 2018 et 30 juillet 2018, il est
inséré entre le § 2 et le § 3 un paragraphe 2/1 rédigé
comme suit:
“§ 2/1. La déclaration à l’impôt des sociétés et, pour
les contribuables visés à l’article 227, 2°, à l’impôt des
non-résidents, doit inclure en annexe à la formule les
comptes annuels visés à l’article 320/1. Si la société
est tenue de publier de tels comptes annuels, les
comptes annuels publiés ne doivent pas être joints à
la déclaration. Ils font néanmoins partie intégrante de
la déclaration.”.
149
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 70
In artikel 310, tweede lid, van hetzelde Wetboek,
vervangen bij de wet van 22 december 2008, worden
de volgende wijzigingen ingebracht:
1° de woorden “zoals bedoeld in de artikelen 671 tot
en met 677 van het Wetboek van vennootschappen, of
een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting
onder buitenlands recht mag” worden vervangen door
de woorden “, of een andere ontbinding zonder verde-
ling van het gehele maatschappelijke vermogen mag”;
2° de woorden “de fusie, de aan een fusie gelijk-
gestelde verrichting of een splitsing zoals bedoeld in
de artikelen 671 tot en met 677 van het Wetboek van
vennootschappen, of een gelijkaardige vennootschaps-
rechtelijke verrichting onder buitenlands recht” worden
vervangen door de woorden “de verrichting”.
Art. 71
In titel 7, hoofdstuk 3, afdeling 1, van hetzelfde
Wetboek wordt een artikel 320/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 320/1. Elke binnenlandse vennootschap, alsook
elke in artikel 227, 2°, bedoelde belastingplichtige die
winst in de zin van artikel 228, § 2, 3°, voortbrengt door
middel van een in artikel 229 bedoelde Belgische inrich-
ting is ertoe gehouden, met het oog op het bepalen en
het nazien van zijn fiscale toestand, een boekhouding te
voeren, een inventaris op te stellen en een jaarrekening
bij te houden overeenkomstig het Belgische boekhoud-
recht dat van toepassing is op ondernemingen die aan
dat recht zijn onderworpen, een gelijkaardige rechts-
vorm hebben en dezelfde activiteit uitoefenen. Indien
de belastingplichtige aan de belasting der niet-inwoners
onderworpen is, zijn deze verplichtingen beperkt tot de
verrichtingen, bezittingen, rechten, vorderingen, schul-
den, verplichtingen van welke aard ook die verbonden
zijn aan bovenvermelde Belgische inrichting. Voor de
toepassing van deze bepalingen, wordt de binnenlandse
vennootschap die door een buitenlands recht wordt
beheerst gelijkgesteld met een commanditaire vennoot-
schap als tenminste een van de vennoten aansprakelijk
is voor de schulden van de venootschap in minstens
dezelfde mate als een beherende vennoot.
De Koning kan de volledige of gedeeltelijke vrijstel-
lingen van de in het eerste lid bedoelde boekhoudkun-
dige verplichtingen voorzien, in de mate dat deze niet
noodzakelijk zijn voor de controle en vaststelling van de
belastbare basis.”.
Art. 70
A l’article 310, alinéa 2, du même Code, remplacé
par la loi du 22 décembre 2008, sont apportées les
modifications suivantes:
1° les mots “visées aux articles 671 à 677 du Code
des sociétés, ou d’une opération de droit des sociétés
similaire en droit étranger,” sont remplacés par les mots
“, ou ayant fait l’objet d’une autre dissolution sans par-
tage total de l’avoir social,”;
2° les mots “la fusion, l’opération assimilée à une
fusion ou la scission visée aux articles 671 à 677 du
Code des sociétés, ou l’opération de droit des sociétés
similaire en droit étranger ou la scission,” sont remplacés
par les mots “l’opération,”.
Art. 71
Dans le titre 7, chapitre 3, section première, du même
Code, il est inséré un article 320/1, rédigé comme suit:
“Art. 320/1. Toute société résidente, ainsi que tout
contribuable visé à l’article 227, 2°, qui recueille des
bénéfices au sens de l’article 228, § 2, 3°, par le biais
d’un établissement belge visé à l’article 229 est tenu,
en vue de la détermination et de la vérification de sa
situation fiscale, de tenir une comptabilité, procéder à un
inventaire et établir des comptes annuels conformément
au droit comptable belge applicable aux entreprises sou-
mises à ce droit ayant une forme analogue et exerçant la
même activité. Si le contribuable est assujetti à l’impôt
des non-résidents, ces obligations sont limitées aux
opérations, avoirs, droits, dettes, obligations et enga-
gements de toute nature, liés à l’établissement belge
précité. Pour l’application de ces dispositions, la société
résidente régie par un droit étranger est assimilée à une
société en commandite si l’un au moins de ses associés
est tenu des dettes sociales dans une mesure au moins
égale à un associé commandité.
Le Roi peut prévoir des dispenses de tout ou partie
des obligations comptables visées à l’alinéa 1er, dans
la mesure où celles-ci ne sont pas nécessaires pour
le contrôle et la détermination de la base imposable.”.
150
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 72
In artikel 357, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 6 juli 1994 en 11 december 2008, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
“3° naargelang het geval, de vennootschap die een
fusie, splitsing, verrichting gelijkgesteld met een fusie
of andere ontbinding zonder verdeling van het gehele
maatschappelijke vermogen heeft doorgevoerd en de
opslorpende of verkrijgende vennootschap of de ver-
krijgende vennootschappen;”;
2° in de bepaling onder 4°, worden de woorden “het
hoofd of de directeur oorspronkelijk werd aangeslagen”
vervangen door de woorden “het hoofd, de directeur, de
aandeelhouders of de vennoten oorspronkelijk werden
aangeslagen”.
Art. 73
In artikel 364, van hetzelfde Wetboek worden de
woorden “burgerlijke vennootschappen” vervangen door
het woord “vennootschappen” en worden de woorden
“als bedoeld in artikel 29” ingevoegd tussen het woord
“rechtspersoonlijkheid” en het woord “wordt”.
Art. 74
In artikel 365, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 11 december 2008 en gewijzigd bij de wet
van 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden “als bedoeld in de artikelen 671 tot
en met 677 van het Wetboek van vennootschappen, of
een gelijkaardige vennootschapsrechtelijke verrichting
onder buitenlands recht” worden vervangen door de
woorden “, of het voorwerp heeft uitgemaakt van een
andere ontbinding zonder gehele verdeling van het
maatschappelijke vermogen”;
2° de woorden “de overgenomen of gesplitste ven-
nootschap” worden telkens vervangen door de woorden
“de vennootschap die het voorwerp heeft uitgemaakt
van de verrichting”;
3° de woorden “wordt de aanslag” worden vervan-
gen door de woorden “mag de aanslag” en het woord
“gevestigd” wordt vervangen door de woorden “ook
gevestigd worden”;
Art. 72
Dans l’article 357 du même Code, modifié par les lois
du 6 juillet 1994 et 11 décembre 2008, sont apportées
les modifications suivantes:
1° le 3° est remplacé par ce qui suit:
“3° selon le cas, la société qui a procédé à une fusion,
scission, opération assimilée à la fusion ou autre disso-
lution sans partage total de l’avoir social, et la société
absorbante ou bénéficiaire ou les sociétés bénéficiaires
de l’opération;”;
2° dans le 4°, les mots “le chef ou le directeur a été
primitivement imposé” sont remplacés par les mots “le
chef, le directeur, les actionnaires ou les associés ont
été primitivement imposés”.
Art. 73
Dans l’article 364, du même Code, les mots “socié-
tés civiles” sont remplacés par le mot “sociétés” et les
mots “visées à l’article 29” sont insérés entre les mots
“personnalité juridique” et “, l’ensemble”.
Art. 74
Dans l’article 365, du même Code, inséré par
la loi du 11 décembre 2008 et modifié par la loi du
13 décembre 2012, les modifications suivantes sont
apportées:
1° les mots “visées aux articles 671 à 677 du Code
des sociétés, ou d’une opération de droit des sociétés
similaire en droit étranger,” sont remplacés par les mots
“, ou a fait l’objet d’une autre dissolution sans partage
total de l’avoir social,”;
2° les mots “la société absorbée ou scindée” sont à
chaque fois remplacés par les mots “la société ayant
fait l’objet de l’opération”;
3° les mots “est établie” sont remplacés par les mots
“peut aussi être établie”;
151
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
4° tussen het woord “overnemende” en het woord
“vennootschap” worden de woorden “of verkrijgende”
ingevoegd;
5° de woorden “zelfs op een tijdstip” worden vervan-
gen door de woorden “vanaf het tijdstip”.
Art. 75
In artikel 399, van hetzelfde Wetboek worden de
woorden “burgerlijke vennootschappen” vervangen door
het woord “vennootschappen” en worden de woorden
“als bedoeld in artikel 29” ingevoegd tussen het woord
“rechtspersoonlijkheid” en het woord “kan”.
Art. 76
Het artikel 399ter, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 11 december 2008, wordt vervangen als
volgt:
“Art. 399ter. De invordering van de belasting van een
vennootschap die het voorwerp heeft uitgemaakt van
een fusie, splitsing, verrichting gelijkgesteld met een
fusie of andere ontbinding zonder verdeling van het
gehele maatschappelijk vermogen, en die is gevestigd
ten name van, naargelang het geval, de vennootschap
die het voorwerp van de verrichting heeft uitgemaakt,
de opslorpende of verkrijgende vennootschap of de
verkrijgende vennootschappen, wordt ook verricht,
naargelang het geval, ten name van de opslorpende
of verkrijgende vennootschap of van de verkrijgende
vennootschappen en, in dit laatste geval behoudens
afwijkende vermeldingen in de akte die de verrichting
vaststelt, ten name van de verschillende verkrijgende
vennootschappen naar rato van de werkelijke waarde
van het netto actief dat ze elk ontvangen hebben.”.
Art. 77
In titel 7, hoofdstuk 8, afdeling 1, van hetzelfde
Wetboek, wordt een artikel 399quater ingevoegd,
luidende:
“Art. 399quater. De invordering van de belasting ge-
vestigd ten name van vennootschappen zoals bedoeld
in artikel 2, § 1, 5°, a, eerste lid, tweede streepje, kan
rechtstreeks ten laste van de aandeelhouders of venno-
ten worden vervolgd in zover die belasting proportioneel
overeenstemt met het aandeel van die aandeelhouders
of vennoten in het kapitaal.”
4° entre les mots “absorbante” et les mots “ou
des sociétés bénéficiaires” sont insérés les mots “ou
bénéficiaire”;
5° les mots “même à un moment” sont remplacés par
les mots “à partir du moment”.
Art. 75
Dans l’article 399, du même Code, les mots “socié-
tés civiles” sont remplacés par le mot “sociétés” et les
mots “visées à l’article 29” sont insérés entre les mots
“personnalité juridique” et le mot “, peut”.
Art. 76
L’article 399ter, du même Code, inséré par la loi du
11 décembre 2008, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 339ter. Le recouvrement de l’impôt d’une société
ayant fait l’objet d’une fusion, d’une scission, d’une
opération assimilée à la fusion ou d’une autre dissolution
sans qu’il y ait partage total de l’avoir social et établi
selon le cas, dans le chef de la société qui a fait l’objet
de l’opération, de la société absorbante ou bénéficiaire,
ou des sociétés bénéficiaires, est effectué aussi, selon le
cas, dans le chef de la société absorbante bénéficiaire
ou des sociétés bénéficiaires et, dans ce dernier cas,
sauf mentions contraires dans l’acte constatant l’opéra-
tion, dans le chef des différentes sociétés bénéficiaires
au prorata de la valeur réelle de l’actif net qu’elles ont
chacune reçu.”.
Art. 77
Dans le titre 7, chapitre 8, section première, du même
Code, il est inséré un article 399quater rédigé comme
suit:
“Art. 399quater. Le recouvrement de l’impôt établi
à charge des sociétés visées à l’article 2, § 1er, 5°, a,
alinéa 1er, deuxième tiret, peut être poursuivi directement
à charge des actionnaires ou associés, dans la mesure
où cet impôt correspond proportionnellement à la part
de ces actionnaires ou associés dans le capital.”.
152
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 78
In artikel 402, § 5, van hetzelfde Wetboek worden de
woorden “een tijdelijke handelsvennootschap, een stille
handelsvennootschap of” opgeheven en in de Franse
tekst worden de woorden “société de droit commun,”
vervangen door de woorden “société simple,”.
Art. 79
In artikel 405, van hetzelfde Wetboek, vervangen door
de wet van 27 april 2007, worden de woorden “een tijde-
lijke handelsvennootschap, een stille handelsvennoot-
schap of” en de woorden “de tijdelijke handelsvennoot-
schap, de stille handelsvennootschap of” opgeheven en
in de Franse tekst worden de woorden “société de droit
commun” vervangen door de woorden “société simple”.
Art. 80
In artikel 413/1, van hetzelde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 1 december 2016 en gewijzigd bij de wetten
van 25 december 2017 en 26 maart 2018 worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, 1°, worden de woorden
“op de maatschappelijke zetel” vervangen door de woor-
den “in de Staat van de fiscale woonplaats”;
2° in paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de woorden
“de maatschappelijke zetel,” opgeheven, de woorden “op
de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of
de zetel van bestuur of beheer” worden vervangen door
de woorden “in de fiscale woonplaats” en worden de
woorden “die gevestigd is” vervangen door de woorden
“van deze vennootschap die gevestigd zijn”;
3° in paragraaf 1, eerste lid, 3°, worden de woor-
den “op de maatschappelijke zetel” vervangen door
de woorden “in de fiscale woonplaats”, en worden de
woorden “van deze vennootschap” ingevoegd tussen
de woorden buitenlandse inrichting” en de woorden
“die gevestigd zijn”;
4° in paragraaf 1, eerste lid, 4°, worden de woorden
“op de maatschappelijke zetel” vervangen door de woor-
den “in de fiscale woonplaats”, en worden in de Franse
tekst de woorden “de cette société” ingevoegd tussen
de woorden “établissement étranger” en de woorden
“qui sont établis”;
5° in paragraaf 1, eerste lid, 5°, worden de woorden
“de maatschappelijke zetel” vervangen door de woorden
“de fiscale woonplaats”;
Art. 78
Dans l’article 402, § 5, du même Code, les mots
“d’une société momentanée, d’une société interne
ou” sont abrogés et dans le texte en français, les mots
“société de droit commun,” sont remplacés par les mots
“société simple,”.
Art. 79
Dans l’article 405, du même Code, remplacé par la
loi du 27 avril 2007, les mots “d’une société momenta-
née, d’une société interne ou “et les mots “la société
momentanée, la société interne ou” sont abrogés et
dans le texte en français, les mots “société de droit
commun” sont remplacés par les mots “société simple”.
Art. 80
A l’article 413/1, du même Code, inséré par la
loi du 1er décembre 2016 et modifié par les lois du
25 décembre 2017 et 26 mars 2018 les modifications
suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, les mots “au siège
social” sont remplacés par les mots “dans l’État du
domicile fiscal”;
2° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les mots “du
siège social,” sont abrogés, les mots “au siège social,
au principal établissement ou au siège de direction ou
d’administration” sont remplacés par les mots “au domi-
cile fiscal” et les mots “qui est établi” sont remplacés par
les mots “de cette société qui sont établis”;
3° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°, les mots “au siège
social” sont remplacés par les mots “au domicile fiscal”,
et les mots “de cette société” sont insérés entre les mots
“établissement étranger” et les mots “qui sont établis”;
4° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 4°, les mots “au siège
social” sont remplacés par les mots “au domicile fiscal”
et dans le texte français les mots “de cette société” sont
insérés entre les mots “établissement étranger” et les
mots “qui sont établis”;
5° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 5°, les mots “du siège
social” sont remplacés par les mots “du domicile fiscal”;
153
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
6° paragraaf 1, eerste lid wordt aangevuld met een
bepaling onder 6, luidende:
“6° het gedeelte van het maatschappelijk vermogen
dat als uitgekeerd dividend wordt aangemerkt bij toepas-
sing van artikel 210/1 in het geval dat de vennootschap
niet langer onderworpen is aan de vennootschapsbelas-
ting en aan de rechtspersonenbelasting onderworpen
is.”;
7° in paragraaf 3, eerste lid, 1°, worden de woorden
“de maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting
of de zetel van bestuur of beheer” vervangen door de
woorden “de fiscale woonplaats”;
8° in paragraaf 3, eerste lid, 4°, wordt het woord
“vennootschap” vervangen door het woord “belasting-
plichtige” en worden de woorden “verrichting onder een
buitenlands recht gelijkaardig aan een fusie, een aan
een fusie gelijkgestelde verrichting of een splitsing als
bedoeld in de artikelen 671 tot 677 van het Wetboek van
vennootschappen, “vervangen door de woorden “fusie,
splitsing en verrichting gelijkgesteld met een fusie of
met een splitsing,”.
Art. 81
In artikel 442bis, § 4, van hetzelfde Wetboek, vervan-
gen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij
de wetten van 22 december 2009 en 19 mei 2010 en
bij het koninklijk besluit van 19 december 2010, worden
de woorden “artikel 60 van de wet van 31 januari 2009
betreffende de continuiteit van de ondernemingen”
vervangen door de woorden “artikel XX.85 van het
Wetboek van economisch recht” en worden de woorden
“overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van
vennootschappen” vervangen door de woorden “in over-
eenstemming met de bepalingen van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen of bepalingen van
buitenlands recht van toepassing op de rechtshande-
ling wanneer die een evenwaardige bescherming aan
de schuldeiser bieden”.
Art. 82
In artikel 442quater, § 1, eerste lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2006, worden
de woorden “een rechtspersoon bedoeld in artikel 17,
§ 3, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de ver-
enigingen zonder winstoogmerk, de internationale
verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen,”
vervangen door de woorden “een vereniging of stichting
bedoeld in artikel 3:47, § 3, of artikel 3:50, § 3, van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen,”
6° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par un
6°, rédigé comme suit:
“6° la partie de l’avoir social qui est considérée
comme un dividende distribué par application de
l’article 210/1 dans le cas où la société cesse d’être
assujettie à l’impôt des sociétés pour devenir assujettie
à l’impôt des personnes morales.”;
7° au paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, les mots “du siège
social, du principal établissement ou du siège de direc-
tion ou d’administration” sont remplacés par les mots
“du domicile fiscal”;
8° au paragraphe 3, alinéa 1er, 4°, les mots “de la
société” sont remplacés par les mots “du contribuable”
et les mots “opération régie par le droit étranger similaire
à une fusion, ou à une opération assimilée à une fusion
ou à une scission, visées aux articles 671 à 677 du Code
des sociétés,” sont remplacés par les mots “fusion, scis-
sion ou opération assimilée à une fusion ou scission,”.
Art. 81
Dans l’article 442bis, § 4, du même Code, remplacé
par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par les lois des
22 décembre 2009 et 19 mai 2010 et par l’arrêté royal
du 19 décembre 2010, les mots “l’article 60 de la loi du
31 janvier 2009 relative à la continuité des entreprises”
sont remplacés par les mots “l’article XX.85 du Code
de droit économique” et les mots “conformément aux
dispositions du Code des sociétés.” sont remplacés par
les mots “conformément aux dispositions du Code des
sociétés et des associations ou aux dispositions du droit
étranger régissant l’opération qui offrent aux créanciers
une protection équivalente.”.
Art. 82
Dans l’article 442quater, § 1er, alinéa 1er, du même
Code, inséré par la loi du 20 juillet 2006, les mots “une
personne morale visée à l’article 17, § 3, de la loi du
27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les
associations internationales sans but lucratif et les fon-
dations,” sont remplacés par les mots “une association
ou fondation visée à l’article 3:47, § 3, ou à l’article 3:50,
§ 3, du Code des sociétés et des associations,”.
154
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen aan het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde
Art. 83
In artikel 56, § 1, van het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van
30 juli 2018, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
“Het eerste lid is van toepassing op vennootschappen
onder firma, op commanditaire vennootschappen en
op besloten vennootschappen tot 31 december 2019.”.
Art. 84
In artikel 57, § 6, van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 28 december 1992, wordt de bepaling
onder 1° vervangen als volgt:
“1° wanneer de activiteit wordt uitgeoefend onder
de vorm van een vennootschap die niet erkend is als
landbouwonderneming bedoeld in artikel 8:2 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen;”.
Art. 85
In artikel 93undecies B, § 4, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2005 en
laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van
19 december 2010, worden de woorden “artikel 60 van
de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuiteit
van de ondernemingen” vervangen door de woorden
“artikel XX.85 van het Wetboek van economisch recht”
en worden de woorden “Wetboek van vennootschap-
pen” vervangen door de woorden “Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen”.
Art. 86
In artikel 93undecies C, § 1, eerste lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2006 en ge-
wijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden
“een rechtspersoon bedoeld in artikel 17, § 3, van de
wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder
winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke
partijen en stichtingen” vervangen door de woorden
“een vereniging of stichting respectievelijk bedoeld in
artikel 3:47, § 3 of artikel 3:50, § 3, van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
CHAPITRE 2
Modifications au Code de la taxe sur la valeur
ajoutée
Art. 83
A l’article 56, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur
ajoutée, remplacé par la loi du 30 juillet 2018, l’ali-
néa 2 est remplacé par ce qui suit:
“L’alinéa 1er est applicable aux sociétés en nom
collectif, aux sociétés en commandite et aux sociétés
à responsabilité limitée jusqu’au 31 décembre 2019.”.
Art. 84
Dans l’article 57, § 6, du même Code, remplacé par
la loi du 28 décembre 1992, le 1° est remplacé par ce
qui suit:
“1° lorsque l’activité est exercée sous la forme d’une
société qui n’est pas agréée comme entreprise agri-
cole visée à l’article 8:2 du Code des sociétés et des
associations;”.
Art. 85
Dans l’article 93undecies B, § 4, du même Code,
inséré par la loi du 10 août 2005 et modifié en dernier
lieu par l’arrêté royal du 19 décembre 2010, les mots
“l’article 60 de la loi du 31 janvier 2009 relative à la
continuité des entreprises” sont remplacés par “l’article
XX.85 du Code de droit économique” et les mots “Code
des sociétés” sont remplacés par les mots “Code des
sociétés et des associations”.
Art. 86
Dans l’article 93undecies C, § 1er, alinéa 1er, du même
Code, inséré par la loi du 20 juillet 2006 et modifié par
la loi du 30 juillet 2018, les mots “une personne morale
visée à l’article 17, § 3, de la loi du 27 juin 1921 sur les
associations sans but lucratif, les fondations, les partis
politiques européens et les fondations politiques euro-
péennes” sont remplacés par les mots “une association
ou fondation respectivement visée à l’article 3:47, § 3,
ou à l’article 3:50, § 3, du Code des sociétés et des
associations”.
155
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen aan het Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten
Art. 87
In het opschrift van titel I, hoofdstuk IV, afdeling
XI, van het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en
Griffierechten, worden de woorden “burgerlijke of
handelsvennootschappen” vervangen door het woord
“vennootschappen”.
Art. 88
In artikel 115, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juni 2005 worden
de woorden “burgerlijke of handelsvennootschappen”
vervangen door het woord “vennootschappen”.
Art. 89
In artikel 115bis, eerste lid van hetzelfde Wetboek
ingevoegd bij de wet van 30 maart 1994 en gewijzigd
bij de wet van 20 juni 2005 worden de woorden “bur-
gerlijke vennootschappen of handelsvennootschappen”
vervangen door het woord “vennootschappen”.
Art. 90
In artikel 116, eerste en tweede lid, van hetzelfde
Wetboek, vervangen bij de wet van 3 juli 1972 en gewij-
zigd bij wet van 22 juni 2005, wordt het woord “statutair”
telkens opgeheven.
Art. 91
In artikel 117, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 12 augustus 1985 en gewijzigd bij de wet-
ten van 22december 1998 en 2 mei 2002, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de woorden
“of, bij gebrek aan een nominale waarde, van de frac-
tiewaarde” ingevoegd tussen de woorden “nominale
waarde” en de woorden “van de toegekende maatschap-
pelijke aandelen of deelbewijzen”;
2° paragraaf 1, eerste lid, 2°, wordt aangevuld met
de volgende zin:
CHAPITRE 3
Modifications au Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Art. 87
Dans l’intitulé du titre Ier, chapitre IV, section XI, du
Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de
greffe les mots “sociétés civiles et commerciales” sont
remplacés par le mot “sociétés”.
Art. 88
Dans l’article 115, alinéa 1er, du même Code, modi-
fié en dernier lieu par la loi du 20 juin 2005 les mots
“sociétés civiles ou commerciales” sont remplacés par
le mot “sociétés”.
Art. 89
Dans l’article 115bis, alinéa 1er, du même Code
inséré par la loi du 30 mars 1994 et modifié par la loi du
20 juin 2005, les mots “sociétés civiles ou commerciales”
sont remplacés par le mot “sociétés”.
Art. 90
Dans l’article 116, alinéas 1er et 2, du même Code,
remplacé par la loi du 3 juillet 1972 et modifié par la loi du
22 juin 2005, le mot “statutaire” est chaque fois abrogé.
Art. 91
A l’article 117, du même Code, remplacé par
la loi du 12 août 1985 et modifié par les lois des
22 décembre 1998 et 2 mai 2002, sont apportées les
modifications suivantes:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les mots “ou, à
défaut de valeur nominale, du pair comptable” sont
insérés entre les mots “valeur nominale “et “des actions
ou parts sociales attribuées.”;
2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, est complété par
la phrase suivante:
156
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de
verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip
gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze
vennootschap voorziet, wordt met de fractiewaarde
gelijkgesteld, de inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de
jaarrekening, van alle door de aandeelhouders of ven-
noten toegezegde inbrengen in geld of in natura, met
uitzondering van de inbrengen in nijverheid, in voorko-
mend geval verhoogd met de reserves die op grond van
een statutaire bepaling slechts aan de aandeelhouders
of vennoten kunnen worden uitgekeerd mits een statu-
tenwijziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen.”;
3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “het
maatschappelijk kapitaal” vervangen door de woorden
“het kapitaal of van het eigen vermogen”;
4° in paragraaf 3, eerste lid, 2°, worden de woorden
“of, bij gebrek aan een nominale waarde, van de frac-
tiewaarde” ingevoegd tussen de woorden “nominale
waarde” en de woorden “van de toegekende maatschap-
pelijke aandelen of deelbewijzen”;
5° paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt aangevuld met
de volgende zin:
“; Indien het Belgisch of buitenlands recht dat de
verkrijgende vennootschap beheerst niet in een begrip
gelijkaardig aan dat van het kapitaal van een naamloze
vennootschap voorziet, wordt met de fractiewaarde
gelijkgesteld, de inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de
jaarrekening, van alle door de aandeelhouders of ven-
noten toegezegde inbrengen in geld of in natura, met
uitzondering van de inbrengen in nijverheid, in voorko-
mend geval verhoogd met de reserves die op grond van
een statutaire bepaling slechts aan de aandeelhouders
of vennoten kunnen worden uitgekeerd mits een statu-
tenwijziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen.“;
6° in paragraaf 3, eerste lid, 3°, worden de woorden
“het maatschappelijk kapitaal” vervangen door de woor-
den “het kapitaal of van het eigen vermogen”.
Art. 92
In artikel 121, van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 1°, vervangen bij de wet
van 14 april 1965 en gewijzigd bij de wet van
22 december 1998, worden de woorden “vennootschap
met sociaal oogmerk“vervangen door de woorden “so-
ciale onderneming “;
“Si le droit belge ou étranger qui régit la société
bénéficiaire ne prévoit pas une notion analogue à celle
du capital d’une société anonyme, est assimilée au pair
comptable la valeur, telle qu’elle résulte des comptes
annuels, de tous les apports en numéraire ou en nature,
autre qu’en industrie, consentis par les actionnaires ou
associés, le cas échéant augmentée des réserves qui,
en vertu d’une disposition statutaire, ne peuvent être
distribuées aux actionnaires ou associés que moyen-
nant une modification des statuts, le tout divisé par le
nombre des actions ou parts.”;
3° au paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “du capital
social” sont remplacés par les mots “du capital ou des
capitaux propres”;
4° au paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, les mots “ou, à
défaut de valeur nominale, du pair comptable “sont
insérés entre les mots “valeur nominale” et les mots
“des actions ou parts sociales attribuées“;
5° le paragraphe 3, alinéa 1er, 2°, est complété par la
phrase suivante:
“. Si le droit belge ou étranger qui régit la société
bénéficiaire ne prévoit pas une notion analogue à celle
du capital d’une société anonyme, est assimilée au pair
comptable, la valeur, telle qu’elle résulte des comptes
annuels, de tous les apports en numéraire ou en nature,
autres que les apports en industrie, consentis par les
actionnaires ou associés, le cas échéant augmenté des
réserves qui, en vertu d’une disposition statutaire, ne
peuvent être distribuées aux actionnaires ou associés
que moyennant une modification des statuts, le tout
divisé par le nombre des actions ou parts.“;
6° au paragraphe 3, alinéa 1er, 3°, les mots “du capital
social “sont remplacés par les mots “du capital ou des
capitaux propres”.
Art. 92
A l’article 121, du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, 1°, remplacé par la loi du
14 avril 1965 et modifié par la loi du 22 décembre 1998,
les mots “société à finalité sociale.” sont remplacés par
les mots “entreprise sociale.”;
157
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2° In het tweede lid, vervangen bij de wet van
3 juli 1972, wordt het woord “statutair” opgeheven.
Art. 93
In artikel 123, eerste lid, van hetzelfde wetboek,
opgeheven bij de wet van 14 april 1965 en hersteld bij
wet van 10 februari 1998, worden de woorden “statutair
kapitaal” vervangen door de woorden “kapitaal of het
eigen vermogen”.
Art. 94
In artikel 159, van hetzelfde Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 11°, ingevoegd bij de wet van
12 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 17 juli 1989,
worden de woorden “in een samenwerkingsverband
beheerst, door de wet van 17 juli 1989 betreffende de
economische samenwerkingsverbanden of” opgeheven;
b) in de bepaling onder 12°, ingevoegd bij de wet van
12 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 17 juli 1989,
worden de woorden “van een economisch samenwer-
kingsverband of” opgeheven;
c) in de bepaling onder 14°, ingevoegd bij de wet van
30 maart 1994, worden de woorden “burgerlijke ven-
nootschappen of handelsvennootschappen” vervangen
door het woord “vennootschappen”.
Art. 95
In artikel 173, 1°bis, van hetzelfde Wetboek ingevoegd
bij wet van 14 december 2005 en gewijzigd bij wet van
21 december 2013, worden de woorden “artikel 67 van
het wetboek van vennootschappen” vervangen door
de woorden “artikel 2:12 van het Wetboek van vennoot-
schappen en verenigingen”.
Art. 96
In artikel 209, eerste lid, 5°, van hetzelfde Wetboek
ingevoegd bij wet van 10 februari 1998 worden de
woorden “statutair kapitaal” telkens vervangen door de
woorden “kapitaal of het eigen vermogen”.
2° dans l’alinéa 2, remplacé par la loi du 3 juillet 1972,
le mot “statutaire” est abrogé.
Art. 93
Dans l’article 123, alinéa 1er, du même Code, sup-
primé par la loi du 14 avril 1965 et rétabli par la loi du
10 février 1998, les mots “capital statutaire,” sont rem-
placés par les mots “capital ou des capitaux propres,”.
Art. 94
A l’article 159, du même Code sont apportées les
modifications suivantes:
a) au 11°, inséré par la loi du 12 juillet 1989 et modifié
par la loi du 17 juillet 1989, les mots “à un groupement
régi par la loi du 17 juillet 1989 sur les groupements
d’intérêt économique ou” sont abrogés;
b) au 12°, inséré par la loi du 12 juillet 1989 et modifié
par la loi du 17 juillet 1989, les mots “du groupement
d’intérêt économique ou” sont abrogés;
c) au 14°, inséré par la loi du 30 mars 1994, les mots
“sociétés civiles ou commerciales” sont remplacés par
le mot “sociétés”.
Art. 95
A l’article 173, 1°bis, du même Code inséré par
la loi du 14 décembre 2005 et modifié par la loi du
21 décembre 2013, les mots “article 67 du Code des
sociétés;” sont remplacés par les mots “article 2:12 du
Code des sociétés et des associations;”.
Art. 96
A l’article 209, alinéa 1er, 5°, du même Code, inséré
par la loi du 10 février 1998, les mots “capital statutaire”
sont chaque fois remplacés par les mots “capital ou des
capitaux propres”.
158
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen aan het Wetboek
van Successierechten
Art. 97
In artikel 150, tweede lid, 5°, van het Wetboek van
Successierechten, vervangen bij de wet van 2 mei 2002
en gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, worden
de woorden “door handelsvennootschappen waarvan
de vereniging of stichting als bezitter-emittent wordt aan-
gemerkt krachtens de wet van 15 juli 1998 betreffende
de certificatie van effecten uitgegeven door handels-
vennootschappen” vervangen door de woorden “door
vennootschappen waarvan de vereniging of stichting
als bezitter-emittent wordt aangemerkt krachtens het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen of,
indien de vennootschap niet door dat Wetboek wordt
beheerst, overeenkomstig de bepalingen van het recht
dat haar beheerst”.
Art. 98
In artikel 161, van hetzelfde Wetboek ingevoegd
bij wet van 22 juli 1993 en vervangen bij de wet van
22 december 2003, worden de bepalingen onder 5° en
6°, vervangen als volgt:
“5° de verzekeringsondernemingen bedoeld in arti-
kel 6 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van
en het toezicht op de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen die inkomsten als bedoeld in artikel 21,
9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
of dividenden die van vennootschapsbelasting zijn vrij-
gesteld op basis van artikel 185, § 1, eerste lid, van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 toekennen;
6° de verzekeringsondernemingen bedoeld in arti-
kel 6 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van
en het toezicht op de verzekerings- of herverzekerings-
ondernemingen, die verzekeringsverrichtingen doen
als bedoeld in het bijlage II, A, 23, van dezelfde wet.”.
Art. 99
In artikel 161bis, § 6, van hetzelfde Wetboek inge-
voegd bij wet van 22 juli 1993 en vervangen bij de wet
van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden “de vorm heeft aangenomen van een
coöperatieve vennootschap erkend door de Nationale
Raad van de Coöperatie” worden vervangen door “die
CHAPITRE 4
Modifications au Code des
droits de succession
Art. 97
Dans l’article 150, alinéa 2, 5°, du Code des droits de
succession, remplacé par la loi du 2 mai 2002 et modifié
par la loi du 24 décembre 2002, les mots “par des socié-
tés commerciales, dont l’association ou la fondation est
considérée comme propriétaire-émettant en vertu de la
loi du 15 juillet 1998 relative à la certification de titres
émis par des sociétés commerciales,” sont remplacés
par les mots “par des sociétés, dont l’association ou la
fondation est considérée comme propriétaire-émettant
en vertu du Code des sociétés et des associations ou,
si la société n’est pas régie par ce code, conformément
aux dispositions du droit qui la régit,”.
Art. 98
Dans l’article 161, du même Code inséré par
la loi du 22 juillet 1993 et remplacé par la loi du
22 décembre 2003, les 5° et 6°, sont remplacés par ce
qui suit:
“5° les entreprises d’assurances visées à l’article 6 de
la loi du 13 mars 2016 relative au statut au contrôle des
entreprises d’assurance ou réassurance qui attribuent
des revenus visés à l’article 21, 9°, du Code des impôts
sur les revenus 1992 ou des dividendes exonérés de
l’impôt des sociétés sur la base de l’article 185, § 1er,
alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992;
6° les entreprises d’assurances visées à l’article 6 de
la loi du 13 mars 2016 relative au statut au contrôle des
entreprises d’assurance ou de réassurance, qui effec-
tuent des opérations d’assurance visées à l’annexe II,
A, 23, de la même loi.”.
Art. 99
A l’article 161bis, § 6, du même Code inséré par
la loi du 22 juillet 1993 et remplacé par la loi du
22 décembre 2003, sont apportées les modifications
suivantes:
1° les mots “a adopté la forme d’une société coopé-
rative agréée par le Conseil national de la coopération,”
sont remplacés par “a adopté la forme d’une société
159
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
de vorm heeft aangenomen van een overeenkomstig
artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen erkende coöperatieve vennootschap”;
2° worden de woorden”maatschappelijk kapitaal”
vervangen door de woorden “eigen vermogen gevormd
door de inbrengen van de aandeelhouders”;
3° worden de woorden “artikel 21, 6°,” vervangen door
de woorden “artikel 185, § 1, eerste lid,”.
Art. 100
In artikel 161ter, 4°, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 22 juli 1993 vervangen bij de wet
van 22 december 2003 en gewijzigd bij de wetten van
17 juni 2013 en 3 augustus 2016, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “die de vorm van een coöperatieve
vennootschap hebben, erkend door de Nationale Raad
van de Coöperatie” worden vervangen door de woor-
den “die de vorm aannemen van een overeenkomstig
artikel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen erkende coöperatieve vennootschap”.
2° worden de woorden “maatschappelijk kapitaal”
vervangen door de woorden “eigen vermogen gevormd
door de inbrengen van de aandeelhouders”.
Art. 101
In artikel 161quater, tweede lid, van hetzelfde
Wetboek ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993 en ge-
wijzigd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996
en bij de wet van 20 januari 1999, worden de woorden
“bedoeld in artikel 21, 6°, van het Wetboek van de in-
komstenbelastingen 1992,” vervangen door de woorden
“bedoeld in artikel 161, 5°,”.
Art. 102
In artikel 161quinquies, eerste lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993 en ge-
wijzigd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996,
worden de woorden “de coöperatieve vennootschappen
erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie”
vervangen door de woorden “de overeenkomstig arti-
kel 8:4 van het Wetboek van vennootschappen en ver-
enigingen erkende coöperatieve vennootschappen” en
de woorden “bedoeld in artikel 21, 6°, van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992,” worden vervangen
door de woorden “bedoeld in artikel 161, 5°,”.
coopérative agréée conformément à l’article 8:4 du
Code des sociétés et des associations,”;
2° les mots “du capital social” sont remplacés par les
mots “des capitaux propres constitués par les apports
des actionnaires”;
3° les mots “l’article 21, 6°,” sont remplacés par les
mots “l’article 185, § 1er, alinéa 1er,”.
Art. 100
A l’article 161ter, 4°, du même Code, inséré par la loi du
22 juillet 1993 remplacé par la loi du 22 décembre 2003
et modifié par les lois du 17 juin 2013 et 3 août 2016, les
modifications suivantes sont apportées:
1° les mots “qui ont adopté le forme d’une société
coopérative agréée par le Conseil national de la coopé-
ration” sont remplacés par les mots “qui ont adopté la
forme d’une société coopérative agréée conformément
à l’article 8:4 du Code des sociétés et des associations”.
2° les mots “du capital social” sont remplacés par les
mots “des capitaux propres constitués par les apports
des actionnaires”.
Art. 101
Dans l’article 161quater, alinéa 2, du même Code,
inséré par la loi du 22 juillet 1993 et modifié par
l’arrêté royal du 18 novembre 1996 et par la loi du
20 janvier 1999, les mots “visés à l’article 21, 6°, du
Code des impôts sur les revenus 1992,” sont remplacés
par les mots “visés à l’article 161, 5°,”.
Art. 102
Dans l’article 161quinquies, alinéa 1er, du même
Code, inséré par la loi du 22 juillet 1993 et modifié par
l’arrêté royal du 18 novembre 1996, les mots “les socié-
tés coopératives agréées par le Conseil national de la
coopération” sont remplacés par les mots “les sociétés
coopératives agréées conformément à l’article 8:4 du
Code des sociétés et associations” et les mots “visés
à l’article 21, 6°, du Code des impôts sur les revenus
1992,” sont remplacés par les mots “visés à l’article 161,
5°,”.
160
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen aan het Wetboek diverse
rechten en taksen
Art. 103
In artikel 4, van het Wetboek diverse rechten en tak-
sen, ingevoegd bij wet van 19 december 2006 worden
de woorden “in het Wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “in het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen”.
Art. 104
In artikel 1261, 8°, van hetzelfde Wetboek, opgeheven
bij de wet van 22 juli 1993 en hersteld bij de wet van
22 oktober 2017, worden de woorden “in artikel 620, § 1,
1°, van het Wetboek van de vennootschappen” vervan-
gen door de woorden “in artikel 7:215, § 1, 1°, van het
Wetboek van de vennootschappen en verenigingen”.
HOOFDSTUK 6
Diverse bepalingen
Afdeling 1
Bosgroeperingsvennootschappen
Art. 105
In de wet van 6 mei 1999 ter bevordering van de
oprichting van burgerlijke bosgroeperingsvennootschap-
pen, wordt het opschrift vervangen als volgt:
“Wet van 6 mei 1999 ter bevordering van de oprichting
van bosgroeperingsvennootschappen.”
Art. 106
In artikel 2, van dezelfde wet wordt worden de woor-
den “elke burgerlijke vennootschap die de rechtsvorm
van een handelsvennootschap heeft aangenomen, die
erkend is door de minister van Financiën op advies
van de minister van het betrokken gewest die de bos-
sen onder zijn bevoegdheid heeft, en die uitsluitend tot
maatschappelijk doel en activiteit heeft, de bosbouw op
gronden waarvan ze eigenaar is, alsmede alle verrich-
tingen die met dat doel verband houden of er normaal
uit voortvloeien op voorwaarde dat ze het burgerlijk
karakter van de groepering niet wijzigen” vervangen
door de woorden “elke vennootschap die erkend is
CHAPITRE 5
Modifications au Code des droits
et taxes divers
Art. 103
Dans l’article 4, du Code des droits et taxes divers,
inséré par la loi du 19 décembre 2006, les mots “dans le
Code des sociétés” sont remplacés par les mots “dans
le Code des sociétés et des associations”.
Art. 104
Dans l’article 1261, 8°, du même Code, abrogé
par la loi du 22 juillet 1993 et rétabli par la loi du
22 octobre 2017, les mots “à l’article 620, § 1er, 1°, du
Code des sociétés” sont remplacés par les mots “à
l’article 7:215, § 1er, 1°, du Code des sociétés et des
associations”.
CHAPITRE 6
Dispositions diverses
Section 1re
Sociétés de groupements forestiers
Art. 105
L’intitulé de la loi du 6 mai 1999 visant à promouvoir
la création de sociétés civiles de groupements forestiers
est remplacé par ce qui suit:
“Loi du 6 mai 1999 visant à promouvoir la création de
sociétés de groupements forestiers”
Art. 106
Dans l’article 2, de la même loi, les mots “toute so-
ciété civile ayant adopté la forme juridique d’une société
commerciale, agréée par le ministre des Finances sur
avis du ministre de la région concernée qui a les forêts
dans ses attributions, comme ayant exclusivement pour
objet social et pour activité la production forestière sur
des terrains dont elle est propriétaire, ainsi que toutes
les opérations quelconques se rattachant à cet objet ou
en dérivant normalement pourvu qu’elles ne modifient
pas le caractère civil du groupement” sont remplacé
par les mots “toute société agréée par le ministre des
Finances sur avis du ministre de la région concernée
161
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
door de minister van Financiën op advies van de mi-
nister van het betrokken gewest die de bossen onder
zijn bevoegdheid heeft, en die uitsluitend tot voorwerp
heeft, de bosbouw op gronden waarvan ze eigenaar
is, alsmede alle verrichtingen die met dat doel verband
houden of er normaal uit voortvloeien”
Art 107
In artikel 3, 1°, van dezelfde wet, worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”.
Art 108
In artikel 4, vierde lid, van dezelfde wet, worden de
woorden “maatschappelijk kapitaal” vervangen door het
woord “kapitaal”.
Afdeling 2
Diamant Stelsel
Art. 109
In artikel 67, van de programmawet van
10 augustus 2015, gewijzigd bij de wet van
18 december 2016, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de bepaling onder 4°, worden de woorden “ar-
tikel 96. I. A, eerste lid van het koninklijk besluit van
30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van
vennootschappen” vervangen door de woorden “arti-
kel […] van het koninklijk besluit van XXXX 201[8 tot
uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen]”;
2°° in de bepaling onder 5°, worden de woorden
“artikel 96. II. A, eerste lid van het koninklijk besluit
van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek
van vennootschappen” vervangen door de woorden
“artikel […] van het koninklijk besluit van XXXX 201[8 tot
uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen]”.
Art. 110
In artikel 68, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij
de wet van 18 december 2016, worden de woorden
qui a les forêts dans ses attributions, comme ayant
exclusivement pour objet la production forestière sur
des terrains dont elle est propriétaire, ainsi que toutes
les opérations quelconques se rattachant à cet objet ou
en dérivant normalement”.
Art 107
Dans l’article 3, 1°, de la même loi, les mots “capital
social” sont remplacés par le mot “capital”.
Art 108
Dans l’article 4, alinéa 4, de la même loi, les mots
“capital social” sont remplacés par le mot “capital”.
Section 2
Régime Diamant
Art. 109
A l’article 67, de la loi-programme du 10 août 2015,
modifié par la loi du 18 décembre 2016, les modifications
suivantes sont apportées:
1° au 4°, les mots “l’article 96, I.A., alinéa 1er, de
l’arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du
Code des sociétés” sont remplacés par les mots “l’article
[…] de l’arrêté royal du XXXX 201[8 portant exécution
du Code des sociétés et des associations]”;
2° au 5°, les mots “l’article 96, II.A., alinéa 1er, de
l’arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du
Code des sociétés “sont remplacés par les mots “l’article
[…] de l’arrêté royal du XXXX 201[8 portant exécution
du Code des sociétés et des associations]”.
Art. 110
Dans l’article 68, § 2, de la même loi, modifié par la loi
du 18 décembre 2016, les mots “l’article 11 du Code des
162
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen” ver-
vangen door de woorden “artikel 1:20 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen”.
Afdeling 3
Zeescheepvaart
Art. 111
In artikel 115, § 2, 3°, van de programmawet van
2 augustus 2002, gewijzigd bij de programmawet van
27 december 2004, en bij de wet van 3 juli 2018 tot wijzi-
ging van de belastingsmaatregelen ten voordele van het
zeevervoer, worden de woorden “een bedrijfsafdeling of
tak van werkzaamheid kan beschouwd worden in de zin
van artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 enerzijds en anderzijds als
een bedrijfstak in de zin van artikel 680 van het Wetboek
van vennootschappen” vervangen door de woorden
“een bedrijfstak in de zin van artikel 2, § 1, 6°/2, c, van
het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992”.
Art. 112
In artikel 122, § 3, van dezelfde programmawet, wor-
den de woorden “maatschappelijke zetel” vervangen
door de woorden “voornaamste inrichting of de zetel
van bestuur of beheer”.
Afdeling 4
Havens
Art. 113
In artikel 3, eerste lid, van de wet van 29 mei 2018
tot bepaling van de voorwaarden van overgang bij
de onderwerping aan de vennootschapsbelasting
van havenbedrijven, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de bepaling onder 1° worden de woorden
“maatschappelijk kapitaal” vervangen door het woord
“kapitaal”;
2° in de bepaling onder 4° worden de woorden “ar-
tikel 57 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001
tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen”
vervangen door de woorden “artikel […] van het konin-
klijk besluit van […] tot uitvoering van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen”.
sociétés” sont remplacés par les mots “l’article 1:20 du
Code des sociétés et des associations”.
Section 3
Navigation maritime
Art. 111
Dans l’article 115, § 2, 3°, de la loi-programme
du 2 août 2002, modifié par la loi-programme du
27 décembre 2004, et par la loi du 3 juillet 2018 modi-
fiant le régime d’aides fiscales en faveur du transport
maritime, les mots “une branche d’activité au sens de
l’article 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, du Code des impôts sur
les revenus 1992, d’une part, et comme une branche
d’activité au sens de l’article 680 du Code des sociétés
d’autre part,” sont remplacés par les mots “une branche
d’activité au sens de l’article 2, § 1er, 6°/2, c, du Code
des impôts sur les revenus 1992,”.
Art. 112
Dans l’article 122, § 3, de la même loi-programme,
les mots “siège social” sont remplacés par les mots
“principal établissement ou siège de direction ou
d’administration”.
Section 4
Ports
Art. 113
A l’article 3, alinéa 1er, de la loi du 29 mai 2018 fixant
les conditions du passage à l’assujettissement à l’impôt
des sociétés d’entreprises portuaires, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le 1°, les mots “capital social” sont remplacés
par le mot “capital”;
2° dans le 4°, les mots “l’article 57 de l’arrêté royal du
30 janvier 2001 portant exécution du code des sociétés”
sont remplacés par les mots “l’article […] de l’arrêté
royal du […] portant exécution du Code des sociétés et
des associations”.
163
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Afdeling 5
Stelsel dat voorziet in de terugvordering van staatssteun
Art. 114
In artikel 100, eerste lid, van de programmawet
van 25 december 2016, gewijzigd door de wet van
17 december 2017 worden de woorden “artikelen 5 tot
11 van het Wetboek van vennootschappen” vervangen
door de woorden “artikelen 1:14 tot 1:20 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen”.
Art. 115
In artikel 101, derde lid, van dezelfde programmawet
worden de woorden “artikel 11 van het Wetboek van
vennootschappen” vervangen door de woorden “ar-
tikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen”.
Art. 116
In artikel 105, van dezelfde programmawet worden de
woorden “bedoeld in de artikelen 671 tot en met 677 van
het Wetboek van vennootschappen, of een gelijkaardige
verrichting onder buitenlands vennootschapsrecht”
vervangen door de woorden “of een andere ontbind-
ing zonder verdeling van het gehele maatschappelijke
vermogen”.
HOOFDSTUK 7
Inwerkingtreding, aanvang en
overgangsbepalingen
Art. 117
§ 1. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2019, be-
halve artikel 35, dat in werking treedt op 1 januari 2020
en van toepassing is op activa verkregen of tot stand
gebracht vanaf 1 januari 2020.
Artikel 2, 9°, is van toepassing op de aldaar gede-
finieerde verrichtingen die worden uitgevoerd vanaf
1 januari 2019.
Artikel 10 is van toepassing op de verwerving van
aandelen of deelbewijzen gedaan vanaf 1 januari 2019.
Artikel 11, 1°, is van toepassing op de terugbetalingen
van kapitaal uitgevoerd vanaf 1 januari 2019.
Section 5
Régime de récupération des aides d’État
Art. 114
Dans l’article 100, alinéa 1er, de la loi-pro-
gramme du 25 décembre 2016, modifié par la loi du
17 décembre 2017, les mots “articles 5 à 11 du Code des
sociétés” sont remplacés par les mots “articles 1:14 à
1:20 du Code des sociétés et des associations”.
Art. 115
Dans l’article 101, alinéa 3, de la même loi-pro-
gramme, les mots “l’article 11 du Code des sociétés”
sont remplacés par les mots “l’article 1:20 du Code des
sociétés et des associations”.
Art. 116
Dans l’article 105, de la même loi-programme, les
mots “visées aux articles 671 à 677 du Code des socié-
tés, ou d’une opération de droit des sociétés similaire
en droit étranger” sont remplacés par les mots “, ou
ayant fait l’objet d’une autre dissolution sans partage
total de l’avoir social“.
CHAPITRE 7
Entrée en vigueur, prise d’effet
et dispositions transitoires
Art. 117
§ 1er. La présente loi entre en vigueur le 1er jan-
vier 2019, à l’exception de l’article 35, qui entre en
vigueur le 1er janvier 2020 et qui est applicable aux actifs
acquis ou constitués à partir du 1er janvier 2020.
L’article 2, 9°, est applicable aux opérations y définies
qui sont effectuées à partir du 1er janvier 2019.
L’article 10 est applicable aux acquisitions d’actions
ou parts effectuées à partir du 1er janvier 2019.
L’article 11, 1°, est applicable aux remboursements
du capital effectués à partir du 1er janvier 2019.
164
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Artikel 23, 2°, is van toepassing op terugbetalingen
verricht vanaf 1 januari 2019.
Artikel 43, 4°, is van toepassing op de wijzigingen
van rechtsvorm doorgevoerd vanaf 1 januari 2019 of, in
het geval van een vennootschap, vereniging of stichting
bedoeld in § 2, vanaf de dag waarop het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen op haar van toepas-
sing wordt.
Artikel 62, 1°, 2°, 4° en 5° is van toepassing op ver-
hogingen en verminderingen van kapitaal doorgevoerd
vanaf 1 januari 2019.
§ 2. Zolang het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II,
van de wet van (xxx), niet van toepassing is op een ven-
nootschap, vereniging of stichting, moet elke verwijzing
naar een bepaling van het Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen die voorkomt in een bepaling van
het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, het
Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten,
het Wetboek van Successierechten, het Wetboek diver-
se rechten en taksen en het Wetboek van de Belasting
over de Toegevoegde Waarde, de tot uitvoering ervan
genomen besluiten en de bijzondere wetgeving van
toepassing op deze belastingen, worden gelezen, voor
wat deze vennootschap, vereniging of stichting betreft,
als een verwijzing naar de bepaling van het Wetboek
van vennootschappen of andere bijzondere wetgeving
die in zulke fiscale wetgeving voorkwam voor de inwer-
kingtreding van deze wet.
§ 3. Zolang, overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling II
van de wet van (xxx), een vennootschap, vereniging of
stichting, die door het Belgisch recht wordt beheerst, een
rechtsvorm heeft die het Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen niet erkent, worden de bepalingen
van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, het
Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten,
het Wetboek van Successierechten, het Wetboek diver-
se rechten en taksen en het Wetboek van de Belasting
over de Toegevoegde Waarde, de tot uitvoering ervan
genomen besluiten en de bijzondere wetgeving van
toepassing op deze belastingen, die voor de inwer-
kingtreding van deze wet deze rechtsvorm vermeldden,
L’article 23, 2°, est applicable aux remboursements
effectués à partir du 1er janvier 2019.
L’article 43, 4°, est aux applicable aux changements
de forme juridique réalisés à partir du 1er janvier 2019
ou, dans le cas d’une société, association ou fondation
visée au § 2, à partir du jour où le Code des sociétés et
des associations lui devient applicable.
L’article 62, 1°, 2°, 4° et 5° est applicable aux aug-
mentations et réductions de capital effectuées à partir
du 1er janvier 2019.
§ 2. Aussi longtemps que, conformément au chapitre
IV, section II, de la loi du (xxx), le Code des sociétés
et des associations ne s’applique pas à une société,
association ou fondation, toute référence à une dispo-
sition du Code des sociétés et des associations ou de
son arrêté d’exécution qui figure dans une disposition
du Code des impôts sur les revenus 1992, du Code des
droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe, du
Code des droits de succession, du Code des droits et
taxes divers, du Code de la Taxe sur la valeur ajoutée,
de la législation particulière relative à ces impôts ou
des arrêtés pris pour leur exécution doit se lire, pour ce
qui concerne cette société, association ou fondation,
comme une référence à la disposition du Code des
sociétés, de son arrêté d’exécution ou autre législation
particulière qui figurait dans cette disposition fiscale
avant l’entrée en vigueur de la présente loi.
§ 3. Aussi longtemps que, conformément au chapitre
IV, section II, de la loi du…(xxx), une société, association
ou fondation régie par le droit belge conserve une forme
légale que le Code des sociétés et des associations
ne reconnaît pas, les dispositions du Code des impôts
sur les revenus 1992, du Code des droits d’enregistre-
ment, d’hypothèque et de greffe, du Code des droits
de succession, du Code des droits et taxes divers, du
Code de la Taxe sur la valeur ajoutée, de la législation
particulière relative à ces impôts ou des arrêtés pris
pour leur exécution qui mentionnaient cette forme légale
avant l’entrée en vigueur de la présente loi sont répu-
tées continuer à la mentionner comme avant l’entrée en
165
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
geacht deze rechtsvorm te blijven vermelden voor wat
deze vennootschap, vereniging of stichting betreft, zoals
voor de inwerkingtreding van deze wet.
Gegeven te Brussel, 18 november 2018
FILIP
VAN KONINGSWEGE:
De minister van Financiën,
Johan VAN OVERTVELDT
vigueur de la présente loi pour ce qui concerne cette
société, association ou fondation.
Donné à Bruxelles, le 18 novembre 2018
PHILIPPE
PAR LE ROI:
Le ministre des Finances,
Johan VAN OVERTVELDT
166
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Coördinatie van de artikelen
Basistekst
Basistekst
aangepast
aan
het
wetsontwerp
Wetboek van de inkomstenbelasting 1992
TITEL 1. – Algemene bepaling
TITEL 2. – Aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het
nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen
HOOFDSTUK 1. – Wijzigingen aan het
Wetboek van inkomstenbelastingen
1992
Art. 2, § 1, 1° tem 13°/1 van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992 (vanaf 1
januari 2018)
Art. 2, § 1, 1° tem 13°/1 van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. Voor de toepassing van dit
Wetboek,
van
de
bijzondere
wetsbepalingen op het stuk van de
inkomstenbelastingen en van de tot
uitvoering ervan genomen besluiten
hebben
de
volgende
termen
de
betekenis die is bepaald in dit artikel.
§ 1. Voor de toepassing van dit
Wetboek,
van
de
bijzondere
wetsbepalingen op het stuk van de
inkomstenbelastingen en van de tot
uitvoering ervan genomen besluiten
hebben
de
volgende
termen
de
betekenis die is bepaald in dit artikel.
1° Rijksinwoners
1° Rijksinwoners
Onder rijksinwoners worden verstaan :
Onder rijksinwoners worden verstaan :
a) de natuurlijke personen die:
a) de natuurlijke personen die:
- hun woonplaats in België hebben
gevestigd;
- hun woonplaats in België hebben
gevestigd;
- wanneer ze geen woonplaats hebben
in België, de zetel van hun fortuin in
België hebben gevestigd;
- wanneer ze geen woonplaats hebben
in België, de zetel van hun fortuin in
België hebben gevestigd;
b)
de
Belgische
diplomatieke
ambtenaren
en
consulaire
beroepsambtenaren
die
in
het
buitenland zijn geaccrediteerd, alsmede
hun inwonende gezinsleden ;
b)
de
Belgische
diplomatieke
ambtenaren
en
consulaire
beroepsambtenaren
die
in
het
buitenland zijn geaccrediteerd, alsmede
hun inwonende gezinsleden ;
c) de andere leden van Belgische
diplomatieke zendingen en consulaire
posten in het buitenland die hun
c) de andere leden van Belgische
diplomatieke zendingen en consulaire
posten in het buitenland die hun
167
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
werkzaamheden
in
het
buitenland
uitoefenen in een land waarvan zij geen
onderdaan zijn of waar zij niet duurzaam
verblijf houden, alsmede hun inwonende
gezinsleden, daaronder niet begrepen
consulaire ere-ambtenaren ;
werkzaamheden
in
het
buitenland
uitoefenen in een land waarvan zij geen
onderdaan zijn of waar zij niet duurzaam
verblijf houden, alsmede hun inwonende
gezinsleden, daaronder niet begrepen
consulaire ere-ambtenaren ;
d)
de
andere
ambtenaren,
vertegenwoordigers en afgevaardigden
van
de
Belgische
Staat,
van
de
Gemeenschappen,
Gewesten,
provincies,
agglomeraties,
federaties
van gemeenten en gemeenten, of van
een Belgisch publiekrechtelijk lichaam,
die de Belgische nationaliteit bezitten en
hun
werkzaamheden
buitenslands
uitoefenen in een land waar zij niet
duurzaam verblijf houden.
d)
de
andere
ambtenaren,
vertegenwoordigers en afgevaardigden
van
de
Belgische
Staat,
van
de
Gemeenschappen,
Gewesten,
provincies,
agglomeraties,
federaties
van gemeenten en gemeenten, of van
een Belgisch publiekrechtelijk lichaam,
die de Belgische nationaliteit bezitten en
hun
werkzaamheden
buitenslands
uitoefenen in een land waar zij niet
duurzaam verblijf houden.
De vestiging van de woonplaats of van
de zetel van het fortuin in België wordt
naar de omstandigheden beoordeeld.
Evenwel
worden,
behoudens
tegenbewijs, geacht hun woonplaats in
België
te
hebben
gevestigd
de
natuurlijke
personen
die
in
het
Rijksregister
van
de
natuurlijke
personen zijn ingeschreven.
De vestiging van de woonplaats of van
de zetel van het fortuin in België wordt
naar de omstandigheden beoordeeld.
Evenwel
worden,
behoudens
tegenbewijs, geacht hun woonplaats in
België
te
hebben
gevestigd
de
natuurlijke
personen
die
in
het
Rijksregister
van
de
natuurlijke
personen zijn ingeschreven.
Voor gehuwden die zich niet in één van
de in artikel 126, § 2, eerste lid,
vermelde gevallen bevinden, wordt de
belastingwoonplaats bepaald door de
plaats waar het gezin is gevestigd.
Voor gehuwden die zich niet in één van
de in artikel 126, § 2, eerste lid,
vermelde gevallen bevinden, wordt de
belastingwoonplaats bepaald door de
plaats waar het gezin is gevestigd.
2° Gehuwden en echtgenoten - wettelijk
samenwonenden
2° Gehuwden en echtgenoten - wettelijk
samenwonenden
De wettelijk samenwonenden worden
gelijkgesteld met gehuwden, en een
wettelijk
samenwonende
wordt
gelijkgesteld met een echtgenoot.
De wettelijk samenwonenden worden
gelijkgesteld met gehuwden, en een
wettelijk
samenwonende
wordt
gelijkgesteld met een echtgenoot.
3° Gemeenschappelijke aanslag
3° Gemeenschappelijke aanslag
Onder
gemeenschappelijke
aanslag
wordt verstaan de vestiging van één
aanslag
ten
name
van
de
beide
echtgenoten
of
de
beide
wettelijk
samenwonenden.
Onder
gemeenschappelijke
aanslag
wordt verstaan de vestiging van één
aanslag
ten
name
van
de
beide
echtgenoten
of
de
beide
wettelijk
samenwonenden.
168
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
4° Kinderen
4° Kinderen
Onder kinderen wordt verstaan de
afstammelingen
van
de
belastingplichtige
en
die
van
zijn
echtgenoot, alsmede de kinderen die hij
volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.
Onder kinderen wordt verstaan de
afstammelingen
van
de
belastingplichtige
en
die
van
zijn
echtgenoot, alsmede de kinderen die hij
volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.
5° Vennootschappen
5° Vennootschappen
Er wordt verstaan onder :
Er wordt verstaan onder :
a)
vennootschap
:
enigerlei
vennootschap, vereniging, inrichting of
instelling die, regelmatig is opgericht,
rechtspersoonlijkheid
bezit
en
een
onderneming
exploiteert
of
zich
bezighoudt
met
verrichtingen
van
winstgevende aard.
a)
vennootschap
:
enigerlei
vennootschap, vereniging, inrichting of
instelling
die
een
onderneming
exploiteert of zich bezighoudt met
verrichtingen van winstgevende aard en
die:
- ofwel rechtspersoonlijkheid bezit
naar
het
recht,
Belgisch
of
buitenlands, dat haar beheerst;
- ofwel wordt beheerst door een
buitenlands recht die haar geen
rechtspersoonlijkheid toekent maar
een
rechtsvorm
heeft
die
vergelijkbaar is met die van een
vennootschap
met
rechtspersoonlijkheid naar Belgisch
recht.
Lichamen met rechtspersoonlijkheid die
naar Belgisch recht zijn opgericht en
voor
de
toepassing
van
de
inkomstenbelastingen worden geacht
geen rechtspersoonlijkheid te bezitten,
worden
niet
als
vennootschappen
aangemerkt ;
Lichamen met rechtspersoonlijkheid die
naar Belgisch recht zijn opgericht en
voor
de
toepassing
van
de
inkomstenbelastingen worden geacht
geen rechtspersoonlijkheid te bezitten,
worden
niet
als
vennootschappen
aangemerkt ;
b)
binnenlandse
vennootschap
:
enigerlei vennootschap die in België
haar
maatschappelijke
zetel,
haar
voornaamste inrichting of haar zetel van
bestuur of beheer heeft en niet van de
vennootschapsbelasting is uitgesloten ;
b)
binnenlandse
vennootschap
:
enigerlei vennootschap die in België
haar voornaamste inrichting of haar
zetel van bestuur of beheer heeft en niet
van
de
vennootschapsbelasting
is
uitgesloten ;
De vennootschap die haar statutaire
zetel
in
België
heeft,
wordt
behoudens
tegenbewijs
vermoed
daar ook haar voornaamste inrichting
of haar zetel van bestuur of beheer te
169
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
hebben. Het tegenbewijs wordt enkel
aanvaard indien er bovendien is
aangetoond
dat
de
fiscale
woonplaats van de vennootschap in
een andere Staat dan België is
gevestigd
volgens
de
fiscale
wetgeving van deze andere Staat.
b)bis
intra-Europese
vennootschap:
iedere vennootschap van een Lidstaat
van de Europese Unie:
b)bis
intra-Europese
vennootschap:
iedere vennootschap van een Lidstaat
van de Europese Unie:
- die geen binnenlandse vennootschap
is,
- die geen binnenlandse vennootschap
is,
- die een rechtsvorm heeft genoemd in
bijlage I, deel A, bij de Richtlijn
2009/133/EG van de Raad van 19
oktober
2009
betreffende
de
gemeenschappelijke
fiscale
regeling
voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke
splitsingen,
inbreng
van
activa
en
aandelenruil
met
betrekking
tot
vennootschappen
uit
verschillende
lidstaten en voor de verplaatsing van de
statutaire zetel van een SE of een SCE
van een lidstaat naar een andere
lidstaat,
- die een rechtsvorm heeft genoemd in
bijlage I, deel A, bij de Richtlijn
2009/133/EG van de Raad van 19
oktober
2009
betreffende
de
gemeenschappelijke
fiscale
regeling
voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke
splitsingen,
inbreng
van
activa
en
aandelenruil
met
betrekking
tot
vennootschappen
uit
verschillende
lidstaten en voor de verplaatsing van de
statutaire zetel van een SE of een SCE
van een lidstaat naar een andere
lidstaat, met dien verstande dat, met
betrekking tot de vennootschappen
naar Belgisch recht bedoeld in punt b
van deze bijlage, de verwijzingen
naar “besloten vennootschap met
beperkte
aansprakelijkheid”,
"coöperatieve
vennootschap
met
beperkte
aansprakelijkheid”,
"coöperatieve
vennootschap
met
onbeperkte
aansprakelijkheid”,
en
naar
"gewone
commanditaire
vennootschap”
moeten
worden
verstaan als een verwijzing naar
respectievelijk
de
“besloten
vennootschap", de " coöperatieve
vennootschap
"
en
de
"commanditaire vennootschap”.
- die volgens de fiscale wetgeving van
een Lidstaat van de Europese Unie,
andere dan België, wordt geacht fiscaal
in die Staat te zijn gevestigd zonder
volgens een met een derde Staat
gesloten
verdrag
inzake
dubbele
- die volgens de fiscale wetgeving van
een Lidstaat van de Europese Unie,
andere dan België, wordt geacht fiscaal
in die Staat te zijn gevestigd zonder
volgens een met een derde Staat
gesloten
verdrag
inzake
dubbele
170
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
belastingheffing
te
worden
geacht
fiscaal buiten de Europese Unie te zijn
gevestigd, en
belastingheffing
te
worden
geacht
fiscaal buiten de Europese Unie te zijn
gevestigd, en
- die, zonder mogelijkheid van keuze en
zonder ervan te zijn vrijgesteld, is
onderworpen
aan
een
van
de
belastingen
gelijkaardig
aan
de
vennootschapsbelasting opgesomd in
bijlage I, deel B van de voormelde
richtlijn ;
- die, zonder mogelijkheid van keuze en
zonder ervan te zijn vrijgesteld, is
onderworpen
aan
een
van
de
belastingen
gelijkaardig
aan
de
vennootschapsbelasting opgesomd in
bijlage I, deel B van de voormelde
richtlijn ;
c) buitenlandse vennootschap : enigerlei
vennootschap
die
in
België
geen
maatschappelijke zetel, voornaamste
inrichting of zetel van bestuur of beheer
heeft;
c)
buitenlandse
vennootschap:
onverminderd de bepaling onder 5°,
b, enigerlei vennootschap die in België
geen voornaamste inrichting of zetel van
bestuur of beheer heeft;
d) financieringsvennootschap : enigerlei
vennootschap die zich uitsluitend of
hoofdzakelijk
bezighoudt
met
dienstverrichtingen van financiële aard
ten voordele van vennootschappen die
met
de
dienstverrichtende
vennootschap noch rechtstreeks noch
onrechtstreeks een groep vormen ;
d) financieringsvennootschap : enigerlei
vennootschap die zich uitsluitend of
hoofdzakelijk
bezighoudt
met
dienstverrichtingen van financiële aard
ten voordele van vennootschappen die
met
de
dienstverrichtende
vennootschap noch rechtstreeks noch
onrechtstreeks een groep vormen ;
e) thesaurievennootschap : enigerlei
vennootschap
waarvan
de
werkzaamheid
uitsluitend
of
hoofdzakelijk bestaat in het verrichten
van geldbeleggingen ;
e) thesaurievennootschap : enigerlei
vennootschap
waarvan
de
werkzaamheid
uitsluitend
of
hoofdzakelijk bestaat in het verrichten
van geldbeleggingen ;
f) beleggingsvennootschap : enigerlei
vennootschap
die
het
gemeenschappelijk
beleggen
van
kapitaal tot doel heeft ;
f) beleggingsvennootschap : enigerlei
vennootschap
die
het
gemeenschappelijk
beleggen
van
kapitaal tot doel heeft ;
g) gereglementeerde vastgoedvennoot-
schap
:
enigerlei
openbare
of
institutionele
gereglementeerde
vastgoedvennootschap, zoals bedoeld
in artikel 2 van de wet van 12 mei 2014
betreffende
de
gereglementeerde
vastgoedvennootschappen;
g) gereglementeerde vastgoedvennoot-
schap
:
enigerlei
openbare
of
institutionele
gereglementeerde
vastgoedvennootschap, zoals bedoeld
in artikel 2 van de wet van 12 mei 2014
betreffende
de
gereglementeerde
vastgoedvennootschappen;
h) beleggingsvennootschap met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed :
enigerlei beleggingsvennootschap met
vast kapitaal, zoals bedoeld in de
artikelen 195 en 288 van de wet van 19
h) beleggingsvennootschap met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed :
enigerlei beleggingsvennootschap met
vast kapitaal, zoals bedoeld in de
artikelen 195 en 288 van de wet van 19
171
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
april 2014 betreffende de alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
en hun beheerders, die als uitsluitend
doel hebben de belegging in de in artikel
183, eerste lid, 3°, van dezelfde wet
bedoelde
categorie
van
toegelaten
beleggingen.
april 2014 betreffende de alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
en hun beheerders, die als uitsluitend
doel hebben de belegging in de in artikel
183, eerste lid, 3°, van dezelfde wet
bedoelde
categorie
van
toegelaten
beleggingen.
5°/1 Groep van vennootschappen
5°/1 Groep van vennootschappen
Onder groep van vennootschappen
wordt
verstaan
het
geheel
van
vennootschappen
die
met
elkaar
verbonden zijn in de zin van artikel 11
van het Wetboek van vennootschappen.
Onder groep van vennootschappen
wordt
verstaan
het
geheel
van
vennootschappen
die
met
elkaar
verbonden zijn in de zin van artikel 1:20
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen.
5°bis
Gemeenschappelijk
beleggingsfonds
5°bis
Gemeenschappelijk
beleggingsfonds
Onder
gemeenschappelijk
beleggingsfonds wordt verstaan:
Onder
gemeenschappelijk
beleggingsfonds wordt verstaan:
- het onverdeeld vermogen dat een
beheervennootschap van instellingen
voor collectieve belegging beheert voor
rekening
van
de
deelnemers
overeenkomstig de bepalingen van de
wet van 3 augustus 2012 betreffende de
instellingen voor collectieve belegging
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen of
overeenkomstig analoge bepalingen van
buitenlands recht;
- het onverdeeld vermogen dat een
beheervennootschap van instellingen
voor collectieve belegging beheert voor
rekening
van
de
deelnemers
overeenkomstig de bepalingen van de
wet van 3 augustus 2012 betreffende de
instellingen voor collectieve belegging
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen of
overeenkomstig analoge bepalingen van
buitenlands recht;
- het onverdeeld vermogen dat een
beheervennootschap van alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
beheert
voor
rekening
van
de
deelnemers
overeenkomstig
de
bepalingen van de wet van 19 april 2014
betreffende de alternatieve instellingen
voor collectieve belegging en hun
beheerders of overeenkomstig analoge
bepalingen van buitenlands recht.
- het onverdeeld vermogen dat een
beheervennootschap van alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
beheert
voor
rekening
van
de
deelnemers
overeenkomstig
de
bepalingen van de wet van 19 april 2014
betreffende de alternatieve instellingen
voor collectieve belegging en hun
beheerders of overeenkomstig analoge
bepalingen van buitenlands recht.
5°ter Gevestigd
Wanneer de term gevestigd gebruikt
wordt met betrekking tot enigerlei
172
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap, vereniging, inrichting
of instelling in verhouding tot een
Staat of een groep van Staten,
betekent deze term dat deze haar
fiscale woonplaats heeft in die Staat
of in een van die Staten van die groep
van
Staten
volgens
de
fiscale
wetgeving van die Staat, zonder dat
zij ten gevolge van een verdrag ter
vermijding van dubbele belasting
haar fiscale woonplaats buiten die
Staat of groep van Staten heeft.
6° Gestort kapitaal
6° Kapitaal
Er wordt verstaan onder :
Onder gestort kapitaal wordt verstaan
het werkelijk gestorte maatschappelijk
kapitaal zoals het geldt ter zake van de
vennootschapsbelasting.
a)
“Kapitaal”, in hoofde van een
vennootschap:
1)
het kapitaal van een naamloze
vennootschap zoals bedoeld in het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen, of, in geval van een
vennootschap
met
een
andere
rechtsvorm waarvoor het Belgisch of
buitenlands recht dat haar beheerst
in een gelijkaardig begrip voorziet,
het begrip zoals bedoeld in dat recht;
2)
voor
vennootschapsvormen
waarvoor het Belgisch of buitenlands
recht dat de vennootschap beheerst
niet
in
een
gelijkaardig
begrip
voorziet, het eigen vermogen van de
vennootschap als bedoeld in het
Belgisch recht of het buitenlands
recht dat de vennootschap beheerst,
in zoverre het gevormd wordt door
inbrengen in geld of in natura, andere
dan inbrengen in nijverheid.
b)
Gestort kapitaal:
Zowel voor een binnenlandse als
voor een buitenlandse vennootschap,
het werkelijk gestort kapitaal zoals
het
geldt
ter
zake
van
de
173
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
vennootschapsbelasting.
6°/1 Fusie door overneming, fusie
door oprichting van een nieuwe
vennootschap,
splitsing
door
overneming,
splitsing
door
oprichting
van
nieuwe
vennootschappen,
gemengde
splitsing,
verrichting
gelijkgesteld
met fusie door overneming en
verrichting
gelijkgesteld
met
splitsing, of, verkort, “fusie, splitsing
en verrichting gelijkgesteld met een
fusie of met een splitsing ”
Er wordt verstaan onder:
a)
Fusie
door
overneming:
de
rechtshandeling waarbij de activa en
passiva van het vermogen van één of
meer vennootschappen, als gevolg
van
een
ontbinding
zonder
vereffening, in hun geheel op een
andere,
reeds
bestaande
vennootschap
overgaan
tegen
uitreiking
van
aandelen
in
de
verkrijgende vennootschap aan de
aandeelhouders of vennoten van de
ontbonden
vennootschap
of
vennootschappen, eventueel met een
opleg in geld die niet meer mag
bedragen dan een tiende van de
nominale waarde of, bij gebrek aan
een
nominale
waarde,
van
de
fractiewaarde van deze aandelen.
Indien het Belgisch of buitenlands
recht
dat
de
verkrijgende
vennootschap beheerst niet in een
begrip gelijkaardig aan dat van het
kapitaal
van
een
naamloze
vennootschap voorziet, wordt met de
fractiewaarde
gelijkgesteld,
de
inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de
jaarrekening,
van
alle
door
de
aandeelhouders
of
vennoten
toegezegde inbrengen in geld of in
natura, met uitzondering van de
inbrengen
in
nijverheid,
in
voorkomend geval verhoogd met de
reserves die op grond van een
174
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
statutaire bepaling slechts aan de
aandeelhouders
kunnen
worden
uitgekeerd
mits
een
statutenwijziging, dit alles gedeeld
door het aantal aandelen;
b)
Fusie door oprichting van een
nieuwe
vennootschap:
de
rechtshandeling waarbij de activa en
passiva van het vermogen van twee
of meer vennootschappen, als gevolg
van
een
ontbinding
zonder
vereffening, in hun geheel op een
door hen opgerichte vennootschap
overgaan
tegen
uitreiking
van
aandelen in de nieuwe vennootschap
aan de aandeelhouders of vennoten
van de ontbonden vennootschappen,
eventueel met een opleg in geld die
niet meer mag bedragen dan een
tiende van de nominale waarde of, bij
gebrek aan een nominale waarde, van
de fractiewaarde van de uitgereikte
aandelen. Indien het Belgisch of
buitenlands recht dat de verkrijgende
vennootschap beheerst niet in een
begrip gelijkaardig aan dat van het
kapitaal
van
een
naamloze
vennootschap voorziet, wordt de
fractiewaarde bepaald volgens de
regels sub a);
c)
Verrichting
gelijkgesteld
met
een
fusie
door
overneming:
de
rechtshandeling waarbij de activa en
de passiva van het vermogen van een
vennootschap, als gevolg van haar
ontbinding zonder vereffening, in hun
geheel overgaan op de vennootschap
die al haar aandelen en andere
stemrechtverlenende effecten bezit;
d)
Splitsing door overneming: de
rechtshandeling waarbij de activa en
de passiva van het vermogen van een
vennootschap, als gevolg van haar
ontbinding zonder vereffening, in hun
geheel
op
meerdere
vennootschappen overgaan, tegen
uitreiking aan de aandeelhouders of
175
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
vennoten
van
de
ontbonden
vennootschap, al dan niet volgens
een pro rataregeling, van aandelen
van
de
verkrijgende
vennootschappen, eventueel met een
opleg in geld die niet meer mag
bedragen
dan
10
pct.
van
de
nominale waarde, of bij gebrek aan
een
nominale
waarde,
van
de
fractiewaarde
van
de
uitgereikte
aandelen. Indien het Belgisch of
buitenlands recht dat de verkrijgende
vennootschap beheerst niet in een
begrip gelijkaardig aan dat van het
kapitaal
van
een
naamloze
vennootschap voorziet, wordt de
fractiewaarde bepaald volgens de
regels sub a);
e)
Splitsing door oprichting van
nieuwe
vennootschappen:
de
rechtshandeling waarbij de activa en
passiva van het vermogen van een
vennootschap, als gevolg van haar
ontbinding zonder vereffening, in hun
geheel op verschillende door haar
opgerichte
vennootschappen
overgaan tegen uitreiking aan de
aandeelhouders of vennoten van de
ontbonden vennootschappen, al dan
niet volgens een pro rataregeling,
van aandelen in de verkrijgende
vennootschappen, eventueel met een
opleg in geld die niet meer mag
bedragen
dan
10
pct.
van
de
nominale waarde of, bij gebrek aan
een
nominale
waarde,
van
de
fractiewaarde
van
de
uitgereikte
aandelen. Indien het Belgisch of
buitenlands recht dat de verkrijgende
vennootschap beheerst niet in een
begrip gelijkaardig aan dat van het
kapitaal
van
een
naamloze
vennootschap voorziet, wordt de
fractiewaarde bepaald volgens de
regels sub a);
f)
Gemengde
splitsing:
de
rechtshandeling waarbij de activa en
de passiva van het vermogen van een
176
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap, als gevolg van haar
ontbinding zonder vereffening, in hun
geheel overgaan op één of meer
bestaande vennootschappen en op
één of meer door haar opgerichte
vennootschappen
tegen
uitreiking
aan de aandeelhouders of vennoten
van de ontbonden vennootschap, al
dan
niet
volgens
een
pro
rataregeling, van aandelen van de
verkrijgende
vennootschappen,
eventueel met een opleg in geld die
niet meer mag bedragen dan 10 pct.
van de nominale waarde of, bij
gebrek aan een nominale waarde, van
de fractiewaarde van de uitgereikte
aandelen. Indien het Belgisch of
buitenlands recht dat de verkrijgende
vennootschap beheerst niet in een
begrip gelijkaardig aan dat van het
kapitaal
van
een
naamloze
vennootschap voorziet, wordt de
fractiewaarde bepaald volgens de
regels sub a);
g)
Verrichtingen gelijkgesteld met
een splitsing:
1)
De rechtshandeling waarbij een
deel van de activa en passiva van het
vermogen van een vennootschap,
zonder ontbinding, overgaat op één
of meer bestaande of door haar
opgerichte vennootschappen tegen
uitreiking aan de aandeelhouders of
vennoten
van
de
overdragende
vennootschap, al dan niet volgens
een pro rataregeling, van aandelen in
de verkrijgende vennootschap of
vennootschappen, eventueel met een
opleg in geld die niet meer mag
bedragen
dan
10
pct.
van
de
nominale waarde of, bij gebrek aan
een
nominale
waarde,
van
de
fractiewaarde
van
de
uitgereikte
aandelen. Indien het Belgisch of
buitenlands recht dat de verkrijgende
vennootschap beheerst niet in een
begrip gelijkaardig aan dat van het
kapitaal
van
een
naamloze
177
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap voorziet, wordt de
fractiewaarde bepaald volgens de
regels sub a);
2)
De rechtshandeling waarbij een
deel van de activa en passiva van het
vermogen van een vennootschap,
zonder ontbinding, overgaat op een
andere vennootschap die reeds al
haar
aandelen
en
andere
stemrechtverlenende effecten bezit.
Deze rechtshandelingen kunnen ook
plaatsvinden wanneer een of meer
vennootschappen
waarvan
het
vermogen overgaat, in vereffening
zijn of in staat van faillissement
verkeren, mits zij nog geen begin
hebben gemaakt met de uitkering van
hun
vermogen
aan
hun
aandeelhouders of vennoten.
6°/2: Inbreng van de algemeenheid
van
goederen
en
inbreng
van
bedrijfsafdeling
of
tak
van
werkzaamheid
Er wordt verstaan onder:
a)
Inbreng van een algemeenheid
van goederen: de rechtshandeling
waarbij een natuurlijke persoon of
een
vennootschap
de
activa
en
passiva van het vermogen, zonder
ontbinding, in hun geheel overdraagt
aan een vennootschap tegen een
vergoeding die uitsluitend bestaat uit
aandelen
van
de
verkrijgende
vennootschap; in het geval van
inbreng
door
een
natuurlijke
persoon, moet onder het gehele
vermogen
al
zijn
takken
van
werkzaamheid worden verstaan;
b)
Inbreng van een bedrijfsafdeling
of een tak van werkzaamheid: de
rechtshandeling
waarbij
een
natuurlijke
persoon
of
een
vennootschap,
zonder
ontbinding,
een bedrijfstak overdraagt aan een
andere
vennootschap
tegen
een
178
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vergoeding die uitsluitend bestaat in
aandelen
van
de
verkrijgende
vennootschap;
c)
Bedrijfsafdeling
of
tak
van
werkzaamheid: het geheel van de
activa en passiva van een afdeling
van
een
vennootschap
dat
uit
organisatorisch
oogpunt
een
onafhankelijke exploitatie vormt, dat
wil zeggen een geheel dat op eigen
kracht kan functioneren.
7° Gerevaloriseerde waarde
7° Gerevaloriseerde waarde
Onder gerevaloriseerde waarde wordt
verstaan de waarde van de goederen
die worden gebruikt voor het uitoefenen
van de beroepswerkzaamheid en van
het gestorte kapitaal, na herwaardering
van
de
aanschaffings-
of
beleggingswaarde van die goederen of
van het kapitaal met toepassing van de
hierna vermelde coëfficiënten volgens
het jaar waarin, naar het geval, in die
goederen is belegd of het kapitaal is
gestort, verminderd of terugbetaald :
Onder gerevaloriseerde waarde wordt
verstaan de waarde van de goederen
die worden gebruikt voor het uitoefenen
van de beroepswerkzaamheid en van
het gestorte kapitaal, na herwaardering
van
de
aanschaffings-
of
beleggingswaarde van die goederen of
van het kapitaal met toepassing van de
hierna vermelde coëfficiënten volgens
het jaar waarin, naar het geval, in die
goederen is belegd of het kapitaal is
gestort, verminderd of terugbetaald :
JAREN
Toepasselijke
coëfficiënten
1918 en vorige
16,33
1919
11,49
1920
6,15
1921
6,30
1922
6,43
1923
4,37
1924
3,89
1925
4,02
1926
2,72
1927 tot 1934
inbegrepen
2,35
1935
1,86
1936 tot 1943
1,70
JAREN
Toepasselijke
coëfficiënten
1918 en vorige
16,33
1919
11,49
1920
6,15
1921
6,30
1922
6,43
1923
4,37
1924
3,89
1925
4,02
1926
2,72
1927 tot 1934
inbegrepen
2,35
1935
1,86
1936 tot 1943
1,70
179
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
inbegrepen
1944 tot 1948
inbegrepen
1,14
1949
1,10
1950 en volgende 1,0
inbegrepen
1944 tot 1948
inbegrepen
1,14
1949
1,10
1950 en volgende 1,0
8° Vastrentende effecten
8° Vastrentende effecten
Onder vastrentende effecten worden
verstaan de obligaties, kasbons en
andere
soortgelijke
effecten,
met
inbegrip
van
effecten
waarvan
de
inkomsten worden gekapitaliseerd of
van effecten die geen aanleiding geven
tot
een
periodieke
uitbetaling
van
inkomsten en zijn uitgegeven met een
disconto dat overeenstemt met de tot op
de
vervaldag
van
het
effect
gekapitaliseerde interest.
Onder vastrentende effecten worden
verstaan de obligaties, kasbons en
andere
soortgelijke
effecten,
met
inbegrip
van
effecten
waarvan
de
inkomsten worden gekapitaliseerd of
van effecten die geen aanleiding geven
tot
een
periodieke
uitbetaling
van
inkomsten en zijn uitgegeven met een
disconto dat overeenstemt met de tot op
de
vervaldag
van
het
effect
gekapitaliseerde interest.
Als
vastrentende
effecten
worden
eveneens aangemerkt, de contracten
met
betrekking
tot
kapitalisatieverrichtingen
waarbij
als
tegenprestatie
voor
éénmalige
of
periodieke
stortingen,
verbintenissen
worden aangegaan los van onzekere
gebeurtenissen uit het menselijk leven,
en waarvan de duur en het bedrag
vervat zijn in de bedingen van het
contract.
Als
vastrentende
effecten
worden
eveneens aangemerkt, de contracten
met
betrekking
tot
kapitalisatieverrichtingen
waarbij
als
tegenprestatie
voor
éénmalige
of
periodieke
stortingen,
verbintenissen
worden aangegaan los van onzekere
gebeurtenissen uit het menselijk leven,
en waarvan de duur en het bedrag
vervat zijn in de bedingen van het
contract.
9°
De
uitdrukkingen
"immateriële,
materiële of financiële vaste activa",
"oprichtingskosten" en "voorraden en
bestellingen in uitvoering" hebben de
betekenis die daaraan wordt toegekend
door de wetgeving op de boekhouding
en
de
jaarrekening
van
de
ondernemingen.
9°
De
uitdrukkingen
"immateriële,
materiële of financiële vaste activa",
"oprichtingskosten" en "voorraden en
bestellingen in uitvoering" hebben de
betekenis die daaraan wordt toegekend
door de wetgeving op de boekhouding
en
de
jaarrekening
van
de
ondernemingen.
10° Woonstaatheffing
10° Woonstaatheffing
Onder woonstaatheffing wordt verstaan
de heffing die wordt geheven ingevolge
de
toepassing
van
de
richtlijn
2003/48/EG van 3 juni 2003 van de
Raad van de Europese Unie betreffende
Onder woonstaatheffing wordt verstaan
de heffing die wordt geheven ingevolge
de
toepassing
van
de
richtlijn
2003/48/EG van 3 juni 2003 van de
Raad van de Europese Unie betreffende
180
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
belastingheffing
op
inkomsten
uit
spaargelden
in
de
vorm
van
rentebetaling of ingevolge de toepassing
van een door de Europese Unie
afgesloten overeenkomst die voorziet in
de
uitwisseling
van
gegevens
op
verzoek, in de zin van de op 18 april
2002
gepubliceerde
modelovereenkomst
van
de
OESO
betreffende
de
uitwisseling
van
belastinggegevens met betrekking tot
rentebetalingen als omschreven in de
voornoemde richtlijn die door een op
hun
respectieve
grondgebieden
gevestigde
uitbetalende
instantie
worden
verricht
aan
uiteindelijk
gerechtigden
die
hun
woonplaats
hebben op het grondgebied dat door
deze richtlijn wordt bestreken, naast de
gelijktijdige
heffing,
door
diezelfde
landen,
van
bronbelasting
op
de
genoemde rentebetalingen tegen het
tarief
dat
is
vastgesteld
voor
de
overeenkomstige perioden bedoeld in
artikel 11, lid 1, van dezelfde richtlijn.
belastingheffing
op
inkomsten
uit
spaargelden
in
de
vorm
van
rentebetaling of ingevolge de toepassing
van een door de Europese Unie
afgesloten overeenkomst die voorziet in
de
uitwisseling
van
gegevens
op
verzoek, in de zin van de op 18 april
2002
gepubliceerde
modelovereenkomst
van
de
OESO
betreffende
de
uitwisseling
van
belastinggegevens met betrekking tot
rentebetalingen als omschreven in de
voornoemde richtlijn die door een op
hun
respectieve
grondgebieden
gevestigde
uitbetalende
instantie
worden
verricht
aan
uiteindelijk
gerechtigden
die
hun
woonplaats
hebben op het grondgebied dat door
deze richtlijn wordt bestreken, naast de
gelijktijdige
heffing,
door
diezelfde
landen,
van
bronbelasting
op
de
genoemde rentebetalingen tegen het
tarief
dat
is
vastgesteld
voor
de
overeenkomstige perioden bedoeld in
artikel 11, lid 1, van dezelfde richtlijn.
11° Financiële instrumenten. Onder
financiële instrumenten wordt verstaan
de financiële instrumenten vermeld in
artikel 3, 1°, van de wet van 15
december 2004 betreffende financiële
zekerheden en houdende diverse fiscale
bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
met
betrekking
tot
financiële
instrumenten.
11° Financiële instrumenten. Onder
financiële instrumenten wordt verstaan
de financiële instrumenten vermeld in
artikel 3, 1°, van de wet van 15
december 2004 betreffende financiële
zekerheden en houdende diverse fiscale
bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
met
betrekking
tot
financiële
instrumenten.
12°
Zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten
met
betrekking tot financiële instrumenten.
Onder
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten
met
betrekking tot financiële instrumenten
wordt verstaan :
12°
Zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten
met
betrekking tot financiële instrumenten.
Onder
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten
met
betrekking tot financiële instrumenten
wordt verstaan :
a) de in artikel 3, 3°, van de wet van 15
december 2004 betreffende financiële
zekerheden en houdende diverse fiscale
bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
a) de in artikel 3, 3°, van de wet van 15
december 2004 betreffende financiële
zekerheden en houdende diverse fiscale
bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
181
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
met
betrekking
tot
financiële
instrumenten
vermelde
pandovereenkomsten
en
overeenkomsten
die
leiden
tot
eigendomsoverdracht
ten
titel
van
zekerheid,
inclusief
cessie-
retrocessieovereenkomsten ("repo's") ;
met
betrekking
tot
financiële
instrumenten
vermelde
pandovereenkomsten
en
overeenkomsten
die
leiden
tot
eigendomsoverdracht
ten
titel
van
zekerheid,
inclusief
cessie-
retrocessieovereenkomsten ("repo's") ;
b) binnen het kader van de in a
bedoelde overeenkomsten, de marge-
opvragingen bedoeld in artikel 3, 9°, van
de
wet
van
15
december
2004
betreffende financiële zekerheden en
houdende diverse fiscale bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
met
betrekking
tot
financiële
instrumenten, en de substituties, in de
loop van de overeenkomst, van de
oorspronkelijk als zekerheid gegeven
activa
door
nieuwe
financiële
instrumenten ;
b) binnen het kader van de in a
bedoelde overeenkomsten, de marge-
opvragingen bedoeld in artikel 3, 9°, van
de
wet
van
15
december
2004
betreffende financiële zekerheden en
houdende diverse fiscale bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
met
betrekking
tot
financiële
instrumenten, en de substituties, in de
loop van de overeenkomst, van de
oorspronkelijk als zekerheid gegeven
activa
door
nieuwe
financiële
instrumenten ;
c) de soortgelijke overeenkomsten als
bedoeld in a en b die, krachtens de
bepalingen
naar
buitenlands
recht,
leiden
of,
terzake
van
de
overeenkomsten
van
pandgeving,
kunnen
leiden
tot
een
eigendomsoverdracht.
c) de soortgelijke overeenkomsten als
bedoeld in a en b die, krachtens de
bepalingen
naar
buitenlands
recht,
leiden
of,
terzake
van
de
overeenkomsten
van
pandgeving,
kunnen
leiden
tot
een
eigendomsoverdracht.
13° Onder een juridische constructie
wordt verstaan :
13° Onder een juridische constructie
wordt verstaan :
a) een rechtsverhouding, die door een
rechtshandeling van de oprichter of door
een rechterlijke beslissing in het leven
wordt geroepen, waarbij goederen of
rechten onder de macht van een
beheerder worden gebracht om ze te
besturen ten behoeve van een of
meerdere begunstigden of voor een
bepaald doel. Die rechtsverhouding
heeft de volgende kenmerken :
a) een rechtsverhouding, die door een
rechtshandeling van de oprichter of door
een rechterlijke beslissing in het leven
wordt geroepen, waarbij goederen of
rechten onder de macht van een
beheerder worden gebracht om ze te
besturen ten behoeve van een of
meerdere begunstigden of voor een
bepaald doel. Die rechtsverhouding
heeft de volgende kenmerken :
- de eigendomstitel betreffende de
goederen of rechten van de juridische
constructie is opgesteld op naam van
een beheerder of op naam van een
andere persoon voor rekening van de
- de eigendomstitel betreffende de
goederen of rechten van de juridische
constructie is opgesteld op naam van
een beheerder of op naam van een
andere persoon voor rekening van de
182
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
beheerder;
beheerder;
- de goederen van de juridische
constructie vormen een afzonderlijk
vermogen en maken geen deel uit van
het vermogen van de beheerder;
- de goederen van de juridische
constructie vormen een afzonderlijk
vermogen en maken geen deel uit van
het vermogen van de beheerder;
- de beheerder heeft de bevoegdheid en
de
plicht,
ter
zake
waarvan
hij
verantwoording verschuldigd is, om in
overeenstemming met de bepalingen
van de juridische constructie en de
bijzondere verplichtingen waaraan hij
door de wet is onderworpen, de
goederen van de juridische constructie
te besturen, te beheren of erover te
beschikken.
- de beheerder heeft de bevoegdheid en
de
plicht,
ter
zake
waarvan
hij
verantwoording verschuldigd is, om in
overeenstemming met de bepalingen
van de juridische constructie en de
bijzondere verplichtingen waaraan hij
door de wet is onderworpen, de
goederen van de juridische constructie
te besturen, te beheren of erover te
beschikken.
b) enigerlei vennootschap, vereniging,
inrichting,
instelling
of
entiteit,
die
rechtspersoonlijkheid
bezit,
en
die,
krachtens
de
bepalingen
van
de
wetgeving
van
de
Staat
of
het
rechtsgebied waar hij gevestigd is,
aldaar
ofwel
niet
aan
een
inkomstenbelasting
is
onderworpen
ofwel
onderworpen
is
aan
een
inkomstenbelasting die minder dan 15
pct.
bedraagt
van
het
belastbaar
inkomen van deze juridische constructie
dat wordt vastgesteld overeenkomstig
de regels die van toepassing zijn voor
het vestigen van de Belgische belasting
op
daarmee
overeenstemmende
inkomsten.
b) enigerlei vennootschap, vereniging,
inrichting,
instelling
of
entiteit,
die
rechtspersoonlijkheid
bezit,
en
die,
krachtens
de
bepalingen
van
de
wetgeving
van
de
Staat
of
het
rechtsgebied waar hij gevestigd is,
aldaar
ofwel
niet
aan
een
inkomstenbelasting
is
onderworpen
ofwel
onderworpen
is
aan
een
inkomstenbelasting die minder dan 15
pct.
bedraagt
van
het
belastbaar
inkomen van deze juridische constructie
dat wordt vastgesteld overeenkomstig
de regels die van toepassing zijn voor
het vestigen van de Belgische belasting
op
daarmee
overeenstemmende
inkomsten.
c) een overeenkomst, in de mate dat die
overeenkomst :
c) een overeenkomst, in de mate dat die
overeenkomst :
- in ruil voor betaling van één of
meerdere premies, in de loop van de
duurtijd van deze overeenkomst of bij
afloop ervan, voorziet in de uitbetaling
van de inkomsten die werden verkregen
van een in de bepaling onder a) of b)
bedoelde juridische constructie, of, in de
uitkering van de economische rechten,
de aandelen of de activa van een in de
bepaling onder a) of b) bedoelde
juridische constructie;
- in ruil voor betaling van één of
meerdere premies, in de loop van de
duurtijd van deze overeenkomst of bij
afloop ervan, voorziet in de uitbetaling
van de inkomsten die werden verkregen
van een in de bepaling onder a) of b)
bedoelde juridische constructie, of, in de
uitkering van de economische rechten,
de aandelen of de activa van een in de
bepaling onder a) of b) bedoelde
juridische constructie;
183
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
- in ruil voor de inbreng van de
economische rechten, van de aandelen
of van de activa van een in de bepaling
onder a) of b) bedoelde juridische
constructie, in de loop van het contract
of bij afloop van het contract, voorziet in
de uitbetaling of uitkering van de
ingebrachte rechten, aandelen of activa
of van de tegenwaarde ervan.
- in ruil voor de inbreng van de
economische rechten, van de aandelen
of van de activa van een in de bepaling
onder a) of b) bedoelde juridische
constructie, in de loop van het contract
of bij afloop van het contract, voorziet in
de uitbetaling of uitkering van de
ingebrachte rechten, aandelen of activa
of van de tegenwaarde ervan.
Behoudens in de gevallen bepaald door
de Koning (1) bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad, zijn de in
het eerste lid bedoelde rechtsvormen
die gevestigd zijn in een Staat of
rechtsgebied
dat
behoort
tot
de
Europese Economische Ruimte, geen
juridische constructies.
Behoudens in de gevallen bepaald door
de Koning (1) bij een besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad, zijn de in
het eerste lid bedoelde rechtsvormen
die gevestigd zijn in een Staat of
rechtsgebied
dat
behoort
tot
de
Europese Economische Ruimte, geen
juridische constructies.
De Koning (1) bepaalt, met betrekking
tot de in het eerste lid bedoelde
rechtsvormen, die niet gevestigd zijn in
een Staat of rechtsgebied dat behoort
tot de Europese Economische Ruimte,
bij een besluit vastgesteld na overleg in
de Ministerraad, op niet beperkende
wijze, de voor welbepaalde Staten of
rechtsgebieden beoogde rechtsvormen
die vermoed worden te voldoen aan de
omschrijving in het eerste lid.
De Koning (1) bepaalt, met betrekking
tot de in het eerste lid bedoelde
rechtsvormen, die niet gevestigd zijn in
een Staat of rechtsgebied dat behoort
tot de Europese Economische Ruimte,
bij een besluit vastgesteld na overleg in
de Ministerraad, op niet beperkende
wijze, de voor welbepaalde Staten of
rechtsgebieden beoogde rechtsvormen
die vermoed worden te voldoen aan de
omschrijving in het eerste lid.
13°/1 in afwijking van 13° worden niet
geacht een juridische constructie te zijn
:
13°/1 in afwijking van 13° worden niet
geacht een juridische constructie te zijn
:
a)
een
openbare
of
institutionele
instelling voor collectieve belegging of
een
instelling
voor
belegging
in
schuldvorderingen bedoeld in artikel 3,
2°, 3° of 7°, van de wet van 3 augustus
2012 betreffende de instellingen voor
collectieve belegging die voldoen aan
de
voorwaarden
van
Richtlijn
2009/65/EG en de instellingen voor
belegging in schuldvorderingen;
a)
een
openbare
of
institutionele
instelling voor collectieve belegging of
een
instelling
voor
belegging
in
schuldvorderingen bedoeld in artikel 3,
2°, 3° of 7°, van de wet van 3 augustus
2012 betreffende de instellingen voor
collectieve belegging die voldoen aan
de
voorwaarden
van
Richtlijn
2009/65/EG en de instellingen voor
belegging in schuldvorderingen;
b)
een
openbare
of
institutionele
alternatieve instelling voor collectieve
belegging bedoeld in artikel 3, 4° of 6°,
van
de
wet
van
19
april
2014
b)
een
openbare
of
institutionele
alternatieve instelling voor collectieve
belegging bedoeld in artikel 3, 4° of 6°,
van
de
wet
van
19
april
2014
184
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
betreffende de alternatieve instellingen
voor collectieve belegging en hun
beheerders;
betreffende de alternatieve instellingen
voor collectieve belegging en hun
beheerders;
c) een entiteit die geen instelling is als
bedoeld in a) of b), en die zich
uitsluitend toelegt op verrichtingen van :
c) een entiteit die geen instelling is als
bedoeld in a) of b), en die zich
uitsluitend toelegt op verrichtingen van :
- het beheer en het beleggen van
fondsen, ingezameld om wettelijke en
aanvullende pensioenen toe te kennen,
of;
- het beheer en het beleggen van
fondsen, ingezameld om wettelijke en
aanvullende pensioenen toe te kennen,
of;
-
het
beheer
van
werknemers-
participaties in de financiering van hun
onderneming of van de groep waartoe
die behoort;
-
het
beheer
van
werknemers-
participaties in de financiering van hun
onderneming of van de groep waartoe
die behoort;
d) een vennootschap, waarvan de
effecten
zijn
genoteerd
aan
een
effectenbeurs van een lidstaat van de
Europese Unie onder de voorwaarden
van de Richtlijn 2001/34/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 28
mei 2001 betreffende de toelating van
effecten tot de officiële notering aan een
effectenbeurs en de informatie die over
deze
effecten
moet
worden
gepubliceerd, of van een derde Staat
waarvan
de
wetgeving
analoge
toelatingsvoorwaarden voorziet;
d) een vennootschap, waarvan de
effecten
zijn
genoteerd
aan
een
effectenbeurs van een lidstaat van de
Europese Unie onder de voorwaarden
van de Richtlijn 2001/34/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 28
mei 2001 betreffende de toelating van
effecten tot de officiële notering aan een
effectenbeurs en de informatie die over
deze
effecten
moet
worden
gepubliceerd, of van een derde Staat
waarvan
de
wetgeving
analoge
toelatingsvoorwaarden voorziet;
e) …
e) …
Het eerste lid is niet van toepassing met
betrekking tot de in dit lid beoogde
instellingen,
entiteiten
en
vennootschappen waarvan de rechten
door één persoon, of meerdere met
elkaar verbonden personen, worden
aangehouden, in voorkomend geval per
afzonderlijk compartiment beschouwd.
Het eerste lid is niet van toepassing met
betrekking tot de in dit lid beoogde
instellingen,
entiteiten
en
vennootschappen waarvan de rechten
door één persoon, of meerdere met
elkaar verbonden personen, worden
aangehouden, in voorkomend geval per
afzonderlijk compartiment beschouwd.
Bij toepassing van het tweede lid
worden personen geacht verbonden te
zijn met andere personen indien :
Bij toepassing van het tweede lid
worden personen geacht verbonden te
zijn met andere personen indien :
-
één
of
meerdere
natuurlijke
of
rechtspersonen
over
een
andere
rechtspersoon controle uitoefenen als
bedoeld in artikel 5 van het Wetboek
-
één
of
meerdere
natuurlijke
of
rechtspersonen
over
een
andere
rechtspersoon controle uitoefenen als
bedoeld
in
artikel
1:14
van
het
185
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
van vennootschappen, of;
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen, of;
- deze personen bloed- of aanverwanten
tot in de vierde graad zijn, of;
- deze personen bloed- of aanverwanten
tot in de vierde graad zijn, of;
- deze personen met elkaar gehuwd
zijn, wettelijk samenwonen, of hun
woonplaats of de zetel van hun fortuin
op hetzelfde adres hebben gevestigd;
- deze personen met elkaar gehuwd
zijn, wettelijk samenwonen, of hun
woonplaats of de zetel van hun fortuin
op hetzelfde adres hebben gevestigd;
Art. 18 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (vanaf 1
jan 2018)
Art. 18 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Dividenden omvatten :
Dividenden omvatten :
1° alle voordelen toegekend door een
vennootschap
aan
aandelen
en
winstbewijzen hoe ook genaamd, uit
welken hoofde en op welke wijze ook
verkregen ;
1° alle voordelen toegekend door een
vennootschap
aan
aandelen
en
winstbewijzen hoe ook genaamd, uit
welken hoofde en op welke wijze ook
verkregen ;
2°
gehele
of
gedeeltelijke
terugbetalingen
van
maatschappelijk
kapitaal, met uitzondering van het
gedeelte van de terugbetaling dat
overeenkomstig
het
tweede
lid
is
aangerekend op het gestort kapitaal of
op de in 2° bis bedoelde bedragen die
met gestort kapitaal zijn gelijkgesteld,
naar aanleiding van een terugbetaling
van kapitaal verkregen ter uitvoering
van een regelmatige beslissing tot
vermindering van het maatschappelijk
kapitaal, overeenkomstig de bepalingen
van het Wetboek van vennootschappen
of overeenkomstig bepalingen van het
vennootschapsrecht van toepassing op
de buitenlandse vennootschap;
2°
gehele
of
gedeeltelijke
terugbetalingen van kapitaal, met
uitzondering van de terugbetalingen
die overeenkomstig het tweede lid
geacht worden voort te komen uit het
gestort kapitaal of uit de in 2°bis
vermelde bedragen die met gestort
kapitaal worden gelijkgesteld en die
zijn verkregen ter uitvoering van een
regelmatige
beslissing
van
de
vennootschap overeenkomstig het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen
of,
indien
de
vennootschap
niet
onder
het
Wetboek ressorteert, overeenkomstig
de bepalingen van het recht dat haar
beheerst;
2°bis
gehele
of
gedeeltelijke
terugbetalingen van uitgiftepremies en
van bedragen waarop ter gelegenheid
van de uitgifte van winstbewijzen is
ingeschreven, met uitzondering van
terugbetalingen van bedragen die met
gestort kapitaal worden gelijkgesteld ter
uitvoering
van
een
regelmatige
2°bis
gehele
of
gedeeltelijke
terugbetalingen van uitgiftepremies
en andere bedragen waarop ter
gelegenheid van de uitgifte van
aandelen
of
winstbewijzen
is
ingeschreven, met uitzondering van
terugbetalingen van bedragen die
overeenkomstig artikel 184, tweede
186
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
beslissing van de algemene vergadering
genomen
overeenkomstig
de
bepalingen
van
het
Wetboek
van
vennootschappen die van toepassing
zijn
op
statutenwijzigingen
of
overeenkomstig de bepalingen van het
vennootschapsrecht dat van toepassing
is op de buitenlandse vennootschap, in
de mate dat deze terugbetalingen
overeenkomstig het tweede lid zijn
aangerekend op het gestort kapitaal of
op de voormelde bedragen die met
gestort kapitaal zijn gelijkgesteld;
lid, met gestort kapitaal worden
gelijkgesteld en die worden gedaan
ter uitvoering van een regelmatige
beslissing
van
de
vennootschap
overeenkomstig het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
of, indien de vennootschap niet
onder
dit
Wetboek
ressorteert,
overeenkomstig de bepalingen van
het recht dat haar beheerst, in de
mate
dat
deze
terugbetalingen
overeenkomstig
het
tweede
lid
geacht worden voort te komen uit het
gestort kapitaal of uit de voormelde
bedragen die met gestort kapitaal zijn
gelijkgesteld;
2°ter
uitkeringen
die
worden
aangemerkt
als
dividenden
in
de
artikelen 186, 187 en 209 in geval van
gehele of gedeeltelijke verdeling van het
maatschappelijk vermogen van een
binnenlandse
of
buitenlandse
vennootschap of van verkrijging van
eigen aandelen door een dergelijke
vennootschap;
2°ter
uitkeringen
die
worden
aangemerkt
als
dividenden
in
de
artikelen 186, 187 en 209 in geval van
gehele of gedeeltelijke verdeling van het
maatschappelijk vermogen van een
binnenlandse
of
buitenlandse
vennootschap of van verkrijging van
eigen aandelen door een dergelijke
vennootschap;
3° uitkeringen andere dan deze bedoeld
in 1°, 2°, 2°bis en 2°ter, toegekend of
betaalbaar gesteld door een juridische
constructie,
met
inbegrip
van
de
inkomsten die worden geacht te zijn
toegekend
of
betaalbaar
gesteld
overeenkomstig artikel 5/1, § 2, in de
mate dat de belastingplichtige niet heeft
aangetoond dat deze toekenning of
betaalbaarstelling, het vermogen van de
juridische
constructie
doet
dalen
beneden
het
door
de
oprichter
ingebrachte vermogen;
3° uitkeringen andere dan deze bedoeld
in 1°, 2°, 2°bis en 2°ter, toegekend of
betaalbaar gesteld door een juridische
constructie,
met
inbegrip
van
de
inkomsten die worden geacht te zijn
toegekend
of
betaalbaar
gesteld
overeenkomstig artikel 5/1, § 2, in de
mate dat de belastingplichtige niet heeft
aangetoond dat deze toekenning of
betaalbaarstelling, het vermogen van de
juridische
constructie
doet
dalen
beneden
het
door
de
oprichter
ingebrachte vermogen;
4° interest van voorschotten wanneer
één
van
volgende
grenzen
wordt
overschreden en in de mate van die
overschrijding :
4° interest van voorschotten wanneer
één
van
volgende
grenzen
wordt
overschreden en in de mate van die
overschrijding :
- ofwel de in artikel 55 gestelde grens,
- ofwel de in artikel 55 gestelde grens,
- ofwel wanneer het totaal bedrag van
de rentegevende voorschotten hoger is
dan de som van de belaste reserves bij
- ofwel wanneer het totaal bedrag van
de rentegevende voorschotten hoger is
dan de som van de belaste reserves bij
187
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
het begin van het belastbare tijdperk en
het gestort kapitaal bij het einde van dit
tijdperk.
het begin van het belastbare tijdperk en
het gestort kapitaal bij het einde van dit
tijdperk.
Onverminderd de toepassing van artikel
537, en voor de toepassing van het
eerste lid, 2° en 2° bis, worden de
terugbetalingen van gestort kapitaal en
de terugbetalingen van met gestort
kapitaal gelijkgestelde uitgiftepremies en
bedragen waarop ter gelegenheid van
de
uitgifte
van
winstbewijzen
is
ingeschreven,
geacht
verhoudingsgewijs voort te komen :
Onverminderd de toepassing van
artikel 537 en van het zevende lid van
dit artikel, worden de terugbetalingen
bedoeld in eerste lid, 2° en 2°bis,
geacht voort te komen:
- uit het totaalbedrag gevormd door het
gestort kapitaal en, naargelang het
geval,
door
de
voormelde
ermee
gelijkgestelde bedragen en,
-
uit het gestort kapitaal en uit de
met gestort kapitaal gelijkgestelde
bedragen vermeld in het eerste lid,
2°bis, ten belope van een percentage
dat de verhouding uitdrukt tussen, in
de teller, de som van het gestort
kapitaal
en
van
de
voormelde
bedragen die met gestort kapitaal
worden
gelijkgesteld,
en,
in
de
noemer, de som van de belaste
reserves,
de
in
het
kapitaal
geïncorporeerde
vrijgestelde
reserves en het bedrag bepaald in de
teller;
- uit het totaal van de belaste reserves
en van de vrijgestelde reserves,
-
voor het saldo, uit de belaste
reserves en uit de in het kapitaal
geïncorporeerde
vrijgestelde
reserves.
waarbij de aanrekening op de reserves
geacht
wordt
uitsluitend
plaats
te
vinden, eerst op de in het kapitaal
geïncorporeerde belaste reserves, dan
op
de
niet
in
het
kapitaal
geïncorporeerde belaste reserves en
tenslotte
op
de
in
het
kapitaal
geïncorporeerde vrijgestelde reserves.
Wanneer het bedrag van het gestort
kapitaal, of van de met gestort kapitaal
gelijkgestelde
uitgiftepremies
of
winstbewijzen,
die
het
onderwerp
uitmaken
van
een
terugbetaling,
ontoereikend
is
om
het
deel
dat
verhoudingsgewijs betrekking heeft op
Onverminderd de toepassing van het
zevende
lid,
worden
de
terugbetalingen als bepaald in het
vorige lid, aangerekend als volgt:
188
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
rekenen,
wordt
het
saldo
eerst
aangerekend op de met gestort kapitaal
gelijkgestelde uitgiftepremies, daarna op
de met gestort kapitaal gelijkgestelde
winstbewijzen
in
het
geval
van
onvoldoende
gestort
kapitaal,
vervolgens op het gestort kapitaal in
geval van onvoldoende met gestort
kapitaal gelijkgestelde uitgiftepremies of
winstbewijzen en tenslotte van een van
deze laatste categorieën op de overige
categorie voor het eventuele saldo.
Onverminderd de toepassing van het
vijfde lid wordt de in het tweede lid
bedoelde
pro
rata
verkregen
overeenkomstig een percentage dat de
verhouding uitdrukt tussen :
a) wat betreft het gedeelte dat geacht
wordt uit de reserves voort te komen,
eerst
op
de
in
het
kapitaal
geïncorporeerde
belaste
reserves,
vervolgens op de niet in het kapitaal
geïncorporeerde belaste reserves en
tenslotte op de in het kapitaal
geïncorporeerde
vrijgestelde
reserves;
- enerzijds, in de teller, de som van het
gestort kapitaal, de uitgiftepremies en
de
winstbewijzen,
die
met
gestort
kapitaal worden gelijkgesteld, en,
b) wat betreft het gedeelte dat geacht
wordt voort te komen uit het gestort
kapitaal
en
uit
de
voormelde
bedragen die met gestort kapitaal
worden gelijkgesteld:
- anderzijds, in de noemer, de som van
de belaste reserves, de in het kapitaal
geïncorporeerde vrijgestelde reserves
en het bedrag bepaald in de teller.
-
in
het
geval
van
een
terugbetaling van kapitaal bedoeld in
het eerste lid, 2°, eerst op het gestort
kapitaal
en,
indien
dat
bedrag
ontoereikend is, op de voormelde
bedragen die met gestort kapitaal
worden gelijkgesteld, beginnend met
de uitgiftepremies;
-
in
het
geval
van
een
terugbetaling
van
uitgiftepremies
bedoeld in het eerste lid, 2°bis, eerst
op de uitgiftepremies die met gestort
kapitaal worden gelijkgesteld, en,
indien dat bedrag ontoereikend is,
achtereenvolgens
op
het
gestort
kapitaal en op de andere bedragen
waarop
ter
gelegenheid
van
de
uitgifte
van
aandelen
of
winstbewijzen is ingeschreven en die
met
gestort
kapitaal
worden
189
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
gelijkgesteld;
-
in
het
geval
van
een
terugbetaling van andere bedragen
waarop
ter
gelegenheid
van
de
uitgifte
van
aandelen
of
winstbewijzen
is
ingeschreven,
bedoeld in het eerste lid, 2°bis, eerst
op de voormelde bedragen die met
gestort kapitaal worden gelijkgesteld,
en, indien dat bedrag ontoereikend
is, achtereenvolgens op het gestort
kapitaal en op de uitgiftepremies die
met
gestort
kapitaal
worden
gelijkgesteld.
Voor de toepassing van het derde lid
wordt het bedrag van de reserves
bepaald op het einde van het belastbare
tijdperk dat voorafgaat aan datgene
waarin de terugbetaling van de in het
eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde
bedragen is verricht, verminderd met het
bedrag van de tijdens het belastbare
tijdperk en ten laatste op de datum
waarop deze terugbetaling is verricht,
uitgekeerde tussentijdse dividenden.
Voor de toepassing van het vierde lid
wordt het bedrag van de reserves
bepaald op het einde van het belastbare
tijdperk dat voorafgaat aan datgene
waarin de terugbetaling van de in het
eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde
bedragen is verricht, verminderd met het
bedrag van de tijdens het belastbare
tijdperk en ten laatste op de datum
waarop deze terugbetaling is verricht,
uitgekeerde tussentijdse dividenden.
Om de pro rata bedoeld in het tweede
en derde lid te bepalen, wordt geen
rekening gehouden met :
Om de pro rata bedoeld in het tweede
en derde lid te bepalen, wordt geen
rekening gehouden met :
- de negatieve belaste reserves, andere
dan het overgedragen verlies en andere
dan deze die naar aanleiding van een
terugbetaling
van
kapitaal
of
van
hierboven bedoelde met gestort kapitaal
gelijkgestelde bedragen, zijn aangelegd;
- de negatieve belaste reserves, andere
dan het overgedragen verlies en andere
dan deze die naar aanleiding van een
terugbetaling
van
kapitaal
of
van
hierboven bedoelde met gestort kapitaal
gelijkgestelde bedragen, zijn aangelegd;
- de vrijgestelde reserves bedoeld in
artikel 44, § 1, 1°, en andere vrijgestelde
reserves die niet in het kapitaal zijn
geïncorporeerd;
- de vrijgestelde reserves bedoeld in
artikel 44, § 1, 1°, en andere vrijgestelde
reserves die niet in het kapitaal zijn
geïncorporeerd;
- de vrijgestelde reserves bedoeld in
artikel 44, § 1, 1°, die in het kapitaal zijn
geïncorporeerd, in de mate dat ze niet
uitgekeerd kunnen worden;
- de vrijgestelde reserves bedoeld in
artikel 44, § 1, 1°, die in het kapitaal zijn
geïncorporeerd, in de mate dat ze niet
uitgekeerd kunnen worden;
- de vrijgestelde reserves, die in geval
van fusie, splitsing, met fusie door
- de vrijgestelde reserves, die in geval
van fusie, splitsing, met fusie door
190
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
overneming gelijkgestelde verrichting of
met splitsing gelijkgestelde verrichting
als vermeld in artikel 211, § 1, in
kapitaal worden heraangelegd wanneer
de inbreng niet volledig wordt vergoed
met nieuwe aandelen als bedoeld in
artikel 211, § 2, derde lid, omdat de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschappen in bezit zijn van
aandelen van de overgenomen of
gesplitste vennootschap;
overneming gelijkgestelde verrichting of
met splitsing gelijkgestelde verrichting
als vermeld in artikel 211, § 1, in
kapitaal worden heraangelegd wanneer
de inbreng niet volledig wordt vergoed
met nieuwe aandelen als bedoeld in
artikel 211, § 2, derde lid, omdat de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschappen in bezit zijn van
aandelen van de overgenomen of
gesplitste vennootschap;
- de reserves bedoeld in de artikelen 24,
eerste lid, 4°, 184quater en 541;
- de reserves bedoeld in de artikelen 24,
eerste lid, 4°, 184quater en 541;
- de wettelijke reserve ten belope van
het wettelijk minimum;
- de wettelijke reserve ten belope van
het wettelijk minimum;
- de onbeschikbare reserves voor eigen
aandelen en voor eigen winstbewijzen
binnen de grenzen als bepaald in artikel
620, § 1, 2°, van het Wetboek van
vennootschappen;
- de onbeschikbare reserves voor eigen
aandelen en voor eigen winstbewijzen
binnen de grens van 20 pct. bedoeld
in artikel 186, zesde lid;
- de voorzieningen voor risico's en
kosten en waardeverminderingen, al
dan niet vrijgesteld overeenkomstig de
artikelen 48, 194 en 194bis;
- de voorzieningen voor risico's en
kosten en waardeverminderingen, al
dan niet vrijgesteld overeenkomstig de
artikelen 48, 194 en 194bis;
-
of
voor
buitenlandse
vennootschappen, de in gelijkaardige
bepalingen
naar
buitenlands
recht
bedoelde reserves of voorzieningen.
-
of
voor
buitenlandse
vennootschappen, de in gelijkaardige
bepalingen
naar
buitenlands
recht
bedoelde reserves of voorzieningen.
De
onaantastbaarheidsvoorwaarde
bedoeld in artikel 190, wordt niet langer
als voldaan geacht in de mate dat de
vermindering
op
de
vrijgestelde
reserves is aangerekend.
De
onaantastbaarheidsvoorwaarde
bedoeld in artikel 190, wordt niet langer
als voldaan geacht in de mate dat de
vermindering
op
de
vrijgestelde
reserves is aangerekend.
Niettegenstaande het bepaalde in het
tweede tot zesde lid wordt, wanneer de
in het eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde
beslissing van de algemene vergadering
een
wijze
van
aanrekening
van
vermindering van het eigen vermogen
voorziet die zowel op het gestort
kapitaal als, naargelang het geval, op de
ermee gelijkgestelde bedragen, alsook
op andere dan in het vierde lid bedoelde
reserves
betrekking
heeft,
die
als
Niettegenstaande het bepaalde in het
tweede tot zesde lid wordt, wanneer de
in het eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde
beslissing van de vennootschap een
wijze van aanrekening van vermindering
van het eigen vermogen voorziet die
zowel op het gestort kapitaal als,
naargelang het geval, op de ermee
gelijkgestelde
bedragen,
alsook
op
andere dan in het vijfde lid bedoelde
reserves betrekking heeft, die als
191
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
zodanig wordt geboekt en die leidt tot de
bepaling
van
een
bedrag
aan
dividenden gelijk aan of hoger dan het
bedrag
aan
dividenden
dat
zou
voortvloeien uit een vermindering van
gestort
kapitaal
of
van
ermee
gelijkgestelde bedragen voor eenzelfde
totaal bedrag, waarop de in het tweede
tot zesde lid bedoelde regels zouden
zijn toegepast het bedrag van de
dividenden op basis van de voormelde
beslissing bepaald.
zodanig wordt geboekt en die leidt tot de
bepaling
van
een
bedrag
aan
dividenden gelijk aan of hoger dan het
bedrag
aan
dividenden
dat
zou
voortvloeien uit een vermindering van
gestort
kapitaal
of
van
ermee
gelijkgestelde bedragen voor eenzelfde
totaal bedrag, waarop de in het tweede
tot zesde lid bedoelde regels zouden
zijn toegepast, het bedrag van de
dividenden op basis van de voormelde
beslissing bepaald.
*** huidig 8ste lid
Als voorschot wordt beschouwd, elke al
dan
niet
door
effecten
vertegenwoordigde geldlening verstrekt
door een natuurlijk persoon aan een
vennootschap waarvan hij aandelen
bezit of door een persoon aan een
vennootschap waarin hij een opdracht of
functies als vermeld in artikel 32, eerste
lid,
1°,
uitoefent,
alsmede
in
voorkomend
geval,
elke
geldlening
verstrekt aan die vennootschap, door
hun
echtgenoot
of
hun
kinderen
wanneer
die
personen
of
hun
echtgenoot het wettelijk genot van de
inkomsten van die kinderen hebben,
met uitzondering van :
*** huidig 8ste lid
Als voorschot wordt beschouwd, elke al
dan
niet
door
effecten
vertegenwoordigde geldlening verstrekt
door een natuurlijk persoon aan een
vennootschap waarvan hij aandelen
bezit of door een persoon aan een
vennootschap waarin hij een opdracht of
functies als vermeld in artikel 32, eerste
lid,
1°,
uitoefent,
alsmede
in
voorkomend
geval,
elke
geldlening
verstrekt aan die vennootschap, door
hun
echtgenoot
of
hun
kinderen
wanneer
die
personen
of
hun
echtgenoot het wettelijk genot van de
inkomsten van die kinderen hebben,
met uitzondering van :
1° obligaties en andere gelijksoortige
effecten uitgegeven door een openbaar
beroep op het spaarwezen ;
1° obligaties en andere gelijksoortige
effecten uitgegeven door een openbaar
beroep op het spaarwezen ;
2°
geldleningen
aan
coöperatieve
vennootschappen die door de Nationale
Raad van de Coöperatie zijn erkend ;
2° geldleningen aan overeenkomstig
artikel 8:4 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
erkende
coöperatieve
vennootschappen;
3° geldleningen verstrekt door in artikel
179 vermelde vennootschappen.
3° geldleningen verstrekt door in artikel
179 vermelde vennootschappen.
*** 8ste lid vanaf 2020
Als voorschot in de zin van het eerste
lid, 4°, wordt beschouwd, elke al dan
niet door effecten vertegenwoordigde
vordering van een natuurlijk persoon op
een vennootschap waarvan hij aandelen
*** 8ste lid vanaf 2020
Als voorschot in de zin van het eerste
lid, 4°, wordt beschouwd, elke al dan
niet door effecten vertegenwoordigde
vordering van een natuurlijk persoon op
een vennootschap waarvan hij aandelen
192
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bezit of van een persoon op een
vennootschap waarin hij een opdracht of
functies als vermeld in artikel 32, eerste
lid,
1°,
uitoefent,
alsmede
in
voorkomend geval, elke vordering op
die vennootschap van hun echtgenoot
of hun kinderen wanneer die personen
of hun echtgenoot het wettelijk genot
van de inkomsten van die kinderen
hebben, met uitzondering van :
bezit of van een persoon op een
vennootschap waarin hij een opdracht of
functies als vermeld in artikel 32, eerste
lid,
1°,
uitoefent,
alsmede
in
voorkomend geval, elke vordering op
die vennootschap van hun echtgenoot
of hun kinderen wanneer die personen
of hun echtgenoot het wettelijk genot
van de inkomsten van die kinderen
hebben, met uitzondering van :
1° obligaties en andere gelijksoortige
effecten uitgegeven door een openbaar
beroep op het spaarwezen ;
1° obligaties en andere gelijksoortige
effecten uitgegeven door een openbaar
beroep op het spaarwezen ;
2° vorderingen op die vennootschap van
coöperatieve vennootschappen die door
de Nationale Raad van de Coöperatie
zijn erkend ;
2° vorderingen op die vennootschap van
overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen erkende coöperatieve
vennootschappen;
3° vorderingen van in artikel 179
vermelde vennootschappen.
3° vorderingen van in artikel 179
vermelde vennootschappen.
De
dividenden
omvatten
niet
de
inkomsten bedoeld in artikel 19, § 1,
eerste lid, 4°, en 19bis.
De
dividenden
omvatten
niet
de
inkomsten bedoeld in artikel 19, § 1,
eerste lid, 4°, en 19bis.
Voor de toepassing van het eerste lid,
2° en 2° bis, ingeval van verrichtingen
gedaan
door
een
buitenlandse
vennootschap, dient het begrip gestort
kapitaal overeenkomstig artikel 2, § 1,
6°, begrepen te worden in de zin van de
bepalingen van dit Wetboek betreffende
de vennootschapsbelasting.
Voor de toepassing van het eerste lid,
2° en 2° bis, ingeval van verrichtingen
gedaan
door
een
buitenlandse
vennootschap, dient het begrip gestort
kapitaal overeenkomstig artikel 2, § 1,
6°, ), begrepen te worden in de zin van
de
bepalingen
van
dit
Wetboek
betreffende de vennootschapsbelasting.
Art. 21 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (vanaf 1
jan 2018)
Art. 21 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
De inkomsten van roerende goederen
en kapitalen omvatten niet :
De inkomsten van roerende goederen
en kapitalen omvatten niet :
1° inkomsten uit preferente aandelen
van de Nationale Maatschappij der
Belgische Spoorwegen ;
1° inkomsten uit preferente aandelen
van de Nationale Maatschappij der
Belgische Spoorwegen ;
2° inkomsten van aandelen, andere dan 2° inkomsten van aandelen, andere dan
193
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
die vermeld in artikel 19, § 1, eerste lid,
4°, en 19bis, betaald of toegekend bij
gehele of gedeeltelijke verdeling van het
maatschappelijk
vermogen
of
bij
verkrijging van eigen aandelen door een
beleggingsvennootschap die in het land
van
haar
fiscale
woonplaats,
een
belasting-regeling geniet die afwijkt van
het gemeen recht ;
die vermeld in artikel 19, § 1, eerste lid,
4°, en 19bis, betaald of toegekend bij
gehele of gedeeltelijke verdeling van het
maatschappelijk
vermogen
of
bij
verkrijging van eigen aandelen door een
beleggingsvennootschap die in het land
van
haar
fiscale
woonplaats,
een
belasting-regeling geniet die afwijkt van
het gemeen recht ;
3°
inkomsten
uit
Belgische
overheidsfondsen en uit leningen van
voormalig Belgisch Kongo die zijn
uitgegeven
met
vrijstelling
van
Belgische
zakelijke
en
personele
belastingen, of van elke belasting ;
3°
inkomsten
uit
Belgische
overheidsfondsen en uit leningen van
voormalig Belgisch Kongo die zijn
uitgegeven
met
vrijstelling
van
Belgische
zakelijke
en
personele
belastingen, of van elke belasting ;
4° loten van effecten van leningen ;
4° loten van effecten van leningen ;
de eerste schijf van 625 EUR per jaar
van de inkomsten uit spaardeposito's
die
zonder
overeengekomen
vaste
termijn
of
opzeggingstermijn
zijn
ontvangen door de in artikel 56, § 2, 2°,
a, bedoelde kredietinstellingen,
de eerste schijf van 625 EUR per jaar
van de inkomsten uit spaardeposito's
die
zonder
overeengekomen
vaste
termijn
of
opzeggingstermijn
zijn
ontvangen door de in artikel 56, § 2, 2°,
a, bedoelde kredietinstellingen,
met dien verstande dat :
met dien verstande dat :
- deze deposito's bovendien moeten
voldoen aan de vereisten die de Koning
(1) stelt op advies van de Nationale
Bank van België en de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten, ieder
wat zijn bevoegdheden betreft, wat de
munt betreft waarin deze deposito's
luiden en de voorwaarden en wijze van
terugneming en opneming, evenals wat
de structuur, het niveau en de wijze van
berekening van de vergoeding ervan
betreft, of, voor de deposito's die zijn
ontvangen door kredietinstellingen die in
een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte zijn gevestigd,
deze deposito's aan analoge vereisten
moeten voldoen zoals vastgesteld door
de
gelijkwaardige
bevoegde
overheidsinstanties
van
de
andere
lidstaat ;
- deze deposito's bovendien moeten
voldoen aan de vereisten die de Koning
(1) stelt op advies van de Nationale
Bank van België en de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten, ieder
wat zijn bevoegdheden betreft, wat de
munt betreft waarin deze deposito's
luiden en de voorwaarden en wijze van
terugneming en opneming, evenals wat
de structuur, het niveau en de wijze van
berekening van de vergoeding ervan
betreft, of, voor de deposito's die zijn
ontvangen door kredietinstellingen die in
een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte zijn gevestigd,
deze deposito's aan analoge vereisten
moeten voldoen zoals vastgesteld door
de
gelijkwaardige
bevoegde
overheidsinstanties
van
de
andere
lidstaat ;
- als opzeggingstermijn in de zin van
deze bepaling niet worden beschouwd
- als opzeggingstermijn in de zin van
deze bepaling niet worden beschouwd
194
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
de termijnen die slechts een waarborg
zijn die de depositaris voor zich heeft
bedongen ;
de termijnen die slechts een waarborg
zijn die de depositaris voor zich heeft
bedongen ;
-
wanneer
de
spaardeposito
is
uitgedrukt in een vreemde munt, de
omvorming in euro een keer per jaar
plaats vindt op 31 december of bij de
definitieve vereffening van het deposito ;
-
wanneer
de
spaardeposito
is
uitgedrukt in een vreemde munt, de
omvorming in euro een keer per jaar
plaats vindt op 31 december of bij de
definitieve vereffening van het deposito ;
6° …
6° …
7° inkomsten uit effecten van leningen
voor de herfinanciering van leningen
gesloten
door
de
Nationale
Maatschappij voor de Huisvesting en de
Nationale Land-maatschappij of door
het Amortisatiefonds van de leningen
voor de sociale huisvesting.
7° inkomsten uit effecten van leningen
voor de herfinanciering van leningen
gesloten
door
de
Nationale
Maatschappij voor de Huisvesting en de
Nationale Land-maatschappij of door
het Amortisatiefonds van de leningen
voor de sociale huisvesting.
Deze bepaling geldt slechts voor de
leningen toegestaan bij de koninklijke
besluiten van 25 november 1986, 5
december 1986, 9 maart 1987, 27 april
1987 en 18 juni 1987 ;
Deze bepaling geldt slechts voor de
leningen toegestaan bij de koninklijke
besluiten van 25 november 1986, 5
december 1986, 9 maart 1987, 27 april
1987 en 18 juni 1987 ;
8° inkomsten van roerende goederen en
kapitalen, die in het kader van het
pensioensparen worden verleend of
toegekend
aan
daartoe
erkende
instellingen voor collectieve belegging of
aan
houders
van
een
individuele
spaarrekening ter zake van de in die
rekening begrepen activa, voor zover
aan de op dat stuk gestelde vereisten is
voldaan en de gestorte bedragen in het
kader van het pensioensparen voor
belastingvermindering
in
aanmerking
zijn genomen ; de Koning neemt (1)
bijzondere
maatregelen
voor
de
toepassing van en de controle op deze
bepaling ;
8° inkomsten van roerende goederen en
kapitalen, die in het kader van het
pensioensparen worden verleend of
toegekend
aan
daartoe
erkende
instellingen voor collectieve belegging of
aan
houders
van
een
individuele
spaarrekening ter zake van de in die
rekening begrepen activa, voor zover
aan de op dat stuk gestelde vereisten is
voldaan en de gestorte bedragen in het
kader van het pensioensparen voor
belastingvermindering
in
aanmerking
zijn genomen ; de Koning neemt (1)
bijzondere
maatregelen
voor
de
toepassing van en de controle op deze
bepaling ;
9° inkomsten die zijn begrepen in
kapitalen en afkoopwaarden betreffende
levens-verzekeringscontracten gesloten
door een natuurlijke persoon, zoals die
in artikel 19, § 1, eerste lid, 3°, worden
omschreven, in elk van de volgende
gevallen :
9° inkomsten die zijn begrepen in
kapitalen en afkoopwaarden betreffende
levens-verzekeringscontracten gesloten
door een natuurlijke persoon, zoals die
in artikel 19, § 1, eerste lid, 3°, worden
omschreven, in elk van de volgende
gevallen :
195
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
a) wanneer de belastingplichtige die het
contract heeft aangegaan alleen zichzelf
heeft verzekerd en de voordelen van het
contract bij leven bedongen zijn ten
eigen gunste en het contract voorziet in
het betalen bij het overlijden van een
kapitaal gelijk aan ten minste 130 pct.
van het totaal van de gestorte premies ;
a) wanneer de belastingplichtige die het
contract heeft aangegaan alleen zichzelf
heeft verzekerd en de voordelen van het
contract bij leven bedongen zijn ten
eigen gunste en het contract voorziet in
het betalen bij het overlijden van een
kapitaal gelijk aan ten minste 130 pct.
van het totaal van de gestorte premies ;
b) wanneer het contract gesloten is voor
meer dan acht jaar en de kapitalen of
afkoopwaarden effectief worden betaald
meer dan acht jaar na het sluiten van
het contract ;
b) wanneer het contract gesloten is voor
meer dan acht jaar en de kapitalen of
afkoopwaarden effectief worden betaald
meer dan acht jaar na het sluiten van
het contract ;
10° de eerste schijf van 125 euro van
interesten betaald of toegekend door
hetzij vennootschappen met een sociaal
oogmerk,
hetzij
door
de
vennootschappen
gevestigd
in
een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische
Ruimte
die
er
onderworpen zijn aan een wetgeving
gelijkaardig aan de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen die van
toepassing zijn op vennootschappen
met een sociaal oogmerk:
10° de eerste schijf van 125 euro van
interesten betaald of toegekend door
hetzij vennootschappen met een sociaal
oogmerk,
hetzij
overeenkomstig
artikel 8:5 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
erkende
sociale
ondernemingen,
hetzij
door
vennootschappen
gevestigd in een andere lidstaat van
de Europese Economische Ruimte
die er onderworpen zijn aan een
wetgeving
gelijkaardig
aan
de
bepalingen van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
die
van
toepassing
zijn
op
overeenkomstig artikel 8:5 van dat
Wetboek
erkende
sociale
ondernemingen:
- die erkend zijn zowel door de minister
van Financiën als door de minister of
ministers die bevoegd zijn tot de
verlening
ervan
of,
voor
de
vennootschappen
gevestigd
in
een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte, erkend zijn op
een gelijkaardige manier;
- die erkend zijn zowel door de minister
van Financiën als door de minister of
ministers die bevoegd zijn tot de
verlening
ervan
of,
voor
de
vennootschappen
gevestigd
in
een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte, erkend zijn op
een gelijkaardige manier;
- die uitsluitend als maatschappelijk doel
hebben :
- die uitsluitend als maatschappelijk doel
hebben :
a) de bijstand aan personen;
a) de bijstand aan personen;
b) de vernieuwing van afgedankte
bedrijfsruimtes;
b) de vernieuwing van afgedankte
bedrijfsruimtes;
196
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
c) de bescherming van het leefmilieu,
daaronder begrepen de recyclage;
c) de bescherming van het leefmilieu,
daaronder begrepen de recyclage;
d)
de
natuurbescherming
en
het
natuurbehoud;
d)
de
natuurbescherming
en
het
natuurbehoud;
e) de verwerving, het bouwen, de
vernieuwing, de verkoop of het verhuren
van sociale huisvesting;
e) de verwerving, het bouwen, de
vernieuwing, de verkoop of het verhuren
van sociale huisvesting;
f) de hulp aan ontwikkelingslanden;
f) de hulp aan ontwikkelingslanden;
g) de productie van duurzame energie;
g) de productie van duurzame energie;
h) de vorming;
h) de vorming;
i) de financiering van de hierboven
bedoelde vennootschappen,
i) de financiering van de hierboven
bedoelde vennootschappen,
en voor zover hun statuten bepalen dat
in geval van vereffening het volledige
netto-actief opnieuw wordt geïnvesteerd
in een andere, onder vorig streepje
vermelde, vennootschap met sociaal
oogmerk of in een andere vennootschap
gevestigd in een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte die er
onderworpen is aan een wetgeving
gelijkaardig aan de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen die van
toepassing zijn op de onder vorig
streepje
vermelde
vennootschappen
met een sociaal oogmerk.
en voor zover hun statuten bepalen dat
in geval van vereffening het volledige
netto-actief opnieuw wordt geïnvesteerd
in andere sociale onderneming of in
een andere vennootschap gevestigd
in
een
andere
lidstaat
van
de
Europese Economische Ruimte die er
onderworpen is aan een wetgeving
gelijkaardig aan de bepalingen van
het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen die van toepassing
zijn op de onder het vorig streepje
vermelde sociale ondernemingen.
11° de dividenden bedoeld in artikel
209, in de mate dat hun toekenning of
betaalbaarstelling voortkomt van een
vermindering van de liquidatiereserve
bedoeld in de artikelen 184quater of
541, of de dividenden van buitenlandse
oorsprong in zoverre hun toekenning of
betaalbaarstelling het gevolg is van
analoge bepalingen of gelijkaardige
gevolgen heeft genomen door een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte.
11° de dividenden bedoeld in artikel
209, in de mate dat hun toekenning of
betaalbaarstelling voortkomt van een
vermindering van de liquidatiereserve
bedoeld in de artikelen 184quater of
541, of de dividenden van buitenlandse
oorsprong in zoverre hun toekenning of
betaalbaarstelling het gevolg is van
analoge bepalingen of gelijkaardige
gevolgen heeft genomen door een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte.
12° inkomsten die zijn toegekend of
betaalbaar gesteld door een juridische
constructie, in de mate dat wordt
aangetoond dat deze inkomsten zijn
12° inkomsten die zijn toegekend of
betaalbaar gesteld door een juridische
constructie, in de mate dat wordt
aangetoond dat deze inkomsten zijn
197
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
samengesteld uit door de juridische
constructie verkregen inkomsten die
reeds in hoofde van een natuurlijke
persoon of een in artikel 220 bedoelde
rechtspersoon
in
België
hun
belastingregime hebben ondergaan;
samengesteld uit door de juridische
constructie verkregen inkomsten die
reeds in hoofde van een natuurlijke
persoon of een in artikel 220 bedoelde
rechtspersoon
in
België
hun
belastingregime hebben ondergaan;
13° onverminderd de toepassing van
artikel 18, eerste lid, 4°, en tweede lid,
interesten met betrekking tot de eerste
schijf van 9.965 euro per jaar en per
belastingplichtige van nieuwe buiten de
beroepswerkzaamheid
van
de
kredietgever afgesloten leningen die
gedurende vier jaar werd uitgeleend
door een natuurlijk persoon aan een
onderneming met tussenkomst van een
erkend crowdfundingplatform teneinde
die onderneming in staat te stellen
nieuwe
economische
initiatieven
te
financieren,
mits
de
volgende
voorwaarden worden nageleefd:
13° onverminderd de toepassing van
artikel 18, eerste lid, 4°, en tweede lid,
interesten met betrekking tot de eerste
schijf van 9.965 euro per jaar en per
belastingplichtige van nieuwe buiten de
beroepswerkzaamheid
van
de
kredietgever afgesloten leningen die
gedurende vier jaar werd uitgeleend
door een natuurlijk persoon aan een
onderneming met tussenkomst van een
erkend crowdfundingplatform teneinde
die onderneming in staat te stellen
nieuwe
economische
initiatieven
te
financieren,
mits
de
volgende
voorwaarden worden nageleefd:
a) de kredietnemer wordt aangemerkt
als kleine vennootschap op grond van
artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van vennootschappen;
a) de kredietnemer wordt aangemerkt
als kleine vennootschap op grond van
artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen;
b) de kredietnemer is sinds ten hoogste
48
maanden
ingeschreven
in
de
Kruispuntbank van Ondernemingen of in
een gelijkaardig register in een andere
lidstaat van de Europese Economische
Ruimte;
b) de kredietnemer is sinds ten hoogste
48
maanden
ingeschreven
in
de
Kruispuntbank van Ondernemingen of in
een gelijkaardig register in een andere
lidstaat van de Europese Economische
Ruimte;
c) de leningen zijn afgesloten op basis
van een jaarlijks te betalen interestvoet
voor een minimale looptijd van 4 jaar;
c) de leningen zijn afgesloten op basis
van een jaarlijks te betalen interestvoet
voor een minimale looptijd van 4 jaar;
d) de herfinancieringsleningen worden
niet in aanmerking genomen voor de
toepassing van deze maatregel;
d) de herfinancieringsleningen worden
niet in aanmerking genomen voor de
toepassing van deze maatregel;
e) het Belgische crowdfundingplatform
of het crowdfundingplatform naar het
recht van een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte moet
als
alternatieve-financieringsplatform
zijn vergund door de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten of moet
e) het Belgische crowdfundingplatform
of het crowdfundingplatform naar het
recht van een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte moet
als
alternatieve-financieringsplatform
zijn vergund door de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten of moet
198
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
worden uitgebaat door een Belgische
gereglementeerde onderneming of een
gereglementeerde onderneming naar
het recht van een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte, die, op
grond van haar statuut, een dergelijke
activiteit mag verrichten, conform de wet
van 18 december 2016 tot regeling van
de erkenning en de afbakening van
crowdfunding
en
houdende
diverse
bepalingen inzake financiën;
worden uitgebaat door een Belgische
gereglementeerde onderneming of een
gereglementeerde onderneming naar
het recht van een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte, die, op
grond van haar statuut, een dergelijke
activiteit mag verrichten, conform de wet
van 18 december 2016 tot regeling van
de erkenning en de afbakening van
crowdfunding
en
houdende
diverse
bepalingen inzake financiën;
f) de leningen worden aan de startende
ondernemingen verstrekt hetzij door de
belastingplichtigen
die
op
beleggingsinstrumenten inschrijven, die
deze leningen materialiseren en die
door
deze
ondernemingen
worden
uitgegeven in het kader van een
aanbieding tot verkoop of tot inschrijving
conform de wet van 16 juni 2006 op de
openbare
aanbieding
van
beleggingsinstrumenten en de toelating
van
beleggingsinstrumenten
tot
de
verhandeling op een gereglementeerde
markt,
hetzij
door
een
financieringsvehikel als bedoeld in de
wet van 18 december 2016 tot regeling
van de erkenning en de afbakening van
crowdfunding
en
houdende
diverse
bepalingen inzake financiën, conform
voornoemde wet van 16 juni 2006,
beleggings-instrumenten
uitgeeft
ten
behoeve van de belastingplichtigen.
f) de leningen worden aan de startende
ondernemingen verstrekt hetzij door de
belastingplichtigen
die
op
beleggingsinstrumenten inschrijven, die
deze leningen materialiseren en die
door
deze
ondernemingen
worden
uitgegeven in het kader van een
aanbieding tot verkoop of tot inschrijving
conform de wet van 16 juni 2006 op de
openbare
aanbieding
van
beleggingsinstrumenten en de toelating
van
beleggingsinstrumenten
tot
de
verhandeling op een gereglementeerde
markt,
hetzij
door
een
financieringsvehikel als bedoeld in de
wet van 18 december 2016 tot regeling
van de erkenning en de afbakening van
crowdfunding
en
houdende
diverse
bepalingen inzake financiën, conform
voornoemde wet van 16 juni 2006,
beleggings-instrumenten
uitgeeft
ten
behoeve van de belastingplichtigen.
14° de eerste schijf van 416,50 EUR
van de in artikel 18, eerste lid, 1°,
bedoelde dividenden, met uitzondering
van
dividenden
uitgekeerd
door
juridische constructies of bij toepassing
van
artikel
5/1
verkregen
door
tussenkomst van juridische constructies,
van dividenden van instellingen voor
collectieve belegging en van dividenden
die zijn verkregen door tussenkomst van
gemeenschappelijke
beleggingsfondsen.
14° de eerste schijf van 416,50 EUR
van de in artikel 18, eerste lid, 1°,
bedoelde dividenden, met uitzondering
van
dividenden
uitgekeerd
door
juridische constructies of bij toepassing
van
artikel
5/1
verkregen
door
tussenkomst van juridische constructies,
van dividenden van instellingen voor
collectieve belegging en van dividenden
die zijn verkregen door tussenkomst van
gemeenschappelijke
beleggingsfondsen.
Voor de toepassing van het eerste lid,
12°,
worden
de
oudst
verkregen
Voor de toepassing van het eerste lid,
12°,
worden
de
oudst
verkregen
199
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
inkomsten
geacht
eerst
te
zijn
uitgekeerd.
inkomsten
geacht
eerst
te
zijn
uitgekeerd.
De Koning (1) bepaalt de wijze waarop
het bewijs moet worden geleverd dat
aan de in het eerste lid, 13°, vermelde
voorwaarden wordt voldaan.
De Koning (1) bepaalt de wijze waarop
het bewijs moet worden geleverd dat
aan de in het eerste lid, 13°, vermelde
voorwaarden wordt voldaan.
Art. 24 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (vanaf 1
jan 2018)
Art. 24 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Winst bestaat uit inkomsten van alle
nijverheids-,
handels-
of
landbouwondernemingen
die
voortkomen :
Winst bestaat uit inkomsten van alle
nijverheids-,
handels-
of
landbouwondernemingen
die
voortkomen :
1° uit alle verrichtingen gedaan door de
inrichtingen van die ondernemingen of
door toedoen daarvan ;
1° uit alle verrichtingen gedaan door de
inrichtingen van die ondernemingen of
door toedoen daarvan ;
2° uit enige waardevermeerdering van
activa die voor het uitoefenen van de
beroepswerkzaamheid worden gebruikt
en uit enige uit die werkzaamheid
volgende
waardevermindering
van
passiva, wanneer de desbetreffende
meerwaarden of minder-waarden zijn
verwezenlijkt of in de boekhouding of
jaarrekening zijn uitgedrukt ;
2° uit enige waardevermeerdering van
activa die voor het uitoefenen van de
beroepswerkzaamheid worden gebruikt
en uit enige uit die werkzaamheid
volgende
waardevermindering
van
passiva, wanneer de desbetreffende
meerwaarden of minder-waarden zijn
verwezenlijkt of in de boekhouding of
jaarrekening zijn uitgedrukt ;
3° uit enige, zelfs niet-uitgedrukte of
zelfs niet-verwezenlijkte meerwaarde op
financiële
vaste
activa
en
andere
effecten in portefeuille die voor het
uitoefenen
van
de
beroepswerkzaamheid worden gebruikt,
indien de waarde daarvan op het einde
van
het
belastbare
tijdperk
is
toegenomen en in zover ze niet hoger is
dan
de
aanschaffings-of
beleggingswaarde ;
3° uit enige, zelfs niet-uitgedrukte of
zelfs niet-verwezenlijkte meerwaarde op
financiële
vaste
activa
en
andere
effecten in portefeuille die voor het
uitoefenen
van
de
beroepswerkzaamheid worden gebruikt,
indien de waarde daarvan op het einde
van
het
belastbare
tijdperk
is
toegenomen en in zover ze niet hoger is
dan
de
aanschaffings-of
beleggingswaarde ;
4° uit onderwaarderingen van activa of
overwaarderingen van passiva, in zover
de
onderwaardering
of
de
overwaardering niet samenvalt met een
al dan niet uitgedrukte vermeerdering of
vermindering, naar het geval, noch met
4° uit onderwaarderingen van activa of
overwaarderingen van passiva, in zover
de
onderwaardering
of
de
overwaardering niet samenvalt met een
al dan niet uitgedrukte vermeerdering of
vermindering, naar het geval, noch met
200
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
afschrijvingen die voor de toepassing
van de belasting in aanmerking zijn
genomen.
afschrijvingen die voor de toepassing
van de belasting in aanmerking zijn
genomen.
De bovenvermelde activa omvatten alle
vermogensbestanddelen, met inbegrip
van
voorraden
en
bestellingen
in
uitvoering.
De bovenvermelde activa omvatten alle
vermogensbestanddelen, met inbegrip
van
voorraden
en
bestellingen
in
uitvoering.
De belastbare winst wordt, onder
voorbehoud
van
de
afwijkende
bepalingen in dit Wetboek, in de
bijzondere
wetsbepalingen
met
betrekking
tot
de
inkomstenbelastingen en in de tot
uitvoering ervan genomen besluiten,
vastgesteld
overeenkomstig
de
Belgische wetgeving met betrekking
tot
de
boekhoudkundige
verplichtingen van ondernemingen.
*** huidig 3e lid
Meerwaarden op in artikel 66 vermelde
voertuigen
worden
slechts
tot
het
overeenkomstig artikel 198bis, eerste
lid, 2°, bepaalde tarief in aanmerking
genomen.
*** 4e lid
Meerwaarden op in artikel 66 vermelde
voertuigen
worden
slechts
tot
het
overeenkomstig artikel 198bis, eerste
lid, 2°, bepaalde tarief in aanmerking
genomen.
*** 3e lid vanaf 1 januari 2020
Meerwaarden op in artikel 66 vermelde
voertuigen
worden
slechts
tot
het
overeenkomstig artikel 66, § 1, vierde lid
bepaalde tarief in aanmerking genomen.
*** 4e lid vanaf 1 januari 2020
Meerwaarden op in artikel 66 vermelde
voertuigen
worden
slechts
tot
het
overeenkomstig artikel 66, § 1, vierde lid
bepaalde tarief in aanmerking genomen.
Het onverdeeld vermogen van een
gemeenschappelijk
beleggingsfonds
wordt niet als een in het eerste lid
bedoelde onderneming aangemerkt.
Het onverdeeld vermogen van een
gemeenschappelijk
beleggingsfonds
wordt niet als een in het eerste lid
bedoelde onderneming aangemerkt.
Als verwezenlijkt worden beschouwd, de
vastgestelde meerwaarden bij omzetting
van effecten in rechten van deelneming
in beleggingsfondsen.
Als verwezenlijkt worden beschouwd, de
vastgestelde meerwaarden bij omzetting
van effecten in rechten van deelneming
in beleggingsfondsen.
E.-
Burgerlijke
vennootschappen
of
verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid.
E.- Vennootschappen of verenigingen
zonder rechtspersoonlijkheid.
201
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Art. 29 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 29 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. In burgerlijke vennootschappen of
verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid die winst of baten
verkrijgen, worden de opnemingen van
de vennoten of leden en hun deel in de
verdeelde of onverdeelde winst of
baten, als winst of baten van de
vennoten of leden aangemerkt.
§
1.
In
vennootschappen
of
verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid,
andere
dan
deze bedoeld in artikel 2, §1, 5°, a,
eerste lid, tweede streepje, die winst
of
baten
verkrijgen,
worden
de
opnemingen van de vennoten of leden
en hun deel in de verdeelde of
onverdeelde winst of baten, als winst of
baten van de vennoten of leden
aangemerkt.
§ 2. Voor de toepassing van § 1, worden
geacht
verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid te zijn :
§ 2. Voor de toepassing van § 1, worden
geacht
verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid te zijn :
1°
onregelmatig
opgerichte
handelsvennootschappen ;
1°
2° landbouwvennootschappen, behalve
indien deze voor de heffing van de
vennootschapsbelasting
hebben
gekozen ; de Koning bepaalt (1) de
voorwaarden waaraan de keuze en het
behoud ervan zijn onderworpen ;
2°
vennootschappen
erkend
als
landbouwonderneming, als bedoeld
in artikel 8:2 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen,
en die de rechtsvorm hebben van een
vennootschap
onder
firma
of
commanditaire
vennootschap,
behalve indien deze voor de heffing van
de
vennootschapsbelasting
hebben
gekozen ; de Koning bepaalt (1) de
voorwaarden waaraan de keuze en het
behoud ervan zijn onderworpen ;
3°
Europese
economische
samenwerkingsverbanden ;
3°
Europese
economische
samenwerkingsverbanden ;
4°
economische
samenwerkingsverbanden ;
4° de vennootschappen onder firma
voortkomende uit de omvorming van
een
economisch
samenwerkingsverband
bij
toepassing van artikel 32 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen op voorwaarde dat de
activiteiten van de vennootschap
onder
firma
uitsluitend
tot
doel
hebben
om
de
economische
202
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bedrijvigheid van haar vennoten te
vergemakkelijken of te ontwikkelen,
dan
wel
de
resultaten
van
die
bedrijvigheid te verbeteren of te
vergroten;
daarenboven
moet
de
bedrijvigheid van de vennootschap
onder firma aansluiten bij deze van
haar vennoten en van ondergeschikte
betekenis zijn.
5° verenigingen van medeëigenaars die
krachtens artikel 577-5, § 1, van het
Burgerlijk
Wetboek
rechtspersoonlijkheid bezitten.
5° verenigingen van medeëigenaars die
krachtens artikel 577-5, § 1, van het
Burgerlijk
Wetboek
rechtspersoonlijkheid bezitten.
Art. 45 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 45 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. Vrijgesteld zijn eveneens de
meerwaarden
op
aandelen
in
binnenlandse vennootschappen of in
intra-Europese vennootschappen:
§ 1. Vrijgesteld zijn eveneens de
meerwaarden
op
aandelen
in
binnenlandse vennootschappen of in
intra-Europese vennootschappen:
1° wanneer die meerwaarden zijn
verkregen
of
vastgesteld
naar
aanleiding
van
een
fusie
door
overneming, een fusie door oprichting
van een nieuwe vennootschap, een
splitsing door overneming, een splitsing
door
oprichting
van
nieuwe
vennootschappen,
een
gemengde
splitsing,
een
met
splitsing
gelijkgestelde
verrichting
of
het
aannemen van een andere rechtsvorm,
tot stand gebracht met toepassing van
hetzij de artikelen 211, § 1 of 214, § 1,
hetzij van bepalingen van gelijke aard in
de andere Lidstaat van de Europese
Unie, voor zover de verrichting wordt
vergoed met nieuwe aandelen die
daartoe worden uitgegeven;
1° wanneer die meerwaarden zijn
verkregen
of
vastgesteld
naar
aanleiding
van
een
fusie
door
overneming, een fusie door oprichting
van een nieuwe vennootschap, een
splitsing door overneming, een splitsing
door
oprichting
van
nieuwe
vennootschappen,
een
gemengde
splitsing,
een
met
splitsing
gelijkgestelde
verrichting
of
het
aannemen van een andere rechtsvorm,
tot stand gebracht met toepassing van
hetzij de artikelen 211, § 1 of 214, § 1,
hetzij van bepalingen van gelijke aard in
de andere Lidstaat van de Europese
Unie, voor zover de verrichting wordt
vergoed met nieuwe aandelen die
daartoe worden uitgegeven;
2°
die
worden
gerealiseerd
naar
aanleiding van de inbreng van deze
aandelen
in
een
binnenlandse
vennootschap of een intra-Europese
vennootschap
in
ruil
voor
nieuwe
aandelen uitgegeven door de inbreng-
verkrijgende vennootschap, waardoor
2°
die
worden
gerealiseerd
naar
aanleiding van de inbreng van deze
aandelen
in
een
binnenlandse
vennootschap of een intra-Europese
vennootschap
in
ruil
voor
nieuwe
aandelen uitgegeven door de inbreng-
verkrijgende vennootschap, waardoor
203
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
de inbrengverkrijgende vennootschap in
het totaal meer dan 50 pct. van de
stemrechten
verwerft
in
de
vennootschap waarvan de aandelen
worden ingebracht, of waardoor zij,
indien zij reeds over een meerderheid
van de stemrechten beschikt, haar
deelneming vergroot, en dit indien geen
opleg in geld plaatsvindt die meer
bedraagt dan 10 pct. van de nominale
waarde, of bij gebreke aan nominale
waarde, van de fractiewaarde van de
nieuwe uitgegeven aandelen.
de inbrengverkrijgende vennootschap in
het totaal meer dan 50 pct. van de
stemrechten
verwerft
in
de
vennootschap waarvan de aandelen
worden ingebracht, of waardoor zij,
indien zij reeds over een meerderheid
van de stemrechten beschikt, haar
deelneming vergroot, en dit indien geen
opleg in geld plaatsvindt die meer
bedraagt dan 10 pct. van de nominale
waarde, of bij gebreke aan nominale
waarde, van de fractiewaarde van de
nieuwe uitgegeven aandelen. Indien
de
inbrengverkrijgende
vennootschap een vennootschap is
bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, a, 2, moet
onder
de
fractiewaarde
worden
verstaan de inbrengwaarde, zoals
die blijkt uit de jaarrekening, van alle
door de aandeelhouders of vennoten
toegezegde inbrengen in geld of in
natura, met uitzondering van de
inbrengen
in
nijverheid,
in
voorkomend geval verhoogd met de
reserves die op grond van een
statutaire bepaling slechts aan de
aandeelhouders of vennoten kunnen
worden
uitgekeerd
mits
een
statutenwijziging, dit alles gedeeld
door het aantal aandelen.
In deze gevallen worden meerwaarden
of
minderwaarden
op
de
in
ruil
ontvangen
aandelen
bepaald
met
inachtneming van de aanschaffings- of
beleggingswaarde van de omgeruilde
aandelen, eventueel verhoogd met de
belaste meerwaarden of verminderd met
de aangenomen minderwaarden, zowel
vóór als na de ruil. Voor de toepassing
van artikelen 44, § 1, 2°, en 192, § 1,
eerste lid, worden de in ruil ontvangen
aandelen geacht te zijn verkregen op de
datum waarop de geruilde aandelen zijn
verkregen.
In deze gevallen worden meerwaarden
of
minderwaarden
op
de
in
ruil
ontvangen
aandelen
bepaald
met
inachtneming van de aanschaffings- of
beleggingswaarde van de omgeruilde
aandelen, eventueel verhoogd met de
belaste meerwaarden of verminderd met
de aangenomen minderwaarden, zowel
vóór als na de ruil. Voor de toepassing
van artikelen 44, § 1, 2°, en 192, § 1,
eerste lid, worden de in ruil ontvangen
aandelen geacht te zijn verkregen op de
datum waarop de geruilde aandelen zijn
verkregen.
Ingeval van een splitsing is de fiscale
nettowaarde
van
de
aandelen
ontvangen
vanwege
elk
van
de
verkrijgende
vennootschappen
Ingeval van een splitsing is de fiscale
nettowaarde
van
de
aandelen
ontvangen
vanwege
elk
van
de
verkrijgende
vennootschappen
204
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
proportioneel aan de werkelijke waarde
van de inbrengen verkregen door de
verkrijgende
vennootschappen
ten
opzichte van de werkelijke waarde van
de gesplitste vennootschap. Ingeval van
een
met
splitsing
gelijkgestelde
verrichting is het totaal van de fiscale
nettowaarde van de aandelen van de
gesplitste vennootschap, en van de
ontvangen aandelen gelijk aan de
fiscale nettowaarde van de aandelen
van
de
gesplitste
vennootschap
onmiddellijk
vóór
de
met
splitsing
gelijkgestelde verrichting. De fiscale
nettowaarde van de in ruil ontvangen
aandelen is evenredig met de werkelijke
waarde van de inbreng in verhouding tot
de totale werkelijke waarde van de
gesplitste
vennootschap
voor
de
verrichting. Dienaangaande wordt de
verrichting inzake een met splitsing
gelijkgestelde verrichting, ten name van
de aandeelhouder, gelijkgesteld met de
omruiling
van
aandelen
ingevolge
splitsing.
proportioneel aan de werkelijke waarde
van de inbrengen verkregen door de
verkrijgende
vennootschappen
ten
opzichte van de werkelijke waarde van
de gesplitste vennootschap. Ingeval van
een
met
splitsing
gelijkgestelde
verrichting is het totaal van de fiscale
nettowaarde van de aandelen van de
gesplitste vennootschap, en van de
ontvangen aandelen gelijk aan de
fiscale nettowaarde van de aandelen
van
de
gesplitste
vennootschap
onmiddellijk
vóór
de
met
splitsing
gelijkgestelde verrichting. De fiscale
nettowaarde van de in ruil ontvangen
aandelen is evenredig met de werkelijke
waarde van de inbreng in verhouding tot
de totale werkelijke waarde van de
gesplitste
vennootschap
voor
de
verrichting. Dienaangaande wordt de
verrichting inzake een met splitsing
gelijkgestelde verrichting, ten name van
de aandeelhouder, gelijkgesteld met de
omruiling
van
aandelen
ingevolge
splitsing.
De in het eerste lid bepaalde vrijstelling
is slechts van toepassing voor zover de
verrichting
beantwoordt
aan
het
bepaalde in artikel 183bis.
De in het eerste lid bepaalde vrijstelling
is slechts van toepassing voor zover de
verrichting
beantwoordt
aan
het
bepaalde in artikel 183bis.
§ 2. Zijn eveneens vrijgesteld de
meerwaarden die betrekking hebben op
rechten
van
deelneming
van
gemeenschappelijke beleggingsfondsen
van de Europese Unie, wanneer zij zijn
verkregen
of
vastgesteld
naar
aanleiding van de omvorming van zulke
fondsen in beleggingsvennootschappen
van de Europese Unie of in een van hun
afdelingen.
§ 2. Zijn eveneens vrijgesteld de
meerwaarden die betrekking hebben op
rechten
van
deelneming
van
gemeenschappelijke beleggingsfondsen
van de Europese Unie, wanneer zij zijn
verkregen
of
vastgesteld
naar
aanleiding van de omvorming van zulke
fondsen in beleggingsvennootschappen
van de Europese Unie of in een van hun
afdelingen.
In dat geval, worden de meer- of
minderwaarden met betrekking tot de in
ruil
ontvangen
aandelen
van
de
beleggingsvennootschap bepaald met
inachtneming van de aanschaffings- of
beleggingswaarde van de omgeruilde
rechten
van
deelneming
van
gemeenschappelijke
In dat geval, worden de meer- of
minderwaarden met betrekking tot de in
ruil
ontvangen
aandelen
van
de
beleggingsvennootschap bepaald met
inachtneming van de aanschaffings- of
beleggingswaarde van de omgeruilde
rechten
van
deelneming
van
gemeenschappelijke
205
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
beleggingsfondsen, eventueel verhoogd
met
de
belaste
meerwaarden
of
verminderd
met
de
aangenomen
minderwaarden zowel vóór als na de
ruil. Voor de toepassing van artikel 44, §
1, 2°, worden de in ruil ontvangen
aandelen geacht te zijn verworven op de
datum van aanschaffing van de geruilde
rechten van deelneming.
beleggingsfondsen, eventueel verhoogd
met
de
belaste
meerwaarden
of
verminderd
met
de
aangenomen
minderwaarden zowel vóór als na de
ruil. Voor de toepassing van artikel 44, §
1, 2°, worden de in ruil ontvangen
aandelen geacht te zijn verworven op de
datum van aanschaffing van de geruilde
rechten van deelneming.
Art. 46 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 46 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§
1.
Stopzettingsmeerwaarden
als
omschreven in artikel 28, eerste lid, 1°,
hierin begrepen de meerwaarden die
zijn verkregen of vastgesteld uit hoofde
of naar aanleiding van de volledige en
definitieve stopzetting van één of meer
bedrijfsafdelingen
of
takken
van
werkzaamheid, worden volledig maar
tijdelijk vrijgesteld :
§
1.
Stopzettingsmeerwaarden
als
omschreven in artikel 28, eerste lid, 1°,
hierin begrepen de meerwaarden die
zijn verkregen of vastgesteld uit hoofde
of naar aanleiding van de volledige en
definitieve stopzetting van één of meer
bedrijfsafdelingen
of
takken
van
werkzaamheid, worden volledig maar
tijdelijk vrijgesteld :
1° wanneer ofwel de onderneming,
ofwel de beroepswerkzaamheid, ofwel
één of meer bedrijfsafdelingen of takken
van werkzaamheid worden voortgezet
door de echtgenoot of door één of meer
erfgenamen of erfgerechtigden in de
rechte lijn van de persoon die de
onderneming,
de
beroepswerkzaamheid,
de
bedrijfsafdeling
of
de
tak
van
werkzaamheid heeft gestaakt ;
1° wanneer ofwel de onderneming,
ofwel de beroepswerkzaamheid, ofwel
één of meer bedrijfsafdelingen of takken
van werkzaamheid worden voortgezet
door de echtgenoot of door één of meer
erfgenamen of erfgerechtigden in de
rechte lijn van de persoon die de
onderneming,
de
beroepswerkzaamheid,
de
bedrijfsafdeling
of
de
tak
van
werkzaamheid heeft gestaakt ;
2°
wanneer
zij
zijn
verkregen
of
vastgesteld, ter gelegenheid van de
inbreng
van
één
of
meer
bedrijfsafdelingen
of
takken
van
werkzaamheid of van de algemeenheid
van goederen in een vennootschap,
tegen verkrijging van aandelen die het
maatschappelijk
kapitaal
van
die
vennootschap vertegenwoordigen ;
2°
wanneer
zij
zijn
verkregen
of
vastgesteld, ter gelegenheid van de
inbreng
van
één
of
meer
bedrijfsafdelingen
of
takken
van
werkzaamheid of van de algemeenheid
van goederen in een vennootschap,
tegen verkrijging van aandelen die het
kapitaal
van
die
vennootschap
vertegenwoordigen ;
3°
wanneer
zij
zijn
verkregen
of
vastgesteld naar aanleiding van een
inbreng in een landbouwvennootschap
die
geacht
wordt
geen
3°
wanneer
zij
zijn
verkregen
of
vastgesteld naar aanleiding van een
inbreng in een vennootschap erkend
als landbouwonderneming bedoeld in
206
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
rechtspersoonlijkheid te bezitten voor
het
belastbare
tijdperk
waarin
de
inbreng heeft plaatsgehad.
artikel 8:2 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
die
geacht
wordt
geen
rechtspersoonlijkheid te bezitten voor
het
belastbare
tijdperk
waarin
de
inbreng heeft plaatsgehad.
Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing
wanneer de verkrijger van de inbreng
een door de Autoriteit voor Financiële
Diensten
en
Markten
erkende
beleggingsvennootschap is met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed of in
niet
genoteerde
aandelen
of
een
gereglementeerde
vastgoedvennootschap.
Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing
wanneer de verkrijger van de inbreng
een door de Autoriteit voor Financiële
Diensten
en
Markten
erkende
beleggingsvennootschap is met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed of in
niet
genoteerde
aandelen
of
een
gereglementeerde
vastgoedvennootschap.
Het eerste lid, 2°, is slechts van
toepassing voor zover:
Het eerste lid, 2°, is slechts van
toepassing voor zover:
1° de vennootschap die de inbreng
ontvangt
een
binnenlandse
vennootschap of een intra-Europese
vennootschap is;
1° de vennootschap die de inbreng
ontvangt
een
binnenlandse
vennootschap of een intra-Europese
vennootschap is;
2° de verrichting wordt verwezenlijkt
overeenkomstig de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen terzake
en,
desgevallend,
conform
vennootschaps-rechtelijke
bepalingen
van gelijke aard van een andere
Lidstaat van de Europese Unie die van
toepassing zijn op de inbrengende of
verkrijgende
intra-Europese
vennootschap;
2°
3° de verrichting beantwoordt aan het
bepaalde in artikel 183bis.
3° de verrichting beantwoordt aan het
bepaalde in artikel 183bis.
Wanneer de verkrijger van de inbreng
een intra-Europese vennootschap is,
geldt de in het eerste lid bedoelde
vrijstelling slechts voor de ingebrachte
goederen die ten gevolge van de
inbreng
aangewend
en
behouden
worden binnen een in artikel 229, § 1,
bedoelde Belgische inrichting waarover
de inbrengverkrijgende vennootschap in
België, al dan niet ten gevolge van deze
inbreng, beschikt, en die bijdragen tot
de totstandkoming van de resultaten
Wanneer de verkrijger van de inbreng
een intra-Europese vennootschap is,
geldt de in het eerste lid bedoelde
vrijstelling slechts voor de ingebrachte
goederen die ten gevolge van de
inbreng
aangewend
en
behouden
worden binnen een in artikel 229, § 1,
bedoelde Belgische inrichting waarover
de inbrengverkrijgende vennootschap in
België, al dan niet ten gevolge van deze
inbreng, beschikt, en die bijdragen tot
de totstandkoming van de resultaten
207
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
van deze inrichting die in toepassing
van artikel 233 in aanmerking worden
genomen voor de belastinggrondslag.
van deze inrichting die in toepassing
van artikel 233 in aanmerking worden
genomen voor de belastinggrondslag.
De toepassing van het eerste lid, 1° en
3°, laat evenwel onverlet de eventuele
belastingheffing van de verwezenlijkte
meerwaarden
op
ongebouwde
onroerende goederen van land- of
tuinbouwondernemingen
ingevolge
artikel 90, eerste lid, 8°.
De toepassing van het eerste lid, 1° en
3°, laat evenwel onverlet de eventuele
belastingheffing van de verwezenlijkte
meerwaarden
op
ongebouwde
onroerende goederen van land- of
tuinbouwondernemingen
ingevolge
artikel 90, eerste lid, 8°.
Financiële vaste activa en andere
effecten
in
portefeuille
zijn
geen
bedrijfsafdeling
of
tak
van
werkzaamheid ; zij worden slechts
beschouwd als tot een bedrijfsafdeling
of een tak van werkzaamheid te
behoren indien zij normaal in de
onderneming van die bedrijfsafdeling of
tak van werkzaamheid zijn opgenomen
zonder het hoofdbestanddeel daarvan te
vormen.
Financiële vaste activa en andere
effecten
in
portefeuille
zijn
geen
bedrijfsafdeling
of
tak
van
werkzaamheid ; zij worden slechts
beschouwd als tot een bedrijfsafdeling
of een tak van werkzaamheid te
behoren indien zij normaal in de
onderneming van die bedrijfsafdeling of
tak van werkzaamheid zijn opgenomen
zonder het hoofdbestanddeel daarvan te
vormen.
§ 2. De ten name van de nieuwe
belastingplichtige
in
aanmerking
te
nemen afschrijvingen, aftrekken voor
octrooi-inkomsten,
aftrekken
voor
innovatie-inkomsten,
investeringsaftrekken,
belastingkredieten voor onderzoek en
ontwikkeling,
minderwaarden
of
meerwaarden op de door de vroegere
belastingplichtige
afgestane
activa
worden bepaald alsof deze laatste niet
van
eigenaar
waren
veranderd,
behoudens
in
de
gevallen
waarin
toepassing is gemaakt van artikel 90,
eerste lid, 8°.
§ 2. De ten name van de nieuwe
belastingplichtige
in
aanmerking
te
nemen afschrijvingen, aftrekken voor
octrooi-inkomsten,
aftrekken
voor
innovatie-inkomsten,
investeringsaftrekken,
belastingkredieten voor onderzoek en
ontwikkeling,
minderwaarden
of
meerwaarden op de door de vroegere
belastingplichtige
afgestane
activa
worden bepaald alsof deze laatste niet
van
eigenaar
waren
veranderd,
behoudens
in
de
gevallen
waarin
toepassing is gemaakt van artikel 90,
eerste lid, 8°.
Het bepaalde in de artikelen 44, 44bis,
44ter, 45, 47, 48 en 361 tot 363 blijft van
toepassing op de bij de vroegere
belastingplichtige
bestaande
meerwaarden,
waardeverminderingen,
voorzieningen,
onderwaarderingen,
overwaarderingen,
subsidies
en
vorderingen in zover die bestanddelen
worden teruggevonden bij de nieuwe
belastingplichtige.
Het bepaalde in de artikelen 44, 44bis,
44ter, 45, 47, 48 en 361 tot 363 blijft van
toepassing op de bij de vroegere
belastingplichtige
bestaande
meerwaarden,
waardeverminderingen,
voorzieningen,
onderwaarderingen,
overwaarderingen,
subsidies
en
vorderingen in zover die bestanddelen
worden teruggevonden bij de nieuwe
belastingplichtige.
208
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
In de gevallen vermeld in de artikelen
44bis, 44ter en 47, kan de voortzetting
of inbreng van werkzaamheid niet tot
gevolg hebben dat de oorspronkelijke
herbeleggingstermijn wordt verlengd.
In de gevallen vermeld in de artikelen
44bis, 44ter en 47, kan de voortzetting
of inbreng van werkzaamheid niet tot
gevolg hebben dat de oorspronkelijke
herbeleggingstermijn wordt verlengd.
Voor de toepassing van deze paragraaf
op de in § 1, eerste lid, 3°, vermelde
landbouw-vennootschappen omvat de
uitdrukking
"de
nieuwe
belastingplichtige" alle vennoten van
zulke vennootschappen, met inbegrip
van de tot de vennootschap toegelaten
rechtverkrijgenden
van
overleden
vennoten.
Voor de toepassing van deze paragraaf
op de in § 1, eerste lid, 3°, vermelde
vennootschap
erkend
als
landbouwonderneming
bedoeld
in
artikel 8:2 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
omvat
de
uitdrukking
"de
nieuwe
belastingplichtige" alle vennoten van
zulke vennootschappen, met inbegrip
van de tot de vennootschap toegelaten
rechtverkrijgenden
van
overleden
vennoten.
§ 3. Niettegenstaande de uit § 2
voortvloeiende
overdracht
van
belastingheffing wordt ter bepaling van
de meerwaarden of minderwaarden op
aandelen die ter vergoeding van een in
§ 1, eerste lid, 2° en 3°, bepaalde
inbreng zijn verkregen, aan de aandelen
een waarde toegekend gelijk aan de
waarde die de ingebrachte activa, uit
fiscaal
oogpunt,
bij
de
vroegere
belastingplichtige hadden.
§ 3. Niettegenstaande de uit § 2
voortvloeiende
overdracht
van
belastingheffing wordt ter bepaling van
de meerwaarden of minderwaarden op
aandelen die ter vergoeding van een in
§ 1, eerste lid, 2° en 3°, bepaalde
inbreng zijn verkregen, aan de aandelen
een waarde toegekend gelijk aan de
waarde die de ingebrachte activa, uit
fiscaal
oogpunt,
bij
de
vroegere
belastingplichtige hadden.
Ingeval de aandelen worden vervreemd,
worden ze bij het bepalen van de
krachtens artikel 44, § 1, 2°, eventueel
vrijgestelde meerwaarde geacht voor
het
uitoefenen
van
de
beroepswerkzaamheid te zijn gebruikt
vanaf de datum waarop de ingebrachte
activa daartoe werden gebruikt en wordt
de gemiddelde gerevaloriseerde waarde
van elk aandeel bepaald naar rata van
de totale gerevaloriseerde waarde van
die activa.
Ingeval de aandelen worden vervreemd,
worden ze bij het bepalen van de
krachtens artikel 44, § 1, 2°, eventueel
vrijgestelde meerwaarde geacht voor
het
uitoefenen
van
de
beroepswerkzaamheid te zijn gebruikt
vanaf de datum waarop de ingebrachte
activa daartoe werden gebruikt en wordt
de gemiddelde gerevaloriseerde waarde
van elk aandeel bepaald naar rata van
de totale gerevaloriseerde waarde van
die activa.
Art. 52, 11°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 52, 11°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
11° de door bedrijfsleiders werkelijk 11° de door bedrijfsleiders werkelijk
209
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
betaalde
interest
van
schulden
aangegaan
bij
derden
voor
het
verkrijgen van aandelen die een fractie
van het maatschappelijk kapitaal van
een
binnenlandse
vennootschap
vertegenwoordigen waarvan zij in het
belastbare
tijdperk
periodiek
bezoldigingen ontvangen ; behalve met
betrekking tot instellingen als vermeld in
artikel 56, worden niet als een derde
aangemerkt,
de
voormelde
vennootschap
zelf,
zomede
elke
onderneming ten aanzien waarvan die
vennootschap
zich
rechtstreeks
of
onrechtstreeks
in
een
band
van
wederzijdse afhankelijkheid bevindt.
betaalde
interest
van
schulden
aangegaan
bij
derden
voor
het
verkrijgen van aandelen die een fractie
van het kapitaal van een binnenlandse
vennootschap
vertegenwoordigen
waarvan zij in het belastbare tijdperk
periodiek bezoldigingen ontvangen ;
behalve met betrekking tot instellingen
als vermeld in artikel 56, worden niet als
een derde aangemerkt, de voormelde
vennootschap
zelf,
zomede
elke
onderneming ten aanzien waarvan die
vennootschap
zich
rechtstreeks
of
onrechtstreeks
in
een
band
van
wederzijdse afhankelijkheid bevindt.
Art. 53, 16° en 18° van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 53, 16° en 18° van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
16° interest als vermeld in artikel 52,
11°,
vanaf
de
datum
waarop
de
bedrijfsleider zijn aandelen vervreemdt
of vanaf de datum en in zover de
vennootschap
het
maatschappelijk
kapitaal
terugbetaalt
dat
door
die
aandelen is vertegenwoordigd ;
16° interest als vermeld in artikel 52,
11°,
vanaf
de
datum
waarop
de
bedrijfsleider zijn aandelen vervreemdt
of vanaf de datum en in zover de
vennootschap het kapitaal terugbetaalt
dat
door
die
aandelen
is
vertegenwoordigd ;
18° onverminderd artikel 52, 11°, de
interest van schulden aangegaan door
een
natuurlijk
persoon
voor
het
inschrijven op of het verwerven van
aandelen
die
het
maatschappelijk
kapitaal vertegenwoordigen van een
vennootschap ;
18° onverminderd artikel 52, 11°, de
interest van schulden aangegaan door
een
natuurlijk
persoon
voor
het
inschrijven op of het verwerven van
aandelen
die
het
kapitaal
vertegenwoordigen
van
een
vennootschap ;
Art. 56, § 3 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (vanaf 1
jan 2018)
Art. 56, § 3 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 3. Paragraaf 2, 2°, is niet van
toepassing op de sommen betaald aan
een instelling waarmee de schuldenaar
rechtstreeks
of
onrechtstreeks
is
verbonden in de zin van artikel 11 van
het Wetboek van vennootschappen of
van een gelijkaardige bepaling die van
§ 3. Paragraaf 2, 2°, is niet van
toepassing op de sommen betaald aan
een instelling waarmee de schuldenaar
rechtstreeks
of
onrechtstreeks
is
verbonden in de zin van artikel 1:20
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen of
210
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
kracht is in een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte.
van een gelijkaardige bepaling die van
kracht is in een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte.
Art. 56, § 3 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (vanaf 1
jan 2018)
Art. 56, § 3 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 3. Paragraaf 2, 2°, is niet van
toepassing op de sommen betaald aan
een instelling waarmee de schuldenaar
rechtstreeks
of
onrechtstreeks
is
verbonden in de zin van artikel 11 van
het Wetboek van vennootschappen of
van een gelijkaardige bepaling die van
kracht is in een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte.
§ 3. Paragraaf 2, 2°, is niet van
toepassing op de sommen betaald aan
een instelling waarmee de schuldenaar
rechtstreeks
of
onrechtstreeks
is
verbonden in de zin van artikel 1:20
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen of
van een gelijkaardige bepaling die van
kracht is in een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte.
Art. 69, § 1, lid 5, van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
(vanaf 1 jan 2018)
Art. 69, § 1, lid 5, van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
De aftrek als bedoeld in het eerste lid,
2°, f), is slechts van toepassing op
natuurlijke
personen
die
op
overeenkomstige wijze beantwoorden
aan de criteria van artikel 15, §§ 1 tot 6,
van het Wetboek van vennootschappen
voor het aanslagjaar dat is verbonden
aan het belastbare tijdperk waarin de
activa zijn verkregen of tot stand
gebracht.
De aftrek als bedoeld in het eerste lid,
2°, f), is slechts van toepassing op
natuurlijke
personen
die
op
overeenkomstige wijze beantwoorden
aan de criteria van artikel 1:24, §§ 1 tot
6,
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
voor het aanslagjaar dat is verbonden
aan het belastbare tijdperk waarin de
activa zijn verkregen of tot stand
gebracht.
Art. 80 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (vanaf 1
jan 2018)
Art. 80 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Beroepsverliezen
van
burgerlijke
vennootschappen
en
verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid
als
vermeld in artikel 29, met uitzondering
van
de
Europese
economische
samenwerkingsverbanden
en
de
Beroepsverliezen
van
vennootschappen
en
verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid
als
vermeld in artikel 29, met uitzondering
van
de
Europese
economische
samenwerkingsverbanden
en
de
211
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
economische
samenwerkingsverbanden, worden niet
afgetrokken van de beroepsinkomsten
van de vennoten of leden van die
vennootschappen
en
verenigingen,
tenzij en in zover die vennoten of leden
winst of baten hebben en de daarop aan
te rekenen beroepsverliezen uit een
beroepswerkzaamheid
van
dezelfde
aard voortspruiten of tenzij de vennoten
of
leden
bewijzen
dat
die
beroepsverliezen
voortspruiten
uit
verrichtingen die beantwoorden aan
rechtmatige financiële of economische
behoeften.
vennootschappen
onder
firma
bedoeld in artikel 29, § 2, 4°, worden
niet
afgetrokken
van
de
beroepsinkomsten van de vennoten of
leden van die vennootschappen en
verenigingen, tenzij en in zover die
vennoten of leden winst of baten
hebben en de daarop aan te rekenen
beroepsverliezen
uit
een
beroepswerkzaamheid
van
dezelfde
aard voortspruiten of tenzij de vennoten
of
leden
bewijzen
dat
die
beroepsverliezen
voortspruiten
uit
verrichtingen die beantwoorden aan
rechtmatige financiële of economische
behoeften.
Art. 90, eerste lid, 9°, van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 90, 9°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
9° meerwaarden op aandelen die:
9° meerwaarden op aandelen die:
-
ofwel,
zijn
verwezenlijkt
naar
aanleiding van de overdracht onder
bezwarende titel van die aandelen
buiten
het
uitoefenen
van
een
beroepswerkzaamheid, daaronder niet
begrepen normale verrichtingen van
beheer van een privé-vermogen ;
-
ofwel,
zijn
verwezenlijkt
naar
aanleiding van de overdracht onder
bezwarende titel van die aandelen
buiten
het
uitoefenen
van
een
beroepswerkzaamheid, daaronder niet
begrepen normale verrichtingen van
beheer van een privé-vermogen ;
- ofwel, rechten in een binnenlandse
vennootschap vertegenwoordigen en
die naar aanleiding van de overdracht
onder
bezwarende
titel
van
die
aandelen aan een in artikel 227, 2° of
3°, vermelde rechtspersoon waarvan de
maatschappelijke zetel, de voornaamste
inrichting of de zetel van bestuur of
beheer niet in een Lidstaat van de
Europese
Economische
Ruimte
is
gevestigd, buiten het uitoefenen van
een
beroepswerkzaamheid
zijn
verwezenlijkt, indien de overdrager, of
zijn
rechtsvoorganger
ingeval
de
aandelen niet onder bezwarende titel
zijn verkregen, op enig tijdstip in de loop
van vijf jaar vóór de overdracht, alleen
- ofwel, rechten in een binnenlandse
vennootschap vertegenwoordigen en
die naar aanleiding van de overdracht
onder
bezwarende
titel
van
die
aandelen aan een in artikel 227, 2° of
3°, vermelde rechtspersoon waarvan de
voornaamste inrichting of de zetel van
bestuur of beheer niet in een Lidstaat
van de Europese Economische Ruimte
is gevestigd, buiten het uitoefenen van
een
beroepswerkzaamheid
zijn
verwezenlijkt, indien de overdrager, of
zijn
rechtsvoorganger
ingeval
de
aandelen niet onder bezwarende titel
zijn verkregen, op enig tijdstip in de loop
van vijf jaar vóór de overdracht, alleen
of samen met zijn echtgenoot of zijn
212
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
afstammelingen, zijn ascendenten, zijn
zijverwanten tot en met de tweede
graad en die van zijn echtgenoot,
middellijk of onmiddellijk meer dan 25
pct. heeft bezeten van de rechten in de
vennootschap waarvan de aandelen
worden overgedragen;
zijverwanten tot en met de tweede
graad en die van zijn echtgenoot,
middellijk of onmiddellijk meer dan 25
pct. heeft bezeten van de rechten in de
vennootschap waarvan de aandelen
worden overgedragen;
Art. 94 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 94 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Wanneer in het tijdvak van 12 maanden
die voorafgaan aan de verwerving van
de aandelen door een in artikel 227, 2°
of 3°, vermelde rechtspersoon waarvan
de
maatschappelijke
zetel,
de
voornaamste inrichting of de zetel van
bestuur of beheer niet in een lidstaat
van de Europese Economische Ruimte
is gevestigd of die volgens de fiscale
wetgeving van een Lidstaat van de
Europese Economische Ruimte, niet
wordt geacht fiscaal in die Staat te zijn
gevestigd zonder volgens een met een
derde staat gesloten verdrag inzake
dubbele
belastingheffing
te
worden
geacht fiscaal buiten de Europese
Economische Ruimte te zijn gevestigd,
één
of
meer
overdrachten
tussen
andere
belastingplichtigen
hebben
plaatsgevonden, zijn de in artikel 90,
eerste lid, 9°, tweede streepje, bedoelde
meerwaarden die bij iedere overdracht
in
dat
tijdvak
zijn
verwezenlijkt,
belastbaar
indien
bij
de
eerste
overdrager
was
voldaan
aan
de
voorwaarde met betrekking tot de
belangrijkheid van de maatschappelijke
rechten in de vennootschap waarvan de
aandelen vervreemd zijn geweest.
Wanneer in het tijdvak van 12 maanden
die voorafgaan aan de verwerving van
de aandelen door een in artikel 227, 2°
of 3°, vermelde rechtspersoon waarvan
de voornaamste inrichting of de zetel
van bestuur of beheer niet in een
lidstaat van de Europese Economische
Ruimte is gevestigd of die volgens de
fiscale wetgeving van een Lidstaat van
de Europese Economische Ruimte, niet
wordt geacht fiscaal in die Staat te zijn
gevestigd zonder volgens een met een
derde staat gesloten verdrag inzake
dubbele
belastingheffing
te
worden
geacht fiscaal buiten de Europese
Economische Ruimte te zijn gevestigd,
één
of
meer
overdrachten
tussen
andere
belastingplichtigen
hebben
plaatsgevonden, zijn de in artikel 90,
eerste lid, 9°, tweede streepje, bedoelde
meerwaarden die bij iedere overdracht
in
dat
tijdvak
zijn
verwezenlijkt,
belastbaar
indien
bij
de
eerste
overdrager
was
voldaan
aan
de
voorwaarde met betrekking tot de
belangrijkheid van de maatschappelijke
rechten in de vennootschap waarvan de
aandelen vervreemd zijn geweest.
Art. 95 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 95 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Niettegenstaande het bepaalde in artikel
90,
eerste
lid,
9°,
worden
de
meerwaarden
op
aandelen
in
Niettegenstaande het bepaalde in artikel
90,
eerste
lid,
9°,
worden
de
meerwaarden
op
aandelen
in
213
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
binnenlandse vennootschappen of in
intra-Europese vennootschappen, in de
mate dat ze worden gerealiseerd naar
aanleiding van een fusie, een splitsing,
een met fusie of splitsing gelijkgestelde
verrichting, een aanneming van een
andere rechtsvorm of de inbreng van
deze aandelen in een binnenlandse
vennootschap of een intra-Europese
vennootschap, tijdelijk vrijgesteld, op
voorwaarde dat:
binnenlandse vennootschappen of in
intra-Europese vennootschappen, in de
mate dat ze worden gerealiseerd naar
aanleiding van een fusie, een splitsing,
een met fusie of splitsing gelijkgestelde
verrichting, een aanneming van een
andere rechtsvorm of de inbreng van
deze aandelen in een binnenlandse
vennootschap of een intra-Europese
vennootschap, tijdelijk vrijgesteld, op
voorwaarde dat:
- de aandelen worden geruild voor
nieuwe aandelen uitgegeven door de
inbreng-verkrijgende vennootschap met
eventueel een opleg in geld die niet
meer bedraagt dan 10 pct. van de
nominale waarde, of bij gebreke aan
nominale waarde, van de fractiewaarde
van de nieuw uitgegeven aandelen ;
- de aandelen worden geruild voor
nieuwe aandelen uitgegeven door de
inbreng-verkrijgende vennootschap met
eventueel een opleg in geld die niet
meer bedraagt dan 10 pct. van de
nominale waarde, of bij gebreke aan
nominale waarde, van de fractiewaarde
van de nieuw uitgegeven aandelen ;
-
en
dat
de
inbrengverkrijgende
vennootschap in het totaal meer dan 50
pct. van de stemmen verwerft in de
vennootschap waarvan de aandelen
worden ingebracht, of dat deze, indien
zij reeds over een meerderheid van de
stemmen beschikt, haar deelneming
vergroot.
-
en
dat
de
inbrengverkrijgende
vennootschap in het totaal meer dan 50
pct. van de stemmen verwerft in de
vennootschap waarvan de aandelen
worden ingebracht, of dat deze, indien
zij reeds over een meerderheid van de
stemmen beschikt, haar deelneming
vergroot;
indien
de
inbrengverkrijgende
vennootschap
een vennootschap is bedoeld in
artikel 2, § 1, 6°, a, 2, moet onder de
fractiewaarde worden verstaan de
inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de
jaarrekening,
van
alle
door
de
aandeelhouders
toegezegde
inbrengen in geld of in natura, met
uitzondering van de inbrengen in
nijverheid,
in
voorkomend
geval
verhoogd met de reserves die op
grond van een statutaire bepaling
slechts
aan
de
aandeelhouders
kunnen worden uitgekeerd mits een
statutenwijziging, dit alles gedeeld
door het aantal aandelen.
De vrijstelling is slechts van toepassing
indien de verrichting aan het bepaalde
in artikel 183bis beantwoordt.
De vrijstelling is slechts van toepassing
indien de verrichting aan het bepaalde
in artikel 183bis beantwoordt.
214
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
afhankelijk van de voorwaarde dat de
belastingplichtige tot staving van zijn
aangiften
in
de
personenbelasting,
volgend op deze waarin de verrichting
heeft plaatsgevonden, het bewijs levert
dat hij de ontvangen aandelen nog in
zijn bezit heeft en dat ze niet het
voorwerp hebben uitgemaakt van een
gehele of gedeeltelijke terugbetaling.
afhankelijk van de voorwaarde dat de
belastingplichtige tot staving van zijn
aangiften
in
de
personenbelasting,
volgend op deze waarin de verrichting
heeft plaatsgevonden, het bewijs levert
dat hij de ontvangen aandelen nog in
zijn bezit heeft en dat ze niet het
voorwerp hebben uitgemaakt van een
gehele of gedeeltelijke terugbetaling.
De
gerealiseerde
meerwaarde
of
minderwaarde is gelijk aan het verschil
tussen de werkelijke waarde van de
ontvangen
aandelen
en
de
aanschaffingswaarde
van
de
oorspronkelijk gehouden aandelen. Ze
wordt beschouwd als een belastbaar
inkomen voor het belastbaar tijdperk
tijdens hetwelk de voorwaarde van bezit
niet langer vervuld is.
De
gerealiseerde
meerwaarde
of
minderwaarde is gelijk aan het verschil
tussen de werkelijke waarde van de
ontvangen
aandelen
en
de
aanschaffingswaarde
van
de
oorspronkelijk gehouden aandelen. Ze
wordt beschouwd als een belastbaar
inkomen voor het belastbaar tijdperk
tijdens hetwelk de voorwaarde van bezit
niet langer vervuld is.
Art. 145 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 145 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Als ten laste worden niet aangemerkt de
personen die deel uitmaken van het
gezin van de belastingplichtige en :
Als ten laste worden niet aangemerkt de
personen die deel uitmaken van het
gezin van de belastingplichtige en :
1° bezoldigingen genieten die voor de
belastingplichtige beroepskosten zijn;
1° bezoldigingen genieten die voor de
belastingplichtige beroepskosten zijn;
2°
als
student-zelfstandige
zoals
bedoeld in artikel 5quater van het
koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967
houdende inrichting van het sociaal
statuut der zelfstandigen bezoldigingen
van
bedrijfsleiders
genieten
die
beroepskosten
vormen
voor
een
vennootschap, wanneer aan de twee
onderstaande voorwaarden is voldaan :
2°
als
student-zelfstandige
zoals
bedoeld in artikel 5quater van het
koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967
houdende inrichting van het sociaal
statuut der zelfstandigen bezoldigingen
van
bedrijfsleiders
genieten
die
beroepskosten
vormen
voor
een
vennootschap, wanneer aan de twee
onderstaande voorwaarden is voldaan :
a) de belastingplichtige oefent controle
in de zin van artikel 5 van het Wetboek
van
vennootschappen
uit
over
de
vennootschap;
a) de belastingplichtige oefent controle
in de zin van artikel 1:14 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen uit over de vennootschap;
b) de belastingplichtige is, rechtstreeks
of onrechtstreeks, een in artikel 32,
eerste lid, bedoelde bedrijfsleider van de
b) de belastingplichtige is, rechtstreeks
of onrechtstreeks, een in artikel 32,
eerste lid, bedoelde bedrijfsleider van de
215
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap.
vennootschap.
Het eerste lid, 2°, is slechts van
toepassing
wanneer
de
beoogde
bezoldigingen van bedrijfsleiders meer
bedragen dan 2 000 euro en meer dan
de helft vormen van de belastbare
inkomsten, met uitzondering van de
onderhoudsuitkeringen.
Het eerste lid, 2°, is slechts van
toepassing
wanneer
de
beoogde
bezoldigingen van bedrijfsleiders meer
bedragen dan 2 000 euro en meer dan
de helft vormen van de belastbare
inkomsten, met uitzondering van de
onderhoudsuitkeringen.
Art. 1451 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 1451 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Binnen de grenzen en onder de
voorwaarden bepaald in de artikelen
1452
tot
14516
wordt
een
belastingvermindering
verleend
die
wordt
berekend
op
de
volgende
uitgaven die tijdens het belastbare
tijdperk werkelijk zijn betaald :
Binnen de grenzen en onder de
voorwaarden bepaald in de artikelen
1452
tot
14516
wordt
een
belastingvermindering
verleend
die
wordt
berekend
op
de
volgende
uitgaven die tijdens het belastbare
tijdperk werkelijk zijn betaald :
1° als in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a
tot c, bedoelde persoonlijke bijdragen en
premies die worden betaald door de
werkgever
via
inhouding
op
de
bezoldigingen van de werknemer of
door de onderneming via inhouding op
de bezoldigingen van de bedrijfsleider
zonder dienstverband ;
1° als in artikel 34, § 1, 2°, eerste lid, a
tot c, bedoelde persoonlijke bijdragen en
premies die worden betaald door de
werkgever
via
inhouding
op
de
bezoldigingen van de werknemer of
door de onderneming via inhouding op
de bezoldigingen van de bedrijfsleider
zonder dienstverband ;
*** vanaf AJ 2019
1°bis als bijdragen en premies voor een
aanvullend pensioen als bedoeld in
artikel 34, § 1, 2° ter;
*** vanaf AJ 2019
1°bis als bijdragen en premies voor een
aanvullend pensioen als bedoeld in
artikel 34, § 1, 2° ter;
2° als bijdragen van een aanvullende
verzekering
tegen
ouderdom
en
vroegtijdige
dood
die
de
belastingplichtige tot uitvoering van een
individueel
gesloten
levensverzekeringscontract definitief in
een
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte heeft betaald voor
het vestigen van een rente of van een
kapitaal bij leven of bij overlijden ;
2° als bijdragen van een aanvullende
verzekering
tegen
ouderdom
en
vroegtijdige
dood
die
de
belastingplichtige tot uitvoering van een
individueel
gesloten
levensverzekeringscontract definitief in
een
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte heeft betaald voor
het vestigen van een rente of van een
kapitaal bij leven of bij overlijden ;
3° als betalingen voor de aflossing of
wedersamenstelling
van
een
3° als betalingen voor de aflossing of
wedersamenstelling
van
een
216
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
hypothecaire lening die is aangegaan
om een in een lidstaat van de Europese
Economische Ruimte gelegen woning,
andere dan de eigen woning van de
belastingplichtige,
te
bouwen,
te
verwerven of te verbouwen ;
hypothecaire lening die is aangegaan
om een in een lidstaat van de Europese
Economische Ruimte gelegen woning,
andere dan de eigen woning van de
belastingplichtige,
te
bouwen,
te
verwerven of te verbouwen ;
4° als betalingen in geld voor aandelen
waarop
de
belastingplichtige
als
werknemer heeft ingeschreven en die
een fractie vertegenwoordigen van het
maatschappelijk
kapitaal
van
de
vennootschap
met
maatschappelijke
zetel, voornaamste inrichting of zetel
van bestuur of beheer in een lidstaat
van de Europese Economische Ruimte,
die de belastingplichtige tewerkstelt of
waarvan
de
vennootschap
-
werkgeefster in de zin van het Wetboek
van
vennootschappen
of
van
een
daarmee vergelijkbare regelgeving van
een
lidstaat
van
de
Europese
Economische
Ruimte
onweerlegbaar
wordt
geacht
een
dochter-
of
kleindochteronderneming te zijn ;
4° als betalingen in geld voor aandelen
waarop
de
belastingplichtige
als
werknemer heeft ingeschreven en die
een fractie vertegenwoordigen van het
kapitaal van de vennootschap met
voornaamste inrichting of zetel van
bestuur of beheer in een lidstaat van de
Europese Economische Ruimte, die de
belastingplichtige tewerkstelt of waarvan
de vennootschap - werkgeefster in de
zin
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen,
of, indien de vennootschap niet door
dit
Wetboek
beheerst
is,
de
gelijkaardige bepalingen die op haar
van toepassing zijn onweerlegbaar
wordt
geacht
een
dochter-
of
kleindochteronderneming te zijn ;
5°
als
betalingen
voor
het
pensioensparen ;
5°
als
betalingen
voor
het
pensioensparen ;
Art. 14526 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 14526 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. Er wordt een belastingvermindering
verleend voor de betalingen voor :
§ 1. Er wordt een belastingvermindering
verleend voor de betalingen voor :
a) nieuwe aandelen op naam verworven
met inbrengen in geld die een fractie
vertegenwoordigen
van
het
maatschappelijk kapitaal van een in § 3,
eerste lid, bedoelde vennootschap en
waarop
de
belastingplichtige,
hetzij
rechtstreeks,
hetzij
via
een
crowdfundingplatform,
heeft
ingeschreven naar aanleiding van de
oprichting van die vennootschap of een
kapitaalverhoging binnen de vier jaar na
de oprichting ervan en die hij volledig
heeft volstort;
a) nieuwe aandelen op naam verworven
met inbrengen in geld die een fractie
vertegenwoordigen van het kapitaal van
een in § 3, eerste lid, bedoelde
vennootschap
en
waarop
de
belastingplichtige, hetzij rechtstreeks,
hetzij via een crowdfundingplatform,
heeft ingeschreven naar aanleiding van
de oprichting van die vennootschap of
een kapitaalverhoging binnen de vier
jaar na de oprichting ervan en die hij
volledig heeft volstort;
217
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
b) nieuwe beleggingsinstrumenten die
zijn
uitgegeven
door
een
financieringsvehikel als bedoeld in de
wet van 18 december 2016 tot regeling
van de erkenning en de afbakening van
crowdfunding
en
houdende
diverse
bepalingen inzake financiën, en waarop
de
belastingplichtige
via
een
crowdfunding-platform
heeft
ingeschreven, op voorwaarde dat het
financieringsvehikel de betalingen van
de belastingplichtigen, desgevallend na
aftrek van een vergoeding voor zijn
intermediaire rol, rechtstreeks investeert
in nieuwe aandelen op naam die een
fractie
vertegenwoordigen
van
het
maatschappelijk kapitaal van een in § 3,
eerste lid, bedoelde vennootschap, naar
aanleiding van de oprichting van die
vennootschap of een kapitaalverhoging
binnen de vier jaar na de oprichting
ervan en die het volledig heeft volstort.
Emittenten
van
certificaten
van
aandelen
worden
gelijkgesteld
met
financieringsvehikels;
b) nieuwe beleggingsinstrumenten die
zijn
uitgegeven
door
een
financieringsvehikel als bedoeld in de
wet van 18 december 2016 tot regeling
van de erkenning en de afbakening van
crowdfunding
en
houdende
diverse
bepalingen inzake financiën, en waarop
de
belastingplichtige
via
een
crowdfunding-platform
heeft
ingeschreven, op voorwaarde dat het
financieringsvehikel de betalingen van
de belastingplichtigen, desgevallend na
aftrek van een vergoeding voor zijn
intermediaire rol, rechtstreeks investeert
in nieuwe aandelen op naam die een
fractie
vertegenwoordigen
van
het
kapitaal van een in § 3, eerste lid,
bedoelde
vennootschap,
naar
aanleiding van de oprichting van die
vennootschap of een kapitaalverhoging
binnen de vier jaar na de oprichting
ervan en die het volledig heeft volstort.
Emittenten
van
certificaten
van
aandelen
worden
gelijkgesteld
met
financieringsvehikels;
c) nieuwe rechten van deelneming,
verworven met inbrengen in geld, die
een fractie vertegenwoordigen van het
maatschappelijk
kapitaal
in
een
openbaar startersfonds of een private
startersprivak, die voldoet aan de in § 2
gestelde voorwaarden en waarop de
belastingplichtige heeft ingeschreven
naar aanleiding van de uitgifte van die
rechten van deelneming.
c) nieuwe rechten van deelneming,
verworven met inbrengen in geld, die
een fractie vertegenwoordigen van het
kapitaal in een openbaar startersfonds
of een private startersprivak, die voldoet
aan de in § 2 gestelde voorwaarden en
waarop
de
belastingplichtige
heeft
ingeschreven naar aanleiding van de
uitgifte van die rechten van deelneming.
Het
in
het
eerste
lid
bedoelde
crowdfundingplatform is een Belgisch
platform of een platform naar het recht
van
een
andere
lidstaat
van
de
Europese Economische Ruimte, dat als
alternatieve-financieringsplatform
is
vergund
door
de
Autoriteit
voor
Financiële Diensten en Markten of wordt
uitgebaat
door
een
Belgische
gereglementeerde onderneming of een
gereglementeerde onderneming naar
het recht van een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte, die, op
Het
in
het
eerste
lid
bedoelde
crowdfundingplatform is een Belgisch
platform of een platform naar het recht
van
een
andere
lidstaat
van
de
Europese Economische Ruimte, dat als
alternatieve-financieringsplatform
is
vergund
door
de
Autoriteit
voor
Financiële Diensten en Markten of wordt
uitgebaat
door
een
Belgische
gereglementeerde onderneming of een
gereglementeerde onderneming naar
het recht van een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte, die, op
218
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
grond van haar statuut, een dergelijke
activiteit mag verrichten, conform de wet
van 18 december 2016 tot regeling van
de erkenning en de afbakening van
crowdfunding
en
houdende
diverse
bepalingen inzake financiën.
grond van haar statuut, een dergelijke
activiteit mag verrichten, conform de wet
van 18 december 2016 tot regeling van
de erkenning en de afbakening van
crowdfunding
en
houdende
diverse
bepalingen inzake financiën.
Voor de toepassing van dit artikel wordt
een
vennootschap
geacht
te
zijn
opgericht op datum van de neerlegging
van de oprichtingsakte ter griffie van de
rechtbank van koophandel of van een
gelijkaardige registratieformaliteit in een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte.
Voor de toepassing van dit artikel wordt
een
vennootschap
geacht
te
zijn
opgericht op datum van de neerlegging
van de oprichtingsakte ter griffie van de
rechtbank van koophandel of van een
gelijkaardige registratieformaliteit in een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte.
Wanneer
de
activiteit
van
de
vennootschap bestaat uit de voortzetting
van een werkzaamheid die voorheen
werd uitgeoefend door een natuurlijke
persoon of een andere rechtspersoon,
wordt de vennootschap, in afwijking van
het derde lid, geacht te zijn opgericht op
het ogenblik van de eerste inschrijving
in
de
Kruispuntbank
van
Ondernemingen door die natuurlijke
persoon,
respectievelijk
van
de
neerlegging van de oprichtingsakte van
die andere rechtspersoon ter griffie van
de rechtbank van koophandel of van het
vervullen
van
een
gelijkaardige
registratieformaliteit door die natuurlijke
persoon of andere rechtspersoon in een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte.
Wanneer
de
activiteit
van
de
vennootschap bestaat uit de voortzetting
van een werkzaamheid die voorheen
werd uitgeoefend door een natuurlijke
persoon of een andere rechtspersoon,
wordt de vennootschap, in afwijking van
het derde lid, geacht te zijn opgericht op
het ogenblik van de eerste inschrijving
in
de
Kruispuntbank
van
Ondernemingen door die natuurlijke
persoon,
respectievelijk
van
de
neerlegging van de oprichtingsakte van
die andere rechtspersoon ter griffie van
de rechtbank van koophandel of van het
vervullen
van
een
gelijkaardige
registratieformaliteit door die natuurlijke
persoon of andere rechtspersoon in een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte.
§ 2. Het in § 1, eerste lid, c, bedoelde
openbaar startersfonds en de in § 1,
eerste
lid,
c,
bedoelde
private
startersprivak
zijn
beleggingsvennootschappen met een
vast aantal rechten van deelneming,
respectievelijk opgenomen op de lijst
van openbare startersfondsen opgesteld
door
de
Autoriteit
voor
Financiële
Diensten en Markten, en de lijst van
private startersprivaks opgesteld door
de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 2. Het in § 1, eerste lid, c, bedoelde
openbaar startersfonds en de in § 1,
eerste
lid,
c,
bedoelde
private
startersprivak
zijn
beleggingsvennootschappen met een
vast aantal rechten van deelneming,
respectievelijk opgenomen op de lijst
van openbare startersfondsen opgesteld
door
de
Autoriteit
voor
Financiële
Diensten en Markten, en de lijst van
private startersprivaks opgesteld door
de Federale Overheidsdienst Financiën.
De rechten van deelneming in het
openbaar startersfonds en de private
De rechten van deelneming in het
openbaar startersfonds en de private
219
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
startersprivak zijn op naam gesteld.
startersprivak zijn op naam gesteld.
Het openbaar startersfonds en de
private
startersprivak
investeren
de
inbrengen, desgevallend na aftrek van
een vergoeding voor hun intermediaire
rol, uitsluitend in de hierna vermelde
investeringen en binnen de hierna
vermelde grenzen :
Het openbaar startersfonds en de
private
startersprivak
investeren
de
inbrengen, desgevallend na aftrek van
een vergoeding voor hun intermediaire
rol, uitsluitend in de hierna vermelde
investeringen en binnen de hierna
vermelde grenzen :
1° ten minste 80 pct. wordt rechtstreeks
geïnvesteerd in nieuwe aandelen op
naam die een fractie vertegenwoordigen
van het maatschappelijk kapitaal van in
§
3,
eerste
lid,
bedoelde
vennootschappen
die
worden
uitgegeven naar aanleiding van de
oprichting
van
een
dergelijke
vennootschap of een kapitaalverhoging
binnen de vier jaar na de oprichting
ervan en die volledig worden volstort;
1° ten minste 80 pct. wordt rechtstreeks
geïnvesteerd in nieuwe aandelen op
naam die een fractie vertegenwoordigen
van het kapitaal van in § 3, eerste lid,
bedoelde vennootschappen die worden
uitgegeven naar aanleiding van de
oprichting
van
een
dergelijke
vennootschap of een kapitaalverhoging
binnen de vier jaar na de oprichting
ervan en die volledig worden volstort;
2°
ten
hoogste
20
pct.
wordt
aangehouden
onder
de
vorm
van
contanten op een rekening in euro of in
een munt van een andere lidstaat van
de Europese Economische Ruimte, bij
een kredietinstelling die is erkend en
wordt
gecontroleerd
door
een
toezichthoudende overheid van een
lidstaat van de Europese Economische
Ruimte.
2°
ten
hoogste
20
pct.
wordt
aangehouden
onder
de
vorm
van
contanten op een rekening in euro of in
een munt van een andere lidstaat van
de Europese Economische Ruimte, bij
een kredietinstelling die is erkend en
wordt
gecontroleerd
door
een
toezichthoudende overheid van een
lidstaat van de Europese Economische
Ruimte.
Indien een openbaar startersfonds of
een
private
startersprivak
compartimenten
opricht,
wordt
de
naleving van de bepalingen van het
voorgaande lid gecontroleerd voor elk
compartiment afzonderlijk waarvoor de
belastingvermindering wordt toegekend.
Indien een openbaar startersfonds of
een
private
startersprivak
compartimenten
opricht,
wordt
de
naleving van de bepalingen van het
voorgaande lid gecontroleerd voor elk
compartiment afzonderlijk waarvoor de
belastingvermindering wordt toegekend.
De rechten van deelneming in een
openbaar startersfonds of in een private
startersprivak komen enkel voor de
belastingvermindering
in
aanmerking
van zodra op 31 december van een
belastbaar
tijdperk
blijkt
dat
de
opgehaalde sommen zijn geïnvesteerd
in nieuwe aandelen binnen de in het
derde
lid
bedoelde
grenzen
en
voorwaarden. De belastingvermindering
De rechten van deelneming in een
openbaar startersfonds of in een private
startersprivak komen enkel voor de
belastingvermindering
in
aanmerking
van zodra op 31 december van een
belastbaar
tijdperk
blijkt
dat
de
opgehaalde sommen zijn geïnvesteerd
in nieuwe aandelen binnen de in het
derde
lid
bedoelde
grenzen
en
voorwaarden. De belastingvermindering
220
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
wordt toegekend voor het aanslagjaar
dat is verbonden aan het belastbaar
tijdperk waarin de datum van 31
december valt waarop aan de in het
derde
lid
bedoelde
investeringsvoorwaarde is voldaan.
wordt toegekend voor het aanslagjaar
dat is verbonden aan het belastbaar
tijdperk waarin de datum van 31
december valt waarop aan de in het
derde
lid
bedoelde
investeringsvoorwaarde is voldaan.
Bij vervreemding van een in het derde
lid, 1°, bedoelde investering, tijdens de
termijn van 48 maanden na het einde
van het belastbaar tijdperk waarvoor de
belastingvermindering wordt toegekend,
zijn
de
volgende
bepalingen
van
toepassing :
Bij vervreemding van een in het derde
lid, 1°, bedoelde investering, tijdens de
termijn van 48 maanden na het einde
van het belastbaar tijdperk waarvoor de
belastingvermindering wordt toegekend,
zijn
de
volgende
bepalingen
van
toepassing :
1°
indien
de
opbrengst
van
de
vervreemding lager is dan 70 pct. van
het bedrag van de oorspronkelijke
investering,
moeten
de
betrokken
bedragen
niet
opnieuw
worden
geïnvesteerd;
1°
indien
de
opbrengst
van
de
vervreemding lager is dan 70 pct. van
het bedrag van de oorspronkelijke
investering,
moeten
de
betrokken
bedragen
niet
opnieuw
worden
geïnvesteerd;
2°
indien
de
opbrengst
van
de
vervreemding is begrepen tussen de 70
pct. en 100 pct. van het bedrag van de
oorspronkelijke investering, moeten de
betrokken bedragen volledig opnieuw
worden geïnvesteerd in in het derde lid,
1°, bedoelde nieuwe aandelen op naam,
binnen de zes maanden vanaf het
moment van de vervreemding;
2°
indien
de
opbrengst
van
de
vervreemding is begrepen tussen de 70
pct. en 100 pct. van het bedrag van de
oorspronkelijke investering, moeten de
betrokken bedragen volledig opnieuw
worden geïnvesteerd in in het derde lid,
1°, bedoelde nieuwe aandelen op naam,
binnen de zes maanden vanaf het
moment van de vervreemding;
3°
indien
de
opbrengst
van
de
vervreemding
het
bedrag
van
de
oorspronkelijke investering overschrijdt,
moet een bedrag dat gelijk is aan het
bedrag
van
de
oorspronkelijke
investering
opnieuw
worden
geïnvesteerd in in het derde lid, 1°,
bedoelde nieuwe aandelen op naam,
binnen de zes maanden vanaf het
moment van de vervreemding.
3°
indien
de
opbrengst
van
de
vervreemding
het
bedrag
van
de
oorspronkelijke investering overschrijdt,
moet een bedrag dat gelijk is aan het
bedrag
van
de
oorspronkelijke
investering
opnieuw
worden
geïnvesteerd in in het derde lid, 1°,
bedoelde nieuwe aandelen op naam,
binnen de zes maanden vanaf het
moment van de vervreemding.
Onder de in het zesde lid bedoelde
"vervreemding van een investering",
wordt eveneens bedoeld, de sluiting van
de vereffening van de vennootschap
waarin werd geïnvesteerd.
Onder de in het zesde lid bedoelde
"vervreemding van een investering",
wordt eveneens bedoeld, de sluiting van
de vereffening van de vennootschap
waarin werd geïnvesteerd.
De in het zesde lid bedoelde verplichting
om opnieuw te investeren is niet van
De in het zesde lid bedoelde verplichting
om opnieuw te investeren is niet van
221
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
toepassing indien de voormelde termijn
van zes maanden afloopt na het
verstrijken van de termijn van 48
maanden
na
het
einde
van
het
belastbaar
tijdperk
waarvoor
de
belastingvermindering wordt toegekend.
toepassing indien de voormelde termijn
van zes maanden afloopt na het
verstrijken van de termijn van 48
maanden
na
het
einde
van
het
belastbaar
tijdperk
waarvoor
de
belastingvermindering wordt toegekend.
§ 3. Dit artikel is van toepassing op de
aandelen van een vennootschap die
tezelfdertijd
aan
alle
onderstaande
voorwaarden voldoet :
§ 3. Dit artikel is van toepassing op de
aandelen van een vennootschap die
tezelfdertijd
aan
alle
onderstaande
voorwaarden voldoet :
1°
de
vennootschap
is
een
binnenlandse
vennootschap
of
een
vennootschap
waarvan
de
maatschappelijke zetel, voornaamste
inrichting of zetel van bestuur of beheer
gevestigd is in een andere lidstaat van
de Europese Economische Ruimte en
die over een in artikel 229 bedoelde
Belgische inrichting beschikt, die ten
vroegste op 1 januari 2013 werd
opgericht;
1°
de
vennootschap
is
een
binnenlandse
vennootschap
of
een
vennootschap waarvan de voornaamste
inrichting of zetel van bestuur of beheer
gevestigd is in een andere lidstaat van
de Europese Economische Ruimte en
die over een in artikel 229 bedoelde
Belgische inrichting beschikt, die ten
vroegste op 1 januari 2013 werd
opgericht;
2° de vennootschap is niet opgericht in
het kader van een fusie of splitsing van
vennootschappen;
2° de vennootschap is niet opgericht in
het kader van een fusie of splitsing van
vennootschappen;
3° de vennootschap wordt op grond van
artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van
vennootschappen
als
kleine
vennootschap aangemerkt voor het
aanslagjaar dat verbonden is aan het
belastbare
tijdperk
waarin
de
kapitaalinbreng wordt gedaan;
3° de vennootschap wordt op grond van
artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen als kleine vennootschap
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbare tijdperk
waarin
de
kapitaalinbreng
wordt
gedaan;
4° de vennootschap is geen beleggings-
,
thesaurie-
of
financieringsvennootschap;
4° de vennootschap is geen beleggings-
,
thesaurie-
of
financieringsvennootschap;
5°
de
vennootschap
is
geen
vennootschap
met
als
statutair
hoofddoel of voornaamste activiteit de
oprichting, de verwerving, het beheer,
de verbouwing, de verkoop of de
verhuur
van
vastgoed
voor
eigen
rekening of het bezit van deelnemingen
in vennootschappen met een soortgelijk
doel, noch een vennootschap waarin
onroerende
goederen
of
andere
5°
de
vennootschap
is
geen
vennootschap
met
als
statutair
hoofddoel of voornaamste activiteit de
oprichting, de verwerving, het beheer,
de verbouwing, de verkoop of de
verhuur
van
vastgoed
voor
eigen
rekening of het bezit van deelnemingen
in vennootschappen met een soortgelijk
doel, noch een vennootschap waarin
onroerende
goederen
of
andere
222
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
zakelijke rechten met betrekking tot
dergelijke goederen zijn ondergebracht,
waarvan natuurlijke personen die in de
vennootschap een opdracht of functies
als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°,
uitoefenen, hun echtgenoot of hun
kinderen wanneer die personen of hun
echtgenoot het wettelijk genot van de
inkomsten van die kinderen hebben, het
gebruik hebben;
zakelijke rechten met betrekking tot
dergelijke goederen zijn ondergebracht,
waarvan natuurlijke personen die in de
vennootschap een opdracht of functies
als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°,
uitoefenen, hun echtgenoot of hun
kinderen wanneer die personen of hun
echtgenoot het wettelijk genot van de
inkomsten van die kinderen hebben, het
gebruik hebben;
6°
de
vennootschap
is
geen
vennootschap die is opgericht met het
oog
op
het
afsluiten
van
een
management-
of
bestuurdersovereenkomst of die haar
voornaamste bron van inkomsten haalt
uit
management-
of
bestuurdersovereenkomsten;
6°
de
vennootschap
is
geen
vennootschap die is opgericht met het
oog
op
het
afsluiten
van
een
management-
of
bestuurdersovereenkomst of die haar
voornaamste bron van inkomsten haalt
uit
management-
of
bestuurdersovereenkomsten;
7° de vennootschap is een niet-
beursgenoteerde vennootschap;
7° de vennootschap is een niet-
beursgenoteerde vennootschap;
*** vanaf AJ 2019
8° de vennootschap heeft nog geen
kapitaalvermindering
doorgevoerd,
behoudens de kapitaalverminderingen
ter aanzuivering van een geleden verlies
of om een reserve te vormen tot dekking
van
een
voorzienbaar
verlies,
of
dividenden uitgekeerd;
*** vanaf AJ 2019
8° de vennootschap heeft nog geen
kapitaalvermindering
doorgevoerd,
behoudens de kapitaalverminderingen
ter aanzuivering van een geleden verlies
of om een reserve te vormen tot dekking
van
een
voorzienbaar
verlies,
of
dividenden uitgekeerd;
9° de vennootschap maakt niet het
voorwerp
uit
van
een
collectieve
insolventieprocedure of bevindt zich niet
in de voorwaarden van een collectieve
insolventieprocedure;
9° de vennootschap maakt niet het
voorwerp
uit
van
een
collectieve
insolventieprocedure of bevindt zich niet
in de voorwaarden van een collectieve
insolventieprocedure;
10°
de
vennootschap
gebruikt
de
ontvangen
sommen
niet
voor
de
uitkering van dividenden of de aankoop
van
aandelen,
noch
voor
het
verstrekken van leningen;
10°
de
vennootschap
gebruikt
de
ontvangen
sommen
niet
voor
de
uitkering van dividenden of de aankoop
van
aandelen,
noch
voor
het
verstrekken van leningen;
11° de vennootschap heeft na de
betaling van de in § 1, eerste lid, a en b,
bedoelde sommen door respectievelijk
de
belastingplichtige
of
het
financieringsvehikel, of de in § 2, derde
lid, 1°, bedoelde investering door een
11° de vennootschap heeft na de
betaling van de in § 1, eerste lid, a en b,
bedoelde sommen door respectievelijk
de
belastingplichtige
of
het
financieringsvehikel, of de in § 2, derde
lid, 1°, bedoelde investering door een
223
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
openbaar startersfonds of een private
startersprivak niet meer dan 250.000
euro ontvangen via de toepassing van
dit artikel.
openbaar startersfonds of een private
startersprivak niet meer dan 250.000
euro ontvangen via de toepassing van
dit artikel.
Aan de in het eerste lid, 4° tot 6° en 10°,
vermelde voorwaarden moet door de
vennootschap
worden
voldaan
gedurende de 48 maanden volgend op
de volstorting van de aandelen van de
vennootschap.
Aan de in het eerste lid, 4° tot 6° en 10°,
vermelde voorwaarden moet door de
vennootschap
worden
voldaan
gedurende de 48 maanden volgend op
de volstorting van de aandelen van de
vennootschap.
De belastingvermindering is niet van
toepassing op :
De belastingvermindering is niet van
toepassing op :
1° uitgaven die in aanmerking zijn
genomen voor de toepassing van artikel
1451, 4° of 14532;
1° uitgaven die in aanmerking zijn
genomen voor de toepassing van artikel
1451, 4° of 14532;
*** vanaf AJ 2019
2° betalingen voor het verwerven van
aandelen,
rechtstreeks
of
via
een
crowdfunding-platform als bedoeld in §
1,
eerste
lid,
a,
via
een
financieringsvehikel als bedoeld in § 1,
eerste lid, b, of via een openbaar
startersfonds
of
een
private
startersprivak als bedoeld in § 1, eerste
lid, c, in een vennootschap :
*** vanaf AJ 2019
2° betalingen voor het verwerven van
aandelen,
rechtstreeks
of
via
een
crowdfunding-platform als bedoeld in §
1,
eerste
lid,
a,
via
een
financieringsvehikel als bedoeld in § 1,
eerste lid, b, of via een openbaar
startersfonds
of
een
private
startersprivak als bedoeld in § 1, eerste
lid, c, in een vennootschap :
a)
waarin
de
belastingplichtige,
rechtstreeks of onrechtstreeks, op het
ogenblik van de kapitaalinbreng, een in
artikel
32,
eerste
lid,
bedoelde
bedrijfsleider is;
a)
waarin
de
belastingplichtige,
rechtstreeks of onrechtstreeks, op het
ogenblik van de kapitaalinbreng, een in
artikel
32,
eerste
lid,
bedoelde
bedrijfsleider is;
b)
waarin
de
belastingplichtige,
rechtstreeks of onrechtstreeks, een in
artikel
32,
eerste
lid,
bedoelde
bedrijfsleider is, tenzij hij daarvoor geen
vergoeding verkrijgt;
b)
waarin
de
belastingplichtige,
rechtstreeks of onrechtstreeks, een in
artikel
32,
eerste
lid,
bedoelde
bedrijfsleider is, tenzij hij daarvoor geen
vergoeding verkrijgt;
c) waarin de belastingplichtige, op het
ogenblik van de kapitaalinbreng, als
vaste
vertegenwoordiger
van
een
andere vennootschap een opdracht als
bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of
een gelijksoortige functie uitoefent;
c) waarin de belastingplichtige, op het
ogenblik van de kapitaalinbreng, als
vaste
vertegenwoordiger
van
een
andere vennootschap een opdracht als
bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of
een gelijksoortige functie uitoefent;
d) die een aannemings- of lastgevings-
d) die een aannemings- of lastgevings-
224
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
overeenkomst heeft gesloten met een
andere
vennootschap
waarvan
de
belastingplichtige aandeelhouder is, op
het ogenblik van de kapitaalinbreng, en
waarbij die andere vennootschap er zich
toe
heeft
verbonden
om
tegen
vergoeding een leidende werkzaamheid
van dagelijks bestuur, van commerciële,
financiële of technische aard op zich te
nemen in de eerste vennootschap;
overeenkomst heeft gesloten met een
andere
vennootschap
waarvan
de
belastingplichtige aandeelhouder is, op
het ogenblik van de kapitaalinbreng, en
waarbij die andere vennootschap er zich
toe
heeft
verbonden
om
tegen
vergoeding een leidende werkzaamheid
van dagelijks bestuur, van commerciële,
financiële of technische aard op zich te
nemen in de eerste vennootschap;
3° betalingen voor het verwerven van
aandelen
van
een
vennootschap,
rechtstreeks
of
via
een
een
crowdfundingplatform als bedoeld in § 1,
eerste lid, a, via een financieringsvehikel
als bedoeld in § 1, eerste lid, b, of via
een openbaar startersfonds of een
private startersprivak als bedoeld in § 1,
eerste lid, c, met betrekking tot het
gedeelte van die aandelen waardoor de
belastingplichtige
een
vertegenwoordiging van meer dan 30
pct. van het maatschappelijk kapitaal
van die vennootschap bekomt;
3° betalingen voor het verwerven van
aandelen
van
een
vennootschap,
rechtstreeks
of
via
een
een
crowdfundingplatform als bedoeld in § 1,
eerste lid, a, via een financieringsvehikel
als bedoeld in § 1, eerste lid, b, of via
een openbaar startersfonds of een
private startersprivak als bedoeld in § 1,
eerste lid, c, met betrekking tot het
gedeelte van die aandelen waardoor de
belastingplichtige
een
vertegenwoordiging van meer dan 30
pct.
van
het
kapitaal
van
die
vennootschap bekomt;
4° betalingen voor het verwerven van
aandelen
van
een
vennootschap,
rechtstreeks
of
via
een
crowdfundingplatform als bedoeld in § 1,
eerste lid, a, via een financieringsvehikel
als bedoeld in § 1, eerste lid, b, of via
een openbaar startersfonds of een
private startersprivak als bedoeld in § 1,
eerste lid, c, onder de vorm van een
quasi-inbreng als bedoeld in de artikelen
220, 396, 445 of 657 van het Wetboek
van Vennootschappen.
4° betalingen voor het verwerven van
aandelen
van
een
vennootschap,
rechtstreeks
of
via
een
crowdfundingplatform als bedoeld in § 1,
eerste lid, a, via een financieringsvehikel
als bedoeld in § 1, eerste lid, b, of via
een openbaar startersfonds of een
private startersprivak als bedoeld in § 1,
eerste lid, c, onder de vorm van een
quasi-inbreng als bedoeld in de artikel
7:8
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen.
De betalingen voor in § 1, eerste lid, a,
bedoelde aandelen, in § 1, eerste lid, b,
bedoelde beleggingsinstrumenten en in
§ 1, eerste lid, c, bedoelde rechten van
deelneming
komen
voor
de
belastingvermindering in aanmerking tot
een bedrag van 100 000 euro per
belastbaar tijdperk. Dit bedrag van 100
000 euro per belastbaar tijdperk wordt
desgevallend
verminderd
met
het
bedrag van de in aanmerking genomen
De betalingen voor in § 1, eerste lid, a,
bedoelde aandelen, in § 1, eerste lid, b,
bedoelde beleggingsinstrumenten en in
§ 1, eerste lid, c, bedoelde rechten van
deelneming
komen
voor
de
belastingvermindering in aanmerking tot
een bedrag van 100 000 euro per
belastbaar tijdperk. Dit bedrag van 100
000 euro per belastbaar tijdperk wordt
desgevallend
verminderd
met
het
bedrag van de in aanmerking genomen
225
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
betalingen
voor
het
betreffende
belastbaar tijdperk voor de toepassing
van artikel 14527.
betalingen
voor
het
betreffende
belastbaar tijdperk voor de toepassing
van artikel 14527.
De belastingvermindering is gelijk aan
30 pct. van het in aanmerking te nemen
bedrag, na aftrek van de in § 1, eerste
lid, b, en § 2, derde lid, bedoelde
vergoedingen
en
eventuele
andere
verbonden kosten.
De belastingvermindering is gelijk aan
30 pct. van het in aanmerking te nemen
bedrag, na aftrek van de in § 1, eerste
lid, b, en § 2, derde lid, bedoelde
vergoedingen
en
eventuele
andere
verbonden kosten.
Het in het vijfde lid vermelde percentage
wordt verhoogd tot 45 pct. voor de in §
1,
eerste
lid, a en
b,
vermelde
betalingen wanneer de vennootschap
waarin de belastingplichtige zelf of het
financieringsvehikel heeft geïnvesteerd
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbare tijdperk waarin de
kapitaalinbreng
wordt
gedaan,
een
microvennootschap is in de zin van
artikel 15/1 van het Wetboek van
vennootschappen.
Het in het vijfde lid vermelde percentage
wordt verhoogd tot 45 pct. voor de in §
1,
eerste
lid, a en
b,
vermelde
betalingen wanneer de vennootschap
waarin de belastingplichtige zelf of het
financieringsvehikel heeft geïnvesteerd
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbare tijdperk waarin de
kapitaalinbreng
wordt
gedaan,
een
microvennootschap is in de zin van
artikel 1:25 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen.
De bedragen in euro vermeld in deze
paragraaf
worden
niet
geïndexeerd
overeenkomstig artikel 178.
De bedragen in euro vermeld in deze
paragraaf
worden
niet
geïndexeerd
overeenkomstig artikel 178.
§ 4. De betalingen voor in § 1, eerste lid,
a, bedoelde aandelen of voor in § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
beleggingsinstrumenten, komen voor de
belastingvermindering in aanmerking op
voorwaarde dat de in § 3, eerste lid,
bedoelde vennootschap of het in § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
financieringsvehikel
aan
de
belastingplichtige tot staving van zijn
aangifte in de personenbelasting van
het
belastbare
tijdperk
waarin
de
betaling is gedaan, het bewijs verstrekt
waaruit blijkt dat :
§ 4. De betalingen voor in § 1, eerste lid,
a, bedoelde aandelen of voor in § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
beleggingsinstrumenten, komen voor de
belastingvermindering in aanmerking op
voorwaarde dat de in § 3, eerste lid,
bedoelde vennootschap of het in § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
financieringsvehikel
aan
de
belastingplichtige tot staving van zijn
aangifte in de personenbelasting van
het
belastbare
tijdperk
waarin
de
betaling is gedaan, het bewijs verstrekt
waaruit blijkt dat :
- voldaan is aan de in §§ 1 en 3
gestelde voorwaarden;
- voldaan is aan de in §§ 1 en 3
gestelde voorwaarden;
- de belastingplichtige de aandelen of de
beleggingsinstrumenten
in
het
belastbaar tijdperk heeft aangeschaft en
deze op het einde van dat belastbaar
- de belastingplichtige de aandelen of de
beleggingsinstrumenten
in
het
belastbaar tijdperk heeft aangeschaft en
deze op het einde van dat belastbaar
226
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
tijdperk nog in zijn bezit heeft.
tijdperk nog in zijn bezit heeft.
De betalingen voor de in § 1, eerste lid,
c, bedoelde rechten van deelneming
komen voor de belastingvermindering in
aanmerking op voorwaarde dat het in §
1, eerste lid, c, bedoelde openbaar
startersfonds of private startersprivak de
belastingplichtige tot staving van zijn
aangifte in de personenbelasting van
het belastbare tijdperk waarin de datum
van 31 december valt waarop aan de in
§ 2, derde lid, bedoelde investerings-
voorwaarde is voldaan, het bewijs
verstrekt waaruit blijkt dat :
De betalingen voor de in § 1, eerste lid,
c, bedoelde rechten van deelneming
komen voor de belastingvermindering in
aanmerking op voorwaarde dat het in §
1, eerste lid, c, bedoelde openbaar
startersfonds of private startersprivak de
belastingplichtige tot staving van zijn
aangifte in de personenbelasting van
het belastbare tijdperk waarin de datum
van 31 december valt waarop aan de in
§ 2, derde lid, bedoelde investerings-
voorwaarde is voldaan, het bewijs
verstrekt waaruit blijkt dat :
- voldaan is aan de in de §§ 1 tot 3
gestelde voorwaarden;
- voldaan is aan de in de §§ 1 tot 3
gestelde voorwaarden;
- de belastingplichtige de rechten van
deelneming heeft aangeschaft in het
beoogde belastbaar tijdperk of een
vorige periode en deze op het einde van
dat belastbaar tijdperk nog in zijn bezit
heeft.
- de belastingplichtige de rechten van
deelneming heeft aangeschaft in het
beoogde belastbaar tijdperk of een
vorige periode en deze op het einde van
dat belastbaar tijdperk nog in zijn bezit
heeft.
§ 5. De in § 1 bedoelde belasting-
vermindering wordt slechts behouden
op voorwaarde dat de vennootschap,
het financieringsvehikel, het openbaar
startersfonds of de private startersprivak
de belastingplichtige tot staving van zijn
aangiften in de personenbelasting van
de vier belastbare tijdperken volgend op
het belastbaar tijdperk waarvoor de
belasting-vermindering
wordt
toegekend, het bewijs verstrekt dat hij
de betrokken in § 1, eerste lid, a,
bedoelde aandelen, de betrokken in § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
beleggingsinstrumenten of de betrokken
in § 1, eerste lid, c, bedoelde rechten
van deelneming nog in zijn bezit heeft.
Aan deze voorwaarde moet niet meer
worden voldaan met ingang van het
belastbare
tijdperk
waarin
de
belastingplichtige is overleden.
§ 5. De in § 1 bedoelde belasting-
vermindering wordt slechts behouden
op voorwaarde dat de vennootschap,
het financieringsvehikel, het openbaar
startersfonds of de private startersprivak
de belastingplichtige tot staving van zijn
aangiften in de personenbelasting van
de vier belastbare tijdperken volgend op
het belastbaar tijdperk waarvoor de
belasting-vermindering
wordt
toegekend, het bewijs verstrekt dat hij
de betrokken in § 1, eerste lid, a,
bedoelde aandelen, de betrokken in § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
beleggingsinstrumenten of de betrokken
in § 1, eerste lid, c, bedoelde rechten
van deelneming nog in zijn bezit heeft.
Aan deze voorwaarde moet niet meer
worden voldaan met ingang van het
belastbare
tijdperk
waarin
de
belastingplichtige is overleden.
Wanneer
de
betrokken
aandelen
bedoeld in § 1, eerste lid, a en b, of de
betrokken
beleggingsinstrumenten
Wanneer
de
betrokken
aandelen
bedoeld in § 1, eerste lid, a en b, of de
betrokken
beleggingsinstrumenten
227
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
bedoeld in § 1, eerste lid, b, anders dan
bij
overlijden
worden
overgedragen
binnen
de
48
maanden
na
de
aanschaffing ervan, wordt de totale
belasting
met
betrekking
tot
de
inkomsten van het belastbare tijdperk
van de vervreemding vermeerderd met
een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal
één
achtenveertigste
van
de
overeenkomstig § 1 voor die aandelen
of de beleggingsinstrumenten van die
aandelen of die beleggingsinstrumenten
werkelijk
verkregen
belastingvermindering,
als
er
volle
maanden overblijven tot het einde van
de periode van 48 maanden.
bedoeld in § 1, eerste lid, b, anders dan
bij
overlijden
worden
overgedragen
binnen
de
48
maanden
na
de
aanschaffing ervan, wordt de totale
belasting
met
betrekking
tot
de
inkomsten van het belastbare tijdperk
van de vervreemding vermeerderd met
een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal
één
achtenveertigste
van
de
overeenkomstig § 1 voor die aandelen
of de beleggingsinstrumenten van die
aandelen of die beleggingsinstrumenten
werkelijk
verkregen
belastingvermindering,
als
er
volle
maanden overblijven tot het einde van
de periode van 48 maanden.
Wanneer de betrokken in § 1, eerste lid,
c, bedoelde rechten van deelneming
anders
dan
bij
overlijden
worden
overgedragen binnen de 48 maanden
na het einde van het belastbaar tijdperk
waarvoor
de
belastingvermindering
wordt
toegekend,
wordt
de
totale
belasting
met
betrekking
tot
de
inkomsten van het belastbare tijdperk
van de vervreemding vermeerderd met
een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal
één
achtenveertigste
van
de
overeenkomstig § 1 voor die rechten
van deelneming werkelijk verkregen
belastingvermindering,
als
er
volle
maanden overblijven tot het einde van
de termijn van 48 maanden.
Wanneer de betrokken in § 1, eerste lid,
c, bedoelde rechten van deelneming
anders
dan
bij
overlijden
worden
overgedragen binnen de 48 maanden
na het einde van het belastbaar tijdperk
waarvoor
de
belastingvermindering
wordt
toegekend,
wordt
de
totale
belasting
met
betrekking
tot
de
inkomsten van het belastbare tijdperk
van de vervreemding vermeerderd met
een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal
één
achtenveertigste
van
de
overeenkomstig § 1 voor die rechten
van deelneming werkelijk verkregen
belastingvermindering,
als
er
volle
maanden overblijven tot het einde van
de termijn van 48 maanden.
Onder het in het tweede en derde lid
bedoelde woord "overgedragen" dient
eveneens
te
worden
verstaan,
de
sluiting van de vereffening van de
vennootschap
waarin
werd
geïnvesteerd,
van
het
financieringsvehikel,
het
openbaar
startersfonds
of
de
private
startersprivak.
Onder het in het tweede en derde lid
bedoelde woord "overgedragen" dient
eveneens
te
worden
verstaan,
de
sluiting van de vereffening van de
vennootschap
waarin
werd
geïnvesteerd,
van
het
financieringsvehikel,
het
openbaar
startersfonds
of
de
private
startersprivak.
Wanneer de sluiting van de vereffening
het gevolg is van de faillietverklaring van
de
vennootschap
waarin
werd
geïnvesteerd, moet niet meer worden
voldaan aan de in het eerste lid
Wanneer de sluiting van de vereffening
het gevolg is van de faillietverklaring van
de
vennootschap
waarin
werd
geïnvesteerd, moet niet meer worden
voldaan aan de in het eerste lid
228
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bedoelde voorwaarde met ingang van
het
belastbare
tijdperk
waarin
die
sluiting van de vereffening ten gevolge
van
faillietverklaring
heeft
plaats
gevonden.
bedoelde voorwaarde met ingang van
het
belastbare
tijdperk
waarin
die
sluiting van de vereffening ten gevolge
van
faillietverklaring
heeft
plaats
gevonden.
De in § 1, eerste lid, c, bedoelde
belastingvermindering
voor
het
verwerven van rechten van deelneming
van een openbaar startersfonds of een
private startersprivak wordt bovendien
slechts behouden op voorwaarde dat de
in
§
2,
zesde
lid,
bedoelde
verplichtingen worden nageleefd.
De in § 1, eerste lid, c, bedoelde
belastingvermindering
voor
het
verwerven van rechten van deelneming
van een openbaar startersfonds of een
private startersprivak wordt bovendien
slechts behouden op voorwaarde dat de
in
§
2,
zesde
lid,
bedoelde
verplichtingen worden nageleefd.
Wanneer de in § 2, zesde lid, bedoelde
verplichtingen niet worden nageleefd op
het einde van de in § 2, zesde lid,
bedoelde termijn van zes maanden
wordt de totale belasting met betrekking
tot de inkomsten van het belastbare
tijdperk waarin wordt vastgesteld dat die
verplichtingen
door
het
openbaar
startersfonds of de private startersprivak
niet worden nageleefd, vermeerderd
met een bedrag dat gelijk is aan zoveel
maal één achtenveertigste van de
overeenkomstig § 1 voor die rechten
van deelneming werkelijk verkregen
belastingvermindering,
als
er
volle
maanden overblijven vanaf het begin
van bovenvermelde termijn van zes
maanden tot het einde van de termijn
van 48 maanden.
Wanneer de in § 2, zesde lid, bedoelde
verplichtingen niet worden nageleefd op
het einde van de in § 2, zesde lid,
bedoelde termijn van zes maanden
wordt de totale belasting met betrekking
tot de inkomsten van het belastbare
tijdperk waarin wordt vastgesteld dat die
verplichtingen
door
het
openbaar
startersfonds of de private startersprivak
niet worden nageleefd, vermeerderd
met een bedrag dat gelijk is aan zoveel
maal één achtenveertigste van de
overeenkomstig § 1 voor die rechten
van deelneming werkelijk verkregen
belastingvermindering,
als
er
volle
maanden overblijven vanaf het begin
van bovenvermelde termijn van zes
maanden tot het einde van de termijn
van 48 maanden.
De
in
§
1
vermelde
belastingvermindering
wordt
slechts
behouden op voorwaarde dat de in § 3,
tweede lid en derde lid, 2°, b, gestelde
voorwaarden worden nageleefd.
De
in
§
1
vermelde
belastingvermindering
wordt
slechts
behouden op voorwaarde dat de in § 3,
tweede lid en derde lid, 2°, b, gestelde
voorwaarden worden nageleefd.
Wanneer de in § 3, tweede lid, vermelde
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd
gedurende de 48 maanden volgend op
de volstorting van de aandelen van de
vennootschap, wordt de totale belasting
met betrekking tot de inkomsten van het
belastbare
tijdperk
waarin
wordt
vastgesteld dat die voorwaarde niet
wordt nageleefd, vermeerderd met een
bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één
Wanneer de in § 3, tweede lid, vermelde
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd
gedurende de 48 maanden volgend op
de volstorting van de aandelen van de
vennootschap, wordt de totale belasting
met betrekking tot de inkomsten van het
belastbare
tijdperk
waarin
wordt
vastgesteld dat die voorwaarde niet
wordt nageleefd, vermeerderd met een
bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één
229
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
achtenveertigste van de overeenkomstig
§
1
voor
die
aandelen,
beleggingsinstrumenten of rechten van
deelneming
werkelijk
verkregen
belastingvermindering,
als
er
volle
maanden overblijven vanaf de datum
waarop
de
voorwaarde niet
wordt
nageleefd tot het einde van de termijn
van 48 maanden.
achtenveertigste van de overeenkomstig
§
1
voor
die
aandelen,
beleggingsinstrumenten of rechten van
deelneming
werkelijk
verkregen
belastingvermindering,
als
er
volle
maanden overblijven vanaf de datum
waarop
de
voorwaarde niet
wordt
nageleefd tot het einde van de termijn
van 48 maanden.
Wanneer de in § 3, derde lid, 2°, b,
vermelde
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd gedurende de 48 maanden
volgend op de volstorting van de
aandelen van de vennootschap, wordt
de totale belasting met betrekking tot de
inkomsten van het belastbare tijdperk
waarin
wordt
vastgesteld
dat
die
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd,
vermeerderd met een bedrag dat gelijk
is aan zoveel maal één achtenveertigste
van de overeenkomstig § 1 voor die
aandelen, beleggingsinstrumenten of
rechten
van
deelneming
werkelijk
verkregen belastingvermindering, als er
volle maanden overblijven vanaf de
datum waarop de voorwaarde niet wordt
nageleefd tot het einde van de termijn
van 48 maanden.
Wanneer de in § 3, derde lid, 2°, b,
vermelde
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd gedurende de 48 maanden
volgend op de volstorting van de
aandelen van de vennootschap, wordt
de totale belasting met betrekking tot de
inkomsten van het belastbare tijdperk
waarin
wordt
vastgesteld
dat
die
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd,
vermeerderd met een bedrag dat gelijk
is aan zoveel maal één achtenveertigste
van de overeenkomstig § 1 voor die
aandelen, beleggingsinstrumenten of
rechten
van
deelneming
werkelijk
verkregen belastingvermindering, als er
volle maanden overblijven vanaf de
datum waarop de voorwaarde niet wordt
nageleefd tot het einde van de termijn
van 48 maanden.
§ 6. De Koning bepaalt (1) de wijze
waarop het in § 4 en § 5, eerste lid,
bedoelde bewijs wordt geleverd.
§ 6. De Koning bepaalt (1) de wijze
waarop het in § 4 en § 5, eerste lid,
bedoelde bewijs wordt geleverd.
De Koning bepaalt de formaliteiten die
een openbaar startersfonds of een
private startersprivak moet vervullen om
aan te tonen dat aan de in § 2, derde en
zesde lid, gestelde voorwaarden wordt
voldaan.
De Koning bepaalt de formaliteiten die
een openbaar startersfonds of een
private startersprivak moet vervullen om
aan te tonen dat aan de in § 2, derde en
zesde lid, gestelde voorwaarden wordt
voldaan.
Art. 14527 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 14527 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. Er wordt een belastingvermindering
verleend voor de betalingen voor :
§ 1. Er wordt een belastingvermindering
verleend voor de betalingen voor :
a) nieuwe aandelen op naam verworven
met inbrengen in geld die een fractie
a) nieuwe aandelen op naam verworven
met inbrengen in geld die een fractie
230
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vertegenwoordigen
van
het
maatschappelijk kapitaal van een in § 2,
eerste lid, bedoelde vennootschap en
waarop de belasting-plichtige, hetzij
rechtstreeks,
hetzij
via
een
crowdfundingplatform,
heeft
ingeschreven naar aanleiding van een
kapitaalverhoging tijdens het vijfde, het
zesde, het zevende, het achtste, het
negende of het tiende jaar na de
oprichting ervan en die hij volledig heeft
volstort;
vertegenwoordigen van het kapitaal van
een in § 2, eerste lid, bedoelde
vennootschap en waarop de belasting-
plichtige, hetzij rechtstreeks, hetzij via
een
crowdfundingplatform,
heeft
ingeschreven naar aanleiding van een
kapitaalverhoging tijdens het vijfde, het
zesde, het zevende, het achtste, het
negende of het tiende jaar na de
oprichting ervan en die hij volledig heeft
volstort;
b) nieuwe beleggingsinstrumenten die
zijn
uitgegeven
door
een
financieringsvehikel als bedoeld in de
wet van 18 december 2016 tot regeling
van de erkenning en de afbakening van
crowdfunding
en
houdende
diverse
bepalingen inzake financiën, en waarop
de
belastingplichtige
via
een
crowdfunding-platform
heeft
ingeschreven, op voorwaarde dat het
financieringsvehikel de betalingen van
de belastingplichtigen, desgevallend na
aftrek van een vergoeding voor zijn
intermediaire rol, rechtstreeks investeert
in nieuwe aandelen op naam die een
fractie
vertegenwoordigen
van
het
maatschappelijk kapitaal van een in § 2,
eerste lid, bedoelde vennootschap, naar
aanleiding van een kapitaalverhoging
tijdens het vijfde, het zesde, het
zevende, het achtste, het negende of
het tiende jaar na de oprichting ervan en
die
het
volledig
heeft
volstort.
Emittenten
van
certificaten
van
aandelen
worden
gelijkgesteld
met
financieringsvehikels.
b) nieuwe beleggingsinstrumenten die
zijn
uitgegeven
door
een
financieringsvehikel als bedoeld in de
wet van 18 december 2016 tot regeling
van de erkenning en de afbakening van
crowdfunding
en
houdende
diverse
bepalingen inzake financiën, en waarop
de
belastingplichtige
via
een
crowdfunding-platform
heeft
ingeschreven, op voorwaarde dat het
financieringsvehikel de betalingen van
de belastingplichtigen, desgevallend na
aftrek van een vergoeding voor zijn
intermediaire rol, rechtstreeks investeert
in nieuwe aandelen op naam die een
fractie
vertegenwoordigen
van
het
kapitaal van een in § 2, eerste lid,
bedoelde
vennootschap,
naar
aanleiding van een kapitaalverhoging
tijdens het vijfde, het zesde, het
zevende, het achtste, het negende of
het tiende jaar na de oprichting ervan en
die
het
volledig
heeft
volstort.
Emittenten
van
certificaten
van
aandelen
worden
gelijkgesteld
met
financieringsvehikels.
Het
in
het
eerste
lid
bedoelde
crowdfundingplatform is een Belgisch
platform of een platform naar het recht
van
een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische
Ruimte,
bedoeld in artikel 14526, § 1, tweede lid.
Het
in
het
eerste
lid
bedoelde
crowdfundingplatform is een Belgisch
platform of een platform naar het recht
van
een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische
Ruimte,
bedoeld in artikel 14526, § 1, tweede lid.
Voor de toepassing van dit artikel wordt
een
vennootschap
geacht
te
zijn
opgericht op datum van de neerlegging
Voor de toepassing van dit artikel wordt
een
vennootschap
geacht
te
zijn
opgericht op datum van de neerlegging
231
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
van de oprichtingsakte ter griffie van de
rechtbank van koophandel of van een
gelijkaardige registratieformaliteit in een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte.
van de oprichtingsakte ter griffie van de
rechtbank van koophandel of van een
gelijkaardige registratieformaliteit in een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte.
Wanneer
de
activiteit
van
de
vennootschap bestaat uit de voortzetting
van een werkzaamheid die voorheen
werd uitgeoefend door een natuurlijke
persoon of een andere rechtspersoon,
wordt de vennootschap, in afwijking van
het derde lid, geacht te zijn opgericht op
het ogenblik van de eerste inschrijving
in
de
Kruispuntbank
van
Ondernemingen door die natuurlijke
persoon,
respectievelijk
van
de
neerlegging van de oprichtingsakte van
die andere rechtspersoon ter griffie van
de rechtbank van koophandel of van het
vervullen
van
een
gelijkaardige
registratie-formaliteit door die natuurlijke
persoon of andere rechtspersoon in een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte.
Wanneer
de
activiteit
van
de
vennootschap bestaat uit de voortzetting
van een werkzaamheid die voorheen
werd uitgeoefend door een natuurlijke
persoon of een andere rechtspersoon,
wordt de vennootschap, in afwijking van
het derde lid, geacht te zijn opgericht op
het ogenblik van de eerste inschrijving
in
de
Kruispuntbank
van
Ondernemingen door die natuurlijke
persoon,
respectievelijk
van
de
neerlegging van de oprichtingsakte van
die andere rechtspersoon ter griffie van
de rechtbank van koophandel of van het
vervullen
van
een
gelijkaardige
registratie-formaliteit door die natuurlijke
persoon of andere rechtspersoon in een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte.
§ 2. Dit artikel is van toepassing op de
aandelen van een vennootschap die
tezelfdertijd
aan
alle
onderstaande
voorwaarden voldoet :
§ 2. Dit artikel is van toepassing op de
aandelen van een vennootschap die
tezelfdertijd
aan
alle
onderstaande
voorwaarden voldoet :
1°
de
vennootschap
is
een
binnenlandse
vennootschap
of
een
vennootschap
waarvan
de
maatschappelijke zetel, voornaamste
inrichting of zetel van bestuur of beheer
gevestigd is in een andere lidstaat van
de Europese Economische Ruimte en
die over een in artikel 229 bedoelde
Belgische inrichting beschikt;
1°
de
vennootschap
is
een
binnenlandse
vennootschap
of
een
vennootschap waarvan de voornaamste
inrichting of zetel van bestuur of beheer
gevestigd is in een andere lidstaat van
de Europese Economische Ruimte en
die over een in artikel 229 bedoelde
Belgische inrichting beschikt;
2° de vennootschap wordt op grond van
artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van
vennootschappen
als
kleine
vennootschap aangemerkt voor het
aanslagjaar dat verbonden is aan het
belastbare
tijdperk
waarin
de
kapitaalinbreng werd gedaan;
2° de vennootschap wordt op grond van
artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen als kleine vennootschap
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbare tijdperk
waarin de kapitaalinbreng werd gedaan;
3° de vennootschap stelt ten minste 10
ltijd
i
l
t
t
k k
ht
3° de vennootschap stelt ten minste 10
ltijd
i
l
t
t
k k
ht
232
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
arbeidsovereenkomsten;
arbeidsovereenkomsten;
4° over de laatste twee aanslagjaren
voorafgaand aan de volstorting van de
aandelen :
4° over de laatste twee aanslagjaren
voorafgaand aan de volstorting van de
aandelen :
(i) is de jaaromzet van de vennootschap
gemiddeld ten met minste 10 pct. per
aanslagjaar gestegen; of
(i) is de jaaromzet van de vennootschap
gemiddeld ten met minste 10 pct. per
aanslagjaar gestegen; of
(ii) is het aantal voltijdse equivalenten
die
de
vennootschap
krachtens
arbeidsovereenkomsten
tewerkstelt
gemiddeld met ten minste 10 pct. per
aanslagjaar gestegen;
(ii) is het aantal voltijdse equivalenten
die
de
vennootschap
krachtens
arbeidsovereenkomsten
tewerkstelt
gemiddeld met ten minste 10 pct. per
aanslagjaar gestegen;
5° de vennootschap is niet opgericht in
het kader van een fusie of splitsing van
vennootschappen;
5° de vennootschap is niet opgericht in
het kader van een fusie of splitsing van
vennootschappen;
6° de vennootschap is geen beleggings-
,
thesaurie-
of
financieringsvennootschap;
6° de vennootschap is geen beleggings-
,
thesaurie-
of
financieringsvennootschap;
7°
de
vennootschap
is
geen
vennootschap
met
als
statutair
hoofddoel of voornaamste activiteit de
oprichting, de verwerving, het beheer,
de verbouwing, de verkoop of de
verhuur
van
vastgoed
voor
eigen
rekening of het bezit van deelnemingen
in vennootschappen met een soortgelijk
doel, noch een vennootschap waarin
onroerende
goederen
of
andere
zakelijke rechten met betrekking tot
dergelijke goederen zijn ondergebracht,
waarvan natuurlijke personen die in de
vennootschap een opdracht of functies
als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°,
uitoefenen, hun echtgenoot of hun
kinderen wanneer die personen of hun
echtgenoot het wettelijk genot van de
inkomsten van die kinderen hebben, het
gebruik hebben;
7°
de
vennootschap
is
geen
vennootschap
met
als
statutair
hoofddoel of voornaamste activiteit de
oprichting, de verwerving, het beheer,
de verbouwing, de verkoop of de
verhuur
van
vastgoed
voor
eigen
rekening of het bezit van deelnemingen
in vennootschappen met een soortgelijk
doel, noch een vennootschap waarin
onroerende
goederen
of
andere
zakelijke rechten met betrekking tot
dergelijke goederen zijn ondergebracht,
waarvan natuurlijke personen die in de
vennootschap een opdracht of functies
als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°,
uitoefenen, hun echtgenoot of hun
kinderen wanneer die personen of hun
echtgenoot het wettelijk genot van de
inkomsten van die kinderen hebben, het
gebruik hebben;
8°
de
vennootschap
is
geen
vennootschap die is opgericht met het
oog
op
het
afsluiten
van
een
management- of bestuurdersovereen-
komst of die haar voornaamste bron van
inkomsten haalt uit management- of
8°
de
vennootschap
is
geen
vennootschap die is opgericht met het
oog
op
het
afsluiten
van
een
management- of bestuurdersovereen-
komst of die haar voornaamste bron van
inkomsten haalt uit management- of
233
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
bestuurdersovereenkomsten;
bestuurdersovereenkomsten;
9° de vennootschap is een niet-
beursgenoteerde vennootschap;
9° de vennootschap is een niet-
beursgenoteerde vennootschap;
10° de vennootschap heeft nog geen
kapitaalvermindering
doorgevoerd,
behoudens de kapitaalverminderingen
ter aanzuivering van een geleden verlies
of om een reserve te vormen tot dekking
van
een
voorzienbaar
verlies,
of
dividenden uitgekeerd;
10° de vennootschap heeft nog geen
kapitaalvermindering
doorgevoerd,
behoudens de kapitaalverminderingen
ter aanzuivering van een geleden verlies
of om een reserve te vormen tot dekking
van
een
voorzienbaar
verlies,
of
dividenden uitgekeerd;
11° de vennootschap maakt niet het
voorwerp
uit
van
een
collectieve
insolventieprocedure of bevindt zich niet
in de voorwaarden van een collectieve
insolventieprocedure;
11° de vennootschap maakt niet het
voorwerp
uit
van
een
collectieve
insolventieprocedure of bevindt zich niet
in de voorwaarden van een collectieve
insolventieprocedure;
12°
de
vennootschap
gebruikt
de
ontvangen
sommen
niet
voor
de
uitkering van dividenden of de aankoop
van
aandelen,
noch
voor
het
verstrekken van leningen;
12°
de
vennootschap
gebruikt
de
ontvangen
sommen
niet
voor
de
uitkering van dividenden of de aankoop
van
aandelen,
noch
voor
het
verstrekken van leningen;
13° de vennootschap heeft na de
betaling van de in § 1, eerste lid, a en b,
bedoelde sommen door respectievelijk
de
belastingplichtige
of
het
financieringsvehikel niet meer dan 500
000 euro ontvangen via de toepassing
van dit artikel. Dit maximumbedrag
wordt verminderd met het werkelijke
ontvangen bedrag via de toepassing
van artikel 14526.
13° de vennootschap heeft na de
betaling van de in § 1, eerste lid, a en b,
bedoelde sommen door respectievelijk
de
belastingplichtige
of
het
financieringsvehikel niet meer dan 500
000 euro ontvangen via de toepassing
van dit artikel. Dit maximumbedrag
wordt verminderd met het werkelijke
ontvangen bedrag via de toepassing
van artikel 14526.
Voor de toepassing van het eerste lid,
3°, komt een bedrijfsleider als een
voltijds equivalent in aanmerking voor
de berekening van het aantal voltijdse
equivalenten,
indien
er
voor
deze
activiteit sociale bijdragen in toepassing
van artikel 12, § 1, van het koninklijk
besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende
inrichting van het sociaal statuut der
zelfstandigen verschuldigd zijn.
Voor de toepassing van het eerste lid,
3°, komt een bedrijfsleider als een
voltijds equivalent in aanmerking voor
de berekening van het aantal voltijdse
equivalenten,
indien
er
voor
deze
activiteit sociale bijdragen in toepassing
van artikel 12, § 1, van het koninklijk
besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende
inrichting van het sociaal statuut der
zelfstandigen verschuldigd zijn.
Aan de in het eerste lid, 3°, vermelde
voorwaarde moet door de vennootschap
worden voldaan gedurende de 12
maanden volgend op de volstorting van
Aan de in het eerste lid, 3°, vermelde
voorwaarde moet door de vennootschap
worden voldaan gedurende de 12
maanden volgend op de volstorting van
234
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
de aandelen van de vennootschap.
de aandelen van de vennootschap.
Aan de in het eerste lid, 6° tot 8° en 12°,
vermelde voorwaarden moet door de
vennootschap
worden
voldaan
gedurende de 48 maanden volgend op
de volstorting van de aandelen van de
vennootschap.
Aan de in het eerste lid, 6° tot 8° en 12°,
vermelde voorwaarden moet door de
vennootschap
worden
voldaan
gedurende de 48 maanden volgend op
de volstorting van de aandelen van de
vennootschap.
De belastingvermindering is niet van
toepassing op :
De belastingvermindering is niet van
toepassing op :
1° uitgaven die in aanmerking zijn
genomen voor de toepassing van artikel
1451, 4°, of 14532;
1° uitgaven die in aanmerking zijn
genomen voor de toepassing van artikel
1451, 4°, of 14532;
2° betalingen voor het verwerven van
aandelen,
rechtstreeks
of
via
een
crowdfunding-platform als bedoeld in §
1,
eerste
lid,
a,
of
via
een
financieringsvehikel als bedoeld in § 1,
eerste lid, b, in een vennootschap :
2° betalingen voor het verwerven van
aandelen,
rechtstreeks
of
via
een
crowdfunding-platform als bedoeld in §
1,
eerste
lid,
a,
of
via
een
financieringsvehikel als bedoeld in § 1,
eerste lid, b, in een vennootschap :
a)
waarin
de
belastingplichtige,
rechtstreeks of onrechtstreeks, op het
ogenblik van de kapitaalinbreng, een in
artikel
32,
eerste
lid,
bedoelde
bedrijfsleider is;
a)
waarin
de
belastingplichtige,
rechtstreeks of onrechtstreeks, op het
ogenblik van de kapitaalinbreng, een in
artikel
32,
eerste
lid,
bedoelde
bedrijfsleider is;
b)
waarin
de
belastingplichtige,
rechtstreeks of onrechtstreeks, een in
artikel
32,
eerste
lid,
bedoelde
bedrijfsleider is, tenzij hij daarvoor geen
vergoeding verkrijgt;
b)
waarin
de
belastingplichtige,
rechtstreeks of onrechtstreeks, een in
artikel
32,
eerste
lid,
bedoelde
bedrijfsleider is, tenzij hij daarvoor geen
vergoeding verkrijgt;
c) waarin de belastingplichtige, op het
ogenblik van de kapitaalinbreng, als
vaste
vertegenwoordiger
van
een
andere vennootschap een opdracht als
bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of
een gelijksoortige functie uitoefent;
c) waarin de belastingplichtige, op het
ogenblik van de kapitaalinbreng, als
vaste
vertegenwoordiger
van
een
andere vennootschap een opdracht als
bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of
een gelijksoortige functie uitoefent;
d)
die
een
aannemings-
of
lastgevingsovereenkomst heeft gesloten
met een andere vennootschap waarvan
de belastingplichtige aandeelhouder is,
op het ogenblik van de kapitaalinbreng,
en waarbij die andere vennootschap er
zich toe heeft verbonden om tegen
vergoeding een leidende werkzaamheid
van dagelijks bestuur van commerciële,
d)
die
een
aannemings-
of
lastgevingsovereenkomst heeft gesloten
met een andere vennootschap waarvan
de belastingplichtige aandeelhouder is,
op het ogenblik van de kapitaalinbreng,
en waarbij die andere vennootschap er
zich toe heeft verbonden om tegen
vergoeding een leidende werkzaamheid
van dagelijks bestuur van commerciële,
235
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
financiële of technische aard op zich te
nemen in de eerste vennootschap;
financiële of technische aard op zich te
nemen in de eerste vennootschap;
3° betalingen voor het verwerven van
aandelen
van
een
vennootschap,
rechtstreeks
of
via
een
crowdfundingplatform als bedoeld in § 1,
eerste
lid,
a,
of
via
een
financieringsvehikel als bedoeld in § 1,
eerste lid, b, met betrekking tot het
gedeelte van die aandelen waardoor de
belastingplichtige
een
vertegenwoordiging van meer dan 30
pct. van het maatschappelijk kapitaal
van die vennootschap bekomt.
3° betalingen voor het verwerven van
aandelen
van
een
vennootschap,
rechtstreeks
of
via
een
crowdfundingplatform als bedoeld in § 1,
eerste
lid,
a,
of
via
een
financieringsvehikel als bedoeld in § 1,
eerste lid, b, met betrekking tot het
gedeelte van die aandelen waardoor de
belastingplichtige
een
vertegenwoordiging van meer dan 30
pct.
van
het
kapitaal
van
die
vennootschap bekomt.
De betalingen voor de in § 1, eerste lid,
a, bedoelde aandelen en in de § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
beleggingsinstrumenten komen voor de
belastingvermindering in aanmerking tot
een bedrag van 100 000 euro per
belastbaar tijdperk. Dit bedrag van 100
000 euro per belastbaar tijdperk wordt
desgevallend
verminderd
met
het
bedrag van de in aanmerking genomen
betalingen
voor
het
betreffende
belastbaar tijdperk voor de toepassing
van artikel 14526.
De betalingen voor de in § 1, eerste lid,
a, bedoelde aandelen en in de § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
beleggingsinstrumenten komen voor de
belastingvermindering in aanmerking tot
een bedrag van 100 000 euro per
belastbaar tijdperk. Dit bedrag van 100
000 euro per belastbaar tijdperk wordt
desgevallend
verminderd
met
het
bedrag van de in aanmerking genomen
betalingen
voor
het
betreffende
belastbaar tijdperk voor de toepassing
van artikel 14526.
De belastingvermindering is gelijk aan
25 pct. van het in aanmerking te nemen
bedrag, na aftrek van de in § 1, eerste
lid,
b,
bedoelde
vergoedingen
en
eventuele andere verbonden kosten.
De belastingvermindering is gelijk aan
25 pct. van het in aanmerking te nemen
bedrag, na aftrek van de in § 1, eerste
lid,
b,
bedoelde
vergoedingen
en
eventuele andere verbonden kosten.
De in euro vermelde bedragen in deze
paragraaf
worden
niet
geïndexeerd
overeenkomstig artikel 178.
De in euro vermelde bedragen in deze
paragraaf
worden
niet
geïndexeerd
overeenkomstig artikel 178.
§ 3. De betalingen voor in § 1, eerste lid,
a, bedoelde aandelen of voor in § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
beleggingsinstrumenten, komen voor de
belastingvermindering in aanmerking op
voorwaarde dat de in § 2, eerste lid,
bedoelde vennootschap of het in § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
financieringsvehikel
aan
de
belastingplichtige tot staving van zijn
aangifte in de personenbelasting van
§ 3. De betalingen voor in § 1, eerste lid,
a, bedoelde aandelen of voor in § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
beleggingsinstrumenten, komen voor de
belastingvermindering in aanmerking op
voorwaarde dat de in § 2, eerste lid,
bedoelde vennootschap of het in § 1,
eerste
lid,
b,
bedoelde
financieringsvehikel
aan
de
belastingplichtige tot staving van zijn
aangifte in de personenbelasting van
236
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
het
belastbare
tijdperk
waarin
de
betaling is gedaan, het bewijs verstrekt
waaruit blijkt dat :
het
belastbare
tijdperk
waarin
de
betaling is gedaan, het bewijs verstrekt
waaruit blijkt dat :
- voldaan is aan de in §§ 1 en 2
gestelde voorwaarden;
- voldaan is aan de in §§ 1 en 2
gestelde voorwaarden;
- de belastingplichtige de aandelen of de
beleggingsinstrumenten
in
het
belastbaar tijdperk heeft aangeschaft en
deze op het einde van dat belastbaar
tijdperk nog in zijn bezit heeft.
- de belastingplichtige de aandelen of de
beleggingsinstrumenten
in
het
belastbaar tijdperk heeft aangeschaft en
deze op het einde van dat belastbaar
tijdperk nog in zijn bezit heeft.
§ 4. De in § 1 bedoelde belasting-
vermindering wordt slechts behouden
op voorwaarde dat de vennootschap of
het
financieringsvehikel
de
belastingplichtige tot staving van zijn
aangiften in de personenbelasting van
de vier belastbare tijdperken volgend op
het belastbaar tijdperk waarvoor de
belastingvermindering wordt toegekend,
het bewijs verstrekt dat hij de betrokken
in § 1, eerste lid, a, bedoelde aandelen,
of de betrokken in § 1, eerste lid, b,
bedoelde beleggingsinstrumenten nog
in zijn bezit heeft. Aan deze voorwaarde
moet niet meer worden voldaan met
ingang van het belastbare tijdperk
waarin
de
belastingplichtige
is
overleden.
§ 4. De in § 1 bedoelde belasting-
vermindering wordt slechts behouden
op voorwaarde dat de vennootschap of
het
financieringsvehikel
de
belastingplichtige tot staving van zijn
aangiften in de personenbelasting van
de vier belastbare tijdperken volgend op
het belastbaar tijdperk waarvoor de
belastingvermindering wordt toegekend,
het bewijs verstrekt dat hij de betrokken
in § 1, eerste lid, a, bedoelde aandelen,
of de betrokken in § 1, eerste lid, b,
bedoelde beleggingsinstrumenten nog
in zijn bezit heeft. Aan deze voorwaarde
moet niet meer worden voldaan met
ingang van het belastbare tijdperk
waarin
de
belastingplichtige
is
overleden.
Wanneer
de
betrokken
aandelen
bedoeld in § 1, eerste lid, a, of de
betrokken
beleggingsinstrumenten
bedoeld in § 1, eerste lid, b, anders dan
bij
overlijden
worden
overgedragen
binnen
de
48
maanden
na
de
aanschaffing ervan, wordt de totale
belasting
met
betrekking
tot
de
inkomsten van het belastbare tijdperk
van de vervreemding vermeerderd met
een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal
één
achtenveertigste
van
de
overeenkomstig § 1 voor die aandelen
of
beleggingsinstrumenten
werkelijk
verkregen belastingvermindering, als er
volle maanden overblijven tot het einde
van de periode van 48 maanden.
Wanneer
de
betrokken
aandelen
bedoeld in § 1, eerste lid, a, of de
betrokken
beleggingsinstrumenten
bedoeld in § 1, eerste lid, b, anders dan
bij
overlijden
worden
overgedragen
binnen
de
48
maanden
na
de
aanschaffing ervan, wordt de totale
belasting
met
betrekking
tot
de
inkomsten van het belastbare tijdperk
van de vervreemding vermeerderd met
een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal
één
achtenveertigste
van
de
overeenkomstig § 1 voor die aandelen
of
beleggingsinstrumenten
werkelijk
verkregen belastingvermindering, als er
volle maanden overblijven tot het einde
van de periode van 48 maanden.
Onder het in het tweede lid bedoelde Onder het in het tweede lid bedoelde
237
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
woord "overgedragen" dient eveneens
te worden verstaan, de sluiting van de
vereffening van de vennootschap waarin
werd
geïnvesteerd
of
van
het
financieringsvehikel.
woord "overgedragen" dient eveneens
te worden verstaan, de sluiting van de
vereffening van de vennootschap waarin
werd
geïnvesteerd
of
van
het
financieringsvehikel.
Wanneer de sluiting van de vereffening
het gevolg is van de faillietverklaring van
de
vennootschap
waarin
werd
geïnvesteerd, moet niet meer worden
voldaan aan de in het eerste lid
bedoelde voorwaarde met ingang van
het
belastbare
tijdperk
waarin
die
sluiting van de vereffening ten gevolge
van
faillietverklaring
heeft
plaats
gevonden.
Wanneer de sluiting van de vereffening
het gevolg is van de faillietverklaring van
de
vennootschap
waarin
werd
geïnvesteerd, moet niet meer worden
voldaan aan de in het eerste lid
bedoelde voorwaarde met ingang van
het
belastbare
tijdperk
waarin
die
sluiting van de vereffening ten gevolge
van
faillietverklaring
heeft
plaats
gevonden.
De
in
§
1
vermelde
belastingvermindering
wordt
slechts
behouden op voorwaarde dat de in § 2,
derde, vierde lid en vijfde lid, 2°, b,
gestelde
voorwaarden
worden
nageleefd.
De
in
§
1
vermelde
belastingvermindering
wordt
slechts
behouden op voorwaarde dat de in § 2,
derde, vierde lid en vijfde lid, 2°, b,
gestelde
voorwaarden
worden
nageleefd.
Wanneer de in § 2, derde en vierde lid,
vermelde
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd gedurende de respectievelijk
12 of 48 maanden volgend op de
volstorting van de aandelen van de
vennootschap, wordt de totale belasting
met betrekking tot de inkomsten van het
belastbare
tijdperk
waarin
wordt
vastgesteld dat die voorwaarde niet
wordt nageleefd, vermeerderd met een
bedrag dat gelijk is aan zoveel maal
respectievelijk één twaalfde of één
achtenveertigste van de overeenkomstig
§
1
voor
die
aandelen
of
beleggingsinstrumenten
werkelijk
verkregen belastingvermindering, als er
volle maanden overblijven vanaf de
datum waarop de voorwaarde niet wordt
nageleefd tot het einde van de termijn
van respectievelijk 12 of 48 maanden.
Wanneer de in § 2, derde en vierde lid,
vermelde
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd gedurende de respectievelijk
12 of 48 maanden volgend op de
volstorting van de aandelen van de
vennootschap, wordt de totale belasting
met betrekking tot de inkomsten van het
belastbare
tijdperk
waarin
wordt
vastgesteld dat die voorwaarde niet
wordt nageleefd, vermeerderd met een
bedrag dat gelijk is aan zoveel maal
respectievelijk één twaalfde of één
achtenveertigste van de overeenkomstig
§
1
voor
die
aandelen
of
beleggingsinstrumenten
werkelijk
verkregen belastingvermindering, als er
volle maanden overblijven vanaf de
datum waarop de voorwaarde niet wordt
nageleefd tot het einde van de termijn
van respectievelijk 12 of 48 maanden.
Wanneer de in § 2, vijfde lid, 2°, b,
vermelde
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd gedurende de 48 maanden
volgend op de volstorting van de
aandelen van de vennootschap, wordt
de totale belasting met betrekking tot de
Wanneer de in § 2, vijfde lid, 2°, b,
vermelde
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd gedurende de 48 maanden
volgend op de volstorting van de
aandelen van de vennootschap, wordt
de totale belasting met betrekking tot de
238
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
inkomsten van het belastbare tijdperk
waarin
wordt
vastgesteld
dat
die
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd,
vermeerderd met een bedrag dat gelijk
is aan zoveel maal één achtenveertigste
van de overeenkomstig § 1 voor die
aandelen, beleggingsinstrumenten of
rechten
van
deelneming
werkelijk
verkregen belastingvermindering, als er
volle maanden overblijven vanaf de
datum waarop de voorwaarde niet wordt
nageleefd tot het einde van de termijn
van 48 maanden.
inkomsten van het belastbare tijdperk
waarin
wordt
vastgesteld
dat
die
voorwaarde
niet
wordt
nageleefd,
vermeerderd met een bedrag dat gelijk
is aan zoveel maal één achtenveertigste
van de overeenkomstig § 1 voor die
aandelen, beleggingsinstrumenten of
rechten
van
deelneming
werkelijk
verkregen belastingvermindering, als er
volle maanden overblijven vanaf de
datum waarop de voorwaarde niet wordt
nageleefd tot het einde van de termijn
van 48 maanden.
§ 5. De Koning bepaalt de wijze waarop
het in § 3 en § 4, eerste lid, bedoelde
bewijs wordt geleverd evenals het
bewijs dat tenminste aan één van de in
§ 2, eerste lid, 4°, bedoelde criteria is
voldaan.
§ 5. De Koning bepaalt de wijze waarop
het in § 3 en § 4, eerste lid, bedoelde
bewijs wordt geleverd evenals het
bewijs dat tenminste aan één van de in
§ 2, eerste lid, 4°, bedoelde criteria is
voldaan.
Art. 181, 8°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 181, 8°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
8° opgericht zijn met toepassing van de
wet van 27 juni 1921 betreffende de
verenigingen zonder winstoogmerk, de
internationale
verenigingen
zonder
winstoogmerk en de stichtingen, voor
zover hun activiteit louter bestaat in
certificatie in de zin van de wet van 15
juli 1998 betreffende de certificatie van
effecten
uitgegeven
door
handelsvennootschappen, en de door
hen uitgegeven certificaten krachtens
artikel 13, § 1, eerste lid, van dezelfde
wet voor de toepassing van het WIB
1992 gelijkgesteld worden met de
effecten waarop ze betrekking hebben.
8° onder toepassing vallen van Deel 3
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen,
voor zover hun activiteit louter bestaat in
certificatie in de zin van de wet van 15
juli 1998 betreffende de certificatie van
effecten
uitgegeven
door
handelsvennootschappen, en de door
hen uitgegeven certificaten krachtens
artikel 13, § 1, eerste lid, van dezelfde
wet voor de toepassing van het WIB
1992 gelijkgesteld worden met de
effecten waarop ze betrekking hebben.
Art. 184 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 184 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Het gestorte kapitaal is het statutaire
kapitaal voorzover dat gevormd wordt
door werkelijk gestorte inbrengen en
voorzover er geen vermindering heeft
Het gestort kapitaal is het kapitaal
voor zover dat gevormd wordt door
werkelijk gestorte inbrengen in geld
of in natura, andere dan inbrengen in
239
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
plaatsgevonden.
nijverheid, en in zoverre er geen
terugbetaling of vermindering heeft
plaatsgevonden.
Uitgiftepremies en bedragen waarop
ingeschreven wordt ter gelegenheid van
de uitgifte van winstbewijzen worden
gelijkgesteld
met
het
kapitaal,
op
voorwaarde dat ze op het passief van
de balans worden vermeld onder het
eigen vermogen, op een rekening die,
zoals het maatschappelijk kapitaal, de
waarborg voor derden vormt en alleen
kan worden verminderd ter uitvoering
van een regelmatige beslissing van de
algemene vergadering, getroffen met
inachtneming van de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen die van
toepassing zijn op statutenwijzigingen.
In zoverre zij niet in het eerste lid zijn
bedoeld, worden uitgiftepremies en
andere
bedragen
waarop
wordt
ingeschreven door werkelijk gestorte
inbrengen in geld of in natura, andere
dan inbrengen in nijverheid, ter
gelegenheid van de uitgifte van
aandelen
of
winstbewijzen,
gelijkgesteld met het gestort kapitaal
op voorwaarde dat ze op een of meer
afzonderlijke rekeningen onder het
eigen vermogen op het passief van
de balans worden en blijven vermeld.
In
verenigingen,
stichtingen,
vennootschappen
en
andere
instellingen die rechtspersoonlijkheid
bezitten en die een belangeloos doel
nastreven zijn de eerste twee leden
alleen
van
toepassing
op
het
gedeelte van de inbrengen die door
de inbrenger of zijn rechthebbenden
wettelijk
kunnen
worden
teruggenomen.
Ingeval van een inbreng van aandelen
waarvoor de meerwaarden ofwel zijn
vrijgesteld krachtens artikel 45, § 1,
eerste lid, 2°, en niet vallen onder de
vrijstelling
van
meerwaarden
op
aandelen bepaald in artikel 192, ofwel
niet belastbaar zijn overeenkomstig
artikel 90, eerste lid, 9°, eerste streepje,
of artikel 228, § 2, 9°, h, is het gestort
kapitaal naar aanleiding van ruil van
nieuwe aandelen uitgegeven door de
inbrengverkrijgende vennootschap gelijk
aan de aanschaffingswaarde van de
ingebrachte aandelen in hoofde van de
inbrenger. Bij gebrek hieraan, wordt het
gestort kapitaal geacht overeen te
stemmen met de waarde van het gestort
kapitaal
dat
door
de
ingebrachte
aandelen wordt vertegenwoordigd, in
Ingeval van een inbreng van aandelen
waarvoor de meerwaarden ofwel zijn
vrijgesteld krachtens artikel 45, § 1,
eerste lid, 2°, en niet vallen onder de
vrijstelling
van
meerwaarden
op
aandelen bepaald in artikel 192, ofwel
niet belastbaar zijn overeenkomstig
artikel 90, eerste lid, 9°, eerste streepje,
of artikel 228, § 2, 9°, h, is het gestort
kapitaal naar aanleiding van ruil van
nieuwe aandelen uitgegeven door de
inbrengverkrijgende vennootschap gelijk
aan de aanschaffingswaarde van de
ingebrachte aandelen in hoofde van de
inbrenger. Bij gebrek hieraan, wordt het
gestort kapitaal geacht overeen te
stemmen met de waarde van het gestort
kapitaal
dat
door
de
ingebrachte
aandelen wordt vertegenwoordigd, in
240
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
het totaal gestort kapitaal van de
vennootschap
waarvan
ze
de
vertegenwoordiging
zijn.
Voor
het
overige wordt deze inbreng als een
belaste reserve aangemerkt.
het totaal gestort kapitaal van de
vennootschap
waarvan
ze
de
vertegenwoordiging
zijn.
Voor
het
overige wordt deze inbreng als een
belaste reserve aangemerkt.
In de andere gevallen dan het in het
vorige lid bedoelde geval, wordt het
gestort kapitaal geacht overeen te
stemmen met de werkelijke waarde van
de ingebrachte aandelen in de mate dat
de inbreng wordt vergoed in aandelen.
Voor de toepassing van deze titel,
wordt het bedrag van het in het
eerste lid bedoelde gestort kapitaal
en de bedragen die overeenkomstig
het tweede lid met gestort kapitaal
worden gelijkgesteld, geacht niet
verminderd te zijn ten belope van de
terugbetalingen die overeenkomstig
artikel 18, tweede tot vijfde lid, als
dividenden op de belaste reserves of
op de vrijgestelde reserves zijn
aangerekend.
Voor de toepassing van deze titel, wordt
het bedrag van het in het eerste lid
bedoelde gestorte kapitaal, van de
uitgiftepremies en van de sommen
waarop is ingeschreven ter gelegenheid
van de uitgifte van winstbewijzen die
overeenkomstig het tweede lid met
kapitaal worden gelijkgesteld, geacht
niet verminderd te zijn ten belope van
de
vermindering
van
het
maatschappelijk
kapitaal,
van
de
uitgiftepremies
of
van
de
bovenvermelde
sommen
die
ten
gevolge van de toepassing van artikel
18, tweede tot vijfde lid, als dividenden
op de belaste reserves en op de
vrijgestelde reserves zijn aangerekend.
Voor de toepassing van deze titel, wordt
het bedrag van het in het eerste lid
bedoelde gestorte kapitaal, van de
uitgiftepremies en van de sommen
waarop is ingeschreven ter gelegenheid
van de uitgifte van winstbewijzen die
overeenkomstig het tweede lid met
kapitaal worden gelijkgesteld, geacht
niet verminderd te zijn ten belope van
de
vermindering
van
het
maatschappelijk
kapitaal,
van
de
uitgiftepremies
of
van
de
bovenvermelde
sommen
die
ten
gevolge van de toepassing van artikel
18, tweede tot vijfde lid, als dividenden
op de belaste reserves en op de
vrijgestelde reserves zijn aangerekend.
Art. 184bis van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 184bis van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1 Wanneer een bedrijfsafdeling of een
tak
van
werkzaamheid
of
een
algemeenheid
van
goederen
wordt
ingebracht en de door de inbrenger
gerealiseerde
meerwaarde
wordt
vrijgesteld krachtens artikel 46, § 1,
eerste lid, 2°, is het door die inbreng
gestorte kapitaal gelijk aan de fiscale
nettowaarde die de inbreng had bij de
§ 1 Wanneer een bedrijfsafdeling of een
tak
van
werkzaamheid
of
een
algemeenheid
van
goederen
wordt
ingebracht en de door de inbrenger
gerealiseerde
meerwaarde
wordt
vrijgesteld krachtens artikel 46, § 1,
eerste lid, 2°, is het door die inbreng
gestorte kapitaal gelijk aan de fiscale
nettowaarde die de inbreng had bij de
241
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
inbrenger.
inbrenger.
(1) Ingeval deze verrichting niet valt
onder artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, met
als enige reden dat er aan de in artikel
46, § 1, derde lid, 3°, bedoelde
voorwaarde niet is voldaan, dan :
(1) Ingeval deze verrichting niet valt
onder artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, met
als enige reden dat er aan de in artikel
46, § 1, derde lid, 3°, bedoelde
voorwaarde niet is voldaan, dan :
- wordt het gestorte kapitaal dat in
hoofde
van
de
inbrengverkrijgende
vennootschap voortkomt uit de inbreng,
geacht overeen te stemmen met de
werkelijke waarde van de in deze
vennootschap verrichte inbreng ;
- wordt het gestorte kapitaal dat in
hoofde
van
de
inbrengverkrijgende
vennootschap voortkomt uit de inbreng,
geacht overeen te stemmen met de
werkelijke waarde van de in deze
vennootschap verrichte inbreng ;
- wordt de aanschaffingswaarde van de
ingebrachte
bestanddelen
geacht
overeen te stemmen met de werkelijke
waarde
die
deze
hadden
bij
de
inbrengende vennootschap op de datum
waarop de verrichting plaatsvond.
- wordt de aanschaffingswaarde van de
ingebrachte
bestanddelen
geacht
overeen te stemmen met de werkelijke
waarde
die
deze
hadden
bij
de
inbrengende vennootschap op de datum
waarop de verrichting plaatsvond.
§ 2. Wanneer een Belgische inrichting in
een binnenlandse vennootschap wordt
ingebracht onder de voorwaarden voor
toepassing van artikel 231, §§ 2 en 3, is
het door die inbreng gestorte kapitaal
gelijk aan de fiscale nettowaarde die, op
het
ogenblik
van
de
inbreng,
de
inrichting had bij de inbrenger, na aftrek
van:
§ 2. Wanneer een Belgische inrichting in
een binnenlandse vennootschap wordt
ingebracht onder de voorwaarden voor
toepassing van artikel 231, §§ 2 en 3, is
het door die inbreng gestorte kapitaal
gelijk aan de fiscale nettowaarde die, op
het
ogenblik
van
de
inbreng,
de
inrichting had bij de inbrenger, na aftrek
van:
1° de belaste reserves ;
1° de belaste reserves ;
2° de vrijgestelde reserves.
2° de vrijgestelde reserves.
§
3.
Ingeval
een
binnenlandse
vennootschap
vanwege
een
buitenlandse
vennootschap
een
buitenlandse
inrichting
of
in
het
buitenland
gelegen
bestanddelen
verkrijgt ten gevolge van een inbreng
van één of meer bedrijfsafdelingen of
takken van werkzaamheid of van een
algemeenheid van goederen tegen de
uitgifte
van
aandelen
die
het
maatschappelijk
kapitaal
van
deze
binnenlandse
vennootschap
vertegenwoordigen,
die
in
het
buitenland al dan niet is vrijgesteld met
toepassing van bepalingen gelijkaardig
§
3.
Ingeval
een
binnenlandse
vennootschap
vanwege
een
buitenlandse
vennootschap
een
buitenlandse
inrichting
of
in
het
buitenland
gelegen
bestanddelen
verkrijgt ten gevolge van een inbreng
van één of meer bedrijfsafdelingen of
takken van werkzaamheid of van een
algemeenheid van goederen tegen de
uitgifte van aandelen die het kapitaal
van deze binnenlandse vennootschap
vertegenwoordigen,
die
in
het
buitenland al dan niet is vrijgesteld met
toepassing van bepalingen gelijkaardig
aan artikel 46, dan vormt de naar
242
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
aan artikel 46, dan vormt de naar
aanleiding
van
deze
verrichting
verkregen netto-boekwaarde van deze
verkregen inrichting of bestanddelen,
gestort kapitaal ten name van deze
binnenlandse vennootschap.
aanleiding
van
deze
verrichting
verkregen netto-boekwaarde van deze
verkregen inrichting of bestanddelen,
gestort kapitaal ten name van deze
binnenlandse vennootschap.
Deze netto-boekwaarde is gelijk aan de
boekwaarde van de activa van de
inrichting
of
van
de
bestanddelen
verminderd met de boekwaarde van de
eraan verbonden schulden.
Deze netto-boekwaarde is gelijk aan de
boekwaarde van de activa van de
inrichting
of
van
de
bestanddelen
verminderd met de boekwaarde van de
eraan verbonden schulden.
§
4.
Ingeval
een
binnenlandse
vennootschap
een
intra-Europese
vennootschap geheel of gedeeltelijk
overneemt
naar
aanleiding
of
ten
gevolge van een fusie, splitsing of
gelijkgestelde verrichting, stemt het ten
gevolge van deze verrichting in hoofde
van de binnenlandse vennootschap
gestorte kapitaal overeen met het
statutaire kapitaal, de uitgiftepremies en
de bedragen waarop is ingeschreven ter
gelegenheid
van
de
uitgifte
van
winstbewijzen in de mate en binnen de
grenzen bedoeld in artikel 184, eerste
en tweede lid, en ingeval van een
splitsing of een met een splitsing
gelijkgestelde
verrichting
met
toepassing van de verhouding bedoeld
in artikel 213.
§
4.
Ingeval
een
binnenlandse
vennootschap
een
intra-Europese
vennootschap geheel of gedeeltelijk
overneemt
naar
aanleiding
of
ten
gevolge van een fusie, splitsing of
gelijkgestelde verrichting, stemt het ten
gevolge van deze verrichting in hoofde
van de binnenlandse vennootschap
gestorte kapitaal overeen met het
kapitaal, de uitgiftepremies en de
bedragen waarop is ingeschreven ter
gelegenheid
van
de
uitgifte
van
winstbewijzen in de mate en binnen de
grenzen bedoeld in artikel 184, eerste
en tweede lid, en ingeval van een
splitsing of een met een splitsing
gelijkgestelde
verrichting
met
toepassing van de verhouding bedoeld
in artikel 213.
De andere bestanddelen van het eigen
vermogen worden als belaste reserves
aangemerkt, met uitzondering van de
vrijgestelde reserves verbonden aan
een
Belgische
inrichting
van
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap.
De andere bestanddelen van het eigen
vermogen worden als belaste reserves
aangemerkt, met uitzondering van de
vrijgestelde reserves verbonden aan
een
Belgische
inrichting
van
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap.
In de in deze paragraaf bedoelde
gevallen wordt het bedrag aan gestort
kapitaal
en
van
de
voorheen
gereserveerde
winst
van
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap
ten
name
van
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap verminderd ten belope
van het gedeelte van de inbreng dat niet
wordt vergoed met nieuwe aandelen die
In de in deze paragraaf bedoelde
gevallen wordt het bedrag aan gestort
kapitaal
en
van
de
voorheen
gereserveerde
winst
van
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap
ten
name
van
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap verminderd ten belope
van het gedeelte van de inbreng dat niet
wordt vergoed met nieuwe aandelen die
243
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
naar aanleiding van de verrichting
worden uitgegeven. Deze vermindering
wordt eerst aangerekend op de belaste
reserves, daarna, indien die reserves
ontoereikend zijn, op de vrijgestelde
reserves en ten slotte op het gestort
kapitaal. In de mate echter de inbrengen
niet
worden
vergoed
omdat
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschappen in het bezit zijn van
aandelen van de overgenomen of
gesplitste
vennootschap,
wordt
de
vermindering
verhoudingsgewijs
aangerekend op het gestorte kapitaal en
de reserves, waarbij de vermindering
van de reserves bij voorrang op de
belaste reserves wordt aangerekend.
Geen
enkele
vermindering
wordt
aangerekend op de meerwaarden en
kapitaalsubsidies,
noch,
indien
de
inbrengen niet worden vergoed omdat
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschappen in het bezit zijn van
aandelen van de overgenomen of
gesplitste
vennootschap,
op
de
vrijgestelde reserves verbonden aan de
Belgische inrichting, noch daarenboven
op
de
vrijgestelde
waardeverminderingen en provisies, die
als
dusdanig
voorkomen
in
de
boekhouding van de overnemende of
verkrijgende vennootschappen.
naar aanleiding van de verrichting
worden uitgegeven. Deze vermindering
wordt eerst aangerekend op de belaste
reserves, daarna, indien die reserves
ontoereikend zijn, op de vrijgestelde
reserves en ten slotte op het gestort
kapitaal. In de mate echter de inbrengen
niet
worden
vergoed
omdat
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschappen in het bezit zijn van
aandelen van de overgenomen of
gesplitste
vennootschap,
wordt
de
vermindering
verhoudingsgewijs
aangerekend op het gestorte kapitaal en
de reserves, waarbij de vermindering
van de reserves bij voorrang op de
belaste reserves wordt aangerekend.
Geen
enkele
vermindering
wordt
aangerekend op de meerwaarden en
kapitaalsubsidies,
noch,
indien
de
inbrengen niet worden vergoed omdat
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschappen in het bezit zijn van
aandelen van de overgenomen of
gesplitste
vennootschap,
op
de
vrijgestelde reserves verbonden aan de
Belgische inrichting, noch daarenboven
op
de
vrijgestelde
waardeverminderingen en provisies, die
als
dusdanig
voorkomen
in
de
boekhouding van de overnemende of
verkrijgende vennootschappen.
§
5.
Ingeval
een
buitenlandse
vennootschap haar maatschappelijke
zetel, voornaamste inrichting of zetel
van bestuur of beheer naar België
overbrengt en ten gevolge van deze
overbrenging onderworpen wordt aan
de Belgische vennootschapsbelasting,
dan wordt ten name van de ten gevolge
van
deze
overbrenging
ontstane
binnenlandse vennootschap, het bedrag
van
het
gestorte
kapitaal
geacht
overeen te stemmen met het statutaire
kapitaal,
de
uitgiftepremies
en
de
bedragen waarop ingeschreven is ter
gelegenheid
van
de
uitgifte
van
winstbewijzen, in de mate en binnen de
grenzen bedoeld in artikel 184, eerste
§
5.
Ingeval
een
buitenlandse
vennootschap
haar
voornaamste
inrichting of zetel van bestuur of beheer
naar België overbrengt en ten gevolge
van deze overbrenging onderworpen
wordt
aan
de
Belgische
vennootschapsbelasting, dan wordt ten
name van de ten gevolge van deze
overbrenging
ontstane
binnenlandse
vennootschap, het bedrag van het
gestorte kapitaal geacht overeen te
stemmen
met
het
kapitaal,
de
uitgiftepremies en de bedragen waarop
ingeschreven is ter gelegenheid van de
uitgifte van winstbewijzen, in de mate en
binnen de grenzen bedoeld in artikel
184, eerste en tweede lid.
244
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
en tweede lid.
De andere bestanddelen van het eigen
vermogen worden als belaste reserves
aangemerkt, met uitzondering van de
vrijgestelde reserves verbonden aan
een Belgische inrichting waarover die
buitenlandse vennootschap beschikte
vóór de overbrenging.
De andere bestanddelen van het eigen
vermogen worden als belaste reserves
aangemerkt, met uitzondering van de
vrijgestelde reserves verbonden aan
een Belgische inrichting waarover die
buitenlandse vennootschap beschikte
vóór de overbrenging.
In afwijking van het tweede lid worden
de
andere
uit
het
buitenland
overgebrachte bestanddelen van het
eigen
vermogen
als
vrijgestelde
reserves
aangemerkt
indien
de
overbrenging
gebeurt
vanuit
een
vennootschap als bedoeld in artikel 203,
§ 1, eerste lid, 1°, behalve wanneer die
vennootschap
gevestigd
is
in
een
Lidstaat van de Europese Unie en daar
aan de gemeenrechtelijke bepalingen
inzake belastingen is onderworpen.
In afwijking van het tweede lid worden
de
andere
uit
het
buitenland
overgebrachte bestanddelen van het
eigen
vermogen
als
vrijgestelde
reserves
aangemerkt
indien
de
overbrenging
gebeurt
vanuit
een
vennootschap als bedoeld in artikel 203,
§ 1, eerste lid, 1°, behalve wanneer die
vennootschap
gevestigd
is
in
een
Lidstaat van de Europese Unie en daar
aan de gemeenrechtelijke bepalingen
inzake belastingen is onderworpen.
De in het derde lid vermelde vrijstelling
is en blijft van toepassing in zoverre dat
gedeelte op één of meer afzonderlijke
rekeningen van het passief geboekt is
en blijft en niet tot grondslag dient voor
de berekening van de jaarlijkse dotatie
aan de wettelijke reserve of van enige
beloning of toekenning.
De in het derde lid vermelde vrijstelling
is en blijft van toepassing in zoverre dat
gedeelte op één of meer afzonderlijke
rekeningen van het passief geboekt is
en blijft en niet tot grondslag dient voor
de berekening van de jaarlijkse dotatie
aan de wettelijke reserve of van enige
beloning of toekenning.
Art. 184ter van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 184ter van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. Wordt evenwel, onverminderd de
toepassing van artikel 214, § 1, niet als
gestort kapitaal aangemerkt, het netto-
actief vermeld in artikel 26sexies van de
wet van 27 juni 1921 betreffende de
verenigingen zonder winstoogmerk, de
stichtingen en de Europese politieke
partijen
en
stichtingen,
dat
het
maatschappelijk kapitaal uitmaakt van
een vennootschap met een sociaal
oogmerk of dat op een onbeschikbare
reserverekening van die vennootschap
wordt geboekt. Dat maatschappelijk
kapitaal en die reserverekening worden
§ 1. Wordt evenwel, onverminderd de
toepassing van artikel 214, § 1, niet als
gestort kapitaal aangemerkt, het netto-
actief vermeld in artikel 14:42 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen,
dat
het
kapitaal
uitmaakt van een overeenkomstig
artikel 8:5 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
erkende sociale onderneming of dat
op een onbeschikbare reserverekening
van die vennootschap wordt geboekt.
Dat kapitaal en die reserverekening
worden slechts vrijgesteld voor zover is
245
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
slechts vrijgesteld voor zover is voldaan
aan de voorwaarden bedoeld in artikel
190.
voldaan aan de voorwaarden bedoeld in
artikel 190.
Wordt
evenwel,
onverminderd
de
toepassing van artikel 210, § 1, 3°, niet
als gestort kapitaal aangemerkt, het
netto
actief
bedoeld
in
Hoofdstuk
Vquinquies van de wet van 9 juli 1975
betreffende
de
controle
der
verzekerings-ondernemingen, dat het
maatschappelijk
kapitaal
van
een
handelsvennootschap uitmaakt of dat op
een onbeschikbare reserverekening van
die vennootschap wordt geboekt. Dat
maatschappelijk
kapitaal
en
die
reserverekening
worden
slechts
vrijgesteld voor zover voldaan is aan de
voorwaarden bedoeld in artikel 190.
Wordt
evenwel,
onverminderd
de
toepassing van artikel 210, § 1, 3°, niet
als gestort kapitaal aangemerkt, het
netto
actief
bedoeld
in
Hoofdstuk
Vquinquies van de wet van 9 juli 1975
betreffende
de
controle
der
verzekerings-ondernemingen, dat het
kapitaal
van
een
vennootschap
uitmaakt of dat op een onbeschikbare
reserverekening van die vennootschap
wordt geboekt. Dat kapitaal en die
reserverekening
worden
slechts
vrijgesteld voor zover voldaan is aan de
voorwaarden bedoeld in artikel 190.
*** huidige tekst
§ 2. Ingeval van verkrijging door fusie,
splitsing of gelijkgestelde verrichting,
door een binnenlandse vennootschap
van een buitenlandse inrichting of in het
buitenland
gelegen
bestanddelen,
worden
de
later
gerealiseerde
meerwaarden en minderwaarden wat
deze
activa
betreft,
vastgesteld
uitgaande van de boekwaarde die zij
hebben
op
het
ogenblik
van
de
verrichting.
*** huidige tekst
§ 2. Ingeval van verkrijging door fusie,
splitsing of gelijkgestelde verrichting,
door een binnenlandse vennootschap
van een buitenlandse inrichting of in het
buitenland
gelegen
bestanddelen,
worden
de
later
gerealiseerde
meerwaarden en minderwaarden wat
deze
activa
betreft,
vastgesteld
uitgaande van de boekwaarde die zij
hebben
op
het
ogenblik
van
de
verrichting.
*** huidige tekst, 2de lid
Ingeval van de overbrenging naar België
van
haar
maatschappelijke
zetel,
voornaamste inrichting of zetel van
bestuur
of
beheer
door
een
buitenlandse vennootschap worden voor
wat betreft de bestanddelen verbonden
aan de buitenlandse inrichtingen of de in
het buitenland gelegen bestanddelen
waarover deze vennootschap beschikt,
de later gerealiseerde meerwaarden en
minderwaarden wat deze activa betreft,
vastgesteld
uitgaande
van
de
boekwaarde die zij hebben op het
ogenblik van de verrichting.
*** huidige tekst, 2de lid
Ingeval van de overbrenging naar België
van haar voornaamste inrichting of zetel
van
bestuur
of
beheer
door
een
buitenlandse vennootschap worden voor
wat
betreft
de
bestanddelen
aangewend
in
de
buitenlandse
inrichtingen of de in het buitenland
gelegen bestanddelen waarover deze
vennootschap
beschikt,
de
later
gerealiseerde
meerwaarden
en
minderwaarden wat deze activa betreft,
vastgesteld
uitgaande
van
de
boekwaarde die zij hebben op het
ogenblik van de verrichting.
246
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
*** AJ 2020
§ 2. Ingeval van verkrijging door fusie,
splitsing of gelijkgestelde verrichting,
door een binnenlandse vennootschap
van een buitenlandse inrichting of in het
buitenland
gelegen
bestanddelen,
worden
de
later
gerealiseerde
meerwaarden,
minderwaarden,
afschrijvingen en waardeverminderingen
wat deze activa betreft, vastgesteld
uitgaande van de werkelijke waarde die
zij hebben op het ogenblik van de
verrichting.
*** AJ 2020
§ 2. Ingeval van verkrijging door fusie,
splitsing of gelijkgestelde verrichting,
door een binnenlandse vennootschap
van een buitenlandse inrichting of in het
buitenland
gelegen
bestanddelen,
worden
de
later
gerealiseerde
meerwaarden,
minderwaarden,
afschrijvingen en waardeverminderingen
wat deze activa betreft, vastgesteld
uitgaande van de werkelijke waarde die
zij hebben op het ogenblik van de
verrichting.
*** AJ 2020, 2e lid
Ingeval van de overbrenging naar België
van
haar
maatschappelijke
zetel,
voornaamste inrichting of zetel van
bestuur
of
beheer
door
een
buitenlandse vennootschap worden voor
wat betreft de bestanddelen verbonden
aan de buitenlandse inrichtingen of de in
het buitenland gelegen bestanddelen
waarover deze vennootschap beschikt,
de later gerealiseerde meerwaarden,
minderwaarden,
afschrijvingen
en
waarde-verminderingen wat deze activa
betreft, vastgesteld uitgaande van de
werkelijke waarde die zij hebben op het
ogenblik van de verrichting.
*** vanaf AJ 2020, 2e lid
Ingeval van de overbrenging naar België
van haar voornaamste inrichting of zetel
van
bestuur
of
beheer
door
een
buitenlandse vennootschap worden voor
wat
betreft
de
bestanddelen
aangewend
in
de
buitenlandse
inrichtingen of de in het buitenland
gelegen bestanddelen waarover deze
vennootschap
beschikt,
de
later
gerealiseerde
meerwaarden,
minderwaarden,
afschrijvingen
en
waarde-verminderingen wat deze activa
betreft, vastgesteld uitgaande van de
werkelijke waarde die zij hebben op het
ogenblik van de verrichting.
*** AJ 2020, 3de lid
In geval van de overdracht van één of
meerdere bestanddelen verbonden aan
een buitenlandse inrichting waarvan de
winst
in
België
wordt
vrijgesteld
krachtens een overeenkomst tot het
vermijden van dubbele belasting naar
de Belgische maatschappelijke zetel, de
voornaamste inrichting, de zetel van
bestuur of beheer of een andere
Belgische inrichting, worden de later
gerealiseerde
meerwaarden,
minderwaarden,
afschrijvingen
en
waardeverminderingen wat deze activa
betreft, vastgesteld uitgaande van de
werkelijke waarde die zij hebben op het
ogenblik van de verrichting.
*** AJ 2020, 3de lid
In geval van de overdracht van één of
meerdere bestanddelen verbonden aan
een buitenlandse inrichting waarvan de
winst
in
België
wordt
vrijgesteld
krachtens een overeenkomst tot het
vermijden van dubbele belasting naar
de Belgische voornaamste inrichting, de
zetel van bestuur of beheer of een
andere Belgische inrichting, worden de
later
gerealiseerde
meerwaarden,
minderwaarden,
afschrijvingen
en
waardeverminderingen wat deze activa
betreft, vastgesteld uitgaande van de
werkelijke waarde die zij hebben op het
ogenblik van de verrichting.
247
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
*** AJ 2020, 4de lid
In geval van de overdracht van één of
meerdere Belgische bestanddelen naar
een buitenlandse inrichting waarvan de
winst
in
België
wordt
vrijgesteld
krachtens een overeenkomst tot het
vermijden
van
dubbele
belasting,
worden
de
later
gerealiseerde
meerwaarden,
minderwaarden,
afschrijvingen en waardeverminderingen
wat deze activa betreft, vastgesteld
overeenkomstig artikel 185/1 uitgaande
van de werkelijke waarde die zij hebben
op het ogenblik van de verrichting.
*** AJ 2020, 4de lid
In geval van de overdracht van één of
meerdere Belgische bestanddelen naar
een buitenlandse inrichting waarvan de
winst
in
België
wordt
vrijgesteld
krachtens een overeenkomst tot het
vermijden
van
dubbele
belasting,
worden
de
later
gerealiseerde
meerwaarden,
minderwaarden,
afschrijvingen en waardeverminderingen
wat deze activa betreft, vastgesteld
overeenkomstig artikel 185/1 uitgaande
van de werkelijke waarde die zij hebben
op het ogenblik van de verrichting.
*** AJ 2020, 5de lid
Indien
de
waarde
van
deze
bestanddelen naar aanleiding van een
in het eerste tot derde lid bedoelde
verrichting werd vastgesteld door de
Staat waar deze bestanddelen op het
ogenblik van de verrichting zijn gelegen,
en de niet gerealiseerde meerwaarde op
deze bestanddelen ten gevolge van
deze verrichtingen daadwerkelijk door
deze Staat in de belastinggrondslag
wordt opgenomen, wordt de door deze
Staat vastgestelde waarde vermoed
overeen te stemmen met werkelijke
waarde
ervan,
tenzij
kan
worden
aangetoond dat de door deze Staat
vastgestelde waarde hoger is dan de
werkelijke waarde.
*** AJ 2020, 5de lid
Indien
de
waarde
van
deze
bestanddelen naar aanleiding van een
in het eerste tot derde lid bedoelde
verrichting werd vastgesteld door de
Staat waar deze bestanddelen op het
ogenblik van de verrichting zijn gelegen,
en de niet gerealiseerde meerwaarde op
deze bestanddelen ten gevolge van
deze verrichtingen daadwerkelijk door
deze Staat in de belastinggrondslag
wordt opgenomen, wordt de door deze
Staat vastgestelde waarde vermoed
overeen te stemmen met werkelijke
waarde
ervan,
tenzij
kan
worden
aangetoond dat de door deze Staat
vastgestelde waarde hoger is dan de
werkelijke waarde.
*** AJ 2020, 6de lid
Het vijfde lid is enkel van toepassing
voor wat de bestanddelen betreft die op
het ogenblik van de verrichting gelegen
zijn in een Staat waarmee België een
akkoord of overeenkomst heeft gesloten
of die met België deelneemt aan een
ander bilateraal of multilateraal gesloten
juridisch instrument, op voorwaarde dat
dit akkoord, deze overeenkomst of dit
juridisch instrument de uitwisseling van
inlichtingen mogelijk maakt met het oog
op de toepassing van het interne recht
van de overeenkomstsluitende Staten.
*** AJ 2020, 6de lid
Het vijfde lid is enkel van toepassing
voor wat de bestanddelen betreft die op
het ogenblik van de verrichting gelegen
zijn in een Staat waarmee België een
akkoord of overeenkomst heeft gesloten
of die met België deelneemt aan een
ander bilateraal of multilateraal gesloten
juridisch instrument, op voorwaarde dat
dit akkoord, deze overeenkomst of dit
juridisch instrument de uitwisseling van
inlichtingen mogelijk maakt met het oog
op de toepassing van het interne recht
van de overeenkomstsluitende Staten.
248
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
*** AJ 2020, 7de lid
Indien het vijfde lid niet van toepassing
is, wordt de werkelijke waarde van de in
het eerste tot derde lid bedoelde
bestanddelen
vermoed
overeen
te
stemmen met de aanschaffings- of
beleggingswaarde
ervan
verminderd
met
de
waardeverminderingen
en
afschrijvingen die zich overeenkomstig
de bepalingen van dit Wetboek zouden
hebben
voorgedaan,
tenzij
het
tegendeel wordt aangetoond.
*** AJ 2020, 7de lid
Indien het vijfde lid niet van toepassing
is, wordt de werkelijke waarde van de in
het eerste tot derde lid bedoelde
bestanddelen
vermoed
overeen
te
stemmen met de aanschaffings- of
beleggingswaarde
ervan
verminderd
met
de
waardeverminderingen
en
afschrijvingen die zich overeenkomstig
de bepalingen van dit Wetboek zouden
hebben
voorgedaan,
tenzij
het
tegendeel wordt aangetoond.
Het tweede lid is niet van toepassing
indien de overbrenging gebeurt vanuit
een vennootschap als bedoeld in artikel
203, § 1, eerste lid, 1°, behalve wanneer
die vennootschap gevestigd is in een
lidstaat van de Europese Unie en daar
aan de gemeenrechtelijke bepalingen
inzake belastingen is onderworpen.
Het tweede lid is niet van toepassing
indien de overbrenging gebeurt vanuit
een vennootschap als bedoeld in artikel
203, § 1, eerste lid, 1°, behalve wanneer
die vennootschap gevestigd is in een
lidstaat van de Europese Unie en daar
aan de gemeenrechtelijke bepalingen
inzake belastingen is onderworpen.
*** AJ 2020, 8ste lid
Behalve wanneer die vennootschap
gevestigd is in een lidstaat van de
Europese
Unie
en
daar
aan
de
gemeenrechtelijke bepalingen inzake
belastingen is onderworpen, is het
tweede lid niet van toepassing indien de
overbrenging gebeurt vanuit een in
artikel 203, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde
vennootschap. In dat geval worden de
later
gerealiseerde
waardeverminderingen,
meerwaarden
en minderwaarden wat deze activa
betreft, vastgesteld uitgaande van de
aanschaffings-
of
beleggingswaarde
ervan verminderd met de afschrijvingen
en
waardeverminderingen
die
overeenkomstig de bepalingen van dit
Wetboek in aanmerking zouden zijn
genomen en worden de afschrijvingen
met betrekking tot de op het moment
van de verrichting in het buitenland
gelegen bestanddelen evenwel slechts
in aanmerking genomen in de mate dat
zij zijn gegrond op de aanschaffings- of
beleggingswaarde.
*** AJ 2020, 8ste lid
Behalve wanneer die vennootschap
gevestigd is in een lidstaat van de
Europese
Unie
en
daar
aan
de
gemeenrechtelijke bepalingen inzake
belastingen is onderworpen, is het
tweede lid niet van toepassing indien de
overbrenging gebeurt vanuit een in
artikel 203, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde
vennootschap. In dat geval worden de
later
gerealiseerde
waardeverminderingen,
meerwaarden
en minderwaarden wat deze activa
betreft, vastgesteld uitgaande van de
aanschaffings-
of
beleggingswaarde
ervan verminderd met de afschrijvingen
en
waardeverminderingen
die
overeenkomstig de bepalingen van dit
Wetboek in aanmerking zouden zijn
genomen en worden de afschrijvingen
met betrekking tot de op het moment
van de verrichting in het buitenland
gelegen bestanddelen evenwel slechts
in aanmerking genomen in de mate dat
zij zijn gegrond op de aanschaffings- of
beleggingswaarde.
249
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
In de in het tweede lid bedoelde
gevallen blijven wat de in dat lid
geviseerde inrichting en bestanddelen
betreft, de bepalingen van dit Wetboek
op de wijze en onder de voorwaarden
als daarin zijn gesteld, van toepassing
op
de
waardeverminderingen,
voorzieningen,
onder-
en
overwaarderingen,
kapitaalsubsidies,
vorderingen, meerwaarden en reserves
met
betrekking
tot
de
Belgische
inrichting of de in België gelegen
bestanddelen van de vennootschap
voorafgaand aan de verplaatsing van
haar zetel naar België. De overbrenging
mag niet tot gevolg hebben dat de
oorspronkelijke
termijn
voor
herbelegging
van
de
aan
die
voorwaarden
onderworpen
meerwaarden wordt verlengd.
In de in het tweede lid bedoelde
gevallen blijven wat de in dat lid
geviseerde inrichting en bestanddelen
betreft, de bepalingen van dit Wetboek
op de wijze en onder de voorwaarden
als daarin zijn gesteld, van toepassing
op
de
waardeverminderingen,
voorzieningen,
onder-
en
overwaarderingen,
kapitaalsubsidies,
vorderingen, meerwaarden en reserves
met
betrekking
tot
de
Belgische
inrichting of de in België gelegen
bestanddelen van de vennootschap
voorafgaand aan de verplaatsing van
haar zetel naar België. De overbrenging
mag niet tot gevolg hebben dat de
oorspronkelijke
termijn
voor
herbelegging
van
de
aan
die
voorwaarden
onderworpen
meerwaarden wordt verlengd.
Voor zover, wat betreft in België
geaffecteerde of gelegen bestanddelen,
meerwaarden worden uitgedrukt naar
aanleiding van een in het tweede lid
bedoelde overbrenging, worden deze
gelijkgesteld met de in artikel 44, § 1, 1°,
bedoelde
uitgedrukte,
niet
verwezenlijkte meerwaarden.
Voor zover, wat betreft in België
geaffecteerde of gelegen bestanddelen,
meerwaarden worden uitgedrukt naar
aanleiding van een in het tweede lid
bedoelde overbrenging, worden deze
gelijkgesteld met de in artikel 44, § 1, 1°,
bedoelde
uitgedrukte,
niet
verwezenlijkte meerwaarden.
*** huidig 6de lid
In de gevallen bedoeld in het eerste en
het
tweede
lid,
worden
de
minderwaarden, waardeverminderingen
of afschrijvingen met betrekking tot de
op het moment van de verrichting of de
zetelverplaatsing
in
het
buitenland
gelegen bestanddelen evenwel slechts
in aanmerking genomen voor zover
deze leiden tot een fiscale nettowaarde
die lager is dan de boekwaarde van
deze bestanddelen op het ogenblik van
de
verrichting
of
de
verplaatsing
verminderd met het bedrag van de
herwaarderingen
van
deze
bestanddelen
verricht
vóór
de
zetelverplaatsing dat in het land van
vestiging van de vennootschap vóór de
zetelverplaatsing niet daadwerkelijk aan
*** huidig 6de lid
In de gevallen bedoeld in het eerste en
het
tweede
lid,
worden
de
minderwaarden, waardeverminderingen
of afschrijvingen met betrekking tot de
op het moment van de verrichting of de
zetelverplaatsing
in
het
buitenland
gelegen bestanddelen evenwel slechts
in aanmerking genomen voor zover
deze leiden tot een fiscale nettowaarde
die lager is dan de boekwaarde van
deze bestanddelen op het ogenblik van
de
verrichting
of
de
verplaatsing
verminderd met het bedrag van de
herwaarderingen
van
deze
bestanddelen
verricht
vóór
de
zetelverplaatsing dat in het land van
vestiging van de vennootschap vóór de
zetelverplaatsing niet daadwerkelijk aan
250
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
belasting werden onderworpen.
belasting werden onderworpen.
*** AJ 2020, 11de lid, oud 6de lid
In het geval het vijfde lid niet van
toepassing is, worden de afschrijvingen
met betrekking tot de op het ogenblik
van de verrichting in het buitenland
gelegen bestanddelen, in afwijking van
het eerste tot derde lid, evenwel slechts
in aanmerking genomen in de mate dat
zij zijn gegrond op de aanschaffings- of
beleggingswaarde en worden de later
gerealiseerde
minderwaarden
of
waardeverminderingen
op
deze
bestanddelen vastgesteld uitgaande van
de aanschaffings- of beleggingswaarde
ervan
verminderd
met
de
waardeverminderingen en afschrijvingen
die zich overeenkomstig de bepalingen
van dit Wetboek hebben voorgedaan.
*** AJ 2020, 11de lid, oud 6de lid
In het geval het vijfde lid niet van
toepassing is, worden de afschrijvingen
met betrekking tot de op het ogenblik
van de verrichting in het buitenland
gelegen bestanddelen, in afwijking van
het eerste tot derde lid, evenwel slechts
in aanmerking genomen in de mate dat
zij zijn gegrond op de aanschaffings- of
beleggingswaarde en worden de later
gerealiseerde
minderwaarden
of
waardeverminderingen
op
deze
bestanddelen vastgesteld uitgaande van
de aanschaffings- of beleggingswaarde
ervan
verminderd
met
de
waardeverminderingen en afschrijvingen
die zich overeenkomstig de bepalingen
van dit Wetboek hebben voorgedaan.
§ 3. De fiscale nettowaarde van een
bestanddeel is de boekwaarde van dit
bestanddeel, gecorrigeerd voor :
§ 3. De fiscale nettowaarde van een
bestanddeel is de boekwaarde van dit
bestanddeel, gecorrigeerd voor :
-
de
uitgedrukte,
niet
belaste
meerwaarden van welke aard ook, tenzij
in de mate het bedrag van deze
meerwaarde
teruggevonden
wordt
tussen de belaste reserves wegens de
verwerping
als
beroepskost
van
afschrijvingen
op
deze
uitgedrukte
meerwaarde, en met uitzondering van
de in artikel 511, § 2, vermelde
meerwaarden uit de herschatting van
bepaalde activa ;
-
de
uitgedrukte,
niet
belaste
meerwaarden van welke aard ook, tenzij
in de mate het bedrag van deze
meerwaarde
teruggevonden
wordt
tussen de belaste reserves wegens de
verwerping
als
beroepskost
van
afschrijvingen
op
deze
uitgedrukte
meerwaarde, en met uitzondering van
de in artikel 511, § 2, vermelde
meerwaarden uit de herschatting van
bepaalde activa ;
- de niet als beroepskosten aanvaarde
afschrijvingen en, tenzij voor wat betreft
aandelen andere dan de eigen aandelen
van de vennootschap, de niet in aftrek
aanvaarde waardeverminderingen ;
- de niet als beroepskosten aanvaarde
afschrijvingen en, tenzij voor wat betreft
aandelen andere dan de eigen aandelen
van de vennootschap, de niet in aftrek
aanvaarde waardeverminderingen ;
- de fiscaal in aanmerking genomen
onderschattingen van voorraad of van
activa, en overschattingen van passiva.
- de fiscaal in aanmerking genomen
onderschattingen van voorraad of van
activa, en overschattingen van passiva.
De totale fiscale nettowaarde van de in
het eerste lid bedoelde bestanddelen
overgenomen door een vennootschap,
De totale fiscale nettowaarde van de in
het eerste lid bedoelde bestanddelen
overgenomen door een vennootschap,
251
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
een
inrichting
of
een
inbreng,
vastgesteld naar aanleiding van een
inbreng van een bedrijfsafdeling, een
tak van werkzaamheid of van een
algemeenheid van goederen, een fusie,
splitsing
of
ermee
gelijkgestelde
verrichting, is bepaald onder aftrek van
alle eraan verbonden schulden ten
aanzien van derden, en is gelijk aan het
verschil tussen de fiscale waarde van de
ingebrachte activa en de fiscale waarde
van
de
ingebrachte
schulden,
verminderd
met
de
vrijgestelde
waardeverminderingen
voor
waarschijnlijke
verliezen
en
de
vrijgestelde voorzieningen voor risico's
en kosten als bedoeld in artikel 48, doch
met uitsluiting van de voorziening voor
sociaal passief, voor zover ze terug te
vinden zijn in de boekhouding van de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschappen. Deze totale fiscale
nettowaarde kan niet lager zijn dan nul.
een
inrichting
of
een
inbreng,
vastgesteld naar aanleiding van een
inbreng van een bedrijfsafdeling, een
tak van werkzaamheid of van een
algemeenheid van goederen, een fusie,
splitsing
of
ermee
gelijkgestelde
verrichting, is bepaald onder aftrek van
alle eraan verbonden schulden ten
aanzien van derden, en is gelijk aan het
verschil tussen de fiscale waarde van de
ingebrachte activa en de fiscale waarde
van
de
ingebrachte
schulden,
verminderd
met
de
vrijgestelde
waardeverminderingen
voor
waarschijnlijke
verliezen
en
de
vrijgestelde voorzieningen voor risico's
en kosten als bedoeld in artikel 48, doch
met uitsluiting van de voorziening voor
sociaal passief, voor zover ze terug te
vinden zijn in de boekhouding van de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschappen. Deze totale fiscale
nettowaarde kan niet lager zijn dan nul.
Art. 184quater van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Art. 184quater van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Een vennootschap die op grond van
artikel 15 , §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van
Vennootschappen,
als
kleine
vennootschap wordt aangemerkt, kan
een liquidatiereserve aanleggen.
Een vennootschap die op grond van
artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen, als kleine vennootschap
wordt
aangemerkt,
kan
een
liquidatiereserve aanleggen.
Deze liquidatiereserve wordt gevormd
door een gedeelte of het geheel van de
boekhoudkundige winst na belasting
over te boeken naar één of meer
afzonderlijke
rekeningen
van
het
passief.
Deze liquidatiereserve wordt gevormd
door een gedeelte of het geheel van de
boekhoudkundige winst na belasting
over te boeken naar één of meer
afzonderlijke
rekeningen
van
het
passief.
De liquidatiereserve moet op één of
meer afzonderlijke rekeningen van het
passief worden geboekt en blijven en
mag niet tot grondslag dienen voor
enige beloning of toekenning.
De liquidatiereserve moet op één of
meer afzonderlijke rekeningen van het
passief worden geboekt en blijven en
mag niet tot grondslag dienen voor
enige beloning of toekenning.
De
belastingplichtige
moet bij
zijn
aangifte in de inkomstenbelastingen
De
belastingplichtige
moet bij
zijn
aangifte in de inkomstenbelastingen
252
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vanaf
het
aanslagjaar
waarin
de
liquidatiereserve wordt aangelegd, een
opgave voegen waarvan het model door
de minister van Financiën of zijn
afgevaardigde wordt vastgesteld.
vanaf
het
aanslagjaar
waarin
de
liquidatiereserve wordt aangelegd, een
opgave voegen waarvan het model door
de minister van Financiën of zijn
afgevaardigde wordt vastgesteld.
Indien
een
gedeelte
van
de
liquidatiereserve
wordt
aangetast,
worden de oudst gevormde reserves
geacht eerst te zijn aangetast.
Indien
een
gedeelte
van
de
liquidatiereserve
wordt
aangetast,
worden de oudst gevormde reserves
geacht eerst te zijn aangetast.
Art. 185, § 1, eerste lid, van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 185, § 1, eerste lid, van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. Vennootschappen zijn belastbaar
op het totale bedrag van de winst,
uitgekeerde dividenden inbegrepen, met
uitzondering van het gedeelte van de
aan natuurlijke personen toegekende
dividenden van door de Nationale Raad
van Coöperatie erkende coöperatieve
vennootschappen
dat
niet
meer
bedraagt dan 125 euro per natuurlijke
persoon. Dit bedrag wordt geïndexeerd
overeenkomstig artikel 178, § 3, tweede
lid.
§ 1. Vennootschappen zijn belastbaar
op het totale bedrag van de winst,
uitgekeerde dividenden inbegrepen, met
uitzondering van het gedeelte van de
aan natuurlijke personen toegekende
dividenden van overeenkomstig artikel
8:4
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
erkende
coöperatieve
vennootschappen
dat
niet
meer
bedraagt dan 125 euro per natuurlijke
persoon. Dit bedrag wordt geïndexeerd
overeenkomstig artikel 178, § 3, tweede
lid.
Art. 185quater van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Art. 185quater van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Artikel 64ter is evenwel, wat het eerste
lid, 2°, betreft, slechts van toepassing
met betrekking tot de binnenlandse
vennootschappen die op grond van
artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van
vennootschappen
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbaar tijdperk waarin de
kosten zijn gedaan of gedragen.
Artikel 64ter is evenwel, wat het eerste
lid, 2°, betreft, slechts van toepassing
met betrekking tot de binnenlandse
vennootschappen die op grond van
artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbaar tijdperk waarin de
kosten zijn gedaan of gedragen.
253
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Art. 186 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 186 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Wanneer een vennootschap op enige
wijze eigen aandelen verkrijgt, wordt als
uitgekeerd dividend aangemerkt het
positieve
verschil
tussen
de
verkrijgingsprijs
of,
bij
ontstentenis
daarvan, de waarde van die aandelen,
en
het
gedeelte
van
het
gerevaloriseerde gestorte kapitaal dat
de
verkregen
aandelen
vertegenwoordigen.
Wanneer een vennootschap op enige
wijze eigen aandelen verkrijgt, wordt als
uitgekeerd dividend aangemerkt het
positieve
verschil
tussen
de
verkrijgingsprijs
of,
bij
ontstentenis
daarvan, de waarde van die aandelen,
en
het
gedeelte
van
het
gerevaloriseerde gestorte kapitaal dat
de
verkregen
aandelen
vertegenwoordigen.
In geval de aandelen vóór de ontbinding
van de vennootschap worden verkregen
onder de voorwaarden gesteld in het
Wetboek van vennootschappen, is het
eerste lid slechts van toepassing :
In geval de aandelen vóór de ontbinding
van de vennootschap worden verkregen
onder de voorwaarden gesteld in het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen terzake of, indien de
vennootschap niet door dat Wetboek
wordt
beheerst,
onder
de
voorwaarden
gesteld
in
het
rechtspersonenrecht
dat
haar
beheerst, is het eerste lid slechts van
toepassing :
1° wanneer op de verkregen aandelen
waardeverminderingen worden geboekt
;
1° wanneer op de verkregen aandelen
waardeverminderingen worden geboekt
;
2°
wanneer
de
aandelen
worden
vervreemd;
2°
wanneer
de
aandelen
worden
vervreemd;
3°
wanneer
de
aandelen
worden
vernietigd of van rechtswege nietig
worden ;
3°
wanneer
de
aandelen
worden
vernietigd of van rechtswege nietig
worden ;
4° en uiterlijk bij de ontbinding van de
vennootschap.
4° en uiterlijk bij de ontbinding van de
vennootschap.
In een geval als vermeld in het tweede
lid, 1°, is het eerste lid alleen van
toepassing tot het bedrag van de
geboekte waardeverminderingen.
In een geval als vermeld in het tweede
lid, 1°, is het eerste lid alleen van
toepassing tot het bedrag van de
geboekte waardeverminderingen.
In een geval als vermeld in het tweede
lid, 2°, is het eerste lid alleen van
toepassing tot het mindere verschil
tussen
de
verkoopprijs
en
de
verkrijgingsprijs of de waarde van de
In een geval als vermeld in het tweede
lid, 2°, is het eerste lid alleen van
toepassing tot het mindere verschil
tussen
de
verkoopprijs
en
de
verkrijgingsprijs of de waarde van de
254
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
aandelen.
aandelen.
In een geval als vermeld in het tweede
lid, 2°, 3° en 4°, wordt het dividend in
voorkomend geval verminderd met de in
1° van dat lid bedoelde reeds belaste
waardeverminderingen.
In een geval als vermeld in het tweede
lid, 2°, 3° en 4°, wordt het dividend in
voorkomend geval verminderd met de in
1° van dat lid bedoelde reeds belaste
waardeverminderingen.
In de mate dat de verkrijging tot
gevolg heeft dat de vennootschap die
de aandelen heeft uitgegeven eigen
aandelen in portefeuille houdt die
meer dan 20 pct. van haar kapitaal
vertegenwoordigen, worden de nieuw
verworven aandelen geacht te zijn
vernietigd in de zin van het tweede
lid, 3°. In geval van een gelijktijdige
verkrijging
van
aandelen
van
verschillende overdragers of tegen
een verschillende prijs, duidt de
vennootschap de nieuw verworven
aandelen aan die geacht worden te
zijn
vernietigd.
Bij
gebrek
aan
dergelijke aanduiding, worden de
nieuw
verworven
aandelen
proportioneel
geacht
te
zijn
vernietigd naar het aantal aandelen
per
overdrager
of
per
verkrijgingsprijs. Zolang de aandelen
die geacht worden te zijn vernietigd
in portefeuille worden gehouden, is
hun fiscale nettowaarde gelijk aan
nul en de waarde waarvoor ze op de
balans zijn ingeschreven vormt een
uitgedrukte
niet
verwezenlijkte
meerwaarde bedoeld in de artikelen
44, § 1, 1° en 190.
De toepassing van het vorige lid
heeft geen invloed op de toepassing
van het artikel 192, § 1, in hoofde van
de vennootschap die eigen aandelen
overdraagt die in portefeuille werden
gehouden.
Art. 188 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 188 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
I
l
i
d
ik l
I
l
i
d
ik l
255
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
186 en 187 wordt het gestorte kapitaal
verminderd met het deel daarvan dat
door de verkregen aandelen wordt
vertegenwoordigd of met het aandeel in
het
kapitaal
van
de
overleden,
uitgetreden of uitgesloten vennoot.
186 en 187 wordt het gestorte kapitaal
verminderd met het deel daarvan dat
door de verkregen aandelen wordt
vertegenwoordigd of met het aandeel in
het gestort kapitaal van de overleden,
uitgetreden of uitgesloten vennoot.
Opneming van winst van het boekjaar of
van gereserveerde winst die reeds aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, blijft buiten aanmerking bij
het bepalen van de belastbare winst tot
het bedrag van de in het vorige lid
vermelde
vermindering
die
geen
aanleiding
heeft
gegeven
tot
een
werkelijke
vermindering
van
het
kapitaal.
Opneming van winst van het boekjaar of
van gereserveerde winst die reeds aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, blijft buiten aanmerking bij
het bepalen van de belastbare winst tot
het bedrag van de in het vorige lid
vermelde
vermindering
die
geen
aanleiding
heeft
gegeven
tot
een
werkelijke
vermindering
van
het
kapitaal.
Wanneer de aandelen verworven in
het geval bedoeld in artikel 186,
zesde lid, later worden vervreemd,
wordt:
1° de ontvangen vergoeding of de
verkoopwaarde, verminderd met de
kosten van vervreemding, niet in
aanmerking
genomen
om
de
belastbare winst te bepalen ten
belope van de aanschaffingswaarde
ervan;
2°
het
gestort
kapitaal
van
de
vennootschap verhoogd met een
bedrag gelijk aan de ontvangen
vergoeding of de verkoopwaarde,
verminderd
met
de
kosten
van
vervreemding,
zonder
dat
deze
verhoging meer kan bedragen dan
het bedrag van de vermindering van
het gestort kapitaal doorgevoerd naar
aanleiding van de verwerving van de
aandelen. Deze regel blijft zonder
gevolg voor het bepalen van de
belastbare winst.
Art. 190 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 190 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Het
voor
de
personenbelasting Het
voor
de
personenbelasting
256
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
geldende meerwaardenstelsel, bepaald
in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis,
44ter, 45, 46, § 1, eerste lid, 2°, en 47,
is ook voor vennootschappen van
toepassing.
geldende meerwaardenstelsel, bepaald
in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis,
44ter, 45, 46, § 1, eerste lid, 2°, en 47,
is ook voor vennootschappen van
toepassing.
Met betrekking tot het vrijgestelde of
voorlopig niet belaste gedeelte van de
meerwaarden vermeld in de artikelen
44, §§ 1 en 3, 44bis, 44ter en 47, is dat
meerwaardenstelsel
slechts
van
toepassing in zoverre dat gedeelte op
één of meer afzonderlijke rekeningen
van het passief geboekt is en blijft en
niet
tot
grondslag
dient
voor
de
berekening van de jaarlijkse dotatie aan
de wettelijke reserve of van enige
beloning of toekenning.
Met betrekking tot het vrijgestelde of
voorlopig niet belaste gedeelte van de
meerwaarden vermeld in de artikelen
44, §§ 1 en 3, 44bis, 44ter en 47, is dat
meerwaardenstelsel
slechts
van
toepassing in zoverre dat gedeelte op
één of meer afzonderlijke rekeningen
van het passief geboekt is en blijft en
niet
tot
grondslag
dient
voor
de
berekening van de jaarlijkse dotatie aan
de wettelijke reserve of van enige
beloning of toekenning.
De voormelde voorwaarden zijn mede
van toepassing op de in artikel 45 en 46,
§
1,
eerste
lid,
2°,
vermelde
meerwaarden,
behalve
ingeval
die
meerwaarden niet worden uitgedrukt
overeenkomstig het koninklijk besluit tot
uitvoering
van
het
Wetboek
van
vennootschappen.
De voormelde voorwaarden zijn mede
van toepassing op de in artikel 45 en 46,
§
1,
eerste
lid,
2°,
vermelde
meerwaarden,
behalve
ingeval
die
meerwaarden niet worden uitgedrukt
overeenkomstig het koninklijk besluit tot
uitvoering
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen.
Indien en in zoverre die voorwaarden
niet langer worden nageleefd in enig
belastbaar tijdperk, wordt het vroeger
vrijgestelde of voorlopig niet belaste
gedeelte van de meerwaarden als winst
van dat belastbare tijdperk beschouwd.
Indien en in zoverre die voorwaarden
niet langer worden nageleefd in enig
belastbaar tijdperk, wordt het vroeger
vrijgestelde of voorlopig niet belaste
gedeelte van de meerwaarden als winst
van dat belastbare tijdperk beschouwd.
Art. 194ter, §§ 1, 1° - 2° en 10 van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 194ter, §§ 1, 1° - 2° en 10 van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. Voor de toepassing van dit artikel
wordt verstaan onder :
§ 1. Voor de toepassing van dit artikel
wordt verstaan onder :
1° in aanmerking komende investeerder: 1° in aanmerking komende investeerder:
- de binnenlandse vennootschap, of;
- de binnenlandse vennootschap, of;
- de Belgische inrichting van een
belastingplichtige bedoeld in artikel 227,
2°;
- de Belgische inrichting van een
belastingplichtige bedoeld in artikel 227,
2°;
257
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
andere dan:
andere dan:
-
een
in
aanmerking
komende
productievennootschap zoals bedoeld in
2°, of een gelijkaardige productie-
vennootschap die niet erkend is; of
-
een
in
aanmerking
komende
productievennootschap zoals bedoeld in
2°, of een gelijkaardige productie-
vennootschap die niet erkend is; of
- een vennootschap die verbonden is in
de zin van artikel 11 van het Wetboek
van Vennootschappen met een in het
eerste streepje bedoelde vennootschap
die deelneemt aan het desbetreffende in
aanmerking komend werk; of
- een vennootschap die verbonden is in
de zin van artikel 1:20 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen met een in het eerste
streepje bedoelde vennootschap die
deelneemt aan het desbetreffende in
aanmerking komend werk; of
- een televisieomroep,
- een televisieomroep,
die een raamovereenkomst ondertekent
zoals bedoeld in 5° waarin hij zich
verbindt sommen te storten met het oog
op het bekomen van een tax shelter-
attest zoals bedoeld in 10°;
die een raamovereenkomst ondertekent
zoals bedoeld in 5° waarin hij zich
verbindt sommen te storten met het oog
op het bekomen van een tax shelter-
attest zoals bedoeld in 10°;
2°
in
aanmerking
komende
productievennoot-schap
:
de
binnenlandse
vennootschap
of
de
Belgische inrichting van een belasting-
plichtige bedoeld in artikel 227, 2°, die
geen
televisieomroep
is
of
geen
onderneming die in de zin van artikel 11
van het Wetboek van Vennootschappen
verbonden
is
met
Belgische
of
buitenlandse televisieomroepen en die
als voornaamste doel de ontwikkeling
en
de
productie
van
audiovisuele
werken heeft en die door de minister
bevoegd voor Financiën als dusdanig is
erkend
volgens
een
eenvoudige
procedure waarvan de Koning (1) de
modaliteiten en voorwaarden bepaalt ;
2°
in
aanmerking
komende
productievennoot-schap
:
de
binnenlandse
vennootschap
of
de
Belgische inrichting van een belasting-
plichtige bedoeld in artikel 227, 2°, die
geen
televisieomroep
is
of
geen
onderneming die in de zin van artikel
1:20
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
verbonden
is
met
Belgische
of
buitenlandse televisieomroepen en die
als voornaamste doel de ontwikkeling
en
de
productie
van
audiovisuele
werken heeft en die door de minister
bevoegd voor Financiën als dusdanig is
erkend
volgens
een
eenvoudige
procedure waarvan de Koning (1) de
modaliteiten en voorwaarden bepaalt ;
(…)
(…)
§ 10. De raamovereenkomst die tot doel
heeft een in aanmerking komend werk
te produceren bevat verplicht:
§ 10. De raamovereenkomst die tot doel
heeft een in aanmerking komend werk
te produceren bevat verplicht:
1°
de
benaming,
het
ondernemingsnummer,
het
1°
de
benaming,
het
ondernemingsnummer,
het
258
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
maatschappelijk doel en de datum van
de erkenning van de in aanmerking
komende productievennootschap;
maatschappelijk doel en de datum van
de erkenning van de in aanmerking
komende productievennootschap;
2°
de
benaming,
het
ondernemingsnummer
en
het
maatschappelijk
doel
van
de
in
aanmerking komende investeerder;
2°
de
benaming,
het
ondernemingsnummer
en
het
maatschappelijk
doel
van
de
in
aanmerking komende investeerder;
3°
de
benaming,
het
ondernemingsnummer,
het
maatschappelijk doel of de identiteit en
het nationaal nummer, alsook de datum
van de erkenning van de in aanmerking
komende tussenpersoon;
3°
de
benaming,
het
ondernemingsnummer,
het
maatschappelijk doel of de identiteit en
het nationaal nummer, alsook de datum
van de erkenning van de in aanmerking
komende tussenpersoon;
4° de identificatie en de beschrijving van
het in aanmerking komend werk dat het
voorwerp
uitmaakt
van
de
raamovereenkomst;
4° de identificatie en de beschrijving van
het in aanmerking komend werk dat het
voorwerp
uitmaakt
van
de
raamovereenkomst;
5° de begroting van de uitgaven die
nodig zijn voor het werk in kwestie,
waarbij een onderscheid wordt gemaakt
tussen:
5° de begroting van de uitgaven die
nodig zijn voor het werk in kwestie,
waarbij een onderscheid wordt gemaakt
tussen:
- het gedeelte dat ten laste wordt
genomen
door
de
in
aanmerking
komende productievennootschap;
- het gedeelte dat ten laste wordt
genomen
door
de
in
aanmerking
komende productievennootschap;
- het gedeelte dat gefinancierd wordt
door elk van de in aanmerking komende
investeerders, dat reeds is vastgelegd;
- het gedeelte dat gefinancierd wordt
door elk van de in aanmerking komende
investeerders, dat reeds is vastgelegd;
6° de overeengekomen wijze waarop de
bedragen worden vergoed die bestemd
zijn
voor
de
uitvoering
van
de
raamovereenkomst;
6° de overeengekomen wijze waarop de
bedragen worden vergoed die bestemd
zijn
voor
de
uitvoering
van
de
raamovereenkomst;
7° de waarborg dat elke in aanmerking
komende investeerder noch een in
aanmerking
komende
productievennootschap,
noch
een
televisieomroep, noch een in de zin van
artikel
11
van
het
Wetboek
van
Vennootschappen
met
een
in
aanmerking
komende
productievennootschap
verbonden
vennootschap is;
7° de waarborg dat elke in aanmerking
komende investeerder noch een in
aanmerking
komende
productievennootschap,
noch
een
televisieomroep, noch een in de zin van
artikel 1:20 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
met
een
in
aanmerking
komende
productievennootschap
verbonden
vennootschap is;
8° de verbintenis van de productie-
8° de verbintenis van de productie-
259
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap:
vennootschap:
- dat ze geen onderneming is die
verbonden is met een Belgische of
buitenlandse televisieomroep, of dat ze
niet als een met een Belgische of
buitenlandse televisieomroep verbonden
onderneming beschouwd kan worden
overeenkomstig § 1, 2°, tweede lid,
gezien
deze
televisieomroep
geen
voordelen
verkrijgt
die
rechtstreeks
verbonden zijn met de productie of de
exploitatie
van
het
in
aanmerking
komend werk;
- dat ze geen onderneming is die
verbonden is met een Belgische of
buitenlandse televisieomroep, of dat ze
niet als een met een Belgische of
buitenlandse televisieomroep verbonden
onderneming beschouwd kan worden
overeenkomstig § 1, 2°, tweede lid,
gezien
deze
televisieomroep
geen
voordelen
verkrijgt
die
rechtstreeks
verbonden zijn met de productie of de
exploitatie
van
het
in
aanmerking
komend werk;
- het definitieve bedrag dat (...) wordt
aangewend
tot
uitvoering
van
de
raamovereenkomst door de vrijstelling
van de winst te beperken tot ten
hoogste 50 % van de begroting van de
totale uitgaven van het in aanmerking
komend werk voor het geheel van de in
aanmerking komende investeerders, en
om alle overeenkomstig § 2 gestorte
bedragen daadwerkelijk aan te wenden
voor de uitvoering van deze begroting;
- het definitieve bedrag dat (...) wordt
aangewend
tot
uitvoering
van
de
raamovereenkomst door de vrijstelling
van de winst te beperken tot ten
hoogste 50 % van de begroting van de
totale uitgaven van het in aanmerking
komend werk voor het geheel van de in
aanmerking komende investeerders, en
om alle overeenkomstig § 2 gestorte
bedragen daadwerkelijk aan te wenden
voor de uitvoering van deze begroting;
- dat ten minste 70 % van de
kwalificerende productie- en exploitatie-
uitgaven in de Europese Economische
Ruimte, uitgaven zijn die rechtstreeks
verbonden zijn met de productie en de
exploitatie;
- dat ten minste 70 % van de
kwalificerende productie- en exploitatie-
uitgaven in de Europese Economische
Ruimte, uitgaven zijn die rechtstreeks
verbonden zijn met de productie en de
exploitatie;
- dat ten minste 70 % van de productie-
en exploitatie-uitgaven die in België
werden
gedaan,
uitgaven
zijn
die
rechtstreeks verbonden zijn met de
productie en de exploitatie;
- dat ten minste 70 % van de productie-
en exploitatie-uitgaven die in België
werden
gedaan,
uitgaven
zijn
die
rechtstreeks verbonden zijn met de
productie en de exploitatie;
- dat ten minste 90 % van de
kwalificerende productie- en exploitatie-
uitgaven die in aanmerking genomen
worden bij de berekening van de
uiteindelijk verwachte fiscale waarde
van het Tax Shelter attest zoals vermeld
in de raamovereenkomst, in België
gedane
productie-
en
exploitatie-
uitgaven zijn, zodat deze fiscale waarde
kan worden bereikt;
- dat ten minste 90 % van de
kwalificerende productie- en exploitatie-
uitgaven die in aanmerking genomen
worden bij de berekening van de
uiteindelijk verwachte fiscale waarde
van het Tax Shelter attest zoals vermeld
in de raamovereenkomst, in België
gedane
productie-
en
exploitatie-
uitgaven zijn, zodat deze fiscale waarde
kan worden bereikt;
260
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
- in de eindgeneriek van het werk de
steun te vermelden aangebracht door
de Belgische wetgever inzake de tax
shelter;
- in de eindgeneriek van het werk de
steun te vermelden aangebracht door
de Belgische wetgever inzake de tax
shelter;
9° de verbintenis van de in aanmerking
komende productievennootschap en de
in
aanmerking
komende
tussenpersonen om de wetgeving na te
leven die betrekking heeft op het tax
shelter stelsel en meer in het bijzonder,
van § 12 van dit artikel.
9° de verbintenis van de in aanmerking
komende productievennootschap en de
in
aanmerking
komende
tussenpersonen om de wetgeving na te
leven die betrekking heeft op het tax
shelter stelsel en meer in het bijzonder,
van § 12 van dit artikel.
Art. 194quater van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Art. 194quater van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De investeringsreserve die bij het
verstrijken van een belastbaar tijdperk
dat ten laatste afsluit op 30 december
2018
is
aangelegd
door
vennootschappen die op grond van
artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van
vennootschappen,
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan dat belastbare tijdperk, wordt niet
als winst aangemerkt binnen de grenzen
en
onder
de
hierna
gestelde
voorwaarden.
§ 1. De investeringsreserve die bij het
verstrijken van een belastbaar tijdperk
dat ten laatste afsluit op 30 december
2018
is
aangelegd
door
vennootschappen die op grond van
artikel 1:24 §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen,
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan dat belastbare tijdperk, wordt niet
als winst aangemerkt binnen de grenzen
en
onder
de
hierna
gestelde
voorwaarden.
§
2.
Het
bedrag
van
de
investeringsreserve wordt vrijgesteld tot
beloop van 50 % van het gereserveerde
belastbare resultaat van het belastbaar
tijdperk,
vóór
aanleg
van
de
investeringsreserve, en verminderd met:
§
2.
Het
bedrag
van
de
investeringsreserve wordt vrijgesteld tot
beloop van 50 % van het gereserveerde
belastbare resultaat van het belastbaar
tijdperk,
vóór
aanleg
van
de
investeringsreserve, en verminderd met:
1° de krachtens artikel 192 vrijgestelde
meerwaarden op aandelen;
1° de krachtens artikel 192 vrijgestelde
meerwaarden op aandelen;
2° het gedeelte van de meerwaarde op
in artikel 66 vermelde voertuigen dat
niet in aanmerking wordt genomen
krachtens artikel 24, derde lid;
2° het gedeelte van de meerwaarde op
in artikel 66 vermelde voertuigen dat
niet in aanmerking wordt genomen
krachtens artikel 24, derde lid;
3° de vermindering van het gestort
kapitaal,
berekend
als
gewogen
3° de vermindering van het gestort
kapitaal,
berekend
als
gewogen
261
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
gemiddelde van het belastbaar tijdperk
tegenover het vorig belastbaar tijdperk
waarin laatst het voordeel van het
aanleggen van een investeringsreserve
werd genoten;
gemiddelde van het belastbaar tijdperk
tegenover het vorig belastbaar tijdperk
waarin laatst het voordeel van het
aanleggen van een investeringsreserve
werd genoten;
4° de vermeerdering van de vorderingen
van de vennootschap, berekend zoals
sub 3°, op de volgende natuurlijke
personen:
4° de vermeerdering van de vorderingen
van de vennootschap, berekend zoals
sub 3°, op de volgende natuurlijke
personen:
- personen die aandelen bezitten van de
vennootschap;
- personen die aandelen bezitten van de
vennootschap;
- personen die een opdracht of functies
als vermeld in artikel 32, eerste lid, 1°,
uitoefenen;
- personen die een opdracht of functies
als vermeld in artikel 32, eerste lid, 1°,
uitoefenen;
- de echtgenoot ervan of hun kinderen,
wanneer
die
personen
of
hun
echtgenoot het wettelijk genot van de
inkomsten van die kinderen hebben.
- de echtgenoot ervan of hun kinderen,
wanneer
die
personen
of
hun
echtgenoot het wettelijk genot van de
inkomsten van die kinderen hebben.
Het gereserveerde belastbare resultaat
welke, na vermindering, in aanmerking
wordt genomen voor de berekening van
de investeringsreserve overeenkomstig
het eerste lid, wordt beperkt tot 37.500
euro per belastbaar tijdperk.
Het gereserveerde belastbare resultaat
welke, na vermindering, in aanmerking
wordt genomen voor de berekening van
de investeringsreserve overeenkomstig
het eerste lid, wordt beperkt tot 37.500
euro per belastbaar tijdperk.
De aldus berekende investeringsreserve
wordt slechts vrijgesteld indien en in
zoverre de belaste reserves, vóór
aanleg van de investeringsreserve, op
het einde van het belastbaar tijdperk
hoger zijn dan de belaste reserves op
het einde van het vorig belastbaar
tijdperk, waarin laatst het voordeel van
het
aanleggen
van
een
investeringsreserve werd genoten.
De aldus berekende investeringsreserve
wordt slechts vrijgesteld indien en in
zoverre de belaste reserves, vóór
aanleg van de investeringsreserve, op
het einde van het belastbaar tijdperk
hoger zijn dan de belaste reserves op
het einde van het vorig belastbaar
tijdperk, waarin laatst het voordeel van
het
aanleggen
van
een
investeringsreserve werd genoten.
De investeringsreserve wordt slechts
vrijgesteld voorzover voldaan is aan de
voorwaarden als vermeld in artikel 190.
De investeringsreserve wordt slechts
vrijgesteld voorzover voldaan is aan de
voorwaarden als vermeld in artikel 190.
§
3.
Een
bedrag
gelijk
aan
de
investeringsreserve
moet
door
de
vennootschap worden geïnvesteerd:
§
3.
Een
bedrag
gelijk
aan
de
investeringsreserve
moet
door
de
vennootschap worden geïnvesteerd:
a)
in
afschrijfbare
materiële
of
immateriële vaste activa die recht
a)
in
afschrijfbare
materiële
of
immateriële vaste activa die recht
262
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
kunnen geven op het voordeel van de
investeringsaftrek;
kunnen geven op het voordeel van de
investeringsaftrek;
b) binnen een termijn van drie jaar die
aanvangt op de eerste dag van het
belastbare
tijdperk
waarvoor
de
investeringsreserve is aangelegd, en ten
laatste
bij
de
ontbinding
van
de
vennootschap.
b) binnen een termijn van drie jaar die
aanvangt op de eerste dag van het
belastbare
tijdperk
waarvoor
de
investeringsreserve is aangelegd, en ten
laatste
bij
de
ontbinding
van
de
vennootschap.
De vaste activa die als herbelegging in
aanmerking worden genomen krachtens
artikel 47, worden voor de toepassing
van het vorige lid uitgesloten als
investering.
De vaste activa die als herbelegging in
aanmerking worden genomen krachtens
artikel 47, worden voor de toepassing
van het vorige lid uitgesloten als
investering.
§ 4. Indien niet wordt geïnvesteerd op
de wijze en binnen de termijn gesteld in
§ 3 wordt de voorheen vrijgestelde
investeringsreserve
aangemerkt
als
winst van het belastbare tijdperk waarin
de investeringstermijn verstreken is.
§ 4. Indien niet wordt geïnvesteerd op
de wijze en binnen de termijn gesteld in
§ 3 wordt de voorheen vrijgestelde
investeringsreserve
aangemerkt
als
winst van het belastbare tijdperk waarin
de investeringstermijn verstreken is.
De
voorheen
vrijgestelde
investeringsreserve wordt aangemerkt
als winst van het belastbare tijdperk
waarin de in § 3 in aanmerking
genomen investering, wordt vervreemd,
wanneer die investering op het ogenblik
van de vervreemding minder dan drie
jaar in de vennootschap is belegd, en
zulks, naar verhouding tot de nog niet
aangenomen
afschrijvingen
op
die
investering. Deze bepaling is niet van
toepassing wanneer de vervreemding
geschiedt naar aanleiding van een
schadegeval,
een
onteigening,
een
opeising in eigendom of een andere
gelijkaardige gebeurtenis.
De
voorheen
vrijgestelde
investeringsreserve wordt aangemerkt
als winst van het belastbare tijdperk
waarin de in § 3 in aanmerking
genomen investering, wordt vervreemd,
wanneer die investering op het ogenblik
van de vervreemding minder dan drie
jaar in de vennootschap is belegd, en
zulks, naar verhouding tot de nog niet
aangenomen
afschrijvingen
op
die
investering. Deze bepaling is niet van
toepassing wanneer de vervreemding
geschiedt naar aanleiding van een
schadegeval,
een
onteigening,
een
opeising in eigendom of een andere
gelijkaardige gebeurtenis.
§
5.
Om
het
voordeel
van
de
investeringsreserve te rechtvaardigen
moet de vennootschap bij haar aangifte
in
de
vennootschapsbelasting
een
opgave voegen waarvan het model door
de Minister van Financiën of zijn
afgevaardigde wordt vastgesteld, voor
het aanslagjaar waarvoor de reserve
wordt aangelegd en de erop volgende
aanslagjaren tot wanneer de investering
§
5.
Om
het
voordeel
van
de
investeringsreserve te rechtvaardigen
moet de vennootschap bij haar aangifte
in
de
vennootschapsbelasting
een
opgave voegen waarvan het model door
de Minister van Financiën of zijn
afgevaardigde wordt vastgesteld, voor
het aanslagjaar waarvoor de reserve
wordt aangelegd en de erop volgende
aanslagjaren tot wanneer de investering
263
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
moet zijn verricht.
moet zijn verricht.
Art. 196 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 196 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De Koning kan, bij in Ministerraad
overlegd besluit, criteria en normen
stellen om te bepalen in hoeverre de
kosten betreffende autovoertuigen die
ter beschikking van bedrijfsleiders en
van leden van het directiepersoneel
worden
gesteld,
moeten
worden
aangemerkt
als
kosten
die
op
onredelijke wijze de beroepsbehoeften
overtreffen.
§ 1. De Koning kan, bij in Ministerraad
overlegd besluit, criteria en normen
stellen om te bepalen in hoeverre de
kosten betreffende autovoertuigen die
ter beschikking van bedrijfsleiders en
van leden van het directiepersoneel
worden
gesteld,
moeten
worden
aangemerkt
als
kosten
die
op
onredelijke wijze de beroepsbehoeften
overtreffen.
§ 2. Ten name van de vennootschappen
die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6,
van het Wetboek van vennootschappen
niet als kleine vennootschappen worden
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbare tijdperk
waarin het immaterieel of materieel vast
actief werd aangeschaft of tot stand
gebracht :
§ 2. Ten name van de vennootschappen
die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot
6,
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
niet als kleine vennootschappen worden
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbare tijdperk
waarin het immaterieel of materieel vast
actief werd aangeschaft of tot stand
gebracht :
1° wordt de eerste afschrijvingsannuïteit
ten aanzien van tijdens het boekjaar
verkregen of tot stand gebrachte vaste
activa
slechts
als
beroepskosten
aangemerkt
in
verhouding
tot
het
gedeelte van het boekjaar waarin de
vaste activa zijn verkregen of tot stand
gebracht ;
1° wordt de eerste afschrijvingsannuïteit
ten aanzien van tijdens het boekjaar
verkregen of tot stand gebrachte vaste
activa
slechts
als
beroepskosten
aangemerkt
in
verhouding
tot
het
gedeelte van het boekjaar waarin de
vaste activa zijn verkregen of tot stand
gebracht ;
2° wordt, in afwijking van artikel 62, het
totale bedrag van de bij de aankoop
komende kosten op dezelfde wijze als
de hoofdsom van de aanschaffings- of
beleggingswaarde
van
de
desbetreffende
vaste
activa
afgeschreven.
2° wordt, in afwijking van artikel 62, het
totale bedrag van de bij de aankoop
komende kosten op dezelfde wijze als
de hoofdsom van de aanschaffings- of
beleggingswaarde
van
de
desbetreffende
vaste
activa
afgeschreven.
*** vanaf 1 januari 2020
§ 2. De eerste afschrijvingsannuïteit ten
aanzien
van
tijdens
het
boekjaar
verkregen of tot stand gebrachte vaste
*** vanaf 1 januari 2020
§ 2. De eerste afschrijvingsannuïteit ten
aanzien
van
tijdens
het
boekjaar
verkregen of tot stand gebrachte vaste
264
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
activa wordt slechts als beroepskost
aangemerkt
in
verhouding
tot
het
gedeelte van het boekjaar waarin de
vaste activa zijn verkregen of tot stand
gebracht.
activa wordt slechts als beroepskost
aangemerkt
in
verhouding
tot
het
gedeelte van het boekjaar waarin de
vaste activa zijn verkregen of tot stand
gebracht.
*** vanaf 1 januari 2020
§ 3. Het in artikel 64 voorziene
degressieve afschrijvingsstelsel is niet
van toepassing.
*** vanaf 1 januari 2020
§ 3. Het in artikel 64 voorziene
degressieve afschrijvingsstelsel is niet
van toepassing.
*** vanaf 1 januari 2020
§ 4. In afwijking van artikel 62 wordt ten
name van de vennootschappen die op
grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek
van
vennootschappen
als
kleine
vennootschappen
worden
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbaar tijdperk
waarin het immaterieel of materieel vast
actief werd aangeschaft of tot stand
gebracht, het totale bedrag van de bij de
aankoop komende kosten ofwel ineens
afgeschreven tijdens het belastbare
tijdperk waarin de kosten zijn gemaakt,
ofwel op dezelfde wijze als de hoofdsom
van
de
aanschaffings-
of
beleggingswaarde
van
de
desbetreffende vaste activa.
*** vanaf 1 januari 2020
§ 4. In afwijking van artikel 62 wordt ten
name van de vennootschappen die op
grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen
en
verenigingen
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbaar tijdperk waarin het
immaterieel of materieel vast actief werd
aangeschaft of tot stand gebracht, het
totale bedrag van de bij de aankoop
komende
kosten
ofwel
ineens
afgeschreven tijdens het belastbare
tijdperk waarin de kosten zijn gemaakt,
ofwel op dezelfde wijze als de hoofdsom
van
de
aanschaffings-
of
beleggingswaarde
van
de
desbetreffende vaste activa.
*** vanaf 1 januari 2020
In afwijking van artikel 62 wordt ten
name van de vennootschappen die op
grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen niet als
kleine
vennootschappen
worden
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbaar tijdperk
waarin het immaterieel of materieel vast
actief werd aangeschaft of tot stand
gebracht, het totale bedrag van de bij de
aankoop komende kosten op dezelfde
wijze
als
de
hoofdsom
van
de
aanschaffings- of beleggingswaarde van
de
desbetreffende
vaste
activa
afgeschreven.
*** vanaf 1 januari 2020
In afwijking van artikel 62 wordt ten
name van de vennootschappen die op
grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen
en
verenigingen
niet
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbaar tijdperk waarin het
immaterieel of materieel vast actief werd
aangeschaft of tot stand gebracht, het
totale bedrag van de bij de aankoop
komende kosten op dezelfde wijze als
de hoofdsom van de aanschaffings- of
beleggingswaarde
van
de
desbetreffende
vaste
activa
afgeschreven.
265
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Art. 198, §3, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 198, §3, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 3. De term "groep" als bedoeld in § 1,
11°, doelt op het geheel van verbonden
vennootschappen in de zin van artikel
11
van
het
Wetboek
van
vennootschappen.
§ 3. De term "groep" als bedoeld in § 1,
11°, doelt op het geheel van verbonden
vennootschappen in de zin van artikel
1:20
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen.
In geval van leningen gewaarborgd door
een derde of leningen waarbij een derde
aan de schuldeiser de nodige middelen
heeft verschaft met het oog op de
financiering van de leningen, en geheel
of gedeeltelijk de aan de leningen
verbonden risico's draagt, wordt deze
derde geacht de werkelijke verkrijger
van de interesten van deze lening te
zijn, indien deze waarborg of dit
verschaffen van middelen als hoofddoel
belasting ontwijking heeft.
In geval van leningen gewaarborgd door
een derde of leningen waarbij een derde
aan de schuldeiser de nodige middelen
heeft verschaft met het oog op de
financiering van de leningen, en geheel
of gedeeltelijk de aan de leningen
verbonden risico's draagt, wordt deze
derde geacht de werkelijke verkrijger
van de interesten van deze lening te
zijn, indien deze waarborg of dit
verschaffen van middelen als hoofddoel
belasting ontwijking heeft.
De aftrekbeperking bedoeld in paragraaf
1, 11°, tweede streepje, is niet van
toepassing op leningen aangegaan door
:
De aftrekbeperking bedoeld in paragraaf
1, 11°, tweede streepje, is niet van
toepassing op leningen aangegaan door
:
-
vennootschappen
voor
roerende
leasing bedoeld in artikel 2 van het
koninklijk
besluit
nr.
55
van
10
november 1967 tot regeling van het
juridisch statuut der ondernemingen
gespecialiseerd in financieringshuur, en
vennootschappen
waarvan
de
voornaamste
activiteit
bestaat
uit
factoring of onroerende leasing en dit
binnen de financiële sector en voor
zover de ontleende kapitalen effectief
dienen
voor
leasing-
en
factoringactiviteiten;
-
vennootschappen
voor
roerende
leasing bedoeld in artikel 2 van het
koninklijk
besluit
nr.
55
van
10
november 1967 tot regeling van het
juridisch statuut der ondernemingen
gespecialiseerd in financieringshuur, en
vennootschappen
waarvan
de
voornaamste
activiteit
bestaat
uit
factoring of onroerende leasing en dit
binnen de financiële sector en voor
zover de ontleende kapitalen effectief
dienen
voor
leasing-
en
factoringactiviteiten;
-
vennootschappen
waarvan
de
voornaamste activiteit bestaat in het
uitvoeren van een project van publiek-
private
samenwerking
gegund
na
inmededingingstelling
conform
de
reglementering
inzake
overheids-
opdrachten.
-
vennootschappen
waarvan
de
voornaamste activiteit bestaat in het
uitvoeren van een project van publiek-
private
samenwerking
gegund
na
inmededingingstelling
conform
de
reglementering
inzake
overheids-
opdrachten.
266
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Voor de belastingplichtigen die aan de
vennootschapsbelasting
onderworpen
zijn, op wie de wet van 27 juni 1921
betreffende de verenigingen zonder
winstoogmerk,
de
internationale
verenigingen zonder winstoogmerk en
de stichtingen, van toepassing is, wordt
onder gestort kapitaal, als bedoeld in §
1, 11°, de fondsen van de vereniging
verstaan zoals blijkt uit de balans die
door
deze
belastingplichtigen
is
opgemaakt.
Voor de verenigingen en stichtingen
op wie Deel 3 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen,
van toepassing is en die aan de
vennootschapsbelasting
onderworpen zijn, wordt onder gestort
kapitaal, als bedoeld in § 1, 11°, de
fondsen van de vereniging verstaan
zoals blijkt uit de balans die door deze
belastingplichtigen is opgemaakt.
Voor de toepassing van § 1, 11°,
moeten met belaste reserves worden
gelijkgesteld de vrijgestelde reserves die
werden aangelegd naar aanleiding van
een verrichting bedoeld in artikel 184bis,
§ 4, of in artikel 211, door opneming op
de belaste reserves of met correlatieve
creatie van een negatieve belaste
reserve, omwille van het feit dat de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap
aandelen
van
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap bezat op het ogenblik van
de verrichting.
Voor de toepassing van § 1, 11°,
moeten met belaste reserves worden
gelijkgesteld de vrijgestelde reserves die
werden aangelegd naar aanleiding van
een verrichting bedoeld in artikel 184bis,
§ 4, of in artikel 211, door opneming op
de belaste reserves of met correlatieve
creatie van een negatieve belaste
reserve, omwille van het feit dat de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap
aandelen
van
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap bezat op het ogenblik van
de verrichting.
*** AJ 2020
§ 3 (…)
In geval van leningen gewaarborgd door
een derde of leningen waarbij een derde
aan de schuldeiser de nodige middelen
heeft verschaft met het oog op de
financiering van de leningen, en geheel
of gedeeltelijk de aan de leningen
verbonden risico's draagt, wordt deze
derde voor de toepassing van paragraaf
1, 11° en 11° /1 geacht de werkelijke
verkrijger van de interesten van deze
lening te zijn, indien deze waarborg of
dit
verschaffen
van
middelen
als
hoofddoel belasting ontwijking heeft.
De
aftrekbeperking
bedoeld
in
in
paragraaf 1, 11° /1, is niet van
toepassing op leningen aangegaan door
:
-
vennootschappen
voor
roerende
*** AJ 2020
§ 3 (…)
In geval van leningen gewaarborgd door
een derde of leningen waarbij een derde
aan de schuldeiser de nodige middelen
heeft verschaft met het oog op de
financiering van de leningen, en geheel
of gedeeltelijk de aan de leningen
verbonden risico's draagt, wordt deze
derde voor de toepassing van paragraaf
1, 11° en 11° /1 geacht de werkelijke
verkrijger van de interesten van deze
lening te zijn, indien deze waarborg of
dit
verschaffen
van
middelen
als
hoofddoel belasting ontwijking heeft.
De
aftrekbeperking
bedoeld
in
in
paragraaf 1, 11° /1, is niet van
toepassing op leningen aangegaan door
:
-
vennootschappen
voor
roerende
267
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
leasing bedoeld in artikel 2 van het
koninklijk
besluit
nr.
55
van
10
november 1967 tot regeling van het
juridisch statuut der ondernemingen
gespecialiseerd in financieringshuur, en
vennootschappen
waarvan
de
voornaamste
activiteit
bestaat
uit
factoring of onroerende leasing en dit
binnen de financiële sector en voor
zover de ontleende kapitalen effectief
dienen
voor
leasing-
en
factoringactiviteiten;
-
vennootschappen
waarvan
de
voornaamste activiteit bestaat in het
uitvoeren van een project van publiek-
private
samenwerking
gegund
na
inmededingingstelling
conform
de
reglementering
inzake
overheids-
opdrachten.
Voor de belastingplichtigen die aan de
vennootschapsbelasting
onderworpen
zijn, op wie de wet van 27 juni 1921
betreffende de verenigingen zonder
winstoogmerk,
de
internationale
verenigingen zonder winstoogmerk en
de stichtingen, van toepassing is, wordt
onder gestort kapitaal, als bedoeld in
paragraaf 1, 11° en 11° /1, de fondsen
van de vereniging verstaan zoals blijkt
uit
de
balans
die
door
deze
belastingplichtigen is opgemaakt.
Voor de toepassing van paragraaf 1, 11°
en 11° /1, moeten met belaste reserves
worden gelijkgesteld de vrijgestelde
reserves die werden aangelegd naar
aanleiding van een verrichting bedoeld
in artikel 184bis, § 4, of in artikel 211,
door opneming op de belaste reserves
of met correlatieve creatie van een
negatieve belaste reserve, omwille van
het
feit
dat
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap
aandelen
van de overgenomen of gesplitste
vennootschap bezat op het ogenblik van
de verrichting.
leasing bedoeld in artikel 2 van het
koninklijk
besluit
nr.
55
van
10
november 1967 tot regeling van het
juridisch statuut der ondernemingen
gespecialiseerd in financieringshuur, en
vennootschappen
waarvan
de
voornaamste
activiteit
bestaat
uit
factoring of onroerende leasing en dit
binnen de financiële sector en voor
zover de ontleende kapitalen effectief
dienen
voor
leasing-
en
factoringactiviteiten;
-
vennootschappen
waarvan
de
voornaamste activiteit bestaat in het
uitvoeren van een project van publiek-
private
samenwerking
gegund
na
inmededingingstelling
conform
de
reglementering
inzake
overheids-
opdrachten.
Voor de verenigingen en stichtingen
op wie Deel 3 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen,
van toepassing is en die aan de
vennootschapsbelasting
onderworpen zijn, wordt onder gestort
kapitaal, als bedoeld in paragraaf 1, 11°
en 11° /1, de fondsen van de vereniging
verstaan zoals blijkt uit de balans die
door
deze
belastingplichtigen
is
opgemaakt.
Voor de toepassing van paragraaf 1, 11°
en 11° /1, moeten met belaste reserves
worden gelijkgesteld de vrijgestelde
reserves die werden aangelegd naar
aanleiding van een verrichting bedoeld
in artikel 184bis, § 4, of in artikel 211,
door opneming op de belaste reserves
of met correlatieve creatie van een
negatieve belaste reserve, omwille van
het
feit
dat
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap
aandelen
van de overgenomen of gesplitste
vennootschap bezat op het ogenblik van
de verrichting.
+ wijzigt in Venn II
268
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 201, § 1, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 202, § 2 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. In de gevallen als vermeld in artikel
69, § 1, eerste lid, 1°, bedraagt het
basispercentage
van
de
investeringsaftrek:
§ 1. In de gevallen als vermeld in artikel
69, § 1, eerste lid, 1°, bedraagt het
basispercentage
van
de
investeringsaftrek:
1° voor vaste activa verkregen of tot
stand gebracht door een vennootschap
die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6,
van het Wetboek van vennootschappen
als
kleine
vennootschap
wordt
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbare tijdperk
waarin
die
investeringen
worden
verricht, 8 pct. van de aanschaffings- of
beleggingswaarde
van
de
nieuwe
materiële of immateriële vaste activa
voor
zover
deze
vaste
activa
rechtstreeks verband houden met de
bestaande of geplande economische
werkzaamheid
die
door
de
vennootschap
werkelijk
wordt
uitgeoefend;
Evenwel
bedraagt
het
basis percentage van de aftrek voor de
vaste activa die zijn verkregen of tot
stand gebracht tussen 1 januari 2018 en
31 december 2019, 20 pct.;
1° voor vaste activa verkregen of tot
stand gebracht door een vennootschap
die op grond van artikel 1:24 §§ 1 tot 6
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
als
kleine
vennootschap
wordt
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbare tijdperk
waarin
die
investeringen
worden
verricht, 8 pct. van de aanschaffings- of
beleggingswaarde
van
de
nieuwe
materiële of immateriële vaste activa
voor
zover
deze
vaste
activa
rechtstreeks verband houden met de
bestaande of geplande economische
werkzaamheid
die
door
de
vennootschap
werkelijk
wordt
uitgeoefend;
Evenwel
bedraagt
het
basis percentage van de aftrek voor de
vaste activa die zijn verkregen of tot
stand gebracht tussen 1 januari 2018 en
31 december 2019, 20 pct.;
2° voor vaste activa verkregen of tot
stand gebracht door een vennootschap
die niet vermeld wordt in de bepaling
onder 1°, 0 %
2° voor vaste activa verkregen of tot
stand gebracht door een vennootschap
die niet vermeld wordt in de bepaling
onder 1°, 0 %
De vaste activa waarvan de waarde, op
basis van artikel 205ter, zou worden
afgetrokken in de berekening van het
risicokapitaal
voor
de
aftrek
voor
risicokapitaal,
worden
voor
de
toepassing van het vorige lid nooit
geacht vaste activa te zijn die betrekking
hebben op de economische activiteit.
De vaste activa waarvan de waarde, op
basis van artikel 205ter, zou worden
afgetrokken in de berekening van het
risicokapitaal
voor
de
aftrek
voor
risicokapitaal,
worden
voor
de
toepassing van het vorige lid nooit
geacht vaste activa te zijn die betrekking
hebben op de economische activiteit.
Deze investeringsaftrek is slechts van
toepassing als de vennootschap voor
het
belastbaar
tijdperk
waarin
de
investering wordt verricht, onherroepelijk
verzaakt aan de in de artikelen 205bis
Deze investeringsaftrek is slechts van
toepassing als de vennootschap voor
het
belastbaar
tijdperk
waarin
de
investering wordt verricht, onherroepelijk
verzaakt aan de in de artikelen 205bis
269
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
tot 205novies bedoelde aftrek voor
risicokapitaal.
tot 205novies bedoelde aftrek voor
risicokapitaal.
De in het eerste lid bedoelde aftrek
wordt altijd in één keer toegepast.
De in het eerste lid bedoelde aftrek
wordt altijd in één keer toegepast.
Wat de in het eerste lid beoogde
investeringsaftrek betreft, wordt de in
artikel 72 bedoelde overdracht van de
niet verleende vrijstelling bij geen of
onvoldoende winst, enkel toegestaan in
het volgende belastbaar tijdperk.
Wat de in het eerste lid beoogde
investeringsaftrek betreft, wordt de in
artikel 72 bedoelde overdracht van de
niet verleende vrijstelling bij geen of
onvoldoende winst, enkel toegestaan in
het volgende belastbaar tijdperk.
(...)
(...)
In het in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, f),
vermelde geval is de investeringsaftrek
slechts van toepassing met betrekking
tot vennootschappen die op grond van
artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van
vennootschappen
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbaar tijdperk waarin de
vaste activa zijn verkregen of tot stand
gebracht.
In het in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, f),
vermelde geval is de investeringsaftrek
slechts van toepassing met betrekking
tot vennootschappen die op grond van
artikel 1:24 §§ 1 tot 6 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbaar tijdperk waarin de
vaste activa zijn verkregen of tot stand
gebracht.
In het in artikel 69, § 1, eerste lid, 3°,
vermelde geval is de investeringsaftrek
slechts van toepassing met betrekking
tot
(...)
de
binnenlandse
vennootschappen die op grond van
artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van
vennootschappen
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbaar tijdperk waarin de
vaste activa zijn verkregen of tot stand
gebracht.
In het in artikel 69, § 1, eerste lid, 3°,
vermelde geval is de investeringsaftrek
slechts van toepassing met betrekking
tot
(...)
de
binnenlandse
vennootschappen die op grond van
artikel 1:24 §§ 1 tot 6 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbaar tijdperk waarin de
vaste activa zijn verkregen of tot stand
gebracht.
In het in artikel 70, derde lid, vermelde
geval is het percentage van de aftrek tot
0 teruggebracht.
In het in artikel 70, derde lid, vermelde
geval is het percentage van de aftrek tot
0 teruggebracht.
De belastingplichtige die onherroepelijk
heeft geopteerd voor het in artikel
289quater
vermelde
belastingkrediet
voor onderzoek en ontwikkeling, kan
niet meer genieten van de in de
De belastingplichtige die onherroepelijk
heeft geopteerd voor het in artikel
289quater
vermelde
belastingkrediet
voor onderzoek en ontwikkeling, kan
niet meer genieten van de in de
270
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, a en b,
en
70,
eerste
lid,
1°,
vermelde
investeringsaftrek
en
voor
die
belastingplichtige, worden de in artikel
72, tweede lid, bedoelde bedragen van
620.000
euro
(basisbedrag)
en
2.480.000
euro
(basisbedrag)
respectievelijk
op
310.000
euro
(basisbedrag)
en
1.240.000
euro
(basisbedrag) bepaald. Deze bedragen
worden jaarlijks aan het indexcijfer van
de consumptieprijzen van het Rijk
aangepast. Die aanpassing gebeurt met
behulp van de in artikel 178, § 3, eerste
lid, 2°, bepaalde coëfficiënt.
artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, a en b,
en
70,
eerste
lid,
1°,
vermelde
investeringsaftrek
en
voor
die
belastingplichtige, worden de in artikel
72, tweede lid, bedoelde bedragen van
620.000
euro
(basisbedrag)
en
2.480.000
euro
(basisbedrag)
respectievelijk
op
310.000
euro
(basisbedrag)
en
1.240.000
euro
(basisbedrag) bepaald. Deze bedragen
worden jaarlijks aan het indexcijfer van
de consumptieprijzen van het Rijk
aangepast. Die aanpassing gebeurt met
behulp van de in artikel 178, § 3, eerste
lid, 2°, bepaalde coëfficiënt.
Art. 205ter, § 4 van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Art. 205ter, §§ 4 van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
§ 4. Voor de belastingplichtigen die aan
de
vennootschapsbelasting
onderworpen zijn, op wie de wet van 27
juni 1921 betreffende de verenigingen
zonder winstoogmerk, de internationale
verenigingen zonder winstoogmerk en
de stichtingen van toepassing is, wordt
onder eigen vermogen, als bedoeld in §
1, het eigen vermogen verstaan zoals
blijkt uit de balans die door deze
belastingplichtigen is opgemaakt.
§
4.
Voor
de
verenigingen
en
stichtingen op wie Deel 3 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen van toepassing is en
die aan de vennootschapsbelasting
onderworpen zijn, wordt onder eigen
vermogen, als bedoeld in § 1, het eigen
vermogen verstaan zoals blijkt uit de
balans die door deze belastingplichtigen
is opgemaakt.
Art. 205quater, § 6 van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 205quater, § 6 van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
§ 6. Ten name van de vennootschappen
die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6,
van het Wetboek van vennootschappen
als kleine vennootschappen worden
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbare tijdperk
waarin de aftrek voor risicokapitaal
wordt
genoten,
wordt
het
overeenkomstig de §§ 2 tot 5 bepaalde
tarief
verhoogd
met
een
half
§ 6. Ten name van de vennootschappen
die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot
6,
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
als kleine vennootschappen worden
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbare tijdperk
waarin de aftrek voor risicokapitaal
wordt
genoten,
wordt
het
overeenkomstig de §§ 2 tot 5 bepaalde
271
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
procentpunt.
procentpunt.
Art. 206, § 3 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 206, § 3 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§
3.
Ingeval
een
buitenlandse
vennootschap haar maatschappelijke
zetel, de voornaamste inrichting of de
zetel van bestuur of beheer naar België
overbrengt, geldt het bepaalde in § 1,
eerste
lid,
voor
wat
betreft
beroepsverliezen
door
deze
vennootschap
geleden
binnen
een
Belgische
inrichting
waarover
deze
vennootschap vóór deze overbrenging
beschikte.
§
3.
Ingeval
een
buitenlandse
vennootschap
haar
voornaamste
inrichting of de zetel van bestuur of
beheer naar België overbrengt, geldt het
bepaalde in § 1, eerste lid, voor wat
betreft
beroepsverliezen
door
deze
vennootschap
geleden
binnen
een
Belgische
inrichting
waarover
deze
vennootschap vóór deze overbrenging
beschikte.
Art. 207, zesde lid, van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 207, zesde lid van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
Ten name van een vennootschap die op
grond van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek
van
vennootschappen
als
kleine vennootschap wordt aangemerkt,
is het vijfde lid niet van toepassing op de
in
artikel
206
bedoelde
verliezen,
gedurende de eerste vier belastbare
tijdperken vanaf haar oprichting zoals
bedoeld in artikel 14526, § 1, derde en
vierde lid.
Ten name van een vennootschap die op
grond artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen als kleine vennootschap
wordt aangemerkt, is het vijfde lid niet
van toepassing op de in artikel 206
bedoelde
verliezen,
gedurende
de
eerste vier belastbare tijdperken vanaf
haar oprichting zoals bedoeld in artikel
14526, § 1, derde en vierde lid.
Art. 210, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 210, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De artikelen 208 en 209 zijn mede
van toepassing :
§ 1. De artikelen 208 en 209 zijn mede
van toepassing :
1° bij fusie door overneming, bij fusie
door
oprichting
van
een
nieuwe
vennootschap,
bij
splitsing
door
overneming, bij splitsing door oprichting
van
nieuwe
vennootschappen,
bij
gemengde splitsing of bij met fusie door
overneming gelijkgestelde verrichting ;
1° bij fusie door overneming, bij fusie
door
oprichting
van
een
nieuwe
vennootschap,
bij
splitsing
door
overneming, bij splitsing door oprichting
van
nieuwe
vennootschappen,
bij
gemengde splitsing of bij met fusie door
overneming gelijkgestelde verrichting ;
272
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1°bis
bij
met
fusie
of
splitsing
gelijkgestelde verrichting, zonder dat
alle
overdragende
vennootschappen
ophouden te bestaan ;
1°bis bij met splitsing gelijkgestelde
verrichting;
2° bij ontbinding zonder verdeling van
het maatschappelijk vermogen, anders
dan in de gevallen als vermeld onder 1°
en 1°bis ;
2°
bij
ontbinding
zonder
gehele
verdeling
van
het
maatschappelijk
vermogen, anders dan in de gevallen
als vermeld onder 1° en 1°bis ;
2°bis in geval van overdracht zonder
ontbinding, van het geheel of een
gedeelte van het maatschappelijk
vermogen in het kader van een
verrichting
gelijkaardig
aan
deze
bedoeld in 1°bis
3° bij het aannemen van een andere
rechtsvorm, behalve in gevallen als
vermeld in de artikelen 774 tot 787 van
het Wetboek van vennootschappen ;
3° bij het aannemen van een andere
rechtsvorm, behalve in gevallen als
vermeld in de artikelen 14:2 tot 14:14,
15:32 tot 15:33 en 16:10 tot 16:11 van
het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen en in de andere
gevallen
waarbij
een
andere
rechtsvorm wordt aangenomen op
voorwaarde
dat
deze
omzetting
plaatsvindt zonder onderbreking van
de
rechtspersoonlijkheid
en
in
overeenstemming
met
het
rechtspersonenrecht
dat
de
omzetting beheerst ;
4°
bij
het
overbrengen
van
de
maatschappelijke zetel, de voornaamste
inrichting of de zetel van bestuur of
beheer naar het buitenland ;
4°
bij
het
overbrengen
van
de
voornaamste inrichting of de zetel van
bestuur of beheer naar het buitenland ;
5° bij de erkenning door de Autoriteit
voor Financiële Diensten en Markten als
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
in
niet
genoteerde
aandelen,
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap, tenzij zij op het
ogenblik van de erkenning reeds erkend
was als vennootschap met vast kapitaal
voor belegging in vastgoed of in niet
genoteerde
aandelen,
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap,
of
reeds
5° bij de erkenning door de Autoriteit
voor Financiële Diensten en Markten als
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
in
niet
genoteerde
aandelen,
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap, tenzij zij op het
ogenblik van de erkenning reeds erkend
was als vennootschap met vast kapitaal
voor belegging in vastgoed of in niet
genoteerde
aandelen,
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap,
of
reeds
273
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
ingeschreven was bij de FOD Financiën
als
gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds;
ingeschreven was bij de FOD Financiën
als
gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds;
6° bij de inschrijving bij de FOD
Financiën
als
gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds, tenzij zij op
het ogenblik van de inschrijving reeds
door
de
Autoriteit
voor
Financiële
Diensten en Markten erkend was als
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
in
niet
genoteerde
aandelen,
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap.
6° bij de inschrijving bij de FOD
Financiën
als
gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds, tenzij zij op
het ogenblik van de inschrijving reeds
door
de
Autoriteit
voor
Financiële
Diensten en Markten erkend was als
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
in
niet
genoteerde
aandelen,
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap.
7°
in
geval
van
erkenning
als
landbouwonderneming als bedoeld in
artikel 8:2 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen,
behoudens
wanneer
de
vennootschap
aan
de
vennootschapsbelasting
onderworpen blijft;
8°
wanneer
een
landbouwonderneming als bedoeld in
artikel 8:2 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen,
niet
langer
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen.
§ 2. In de in § 1 vermelde gevallen,
wordt de werkelijke waarde van het
maatschappelijk vermogen op de datum
waarop
de
bedoelde
verrichtingen
hebben plaatsgevonden, gelijkgesteld
met
een
bij
verdeling
van
maatschappelijk vermogen uitgekeerde
som.
§ 2. In de in § 1 vermelde gevallen,
wordt de werkelijke waarde van het
maatschappelijk vermogen op de datum
waarop
de
bedoelde
verrichtingen
hebben plaatsgevonden, gelijkgesteld
met
een
bij
verdeling
van
maatschappelijk vermogen uitgekeerde
som.
§ 3. In afwijking van § 1, zijn de
bepalingen van de artikelen 208 en 209
in geval van met splitsing gelijkgestelde
verrichting als vermeld in § 1, 1°bis, niet
van toepassing op het maatschappelijk
vermogen dat ingevolge de verrichting
niet
door
de
overdragende
vennootschap wordt overgedragen.
§ 3. In afwijking van § 1, zijn de
bepalingen van de artikelen 208 en 209
in geval van met splitsing gelijkgestelde
verrichting als vermeld in § 1, 1°bis en
overdracht bedoeld in § 1, 2°bis, niet
van toepassing op het maatschappelijk
vermogen dat ingevolge de verrichting
niet
door
de
overdragende
274
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap wordt overgedragen.
In dat geval wordt de gelijkstelling met
een bij verdeling van maatschappelijk
vermogen uitgekeerde som als bedoeld
in § 2, beperkt tot de werkelijke waarde
van het maatschappelijk vermogen dat
ten gevolge van de verrichting bij de
verkrijgende
vennootschap
is
ingebracht.
In dat geval wordt de gelijkstelling met
een bij verdeling van maatschappelijk
vermogen uitgekeerde som als bedoeld
in § 2, beperkt tot de werkelijke waarde
van het maatschappelijk vermogen dat
ten gevolge van de verrichting bij de
verkrijgende
vennootschap
is
ingebracht.
Voor de toepassing van artikel 209,
tweede lid, 1°, wordt met betrekking tot
dergelijke
verrichting
het
gestorte
kapitaal
van
de
overdragende
vennootschap bepaald naar verhouding
tot het evenredige aandeel van de
werkelijke
waarde
van
het
maatschappelijk
vermogen
dat
ingevolge
de
verrichting
bij
de
verkrijgende
vennootschap
is
ingebracht,
in
het
totaal
van
de
werkelijke
waarde
van
het
maatschappelijk
vermogen
van
de
overdragende vennootschap, vóór de
verrichting.
Voor de toepassing van artikel 209,
tweede lid, 1°, wordt met betrekking tot
dergelijke
verrichting
het
gestorte
kapitaal
van
de
overdragende
vennootschap bepaald naar verhouding
tot het evenredige aandeel van de
werkelijke
waarde
van
het
maatschappelijk
vermogen
dat
ingevolge
de
verrichting
bij
de
verkrijgende
vennootschap
is
ingebracht,
in
het
totaal
van
de
werkelijke
waarde
van
het
maatschappelijk
vermogen
van
de
overdragende vennootschap, vóór de
verrichting.
Opneming van winst van het boekjaar of
van gereserveerde winst die reeds aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, wordt niet in aanmerking
genomen bij het bepalen van de
belastbare winst tot het bedrag van de
overeenkomstig het vorige lid op het
gestorte
kapitaal
aan
te
rekenen
uitkering die geen aanleiding heeft
gegeven tot een werkelijke vermindering
van het kapitaal.
Opneming van winst van het boekjaar of
van gereserveerde winst die reeds aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, wordt niet in aanmerking
genomen bij het bepalen van de
belastbare winst tot het bedrag van de
overeenkomstig het vorige lid op het
gestorte
kapitaal
aan
te
rekenen
uitkering die geen aanleiding heeft
gegeven tot een werkelijke vermindering
van het kapitaal.
§ 4. Bij fusie door overneming, bij fusie
door
oprichting
van
een
nieuwe
vennootschap,
bij
splitsing
door
overneming, bij splitsing door oprichting
van
nieuwe
vennootschappen,
bij
gemengde splitsing en bij met splitsing
gelijkgestelde
verrichting,
uitgevoerd
overeenkomstig de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen en van
het koninklijk besluit tot uitvoering van
dat Wetboek, wordt ten name van de
§ 4. Bij fusie door overneming, bij fusie
door
oprichting
van
een
nieuwe
vennootschap,
bij
splitsing
door
overneming, bij splitsing door oprichting
van
nieuwe
vennootschappen,
bij
gemengde splitsing en bij met fusie of
splitsing gelijkgestelde verrichting,
wordt ten name van de overnemende of
verkrijgende vennootschap :
275
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap :
- het door de inbreng gestorte kapitaal
geacht overeen te stemmen met de
werkelijke
waarde
van
het
maatschappelijk vermogen bedoeld in §
2 of § 3, tweede lid, dat bij deze
vennootschap is ingebracht, voor zover
de inbrengen worden vergoed met
nieuwe aandelen die daartoe worden
uitgegeven ;
- het door de inbreng gestorte kapitaal
geacht overeen te stemmen met de
werkelijke
waarde
van
het
maatschappelijk vermogen bedoeld in §
2 of § 3, tweede lid, dat bij deze
vennootschap is ingebracht, voor zover
de inbrengen worden vergoed met
nieuwe aandelen die daartoe worden
uitgegeven ;
-
de
aanschaffingswaarde
van
de
ingebrachte
bestanddelen
geacht
overeen te stemmen met de werkelijke
waarde
die
zij
hadden
bij
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap op de datum waarop de
verrichting heeft plaatsgevonden.
-
de
aanschaffingswaarde
van
de
ingebrachte
bestanddelen
geacht
overeen te stemmen met de werkelijke
waarde
die
zij
hadden
bij
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap op de datum waarop de
verrichting heeft plaatsgevonden.
§ 5. Voor de toepassing van artikel 209,
bij de erkenning door de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten als
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap,
of
bij
de
inschrijving van deze vennootschap bij
de FOD Financiën als gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds,
wordt,
overeenkomstig § 1, 5° en 6°, het
bedrag van het gestorte kapitaal, in
afwijking van de artikelen 184, 184bis
en 184ter, § 1, eerste lid, evenals het
bedrag van de voorheen gereserveerde
winst, verminderd ten belope van het
positieve verschil tussen het bedrag van
de herwaarderingsmeerwaarden en het
bedrag van de afschrijvingen die reeds
werden
geboekt
op
deze
herwaarderingsmeerwaarden
voorafgaand aan de erkenning van deze
vennootschap als vennootschap met
vast kapitaal voor belegging in vastgoed
of
als
gereglementeerde
vastgoed-
vennootschap of voorafgaand aan de
inschrijving van deze vennootschap bij
de FOD Financiën als gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds, en dit in de
mate
dat
de
sommen
die
§ 5. Voor de toepassing van artikel 209,
bij de erkenning door de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten als
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap,
of
bij
de
inschrijving van deze vennootschap bij
de FOD Financiën als gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds,
wordt,
overeenkomstig § 1, 5° en 6°, het
bedrag van het gestorte kapitaal, in
afwijking van de artikelen 184, 184bis
en 184ter, § 1, eerste lid, evenals het
bedrag van de voorheen gereserveerde
winst, verminderd ten belope van het
positieve verschil tussen het bedrag van
de herwaarderingsmeerwaarden en het
bedrag van de afschrijvingen die reeds
werden
geboekt
op
deze
herwaarderingsmeerwaarden
voorafgaand aan de erkenning van deze
vennootschap als vennootschap met
vast kapitaal voor belegging in vastgoed
of
als
gereglementeerde
vastgoed-
vennootschap of voorafgaand aan de
inschrijving van deze vennootschap bij
de FOD Financiën als gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds, en dit in de
mate
dat
de
sommen
die
276
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
overeenstemmen
met
dit
verschil
teruggevonden worden in het bedrag
aan gestort kapitaal of van de voorheen
gereserveerde winst.
overeenstemmen
met
dit
verschil
teruggevonden worden in het bedrag
aan gestort kapitaal of van de voorheen
gereserveerde winst.
Voor de toepassing van het eerste lid, in
het
geval
een
vereniging
zonder
winstoogmerk werd omgevormd tot een
vennootschap met sociaal oogmerk,
voorafgaand aan de erkenning door de
Autoriteit voor Financiële Diensten en
Markten van deze vennootschap, die al
dan niet haar statuten de hoedanigheid
als vennootschap met sociaal oogmerk
behoudt, als vennootschap met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap,
of
aan
de
inschrijving van deze vennootschap bij
de FOD Financiën als gespecialiseerd
vastgoed-beleggingsfonds,
wordt
het
bedrag van het gestorte kapitaal van
deze vennootschap, in afwijking van de
artikelen 184, 184bis en 184ter, § 1,
eerste lid, evenals het bedrag van de
voorheen
gereserveerde
winst,
verminderd ten belope van het positieve
verschil tussen het bedrag van de
herwaarderingsmeerwaarden
en
het
bedrag van de afschrijvingen die reeds
werden
geboekt
op
deze
herwaarderingsmeerwaarden
voorafgaand aan de omvorming van
deze vereniging zonder winstoogmerk
tot vennootschap met sociaal oogmerk,
en dit in de mate dat de sommen die
overeenstemmen
met
dit
verschil
teruggevonden worden in het bedrag
aan gestort kapitaal of van de voorheen
gereserveerde winst.
Voor de toepassing van het eerste lid, in
het
geval
een
vereniging
zonder
winstoogmerk werd omgevormd tot een
overeenkomstig artikel 8:5 van het
wetboek van vennootschappen en
verenigingen
erkende
sociale
onderneming, voorafgaand aan de
erkenning
door
de
Autoriteit
voor
Financiële Diensten en Markten van
deze vennootschap, die al dan niet haar
statuten
de
hoedanigheid
als een
overeenkomstig artikel 8:5 van het
wetboek van vennootschappen en
verenigingen
erkende
sociale
onderneming
behoudt,
als
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap,
of
aan
de
inschrijving van deze vennootschap bij
de FOD Financiën als gespecialiseerd
vastgoed-beleggingsfonds,
wordt
het
bedrag van het gestorte kapitaal van
deze vennootschap, in afwijking van de
artikelen 184, 184bis en 184ter, § 1,
eerste lid, evenals het bedrag van de
voorheen
gereserveerde
winst,
verminderd ten belope van het positieve
verschil tussen het bedrag van de
herwaarderingsmeerwaarden
en
het
bedrag van de afschrijvingen die reeds
werden
geboekt
op
deze
herwaarderingsmeerwaarden
voorafgaand aan de omvorming van
deze vereniging zonder winstoogmerk
tot een overeenkomstig artikel 8:5
van
het
wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
erkende sociale onderneming, en dit
in de mate dat de sommen die
overeenstemmen
met
dit
verschil
teruggevonden worden in het bedrag
aan gestort kapitaal of van de voorheen
gereserveerde winst.
277
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Deze paragraaf is niet van toepassing
op de vennootschappen die worden
erkend als vennootschap met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed of
als
gereglementeerde
vastgoed-
vennootschap,
of
die
worden
ingeschreven
als
gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds, en die sinds
hun
oprichting
aan
de
vennootschapsbelasting
worden
onderworpen.
Deze paragraaf is niet van toepassing
op de vennootschappen die worden
erkend als vennootschap met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed of
als
gereglementeerde
vastgoed-
vennootschap,
of
die
worden
ingeschreven
als
gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds, en die sinds
hun
oprichting
aan
de
vennootschapsbelasting
worden
onderworpen.
De toepassing van deze paragraaf heeft
geen invloed op de vaststelling van het
bedrag aan dividenden dat in hoofde
van de vennoten en aandeelhouders
wordt vastgesteld.
De toepassing van deze paragraaf heeft
geen invloed op de vaststelling van het
bedrag aan dividenden dat in hoofde
van de vennoten en aandeelhouders
wordt vastgesteld.
Art. 210/1, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 210/1, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 210/1. De artikelen 208 en 209
zijn eveneens van toepassing in het
geval dat een vennootschap niet
langer
onderworpen
is
aan
de
vennootschapsbelasting
en
onderworpen
wordt
aan
de
rechtspersonenbelasting.
Voor de toepassing van dit artikel
wordt
het
gedeelte
van
de
vrijgestelde
reserves
dat
werd
aangelegd tijdens een belastbaar
tijdperk
verbonden
met
een
aanslagjaar
waarvoor
de
vennootschap
niet
aan
de
vennootschapsbelasting
was
onderworpen, alsook het gedeelte
van de naar aanleiding van de
toepassing
van
het
eerste
lid
vastgestelde
meerwaarden
dat
betrekking heeft op een belastbaar
tijdperk
verbonden
met
een
aanslagjaar
waarvoor
de
vennootschap
niet
aan
de
vennootschapsbelasting
was
onderworpen, niet in aanmerking
genomen voor de bepaling van de
278
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
belastbare grondslag.
Art. 211, § 1, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 211, § 1, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. Ingeval van fusie, splitsing of met
fusie door overneming gelijkgestelde
verrichting als bedoeld in artikel 210, §
1, 1°, en ingeval van met splitsing
gelijkgestelde verrichting als bedoeld in
artikel 210, § 1, 1°bis,:
§ 1. Ingeval van fusie, splitsing of met
fusie door overneming gelijkgestelde
verrichting als bedoeld in artikel 210, §
1, 1°, en ingeval van met splitsing
gelijkgestelde verrichting als bedoeld in
artikel 210, § 1, 1°bis,:
1° komen de meerwaarden bedoeld in
de artikelen 44, § 1, 1°, en 47, die op
het ogenblik van de verrichting zijn
vrijgesteld, de kapitaalsubsidies bedoeld
in artikel 362, die op het ogenblik van de
verrichting nog niet als winst worden
aangemerkt, alsmede de meerwaarden
die naar aanleiding van die verrichting
worden verwezenlijkt of vastgesteld, niet
in aanmerking voor belastingheffing
ingevolge artikel 208, tweede lid, of
artikel 209;
1° komen de meerwaarden bedoeld in
de artikelen 44, § 1, 1°, en 47, die op
het ogenblik van de verrichting zijn
vrijgesteld, de kapitaalsubsidies bedoeld
in artikel 362, die op het ogenblik van de
verrichting nog niet als winst worden
aangemerkt, alsmede de meerwaarden
die naar aanleiding van die verrichting
worden verwezenlijkt of vastgesteld, niet
in aanmerking voor belastingheffing
ingevolge artikel 208, tweede lid, of
artikel 209;
2° blijft belastingheffing ingevolge artikel
209 voor het overige achterwege in de
mate dat de inbrengen worden vergoed
met
nieuwe
aandelen die daartoe
worden uitgegeven, of in de mate dat, in
de in § 2, derde lid, bedoelde gevallen,
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap de vóór de verrichting bij
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap aanwezige vrijgestelde
reserves, die niet zijn verbonden aan
een buitenlandse inrichting van deze
vennootschap gelegen in een Staat
waarmee België een overeenkomst ter
vermijding van de dubbele belasting
heeft ondertekend, overneemt.
2° blijft belastingheffing ingevolge artikel
209 voor het overige achterwege in de
mate dat de inbrengen worden vergoed
met
nieuwe
aandelen die daartoe
worden uitgegeven, of in de mate dat, in
de in § 2, derde lid, bedoelde gevallen,
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap de vóór de verrichting bij
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap aanwezige vrijgestelde
reserves, die niet zijn verbonden aan
een buitenlandse inrichting van deze
vennootschap gelegen in een Staat
waarmee België een overeenkomst ter
vermijding van de dubbele belasting
heeft ondertekend, overneemt.
Ingeval van splitsing of met splitsing
gelijkgestelde verrichting wordt de in het
eerste lid, 2°, bedoelde overname van
vrijgestelde reserves beperkt tot het
gedeelte van de bij de gesplitste
vennootschap aanwezige vrijgestelde
reserves dat evenredig is met het
Ingeval van splitsing of met splitsing
gelijkgestelde verrichting wordt de in het
eerste lid, 2°, bedoelde overname van
vrijgestelde reserves beperkt tot het
gedeelte van de bij de gesplitste
vennootschap aanwezige vrijgestelde
reserves dat evenredig is met het
279
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
gedeelte
van
de
totale
fiscale
nettowaarde
van
de
gesplitste
vennootschap dat is overgegaan naar
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap.
gedeelte
van
de
totale
fiscale
nettowaarde
van
de
gesplitste
vennootschap dat is overgegaan naar
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap.
Indien de fiscale nettowaarde van de
gesplitste vennootschap nul is, is de in
het eerste lid, 2°, bedoelde overneming,
in afwijking van het vorige lid, beperkt
tot het gedeelte van de vrijgestelde
reserves
van
de
gesplitste
vennootschap dat evenredig is met de
fiscale
nettowaarde
van
de
actiefbestanddelen van de gesplitste
vennootschap die zijn overgegaan naar
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap.
Indien de fiscale nettowaarde van de
gesplitste vennootschap nul is, is de in
het eerste lid, 2°, bedoelde overneming,
in afwijking van het vorige lid, beperkt
tot het gedeelte van de vrijgestelde
reserves
van
de
gesplitste
vennootschap dat evenredig is met de
fiscale
nettowaarde
van
de
actiefbestanddelen van de gesplitste
vennootschap die zijn overgegaan naar
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap.
Het eerste lid is slechts van toepassing
op voorwaarde dat:
Het eerste lid is slechts van toepassing
op voorwaarde dat:
1° de overnemende of verkrijgende
vennootschap
een
binnenlandse
vennootschap of een intra-Europese
vennootschap is;
1° de overnemende of verkrijgende
vennootschap
een
binnenlandse
vennootschap of een intra-Europese
vennootschap is;
2° de verrichting wordt verwezenlijkt
overeenkomstig de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen en,
desgevallend, conform vennootschaps-
rechtelijke bepalingen van gelijke aard
die
van
toepassing
zijn
op
de
overnemende
of
verkrijgende
intra-
Europese vennootschap;
2° (…)
3° de verrichting beantwoordt aan het
bepaalde in artikel 183bis.
3° de verrichting beantwoordt aan het
bepaalde in artikel 183bis.
Ingeval de overnemende of verkrijgende
vennootschap
een
intra-Europese
vennootschap is, is het eerste lid van
toepassing voor wat betreft:
Ingeval de overnemende of verkrijgende
vennootschap
een
intra-Europese
vennootschap is, is het eerste lid van
toepassing voor wat betreft:
- de ten gevolge van de verrichting
verkregen bestanddelen die worden
aangewend en behouden binnen een in
artikel 229, § 1, bedoelde Belgische
inrichting waarover de overnemende of
verkrijgende vennootschap in België, al
dan
niet
ten
gevolge
van
deze
- de ten gevolge van de verrichting
verkregen bestanddelen die worden
aangewend en behouden binnen een in
artikel 229, § 1, bedoelde Belgische
inrichting waarover de overnemende of
verkrijgende vennootschap in België, al
dan
niet
ten
gevolge
van
deze
280
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
verrichting, beschikt, en die bijdragen tot
de totstandkoming van de resultaten
van deze inrichting die in toepassing
van artikel 233 in aanmerking worden
genomen voor de belastinggrondslag;
verrichting, beschikt, en die bijdragen tot
de totstandkoming van de resultaten
van deze inrichting die in toepassing
van artikel 233 in aanmerking worden
genomen voor de belastinggrondslag;
- en de vrijgestelde reserves van de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschappen,
andere
dan
de
vrijgestelde reserves verbonden aan
een buitenlandse inrichting, die worden
teruggevonden
binnen
het
eigen
vermogen van de voormelde Belgische
inrichting.
- en de vrijgestelde reserves van de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschappen,
andere
dan
de
vrijgestelde reserves verbonden aan
een buitenlandse inrichting, die worden
teruggevonden
binnen
het
eigen
vermogen van de voormelde Belgische
inrichting.
Het eerste lid is evenmin van toepassing
op verrichtingen waaraan deelnemen
een door de Autoriteit voor Financiële
Diensten
en
Markten
erkende
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
in
niet
genoteerde
aandelen
of
een
gereglementeerde
vastgoedvennootschap of een bij de
FOD Financiën op de lijst van de private
privaks ingeschreven vennootschap of
op de lijst van de gespecialiseerde
vastgoedbeleggingsfondsen
ingeschreven vennootschap, behoudens
indien
uitsluitend
zulke
vennootschappen aan de verrichting
deelnemen.
Het eerste lid is evenmin van toepassing
op verrichtingen waaraan deelnemen
een door de Autoriteit voor Financiële
Diensten
en
Markten
erkende
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
in
niet
genoteerde
aandelen
of
een
gereglementeerde
vastgoedvennootschap of een bij de
FOD Financiën op de lijst van de private
privaks ingeschreven vennootschap of
op de lijst van de gespecialiseerde
vastgoedbeleggingsfondsen
ingeschreven vennootschap, behoudens
indien
uitsluitend
zulke
vennootschappen aan de verrichting
deelnemen.
Art. 214, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 214, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§
1.
Behoudens
wanneer
een
binnenlandse
vennootschap
wordt
omgezet in een landbouwvennootschap
die niet voor de heffing van de
vennootschapsbelasting heeft gekozen,
en niettegenstaande het bepaalde van
artikel 210, § 1, 3°, blijft belastingheffing
ingevolge de artikelen 208 en 209
achterwege bij het aannemen van een
andere
rechtsvorm,
wanneer
de
waardering
van
de
activa-
en
passivabestanddelen, met inbegrip van
het kapitaal en de reserves, geen
§ 1. Artikel 212 is van toepassing op
de vennootschap die een andere
rechtsvorm heeft aangenomen met
vrijstelling
van
belasting
bij
toepassing van artikel 210, § 1, 3°.
281
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
wijziging ondergaat naar aanleiding van
de verrichting. Artikel 212 is van
toepassing op de aldus omgezette
vennootschappen.
Artikel 212 is mede van toepassing
ingeval
vennootschappen
die
zijn
opgericht in een der vormen bepaald in
het Wetboek van koophandel, met
vrijstelling van belasting zijn omgezet
vóór de inwerkingtreding van de wet van
23 februari 1967 tot wijziging, wat de
omzetting van vennootschappen betreft,
van de gecoördineerde wetten op de
handelsvennootschappen.
Artikel 212 is mede van toepassing
ingeval
vennootschappen
die
zijn
opgericht in een der vormen bepaald in
het Wetboek van koophandel, met
vrijstelling van belasting zijn omgezet
vóór de inwerkingtreding van de wet van
23 februari 1967 tot wijziging, wat de
omzetting van vennootschappen betreft,
van de gecoördineerde wetten op de
handelsvennootschappen.
§ 2. Artikel 212 zoals het bestaat na de
wet van 22 december 1998, houdende
fiscale en andere bepalingen, is mede
van toepassing ingeval van fusie of
splitsing van vennootschappen die vóór
1 oktober 1993 met vrijstelling van
belasting hebben plaatsgevonden.
§ 2. Artikel 212 zoals het bestaat na de
wet van 22 december 1998, houdende
fiscale en andere bepalingen, is mede
van toepassing ingeval van fusie of
splitsing van vennootschappen die vóór
1 oktober 1993 met vrijstelling van
belasting hebben plaatsgevonden.
§ 3. Voor de toepassing van de artikelen
212
en
213
worden
de
fusies,
splitsingen en omzettingen, alsmede de
inbreng
van
één
of
meer
bedrijfsafdelingen
of
takken
van
werkzaamheid of van een algemeenheid
van goederen waarin de overgenomen,
gesplitste
of
omgezette
vennootschappen
voorheen
met
vrijstelling
van
belasting
hebben
deelgenomen, geacht niet te hebben
plaatsgevonden.
§ 3. Voor de toepassing van de artikelen
212
en
213
worden
de
fusies,
splitsingen en omzettingen, alsmede de
inbreng
van
één
of
meer
bedrijfsafdelingen
of
takken
van
werkzaamheid of van een algemeenheid
van goederen waarin de overgenomen,
gesplitste
of
omgezette
vennootschappen
voorheen
met
vrijstelling
van
belasting
hebben
deelgenomen, geacht niet te hebben
plaatsgevonden.
Art. 214bis, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 214bis, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Niettegenstaande artikel 210, § 1, 4°,
ingeval
van
overbrenging
van
de
maatschappelijke zetel, de voornaamste
inrichting of de zetel van bestuur of
beheer
door
een
binnenlandse
vennootschap naar een andere lidstaat
van de Europese Unie, vindt geen
belastingheffing ingevolge artikel 208,
Niettegenstaande artikel 210, § 1, 4°,
ingeval
van
overbrenging
van
de
voornaamste inrichting of de zetel van
bestuur
of
beheer
door
een
binnenlandse vennootschap naar een
andere lidstaat van de Europese Unie,
vindt geen belastingheffing ingevolge
artikel 208, tweede lid, of artikel 209
282
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
tweede lid, of artikel 209 plaats:
plaats:
- voor wat betreft de bestanddelen die
blijvend worden aangewend binnen een
in artikel 229, § 1, bedoelde Belgische
inrichting waarover de vennootschap in
België, al dan niet ten gevolge van deze
verrichting, beschikt, en die bijdragen tot
de totstandkoming van de resultaten
van deze inrichting die in toepassing
van artikel 233 in aanmerking worden
genomen voor de bepaling van de
belastinggrondslag;
- voor wat betreft de bestanddelen die
blijvend worden aangewend binnen een
in artikel 229, § 1, bedoelde Belgische
inrichting waarover de vennootschap in
België, al dan niet ten gevolge van deze
verrichting, beschikt, en die bijdragen tot
de totstandkoming van de resultaten
van deze inrichting die in toepassing
van artikel 233 in aanmerking worden
genomen voor de bepaling van de
belastinggrondslag;
- in de mate dat de vrijgestelde reserves
van de binnenlandse vennootschap vóór
deze overbrenging, die niet verbonden
zijn aan een buitenlandse inrichting, als
dusdanig teruggevonden worden binnen
het eigen vermogen van de Belgische
inrichting van deze vennootschap.
- in de mate dat de vrijgestelde reserves
van de binnenlandse vennootschap vóór
deze overbrenging, die niet verbonden
zijn aan een buitenlandse inrichting, als
dusdanig teruggevonden worden binnen
het eigen vermogen van de Belgische
inrichting van deze vennootschap.
Art. 215, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 215, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Het
tarief
van
de
vennootschapsbelasting
bedraagt
29
pct.
Het
tarief
van
de
vennootschapsbelasting
bedraagt
29
pct.
Voor vennootschappen die op grond
van artikel 15, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek
van
vennootschappen
als
kleine
vennootschappen
worden
aangemerkt, wordt het tarief van de
belasting op de eerste schijf van 0 tot
100 000 euro evenwel vastgesteld op 20
pct.
Voor vennootschappen die op grond
van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt,
wordt het tarief van de belasting op de
eerste schijf van 0 tot 100 000 euro
evenwel vastgesteld op 20 pct.
Het tweede lid is niet van toepassing :
Het tweede lid is niet van toepassing :
1° op vennootschappen, andere dan
door
de
Nationale
Raad
van
de
coöperatie
erkende
coöperatieve
vennootschappen, die aandelen bezitten
waarvan de beleggingswaarde meer
bedraagt dan 50 pct., hetzij van de
gerevaloriseerde
waarde
van
het
gestorte kapitaal, hetzij van het gestort
kapitaal
verhoogd
met
de
belaste
1° op vennootschappen, andere dan
overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen, erkende coöperatieve
vennootschappen,
die
aandelen
bezitten waarvan de beleggingswaarde
meer bedraagt dan 50 pct., hetzij van de
gerevaloriseerde
waarde
van
het
gestorte kapitaal, hetzij van het gestort
283
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
reserves en de geboekte meerwaarden.
In aanmerking komen de waarde van de
aandelen en het bedrag van het
gestorte kapitaal, de reserves en de
meerwaarden op de dag waarop de
vennootschap die de aandelen bezit
haar jaarrekening heeft opgesteld. Om
te bepalen of de grens van 50 pct.
overschreden is, worden de aandelen,
die
ten
minste
75
pct.
vertegenwoordigen van het gestorte
kapitaal van de vennootschap die de
aandelen heeft uitgegeven, niet in
aanmerking genomen ;
kapitaal
verhoogd
met
de
belaste
reserves en de geboekte meerwaarden.
In aanmerking komen de waarde van de
aandelen en het bedrag van het
gestorte kapitaal, de reserves en de
meerwaarden op de dag waarop de
vennootschap die de aandelen bezit
haar jaarrekening heeft opgesteld. Om
te bepalen of de grens van 50 pct.
overschreden is, worden de aandelen,
die
ten
minste
75
pct.
vertegenwoordigen van het gestorte
kapitaal van de vennootschap die de
aandelen heeft uitgegeven, niet in
aanmerking genomen ;
2° op vennootschappen waarvan de
aandelen
die
het
maatschappelijk
kapitaal vertegenwoordigen voor ten
minste de helft in het bezit zijn van één
of meer andere vennootschappen en die
geen door de Nationale raad van de
coöperatie
erkende
coöperatieve
vennootschappen zijn ;
2° op vennootschappen waarvan de
aandelen
die
het
kapitaal
vertegenwoordigen voor ten minste de
helft in het bezit zijn van één of meer
andere vennootschappen en die geen
overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen erkende coöperatieve
vennootschappen, zijn ;
3° …
3° …
4° op vennootschappen, andere dan
door
de
Nationale
Raad
van
de
coöperatie
erkende
coöperatieve
vennootschappen, en andere dan de in
artikel 219quinquies, § 5, bedoelde
vennootschappen, die niet aan ten
minste één van hun bedrijfsleiders een
bezoldiging toekennen ten laste van het
resultaat van het belastbaar tijdperk die
ten minste gelijk is aan 45 000 euro.
Indien de bezoldiging minder bedraagt
dan 45 000 euro, moet deze bezoldiging
ten laste van het resultaat van het
belastbaar tijdperk minstens gelijk zijn
aan het resultaat van het belastbaar
tijdperk;
4° op vennootschappen, andere dan
overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen, erkende coöperatieve
vennootschappen, en andere dan de
in artikel 219quinquies, § 5, bedoelde
vennootschappen, die niet aan ten
minste één van hun bedrijfsleiders een
bezoldiging toekennen ten laste van het
resultaat van het belastbaar tijdperk die
ten minste gelijk is aan 45 000 euro.
Indien de bezoldiging minder bedraagt
dan 45 000 euro, moet deze bezoldiging
ten laste van het resultaat van het
belastbaar tijdperk minstens gelijk zijn
aan het resultaat van het belastbaar
tijdperk;
5° …
5° …
6° op de beleggingsvennootschappen
bedoeld in de artikelen 6 en 271/5 van
de wet van 3 augustus 2012 betreffende
6° op de beleggingsvennootschappen
bedoeld in de artikelen 6 en 271/5 van
de wet van 3 augustus 2012 betreffende
284
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
de
instellingen
voor
collectieve
belegging
die
voldoen
aan
de
voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG
en de instellingen voor belegging in
schuldvorderingen,
de
beleggingsvennootschappen bedoeld in
de artikelen 181 en 282 van de wet van
19 april 2014 betreffende de alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
en
hun
beheerders,
de
gereglementeerde
vastgoedvennootschappen,
de
beleggingsvennootschappen met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed,
alsmede
de
organismen
voor
de
financiering van pensioenen bedoeld in
artikel 8 van de wet van 27 oktober
2006 betreffende het toezicht op de
instellingen
voor
bedrijfspensioenvoorziening, in de mate
dat artikel 185bis, § 1, toepassing vindt.
de
instellingen
voor
collectieve
belegging
die
voldoen
aan
de
voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG
en de instellingen voor belegging in
schuldvorderingen,
de
beleggingsvennootschappen bedoeld in
de artikelen 181 en 282 van de wet van
19 april 2014 betreffende de alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
en
hun
beheerders,
de
gereglementeerde
vastgoedvennootschappen,
de
beleggingsvennootschappen met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed,
alsmede
de
organismen
voor
de
financiering van pensioenen bedoeld in
artikel 8 van de wet van 27 oktober
2006 betreffende het toezicht op de
instellingen
voor
bedrijfspensioenvoorziening, in de mate
dat artikel 185bis, § 1, toepassing vindt.
Art. 218, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 218, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§
1.
De
belasting
berekend
overeenkomstig de artikelen 215 tot 217
en de afzonderlijke aanslag bedoeld in
artikel 219ter, met uitsluiting van het in
artikel 413/1, § 1, beoogd gedeelte van
de
belasting,
worden
eventueel
vermeerderd
zoals
vermeld
in
de
artikelen 157 tot 168, ingeval geen of
ontoereikende
voorafbetalingen
zijn
gedaan.
§
1.
De
belasting
berekend
overeenkomstig de artikelen 215 tot 217
en de afzonderlijke aanslag bedoeld in
artikel 219ter, met uitsluiting van het in
artikel 413/1, § 1, beoogd gedeelte van
de
belasting,
worden
eventueel
vermeerderd
zoals
vermeld
in
de
artikelen 157 tot 168, ingeval geen of
ontoereikende
voorafbetalingen
zijn
gedaan.
Voor de toepassing van dit artikel mag
de
in
artikel
161
bedoelde
basisrentevoet niet lager zijn dan 3 pct.
Voor de toepassing van dit artikel mag
de
in
artikel
161
bedoelde
basisrentevoet niet lager zijn dan 3 pct.
In afwijking van de artikelen 160 en 165,
vinden
de
beperking
van
de
vermeerdering
tot
90
pct.
en
de
verhoging van de berekeningsgrondslag
tot 106 pct. van de Rijksbelasting
evenwel geen toepassing.
In afwijking van de artikelen 160 en 165,
vinden
de
beperking
van
de
vermeerdering
tot
90
pct.
en
de
verhoging van de berekeningsgrondslag
tot 106 pct. van de Rijksbelasting
evenwel geen toepassing.
De bij artikel 163 bepaalde uitzondering
op de vermeerdering is niet van
De bij artikel 163 bepaalde uitzondering
op de vermeerdering is niet van
285
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
toepassing.
toepassing.
§ 2. Ten name van een vennootschap
die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6,
van het Wetboek van vennootschappen
als
kleine
vennootschap
wordt
aangemerkt, is geen vermeerdering
verschuldigd
op
de
belasting
die
betrekking heeft op de eerste drie
boekjaren vanaf haar oprichting.
§ 2. Ten name van een vennootschap
die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot
6,
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
als
kleine
vennootschap
wordt
aangemerkt, is geen vermeerdering
verschuldigd
op
de
belasting
die
betrekking heeft op de eerste drie
boekjaren vanaf haar oprichting.
Art. 219ter, § 7, van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Art. 219ter, § 7, van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
§ 7. Vennootschappen die op grond van
artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van
vennootschappen
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbare tijdperk waarvoor de
dividenden worden uitgekeerd, zijn niet
aan
de
voormelde
aanslag
onderworpen.
§ 7. Vennootschappen die op grond van
artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen
als
kleine
vennootschappen worden aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbare tijdperk waarvoor de
dividenden worden uitgekeerd, zijn niet
aan
de
voormelde
aanslag
onderworpen.
Art. 219quinquies, § 5 en § 6 van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 219quinquies, § 5 en § 6 van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
§ 5. Ten name van een vennootschap
die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6,
van het Wetboek van vennootschappen
als
kleine
vennootschap
wordt
aangemerkt, is dit artikel niet van
toepassing gedurende de eerste vier
belastbare
tijdperken
vanaf
haar
oprichting
zoals
bedoeld
in artikel
14526, § 1, derde en vierde lid.
§ 5. Ten name van een vennootschap
die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot
6,
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
als
kleine
vennootschap
wordt
aangemerkt, is dit artikel niet van
toepassing gedurende de eerste vier
belastbare
tijdperken
vanaf
haar
oprichting
zoals
bedoeld
in artikel
14526, § 1, derde en vierde lid.
§
6.
Ten
name
van
verbonden
vennootschappen in de zin van artikel
11
van
het
Wetboek
van
vennootschappen waarvan minstens de
helft van de bedrijfsleiders dezelfde
personen zijn in ieder van de betrokken
§
6.
Ten
name
van
verbonden
vennootschappen in de zin van artikel
1:20
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
waarvan minstens de helft van de
bedrijfsleiders dezelfde personen zijn in
286
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschappen,
kan
voor
de
toepassing van dit artikel het totaal van
de door deze vennootschappen aan een
van
diezelfde
personen
gestorte
bezoldigingen
gezamenlijk
in
aanmerking
worden
genomen.
Het
totaal van het in artikel 215, derde lid,
4°, bedoelde bedrag van de minimum
bezoldiging wordt in dat geval op 75 000
euro gebracht.
ieder
van
de
betrokken
vennootschappen,
kan
voor
de
toepassing van dit artikel het totaal van
de door deze vennootschappen aan een
van
diezelfde
personen
gestorte
bezoldigingen
gezamenlijk
in
aanmerking
worden
genomen.
Het
totaal van het in artikel 215, derde lid,
4°, bedoelde bedrag van de minimum
bezoldiging wordt in dat geval op 75 000
euro gebracht.
Art. 220, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 220, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Aan de rechtspersonenbelasting zijn
onderworpen :
Aan de rechtspersonenbelasting zijn
onderworpen :
1° de Staat, de Gemeenschappen, de
Gewesten,
de
provincies,
de
agglomeraties,
de
federaties
van
gemeenten,
de
gemeenten,
de
openbare centra voor maatschappelijk
welzijn,
de
openbare
kerkelijke
instellingen, de hulpverleningszones, de
politiezones
en
de
polders
en
wateringen ;
1° de Staat, de Gemeenschappen, de
Gewesten,
de
provincies,
de
agglomeraties,
de
federaties
van
gemeenten,
de
gemeenten,
de
openbare centra voor maatschappelijk
welzijn,
de
openbare
kerkelijke
instellingen, de hulpverleningszones, de
politiezones
en
de
polders
en
wateringen ;
2° de rechtspersonen die ingevolge
artikel
180,
niet
aan
de
vennootschapsbelasting
zijn
onderworpen ;
2° de rechtspersonen die ingevolge
artikel
180,
niet
aan
de
vennootschapsbelasting
zijn
onderworpen ;
3° de rechtspersonen die in België hun
maatschappelijke
zetel,
hun
voornaamste inrichting of hun zetel van
bestuur of beheer hebben en geen
onderneming exploiteren of zich niet
met verrichtingen van winstgevende
aard bezighouden, of ingevolge artikel
181
en
182,
niet
aan
de
vennootschapsbelasting
zijn
onderworpen;
3° de rechtspersonen die in België hun
voornaamste inrichting of hun zetel van
bestuur of beheer hebben en geen
onderneming exploiteren of zich niet
met verrichtingen van winstgevende
aard bezighouden, of ingevolge artikel
181
en
182,
niet
aan
de
vennootschapsbelasting
zijn
onderworpen;
4° de verenigingen die niet worden
bedoeld
door
de
voorgaande
bepalingen, die niet onderworpen zijn
aan de vennootschaps-belasting, die
geen winsten of baten verkrijgen en die
4° de verenigingen die niet worden
bedoeld
door
de
voorgaande
bepalingen, die niet onderworpen zijn
aan de vennootschaps-belasting, die
geen winsten of baten verkrijgen en die
287
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
voor een termijn van ten minste zes
opeenvolgende belastbare tijdperken op
de door de Koning bepaalde wijze
hebben
geopteerd
aan
de
rechtspersonenbelasting
te
worden
onderworpen.
voor een termijn van ten minste zes
opeenvolgende belastbare tijdperken op
de door de Koning bepaalde wijze
hebben
geopteerd
aan
de
rechtspersonenbelasting
te
worden
onderworpen.
Art. 227, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 227, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Aan de belasting van niet-inwoners zijn
onderworpen :
Aan de belasting van niet-inwoners zijn
onderworpen :
1° niet-rijksinwoners, met inbegrip van
de in artikel 4 vermelde personen ;
1° niet-rijksinwoners, met inbegrip van
de in artikel 4 vermelde personen ;
2°
buitenlandse
vennootschappen,
zomede verenigingen, instellingen of
lichamen zonder rechtspersoonlijkheid
die zijn opgericht in een rechtsvorm die
vergelijkbaar is met de rechtsvorm van
een vennootschap naar Belgisch recht
en die hun maatschappelijke zetel, hun
voornaamste inrichting of hun zetel van
bestuur of beheer niet in België hebben
;
2° buitenlandse vennootschappen;
3°
vreemde
Staten,
staatkundige
onderdelen
en
plaatselijke
gemeenschappen
daarvan,
alsmede
alle
rechtspersonen
die
hun
maatschappelijke
zetel,
hun
voornaamste inrichting of hun zetel van
bestuur of beheer niet in België hebben
en geen onderneming exploiteren of
zich
niet
met
verrichtingen
van
winstgevende aard bezighouden of zich
zonder winstoogmerk uitsluitend met in
artikel
182,
vermelde
verrichtingen
bezighouden met uitzondering van de in
artikel 227/1 bedoelde rechtspersonen.
3°
vreemde
Staten,
staatkundige
onderdelen
en
plaatselijke
gemeenschappen
daarvan,
alsmede
alle
rechtspersonen
die
hun
voornaamste inrichting of hun zetel van
bestuur of beheer niet in België hebben
en geen onderneming exploiteren of
zich
niet
met
verrichtingen
van
winstgevende aard bezighouden of zich
zonder winstoogmerk uitsluitend met in
artikel
182,
vermelde
verrichtingen
bezighouden met uitzondering van de in
artikel 227/1 bedoelde rechtspersonen.
Art. 228, § 1, 6° en 7°bis, van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 228, § 1, 6° en 7°bis, van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
6° de in artikel 23, § 1, 4°, vermelde 6° de in artikel 23, § 1, 4°, vermelde
288
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bezoldigingen,
rechtstreeks
of
onrechtstreeks ten laste :
bezoldigingen,
rechtstreeks
of
onrechtstreeks ten laste :
a) van een rijksinwoner ;
a) van een rijksinwoner ;
b) van een binnenlandse vennootschap
of van een vereniging, instelling of
lichaam met maatschappelijke zetel,
voornaamste inrichting of zetel van
bestuur of beheer in België ;
b) van een binnenlandse vennootschap
of van een vereniging, instelling of
lichaam met voornaamste inrichting of
zetel van bestuur of beheer in België ;
c) van de Belgische Staat, Gemeen-
schappen,
Gewesten,
provincies,
agglomeraties,
federaties
van
gemeenten en gemeenten ;
c) van de Belgische Staat, Gemeen-
schappen,
Gewesten,
provincies,
agglomeraties,
federaties
van
gemeenten en gemeenten ;
d)
van
een
Belgische
inrichting
waarover een in artikel 227 bedoelde
niet-inwoner beschikt ;
d)
van
een
Belgische
inrichting
waarover een in artikel 227 bedoelde
niet-inwoner beschikt ;
7°bis de in artikel 23, § 1, 5°, bedoelde
pensioenen, renten en toelagen die
worden betaald of toegekend door :
7°bis de in artikel 23, § 1, 5°, bedoelde
pensioenen, renten en toelagen die
worden betaald of toegekend door :
a) een rijksinwoner;
a) een rijksinwoner;
b) een binnenlandse vennootschap of
een vereniging, instelling of lichaam met
maatschappelijke zetel, voornaamste
inrichting of zetel van bestuur of beheer
in België;
b) een binnenlandse vennootschap of
een vereniging, instelling of lichaam met
voornaamste inrichting of zetel van
bestuur of beheer in België;
c)
de
Belgische
Staat,
gemeenschappen,
gewesten,
provincies,
agglomeraties,
federaties
van gemeenten en gemeenten;
c)
de
Belgische
Staat,
gemeenschappen,
gewesten,
provincies,
agglomeraties,
federaties
van gemeenten en gemeenten;
d) een Belgische inrichting waarover
een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner
beschikt ;
d) een Belgische inrichting waarover
een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner
beschikt ;
e) een andere dan de voorvermelde
schuldenaars, wanneer :
e) een andere dan de voorvermelde
schuldenaars, wanneer :
- de bijdragen of premies voor het
pensioen, de rente of de toelage
aanleiding hebben gegeven tot enig
fiscaal
voordeel
in
de
inkomstenbelasting in hoofde van de
schuldenaar
van
die
bijdragen
of
premies of;
- de bijdragen of premies voor het
pensioen, de rente of de toelage
aanleiding hebben gegeven tot enig
fiscaal
voordeel
in
de
inkomstenbelasting in hoofde van de
schuldenaar
van
die
bijdragen
of
premies of;
289
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
- de beroepsactiviteit uit hoofde waarvan
het pensioen, de rente of de toelage
wordt betaald of toegekend, geheel of
gedeeltelijk in België werd uitgeoefend;
- de beroepsactiviteit uit hoofde waarvan
het pensioen, de rente of de toelage
wordt betaald of toegekend, geheel of
gedeeltelijk in België werd uitgeoefend;
Art. 229, § 2/2, § 3 en § 5, van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 229, § 2/2, § 3 en § 5, van het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992
§
2/2. Wanneer
een
buitenlandse
onderneming
verbonden
of
geassocieerd is met één of meerdere
andere ondernemingen in de zin van
respectievelijk de artikelen 11 en 12 van
het Wetboek van vennootschappen,
wordt de gecumuleerde duur van de
gelijkaardige werkzaamheden die door
deze ondernemingen in België worden
uitgeoefend, in aanmerking genomen
om vast te stellen of de duur van de
door
de
bedoelde
buitenlandse
onderneming in België uitgeoefende
werkzaamheden meer bedraagt dan de
minimale duur die in § 1, tweede lid, 8°,
en in § 2/1 is vastgelegd om een
Belgische inrichting te vormen, of dan
de
minimale
duur
die
door
een
overeenkomst
tot
voorkoming
van
dubbele belasting is vastgelegd om een
vaste
inrichting
te
vormen.
Deze
bepaling is niet van toepassing wanneer
de buitenlandse onderneming bewijst
dat het uitoefenen van gelijkaardige
werkzaamheden door haarzelf of door
één of meer ondernemingen waarmee
ze
verbonden
of
geassocieerd
is,
gerechtvaardigd is op grond van andere
motieven dan te vermijden dat die
werkzaamheden, naargelang het geval,
een Belgische inrichting of een vaste
inrichting vormen met behulp waarvan
die
werkzaamheden
worden
uitgeoefend.
§
2/2. Wanneer
een
buitenlandse
onderneming
verbonden
of
geassocieerd is met één of meerdere
andere ondernemingen in de zin van
respectievelijk de artikelen 1:20 en
1:21
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
van
vennootschappen,
wordt
de
gecumuleerde duur van de gelijkaardige
werkzaamheden
die
door
deze
ondernemingen
in
België
worden
uitgeoefend, in aanmerking genomen
om vast te stellen of de duur van de
door
de
bedoelde
buitenlandse
onderneming in België uitgeoefende
werkzaamheden meer bedraagt dan de
minimale duur die in § 1, tweede lid, 8°,
en in § 2/1 is vastgelegd om een
Belgische inrichting te vormen, of dan
de
minimale
duur
die
door
een
overeenkomst
tot
voorkoming
van
dubbele belasting is vastgelegd om een
vaste
inrichting
te
vormen.
Deze
bepaling is niet van toepassing wanneer
de buitenlandse onderneming bewijst
dat het uitoefenen van gelijkaardige
werkzaamheden door haarzelf of door
één of meer ondernemingen waarmee
ze
verbonden
of
geassocieerd
is,
gerechtvaardigd is op grond van andere
motieven dan te vermijden dat die
werkzaamheden, naargelang het geval,
een Belgische inrichting of een vaste
inrichting vormen met behulp waarvan
die
werkzaamheden
worden
uitgeoefend.
§ 3. Iedere vennoot of ieder lid van een
burgerlijke
vennootschap
of
een
§ 3. Iedere vennoot of ieder lid van een
vennootschap
of
een
vereniging
290
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vereniging zonder rechtspersoonlijkheid
die haar maatschappelijke zetel, haar
voornaamste inrichting of haar zetel van
bestuur of beheer in België heeft of die
in de zin van artikel 228, § 2, 3°, 3°bis of
4°, in België inkomsten behaalt of
verkrijgt, wordt geacht, volgens het
geval, over een Belgische inrichting te
beschikken of, persoonlijk in België
werkzaamheden uit te oefenen.
zonder
rechtspersoonlijkheid
als
bedoeld
in
artikel
29
die
haar
voornaamste inrichting of haar zetel van
bestuur of beheer in België heeft of die
in de zin van artikel 228, § 2, 3°, 3°bis of
4°, in België inkomsten behaalt of
verkrijgt, wordt geacht, volgens het
geval, over een Belgische inrichting te
beschikken of, persoonlijk in België
werkzaamheden uit te oefenen.
(...)
(...)
§ 5. Wat de in artikel 227, 2°, bedoelde
belastingplichtigen betreft, worden in het
geval van een in het tweede lid
bedoelde
overdracht
van
een
of
meerdere in het buitenland gelegen
bestanddelen, de later gerealiseerde
meerwaarden,
minderwaarden,
afschrijvingen
en
waardevermin-
deringen
wat
deze
activa
betreft,
vastgesteld uitgaande van de werkelijke
waarde die zij hebben op het ogenblik
van de verrichting.
§ 5. Wat de in artikel 227, 2°, bedoelde
belastingplichtigen betreft, worden in het
geval van een in het tweede lid
bedoelde
overdracht
van
een
of
meerdere in het buitenland gelegen
bestanddelen, de later gerealiseerde
meerwaarden,
minderwaarden,
afschrijvingen
en
waardevermin-
deringen
wat
deze
activa
betreft,
vastgesteld uitgaande van de werkelijke
waarde die zij hebben op het ogenblik
van de verrichting.
Het toepassingsgebied van het eerste
lid strekt zich uit tot de volgende
verrichtingen :
Het toepassingsgebied van het eerste
lid strekt zich uit tot de volgende
verrichtingen :
1° de overdracht van een of meerdere
bestanddelen van het actief van de
maatschappelijke zetel, de voornaamste
inrichting of de zetel van bestuur of
beheer
van
een
buitenlandse
vennootschap
naar
een
Belgische
inrichting;
1° de overdracht van een of meerdere
bestanddelen van het actief van de
fiscale
woonplaats
van
een
buitenlandse vennootschap naar een
Belgische inrichting;
(...)
(...)
Art. 230 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 230 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Vrijgesteld zijn :
Vrijgesteld zijn :
1° inkomsten uit kapitalen en roerende
goederen,
andere
dan
dividenden,
zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j,
bedoelde diverse inkomsten waarvan de
1° inkomsten uit kapitalen en roerende
goederen,
andere
dan
dividenden,
zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j,
bedoelde diverse inkomsten waarvan de
291
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
schuldenaar onderworpen is aan de
personenbelasting,
de
vennootschapsbelasting of de rechts-
personenbelasting,
wanneer
die
inkomsten worden toegerekend op de
resultaten van een inrichting waarover
de
schuldenaar
in
het
buitenland
beschikt en door de verkrijger niet in
België verkregen zijn ;
schuldenaar onderworpen is aan de
personenbelasting,
de
vennootschapsbelasting of de rechts-
personenbelasting,
wanneer
die
inkomsten worden toegerekend op de
resultaten van een inrichting waarover
de
schuldenaar
in
het
buitenland
beschikt en door de verkrijger niet in
België verkregen zijn ;
2° de volgende inkomsten onder de
voorwaarden als bedoeld in het tweede
lid :
2° de volgende inkomsten onder de
voorwaarden als bedoeld in het tweede
lid :
a) inkomsten uit kapitalen en roerende
goederen,
andere
dan
dividenden,
zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j,
bedoelde diverse inkomsten waarvan de
schuldenaar onderworpen is aan de
personenbelasting,
de
vennootschapsbelasting
of
de
rechtspersonen-belasting, wanneer die
inkomsten worden toegerekend op de
resultaten van een inrichting waarover
de
schuldenaar
in
het
buitenland
beschikt ;
a) inkomsten uit kapitalen en roerende
goederen,
andere
dan
dividenden,
zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j,
bedoelde diverse inkomsten waarvan de
schuldenaar onderworpen is aan de
personenbelasting,
de
vennootschapsbelasting
of
de
rechtspersonen-belasting, wanneer die
inkomsten worden toegerekend op de
resultaten van een inrichting waarover
de
schuldenaar
in
het
buitenland
beschikt ;
b) de inkomsten uit kapitalen en
roerende goederen, andere dan de
inkomsten van verhuring, verpachting,
gebruik en concessie van roerende
goederen, alsmede de in artikel 228, §
2, 9°, j, bedoelde diverse inkomsten,
waarvan de schuldenaar onderworpen
is aan de belasting der niet-inwoners,
die de genoemde inkomsten niet heeft
toegerekend op de resultaten van de
Belgische
inrichting
waarover
hij
beschikt ;
b) de inkomsten uit kapitalen en
roerende goederen, andere dan de
inkomsten van verhuring, verpachting,
gebruik en concessie van roerende
goederen, alsmede de in artikel 228, §
2, 9°, j, bedoelde diverse inkomsten,
waarvan de schuldenaar onderworpen
is aan de belasting der niet-inwoners,
die de genoemde inkomsten niet heeft
toegerekend op de resultaten van de
Belgische
inrichting
waarover
hij
beschikt ;
c) de inkomsten verkregen in uitvoering
van
een
zakelijke-zekerheids-
overeenkomst
of
een
lening
met
betrekking tot buitenlandse financiële
instrumenten waarvan de schuldenaar is
onderworpen
aan
de
personen-
belasting, de vennootschapsbelasting,
de
rechtspersonenbelasting
of
de
belasting
der
niet-inwoners,
op
voorwaarde dat in dat laatste geval de
inkomsten zijn toegerekend op de
c) de inkomsten verkregen in uitvoering
van
een
zakelijke-zekerheids-
overeenkomst
of
een
lening
met
betrekking tot buitenlandse financiële
instrumenten waarvan de schuldenaar is
onderworpen
aan
de
personen-
belasting, de vennootschapsbelasting,
de
rechtspersonenbelasting
of
de
belasting
der
niet-inwoners,
op
voorwaarde dat in dat laatste geval de
inkomsten zijn toegerekend op de
292
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
resultaten van de Belgische inrichting
waarover hij beschikt ;
resultaten van de Belgische inrichting
waarover hij beschikt ;
3° bezoldigingen vermeld in artikel 23, §
1, 4°, in zover zij een door de verkrijger
in
het
buitenland
uitgeoefende
werkzaamheid bezoldigen en zij worden
betaald of toegekend :
3° bezoldigingen vermeld in artikel 23, §
1, 4°, in zover zij een door de verkrijger
in
het
buitenland
uitgeoefende
werkzaamheid bezoldigen en zij worden
betaald of toegekend :
a) hetzij door een schuldenaar die aan
de
personenbelasting
of
de
vennootschapsbelasting is onderworpen
en zij op de resultaten van een in het
buitenland gelegen inrichting worden
toegerekend ;
a) hetzij door een schuldenaar die aan
de
personenbelasting
of
de
vennootschapsbelasting is onderworpen
en zij op de resultaten van een in het
buitenland gelegen inrichting worden
toegerekend ;
b)
hetzij,
wanneer
de
verkrijger
rechtstreeks is aangeworven in de Staat
waar de beoogde activiteiten worden
uitgeoefend, hij geen inwoner is van een
Staat
waarmee
België
een
overeenkomst
ter
voorkoming
van
dubbele belasting heeft gesloten en dat
niet was op het ogenblik van zijn
aanwerving en hij op datzelfde ogenblik
evenmin een rijksinwoner was, door een
van de volgende werkgevers :
b)
hetzij,
wanneer
de
verkrijger
rechtstreeks is aangeworven in de Staat
waar de beoogde activiteiten worden
uitgeoefend, hij geen inwoner is van een
Staat
waarmee
België
een
overeenkomst
ter
voorkoming
van
dubbele belasting heeft gesloten en dat
niet was op het ogenblik van zijn
aanwerving en hij op datzelfde ogenblik
evenmin een rijksinwoner was, door een
van de volgende werkgevers :
- het Rode Kruis van België, in het kader
van de hulpverlening in het buitenland ;
- het Rode Kruis van België, in het kader
van de hulpverlening in het buitenland ;
- de Belgische Technische Coöperatie,
in het kader van de hulpverlening aan
ontwik-kelingslanden ;
- de Belgische Technische Coöperatie,
in het kader van de hulpverlening aan
ontwik-kelingslanden ;
- een werkgever bedoeld in artikel 14533,
§ 1, eerste lid, 1°, a of b, in het kader
van
onderzoeksprojecten
in
het
buitenland ;
- een werkgever bedoeld in artikel 14533,
§ 1, eerste lid, 1°, a of b, in het kader
van
onderzoeksprojecten
in
het
buitenland ;
- een werkgever bedoeld in artikel
14533, § 1, eerste lid, 2°, in het kader
van
de
hulpverlening
aan
ontwikkelingslanden ;
- een werkgever bedoeld in artikel
14533, § 1, eerste lid, 2°, in het kader
van
de
hulpverlening
aan
ontwikkelingslanden ;
- een werkgever bedoeld in artikel
14533, § 1, eerste lid, 3°, in het kader
van de hulpverlening aan slachtoffers
van zeer grote industriële ongevallen in
het buitenland ;
- een werkgever bedoeld in artikel
14533, § 1, eerste lid, 3°, in het kader
van de hulpverlening aan slachtoffers
van zeer grote industriële ongevallen in
het buitenland ;
293
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
- een werkgever bedoeld in artikel 228,
§ 2, 6°, c).
- een werkgever bedoeld in artikel 228,
§ 2, 6°, c).
De in b) bedoelde vrijstelling is niet van
toepassing wanneer de betreffende
bezoldigingen in de Staat waarin de
activiteiten
worden
uitgevoerd,
van
belasting zijn vrijgesteld krachtens een
overeenkomst
inzake
ontwikkelingssamenwerking.
De in b) bedoelde vrijstelling is niet van
toepassing wanneer de betreffende
bezoldigingen in de Staat waarin de
activiteiten
worden
uitgevoerd,
van
belasting zijn vrijgesteld krachtens een
overeenkomst
inzake
ontwikkelingssamenwerking.
4° bezoldigingen die in artikel 4, 1°,
bedoelde personen verkrijgen in hun
hoedanigheid ;
4° bezoldigingen die in artikel 4, 1°,
bedoelde personen verkrijgen in hun
hoedanigheid ;
4°bis pensioenen als bedoeld in artikel
34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, die worden
betaald of toegekend door een instelling
als bedoeld in de Boeken II en III van de
wet van 13 maart 2016 op het statuut
van en het toezicht op de verzekerings-
of herverzekeringsonderne-mingen of in
artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober
2006 betreffende het toezicht op de
instellingen
voor
bedrijfspensioenen,
wanneer en in de mate dat:
4°bis pensioenen als bedoeld in artikel
34, § 1, 2°, eerste lid, a tot c, die worden
betaald of toegekend door een instelling
als bedoeld in de Boeken II en III van de
wet van 13 maart 2016 op het statuut
van en het toezicht op de verzekerings-
of herverzekeringsonderne-mingen of in
artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober
2006 betreffende het toezicht op de
instellingen
voor
bedrijfspensioenen,
wanneer en in de mate dat:
- de bijdragen of premies voor het
pensioen in België geen aanleiding
hebben
gegeven
tot
enig
fiscaal
voordeel in de inkomstenbelasting in
hoofde van de schuldenaar van de
bijdragen of de premies;
- de bijdragen of premies voor het
pensioen in België geen aanleiding
hebben
gegeven
tot
enig
fiscaal
voordeel in de inkomstenbelasting in
hoofde van de schuldenaar van de
bijdragen of de premies;
en
en
- de beroepsactiviteit uit hoofde waarvan
het pensioen wordt betaald, geen in
België belastbare beroeps-inkomsten
heeft opgebracht;
- de beroepsactiviteit uit hoofde waarvan
het pensioen wordt betaald, geen in
België belastbare beroeps-inkomsten
heeft opgebracht;
5° diverse inkomsten als vermeld in
artikel 228, § 2, 9°, a tot i, verkregen
door
vreemde
Staten
of
door
staatkundige
onderdelen
daarvan,
zomede door inrichtingen, instellingen of
andere
rechtspersonen
zonder
winstoogmerk naar buitenlands publiek
recht.
5° diverse inkomsten als vermeld in
artikel 228, § 2, 9°, a tot i, verkregen
door
vreemde
Staten
of
door
staatkundige
onderdelen
daarvan,
zomede door inrichtingen, instellingen of
andere
rechtspersonen
zonder
winstoogmerk naar buitenlands publiek
recht.
294
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
6° kapitaal- en interestsubsidies die, met
inachtneming
van
de
Europese
reglementering
inzake
staatssteun,
betaald worden aan landbouwers die
belastingplichtigen zijn beoogd in artikel
227, 1°, door de bevoegde gewestelijke
instellingen in het kader van de steun
aan de landbouw met het oog op
vestiging en/of immateriële of materiële
vaste activa aan te schaffen of tot stand
te brengen.
6° kapitaal- en interestsubsidies die, met
inachtneming
van
de
Europese
reglementering
inzake
staatssteun,
betaald worden aan landbouwers die
belastingplichtigen zijn beoogd in artikel
227, 1°, door de bevoegde gewestelijke
instellingen in het kader van de steun
aan de landbouw met het oog op
vestiging en/of immateriële of materiële
vaste activa aan te schaffen of tot stand
te brengen.
De
voorwaarden
waaronder
de
inkomsten bedoeld in het eerste lid, 2°,
worden vrijgesteld, zijn de volgende :
De
voorwaarden
waaronder
de
inkomsten bedoeld in het eerste lid, 2°,
worden vrijgesteld, zijn de volgende :
a) de verkrijger van de inkomsten moet
aan
de
in
b)
of
c)
bedoelde
tussenpersoon of aan de schuldenaar
van de inkomsten een attest overleggen
waarmee hij bevestigt :
a) de verkrijger van de inkomsten moet
aan
de
in
b)
of
c)
bedoelde
tussenpersoon of aan de schuldenaar
van de inkomsten een attest overleggen
waarmee hij bevestigt :
- dat hij een in artikel 227 bedoelde niet-
inwoner is,
- dat hij een in artikel 227 bedoelde niet-
inwoner is,
- dat hij de kapitalen of financiële
instrumenten
die
de
inkomsten
voortbrengen, niet heeft aangewend
voor
de
uitoefening
van
een
beroepsactiviteit in België ;
- dat hij de kapitalen of financiële
instrumenten
die
de
inkomsten
voortbrengen, niet heeft aangewend
voor
de
uitoefening
van
een
beroepsactiviteit in België ;
-
dat
hij
volle
eigenaar
of
vruchtgebruiker is van de kapitalen of
financiële
instrumenten
die
de
inkomsten voortbrengen ;
-
dat
hij
volle
eigenaar
of
vruchtgebruiker is van de kapitalen of
financiële
instrumenten
die
de
inkomsten voortbrengen ;
- en dat hij, voor de gevallen bedoeld in
c, tweede streepje, behoort tot dezelfde
groep van verbonden of geassocieerde
vennootschappen
in
de
zin
van
respectievelijk de artikelen 11 en 12 van
het Wetboek van vennootschappen als
de schuldenaar van de inkomsten en de
tussenkomende financiële onderneming
;
- en dat hij, voor de gevallen bedoeld in
c, tweede streepje, behoort tot dezelfde
groep van verbonden of geassocieerde
vennootschappen
in
de
zin
van
respectievelijk de artikelen 1:20 en
1:21
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
als de schuldenaar van de inkomsten en
de
tussenkomende
financiële
onderneming ;
b) de in het eerste lid, 2°, a), bedoelde
inkomsten, moeten aan de verkrijger
ervan worden betaald door bemiddeling
b) de in het eerste lid, 2°, a), bedoelde
inkomsten, moeten aan de verkrijger
ervan worden betaald door bemiddeling
295
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
van
een
in
België
gevestigde
kredietinstelling, beursvennootschap of
erkende
verrekenings-
of
vereffeningsinstelling
of
door
de
schuldenaar van de inkomsten ;
van
een
in
België
gevestigde
kredietinstelling, beursvennootschap of
erkende
verrekenings-
of
vereffeningsinstelling
of
door
de
schuldenaar van de inkomsten ;
c) de in het eerste lid, 2°, b), bedoelde
inkomsten moeten aan de verkrijger
ervan worden betaald :
c) de in het eerste lid, 2°, b), bedoelde
inkomsten moeten aan de verkrijger
ervan worden betaald :
- hetzij door bemiddeling van een in
België
gevestigde
kredietinstelling,
beursvennootschap
of
erkende
verrekenings- of vereffeningsinstelling ;
- hetzij door bemiddeling van een in
België
gevestigde
kredietinstelling,
beursvennootschap
of
erkende
verrekenings- of vereffeningsinstelling ;
- hetzij, wat de interest begrepen in die
inkomsten betreft, door bemiddeling van
een in België gevestigde financiële
onderneming zoals bepaald in het derde
lid,
wanneer
de
verkrijger,
de
schuldenaar en de in België gevestigde
financiële onderneming behoren tot een
groep van verbonden of geassocieerde
vennootschappen
in
de
zin
van
respectievelijk de artikelen 11 en 12 van
het Wetboek van vennootschappen.
- hetzij, wat de interest begrepen in die
inkomsten betreft, door bemiddeling van
een in België gevestigde financiële
onderneming zoals bepaald in het derde
lid,
wanneer
de
verkrijger,
de
schuldenaar en de in België gevestigde
financiële onderneming behoren tot een
groep van verbonden of geassocieerde
vennootschappen
in
de
zin
van
respectievelijk de artikelen 1:20 en
1:21
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen.
Voor de toepassing van het tweede lid,
c), tweede streepje, verstaat men onder
financiële
onderneming,
een
binnenlandse
vennootschap
of
een
Belgische
inrichting
van
een
buitenlandse vennootschap :
Voor de toepassing van het tweede lid,
c), tweede streepje, verstaat men onder
financiële
onderneming,
een
binnenlandse
vennootschap
of
een
Belgische
inrichting
van
een
buitenlandse vennootschap :
- die behoort tot een groep van
verbonden
of
geassocieerde
vennootschappen
in
de
zin
van
respectievelijk de artikelen 11 en 12 van
het Wetboek van vennootschappen ;
- die behoort tot een groep van
verbonden
of
geassocieerde
vennootschappen
in
de
zin
van
respectievelijk de artikelen 1:20 en
1:21
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen;
-
die
haar
activiteiten
uitsluitend
uitoefent
in
het
voordeel
van
de
vennootschappen van de groep ;
-
die
haar
activiteiten
uitsluitend
uitoefent
in
het
voordeel
van
de
vennootschappen van de groep ;
- die zich uitsluitend of hoofdzakelijk
bezighoudt met dienstverrichtingen van
financiële aard ;
- die zich uitsluitend of hoofdzakelijk
bezighoudt met dienstverrichtingen van
financiële aard ;
- die zich uitsluitend financiert bij - die zich uitsluitend financiert bij
296
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
binnenlandse
vennootschappen
of
rechtspersonen
als
bedoeld
in
de
artikelen 220 en 227 van dit Wetboek,
met als enig doel eigen verrichtingen of
verrichtingen
van
verbonden
of
geassocieerde
vennootschappen
te
financieren ;
binnenlandse
vennootschappen
of
rechtspersonen
als
bedoeld
in
de
artikelen 220 en 227 van dit Wetboek,
met als enig doel eigen verrichtingen of
verrichtingen
van
verbonden
of
geassocieerde
vennootschappen
te
financieren ;
- en die geen aandelen bezit waarvan
de aanschaffingswaarde meer bedraagt
dan 10 pct. van de fiscale netto waarde
van de financiële onderneming.
- en die geen aandelen bezit waarvan
de aanschaffingswaarde meer bedraagt
dan 10 pct. van de fiscale netto waarde
van de financiële onderneming.
In geval van vervreemding van één van
de in het eerste lid, 6°, vermelde vaste
activa, anders dan bij schadegeval,
onteigening, opeising in eigendom of
een andere gelijkaardige gebeurtenis,
die gedurende de eerste drie jaren van
de investering plaatsvindt, wordt de
vrijstelling met betrekking tot dat vast
actief niet meer verleend vanaf het
belastbaar
tijdperk
waarin
de
vervreemding heeft plaatsgevonden en
wordt het bedrag van de voorheen
vrijgestelde winst geacht een winst te
zijn van dit belastbaar tijdperk.
In geval van vervreemding van één van
de in het eerste lid, 6°, vermelde vaste
activa, anders dan bij schadegeval,
onteigening, opeising in eigendom of
een andere gelijkaardige gebeurtenis,
die gedurende de eerste drie jaren van
de investering plaatsvindt, wordt de
vrijstelling met betrekking tot dat vast
actief niet meer verleend vanaf het
belastbaar
tijdperk
waarin
de
vervreemding heeft plaatsgevonden en
wordt het bedrag van de voorheen
vrijgestelde winst geacht een winst te
zijn van dit belastbaar tijdperk.
Art. 231, § 2 en § 3, van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 231, § 2 en § 3, van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
§ 2. Wanneer een Belgische inrichting of
in België gelegen bestanddelen behoren
tot
de
goederen
die
door
een
binnenlandse vennootschap of door een
intra-Europese vennootschap vanwege
een
intra-Europese
vennootschap
worden verworven, naar aanleiding van
een fusie, een splitsing of een ermee
gelijkgestelde verrichting, of een inbreng
van één of meer bedrijfstakken of
takken van werkzaamheid of van de
algemeenheid
van
goederen
die
plaatsvindt met toepassing in de Staat
van vestiging van de overgenomen,
gesplitste
of
inbrengende
intra-
Europese
vennootschap
van
de
belastingvrijstelling bepaald door de
Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van
§ 2. Wanneer een Belgische inrichting of
in België gelegen bestanddelen behoren
tot
de
goederen
die
door
een
binnenlandse vennootschap of door een
intra-Europese vennootschap vanwege
een
intra-Europese
vennootschap
worden verworven, naar aanleiding van
een
fusie,
een
splitsing
of
een
verrichting
gelijkgesteld
met
een
fusie of met een splitsing, of een
inbreng van één of meer bedrijfstakken
of takken van werkzaamheid of inbreng
van de algemeenheid van goederen
die plaatsvindt met toepassing in de
Staat
van
vestiging
van
de
overgenomen, gesplitste of inbrengende
intra-Europese vennootschap van de
belastingvrijstelling bepaald door de
297
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
19 oktober 2009 als bedoeld in artikel 2,
§ 1, 5°, b)bis, dan :
Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van
19 oktober 2009 als bedoeld in artikel 2,
§ 1, 5°, b)bis, dan :
1° komen de meerwaarden bedoeld in
de artikelen 44, § 1, 1°, en 47, die op
het ogenblik van de verrichting zijn
vrijgesteld, de kapitaalsubsidies bedoeld
in artikel 362, die op het ogenblik van de
verrichting nog niet als winst worden
aangemerkt, alsmede de meerwaarden
die naar aanleiding van de verrichting
zijn verwezenlijkt of vastgesteld, niet in
aanmerking voor belastingheffing ;
1° komen de meerwaarden bedoeld in
de artikelen 44, § 1, 1°, en 47, die op
het ogenblik van de verrichting zijn
vrijgesteld, de kapitaalsubsidies bedoeld
in artikel 362, die op het ogenblik van de
verrichting nog niet als winst worden
aangemerkt, alsmede de meerwaarden
die naar aanleiding van de verrichting
zijn verwezenlijkt of vastgesteld, niet in
aanmerking voor belastingheffing ;
2° blijft belastingheffing voor het overige
achterwege voor zover de inbrengen
worden vergoed met nieuwe aandelen,
of voor zover, ingeval van fusie, splitsing
of gelijkgestelde verrichting, de vóór de
verrichting
binnen
de
Belgische
inrichting
van
de overgenomen
of
gesplitste
vennootschap
aanwezige
vrijgestelde
reserves
worden
overgenomen door de overnemende of
verkrijgende
binnenlandse
vennootschap of binnen een Belgische
inrichting
van
de overnemende
of
verkrijgende
intra-Europese
vennootschap.
2° blijft belastingheffing voor het overige
achterwege voor zover de inbrengen
worden vergoed met nieuwe aandelen,
of voor zover, ingeval van fusie, splitsing
of gelijkgestelde verrichting, de vóór de
verrichting
binnen
de
Belgische
inrichting
van
de overgenomen
of
gesplitste
vennootschap
aanwezige
vrijgestelde
reserves
worden
overgenomen door de overnemende of
verkrijgende
binnenlandse
vennootschap of binnen een Belgische
inrichting
van
de overnemende
of
verkrijgende
intra-Europese
vennootschap.
Het eerste lid is slechts van toepassing
voor wat betreft de ten gevolge van de
verrichting overgenomen of verkregen
bestanddelen die aangewend worden
binnen een binnenlandse vennootschap
of een Belgische inrichting en die
bijdragen tot de totstandkoming van de
resultaten van deze inrichting die in
toepassing
van
artikel
233
in
aanmerking worden genomen voor de
belastinggrondslag, of voor wat betreft
de in België gelegen bestanddelen die
in België behouden blijven en onder de
toepassing van artikel 233 vallen.
Het eerste lid is slechts van toepassing
voor wat betreft de ten gevolge van de
verrichting overgenomen of verkregen
bestanddelen die aangewend worden
binnen een binnenlandse vennootschap
of een Belgische inrichting en die
bijdragen tot de totstandkoming van de
resultaten van deze inrichting die in
toepassing
van
artikel
233
in
aanmerking worden genomen voor de
belastinggrondslag, of voor wat betreft
de in België gelegen bestanddelen die
in België behouden blijven en onder de
toepassing van artikel 233 vallen.
Het eerste lid is daarenboven slechts
van toepassing op voorwaarde dat :
Het eerste lid is daarenboven slechts
van toepassing op voorwaarde dat de
verrichting
beantwoordt
aan
het
bepaalde in artikel 183bis.
298
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1° de verrichting wordt verwezenlijkt
overeenkomstig
de
van
toepassing
zijnde bepalingen van het Wetboek van
vennootschappen en conform de van
toepassing
zijnde
vennootschapsrechtelijke
bepalingen
van gelijke aard van een andere
Lidstaat van de Europese Unie die van
toepassing zijn op de overnemende of
verkrijgende
intra-Europese
vennootschap ;
2° de verrichting beantwoordt aan het
bepaalde in artikel 183bis.
Het eerste lid is niet van toepassing
wanneer een door de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten erkende
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
in
niet
genoteerde
aandelen,
een
gereglementeerde
vastgoedvennoot-
schap of een bij de FOD Financiën op
de
lijst
van
de
gespecialiseerde
vastgoedbeleggingsfondsen
ingeschreven
vennootschap
heeft
deelgenomen
aan
voormelde
verrichting.
Het eerste lid is niet van toepassing
wanneer een door de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten erkende
vennootschap met vast kapitaal voor
belegging
in
vastgoed
of
in
niet
genoteerde
aandelen,
een
gereglementeerde
vastgoedvennoot-
schap of een bij de FOD Financiën op
de
lijst
van
de
gespecialiseerde
vastgoedbeleggingsfondsen
ingeschreven
vennootschap
heeft
deelgenomen
aan
voormelde
verrichting.
In het in het eerste lid bedoelde geval,
worden
bij
de
verkrijgende
of
overnemende
binnenlandse
vennootschap of Belgische inrichting
van de verkrijgende of overnemende
intra-Europese
vennootschap
de
afschrijvingen,
investeringsaftrekken,
belastingkredieten voor onderzoek en
ontwikkeling, aftrekken voor octrooi-
inkomsten, aftrekken voor innovatie-
inkomsten, aftrekken voor risicokapitaal,
minderwaarden
of
meerwaarden
bepaald alsof die verrichting niet had
plaatsgevonden.
In het in het eerste lid bedoelde geval,
worden
bij
de
verkrijgende
of
overnemende
binnenlandse
vennootschap of Belgische inrichting
van de verkrijgende of overnemende
intra-Europese
vennootschap
de
afschrijvingen,
investeringsaftrekken,
belastingkredieten voor onderzoek en
ontwikkeling, aftrekken voor octrooi-
inkomsten, aftrekken voor innovatie-
inkomsten, aftrekken voor risicokapitaal,
minderwaarden
of
meerwaarden
bepaald alsof die verrichting niet had
plaatsgevonden.
Volgens
de
wijze
en
onder
de
voorwaarden die daarin zijn gesteld,
blijven de bepalingen van dit Wetboek
van toepassing op de bij de ingebrachte
Belgische
inrichting
bestaande
waardeverminderingen, voorzieningen,
Volgens
de
wijze
en
onder
de
voorwaarden die daarin zijn gesteld,
blijven de bepalingen van dit Wetboek
van toepassing op de bij de ingebrachte
Belgische
inrichting
bestaande
waardeverminderingen, voorzieningen,
299
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
onderwaarderingen, overwaarderingen,
subsidies, vorderingen, meerwaarden
en reserves, alsof die inbreng niet had
plaatsgevonden.
onderwaarderingen, overwaarderingen,
subsidies, vorderingen, meerwaarden
en reserves, alsof die inbreng niet had
plaatsgevonden.
In de gevallen bedoeld in de artikelen
44bis, 44ter en 47, kan de verrichting
niet
tot
gevolg
hebben
dat
de
oorspronkelijke
herbeleggings-termijn
wordt verlengd.
In de gevallen bedoeld in de artikelen
44bis, 44ter en 47, kan de verrichting
niet
tot
gevolg
hebben
dat
de
oorspronkelijke
herbeleggings-termijn
wordt verlengd.
§ 3. Vrijgesteld zijn de meerwaarden die
worden verwezenlijkt of vastgesteld ter
gelegenheid van de inbreng van een
Belgische inrichting in een binnenlandse
vennootschap, tegen verkrijging van
aandelen
die
het
maatschappelijk
kapitaal
van
de
vennootschap
vertegenwoordigen.
§ 3. Vrijgesteld zijn de meerwaarden die
worden verwezenlijkt of vastgesteld ter
gelegenheid van de inbreng van een
Belgische inrichting in een binnenlandse
vennootschap, tegen verkrijging van
aandelen die het kapitaal van de
vennootschap vertegenwoordigen.
Het bedrag van de voorheen bij de
Belgische
inrichting
gereserveerde
winst,
wordt
ten
name
van
de
binnenlandse
vennootschap
bepaald
alsof de inbrengverrichting niet had
plaatsgevonden.
Het bedrag van de voorheen bij de
Belgische
inrichting
gereserveerde
winst,
wordt
ten
name
van
de
binnenlandse
vennootschap
bepaald
alsof de inbrengverrichting niet had
plaatsgevonden.
Ten
name
van
de
binnenlandse
vennootschap worden de afschrijvingen,
investeringsaftrekken,
belastingkredieten voor onderzoek en
ontwikkeling, aftrekken voor octrooi-
inkomsten, aftrekken voor innovatie-
inkomsten, aftrekken voor risicokapitaal,
minder-waarden
of
meerwaarden
bepaald alsof de inbrengverrichting niet
had plaatsgevonden.
Ten
name
van
de
binnenlandse
vennootschap worden de afschrijvingen,
investeringsaftrekken,
belastingkredieten voor onderzoek en
ontwikkeling, aftrekken voor octrooi-
inkomsten, aftrekken voor innovatie-
inkomsten, aftrekken voor risicokapitaal,
minder-waarden
of
meerwaarden
bepaald alsof de inbrengverrichting niet
had plaatsgevonden.
Het bepaalde in de artikelen 44, 44bis,
44ter, 45, 47, 48 en 361 tot 363 blijft van
toepassing op de bij de Belgische
inrichting
bestaande
meerwaarden,
waardeverminderingen, voorzieningen,
onderwaarderingen, overwaarderingen,
subsidies en vorderingen in zover die
bestanddelen
als
dusdanig
worden
teruggevonden in de boekhouding van
de binnenlandse vennootschap.
Het bepaalde in de artikelen 44, 44bis,
44ter, 45, 47, 48 en 361 tot 363 blijft van
toepassing op de bij de Belgische
inrichting
bestaande
meerwaarden,
waardeverminderingen, voorzieningen,
onderwaarderingen, overwaarderingen,
subsidies en vorderingen in zover die
bestanddelen
als
dusdanig
worden
teruggevonden in de boekhouding van
de binnenlandse vennootschap.
In de gevallen vermeld in de artikelen
44bis,
44ter
en
47,
kan
de
In de gevallen vermeld in de artikelen
44bis,
44ter
en
47,
kan
de
300
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
inbrengverrichting
niet
tot
gevolg
hebben
dat
de
oorspronkelijke
herbeleggingstermijn wordt verlengd.
inbrengverrichting
niet
tot
gevolg
hebben
dat
de
oorspronkelijke
herbeleggingstermijn wordt verlengd.
Art. 240bis van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 240bis van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De beperkingen inzake overdracht
van beroepsverliezen bedoeld in artikel
206, § 2, zijn van toepassing wat betreft
de in de artikelen 229, § 4, vijfde lid, en
231 bedoelde verrichtingen :
§ 1. De beperkingen inzake overdracht
van beroepsverliezen bedoeld in artikel
206, § 2, zijn van toepassing wat betreft
de in de artikelen 229, § 4, vijfde lid, en
231 bedoelde verrichtingen :
1° de beroepsverliezen geleden door de
vóór de verrichting aanwezige Belgische
inrichting
van
de overnemende
of
verkrijgende
vennootschap,
blijven
enkel aftrekbaar na de verrichting naar
verhouding tot het evenredige aandeel
van de fiscale nettowaarde van deze
inrichting vóór de verrichting in het totaal
van de fiscale nettowaarde van de
inrichting en de fiscale nettowaarde vóór
de verrichting van de naar aanleiding
van de verrichting binnen de inrichting
verkregen
of
overgenomen
en
behouden bestanddelen ;
1° de beroepsverliezen geleden door de
vóór de verrichting aanwezige Belgische
inrichting
van
de overnemende
of
verkrijgende
vennootschap,
blijven
enkel aftrekbaar na de verrichting naar
verhouding tot het evenredige aandeel
van de fiscale nettowaarde van deze
inrichting vóór de verrichting in het totaal
van de fiscale nettowaarde van de
inrichting en de fiscale nettowaarde vóór
de verrichting van de naar aanleiding
van de verrichting binnen de inrichting
verkregen
of
overgenomen
en
behouden bestanddelen ;
2° de beroepsverliezen geleden door de
overgenomen of gesplitste binnenlandse
vennootschap of geleden door de
overgenomen
of
gesplitste
intra-
Europese vennootschap binnen een
Belgische
inrichting
waarover
deze
vennootschap
vóór
de
verrichting
beschikte,
zijn
aftrekbaar
na
de
verrichting
binnen
de
Belgische
inrichting
van
de overnemende
of
verkrijgende
vennootschap
naar
verhouding tot het evenredige aandeel
van de fiscale nettowaarde vóór de
verrichting van de naar aanleiding van
de verrichting binnen de inrichting
verkregen
of
overgenomen
bestanddelen in het totaal van de fiscale
nettowaarden,
eveneens
vóór
de
verrichting, van de vóór de verrichting
aanwezige Belgische inrichting van de
overnemende
of
verkrijgende
2° de beroepsverliezen geleden door de
overgenomen of gesplitste binnenlandse
vennootschap of geleden door de
overgenomen
of
gesplitste
intra-
Europese vennootschap binnen een
Belgische
inrichting
waarover
deze
vennootschap
vóór
de
verrichting
beschikte,
zijn
aftrekbaar
na
de
verrichting
binnen
de
Belgische
inrichting
van
de overnemende
of
verkrijgende
vennootschap
naar
verhouding tot het evenredige aandeel
van de fiscale nettowaarde vóór de
verrichting van de naar aanleiding van
de verrichting binnen de inrichting
verkregen
of
overgenomen
bestanddelen in het totaal van de fiscale
nettowaarden,
eveneens
vóór
de
verrichting, van de vóór de verrichting
aanwezige Belgische inrichting van de
overnemende
of
verkrijgende
301
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap
en
van
de
naar
aanleiding van de verrichting binnen de
inrichting verkregen of overgenomen
bestanddelen.
vennootschap
en
van
de
naar
aanleiding van de verrichting binnen de
inrichting verkregen of overgenomen
bestanddelen.
§ 2. Ingeval van de overbrenging van de
maatschappelijke zetel, de voornaamste
inrichting of de zetel van bestuur of
beheer
door
een
binnenlandse
vennootschap naar een andere lidstaat
van de Europese Unie met toepassing
van het bepaalde in artikel 214bis, zijn
de beroepsverliezen in België geleden
vóór
deze
overbrenging
door
de
vennootschap enkel aftrekbaar binnen
de Belgische inrichting waarover de
vennootschap na deze overbrenging
beschikt.
§ 2. Ingeval van de overbrenging van de
voornaamste inrichting of de zetel van
bestuur
of
beheer
door
een
binnenlandse vennootschap naar een
andere lidstaat van de Europese Unie
met toepassing van het bepaalde in
artikel 214bis, zijn de beroepsverliezen
in
België
geleden
vóór
deze
overbrenging door de vennootschap
enkel aftrekbaar binnen de Belgische
inrichting waarover de vennootschap na
deze overbrenging beschikt.
Art. 248 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 248 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De belasting betreffende de niet in
de artikelen 232 tot 234 vermelde
inkomsten, is gelijk aan de verschillende
voorheffingen en aan de in artikel 301
vermelde bijzondere aanslag, die op die
inkomsten betrekking hebben.
§ 1. De belasting betreffende de niet in
de artikelen 232 tot 234 vermelde
inkomsten, is gelijk aan de verschillende
voorheffingen en aan de in artikel 301
vermelde bijzondere aanslag, die op die
inkomsten betrekking hebben.
Met betrekking tot de belastingplichtigen
vermeld in artikel 227, 1°, is het eerste
lid eveneens van toepassing :
Met betrekking tot de belastingplichtigen
vermeld in artikel 227, 1°, is het eerste
lid eveneens van toepassing :
1° in afwijking van artikel 232 :
1° in afwijking van artikel 232 :
a) op de winst of de baten behaald of
verkregen door vennoten of leden van
een burgerlijke vennootschap of een
vereniging zonder rechtspersoonlijkheid
als bedoeld in artikel 229, § 3;
a) op de winst of de baten behaald of
verkregen door vennoten of leden van
een vennootschap of een vereniging
zonder
rechtspersoonlijkheid
als
bedoeld in artikel 229, § 3;
b) op de bezoldigingen verkregen uit
hoofde
van
een
werkzaamheid
uitgeoefend
aan
boord
van
een
koopvaardijschip door een zeeman die
geen inwoner is van een lidstaat van de
Europese Economische Ruimte en niet
is ingeschreven op de lijst bedoeld in
artikel
1bis,
eerste
lid,
1°,
van
de
b) op de bezoldigingen verkregen uit
hoofde
van
een
werkzaamheid
uitgeoefend
aan
boord
van
een
koopvaardijschip door een zeeman die
geen inwoner is van een lidstaat van de
Europese Economische Ruimte en niet
is ingeschreven op de lijst bedoeld in
artikel
1bis,
eerste
lid,
1°,
van
de
302
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
besluitwet
van
7
februari
1945
betreffende
de
maatschappelijke
veiligheid
van
de
zeelieden
ter
koopvaardij ;
besluitwet
van
7
februari
1945
betreffende
de
maatschappelijke
veiligheid
van
de
zeelieden
ter
koopvaardij ;
2° op de inkomsten van onroerende
goederen waarop artikel 232, tweede
lid, van toepassing is.
2° op de inkomsten van onroerende
goederen waarop artikel 232, tweede
lid, van toepassing is.
§ 2. Evenwel kunnen de in artikel 227,
1°, vermelde belastingplichtigen die
inkomsten verkrijgen als bedoeld in
ofwel artikel 228, § 2, 8° en 9°, k, met
uitsluiting van de in artikel 232, eerste
lid, 2°, c, vermelde inkomsten, ofwel in
artikel 229, § 3, ervoor opteren om § 1,
eerste lid, niet toe te passen voor die
inkomsten. Deze keuze is definitief,
onherroepelijk en bindend voor de
belastingplichtige. In dat geval worden
de voormelde inkomsten toegevoegd
aan de artikel 232, eerste lid, 2°,
vermelde inkomsten om het netto-
bedrag te bepalen en de belasting te
berekenen.
§ 2. Evenwel kunnen de in artikel 227,
1°, vermelde belastingplichtigen die
inkomsten verkrijgen als bedoeld in
ofwel artikel 228, § 2, 8° en 9°, k, met
uitsluiting van de in artikel 232, eerste
lid, 2°, c, vermelde inkomsten, ofwel in
artikel 229, § 3, ervoor opteren om § 1,
eerste lid, niet toe te passen voor die
inkomsten. Deze keuze is definitief,
onherroepelijk en bindend voor de
belastingplichtige. In dat geval worden
de voormelde inkomsten toegevoegd
aan de artikel 232, eerste lid, 2°,
vermelde inkomsten om het netto-
bedrag te bepalen en de belasting te
berekenen.
§ 3. De in artikel 227 beoogde
belastingplichtigen
die
inkomsten
verkrijgen zoals bedoeld in artikel 228, §
3, kunnen er ook voor opteren om § 1
niet op die inkomsten toe te passen. Die
keuze is definitief, onherroepelijk en
bindend voor de belastingplichtige. In
dat geval worden voormelde inkomsten
toegevoegd aan de, naargelang het
geval, in artikel 232, 233 of 234
bedoelde
inkomsten
om
het netto
bedrag te bepalen en de belasting te
berekenen.
§ 3. De in artikel 227 beoogde
belastingplichtigen
die
inkomsten
verkrijgen zoals bedoeld in artikel 228, §
3, kunnen er ook voor opteren om § 1
niet op die inkomsten toe te passen. Die
keuze is definitief, onherroepelijk en
bindend voor de belastingplichtige. In
dat geval worden voormelde inkomsten
toegevoegd aan de, naargelang het
geval, in artikel 232, 233 of 234
bedoelde
inkomsten
om
het netto
bedrag te bepalen en de belasting te
berekenen.
Art. 264 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 264 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
De
roerende
voorheffing
is
niet
verschuldigd
op
het
gedeelte
van
dividenden :
De
roerende
voorheffing
is
niet
verschuldigd
op
het
gedeelte
van
dividenden :
1° dat wordt verleend of toegekend aan
de
Staat,
de
Gemeenschappen,
1° dat wordt verleend of toegekend aan
de
Staat,
de
Gemeenschappen,
303
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Gewesten, provincies, agglomeraties,
federaties van gemeenten, gemeenten
en
openbare
centra
voor
maatschappelijk welzijn;
Gewesten, provincies, agglomeraties,
federaties van gemeenten, gemeenten
en
openbare
centra
voor
maatschappelijk welzijn;
2° dat, in geval van fusie, splitsing, met
fusie door overneming gelijkgestelde
verrichting of met splitsing gelijkgestelde
verrichting als vermeld in artikel 211, § 1
:
2° dat, in geval van fusie, splitsing, met
fusie door overneming gelijkgestelde
verrichting of met splitsing gelijkgestelde
verrichting als vermeld in artikel 211, § 1
:
- in artikel 210, § 1, 1° en 1°bis wordt
bedoeld, wanneer de inbreng niet
volledig wordt vergoed met nieuwe
aandelen als bedoeld in artikel 211, § 2,
derde lid, omdat de overnemende of
verkrijgende vennootschappen in bezit
zijn van aandelen van de overgenomen
of gesplitste vennootschap ;
- in artikel 210, § 1, 1° en 1°bis wordt
bedoeld, wanneer de inbreng niet
volledig wordt vergoed met nieuwe
aandelen als bedoeld in artikel 211, § 2,
derde lid, omdat de overnemende of
verkrijgende vennootschappen in bezit
zijn van aandelen van de overgenomen
of gesplitste vennootschap ;
- in artikel 186 wordt vermeld, wanneer
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschappen onder algemene titel,
eigen aandelen verkrijgen ;
- in artikel 186 wordt vermeld, wanneer
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschappen onder algemene titel,
eigen aandelen verkrijgen ;
2°bis dat in artikel 186 wordt vermeld,
wanneer
een
vennootschap
eigen
aandelen verkrijgt die zijn toegelaten tot
een
Belgische
of
buitenlandse
gereglementeerde markt als bedoeld in
artikel 2, 5° of 6°, van de wet van 2
augustus 2002 betreffende het toezicht
op de financiële sector en de financiële
diensten, of tot een door de Koning(1),
op advies van de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten, voor de
toepassing van dit artikel daarmee
erkende
gelijkgestelde
andere
gereglementeerde markt, voor zover de
verhandeling plaatsvindt op de centrale
beursmarkt van Euronext of op een
analoge markt ;
2°bis dat in artikel 186 wordt vermeld,
wanneer
een
vennootschap
eigen
aandelen verkrijgt die zijn toegelaten tot
een
Belgische
of
buitenlandse
gereglementeerde markt als bedoeld in
artikel 2, 5° of 6°, van de wet van 2
augustus 2002 betreffende het toezicht
op de financiële sector en de financiële
diensten, of tot een door de Koning(1),
op advies van de Autoriteit voor
Financiële Diensten en Markten, voor de
toepassing van dit artikel daarmee
erkende
gelijkgestelde
andere
gereglementeerde markt, voor zover de
verhandeling plaatsvindt op de centrale
beursmarkt van Euronext of op een
analoge markt ;
2°ter dat wordt verleend of toegekend bij
gedeeltelijke
verdeling
van
het
maatschappelijk
vermogen
of
bij
verkrijging van eigen aandelen door een
door
de
Nationale
Raad
van
de
Coöperatie
erkende
coöperatieve
vennootschap ;
2°ter dat wordt verleend of toegekend bij
gedeeltelijke
verdeling
van
het
maatschappelijk
vermogen
of
bij
verkrijging van eigen aandelen door een
overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen erkende coöperatieve
304
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap ;
2°quater dat wordt geacht toegekend te
zijn ingevolge de erkenning door de
Autoriteit voor Financiële Diensten en
Markten als vennootschap met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed of in
niet
genoteerde
aandelen,
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap, zoals bedoeld
in artikel 210, § 1, 5°, of ingevolge de
inschrijving bij de FOD Financiën als
gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds zoals bedoeld
in artikel 210, § 1, 6° ;
2°quater dat wordt geacht toegekend te
zijn ingevolge de erkenning door de
Autoriteit voor Financiële Diensten en
Markten als vennootschap met vast
kapitaal voor belegging in vastgoed of in
niet
genoteerde
aandelen,
of
als
gereglementeerde
vastgoedvennootschap, zoals bedoeld
in artikel 210, § 1, 5°, of ingevolge de
inschrijving bij de FOD Financiën als
gespecialiseerd
vastgoedbeleggingsfonds zoals bedoeld
in artikel 210, § 1, 6° ;
3° dat, in geval van opneming van
gereserveerde winst, gelijk is :
3° dat, in geval van opneming van
gereserveerde winst, gelijk is :
a) aan de bedragen die van de
gereserveerde winst zijn afgetrokken als
definitief belaste reserves, aangelegd
tijdens de aanslagjaren 1973 en vorige ;
a) aan de bedragen die van de
gereserveerde winst zijn afgetrokken als
definitief belaste reserves, aangelegd
tijdens de aanslagjaren 1973 en vorige ;
b) aan de winst die vroeger ten name
van de vennoten is belast;
b) aan de winst die vroeger ten name
van de vennoten is belast;
c) aan de winst die voorheen werd
belast ten belope van de in artikel 18, §
1, eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde
bedragen,
die
overeenkomstig
het
tweede tot zesde lid van hetzelfde
artikel
op
de
gereserveerde
winst
werden aangerekend.
c) aan de winst die voorheen werd
belast ten belope van de in artikel 18, §
1, eerste lid, 2° en 2° bis, bedoelde
bedragen,
die
overeenkomstig
het
tweede tot zesde lid van hetzelfde
artikel
op
de
gereserveerde
winst
werden aangerekend.
Het eerste lid, 3°, c, is niet van
toepassing op de in artikel 18, eerste lid,
2° ter, bedoelde bedragen.
Het eerste lid, 3°, c, is niet van
toepassing op de in artikel 18, eerste lid,
2° ter, bedoelde bedragen.
Voor de toepassing van de in het eerste
lid, 3°, c, bedoelde vrijstelling worden de
opnemingen van gereserveerde winsten
geacht bij voorrang voort te komen uit
de gereserveerde winsten die niet het
onderwerp
hebben
uitgemaakt
van
zulke aanrekening.
Voor de toepassing van de in het eerste
lid, 3°, c, bedoelde vrijstelling worden de
opnemingen van gereserveerde winsten
geacht bij voorrang voort te komen uit
de gereserveerde winsten die niet het
onderwerp
hebben
uitgemaakt
van
zulke aanrekening.
Voor de toepassing van deze bepaling
stelt de Koning (1) de volgorde vast voor
het aanrekenen van die opnemingen op
de verschillende bestanddelen van de
Voor de toepassing van deze bepaling
stelt de Koning (1) de volgorde vast voor
het aanrekenen van die opnemingen op
de verschillende bestanddelen van de
305
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
gereserveerde winst.
gereserveerde winst.
Art. 264/1 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 264/1 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De roerende voorheffing is niet
verschuldigd op de in artikel 202, § 1, 1°
en 2°, bedoelde dividenden waarvan de
schuldenaar
een
Belgische
vennootschap
is
en
waarvan
de
verkrijger een vennootschap is die
gevestigd is in een andere lidstaat van
de Europese Economische Ruimte dan
België of in een Staat waarmee België
een overeenkomst ter voorkoming van
dubbele belasting heeft gesloten, op
voorwaarde dat deze overeenkomst of
enig ander verdrag in de uitwisseling
van inlichtingen voorziet die nodig zijn
om
uitvoering
te
geven
aan
de
bepalingen van de nationale wetten van
de overeenkomstsluitende Staten.
§ 1. De roerende voorheffing is niet
verschuldigd op de in artikel 202, § 1, 1°
en 2°, bedoelde dividenden waarvan de
schuldenaar
een
binnenlandse
vennootschap
is
en
waarvan
de
verkrijger een vennootschap is die
gevestigd is in een andere lidstaat van
de Europese Economische Ruimte dan
België of in een Staat waarmee België
een overeenkomst ter voorkoming van
dubbele belasting heeft gesloten, op
voorwaarde dat deze overeenkomst of
enig ander verdrag in de uitwisseling
van inlichtingen voorziet die nodig zijn
om
uitvoering
te
geven
aan
de
bepalingen van de nationale wetten van
de overeenkomstsluitende Staten.
Dit artikel is evenwel slechts van
toepassing indien op de datum van
toekenning of betaalbaarstelling van de
in het eerste lid bedoelde dividenden de
verkrijger
in
het
kapitaal
van
de
schuldenaar
een
deelneming
van
minder dan 10 pct. bezit waarvan de
aanschaffingswaarde ten minste 2 500
000 euro bedraagt en deze deelneming
gedurende een ononderbroken periode
van ten minste één jaar in volle
eigendom wordt of werd behouden.
Dit artikel is evenwel slechts van
toepassing indien op de datum van
toekenning of betaalbaarstelling van de
in het eerste lid bedoelde dividenden de
verkrijger
in
het
kapitaal
van
de
schuldenaar
een
deelneming
van
minder dan 10 pct. bezit waarvan de
aanschaffingswaarde ten minste 2 500
000 euro bedraagt en deze deelneming
gedurende een ononderbroken periode
van ten minste één jaar in volle
eigendom wordt of werd behouden.
Dit artikel is slechts van toepassing in
de mate dat de roerende voorheffing,
die verschuldigd zou zijn in het geval de
bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet
zou bestaan, niet zou kunnen worden
verrekend noch worden terugbetaald in
hoofde van de verkrijger.
Dit artikel is slechts van toepassing in
de mate dat de roerende voorheffing,
die verschuldigd zou zijn in het geval de
bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet
zou bestaan, niet zou kunnen worden
verrekend noch worden terugbetaald in
hoofde van de verkrijger.
Dit artikel is slechts van toepassing
indien de schuldenaar en de verkrijger
vennootschappen zijn die :
Dit artikel is slechts van toepassing
indien de schuldenaar en de verkrijger
vennootschappen zijn die :
- een rechtsvorm hebben die in de - een rechtsvorm hebben die in de
306
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bijlage I, deel A, van de richtlijn van de
Raad
van
30
november
2011
(2011/96/EU)
betreffende
de
gemeenschappelijke
fiscale
regeling
voor moedermaatschappijen en dochter-
ondernemingen
uit
verschillende
lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van
de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU)
wordt genoemd of een rechtsvorm
hebben die vergelijkbaar is met de
rechtsvormen die zijn genoemd in die
bijlage en die wordt beheerst door het
recht van een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte of door
het recht van een Staat waarmee België
een overeenkomst ter voorkoming van
dubbele belasting heeft gesloten;
bijlage I, deel A, van de richtlijn van de
Raad
van
30
november
2011
(2011/96/EU)
betreffende
de
gemeenschappelijke
fiscale
regeling
voor moedermaatschappijen en dochter-
ondernemingen
uit
verschillende
lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van
de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU)
wordt genoemd met dien verstande
dat
met
betrekking
tot
vennootschappen
naar
Belgisch
recht, bedoeld onder punt b, de
verwijzingen
naar
“besloten
vennootschap
met
beperkte
aansprakelijkheid” en “coöperatieve
vennootschap
met
beperkte
aansprakelijkheid” en “coöperatieve
vennootschap
met
onbeperkte
aansprakelijkheid” en de “gewone
commanditaire vennootschap” ook
moeten
worden
begrepen
als
verwijzend ook naar respectievelijk
de “besloten vennootschap”, de
“coöperatieve vennootschap” en de
“commanditaire
vennootschap”
of
een
rechtsvorm
hebben
die
vergelijkbaar is met de rechtsvormen die
zijn genoemd in die bijlage en die wordt
beheerst door het recht van een andere
lidstaat van de Europese Economische
Ruimte of door het recht van een Staat
waarmee België een overeenkomst ter
voorkoming van dubbele belasting heeft
gesloten;
-
zijn
onderworpen
aan
de
vennootschapsbelasting of aan een
gelijksoortige
belasting
als
de
vennootschapsbelasting
zonder
te
genieten van een belastingstelsel dat
afwijkt van het gemeen recht.
-
zijn
onderworpen
aan
de
vennootschapsbelasting of aan een
gelijksoortige
belasting
als
de
vennootschapsbelasting
zonder
te
genieten van een belastingstelsel dat
afwijkt van het gemeen recht.
§ 2. De vrijstelling
wordt slechts
toegestaan indien de schuldenaar van
de dividenden in het bezit is van een
attest dat bevestigt :
§ 2. De vrijstelling
wordt slechts
toegestaan indien de schuldenaar van
de dividenden in het bezit is van een
attest dat bevestigt :
1° dat de verkrijger een rechtsvorm
heeft die in de bijlage I, deel A, van de
richtlijn van de Raad van 30 november
1° dat de verkrijger een rechtsvorm
heeft die in de bijlage I, deel A, van de
richtlijn van de Raad van 30 november
307
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
2011
(2011/96/EU)
betreffende
de
gemeenschappelijke
fiscale
regeling
voor moedermaatschappijen en dochter-
ondernemingen
uit
verschillende
lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van
de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU)
wordt genoemd of een rechtsvorm heeft
die vergelijkbaar is met de rechtsvorm
die zijn genoemd in die bijlage en die
wordt beheerst door het recht van een
andere
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte of door het recht
van een Staat waarmee België een
overeenkomst
ter
voorkoming
van
dubbele belasting heeft gesloten;
2011
(2011/96/EU)
betreffende
de
gemeenschappelijke
fiscale
regeling
voor moedermaatschappijen en dochter-
ondernemingen
uit
verschillende
lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van
de Raad van 8 juli 2014 (2014/86/EU)
wordt genoemd met dien verstande
dat
met
betrekking
tot
vennootschappen
naar
Belgisch
recht, bedoeld onder punt b, de
verwijzingen
naar
“besloten
vennootschap
met
beperkte
aansprakelijkheid” en “coöperatieve
vennootschap
met
beperkte
aansprakelijkheid” en “coöperatieve
vennootschap
met
onbeperkte
aansprakelijkheid” en de “gewone
commanditaire vennootschap” ook
moeten
worden
begrepen
als
verwijzend ook naar respectievelijk
de “besloten vennootschap”, de
“coöperatieve vennootschap” en de
“commanditaire
vennootschap”
of
een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is
met de rechtsvorm die zijn genoemd in
die bijlage en die wordt beheerst door
het recht van een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte of door
het recht van een Staat waarmee België
een overeenkomst ter voorkoming van
dubbele belasting heeft gesloten;
2° dat de verkrijger onderworpen is aan
de vennootschapsbelasting of aan een
gelijksoortige
belasting
als
de
vennootschapsbelasting
zonder
te
genieten van een belastingstelsel dat
afwijkt van het gemeen recht;
2° dat de verkrijger onderworpen is aan
de vennootschapsbelasting of aan een
gelijksoortige
belasting
als
de
vennootschapsbelasting
zonder
te
genieten van een belastingstelsel dat
afwijkt van het gemeen recht;
3° dat de verkrijger in het kapitaal van
de schuldenaar een deelneming van
minder dan 10 pct. bezit waarvan de
aanschaffingswaarde ten minste 2 500
000 euro bedraagt;
3° dat de verkrijger in het kapitaal van
de schuldenaar een deelneming van
minder dan 10 pct. bezit waarvan de
aanschaffingswaarde ten minste 2 500
000 euro bedraagt;
4° dat de dividenden betrekking hebben
op
aandelen
die
gedurende
een
ononderbroken periode van ten minste
één jaar in volle eigendom worden of
werden behouden;
4° dat de dividenden betrekking hebben
op
aandelen
die
gedurende
een
ononderbroken periode van ten minste
één jaar in volle eigendom worden of
werden behouden;
308
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
5° in welke mate, voor de verkrijgende
vennootschap, de roerende voorheffing,
die verschuldigd zou zijn in het geval de
bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet
zou bestaan, in beginsel verrekenbaar
of terugbetaalbaar is op grond van de
wettelijke bepalingen die gelden op 31
december van het jaar voorafgaand aan
de toekenning of betaalbaarstelling van
het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde
dividend;
5° in welke mate, voor de verkrijgende
vennootschap, de roerende voorheffing,
die verschuldigd zou zijn in het geval de
bij dit artikel bepaalde vrijstelling niet
zou bestaan, in beginsel verrekenbaar
of terugbetaalbaar is op grond van de
wettelijke bepalingen die gelden op 31
december van het jaar voorafgaand aan
de toekenning of betaalbaarstelling van
het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde
dividend;
6°
wat
de
volledige
naam,
de
rechtsvorm, het adres en in voorkomend
geval het fiscaal identificatienummer
van de verkrijgende vennootschap is.
6°
wat
de
volledige
naam,
de
rechtsvorm, het adres en in voorkomend
geval het fiscaal identificatienummer
van de verkrijgende vennootschap is.
Art. 269 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 269 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De aanslagvoet van de roerende
voorheffing is vastgesteld :
§ 1. De aanslagvoet van de roerende
voorheffing is vastgesteld :
1° op 30 pct. voor inkomsten van
roerende goederen en kapitalen, andere
dan deze bedoeld in de bepalingen
onder onder 2° tot 4° en 8°, alsmede
voor in artikel 90, eerste lid, 5° tot 7°,
vermelde diverse inkomsten ;
1° op 30 pct. voor inkomsten van
roerende goederen en kapitalen, andere
dan deze bedoeld in de bepalingen
onder onder 2° tot 4° en 8°, alsmede
voor in artikel 90, eerste lid, 5° tot 7°,
vermelde diverse inkomsten ;
2° op 15 pct. voor de inkomsten uit in
artikel 21, eerste lid, 5°, bedoelde
spaardeposito's, en in zoverre zij, wat
de inkomsten betaald of toegekend aan
natuurlijke
personen
betreft,
meer
bedragen dan de in artikel 21, eerste lid,
5°, bepaalde grenzen ;
2° op 15 pct. voor de inkomsten uit in
artikel 21, eerste lid, 5°, bedoelde
spaardeposito's, en in zoverre zij, wat
de inkomsten betaald of toegekend aan
natuurlijke
personen
betreft,
meer
bedragen dan de in artikel 21, eerste lid,
5°, bepaalde grenzen ;
3° op 15 pct. voor de dividenden die
worden
uitgekeerd
door
een
beleggingsvennootschap
met
vast
kapitaal bedoeld in de artikelen 195,
eerste lid, en 288, § 1, van de wet van
19 april 2014 betreffende de alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
en hun beheerders, die als uitsluitend
doel heeft de collectieve belegging in de
in artikel 183, eerste lid, 3°, van deze
3° op 15 pct. voor de dividenden die
worden
uitgekeerd
door
een
beleggingsvennootschap
met
vast
kapitaal bedoeld in de artikelen 195,
eerste lid, en 288, § 1, van de wet van
19 april 2014 betreffende de alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
en hun beheerders, die als uitsluitend
doel heeft de collectieve belegging in de
in artikel 183, eerste lid, 3°, van deze
309
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
wet bedoelde categorie "vastgoed", door
een in deel III, boek I, titel III, van deze
wet bedoelde beleggingsvennootschap
van
gelijke
aard
of
door
een
gereglementeerde
vastgoed-
vennootschap,
of
deze
beleggingsvennoot-schap
of
deze
gereglementeerde
vastgoed-
vennootschap haar effecten openbaar
aanbiedt in België of niet, voor zover
door
de
betrokken
lidstaat
een
uitwisseling
van
inlichtingen
wordt
georganiseerd overeenkomstig artikel
338 of een gelijkaardige reglementering,
in zoverre tenminste 60 pct. van het
vastgoed in de zin van artikel 2, 20°, van
het koninklijk besluit van 7 december
2010 met betrekking tot vastgoedbevaks
of,
voor
wat
betreft
de
gereglementeerde
vastgoedvennootschap, van artikel 2,
5°, van de wet van 12 mei 2014
betreffende
gereglementeerde
vastgoedvennootschappen, rechtstreeks
of onrechtstreeks door deze beleggings-
vennootschap
of
door
deze
gereglementeerde
vastgoedvennootschap belegd is in
onroerende goederen die in een lidstaat
van de Europese Economische Ruimte
zijn
gelegen
en
uitsluitend
of
hoofdzakelijk voor aan woonzorg of
gezondheidszorg
aangepaste
wooneenheden aangewend worden of
bestemd zijn.
wet bedoelde categorie "vastgoed", door
een in deel III, boek I, titel III, van deze
wet bedoelde beleggingsvennootschap
van
gelijke
aard
of
door
een
gereglementeerde
vastgoed-
vennootschap,
of
deze
beleggingsvennoot-schap
of
deze
gereglementeerde
vastgoed-
vennootschap haar effecten openbaar
aanbiedt in België of niet, voor zover
door
de
betrokken
lidstaat
een
uitwisseling
van
inlichtingen
wordt
georganiseerd overeenkomstig artikel
338 of een gelijkaardige reglementering,
in zoverre tenminste 60 pct. van het
vastgoed in de zin van artikel 2, 20°, van
het koninklijk besluit van 7 december
2010 met betrekking tot vastgoedbevaks
of,
voor
wat
betreft
de
gereglementeerde
vastgoedvennootschap, van artikel 2,
5°, van de wet van 12 mei 2014
betreffende
gereglementeerde
vastgoedvennootschappen, rechtstreeks
of onrechtstreeks door deze beleggings-
vennootschap
of
door
deze
gereglementeerde
vastgoedvennootschap belegd is in
onroerende goederen die in een lidstaat
van de Europese Economische Ruimte
zijn
gelegen
en
uitsluitend
of
hoofdzakelijk voor aan woonzorg of
gezondheidszorg
aangepaste
wooneenheden aangewend worden of
bestemd zijn.
Wanneer het vastgoed niet uitsluitend
voor
woonzorg
of
gezondheidszorg
aangewend wordt of bestemd is, of
slechts gedurende een deel van het
belastbaar tijdperk, wordt enkel de
verhouding
van
de
tijd
en
de
oppervlakte die werkelijk besteed wordt
aan woonzorg of gezondheidszorg in
aanmerking
genomen
voor
de
vaststelling van het in het eerste lid
bedoelde percentage.
Wanneer het vastgoed niet uitsluitend
voor
woonzorg
of
gezondheidszorg
aangewend wordt of bestemd is, of
slechts gedurende een deel van het
belastbaar tijdperk, wordt enkel de
verhouding
van
de
tijd
en
de
oppervlakte die werkelijk besteed wordt
aan woonzorg of gezondheidszorg in
aanmerking
genomen
voor
de
vaststelling van het in het eerste lid
bedoelde percentage.
De
Koning
bepaalt
de
nadere
modaliteiten voor het te leveren bewijs
De
Koning
bepaalt
de
nadere
modaliteiten voor het te leveren bewijs
310
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van
de
hierboven
vermelde
voorwaarden.
van
de
hierboven
vermelde
voorwaarden.
4° op 15 pct., voor de eerste schijf die
overeenkomt met het in artikel 37,
tweede lid, bepaalde bedrag van in
artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten
verkregen uit de cessie of concessie
van
auteursrechten
en
naburige
rechten,
alsook
van
wettelijke
en
verplichte licenties ;
4° op 15 pct., voor de eerste schijf die
overeenkomt met het in artikel 37,
tweede lid, bepaalde bedrag van in
artikel 17, § 1, 5°, vermelde inkomsten
verkregen uit de cessie of concessie
van
auteursrechten
en
naburige
rechten,
alsook
van
wettelijke
en
verplichte licenties ;
5° …
5° …
6° tegen de toepasbare aanslagvoet op
de inkomsten van roerende goederen
en kapitalen en op de in artikel 90,
eerste lid, 6°, bedoelde loten waarop de
in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde
vergoedingen voor ontbrekende coupon
of
voor
ontbrekend
lot
betrekking
hebben ;
6° tegen de toepasbare aanslagvoet op
de inkomsten van roerende goederen
en kapitalen en op de in artikel 90,
eerste lid, 6°, bedoelde loten waarop de
in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde
vergoedingen voor ontbrekende coupon
of
voor
ontbrekend
lot
betrekking
hebben ;
7° …
7° …
8° op 5 of 20 pct., voor de dividenden,
andere dan deze bedoeld in artikel 209,
in de mate dat hun toekenning of
betaalbaarstelling voortkomt uit een
aantasting
van
de
liquidatiereserve
bedoeld in de artikelen 184quater of
541,
of
voor
de
dividenden
van
buitenlandse oorsprong die in België zijn
geïnd of verkregen in zoverre hun
toekenning of betaalbaarstelling het
gevolg is van analoge bepalingen of
gelijkaardige gevolgen heeft genomen
door een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte, en
naargelang het aangetaste gedeelte van
deze reserves gedurende ten minste 5
jaar of minder dan 5 jaar, te rekenen
vanaf de laatste dag van het betreffende
belastbaar
tijdperk,
behouden
is
gebleven op de wijze bedoeld in de
artikelen 184quater, derde lid, of 541;
8° op 5 of 20 pct., voor de dividenden,
andere dan deze bedoeld in artikel 209,
in de mate dat hun toekenning of
betaalbaarstelling voortkomt uit een
aantasting
van
de
liquidatiereserve
bedoeld in de artikelen 184quater of
541,
of
voor
de
dividenden
van
buitenlandse oorsprong die in België zijn
geïnd of verkregen in zoverre hun
toekenning of betaalbaarstelling het
gevolg is van analoge bepalingen of
gelijkaardige gevolgen heeft genomen
door een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte, en
naargelang het aangetaste gedeelte van
deze reserves gedurende ten minste 5
jaar of minder dan 5 jaar, te rekenen
vanaf de laatste dag van het betreffende
belastbaar
tijdperk,
behouden
is
gebleven op de wijze bedoeld in de
artikelen 184quater, derde lid, of 541;
9° op 20 of 15 pct. voor de dividenden
die worden uitgekeerd door een private
privak bedoeld in artikel 298 van de wet
van 19 april 2014 betreffende de
9° op 20 of 15 pct. voor de dividenden
die worden uitgekeerd door een private
privak bedoeld in artikel 298 van de wet
van 19 april 2014 betreffende de
311
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
alternatieve instellingen voor collectieve
belegging en hun beheerders, indien en
in
de
mate
dat
deze
inkomsten
voortkomen
uit
dividenden
die
in
aanmerking komen om respectievelijk
aan het in § 2, tweede lid, 2°, of het in §
2, tweede lid, 1°, vermelde tarief
onderworpen te worden.
alternatieve instellingen voor collectieve
belegging en hun beheerders, indien en
in
de
mate
dat
deze
inkomsten
voortkomen
uit
dividenden
die
in
aanmerking komen om respectievelijk
aan het in § 2, tweede lid, 2°, of het in §
2, tweede lid, 1°, vermelde tarief
onderworpen te worden.
§ 2. In afwijking van § 1, 1°, wordt het
tarief van de roerende voorheffing op de
dividenden, met uitzondering van de in
artikel 18, eerste lid, 2°ter, en 3°,
bedoelde
dividenden,
verlaagd
in
zoverre dat :
§ 2. In afwijking van § 1, 1°, wordt het
tarief van de roerende voorheffing op de
dividenden, met uitzondering van de in
artikel 18, eerste lid, 2°ter, en 3°,
bedoelde
dividenden,
verlaagd
in
zoverre dat :
1°
de
vennootschap
die
deze
dividenden uitkeert, een vennootschap
is die op grond van de voorwaarden
vermeld in artikel 15, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen, als
kleine vennootschap wordt aangemerkt
voor het aanslagjaar dat verbonden is
aan het belastbare tijdperk waarin de
kapitaalinbreng is gedaan ;
1°
de
vennootschap
die
deze
dividenden uitkeert, een vennootschap
is die op grond van de voorwaarden
vermeld in artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen
en
verenigingen,
als
kleine
vennootschap wordt aangemerkt voor
het aanslagjaar dat verbonden is aan
het
belastbare
tijdperk
waarin
de
kapitaalinbreng is gedaan ;
2° die dividenden voortkomen uit nieuwe
aandelen op naam ;
2° die dividenden voortkomen uit nieuwe
aandelen op naam ;
3° die aandelen verworven zijn met
nieuwe inbrengen in geld ;
3° die aandelen verworven zijn met
nieuwe inbrengen in geld ;
4°
deze
inbrengen
in
geld
niet
voortkomen uit de verdeling van belaste
reserves die overeenkomstig artikel 537,
eerste lid, worden onderworpen aan een
verlaagde roerende voorheffing zoals
bedoeld in datzelfde lid ;
4°
deze
inbrengen
in
geld
niet
voortkomen uit de verdeling van belaste
reserves die overeenkomstig artikel 537,
eerste lid, worden onderworpen aan een
verlaagde roerende voorheffing zoals
bedoeld in datzelfde lid ;
5° deze inbrengen zijn gedaan vanaf 1
juli 2013 ;
5° deze inbrengen zijn gedaan vanaf 1
juli 2013 ;
6° de belastingplichtige deze aandelen
op
naam
ononderbroken
in
volle
eigendom heeft behouden vanaf de
kapitaalinbreng ;
6° de belastingplichtige deze aandelen
op
naam
ononderbroken
in
volle
eigendom heeft behouden vanaf de
kapitaalinbreng ;
7° deze dividenden zijn verleend of
toegekend uit de winstverdeling voor het
tweede boekjaar of volgende na dat van
7° deze dividenden zijn verleend of
toegekend uit de winstverdeling voor het
tweede boekjaar of volgende na dat van
312
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
de inbreng.
de inbreng.
De roerende voorheffing bedraagt :
De roerende voorheffing bedraagt :
1° 20 pct. voor de dividenden verleend
of toegekend uit de winstverdeling van
het tweede boekjaar na dat van de
inbreng ;
1° 20 pct. voor de dividenden verleend
of toegekend uit de winstverdeling van
het tweede boekjaar na dat van de
inbreng ;
2° 15 pct. voor de dividenden verleend
of toegekend uit de winstverdeling voor
het derde boekjaar en volgende na dat
van de inbreng.
2° 15 pct. voor de dividenden verleend
of toegekend uit de winstverdeling voor
het derde boekjaar en volgende na dat
van de inbreng.
De vennootschappen zonder minimaal
maatschappelijk
kapitaal
worden
uitgesloten van het voordeel van de
maatregel, tenzij na de inbreng van het
nieuw
kapitaal
het
maatschappelijk
kapitaal van die vennootschap minstens
gelijk
is
aan
het
minimaal
maatschappelijk kapitaal van een BVBA,
als bedoeld in artikel 214, § 1, van het
Wetboek van vennootschappen.
De overdracht, in rechte lijn of tussen
echtgenoten,
van
de
aandelen
ingevolge een erfopvolging of schenking
wordt
geacht
niet
te
hebben
plaatsgehad voor de toepassing van de
in
het
eerste
lid,
6°,
vermelde
voorwaarde inzake het ononderbroken
behoud.
De overdracht, in rechte lijn of tussen
echtgenoten,
van
de
aandelen
ingevolge een erfopvolging of schenking
wordt
geacht
niet
te
hebben
plaatsgehad voor de toepassing van de
in
het
eerste
lid,
6°,
vermelde
voorwaarde inzake het ononderbroken
behoud.
De overdracht, in rechte lijn of tussen
echtgenoten, van de aandelen wordt
evenmin geacht te hebben plaatsgehad
voor de toepassing van de voorwaarde
van
volle
eigendom
wanneer
die
overdracht het gevolg is van :
De overdracht, in rechte lijn of tussen
echtgenoten, van de aandelen wordt
evenmin geacht te hebben plaatsgehad
voor de toepassing van de voorwaarde
van
volle
eigendom
wanneer
die
overdracht het gevolg is van :
1) een wettelijke erfopvolging of een
erfopvolging
op
een
wijze
die
gelijkaardig
is
aan
de
wettelijke
erfvolging ;
1) een wettelijke erfopvolging of een
erfopvolging
op
een
wijze
die
gelijkaardig
is
aan
de
wettelijke
erfvolging ;
2) een ascendentenverdeling die geen
afbreuk doet aan het vruchtgebruik van
de langstlevende echtgenoot.
2) een ascendentenverdeling die geen
afbreuk doet aan het vruchtgebruik van
de langstlevende echtgenoot.
De erfgenamen of begiftigden nemen de De erfgenamen of begiftigden nemen de
313
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
plaats in van de belastingplichtige
inzake de voordelen en verplichtingen
van de maatregel.
plaats in van de belastingplichtige
inzake de voordelen en verplichtingen
van de maatregel.
De omruiling van aandelen ingevolge
verrichtingen als vermeld in artikel 45 of
de vervreemding of verkrijging van
aandelen ingevolge belastingneutrale
verrichtingen als vermeld in de artikelen
46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1, en
231, §§ 2 en 3, worden geacht niet te
hebben
plaatsgevonden
voor
de
toepassing van het eerste lid, 6°.
De omruiling van aandelen ingevolge
verrichtingen als vermeld in artikel 45 of
de vervreemding of verkrijging van
aandelen ingevolge belastingneutrale
verrichtingen als vermeld in de artikelen
46, § 1, eerste lid, 2°, 211, 214, § 1, en
231, §§ 2 en 3, worden geacht niet te
hebben
plaatsgevonden
voor
de
toepassing van het eerste lid, 6°.
De
verhogingen
van
het
maatschappelijk kapitaal die tot stand
komen na een vermindering van het
kapitaal georganiseerd vanaf 1 mei
2013 komen niet in aanmerking voor het
toekennen van het verlaagd tarief,
behalve in de mate waarin de verhoging
van het maatschappelijk kapitaal de
vermindering overstijgt, onverminderd
de toepassing van het derde lid.
De verhogingen van het kapitaal die tot
stand komen na een vermindering van
het kapitaal georganiseerd vanaf 1 mei
2013 komen niet in aanmerking voor het
toekennen van het verlaagd tarief,
behalve in de mate waarin de verhoging
van het maatschappelijk kapitaal de
vermindering overstijgt.
De sommen die voortkomen uit een
vanaf 1 mei 2013 georganiseerde
vermindering van het kapitaal van een
vennootschap
verbonden
of
geassocieerd met een persoon in de zin
van de artikelen 11 en 12 van het
Wetboek van vennootschappen, en die
door deze persoon worden geïnvesteerd
in een verhoging van het kapitaal van
een andere vennootschap kunnen niet
genieten van het voormeld verlaagd
tarief.
De sommen die voortkomen uit een
vanaf 1 mei 2013 georganiseerde
vermindering van het kapitaal van een
vennootschap
verbonden
of
geassocieerd met een persoon in de zin
van de artikelen 1:20 en 1:21 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen,
en
die
door
deze
persoon worden geïnvesteerd in een
verhoging van het kapitaal van een
andere
vennootschap
kunnen
niet
genieten van het voormeld verlaagd
tarief.
Voor de toepassing van het vorig lid
wordt onder "persoon" ook begrepen
zijn echtgenoot, zijn ouders en zijn
kinderen wanneer deze persoon of zijn
echtgenoot het wettelijk genot van hun
inkomsten hebben.
Voor de toepassing van het vorig lid
wordt onder "persoon" ook begrepen
zijn echtgenoot, zijn ouders en zijn
kinderen wanneer deze persoon of zijn
echtgenoot het wettelijk genot van hun
inkomsten hebben.
Als
de
vennootschap,
die
haar
maatschappelijk kapitaal verhoogd heeft
in het kader van deze maatregel, later
overgaat tot verminderingen van dat
maatschappelijk kapitaal, zullen deze
Als de vennootschap, die haar kapitaal
verhoogd heeft in het kader van deze
maatregel,
later
overgaat
tot
verminderingen van dat maatschappelijk
kapitaal, zullen deze verminderingen
314
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
verminderingen
prioritair
worden
afgehouden van de nieuwe kapitalen.
prioritair worden afgehouden van de
nieuwe kapitalen.
De onderschreven sommen betreffende
de verhoging van het maatschappelijk
kapitaal moeten volledig volstort zijn en
er mogen bij die gelegenheid geen
preferente aandelen worden gecreëerd.
De onderschreven sommen betreffende
de verhoging van het kapitaal moeten
volledig volstort zijn en er mogen bij die
gelegenheid geen preferente aandelen
worden gecreëerd.
Art. 2753, § 1, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 2753, § 1, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De universiteiten en hogescholen
die
bezoldigingen
uitbetalen
of
toekennen aan assistent-onderzoekers
en
het
"Federaal
Fonds
voor
Wetenschappelijk Onderzoek - Fonds
fédéral de la Recherche scientifique -
FFWO/FFRS",
het
"Fonds
voor
Wetenschappelijk
Onderzoek-
Vlaanderen – FWO", het "Fonds de la
Recherche scientifique - FNRS - FRS-
FNRS" die bezoldigingen uitbetalen of
toekennen
aan
postdoctorale
onderzoekers en die krachtens artikel
270, 1°, bedrijfsvoorheffing op die
bezoldigingen verschuldigd zijn, worden
vrijgesteld van het storten aan de
Schatkist,
van
80
pct.
van
die
bedrijfsvoorheffing, op voorwaarde dat
ze op die bezoldigingen 100 pct. van die
bedrijfsvoorheffing inhouden. De in dit
lid bedoelde instellingen wenden de
sommen die zij krachtens dit artikel niet
moeten
doorstorten,
niet
aan
ter
financiering van het onderzoek dat de
vrijstelling
van
de
doorstortingsverplichting
heeft
doen
ontstaan.
§ 1. De universiteiten en hogescholen
die
bezoldigingen
uitbetalen
of
toekennen aan assistent-onderzoekers
en
het
"Federaal
Fonds
voor
Wetenschappelijk Onderzoek - Fonds
fédéral de la Recherche scientifique -
FFWO/FFRS",
het
"Fonds
voor
Wetenschappelijk
Onderzoek-
Vlaanderen – FWO", het "Fonds de la
Recherche scientifique - FNRS - FRS-
FNRS" die bezoldigingen uitbetalen of
toekennen
aan
postdoctorale
onderzoekers en die krachtens artikel
270, 1°, bedrijfsvoorheffing op die
bezoldigingen verschuldigd zijn, worden
vrijgesteld van het storten aan de
Schatkist,
van
80
pct.
van
die
bedrijfsvoorheffing, op voorwaarde dat
ze op die bezoldigingen 100 pct. van die
bedrijfsvoorheffing inhouden. De in dit
lid bedoelde instellingen wenden de
sommen die zij krachtens dit artikel niet
moeten
doorstorten,
niet
aan
ter
financiering van het onderzoek dat de
vrijstelling
van
de
doorstortingsverplichting
heeft
doen
ontstaan.
Eenzelfde vrijstelling van storting van de
bedrijfsvoorheffing ten belope van 80
pct. van die bedrijfsvoorheffing wordt
ook
toegekend
aan
de
wetenschappelijke
instellingen
die
daartoe worden erkend bij een besluit
vastgesteld
na
overleg
in
de
Ministerraad (1) en die bezoldigingen
uitbetalen of toekennen ofwel aan
Eenzelfde vrijstelling van storting van de
bedrijfsvoorheffing ten belope van 80
pct. van die bedrijfsvoorheffing wordt
ook
toegekend
aan
de
wetenschappelijke
instellingen
die
daartoe worden erkend bij een besluit
vastgesteld
na
overleg
in
de
Ministerraad (1) en die bezoldigingen
uitbetalen of toekennen ofwel aan
315
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
assistent-onderzoekers
ofwel
aan
postdoctorale onderzoekers. De in dit lid
bedoelde
instellingen
wenden
de
sommen die zij krachtens dit artikel niet
moeten
doorstorten,
niet
aan
ter
financiering van het onderzoek dat de
vrijstelling
van
de
doorstortingsverplichting
heeft
doen
ontstaan.
assistent-onderzoekers
ofwel
aan
postdoctorale onderzoekers. De in dit lid
bedoelde
instellingen
wenden
de
sommen die zij krachtens dit artikel niet
moeten
doorstorten,
niet
aan
ter
financiering van het onderzoek dat de
vrijstelling
van
de
doorstortingsverplichting
heeft
doen
ontstaan.
Dezelfde vrijstelling van storting als in
het tweede lid wordt ook toegekend :
Dezelfde vrijstelling van storting als in
het tweede lid wordt ook toegekend :
1°
aan
ondernemingen
die
bezoldigingen uitbetalen of toekennen
aan onderzoekers die aan onderzoeks-
of
ontwikkelingsprojecten
of
-
programma’s werken ter uitvoering van
samenwerkingsovereenkomsten
afgesloten met in het eerste en tweede
lid
bedoelde
universiteiten
of
hogescholen, gevestigd in de Europese
Economische
Ruimte,
of
erkende
wetenschappelijke
instellingen.
Die
vrijstelling
geldt
enkel
voor
de
bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen
die in het kader van het onderzoeks- of
ontwikkelingsproject
of
–programma
uitbetaald zijn tijdens de duurtijd van dat
project
voor
zover
die
betrekking
hebben op een effectieve tewerkstelling
in het onderzoeksproject ;
1°
aan
ondernemingen
die
bezoldigingen uitbetalen of toekennen
aan onderzoekers die aan onderzoeks-
of
ontwikkelingsprojecten
of
-
programma’s werken ter uitvoering van
samenwerkingsovereenkomsten
afgesloten met in het eerste en tweede
lid
bedoelde
universiteiten
of
hogescholen, gevestigd in de Europese
Economische
Ruimte,
of
erkende
wetenschappelijke
instellingen.
Die
vrijstelling
geldt
enkel
voor
de
bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen
die in het kader van het onderzoeks- of
ontwikkelingsproject
of
–programma
uitbetaald zijn tijdens de duurtijd van dat
project
voor
zover
die
betrekking
hebben op een effectieve tewerkstelling
in het onderzoeksproject ;
2° aan vennootschappen die onder de
definitie
van
"Young
Innovative
Company" vallen en die bezoldigingen
uitbetalen
of
toekennen
aan
wetenschappelijk
personeel
dat
als
werknemer door deze vennootschap
wordt
tewerkgesteld.
Onder
Young
Innovative Company wordt verstaan een
vennootschap die onderzoeksprojecten
uitvoert en, aan het einde van het
belastbare tijdperk, aan de volgende
voorwaarden voldoet :
2° aan vennootschappen die onder de
definitie
van
"Young
Innovative
Company" vallen en die bezoldigingen
uitbetalen
of
toekennen
aan
wetenschappelijk
personeel
dat
als
werknemer door deze vennootschap
wordt
tewerkgesteld.
Onder
Young
Innovative Company wordt verstaan een
vennootschap die onderzoeksprojecten
uitvoert en, aan het einde van het
belastbare tijdperk, aan de volgende
voorwaarden voldoet :
a)
het
gaat
om
een
kleine
vennootschap, zoals bedoeld in artikel
15
van
het
Wetboek
van
de
vennootschappen zoals het bestond
voor te zijn gewijzigd door de wet van
a)
het
gaat
om
een
kleine
vennootschap, zoals bedoeld in artikel
15
van
het
Wetboek
van
de
vennootschappen zoals het bestond
voor te zijn gewijzigd door de wet van
316
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
18 december 2015 tot omzetting van
Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013
van het Europees Parlement en van de
Raad betreffende de jaarlijkse financiële
overzichten, geconsolideer-de financiële
overzichten en aanverwante verslagen
van bepaalde ondernemingsvormen, tot
wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van
het Europees Parlement en de Raad en
tot
intrekking
van
Richtlijnen
78/660/EEG en 83/349/EEG van de
Raad ;
18 december 2015 tot omzetting van
Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013
van het Europees Parlement en van de
Raad betreffende de jaarlijkse financiële
overzichten, geconsolideer-de financiële
overzichten en aanverwante verslagen
van bepaalde ondernemingsvormen, tot
wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van
het Europees Parlement en de Raad en
tot
intrekking
van
Richtlijnen
78/660/EEG en 83/349/EEG van de
Raad ;
b) ze bestaat sinds minder dan 10 jaar
vóór 1 januari van het jaar waarin de
vrijstelling
van
storting
van
de
bedrijfsvoorheffing wordt toegekend ;
b) ze bestaat sinds minder dan 10 jaar
vóór 1 januari van het jaar waarin de
vrijstelling
van
storting
van
de
bedrijfsvoorheffing wordt toegekend ;
c) ze is niet opgericht in het kader van
een concentratie, een herstructu-rering,
een
uitbreiding
van
een
vroegere
activiteit of een overname van dergelijke
activiteiten ;
c) ze is niet opgericht in het kader van
een concentratie, een herstructu-rering,
een
uitbreiding
van
een
vroegere
activiteit of een overname van dergelijke
activiteiten ;
d) ze heeft uitgaven gedaan op het vlak
van onderzoek en ontwikkeling die
minstens 15 pct. van de totale kosten
van het voorgaande belastbaar tijdperk
vertegenwoordigen.
d) ze heeft uitgaven gedaan op het vlak
van onderzoek en ontwikkeling die
minstens 15 pct. van de totale kosten
van het voorgaande belastbaar tijdperk
vertegenwoordigen.
3°
aan
ondernemingen
die
bezoldigingen uitbetalen of toekennen
aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld
in
onderzoeks-
of
ontwikkelingsprojecten of -programma’s
en die een in in § 2, 1° of 2°, bedoeld
diploma hebben ;
3°
aan
ondernemingen
die
bezoldigingen uitbetalen of toekennen
aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld
in
onderzoeks-
of
ontwikkelingsprojecten of -programma’s
en die een in in § 2, 1° of 2°, bedoeld
diploma hebben ;
Wanneer de vennootschap aan het
einde van een belastbaar tijdperk niet
meer voldoet aan alle voorwaarden om
een Young Innovative Company te zijn,
mag de vrijstelling van doorstorting van
de bedrijfsvoorheffing niet meer worden
toegepast op de bezoldigingen betaald
of toegekend vanaf de eerstvolgende
maand.
Wanneer de vennootschap aan het
einde van een belastbaar tijdperk niet
meer voldoet aan alle voorwaarden om
een Young Innovative Company te zijn,
mag de vrijstelling van doorstorting van
de bedrijfsvoorheffing niet meer worden
toegepast op de bezoldigingen betaald
of toegekend vanaf de eerstvolgende
maand.
Het wetenschappelijk personeel als
bedoeld in het derde lid, 2°, bestaat uit
de onderzoekers, de onderzoekstechnici
Het wetenschappelijk personeel als
bedoeld in het derde lid, 2°, bestaat uit
de onderzoekers, de onderzoekstechnici
317
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
en
de
projectbeheerders
inzake
onderzoek
en
ontwikkeling,
met
uitsluiting van het administratief en
commercieel personeel.
en
de
projectbeheerders
inzake
onderzoek
en
ontwikkeling,
met
uitsluiting van het administratief en
commercieel personeel.
Eenzelfde vrijstelling van storting van de
bedrijfsvoorheffing ten belope van 40
pct. van die bedrijfsvoorheffing wordt
toegekend
aan
ondernemingen
die
bezoldigingen uitbetalen of toekennen
aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld
in
onderzoeks-
of
ontwikkelingsprojecten of -programma's
en die een in § 2, 3° of 4°, bedoeld
diploma hebben.
Eenzelfde vrijstelling van storting van de
bedrijfsvoorheffing ten belope van 40
pct. van die bedrijfsvoorheffing wordt
toegekend
aan
ondernemingen
die
bezoldigingen uitbetalen of toekennen
aan onderzoekers die zijn tewerkgesteld
in
onderzoeks-
of
ontwikkelingsprojecten of -programma's
en die een in § 2, 3° of 4°, bedoeld
diploma hebben.
Het totale bedrag van de vrijstelling van
storting van de bedrijfsvoorheffing die
toegekend wordt aan de ondernemingen
die
bezoldigingen
uitbetalen
of
toekennen aan onderzoekers die zijn
tewerkgesteld
in
onderzoeks-
of
ontwikkelingsprojecten of -programma's
en die een in § 2, 3° of 4°, bedoeld
diploma hebben, is evenwel beperkt tot
25 pct. van het totale bedrag van de
vrijstelling
van
storting
van
de
bedrijfsvoorheffing
voor
de
ondernemingen
die
bezoldigingen
uitbetalen
of
toekennen
aan
onderzoekers die zijn tewerkgesteld in
onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten
of -programma's en die een in § 2, 1° of
2°, bedoeld diploma hebben.
Het totale bedrag van de vrijstelling van
storting van de bedrijfsvoorheffing die
toegekend wordt aan de ondernemingen
die
bezoldigingen
uitbetalen
of
toekennen aan onderzoekers die zijn
tewerkgesteld
in
onderzoeks-
of
ontwikkelingsprojecten of -programma's
en die een in § 2, 3° of 4°, bedoeld
diploma hebben, is evenwel beperkt tot
25 pct. van het totale bedrag van de
vrijstelling
van
storting
van
de
bedrijfsvoorheffing
voor
de
ondernemingen
die
bezoldigingen
uitbetalen
of
toekennen
aan
onderzoekers die zijn tewerkgesteld in
onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten
of -programma's en die een in § 2, 1° of
2°, bedoeld diploma hebben.
Het percentage van de in het zevende
lid bedoelde beperking wordt evenwel
verdubbeld voor de vennootschappen
die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6,
van het Wetboek van vennootschappen
als kleine vennootschappen worden
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbaar tijdperk
waarin de bezoldigingen zijn betaald.
Het percentage van de in het zevende
lid bedoelde beperking wordt evenwel
verdubbeld voor de vennootschappen
die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6,
van het Wetboek van vennootschappen
als kleine vennootschappen worden
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbaar tijdperk
waarin de bezoldigingen zijn betaald.
…
…
Het totale bedrag van de vrijstelling van
storting van de bedrijfsvoorheffing die
toegekend wordt aan de ondernemingen
die
bezoldigingen
uitbetalen
of
Het totale bedrag van de vrijstelling van
storting van de bedrijfsvoorheffing die
toegekend wordt aan de ondernemingen
die
bezoldigingen
uitbetalen
of
318
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
toekennen aan onderzoekers die zijn
tewerkgesteld
in
onderzoeks-
of
ontwikkelingsprojecten of -programma's
en die een in § 2, 3° of 4°, bedoeld
diploma hebben, is evenwel beperkt tot
25 pct. van het totale bedrag van de
vrijstelling
van
storting
van
de
bedrijfsvoorheffing
voor
de
ondernemingen
die
bezoldigingen
uitbetalen
of
toekennen
aan
onderzoekers die zijn tewerkgesteld in
onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten
of -programma's en die een in § 2, 1° of
2°, bedoeld diploma hebben.
toekennen aan onderzoekers die zijn
tewerkgesteld
in
onderzoeks-
of
ontwikkelingsprojecten of -programma's
en die een in § 2, 3° of 4°, bedoeld
diploma hebben, is evenwel beperkt tot
25 pct. van het totale bedrag van de
vrijstelling
van
storting
van
de
bedrijfsvoorheffing
voor
de
ondernemingen
die
bezoldigingen
uitbetalen
of
toekennen
aan
onderzoekers die zijn tewerkgesteld in
onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten
of -programma's en die een in § 2, 1° of
2°, bedoeld diploma hebben.
Het percentage van de in het zevende
lid bedoelde beperking wordt evenwel
verdubbeld voor de vennootschappen
die op grond van artikel 15, §§ 1 tot 6,
van het Wetboek van vennootschappen
als kleine vennootschappen worden
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbaar tijdperk
waarin de bezoldigingen zijn betaald.
Het percentage van de in het zevende
lid bedoelde beperking wordt evenwel
verdubbeld voor de vennootschappen
die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot
6,
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen
als kleine vennootschappen worden
aangemerkt voor het aanslagjaar dat
verbonden is aan het belastbaar tijdperk
waarin de bezoldigingen zijn betaald.
Om
de
in
de
voorgaande
leden
bedoelde vrijstelling van storting van de
bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet
de werkgever tot staving van zijn
aangifte in de bedrijfsvoorheffing op de
door de Koning bepaalde wijze (1) het
bewijs leveren dat de werknemers in
hoofde van wie de vrijstelling wordt
gevraagd,
gedurende
de
periode
waarop
die
aangifte
in
de
bedrijfsvoorheffing
betrekking
heeft,
effectief werden tewerkgesteld :
Om
de
in
de
voorgaande
leden
bedoelde vrijstelling van storting van de
bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet
de werkgever tot staving van zijn
aangifte in de bedrijfsvoorheffing op de
door de Koning bepaalde wijze (1) het
bewijs leveren dat de werknemers in
hoofde van wie de vrijstelling wordt
gevraagd,
gedurende
de
periode
waarop
die
aangifte
in
de
bedrijfsvoorheffing
betrekking
heeft,
effectief werden tewerkgesteld :
- ofwel als assistent-onderzoekers of
postdoctorale onderzoekers als bedoeld
in het eerste en tweede lid ;
- ofwel als assistent-onderzoekers of
postdoctorale onderzoekers als bedoeld
in het eerste en tweede lid ;
- ofwel als onderzoekers voor de
verwezenlijking van de in het derde lid,
1°, beoogde onderzoeksprojecten ;
- ofwel als onderzoekers voor de
verwezenlijking van de in het derde lid,
1°, beoogde onderzoeksprojecten ;
- ofwel als wetenschappelijk personeel
in een vennootschap die een Young
Innovative Company is ;
- ofwel als wetenschappelijk personeel
in een vennootschap die een Young
Innovative Company is ;
319
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
- ofwel als onderzoekers voor de
verwezenlijking van de in het derde lid,
3°, en zesde lid, beoogde onderzoeks-
of projecten of -programma's.
- ofwel als onderzoekers voor de
verwezenlijking van de in het derde lid,
3°, en zesde lid, beoogde onderzoeks-
of projecten of -programma's.
Eenzelfde bezoldiging of eenzelfde deel
ervan kan slechts in aanmerking komen
voor één van de in deze paragraaf
bedoelde vrijstellingen van doorstorting
van bedrijfsvoorheffing.
Eenzelfde bezoldiging of eenzelfde deel
ervan kan slechts in aanmerking komen
voor één van de in deze paragraaf
bedoelde vrijstellingen van doorstorting
van bedrijfsvoorheffing.
Art. 2757 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 2757 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
De in het tweede lid omschreven
werkgevers die bezoldigingen betalen of
toekennen en die krachtens artikel 270,
1°,
schuldenaar
zijn
van
de
bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen,
worden ervan vrijgesteld een deel van
die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te
storten,
op
voorwaarde
dat
de
genoemde voorheffing volledig op die
bezoldigingen wordt ingehouden.
De in het tweede lid omschreven
werkgevers die bezoldigingen betalen of
toekennen en die krachtens artikel 270,
1°,
schuldenaar
zijn
van
de
bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen,
worden ervan vrijgesteld een deel van
die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te
storten,
op
voorwaarde
dat
de
genoemde voorheffing volledig op die
bezoldigingen wordt ingehouden.
De bepalingen van dit artikel zijn van
toepassing op :
De bepalingen van dit artikel zijn van
toepassing op :
a) voor zover het werkgevers betreft die,
hetzij
als
kleine
vennootschappen
worden aangemerkt op grond van artikel
15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen,
hetzij
natuurlijke
personen zijn die mutatis mutandis
beantwoorden aan de criteria voorzien
in dit artikel 15 :
a) voor zover het werkgevers betreft die,
hetzij
als
kleine
vennootschappen
worden aangemerkt op grond van artikel
15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van
vennootschappen,
hetzij
natuurlijke
personen artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen
en
verenigingen
zijn
die
mutatis
mutandis beantwoorden aan de criteria
voorzien in dit artikel 15 :
-
werkgevers
die
onder
het
toepassingsgebied vallen van de wet
van 5 december 1968 betreffende de
collectieve arbeidsovereenkomsten en
de paritaire comités;
-
werkgevers
die
onder
het
toepassingsgebied vallen van de wet
van 5 december 1968 betreffende de
collectieve arbeidsovereenkomsten en
de paritaire comités;
- de ondernemingen die erkend zijn voor
uitzendarbeid die uitzendkrachten ter
beschikking stellen van de in het eerste
- de ondernemingen die erkend zijn voor
uitzendarbeid die uitzendkrachten ter
beschikking stellen van de in het eerste
320
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
streepje bedoelde ondernemingen;
streepje bedoelde ondernemingen;
b) werkgevers van de werknemers die
ressorteren
onder
het
toepassingsgebied
van
de
paritaire
comités en subcomités opgesomd in
artikel 1, 1°, a) tot en met s), van het
koninklijk besluit van 18 juli 2002
houdende maatregelen met het oog op
de bevordering van de tewerkstelling in
de non-profit sector;
b) werkgevers van de werknemers die
ressorteren
onder
het
toepassingsgebied
van
de
paritaire
comités en subcomités opgesomd in
artikel 1, 1°, a) tot en met s), van het
koninklijk besluit van 18 juli 2002
houdende maatregelen met het oog op
de bevordering van de tewerkstelling in
de non-profit sector;
c) de naamloze vennootschap van
publiek recht Proximus en de naamloze
vennootschap van publiek recht bpost
voor hun werknemers die anders dan
krachtens een arbeidsovereen-komst,
arbeid
verrichten
voor
deze
vennootschappen.
c) de naamloze vennootschap van
publiek recht Proximus en de naamloze
vennootschap van publiek recht bpost
voor hun werknemers die anders dan
krachtens een arbeidsovereen-komst,
arbeid
verrichten
voor
deze
vennootschappen.
De niet te storten bedrijfsvoorheffing
bedraagt :
De niet te storten bedrijfsvoorheffing
bedraagt :
a) 0,12 pct. van het bruto bedrag van de
bezoldigingen voor inhouding van de
persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage
voor de in het tweede lid, a), bedoelde
werkgevers;
a) 0,12 pct. van het bruto bedrag van de
bezoldigingen voor inhouding van de
persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage
voor de in het tweede lid, a), bedoelde
werkgevers;
b) 1° 1 pct. van het bruto bedrag van de
bezoldigingen voor inhouding van de
persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage
voor de in het tweede lid, b), bedoelde
werkgevers.
b) 1° 1 pct. van het bruto bedrag van de
bezoldigingen voor inhouding van de
persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage
voor de in het tweede lid, b), bedoelde
werkgevers.
2° Wanneer deze werkgevers hetzij
beantwoorden
aan
de
criteria
als
vermeld in artikel 15, §§ 1 tot 6 van het
Wetboek van vennootschappen, hetzij
natuurlijke personen zijn die mutatis
mutandis beantwoorden aan de criteria
voorzien in dit artikel 15, §§ 1 tot 6,
wordt dit percentage verhoogd tot 1,12
pct.
2° Wanneer deze werkgevers hetzij
beantwoorden
aan
de
criteria
als
vermeld in artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van
het Wetboek van vennootschappen
en
verenigingen,
hetzij
natuurlijke
personen zijn die mutatis mutandis
beantwoorden aan de criteria voorzien
in dit artikel 15, §§ 1 tot 6, wordt dit
percentage verhoogd tot 1,12 pct.
3° De werkgevers van de werknemers
die
ressorteren
onder
het
toepassingsgebied
van
de
paritaire
comités en subcomités opgesomd in
artikel 1, 1°, a) tot p), van het koninklijk
besluit van 18 juli 2002 houdende
3° De werkgevers van de werknemers
die
ressorteren
onder
het
toepassingsgebied
van
de
paritaire
comités en subcomités opgesomd in
artikel 1, 1°, a) tot p), van het koninklijk
besluit van 18 juli 2002 houdende
321
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
maatregelen
met
het
oog
op
de
bevordering van de tewerkstelling in de
non-profit sector moeten een bedrag dat
overeenstemt met drie vierden van de
vrijstelling
van
doorstorting
van
bedrijfsvoorheffing
onmiddellijk
besteden aan de financiering van de
Sociale
Maribelfondsen.
Dit
bedrag
moet door de werkgever aan de
bevoegde ontvanger worden gestort op
hetzelfde
moment
dat
de
bedrijfsvoorheffing in de Schatkist wordt
gestort.
De
Schatkist
boekt
deze
bedragen over aan de Rijksdienst voor
Sociale Zekerheid die ze op zijn beurt
verdeelt tussen de begunstigde Sociale
Maribelfondsen;
maatregelen
met
het
oog
op
de
bevordering van de tewerkstelling in de
non-profit sector moeten een bedrag dat
overeenstemt met drie vierden van de
vrijstelling
van
doorstorting
van
bedrijfsvoorheffing
onmiddellijk
besteden aan de financiering van de
Sociale
Maribelfondsen.
Dit
bedrag
moet door de werkgever aan de
bevoegde ontvanger worden gestort op
hetzelfde
moment
dat
de
bedrijfsvoorheffing in de Schatkist wordt
gestort.
De
Schatkist
boekt
deze
bedragen over aan de Rijksdienst voor
Sociale Zekerheid die ze op zijn beurt
verdeelt tussen de begunstigde Sociale
Maribelfondsen;
c) 1 pct van het bruto bedrag van de
bezoldigingen voor inhouding van de
persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage
voor de in het tweede lid, c), bedoelde
werkgevers.
c) 1 pct van het bruto bedrag van de
bezoldigingen voor inhouding van de
persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage
voor de in het tweede lid, c), bedoelde
werkgevers.
De
Koning
bepaalt
de
toepassingsmodaliteiten van dit artikel
(1).
De
Koning
bepaalt
de
toepassingsmodaliteiten van dit artikel
(1).
Art. 2758 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 2758 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die
een
in
§
3
bedoelde
investering
verrichten in een inrichting gelegen in
een steunzone die is opgenomen in het
door de Koning genomen besluit ter
uitvoering van artikel 16 van de wet van
15 mei 2014 houdende uitvoering van
het
pact
voor
competitiviteit,
werkgelegenheid en relance, die op
geldige wijze een formulier als bedoeld
in
§
5
hebben
overgelegd,
die
bezoldigingen betalen of toekennen, en
die
krachtens
artikel
270,
1°,
schuldenaar
zijn
van
de
bedrijfsvoorheffing
op
deze
bezoldigingen,
worden
tijdelijk
vrijgesteld
25
pct.
van
de
bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft
§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die
een
in
§
3
bedoelde
investering
verrichten in een inrichting gelegen in
een steunzone die is opgenomen in het
door de Koning genomen besluit ter
uitvoering van artikel 16 van de wet van
15 mei 2014 houdende uitvoering van
het
pact
voor
competitiviteit,
werkgelegenheid en relance, die op
geldige wijze een formulier als bedoeld
in
§
5
hebben
overgelegd,
die
bezoldigingen betalen of toekennen, en
die
krachtens
artikel
270,
1°,
schuldenaar
zijn
van
de
bedrijfsvoorheffing
op
deze
bezoldigingen,
worden
tijdelijk
vrijgesteld
25
pct.
van
de
bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft
322
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
op de in § 4 bedoelde bezoldigingen in
de Schatkist te storten, op voorwaarde
dat de genoemde voorheffing volledig
op die bezoldigingen wordt ingehouden.
op de in § 4 bedoelde bezoldigingen in
de Schatkist te storten, op voorwaarde
dat de genoemde voorheffing volledig
op die bezoldigingen wordt ingehouden.
Deze vrijstelling van doorstorting van
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast
op
de
belastbare
bezoldigingen
van
werknemers
waarvoor reeds een andere vrijstelling
van
doorstorting
van
de
bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de
artikelen 2752, 2753, 2754 en 2756 wordt
toegepast en kan evenmin worden
toegepast
op
het
deel
van
de
bezoldigingen dat betrekking heeft op
door
de
werknemer
gepresteerd
overwerk als bedoeld in artikel 2751.
Deze vrijstelling van doorstorting van
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast
op
de
belastbare
bezoldigingen
van
werknemers
waarvoor reeds een andere vrijstelling
van
doorstorting
van
de
bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de
artikelen 2752, 2753, 2754 en 2756 wordt
toegepast en kan evenmin worden
toegepast
op
het
deel
van
de
bezoldigingen dat betrekking heeft op
door
de
werknemer
gepresteerd
overwerk als bedoeld in artikel 2751.
Deze vrijstelling van doorstorting van de
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast door een werkgever waarvoor
een bevel tot terugvordering uitstaat
ingevolge een besluit van de Europese
Commissie
die
een
door
België
verleende
steun
onrechtmatig
en
onverenigbaar met de interne markt
heeft verklaard.
Deze vrijstelling van doorstorting van de
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast door een werkgever waarvoor
een bevel tot terugvordering uitstaat
ingevolge een besluit van de Europese
Commissie
die
een
door
België
verleende
steun
onrechtmatig
en
onverenigbaar met de interne markt
heeft verklaard.
Voor de toepassing van het eerste lid
kan een investering, die wordt verricht
door
een
vennootschap
die
deel
uitmaakt
van
een
groep
van
vennootschappen
waartoe
ook
de
werkgever behoort, geacht worden een
door de werkgever verrichte investering
te zijn. In voorkomend geval is de
werkgever gehouden het bewijs te
leveren
dat
aan
de
toepassingsvoorwaarden van dit artikel
is voldaan, alsof de werkgever zelf de
investering heeft verricht.
Voor de toepassing van het eerste lid
kan een investering, die wordt verricht
door
een
vennootschap
die
deel
uitmaakt
van
een
groep
van
vennootschappen
waartoe
ook
de
werkgever behoort, geacht worden een
door de werkgever verrichte investering
te zijn. In voorkomend geval is de
werkgever gehouden het bewijs te
leveren
dat
aan
de
toepassingsvoorwaarden van dit artikel
is voldaan, alsof de werkgever zelf de
investering heeft verricht.
De vrijstelling van doorstorting wordt
definitief
toegestaan
nadat
de
werkgever of de in het achtste lid
bedoelde onderneming die erkend is
voor uitzendarbeid, in een bijlage aan
zijn aangifte in de inkomstenbelasting
die betrekking heeft op het derde
aanslagjaar volgend op het aanslagjaar
De vrijstelling van doorstorting wordt
definitief
toegestaan
nadat
de
werkgever of de in het achtste lid
bedoelde onderneming die erkend is
voor uitzendarbeid, in een bijlage aan
zijn aangifte in de inkomstenbelasting
die betrekking heeft op het derde
aanslagjaar volgend op het aanslagjaar
323
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
verbonden aan het belastbaar tijdperk
binnen hetwelk de door de investering
gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is
ingevuld, aantoont dat deze nieuwe
arbeidsplaats gedurende ten minste drie
jaar
behouden
is
gebleven
en
gedurende deze periode heeft voldaan
aan de voorwaarde bedoeld in § 4,
tweede lid. Het model van de bijlage
wordt door de minister die bevoegd is
voor Financiën of zijn afgevaardigde
vastgesteld.
verbonden aan het belastbaar tijdperk
binnen hetwelk de door de investering
gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is
ingevuld, aantoont dat deze nieuwe
arbeidsplaats gedurende ten minste drie
jaar
behouden
is
gebleven
en
gedurende deze periode heeft voldaan
aan de voorwaarde bedoeld in § 4,
tweede lid. Het model van de bijlage
wordt door de minister die bevoegd is
voor Financiën of zijn afgevaardigde
vastgesteld.
Indien de werkgever of de in het achtste
lid bedoelde onderneming die erkend is
voor uitzendarbeid, bij het verstrijken
van de in het vijfde lid vermelde
aangiftetermijn niet heeft aangetoond
dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaats
gedurende de in het vijfde lid bedoelde
minimale behoudstermijn van drie jaar
behouden
is
gebleven,
wordt
de
bedrijfsvoorheffing die krachtens het
eerste
lid
werd
vrijgesteld
van
doorstorting,
aangemerkt
als
verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de
maand binnen dewelke deze minimale
behoudstermijn is verstreken.
Indien de werkgever of de in het achtste
lid bedoelde onderneming die erkend is
voor uitzendarbeid, bij het verstrijken
van de in het vijfde lid vermelde
aangiftetermijn niet heeft aangetoond
dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaats
gedurende de in het vijfde lid bedoelde
minimale behoudstermijn van drie jaar
behouden
is
gebleven,
wordt
de
bedrijfsvoorheffing die krachtens het
eerste
lid
werd
vrijgesteld
van
doorstorting,
aangemerkt
als
verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de
maand binnen dewelke deze minimale
behoudstermijn is verstreken.
De vrijstelling van doorstorting is per
investering beperkt tot een maximum
van 7,5 miljoen euro.
De vrijstelling van doorstorting is per
investering beperkt tot een maximum
van 7,5 miljoen euro.
Een onderneming die erkend is voor
uitzendarbeid en die één of meerdere
uitzendkrachten ter beschikking stelt
van de in het eerste lid vermelde
werkgever,
en
die
voor
deze
uitzendkrachten bezoldigingen uitbetaalt
die
voldoen
aan
de
voorwaarden
bedoeld in § 4, kan in de plaats van
deze werkgever de tijdelijke vrijstelling
van
doorstorting
van
de
bedrijfsvoorheffing
verkrijgen.
In
dit
geval leveren zowel de werkgever als
de onderneming die erkend is voor
uitzendarbeid het bewijs bedoeld in § 4,
vijfde lid.
Een onderneming die erkend is voor
uitzendarbeid en die één of meerdere
uitzendkrachten ter beschikking stelt
van de in het eerste lid vermelde
werkgever,
en
die
voor
deze
uitzendkrachten bezoldigingen uitbetaalt
die
voldoen
aan
de
voorwaarden
bedoeld in § 4, kan in de plaats van
deze werkgever de tijdelijke vrijstelling
van
doorstorting
van
de
bedrijfsvoorheffing
verkrijgen.
In
dit
geval leveren zowel de werkgever als
de onderneming die erkend is voor
uitzendarbeid het bewijs bedoeld in § 4,
vijfde lid.
In het geval de werkgever ingevolge een
fusie, splitsing, verrichting gelijkgesteld
In het geval de werkgever ingevolge een
fusie, splitsing, verrichting gelijkgesteld
324
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
met een fusie of splitsing, inbreng van
de algemeenheid van goederen of
inbreng van bedrijfsafdeling of tak van
werkzaamheid de exploitatie van de in
het eerste lid bedoelde investering heeft
overgedragen
aan
een
andere
vennootschap
en
deze
andere
vennootschap er onherroepelijk op de
door de Koning bepaalde wijze voor
heeft geopteerd, wordt deze andere
vennootschap voor de toepassing van
deze paragraaf en paragraaf 4 gelijk
gesteld met de in deze paragraaf
bedoelde werkgever.
met een fusie of splitsing, inbreng van
de algemeenheid van goederen of
inbreng van bedrijfsafdeling of tak van
werkzaamheid de exploitatie van de in
het eerste lid bedoelde investering heeft
overgedragen
aan
een
andere
vennootschap
en
deze
andere
vennootschap er onherroepelijk op de
door de Koning bepaalde wijze voor
heeft geopteerd, wordt deze andere
vennootschap voor de toepassing van
deze paragraaf en paragraaf 4 gelijk
gesteld met de in deze paragraaf
bedoelde werkgever.
§ 2. De in dit artikel bedoelde vrijstelling
van
doorstorting
van
de
bedrijfsvoorheffing kan enkel worden
toegepast indien de werkgever en in
voorkomend geval de in paragraaf 1,
vierde lid, bedoelde vennootschap die
de investering heeft verricht, in ten
minste
twee
van
de
laatste
drie
afgesloten
belastbare
tijdperken
voorafgaand aan het belastbaar tijdperk
waarin het in § 5 bedoelde formulier
geldig
werd
overgelegd
een
jaargemiddelde
van
het
personeelsbestand in dienst heeft van
minder dan 250 personen uitgedrukt in
voltijdse equivalenten en waarvan :
§ 2. De in dit artikel bedoelde vrijstelling
van
doorstorting
van
de
bedrijfsvoorheffing kan enkel worden
toegepast indien de werkgever en in
voorkomend geval de in paragraaf 1,
vierde lid, bedoelde vennootschap die
de investering heeft verricht, in ten
minste
twee
van
de
laatste
drie
afgesloten
belastbare
tijdperken
voorafgaand aan het belastbaar tijdperk
waarin het in § 5 bedoelde formulier
geldig
werd
overgelegd
een
jaargemiddelde
van
het
personeelsbestand in dienst heeft van
minder dan 250 personen uitgedrukt in
voltijdse equivalenten en waarvan :
- de jaaromzet exclusief de belasting
over
de
toegevoegde
waarde
het
bedrag van 50 miljoen EUR niet
overschrijdt, of
- de jaaromzet exclusief de belasting
over
de
toegevoegde
waarde
het
bedrag van 50 miljoen EUR niet
overschrijdt, of
- het jaarlijkse balanstotaal het bedrag
van 43 miljoen EUR niet overschrijdt.
- het jaarlijkse balanstotaal het bedrag
van 43 miljoen EUR niet overschrijdt.
Behalve in het geval de werkgever geen
vennootschap
is,
zijn,
voor
de
berekening van de in het eerste lid
vermelde criteria, de bepalingen uit
artikel 15, §§ 3 tot 5, van het Wetboek
van vennootschappen van toepassing.
Behalve in het geval de werkgever geen
vennootschap
is,
zijn,
voor
de
berekening van de in het eerste lid
vermelde criteria, de bepalingen uit
artikel 1:24, §§ 3 tot 5, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen van toepassing.
Indien de in het eerste lid bedoelde
werkgever of vennootschap verbonden
is in de zin van artikel 11 van het
Indien de in het eerste lid bedoelde
werkgever of vennootschap verbonden
is in de zin van artikel 1:20 van het
325
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Wetboek van vennootschappen worden
de
criteria
inzake
jaaromzet
en
balanstotaal
berekend
op
geconsolideerde
basis.
Wat
het
personeelsbestand betreft, wordt het
aantal werknemers opgeteld dat door
elk
van
de
betrokken
verbonden
vennootschappen jaarlijks gemiddeld
wordt tewerkgesteld.
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen worden de criteria inzake
jaaromzet en balanstotaal berekend op
geconsolideerde
basis.
Wat
het
personeelsbestand betreft, wordt het
aantal werknemers opgeteld dat door
elk
van
de
betrokken
verbonden
vennootschappen jaarlijks gemiddeld
wordt tewerkgesteld.
De in het eerste lid bedoelde jaaromzet,
balanstotaal en jaargemiddelde van het
personeelsbestand wordt verhoogd met
de jaaromzet, het balanstotaal en het
jaargemiddelde
van
het
personeelsbestand
van
elke
partneronderneming, in verhouding tot
het
hoogste
percentage
van
de
volgende twee percentages :
De in het eerste lid bedoelde jaaromzet,
balanstotaal en jaargemiddelde van het
personeelsbestand wordt verhoogd met
de jaaromzet, het balanstotaal en het
jaargemiddelde
van
het
personeelsbestand
van
elke
partneronderneming, in verhouding tot
het
hoogste
percentage
van
de
volgende twee percentages :
-
hetzij
het
percentage
van
de
stemrechten dat verbonden is met de in
het vijfde lid bedoelde deelneming;
-
hetzij
het
percentage
van
de
stemrechten dat verbonden is met de in
het vijfde lid bedoelde deelneming;
- hetzij het percentage van het kapitaal
dat de in het vijfde lid bedoelde
deelneming vertegenwoordigt.
- hetzij het percentage van het kapitaal
dat de in het vijfde lid bedoelde
deelneming vertegenwoordigt.
Voor toepassing van het vierde lid wordt
onder
partneronderneming
een
natuurlijke persoon of rechtspersoon
begrepen die niet verbonden is met
respectievelijk de in het eerste lid
bedoelde werkgever of de in datzelfde
lid bedoelde vennootschap, en :
Voor toepassing van het vierde lid wordt
onder
partneronderneming
een
natuurlijke persoon of rechtspersoon
begrepen die niet verbonden is met
respectievelijk de in het eerste lid
bedoelde werkgever of de in datzelfde
lid bedoelde vennootschap, en :
- die een deelneming heeft van 25 pct.
of
meer
van
het
kapitaal
of de
stemrechten van respectievelijk deze
werkgever of deze vennootschap, of;
- die een deelneming heeft van 25 pct.
of
meer
van
het
kapitaal
of de
stemrechten van respectievelijk deze
werkgever of deze vennootschap, of;
- waarvan ten minste 25 pct. van het
kapitaal
of
de
stemrechten
wordt
aangehouden door respectievelijk deze
werkgever of deze vennootschap.
- waarvan ten minste 25 pct. van het
kapitaal
of
de
stemrechten
wordt
aangehouden door respectievelijk deze
werkgever of deze vennootschap.
Openbare
participatiemaatschappijen,
risicokapitaalmaatschappijen, business
angels, universiteiten, onderzoekscentra
zonder
winstoogmerk,
institutionele
beleggers,
regionale
Openbare
participatiemaatschappijen,
risicokapitaalmaatschappijen, business
angels, universiteiten, onderzoekscentra
zonder
winstoogmerk,
institutionele
beleggers,
regionale
326
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
ontwikkelingsfondsen
en
autonome
lokale autoriteiten, zoals bedoeld in
artikel 3, lid 2, van bijlage I, van
verordening (EU) 651/2014 van de
Commissie van 17 juni 2014 waarbij
bepaalde categorieën steun op grond
van de artikelen 107 en 108 van het
Verdrag
met
de
interne
markt
verenigbaar worden verklaard, worden
voor de toepassing van het vierde lid en
in afwijking van het vijfde lid niet
beschouwd
als
een
partneronderneming.
ontwikkelingsfondsen
en
autonome
lokale autoriteiten, zoals bedoeld in
artikel 3, lid 2, van bijlage I, van
verordening (EU) 651/2014 van de
Commissie van 17 juni 2014 waarbij
bepaalde categorieën steun op grond
van de artikelen 107 en 108 van het
Verdrag
met
de
interne
markt
verenigbaar worden verklaard, worden
voor de toepassing van het vierde lid en
in afwijking van het vijfde lid niet
beschouwd
als
een
partneronderneming.
Bovendien kan de in dit artikel bedoelde
vrijstelling van doorstorting van de
bedrijfsvoorheffing
enkel
worden
toegepast indien de controle over het
kapitaal of de stemrechten van de
werkgever, of in voorkomend geval de in
paragraaf
1,
vierde
lid,
bedoelde
vennootschap die de investering heeft
verricht, op het ogenblik van het
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier, individueel of gezamenlijk,
rechtstreeks of onrechtstreeks, voor
minder dan 25 pct. uitgeoefend worden
door één of meerdere aanbestedende
overheden als bedoeld in artikel 2 van
de wet van 15 juni 2006 betreffende de
overheidsopdrachten
en
bepaalde
opdrachten voor werken, leveringen en
diensten. De in het zesde lid bedoelde
gevallen worden voor de toepassing van
dit
lid
niet
beschouwd
als
aanbestedende overheden.
Bovendien kan de in dit artikel bedoelde
vrijstelling van doorstorting van de
bedrijfsvoorheffing
enkel
worden
toegepast indien de controle over het
kapitaal of de stemrechten van de
werkgever, of in voorkomend geval de in
paragraaf
1,
vierde
lid,
bedoelde
vennootschap die de investering heeft
verricht, op het ogenblik van het
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier, individueel of gezamenlijk,
rechtstreeks of onrechtstreeks, voor
minder dan 25 pct. uitgeoefend worden
door één of meerdere aanbestedende
overheden als bedoeld in artikel 2 van
de wet van 15 juni 2006 betreffende de
overheidsopdrachten
en
bepaalde
opdrachten voor werken, leveringen en
diensten. De in het zesde lid bedoelde
gevallen worden voor de toepassing van
dit
lid
niet
beschouwd
als
aanbestedende overheden.
De vrijstelling van doorstorting van de
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast door een werkgever :
De vrijstelling van doorstorting van de
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast door een werkgever :
- waarvoor, op het ogenblik van het
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier, een aangifte of vordering tot
faillietverklaring is ingesteld of waarvan
op dat ogenblik het beheer van het
actief geheel of ten dele is ontnomen
zoals voorzien in de artikelen 7 en 8 van
de faillissementswet;
- waarvoor, op het ogenblik van het
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier, een aangifte of vordering tot
faillietverklaring is ingesteld of waarvan
op dat ogenblik het beheer van het
actief geheel of ten dele is ontnomen
zoals voorzien in de artikelen 7 en 8 van
de faillissementswet;
327
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier,
een
procedure
van
gerechtelijke reorganisatie is geopend
zoals bedoeld in artikel 23 van de wet
betreffende de continuïteit van de
ondernemingen;
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier,
een
procedure
van
gerechtelijke reorganisatie is geopend
zoals bedoeld in artikel 23 van de wet
betreffende de continuïteit van de
ondernemingen;
-
die,
op
het
ogenblik
van
het
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier, een ontbonden vennootschap
is en zich in staat van vereffening
bevindt;
-
die,
op
het
ogenblik
van
het
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier, een ontbonden vennootschap
is en zich in staat van vereffening
bevindt;
- waarvan, op het ogenblik van het
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier, ten gevolge van geleden
verlies het netto actief is gedaald tot
minder dan de helft van het vaste
gedeelte
van
het
maatschappelijk
kapitaal;
- waarvan, op het ogenblik van het
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier, ten gevolge van geleden
verlies het netto actief is gedaald tot
minder dan de helft van het vaste
gedeelte van het kapitaal;
-
die,
op
het
ogenblik
van
het
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier, steun heeft ontvangen die
door de Europese Commissie geacht
wordt verenigbaar te zijn met de
richtsnoeren
voor
reddings-
en
herstructureringssteun
aan
niet-
financiële
ondernemingen
in
moeilijkheden van 31 juli 2014 (PB C
249) of met artikel 107, derde lid, b, van
het Verdrag betreffende de Werking van
de Europese Unie en die in het geval
van reddingssteun de lening nog niet
heeft terugbetaald of de garantie nog
niet heeft beëindigd of in het geval van
herstructureringssteun zich nog steeds
in de herstructureringsfase bevindt.
-
die,
op
het
ogenblik
van
het
overleggen van het in § 5 bedoelde
formulier, steun heeft ontvangen die
door de Europese Commissie geacht
wordt verenigbaar te zijn met de
richtsnoeren
voor
reddings-
en
herstructureringssteun
aan
niet-
financiële
ondernemingen
in
moeilijkheden van 31 juli 2014 (PB C
249) of met artikel 107, derde lid, b, van
het Verdrag betreffende de Werking van
de Europese Unie en die in het geval
van reddingssteun de lening nog niet
heeft terugbetaald of de garantie nog
niet heeft beëindigd of in het geval van
herstructureringssteun zich nog steeds
in de herstructureringsfase bevindt.
§ 3. De in § 1 bedoelde investering komt
slechts in aanmerking in zoverre het een
investering in materiële of immateriële
vaste activa betreft die verband houdt
met :
§ 3. De in § 1 bedoelde investering komt
slechts in aanmerking in zoverre het een
investering in materiële of immateriële
vaste activa betreft die verband houdt
met :
- hetzij, de oprichting van een nieuwe
inrichting;
- hetzij, de oprichting van een nieuwe
inrichting;
- hetzij, de uitbreiding van de capaciteit
van een bestaande inrichting;
- hetzij, de uitbreiding van de capaciteit
van een bestaande inrichting;
328
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
-
hetzij,
de
diversificatie
van
de
productie
van
een
inrichting
naar
producten die voordien niet in de
inrichting werden vervaardigd;
-
hetzij,
de
diversificatie
van
de
productie
van
een
inrichting
naar
producten die voordien niet in de
inrichting werden vervaardigd;
De investering bedoeld in § 1 kan ook
betrekking hebben op een overname
van materiële of immateriële vaste
activa van :
De investering bedoeld in § 1 kan ook
betrekking hebben op een overname
van materiële of immateriële vaste
activa van :
- hetzij, een inrichting waarvan de
derde-werkgever
krachtens
de
procedure voorzien in artikel 66 van de
wet van 13 februari 1998 houdende
bepalingen tot bevordering van de
tewerkstelling,
de
sluiting
van
de
vestiging heeft aangekondigd of
- hetzij, een inrichting waarvan de
derde-werkgever
krachtens
de
procedure voorzien in artikel 66 van de
wet van 13 februari 1998 houdende
bepalingen tot bevordering van de
tewerkstelling,
de
sluiting
van
de
vestiging heeft aangekondigd of
- hetzij, een inrichting die deel uitmaakt
van een onderneming waarvoor een
procedure
van
gerechtelijke
reorganisatie door overdracht onder
gerechtelijk gezag is opgestart, zoals
bedoeld in artikel 59 van de wet van 31
januari 2009 betreffende de continuïteit
van de ondernemingen of
- hetzij, een inrichting die deel uitmaakt
van een onderneming waarvoor een
procedure
van
gerechtelijke
reorganisatie door overdracht onder
gerechtelijk gezag is opgestart, zoals
bedoeld in artikel 59 van de wet van 31
januari 2009 betreffende de continuïteit
van de ondernemingen of
- hetzij, een inrichting die deel uitmaakt
van een onderneming waarvan de
bevoegde rechtbank een vonnis van
faillietverklaring heeft gewezen.
- hetzij, een inrichting die deel uitmaakt
van een onderneming waarvan de
bevoegde rechtbank een vonnis van
faillietverklaring heeft gewezen.
De derde-werkgever en de onderneming
bedoeld in het vorige lid mogen niet op
de wijze die is bedoeld in de artikelen 11
en
12
van
het
Wetboek
van
vennootschappen
verbonden
of
geassocieerd zijn met de werkgever die
de investering verricht.
De derde-werkgever en de onderneming
bedoeld in het vorige lid mogen niet op
de wijze die is bedoeld in de artikelen
1:20 en 1:21 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
verbonden of geassocieerd zijn met de
werkgever die de investering verricht.
Voor toepassing van dit artikel moet
onder inrichting een plaats worden
verstaan die men geografisch gezien
kan identificeren door een adres, waar
ten
minste
een
activiteit
van
de
onderneming wordt uitgeoefend of zal
worden uitgeoefend.
Voor toepassing van dit artikel moet
onder inrichting een plaats worden
verstaan die men geografisch gezien
kan identificeren door een adres, waar
ten
minste
een
activiteit
van
de
onderneming wordt uitgeoefend of zal
worden uitgeoefend.
Dit artikel is niet van toepassing op
investeringen
die
kaderen
in
de
Dit artikel is niet van toepassing op
investeringen
die
kaderen
in
de
329
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
uitoefening van een activiteit in één van
de volgende sectoren :
uitoefening van een activiteit in één van
de volgende sectoren :
- …
- …
- …
- …
- de visserij en aquacultuur, in de mate
dat de activiteit is begrepen binnen het
toepassingsgebied
van
Verordening
(EU) nr. 1379/2013 van het Europees
Parlement
en
de
Raad
van
11
december
2013
houdende
een
gemeenschappelijke
marktordening
voor
visserijproducten
en
aquacultuurproducten, tot wijziging van
Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en
(EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot
intrekking van Verordening (EG) nr.
104/2000 van de Raad;
- de visserij en aquacultuur, in de mate
dat de activiteit is begrepen binnen het
toepassingsgebied
van
Verordening
(EU) nr. 1379/2013 van het Europees
Parlement
en
de
Raad
van
11
december
2013
houdende
een
gemeenschappelijke
marktordening
voor
visserijproducten
en
aquacultuurproducten, tot wijziging van
Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en
(EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot
intrekking van Verordening (EG) nr.
104/2000 van de Raad;
- de productie van landbouwproducten
die zijn opgenomen in bijlage I bij het
Verdrag betreffende de werking van de
Europese
Unie
die
geen
verdere
bewerking hebben ondergaan die de
aard van deze producten wijzigt;
- de productie van landbouwproducten
die zijn opgenomen in bijlage I bij het
Verdrag betreffende de werking van de
Europese
Unie
die
geen
verdere
bewerking hebben ondergaan die de
aard van deze producten wijzigt;
§ 4. De door de werkgever uitbetaalde
bezoldigingen die in aanmerking komen
voor de vrijstelling van doorstorting van
de
bedrijfsvoorheffing,
moeten
betrekking hebben op de in § 3
vermelde investering. Enkel een ten
gevolge
van
deze
investering
gecreëerde nieuwe arbeidsplaats die
voor het eerst wordt ingevuld tussen de
dag waarin het in paragraaf 5 bedoelde
formulier wordt overgelegd en de eerste
dag van de 36ste maand die volgt op de
maand waarop de de investering wordt
voltooid, komt in aanmerking voor deze
maatregel.
§ 4. De door de werkgever uitbetaalde
bezoldigingen die in aanmerking komen
voor de vrijstelling van doorstorting van
de
bedrijfsvoorheffing,
moeten
betrekking hebben op de in § 3
vermelde investering. Enkel een ten
gevolge
van
deze
investering
gecreëerde nieuwe arbeidsplaats die
voor het eerst wordt ingevuld tussen de
dag waarin het in paragraaf 5 bedoelde
formulier wordt overgelegd en de eerste
dag van de 36ste maand die volgt op de
maand waarop de de investering wordt
voltooid, komt in aanmerking voor deze
maatregel.
Een arbeidsplaats is slechts nieuw
indien de invulling ervan in de betrokken
inrichting het totaal aantal werknemers
en
uitzendkrachten
uitgedrukt
in
voltijdse equivalenten doet verhogen ten
opzichte van het gemiddelde aantal
werknemers
en
uitzendkrachten
Een arbeidsplaats is slechts nieuw
indien de invulling ervan in de betrokken
inrichting het totaal aantal werknemers
en
uitzendkrachten
uitgedrukt
in
voltijdse equivalenten doet verhogen ten
opzichte van het gemiddelde aantal
werknemers
en
uitzendkrachten
330
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
uitgedrukt in voltijdse equivalenten over
de twaalf maanden voorafgaand aan de
maand waarin het in paragraaf 5
bedoelde formulier wordt overgelegd,
vermeerderd met de andere door de
investering reeds gecreëerde nieuwe
arbeidsplaatsen uitgedrukt in voltijdse
equivalenten.
uitgedrukt in voltijdse equivalenten over
de twaalf maanden voorafgaand aan de
maand waarin het in paragraaf 5
bedoelde formulier wordt overgelegd,
vermeerderd met de andere door de
investering reeds gecreëerde nieuwe
arbeidsplaatsen uitgedrukt in voltijdse
equivalenten.
In geval van een overname van in § 3,
tweede
lid,
bedoelde
materiële
of
immateriële vaste activa worden alle
arbeidsplaatsen als nieuw beschouwd.
In geval van een overname van in § 3,
tweede
lid,
bedoelde
materiële
of
immateriële vaste activa worden alle
arbeidsplaatsen als nieuw beschouwd.
Uitsluitend de bezoldigingen die ten
gevolge van de invulling van deze
nieuwe arbeidsplaats binnen de twee
jaar vanaf het ogenblik van initiële
invulling worden uitbetaald, komen in
aanmerking voor deze maatregel.
Uitsluitend de bezoldigingen die ten
gevolge van de invulling van deze
nieuwe arbeidsplaats binnen de twee
jaar vanaf het ogenblik van initiële
invulling worden uitbetaald, komen in
aanmerking voor deze maatregel.
Om de vrijstelling van doorstorting van
de
bedrijfsvoorheffing
te
verkrijgen,
moet de schuldenaar het bewijs leveren
dat wordt voldaan aan de voorwaarden
gesteld in deze paragraaf en paragraaf
1 van respectievelijk dit artikel of artikel
2759 en het ter beschikking houden van
de Federale Overheidsdienst Financiën.
De Koning bepaalt de nadere regels
voor het leveren van dit bewijs.
Om de vrijstelling van doorstorting van
de
bedrijfsvoorheffing
te
verkrijgen,
moet de schuldenaar het bewijs leveren
dat wordt voldaan aan de voorwaarden
gesteld in deze paragraaf en paragraaf
1 van respectievelijk dit artikel of artikel
2759 en het ter beschikking houden van
de Federale Overheidsdienst Financiën.
De Koning bepaalt de nadere regels
voor het leveren van dit bewijs.
§ 5. Alvorens de in § 1, eerste lid,
vermelde vrijstelling van doorstorting te
kunnen verkrijgen, moet de werkgever
ten laatste in de derde maand na de
voltooiing van de investering een door
de
Koning
(1) opgesteld formulier
overleggen waarin de nodige gegevens
of verklaringen worden afgeleverd met
betrekking tot de identiteit en activiteit
van
de
werkgever,
de
opzet
en
uitvoering van de investering, de datum
van de aanvang en verwachte of
effectieve voltooiing van de investering
en in voorkomend geval de voor de
investering aangevraagde of verleende
gewestelijke steun. In het formulier
beschrijft de werkgever de verwachte
bijkomende arbeidsplaatsen waarbij het
verband tussen deze arbeidsplaatsen
§ 5. Alvorens de in § 1, eerste lid,
vermelde vrijstelling van doorstorting te
kunnen verkrijgen, moet de werkgever
ten laatste in de derde maand na de
voltooiing van de investering een door
de
Koning
(1) opgesteld formulier
overleggen waarin de nodige gegevens
of verklaringen worden afgeleverd met
betrekking tot de identiteit en activiteit
van
de
werkgever,
de
opzet
en
uitvoering van de investering, de datum
van de aanvang en verwachte of
effectieve voltooiing van de investering
en in voorkomend geval de voor de
investering aangevraagde of verleende
gewestelijke steun. In het formulier
beschrijft de werkgever de verwachte
bijkomende arbeidsplaatsen waarbij het
verband tussen deze arbeidsplaatsen
331
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
en de investering wordt aangetoond. In
het
formulier
raamt
de
werkgever
eveneens de loonkosten die verbonden
zijn aan deze verwachte bijkomende
arbeidsplaatsen en berekent hierop de
vrijstelling van doorstorting die op deze
lonen zal worden toegepast. In het geval
de werkgever de toepassing van artikel
2758 vraagt, wordt het overeenkomstig
artikel
2758,
§
2,
vastgestelde
jaargemiddelde
van
het
personeelsbestand, jaaromzet en het
jaarlijkse balanstotaal vermeld van de
werkgever en in voorkomend geval van
de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde
vennootschap die de investering heeft
verricht, die betrekking hebben op de in
artikel 2758, § 2, eerste lid bedoelde
belastbare tijdperken.
en de investering wordt aangetoond. In
het
formulier
raamt
de
werkgever
eveneens de loonkosten die verbonden
zijn aan deze verwachte bijkomende
arbeidsplaatsen en berekent hierop de
vrijstelling van doorstorting die op deze
lonen zal worden toegepast. In het geval
de werkgever de toepassing van artikel
2758 vraagt, wordt het overeenkomstig
artikel
2758,
§
2,
vastgestelde
jaargemiddelde
van
het
personeelsbestand, jaaromzet en het
jaarlijkse balanstotaal vermeld van de
werkgever en in voorkomend geval van
de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde
vennootschap die de investering heeft
verricht, die betrekking hebben op de in
artikel 2758, § 2, eerste lid bedoelde
belastbare tijdperken.
In het geval van toepassing van
paragraaf 1, vierde lid, of artikel 2759, §
1 vierde lid, vermeldt de werkgever in
het formulier de naam, het adres en het
ondernemingsnummer
van
de
vennootschap die de investering verricht
en levert de werkgever het bewijs dat
deze vennootschap deel uitmaakt van
de groep van vennootschappen waartoe
hij zelf behoort.
In het geval van toepassing van
paragraaf 1, vierde lid, of artikel 2759, §
1 vierde lid, vermeldt de werkgever in
het formulier de naam, het adres en het
ondernemingsnummer
van
de
vennootschap die de investering verricht
en levert de werkgever het bewijs dat
deze vennootschap deel uitmaakt van
de groep van vennootschappen waartoe
hij zelf behoort.
Met de aanvang van de investering
wordt
hetzij
de
start
van
de
bouwwerkzaamheden bedoeld, hetzij de
eerste juridisch bindende toezegging om
uitrusting te bestellen, hetzij een andere
toezegging
die
de
investering
onomkeerbaar maakt, naargelang wat
als eerste plaatsvindt. De aankoop van
gronden
en
voorbereidende
werkzaamheden zoals het verkrijgen
van vergunningen en de uitvoering van
voorbereidende
haalbaarheidsstudies
worden niet als aanvang van de
investering beschouwd. Bij overnames
is de aanvang van de investering het
tijdstip van de verwerving van de activa
die rechtstreeks met de overgenomen
inrichting verband houden.
Met de aanvang van de investering
wordt
hetzij
de
start
van
de
bouwwerkzaamheden bedoeld, hetzij de
eerste juridisch bindende toezegging om
uitrusting te bestellen, hetzij een andere
toezegging
die
de
investering
onomkeerbaar maakt, naargelang wat
als eerste plaatsvindt. De aankoop van
gronden
en
voorbereidende
werkzaamheden zoals het verkrijgen
van vergunningen en de uitvoering van
voorbereidende
haalbaarheidsstudies
worden niet als aanvang van de
investering beschouwd. Bij overnames
is de aanvang van de investering het
tijdstip van de verwerving van de activa
die rechtstreeks met de overgenomen
inrichting verband houden.
332
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Met de voltooiing van de investering
wordt het tijdstip bedoeld waarop deze
investering effectief door de werkgever
in gebruik wordt genomen.
Met de voltooiing van de investering
wordt het tijdstip bedoeld waarop deze
investering effectief door de werkgever
in gebruik wordt genomen.
De vrijstelling van doorstorting wordt
niet
verleend
indien
niet
wordt
aangetoond dat de nieuw gecreëerde
arbeidsplaatsen betrekking hebben op
de investering.
De vrijstelling van doorstorting wordt
niet
verleend
indien
niet
wordt
aangetoond dat de nieuw gecreëerde
arbeidsplaatsen betrekking hebben op
de investering.
Een
formulier
is
slechts
geldig
overgelegd indien :
Een
formulier
is
slechts
geldig
overgelegd indien :
- uit de op het formulier vermelde
gegevens of uit de aan het formulier
toegevoegde bijlagen voldoende blijkt
dat de werkgever of de door de
werkgever verrichte investering zich
binnen het toepassingsgebied bevindt
van paragrafen 1 tot en met 3 van
respectievelijk dit artikel of artikel 2759;
- uit de op het formulier vermelde
gegevens of uit de aan het formulier
toegevoegde bijlagen voldoende blijkt
dat de werkgever of de door de
werkgever verrichte investering zich
binnen het toepassingsgebied bevindt
van paragrafen 1 tot en met 3 van
respectievelijk dit artikel of artikel 2759;
- de effectieve voltooiing van de
investering heeft plaatsgevonden voor
het verstrijken van de zesde maand die
volgt op de op het formulier vermelde
maand waarin de voltooiing van de
investering wordt verwacht.
- de effectieve voltooiing van de
investering heeft plaatsgevonden voor
het verstrijken van de zesde maand die
volgt op de op het formulier vermelde
maand waarin de voltooiing van de
investering wordt verwacht.
Art. 2759, § 1, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 2759, § 1, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die
een
in
§
3
bedoelde
investering
verrichten in een inrichting, gelegen in
een steunzone die is opgenomen in de
A groep van het door de Koning
genomen besluit ter uitvoering van
artikel 16 van de wet van 15 mei 2014
houdende uitvoering van het pact voor
competitiviteit,
werkgelegenheid
en
relance, die op geldige wijze een
formulier als bedoeld in artikel 2758, § 5,
hebben overgelegd, die bezoldigingen
betalen of toekennen, en die krachtens
artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de
bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen
§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die
een
in
§
3
bedoelde
investering
verrichten in een inrichting, gelegen in
een steunzone die is opgenomen in de
A groep van het door de Koning
genomen besluit ter uitvoering van
artikel 16 van de wet van 15 mei 2014
houdende uitvoering van het pact voor
competitiviteit,
werkgelegenheid
en
relance, die op geldige wijze een
formulier als bedoeld in artikel 2758, § 5,
hebben overgelegd, die bezoldigingen
betalen of toekennen, en die krachtens
artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de
bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen
333
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
worden ervan tijdelijk vrijgesteld 25 pct.
van de bedrijfsvoorheffing die betrekking
heeft op de in artikel 2758, § 4, bedoelde
bezoldigingen in de Schatkist te storten,
op
voorwaarde
dat
de
genoemde
voorheffing
volledig
op
die
bezoldigingen wordt ingehouden.
worden ervan tijdelijk vrijgesteld 25 pct.
van de bedrijfsvoorheffing die betrekking
heeft op de in artikel 2758, § 4, bedoelde
bezoldigingen in de Schatkist te storten,
op
voorwaarde
dat
de
genoemde
voorheffing
volledig
op
die
bezoldigingen wordt ingehouden.
Deze vrijstelling van doorstorting van
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast
op
de
belastbare
bezoldigingen
van
werknemers
waarvoor reeds een andere vrijstelling
van
doorstorting
van
de
bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de
artikelen 2751, 2752, 2753, 2754 en 2756
wordt toegepast.
Deze vrijstelling van doorstorting van
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast
op
de
belastbare
bezoldigingen
van
werknemers
waarvoor reeds een andere vrijstelling
van
doorstorting
van
de
bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de
artikelen 2751, 2752, 2753, 2754 en 2756
wordt toegepast.
Deze vrijstelling van doorstorting van de
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast door een werkgever waarvoor
een bevel tot terugvordering uitstaat
ingevolge een besluit van de Commissie
die een door een lidstaat verleende
steun onrechtmatig en onverenigbaar
met de interne markt heeft verklaard.
Deze vrijstelling van doorstorting van de
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast door een werkgever waarvoor
een bevel tot terugvordering uitstaat
ingevolge een besluit van de Commissie
die een door een lidstaat verleende
steun onrechtmatig en onverenigbaar
met de interne markt heeft verklaard.
De vrijstelling van doorstorting wordt
definitief
toegestaan
nadat
de
werkgever of de in het achtste lid
bedoelde onderneming die erkend is
voor uitzendarbeid, in een bijlage aan
zijn aangifte in de inkomstenbelasting
die betrekking heeft op het vijfde
aanslagjaar volgend op het aanslagjaar
verbonden aan het belastbaar tijdperk
binnen hetwelk de door de investering
gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is
ingevuld, aantoont dat deze nieuwe
arbeidsplaats gedurende ten minste vijf
jaar
behouden
is
gebleven
en
gedurende deze periode heeft voldaan
aan de voorwaarde bedoeld in artikel
2758, § 4, tweede lid. Het model van de
bijlage wordt door de minister die
bevoegd is voor Financiën of zijn
afgevaardigde vastgesteld.
De vrijstelling van doorstorting wordt
definitief
toegestaan
nadat
de
werkgever of de in het achtste lid
bedoelde onderneming die erkend is
voor uitzendarbeid, in een bijlage aan
zijn aangifte in de inkomstenbelasting
die betrekking heeft op het vijfde
aanslagjaar volgend op het aanslagjaar
verbonden aan het belastbaar tijdperk
binnen hetwelk de door de investering
gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is
ingevuld, aantoont dat deze nieuwe
arbeidsplaats gedurende ten minste vijf
jaar
behouden
is
gebleven
en
gedurende deze periode heeft voldaan
aan de voorwaarde bedoeld in artikel
2758, § 4, tweede lid. Het model van de
bijlage wordt door de minister die
bevoegd is voor Financiën of zijn
afgevaardigde vastgesteld.
Indien de werkgever of de in het achtste
lid bedoelde onderneming die erkend is
voor uitzendarbeid, bij het verstrijken
Indien de werkgever of de in het achtste
lid bedoelde onderneming die erkend is
voor uitzendarbeid, bij het verstrijken
334
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van de in het vierde lid vermelde
aangiftetermijn niet heeft aangetoond
dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaats
gedurende de in het vierde lid bedoelde
minimale behoudstermijn van vijf jaar
behouden
is
gebleven,
wordt
de
bedrijfsvoorheffing die krachtens het
eerste
lid
werd
vrijgesteld
van
doorstorting
aangemerkt
als
verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de
maand binnen dewelke deze minimale
behoudstermijn is verstreken.
van de in het vierde lid vermelde
aangiftetermijn niet heeft aangetoond
dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaats
gedurende de in het vierde lid bedoelde
minimale behoudstermijn van vijf jaar
behouden
is
gebleven,
wordt
de
bedrijfsvoorheffing die krachtens het
eerste
lid
werd
vrijgesteld
van
doorstorting
aangemerkt
als
verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de
maand binnen dewelke deze minimale
behoudstermijn is verstreken.
De vrijstelling van doorstorting is per
investering beperkt tot een maximum
van 7,5 miljoen euro. Dit maximum
wordt evenwel verminderd met het
geheel van bedrijfsvoorheffing waarvoor
de werkgever in toepassing van dit
artikel werd vrijgesteld van doorstorting
en van het geheel van de door een
gewest aan de werkgever toegekende
investeringssteun, in de mate dat:
De vrijstelling van doorstorting is per
investering beperkt tot een maximum
van 7,5 miljoen euro. Dit maximum
wordt evenwel verminderd met het
geheel van bedrijfsvoorheffing waarvoor
de werkgever in toepassing van dit
artikel werd vrijgesteld van doorstorting
en van het geheel van de door een
gewest aan de werkgever toegekende
investeringssteun, in de mate dat:
- deze vrijstelling of steun betrekking
heeft op een investering die in hetzelfde
bestuurlijk arrondissement werd verricht
als de in het eerste lid bedoelde
investering, en;
- deze vrijstelling of steun betrekking
heeft op een investering die in hetzelfde
bestuurlijk arrondissement werd verricht
als de in het eerste lid bedoelde
investering, en;
- deze vrijstelling of steun betrekking
heeft op een investering waarvan de
aanvang is gestart in de loop van drie
jaar voor de aanvang van de investering
waarvan de datum door de werkgever
werd verstrekt in het formulier bedoeld
in artikel 2758, § 5.
- deze vrijstelling of steun betrekking
heeft op een investering waarvan de
aanvang is gestart in de loop van drie
jaar voor de aanvang van de investering
waarvan de datum door de werkgever
werd verstrekt in het formulier bedoeld
in artikel 2758, § 5.
Voor de toepassing van het zesde lid
wordt elke vennootschap die verbonden
is met de werkgever, in de zin van
artikel
11
van
het
Wetboek
van
vennootschappen
gelijkgesteld
met
deze werkgever.
Voor de toepassing van het zesde lid
wordt elke vennootschap die verbonden
is met de werkgever, in de zin van
artikel 1:20 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
gelijkgesteld met deze werkgever.
Een onderneming die erkend is voor
uitzendarbeid, die één of meerdere
uitzendkrachten ter beschikking stelt
van de in het eerste lid vermelde
werkgever,
en
die
voor
deze
uitzendkrachten bezoldigingen uitbetaalt
Een onderneming die erkend is voor
uitzendarbeid, die één of meerdere
uitzendkrachten ter beschikking stelt
van de in het eerste lid vermelde
werkgever,
en
die
voor
deze
uitzendkrachten bezoldigingen uitbetaalt
335
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
die
voldoen
aan
de
voorwaarden
bedoeld in artikel 2758, § 4, kan in de
plaats van deze werkgever de tijdelijke
vrijstelling
van
doorstorting
van
bedrijfsvoorheffing
verkrijgen.
In
dit
geval leveren zowel de werkgever als
de onderneming die erkend is voor
uitzendarbeid het bewijs bedoeld in
artikel 2758, § 4, vijfde lid.
die
voldoen
aan
de
voorwaarden
bedoeld in artikel 2758, § 4, kan in de
plaats van deze werkgever de tijdelijke
vrijstelling
van
doorstorting
van
bedrijfsvoorheffing
verkrijgen.
In
dit
geval leveren zowel de werkgever als
de onderneming die erkend is voor
uitzendarbeid het bewijs bedoeld in
artikel 2758, § 4, vijfde lid.
Art. 27510 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 27510 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
De in het tweede lid omschreven
werkgevers
die
bezoldigingen
van
werknemers betalen of toekennen en
die
krachtens
artikel
270,
1°,
schuldenaar
zijn
van
de
bedrijfsvoorheffing
op
deze
bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld
10 pct. van die bedrijfsvoorheffing in de
Schatkist te storten, op voorwaarde dat
de genoemde voorheffing volledig op
die bezoldigingen wordt ingehouden.
De in het tweede lid omschreven
werkgevers
die
bezoldigingen
van
werknemers betalen of toekennen en
die
krachtens
artikel
270,
1°,
schuldenaar
zijn
van
de
bedrijfsvoorheffing
op
deze
bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld
10 pct. van die bedrijfsvoorheffing in de
Schatkist te storten, op voorwaarde dat
de genoemde voorheffing volledig op
die bezoldigingen wordt ingehouden.
Dit
artikel
is
van
toepassing
op
werkgevers die aan alle onderstaande
voorwaarden tegelijk voldoen :
Dit
artikel
is
van
toepassing
op
werkgevers die aan alle onderstaande
voorwaarden tegelijk voldoen :
1°
de
werkgever
valt
onder
het
toepassingsgebied van de wet van 5
december
1968
betreffende
de
collectieve arbeidsovereenkomsten en
de paritaire comités;
1°
de
werkgever
valt
onder
het
toepassingsgebied van de wet van 5
december
1968
betreffende
de
collectieve arbeidsovereenkomsten en
de paritaire comités;
2° de werkgever wordt aangemerkt als
kleine vennootschap op grond van
artikel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van
vennootschappen
of
is
een
natuurlijke
persoon
die
op
overeenkomstige wijze beantwoordt aan
de criteria van het voormelde artikel 15,
§§ 1 tot 6;
2° de werkgever wordt aangemerkt als
kleine vennootschap op grond van
artikel 1:24, §§ 1 tot 6 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen of is een natuurlijke
persoon die op overeenkomstige wijze
beantwoordt aan de criteria van het
voormelde artikel 1:24, §§ 1 tot 6;
3° de werkgever is sinds ten hoogste 48
maanden
ingeschreven
in
de
Kruispuntbank van Ondernemingen; de
termijn van 48 maanden vangt aan op
de eerste dag van de maand volgend op
3° de werkgever is sinds ten hoogste 48
maanden
ingeschreven
in
de
Kruispuntbank van Ondernemingen; de
termijn van 48 maanden vangt aan op
de eerste dag van de maand volgend op
336
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
die inschrijving.
die inschrijving.
Wanneer
de
werkgever
een
werkzaamheid voortzet die voorheen
werd uitgeoefend door een natuurlijke
persoon of een andere rechtspersoon,
vangt de termijn van 48 maanden
vermeld in het tweede lid, 3°, aan op de
eerste dag van de maand volgend op de
eerste inschrijving in de Kruispuntbank
van Ondernemingen door die natuurlijke
of rechtspersoon.
Wanneer
de
werkgever
een
werkzaamheid voortzet die voorheen
werd uitgeoefend door een natuurlijke
persoon of een andere rechtspersoon,
vangt de termijn van 48 maanden
vermeld in het tweede lid, 3°, aan op de
eerste dag van de maand volgend op de
eerste inschrijving in de Kruispuntbank
van Ondernemingen door die natuurlijke
of rechtspersoon.
Het
in
het
eerste
lid
vermelde
percentage wordt verhoogd tot 20 pct.
wanneer de werkgever op het einde van
het
belastbaar
tijdperk
een
microvennootschap is in de zin van
artikel 15/1 van het Wetboek van
vennootschappen
of
een
natuurlijk
persoon is die op overeenkomstige
wijze beantwoordt aan de criteria van
het voormelde artikel 15/1.
Het
in
het
eerste
lid
vermelde
percentage wordt verhoogd tot 20 pct.
wanneer de werkgever op het einde van
het
belastbaar
tijdperk
een
microvennootschap is in de zin van
artikel 1:25 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen of
een
natuurlijk
persoon
is
die
op
overeenkomstige wijze beantwoordt aan
de criteria van het voormelde artikel
1:25.
De vrijstelling van doorstorting van de
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast door een werkgever :
De vrijstelling van doorstorting van de
bedrijfsvoorheffing
kan
niet
worden
toegepast door een werkgever :
- waarvoor een aangifte of vordering tot
faillietverklaring is ingesteld of waarvan
het beheer van het actief geheel of ten
dele is ontnomen zoals bepaald in de
artikelen 7 en 8 van de faillissementswet
van 8 augustus 1997;
- waarvoor een aangifte of vordering tot
faillietverklaring is ingesteld of waarvan
het beheer van het actief geheel of ten
dele is ontnomen zoals bepaald in de
artikelen 7 en 8 van de faillissementswet
van 8 augustus 1997;
-
waarvoor
een
procedure
van
gerechtelijke reorganisatie is geopend
zoals bedoeld in artikel 23 van de wet
van 31 januari 2009 betreffende de
continuïteit van de ondernemingen;
-
waarvoor
een
procedure
van
gerechtelijke reorganisatie is geopend
zoals bedoeld in artikel 23 van de wet
van 31 januari 2009 betreffende de
continuïteit van de ondernemingen;
- die een ontbonden vennootschap is en
zich in staat van vereffening bevindt.
- die een ontbonden vennootschap is en
zich in staat van vereffening bevindt.
De Koning bepaalt de formaliteiten die
moeten
worden
vervuld
voor
de
toepassing van dit artikel.
De Koning bepaalt de formaliteiten die
moeten
worden
vervuld
voor
de
toepassing van dit artikel.
337
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Art. 305 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 305 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Belastingplichtigen
die
aan
de
personenbelasting,
aan
de
vennootschapsbelasting
of
aan
de
rechtspersonenbelasting
zijn
onderworpen, zomede de in artikel 227
beoogde belastingplichtigen waarvoor
overeenkomstig de artikelen 232 tot 234
en 248, §§ 2 en 3 de belasting wordt
gevestigd, zijn gehouden ieder jaar aan
de administratie belast met de vestiging
van
de
inkomstenbelastingen
een
aangifte over te leggen in de vormen en
binnen de termijnen omschreven in de
artikelen 307 tot 311.
Belastingplichtigen
die
aan
de
personenbelasting,
aan
de
vennootschapsbelasting
of
aan
de
rechtspersonenbelasting
zijn
onderworpen, zomede de in artikel 227
beoogde belastingplichtigen waarvoor
overeenkomstig de artikelen 232 tot 234
en 248, §§ 2 en 3 de belasting wordt
gevestigd, zijn gehouden ieder jaar aan
de administratie belast met de vestiging
van
de
inkomstenbelastingen
een
aangifte over te leggen in de vormen en
binnen de termijnen omschreven in de
artikelen 307 tot 311.
Indien de belastingplichtige overleden of
wettelijk
onbekwaam
is,
rust
de
verplichting tot aangifte in het eerste
geval op de erfgenamen, algemene
legatarissen
of
begiftigden,
in
het
tweede
geval
op
de
wettelijke
vertegenwoordiger.
Indien de belastingplichtige overleden of
wettelijk
onbekwaam
is,
rust
de
verplichting tot aangifte in het eerste
geval op de erfgenamen, algemene
legatarissen
of
begiftigden,
in
het
tweede
geval
op
de
wettelijke
vertegenwoordiger.
Bij de zonder vereffening ontbonden
vennootschappen in het kader van een
fusie, een aan een fusie gelijkgestelde
verrichting of een splitsing als bedoeld
in de artikelen 671 tot en met 677 van
het Wetboek van vennootschappen, of
een
gelijkaardige
vennootschapsrechtelijke
verrichting
onder
buitenlands
recht,
rust
de
verplichting tot aangifte naargelang het
geval
op
de
overnemende
vennootschap of op de verkrijgende
vennootschappen.
Bij
de
andere
ontbonden vennootschappen rust deze
verplichting op de vereffenaars.
Bij de zonder vereffening ontbonden
vennootschappen in het kader van een
fusie, een aan een fusie gelijkgestelde
verrichting of een splitsing of een
andere ontbinding zonder verdeling
van
het
gehele
maatschappelijke
vermogen, rust de verplichting tot
aangifte naargelang het geval op de
overnemende vennootschap of op de
verkrijgende vennootschappen. Bij de
andere
ontbonden
vennootschappen
rust
deze
verplichting
op
de
vereffenaars.
Belastingplichtigen
die
niet
kunnen
lezen, noch ondertekenen, mogen hun
aangifte
laten
invullen
door
de
personeelsleden van de aanslagdienst
waaronder zij ressorteren, mits zij de
vereiste inlichtingen verstrekken. In dat
geval wordt van deze omstandigheid
melding gemaakt in de aangifte en
Belastingplichtigen
die
niet
kunnen
lezen, noch ondertekenen, mogen hun
aangifte
laten
invullen
door
de
personeelsleden van de aanslagdienst
waaronder zij ressorteren, mits zij de
vereiste inlichtingen verstrekken. In dat
geval wordt van deze omstandigheid
melding gemaakt in de aangifte en
338
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
wordt
deze
ondertekend
door
het
personeelslid die ze ingevuld heeft.
wordt
deze
ondertekend
door
het
personeelslid die ze ingevuld heeft.
De
aangiften
mogen
ook
worden
overgelegd door een lasthebber, die
alsdan van de algemene lastgeving
krachtens welke hij optreedt moet doen
blijken.
De
aangiften
mogen
ook
worden
overgelegd door een lasthebber, die
alsdan van de algemene lastgeving
krachtens welke hij optreedt moet doen
blijken.
Art. 307 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 307 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De aangifte wordt gedaan op een
formulier waarvan het model door de
Koning wordt vastgesteld en dat wordt
uitgereikt door de door de Koning
aangewezen dienst.
§ 1. De aangifte wordt gedaan op een
formulier waarvan het model door de
Koning wordt vastgesteld en dat wordt
uitgereikt door de door de Koning
aangewezen dienst.
§ 1/1. De jaarlijkse aangifte in de
personenbelasting moet het volgende
vermelden :
§ 1/1. De jaarlijkse aangifte in de
personenbelasting moet het volgende
vermelden :
a) het bestaan van rekeningen van elke
aard waarvan de belastingplichtige, zijn
echtgenoot,
alsmede
de
kinderen
waarvan, overeenkomstig artikel 126, §
4, de inkomsten bij die van de ouders
worden gevoegd, op enigerlei ogenblik
tijdens het belastbaar tijdperk titularis
zijn geweest bij een in het buitenland
gelegen bank-, wissel-, krediet- of
spaarinstelling, evenals van rekeningen
waarvoor deze personen gemachtigd
zijn geweest deze, op enigerlei ogenblik
tijdens
het
belastbaar
tijdperk,
te
beheren en waarvan één of meerdere in
artikel
5/2
bedoelde
verenigingen
titularis zijn geweest bij een in het
buitenland
gelegen
bank-,
wissel-,
krediet- of spaar-instelling, en het land
of de landen waar die rekeningen
geopend zijn geweest;
a) het bestaan van rekeningen van elke
aard waarvan de belastingplichtige, zijn
echtgenoot,
alsmede
de
kinderen
waarvan, overeenkomstig artikel 126, §
4, de inkomsten bij die van de ouders
worden gevoegd, op enigerlei ogenblik
tijdens het belastbaar tijdperk titularis
zijn geweest bij een in het buitenland
gelegen bank-, wissel-, krediet- of
spaarinstelling, evenals van rekeningen
waarvoor deze personen gemachtigd
zijn geweest deze, op enigerlei ogenblik
tijdens
het
belastbaar
tijdperk,
te
beheren en waarvan één of meerdere in
artikel
5/2
bedoelde
verenigingen
titularis zijn geweest bij een in het
buitenland
gelegen
bank-,
wissel-,
krediet- of spaar-instelling, en het land
of de landen waar die rekeningen
geopend zijn geweest;
b) het bestaan van de door de
belastingplichtige of zijn echtgenoot
alsmede door de kinderen waarover hij
overeenkomstig artikel 376 van het
Burgerlijk Wetboek het ouderlijk gezag
uitoefent, individueel gesloten levens-
b) het bestaan van de door de
belastingplichtige of zijn echtgenoot
alsmede door de kinderen waarover hij
overeenkomstig artikel 376 van het
Burgerlijk Wetboek het ouderlijk gezag
uitoefent, individueel gesloten levens-
339
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
verzekeringsovereenkomsten bij een in
het buitenland gevestigde verzekerings-
onderneming en van het land of de
landen
waar
deze
overeenkomsten
afgesloten werden;
verzekeringsovereenkomsten bij een in
het buitenland gevestigde verzekerings-
onderneming en van het land of de
landen
waar
deze
overeenkomsten
afgesloten werden;
c) het bestaan van een juridische
constructie
waarvan
de
belastingplichtige, zijn echtgenoot of de
kinderen waarover hij het ouderlijk
gezag uitoefent overeenkomstig artikel
376 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij
een
oprichter
van
de
juridische
constructie
is,
hetzij
tijdens
het
belastbaar tijdperk een dividend of op
het even welke wijze enig ander
voordeel van een juridische constructie
heeft verkregen;
c) het bestaan van een juridische
constructie
waarvan
de
belastingplichtige, zijn echtgenoot of de
kinderen waarover hij het ouderlijk
gezag uitoefent overeenkomstig artikel
376 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij
een
oprichter
van
de
juridische
constructie
is,
hetzij
tijdens
het
belastbaar tijdperk een dividend of op
het even welke wijze enig ander
voordeel van een juridische constructie
heeft verkregen;
d) het aantal leningen bedoeld in artikel
21,
eerste
lid,
13°,
die
belastingplichtigen die onderworpen zijn
aan
de
personenbelasting
hebben
afgesloten in hun hoedanigheid van
kredietgever
d) het aantal leningen bedoeld in artikel
21,
eerste
lid,
13°,
die
belastingplichtigen die onderworpen zijn
aan
de
personenbelasting
hebben
afgesloten in hun hoedanigheid van
kredietgever
e) het bestaan van meerdere in artikel
152, 1°, a) van het Wetboek diverse
rechten
en
taksen
bedoelde
effectenrekeningen
waarvan
de
belastingplichtige titularis is als bedoeld
in
artikel
152,
5°,
van
hetzelfde
Wetboek.
e) het bestaan van meerdere in artikel
152, 1°, a) van het Wetboek diverse
rechten
en
taksen
bedoelde
effectenrekeningen
waarvan
de
belastingplichtige titularis is als bedoeld
in
artikel
152,
5°,
van
hetzelfde
Wetboek.
Ten laatste gelijktijdig met de indiening
van de aangifte waarin het bestaan van
in
het
eerste
lid,
a,
bedoelde
buitenlandse rekeningen wordt vermeld,
moeten
de
nummers
van
die
rekeningen, de benaming van de bank-,
wissel-, krediet- of spaarinstelling en het
land of de landen waar die rekeningen
geopend zijn geweest, worden gemeld
bij het in artikel 322, § 3, bedoelde
centraal
aanspreekpunt,
tenzij
die
melding reeds is gebeurd in een vorig
aanslagjaar. De Koning bepaalt de
nadere regels voor deze mededeling en
de bewaringstermijn van de bedoelde
gegevens. Het formulier van aangifte in
de personenbelasting bevat de nodige
Ten laatste gelijktijdig met de indiening
van de aangifte waarin het bestaan van
in
het
eerste
lid,
a,
bedoelde
buitenlandse rekeningen wordt vermeld,
moeten
de
nummers
van
die
rekeningen, de benaming van de bank-,
wissel-, krediet- of spaarinstelling en het
land of de landen waar die rekeningen
geopend zijn geweest, worden gemeld
bij het in artikel 322, § 3, bedoelde
centraal
aanspreekpunt,
tenzij
die
melding reeds is gebeurd in een vorig
aanslagjaar. De Koning bepaalt de
nadere regels voor deze mededeling en
de bewaringstermijn van de bedoelde
gegevens. Het formulier van aangifte in
de personenbelasting bevat de nodige
340
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
rubrieken
om
het
bestaan
van
buitenlandse rekeningen te melden en
om te bevestigen dat de nummers van
die rekeningen zijn aangemeld bij het
genoemde aanspreekpunt.
rubrieken
om
het
bestaan
van
buitenlandse rekeningen te melden en
om te bevestigen dat de nummers van
die rekeningen zijn aangemeld bij het
genoemde aanspreekpunt.
Wanneer een rijksinwoner artikel 21,
eerste lid, 14°, wenst toe te passen voor
dividenden waarvoor in toepassing van
artikel 261 roerende voorheffing is
ingehouden, vraagt hij de verrekening
en, desgevallend, de terugbetaling van
die roerende voorheffing in zijn aangifte
in
de
personenbelasting
voor
het
belastbare
tijdperk
waarin
die
dividenden
werden
betaald
of
toegekend. Deze vraag wordt gestaafd
met bewijsstukken, die ter beschikking
worden gehouden van de administratie.
Wanneer een rijksinwoner artikel 21,
eerste lid, 14°, wenst toe te passen voor
dividenden waarvoor in toepassing van
artikel 261 roerende voorheffing is
ingehouden, vraagt hij de verrekening
en, desgevallend, de terugbetaling van
die roerende voorheffing in zijn aangifte
in
de
personenbelasting
voor
het
belastbare
tijdperk
waarin
die
dividenden
werden
betaald
of
toegekend. Deze vraag wordt gestaafd
met bewijsstukken, die ter beschikking
worden gehouden van de administratie.
De Koning bepaalt de manier waarop
het in het eerste lid bedoelde bewijs
wordt geleverd.
De Koning bepaalt de manier waarop
het in het eerste lid bedoelde bewijs
wordt geleverd.
§
1/2.
De
belastingplichtigen
onderworpen
aan
de
vennootschapsbelasting
of,
overeenkomstig artikel 227, 2°, aan de
belasting
van
niet-inwoners,
zijn
gehouden aangifte te doen van alle
betalingen
die
zij
rechtstreeks
of
onrechtstreeks hebben gedaan aan
personen of vaste inrichtingen gevestigd
of
gelegen
in
een
Staat,
op
bankrekeningen die worden beheerd
door of aangehouden bij één van deze
personen of vaste inrichtingen in een
Staat, of op bankrekeningen die worden
beheerd
door
of
aangehouden
bij
kredietinstellingen gevestigd of met een
vaste inrichting in een Staat die :
§
1/2.
De
belastingplichtigen
onderworpen
aan
de
vennootschapsbelasting
of,
overeenkomstig artikel 227, 2°, aan de
belasting
van
niet-inwoners,
zijn
gehouden aangifte te doen van alle
betalingen
die
zij
rechtstreeks
of
onrechtstreeks hebben gedaan aan
personen of vaste inrichtingen gevestigd
of
gelegen
in
een
Staat,
op
bankrekeningen die worden beheerd
door of aangehouden bij één van deze
personen of vaste inrichtingen in een
Staat, of op bankrekeningen die worden
beheerd
door
of
aangehouden
bij
kredietinstellingen gevestigd of met een
vaste inrichting in een Staat die :
a) ofwel op het ogenblik waarop de
betaling heeft plaatsgevonden, door het
Mondiaal Forum inzake transparantie en
uitwisseling
van
inlichtingen
in
belastingaangelegen-heden,
werd
aangemerkt als een Staat die niet
effectief of substantieel de standaard op
het gebied van de uitwisseling van
a) ofwel op het ogenblik waarop de
betaling heeft plaatsgevonden, door het
Mondiaal Forum inzake transparantie en
uitwisseling
van
inlichtingen
in
belastingaangelegen-heden,
werd
aangemerkt als een Staat die niet
effectief of substantieel de standaard op
het gebied van de uitwisseling van
341
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
inlichtingen op verzoek toepast;
inlichtingen op verzoek toepast;
b) ofwel voorkomt op de lijst van Staten
zonder of met een lage belasting.
b) ofwel voorkomt op de lijst van Staten
zonder of met een lage belasting.
Voor de toepassing van het eerste lid
wordt onder Staat verstaan, een door de
meerderheid van de leden van de
Verenigde
Naties
erkende
onafhankelijke Staat of een deel van
deze Staat dat op autonome wijze
bevoegd is om de grondslag of het tarief
van de vennootschapsbelasting, geheel
of gedeeltelijk, te bepalen en wordt
onder een Staat zonder of met een lage
belasting verstaan een Staat die geen
deel
uitmaakt
van
de
Europese
Economische Ruimte en :
Voor de toepassing van het eerste lid
wordt onder Staat verstaan, een door de
meerderheid van de leden van de
Verenigde
Naties
erkende
onafhankelijke Staat of een deel van
deze Staat dat op autonome wijze
bevoegd is om de grondslag of het tarief
van de vennootschapsbelasting, geheel
of gedeeltelijk, te bepalen en wordt
onder een Staat zonder of met een lage
belasting verstaan een Staat die geen
deel
uitmaakt
van
de
Europese
Economische Ruimte en :
- die geen vennootschapsbelasting heft,
op
inkomsten
van
binnenlandse
oorsprong
of
van
buitenlandse
oorsprong of;
- die geen vennootschapsbelasting heft,
op
inkomsten
van
binnenlandse
oorsprong
of
van
buitenlandse
oorsprong of;
- waarvan het nominale tarief van de
vennootschapsbelasting lager is dan 10
pct. of;
- waarvan het nominale tarief van de
vennootschapsbelasting lager is dan 10
pct. of;
-
waarvan
het
tarief
van
de
vennootschapsbelasting dat met de
werkelijke belastingdruk op inkomsten
van
buitenlandse
oorsprong
overeenstemt lager is dan 15 pct.
-
waarvan
het
tarief
van
de
vennootschapsbelasting dat met de
werkelijke belastingdruk op inkomsten
van
buitenlandse
oorsprong
overeenstemt lager is dan 15 pct.
De lijst van Staten zonder of met een
lage belasting wordt bepaald bij een
koninklijk besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad. Deze lijst wordt
herzien bij koninklijk besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad.
De lijst van Staten zonder of met een
lage belasting wordt bepaald bij een
koninklijk besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad. Deze lijst wordt
herzien bij koninklijk besluit vastgesteld
na overleg in de Ministerraad.
De in het eerste lid bedoelde aangifte
moet slechts worden gedaan voor zover
het totaal van de betalingen die tijdens
het belastbaar tijdperk werden gedaan,
een minimum bedrag van 100 000 euro
bereikt. De aangifte wordt gedaan op
een formulier waarvan het model door
de
Koning
wordt
vastgesteld
en
gevoegd bij de in artikel 305, eerste lid,
De in het eerste lid bedoelde aangifte
moet slechts worden gedaan voor zover
het totaal van de betalingen die tijdens
het belastbaar tijdperk werden gedaan,
een minimum bedrag van 100 000 euro
bereikt. De aangifte wordt gedaan op
een formulier waarvan het model door
de
Koning
wordt
vastgesteld
en
gevoegd bij de in artikel 305, eerste lid,
342
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bedoelde aangifte.
bedoelde aangifte.
§ 1/3. De jaarlijkse aangifte in de
rechtspersonenbelasting vermeldt het
bestaan van een juridische constructie
hetzij waarvan de belastingplichtige een
oprichter
is,
hetzij
waarvan
de
belastingplichtige tijdens het belastbaar
tijdperk een dividend of op het even
welke wijze enig ander voordeel heeft
verkregen.
§ 1/3. De jaarlijkse aangifte in de
rechtspersonenbelasting vermeldt het
bestaan van een juridische constructie
hetzij waarvan de belastingplichtige een
oprichter
is,
hetzij
waarvan
de
belastingplichtige tijdens het belastbaar
tijdperk een dividend of op het even
welke wijze enig ander voordeel heeft
verkregen.
§ 1/4. In het geval in de aangifte in de
personenbelasting
of
de
rechtspersonenbelasting het bestaan
wordt
vermeld
van
een
juridische
constructie, worden de volledige naam,
de
rechtsvorm,
het
adres
en
in
voorkomend
geval
het
identificatienummer van de juridische
constructie vermeld. In het geval het
een in artikel 2, § 1, 13°, a), bedoelde
juridische constructie betreft, waarvan
het bestaan wordt vermeld door de
oprichter van de juridische constructie,
worden eveneens de naam en het adres
van de beheerder van deze juridische
constructie vermeld.
§ 1/4. In het geval in de aangifte in de
personenbelasting
of
de
rechtspersonenbelasting het bestaan
wordt
vermeld
van
een
juridische
constructie, worden de volledige naam,
de
rechtsvorm,
het
adres
en
in
voorkomend
geval
het
identificatienummer van de juridische
constructie vermeld. In het geval het
een in artikel 2, § 1, 13°, a), bedoelde
juridische constructie betreft, waarvan
het bestaan wordt vermeld door de
oprichter van de juridische constructie,
worden eveneens de naam en het adres
van de beheerder van deze juridische
constructie vermeld.
§ 1/5. Wanneer een in artikel 227, 1°,
bedoelde niet-inwoner, artikel 21, eerste
lid, 14°, wenst toe te passen voor
dividenden waarvoor in toepassing van
artikel 261 roerende voorheffing is
ingehouden en die werden betaald of
toegekend in een belastbaar tijdperk
waartoe ook inkomsten behoren die hij
overeenkomstig de artikelen 232 en
248, §§ 2 en 3, regulariseert in een
aangifte in de belasting van niet-
inwoners, vraagt hij de verrekening en,
desgevallend, de terugbetaling van die
roerende voorheffing in zijn aangifte in
de belasting van niet-inwoners voor het
betreffende belastbare tijdperk. Deze
vraag
wordt
gestaafd
met
bewijsstukken,
die
ter
beschikking
worden gehouden van de administratie.
§ 1/5. Wanneer een in artikel 227, 1°,
bedoelde niet-inwoner, artikel 21, eerste
lid, 14°, wenst toe te passen voor
dividenden waarvoor in toepassing van
artikel 261 roerende voorheffing is
ingehouden en die werden betaald of
toegekend in een belastbaar tijdperk
waartoe ook inkomsten behoren die hij
overeenkomstig de artikelen 232 en
248, §§ 2 en 3, regulariseert in een
aangifte in de belasting van niet-
inwoners, vraagt hij de verrekening en,
desgevallend, de terugbetaling van die
roerende voorheffing in zijn aangifte in
de belasting van niet-inwoners voor het
betreffende belastbare tijdperk. Deze
vraag
wordt
gestaafd
met
bewijsstukken,
die
ter
beschikking
worden gehouden van de administratie.
§
1/6.
De
belastingplichtigen
onderworpen aan de belasting van niet-
§
1/6.
De
belastingplichtigen
onderworpen aan de belasting van niet-
343
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
inwoners als bedoeld in artikel 227, 1°,
vermelden in de jaarlijkse aangifte het
bestaan van meerdere in artikel 152, 1°,
a) van het Wetboek diverse rechten en
taksen
bedoelde
effectenrekeningen
waarvan de belastingplichtige titularis is
als bedoeld in artikel 152, 5°, van
hetzelfde Wetboek.
inwoners als bedoeld in artikel 227, 1°,
vermelden in de jaarlijkse aangifte het
bestaan van meerdere in artikel 152, 1°,
a) van het Wetboek diverse rechten en
taksen
bedoelde
effectenrekeningen
waarvan de belastingplichtige titularis is
als bedoeld in artikel 152, 5°, van
hetzelfde Wetboek.
De Koning bepaalt de manier waarop
het in het eerste lid bedoelde bewijs
wordt geleverd.
De Koning bepaalt de manier waarop
het in het eerste lid bedoelde bewijs
wordt geleverd.
§ 2. Het formulier wordt ingevuld
overeenkomstig de daarin voorkomende
aanduidingen,
gewaarmerkt,
gedagtekend en ondertekend.
§ 2. Het formulier wordt ingevuld
overeenkomstig de daarin voorkomende
aanduidingen,
gewaarmerkt,
gedagtekend en ondertekend.
Wanneer
de
belastingplichtige
zijn
aangifte, tijdens een bezoek ten kantore
of op een tot dat doeleinde door de
bevoegde administratie van de Federale
Overheidsdienst Financiën vastgestelde
plaats, met behulp van een ambtenaar
van die administratie indient, moet hij de
in het eerste lid bedoelde waarmerking,
dagtekening
en
ondertekening
aanbrengen op een van de twee
exemplaren die de ambtenaar heeft
gemaakt
nadat
hij
de
door
de
belastingplichtige
aangegeven
inkomsten en andere gegevens heeft
ingebracht in de computerbestanden
van de administratie via tax-on-web. Het
aldus gewaarmerkte, gedagtekende en
ondertekende exemplaar wordt ofwel
overhandigd
aan
de
voornoemde
ambtenaar, ofwel toegestuurd aan de
dienst die voorkomt op het genoemde
aangifteformulier.
Het
tweede
exemplaar van de afdruk van de
gegevens is een kopie ten behoeve van
de belastingplichtige.
Wanneer
de
belastingplichtige
zijn
aangifte, tijdens een bezoek ten kantore
of op een tot dat doeleinde door de
bevoegde administratie van de Federale
Overheidsdienst Financiën vastgestelde
plaats, met behulp van een ambtenaar
van die administratie indient, moet hij de
in het eerste lid bedoelde waarmerking,
dagtekening
en
ondertekening
aanbrengen op een van de twee
exemplaren die de ambtenaar heeft
gemaakt
nadat
hij
de
door
de
belastingplichtige
aangegeven
inkomsten en andere gegevens heeft
ingebracht in de computerbestanden
van de administratie via tax-on-web. Het
aldus gewaarmerkte, gedagtekende en
ondertekende exemplaar wordt ofwel
overhandigd
aan
de
voornoemde
ambtenaar, ofwel toegestuurd aan de
dienst die voorkomt op het genoemde
aangifteformulier.
Het
tweede
exemplaar van de afdruk van de
gegevens is een kopie ten behoeve van
de belastingplichtige.
§
2/1.
Bij
de
aangifte
in
de
vennootschapsbelasting
en
de
belasting van niet-inwoners voor wat
betreft
belastingplichtigen
zoals
bedoeld in artikel 227, 2°, moet de
jaarrekening zoals bedoeld in artikel
344
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Als de vennootschap gehouden is
dergelijke jaarrekening te publiceren,
moet de gepubliceerde jaarrekening
niet bij de aangifte worden gevoegd.
Zij wordt niettemin geacht deel uit te
maken van de aangifte.
§ 3. De bescheiden, opgaven en
inlichtingen waarvan de overlegging in
het formulier wordt gevraagd, vormen
een integrerend deel van de aangifte en
moeten worden bijgevoegd.
§ 3. De bescheiden, opgaven en
inlichtingen waarvan de overlegging in
het formulier wordt gevraagd, vormen
een integrerend deel van de aangifte en
moeten worden bijgevoegd.
Afschriften moeten eensluidend met het
oorspronkelijk stuk worden verklaard ;
andere
bij
de
aangifte
gevoegde
stukken moeten worden gewaarmerkt,
gedagtekend
en
ondertekend,
behoudens
indien
zij
uitgaan
van
derden.
Afschriften moeten eensluidend met het
oorspronkelijk stuk worden verklaard ;
andere
bij
de
aangifte
gevoegde
stukken moeten worden gewaarmerkt,
gedagtekend
en
ondertekend,
behoudens
indien
zij
uitgaan
van
derden.
De nomenclatuur en het model van de
in het eerste lid bedoelde bescheiden,
opgaven
en
inlichtingen
worden
vastgesteld in overleg met de meest
representatieve
organisaties
uit
de
nijverheid, de landbouw, de handel en
het
ambachtswezen
en
de
meest
representatieve
werknemersorganisaties.
De nomenclatuur en het model van de
in het eerste lid bedoelde bescheiden,
opgaven
en
inlichtingen
worden
vastgesteld in overleg met de meest
representatieve
organisaties
uit
de
nijverheid, de landbouw, de handel en
het
ambachtswezen
en
de
meest
representatieve
werknemersorganisaties.
§
4.
De
aangifte
moet
worden
teruggezonden of afgegeven aan de
dienst die op het formulier is vermeld.
De aangifte in de personenbelasting
moet worden teruggezonden aan de
dienst die op het formulier is vermeld.
§
4.
De
aangifte
moet
worden
teruggezonden of afgegeven aan de
dienst die op het formulier is vermeld.
De aangifte in de personenbelasting
moet worden teruggezonden aan de
dienst die op het formulier is vermeld.
§ 5. De belastingplichtige kan onder de
door de Koning bepaalde voorwaarden
de in het aangifteformulier gevraagde
gegevens eveneens verstrekken bij
middel van computerafdrukken of van
elektronische informatiedragers.
§ 5. De belastingplichtige kan onder de
door de Koning bepaalde voorwaarden
de in het aangifteformulier gevraagde
gegevens eveneens verstrekken bij
middel van computerafdrukken of van
elektronische informatiedragers.
Art. 310 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 310 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Voor binnenlandse vennootschappen of Voor binnenlandse vennootschappen of
345
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
aan
de
rechtspersonenbelasting
onderworpen rechtspersonen, zomede
voor belastingplichtigen die ingevolge
de artikelen 246 en 247 aan de
belasting
van
niet-inwoners
zijn
onderworpen, mag de termijn binnen
welke de aangifte bij de op het formulier
vermelde dienst moet toekomen, niet
korter zijn dan één maand vanaf de
datum waarop hetzij de jaarrekening
hetzij de rekening der ontvangsten en
uitgaven zijn of is goedgekeurd, noch
langer zijn dan zes maanden vanaf de
datum
waarop
het
boekjaar
is
afgesloten.
aan
de
rechtspersonenbelasting
onderworpen rechtspersonen, zomede
voor belastingplichtigen die ingevolge
de artikelen 246 en 247 aan de
belasting
van
niet-inwoners
zijn
onderworpen, mag de termijn binnen
welke de aangifte bij de op het formulier
vermelde dienst moet toekomen, niet
korter zijn dan één maand vanaf de
datum waarop hetzij de jaarrekening
hetzij de rekening der ontvangsten en
uitgaven zijn of is goedgekeurd, noch
langer zijn dan zes maanden vanaf de
datum
waarop
het
boekjaar
is
afgesloten.
Bij de zonder vereffening ontbonden
vennootschappen ten gevolge van een
fusie, een aan een fusie gelijkgestelde
verrichting
of
een
splitsing
zoals
bedoeld in de artikelen 671 tot en met
677
van
het
Wetboek
van
vennootschappen, of een gelijkaardige
vennootschapsrechtelijke
verrichting
onder buitenlands recht mag die termijn
niet korter zijn dan één maand vanaf de
datum van de goedkeuring van deze
verrichting
door
de
algemene
vergaderingen
van
alle
vennootschappen die tot de fusie, de
aan een fusie gelijkgestelde verrichting
of een splitsing zoals bedoeld in de
artikelen 671 tot en met 677 van het
Wetboek van vennootschappen, of een
gelijkaardige
vennootschapsrechtelijke
verrichting
onder
buitenlands
recht
hebben, noch langer zijn dan zes
maanden vanaf de datum van deze
verrichting.
“, of die een andere ontbinding zonder
verdeling
van
het
gehele
maatschappelijke
vermogen
hebben
doorgevoerd
Bij de zonder vereffening ontbonden
vennootschappen ten gevolge van een
fusie, een aan een fusie gelijkgestelde
verrichting of een splitsing, of een
andere ontbinding zonder verdeling
van
het
gehele
maatschappelijke
vermogen mag die termijn niet korter
zijn dan één maand vanaf de datum van
de goedkeuring van deze verrichting
door de algemene vergaderingen van
alle vennootschappen die tot de fusie,
de
aan
een
fusie
gelijkgestelde
verrichting
of
een
splitsing
de
verrichting hebben, noch langer zijn
dan zes maanden vanaf de datum van
deze verrichting.
Bij
de
andere
ontbonden
vennootschappen mag die termijn niet
korter zijn dan één maand vanaf de
datum van de goedkeuring van de
resultaten van de vereffening, noch
langer zijn dan zes maanden vanaf de
laatste dag van het tijdperk waarop de
resultaten betrekking hebben.
Bij
de
andere
ontbonden
vennootschappen mag die termijn niet
korter zijn dan één maand vanaf de
datum van de goedkeuring van de
resultaten van de vereffening, noch
langer zijn dan zes maanden vanaf de
laatste dag van het tijdperk waarop de
resultaten betrekking hebben.
346
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 320/1 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 320/1 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art.
320/1.
Elke
binnenlandse
vennootschap, alsook elke in artikel
227, 2°, bedoelde belastingplichtige
die winst in de zin van artikel 228, § 2,
3°, voortbrengt door middel van een
in artikel 229 bedoelde Belgische
inrichting is ertoe gehouden, met het
oog op het bepalen en het nazien van
zijn
fiscale
toestand,
een
boekhouding
te
voeren,
een
inventaris op te stellen en een
jaarrekening
bij
te
houden
overeenkomstig
het
Belgische
boekhoudrecht dat van toepassing is
op ondernemingen die aan dat recht
zijn onderworpen, een gelijkaardige
rechtsvorm
hebben
en
dezelfde
activiteit
uitoefenen.
Indien
de
belastingplichtige aan de belasting
der niet-inwoners onderworpen is,
zijn deze verplichtingen beperkt tot
de
verrichtingen,
bezittingen,
rechten,
vorderingen,
schulden,
verplichtingen van welke aard ook
die
verbonden
zijn
aan
bovenvermelde Belgische inrichting.
Voor
de
toepassing
van
deze
bepalingen, wordt de binnenlandse
vennootschap
die
door
een
buitenlands recht wordt beheerst
gelijkgesteld met een commanditaire
vennootschap als tenminste een van
de vennoten aansprakelijk is voor de
schulden van de venootschap in
minstens dezelfde mate als een
beherende vennoot.
De Koning kan de volledige of
gedeeltelijke vrijstellingen van de in
het
eerste
lid
bedoelde
boekhoudkundige
verplichtingen
voorzien, in de mate dat deze niet
noodzakelijk zijn voor de controle en
vaststelling van de belastbare basis.
347
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Art. 357 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 357 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Voor de toepassing van de artikelen 355
en
356
worden
met
dezelfde
belastingschuldige gelijkgesteld :
Voor de toepassing van de artikelen 355
en
356
worden
met
dezelfde
belastingschuldige gelijkgesteld :
1°
de
erfgenamen
van
de
belastingschuldige ;
1°
de
erfgenamen
van
de
belastingschuldige ;
2° zijn echtgenoot ;
2° zijn echtgenoot ;
3° de overnemende of de verkrijgende
vennootschappen,
naar
gelang
het
geval ;
3°
naargelang
het
geval,
de
vennootschap
die
een
fusie,
splitsing,
verrichting
gelijkgesteld
met een fusie of andere ontbinding
zonder verdeling van het gehele
maatschappelijke
vermogen
heeft
doorgevoerd en de opslorpende of
verkrijgende vennootschap of de
verkrijgende vennootschappen;
4°
de
leden
van
het
gezin,
de
vennootschap, de vereniging of de
gemeenschap waarvan het hoofd of de
directeur
oorspronkelijk
werd
aangeslagen en wederkerig.
4°
de
leden
van
het
gezin,
de
vennootschap, de vereniging of de
gemeenschap waarvan het hoofd of de
directeur, de aandeelhouders of de
vennoten
oorspronkelijk
werden
aangeslagen en wederkerig.
Art. 364 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 364 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
In
burgerlijke
vennootschappen
en
verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid wordt het geheel
van de winst of de baten, geacht aan de
vennoten of leden te zijn toegekend op
de datum van de afsluiting van de
jaarrekening waarop het betrekking
heeft of op 31 december van het jaar bij
gebreke van een boekhouding ; het deel
van de niet uitgekeerde winst of baten
dat geacht wordt aan ieder lid te zijn
toegekend,
wordt
vastgesteld
overeenkomstig de bepalingen van het
contract
of
de
overeenkomst
van
associatie of nog, bij gebreke daarvan,
volgens het hoofdelijk aandeel.
In vennootschappen en verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid
als
bedoeld in artikel 29 wordt het geheel
van de winst of de baten, geacht aan de
vennoten of leden te zijn toegekend op
de datum van de afsluiting van de
jaarrekening waarop het betrekking
heeft of op 31 december van het jaar bij
gebreke van een boekhouding ; het deel
van de niet uitgekeerde winst of baten
dat geacht wordt aan ieder lid te zijn
toegekend,
wordt
vastgesteld
overeenkomstig de bepalingen van het
contract
of
de
overeenkomst
van
associatie of nog, bij gebreke daarvan,
volgens het hoofdelijk aandeel.
348
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 365 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 365 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Ingeval
een
vennootschap
wordt
overgenomen of gesplitst in het kader
van een fusie, een aan een fusie
gelijkgestelde verrichting of een splitsing
als bedoeld in de artikelen 671 tot en
met
677
van
het
Wetboek
van
vennootschappen, of een gelijkaardige
vennootschapsrechtelijke
verrichting
onder buitenlands recht, wordt de
aanslag met betrekking tot belastbare
inkomsten
behaald
door
de
overgenomen
of
gesplitste
vennootschap
tot
en
met
de
voornoemde
verrichting,
binnen
de
termijnen bepaald in dit hoofdstuk,
gevestigd
ten
name
van
de
overnemende
vennootschap
of
de
verkrijgende vennootschappen zelfs op
een tijdstip waarop de overgenomen of
gesplitste
vennootschap
als
rechtspersoon niet langer bestaat.
Ingeval
een
vennootschap
wordt
overgenomen of gesplitst in het kader
van een fusie, een aan een fusie
gelijkgestelde
verrichting
of
een
splitsing,
of
het
voorwerp
heeft
uitgemaakt
van
een
andere
ontbinding zonder gehele verdeling
van het maatschappelijke vermogen,
mag de aanslag met betrekking tot
belastbare inkomsten behaald door de
vennootschap die het voorwerp heeft
uitgemaakt van de verrichting tot en
met de voornoemde verrichting, binnen
de termijnen bepaald in dit hoofdstuk,
ook gevestigd worden ten name van
de
overnemende
of
verkrijgende
vennootschap
of
de
verkrijgende
vennootschappen vanaf het tijdstip
waarop de vennootschap die het
voorwerp heeft uitgemaakt van de
verrichting
als
rechtspersoon
niet
langer bestaat.
Art. 399 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 399 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
De
invordering
van
de
belasting
gevestigd ten name van de vennoten of
leden
van
de
burgerlijke
vennootschappen
en
verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid
kan
rechtstreeks ten laste van de burgerlijke
vennootschap of vereniging worden
vervolgd
in
zover
die
belasting
proportioneel overeenstemt met het
aandeel van de vennoten of leden in de
niet-uitgekeerde winst of baten van die
vennootschappen of verenigingen.
De
invordering
van
de
belasting
gevestigd ten name van de vennoten of
leden van de vennootschappen en
verenigingen
zonder
rechtspersoonlijkheid als bedoeld in
artikel 29 kan rechtstreeks ten laste van
de
burgerlijke
vennootschap
of
vereniging worden vervolgd in zover die
belasting proportioneel overeenstemt
met het aandeel van de vennoten of
leden in de niet-uitgekeerde winst of
baten van die vennootschappen of
verenigingen.
Art. 399ter van het Wetboek van de Art. 399ter van het Wetboek van de
349
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
inkomstenbelastingen 1992
inkomstenbelastingen 1992
De invordering van de belasting van een
met toepassing van de artikelen 673 tot
en met 675 van het Wetboek van
vennootschappen
of
van
een
gelijkaardige
vennootschapsrechtelijke
verrichting
onder
buitenlands
recht
gesplitste vennootschap gevestigd ten
name
van
de
verkrijgende
vennootschappen
wordt,
behoudens
afwijkende vermeldingen in de akte die
de verrichting vaststelt, verricht ten
name van de verschillende verkrijgende
vennootschappen
na
rato
van
de
werkelijke waarde van het netto actief
dat ze elk ontvangen hebben.
De invordering van de belasting van
een vennootschap die het voorwerp
heeft uitgemaakt van een fusie,
splitsing,
verrichting
gelijkgesteld
met een fusie of andere ontbinding
zonder verdeling van het gehele
maatschappelijk vermogen, en die is
gevestigd ten name van, naargelang
het geval, de vennootschap die het
voorwerp van de verrichting heeft
uitgemaakt,
de
opslorpende
of
verkrijgende vennootschap of de
verkrijgende
vennootschappen,
wordt ook verricht, naargelang het
geval, ten name van de opslorpende
of verkrijgende vennootschap of van
de verkrijgende vennootschappen en,
in
dit
laatste
geval
behoudens
afwijkende vermeldingen in de akte
die de verrichting vaststelt, ten name
van de verschillende verkrijgende
vennootschappen naar rato van de
werkelijke waarde van het netto actief
dat ze elk ontvangen hebben.
Art. 399quater van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Art. 399quater van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
De invordering van de belasting
gevestigd
ten
name
van
vennootschappen zoals bedoeld in
artikel 2, § 1, 5°, a, eerste lid, tweede
streepje, kan rechtstreeks ten laste
van de aandeelhouders of vennoten
worden
vervolgd
in
zover
die
belasting proportioneel overeenstemt
met
het
aandeel
van
die
aandeelhouders of vennoten in het
kapitaal.
Art. 402, § 5, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 402, § 5, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§5. De in dit artikel vermelde hoofdelijke
aansprakelijkheid geldt ook voor de
§5. De in dit artikel vermelde hoofdelijke
aansprakelijkheid geldt ook voor de
350
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
belastingschulden van de vennoten van
een tijdelijke handelsvennootschap, een
stille
handelsvennootschap
of
een
maatschap die optreedt als aannemer of
onderaannemer.
belastingschulden van de vennoten van
een
maatschap
die
optreedt
als
aannemer of onderaannemer.
Art. 405, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 405, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
De
vennoten
van
een
tijdelijke
handelsvennootschap,
een
stille
handelsvennootschap of een maatschap
zijn onderling hoofdelijk aansprakelijk
voor de betaling van de sommen die in
uitvoering van de artikelen 402 tot 404
door de tijdelijke handelsvennootschap,
de stille handelsvennootschap of de
maatschap verschuldigd zijn.
De vennoten van een maatschap zijn
onderling hoofdelijk aansprakelijk voor
de betaling van de sommen die in
uitvoering van de artikelen 402 tot 404
door de maatschap verschuldigd zijn.
Art. 413/1 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 413/1 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. De in paragraaf 2 beoogde keuze
tussen de onmiddellijke betaling en de
gespreide
betaling
is
enkel
van
toepassing
op
het
resterend
verschuldigd
gedeelte
van
de
inkomstenbelastingen
gevestigd
op
basis van de volgende inkomsten:
§ 1. De in paragraaf 2 beoogde keuze
tussen de onmiddellijke betaling en de
gespreide
betaling
is
enkel
van
toepassing
op
het
resterend
verschuldigd
gedeelte
van
de
inkomstenbelastingen
gevestigd
op
basis van de volgende inkomsten:
1° de in artikel 28, eerste lid, 1°, en
artikel
228,
§
2,
5°,
bedoelde
stopzettingsmeerwaarden, voor zover
aan de voorwaarden van artikel 46, § 1,
eerste lid, 2°, en tweede lid, wordt
voldaan en voor zover de ingebrachte
goederen aangewend blijven op de
maatschappelijke zetel van een intra-
Europese vennootschap of binnen een
buitenlandse inrichting van een intra-
Europese vennootschap gevestigd in
een andere lidstaat van de Europese
Unie of in een andere lidstaat van de
Europese
Economische
Ruimte
waarmee België een van toepassing
zijnde
overeenkomst
heeft
die
in
wederzijdse
invorderingsbijstand
1° de in artikel 28, eerste lid, 1°, en
artikel
228,
§
2,
5°,
bedoelde
stopzettingsmeerwaarden, voor zover
aan de voorwaarden van artikel 46, § 1,
eerste lid, 2°, en tweede lid, wordt
voldaan en voor zover de ingebrachte
goederen aangewend blijven in de
Staat van de fiscale woonplaats van
een intra-Europese vennootschap of
binnen een buitenlandse inrichting van
een
intra-Europese
vennootschap
gevestigd in een andere lidstaat van de
Europese Unie of in een andere lidstaat
van de Europese Economische Ruimte
waarmee België een van toepassing
zijnde
overeenkomst
heeft
die
in
wederzijdse
invorderingsbijstand
351
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
voorziet;
voorziet;
1°/1 de in artikel 185/1 bedoelde
meerwaarde;
1°/1 de in artikel 185/1 bedoelde
meerwaarde;
2° het gedeelte van het maatschappelijk
vermogen dat als uitgekeerd dividend
wordt aangemerkt ten gevolge van de
overdracht als bedoeld in artikel 210, §
1, 4°, van de maatschappelijke zetel, de
voornaamste inrichting of de zetel van
bestuur of beheer naar een andere
lidstaat van de Europese Unie of naar
een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte waarmee België
een
van
toepassing
zijnde
overeenkomst heeft die in wederzijdse
bijstand voor de invordering voorziet en
in de mate dat dit dividend voortvloeit uit
de meerwaarden op de ten gevolge van
de
verrichting
overgedragen
bestanddelen, die aangewend worden
en
behouden
blijven
op
de
maatschappelijke zetel, de voornaamste
inrichting of de zetel van bestuur of
beheer van de vennootschap of binnen
een
buitenlandse
inrichting
die
gevestigd is in een andere lidstaat van
de Europese Unie of in een andere
lidstaat van de Europese Economische
Ruimte
waarmee
België
een
van
toepassing zijnde overeenkomst heeft
die in wederzijdse invorderingsbijstand
voorziet;
2° het gedeelte van het maatschappelijk
vermogen dat als uitgekeerd dividend
wordt aangemerkt ten gevolge van de
overdracht als bedoeld in artikel 210, §
1, 4°, van de voornaamste inrichting of
de zetel van bestuur of beheer naar een
andere lidstaat van de Europese Unie of
naar een andere lidstaat van de
Europese
Economische
Ruimte
waarmee België een van toepassing
zijnde
overeenkomst
heeft
die
in
wederzijdse bijstand voor de invordering
voorziet en in de mate dat dit dividend
voortvloeit uit de meerwaarden op de
ten
gevolge
van
de
verrichting
overgedragen
bestanddelen,
die
aangewend worden en behouden blijven
in de fiscale woonplaats van de
vennootschap
of
binnen
een
buitenlandse
inrichting
van
deze
vennootschap die gevestigd zijn in
een andere lidstaat van de Europese
Unie of in een andere lidstaat van de
Europese
Economische
Ruimte
waarmee België een van toepassing
zijnde
overeenkomst
heeft
die
in
wederzijdse
invorderingsbijstand
voorziet;
3° het gedeelte van het maatschappelijk
vermogen dat als uitgekeerd dividend
wordt aangemerkt ten gevolge van een
fusie, een splitsing, een met fusie door
overneming gelijkgestelde verrichting of
een met een splitsing gelijkgestelde
verrichting, en waarop de bepalingen
van artikel 211 van toepassing zijn en in
de mate dat dit dividend voortvloeit uit
de meerwaarden op de ten gevolge van
de verrichting verkregen bestanddelen,
die aangewend worden en behouden
blijven op de maatschappelijke zetel van
een
vennootschap
of
binnen
een
buitenlandse inrichting die gevestigd zijn
3° het gedeelte van het maatschappelijk
vermogen dat als uitgekeerd dividend
wordt aangemerkt ten gevolge van een
fusie, een splitsing, een met fusie door
overneming gelijkgestelde verrichting of
een met een splitsing gelijkgestelde
verrichting, en waarop de bepalingen
van artikel 211 van toepassing zijn en in
de mate dat dit dividend voortvloeit uit
de meerwaarden op de ten gevolge van
de verrichting verkregen bestanddelen,
die aangewend worden en behouden
blijven in de fiscale woonplaats van
een
vennootschap
of
binnen
een
buitenlandse
inrichting
van
deze
352
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
in een andere lidstaat van de Europese
Unie of in een andere lidstaat van de
Europese
Economische
Ruimte
waarmee België een van toepassing
zijnde
overeenkomst
heeft
die
in
wederzijdse
invorderingsbijstand
voorziet;
vennootschap die gevestigd zijn in een
andere lidstaat van de Europese Unie of
in een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte waarmee België
een
van
toepassing
zijnde
overeenkomst heeft die in wederzijdse
invorderingsbijstand voorziet;
4° de in artikel 228, § 2, 3°, bedoelde
meerwaarde die wordt vastgesteld of
verwezenlijkt naar aanleiding van een
verrichting bedoeld in de inleidende zin
van artikel 231, § 2, eerste lid, door een
in
artikel
229
bedoelde
Belgische
inrichting, in de mate dat het een
meerwaarde betreft op de ten gevolge
van
de
verrichting
verkregen
bestanddelen, die aangewend worden
en
behouden
blijven
op
de
maatschappelijke
zetel
van
een
vennootschap
of
een
buitenlandse
inrichting van deze vennootschap die
gevestigd zijn in een andere lidstaat van
de Europese Unie of in een andere
lidstaat van de Europese Economische
Ruimte
waarmee
België
een
van
toepassing zijnde overeenkomst heeft
die in wederzijdse invorderingsbijstand
voorziet;
4° de in artikel 228, § 2, 3°, bedoelde
meerwaarde die wordt vastgesteld of
verwezenlijkt naar aanleiding van een
verrichting bedoeld in de inleidende zin
van artikel 231, § 2, eerste lid, door een
in
artikel
229
bedoelde
Belgische
inrichting, in de mate dat het een
meerwaarde betreft op de ten gevolge
van
de
verrichting
verkregen
bestanddelen, die aangewend worden
en behouden blijven in de fiscale
woonplaats van een vennootschap of
een buitenlandse inrichting van deze
vennootschap die gevestigd zijn in een
andere lidstaat van de Europese Unie of
in een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte waarmee België
een
van
toepassing
zijnde
overeenkomst heeft die in wederzijdse
invorderingsbijstand voorziet;
5° de in artikel 228, § 2, 3°bis, bedoelde
meerwaarde die wordt verwezenlijkt
door een in artikel 229 bedoelde
Belgische
inrichting
en
wordt
vastgesteld naar aanleiding van de
onttrekking
van
bestanddelen
ten
voordele van de maatschappelijke zetel
van
een
vennootschap
of
een
buitenlandse
inrichting
van
deze
vennootschap die gevestigd zijn in een
andere lidstaat van de Europese Unie of
in een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte waarmee België
een
van
toepassing
zijnde
overeenkomst heeft die in wederzijdse
invorderingsbijstand voorziet.
5° de in artikel 228, § 2, 3°bis, bedoelde
meerwaarde die wordt verwezenlijkt
door een in artikel 229 bedoelde
Belgische
inrichting
en
wordt
vastgesteld naar aanleiding van de
onttrekking
van
bestanddelen
ten
voordele van de fiscale woonplaats
van
een
vennootschap
of
een
buitenlandse
inrichting
van
deze
vennootschap die gevestigd zijn in een
andere lidstaat van de Europese Unie of
in een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte waarmee België
een
van
toepassing
zijnde
overeenkomst heeft die in wederzijdse
invorderingsbijstand voorziet.
6°
het
gedeelte
van
het
maatschappelijk vermogen dat als
uitgekeerd
dividend
wordt
353
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
aangemerkt bij toepassing van artikel
210/1
in
het
geval
dat
de
vennootschap
niet
langer
onderworpen
is
aan
de
vennootschapsbelasting en aan de
rechtspersonenbelasting
onderworpen is.
Voor de toepassing van het eerste lid
wordt
het
resterend
verschuldigd
gedeelte van de inkomstenbelastingen
als volgt bepaald:
Voor de toepassing van het eerste lid
wordt
het
resterend
verschuldigd
gedeelte van de inkomstenbelastingen
als volgt bepaald:
- in hoofde van de in artikel 3 bedoelde
belastingplichtigen, het bedrag dat nog
verschuldigd is na toepassing van de in
artikel
444
bedoelde
belastingverhogingen en de in artikel
466 bedoelde aanvullende belastingen
en na verrekening van de in artikelen
175 tot 177 bedoelde bonificatie, de in
de artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177
bedoelde voorafbetalingen, het forfaitair
gedeelte van de buitenlandse belasting,
de
roerende
voorheffing,
de
bedrijfsvoorheffing,
de
belastingkredieten als bedoeld in de
artikelen 134, § 3 en 14535, tiende lid,
289bis, 289ter en 289ter/1, en de
gewestelijke
belastingkredieten,
vermenigvuldigd met de verhouding
tussen, enerzijds, de belasting Staat op
de in het eerste lid, 1°, bedoelde
inkomsten en, anderzijds, de som van
de belasting Staat en de belasting op de
in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3°, en 90,
eerste lid, 6°, 9° en 13°, bedoelde
inkomsten en op de meerwaarden op
roerende waarden en titels die op grond
van artikel 90, eerste lid, 1°, belastbaar
zijn.
In
geval
van
een
gemeenschappelijke aanslag wordt het
nog
verschuldigde
bedrag
en
de
hiervoor bedoelde verhouding voor de
beide echtgenoten samen bepaald;
- in hoofde van de in artikel 3 bedoelde
belastingplichtigen, het bedrag dat nog
verschuldigd is na toepassing van de in
artikel
444
bedoelde
belastingverhogingen en de in artikel
466 bedoelde aanvullende belastingen
en na verrekening van de in artikelen
175 tot 177 bedoelde bonificatie, de in
de artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177
bedoelde voorafbetalingen, het forfaitair
gedeelte van de buitenlandse belasting,
de
roerende
voorheffing,
de
bedrijfsvoorheffing,
de
belastingkredieten als bedoeld in de
artikelen 134, § 3 en 14535, tiende lid,
289bis, 289ter en 289ter/1, en de
gewestelijke
belastingkredieten,
vermenigvuldigd met de verhouding
tussen, enerzijds, de belasting Staat op
de in het eerste lid, 1°, bedoelde
inkomsten en, anderzijds, de som van
de belasting Staat en de belasting op de
in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3°, en 90,
eerste lid, 6°, 9° en 13°, bedoelde
inkomsten en op de meerwaarden op
roerende waarden en titels die op grond
van artikel 90, eerste lid, 1°, belastbaar
zijn.
In
geval
van
een
gemeenschappelijke aanslag wordt het
nog
verschuldigde
bedrag
en
de
hiervoor bedoelde verhouding voor de
beide echtgenoten samen bepaald;
- in hoofde van de in artikel 179
bedoelde belastingplichtigen, het bedrag
dat nog verschuldigd is, na toepassing
van
de
in
artikel
444
bedoelde
- in hoofde van de in artikel 179
bedoelde belastingplichtigen, het bedrag
dat nog verschuldigd is, na toepassing
van
de
in
artikel
444
bedoelde
354
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
belastingverhogingen en na verrekening
van de in de artikelen 276 tot 289 en
289quater
tot
295
bedoelde
voorafbetalingen,
voorheffingen
en
andere elementen, dat overeenstemt
met
het
gedeelte
van
de
overeenkomstig artikelen 215, 216 en
218
berekende
belastingen
naar
verhouding tot het evenredige aandeel
van de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°,
bedoelde inkomsten ten opzichte van
het geheel van de in de artikelen 215 en
216 bedoelde inkomsten;
belastingverhogingen en na verrekening
van de in de artikelen 276 tot 289 en
289quater
tot
295
bedoelde
voorafbetalingen,
voorheffingen
en
andere elementen, dat overeenstemt
met
het
gedeelte
van
de
overeenkomstig artikelen 215, 216 en
218
berekende
belastingen
naar
verhouding tot het evenredige aandeel
van de in het eerste lid, 1°, 2° en 3°,
bedoelde inkomsten ten opzichte van
het geheel van de in de artikelen 215 en
216 bedoelde inkomsten;
- in hoofde van de in artikel 227, 1°,
bedoelde belastingplichtigen, het bedrag
dat nog verschuldigd is na toepassing
van
de
in
artikel
444
bedoelde
belastingverhogingen en de in 245
bedoelde
opcentiemen
en
na
verrekening van de in artikelen 175 tot
177 bedoelde bonificatie, de in de
artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177
bedoelde voorafbetalingen, het forfaitair
gedeelte van de buitenlandse belasting,
de
roerende
voorheffing,
de
bedrijfsvoorheffing,
belastingkredieten
als bedoeld in de artikelen 134, § 3 en
14535, tiende lid, 289bis, 289ter en
289ter/1,
en,
desgevallend,
de
gewestelijke
belastingkredieten,
vermenigvuldigd met de verhouding
tussen, enerzijds, de overeenkomstig de
artikelen 130 tot 144 en 171 berekende
belasting op de in het eerste lid, 1°,
bedoelde inkomsten en, anderzijds, de
overeenkomstig
diezelfde
artikelen
berekende
belasting
op
alle
overeenkomstig de artikelen 232, eerste
lid, 2°, en 248, § 2 en § 3, aan de
belasting onderworpen inkomsten. In
geval van een gemeenschappelijke
aanslag wordt het nog verschuldigde
bedrag
en
de
hiervoor
bedoelde
verhouding voor de beide echtgenoten
samen bepaald;
- in hoofde van de in artikel 227, 1°,
bedoelde belastingplichtigen, het bedrag
dat nog verschuldigd is na toepassing
van
de
in
artikel
444
bedoelde
belastingverhogingen en de in 245
bedoelde
opcentiemen
en
na
verrekening van de in artikelen 175 tot
177 bedoelde bonificatie, de in de
artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177
bedoelde voorafbetalingen, het forfaitair
gedeelte van de buitenlandse belasting,
de
roerende
voorheffing,
de
bedrijfsvoorheffing,
belastingkredieten
als bedoeld in de artikelen 134, § 3 en
14535, tiende lid, 289bis, 289ter en
289ter/1,
en,
desgevallend,
de
gewestelijke
belastingkredieten,
vermenigvuldigd met de verhouding
tussen, enerzijds, de overeenkomstig de
artikelen 130 tot 144 en 171 berekende
belasting op de in het eerste lid, 1°,
bedoelde inkomsten en, anderzijds, de
overeenkomstig
diezelfde
artikelen
berekende
belasting
op
alle
overeenkomstig de artikelen 232, eerste
lid, 2°, en 248, § 2 en § 3, aan de
belasting onderworpen inkomsten. In
geval van een gemeenschappelijke
aanslag wordt het nog verschuldigde
bedrag
en
de
hiervoor
bedoelde
verhouding voor de beide echtgenoten
samen bepaald;
- in hoofde van de in artikel 227, 2°,
bedoelde belastingplichtigen, het bedrag
dat nog verschuldigd is, na toepassing
- in hoofde van de in artikel 227, 2°,
bedoelde belastingplichtigen, het bedrag
dat nog verschuldigd is, na toepassing
355
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
van
de
in
artikel
444
bedoelde
belastingverhogingen en na verrekening
van de in artikel 276 tot 289 en
289quater
tot
296
bedoelde
voorafbetalingen,
voorheffingen
en
andere elementen, dat overeenstemt
met
het
gedeelte
van
de
overeenkomstig artikel 246, eerste lid,
1°,
berekende
belastingen
naar
verhouding tot het evenredige aandeel
van de in het eerste lid, 4° en 5°,
bedoelde inkomsten ten opzichte van
het geheel van de in de artikelen 246,
eerste lid, 1°, bedoelde inkomsten.
van
de
in
artikel
444
bedoelde
belastingverhogingen en na verrekening
van de in artikel 276 tot 289 en
289quater
tot
296
bedoelde
voorafbetalingen,
voorheffingen
en
andere elementen, dat overeenstemt
met
het
gedeelte
van
de
overeenkomstig artikel 246, eerste lid,
1°,
berekende
belastingen
naar
verhouding tot het evenredige aandeel
van de in het eerste lid, 4° en 5°,
bedoelde inkomsten ten opzichte van
het geheel van de in de artikelen 246,
eerste lid, 1°, bedoelde inkomsten.
§
2.
Het
resterend
verschuldigd
gedeelte van de inkomstenbelastingen
gevestigd op de in paragraaf 1 beoogde
inkomsten moet worden betaald binnen
een termijn van twee maanden vanaf de
toezending van het aanslagbiljet:
§
2.
Het
resterend
verschuldigd
gedeelte van de inkomstenbelastingen
gevestigd op de in paragraaf 1 beoogde
inkomsten moet worden betaald binnen
een termijn van twee maanden vanaf de
toezending van het aanslagbiljet:
1° ofwel voor het volledige bedrag;
1° ofwel voor het volledige bedrag;
2° ofwel voor één vijfde van dit bedrag,
op
uitdrukkelijk
verzoek
van
de
belastingschuldige
binnen
dezelfde
termijn
gericht
aan
de
bevoegde
ontvanger en door middel van het in
paragraaf 4 beoogde formulier. Het
saldo wordt voldaan in gelijke termijnen
in de loop van de volgende vier jaren
ten laatste op elke verjaardatum van de
vervaldag van de eerste betaling. Het
saldo van het gedeelte van de belasting
kan op elk moment in één keer worden
betaald.
2° ofwel voor één vijfde van dit bedrag,
op
uitdrukkelijk
verzoek
van
de
belastingschuldige
binnen
dezelfde
termijn
gericht
aan
de
bevoegde
ontvanger en door middel van het in
paragraaf 4 beoogde formulier. Het
saldo wordt voldaan in gelijke termijnen
in de loop van de volgende vier jaren
ten laatste op elke verjaardatum van de
vervaldag van de eerste betaling. Het
saldo van het gedeelte van de belasting
kan op elk moment in één keer worden
betaald.
Wanneer de belastingschuldige kiest
voor de in het eerste lid bedoeld
gespreide betaling, kan deze van geen
enkele andere maatregel genieten die
het uitstel van betalingen voor dit
resterend verschuldigd gedeelte tot
gevolg heeft.
Wanneer de belastingschuldige kiest
voor de in het eerste lid bedoeld
gespreide betaling, kan deze van geen
enkele andere maatregel genieten die
het uitstel van betalingen voor dit
resterend verschuldigd gedeelte tot
gevolg heeft.
§ 3. Het in paragraaf 2 bedoeld saldo
van het resterend verschuldigd gedeelte
van de belasting moet, ten laatste op de
laatste dag van de maand volgend op
di
i
d
l
d
§ 3. Het in paragraaf 2 bedoeld saldo
van het resterend verschuldigd gedeelte
van de belasting moet, ten laatste op de
laatste dag van de maand volgend op
di
i
d
l
d
356
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
gevallen zich voordoet, geheel worden
betaald:
gevallen zich voordoet, geheel worden
betaald:
1°
de
overdracht
van
de
maatschappelijke zetel, de voornaamste
inrichting of de zetel van bestuur of
beheer van de belastingplichtige naar
een andere buitenlandse Staat dan een
lidstaat van de Europese Unie of een
lidstaat van de Europese Economische
Ruimte
waarmee
België
een
van
toepassing zijnde overeenkomst heeft
die in wederzijdse invorderingsbijstand
voorziet;
1° de overdracht van de fiscale
woonplaats van de belastingplichtige
naar een andere buitenlandse Staat dan
een lidstaat van de Europese Unie of
een
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte waarmee België
een
van
toepassing
zijnde
overeenkomst heeft die in wederzijdse
invorderingsbijstand voorziet;
2° de vervreemding van alle of een deel
van de activa;
2° de vervreemding van alle of een deel
van de activa;
3° de overdracht van alle of een deel
van
de
activa
naar
een
andere
buitenlandse Staat dan een lidstaat van
de Europese Unie of een lidstaat van de
Europese
Economische
Ruimte
waarmee België een van toepassing
zijnde
overeenkomst
heeft
die
in
wederzijdse
invorderingsbijstand
voorziet;
3° de overdracht van alle of een deel
van
de
activa
naar
een
andere
buitenlandse Staat dan een lidstaat van
de Europese Unie of een lidstaat van de
Europese
Economische
Ruimte
waarmee België een van toepassing
zijnde
overeenkomst
heeft
die
in
wederzijdse
invorderingsbijstand
voorziet;
4° de ontbinding van de vennootschap,
met uitsluiting van de ontbinding zonder
vereffening in het kader van een
verrichting onder een buitenlands recht
gelijkaardig aan een fusie, een aan een
fusie gelijkgestelde verrichting of een
splitsing als bedoeld in de artikelen 671
tot
677
van
het
Wetboek
van
vennootschappen, behalve indien de
verrichting een in punt 3° bedoelde
overdracht tot gevolg heeft;
4°
de
ontbinding
van
de
belastingplichtige, met uitsluiting van
de ontbinding zonder vereffening in het
kader van een fusie, splitsing en
verrichting
gelijkgesteld
met
een
fusie of met een splitsing, behalve
indien de verrichting een in punt 3°
bedoelde overdracht tot gevolg heeft;
5° het overlijden van de in artikel 28,
eerste
lid,
1°,
bedoelde
verkrijger
natuurlijke persoon;
5° het overlijden van de in artikel 28,
eerste
lid,
1°,
bedoelde
verkrijger
natuurlijke persoon;
6° de overdracht van de woonplaats
door de in artikel 28, eerste lid, 1°,
bedoelde verkrijger natuurlijke persoon
naar een andere buitenlandse Staat dan
een lidstaat van de Europese Unie of
een
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte waarmee België
6° de overdracht van de woonplaats
door de in artikel 28, eerste lid, 1°,
bedoelde verkrijger natuurlijke persoon
naar een andere buitenlandse Staat dan
een lidstaat van de Europese Unie of
een
lidstaat
van
de
Europese
Economische Ruimte waarmee België
357
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
een
van
toepassing
zijnde
overeenkomst heeft die in wederzijdse
invorderingsbijstand voorziet;
een
van
toepassing
zijnde
overeenkomst heeft die in wederzijdse
invorderingsbijstand voorziet;
7°
de
opening
van
een
insolventieprocedure tegen de verkrijger
van de gespreide betaling;
7°
de
opening
van
een
insolventieprocedure tegen de verkrijger
van de gespreide betaling;
8° het niet respecteren van één van de
vervaldagen van de in paragraaf 2, 2°,
bedoelde gespreide betaling;
8° het niet respecteren van één van de
vervaldagen van de in paragraaf 2, 2°,
bedoelde gespreide betaling;
9° het niet binnen de wettelijke termijnen
toesturen van het in paragraaf 4
bedoelde
ingevuld,
gedagtekend,
ondertekend en voor volledig en juist
gewaarmerkt formulier;
9° het niet binnen de wettelijke termijnen
toesturen van het in paragraaf 4
bedoelde
ingevuld,
gedagtekend,
ondertekend en voor volledig en juist
gewaarmerkt formulier;
10° het niet stellen van een waarborg ter
uitvoering
van
de
overeenkomstig
paragraaf 5 genomen beslissing van de
adviseur-generaal van de administratie
belast met de inning en de invordering
van de inkomstenbelastingen.
10° het niet stellen van een waarborg ter
uitvoering
van
de
overeenkomstig
paragraaf 5 genomen beslissing van de
adviseur-generaal van de administratie
belast met de inning en de invordering
van de inkomstenbelastingen.
§ 4. De belastingschuldige die kiest voor
de gespreide betaling, stuurt jaarlijks ten
laatste
op
de
vervaldag
van
de
betalingstermijn
aan
de
bevoegde
ontvanger een ingevuld, gedagtekend,
ondertekend en voor volledig en juist
gewaarmerkt
formulier
waaruit
de
inlichtingen
blijken
die
betrekking
hebben op de overgedragen activa
waarop
het
resterend
verschuldigd
gedeelte van de inkomstenbelasting
werd
gevestigd,
en
waarvoor,
overeenkomstig paragraaf 1, voor de
gespreide
betaling
werd
gekozen
evenals op het zich voordoen van of de
afwezigheid van oorzaken van verval.
§ 4. De belastingschuldige die kiest voor
de gespreide betaling, stuurt jaarlijks ten
laatste
op
de
vervaldag
van
de
betalingstermijn
aan
de
bevoegde
ontvanger een ingevuld, gedagtekend,
ondertekend en voor volledig en juist
gewaarmerkt
formulier
waaruit
de
inlichtingen
blijken
die
betrekking
hebben op de overgedragen activa
waarop
het
resterend
verschuldigd
gedeelte van de inkomstenbelasting
werd
gevestigd,
en
waarvoor,
overeenkomstig paragraaf 1, voor de
gespreide
betaling
werd
gekozen
evenals op het zich voordoen van of de
afwezigheid van oorzaken van verval.
De verzending van het in het eerste lid
bedoelde
formulier
heeft
van
rechtswege tot gevolg dat afstand wordt
gedaan van de op de verjaring verlopen
termijn.
De verzending van het in het eerste lid
bedoelde
formulier
heeft
van
rechtswege tot gevolg dat afstand wordt
gedaan van de op de verjaring verlopen
termijn.
Wanneer hij het saldo van het resterend
verschuldigd gedeelte van de belasting
in
één
keer
betaalt,
stuurt
de
Wanneer hij het saldo van het resterend
verschuldigd gedeelte van de belasting
in
één
keer
betaalt,
stuurt
de
358
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
belastingschuldige een laatste formulier. belastingschuldige een laatste formulier.
§ 5. De adviseur-generaal van de
administratie belast met de inning en de
invordering
van
de
inkomstenbelastingen
kan
op
elk
moment, bij gemotiveerde beslissing, en
dit op basis van het werkelijke risico van
niet-invordering, de in paragraaf 2, 2°,
bedoelde keuze voor gespreide betaling
afhankelijk stellen van een zakelijke
zekerheid
of
een
persoonlijke
borgstelling.
§ 5. De adviseur-generaal van de
administratie belast met de inning en de
invordering
van
de
inkomstenbelastingen
kan
op
elk
moment, bij gemotiveerde beslissing, en
dit op basis van het werkelijke risico van
niet-invordering, de in paragraaf 2, 2°,
bedoelde keuze voor gespreide betaling
afhankelijk stellen van een zakelijke
zekerheid
of
een
persoonlijke
borgstelling.
Binnen de maand na de kennisgeving
van de in het eerste lid bedoelde
beslissing kan de belastingschuldige
een
verhaal
inleiden
voor
de
beslagrechter van de plaats waar het
kantoor is gevestigd van de ontvanger
die belast is met de invordering van het
geheel
of
een
gedeelte
van
het
resterend
verschuldigd
gedeelte
waarvoor de garantie werd vereist.
Binnen de maand na de kennisgeving
van de in het eerste lid bedoelde
beslissing kan de belastingschuldige
een
verhaal
inleiden
voor
de
beslagrechter van de plaats waar het
kantoor is gevestigd van de ontvanger
die belast is met de invordering van het
geheel
of
een
gedeelte
van
het
resterend
verschuldigd
gedeelte
waarvoor de garantie werd vereist.
De rechtspleging geschiedt zoals in kort
geding.
De rechtspleging geschiedt zoals in kort
geding.
Art. 442bis, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 402bis, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
§ 1. Onverminderd de toepassing van
de
artikelen
433
tot
440,
is
de
overdracht
in
eigendom
of
in
vruchtgebruik, van een geheel van
goederen, samengesteld uit onder meer
elementen die het behoud van de
clientèle mogelijk maken, die voor de
uitoefening van een vrij beroep, ambt of
post of een industrieel, handels- of
landbouwbedrijf
worden
aangewend,
evenals
de
vestiging
van
een
vruchtgebruik op dezelfde goederen,
niet tegenstelbaar aan de ontvangers
dan na verloop van de maand die volgt
op die waarin een met het origineel
eensluidend afschrift van de akte tot
overdracht of vestiging ter kennis is
gebracht van de ontvanger van de
§ 1. Onverminderd de toepassing van
de
artikelen
433
tot
440,
is
de
overdracht
in
eigendom
of
in
vruchtgebruik, van een geheel van
goederen, samengesteld uit onder meer
elementen die het behoud van de
clientèle mogelijk maken, die voor de
uitoefening van een vrij beroep, ambt of
post of een industrieel, handels- of
landbouwbedrijf
worden
aangewend,
evenals
de
vestiging
van
een
vruchtgebruik op dezelfde goederen,
niet tegenstelbaar aan de ontvangers
dan na verloop van de maand die volgt
op die waarin een met het origineel
eensluidend afschrift van de akte tot
overdracht of vestiging ter kennis is
gebracht van de ontvanger van de
359
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
woonplaats of van de maatschappelijk
zetel van de overdrager.
woonplaats of van de maatschappelijk
zetel van de overdrager.
§
2.
De
overnemer
is
hoofdelijk
aansprakelijk voor de betaling van de
belastingschulden verschuldigd door de
overdrager na verloop van de in § 1
vermelde termijn, tot beloop van het
bedrag dat reeds door hem is gestort of
verstrekt, of van een bedrag dat
overeenstemt met de nominale waarde
van de aandelen die in ruil voor de
overdracht zijn toegekend vóór de
afloop van de voornoemde termijn.
§
2.
De
overnemer
is
hoofdelijk
aansprakelijk voor de betaling van de
belastingschulden verschuldigd door de
overdrager na verloop van de in § 1
vermelde termijn, tot beloop van het
bedrag dat reeds door hem is gestort of
verstrekt, of van een bedrag dat
overeenstemt met de nominale waarde
van de aandelen die in ruil voor de
overdracht zijn toegekend vóór de
afloop van de voornoemde termijn.
§ 3. De §§ 1 en 2 zijn niet van
toepassing indien de overdrager bij de
akte van overdracht een certificaat
voegt dat uitsluitend met dit doel is
opgemaakt door de in § 1 bedoelde
ontvanger binnen dertig dagen die de
kennisgeving van de overeenkomst
voorafgaan.
§ 3. De §§ 1 en 2 zijn niet van
toepassing indien de overdrager bij de
akte van overdracht een certificaat
voegt dat uitsluitend met dit doel is
opgemaakt door de in § 1 bedoelde
ontvanger binnen dertig dagen die de
kennisgeving van de overeenkomst
voorafgaan.
De uitreiking van dit certificaat is
afhankelijk van een door de overdrager
ingediende aanvraag in tweevoud bij de
bevoegde ontvanger van de woonplaats
of
maatschappelijke
zetel
van
de
overdrager.
De uitreiking van dit certificaat is
afhankelijk van een door de overdrager
ingediende aanvraag in tweevoud bij de
bevoegde ontvanger van de woonplaats
of
maatschappelijke
zetel
van
de
overdrager.
Het certificaat wordt geweigerd door de
ontvanger indien op de dag van de
aanvraag
de
overdrager
bedragen
verschuldigd blijft als belastingen en
voorheffingen,
in
hoofdsom
en
opcentiemen,
intresten,
belastingverhogingen,
belastingboetes
of bijkomende kosten of indien de
aanvraag
is
ingediend
na
de
aankondiging
van
of
tijdens
een
belastingonderzoek of na het verzenden
van een vraag om inlichtingen met
betrekking tot zijn belastingstoestand.
Het certificaat wordt geweigerd door de
ontvanger indien op de dag van de
aanvraag
de
overdrager
bedragen
verschuldigd blijft als belastingen en
voorheffingen,
in
hoofdsom
en
opcentiemen,
intresten,
belastingverhogingen,
belastingboetes
of bijkomende kosten of indien de
aanvraag
is
ingediend
na
de
aankondiging
van
of
tijdens
een
belastingonderzoek of na het verzenden
van een vraag om inlichtingen met
betrekking tot zijn belastingstoestand.
Het certificaat wordt ofwel uitgereikt
ofwel geweigerd binnen een termijn van
dertig dagen na de indiening van de
vraag van de overdrager.
Het certificaat wordt ofwel uitgereikt
ofwel geweigerd binnen een termijn van
dertig dagen na de indiening van de
vraag van de overdrager.
§
4.
Niet
onderworpen
aan
de §
4.
Niet
onderworpen
aan
de
360
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bepalingen van dit artikel zijn de
overdrachten die worden uitgevoerd
door
een
curator,
een
gerechtsmandataris
gelast
met
het
organiseren en realiseren van een
overdracht onder gerechtelijk gezag
overeenkomstig artikel 60 van de wet
van 31 januari 2009 betreffende de
continuïteit van de ondernemingen of in
geval van fusie, splitsing, inbreng van
de algemeenheid van goederen of van
een tak van werkzaamheid verricht
overeenkomstig de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen.
bepalingen van dit artikel zijn de
overdrachten die worden uitgevoerd
door
een
curator,
een
gerechtsmandataris
gelast
met
het
organiseren en realiseren van een
overdracht onder gerechtelijk gezag
overeenkomstig artikel XX.85 van het
Wetboek van economisch recht of in
geval van fusie, splitsing, inbreng van
de algemeenheid van goederen of van
een tak van werkzaamheid verricht in
overeenstemming met de bepalingen
van
het
Wetboek
van
vennootschappen en verenigingen of
bepalingen van buitenlands recht
van
toepassing
op
de
rechtshandeling wanneer die een
evenwaardige bescherming aan de
schuldeiser bieden.
§ 5. De in dit artikel bedoelde aanvraag
en het in dit artikel bedoelde certificaat
worden opgemaakt overeenkomstig de
door
de
Minister
van
Financiën
vastgestelde modellen.
§ 5. De in dit artikel bedoelde aanvraag
en het in dit artikel bedoelde certificaat
worden opgemaakt overeenkomstig de
door
de
Minister
van
Financiën
vastgestelde modellen.
Art. 442quater, van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Art. 442quater van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
§ 1. In geval van tekortkoming, door een
vennootschap
of
door
een
rechtspersoon bedoeld in artikel 17, § 3,
van de wet van 27 juni 1921 betreffende
de verenigingen zonder winstoogmerk,
de internationale verenigingen zonder
winstoogmerk en de stichtingen, aan
haar verplichting tot het betalen van de
bedrijfsvoorheffing, zijn de bestuurder of
bestuurders van de vennootschap of
van de rechtspersoon die belast zijn met
de
dagelijkse
leiding
van
de
vennootschap of van de rechtspersoon
hoofdelijk
aansprakelijk
voor
de
tekortkoming indien die te wijten is aan
een fout in de zin van artikel 1382 van
het Burgerlijk Wetboek, die ze hebben
begaan
bij
het
besturen
van
de
vennootschap of de rechtspersoon.
§ 1. In geval van tekortkoming, door een
vennootschap of door een vereniging
of stichting bedoeld in artikel 3:47, §
3, of artikel 3:50, § 3, van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen aan haar verplichting tot
het betalen van de bedrijfsvoorheffing,
zijn de bestuurder of bestuurders van de
vennootschap of van de rechtspersoon
die belast zijn met de dagelijkse leiding
van
de
vennootschap
of
van
de
rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk
voor de tekortkoming indien die te wijten
is aan een fout in de zin van artikel 1382
van het Burgerlijk Wetboek, die ze
hebben begaan bij het besturen van de
vennootschap of de rechtspersoon.
361
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan
worden uitgebreid naar de andere
bestuurders van de vennootschap of
van de rechtspersoon indien in hunnen
hoofde een fout wordt aangetoond die
heeft bijgedragen tot de in het eerste lid
bedoelde tekortkoming.
Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan
worden uitgebreid naar de andere
bestuurders van de vennootschap of
van de rechtspersoon indien in hunnen
hoofde een fout wordt aangetoond die
heeft bijgedragen tot de in het eerste lid
bedoelde tekortkoming.
Onder
bestuurder
van
een
vennootschap of van een rechtspersoon
in de zin van dit artikel wordt verstaan,
elke persoon die, in feite of in rechte, de
bevoegdheid heeft of heeft gehad om de
vennootschap of de rechtspersoon te
besturen,
met
uitsluiting
van
de
gerechtelijke mandatarissen.
Onder
bestuurder
van
een
vennootschap of van een rechtspersoon
in de zin van dit artikel wordt verstaan,
elke persoon die, in feite of in rechte, de
bevoegdheid heeft of heeft gehad om de
vennootschap of de rechtspersoon te
besturen,
met
uitsluiting
van
de
gerechtelijke mandatarissen.
§ 2. De herhaalde niet-betaling van de
bedrijfsvoorheffing
door
de
vennootschap of door de rechtspersoon,
wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed
voort te vloeien uit een in § 1, eerste lid,
bedoelde fout.
§ 2. De herhaalde niet-betaling van de
bedrijfsvoorheffing
door
de
vennootschap of door de rechtspersoon,
wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed
voort te vloeien uit een in § 1, eerste lid,
bedoelde fout.
Onder herhaalde inbreuken op de
verplichting
tot
betaling
van
de
bedrijfsvoorheffing in de zin van dit
artikel, wordt verstaan :
Onder herhaalde inbreuken op de
verplichting
tot
betaling
van
de
bedrijfsvoorheffing in de zin van dit
artikel, wordt verstaan :
-
ofwel,
voor
een
trimestriële
schuldenaar van de voorheffing, het
gebrek aan betaling van ten minste twee
vervallen schulden binnen een periode
van een jaar ;
-
ofwel,
voor
een
trimestriële
schuldenaar van de voorheffing, het
gebrek aan betaling van ten minste twee
vervallen schulden binnen een periode
van een jaar ;
-
ofwel,
voor
een
maandelijkse
schuldenaar van de voorheffing, het
gebrek aan betaling van ten minste drie
vervallen schulden binnen een periode
van een jaar.
-
ofwel,
voor
een
maandelijkse
schuldenaar van de voorheffing, het
gebrek aan betaling van ten minste drie
vervallen schulden binnen een periode
van een jaar.
§ 3. Er is geen vermoeden van fout in
de zin van § 2, eerste lid, indien de niet-
betaling het gevolg is van financiële
moeilijkheden die aanleiding hebben
gegeven
tot
het
openen
van
de
procedure
van
gerechtelijke
reorganisatie, van faillissement of van
gerechtelijke ontbinding.
§ 3. Er is geen vermoeden van fout in
de zin van § 2, eerste lid, indien de niet-
betaling het gevolg is van financiële
moeilijkheden die aanleiding hebben
gegeven
tot
het
openen
van
de
procedure
van
gerechtelijke
reorganisatie, van faillissement of van
gerechtelijke ontbinding.
362
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
§ 4. De hoofdelijke aansprakelijkheid
van
de
bestuurders
van
de
vennootschap of van de rechtspersoon
kan slechts worden ingeroepen voor de
betaling, in hoofdsom en interesten, van
de schulden inzake bedrijfsvoorheffing.
§ 4. De hoofdelijke aansprakelijkheid
van
de
bestuurders
van
de
vennootschap of van de rechtspersoon
kan slechts worden ingeroepen voor de
betaling, in hoofdsom en interesten, van
de schulden inzake bedrijfsvoorheffing.
§
5.
De
rechtsvordering
tegen
aansprakelijke bestuurders is slechts
ontvankelijk indien ze wordt ingesteld na
het verstrijken van een termijn van één
maand te rekenen vanaf een door de
ontvanger bij ter post aangetekende
brief verzonden kennisgeving, waarin de
geadresseerde
verzocht
wordt
de
nodige maatregelen te treffen om de
tekortkoming te verhelpen of om aan te
tonen dat deze niet het gevolg is van
een door hen begane fout.
§
5.
De
rechtsvordering
tegen
aansprakelijke bestuurders is slechts
ontvankelijk indien ze wordt ingesteld na
het verstrijken van een termijn van één
maand te rekenen vanaf een door de
ontvanger bij ter post aangetekende
brief verzonden kennisgeving, waarin de
geadresseerde
verzocht
wordt
de
nodige maatregelen te treffen om de
tekortkoming te verhelpen of om aan te
tonen dat deze niet het gevolg is van
een door hen begane fout.
Deze bepaling verhindert evenwel niet
dat de met de invordering belaste
ambtenaar, binnen voormelde termijn,
bewarende maatregelen vordert ten
laste
van
het
vermogen
van
de
bestuurder
of
bestuurders
van
de
vennootschap of rechtspersoon aan wie
een kennisgeving is toegezonden.
Deze bepaling verhindert evenwel niet
dat de met de invordering belaste
ambtenaar, binnen voormelde termijn,
bewarende maatregelen vordert ten
laste
van
het
vermogen
van
de
bestuurder
of
bestuurders
van
de
vennootschap of rechtspersoon aan wie
een kennisgeving is toegezonden.
§ 6. Wanneer een insolventieprocedure
geopend is, wordt de vordering bedoeld
in het huidig artikel, ingesteld voor de
insolventie-rechtbank bedoeld in artikel
I.22 van het Wetboek economisch recht.
§ 6. Wanneer een insolventieprocedure
geopend is, wordt de vordering bedoeld
in het huidig artikel, ingesteld voor de
insolventie-rechtbank bedoeld in artikel
I.22 van het Wetboek economisch recht.
§ 7. Indien een vordering bedoeld in
artikel
XX.225
van
het
Wetboek
economisch recht is ingesteld, wordt het
bedrag dat op grond van paragraaf 5
aan
de
fiscale
overheid
toekomt,
toegerekend op het bedrag gevorderd
op grond van die vordering.
§ 7. Indien een vordering bedoeld in
artikel
XX.225
van
het
Wetboek
economisch recht is ingesteld, wordt het
bedrag dat op grond van paragraaf 5
aan
de
fiscale
overheid
toekomt,
toegerekend op het bedrag gevorderd
op grond van die vordering.
HOOFDSTUK 2 — Wijzigingen aan het Wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde
Art. 56, § 1, Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde
Art. 56, § 1, Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde
363
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
§ 1. Ten aanzien van door Hem te
omschrijven
kleine
ondernemingen
regelt de Koning de wijze waarop de
administratie,
na
overleg
met
de
betrokken
bedrijfsgroeperingen,
forfaitaire grondslagen van aanslag
vaststelt, wanneer zulks mogelijk is (1).
§ 1. Ten aanzien van door Hem te
omschrijven
kleine
ondernemingen
regelt de Koning de wijze waarop de
administratie,
na
overleg
met
de
betrokken
bedrijfsgroeperingen,
forfaitaire grondslagen van aanslag
vaststelt, wanneer zulks mogelijk is (1).
Het eerste lid is van toepassing op
vennootschappen onder firma, op
commanditaire vennootschappen en
op vennootschappen met beperkte
aansprakelijkheid tot 31 december
2019.
Art. 57, § 6, 1°, Wetboek van de
belasting
over
de
toegevoegde
waarde
Art. 57, § 6, 1°, Wetboek van de
belasting
over
de
toegevoegde
waarde
§ 6. De landbouwondernemers blijven
evenwel
onderworpen
aan
alle
verplichtingen van belastingplichtigen :
§ 6. De landbouwondernemers blijven
evenwel
onderworpen
aan
alle
verplichtingen van belastingplichtigen :
1° wanneer ze de vorm van een
handelsvennootschap
hebben
aangenomen ;
1°
wanneer
de
activiteit
wordt
uitgeoefend onder de vorm van een
vennootschap die niet erkend is als
landbouwonderneming
bedoeld
in
artikel 8:2 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen;
Art. 93undecies, B, § 4, Wetboek van
de belasting over de toegevoegde
waarde
Art. 93undecies, B, § 4, Wetboek van
de belasting over de toegevoegde
waarde
§
4.
Niet
onderworpen
aan
de
bepalingen van dit artikel zijn de
overdrachten die worden uitgevoerd
door
een
curator,
door
een
gerechtsmandataris
gelast
met
het
organiseren en realiseren van een
overdracht onder gerechtelijk gezag
overeenkomstig artikel 60 van de wet
van 31 januari 2009 betreffende de
continuïteit van de ondernemingen, of in
het kader van een overeenkomstig de
bepalingen
van
het
Wetboek
van
§
4.
Niet
onderworpen
aan
de
bepalingen van dit artikel zijn de
overdrachten die worden uitgevoerd
door
een
curator,
door
een
gerechtsmandataris
gelast
met
het
organiseren en realiseren van een
overdracht onder gerechtelijk gezag
overeenkomstig artikel XX.85 van het
Wetboek van economisch recht, of in
het kader van een overeenkomstig de
bepalingen van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen
364
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschappen
uitgevoerde
fusie,
splitsing
of
inbreng
van
een
algemeenheid van goederen of van een
tak van werkzaamheid.
uitgevoerde fusie, splitsing of inbreng
van een algemeenheid van goederen of
van een tak van werkzaamheid.
Art. 93undecies, C, § 1, Wetboek van
de belasting over de toegevoegde
waarde
Art. 93undecies, C, § 1, Wetboek van
de belasting over de toegevoegde
waarde
§ 1. In geval van tekortkoming, door een
aan de btw onderworpen vennootschap
of door een rechtspersoon bedoeld in
artikel 17, § 3, van de wet van 27 juni
1921
betreffende
de
verenigingen
zonder winstoogmerk, de stichtingen en
de
Europese
politieke
partijen
en
stichtingen, aan haar verplichting tot het
betalen van de belasting, van de
interesten of van de bijkomende kosten,
zijn de bestuurder of bestuurders van de
vennootschap of van de rechtspersoon
die belast zijn met de dagelijkse leiding
van
de
vennootschap
of
van
de
rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk
voor de tekortkoming indien die te wijten
is aan een fout in de zin van artikel 1382
van het Burgerlijk Wetboek, die ze
hebben begaan bij het besturen van de
vennootschap of de rechtspersoon.
§ 1. In geval van tekortkoming, door
een
aan
de
btw
onderworpen
vennootschap of door een vereniging
of stichting respectievelijk bedoeld in
artikel 3:47, § 3 of artikel 3:50, § 3 van
het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen, aan haar verplichting
tot het betalen van de belasting, van de
interesten of van de bijkomende kosten,
zijn de bestuurder of bestuurders van de
vennootschap of van de rechtspersoon
die belast zijn met de dagelijkse leiding
van
de
vennootschap
of
van
de
rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk
voor de tekortkoming indien die te wijten
is aan een fout in de zin van artikel 1382
van het Burgerlijk Wetboek, die ze
hebben begaan bij het besturen van de
vennootschap of de rechtspersoon.
Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan
worden uitgebreid naar de andere
bestuurders van de vennootschap of
van de rechtspersoon indien in hunnen
hoofde een fout wordt aangetoond die
heeft bijgedragen tot de in het eerste lid
bedoelde tekortkoming.
Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan
worden uitgebreid naar de andere
bestuurders van de vennootschap of
van de rechtspersoon indien in hunnen
hoofde een fout wordt aangetoond die
heeft bijgedragen tot de in het eerste lid
bedoelde tekortkoming.
Onder
bestuurder
van
een
vennootschap of van een rechtspersoon
in de zin van dit artikel wordt verstaan,
elke persoon die, in feite of in rechte, de
bevoegdheid heeft of heeft gehad om de
vennootschap of de rechtspersoon te
besturen,
met
uitsluiting
van
de
gerechtelijke mandatarissen.
Onder
bestuurder
van
een
vennootschap of van een rechtspersoon
in de zin van dit artikel wordt verstaan,
elke persoon die, in feite of in rechte, de
bevoegdheid heeft of heeft gehad om de
vennootschap of de rechtspersoon te
besturen,
met
uitsluiting
van
de
gerechtelijke mandatarissen.
365
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 3. – Wijzigingen aan het Wetboek van Registratie-, Hypotheek-
en Griffierechten
AFDELING
XI
-
Burgerlijke
en
handelsvennootschappen
AFDELING XI - Vennootschappen
Art. 115. Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Art. 115. Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Aan een recht van 0 pct. wordt
onderworpen de inbreng van roerende
goederen
in
burgerlijke
of
handelsvennootschappen
waarvan
hetzij de zetel der werkelijke leiding in
België, hetzij de statutaire zetel in België
en de zetel der werkelijke leiding buiten
het grondgebied der lidstaten van de
Europese Economische Gemeenschap,
is gevestigd, onverschillig of de inbreng
bij de oprichting van de vennootschap of
naderhand plaatsheeft.
Aan een recht van 0 pct. wordt
onderworpen de inbreng van roerende
goederen
in
vennootschappen
waarvan hetzij de zetel der werkelijke
leiding in België, hetzij de statutaire
zetel in België en de zetel der werkelijke
leiding buiten het grondgebied der
lidstaten van de Europese Economische
Gemeenschap,
is
gevestigd,
onverschillig of de inbreng bij de
oprichting van de vennootschap of
naderhand plaatsheeft.
Het recht wordt vereffend op het
totaalbedrag van de inbrengen.
Het recht wordt vereffend op het
totaalbedrag van de inbrengen.
Bij de inbreng van geldspecie in
coöperatieve vennootschappen is het
recht desgevallend slechts verschuldigd
in de mate dat het bedrag van het nieuw
maatschappelijk fonds hoger is dan het
voordien belast bedrag van dit fonds.
Bij de inbreng van geldspecie in
coöperatieve vennootschappen is het
recht desgevallend slechts verschuldigd
in de mate dat het bedrag van het nieuw
maatschappelijk fonds hoger is dan het
voordien belast bedrag van dit fonds.
Art. 115bis Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Art. 115bis Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
De
inbrengen
van
onroerende
goederen,
andere
dan
die
welke
gedeeltelijk of geheel tot bewoning
aangewend worden of bestemd zijn en
door een natuurlijke persoon ingebracht
worden, in burgerlijke vennootschappen
of handelsvennootschappen waarvan de
zetel van werkelijke leiding in België
gevestigd is, of de statutaire zetel in
België en de zetel van werkelijke leiding
buiten het grondgebied van de lidstaten
van
de
Europese
Gemeenschap
gevestigd is, worden aan het recht van 0
De
inbrengen
van
onroerende
goederen,
andere
dan
die
welke
gedeeltelijk of geheel tot bewoning
aangewend worden of bestemd zijn en
door een natuurlijke persoon ingebracht
worden, in vennootschappen waarvan
de zetel van werkelijke leiding in België
gevestigd is, of de statutaire zetel in
België en de zetel van werkelijke leiding
buiten het grondgebied van de lidstaten
van
de
Europese
Gemeenschap
gevestigd is, worden aan het recht van 0
pct. onderworpen.
366
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
pct. onderworpen.
In
geval
van
onjuiste
verklaring
betreffende
de
aanwending
of
de
bestemming van het onroerend goed,
zijn de aanvullende rechten opeisbaar
en verbeurt iedere partij een boete gelijk
aan de rechten.
In
geval
van
onjuiste
verklaring
betreffende
de
aanwending
of
de
bestemming van het onroerend goed,
zijn de aanvullende rechten opeisbaar
en verbeurt iedere partij een boete gelijk
aan de rechten.
Art. 116 Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Art. 116 Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Aan een recht van 0 pct. wordt
onderworpen de vermeerdering van het
statutair
kapitaal,
zonder
nieuwe
inbreng,
van
een
vennootschap
waarvan hetzij de zetel der werkelijke
leiding in België, hetzij de statutaire
zetel in België en de zetel der werkelijke
leiding buiten het grondgebied der
lidstaten van de Europese Economische
Gemeenschap, is gevestigd.
Aan een recht van 0 pct. wordt
onderworpen de vermeerdering van het
kapitaal, zonder nieuwe inbreng, van
een vennootschap waarvan hetzij de
zetel der werkelijke leiding in België,
hetzij de statutaire zetel in België en de
zetel der werkelijke leiding buiten het
grondgebied der Lidstaten van de
Europese Economische Gemeenschap,
is gevestigd.
Het recht wordt vereffend op het bedrag
van de vermeerdering.
Het recht wordt vereffend op het bedrag
van de vermeerdering.
Het recht is niet verschuldigd in de mate
waarin
het
statutair
kapitaal
vermeerderd wordt door inlijving van
reserves of provisies, die gevestigd
werden, bij gelegenheid van inbrengen
gedaan
in
de
vennootschap,
ter
vertegenwoordiging van het geheel of
een gedeelte van het bedrag van die
inbrengen dat onderworpen werd aan
het bij artikel 115 bedoeld recht.
Het recht is niet verschuldigd in de mate
waarin het kapitaal vermeerderd wordt
door inlijving van reserves of provisies,
die gevestigd werden, bij gelegenheid
van
inbrengen
gedaan
in
de
vennootschap, ter vertegenwoordiging
van het geheel of een gedeelte van het
bedrag
van
die
inbrengen
dat
onderworpen werd aan het bij artikel
115 bedoeld recht.
Art. 117 Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Art. 117 Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
§ 1. Het bij artikel 115 bepaalde recht is
niet verschuldigd in geval van inbreng
van de universaliteit der goederen van
een vennootschap, bij wijze van fusie,
splitsing of anderszins, in één of meer
nieuwe of bestaande vennootschappen.
§ 1. Het bij artikel 115 bepaalde recht is
niet verschuldigd in geval van inbreng
van de universaliteit der goederen van
een vennootschap, bij wijze van fusie,
splitsing of anderszins, in één of meer
nieuwe of bestaande vennootschappen.
367
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Deze
bepaling
is
evenwel
slechts
toepasselijk op voorwaarde:
Deze
bepaling
is
evenwel
slechts
toepasselijk op voorwaarde:
1° dat de vennootschap die de inbreng
doet de zetel van haar werkelijke leiding
of haar statutaire zetel heeft op het
grondgebied van een lidstaat van de
Europese Gemeenschappen;
1° dat de vennootschap die de inbreng
doet de zetel van haar werkelijke leiding
of haar statutaire zetel heeft op het
grondgebied van een lidstaat van de
Europese Gemeenschappen;
2° dat, eventueel na aftrek van de op
het tijdstip van de inbreng door de
inbrengende
vennootschap
verschuldigde
sommen,
de
inbreng
uitsluitend vergoed wordt, hetzij door
toekenning
van
aandelen
of
deelbewijzen
die
maatschappelijke
rechten vertegenwoordigen, hetzij door
toekenning
van
aandelen
of
deelbewijzen
die
maatschappelijke
rechten vertegenwoordigen samen met
een storting in contanten die het tiende
van de nominale waarde van de
toegekende maatschappelijke aandelen
of deelbewijzen niet overschrijdt.
2° dat, eventueel na aftrek van de op
het tijdstip van de inbreng door de
inbrengende
vennootschap
verschuldigde
sommen,
de
inbreng
uitsluitend vergoed wordt, hetzij door
toekenning
van
aandelen
of
deelbewijzen
die
maatschappelijke
rechten vertegenwoordigen, hetzij door
toekenning
van
aandelen
of
deelbewijzen
die
maatschappelijke
rechten vertegenwoordigen samen met
een storting in contanten die het tiende
van de nominale waarde of, bij gebrek
aan een nominale waarde, van de
fractiewaarde
van
de
toegekende
maatschappelijke
aandelen
of
deelbewijzen niet overschrijdt. Indien
het Belgisch of buitenlands recht dat
de
verkrijgende
vennootschap
beheerst
niet
in
een
begrip
gelijkaardig aan dat van het kapitaal
van een naamloze vennootschap
voorziet, wordt met de fractiewaarde
gelijkgesteld,
de
inbrengwaarde,
zoals die blijkt uit de jaarrekening,
van alle door de aandeelhouders of
vennoten toegezegde inbrengen in
geld of in natura, met uitzondering
van de inbrengen in nijverheid, in
voorkomend geval verhoogd met de
reserves die op grond van een
statutaire bepaling slechts aan de
aandeelhouders of vennoten kunnen
worden
uitgekeerd
mits
een
statutenwijziging, dit alles gedeeld
door het aantal aandelen.
§ 2. Het bij artikel 115 bepaalde recht is
eveneens niet verschuldigd, onder de
voorwaarden die de Koning bepaalt,
voor de inbrengen gedaan door een
§ 2. Het bij artikel 115 bepaalde recht is
eveneens niet verschuldigd, onder de
voorwaarden die de Koning bepaalt,
voor de inbrengen gedaan door een
368
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap waarvan de zetel der
werkelijke leiding of de statutaire zetel
gevestigd is op het grondgebied van
een
lidstaat
van
de
Europese
Gemeenschappen, van goederen die
één of meer van haar bedrijfstakken
uitmaken.
vennootschap waarvan de zetel der
werkelijke leiding of de statutaire zetel
gevestigd is op het grondgebied van
een
lidstaat
van
de
Europese
Gemeenschappen, van goederen die
één of meer van haar bedrijfstakken
uitmaken.
§ 3. Het bij artikel 115 bepaalde recht is
eveneens niet verschuldigd in geval van
inbreng
van
aandelen,
aandelencertificaten of deelbewijzen die
maatschappelijke
rechten
vertegenwoordigen, die tot gevolg heeft
dat de vennootschap bij wie de inbreng
gebeurt, ten minste 75 pct. van het
maatschappelijk kapitaal verwerft van
de vennootschap waarvan de aandelen,
aandelencertificaten of deelbewijzen zijn
ingebracht.
§ 3. Het bij artikel 115 bepaalde recht is
eveneens niet verschuldigd in geval van
inbreng
van
aandelen,
aandelencertificaten of deelbewijzen die
maatschappelijke
rechten
vertegenwoordigen, die tot gevolg heeft
dat de vennootschap bij wie de inbreng
gebeurt, ten minste 75 pct. van het
kapitaal of van het eigen vermogen
verwerft van de vennootschap waarvan
de aandelen, aandelencertificaten of
deelbewijzen zijn ingebracht.
Wanneer dat percentage ten gevolge
van verscheidene inbrengen is bereikt,
is deze paragraaf alleen toepasselijk op
de inbrengen die het bereiken van het
percentage mogelijk hebben gemaakt,
alsmede
op
de
daaropvolgende
inbrengen.
Wanneer dat percentage ten gevolge
van verscheidene inbrengen is bereikt,
is deze paragraaf alleen toepasselijk op
de inbrengen die het bereiken van het
percentage mogelijk hebben gemaakt,
alsmede
op
de
daaropvolgende
inbrengen.
Bovendien vindt deze paragraaf alleen
toepassing wanneer voldaan is aan de
volgende voorwaarden:
Bovendien vindt deze paragraaf alleen
toepassing wanneer voldaan is aan de
volgende voorwaarden:
1° de vennootschap die verkrijgt en de
vennootschap waarvan de aandelen of
deelbewijzen zijn ingebracht, moeten
beide hun zetel der werkelijke leiding of
hun statutaire zetel hebben op het
grondgebied van een lidstaat van de
Europese Gemeenschappen;
1° de vennootschap die verkrijgt en de
vennootschap waarvan de aandelen of
deelbewijzen zijn ingebracht, moeten
beide hun zetel der werkelijke leiding of
hun statutaire zetel hebben op het
grondgebied van een lidstaat van de
Europese Gemeenschappen;
2° de inbreng moet uitsluitend door
uitgifte
van
aandelen
of
nieuwe
deelbewijzen
van
de
verkrijgende
vennootschap vergoed worden, samen
met een storting in contanten die het
tiende van de nominale waarde van de
toegekende maatschappelijke aandelen
of deelbewijzen niet overschrijdt;
2° de inbreng moet uitsluitend door
uitgifte
van
aandelen
of
nieuwe
deelbewijzen
van
de
verkrijgende
vennootschap vergoed worden, samen
met een storting in contanten die het
tiende van de nominale waarde of, bij
gebrek aan een nominale waarde, van
de fractiewaarde van de toegekende
maatschappelijke
aandelen
of
deelbewijzen niet overschrijdt; indien
369
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
het Belgisch of buitenlands recht dat
de
verkrijgende
vennootschap
beheerst
niet
in
een
begrip
gelijkaardig aan dat van het kapitaal
van een naamloze vennootschap
voorziet, wordt met de fractiewaarde
gelijkgesteld,
de
inbrengwaarde,
zoals die blijkt uit de jaarrekening,
van alle door de aandeelhouders of
vennoten toegezegde inbrengen in
geld of in natura, met uitzondering
van de inbrengen in nijverheid, in
voorkomend geval verhoogd met de
reserves die op grond van een
statutaire bepaling slechts aan de
aandeelhouders of vennoten kunnen
worden
uitgekeerd
mits
een
statutenwijziging, dit alles gedeeld
door het aantal aandelen.
3° de akte van inbreng moet vermelden
dat bij de inbreng ten minste 75 pct. van
het maatschappelijk kapitaal van de
vennootschap waarvan de aandelen of
deelbewijzen zijn ingebracht, door de
verwervende
vennootschap
wordt
verkregen;
3° de akte van inbreng moet vermelden
dat bij de inbreng ten minste 75 pct. van
het
kapitaal
of
van
het
eigen
vermogen
van
de
vennootschap
waarvan de aandelen of deelbewijzen
zijn ingebracht, door de verwervende
vennootschap wordt verkregen.
4° een attest van een bedrijfsrevisor dat
het vermelde feit overeenkomstig het 3°
van dit lid bevestigt, moet aan de akte
worden aangehecht.
4° een attest van een bedrijfsrevisor dat
het vermelde feit overeenkomstig het 3°
van dit lid bevestigt, moet aan de akte
worden aangehecht.
In geval van niet-nakoming van een van
de toepassingsvoorwaarden van deze
paragraaf uiterlijk wanneer de akte ter
formaliteit wordt aangeboden, wordt
deze akte tegen het gewoon recht
geregistreerd.
In geval van niet-nakoming van een van
de toepassingsvoorwaarden van deze
paragraaf uiterlijk wanneer de akte ter
formaliteit wordt aangeboden, wordt
deze akte tegen het gewoon recht
geregistreerd.
Art. 121 Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Art. 121 Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Met afwijking van de artikelen 115,
115bis, 118 en 120 worden van het
evenredig recht vrijgesteld:
Met afwijking van de artikelen 115,
115bis, 118 en 120 worden van het
evenredig recht vrijgesteld:
1° de omvorming van een vennootschap
met
rechtspersoonlijkheid
in
een
1° de omvorming van een vennootschap
met
rechtspersoonlijkheid
in
een
370
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
vennootschap van een verschillende
soort
en
de
omzetting
van
een
vereniging zonder winstoogmerk in een
vennootschap met een sociaal oogmerk.
Deze bepaling is toepasselijk zelfs
wanneer de omvorming plaatsheeft bij
wege van liquidatie gevolgd door de
oprichting
van
een
nieuwe
vennootschap,
voor
zover
deze
wederoprichting in de akte van in-
liquidatie-stellen in het vooruitzicht wordt
gesteld en binnen vijftien dagen na die
akte plaatsheeft;
vennootschap van een verschillende
soort
en
de
omzetting
van
een
vereniging zonder winstoogmerk in een
sociale onderneming. Deze bepaling is
toepasselijk
zelfs
wanneer
de
omvorming plaatsheeft bij wege van
liquidatie gevolgd door de oprichting van
een nieuwe vennootschap, voor zover
deze wederoprichting in de akte van in-
liquidatie-stellen in het vooruitzicht wordt
gesteld en binnen vijftien dagen na die
akte plaatsheeft;
2° de wijziging van het voorwerp van
een vennootschap;
2° de wijziging van het voorwerp van
een vennootschap;
3° de overbrenging van de zetel der
werkelijke leiding of de statutaire zetel
van een vennootschap, wanneer deze
overbrenging
geschiedt
uit
het
grondgebied van een lidstaat van de
Europese Economische Gemeenschap
of wanneer het een overbrenging naar
België betreft van de zetel der werkelijke
leiding van een vennootschap waarvan
de statutaire zetel zich reeds op het
grondgebied
van
de
genoemde
gemeenschap bevindt. Deze bepaling is
slechts toepasselijk in de mate waarin
het vaststaat dat de vennootschap
behoort tot de soort van die welke
onderworpen zijn aan een belasting op
het bijeenbrengen van kapitaal in het
land dat in aanmerking komt voor het
voordeel van de vrijstelling.
3° de overbrenging van de zetel der
werkelijke leiding of de statutaire zetel
van een vennootschap, wanneer deze
overbrenging
geschiedt
uit
het
grondgebied van een lidstaat van de
Europese Economische Gemeenschap
of wanneer het een overbrenging naar
België betreft van de zetel der werkelijke
leiding van een vennootschap waarvan
de statutaire zetel zich reeds op het
grondgebied
van
de
genoemde
gemeenschap bevindt. Deze bepaling is
slechts toepasselijk in de mate waarin
het vaststaat dat de vennootschap
behoort tot de soort van die welke
onderworpen zijn aan een belasting op
het bijeenbrengen van kapitaal in het
land dat in aanmerking komt voor het
voordeel van de vrijstelling.
In alle gevallen wordt het recht geheven
op de vermeerdering van het statutair
kapitaal van de vennootschap, zonder
nieuwe inbreng, of op de inbrengen van
nieuwe goederen, die gedaan worden
ter gelegenheid van de omvorming, de
wijziging van het voorwerp of de
overbrenging van de zetel.
In alle gevallen wordt het recht geheven
op de vermeerdering van het kapitaal
van de vennootschap, zonder nieuwe
inbreng, of op de inbrengen van nieuwe
goederen,
die
gedaan
worden
ter
gelegenheid van de omvorming, de
wijziging van het voorwerp of de
overbrenging van de zetel.
Art. 123 Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Art. 123 Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
371
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Onder voorbehoud van de bepalingen
van de artikelen 44 en 120 wordt van
het evenredig recht vrijgesteld, de
vermeerdering van het statutair kapitaal,
met
nieuwe
inbreng,
door
een
vennootschap bedoeld in artikel 201,
eerste lid, 1°, van het Wetboek van de
Inkomstenbelastingen
1992,
mits
aandelen of andere met aandelen gelijk
te stellen waardepapieren van die
vennootschap ter notering op een
Belgische effectenbeurs zijn toegelaten.
Onder voorbehoud van de bepalingen
van de artikelen 44 en 120 wordt van
het evenredig recht vrijgesteld, de
vermeerdering van het kapitaal of het
eigen vermogen, met nieuwe inbreng,
door een vennootschap bedoeld in
artikel 201, eerste lid, 1°, van het
Wetboek van de Inkomstenbelastingen
1992, mits aandelen of andere met
aandelen
gelijk
te
stellen
waardepapieren van die vennootschap
ter
notering
op
een
Belgische
effectenbeurs zijn toegelaten.
Deze vrijstelling is alleen toepasselijk
indien in de akte of in een vóór de
registratie bij de akte te voegen geschrift
wordt
bevestigd
dat
de
toepassingsvoorwaarden
ervan
zijn
vervuld.
Deze vrijstelling is alleen toepasselijk
indien in de akte of in een vóór de
registratie bij de akte te voegen geschrift
wordt
bevestigd
dat
de
toepassingsvoorwaarden
ervan
zijn
vervuld.
In
geval
van
onjuistheid
van
die
vermelding verbeurt de vennootschap
een boete gelijk aan het ontdoken recht.
In
geval
van
onjuistheid
van
die
vermelding verbeurt de vennootschap
een boete gelijk aan het ontdoken recht.
Art. 159 Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Art. 159 Wetboek van Registratie-,
Hypotheek- en Griffierechten.
Worden
van
het
evenredig
recht
vrijgesteld en aan het algemeen vast
recht onderworpen:
Worden
van
het
evenredig
recht
vrijgesteld en aan het algemeen vast
recht onderworpen:
1° (…);
1° (…);
2° de toewijzingen naar aanleiding van
rouwkoop, van roerende of onroerende
goederen, wanneer zij geen aanleiding
geven tot de heffing van een hoger
evenredig recht dan datgene geheven
op
de
vorige
toewijzing.
In
het
tegenovergesteld
geval
wordt
laatstbedoeld recht afgerekend van het
bedrag van de belasting waartoe de
daaropvolgende toewijzing aanleiding
geeft;
2° de toewijzingen naar aanleiding van
rouwkoop, van roerende of onroerende
goederen, wanneer zij geen aanleiding
geven tot de heffing van een hoger
evenredig recht dan datgene geheven
op
de
vorige
toewijzing.
In
het
tegenovergesteld
geval
wordt
laatstbedoeld recht afgerekend van het
bedrag van de belasting waartoe de
daaropvolgende toewijzing aanleiding
geeft;
Hetzelfde regime is van toepassing op
de toewijzingen naar aanleiding van
Hetzelfde regime is van toepassing op
de toewijzingen naar aanleiding van
372
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
prijsverhoging in de gevallen waarin het
voorbehoud van prijsverhoging geen
schorsende voorwaarde uitmaakt;
prijsverhoging in de gevallen waarin het
voorbehoud van prijsverhoging geen
schorsende voorwaarde uitmaakt;
3° de overeenkomsten die strekken tot
de overdracht van het vruchtgebruik op
de
blote
eigenaar,
wanneer
het
evenredig
registratierecht
of
het
successierecht door de blote eigenaar
of door een vorige blote eigenaar, zijn
rechtsvoorganger, op de waarde van de
volle eigendom werd voldaan;
3° de overeenkomsten die strekken tot
de overdracht van het vruchtgebruik op
de
blote
eigenaar,
wanneer
het
evenredig
registratierecht
of
het
successierecht door de blote eigenaar
of door een vorige blote eigenaar, zijn
rechtsvoorganger, op de waarde van de
volle eigendom werd voldaan;
4° tot 6° [...]
4° tot 6° [...]
7° de overdragende of aanwijzende
overeenkomsten,
andere
dan
de
inbrengen onderworpen aan het in
artikel
115bis
bepaalde
recht,
die
buitenlands
gelegen
onroerende
goederen tot voorwerp hebben, zomede
de
huurcontracten
van
dergelijke
goederen;
7° de overdragende of aanwijzende
overeenkomsten,
andere
dan
de
inbrengen onderworpen aan het in
artikel
115bis
bepaalde
recht,
die
buitenlands
gelegen
onroerende
goederen tot voorwerp hebben, zomede
de
huurcontracten
van
dergelijke
goederen;
8° de overdragende of aanwijzende
vervreemdingen onder bezwarende titel,
andere dan die welke aan het in artikel
115bis bepaalde recht onderworpen
zijn, van op te richten, in oprichting
zijnde of nieuw opgerichte gebouwen,
op voorwaarde dat de belasting over de
toegevoegde waarde opeisbaar is voor
de
levering
van
de
vervreemde
gebouwen;
de
vestigingen,
overdrachten of wederoverdrachten van
de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9,
tweede lid, 2°, van het Wetboek van de
Belasting over de Toegevoegde Waarde
met betrekking tot op te richten, in
oprichting zijnde of nieuw opgerichte
gebouwen, op voorwaarde dat de
belasting over de toegevoegde waarde
opeisbaar is op de vestiging of de
overdracht van deze rechten.
8° de overdragende of aanwijzende
vervreemdingen onder bezwarende titel,
andere dan die welke aan het in artikel
115bis bepaalde recht onderworpen
zijn, van op te richten, in oprichting
zijnde of nieuw opgerichte gebouwen,
op voorwaarde dat de belasting over de
toegevoegde waarde opeisbaar is voor
de
levering
van
de
vervreemde
gebouwen;
de
vestigingen,
overdrachten of wederoverdrachten van
de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9,
tweede lid, 2°, van het Wetboek van de
Belasting over de Toegevoegde Waarde
met betrekking tot op te richten, in
oprichting zijnde of nieuw opgerichte
gebouwen, op voorwaarde dat de
belasting over de toegevoegde waarde
opeisbaar is op de vestiging of de
overdracht van deze rechten.
De vrijstelling geldt niet voor de grond
begrepen in de overeenkomst.
De vrijstelling geldt niet voor de grond
begrepen in de overeenkomst.
Wanneer de gebouwen samen met de
grond waarop zij staan voor een enige
prijs worden vervreemd, wordt het
Wanneer de gebouwen samen met de
grond waarop zij staan voor een enige
prijs worden vervreemd, wordt het
373
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
evenredig
recht
wegens
de
vervreemding van de grond berekend
over de verkoopwaarde van de grond,
geraamd
op
het
tijdstip
van
de
vervreemding, doch met inachtneming
van de staat van de grond vóór de
aanvang van het werk. Wanneer de
vestiging of de overdracht van de in het
eerste lid bedoelde zakelijke rechten
tevens betrekking heeft op de grond
waarop de gebouwen staan en voor een
enige prijs gebeurt, wordt het evenredig
recht wegens de vestiging of de
overdracht van die rechten op de grond,
berekend over de waarde van die
rechten, geraamd op het tijdstip van de
vestiging of de overdracht, doch met
inachtneming van de staat van de grond
vóór de aanvang van het werk. In die
gevallen worden de gegevens nodig
voor de berekening van de rechten
opgegeven
in
een
verklaring
als
omschreven in artikel 168.
evenredig
recht
wegens
de
vervreemding van de grond berekend
over de verkoopwaarde van de grond,
geraamd
op
het
tijdstip
van
de
vervreemding, doch met inachtneming
van de staat van de grond vóór de
aanvang van het werk. Wanneer de
vestiging of de overdracht van de in het
eerste lid bedoelde zakelijke rechten
tevens betrekking heeft op de grond
waarop de gebouwen staan en voor een
enige prijs gebeurt, wordt het evenredig
recht wegens de vestiging of de
overdracht van die rechten op de grond,
berekend over de waarde van die
rechten, geraamd op het tijdstip van de
vestiging of de overdracht, doch met
inachtneming van de staat van de grond
vóór de aanvang van het werk. In die
gevallen worden de gegevens nodig
voor de berekening van de rechten
opgegeven
in
een
verklaring
als
omschreven in artikel 168.
Indien
de
overeenkomst
betrekking
heeft op het vruchtgebruik of de blote
eigendom van de grond, wordt de
belastbare grondslag bepaald op de
wijze vermeld in de artikelen 47 tot 50.
Indien
de
overeenkomst
betrekking
heeft op het vruchtgebruik of de blote
eigendom van de grond, wordt de
belastbare grondslag bepaald op de
wijze vermeld in de artikelen 47 tot 50.
De bepalingen van dit 8° zijn alleen
toepasselijk, indien in de akte of in een
vóór de registratie bij de akte te voegen
geschrift worden vermeld:
De bepalingen van dit 8° zijn alleen
toepasselijk, indien in de akte of in een
vóór de registratie bij de akte te voegen
geschrift worden vermeld:
a/ het jaar waarin, in voorkomend geval,
de onroerende voorheffing van het
gebouw
waarop
de
overeenkomst
betrekking heeft voor het eerst ten
kohiere is gebracht;
a/ het jaar waarin, in voorkomend geval,
de onroerende voorheffing van het
gebouw
waarop
de
overeenkomst
betrekking heeft voor het eerst ten
kohiere is gebracht;
b/ het kantoor waar de belastingplichtige
de aangifte moet indienen voor de
heffing van de belasting over de
toegevoegde waarde;
b/ het kantoor waar de belastingplichtige
de aangifte moet indienen voor de
heffing van de belasting over de
toegevoegde waarde;
c/ wanneer de overeenkomst het werk is
van een andere dan in artikel 12, § 2,
van het Wetboek van de Belasting over
de Toegevoegde Waarde bedoelde
belastingplichtige, de datum waarop hij
c/ wanneer de overeenkomst het werk is
van een andere dan in artikel 12, § 2,
van het Wetboek van de Belasting over
de Toegevoegde Waarde bedoelde
belastingplichtige, de datum waarop hij
374
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
kennis heeft gegeven van zijn bedoeling
de verrichting te doen met betaling van
de belasting over de toegevoegde
waarde.
kennis heeft gegeven van zijn bedoeling
de verrichting te doen met betaling van
de belasting over de toegevoegde
waarde.
In
geval
van
onjuistheid
van
die
vermeldingen verbeurt de cedent een
boete gelijk aan het ontdoken recht;
In
geval
van
onjuistheid
van
die
vermeldingen verbeurt de cedent een
boete gelijk aan het ontdoken recht;
9° de contracten tussen de Algemene
Spaar- en Lijfrentekas en de leden van
de landbouwkantoren verleden, met
betrekking tot de waarborg door deze
laatsten verstrekt;
9° de contracten tussen de Algemene
Spaar- en Lijfrentekas en de leden van
de landbouwkantoren verleden, met
betrekking tot de waarborg door deze
laatsten verstrekt;
10° de contracten van onroerende
financieringshuur bedoeld in artikel 44, §
3, 2°, b, van het Wetboek van de
Belasting
over
de
Toegevoegde
Waarde;
10° de contracten van onroerende
financieringshuur bedoeld in artikel 44, §
3, 2°, b, van het Wetboek van de
Belasting
over
de
Toegevoegde
Waarde;
11° de inbreng van goederen in een
samenwerkingsverband beheerst door
de wet van 17 juli 1989 betreffende de
economische samenwerkingsverbanden
of
in
Europese
economische
samenwerkingsverbanden;
11°
de
inbreng
van
goederen
in
Europese
economische
samenwerkingsverbanden;
12° de teruggave van de onroerende
goederen aan de leden van een
economisch samenwerkingsverband of
van
Europese
economische
samenwerkingsverbanden
die
deze
goederen hebben ingebracht, wanneer
de teruggave gebeurt tengevolge van de
uittreding
van
deze
leden
of
de
ontbinding
van
het
samenwerkingsverband.
12° de teruggave van de onroerende
goederen aan de leden van Europese
economische samenwerkingsverbanden
die deze goederen hebben ingebracht,
wanneer
de
teruggave
gebeurt
tengevolge van de uittreding van deze
leden
of
de
ontbinding
van
het
samenwerkingsverband.
13° […];
13° […];
14° de inbrengen van onroerende
goederen,
andere
dan
die
welke
gedeeltelijk of geheel tot bewoning
aangewend worden of bestemd zijn en
door een natuurlijke persoon ingebracht
worden, in burgerlijke vennootschappen
of handelsvennootschappen met zetel
van werkelijke leiding en statutaire zetel
buiten België, of met statutaire zetel in
België doch met zetel van werkelijke
14° de inbrengen van onroerende
goederen,
andere
dan
die
welke
gedeeltelijk of geheel tot bewoning
aangewend worden of bestemd zijn en
door een natuurlijke persoon ingebracht
worden, in vennootschappen met zetel
van werkelijke leiding en statutaire zetel
buiten België, of met statutaire zetel in
België doch met zetel van werkelijke
leiding op het grondgebied van één van
375
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
leiding op het grondgebied van één van
de
lidstaten
van
de
Europese
Gemeenschap. Deze vrijstelling geldt
voor
zover
de
inbreng
met
maatschappelijke
rechten
wordt
vergolden. Indien de inbreng zowel in
België gelegen onroerende goederen
als andere goederen omvat wordt,
niettegenstaande elk strijdig beding, de
vergelding
die
anders
dan
door
toekenning
van
maatschappelijke
rechten geschiedt, geacht evenredig
verdeeld te zijn tussen de waarde die
aan
de
onroerende
goederen
is
toegekend en die welke aan de andere
goederen is toegekend. In de mate dat
de inbreng betrekking heeft op in België
gelegen onroerende goederen wordt hij
onderworpen
aan
het
recht
voorgeschreven voor verkopingen.
de
lidstaten
van
de
Europese
Gemeenschap. Deze vrijstelling geldt
voor
zover
de
inbreng
met
maatschappelijke
rechten
wordt
vergolden. Indien de inbreng zowel in
België gelegen onroerende goederen
als andere goederen omvat wordt,
niettegenstaande elk strijdig beding, de
vergelding
die
anders
dan
door
toekenning
van
maatschappelijke
rechten geschiedt, geacht evenredig
verdeeld te zijn tussen de waarde die
aan
de
onroerende
goederen
is
toegekend en die welke aan de andere
goederen is toegekend. In de mate dat
de inbreng betrekking heeft op in België
gelegen onroerende goederen wordt hij
onderworpen
aan
het
recht
voorgeschreven voor verkopingen.
In
geval
van
onjuiste
verklaring
betreffende
de
aanwending
of
de
bestemming van het onroerend goed,
worden
de
bijvoeglijke
rechten
opeisbaar en verbeurt iedere partij een
boete gelijk aan de rechten.
In
geval
van
onjuiste
verklaring
betreffende
de
aanwending
of
de
bestemming van het onroerend goed,
worden
de
bijvoeglijke
rechten
opeisbaar en verbeurt iedere partij een
boete gelijk aan de rechten.
Art.
173,
1bis,
Wetboek
van
Registratie-,
Hypotheek-
en
Griffierechten.
Art.
173,
1bis,
Wetboek
van
Registratie-,
Hypotheek-
en
Griffierechten.
Van voorgaand artikel wordt afgeweken
ten aanzien van:
Van voorgaand artikel wordt afgeweken
ten aanzien van:
(…)
(…)
1°bis de uitgiften en uittreksels van
akten, verleden voor notarissen, die
aanleiding geven tot neerlegging ter
griffie van de rechtbank van koophandel
overeenkomstig artikel 67 van het
Wetboek van Vennootschappen;
1°bis de uitgiften en uittreksels van
akten, verleden voor notarissen, die
aanleiding geven tot neerlegging ter
griffie van de rechtbank van koophandel
overeenkomstig artikel 2:12 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen;
(…)
(…)
376
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 209, eerste lid, 5°, Wetboek van
Registratie-,
Hypotheek-
en
Griffierechten.
Art. 209, eerste lid, 5° Wetboek van
Registratie-,
Hypotheek-
en
Griffierechten.
Zijn vatbaar voor teruggaaf:
(…)
Zijn vatbaar voor teruggaaf:
(…)
5° de bij toepassing van de artikelen 115,
115bis, 116 en 120 aan het tarief van 0,5
% geheven rechten naar aanleiding van
een vermeerdering van het statutair
kapitaal, met nieuwe inbreng, door een
vennootschap bedoeld in artikel 201,
eerste lid, 1°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992, mits die
vermeerdering van het statutair kapitaal
is geschied binnen het jaar vóór de
datum van de toelating tot de notering op
een
Belgische
effectenbeurs
van
aandelen of met aandelen gelijk te stellen
waardepapieren van de vennootschap.
5° de bij toepassing van de artikelen 115,
115bis, 116 en 120 aan het tarief van 0,5
% geheven rechten naar aanleiding van
een vermeerdering van het kapitaal of
het eigen
vermogen, met nieuwe
inbreng, door een vennootschap bedoeld
in artikel 201, eerste lid, 1°, van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992, mits die vermeerdering van het
kapitaal of eigen vermogen is geschied
binnen het jaar vóór de datum van de
toelating tot de notering op een Belgische
effectenbeurs van aandelen of met
aandelen gelijk te stellen waardepapieren
van de vennootschap.
(…)
(…)
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen aan het Wetboek van Successierechten
Art.
150
Wetboek
van
Successierechten
Art.
150
Wetboek
van
Successierechten
De belasting is verschuldigd op het
geheel van de bezittingen van de
inrichting,
de
vereniging
zonder
winstoogmerk,
private
stichting
of
internationale
vereniging
zonder
winstoogmerk.
De belasting is verschuldigd op het
geheel van de bezittingen van de
inrichting,
de
vereniging
zonder
winstoogmerk,
private
stichting
of
internationale
vereniging
zonder
winstoogmerk.
Daaronder zijn evenwel niet begrepen:
Daaronder zijn evenwel niet begrepen:
1° de nog verschuldigde en niet
gekapitaliseerde
intresten,
rentetermijnen, huur- en pachtgelden
en, meer in het algemeen, burgerlijke
vruchten van welke aard ook, alsmede
jaarlijkse
bijdragen
en
inschrijvingsgelden;
1° de nog verschuldigde en niet
gekapitaliseerde
intresten,
rentetermijnen, huur- en pachtgelden
en, meer in het algemeen, burgerlijke
vruchten van welke aard ook, alsmede
jaarlijkse
bijdragen
en
inschrijvingsgelden;
377
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
2° de al dan niet genoten natuurlijke
vruchten;
2° de al dan niet genoten natuurlijke
vruchten;
3° de liquiditeiten en het bedrijfskapitaal
bestemd
om
gedurende
het
jaar
verbruikt te worden voor de activiteit van
de vereniging of stichting;
3° de liquiditeiten en het bedrijfskapitaal
bestemd
om
gedurende
het
jaar
verbruikt te worden voor de activiteit van
de vereniging of stichting;
4°
de
in
het
buitenland
gelegen
onroerende goederen;
4°
de
in
het
buitenland
gelegen
onroerende goederen;
5°
de
effecten
uitgegeven
door
handelsvennootschappen waarvan de
vereniging of stichting als bezitter-
emittent wordt aangemerkt krachtens de
wet van 15 juli 1998 betreffende de
certificatie van effecten uitgegeven door
handelsvennootschappen,
op
voorwaarde
dat
de
certificaten
krachtens artikel 13, § 1, eerste lid, van
dezelfde wet voor de toepassing van het
Wetboek van de Inkomstenbelastingen
1992 gelijkgesteld worden met de
effecten waarop ze betrekking hebben;
5°
de
effecten
uitgegeven
door
vennootschappen
waarvan
de
vereniging of stichting als bezitter-
emittent wordt aangemerkt krachtens
het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen of, indien de
vennootschap niet door dat Wetboek
wordt beheerst, overeenkomstig de
bepalingen van het recht dat haar
beheerst,
op
voorwaarde
dat
de
certificaten krachtens artikel 13, § 1,
eerste lid, van dezelfde wet voor de
toepassing van het Wetboek van de
Inkomstenbelastingen
1992
gelijkgesteld worden met de effecten
waarop ze betrekking hebben;
Van het in het eerste lid bedoelde
geheel van de bezittingen kunnen geen
lasten in mindering worden gebracht,
met uitzondering van:
Van het in het eerste lid bedoelde
geheel van de bezittingen kunnen geen
lasten in mindering worden gebracht,
met uitzondering van:
1° de nog niet betaalde termijnen van
hypothecaire
leningen,
mits
de
hypotheek is gevestigd op goederen van
de vereniging of stichting en minstens
50 % van de hoofdsom van de lening
waarborgt;
1° de nog niet betaalde termijnen van
hypothecaire
leningen,
mits
de
hypotheek is gevestigd op goederen van
de vereniging of stichting en minstens
50 % van de hoofdsom van de lening
waarborgt;
2° de door de vereniging of stichting als
algemene
legataris
van
een
nalatenschap nog uit te voeren legaten
van een geldsom.
2° de door de vereniging of stichting als
algemene
legataris
van
een
nalatenschap nog uit te voeren legaten
van een geldsom.
Op de belasting ingesteld bij artikel 147
zijn
de
bepalingen
van
boek
I
betreffende de belastinggrondslag en
betreffende de rechtsregeling van de
voorwaardelijke en betwiste bezittingen
Op de belasting ingesteld bij artikel 147
zijn
de
bepalingen
van
boek
I
betreffende de belastinggrondslag en
betreffende de rechtsregeling van de
voorwaardelijke en betwiste bezittingen
378
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van overeenkomstige toepassing, met
uitzondering evenwel van artikel 21, III.
Voor
financiële
instrumenten
die
toegelaten zijn tot verhandeling op
Belgische
of
buitenlandse
gereglementeerde markten als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de
wet van 2 augustus 2002 betreffende
het toezicht op de financiële sector en
de financiële diensten en voor Belgische
of
buitenlandse
multilaterale
handelsfaciliteiten als bedoeld in artikel
2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet,
bestaat de belastinggrondslag in de
beurswaarde ervan. Onder beurswaarde
wordt verstaan de slotkoers van een
financieel instrument, zoals die als
koersinformatie beschikbaar is in de
gespecialiseerde
pers
of
in
gespecialiseerde
elektronisch
raadpleegbare bronnen. De waarden
moeten
worden
aangegeven
overeenkomstig de beurswaarde ervan
op de eerste openingsdag van de beurs
in de maanden januari, februari of
maart. Wanneer er op een van die data
geen notering is, kunnen de waarden
ook worden aangegeven volgens de
beurswaarde ervan op de eerstvolgende
dag waarop er opnieuw een notering
wordt vastgesteld. Indien er op de
gekozen datum voor bepaalde van de
aan te geven waarden wel en voor
andere
geen
notering
is,
moeten
laatstbedoelde
waarden
worden
aangegeven volgens de beurswaarden
op de eerstvolgende dag waarop er wel
een notering is. De aangever mag
slechts een van de voormelde data
kiezen, die zal gelden voor al de aan te
geven waarden. De aangever geeft zijn
keuze op in de aangifte, waarin hij
tevens de door hen geraadpleegde bron
voor
de
opgegeven
beurswaarden
vermeldt.
van overeenkomstige toepassing, met
uitzondering evenwel van artikel 21, III.
Voor
financiële
instrumenten
die
toegelaten zijn tot verhandeling op
Belgische
of
buitenlandse
gereglementeerde markten als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de
wet van 2 augustus 2002 betreffende
het toezicht op de financiële sector en
de financiële diensten en voor Belgische
of
buitenlandse
multilaterale
handelsfaciliteiten als bedoeld in artikel
2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet,
bestaat de belastinggrondslag in de
beurswaarde ervan. Onder beurswaarde
wordt verstaan de slotkoers van een
financieel instrument, zoals die als
koersinformatie beschikbaar is in de
gespecialiseerde
pers
of
in
gespecialiseerde
elektronisch
raadpleegbare bronnen. De waarden
moeten
worden
aangegeven
overeenkomstig de beurswaarde ervan
op de eerste openingsdag van de beurs
in de maanden januari, februari of
maart. Wanneer er op een van die data
geen notering is, kunnen de waarden
ook worden aangegeven volgens de
beurswaarde ervan op de eerstvolgende
dag waarop er opnieuw een notering
wordt vastgesteld. Indien er op de
gekozen datum voor bepaalde van de
aan te geven waarden wel en voor
andere
geen
notering
is,
moeten
laatstbedoelde
waarden
worden
aangegeven volgens de beurswaarden
op de eerstvolgende dag waarop er wel
een notering is. De aangever mag
slechts een van de voormelde data
kiezen, die zal gelden voor al de aan te
geven waarden. De aangever geeft zijn
keuze op in de aangifte, waarin hij
tevens de door hen geraadpleegde bron
voor
de
opgegeven
beurswaarden
vermeldt.
Art.
161,
Wetboek
van
Successierechten
Art.
161,
Wetboek
van
Successierechten
379
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Onderworpen aan een jaarlijkse taks
vanaf de eerste januari volgend op hun
inschrijving
hetzij
bij
de
Federale
Overheidsdienst Financiën op de lijst
van
gespecialiseerde
vastgoedbeleggingsfondsen, hetzij bij
de Autoriteit voor Financiële Diensten
en Markten zijn:
Onderworpen aan een jaarlijkse taks
vanaf de eerste januari volgend op hun
inschrijving
hetzij
bij
de
Federale
Overheidsdienst Financiën op de lijst
van
gespecialiseerde
vastgoedbeleggingsfondsen, hetzij bij
de Autoriteit voor Financiële Diensten
en Markten zijn:
1°
de
beleggingsvennootschappen,
bedoeld in artikel 3, 11° van de wet van
3
augustus
2012
betreffende
instellingen voor collectieve belegging
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen, de
beleggingsvennootschappen bedoeld in
artikel 3, 11°, van de wet van 19 april
2014
betreffende
de
alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
en hun beheerders, met uitzondering
van de private privaks, bedoeld in artikel
298 van dezelfde wet, en de in artikel 2,
1°, 2° en 3° van de wet van 12 mei 2014
betreffende
de
gereglementeerde
vastgoedvennootschap
bedoelde
openbare
of
institutionele
gereglementeerde
vastgoedvennootschappen;
1°
de
beleggingsvennootschappen,
bedoeld in artikel 3, 11° van de wet van
3
augustus
2012
betreffende
instellingen voor collectieve belegging
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen, de
beleggingsvennootschappen bedoeld in
artikel 3, 11°, van de wet van 19 april
2014
betreffende
de
alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
en hun beheerders, met uitzondering
van de private privaks, bedoeld in artikel
298 van dezelfde wet, en de in artikel 2,
1°, 2° en 3° van de wet van 12 mei 2014
betreffende
de
gereglementeerde
vastgoedvennootschap
bedoelde
openbare
of
institutionele
gereglementeerde
vastgoedvennootschappen;
2° de beheersvennootschappen die
instaan
voor
het
beheer
van
de
beleggingsinstellingen die geregeld zijn
bij overeenkomst, bedoeld in artikel 6
van de wet van 3 augustus 2012
betreffende
de
instellingen
voor
collectieve belegging die voldoen aan
de
voorwaarden
van
Richtlijn
2009/65/EG [en de instellingen voor
belegging in schuldvorderingen] en in de
artikelen 181 en 282 van de wet van 19
april 2014 betreffende de alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
en hun beheerders;
2° de beheersvennootschappen die
instaan
voor
het
beheer
van
de
beleggingsinstellingen die geregeld zijn
bij overeenkomst, bedoeld in artikel 6
van de wet van 3 augustus 2012
betreffende
de
instellingen
voor
collectieve belegging die voldoen aan
de
voorwaarden
van
Richtlijn
2009/65/EG [en de instellingen voor
belegging in schuldvorderingen] en in de
artikelen 181 en 282 van de wet van 19
april 2014 betreffende de alternatieve
instellingen voor collectieve belegging
en hun beheerders;
3°
de
instellingen
voor
collectieve
belegging
naar
buitenlands
recht
bedoeld in artikel 148 van de wet van 3
augustus
2012
betreffende
de
instellingen voor collectieve belegging
3°
de
instellingen
voor
collectieve
belegging
naar
buitenlands
recht
bedoeld in artikel 148 van de wet van 3
augustus
2012
betreffende
de
instellingen voor collectieve belegging
380
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen,
met uitzondering van de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen, en
de
alternatieve
instellingen
voor
collectieve belegging naar buitenlands
recht bedoeld in artikel 259 van de wet
van 19 april 2014 betreffende de
alternatieve instellingen voor collectieve
belegging en hun beheerders
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen,
met uitzondering van de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen, en
de
alternatieve
instellingen
voor
collectieve belegging naar buitenlands
recht bedoeld in artikel 259 van de wet
van 19 april 2014 betreffende de
alternatieve instellingen voor collectieve
belegging en hun beheerders
4° (…);
4° (…);
5°
de
verzekeringsondernemingen
bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der
verzekeringsondernemingen,
die
dividenden of inkomsten toekennen als
bedoeld in artikel 21, 6° en 9°, van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992;
5°
de
verzekeringsondernemingen
bedoeld in artikel 6 van de wet
van 13 maart 2016 op het statuut van
en het toezicht op de verzekerings- of
herverzekeringsondernemingen
die
inkomsten als bedoeld in artikel 21,
9°,
van
het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen
1992
of
dividenden
die
van
vennootschapsbelasting
zijn
vrijgesteld op basis van artikel 185,
§ 1, eerste lid, van het Wetboek van
de
inkomstenbelastingen
1992
toekennen;
6°
de
verzekeringsondernemingen
bedoeld in artikel 2, §1, van de wet van
9 juli 1975 betreffende de controle der
verzekeringsondernemingen,
die
verzekeringsverrichtingen
doen
als
bedoeld in artikel 3,§ 2, van het
koninklijk besluit van 14 november 2003
betreffende
de
levensverzekeringsactiviteit.
6°
de
verzekeringsondernemingen
bedoeld in artikel 6 van de wet van 13
maart 2016 op het statuut van en het
toezicht
op
de
verzekerings-
of
herverzekeringsondernemingen,
die
verzekeringsverrichtingen doen als
bedoeld in het bijlage II, A, 23, van
dezelfde wet.
Art.
161bis,
Wetboek
van
Successierechten
Art.
161bis,
Wetboek
van
Successierechten
§ 1. Wat de beleggingsinstellingen
bedoeld in artikel 161, 1° en 2°, betreft,
is de taks verschuldigd op het totaal van
de in België op 31 december van het
voorgaande
jaar
netto
uitstaande
bedragen.
§ 1. Wat de beleggingsinstellingen
bedoeld in artikel 161, 1° en 2°, betreft,
is de taks verschuldigd op het totaal van
de in België op 31 december van het
voorgaande
jaar
netto
uitstaande
bedragen.
381
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Voor de toepassing van het eerste lid:
Voor de toepassing van het eerste lid:
1° worden de in het buitenland voor
rekening
van
een
rijksinwoner
verworven rechten van deelneming,
geacht uit te staan in België;
1° worden de in het buitenland voor
rekening
van
een
rijksinwoner
verworven rechten van deelneming,
geacht uit te staan in België;
2° is, indien de beleggingsinstelling
verzuimd heeft de elementen die nuttig
en noodzakelijk zijn voor de heffing van
de
taks
aan
de
administratie
te
verstrekken
en
onverminderd
de
toepassing van artikel 162, de taks
verschuldigd op de totaalwaarde van het
beheerd vermogen op 31 december van
het voorafgaande jaar. De Koning kan
de voor de heffing van de taks nuttige
en noodzakelijke elementen bepalen.
2° is, indien de beleggingsinstelling
verzuimd heeft de elementen die nuttig
en noodzakelijk zijn voor de heffing van
de
taks
aan
de
administratie
te
verstrekken
en
onverminderd
de
toepassing van artikel 162, de taks
verschuldigd op de totaalwaarde van het
beheerd vermogen op 31 december van
het voorafgaande jaar. De Koning kan
de voor de heffing van de taks nuttige
en noodzakelijke elementen bepalen.
§
2.
Wat
betreft
de
beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel
161, 3°, is de taks verschuldigd op het
totaal van de in België netto uitstaande
bedragen op 31 december van het
voorgaande jaar, vanaf hun inschrijving
bij de Autoriteit voor Financiële Diensten
en Markten.
§
2.
Wat
betreft
de
beleggingsinstellingen, bedoeld in artikel
161, 3°, is de taks verschuldigd op het
totaal van de in België netto uitstaande
bedragen op 31 december van het
voorgaande jaar, vanaf hun inschrijving
bij de Autoriteit voor Financiële Diensten
en Markten.
Voor de toepassing van het eerste lid:
Voor de toepassing van het eerste lid:
1° kunnen de rechten van deelneming
die door een financiële tussenpersoon in
het buitenland werden geplaatst, niet
afgetrokken worden van de in België
bruto uitstaande bedragen in geval van
de inkoop door de tussenkomst van een
financiële tussenpersoon in België;
1° kunnen de rechten van deelneming
die door een financiële tussenpersoon in
het buitenland werden geplaatst, niet
afgetrokken worden van de in België
bruto uitstaande bedragen in geval van
de inkoop door de tussenkomst van een
financiële tussenpersoon in België;
2° is, indien de beleggingsinstelling
verzuimd heeft de elementen die nuttig
en noodzakelijk zijn voor de heffing van
de
taks
aan
de
administratie
te
verstrekken
en
onverminderd
de
toepassing van artikel 162, de taks
verschuldigd op het totaal van de in
België bruto uitstaande bedragen op 31
december van het voorgaande jaar. De
Koning kan de voor de heffing van de
taks nuttige en noodzakelijke elementen
bepalen.
2° is, indien de beleggingsinstelling
verzuimd heeft de elementen die nuttig
en noodzakelijk zijn voor de heffing van
de
taks
aan
de
administratie
te
verstrekken
en
onverminderd
de
toepassing van artikel 162, de taks
verschuldigd op het totaal van de in
België bruto uitstaande bedragen op 31
december van het voorgaande jaar. De
Koning kan de voor de heffing van de
taks nuttige en noodzakelijke elementen
bepalen.
382
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
§ 3. Voor de toepassing van de §§ 1, 2
en 5, tweede gedachtenstreep, worden
voor een beleggingsinstelling of een
verzekeringsonderneming die rechten
van
deelneming
heeft
in
een
beleggingsinstelling, de bedragen die bij
een
beleggingsinstelling
werden
opgenomen in de belastbare grondslag,
niet meegerekend.
§ 3. Voor de toepassing van de §§ 1, 2
en 5, tweede gedachtenstreep, worden
voor een beleggingsinstelling of een
verzekeringsonderneming die rechten
van
deelneming
heeft
in
een
beleggingsinstelling, de bedragen die bij
een
beleggingsinstelling
werden
opgenomen in de belastbare grondslag,
niet meegerekend.
§ 4. (…).
§ 4. (…).
§
5.
Wat
betreft
de
verzekeringsondernemingen, is de taks
verschuldigd op het totaal bedrag op 1
januari van het aanslagjaar van de
wiskundige
balansprovisies
en
de
technische
provisies
die
betrekking
hebben op:
§
5.
Wat
betreft
de
verzekeringsondernemingen, is de taks
verschuldigd op het totaal bedrag op 1
januari van het aanslagjaar van de
wiskundige
balansprovisies
en
de
technische
provisies
die
betrekking
hebben op:
- de levensverzekeringscontracten die
beantwoorden aan de voorwaarden
vastgesteld in artikel 21, 9°, van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992;
- de levensverzekeringscontracten die
beantwoorden aan de voorwaarden
vastgesteld in artikel 21, 9°, van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992;
- de verzekeringsverrichtingen die met
een beleggingsfonds verbonden zijn met
uitzondering
van
levensverzekeringscontracten waarvan
het
kapitaal
of
de
afkoopwaarde
onderworpen
is
aan
de
inkomstenbelasting of aan de taks op
het langetermijnsparen.
- de verzekeringsverrichtingen die met
een beleggingsfonds verbonden zijn met
uitzondering
van
levensverzekeringscontracten waarvan
het
kapitaal
of
de
afkoopwaarde
onderworpen
is
aan
de
inkomstenbelasting of aan de taks op
het langetermijnsparen.
§
6.
In
geval
een
verzekeringsonderneming bedoeld in
artikel 161, 5° of 6°, de vorm heeft
aangenomen van een coöperatieve
vennootschap erkend door de Nationale
Raad van de Coöperatie, is de taks
bovendien verschuldigd op een quotiteit
van het maatschappelijk kapitaal op 1
januari van het aanslagjaar. Die quotiteit
is gelijk aan de verhouding van het
totaal van de op grond van artikel 21, 6°
van
het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen
1992
niet-
belastbare dividenden, tot het totaal van
de toegekende dividenden voor het
§
6.
In
geval
een
verzekeringsonderneming bedoeld in
artikel 161, 5° of 6°, die de vorm heeft
aangenomen
van
een
overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen erkende coöperatieve
vennootschap, is de taks bovendien
verschuldigd op een quotiteit van het
eigen
vermogen
gevormd
door
inbrengen van de aandeelhouders op
1 januari van het aanslagjaar. Die
quotiteit is gelijk aan de verhouding van
het totaal van de op grond van artikel
185, § 1, eerste lid van het Wetboek
383
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
boekjaar dat voorafgaat.
van de inkomstenbelastingen 1992 niet-
belastbare dividenden, tot het totaal van
de toegekende dividenden voor het
boekjaar dat voorafgaat.
Art.
161ter
Wetboek
van
Successierechten
Art.
161ter
Wetboek
van
Successierechten
Het tarief van de taks wordt vastgesteld:
Het tarief van de taks wordt vastgesteld:
1° op 0,0925 pct.(1) voor de in artikel
161bis, §§ 1 en 2, bedoelde bedragen
van de beleggingsinstellingen;
1° op 0,0925 pct.(1) voor de in artikel
161bis, §§ 1 en 2, bedoelde bedragen
van de beleggingsinstellingen;
2° (…);
2° (…);
3° op 0,0925 pct.(1) voor het in artikel
161bis, § 5, bedoelde totaal bedrag van
de wiskundige balansprovisies en de
technische
provisies
die
betrekking
hebben
op
levensverzekeringscontracten
en
op
verzekeringsverrichtingen
die
verbonden zijn aan beleggingsfondsen;
3° op 0,0925 pct.(1) voor het in artikel
161bis, § 5, bedoelde totaal bedrag van
de wiskundige balansprovisies en de
technische
provisies
die
betrekking
hebben
op
levensverzekeringscontracten
en
op
verzekeringsverrichtingen
die
verbonden zijn aan beleggingsfondsen;
4° op 0,0925 pct.(1) voor de in artikel
161bis, § 6, bedoelde quotiteit van het
maatschappelijk kapitaal van de in
artikel
161,
5°
of
6°,
bedoelde
instellingen die de vorm van een
coöperatieve
vennootschap
hebben,
erkend door de Nationale Raad van de
Coöperatie;
4° op 0,0925 pct.(1) voor de in artikel
161bis, § 6, bedoelde quotiteit van het
eigen vermogen gevormd door de
inbrengen van de aandeelhouders
van de in artikel 161, 5° of 6°, bedoelde
instellingen
die
de
vorm
heeft
aangenomen
van
een
overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen erkende coöperatieve
vennootschap;
5° op 0,01 pct. voor de in artikel 161bis,
§§ 1 en 2, bedoelde bedragen, in de
mate dat de financieringsmiddelen van
de
beleggingsinstelling,
één
of
meerdere van haar compartimenten of
klassen
van
aandelen,
uitsluitend
worden aangetrokken bij institutionele of
professionele beleggers die voor eigen
rekening handelen, en waarvan de
effecten uitsluitend door deze beleggers
kunnen worden verworven.
5° op 0,01 pct. voor de in artikel 161bis,
§§ 1 en 2, bedoelde bedragen, in de
mate dat de financieringsmiddelen van
de
beleggingsinstelling,
één
of
meerdere van haar compartimenten of
klassen
van
aandelen,
uitsluitend
worden aangetrokken bij institutionele of
professionele beleggers die voor eigen
rekening handelen, en waarvan de
effecten uitsluitend door deze beleggers
kunnen worden verworven.
384
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art.
161quater
Wetboek
van
Successierechten
Art.
161quater
Wetboek
van
Successierechten
De taks is opeisbaar de eerste januari
van elk jaar.
De taks is opeisbaar de eerste januari
van elk jaar.
Hij moet betaald zijn uiterlijk op 31
maart van elk jaar. Nochtans wordt die
termijn, wat betreft de betaling van de
taks of van het gedeelte van de taks met
betrekking tot de dividenden bedoeld in
artikel 21, 6°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen
1992,
in
voorkomend geval, verlengd tot de
achtste werkdag na de datum van de
algemene vergadering waarop over de
toekenning van de dividenden is beslist.
Hij moet betaald zijn uiterlijk op 31
maart van elk jaar. Nochtans wordt die
termijn, wat betreft de betaling van de
taks of van het gedeelte van de taks met
betrekking tot de dividenden bedoeld in
artikel 161, 5°, in voorkomend geval,
verlengd tot de achtste werkdag na de
datum van de algemene vergadering
waarop over de toekenning van de
dividenden is beslist.
Indien de taks of het gedeelte van de
taks niet betaald wordt binnen deze
termijn, is de wettelijke interest, volgens
het percentage in burgerlijke zaken, van
rechtswege verschuldigd te rekenen van
de dag waarop de betaling had moeten
geschieden.
Indien de taks of het gedeelte van de
taks niet betaald wordt binnen deze
termijn, is de wettelijke interest, volgens
het percentage in burgerlijke zaken, van
rechtswege verschuldigd te rekenen van
de dag waarop de betaling had moeten
geschieden.
Voor de berekening van de interesten
wordt elke fractie van een maand
gerekend als een volle maand.
Voor de berekening van de interesten
wordt elke fractie van een maand
gerekend als een volle maand.
Art.
161quinquies
Wetboek
van
Successierechten
Art.
161quinquies
Wetboek
van
Successierechten
De
instellingen
of
ondernemingen
bedoeld in artikel 161 zijn gehouden
uiterlijk
op
31
maart
van
ieder
aanslagjaar op het bevoegde kantoor
een aangifte in te dienen waarin de
belastbare grondslag wordt opgegeven.
Evenwel moeten, wat aangaat de taks
of het gedeelte van de taks met
betrekking tot de dividenden bedoeld in
artikel 21, 6°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen
1992,
de
coöperatieve vennootschappen erkend
door de Nationale Raad voor de
De
instellingen
of
ondernemingen
bedoeld in artikel 161 zijn gehouden
uiterlijk
op
31
maart
van
ieder
aanslagjaar op het bevoegde kantoor
een aangifte in te dienen waarin de
belastbare grondslag wordt opgegeven.
Evenwel moeten, wat aangaat de taks
of het gedeelte van de taks met
betrekking tot de dividenden bedoeld in
artikel 161, 5°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen
1992,
de
overeenkomstig artikel 8:4 van het
Wetboek van vennootschappen en
385
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Coöperatie
de
aangifte
of
een
bijkomende aangifte die de belastbare
grondslag opgeeft van de taks of van
het gedeelte van de taks betreffende die
dividenden, indienen ten laatste de dag
waarop de betaling overeenkomstig
artikel 161quater, tweede lid moet
worden gedaan.
verenigingen erkende coöperatieve
vennootschappen de aangifte of een
bijkomende aangifte die de belastbare
grondslag opgeeft van de taks of van
het gedeelte van de taks betreffende die
dividenden, indienen ten laatste de dag
waarop de betaling overeenkomstig
artikel 161quater, tweede lid moet
worden gedaan.
Indien de aangifte niet ingediend wordt
binnen
de
voorgeschreven
termijn,
wordt een boete verbeurd van 250 EUR
per week vertraging. Elke begonnen
week wordt gerekend als een volle
week.
Indien de aangifte niet ingediend wordt
binnen
de
voorgeschreven
termijn,
wordt een boete verbeurd van 250 EUR
per week vertraging. Elke begonnen
week wordt gerekend als een volle
week.
HOOFDSTUK 5 – Wijzigingen aan het Wetboek diverse rechten en taksen
Artikel 4, Wetboek diverse rechten en
taksen
Artikel 4, Wetboek diverse rechten en
taksen
De akten van notarissen verleden voor
vennootschappen
met
rechtspersoonlijkheid,
zoals
omschreven
in
het
Wetboek
van
vennootschappen,
zijn
onderworpen
aan een recht van 95 euro.
De akten van notarissen verleden voor
vennootschappen
met
rechtspersoonlijkheid,
zoals
omschreven in het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen,
zijn onderworpen aan een recht van 95
euro.
Artikel 1261, 8°, Wetboek diverse
rechten en taksen
Artikel 1261, 8°, Wetboek diverse
rechten en taksen
8° de verrichtingen die, met het oog op
het bevorderen van de liquiditeit van zijn
aandelen, voortvloeien uit een door de
algemene vergadering van een emittent
genomen voorafgaand besluit zoals
voorzien in artikel 620, § 1, 1°, van het
Wetboek van de vennootschappen, en
die voor rekening van de emittent die
beursgenoteerd
is
op
een
gereglementeerde markt zoals bedoeld
in artikel 2, 5° van de wet van 2
augustus 2002 betreffende het toezicht
op de financiële sector en de financiële
diensten, worden uitgevoerd door een
8° de verrichtingen die, met het oog op
het bevorderen van de liquiditeit van zijn
aandelen, voortvloeien uit een door de
algemene vergadering van een emittent
genomen voorafgaand besluit zoals
voorzien in artikel 620, § 1, 1°, van het
Wetboek van de vennootschappen en
verenigingen, en die voor rekening van
de emittent die beursgenoteerd is op
een
gereglementeerde
markt
zoals
bedoeld in artikel 2, 5° van de wet van 2
augustus 2002 betreffende het toezicht
op de financiële sector en de financiële
diensten, worden uitgevoerd door een
386
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
tussenpersoon als bedoeld in artikel 2,
9° en 10°, van de wet van 2 augustus
2002 betreffende het toezicht op de
financiële
sector
en
de
financiële
diensten, waarmee de emittent een
overeenkomst tot het verschaffen van
liquiditeit heeft afgesloten;
tussenpersoon als bedoeld in artikel 2,
9° en 10°, van de wet van 2 augustus
2002 betreffende het toezicht op de
financiële
sector
en
de
financiële
diensten, waarmee de emittent een
overeenkomst tot het verschaffen van
liquiditeit heeft afgesloten;
HOOFDSTUK 6. – Diverse bepalingen
HOOFDSTUK 6. – Diverse bepalingen
Afdeling 1.
Bosgroeperingsvennootschappen
Afdeling 1.
Bosgroeperingsvennootschappen
Wet van 6 mei 1999 ter bevordering van
de
oprichting
van
burgerlijke
bosgroeperingsvennootschappen
Wet van 6 mei 1999 ter bevordering
van
de
oprichting
van
bosgroeperingsvennootschappen.
Art. 2, van de wet van 6 mei 1999 ter
bevordering van de oprichting van
bosgroeperingsvennootschappen.
Art. 2, van de wet van 6 mei 1999 ter
bevordering van de oprichting van
bosgroeperingsvennootschappen.
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet
wordt
onder
bosgroeperingsvennootschap verstaan,
elke burgerlijke vennootschap die de
rechtsvorm
van
een
handelsvennootschap
heeft
aangenomen, die erkend is door de
Minister van Financiën op advies van de
Minister van het betrokken gewest die
de bossen onder zijn bevoegdheid
heeft,
en
die
uitsluitend
tot
maatschappelijk doel en activiteit heeft,
de bosbouw op gronden waarvan ze
eigenaar is, alsmede alle verrichtingen
die met dat doel verband houden of er
normaal uit voortvloeien op voorwaarde
dat ze het burgerlijk karakter van de
groepering niet wijzigen, met uitsluiting
van het kappen van bomen en de
verwerking van bosproducten.
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet
wordt
onder
bosgroeperingsvennootschap verstaan,
elke vennootschap die erkend is door
de Minister van Financiën op advies
van de Minister van het betrokken
gewest die de bossen onder zijn
bevoegdheid heeft, en die uitsluitend
tot voorwerp heeft, de bosbouw op
gronden waarvan ze eigenaar is,
alsmede alle verrichtingen die met
dat doel verband houden of er
normaal
uit
voortvloeien,
met
uitsluiting van het kappen van bomen en
de verwerking van bosproducten.
Art. 3, van de wet van 6 mei 1999 ter
bevordering van de oprichting van
bosgroeperingsvennootschappen.
Art. 3, van de wet van 6 mei 1999 ter
bevordering van de oprichting van
bosgroeperingsvennootschappen.
387
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Voor hun onderworpenheid aan de
inkomstenbelastingen
worden
de
bosgroeperingsvennootschappen
geacht geen rechtspersoonlijkheid te
bezitten wanneer aan al de volgende
voorwaarden is voldaan :
Voor hun onderworpenheid aan de
inkomstenbelastingen
worden
de
bosgroeperingsvennootschappen
geacht geen rechtspersoonlijkheid te
bezitten wanneer aan al de volgende
voorwaarden is voldaan :
1° alle aandelen uitgegeven door de
bosgroeperingsvennootschap
vertegenwoordigen het maatschappelijk
kapitaal,
zijn
vanaf
hun
uitgifte
ingeschreven op naam van natuurlijke
personen en verlenen slechts identieke
rechten aan de houders ervan;
1° alle aandelen uitgegeven door de
bosgroeperingsvennootschap
vertegenwoordigen het kapitaal, zijn
vanaf hun uitgifte ingeschreven op
naam van natuurlijke personen en
verlenen slechts identieke rechten aan
de houders ervan;
2° geen enkel bestanddeel van de
bosgroeperingsvennootschap mag vóór
de inbreng of zijn vervreemding aan de
bosgroeperingsvennootschap bestemd
geweest zijn voor de uitoefening van
een beroepswerkzaamheid;
2° geen enkel bestanddeel van de
bosgroeperingsvennootschap mag vóór
de inbreng of zijn vervreemding aan de
bosgroeperingsvennootschap bestemd
geweest zijn voor de uitoefening van
een beroepswerkzaamheid;
3°
de
door
een
bosgroeperingsvennootschap verkregen
inkomsten integreren zich in het kader
van het normaal beheer van een privé-
vermogen;
3°
de
door
een
bosgroeperingsvennootschap verkregen
inkomsten integreren zich in het kader
van het normaal beheer van een privé-
vermogen;
4° de bosgroeperingsvennootschap kent
geen enkel abnormaal of goedgunstig
voordeel toe, noch verkrijgt een dergelijk
voordeel.
4° de bosgroeperingsvennootschap kent
geen enkel abnormaal of goedgunstig
voordeel toe, noch verkrijgt een dergelijk
voordeel.
Art. 4, van de wet van 6 mei 1999 ter
bevordering van de oprichting van
bosgroeperingsvennootschappen.
Art. 4, van de wet van 6 mei 1999 ter
bevordering van de oprichting van
bosgroeperingsvennootschappen.
Art. 4. Het belastbare inkomen van een
bosgroeperingsvennootschap
wordt
volgens de aard ervan vastgesteld
volgens de regels van toepassing op
inkomen van onroerende goederen,
inkomen van roerende goederen en
kapitalen en diverse inkomen.
Art. 4. Het belastbare inkomen van een
bosgroeperingsvennootschap
wordt
volgens de aard ervan vastgesteld
volgens de regels van toepassing op
inkomen van onroerende goederen,
inkomen van roerende goederen en
kapitalen en diverse inkomen.
Het aldus bepaalde belastbare inkomen
wordt beschouwd als inkomen van
onroerende goederen, inkomen van
Het aldus bepaalde belastbare inkomen
wordt beschouwd als inkomen van
onroerende goederen, inkomen van
388
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
roerende goederen en kapitalen of
diverse inkomsten van elk van de
vennoten of de aandeelhouders en
wordt aldus in hun naam belast volgens
het belastingstelsel dat op hen van
toepassing is.
roerende goederen en kapitalen of
diverse inkomsten van elk van de
vennoten of de aandeelhouders en
wordt aldus in hun naam belast volgens
het belastingstelsel dat op hen van
toepassing is.
Deze inkomsten worden geacht te zijn
betaald of toegekend aan de vennoten
of de aandeelhouders op de datum van
de afsluiting van het boekjaar waarop ze
betrekking hebben.
Deze inkomsten worden geacht te zijn
betaald of toegekend aan de vennoten
of de aandeelhouders op de datum van
de afsluiting van het boekjaar waarop ze
betrekking hebben.
Het gedeelte van elke vennoot of
aandeelhouder
in
de
belastbare
inkomsten
van
de
bosgroeperingsvennootschap
komt
overeen met zijn aandelenpercentage in
het maatschappelijk kapitaal van deze
vennootschap.
Het gedeelte van elke vennoot of
aandeelhouder
in
de
belastbare
inkomsten
van
de
bosgroeperingsvennootschap
komt
overeen met zijn aandelenpercentage in
het kapitaal van deze vennootschap.
Afdeling 2. Diamant Stelsel
Art. 67, 4° en 5° van de wet van 18
december 2016
Art. 67, 4° en 5° van de wet van 18
december 2016
4° omzet uit de diamanthandel: de
omzet zoals gedefinieerd in artikel 96,
I.A, eerste lid, van het koninklijk besluit
van 30 januari 2001 tot uitvoering van
het Wetboek van vennootschappen,
voor
zover
verbonden
aan
de
diamanthandel,
of
wat
de
personenbelasting betreft, vastgesteld
door
de
optelling
van
de
totale
verkoopprijs op alle verkoop facturen
van het betreffende belastbare tijdperk
die betrekking hebben op de verkoop
van diamant.
4° omzet uit de diamanthandel: de
omzet zoals gedefinieerd in artikel […]
van het koninklijk besluit van XXXX
201[8 tot uitvoering van het Wetboek
vennootschappen en verenigingen]
voor
zover
verbonden
aan
de
diamanthandel,
of
wat
de
personenbelasting betreft, vastgesteld
door
de
optelling
van
de
totale
verkoopprijs op alle verkoop facturen
van het betreffende belastbare tijdperk
die betrekking hebben op de verkoop
van diamant.
5° kostprijs van de verkochte diamant:
de kosten, voor zover verbonden aan de
diamanthandel, zoals gedefinieerd in
artikel 96. II. A, eerste lid van het
koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot
uitvoering
van
het
Wetboek
van
vennootschappen
en,
wat
de
personenbelasting betreft, vastgesteld
door de optelling van de inkoopfacturen
5° kostprijs van de verkochte diamant:
de kosten, voor zover verbonden aan de
diamanthandel, zoals gedefinieerd in
artikel […] van het koninklijk besluit
van XXXX 201[8 tot uitvoering van het
Wetboek
vennootschappen
en
verenigingen]
en,
wat
de
personenbelasting betreft, vastgesteld
door de optelling van de inkoopfacturen
389
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
van het betreffende belastbaar tijdperk
die betrekking hebben op de aankoop
van diamant, gecorrigeerd door de
voorraadwijzigingen.
van het betreffende belastbaar tijdperk
die betrekking hebben op de aankoop
van diamant, gecorrigeerd door de
voorraadwijzigingen.
Art. 68, § 2, van de wet van 18
december 2016
Art. 68, § 2, van de wet van 18
december 2016
§
2.
Wat
een
geregistreerd
diamanthandelaar
betreft
die
ruwe
diamanten verhandelt die voortkomen
uit
de
eigen
uitbating
van
een
diamantmijn of eigen
winning
van
alluviale diamant, of die als verbonden
vennootschap in de zin van artikel 11
van het Wetboek Vennootschappen
deel
uitmaakt
van
een
vennootschapsgroep waarbinnen zich
de uitbating van een diamantmijn of de
winning van alluviale diamant situeert en
die tussenkomt bij de verhandeling naar
de markt toe van deze gewonnen
diamant
door
middel
van
diamantverkopen in eigen naam, geldt
de toepassing van het Diamant Stelsel
met betrekking tot de verkopen van
deze
zelf,
of
binnen
de
vennootschapsgroep,
gewonnen
diamant,
enkel
indien
deze
geregistreerde diamanthandelaar voor
dit stelsel opteert bij het indienen van
zijn fiscale aangifte.
§
2.
Wat
een
geregistreerd
diamanthandelaar
betreft
die
ruwe
diamanten verhandelt die voortkomen
uit
de
eigen
uitbating
van
een
diamantmijn of eigen
winning
van
alluviale diamant, of die als verbonden
vennootschap in de zin van artikel 1:20
van het Wetboek vennootschappen
en verenigingen deel uitmaakt van een
vennootschapsgroep waarbinnen zich
de uitbating van een diamantmijn of de
winning van alluviale diamant situeert en
die tussenkomt bij de verhandeling naar
de markt toe van deze gewonnen
diamant
door
middel
van
diamantverkopen in eigen naam, geldt
de toepassing van het Diamant Stelsel
met betrekking tot de verkopen van
deze
zelf,
of
binnen
de
vennootschapsgroep,
gewonnen
diamant,
enkel
indien
deze
geregistreerde diamanthandelaar voor
dit stelsel opteert bij het indienen van
zijn fiscale aangifte.
Een dergelijke optie geldt voor een
vaste termijn van drie opeenvolgende
aanslagjaren.
Een dergelijke optie geldt voor een
vaste termijn van drie opeenvolgende
aanslagjaren.
Afdeling 4. Zeescheepvaart
Art. 115, §2, 3°, programmawet van 2
augustus 2002
Art. 115, §2, 3°, programmawet van 2
augustus 2002
3° Divisie : een geheel dat op technisch
en
organisatorisch
gebied
een
autonome activiteit uitoefent en op eigen
kracht kan werken. Teneinde voor deze
wet als een divisie te kunnen aanzien
3° Divisie : een geheel dat op technisch
en
organisatorisch
gebied
een
autonome activiteit uitoefent en op eigen
kracht kan werken. Teneinde voor deze
wet als een divisie te kunnen aanzien
390
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
worden, is het vereist dat elke divisie als
een
bedrijfsafdeling
of
tak
van
werkzaamheid kan beschouwd worden
in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid,
2°
van
het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992 enerzijds en
anderzijds als een bedrijfstak in de zin
van artikel 680 van het Wetboek van
vennootschappen alsmede dat :
worden, is het vereist dat elke divisie als
een bedrijfstak in de zin van artikel 2,
§ 1, 6/2, c, van het Wetboek van
inkomstenbelastingen 1992 alsmede
dat :
- die divisie een afzonderlijk stel
rekeningen houdt;
- die divisie een afzonderlijk stel
rekeningen houdt;
- die divisie, wat haar eigen activiteiten
betreft, onder haar divisiebenaming naar
buiten treedt;
- die divisie, wat haar eigen activiteiten
betreft, onder haar divisiebenaming naar
buiten treedt;
-
die
divisie
beschikt
over
een
afzonderlijke personeelslijst voor het
personeel dat in die divisie wordt tewerk
gesteld;
-
die
divisie
beschikt
over
een
afzonderlijke personeelslijst voor het
personeel dat in die divisie wordt tewerk
gesteld;
- elke kost wordt toegeschreven aan
een bepaalde divisie met dien verstande
dat de kosten die niet op duidelijke wijze
kunnen worden toegeschreven aan een
bepaalde divisie als gemeenschappelijk
kunnen worden beschouwd;
- elke kost wordt toegeschreven aan
een bepaalde divisie met dien verstande
dat de kosten die niet op duidelijke wijze
kunnen worden toegeschreven aan een
bepaalde divisie als gemeenschappelijk
kunnen worden beschouwd;
- tussen de verschillende divisies enkel
een
doorrekening
van
kosten
kan
gebeuren
indien
het
gemeenschappelijke kosten betreft.
- tussen de verschillende divisies enkel
een
doorrekening
van
kosten
kan
gebeuren
indien
het
gemeenschappelijke kosten betreft.
Art. 122, §3, programmawet van 2
augustus 2002
Art. 122, §3, programmawet van 2
augustus 2002
De herbelegging moet gebeuren in
zeeschepen, delen in mede-eigendom
in zeeschepen, in scheepsaandelen of
in aandelen van een vennootschap-
scheepsexploitant
die
haar
maatschappelijke zetel in de Europese
Economische Ruimte heeft.
De herbelegging moet gebeuren in
zeeschepen, delen in mede-eigendom
in zeeschepen, in scheepsaandelen of
in aandelen van een vennootschap-
scheepsexploitant
die
haar
voornaamste inrichting of de zetel
van bestuur of beheer in de Europese
Economische Ruimte heeft.
Afdeling 4. Havens
391
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Art. 3, eerste lid, wet TOT BEPALING
VAN
DE
VOORWAARDEN
VAN
OVERGANG
BIJ
DE
ONDERWERPING
AAN
DE
VENNOOTSCHAPSBELASTING VAN
HAVENBEDRIJVEN
Art. 3, eerste lid, wet TOT BEPALING
VAN
DE
VOORWAARDEN
VAN
OVERGANG
BIJ
DE
ONDERWERPING
AAN
DE
VENNOOTSCHAPSBELASTING VAN
HAVENBEDRIJVEN
Art. 3. In geval van belastbaarheid
inzake vennootschapsbelasting van de
NV De Vlaamse Waterweg, van de
CVBA Autonome Haven du Centre et de
l'Ouest, van de Maatschappij van de
Brugse Zeehaven, van de Haven van
Brussel,
van
het
gemeentelijke
autonome havenbedrijf van Oostende,
van de naamloze vennootschappen van
publiek recht Havenbedrijf Antwerpen
en Havenbedrijf Gent en van de
autonome havens van Luik, Charleroi en
Namen
en
van
elke
andere
rechtspersoon
die
gelijkaardige
activiteiten oefent, zijn de volgende
voorwaarden van toepassing:
Art. 3. In geval van belastbaarheid
inzake vennootschapsbelasting van de
NV De Vlaamse Waterweg, van de
CVBA Autonome Haven du Centre et de
l'Ouest, van de Maatschappij van de
Brugse Zeehaven, van de Haven van
Brussel,
van
het
gemeentelijke
autonome havenbedrijf van Oostende,
van de naamloze vennootschappen van
publiek recht Havenbedrijf Antwerpen
en Havenbedrijf Gent en van de
autonome havens van Luik, Charleroi en
Namen
en
van
elke
andere
rechtspersoon
die
gelijkaardige
activiteiten oefent, zijn de volgende
voorwaarden van toepassing:
1° het deel van het maatschappelijk
kapitaal, van de uitgiftepremies of van
de bedragen waarop ingeschreven is ter
gelegenheid
van
de
uitgifte
van
winstbewijzen, dat voorheen werkelijk
werd
gestort
tijdens
de
boekjaren
afgesloten
voor
het
boekjaar
dat
verbonden is aan het eerste aanslagjaar
waarvoor de in de inleidende zin
bedoelde
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, wordt aangemerkt als
gestort kapitaal in de zin van artikel 184
van
het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992, onder de
voorwaarden bedoeld in het eerste en
tweede lid van dit artikel;
1° het deel van het kapitaal, van de
uitgiftepremies of van de bedragen
waarop ingeschreven is ter gelegenheid
van de uitgifte van winstbewijzen, dat
voorheen werkelijk werd gestort tijdens
de
boekjaren
afgesloten
voor
het
boekjaar dat verbonden is aan het
eerste aanslagjaar waarvoor de in de
inleidende zin bedoelde rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, wordt aangemerkt als
gestort kapitaal in de zin van artikel 184
van
het
Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen 1992, onder de
voorwaarden bedoeld in het eerste en
tweede lid van dit artikel;
2° de voorheen gereserveerde winsten,
al dan niet geïncorporeerd in kapitaal,
en de voorzieningen voor risico's en
kosten die door de in de inleidende zin
bedoelde rechtspersoon zijn geboekt in
de jaarrekening met betrekking tot het
boekjaar afgesloten voor het boekjaar
dat verbonden is aan het eerste
2° de voorheen gereserveerde winsten,
al dan niet geïncorporeerd in kapitaal,
en de voorzieningen voor risico's en
kosten die door de in de inleidende zin
bedoelde rechtspersoon zijn geboekt in
de jaarrekening met betrekking tot het
boekjaar afgesloten voor het boekjaar
dat verbonden is aan het eerste
392
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
aanslagjaar
waarvoor
deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, worden als reeds belaste
reserves beschouwd;
aanslagjaar
waarvoor
deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, worden als reeds belaste
reserves beschouwd;
3°
de
kapitaalsubsidies
die
zijn
toegekend om vaste activa aan te
schaffen of tot stand te brengen en die
beantwoorden aan de in artikel 56ter of
56quater van de Verordening (EU) nr.
651/2014 van 17 juni 2014 van de
Europese Commissie waarbij bepaalde
categorieën steun op grond van de
artikelen 107 en 108 van het Verdrag
met
de
interne
markt
verenigbaar
worden
verklaard,
gestelde
voorwaarden,
die
door
de
in
de
inleidende zin bedoelde rechtspersoon
zijn geboekt in de jaarrekening met
betrekking tot het boekjaar afgesloten
voor het boekjaar dat verbonden is aan
het eerste aanslagjaar waarvoor deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, worden als reeds belaste
reserves beschouwd;
3°
de
kapitaalsubsidies
die
zijn
toegekend om vaste activa aan te
schaffen of tot stand te brengen en die
beantwoorden aan de in artikel 56ter of
56quater van de Verordening (EU) nr.
651/2014 van 17 juni 2014 van de
Europese Commissie waarbij bepaalde
categorieën steun op grond van de
artikelen 107 en 108 van het Verdrag
met
de
interne
markt
verenigbaar
worden
verklaard,
gestelde
voorwaarden,
die
door
de
in
de
inleidende zin bedoelde rechtspersoon
zijn geboekt in de jaarrekening met
betrekking tot het boekjaar afgesloten
voor het boekjaar dat verbonden is aan
het eerste aanslagjaar waarvoor deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, worden als reeds belaste
reserves beschouwd;
4° de herwaarderingsmeerwaarden op
materiële
vaste
activa
waarvoor
verkregen
investeringssteun
zou
beantwoorden aan de in artikel 56ter of
56quater van de Verordening (EU) nr.
651/2014 van 17 juni 2014 van de
Europese Commissie waarbij bepaalde
categorieën steun op grond van de
artikelen 107 en 108 van het Verdrag
met
de
interne
markt
verenigbaar
worden
verklaard,
gestelde
voorwaarden,
die
door
de
in
de
inleidende zin bedoelde rechtspersoon
zijn geboekt in de jaarrekening met
betrekking tot het boekjaar afgesloten
voor het boekjaar dat verbonden is aan
het eerste aanslagjaar waarvoor deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, worden als reeds belaste
reserves
en
als
deel
van
de
aanschaffingswaarde
van
het
4° de herwaarderingsmeerwaarden op
materiële
vaste
activa
waarvoor
verkregen
investeringssteun
zou
beantwoorden aan de in artikel 56ter of
56quater van de Verordening (EU) nr.
651/2014 van 17 juni 2014 van de
Europese Commissie waarbij bepaalde
categorieën steun op grond van de
artikelen 107 en 108 van het Verdrag
met
de
interne
markt
verenigbaar
worden
verklaard,
gestelde
voorwaarden,
die
door
de
in
de
inleidende zin bedoelde rechtspersoon
zijn geboekt in de jaarrekening met
betrekking tot het boekjaar afgesloten
voor het boekjaar dat verbonden is aan
het eerste aanslagjaar waarvoor deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, worden als reeds belaste
reserves
en
als
deel
van
de
aanschaffingswaarde
van
het
393
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
onderliggend actiefbestanddeel in de zin
van artikel 61 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 beschouwd,
voor
zover
de
herwaarderingsmeerwaarde voldoet aan
artikel 57 van het koninklijk besluit van
30 januari 2001 tot uitvoering van het
wetboek van vennootschappen;
onderliggend actiefbestanddeel in de zin
van artikel 61 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 beschouwd,
voor
zover
de
herwaarderingsmeerwaarde voldoet aan
artikel […] van het koninklijk besluit
van […] tot uitvoering van het
wetboek van vennootschappen en
verenigingen;
De niet in het eerste lid bedoelde
herwaarderingsmeerwaarden die door
de in de inleidende zin bedoelde
rechtspersoon
zijn
geboekt
in
de
jaarrekening met betrekking tot het
boekjaar afgesloten voor het boekjaar
dat verbonden is aan het eerste
aanslagjaar
waarvoor
deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, worden slechts vrijgesteld
voor
zover
ze
op
één
of
meer
afzonderlijke rekeningen van het passief
geboekt blijven en niet tot grondslag
dienen
voor
enige
beloning
of
toekenning;
De niet in het eerste lid bedoelde
herwaarderingsmeerwaarden die door
de in de inleidende zin bedoelde
rechtspersoon
zijn
geboekt
in
de
jaarrekening met betrekking tot het
boekjaar afgesloten voor het boekjaar
dat verbonden is aan het eerste
aanslagjaar
waarvoor
deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, worden slechts vrijgesteld
voor
zover
ze
op
één
of
meer
afzonderlijke rekeningen van het passief
geboekt blijven en niet tot grondslag
dienen
voor
enige
beloning
of
toekenning;
5° de kosten die werkelijk door de in de
inleidende zin bedoelde rechtspersoon
worden
gedragen
tijdens
een
aanslagjaar dat aanvangt vanaf de
eerste
dag
van
het
aanslagjaar
waarvoor deze rechtspersoon aan de
vennootschapsbelasting is onderworpen
en die het voorwerp hebben uitgemaakt
van een voorziening voor risico's en
kosten
in
de
zin
van
de
boekhoudwetgeving die werd aangelegd
tijdens een aanslagjaar waarvoor deze
rechtspersoon
aan
de
rechtspersonenbelasting
was
onderworpen, zijn als beroepskosten
aftrekbaar voor het aanslagjaar tijdens
hetwelk zij werkelijk zijn gedragen voor
zover is voldaan aan de voorwaarden
van artikel 49 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992;
5° de kosten die werkelijk door de in de
inleidende zin bedoelde rechtspersoon
worden
gedragen
tijdens
een
aanslagjaar dat aanvangt vanaf de
eerste
dag
van
het
aanslagjaar
waarvoor deze rechtspersoon aan de
vennootschapsbelasting is onderworpen
en die het voorwerp hebben uitgemaakt
van een voorziening voor risico's en
kosten
in
de
zin
van
de
boekhoudwetgeving die werd aangelegd
tijdens een aanslagjaar waarvoor deze
rechtspersoon
aan
de
rechtspersonenbelasting
was
onderworpen, zijn als beroepskosten
aftrekbaar voor het aanslagjaar tijdens
hetwelk zij werkelijk zijn gedragen voor
zover is voldaan aan de voorwaarden
van artikel 49 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992;
6° definitieve verliezen op activa, die
worden verwezenlijkt door de in de
6° definitieve verliezen op activa, die
worden verwezenlijkt door de in de
394
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
inleidende zin bedoelde rechtspersoon
in de zin van artikel 49 van het Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen
1992
tijdens een aanslagjaar waarvoor deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting is onderworpen
en die het voorwerp hebben uitgemaakt
van een waardevermindering geboekt
tijdens een aanslagjaar waarvoor deze
rechtspersoon
aan
de
rechtspersonenbelasting
was
onderworpen, zijn als beroepskosten
aftrekbaar
voor
het
aanslagjaar
gedurende
hetwelk
deze
werden
gerealiseerd;
inleidende zin bedoelde rechtspersoon
in de zin van artikel 49 van het Wetboek
van
de
inkomstenbelastingen
1992
tijdens een aanslagjaar waarvoor deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting is onderworpen
en die het voorwerp hebben uitgemaakt
van een waardevermindering geboekt
tijdens een aanslagjaar waarvoor deze
rechtspersoon
aan
de
rechtspersonenbelasting
was
onderworpen, zijn als beroepskosten
aftrekbaar
voor
het
aanslagjaar
gedurende
hetwelk
deze
werden
gerealiseerd;
7° de in hoofde van de in de inleidende
zin
bedoelde
rechtspersoon
in
aanmerking te nemen afschrijvingen,
min- of meerwaarden op activa worden
bepaald alsof deze rechtspersoon altijd
aan
de
vennootschapsbelasting
onderworpen is geweest;
7° de in hoofde van de in de inleidende
zin
bedoelde
rechtspersoon
in
aanmerking te nemen afschrijvingen,
min- of meerwaarden op activa worden
bepaald alsof deze rechtspersoon altijd
aan
de
vennootschapsbelasting
onderworpen is geweest;
8° de door de in de inleidende zin
bedoelde
rechtspersoon
voorheen
geleden verliezen die zijn geboekt in de
jaarrekening met betrekking tot het
boekjaar afgesloten voor het boekjaar
dat verbonden is aan het eerste
aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, mogen niet in rekening
worden gebracht voor de bepaling van
de
belastbare
grondslag
van
aanslagjaren
voor
dewelke
deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen.
8° de door de in de inleidende zin
bedoelde
rechtspersoon
voorheen
geleden verliezen die zijn geboekt in de
jaarrekening met betrekking tot het
boekjaar afgesloten voor het boekjaar
dat verbonden is aan het eerste
aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen, mogen niet in rekening
worden gebracht voor de bepaling van
de
belastbare
grondslag
van
aanslagjaren
voor
dewelke
deze
rechtspersoon
aan
de
vennootschapsbelasting
is
onderworpen.
Afdeling 6. Stelsel dat voorziet in de terugvordering van staatssteun.
Artikel 100, eerste lid programmawet
25 december 2016
Artikel 100, eerste lid programmawet
25 december 2016
De definities die zijn opgenomen in de
artikelen 2 en 229 van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992 en in de
artikelen 5 tot 11 van het Wetboek van
De definities die zijn opgenomen in de
artikelen 2 en 229 van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992 en in de
artikelen 1:14 tot 1:20 van het
395
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
vennootschappen zijn op dit hoofdstuk
van toepassing.
Wetboek van vennootschappen en
verenigingen zijn op dit hoofdstuk van
toepassing.
Artikel 101, derde lid programmawet
25 december 2016
Artikel 101, derde lid programmawet
25 december 2016
Voor het bepalen van het verkregen
bedrag aan steun kan desgevallend
worden rekening gehouden met door de
verkrijger
van
de
steun
bewezen
concrete elementen wat betreft het
toevoegen van in België vrijgestelde
bedragen aan het belastbaar inkomen
op het niveau van andere buitenlandse
verbonden vennootschappen in de zin
van artikel 11 van het Wetboek van
vennootschappen, en andere elementen
met
betrekking
tot
buitenlandse
belastingheffingen die van aard zijn het
daadwerkelijk verkregen netto voordeel
te corrigeren, en dit voor zover het in
aanmerking nemen van deze elementen
geschiedt
conform
de
bedoelde
beslissing van 11 januari 2016 van de
Europese Commissie.
Voor het bepalen van het verkregen
bedrag aan steun kan desgevallend
worden rekening gehouden met door de
verkrijger
van
de
steun
bewezen
concrete elementen wat betreft het
toevoegen van in België vrijgestelde
bedragen aan het belastbaar inkomen
op het niveau van andere buitenlandse
verbonden vennootschappen in de zin
van artikel 1:20 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen,
en andere elementen met betrekking tot
buitenlandse belastingheffingen die van
aard zijn het daadwerkelijk verkregen
netto voordeel te corrigeren, en dit voor
zover het in aanmerking nemen van
deze elementen geschiedt conform de
bedoelde beslissing van 11 januari 2016
van de Europese Commissie.
Artikel
105
programmawet
25
december 2016
Artikel
105
programmawet
25
december 2016
In de eventualiteit dat een vennootschap
overgenomen of gesplitst wordt in het
kader van een fusie, een verrichting
gelijkaardig aan een fusie of een
splitsing bedoeld in de artikelen 671 tot
677
van
het
Wetboek
van
vennootschappen,
of
van
een
gelijkaardige verrichting in buitenlands
vennootschapsrecht,
wordt
de
inkohiering van de terug te vorderen
steun verkregen door de overgenomen
of gesplitste vennootschap, tot en met
de voornoemde verrichting, gevestigd in
hoofde
van
de
overnemende
of
verkrijgende vennootschappen, zelfs op
het moment dat de overgenomen of
gesplitste
vennootschap
niet
meer
In de eventualiteit dat een vennootschap
overgenomen of gesplitst wordt in het
kader van een fusie, een verrichting
gelijkaardig aan een fusie of een
splitsing of een andere ontbinding
zonder verdeling van het gehele
maatschappelijke vermogen, wordt de
inkohiering van de terug te vorderen
steun verkregen door de overgenomen
of gesplitste vennootschap, tot en met
de voornoemde verrichting, gevestigd in
hoofde
van
de
overnemende
of
verkrijgende vennootschappen, zelfs op
het moment dat de overgenomen of
gesplitste
vennootschap
niet
meer
bestaat als rechtspersoon.
396
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 1/96
Coordination des articles
Texte de base
Texte de base adapté au projet de loi
Code des impôts sur les revenus 1992
TITRE 2. — Adaptation de certaines dispositions fiscales fédérales au nouveau Code des sociétés et des
associations
CHAPITRE 1er. – Modifications au Code des impôts sur les revenus 1992
Article 2, § 1er, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 2, § 1er, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 1er. Pour l'application du présent Code, des
dispositions légales particulières relatives aux
impôts sur les revenus et des arrêtés pris pour
leur exécution, les termes suivants ont le sens
défini dans le présent article.
§ 1er. Pour l'application du présent Code, des
dispositions légales particulières relatives aux
impôts sur les revenus et des arrêtés pris pour
leur exécution, les termes suivants ont le sens
défini dans le présent article.
1° Habitants du Royaume
1° Habitants du Royaume
(…)
(…)
5° Sociétés
5° Sociétés
On entend par :
On entend par :
a)
société
:
toute
société,
association,
établissement
ou
organisme
quelconque
régulièrement
constitué
qui
possède
la
personnalité juridique et se livre à une
exploitation ou à des opérations de caractère
lucratif.
a)
société
:
toute
société,
association,
établissement ou organisme quelconque qui se
livre à une exploitation ou à des opérations de
caractère lucratif et qui :
- soit possède la personnalité juridique ;
- soit est régie par un droit étranger qui ne lui
accorde pas la personnalité juridique mais a une
forme juridique analogue à celle d'une société
de droit belge dotée de la personnalité juridique
en vertu du droit belge.
Les organismes de droit belge possédant la
personnalité juridique qui, pour l'application des
impôts sur les revenus, sont censés être dénués
Les organismes de droit belge possédant la
personnalité juridique qui, pour l'application des
impôts sur les revenus, sont censés être dénués
397
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 2/96
de la personnalité juridique, ne sont pas
considérés comme des sociétés ;
de la personnalité juridique, ne sont pas
considérés comme des sociétés ;
b) société résidente : toute société qui a en
Belgique
son
siège
social,
son
principal
établissement ou son siège de direction ou
d'administration et qui n'est pas exclue du champ
d'application de l'impôt des sociétés ;
b) société résidente : toute société qui a en
Belgique son principal établissement ou son siège
de direction ou d'administration et qui n'est pas
exclue du champ d'application de l'impôt des
sociétés.
La société qui a son siège statutaire en Belgique
est présumée sauf preuve contraire y avoir aussi
son principal établissement ou son siège de
direction
ou
d’administration.
La
preuve
contraire est admise uniquement s'il est
démontré en outre que le domicile fiscal de la
société est établi dans un autre Etat que la
Belgique en vertu de la législation fiscale de cet
autre Etat ;
b)bis société intra-européenne : toute société
d'un Etat membre de l'Union européenne :
b)bis société intra-européenne : toute société
d'un Etat membre de l'Union européenne :
- qui n'est pas une société résidente,
- qui n'est pas une société résidente,
- qui a une forme juridique citée dans l'annexe I,
partie A, de la Directive 2009/133/CE du Conseil
du 19 octobre 2009 concernant le régime fiscal
commun
applicable
aux
fusions,
scissions,
scissions partielles, apports d'actifs et échanges
d'actions
intéressant
des
sociétés
d'Etats
membres différents ainsi qu'au transfert de siège
statutaire d'une SE ou d'une SCE d'un Etat
membre à un autre,
- qui a une forme juridique citée dans l'annexe I,
partie A, de la Directive 2009/133/CE du Conseil
du 19 octobre 2009 concernant le régime fiscal
commun
applicable
aux
fusions,
scissions,
scissions partielles, apports d'actifs et échanges
d'actions
intéressant
des
sociétés
d'Etats
membres différents ainsi qu'au transfert de siège
statutaire d'une SE ou d'une SCE d'un Etat
membre à un autre, étant entendu que,
s’agissant des sociétés de droit belge visées au
point b de ladite annexe, les références à la
"société privée à responsabilité limitée", aux
"société coopérative à responsabilité limitée" et
"société coopérative à responsabilité illimitée",
et à la "société en commandite simple" doivent
s’entendre
comme
une
référence,
respectivement à la "société à responsabilité
limitée", à la "société coopérative" et à la
"société en commandite",
- qui, selon la législation fiscale d'un Etat membre
de l'Union européenne, autre que la Belgique, est
considérée comme ayant dans cet Etat son
- qui, selon la législation fiscale d'un Etat membre
de l'Union européenne, autre que la Belgique, est
considérée comme ayant dans cet Etat son
398
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 3/96
domicile fiscal sans être considérée, aux termes
d'une
convention
en
matière
de
double
imposition conclue avec un Etat tiers, comme
ayant son domicile fiscal hors de l'Union
européenne, et
domicile fiscal sans être considérée, aux termes
d'une
convention
en
matière
de
double
imposition conclue avec un Etat tiers, comme
ayant son domicile fiscal hors de l'Union
européenne, et
- qui, sans possibilité d'option et sans en être
exonérée, est assujettie à un des impôts
analogues à l'impôt des sociétés énumérés à
l'annexe Ire, partie B, de la directive précitée ;
- qui, sans possibilité d'option et sans en être
exonérée, est assujettie à un des impôts
analogues à l'impôt des sociétés énumérés à
l'annexe Ire, partie B, de la directive précitée ;
c) société étrangère : toute société qui n'a pas en
Belgique
son
siège
social,
son
principal
établissement ou son siège de direction ou
d'administration ;
c) société étrangère : sans préjudice du 5°, b,
toute société qui n'a pas en Belgique son
principal établissement ou son siège de direction
ou d'administration ;
d) société de financement : toute société dont
l'activité
consiste
exclusivement
ou
principalement en la prestation de services
financiers au profit de sociétés qui ne forment
pas un groupe directement ou indirectement
avec la société prestataire ;
d) société de financement : toute société dont
l'activité
consiste
exclusivement
ou
principalement en la prestation de services
financiers au profit de sociétés qui ne forment
pas un groupe directement ou indirectement
avec la société prestataire ;
(…)
(…)
5°/1 Groupe de sociétés
5°/1 Groupe de sociétés
Par groupe de sociétés, on entend l'ensemble des
sociétés qui sont liées au sens de l'article 11 du
Code des sociétés.
Par groupe de sociétés, on entend l'ensemble des
sociétés qui sont liées au sens de l'article 1:20 du
Code des sociétés et des associations.
5°bis Fonds commun de placement
5°bis Fonds commun de placement
(…)
(…)
5°ter « Etabli(e) »
Lorsque le terme établi(e) est utilisé à propos
d’une société, association, établissement ou
organisme quelconque en rapport avec un Etat
ou groupe d’Etats, ce terme signifie qu’il a son
domicile fiscal dans cet Etat ou dans l’un des
Etats de ce groupe d’Etats selon la législation
fiscale de cet Etat, sans qu’une convention en
matière de double imposition ait pour effet qu’il
doive être considéré comme ayant son domicile
fiscal en dehors de cet Etat ou groupe d’Etats.
399
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 4/96
6° Capital libéré
6° Capital
Par capital libéré, on entend le capital social
réellement libéré au sens de ce qui est prévu en
matière d'impôt des sociétés.
On entend par :
a)
“Capital ”, dans le chef d’une société :
1)
le capital d’une société anonyme, tel que
prévu par le Code des sociétés et des
associations, ou, pour une société ayant une
autre forme juridique pour laquelle le droit
belge ou étranger qui la régit prévoit une notion
analogue, cette notion telle que prévue dans ce
droit ;
2)
pour les formes de sociétés pour
lesquelles le droit belge ou étranger qui régit la
société ne prévoit pas une notion analogue, les
capitaux propres de la société tels que prévus
par le droit belge ou étranger qui régit la société,
dans la mesure où ils sont formés par des
apports en numéraire ou en nature, autres que
des apports en industrie.
b) Capital libéré
Tant pour une société résidente que pour une
société étrangère, le capital réellement libéré au
sens de ce qui est prévu en matière d’impôt des
sociétés.
6°/1
Fusion
par
absorption,
fusion
par
constitution d'une nouvelle société, scission par
absorption,
scission
par
constitution
de
nouvelles sociétés, scission mixte, opération
assimilée à la fusion par absorption et opération
assimilée à la scission, ou, en abrégé, "fusion,
scission et opération assimilée à une fusion ou à
une scission"
On entend par :
a) Fusion par absorption : l'opération par
laquelle une ou plusieurs sociétés transfèrent,
par suite d'une dissolution sans liquidation,
l'ensemble de leur patrimoine, activement et
passivement, à une autre société préexistante,
400
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 5/96
moyennant l'attribution à leurs actionnaires ou
associés d’actions ou parts de la société
bénéficiaire et, éventuellement, d'une soulte en
espèces ne dépassant un dixième de la valeur
nominale, ou à défaut de valeur nominale, du
pair comptable de ces titres. Si le droit belge ou
étranger qui régit la société bénéficiaire ne
prévoit pas une notion analogue à celle du
capital d’une société anonyme, est assimilée au
pair comptable la valeur, telle qu’elle résulte des
comptes annuels, de tous les apports en
numéraire ou en nature, autres que les apports
en industrie, consentis par les actionnaires ou
associés, le cas échéant augmenté des réserves
qui, en vertu d’une disposition statutaire, ne
peuvent être distribuées aux actionnaires ou
associés que moyennant une modification des
statuts, le tout divisé par le nombre des actions
ou parts ;
b) Fusion par constitution d'une nouvelle
société : l’opération par laquelle deux ou
plusieurs sociétés transfèrent, par suite d’une
dissolution sans liquidation, l’ensemble de leur
patrimoine, activement et passivement, à une
nouvelle
société
qu’elles
constituent,
moyennant l’attribution à leurs actionnaires ou
associés d’actions ou parts de la nouvelle société
et, éventuellement, d’une soulte en espèces ne
dépassant pas un dixième de la valeur nominale
ou, à défaut de valeur nominale, du pair
comptable de ces titres. Si le droit belge ou
étranger qui régit la société bénéficiaire ne
prévoit pas une notion analogue à celle du
capital
d’une
société
anonyme,
le
pair
comptable est déterminé selon les règles sub a) ;
c)
Opération
assimilée
à
la
fusion
par
absorption : l’opération par laquelle une société
transfère, par suite de sa dissolution sans
liquidation, l’ensemble de son patrimoine,
activement et passivement, à la société qui
détient toutes ses actions ou parts et autres
titres conférant le droit de vote ;
401
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 6/96
d) Scission par absorption : l’opération par
laquelle une société transfère, par suite de sa
dissolution sans liquidation, l’ensemble de son
patrimoine, activement et passivement, à
plusieurs sociétés, moyennant l’attribution à ses
actionnaires ou associés, selon une règle
proportionnelle ou non, d’actions ou parts des
sociétés
bénéficiaires
de
l’apport
et,
éventuellement, d’une soulte en espèces ne
dépassant pas 10 p.c. de la valeur nominale ou,
à défaut de valeur nominale, du pair comptable
de ces titres. Si le droit belge ou étranger qui
régit la société bénéficiaire ne prévoit pas une
notion analogue à celle du capital d’une société
anonyme, le pair comptable est déterminé selon
les règles sub a) ;
e) Scission par constitution de nouvelles sociétés
: l'opération par laquelle une société transfère,
par suite de sa dissolution sans liquidation,
l'ensemble de son patrimoine, activement et
passivement,
à
plusieurs
sociétés
qu'elle
constitue,
moyennant
l'attribution
à
ses
actionnaires ou associés, selon une règle
proportionnelle ou non, d’actions ou parts des
sociétés
bénéficiaires
de
l’apport
et,
éventuellement, d'une soulte en espèces ne
dépassant pas 10 p.c. de la valeur nominale ou,
à défaut de valeur nominale, du pair comptable
de ces titres. Si le droit belge ou étranger qui
régit la société bénéficiaire ne prévoit pas une
notion analogue à celle du capital d’une société
anonyme, le pair comptable est déterminé selon
les règles sub a) ;
f) Scission mixte : l'opération par laquelle une
société transfère, par suite de sa dissolution
sans liquidation, l'ensemble de son patrimoine,
activement et passivement, à une ou plusieurs
sociétés existantes et à une ou plusieurs sociétés
qu'elle constitue, moyennant l'attribution à ses
actionnaires ou associés, selon une règle
proportionnelle ou non, d’actions ou parts des
sociétés
bénéficiaires
de
l’apport
et,
éventuellement, d'une soulte en espèces ne
402
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 7/96
dépassant pas 10 p.c. de la valeur nominale ou,
à défaut de valeur nominale, du pair comptable
de ces titres. Si le droit belge ou étranger qui
régit la société bénéficiaire ne prévoit pas une
notion analogue à celle du capital d’une société
anonyme, le pair comptable est déterminé selon
les règles sub a) ;
g) Opérations assimilées à la scission :
1)
L’opération par laquelle une société
transfère, sans être dissoute, une partie de son
patrimoine, activement et passivement, à une
ou plusieurs sociétés préexistantes ou qu’elle
constitue,
moyennant
l’attribution
à
ses
actionnaires
ou
associés,
de
façon
proportionnelle ou non, d’actions ou parts de la
société ou des sociétés bénéficiaires et,
éventuellement, d'une soulte en espèces ne
dépassant pas 10 p.c. de la valeur nominale ou,
à défaut de valeur nominale, du pair comptable
de ces titres. Si le droit belge ou étranger qui
régit la société bénéficiaire ne prévoit pas une
notion analogue à celle du capital d’une société
anonyme, le pair comptable est déterminé selon
les règles sub a) ;
2) L’opération par laquelle une société transfère
sans dissolution une partie de son patrimoine,
activement et passivement, à une autre société
qui est déjà titulaire de toutes ses actions ou
parts et autres titres conférant le droit de vote.
Ces opérations peuvent également avoir lieu
lorsqu'une ou plusieurs des sociétés dont le
patrimoine sera transféré sont en liquidation ou
en faillite pourvu qu'elles n'aient pas encore
commencé la répartition de leurs actifs entre
leurs associés.
6°/2 : Apport d’universalité et apport de
branche d’activité :
On entend par :
a)
Apport
d’une
universalité
de
biens:
l’opération par laquelle une personne physique
403
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 8/96
ou une société, sans dissolution, transfère
l’intégralité de son patrimoine, activement et
passivement, à une société, moyennant une
rémunération
consistant
exclusivement
en
actions ou parts du capital de la société
bénéficiaire de l’apport ; dans le cas d’une
personne
physique,
l’intégralité
de
son
patrimoine s’entend de toutes les branches de
son activité ;
b) Apport de branche d’activité : l’opération par
laquelle une personne physique ou une société
transfère, sans dissolution, à une autre société
une branche d’activité à une société, moyennant
une rémunération consistant exclusivement en
actions ou parts de la société bénéficiaire de
l’apport;
c) Branche d’activité : l’ensemble des éléments
d’actif et de passif d’une division d’une société
qui
constituent,
du
point
de
vue
de
l’organisation, une exploitation autonome, c’est-
à-dire un ensemble capable de fonctionner par
ses propres moyens.
7° Valeur réévaluée
7° Valeur réévaluée
(…)
(…)
13°/1 par dérogation au 13°, ne constituent pas
des constructions juridiques :
13°/1 par dérogation au 13°, ne constituent pas
des constructions juridiques :
(…)
(…)
L'alinéa 1er ne s'applique pas en ce qui concerne
les institutions, entités et sociétés visées dans cet
alinéa, dont les droits sont détenus par une
personne, ou plusieurs personnes liées entre
elles, le cas échéant considéré distinctement par
compartiment.
L'alinéa 1er ne s'applique pas en ce qui concerne
les institutions, entités et sociétés visées dans cet
alinéa, dont les droits sont détenus par une
personne, ou plusieurs personnes liées entre
elles, le cas échéant considéré distinctement par
compartiment.
Pour l'application de l'alinéa 2, des personnes
sont liées à d'autres personnes lorsque :
Pour l'application de l'alinéa 2, des personnes
sont liées à d'autres personnes lorsque :
- une ou plusieurs personnes, physiques ou
morales, exercent le contrôle sur une autre
personne morale, telle que visée à l'article 5 du
- une ou plusieurs personnes, physiques ou
morales, exercent le contrôle sur une autre
personne morale, telle que visée à l'article 1:14
404
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 9/96
Code des sociétés, ou;
du Code des sociétés et des associations, ou;
(…)
(…)
Article 18, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 18, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 18, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 18, du Code des impôts sur les revenus
1992
Les dividendes comprennent :
Les dividendes comprennent :
1° tous les avantages attribués par une société
aux actions, parts et parts bénéficiaires, quelle
que soit leur dénomination, obtenus à quelque
titre et sous quelque forme que ce soit ;
1° tous les avantages attribués par une société
aux actions, parts et parts bénéficiaires, quelle
que soit leur dénomination, obtenus à quelque
titre et sous quelque forme que ce soit ;
2° les remboursements totaux ou partiels de
capital social, à l'exception de la quotité de ce
remboursement qui est imputée sur le capital
libéré, ou sur les sommes assimilées au capital
libéré visées au 2°bis, conformément à l’alinéa 2,
à l’occasion d’un remboursement de capital
opéré en exécution d'une décision régulière de
réduction du capital social, prise conformément
aux dispositions du Code des sociétés ou
conformément aux dispositions du droit des
sociétés applicable à la société étrangère ;
2° les remboursements totaux ou partiels de
capital, à l’exception des remboursements qui
sont censés provenir, conformément à l’alinéa 2,
du capital libéré ou des sommes assimilées à du
capital libéré visées au 2° bis et opérés en
exécution d’une décision régulière de la société
conformément au Code des sociétés et des
associations, ou, si la société n’est pas régie par
ce Code, conformément aux dispositions du
droit qui la régit ;
2°bis les remboursements totaux ou partiels de
primes d'émission et de sommes souscrites à
l'occasion d'émission de parts bénéficiaires, à
l'exception des remboursements de sommes
assimilées à du capital libéré opérés en exécution
d'une décision régulière de l'assemblée générale
prise conformément aux dispositions du Code des
sociétés applicables aux modifications des statuts
ou conformément aux dispositions du droit des
sociétés applicables à la société étrangère, dans
la mesure où ces remboursements sont imputés
sur le capital libéré, ou sur les sommes susvisées
assimilées à du capital libéré, conformément à
l’alinéa 2 ;
2°bis les remboursements totaux ou partiels de
primes
d’émission
ou
d’autres
sommes
souscrites à l’occasion de l’émission d’actions ou
parts ou de parts bénéficiaires, à l’exception des
remboursements
de
sommes
assimilées
conformément à l’article 184, alinéa 2, à du
capital libéré opérés en exécution d’une décision
régulière de la société conformément au Code
des sociétés et des associations, ou, si la société
n’est pas régie par ce Code, conformément aux
dispositions du droit qui la régit, dans la mesure
où ces remboursements sont conformément à
l’alinéa 2 censés provenir du capital libéré ou
des sommes susvisées assimilées à du capital
405
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 10/96
libéré ;
2°ter les sommes définies comme dividendes par
les articles 186, 187 et 209 en cas de partage
total ou partiel de l'avoir social d'une société
résidente ou étrangère ou d'acquisition d'actions
ou parts propres par une telle société;
2°ter les sommes définies comme dividendes par
les articles 186, 187 et 209 en cas de partage
total ou partiel de l'avoir social d'une société
résidente ou étrangère ou d'acquisition d'actions
ou parts propres par une telle société;
3° les sommes, autres que celles visées au 1°,
2°, 2°bis et 2°ter, attribuées ou mises en
paiement par une construction juridique, y
compris les revenus qui sont censés être
attribués ou mis en paiement conformément à
l'article 5/1, § 2, dans la mesure où le
contribuable n'a pas établi que cette attribution
ou
mise
en
paiement
entraînerait
une
diminution du patrimoine de la construction
juridique jusqu'à un montant inférieur aux
capitaux apportés par le fondateur;
3° les sommes, autres que celles visées au 1°, 2°,
2°bis et 2°ter, attribuées ou mises en paiement
par une construction juridique, y compris les
revenus qui sont censés être attribués ou mis en
paiement conformément à l'article 5/1, § 2, dans
la mesure où le contribuable n'a pas établi que
cette
attribution
ou
mise
en
paiement
entraînerait une diminution du patrimoine de la
construction juridique jusqu'à un montant
inférieur aux capitaux apportés par le fondateur;
4° les intérêts des avances lorsqu'une des limites
suivantes est dépassée et dans la mesure de ce
dépassement :
4° les intérêts des avances lorsqu'une des limites
suivantes est dépassée et dans la mesure de ce
dépassement :
- soit la limite fixée à l'article 55,
- soit la limite fixée à l'article 55,
- soit lorsque le montant total des avances
productives d'intérêts excède la somme des
réserves taxées au début de la période imposable
et du capital libéré à la fin de cette période.
- soit lorsque le montant total des avances
productives d'intérêts excède la somme des
réserves taxées au début de la période imposable
et du capital libéré à la fin de cette période.
Sans préjudice de l’application de l’article 537, et
pour l’application de l’alinéa 1er, 2° et 2bis, les
remboursements
de
capital
libéré
et
les
remboursements de primes d’émission et de
sommes souscrites à l’occasion d’émission de
parts bénéficiaires, assimilées à du capital libéré,
sont censés provenir proportionnellement :
Sans préjudice de l’application de l’article 537 et
de
l’alinéa
7
du
présent
article,
les
remboursements visés à l’alinéa 1er, 2° et 2°bis,
sont censés provenir :
- du total formé par le capital libéré et, selon le
cas, par les sommes susvisées y assimilées et,
-
du capital libéré et des sommes
assimilées à du capital libéré visées à l'alinéa 1er,
2°bis, à concurrence d’un pourcentage qui
exprime le rapport entre, au numérateur, la
somme du capital libéré et des sommes
susvisées assimilées à du capital libéré, et, au
dénominateur, la somme des réserves taxées,
406
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 11/96
des réserves exonérées incorporées au capital et
du montant déterminé au numérateur ;
- du total des réserves taxées et des réserves
exonérées,
- pour le solde, des réserves taxées et des
réserves exonérées incorporées au capital.
étant entendu que l’imputation sur les réserves
est censée porter exclusivement, en premier lieu
sur les réserves taxées incorporées au capital,
ensuite sur les réserves taxées non incorporées
au capital et enfin sur les réserves exonérées
incorporées au capital. Lorsque le montant du
capital libéré, des primes d’émission ou des parts
bénéficiaires, assimilées au capital libéré, qui font
l’objet d’un remboursement, sont insuffisantes
pour imputer la part proportionnelle qui se
rapporte à chacune de ces catégories, le surplus
est imputé en premier lieu sur les primes
d’émission et ensuite sur les parts bénéficiaires,
assimilées au capital libéré en cas de capital
libéré insuffisant, ensuite sur le capital libéré en
cas
de
primes
d’émission
ou
de
parts
bénéficiaires,
assimilées
au
capital
libéré,
insuffisantes, et enfin de l’une de ces deux
dernières catégories sur l’autre pour le solde
éventuel.
Sans préjudice de l’application de l’alinéa 5, le
prorata visé à l’alinéa 2 est obtenu selon un
pourcentage qui exprime le rapport entre :
Sans
préjudice
de
l’alinéa
7,
les
remboursements, déterminés comme dit à
l’alinéa précédent, sont imputés comme suit :
-
d’une part, au numérateur, la somme du
capital libéré, des primes d’émission et des parts
bénéficiaires assimilées au capital libéré, et,
a) en ce qui concerne la quotité censée provenir
des réserves, d’abord sur les réserves taxées
incorporées au capital, ensuite sur les réserves
taxées non incorporées au capital et enfin sur les
réserves exonérées incorporées au capital;
-
d'autre part, au dénominateur, la somme
des réserves taxées, des réserves exonérées
incorporées au capital et du montant déterminé
au numérateur.
b) en ce qui concerne la quotité censée provenir
du capital libéré et des sommes susvisées
assimilées à du capital libéré :
-
dans le cas d’un remboursement de
capital visé à l’alinéa 1er, 2°, d’abord sur le
capital libéré et, si celui-ci est insuffisant, sur les
sommes susvisées assimilées à du capital libéré
407
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 12/96
en commençant par les primes d’émission ;
-
dans le cas d'un remboursement de
primes d’émission visé à l’alinéa 1er, 2°bis,
d’abord sur les primes d’émission assimilées à
du
capital
libéré,
et,
si
celles-ci
sont
insuffisantes, successivement sur le capital
libéré et sur les autres sommes souscrites à
l’occasion de l’émission d’actions ou parts ou de
parts bénéficiaires assimilées à du capital libéré ;
-
dans
le
cas
d'un
remboursement
d’autres sommes souscrites à l’occasion de
l’émission d’actions ou parts ou de parts
bénéficiaires, visé à l’alinéa 1er, 2°bis, d’abord
sur ces autres sommes assimilées à du capital
libéré
et,
si
celles-ci
sont
insuffisantes,
successivement sur le capital libéré et sur les
primes d’émission assimilées à du capital libéré.
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 5, le
prorata visé à l'alinéa 2 est obtenu selon un
pourcentage qui exprime le rapport entre :
Sans préjudice de l'application de l'alinéa 5, le
prorata visé à l'alinéa 2 est obtenu selon un
pourcentage qui exprime le rapport entre :
- d'une part, au numérateur, la somme du capital
libéré, des primes d'émission et des parts
bénéficiaires assimilées au capital libéré, et,
- d'une part, au numérateur, la somme du capital
libéré, des primes d'émission et des parts
bénéficiaires assimilées au capital libéré, et,
- d'autre part, au dénominateur, la somme des
réserves
taxées,
des
réserves
exonérées
incorporées au capital et du montant déterminé
au numérateur.
- d'autre part, au dénominateur, la somme des
réserves
taxées,
des
réserves
exonérées
incorporées au capital et du montant déterminé
au numérateur.
Pour l’application de l’alinéa 3, le montant des
réserves est déterminé à la fin de la période
imposable qui précède celle au cours de laquelle
le remboursement des sommes visées à l’alinéa
1er, 2° et 2°bis est effectué, diminué du montant
des dividendes intercalaires distribués pendant la
période imposable et au plus tard à la date à
laquelle ce remboursement est effectué.
Pour l’application de l’alinéa 2, le montant des
réserves est déterminé à la fin de la période
imposable qui précède celle au cours de laquelle
le remboursement des sommes visées à l’alinéa
1er, 2° et 2°bis est effectué, diminué du montant
des dividendes intercalaires distribués pendant la
période imposable et au plus tard à la date à
laquelle ce remboursement est effectué.
Pour déterminer les prorata visés aux alinéas 2 et
3, il n’est pas tenu compte :
Pour déterminer les prorata visés aux alinéas 2 et
3, il n’est pas tenu compte :
- des réserves taxées négatives autres que la
- des réserves taxées négatives autres que la
408
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 13/96
perte reportée et autres que celles constituées à
l’occasion d’un remboursement du capital ou des
sommes susvisées assimilées à du capital libéré ;
perte reportée et autres que celles constituées à
l’occasion d’un remboursement du capital ou des
sommes susvisées assimilées à du capital libéré ;
- des réserves exonérées visées à l’article 44, §
1er, 1°, et des autres réserves exonérées qui ne
sont pas incorporées au capital ;
- des réserves exonérées visées à l’article 44, §
1er, 1°, et des autres réserves exonérées qui ne
sont pas incorporées au capital ;
- des réserves exonérées visées à l’article 44, §
1er, 1°, qui sont incorporées au capital, dans la
mesure où elles ne peuvent pas être distribuées ;
- des réserves exonérées visées à l’article 44, §
1er, 1°, qui sont incorporées au capital, dans la
mesure où elles ne peuvent pas être distribuées ;
- des réserves exonérées, qui en cas de fusion,
scission, opération assimilée à une fusion par
absorption ou d’opération assimilée à la scission
visées à l’article 211, § 1er, sont reconstituées
dans le capital lorsque l’apport n’est pas
entièrement rémunéré par des actions ou parts
nouvelles comme visé à l’article 211, § 2, alinéa 3,
parce
que
les
sociétés
absorbantes
ou
bénéficiaires détiennent des actions ou parts de
la société absorbée ou scindée ;
- des réserves exonérées, qui en cas de fusion,
scission, opération assimilée à une fusion par
absorption ou d’opération assimilée à la scission
visées à l’article 211, § 1er, sont reconstituées
dans le capital lorsque l’apport n’est pas
entièrement rémunéré par des actions ou parts
nouvelles comme visé à l’article 211, § 2, alinéa 3,
parce
que
les
sociétés
absorbantes
ou
bénéficiaires détiennent des actions ou parts de
la société absorbée ou scindée ;
- des réserves visées aux articles 24, alinéa 1er, 4°,
184quater et 541 ;
- des réserves visées aux articles 24, alinéa 1er, 4°,
184quater et 541 ;
- de la réserve légale à concurrence de son
minimum légal ;
- de la réserve légale à concurrence de son
minimum légal ;
- des réserves indisponibles pour actions ou parts
propres et pour parts bénéficiaires propres dans
les limites fixées à l’article 620, §1er, 2°, du Code
des sociétés ;
- des réserves indisponibles pour actions ou parts
propres et pour parts bénéficiaires propres dans
la limite de 20 p.c. visée à l’article 186, alinéa 6 ;
- des provisions pour risques et charges et
réductions
de
valeur,
exonérées
ou
non
conformément aux articles 48, 194 et 194bis ;
- des provisions pour risques et charges et
réductions
de
valeur,
exonérées
ou
non
conformément aux articles 48, 194 et 194bis ;
- ou des réserves ou provisions visées par des
dispositions analogues de droit étranger pour les
sociétés étrangères.
- ou des réserves ou provisions visées par des
dispositions analogues de droit étranger pour les
sociétés étrangères.
La condition d’intangibilité visée à l’article 190,
n’est plus censée respectée dans la mesure où la
réduction est imputée sur les réserves exonérées.
La condition d’intangibilité visée à l’article 190,
n’est plus censée respectée dans la mesure où la
réduction est imputée sur les réserves exonérées.
Nonobstant les dispositions des alinéas 2 à 6,
Nonobstant les dispositions des alinéas 2 à 6,
409
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 14/96
lorsque la décision de l’assemblée générale visée
à l’alinéa 1er, 2° et 2°bis, prévoit un mode
d’imputation d’une réduction des fonds propres
portant à la fois sur le capital libéré et, selon le
cas, les sommes y assimilées, ainsi que sur des
réserves autres que celles visées à l’alinéa 4, qui
est comptabilisé comme tel et qui aboutit à la
détermination d’un montant de dividendes égal
ou supérieur au montant des dividendes qui
résulterait d’une réduction du capital libéré ou
des sommes y assimilées pour un montant total
identique auquel auraient été appliquées les
règles prévues aux alinéas 2 à 6, le montant des
dividendes est déterminé sur la base de la
décision susvisée.
lorsque la décision de la société visée à
l’alinéa 1er, 2° et 2°bis, prévoit un mode
d’imputation d’une réduction des fonds propres
portant à la fois sur le capital libéré et, selon le
cas, les sommes y assimilées, ainsi que sur des
réserves autres que celles visées à l’alinéa 5, qui
est comptabilisé comme tel et qui aboutit à la
détermination d’un montant de dividendes égal
ou supérieur au montant des dividendes qui
résulterait d’une réduction du capital libéré ou
des sommes y assimilées pour un montant total
identique auquel auraient été appliquées les
règles prévues aux alinéas 2 à 6, le montant des
dividendes est déterminé sur la base de la
décision susvisée.
Est considéré comme avance, tout prêt d'argent,
représenté ou non par des titres, consenti par
une personne physique à une société dont elle
possède des actions ou parts ou par une
personne à une société dans laquelle elle exerce
un mandat ou des fonctions visés à l'article 32,
alinéa 1er, 1°, ainsi que tout prêt d'argent
consenti le cas échéant par leur conjoint ou leurs
enfants à cette société lorsque ces personnes ou
leur conjoint ont la jouissance légale des revenus
de ceux-ci, à l'exception :
Est considéré comme avance, tout prêt d'argent,
représenté ou non par des titres, consenti par
une personne physique à une société dont elle
possède des actions ou parts ou par une
personne à une société dans laquelle elle exerce
un mandat ou des fonctions visés à l'article 32,
alinéa 1er, 1°, ainsi que tout prêt d'argent
consenti le cas échéant par leur conjoint ou leurs
enfants à cette société lorsque ces personnes ou
leur conjoint ont la jouissance légale des revenus
de ceux-ci, à l'exception :
1° des obligations et autres titres analogues émis
par appel public à l'épargne ;
1° des obligations et autres titres analogues émis
par appel public à l'épargne ;
2° des prêts d'argent à des sociétés coopératives
qui sont agréées par le Conseil national de la
Coopération ;
2° des prêts d'argent à des sociétés coopératives
agréées conformément à l'article 8:4 du Code
des sociétés et des associations ;
3° des prêts d'argent consentis par des sociétés
visées à l'article 179.
3° des prêts d'argent consentis par des sociétés
visées à l'article 179.
Les dividendes ne comprennent pas les revenus
visés à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, 4°, et 19bis.
Les dividendes ne comprennent pas les revenus
visés à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, 4°, et 19bis.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° et 2° bis, en
cas d'opérations effectuées par une société
étrangère, la notion de capital libéré doit,
conformément à l'article 2, § 1er, 6°, s'entendre
au sens de ce qui est prévu par les dispositions du
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° et 2° bis, en
cas d'opérations effectuées par une société
étrangère, la notion de capital libéré doit,
conformément à l'article 2, § 1er, 6°, b ,
s'entendre au sens de ce qui est prévu par les
dispositions du présent Code en matière d'impôt
410
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 15/96
présent Code en matière d'impôt des sociétés.
des sociétés.
Article 21, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 21, du Code des impôts sur les revenus
1992
Les revenus des capitaux et biens mobiliers ne
comprennent pas :
Les revenus des capitaux et biens mobiliers ne
comprennent pas :
1° les revenus des actions privilégiées de la
Société nationale des chemins de fer belges ;
1° les revenus des actions privilégiées de la
Société nationale des chemins de fer belges ;
(…)
(…)
10° la première tranche de 125 euros des intérêts
ou des dividendes alloués ou attribués soit par
des sociétés à finalité sociale soit par des sociétés
établies dans un autre Etat membre de l'Espace
économique européen qui y sont soumises à une
législation analogue aux dispositions du Code des
sociétés applicables aux sociétés à finalité sociale
:
10° la première tranche de 125 euros des intérêts
ou des dividendes alloués ou attribués soit par
des sociétés agréées comme entreprise sociale
conformément à l’article 8:5 du Code des
sociétés et des associations, soit par des sociétés
établies dans un autre Etat membre de l'Espace
économique européen qui y sont soumises à une
législation analogue aux dispositions du Code
des sociétés et des associations applicables aux
sociétés agréées comme entreprise sociale
conformément à l’article 8:5 de ce Code :
- qui sont agréées conjointement par le ministre
des Finances et par le ministre ou les ministres
qui ont les compétences requises dans leurs
attributions ou, pour les sociétés établies dans un
autre Etat membre de l'Espace économique
européen, sont agréées de manière analogue;
- qui sont agréées conjointement par le ministre
des Finances et par le ministre ou les ministres
qui ont les compétences requises dans leurs
attributions ou, pour les sociétés établies dans un
autre Etat membre de l'Espace économique
européen, sont agréées de manière analogue;
- qui ont pour objet social exclusif :
- qui ont pour objet social exclusif :
a) l'aide aux personnes;
a) l'aide aux personnes;
(…)
(…)
i) le financement de sociétés visées ci-dessus,
i) le financement de sociétés visées ci-dessus,
et pour autant que leurs statuts stipulent qu'en
cas de liquidation, la totalité de l'actif net est
réinvesti dans une autre société à finalité sociale
visée au tiret précédent ou dans une autre
société établie dans un autre Etat membre de
l'Espace économique européen qui y est soumise
à une législation analogue aux dispositions du
et pour autant que leurs statuts stipulent qu'en
cas de liquidation, la totalité de l'actif net est
réinvesti dans une autre entreprise sociale visée
au tiret précédent ou dans une autre société
établie dans un autre Etat membre de l’Espace
économique européen qui y est soumise à une
législation analogue aux dispositions du Code
411
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 16/96
Code des sociétés applicables aux sociétés à
finalité
sociale visées également au
tiret
précédent.
des sociétés et des associations applicables aux
entreprises sociales visées également au tiret
précédent ;
(…)
(…)
13° sans préjudice de l'application de l'article 18,
alinéa 1er, 4°, et alinéa 2, les intérêts afférents à
la première tranche de 9.965 euros, par année et
par contribuable, de nouveaux prêts conclus en
dehors de l'activité professionnelle du prêteur,
prêtés endéans une période de quatre années
par une personne physique à une entreprise avec
l'intervention d'une plateforme de crowdfunding
reconnue afin de permettre à cette entreprise de
financer des initiatives économiques nouvelles
moyennant le respect des conditions suivantes :
13° sans préjudice de l'application de l'article 18,
alinéa 1er, 4°, et alinéa 2, les intérêts afférents à
la première tranche de 9.965 euros, par année et
par contribuable, de nouveaux prêts conclus en
dehors de l'activité professionnelle du prêteur,
prêtés endéans une période de quatre années
par une personne physique à une entreprise avec
l'intervention d'une plateforme de crowdfunding
reconnue afin de permettre à cette entreprise de
financer des initiatives économiques nouvelles
moyennant le respect des conditions suivantes :
a) l'emprunteur est une petite société au sens de
l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés;
a) l'emprunteur est une petite société au sens de
l’article 1:24, §§1er à 6, du Code des sociétés et
des associations;
(…)
(…)
Article 24, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 24, du Code des impôts sur les revenus
1992
Les bénéfices des entreprises industrielles,
commerciales ou agricoles quelconques sont ceux
qui proviennent :
Les bénéfices des entreprises industrielles,
commerciales ou agricoles quelconques sont ceux
qui proviennent :
(…)
(…)
Les
éléments
de
l'actif
visés
ci-dessus
comprennent tous les avoirs quelconques, en ce
compris les stocks et commandes en cours
d'exécution.
Les
éléments
de
l'actif
visés
ci-dessus
comprennent tous les avoirs quelconques, en ce
compris les stocks et commandes en cours
d'exécution.
Sous réserve des dispositions dérogatoires dans
le présent Code, les dispositions légales
particulières relatives aux impôts sur les revenus
et les arrêtés pris pour leur exécution, les
bénéfices
imposables
sont
déterminés
conformément à la législation belge relative aux
obligations comptables des entreprises.
Les plus-values sur des véhicules visés à l'article
Les plus-values sur des véhicules visés à l'article
412
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 17/96
66 ne sont prises en considération qu'à
concurrence du taux déterminé conformément à
l'article 198bis, alinéa 1er, 2°.
66 ne sont prises en considération qu'à
concurrence du taux déterminé conformément à
l'article 198bis, alinéa 1er, 2°.
La propriété indivise d'un fonds commun de
placement
n'est
pas
considérée
comme
constituant une entreprise telle que visée à
l'alinéa 1er.
La propriété indivise d'un fonds commun de
placement
n'est
pas
considérée
comme
constituant une entreprise telle que visée à
l'alinéa 1er.
Sont considérées comme réalisées, les plus-
values constatées à l'occasion de la conversion de
valeurs mobilières en parts de fonds communs de
placement.
Sont considérées comme réalisées, les plus-
values constatées à l'occasion de la conversion de
valeurs mobilières en parts de fonds communs de
placement.
(…)
E.-
Sociétés
civiles
ou
associations
sans
personnalité juridique.
E.- Sociétés ou associations sans personnalité
juridique.
Article 29, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 29, du Code des impôts sur les revenus
1992
§ 1er. Dans les sociétés civiles ou associations
sans personnalité juridique qui recueillent des
bénéfices ou profits, les prélèvements des
associés ou membres et leurs parts dans les
bénéfices ou profits distribués ou non distribués,
sont considérés comme des bénéfices ou profits
desdits associés ou membres.
§ 1er. Dans les sociétés ou associations sans
personnalité juridique, autres que celles visées à
l'article 2, § 1er, 5°, a, alinéa 1er, deuxième tiret,
qui recueillent des bénéfices ou profits, les
prélèvements des associés ou membres et leurs
parts dans les bénéfices ou profits distribués ou
non distribués, sont considérés comme des
bénéfices
ou
profits
desdits
associés
ou
membres.
§ 2. Pour l'application du § 1er, sont censés être
des associations sans personnalité juridique :
§ 2. Pour l'application du § 1er, sont censés être
des associations sans personnalité juridique :
1° les sociétés commerciales irrégulièrement
constituées ;
1° (abrogé) ;
2° les sociétés agricoles, à l'exception de celles
qui ont opté pour l'assujettissement à l'impôt des
sociétés ; le Roi fixe (1) les conditions auxquelles
sont subordonnés l'option et son maintien ;
2° les sociétés agréées comme entreprise
agricole visées à l’article 8:2 du Code des
sociétés et des associations, et qui ont la forme
d'une société en nom collectif ou d'une société
en commandite, à l'exception de celles qui ont
opté pour l'assujettissement à l'impôt des
sociétés ; le Roi fixe (1) les conditions auxquelles
413
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 18/96
sont subordonnés l'option et son maintien ;
3°
les
groupements
européens
d'intérêt
économique ;
3°
les
groupements
européens
d'intérêt
économique ;
4° les groupements d'intérêt économique ;
4° les sociétés en nom collectif issues de la
transformation
d’un
groupement
d’intérêt
économique en application de l'article 32 du
Code des sociétés et des associations, à
condition que les activités de la société en nom
collectif aient exclusivement pour but de
faciliter ou de développer l’activité économique
de ses associés, d’améliorer ou d’accroître les
résultats de cette activité; en outre, l'activité de
la société en nom collectif doit se rattacher à
l’activité de ses associés et avoir un caractère
auxiliaire par rapport à celle-ci.
5° les associations des copropriétaires qui
possèdent la personnalité juridique en vertu de
l'article 577-5, § 1er, du Code civil.
5° les associations des copropriétaires qui
possèdent la personnalité juridique en vertu de
l'article 577-5, § 1er, du Code civil.
Article 45, § 1er, alinéa 1er, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 45, § 1er, alinéa 1er, du Code des impôts
sur les revenus 1992
§ 1er. Sont également exonérées les plus-values
qui se rapportent à des actions ou parts de
sociétés
résidentes
ou
de
sociétés
intra-
européennes :
§ 1er. Sont également exonérées les plus-values
qui se rapportent à des actions ou parts de
sociétés
résidentes
ou
de
sociétés
intra-
européennes :
1° lorsque ces plus-values sont obtenues ou
constatées
à
l'occasion
d'une
fusion
par
absorption, d'une fusion par constitution d'une
nouvelle société, d'une scission par absorption,
d'une scission par constitution de nouvelles
sociétés, d'une scission mixte, d'une opération
assimilée à la scission ou de l'adoption d'une
autre
forme
juridique,
effectuée
soit
en
application des articles 211, § 1er, ou 214, § 1er,
soit de dispositions analogues dans l'autre Etat
membre de l'Union européenne, dans la mesure
où l'opération est rémunérée par des actions ou
parts nouvelles émises à cette fin;
1° lorsque ces plus-values sont obtenues ou
constatées
à
l'occasion
d'une
fusion
par
absorption, d'une fusion par constitution d'une
nouvelle société, d'une scission par absorption,
d'une scission par constitution de nouvelles
sociétés, d'une scission mixte, d'une opération
assimilée à la scission ou de l'adoption d'une
autre
forme
juridique,
effectuée
soit
en
application des articles 211, § 1er, ou 214, § 1er,
soit de dispositions analogues dans l'autre Etat
membre de l'Union européenne, dans la mesure
où l'opération est rémunérée par des actions ou
parts nouvelles émises à cette fin;
2° qui sont réalisées à l'occasion de l'apport de
ces actions ou parts à une société résidente ou
2° qui sont réalisées à l'occasion de l'apport de
ces actions ou parts à une société résidente ou
414
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 19/96
une société intra-européenne en échange de
nouvelles actions ou parts émises par la société
bénéficiaire de l'apport, par lequel la société
bénéficiaire acquiert au total plus de 50 p.c. des
droits de vote dans la société dont les actions ou
parts sont apportées, ou par lequel, si elle
dispose déjà d'une majorité des droits de vote,
elle accroît sa participation, et ceci s'il n'y a pas
de soulte en espèces supérieure à 10 p.c. de la
valeur nominale, ou à défaut de valeur nominale,
du pair comptable des nouvelles actions ou parts
émises.
une société intra-européenne en échange de
nouvelles actions ou parts émises par la société
bénéficiaire de l'apport, par lequel la société
bénéficiaire acquiert au total plus de 50 p.c. des
droits de vote dans la société dont les actions ou
parts sont apportées, ou par lequel, si elle
dispose déjà d'une majorité des droits de vote,
elle accroît sa participation, et ceci s'il n'y a pas
de soulte en espèces supérieure à 10 p.c. de la
valeur nominale, ou à défaut de valeur nominale,
du pair comptable des nouvelles actions ou parts
émises. Si la société bénéficiaire de l’apport est
une société visée à l’article 2, § 1er, 6°, a, 2, le
pair comptable s’entend à cet effet de la valeur,
telle qu’elle résulte des comptes annuels, de
tous les apports en numéraire ou en nature,
autres que les apports en industrie, consentis
par les actionnaires ou associés, le cas échéant
augmenté des réserves qui, en vertu d’une
disposition
statutaire,
ne
peuvent
être
distribuées aux actionnaires ou associés que
moyennant une modification des statuts, le tout
divisé par le nombre des actions ou parts.
Article 46, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 46, du Code des impôts sur les revenus
1992
§ 1er. Les plus-values de cessation définies à
l'article 28, alinéa 1er, 1°, en ce compris les plus-
values obtenues ou constatées en raison ou à
l'occasion de la cessation complète et définitive
d'une ou de plusieurs branches d'activité, sont
entièrement mais temporairement exonérées :
§ 1er. Les plus-values de cessation définies à
l'article 28, alinéa 1er, 1°, en ce compris les plus-
values obtenues ou constatées en raison ou à
l'occasion de la cessation complète et définitive
d'une ou de plusieurs branches d'activité, sont
entièrement mais temporairement exonérées :
1° lorsque soit l'exploitation, soit l'activité
professionnelle, soit une ou plusieurs branches
d'activité sont continuées par le conjoint ou par
un ou plusieurs héritiers ou successibles en ligne
directe de la personne qui a cessé l'exploitation,
l'activité professionnelle ou la branche d'activité ;
1° lorsque soit l'exploitation, soit l'activité
professionnelle, soit une ou plusieurs branches
d'activité sont continuées par le conjoint ou par
un ou plusieurs héritiers ou successibles en ligne
directe de la personne qui a cessé l'exploitation,
l'activité professionnelle ou la branche d'activité ;
2° lorsqu'elles sont obtenues ou constatées à
l'occasion de l'apport d'une ou plusieurs branches
d'activité ou d'une universalité de biens à une
2° lorsqu'elles sont obtenues ou constatées à
l'occasion de l'apport d'une ou plusieurs branches
d'activité ou d'une universalité de biens à une
415
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 20/96
société moyennant la remise d'actions ou parts
représentatives du capital social de cette société ;
société moyennant la remise d'actions ou parts
représentatives du capital de cette société ;
3° lorsqu'elles sont obtenues ou constatées à
l'occasion d'un apport à une société agricole qui,
pour la période imposable au cours de laquelle
l'apport est effectué, est considérée comme
dénuée de la personnalité juridique.
3° lorsqu'elles sont obtenues ou constatées à
l'occasion d'un apport à une société agréée
comme entreprise agricole visée à l’article 8:2
du Code des sociétés et des associations qui,
pour la période imposable au cours de laquelle
l'apport est effectué, est considérée comme
dénuée de la personnalité juridique.
L'alinéa 1er, 2°, n'est pas applicable lorsque le
bénéficiaire
de
l'apport
est
une
société
d'investissement
à
capital
fixe
en
biens
immobiliers ou en actions non cotées ou une
société immobilière réglementée, agréée par
l’Autorité des services et marchés financiers.
L'alinéa 1er, 2°, n'est pas applicable lorsque le
bénéficiaire
de
l'apport
est
une
société
d'investissement
à
capital
fixe
en
biens
immobiliers ou en actions non cotées ou une
société immobilière réglementée, agréée par
l’Autorité des services et marchés financiers.
L'alinéa 1er, 2°, n'est applicable que pour autant
que :
L'alinéa 1er, 2°, n'est applicable que pour autant
que :
1° la société qui reçoit l'apport soit une société
résidente ou intra-européenne;
1° la société qui reçoit l'apport soit une société
résidente ou intra-européenne;
2° l'opération soit réalisée conformément aux
dispositions du Code des sociétés en la matière
et,
le
cas
échéant,
conformément
aux
dispositions du droit des sociétés analogues dans
un autre Etat membre de l'Union européenne qui
s'appliquent à la société intra-européenne
apporteuse ou bénéficiaire;
2° (abrogé) ;
3° l'opération réponde au prescrit de l'article
183bis.
3° l'opération réponde au prescrit de l'article
183bis.
(…)
(…)
§ 2. Les amortissements, déductions pour
revenus de brevets, déductions pour revenus
d'innovation, déductions pour investissement,
crédits
d'impôt
pour
recherche
et
développement, moins-values ou plus-values, à
prendre en considération dans le chef du
nouveau contribuable, sur les actifs délaissés par
l'ancien contribuable, sont déterminés comme si
ces actifs n'avaient pas changé de propriétaire
sauf dans les cas où il est fait application de
§ 2. Les amortissements, déductions pour
revenus de brevets, déductions pour revenus
d'innovation, déductions pour investissement,
crédits
d'impôt
pour
recherche
et
développement, moins-values ou plus-values, à
prendre en considération dans le chef du
nouveau contribuable, sur les actifs délaissés par
l'ancien contribuable, sont déterminés comme si
ces actifs n'avaient pas changé de propriétaire
sauf dans les cas où il est fait application de
416
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 21/96
l'article 90, alinéa 1er, 8°.
l'article 90, alinéa 1er, 8°.
Les dispositions des articles 44, 44bis, 44ter, 45,
47, 48 et 361 à 363 restent applicables aux plus-
values, réductions de valeur, provisions, sous-
estimations, surestimations, subsides et créances
existant chez l'ancien contribuable dans la
mesure où ces éléments se retrouvent chez le
nouveau contribuable.
Les dispositions des articles 44, 44bis, 44ter, 45,
47, 48 et 361 à 363 restent applicables aux plus-
values, réductions de valeur, provisions, sous-
estimations, surestimations, subsides et créances
existant chez l'ancien contribuable dans la
mesure où ces éléments se retrouvent chez le
nouveau contribuable.
Dans les cas visés aux articles 44bis, 44ter et 47,
l'opération de continuation d'activité ou d'apport
ne peut avoir pour effet une prolongation du
délai de remploi au delà du terme initialement
prévu.
Dans les cas visés aux articles 44bis, 44ter et 47,
l'opération de continuation d'activité ou d'apport
ne peut avoir pour effet une prolongation du
délai de remploi au delà du terme initialement
prévu.
Pour l'application du présent paragraphe aux
sociétés agricoles visées au § 1er, alinéa 1er, 3°,
l'expression "nouveau contribuable" s'entend de
l'ensemble des associés de telles sociétés, y
compris les ayants droit agréés des associés
décédés.
Pour l'application du présent paragraphe aux
sociétés agréées comme entreprise agricole
visée à l’article 8:2 du Code des sociétés et des
associations visées au § 1er, alinéa 1er, 3°,
l'expression "nouveau contribuable" s'entend de
l'ensemble des associés de telles sociétés, y
compris les ayants droit agréés des associés
décédés.
(…)
(…)
Article 52, 11°, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 52, 11°, du Code des impôts sur les
revenus 1992
11° les intérêts effectivement payés de dettes
contractées auprès de tiers par des dirigeants
d'entreprise en vue de l'acquisition d'actions ou
parts représentatives d'une fraction du capital
social d'une société résidente dont ils perçoivent
périodiquement des rémunérations au cours de
la période imposable ; sauf en ce qui concerne les
établissements visés à l'article 56, ne sont pas
considérées comme des tiers, la société elle-
même ainsi que toute entreprise à l'égard de
laquelle cette société se trouve directement ou
indirectement dans des liens d'interdépendance.
11° les intérêts effectivement payés de dettes
contractées auprès de tiers par des dirigeants
d'entreprise en vue de l'acquisition d'actions ou
parts représentatives d'une fraction du capital
d'une société résidente dont ils perçoivent
périodiquement des rémunérations au cours de
la période imposable ; sauf en ce qui concerne les
établissements visés à l'article 56, ne sont pas
considérées comme des tiers, la société elle-
même ainsi que toute entreprise à l'égard de
laquelle cette société se trouve directement ou
indirectement dans des liens d'interdépendance.
Article 53, du Code des impôts sur les revenus
Article 53, du Code des impôts sur les revenus
417
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 22/96
1992
1992
Ne constituent pas des frais professionnels :
Ne constituent pas des frais professionnels :
1° les dépenses ayant un caractère personnel,
telles que le loyer et les charges locatives
afférents aux biens immobiliers ou parties de
biens immobiliers affectés à l'habitation, les frais
d'entretien
du
ménage,
d'instruction
ou
d'éducation et toutes autres dépenses non
nécessitées par l'exercice de la profession ;
1° les dépenses ayant un caractère personnel,
telles que le loyer et les charges locatives
afférents aux biens immobiliers ou parties de
biens immobiliers affectés à l'habitation, les frais
d'entretien
du
ménage,
d'instruction
ou
d'éducation et toutes autres dépenses non
nécessitées par l'exercice de la profession ;
(…)
(…)
16° les intérêts visés à l'article 52, 11°, à partir de
la date à laquelle le dirigeant d'entreprise a
réalisé ses parts ou à partir du jour et dans la
mesure où la société a remboursé le capital social
représenté par les parts ;
16° les intérêts visés à l'article 52, 11°, à partir de
la date à laquelle le dirigeant d'entreprise a
réalisé ses parts ou à partir du jour et dans la
mesure où la société a remboursé le capital
représenté par les parts ;
17° les cotisations versées par les membres de la
Chambre des représentants, du Sénat, des
Parlements de communauté et de région, du
Parlement
européen
et
des
députations
permanentes à leur parti ou à une de ses
composantes ;
17° les cotisations versées par les membres de la
Chambre des représentants, du Sénat, des
Parlements de communauté et de région, du
Parlement
européen
et
des
députations
permanentes à leur parti ou à une de ses
composantes ;
18° sans préjudice de l'article 52, 11°, les intérêts
de dettes contractées par une personne physique
en vue de la souscription ou de l'acquisition
d'actions ou parts représentatives du capital
social d'une société ;
18° sans préjudice de l'article 52, 11°, les intérêts
de dettes contractées par une personne physique
en vue de la souscription ou de l'acquisition
d'actions ou parts représentatives du capital
d'une société ;
Article 56, § 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 56, § 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 3. Le paragraphe 2, 2°, ne s'applique pas aux
sommes payées à un établissement avec lequel le
débiteur des sommes est directement ou
indirectement lié au sens de l'article 11 du Code
des sociétés ou d'une disposition analogue en
vigueur dans un autre Etat membre de l'Espace
économique européen.
§ 3. Le paragraphe 2, 2°, ne s'applique pas aux
sommes payées à un établissement avec lequel le
débiteur des sommes est directement ou
indirectement lié au sens de l'article 1:20 du
Code des sociétés et des associations ou d'une
disposition analogue en vigueur dans un autre
Etat membre de l'Espace économique européen.
Article 69, § 1er, alinéa 5, du Code des impôts sur
Article 69, § 1er, alinéa 5, du Code des impôts sur
418
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 23/96
les revenus 1992
les revenus 1992
La déduction visée à l'alinéa 1er, 2°, f), ne
s'applique qu'aux personnes physiques qui
satisfont mutatis mutandis aux critères de
l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés pour
l'exercice d'imposition afférent à la période
imposable
au
cours
de
laquelle
les
immobilisations sont acquises ou constituées.
La déduction visée à l'alinéa 1er, 2°, f), ne
s'applique qu'aux personnes physiques qui
satisfont mutatis mutandis aux critères de
l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
des associations pour l'exercice d'imposition
afférent à la période imposable au cours de
laquelle les immobilisations sont acquises ou
constituées.
Article 80, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 80, du Code des impôts sur les revenus
1992
Les pertes professionnelles de sociétés ou
associations visées à l'article 29, à l'exception des
groupements européens d'intérêt économique et
des groupements d'intérêt économique, ne
peuvent être déduites des revenus professionnels
des associés ou membres de ces sociétés ou
associations à moins que et dans la mesure où
ces associés ou membres recueillent des
bénéfices
ou
profits
et
que
les
pertes
professionnelles à imputer sur ceux-ci résultent
d'une activité professionnelle de même nature ou
que ces associés ou membres établissent que les
pertes professionnelles résultent d'opérations qui
répondent à des besoins légitimes de caractère
financier ou économique.
Les pertes professionnelles de sociétés ou
associations visées à l'article 29, à l'exception des
groupements européens d'intérêt économique et
des sociétés en nom collectif visées à l’article 29,
§ 2, 4°, ne peuvent être déduites des revenus
professionnels des associés ou membres de ces
sociétés ou associations à moins que et dans la
mesure où ces associés ou membres recueillent
des bénéfices ou profits et que les pertes
professionnelles à imputer sur ceux-ci résultent
d'une activité professionnelle de même nature ou
que ces associés ou membres établissent que les
pertes professionnelles résultent d'opérations qui
répondent à des besoins légitimes de caractère
financier ou économique.
Article 90, alinéa 1er, 9°, du Code des impôts sur
les revenus 1992
Article 90, alinéa 1er, 9°, du Code des impôts sur
les revenus 1992
9° les plus-values sur actions ou parts qui :
9° les plus-values sur actions ou parts qui :
- soit, sont réalisées à l'occasion de la cession à
titre onéreux de ces actions ou parts, en dehors
de l'exercice d'une activité professionnelle, à
l'exclusion des opérations de gestion normale
d'un patrimoine privé ;
- soit, sont réalisées à l'occasion de la cession à
titre onéreux de ces actions ou parts, en dehors
de l'exercice d'une activité professionnelle, à
l'exclusion des opérations de gestion normale
d'un patrimoine privé ;
- soit, sont réalisées à l'occasion de la cession à
titre onéreux, en dehors de l'exercice d'une
activité professionnelle, à une personne morale
- soit, sont réalisées à l'occasion de la cession à
titre onéreux, en dehors de l'exercice d'une
activité professionnelle, à une personne morale
419
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 24/96
visée à l'article 227, 2° ou 3°, dont le siège social,
le principal établissement ou le siège de direction
ou d'administration n'est pas situé dans un Etat
membre de l'Espace économique européen,
d'actions ou parts représentatives de droits
sociaux d'une société résidente si, à un moment
quelconque au cours des cinq années précédant
la cession, le cédant, ou son auteur dans les cas
où les actions ou parts ont été acquises
autrement qu'à titre onéreux, a possédé
directement ou indirectement, à lui seul ou avec
son conjoint, ses descendants, ascendants et
collatéraux
jusqu'au
deuxième
degré
inclusivement et ceux de son conjoint, plus de 25
p.c. des droits dans la société dont les actions ou
parts sont cédées;
visée à l'article 227, 2° ou 3°, dont le principal
établissement ou le siège de direction ou
d'administration n'est pas situé dans un Etat
membre de l'Espace économique européen,
d'actions ou parts représentatives de droits
sociaux d'une société résidente si, à un moment
quelconque au cours des cinq années précédant
la cession, le cédant, ou son auteur dans les cas
où les actions ou parts ont été acquises
autrement qu'à titre onéreux, a possédé
directement ou indirectement, à lui seul ou avec
son conjoint, ses descendants, ascendants et
collatéraux
jusqu'au
deuxième
degré
inclusivement et ceux de son conjoint, plus de 25
p.c. des droits dans la société dont les actions ou
parts sont cédées;
Article 94, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 94, du Code des impôts sur les revenus
1992
Lorsqu'au cours de la période de 12 mois
précédant l'acquisition des actions ou parts par
une personne morale visée à l'article 227, 2° ou
3°, dont le siège social, le principal établissement
ou le siège de direction ou d'administration n'est
pas situé dans un Etat membre de l'Espace
économique européen ou qui n'est pas, selon la
législation fiscale d'un Etat membre de l'Espace
économique européen, considérée comme ayant
dans cet Etat son domicile fiscal sans, aux termes
d'une
convention
en
matière
de
double
imposition conclue avec un Etat tiers, être
considérée comme ayant son domicile fiscal hors
de l'Espace économique européen, une ou
plusieurs cessions ont eu lieu entre d'autres
contribuables, les plus-values visées à l'article 90,
alinéa 1er, 9°, deuxième tiret, qui sont réalisées
lors de chaque cession intervenue au cours de
cette période sont imposables si le premier
cédant remplissait la condition relative à
l'importance des droits sociaux détenus dans la
société dont les actions ou parts ont été aliénées.
Lorsqu'au cours de la période de 12 mois
précédant l'acquisition des actions ou parts par
une personne morale visée à l'article 227, 2° ou
3°, dont le principal établissement ou le siège de
direction ou d'administration n'est pas situé dans
un Etat membre de l'Espace économique
européen ou qui n'est pas, selon la législation
fiscale d'un Etat membre de l'Espace économique
européen, considérée comme ayant dans cet Etat
son domicile fiscal sans, aux termes d'une
convention en matière de double imposition
conclue avec un Etat tiers, être considérée
comme ayant son domicile fiscal hors de l'Espace
économique européen, une ou plusieurs cessions
ont eu lieu entre d'autres contribuables, les plus-
values visées à l'article 90, alinéa 1er, 9°,
deuxième tiret, qui sont réalisées lors de chaque
cession intervenue au cours de cette période sont
imposables si le premier cédant remplissait la
condition relative à l'importance des droits
sociaux détenus dans la société dont les actions
ou parts ont été aliénées.
420
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 25/96
Article 95, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 95, du Code des impôts sur les revenus
1992
Nonobstant l'article 90, alinéa 1er, 9°, sont
temporairement exonérées les plus-values sur
actions ou parts de sociétés résidentes ou intra-
européennes dans la mesure où elles sont
réalisées à l'occasion d'une fusion, une scission,
une opération assimilée à une fusion ou une
scission, une transformation de sociétés ou de
l'apport de ces actions ou parts nouvelles dans
une société résidente ou dans une société intra-
européenne, à condition :
Nonobstant l'article 90, alinéa 1er, 9°, sont
temporairement exonérées les plus-values sur
actions ou parts de sociétés résidentes ou intra-
européennes dans la mesure où elles sont
réalisées à l'occasion d'une fusion, une scission,
une opération assimilée à une fusion ou une
scission, une transformation de sociétés ou de
l'apport de ces actions ou parts nouvelles dans
une société résidente ou dans une société intra-
européenne, à condition :
- que les actions ou parts soient échangées contre
de nouvelles actions ou parts émises par la
société
bénéficiaire
de
l'apport
avec,
éventuellement, une soulte en espèces qui ne
dépasse pas 10 p.c. de la valeur nominale, ou à
défaut de valeur nominale, du pair comptable des
nouvelles actions ou parts émises ;
- que les actions ou parts soient échangées contre
de nouvelles actions ou parts émises par la
société
bénéficiaire
de
l'apport
avec,
éventuellement, une soulte en espèces qui ne
dépasse pas 10 p.c. de la valeur nominale, ou à
défaut de valeur nominale, du pair comptable des
nouvelles actions ou parts émises ;
- et que la société bénéficiaire acquière au total
plus de 50 p.c. des droits de vote dans la société
dont les actions ou parts sont apportées, ou que,
si elle dispose déjà d'une majorité des droits de
vote, elle accroisse sa participation.
- et que la société bénéficiaire acquière au total
plus de 50 p.c. des droits de vote dans la société
dont les actions ou parts sont apportées, ou que,
si elle dispose déjà d'une majorité des droits de
vote, elle accroisse sa participation ; si la société
bénéficiaire de l’apport est une société visée à
l’article 2, § 1er, 6°, a, 2, le pair comptable
s’entend à cet effet de la valeur, telle qu’elle
résulte des comptes annuels, de tous les apports
en numéraire ou en nature consentis par les
actionnaires, autres que les apports en industrie,
le cas échéant augmentés des réserves qui, en
vertu d’une disposition statutaire, ne peuvent
être
distribuées
aux
actionnaires
que
moyennant une modification des statuts, le tout
divisé par le nombre des actions.
Article 145, alinéa 1er, 2°, a, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 145, alinéa 1er, 2°, a, du Code des impôts
sur les revenus 1992
a) le contribuable exerce le contrôle dans le sens
a) le contribuable exerce le contrôle dans le sens
421
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 26/96
de l'article 5 du Code des sociétés sur la société;
de l'article 1:14 du Code des sociétés et des
associations sur la société;
Article 1451, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 1451, du Code des impôts sur les revenus
1992
Dans les limites et aux conditions prévues aux
articles 1452 à 14516, il est accordé une réduction
d’impôt calculée sur les dépenses suivantes qui
ont été effectivement payées pendant la période
imposable :
Dans les limites et aux conditions prévues aux
articles 1452 à 14516, il est accordé une réduction
d’impôt calculée sur les dépenses suivantes qui
ont été effectivement payées pendant la période
imposable :
1° à titre de cotisations et primes personnelles
visées à l’article 34, § 1er, 2°, alinéa 1er, a à c,
payées à l’intervention de l’employeur par voie
de retenue sur les rémunérations du travailleur,
ou à l’intervention de l’entreprise par voie de
retenue sur les rémunérations du dirigeant
d’entreprise qui n’est pas dans les liens d’un
contrat de travail ;
1° à titre de cotisations et primes personnelles
visées à l’article 34, § 1er, 2°, alinéa 1er, a à c,
payées à l’intervention de l’employeur par voie
de retenue sur les rémunérations du travailleur,
ou à l’intervention de l’entreprise par voie de
retenue sur les rémunérations du dirigeant
d’entreprise qui n’est pas dans les liens d’un
contrat de travail ;
(…)
(…)
4° à titre de sommes affectées à la libération en
numéraire d’actions ou parts, souscrites par le
contribuable en tant que travailleur, représentant
une fraction du capital social de la société qui
occupe le contribuable et dont le siège social, le
principal établissement ou le siège de direction
ou d’administration est situé dans un état
membre de l’Espace économique européen ou
dont la société employeur est, au sens du Code
des sociétés ou d’une réglementation analogue
d’un état membre de l’Espace économique
européen, considérée de manière irréfragable
comme une filiale ou une sous-filiale ;
4° à titre de sommes affectées à la libération en
numéraire d’actions ou parts, souscrites par le
contribuable en tant que travailleur, représentant
une fraction du capital de la société et dont le
principal établissement ou le siège de direction
ou d’administration est situé dans un état
membre de l’Espace économique européen qui
occupe le contribuable ou dont la société
employeur est, au sens du Code des sociétés et
des associations ou, si la société n’est pas régie
par ce Code, aux dispositions analogues qui lui
sont
applicables,
considérée
de
manière
irréfragable comme une filiale ou une sous-filiale
;
Article 14526, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 14526, du Code des impôts sur les revenus
1992
§ 1er. Il est accordé une réduction d'impôt pour
les sommes affectées à :
§ 1er. Il est accordé une réduction d'impôt pour
les sommes affectées à :
422
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 27/96
a) de nouvelles actions ou parts nominatives
acquises avec des apports en argent représentant
une fraction du capital social d'une société visée
au § 3, alinéa 1er, et que le contribuable a
souscrites, soit directement, soit par le biais
d'une plateforme de crowdfunding, à l'occasion
de la constitution de cette société ou d'une
augmentation de capital dans les quatre ans
suivant sa constitution et qu'il a entièrement
libérées;
a) de nouvelles actions ou parts nominatives
acquises avec des apports en argent représentant
une fraction du capital d'une société visée au § 3,
alinéa 1er, et que le contribuable a souscrites,
soit directement, soit par le biais d'une
plateforme de crowdfunding, à l'occasion de la
constitution
de
cette
société
ou
d'une
augmentation de capital dans les quatre ans
suivant sa constitution et qu'il a entièrement
libérées;
b) de nouveaux instruments de placement émis
par un véhicule de financement visé par la loi du
18 décembre 2016 organisant la reconnaissance
et l'encadrement du crowdfunding et portant des
dispositions diverses en matière de finances, que
le contribuable a souscrits par le biais d'une
plateforme de crowdfunding, à condition que le
véhicule de financement investisse directement
les paiements provenant des contribuables,
déduction faite le cas échéant de l'indemnité
pour son rôle d'intermédiaire, dans de nouvelles
actions ou parts nominatives représentant une
fraction du capital social d'une société visée au §
3, alinéa 1er, à l'occasion de la constitution de
cette société ou d'une augmentation de capital
dans les quatre ans suivant sa constitution et qui
sont entièrement libérées. Des émetteurs de
certificats d'actions sont considérés comme des
véhicules de financement;
b) de nouveaux instruments de placement émis
par un véhicule de financement visé par la loi du
18 décembre 2016 organisant la reconnaissance
et l'encadrement du crowdfunding et portant des
dispositions diverses en matière de finances, que
le contribuable a souscrits par le biais d'une
plateforme de crowdfunding, à condition que le
véhicule de financement investisse directement
les paiements provenant des contribuables,
déduction faite le cas échéant de l'indemnité
pour son rôle d'intermédiaire, dans de nouvelles
actions ou parts nominatives représentant une
fraction du capital d'une société visée au § 3,
alinéa 1er, à l'occasion de la constitution de cette
société ou d'une augmentation de capital dans
les quatre ans suivant sa constitution et qui sont
entièrement
libérées.
Des
émetteurs
de
certificats d'actions sont considérés comme des
véhicules de financement;
c) de nouvelles parts nominatives acquises avec
des apports en argent représentant une fraction
du capital social d'un fonds starter public ou
d'une pricaf privée starter, qui répond aux
conditions prévues au § 2, et que le contribuable
a souscrites à l'occasion de l'émission de ces
parts.
c) de nouvelles parts nominatives acquises avec
des apports en argent représentant une fraction
du capital d'un fonds starter public ou d'une
pricaf privée starter, qui répond aux conditions
prévues au § 2, et que le contribuable a
souscrites à l'occasion de l'émission de ces parts.
(…)
(…)
§ 2. Le fonds starter public et la pricaf privée
starter visés au § 1er, alinéa 1er, c, sont des
sociétés d'investissement à nombre fixe de parts
respectivement inscrites sur la liste des fonds
starters publics tenue par l'Autorité des Services
§ 2. Le fonds starter public et la pricaf privée
starter visés au § 1er, alinéa 1er, c, sont des
sociétés d'investissement à nombre fixe de parts
respectivement inscrites sur la liste des fonds
starters publics tenue par l'Autorité des Services
423
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 28/96
et Marchés Financiers et la liste des pricaf privées
starters tenue par le Service Public Fédéral
Finances.
et Marchés Financiers et la liste des pricaf privées
starters tenue par le Service Public Fédéral
Finances.
Les parts du fonds starter public et de la pricaf
privée starter sont nominatives.
Les parts du fonds starter public et de la pricaf
privée starter sont nominatives.
Le fonds starter public et la pricaf privée starter
investissent les apports, le cas échéant après
déduction d'une indemnité pour leur rôle
d'intermédiaire,
exclusivement
en
investissements visés ci-après et dans les limites
visées ci-après :
Le fonds starter public et la pricaf privée starter
investissent les apports, le cas échéant après
déduction d'une indemnité pour leur rôle
d'intermédiaire,
exclusivement
en
investissements visés ci-après et dans les limites
visées ci-après :
1° 80 p.c. au moins sont directement investis en
nouvelles
actions
ou
parts
nominatives
représentant une fraction du capital social des
sociétés visées au § 3, alinéa 1er, émises à
l'occasion de la constitution d'une telle société ou
d'une augmentation de capital dans les quatre
ans
suivant
sa
constitution
et
qui
sont
entièrement libérées;
1° 80 p.c. au moins sont directement investis en
nouvelles
actions
ou
parts
nominatives
représentant une fraction du capital des sociétés
visées au § 3, alinéa 1er, émises à l'occasion de la
constitution d'une telle société ou d'une
augmentation de capital dans les quatre ans
suivant sa constitution et qui sont entièrement
libérées;
(…)
(…)
§ 3. Le présent article est applicable aux actions
ou parts d'une société qui répond simultanément
à toutes les conditions suivantes :
§ 3. Le présent article est applicable aux actions
ou parts d'une société qui répond simultanément
à toutes les conditions suivantes :
1° la société est une société résidente ou une
société dont le siège social, le principal
établissement ou le siège de direction ou
d'administration est établi dans un autre Etat
membre de l'Espace économique européen et qui
dispose d'un établissement belge visé à l'article
229 qui a été constituée au plus tôt le 1er janvier
2013;
1° la société est une société résidente ou une
société dont le principal établissement ou le siège
de direction ou d'administration est établi dans
un autre Etat membre de l'Espace économique
européen et qui dispose d'un établissement belge
visé à l'article 229 qui a été constituée au plus tôt
le 1er janvier 2013;
2° la société n'est pas constituée à l'occasion
d'une fusion ou scission de sociétés;
2° la société n'est pas constituée à l'occasion
d'une fusion ou scission de sociétés;
3° la société est considérée comme petite société
sur la base de l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés pour l'exercice d'imposition afférent à la
période imposable au cours de la laquelle l'apport
en capital a lieu;
3° la société est considérée comme petite société
sur la base de l’article 1 :24, §§ 1er à 6 du Code
des sociétés et des associations pour l'exercice
d'imposition afférent à la période imposable au
cours de la laquelle l'apport en capital a lieu;
424
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 29/96
(…)
(…)
11° la société n'a pas perçu, après le versement
des sommes visées au § 1er, alinéa 1er, a et b,
par respectivement le contribuable ou le véhicule
de financement, ou de l'investissement visé au §
2, alinéa 3, 1°, par un fonds starter public ou une
pricaf privée starter, plus que 250.000 euros par
le biais de l'application du présent article.
11° la société n'a pas perçu, après le versement
des sommes visées au § 1er, alinéa 1er, a et b,
par respectivement le contribuable ou le véhicule
de financement, ou de l'investissement visé au §
2, alinéa 3, 1°, par un fonds starter public ou une
pricaf privée starter, plus que 250.000 euros par
le biais de l'application du présent article.
Les conditions visées à l'alinéa 1er, 4° à 6° et 10°,
doivent être remplies par la société au cours des
48 mois suivant la libération des actions de la
société.
Les conditions visées à l'alinéa 1er, 4° à 6° et 10°,
doivent être remplies par la société au cours des
48 mois suivant la libération des actions de la
société.
La réduction d'impôt n'est pas applicable :
La réduction d'impôt n'est pas applicable :
1° aux dépenses qui sont prises en compte pour
l'application de l'article 1451, 4° ou 14532;
1° aux dépenses qui sont prises en compte pour
l'application de l'article 1451, 4° ou 14532;
2°
aux
sommes
affectées
à
l'acquisition,
directement ou par le biais d'un véhicule de
financement, d'un fonds starter public ou d'une
pricaf privée starter, d'actions ou parts d'une
société :
2°
aux
sommes
affectées
à
l'acquisition,
directement ou par le biais d'un véhicule de
financement, d'un fonds starter public ou d'une
pricaf privée starter, d'actions ou parts d'une
société :
a) dans laquelle le contribuable est, directement
ou indirectement, un dirigeant d'entreprise visé à
l'article 32, alinéa 1er;
a) dans laquelle le contribuable est, directement
ou indirectement, un dirigeant d'entreprise visé à
l'article 32, alinéa 1er;
b) dans laquelle le contribuable exerce, en tant
que représentant permanent d'une autre société,
un mandat d'administrateur, de gérant, de
liquidateur ou une fonction analogue;
b) dans laquelle le contribuable exerce, en tant
que représentant permanent d'une autre société,
un mandat d'administrateur, de gérant, de
liquidateur ou une fonction analogue;
c) qui a conclu un contrat d'entreprise ou de
mandat avec une autre société dont le
contribuable est actionnaire et par laquelle cette
autre
société
s'est
engagée
à
assumer,
moyennant
une
indemnité,
une
activité
dirigeante de gestion journalière, de nature
commerciale, financière ou technique, dans la
première société;
c) qui a conclu un contrat d'entreprise ou de
mandat avec une autre société dont le
contribuable est actionnaire et par laquelle cette
autre
société
s'est
engagée
à
assumer,
moyennant
une
indemnité,
une
activité
dirigeante de gestion journalière, de nature
commerciale, financière ou technique, dans la
première société;
3°
aux
sommes
affectées
à
l'acquisition,
directement ou par le biais d'un véhicule de
financement, d'un fonds starter public ou d'une
pricaf privée starter, d'actions ou parts d'une
3°
aux
sommes
affectées
à
l'acquisition,
directement ou par le biais d'un véhicule de
financement, d'un fonds starter public ou d'une
pricaf privée starter, d'actions ou parts d'une
425
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 30/96
société en ce qui concerne la partie de ces actions
ou parts par laquelle le contribuable obtient une
représentation de plus de 30 p.c. dans le capital
social de cette société ;
société en ce qui concerne la partie de ces actions
ou parts par laquelle le contribuable obtient une
représentation de plus de 30 p.c. dans le capital
de cette société ;
4°
aux
sommes
affectées
à
l'acquisition,
directement ou par le biais d'un véhicule de
financement, d'un fonds starter public ou d'une
pricaf privée starter, d'actions ou parts d'une
société, sous forme d'un quasi-apport visé aux
articles 220, 396, 445 ou 657 du Code des
sociétés.
4°
aux
sommes
affectées
à
l'acquisition,
directement ou par le biais d'un véhicule de
financement, d'un fonds starter public ou d'une
pricaf privée starter, d'actions ou parts d'une
société, sous forme d'un quasi-apport visé à
l'article
7:8
Code
des
sociétés
et
des
associations.
Les paiements pour actions visées au § 1er, alinéa
1er, a, instruments de placement visés au § 1er,
alinéa 1er, b, et parts visées au § 1er, alinéa 1er,
c, ne sont prises en considération pour la
réduction
d'impôt
qu'à
concurrence
d'un
montant
de
100.000
euros
par
période
imposable.
Les paiements pour actions visées au § 1er, alinéa
1er, a, instruments de placement visés au § 1er,
alinéa 1er, b, et parts visées au § 1er, alinéa 1er,
c, ne sont prises en considération pour la
réduction
d'impôt
qu'à
concurrence
d'un
montant
de
100.000
euros
par
période
imposable.
La réduction d'impôt est égale à 30 p.c. du
montant à prendre en considération, après
déduction des indemnités visées au § 1er, alinéa
1er, b et § 2, alinéa 3, et les autres frais éventuels
y afférents.
La réduction d'impôt est égale à 30 p.c. du
montant à prendre en considération, après
déduction des indemnités visées au § 1er, alinéa
1er, b et § 2, alinéa 3, et les autres frais éventuels
y afférents.
Le pourcentage visé à l'alinéa 5 est porté à 45 p.c.
pour les sommes visées au § 1er, alinéa 1er, a,
affectées à la libération d'actions ou parts d'une
société qui, pour l'exercice d'imposition afférent
à la période imposable au cours de laquelle
l'apport en capital a lieu, est une microsociété au
sens de l'article 15/1 du Code des sociétés.
Le pourcentage visé à l'alinéa 5 est porté à 45 p.c.
pour les sommes visées au § 1er, alinéa 1er, a,
affectées à la libération d'actions ou parts d'une
société qui, pour l'exercice d'imposition afférent
à la période imposable au cours de laquelle
l'apport en capital a lieu, est une microsociété au
sens de l’article 1:25 du Code des sociétés et des
associations.
(…)
(…)
Article 14527, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 14527, du Code des impôts sur les revenus
1992
§ 1er. Il est accordé une réduction d'impôt pour
les sommes affectées à :
§ 1er. Il est accordé une réduction d'impôt pour
les sommes affectées à :
a) de nouvelles actions ou parts nominatives
acquises avec des apports en argent représentant
a) de nouvelles actions ou parts nominatives
acquises avec des apports en argent représentant
426
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 31/96
une fraction du capital social d'une société visée
au § 2, alinéa 1er, et que le contribuable a
souscrites, soit directement, soit par le biais
d'une plateforme de crowdfunding, à l'occasion
d'une augmentation de capital durant la
cinquième, la sixième, la septième, la huitième, la
neuvième ou la dixième année depuis sa
constitution et qu'il a entièrement libérées;
une fraction du capital d'une société visée au § 2,
alinéa 1er, et que le contribuable a souscrites, soit
directement, soit par le biais d'une plateforme de
crowdfunding, à l'occasion d'une augmentation
de capital durant la cinquième, la sixième, la
septième, la huitième, la neuvième ou la dixième
année
depuis
sa
constitution
et
qu'il
a
entièrement libérées;
b) de nouveaux instruments de placement émis
par un véhicule de financement visé par la loi du
18 décembre 2016 organisant la reconnaissance
et l'encadrement du crowdfunding et portant des
dispositions diverses en matière de finances, et
que le contribuable a souscrits par le biais d'une
plateforme de crowdfunding, à condition que le
véhicule de financement investisse directement
les paiements provenant des contribuables,
déduction faite le cas échéant d'une indemnité
pour son rôle d'intermédiaire, dans de nouvelles
actions ou parts nominatives représentant une
fraction du capital social d'une société visée au §
2, alinéa 1er, à l'occasion d'une augmentation de
capital durant la cinquième, la sixième, la
septième, la huitième, la neuvième ou la dixième
année depuis sa constitution et qui sont
entièrement
libérées.
Des
émetteurs
de
certificats d'actions sont assimilés à des véhicules
de financement.
b) de nouveaux instruments de placement émis
par un véhicule de financement visé par la loi du
18 décembre 2016 organisant la reconnaissance
et l'encadrement du crowdfunding et portant des
dispositions diverses en matière de finances, et
que le contribuable a souscrits par le biais d'une
plateforme de crowdfunding, à condition que le
véhicule de financement investisse directement
les paiements provenant des contribuables,
déduction faite le cas échéant d'une indemnité
pour son rôle d'intermédiaire, dans de nouvelles
actions ou parts nominatives représentant une
fraction du capital d'une société visée au § 2,
alinéa 1er, à l'occasion d'une augmentation de
capital durant la cinquième, la sixième, la
septième, la huitième, la neuvième ou la dixième
année depuis sa constitution et qui sont
entièrement
libérées.
Des
émetteurs
de
certificats d'actions sont assimilés à des véhicules
de financement.
(…)
(…)
§ 2. Le présent article est applicable aux actions
ou parts d'une société qui répond simultanément
à toutes les conditions suivantes :
§ 2. Le présent article est applicable aux actions
ou parts d'une société qui répond simultanément
à toutes les conditions suivantes :
1° la société est une société résidente ou une
société dont le siège social, le principal
établissement ou le siège de direction ou
d'administration est établi dans un autre Etat
membre de l'Espace économique européen et qui
dispose d'un établissement belge visé à l'article
229;
1° la société est une société résidente ou une
société dont le principal établissement ou le siège
de direction ou d'administration est établi dans
un autre Etat membre de l'Espace économique
européen et qui dispose d'un établissement belge
visé à l'article 229;
2° la société est considérée comme petite société
sur la base de l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des
2° la société est considérée comme petite société
sur la base de l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code
427
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 32/96
sociétés, pour l'exercice d'imposition afférent à la
période imposable au cours de laquelle l'apport
en capital a lieu;
des sociétés et des associations, pour l'exercice
d'imposition afférent à la période imposable au
cours de laquelle l'apport en capital a lieu;
(…)
(…)
13° la société n'a pas perçu, après le versement
des sommes visées au § 1er, alinéa 1er, a et b,
par respectivement le contribuable ou le véhicule
de financement, plus de 500 000 euros par le
biais de l'application du présent article. Ce
montant maximum est diminué du montant
effectivement reçu par le biais de l'application de
l'article 14526.
13° la société n'a pas perçu, après le versement
des sommes visées au § 1er, alinéa 1er, a et b,
par respectivement le contribuable ou le véhicule
de financement, plus de 500 000 euros par le
biais de l'application du présent article. Ce
montant maximum est diminué du montant
effectivement reçu par le biais de l'application de
l'article 14526.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 3°, un dirigeant
d'entreprise est pris en compte comme un
équivalent temps plein pour le calcul des
équivalents temps plein, lorsqu'il est redevable
pour cette activité de cotisations sociales en
application de l'article 12, § 1er, de l'arrêté royal
n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social
des travailleurs indépendants.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 3°, un dirigeant
d'entreprise est pris en compte comme un
équivalent temps plein pour le calcul des
équivalents temps plein, lorsqu'il est redevable
pour cette activité de cotisations sociales en
application de l'article 12, § 1er, de l'arrêté royal
n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social
des travailleurs indépendants.
La condition visée à l'alinéa 1er, 3°, doit être
remplie par la société au cours des 12 mois
suivant la libération des actions de la société.
La condition visée à l'alinéa 1er, 3°, doit être
remplie par la société au cours des 12 mois
suivant la libération des actions de la société.
Les conditions visées à l'alinéa 1er, 6° à 8° et 12°,
doivent être remplies par la société au cours des
48 mois suivant la libération des actions de la
société.
Les conditions visées à l'alinéa 1er, 6° à 8° et 12°,
doivent être remplies par la société au cours des
48 mois suivant la libération des actions de la
société.
La réduction d'impôt n'est pas applicable :
La réduction d'impôt n'est pas applicable :
1° aux dépenses qui sont prises en compte pour
l'application de l'article 1451, 4°, ou 14532;
1° aux dépenses qui sont prises en compte pour
l'application de l'article 1451, 4°, ou 14532;
(…)
(…)
3°
aux
sommes
affectées
à
l'acquisition,
directement ou par le biais d'une plateforme de
crowdfunding visée au § 1er, alinéa 1er, a, ou par
le biais d'un véhicule de financement visé au §
1er, alinéa 1er, b, d'actions ou parts d'une société
en ce qui concerne la partie de ces actions ou
parts par laquelle le contribuable obtient une
représentation de plus de 30 p.c. dans le capital
3°
aux
sommes
affectées
à
l'acquisition,
directement ou par le biais d'une plateforme de
crowdfunding visée au § 1er, alinéa 1er, a, ou par
le biais d'un véhicule de financement visé au §
1er, alinéa 1er, b, d'actions ou parts d'une société
en ce qui concerne la partie de ces actions ou
parts par laquelle le contribuable obtient une
représentation de plus de 30 p.c. dans le capital
428
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 33/96
social de cette société.
de cette société.
Article 181, 8°, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 181, 8°, du Code des impôts sur les
revenus 1992
8° qui sont constituées en application de la loi du
27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif,
les associations internationales sans but lucratif
et les fondations pour autant qu'elles exercent
exclusivement une activité de certification au
sens de la loi du 15 juillet 1998 relative à la
certification des titres émis par des sociétés
commerciales et que les certificats qu'elles
émettent soient assimilés aux titres auxquels ils
se rapportent pour l'application du Code des
impôts sur les revenus 1992, en vertu de l'article
13, § 1er, alinéa 1er de la même loi.
8° auxquelles s’appliquent les dispositions de la
Partie 3 du Code des sociétés et des associations
pour autant qu'elles exercent exclusivement une
activité de certification au sens de la loi du 15
juillet 1998 relative à la certification des titres
émis par des sociétés commerciales et que les
certificats qu'elles émettent soient assimilés aux
titres auxquels ils se rapportent pour l'application
du Code des impôts sur les revenus 1992, en
vertu de l'article 13, § 1er, alinéa 1er de la même
loi.
Article 184, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 184, du Code des impôts sur les revenus
1992
Le capital libéré est le capital statutaire dans la
mesure où celui-ci est formé par des apports
réellement libérés et où il n'a fait l'objet d'aucune
réduction.
Le capital libéré est le capital dans la mesure où
celui-ci est formé par des apports réellement
libérés en numéraire ou en nature, autres qu’en
industrie, et où il n’a fait l’objet d’aucun
remboursement ou réduction.
Les primes d'émission et les sommes souscrites à
l'occasion de l'émission de parts bénéficiaires,
sont assimilées au capital à la condition qu'elles
soient portées dans les capitaux propres au passif
du bilan, à un compte qui, au même titre que le
capital social, constitue la garantie des tiers et ne
peut être réduit qu'en exécution d'une décision
régulière
de
l'assemblée
générale
prise
conformément aux dispositions du Code des
sociétés applicables aux modifications des
statuts.
Dans la mesure où elles ne sont pas visées par
l'alinéa 1er, les primes d’émission et autres
sommes souscrites par des apports réellement
libérés en numéraire ou en nature, autres qu’en
industrie, à l’occasion de l’émission d’actions ou
parts ou de parts bénéficiaires sont assimilées
au capital libéré à la condition d’être portées et
maintenues à un ou plusieurs comptes distincts
dans les capitaux propres au passif du bilan.
Dans les associations, fondations, et autres
organismes possédant la personnalité juridique
qui poursuivent un but désintéressé, les
alinéas 1er et 2 s’appliquent uniquement à la
partie des apports qui peuvent être légalement
429
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 34/96
repris par l’apporteur ou ses ayants droit.
Dans l'éventualité d'un apport d'actions ou parts
pour lequel les plus-values, soit, sont exonérées
en vertu de l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 2°, et ne
tombent pas sous l'exonération des plus-values
sur actions ou parts prévue à l'article 192, soit, ne
sont pas imposables conformément à l'article 90,
alinéa 1er, 9°, premier tiret, ou à l'article 228, § 2,
9°, h, le capital libéré à l'occasion de l'échange de
nouvelles actions ou parts émises par la société
bénéficiaire de l'apport est égal à la valeur
d'acquisition des actions ou parts apportées dans
le chef de l'apporteur. A défaut de pouvoir établir
celle-ci, le capital libéré est censé correspondre à
la valeur du capital libéré représenté par les
actions ou parts apportées, dans le capital libéré
total de la société dont elles sont représentatives.
Pour le reste, cet apport est considéré comme
une réserve taxée.
Dans l'éventualité d'un apport d'actions ou parts
pour lequel les plus-values, soit, sont exonérées
en vertu de l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 2°, et ne
tombent pas sous l'exonération des plus-values
sur actions ou parts prévue à l'article 192, soit, ne
sont pas imposables conformément à l'article 90,
alinéa 1er, 9°, premier tiret, ou à l'article 228, § 2,
9°, h, le capital libéré à l'occasion de l'échange de
nouvelles actions ou parts émises par la société
bénéficiaire de l'apport est égal à la valeur
d'acquisition des actions ou parts apportées dans
le chef de l'apporteur. A défaut de pouvoir établir
celle-ci, le capital libéré est censé correspondre à
la valeur du capital libéré représenté par les
actions ou parts apportées, dans le capital libéré
total de la société dont elles sont représentatives.
Pour le reste, cet apport est considéré comme
une réserve taxée.
Dans les autres éventualités que celle prévue à
l'alinéa précédent, le capital libéré est censé
correspondre à la valeur réelle des actions ou
parts apportées dans la mesure où l'apport est
rémunéré en actions ou parts.
Dans les autres éventualités que celle prévue à
l'alinéa précédent, le capital libéré est censé
correspondre à la valeur réelle des actions ou
parts apportées dans la mesure où l'apport est
rémunéré en actions ou parts.
Pour l'application du présent titre, le montant du
capital libéré visé à l'alinéa 1er, des primes
d'émission et des sommes souscrites à l'occasion
de l'émission de parts bénéficiaires qui sont
assimilées au capital conformément à l'alinéa 2,
est censé ne pas être diminué à concurrence de la
réduction du capital social, des primes d'émission
ou des sommes susvisées qui a été imputée sur
les réserves taxées et sur les réserves exonérées
suite à l'application de l'article 18, alinéas 2 à 5.
Pour l’application du présent titre, le montant
du capital libéré visé à l’alinéa 1er et des sommes
assimilées à du capital libéré conformément à
l’alinéa 2, est censé ne pas être diminué à
concurrence des remboursements qui sont
imputés en tant que dividendes sur les réserves
taxées ou sur les réserves exonérées par
application de l’article 18, alinéas 2 à 5.
Article 184bis, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 184bis, du Code des impôts sur les
revenus 1992
(…)
(…)
§ 3. Dans l'éventualité où une société résidente
reçoit d'une société étrangère un établissement
§ 3. Dans l'éventualité où une société résidente
reçoit d'une société étrangère un établissement
430
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 35/96
étranger ou des éléments situés à l'étranger, par
suite d'un apport d'une ou plusieurs branches
d'activité
ou
d'une
universalité
de
biens
moyennant
l'émission
d'actions
ou
parts
représentatives du capital social de cette société
résidente, exonérée ou non à l'étranger en
application de dispositions similaires à l'article 46,
la valeur comptable nette de cet établissement
reçu ou de ces éléments reçus à l'occasion de
cette opération, constitue du capital libéré dans
le chef de cette société résidente.
étranger ou des éléments situés à l'étranger, par
suite d'un apport d'une ou plusieurs branches
d'activité
ou
d'une
universalité
de
biens
moyennant
l'émission
d'actions
ou
parts
représentatives du capital de cette société
résidente, exonérée ou non à l'étranger en
application de dispositions similaires à l'article 46,
la valeur comptable nette de cet établissement
reçu ou de ces éléments reçus à l'occasion de
cette opération, constitue du capital libéré dans
le chef de cette société résidente.
Cette valeur comptable nette est égale à la valeur
comptable des actifs de l'établissement ou des
éléments diminuée de la valeur comptable des
dettes y attachées.
Cette valeur comptable nette est égale à la valeur
comptable des actifs de l'établissement ou des
éléments diminuée de la valeur comptable des
dettes y attachées.
§ 4. Dans l'éventualité où une société résidente
absorbe tout ou partie d'une société intra-
européenne, à l'occasion ou par suite d'une
fusion, scission ou d'une opération y assimilée, le
montant du capital libéré par cette opération
dans le chef de cette société résidente
correspond au capital statutaire, aux primes
d'émission et aux sommes souscrites à l'occasion
de l'émission de parts bénéficiaires dans la
mesure et les limites visées à l'article 184, alinéas
1er et 2, et dans l'éventualité d'une scission ou
d'une opération assimilée à une scission, avec
application de la proportion visée à l'article 213.
§ 4. Dans l'éventualité où une société résidente
absorbe tout ou partie d'une société intra-
européenne, à l'occasion ou par suite d'une
fusion, scission ou d'une opération y assimilée, le
montant du capital libéré par cette opération
dans le chef de cette société résidente
correspond au capital, aux primes d'émission et
aux sommes souscrites à l'occasion de l'émission
de parts bénéficiaires dans la mesure et les
limites visées à l'article 184, alinéas 1er et 2, et
dans l'éventualité d'une scission ou d'une
opération
assimilée
à
une
scission,
avec
application de la proportion visée à l'article 213.
(…)
(…)
§ 5. Dans l'éventualité où une société étrangère
transfère en Belgique son siège social, son
principal établissement ou son siège de direction
ou d'administration et par suite de ce transfert,
est soumise à l'impôt des sociétés belge, dans le
chef de la société résidente apparue suite à ce
transfert, le montant du capital libéré est censé
correspondre au capital statutaire, aux primes
d'émission et aux sommes souscrites à l'occasion
de l'émission de parts bénéficiaires dans la
mesure et les limites visées à l'article 184, alinéas
1er et 2.
§ 5. Dans l'éventualité où une société étrangère
transfère en Belgique son principal établissement
ou son siège de direction ou d'administration et
par suite de ce transfert, est soumise à l'impôt
des sociétés belge, dans le chef de la société
résidente apparue suite à ce transfert, le montant
du capital libéré est censé correspondre au
capital, aux primes d'émission et aux sommes
souscrites à l'occasion de l'émission de parts
bénéficiaires dans la mesure et les limites visées à
l'article 184, alinéas 1er et 2.
431
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 36/96
(…)
(…)
Article 184ter, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 184ter, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 1er. Sans préjudice de l'application de l'article
214, § 1er, n'est toutefois pas considéré comme
du capital libéré, l'actif net visé à l'article 26sexies
de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans
but lucratif, les fondations, les partis politiques
européens
et
les
fondations
politiques
européennes, qui compose le capital social d'une
société à finalité sociale ou qui a été comptabilisé
sur un compte de réserve indisponible de cette
société. Ce capital social et ce compte de réserve
ne sont exonérés que si les conditions visées à
l'article 190 sont remplies.
§ 1er. Sans préjudice de l'application de l'article
214, § 1er, n'est toutefois pas considéré comme
du capital libéré, l'actif net visé à l'article 14:42
du Code des sociétés et des associations, qui
compose le capital d'une société agréée comme
entreprise sociale conformément à l’article 8:5
du Code des sociétés et associations ou qui a été
comptabilisé
sur
un
compte
de
réserve
indisponible de cette société. Ce capital et ce
compte de réserve ne sont exonérés que si les
conditions visées à l'article 190 sont remplies.
Sans préjudice de l'application de l'article 210, §
1er, 3°, n'est toutefois pas considéré comme du
capital libéré, l'actif net visé au Chapitre
Vquinquies de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle
des
entreprises
d'assurances,
qui
compose
le
capital
social
d'une
société
commerciale ou qui a été comptabilisé à un
compte de réserve indisponible de cette société.
Ce capital social et ce compte de réserve ne sont
exonérés que si les conditions visées à l'article
190 sont remplies.
Sans préjudice de l'application de l'article 210, §
1er, 3°, n'est toutefois pas considéré comme du
capital libéré, l'actif net visé au Chapitre
Vquinquies de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle
des
entreprises
d'assurances,
qui
compose le capital d'une société ou qui a été
comptabilisé à un compte de réserve indisponible
de cette société. Ce capital et ce compte de
réserve ne sont exonérés que si les conditions
visées à l'article 190 sont remplies.
§ 2. Dans l'éventualité où une société résidente
reçoit par fusion, scission ou une opération y
assimilée, un établissement étranger ou des
éléments affectés à l'étranger, les plus-values et
les moins-values réalisées ultérieurement, les
amortissements et les réductions de valeur qui
concernent ces actifs, sont déterminés sur la base
de la valeur réelle qu'ils ont au moment de
l'opération.
§ 2. Dans l'éventualité où une société résidente
reçoit par fusion, scission ou une opération y
assimilée, un établissement étranger ou des
éléments affectés à l'étranger, les plus-values et
les moins-values réalisées ultérieurement, les
amortissements et les réductions de valeur qui
concernent ces actifs, sont déterminés sur la base
de la valeur réelle qu'ils ont au moment de
l'opération.
Dans l'éventualité du transfert en Belgique de son
siège social, de son principal établissement ou de
son siège de direction ou d'administration, par
Dans l'éventualité du transfert en Belgique de son
principal établissement ou de son siège de
direction ou d'administration, par une société
432
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 37/96
une société étrangère, en ce qui concerne les
éléments liés aux établissements étrangers ou
aux éléments affectés à l'étranger dont cette
société dispose, les plus-values et les moins-
values
réalisées
ultérieurement,
les
amortissements et les réductions de valeur qui
concernent ces actifs, sont déterminés sur la base
de la valeur réelle qu'ils ont au moment de
l'opération.
étrangère, en ce qui concerne les éléments
affectés aux établissements étrangers ou aux
éléments affectés à l'étranger dont cette société
dispose, les plus-values et les moins-values
réalisées ultérieurement, les amortissements et
les réductions de valeur qui concernent ces actifs,
sont déterminés sur la base de la valeur réelle
qu'ils ont au moment de l'opération.
En cas de transfert d’un ou plusieurs éléments
liés à un établissement étranger dont les
bénéfices sont exonérés en Belgique en vertu
d’une convention préventive de la double
imposition, vers le siège social, le principal
établissement,
le
siège
de
direction
ou
d’administration, ou vers un autre établissement
belge, les plus-values et moins-values réalisées
ultérieurement,
les
amortissements
et
les
réductions de valeur qui concernent ces actifs
sont déterminés en fonction de la valeur réelle
qu’ils ont au moment de l’opération.
En cas de transfert d’un ou plusieurs éléments
affectés à un établissement étranger dont les
bénéfices sont exonérés en Belgique en vertu
d’une convention préventive de la double
imposition, vers le principal établissement, le
siège de direction ou d’administration en
Belgique, ou vers un autre établissement belge,
les
plus-values
et
moins-values
réalisées
ultérieurement,
les
amortissements
et
les
réductions de valeur qui concernent ces actifs
sont déterminés en fonction de la valeur réelle
qu’ils ont au moment de l’opération.
(…)
(…)
Article 184quater, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 184quater, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Une société qui, sur la base de l’article 15, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés, est considérée comme
petite société, peut constituer une réserve de
liquidation.
Une société qui, sur la base de l’article 1:24, §§
1er à 6, du Code des sociétés et des associations,
est considérée comme petite société, peut
constituer une réserve de liquidation.
(…)
(…)
Article 185, § 1er, alinéa 1er, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 185, § 1er, alinéa 1er, du Code des impôts
sur les revenus 1992
§ 1er. Les sociétés sont imposables sur le
montant total des bénéfices, y compris les
dividendes distribués, à l'exception de la partie
des dividendes attribués à des personnes
physiques par des sociétés coopératives agréées
par le Conseil national de la coopération qui ne
§ 1er. Les sociétés sont imposables sur le
montant total des bénéfices, y compris les
dividendes distribués, à l'exception de la partie
des dividendes attribués à des personnes
physiques par des sociétés coopératives agréées
conformément à l'article 8:4 du Code des
433
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 38/96
peut pas dépasser 125 euros par personne
physique. Ce montant est indexé conformément
l'article 178, § 3, alinéa 2.
sociétés et des associations qui ne peut pas
dépasser 125 euros par personne physique. Ce
montant est indexé conformément l'article 178, §
3, alinéa 2.
Article 185quater, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 185quater, du Code des impôts sur les
revenus 1992
L'article 64ter est cependant, en ce qui concerne
l'alinéa 1er, 2°, seulement applicable aux sociétés
résidentes qui, sur la base de l'article 15, §§ 1er à
6, du Code des sociétés, sont considérées comme
petites sociétés pour l'exercice d'imposition
auquel se rattache la période imposable durant
laquelle les coûts sont faits ou supportés.
L'article 64ter est cependant, en ce qui concerne
l'alinéa 1er, 2°, seulement applicable aux sociétés
résidentes qui, sur la base de l’article 1:24, §§ 1er
à 6, du Code des sociétés et des associations,
sont considérées comme petites sociétés pour
l'exercice d'imposition auquel se rattache la
période imposable durant laquelle les coûts sont
faits ou supportés.
Article 186, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 186, du Code des impôts sur les revenus
1992
Lorsqu'une société acquiert de quelque façon que
ce soit ses propres actions ou parts, l'excédent
que présente le prix d'acquisition ou, à défaut, la
valeur de ces actions ou parts, sur la quote-part
de la valeur réévaluée du capital libéré
représenté par ces actions ou parts est considéré
comme un dividende distribué.
Lorsqu'une société acquiert de quelque façon que
ce soit ses propres actions ou parts, l'excédent
que présente le prix d'acquisition ou, à défaut, la
valeur de ces actions ou parts, sur la quote-part
de la valeur réévaluée du capital libéré
représenté par ces actions ou parts est considéré
comme un dividende distribué.
Lorsque, avant la dissolution de la société, les
actions ou parts sont acquises aux conditions
prescrites par le Code des sociétés, l'alinéa 1er
s'applique uniquement :
Lorsque, avant la dissolution de la société, les
actions ou parts sont acquises aux conditions
prescrites par Code des sociétés et des
associations ou, dans le cas où la société n’est
pas régie par ce code, aux conditions prescrites
par le droit des personnes morales qui la régit,
l'alinéa 1er s'applique uniquement :
(…)
(…)
Dans le cas visé à l'alinéa 2, 1°, l'alinéa 1er n'est
applicable qu'à concurrence du montant des
réductions de valeur actées.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, 1°, l'alinéa 1er n'est
applicable qu'à concurrence du montant des
réductions de valeur actées.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, 2°, l'alinéa 1er n'est
Dans le cas visé à l'alinéa 2, 2°, l'alinéa 1er n'est
434
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 39/96
applicable qu'à concurrence de la différence
négative entre le prix de réalisation et le prix
d'acquisition ou la valeur des actions ou parts.
applicable qu'à concurrence de la différence
négative entre le prix de réalisation et le prix
d'acquisition ou la valeur des actions ou parts.
Dans les cas visés à l'alinéa 2, 2°, 3° et 4°, le
dividende est, le cas échéant, diminué des
réductions de valeur déjà taxées visées au 1°
dudit alinéa.
Dans les cas visés à l'alinéa 2, 2°, 3° et 4°, le
dividende est, le cas échéant, diminué des
réductions de valeur déjà taxées visées au 1°
dudit alinéa.
Dans la mesure où l’acquisition a pour effet que
la société émettrice des actions ou parts détient
en portefeuille des actions ou parts propres
représentant plus de 20 p.c. de son capital, les
actions ou parts propres nouvellement acquises
sont censées être détruites au sens de l'alinéa 2,
3°. En cas d'acquisition simultanée d'actions ou
parts de différents cédants ou à différents prix,
la société indique quelles sont les actions ou
parts nouvellement acquises qui sont censées
être détruites. A défaut d'une telle indication,
les actions ou parts nouvellement acquises sont
censées être détruites proportionnellement au
nombre d'actions ou parts par cédant ou par
prix d'acquisition. Tant que les actions ou parts
qui sont censées être détruites sont conservées
en portefeuille, leur valeur fiscale nette est
égale à zéro et la valeur pour laquelle elles sont
inscrites au bilan constitue une plus-value
exprimée non réalisée visée aux articles 44, § 1er,
1°, et 190.
L'application de l'alinéa précédent reste sans
incidence sur l'application de l'article 192, § 1er,
dans le chef de la société qui revend des actions
ou
parts
propres
qu'elle
conservait
en
portefeuille.
Article 188, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 188, du Code des impôts sur les revenus
1992
En cas d'application des articles 186 et 187, le
capital libéré est réduit de la quote-part de celui-
ci représentée par les actions ou parts acquises
ou de la quote-part dans ce capital de l'associé
En cas d'application des articles 186 et 187, le
capital libéré est réduit de la quote-part de celui-
ci représentée par les actions ou parts acquises
ou de la quote-part dans ce capital libéré de
435
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 40/96
décédé, démissionnaire ou exclu.
l'associé décédé, démissionnaire ou exclu.
Les prélèvements opérés sur les bénéfices de
l'exercice ou sur les bénéfices réservés déjà
soumis à l'impôt des sociétés ne sont pas pris en
considération lors de la détermination du
bénéfice imposable à concurrence de la réduction
visée à l'alinéa précédent, qui n'a pas été
effectivement opérée sur le capital.
Les prélèvements opérés sur les bénéfices de
l'exercice ou sur les bénéfices réservés déjà
soumis à l'impôt des sociétés ne sont pas pris en
considération lors de la détermination du
bénéfice imposable à concurrence de la réduction
visée à l'alinéa précédent, qui n'a pas été
effectivement opérée sur le capital.
En cas d’aliénation ultérieure des actions ou
parts acquises dans l’hypothèse visée à l’article
186, alinéa 6 :
1° l’indemnité perçue ou la valeur de réalisation,
diminuée des frais de réalisation, n’est pas prise
en considération pour la détermination du
bénéfice imposable jusqu’à concurrence de la
valeur d’acquisition ;
2° l’indemnité perçue ou la valeur de réalisation,
diminuée des frais de réalisation, majore à due
concurrence le capital libéré de la société, sans
que cette majoration puisse excéder le montant
de capital libéré réduit lors de l’acquisition
desdites actions ou parts ; cette règle est sans
incidence sur la détermination du bénéfice
imposable.
Article 190, alinéa 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 190, alinéa 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Les
conditions
précitées
sont
également
applicables aux plus-values visées aux articles 45
et 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, sauf dans les cas où,
conformément à l'arrête royal portant exécution
du Code des sociétés, ces plus-values ne sont pas
exprimées.
Les
conditions
précitées
sont
également
applicables aux plus-values visées aux articles 45
et 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, sauf dans les cas où,
conformément à l'arrête royal portant exécution
du Code des sociétés et des associations, ces
plus-values ne sont pas exprimées.
Article 194ter, § 1er, 1°, et 2°, et § 10, 7°, du Code
des impôts sur les revenus 1992
Article 194ter, § 1er, 1°, et 2°, et § 10, 7°, du Code
des impôts sur les revenus 1992
§ 1er. Pour l'application du présent article, on
entend par :
§ 1er. Pour l'application du présent article, on
entend par :
436
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 41/96
1° investisseur éligible:
1° investisseur éligible:
- la société résidente; ou
- la société résidente; ou
- l’établissement belge d’un contribuable visé à
l’article 227, 2°;
- l’établissement belge d’un contribuable visé à
l’article 227, 2°;
autre:
autre:
- une société de production éligible telle que
visée au 2°, ou qu’une société de production
similaire qui n’est pas agréée; ou
- une société de production éligible telle que
visée au 2°, ou qu’une société de production
similaire qui n’est pas agréée; ou
- qu’une société qui est liée au sens de l’article 11
du Code des sociétés à une société visée au
premier tiret qui intervient dans l’oeuvre éligible
concernée; ou
- qu’une société qui est liée au sens de l’article
1:20 du Code des sociétés ou des associations à
une société visée au premier tiret qui intervient
dans l’oeuvre éligible concernée; ou
- qu’une entreprise de télédiffusion, qui signe
une convention-cadre telle que visée au 5° dans
laquelle il s’engage à verser des sommes en vue
de recevoir une attestation tax shelter telle que
visée au 10°;
- qu’une entreprise de télédiffusion, qui signe
une convention-cadre telle que visée au 5° dans
laquelle il s’engage à verser des sommes en vue
de recevoir une attestation tax shelter telle que
visée au 10°;
2° société de production éligible : la société
résidente
ou
l'établissement
belge
d'un
contribuable visé à l'article 227, 2°, autre qu'une
entreprise de télédiffusion ou qu'une entreprise
liée au sens de l’article 11 du Code des sociétés à
des entreprises de télédiffusion belges ou
étrangères,
dont
l'objet
principal
est
le
développement et la production d'oeuvres
audiovisuelles et qui a été agréé en tant que tel
par le ministre qui a les Finances dans ses
attributions suivant une procédure simplifiée
dont
les
modalités
et
conditions
sont
déterminées par le Roi (1) ;
2° société de production éligible : la société
résidente
ou
l'établissement
belge
d'un
contribuable visé à l'article 227, 2°, autre qu'une
entreprise de télédiffusion ou qu'une entreprise
liée au sens de l’article 1:20 du Code des sociétés
et des associations à des entreprises de
télédiffusion belges ou étrangères, dont l'objet
principal est le développement et la production
d'oeuvres audiovisuelles et qui a été agréé en
tant que tel par le ministre qui a les Finances
dans ses attributions suivant une procédure
simplifiée dont les modalités et conditions sont
déterminées par le Roi (1) ;
(…)
(…)
§ 10. La convention-cadre destinée à la
production d’une oeuvre éligible mentionne
obligatoirement:
§ 10. La convention-cadre destinée à la
production d’une oeuvre éligible mentionne
obligatoirement:
(…)
(…)
7° la garantie que chaque investisseur éligible
n’est pas une société de production éligible ni
une entreprise de télédiffusion, ni une société
7° la garantie que chaque investisseur éligible
n’est pas une société de production éligible ni
une entreprise de télédiffusion, ni une société
437
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 42/96
liée au sens de l’article 11 du Code des Sociétés, à
une société de production éligible ;
liée au sens de l’article 1:20 du Code des Sociétés
et des associations, à une société de production
éligible ;
Article 194quater, § 1er, du Code des impôts sur
les revenus 1992
Article 194quater, § 1er, du Code des impôts sur
les revenus 1992
§ 1er. La réserve d'investissement constituée à
l'expiration
d'une
période
imposable
qui
commence avant le 1er janvier 2018, par des
sociétés qui, sur la base de l'article 15, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés, sont considérées comme
petites sociétés pour l'exercice d'imposition
afférent à cette période imposable, n'est pas
considérée comme un bénéfice dans les limites et
aux conditions prévues ci-après.
§ 1er. La réserve d'investissement constituée à
l'expiration
d'une
période
imposable
qui
commence avant le 1er janvier 2018, par des
sociétés qui, sur la base de l’article 1:24, §§ 1er à
6, du Code des sociétés et des associations, sont
considérées
comme
petites
sociétés
pour
l'exercice d'imposition afférent à cette période
imposable, n'est pas considérée comme un
bénéfice dans les limites et aux conditions
prévues ci-après.
Article 196, § 2, alinéa 1er, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 196, § 2, alinéa 1er, du Code des impôts
sur les revenus 1992
§ 2. Dans le chef des sociétés qui, sur la base de
l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés, ne
sont pas considérées comme petites sociétés
pour l'exercice d'imposition afférent à la période
imposable au cours de laquelle l'immobilisation
incorporelle ou corporelle a été acquise ou
constituée :
§ 2. Dans le chef des sociétés qui, sur la base de
l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
des associations, ne sont pas considérées comme
petites sociétés pour l'exercice d'imposition
afférent à la période imposable au cours de
laquelle
l'immobilisation
incorporelle
ou
corporelle a été acquise ou constituée :
Article 196, § 4, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 196, § 4, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 4. Par dérogation à l’article 62, dans le chef des
sociétés qui, sur la base de l’article 15, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés, sont considérées comme
petites sociétés pour l’exercice d’imposition
afférent à la période imposable au cours de
laquelle
l’immobilisation
incorporelle
ou
corporelle a été acquise ou constituée, le
montant global des frais accessoires au prix
d’achat est amorti, soit intégralement pendant la
période imposable au cours de laquelle ces frais
§ 4. Par dérogation à l’article 62, dans le chef des
sociétés qui, sur la base de l’article 1:24, §§ 1er à
6, du Code des sociétés et des associations, sont
considérées
comme
petites
sociétés
pour
l’exercice d’imposition afférent à la période
imposable au cours de laquelle l’immobilisation
incorporelle ou corporelle a été acquise ou
constituée,
le
montant
global
des
frais
accessoires au prix d’achat est amorti, soit
intégralement pendant la période imposable au
438
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 43/96
ou coûts sont exposés, soit de la même manière
que le montant en principal de la valeur
d’investissement
ou
de
revient
des
immobilisations concernées.
cours de laquelle ces frais ou coûts sont exposés,
soit de la même manière que le montant en
principal de la valeur d’investissement ou de
revient des immobilisations concernées.
Par dérogation à l’article 62, dans le chef des
sociétés qui, sur la base de l’article 15, §§ 1er à 6,
du Code des sociétés, ne sont pas considérées
comme
petites
sociétés
pour
l’exercice
d’imposition afférent à la période imposable au
cours de laquelle l’immobilisation incorporelle ou
corporelle a été acquise ou constituée, le
montant global des frais accessoires au prix
d’achat est amorti de la même manière que le
montant
en
principal
de
la
valeur
d’investissement
ou
de
revient
des
immobilisations concernées.
Par dérogation à l’article 62, dans le chef des
sociétés qui, sur la base de l’article 1:24, §§ 1er à
6, du Code des sociétés et des associations, ne
sont pas considérées comme petites sociétés
pour l’exercice d’imposition afférent à la période
imposable au cours de laquelle l’immobilisation
incorporelle ou corporelle a été acquise ou
constituée,
le
montant
global
des
frais
accessoires au prix d’achat est amorti de la même
manière que le montant en principal de la valeur
d’investissement
ou
de
revient
des
immobilisations concernées.
Article 198, § 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 198, § 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 3. Le terme "groupe" visé au § 1er, 11°, désigne
l'ensemble des sociétés liées au sens de l'article
11 du Code des sociétés.
§ 3. Le terme "groupe" visé au § 1er, 11°, désigne
l'ensemble des sociétés liées au sens de l'article
1:20 du Code des sociétés et des associations.
En cas d'emprunts garantis par un tiers ou
d'emprunts pour lesquels un tiers a procuré les
moyens au créancier en vue du financement des
emprunts, et qu'il subit en tout ou partiellement
les risques liés aux emprunts, ce tiers est
considéré être le bénéficiaire réel des intérêts de
cet emprunt, lorsque cette garantie ou cette
procuration de moyens a comme objectif
principal l'évasion fiscale.
En cas d'emprunts garantis par un tiers ou
d'emprunts pour lesquels un tiers a procuré les
moyens au créancier en vue du financement des
emprunts, et qu'il subit en tout ou partiellement
les risques liés aux emprunts, ce tiers est
considéré être le bénéficiaire réel des intérêts de
cet emprunt, lorsque cette garantie ou cette
procuration de moyens a comme objectif
principal l'évasion fiscale.
La limite de déductibilité visée au §1er, 11°,
deuxième tiret, n'est pas applicable aux emprunts
contractés par :
La limite de déductibilité visée au §1er, 11°,
deuxième tiret, n'est pas applicable aux emprunts
contractés par :
- des sociétés de leasing mobilier visées à l'article
2 de l'arrêté royal n° 55 du 10 novembre 1967
organisant le statut juridique des entreprises
pratiquant la location-financement, et des
sociétés dont l'activité principale consiste en
factoring ou leasing immobilier, et cela au sein du
- des sociétés de leasing mobilier visées à l'article
2 de l'arrêté royal n° 55 du 10 novembre 1967
organisant le statut juridique des entreprises
pratiquant la location-financement, et des
sociétés dont l'activité principale consiste en
factoring ou leasing immobilier, et cela au sein du
439
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 44/96
secteur financier et dans la mesure du capital
emprunté effectivement utilisé pour les activités
de leasing et de factoring;
secteur financier et dans la mesure du capital
emprunté effectivement utilisé pour les activités
de leasing et de factoring;
- des sociétés dont l'activité principale consiste en
la réalisation d'un projet de partenariat public-
privé attribué suite à une mise en concurrence
conformément à la législation en matière de
marchés publics.
- des sociétés dont l'activité principale consiste en
la réalisation d'un projet de partenariat public-
privé attribué suite à une mise en concurrence
conformément à la législation en matière de
marchés publics.
Pour les contribuables soumis à l'impôt des
sociétés, auxquels s'applique la loi du 27 juin
1921 sur les associations sans but lucratif, les
associations internationales sans but lucratif et
les fondations, le capital libéré, visé au § 1er, 11°,
s'entend des fonds associatifs, tels qu'ils
ressortent du bilan établi par ces contribuables.
Pour les associations et fondations auxquelles
s’appliquent les dispositions de la Partie 3 du
Code des sociétés et des associations et qui sont
soumises à l'impôt des sociétés, le capital libéré,
visé au § 1er, 11°, s'entend des fonds associatifs,
tels qu'ils ressortent du bilan établi par ces
contribuables.
Pour l'application du § 1er, 11°, doivent être
considérées comme des réserves taxées, les
réserves exonérées qui ont été constituées à
l'occasion d'une opération visée à l'article 184bis,
§ 4, ou à l'article 211, par prélèvement sur les
réserves taxées ou par la création corrélative
d'une réserve taxée négative, en raison du fait
que la société absorbante ou bénéficiaire
possédait des actions ou parts de la société
absorbée ou scindée au moment de l'opération.
Pour l'application du § 1er, 11°, doivent être
considérées comme des réserves taxées, les
réserves exonérées qui ont été constituées à
l'occasion d'une opération visée à l'article 184bis,
§ 4, ou à l'article 211, par prélèvement sur les
réserves taxées ou par la création corrélative
d'une réserve taxée négative, en raison du fait
que la société absorbante ou bénéficiaire
possédait des actions ou parts de la société
absorbée ou scindée au moment de l'opération.
Article 201, § 1er, alinéa 1er, 1°, et alinéas 6 et 7,
du Code des impôts sur les revenus 1992
Article 201, § 1er, alinéa 1er, 1°, et alinéas 6 et 7,
du Code des impôts sur les revenus 1992
1°
pour
les
immobilisations
acquises
ou
constituées par une société qui, sur base de
l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés, est
considérée comme petite société pour l'exercice
d'imposition lié à la période imposable au cours
de laquelle elle a effectué ces investissements, 8
p.c. de la valeur d'investissement ou de revient
des nouvelles immobilisations corporelles ou
incorporelles
pour
autant
que
ces
immobilisations soient directement liées à
l'activité économique existante ou prévue qui est
réellement exercée par la société. Toutefois, pour
1°
pour
les
immobilisations
acquises
ou
constituées par une société qui, sur base de
l’article 1:24 §§ 1er à 6 du Code des sociétés et
des associations, est considérée comme petite
société pour l'exercice d'imposition lié à la
période imposable au cours de laquelle elle a
effectué ces investissements, 8 p.c. de la valeur
d'investissement ou de revient des nouvelles
immobilisations corporelles ou incorporelles pour
autant
que
ces
immobilisations
soient
directement
liées
à
l'activité
économique
existante ou prévue qui est réellement exercée
440
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 45/96
les immobilisations acquises ou constituées entre
le 1er janvier 2018 et le 31 décembre 2019, au
cours d’une période imposable qui se rattache à
un des exercices d’imposition 2019 et 2020, le
pourcentage de base de la déduction est fixé à 20
p.c. ;
par la société. Toutefois, pour les immobilisations
acquises ou constituées entre le 1er janvier 2018
et le 31 décembre 2019, au cours d’une période
imposable qui se rattache à un des exercices
d’imposition 2019 et 2020, le pourcentage de
base de la déduction est fixé à 20 p.c. ;
(…)
(…)
Dans le cas visé à l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 2°,
f), la déduction pour investissement n'est
applicable que pour les sociétés qui, sur base de
l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés, sont
considérées
comme
petites
sociétés
pour
l'exercice d'imposition afférent à la période
imposable
au
cours
de
laquelle
les
immobilisations sont acquises ou constituées.
Dans le cas visé à l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 2°,
f), la déduction pour investissement n'est
applicable que pour les sociétés qui, sur base de
l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
des associations, sont considérées comme
petites sociétés pour l'exercice d'imposition
afférent à la période imposable au cours de
laquelle les immobilisations sont acquises ou
constituées.
Dans le cas visé à l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 3°,
la déduction pour investissement n'est applicable
qu'en ce qui concerne les sociétés résidentes qui,
sur base de l'article 15, §§ 1er tot 6, du Code des
sociétés,
sont
considérées
comme
petites
sociétés pour l'exercice d'imposition afférent à la
période imposable au cours de laquelle les
immobilisations sont acquises ou constituées.
Dans le cas visé à l'article 69, § 1er, alinéa 1er, 3°,
la déduction pour investissement n'est applicable
qu'en ce qui concerne les sociétés résidentes qui,
sur base de l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés et des associations, sont considérées
comme
petites
sociétés
pour
l'exercice
d'imposition afférent à la période imposable au
cours de laquelle les immobilisations sont
acquises ou constituées.
Article 205ter, § 4 du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 205ter, § 4, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 4. Pour les contribuables soumis à l'impôt des
sociétés, auxquels s'applique la loi du 27 juin
1921 sur les associations sans but lucratif, les
associations internationales sans but lucratif et
les fondations, les capitaux propres, visés au §
1er s'entendent du fonds social, tel qu'il ressort
du bilan établi par ces contribuables.
§ 4. Pour les associations et fondations
auxquelles s’appliquent les dispositions de la
Partie 3 du Code des sociétés et des associations
et qui sont soumises à l'impôt des sociétés, les
capitaux propres, visés au § 1er s'entendent du
fonds social, tel qu'il ressort du bilan établi par
ces contribuables.
(…)
(…)
Article 205quater, § 6, du Code des impôts sur
Article 205quater, § 6, du Code des impôts sur
441
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 46/96
les revenus 1992
les revenus 1992
§ 6. Pour les sociétés qui, sur la base de l'article
15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés sont
considérées
comme
petites
sociétés
pour
l'exercice d'imposition lié à la période imposable
au cours de laquelle elles ont bénéficié de la
déduction pour capital à risque, le taux
déterminé conformément aux §§ 2 à 5 est majoré
d'un demi-point.
§ 6. Pour les sociétés qui, sur la base de l’article
1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et des
associations sont considérées comme petites
sociétés pour l'exercice d'imposition lié à la
période imposable au cours de laquelle elles ont
bénéficié de la déduction pour capital à risque, le
taux déterminé conformément aux §§ 2 à 5 est
majoré d'un demi-point.
Article 206, § 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 206, § 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 3. Dans l'éventualité où une société étrangère
transfère en Belgique son siège social, son
principal établissement ou son siège de direction
ou d'administration, la disposition du § 1er,
alinéa 1er, est d'application pour ce qui concerne
les pertes professionnelles éprouvées par cette
société dans un établissement belge dont cette
société disposait avant ce transfert.
§ 3. Dans l'éventualité où une société étrangère
transfère en Belgique son principal établissement
ou son siège de direction ou d'administration, la
disposition du § 1er, alinéa 1er, est d'application
pour ce qui concerne les pertes professionnelles
éprouvées
par
cette
société
dans
un
établissement belge dont cette société disposait
avant ce transfert.
Article 207, alinéa 6, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 207, alinéa 6, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Dans le chef d’une société qui, sur la base de
l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés, est
considérée
comme
petite
société,
l’alinéa
précédent ne s’applique pas aux pertes visées à
l’article 206, pendant les quatre premières
périodes imposables à partir de sa constitution
comme visée à l’article 14526, § 1er, alinéas 3 et
4.
Dans le chef d’une société qui, sur la base de
l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
des associations, est considérée comme petite
société, l’alinéa précédent ne s’applique pas aux
pertes visées à l’article 206, pendant les quatre
premières périodes imposables à partir de sa
constitution comme visée à l’article 14526, § 1er,
alinéas 3 et 4.
Article 210, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 210, du Code des impôts sur les revenus
1992
§ 1er. Les articles 208 et 209 sont également
applicables :
§ 1er. Les articles 208 et 209 sont également
applicables :
1° en cas de fusion par absorption, de fusion par
constitution d'une nouvelle société, de scission
1° en cas de fusion par absorption, de fusion par
constitution d'une nouvelle société, de scission
442
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 47/96
par absorption, de scission par constitution de
nouvelles
sociétés,
de
scission
mixte
ou
d'opération assimilée à une fusion par absorption
;
par absorption, de scission par constitution de
nouvelles
sociétés,
de
scission
mixte
ou
d'opération assimilée à une fusion par absorption
;
1°bis en cas d'opération assimilée à la fusion ou à
la scission, sans que toutes les sociétés
transférantes cessent d'exister ;
1°bis en cas d'opération assimilée à la scission ;
2° en cas de dissolution sans qu'il y ait partage de
l'avoir social, autre que dans les cas visés aux 1°
et 1°bis ;
2° en cas de dissolution sans qu'il y ait partage
total de l'avoir social, autre que dans les cas visés
aux 1° et 1°bis ;
2°bis en cas de transfert, sans dissolution, de
tout ou partie de l’avoir social dans le cadre
d’une opération analogue à celles visées au 1°bis
3° en cas d'adoption d'une autre forme juridique,
sauf dans les cas visés aux articles 774 à 787 du
Code des sociétés ;
3° en cas d'adoption d'une autre forme juridique,
sauf dans les cas visés aux articles 14:2 à 14:14,
15:32 à 15 :33 et 16:10 à 16 :11 du Code des
sociétés et des associations et dans les autres
cas d’adoption d’une autre forme juridique
pour autant que celle-ci se réalise sans rupture
de la personnalité juridique et en conformité
avec le droit des personnes morales qui
s’applique à la transformation ;
4° en cas de transfert à l'étranger du siège social,
du principal établissement ou du siège de
direction ou d'administration ;
4° en cas de transfert à l'étranger du principal
établissement ou du siège de direction ou
d'administration ;
5° en cas d'agrément par l'Autorité des services
et marchés financiers en tant que société
d'investissement
à
capital
fixe
en
biens
immobiliers ou en actions non cotées, ou en tant
que société immobilière réglementée, sauf
lorsque au moment de l'agrément, elle était déjà
agréée en tant que société à capital fixe en biens
immobiliers ou en actions non cotées, ou en tant
que société immobilière réglementée, ou était
déjà inscrite en tant que fonds d'investissement
immobilier spécialisé auprès du SPF Finances;
5° en cas d'agrément par l'Autorité des services
et marchés financiers en tant que société
d'investissement
à
capital
fixe
en
biens
immobiliers ou en actions non cotées, ou en tant
que société immobilière réglementée, sauf
lorsque au moment de l'agrément, elle était déjà
agréée en tant que société à capital fixe en biens
immobiliers ou en actions non cotées, ou en tant
que société immobilière réglementée, ou était
déjà inscrite en tant que fonds d'investissement
immobilier spécialisé auprès du SPF Finances;
6° en cas d'inscription en tant que fonds
d'investissement immobilier spécialisé auprès du
SPF Finances, sauf lorsque au moment de
l'inscription, il était déjà agréé en tant que
6° en cas d'inscription en tant que fonds
d'investissement immobilier spécialisé auprès du
SPF Finances, sauf lorsque au moment de
l'inscription, il était déjà agréé en tant que
443
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 48/96
société à capital fixe en biens immobiliers ou en
actions non cotées, ou en tant que société
immobilière réglementée, par l'Autorité des
services et marchés financiers.
société à capital fixe en biens immobiliers ou en
actions non cotées, ou en tant que société
immobilière réglementée, par l'Autorité des
services et marchés financiers.
7° en cas d’agrément comme entreprise agricole
visée à l’article 8:2 du Code des sociétés et des
associations, sauf maintien de l’assujettissement
à l’impôt des sociétés ;
8° Dans le cas où une entreprise agricole visée à
l’article 8:2 du Code des sociétés et des
associations cesse d’être assujettie à l’impôt des
sociétés.
(…)
(…)
§ 4. En cas de fusion par absorption, de fusion par
constitution d'une nouvelle société, de scission
par absorption, de scission par constitution de
nouvelles
sociétés,
de
scission
mixte
et
d'opération assimilée à la scission, réalisées
conformément aux dispositions du Code des
sociétés et de l'arrête royal portant exécution du
même Code, dans le chef de la société
absorbante ou bénéficiaire :
§ 4. En cas de fusion par absorption, de fusion par
constitution d'une nouvelle société, de scission
par absorption, de scission par constitution de
nouvelles
sociétés,
de
scission
mixte
et
d'opération assimilée à la fusion ou à la scission,
dans le chef de la société absorbante ou
bénéficiaire :
§ 5. Pour l'application de l'article 209, en cas
d'agrément en tant que société d'investissement
à capital fixe en biens immobiliers ou en tant que
société immobilière réglementée, par l'Autorité
des services et marchés financiers, ou en cas
d'inscription de cette société en tant que fonds
d'investissement immobilier spécialisé auprès du
SPF Finances, conformément au § 1er, 5° et 6°, le
montant du capital libéré est, par dérogation aux
articles 184, 184bis et 184ter, § 1er, alinéa 1er,
réduit, de même que le montant des bénéfices
antérieurement réservés, à concurrence de la
différence positive entre le montant des plus-
values de réévaluation et le montant des
amortissements qui ont déjà été comptabilisés
sur
ces
plus-values
de
réévaluation
préalablement à l'agrément de cette société en
tant que société d'investissement à capital fixe en
biens immobiliers ou en tant que société
§ 5. Pour l'application de l'article 209, en cas
d'agrément en tant que société d'investissement
à capital fixe en biens immobiliers ou en tant que
société immobilière réglementée, par l'Autorité
des services et marchés financiers, ou en cas
d'inscription de cette société en tant que fonds
d'investissement immobilier spécialisé auprès du
SPF Finances, conformément au § 1er, 5° et 6°, le
montant du capital libéré est, par dérogation aux
articles 184, 184bis et 184ter, § 1er, alinéa 1er,
réduit, de même que le montant des bénéfices
antérieurement réservés, à concurrence de la
différence positive entre le montant des plus-
values de réévaluation et le montant des
amortissements qui ont déjà été comptabilisés
sur
ces
plus-values
de
réévaluation
préalablement à l'agrément de cette société en
tant que société d'investissement à capital fixe en
biens immobiliers ou en tant que société
444
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 49/96
immobilière réglementée ou préalablement à
l'inscription de cette société auprès du SPF
Finances en tant que fonds d'investissement
immobilier spécialisé, et ce dans la mesure où les
sommes correspondant à cette différence se
retrouvent dans le montant du capital libéré ou
des bénéfices antérieurement réservés.
immobilière réglementée ou préalablement à
l'inscription de cette société auprès du SPF
Finances en tant que fonds d'investissement
immobilier spécialisé, et ce dans la mesure où les
sommes correspondant à cette différence se
retrouvent dans le montant du capital libéré ou
des bénéfices antérieurement réservés.
Pour l'application de l'alinéa 1er, dans le cas où
une
association
sans
but
lucratif
a
été
transformée en société à finalité sociale,
préalablement à l'agrément de cette société,
qu'elle conserve ou non dans ses statuts le
caractère de société à finalité sociale, en tant que
société d'investissement à capital fixe en biens
immobiliers ou en tant que société immobilière
réglementée, par l'Autorité des services et
marchés financiers, ou en cas d'inscription en
tant que fonds d'investissement immobilier
spécialisé auprès du SPF Finances, le montant du
capital libéré de cette société est, par dérogation
aux articles 184, 184bis et 184ter, § 1er, alinéa
1er, également réduit, de même que le montant
des
bénéfices
antérieurement
réservés,
à
concurrence de la différence positive entre le
montant des plus-values de réévaluation et le
montant des amortissements qui ont déjà été
comptabilisés sur ces plus-values de réévaluation
préalablement à la transformation de cette
association sans but lucratif en société à finalité
sociale, et ce dans la mesure où les sommes
correspondant à cette différence se retrouvent
dans le montant du capital libéré ou des
bénéfices antérieurement réservés.
Pour l'application de l'alinéa 1er, dans le cas où
une
association
sans
but
lucratif
a
été
transformée en une entreprise sociale reconnue
conformément à l'article 8:5 du Code des
sociétés et des associations, préalablement à
l'agrément de cette société, qu'elle conserve ou
non dans ses statuts le caractère d'entreprise
sociale reconnue conformément à l'article 8:5 du
Code des sociétés et des associations, en tant
que société d'investissement à capital fixe en
biens immobiliers ou en tant que société
immobilière réglementée, par l'Autorité des
services et marchés financiers, ou en cas
d'inscription en tant que fonds d'investissement
immobilier spécialisé auprès du SPF Finances, le
montant du capital libéré de cette société est, par
dérogation aux articles 184, 184bis et 184ter, §
1er, alinéa 1er, également réduit, de même que
le
montant
des
bénéfices
antérieurement
réservés, à concurrence de la différence positive
entre le montant des plus-values de réévaluation
et le montant des amortissements qui ont déjà
été
comptabilisés
sur
ces
plus-values
de
réévaluation préalablement à la transformation
de cette association sans but lucratif en une
entreprise sociale reconnue conformément à
l'article 8:5 du Code des sociétés et des
associations, et ce dans la mesure où les sommes
correspondant à cette différence se retrouvent
dans le montant du capital libéré ou des
bénéfices antérieurement réservés.
(…)
(…)
Article 210/1, du Code des impôts sur les
445
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 50/96
revenus 1992
Les articles 208 et 209 sont également
applicables dans le cas où une société cesse
d’être assujettie à l’impôt des sociétés pour
devenir assujettie à l’impôt des personnes
morales.
Pour l’application du présent article, la partie
des réserves exonérées constituées au cours
d’une période imposable qui se rattache à un
exercice d’imposition pour lequel la société
n’était pas soumise à l’impôt des sociétés, ainsi
que la partie des plus-values constatées à
l’occasion de l’application de l'alinéa 1er qui se
rapporte à une période imposable se rattachant
à un exercice d’imposition pour lequel la société
n’était pas soumise à l’impôt des sociétés, ne
sont pas prises en considération pour la
détermination de la base imposable.
Article 211, § 1er, alinéa 4, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 211, § 1er, alinéa 4, du Code des impôts
sur les revenus 1992
L'alinéa 1er est uniquement applicable à la
condition que :
L'alinéa 1er est uniquement applicable à la
condition que :
1° la société absorbante ou bénéficiaire soit une
société
résidente
ou
une
société
intra-
européenne;
1° la société absorbante ou bénéficiaire soit une
société
résidente
ou
une
société
intra-
européenne;
2° l'opération soit réalisée conformément aux
dispositions du Code des sociétés et, le cas
échéant,
conformément
aux
dispositions
analogues du droit des sociétés applicables à la
société
intra-européenne
absorbante
ou
bénéficiaire;
2° (abrogé) ;
3° l'opération répond au prescrit de l'article
183bis.
2° l'opération répond au prescrit de l'article
183bis.
Article 214, § 1er, alinéa 1er, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 214, § 1er, ainéa 1er, du Code des impôts
sur les revenus 1992
§ 1er. Sauf dans les cas où une société résidente
L’article 212 est applicable à la société qui a
446
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 51/96
est transformée en une société agricole qui n'a
pas opté pour l'assujettissement à l'impôt des
sociétés, et nonobstant les dispositions de
l'article 210, § 1er, 3°, l'imposition prévue aux
articles 208 et 209 ne s'applique pas lors de
l'adoption d'une autre forme juridique, lorsque
l'évaluation des éléments de l'actif et du passif, y
compris le capital et les réserves, n'est pas
modifiée à l'occasion de l'opération. L'article 212
est applicable aux sociétés ainsi transformées.
adopté une autre forme juridique en exemption
d’impôt par application de l’article 210, § 1er, 3°.
Article 214bis, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 214bis, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Nonobstant l'article 210, § 1er, 4°, dans
l'éventualité de transfert du siège social, du
principal établissement ou du siège de direction
ou d'administration par une société résidente
vers
un
autre
Etat
membre
de
l'Union
européenne, aucune imposition n'a lieu en vertu
de l'article 208, alinéa 2, ou de l'article 209 :
Nonobstant l'article 210, § 1er, 4°, dans
l'éventualité
de
transfert
du
principal
établissement ou du siège de direction ou
d'administration par une société résidente vers
un autre Etat membre de l'Union européenne,
aucune imposition n'a lieu en vertu de l'article
208, alinéa 2, ou de l'article 209 :
(…)
(…)
Article 215, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 215, du Code des impôts sur les revenus
1992
Le taux de l’impôt des sociétés est fixé à 29 p.c.
Le taux de l’impôt des sociétés est fixé à 29 p.c.
Pour les sociétés qui, sur base de l’article 15, §§
1er à 6, du Code des sociétés, sont considérées
comme petites sociétés, le taux de l’impôt sur la
première tranche de 0 à 100.000 euros est
toutefois fixé à 20 p.c.
Pour les sociétés qui, sur base de l’article 1:24, §§
1er à 6, du Code des sociétés et des associations,
sont considérées comme petites sociétés, le taux
de l’impôt sur la première tranche de 0 à 100.000
euros est toutefois fixé à 20 p.c.
L'alinéa 2 n'est pas applicable :
L'alinéa 2 n'est pas applicable :
1° aux sociétés, autres que les sociétés
coopératives agréées par le Conseil national de la
coopération, qui détiennent des actions ou parts
dont la valeur d'investissement excède 50 p.c.,
soit de la valeur réévaluée du capital libéré, soit
du capital libéré augmenté des réserves taxées et
des plus-values comptabilisées. La valeur des
1° aux sociétés, autres que les sociétés
coopératives agréées conformément à l’article
8:4 du Code des sociétés et des associations, qui
détiennent des actions ou parts dont la valeur
d'investissement excède 50 p.c., soit de la valeur
réévaluée du capital libéré, soit du capital libéré
augmenté des réserves taxées et des plus-values
447
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 52/96
actions ou parts et le montant du capital libéré,
des réserves et des plus-values sont à envisager à
la date de clôture des comptes annuels de la
société détentrice des actions ou parts. Pour
déterminer si la limite de 50 p.c. est dépassée, il
n'est pas tenu compte des actions ou parts qui
représentent au moins 75 p.c. du capital libéré de
la société qui a émis les actions ou parts ;
comptabilisées. La valeur des actions ou parts et
le montant du capital libéré, des réserves et des
plus-values sont à envisager à la date de clôture
des comptes annuels de la société détentrice des
actions ou parts. Pour déterminer si la limite de
50 p.c. est dépassée, il n'est pas tenu compte des
actions ou parts qui représentent au moins 75
p.c. du capital libéré de la société qui a émis les
actions ou parts ;
2° aux sociétés, autres que les sociétés
coopératives agréées par le Conseil national de la
coopération,
dont
les
actions
ou
parts
représentatives du capital social sont détenues à
concurrence d'au moins la moitié par une ou
plusieurs autres sociétés ;
2° aux sociétés, autres que les sociétés
coopératives agréées conformément à l’article
8:4 du Code des sociétés et des associations,
dont les actions ou parts représentatives du
capital sont détenues à concurrence d'au moins
la moitié par une ou plusieurs autres sociétés ;
3° (abrogé)
3° (abrogé)
4° aux sociétés, autres que les sociétés
coopératives agréées par le Conseil national de la
coopération, et autres que les sociétés visées à
l'article 219quinquies, § 5, qui n'allouent pas à au
moins un dirigeant d'entreprise visé à l'article 32
une rémunération à charge du résultat de la
période imposable au moins égale à 45 000
euros. Lorsque la rémunération est inférieure à
45 000 euros, cette rémunération à charge du
résultat de la période imposable doit être égale
ou supérieure au revenu imposable de la société;
4° aux sociétés, autres que les sociétés
coopératives agréées conformément à l’article
8:4 du Code des sociétés et des associations, et
autres que les sociétés visées à l'article
219quinquies, § 5, qui n'allouent pas à au moins
un dirigeant d'entreprise visé à l'article 32 une
rémunération à charge du résultat de la période
imposable au moins égale à 45 000 euros.
Lorsque la rémunération est inférieure à 45 000
euros, cette rémunération à charge du résultat de
la période imposable doit être égale ou
supérieure au revenu imposable de la société;
(…)
(…)
Article 218, § 2, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 218, § 2, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 2. Dans le chef d'une société qui, sur la base de
l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés, est
considérée
comme
petite
société,
aucune
majoration n'est due sur l'impôt, qui se rapporte
aux trois premiers exercices comptables à partir
de sa constitution.
§ 2. Dans le chef d'une société qui, sur la base de
l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
des associations, est considérée comme petite
société, aucune majoration n'est due sur l'impôt,
qui se rapporte aux trois premiers exercices
comptables à partir de sa constitution.
448
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 53/96
Article 219ter, § 7, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 219ter, § 7, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 7. Les sociétés qui, sur base de l'article 15, §§
1er à 6, du Code des sociétés, sont considérées
comme
petites
sociétés
pour
l'exercice
d'imposition lié à la période imposable au cours
de laquelle les dividendes sont distribués, ne sont
pas soumises à ladite cotisation.
§ 7. Les sociétés qui, sur base de l’article 1:24, §§
1er à 6, du Code des sociétés et des associations,
sont considérées comme petites sociétés pour
l'exercice d'imposition lié à la période imposable
au cours de laquelle les dividendes sont
distribués, ne sont pas soumises à ladite
cotisation.
Article 219quinquies, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 219quinquies, du Code des impôts sur les
revenus 1992
(…)
(…)
§ 5. Dans le chef d’une société qui, sur la base de
l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés, est
considérée comme petite société, le présent
article ne s’applique pas pendant les quatre
premières périodes imposables à partir de sa
constitution comme visée à l’article 14526, § 1er,
alinéas 3 et 4.
§ 5. Dans le chef d’une société qui, sur la base de
l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
des associations, est considérée comme petite
société, le présent article ne s’applique pas
pendant
les
quatre
premières
périodes
imposables à partir de sa constitution comme
visée à l’article 14526, § 1er, alinéas 3 et 4.
§ 6. Dans le chef de sociétés liées dans le sens de
l'article 11 du Code des sociétés dont au moins la
moitié des dirigeants d'entreprise sont les mêmes
personnes dans chacune des sociétés concernées,
l'ensemble des rémunérations versées par ces
sociétés liées à une de ces mêmes personnes
peut être pris en considération cumulativement
pour l'application du présent article. Le total du
montant de rémunération minimale visé à
l'article 215, alinéa 3, 4°, est dans ce cas porté à
75 000 euros.
§ 6. Dans le chef de sociétés liées dans le sens de
l’article 1:20 du Code des sociétés et des
associations dont au moins la moitié des
dirigeants d'entreprise sont les mêmes personnes
dans
chacune
des
sociétés
concernées,
l'ensemble des rémunérations versées par ces
sociétés liées à une de ces mêmes personnes
peut être pris en considération cumulativement
pour l'application du présent article. Le total du
montant de rémunération minimale visé à
l'article 215, alinéa 3, 4°, est dans ce cas porté à
75 000 euros.
(…)
(…)
Article 220, 3°, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 220, 3°, du Code des impôts sur les
revenus 1992
3° les personnes morales qui ont en Belgique leur
siège social, leur principal établissement ou leur
3° les personnes morales qui ont en Belgique leur
principal établissement ou leur siège de direction
449
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 54/96
siège de direction ou d'administration, qui ne se
livrent pas à une exploitation ou à des opérations
de caractère lucratif ou qui ne sont pas
assujetties à l'impôt des sociétés conformément
à l'article 181 et 182 ;
ou d'administration, qui ne se livrent pas à une
exploitation ou à des opérations de caractère
lucratif ou qui ne sont pas assujetties à l'impôt
des sociétés conformément à l'article 181 et 182 ;
Article 227, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 227, du Code des impôts sur les revenus
1992
Sont assujettis à l'impôt des non-résidents :
Sont assujettis à l'impôt des non-résidents :
1° les non-habitants du Royaume, y compris les
personnes visées à l'article 4 ;
1° les non-habitants du Royaume, y compris les
personnes visées à l'article 4 ;
2° les sociétés étrangères ainsi que les
associations,
établissements
ou
organismes
quelconques sans personnalité juridique qui sont
constitués sous une forme juridique analogue à
celle d'une société de droit belge et qui n'ont pas
en Belgique leur siège social, leur principal
établissement ou leur siège de direction ou
d'administration ;
2° les sociétés étrangères ;
3°
les
Etats
étrangers,
leurs
subdivisions
politiques et collectivités locales ainsi que toutes
les personnes morales qui n'ont pas en Belgique
leur siège social, leur principal établissement ou
leur siège de direction ou d'administration et qui
ne se livrent pas à une exploitation ou à des
opérations à caractère lucratif ou se livrent, sans
but lucratif, exclusivement à des opérations
visées à l'article 182 à l'exception des personnes
morales visées à l'article 227/1.
3°
les
Etats
étrangers,
leurs
subdivisions
politiques et collectivités locales ainsi que toutes
les personnes morales qui n'ont pas en Belgique
leur principal établissement ou leur siège de
direction ou d'administration et qui ne se livrent
pas à une exploitation ou à des opérations à
caractère lucratif ou se livrent, sans but lucratif,
exclusivement à des opérations visées à l'article
182 à l'exception des personnes morales visées à
l'article 227/1.
Article 228, § 2, 6°, b, et 7°bis, b, du Code des
impôts sur les revenus 1992
Article 228, § 2, 6°, b, et 7°bis, b, du Code des
impôts sur les revenus 1992
§ 2. Sont compris dans les revenus visés au § 1er :
§ 2. Sont compris dans les revenus visés au § 1er :
(…)
(…)
6° les rémunérations visées à l’article 23, § 1er,
4°, directement ou indirectement à charge :
6° les rémunérations visées à l’article 23, § 1er,
4°, directement ou indirectement à charge :
450
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 55/96
(…)
(…)
b) d'une société résidente, d'une association,
d'un
établissement
ou
d'un
organisme
quelconque ayant en Belgique son siège social,
son principal établissement ou son siège
d'administration ou de direction ;
b) d'une société résidente, d'une association,
d'un
établissement
ou
d'un
organisme
quelconque ayant en Belgique son principal
établissement ou son siège d'administration ou
de direction ;
(…)
7°bis les pensions, rentes et allocations visées à
l'article 23, § 1er, 5°, payées ou attribuées par :
7°bis les pensions, rentes et allocations visées à
l'article 23, § 1er, 5°, payées ou attribuées par :
(…)
(…)
b) une société résidente, une association, un
établissement ou un organisme quelconque
ayant en Belgique son siège social, son principal
établissement ou son siège d'administration ou
de direction;
b) une société résidente, une association, un
établissement ou un organisme quelconque
ayant en Belgique son principal établissement ou
son siège d'administration ou de direction;
Article 229, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 229, du Code des impôts sur les revenus
1992
(…)
(…)
§ 2/2. Lorsqu’une entreprise étrangère est liée ou
associée à une ou plusieurs autres entreprises au
sens respectivement des articles 11 et 12 du
Code des Sociétés, la durée cumulée des activités
similaires
exercées
en
Belgique
par
ces
entreprises est prise en considération pour
déterminer si la durée des activités exercées en
Belgique par ladite entreprise étrangère excède
la durée minimale prévue au § 1er, alinéa 2, 8°, et
au § 2/1 pour constituer un établissement belge
ou la durée minimale prévue par une convention
préventive de la double imposition pour
constituer un établissement stable. La présente
disposition ne s’applique pas lorsque l’entreprise
étrangère prouve que l’exercice des activités
similaires, par elle-même et une ou plusieurs
entreprises à laquelle ou auxquelles elle est liée
ou associée, se justifie par d’autres motifs que
par la volonté d’éviter que ces activités ne
constituent, suivant le cas, un établissement
§ 2/2. Lorsqu’une entreprise étrangère est liée ou
associée à une ou plusieurs autres entreprises au
sens respectivement des articles 1:20 et 1:21 du
Code des Sociétés et des associations, la durée
cumulée des activités similaires exercées en
Belgique par ces entreprises est prise en
considération pour déterminer si la durée des
activités
exercées en Belgique
par
ladite
entreprise étrangère excède la durée minimale
prévue au § 1er, alinéa 2, 8°, et au § 2/1 pour
constituer un établissement belge ou la durée
minimale prévue par une convention préventive
de la double imposition pour constituer un
établissement stable. La présente disposition ne
s’applique pas lorsque l’entreprise étrangère
prouve que l’exercice des activités similaires, par
elle-même et une ou plusieurs entreprises à
laquelle ou auxquelles elle est liée ou associée, se
justifie par d’autres motifs que par la volonté
d’éviter que ces activités ne constituent, suivant
451
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 56/96
belge
ou
un
établissement
stable
par
l’intermédiaire duquel ces activités sont exercées.
le
cas,
un
établissement
belge
ou
un
établissement stable par l’intermédiaire duquel
ces activités sont exercées.
§ 3. Chaque associé ou membre dans une société
civile ou une association sans personnalité
juridique qui a son siège social, son principal
établissement ou son siège de direction ou
d'administration en Belgique ou dont les revenus
sont produits ou recueillis en Belgique au sens de
l’article 228, § 2, 3°, 3°bis ou 4°, est censé, selon
le cas, disposer d'un établissement belge ou
exercer
personnellement
des
activités
en
Belgique.
§ 3. Chaque associé ou membre dans une société
ou une association sans personnalité juridique
visées à l'article 29 qui a son principal
établissement ou son siège de direction ou
d'administration en Belgique ou dont les revenus
sont produits ou recueillis en Belgique au sens de
l’article 228, § 2, 3°, 3°bis ou 4°, est censé, selon
le cas, disposer d'un établissement belge ou
exercer
personnellement
des
activités
en
Belgique.
(…)
(…)
§ 5. En ce qui concerne les contribuables visés à
l'article 227, 2°, dans le cas d'un transfert visé à
l'alinéa 2 d'un ou plusieurs éléments situés à
l'étranger, les plus-values et les moins-values
réalisées ultérieurement, les amortissements et
les réductions de valeur qui concernent ces actifs
sont déterminés sur la base de la valeur réelle
qu'ils ont au moment de l'opération.
§ 5. En ce qui concerne les contribuables visés à
l'article 227, 2°, dans le cas d'un transfert visé à
l'alinéa 2 d'un ou plusieurs éléments situés à
l'étranger, les plus-values et les moins-values
réalisées ultérieurement, les amortissements et
les réductions de valeur qui concernent ces actifs
sont déterminés sur la base de la valeur réelle
qu'ils ont au moment de l'opération.
Le champ d'application de l'alinéa 1er s'étend aux
opérations suivantes :
Le champ d'application de l'alinéa 1er s'étend aux
opérations suivantes :
1° le transfert d'un ou de plusieurs éléments de
l'actif du siège social, du principal établissement
ou du siège de direction ou d'administration
d'une société étrangère à un établissement
belge;
1° le transfert d'un ou de plusieurs éléments de
l'actif du domicile fiscal d'une société étrangère à
un établissement belge;
(…)
(…)
Article 230, alinéa 2, a, quatrième tiret, alinéa 2,
c, deuxième tiret, et alinéa 3, premier tiret, du
Code des impôts sur les revenus 1992
Article 230, alinéa 2, a, quatrième tiret, alinéa 2,
c, deuxième tiret, et alinéa 3, premier tiret, du
Code des impôts sur les revenus 1992
Les conditions auxquelles sont exonérés les
revenus visés à l'alinéa 1er, 2°, sont les suivantes :
Les conditions auxquelles sont exonérés les
revenus visés à l'alinéa 1er, 2°, sont les suivantes :
a) le bénéficiaire des revenus doit remettre à
l'intermédiaire visé au b) ou c) ou au débiteur des
a) le bénéficiaire des revenus doit remettre à
l'intermédiaire visé au b) ou c) ou au débiteur des
452
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 57/96
revenus une attestation par laquelle il certifie :
revenus une attestation par laquelle il certifie :
(…)
(…)
- et pour les cas visés au c, deuxième tiret, qu'il
appartient au même groupe de sociétés liées ou
associées au sens respectivement des articles 11
et 12 du Code des sociétés que le débiteur des
revenus
et
que
l'entreprise
financière
intermédiaire ;
- et pour les cas visés au c, deuxième tiret, qu'il
appartient au même groupe de sociétés liées ou
associées au sens respectivement des articles
1:20 et 1:21 du Code des sociétés et des
associations que le débiteur des revenus et que
l'entreprise financière intermédiaire ;
(…)
(…)
c) les revenus visés à l'alinéa 1er, 2°, b), doivent
être payés au bénéficiaire :
c) les revenus visés à l'alinéa 1er, 2°, b), doivent
être payés au bénéficiaire :
(…)
(…)
- soit, en ce qui concerne les intérêts compris
dans lesdits revenus, à l'intervention d'une
entreprise financière établie en Belgique au sens
défini à l'alinéa 3, lorsque le bénéficiaire, le
débiteur et l'entreprise financière établie en
Belgique appartiennent à un groupe de sociétés
liées ou associées au sens respectivement des
articles 11 et 12 du Code des sociétés.
- soit, en ce qui concerne les intérêts compris
dans lesdits revenus, à l'intervention d'une
entreprise financière établie en Belgique au sens
défini à l'alinéa 3, lorsque le bénéficiaire, le
débiteur et l'entreprise financière établie en
Belgique appartiennent à un groupe de sociétés
liées ou associées au sens respectivement des
articles 1:20 et 1:21 du Code des sociétés et des
associations.
(…)
(…)
Pour l'application de l'alinéa 2, c), deuxième tiret,
on entend par entreprise financière, une société
résidente ou un établissement belge d'une
société étrangère :
Pour l'application de l'alinéa 2, c), deuxième tiret,
on entend par entreprise financière, une société
résidente ou un établissement belge d'une
société étrangère :
- qui appartient à un groupe de sociétés liées ou
associées au sens respectivement des articles 11
et 12 du Code des sociétés ;
- qui appartient à un groupe de sociétés liées ou
associées au sens respectivement des articles
1:20 et 1:21 du Code des sociétés et des
associations ;
Article 231, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 231, du Code des impôts sur les revenus
1992
(…)
(…)
§ 2. Lorsqu'un établissement belge ou des
éléments situés en Belgique figurent dans les
§ 2. Lorsqu'un établissement belge ou des
éléments situés en Belgique figurent dans les
453
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 58/96
biens acquis d'une société intra-européenne par
une société résidente ou par une société intra-
européenne, à l'occasion d'une fusion, d'une
scission ou d'une opération y assimilée, ou d'un
apport d'une ou plusieurs branches d'activité ou
d'une universalité de biens qui a lieu avec
application dans l'Etat de résidence de la société
intra-européenne
absorbée,
scindée
ou
apporteuse, de l'exonération d'impôt prévue par
la Directive 2009/133/CE du Conseil du 19
octobre 2009 visée à l'article 2, § 1er, 5°, b)bis,
alors :
biens acquis d'une société intra-européenne par
une société résidente ou par une société intra-
européenne, à l'occasion d'une fusion, d'une
scission ou d'une opération assimilée à une
fusion ou à une scission, ou d'un apport d'une ou
plusieurs branches d'activité ou d’un apport
d’universalité qui a lieu avec application dans
l'Etat de résidence de la société intra-européenne
absorbée,
scindée
ou
apporteuse,
de
l'exonération d'impôt prévue par la Directive
2009/133/CE du Conseil du 19 octobre 2009 visée
à l'article 2, § 1er, 5°, b)bis, alors :
1° les plus-values visées aux articles 44, § 1er, 1°,
et 47, qui sont exonérées au moment de
l'opération, les subsides en capital visés à l'article
362 qui, au moment de l'opération, ne sont pas
encore considérés comme des bénéfices, ainsi
que les plus-values réalisées ou constatées à
l'occasion de cette opération, n'interviennent pas
pour l'imposition ;
1° les plus-values visées aux articles 44, § 1er, 1°,
et 47, qui sont exonérées au moment de
l'opération, les subsides en capital visés à l'article
362 qui, au moment de l'opération, ne sont pas
encore considérés comme des bénéfices, ainsi
que les plus-values réalisées ou constatées à
l'occasion de cette opération, n'interviennent pas
pour l'imposition ;
2° pour le surplus, l'imposition ne s'applique pas
dans la mesure où les apports sont rémunérés
par des actions ou parts nouvelles, ou dans la
mesure où, dans l'éventualité d'une fusion,
scission ou opération assimilée, les réserves
exonérées présentes dans l'établissement belge
de la société absorbée ou scindée avant
l'opération
sont
reprises
par
la
société
absorbante ou bénéficiaire résidente ou dans un
établissement belge de la société absorbante ou
bénéficiaire intra-européenne.
2° pour le surplus, l'imposition ne s'applique pas
dans la mesure où les apports sont rémunérés
par des actions ou parts nouvelles, ou dans la
mesure où, dans l'éventualité d'une fusion,
scission ou opération assimilée, les réserves
exonérées présentes dans l'établissement belge
de la société absorbée ou scindée avant
l'opération
sont
reprises
par
la
société
absorbante ou bénéficiaire résidente ou dans un
établissement belge de la société absorbante ou
bénéficiaire intra-européenne.
L'alinéa 1er est seulement d'application en ce qui
concerne les éléments transférés ou apportés par
suite de l'opération qui sont affectés dans une
société résidente ou un établissement belge et
qui contribuent à la réalisation des résultats de
cet établissement qui sont pris en considération
pour la base imposable en application de l'article
233, ou en ce qui concerne les éléments situés en
Belgique qui restent maintenus en Belgique et
soumis aux dispositions de l'article 233.
L'alinéa 1er est seulement d'application en ce qui
concerne les éléments transférés ou apportés par
suite de l'opération qui sont affectés dans une
société résidente ou un établissement belge et
qui contribuent à la réalisation des résultats de
cet établissement qui sont pris en considération
pour la base imposable en application de l'article
233, ou en ce qui concerne les éléments situés en
Belgique qui restent maintenus en Belgique et
soumis aux dispositions de l'article 233.
En outre, l'alinéa 1er n'est d'application qu'à la
En outre, l’alinéa 1er n’est d’application qu’à la
454
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 59/96
condition que :
condition que l’opération réponde au prescrit de
l’article 183bis.
1° l'opération soit réalisée conformément aux
dispositions applicables du Code des sociétés et
conformément aux dispositions applicables du
droit des sociétés analogues dans un autre Etat
membre de l'Union européenne qui s'appliquent
à la société intra-européenne absorbante ou
bénéficiaire ;
2° l'opération réponde au prescrit de l'article
183bis.
(…)
(…)
§ 3. Sont exonérées les plus-values réalisées ou
constatées
à
l'occasion
de
l'apport
d'un
établissement belge à une société résidente
moyennant
la
remise
d'actions
ou
parts
représentatives du capital social de la société.
§ 3. Sont exonérées les plus-values réalisées ou
constatées
à
l'occasion
de
l'apport
d'un
établissement belge à une société résidente
moyennant
la
remise
d'actions
ou
parts
représentatives du capital de la société.
(…)
(…)
Article 240bis, § 2, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 240bis, § 2, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 2. Dans l'éventualité du transfert du siège
social, du principal établissement ou du siège de
direction ou d'administration par une société
résidente vers un autre Etat membre de l'Union
européenne avec application aux dispositions de
l'article 214bis, seules les pertes professionnelles
éprouvées par la société en Belgique avant ce
transfert sont déductibles dans l'établissement
belge dont dispose la société après ce transfert.
§ 2. Dans l'éventualité du transfert du principal
établissement ou du siège de direction ou
d'administration par une société résidente vers
un autre Etat membre de l'Union européenne
avec application aux dispositions de l'article
214bis,
seules
les
pertes
professionnelles
éprouvées par la société en Belgique avant ce
transfert sont déductibles dans l'établissement
belge dont dispose la société après ce transfert.
Article 248, § 1er, alinéa 2, 1°, a, du Code des
impôts sur les revenus 1992
Article 248, § 1er, alinéa 2, 1°, a, du Code des
impôts sur les revenus 1992
a) aux bénéfices ou profits produits ou recueillis
par des associés ou membres dans une société
civile ou une association sans personnalité
juridique visés à l'article 229, § 3;
a) aux bénéfices ou profits produits ou recueillis
par des associés ou membres dans une société ou
une association sans personnalité juridique visés
à l'article 229, § 3;
455
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 60/96
Article 264, alinéa 1er, 2°ter, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 264, alinéa 1er, 2°ter, du Code des impôts
sur les revenus 1992
2°ter qui est allouée ou attribuée en cas de
partage partiel de l'avoir social ou d'acquisition
de parts propres par une société coopérative
agréée par le Conseil national de la coopération ;
2°ter qui est allouée ou attribuée en cas de
partage partiel de l'avoir social ou d'acquisition
de parts propres par une société coopérative
agréée conformément à l’article 8:4 du Code des
sociétés et des associations ;
Article 264/1, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 264/1, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 1er. Le précompte mobilier n'est pas dû sur les
dividendes visés à l'article 202, § 1er, 1° et 2°,
dont le débiteur est une société belge et dont le
bénéficiaire est une société qui est établie dans
un Etat membre de l'Espace économique
européen autre que la Belgique ou dans un Etat
avec lequel la Belgique a conclu une convention
préventive de la double imposition, à condition
que cette convention ou un quelconque autre
accord prévoit l'échange de renseignements
nécessaires pour appliquer les dispositions de la
législation nationale des Etats contractants.
§ 1er. Le précompte mobilier n'est pas dû sur les
dividendes visés à l'article 202, § 1er, 1° et 2°,
dont le débiteur est une société résidente et dont
le bénéficiaire est une société qui est établie dans
un Etat membre de l'Espace économique
européen autre que la Belgique ou dans un Etat
avec lequel la Belgique a conclu une convention
préventive de la double imposition, à condition
que cette convention ou un quelconque autre
accord prévoit l'échange de renseignements
nécessaires pour appliquer les dispositions de la
législation nationale des Etats contractants.
Toutefois, le présent article est seulement
applicable lorsque, à la date d'attribution ou de
mise en paiement de dividendes visés à l’alinéa
1er, le bénéficiaire détient dans le capital du
débiteur une participation de moins de 10 p.c.
dont la valeur d'investissement atteint au moins
2.500.000 euros et cette participation est ou a
été
conservée
pendant
une
période
ininterrompue d'au moins un an.
Toutefois, le présent article est seulement
applicable lorsque, à la date d'attribution ou de
mise en paiement de dividendes visés à l’alinéa
1er, le bénéficiaire détient dans le capital du
débiteur une participation de moins de 10 p.c.
dont la valeur d'investissement atteint au moins
2.500.000 euros et cette participation est ou a
été
conservée
pendant
une
période
ininterrompue d'au moins un an.
Le présent article s'applique uniquement dans la
mesure où le précompte mobilier qui serait dû si
l’exonération prévue dans le présent article
n’existait pas ne pourrait être imputé ni
remboursé dans le chef du bénéficiaire.
Le présent article s'applique uniquement dans la
mesure où le précompte mobilier qui serait dû si
l’exonération prévue dans le présent article
n’existait pas ne pourrait être imputé ni
remboursé dans le chef du bénéficiaire.
Le présent article est seulement applicable
lorsque le débiteur et le bénéficiaire sont des
Le présent article est seulement applicable
lorsque le débiteur et le bénéficiaire sont des
456
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 61/96
sociétés qui :
sociétés qui :
- revêtent une des formes énumérées à l'annexe
I, partie A, de la directive du Conseil du 30
novembre 2011 (2011/96/UE) concernant le
régime fiscal commun applicable aux sociétés
mères et filiales d'Etats membres différents,
modifiée par la directive du Conseil du 8 juillet
2014 (2014/86/UE) ou une forme analogue aux
formes qui sont énumérées dans cette annexe et
qui est soumise au droit d'un autre Etat membre
de l'Espace économique européen ou au droit
d'un Etat avec lequel la Belgique a conclu une
convention préventive de la double imposition ;
- revêtent une des formes énumérées à l'annexe
I, partie A, de la directive du Conseil du 30
novembre 2011 (2011/96/UE) concernant le
régime fiscal commun applicable aux sociétés
mères et filiales d'Etats membres différents,
modifiée par la directive du Conseil du 8 juillet
2014
(2014/86/UE),
étant
entendu
que,
s’agissant des sociétés de droit belge, visées au
point b, les références à la "société privée à
responsabilité limitée", aux "société coopérative
à responsabilité limitée" et "société coopérative
à responsabilité illimitée", et à la "société en
commandite simple" doivent s’entendre comme
visant respectivement aussi la "société à
responsabilité limitée", la "société coopérative"
et la "société en commandite", ou une forme
analogue aux formes qui sont énumérées dans
cette annexe et qui est régie par le droit d'un
autre Etat membre de l'Espace économique
européen ou au droit d'un Etat avec lequel la
Belgique a conclu une convention préventive de
la double imposition ;
- sont assujetties à l'impôt des sociétés ou à un
impôt analogue à l'impôt des sociétés sans
bénéficier d'un régime fiscal exorbitant du droit
commun.
- sont assujetties à l'impôt des sociétés ou à un
impôt analogue à l'impôt des sociétés sans
bénéficier d'un régime fiscal exorbitant du droit
commun.
§ 2. L’exemption est subordonnée à la condition
que le débiteur des dividendes est en possession
d'une attestation par laquelle il est certifié :
§ 2. L’exemption est subordonnée à la condition
que le débiteur des dividendes est en possession
d'une attestation par laquelle il est certifié :
1° que le bénéficiaire revêt une des formes
énumérées à l'annexe I, partie A, de la directive
du Conseil du 30 novembre 2011 (2011/96/UE)
concernant le régime fiscal commun applicable
aux sociétés mères et filiales d'Etats membres
différents, modifiée par la directive du Conseil du
8 juillet 2014 (2014/86/UE) ou une forme
analogue à celles énumérées dans ladite annexe
et qui est soumise au droit d'un autre Etat
membre de l'Espace économique européen ou au
droit d'un Etat avec lequel la Belgique a conclu
une
convention
préventive
de
la
double
1° que le bénéficiaire revêt une des formes
énumérées à l'annexe I, partie A, de la directive
du Conseil du 30 novembre 2011 (2011/96/UE)
concernant le régime fiscal commun applicable
aux sociétés mères et filiales d'Etats membres
différents, modifiée par la directive du Conseil du
8 juillet 2014 (2014/86/UE), étant entendu que,
s’agissant des sociétés de droit belge, visées au
point b, les références à la "société privée à
responsabilité limitée", aux "société coopérative
à responsabilité limitée" et "société coopérative
à responsabilité illimitée", et à la "société en
457
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 62/96
imposition ;
commandite simple" doivent s’entendre comme
visant
respectivement
la
"société
à
responsabilité limitée", la "société coopérative"
et la "société en commandite", ou une forme
analogue à celles énumérées dans ladite annexe
et qui est régie par le droit d'un autre Etat
membre de l'Espace économique européen ou au
droit d'un Etat avec lequel la Belgique a conclu
une
convention
préventive
de
la
double
imposition ;
Article 269, § 2, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 269, § 2, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 2. Par dérogation au § 1er, 1°, le taux du
précompte
mobilier
est
réduit
pour
les
dividendes, à l'exception des dividendes visés à
l'article 18, alinéa 1er, 2°ter et 3°, pour autant
que :
§ 2. Par dérogation au § 1er, 1°, le taux du
précompte
mobilier
est
réduit
pour
les
dividendes, à l'exception des dividendes visés à
l'article 18, alinéa 1er, 2°ter et 3°, pour autant
que :
1° la société qui distribue ces dividendes soit une
société qui, sur base des critères visés à l'article
15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés, est
considérée comme petite société pour l'exercice
d'imposition lié à la période imposable au cours
de laquelle l'apport en capital a lieu ;
1° la société qui distribue ces dividendes soit une
société qui, sur base des critères visés à l’article
1:24 §§ 1er à 6 du Code des sociétés et des
associations, est considérée comme petite
société pour l'exercice d'imposition lié à la
période imposable au cours de laquelle l'apport
en capital a lieu ;
(…)
(…)
7° ces dividendes soient alloués ou attribués lors
de la répartition bénéficiaire des deuxième
exercice comptable ou suivants après celui de
l'apport.
7° ces dividendes soient alloués ou attribués lors
de la répartition bénéficiaire des deuxième
exercice comptable ou suivants après celui de
l'apport.
Le précompte mobilier est de :
Le précompte mobilier est de :
1° 20 p.c. pour les dividendes alloués ou attribués
lors de la répartition bénéficiaire du deuxième
exercice comptable après celui de l'apport ;
1° 20 p.c. pour les dividendes alloués ou attribués
lors de la répartition bénéficiaire du deuxième
exercice comptable après celui de l'apport ;
2° 15 p.c. pour les dividendes alloués ou attribués
lors de la répartition bénéficiaire des troisième
exercice comptable et suivants après celui de
l'apport.
2° 15 p.c. pour les dividendes alloués ou attribués
lors de la répartition bénéficiaire des troisième
exercice comptable et suivants après celui de
l'apport.
458
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 63/96
Les sociétés sans capital social minimum sont
exclues du bénéfice de la disposition sauf si,
après l'apport en nouveau capital, le capital social
de cette société est au moins égal au capital
social minimum d'une SPRL, comme visé à
l'article 214, § 1er, du Code des sociétés.
(abrogé)
La transmission, en ligne directe ou entre
conjoints, des actions ou parts résultant d'une
succession ou d'une donation est considérée
comme n'ayant pas eu lieu en ce qui concerne
l'application de la condition de détention
ininterrompue visée à l'alinéa 1er, 6°.
La transmission, en ligne directe ou entre
conjoints, des actions ou parts résultant d'une
succession ou d'une donation est considérée
comme n'ayant pas eu lieu en ce qui concerne
l'application de la condition de détention
ininterrompue visée à l'alinéa 1er, 6°.
La transmission, en ligne directe ou entre
conjoints, des actions ou parts est considérée
également comme n'ayant pas eu lieu en ce qui
concerne l'application de la condition de pleine
propriété lorsque cette transmission résulte :
La transmission, en ligne directe ou entre
conjoints, des actions ou parts est considérée
également comme n'ayant pas eu lieu en ce qui
concerne l'application de la condition de pleine
propriété lorsque cette transmission résulte :
(…)
(…)
Les héritiers ou donataires se substituent au
contribuable dans les avantages et obligations de
la mesure.
Les héritiers ou donataires se substituent au
contribuable dans les avantages et obligations de
la mesure.
L'échange d'actions ou de parts en raison des
opérations visées à l'article 45 ou l'aliénation ou
l'acquisition d'actions ou de parts en raison
d'opérations en neutralité d'impôt visées aux
articles 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, 211, 214, § 1er,
et 231, §§ 2 et 3, sont censés ne pas avoir eu lieu
pour l'application de l'alinéa 1er, 6°.
L'échange d'actions ou de parts en raison des
opérations visées à l'article 45 ou l'aliénation ou
l'acquisition d'actions ou de parts en raison
d'opérations en neutralité d'impôt visées aux
articles 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, 211, 214, § 1er,
et 231, §§ 2 et 3, sont censés ne pas avoir eu lieu
pour l'application de l'alinéa 1er, 6°.
De même, les augmentations du capital social qui
sont réalisées après une réduction de ce capital
organisée à partir du 1er mai 2013, ne sont prises
en considération pour l'octroi du taux réduit que
dans la mesure de l'augmentation du capital
social qui dépasse la réduction, nonobstant
l'application de l'alinéa 3.
De même, les augmentations du capital qui sont
réalisées après une réduction de ce capital
organisée à partir du 1er mai 2013, ne sont prises
en considération pour l'octroi du taux réduit que
dans la mesure de l'augmentation du capital qui
dépasse la réduction.
Les sommes qui proviennent d'une réduction de
capital, organisée à partir du 1er mai 2013, d'une
société liée ou associée à une personne au sens
des articles 11 et 12 du Code des sociétés, et qui
sont investies par cette personne dans une
Les sommes qui proviennent d'une réduction de
capital, organisée à partir du 1er mai 2013, d'une
société liée ou associée à une personne au sens
des articles 1:20 et 1:21 du Code des sociétés et
des associations, et qui sont investies par cette
459
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 64/96
augmentation de capital d'une autre société ne
peuvent bénéficier du taux réduit précité.
personne dans une augmentation de capital
d'une autre société ne peuvent bénéficier du taux
réduit précité.
Par
"personne",
on
entend
aussi,
pour
l'application de l'alinéa précédent, son conjoint,
ses parents et ses enfants lorsque cette personne
ou son conjoint a la jouissance légale des revenus
de ceux-ci.
Par
"personne",
on
entend
aussi,
pour
l'application de l'alinéa précédent, son conjoint,
ses parents et ses enfants lorsque cette personne
ou son conjoint a la jouissance légale des revenus
de ceux-ci.
Si la société, qui a augmenté son capital social
dans le cadre de cette mesure, procède
ultérieurement à des réductions de ce capital
social, ces réductions seront prélevées en priorité
sur les capitaux nouveaux.
Si la société, qui a augmenté son capital social
dans le cadre de cette mesure, procède
ultérieurement à des réductions de ce capital, ces
réductions seront prélevées en priorité sur les
capitaux nouveaux.
Les sommes souscrites relatives à l'augmentation
du capital social doivent être entièrement
libérées et il ne peut être créé à cette occasion
d'actions ou parts préférentielles.
Les sommes souscrites relatives à l'augmentation
du capital doivent être entièrement libérées et il
ne peut être créé à cette occasion d'actions ou
parts préférentielles.
Article 275/3, § 1er, alinéa 8, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 275/3, § 1er, alinéa 8, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Le pourcentage de la limite visée au paragraphe
précédent sera toutefois doublé pour les sociétés
qui, sur la base de l’article 15, §§ 1er à 6, du Code
des sociétés, sont considérées comme petites
sociétés pour l’exercice d’imposition afférent à la
période imposable au cours de laquelle les
rémunérations sont payées.
Le pourcentage de la limite visée au paragraphe
précédent sera toutefois doublé pour les sociétés
qui, sur la base de l’article 1:24, §§ 1er à 6, du
Code des sociétés et des associations, sont
considérées
comme
petites
sociétés
pour
l’exercice d’imposition afférent à la période
imposable au cours de laquelle les rémunérations
sont payées.
Article 275/7, alinéas 2, a et 3, b, 2°, du Code des
impôts sur les revenus 1992
Article 275/7, alinéas 2, a et 3, b, 2°, du Code des
impôts sur les revenus 1992
Les dispositions du présent article s'appliquent :
Les dispositions du présent article s'appliquent :
a) pour autant qu'il s'agisse d'employeurs qui,
soit sont considérés comme petites sociétés sur
base de l'article 15, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés, soit sont des personnes physiques qui
répondent mutatis mutandis aux critères dudit
article 15 :
a) pour autant qu'il s'agisse d'employeurs qui,
soit sont considérés comme petites sociétés sur
base de l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés et des associations, soit sont des
personnes physiques qui répondent mutatis
mutandis aux critères dudit article 15 :
460
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 65/96
(…)
(…)
Le précompte professionnel qui ne doit pas être
versé est égal à :
Le précompte professionnel qui ne doit pas être
versé est égal à :
(…)
(…)
b) 1° 1 p.c. du montant brut des rémunérations
avant retenue des cotisations personnelles de
sécurité sociale pour les employeurs visés à
l'alinéa 2, b).
b) 1° 1 p.c. du montant brut des rémunérations
avant retenue des cotisations personnelles de
sécurité sociale pour les employeurs visés à
l'alinéa 2, b).
2° Lorsque ces employeurs soit répondent aux
critères énoncés à l'article 15, §§ 1er à 6 du Code
des sociétés, soit sont des personnes physiques
qui répondent mutatis mutandis aux critères
dudit article 15, §§ 1er à 6, ce pourcentage est
porté à 1,12 p.c.
2° Lorsque ces employeurs soit répondent aux
critères énoncés à l’article 1:24, §§ 1er à 6, du
Code des sociétés et des associations, soit sont
des personnes physiques qui répondent mutatis
mutandis aux critères dudit article 1:24, §§ 1er à
6, ce pourcentage est porté à 1,12 p.c.
Article 275/8, § 2, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 275/8, § 2, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 2. La dispense de versement du précompte
professionnel est applicable uniquement par un
employeur qui occupe pour au moins deux des
trois dernières périodes imposables clôturées
antérieures à la période imposable durant
laquelle le formulaire tel que visé au § 5 était
valablement remis une moyenne annuelle de
personnel de moins de 250 personnes en
équivalents temps plein et dont :
§ 2. La dispense de versement du précompte
professionnel est applicable uniquement par un
employeur qui occupe pour au moins deux des
trois dernières périodes imposables clôturées
antérieures à la période imposable durant
laquelle le formulaire tel que visé au § 5 était
valablement remis une moyenne annuelle de
personnel de moins de 250 personnes en
équivalents temps plein et dont :
- le chiffre d'affaires annuel hors taxe sur la
valeur ajoutée n'excède pas le montant de 50
millions d'EUR, ou
- le chiffre d'affaires annuel hors taxe sur la
valeur ajoutée n'excède pas le montant de 50
millions d'EUR, ou
- le total bilan annuel n'excède pas le montant de
43 millions d'EUR.
- le total bilan annuel n'excède pas le montant de
43 millions d'EUR.
Sauf si l'employeur est une société, les
dispositions de l'article 15, §§ 3 à 5, du Code des
sociétés sont applicables pour l'examen du
respect des critères visés à l'alinéa 1er.
Sauf si l'employeur est une société, les
dispositions de l’article 1:24, §§ 3er à 5, du Code
des sociétés et des associations sont applicables
pour l'examen du respect des critères visés à
l'alinéa 1er.
Si l'employeur, ou la société visé à l'alinéa 1er est
liée au sens de l'article 11, du Code des sociétés,
Si l'employeur, ou la société visé à l'alinéa 1er est
liée au sens de l’article 1 :20 du Code des
461
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 66/96
les critères en matière de chiffre d'affaires et de
total du bilan sont calculés sur une base
consolidée. Quant au personnel occupé, le
nombre de travailleurs occupés en moyenne
annuelle par chacune des sociétés liées est
additionné.
sociétés et des associations, les critères en
matière de chiffre d'affaires et de total du bilan
sont calculés sur une base consolidée. Quant au
personnel occupé, le nombre de travailleurs
occupés en moyenne annuelle par chacune des
sociétés liées est additionné.
Le chiffre d'affaires, le total du bilan et la
moyenne annuelle du personnel visés à l'alinéa
1er sont augmentés du chiffre d'affaires, du total
du bilan et de la moyenne annuelle du personnel
de chaque entreprise partenaire, à concurrence
du pourcentage le plus élevé des deux
pourcentages suivants :
Le chiffre d'affaires, le total du bilan et la
moyenne annuelle du personnel visés à l'alinéa
1er sont augmentés du chiffre d'affaires, du total
du bilan et de la moyenne annuelle du personnel
de chaque entreprise partenaire, à concurrence
du pourcentage le plus élevé des deux
pourcentages suivants :
- qui a une participation de 25 p.c. ou plus du
capital ou des droits de vote de, respectivement
cet employeur, ou cette société, ou;
- qui a une participation de 25 p.c. ou plus du
capital ou des droits de vote de, respectivement
cet employeur, ou cette société, ou;
- dont au moins 25 p.c. du capital ou des droits de
vote sont détenus par, respectivement, cet
employeur, ou cette société.
- dont au moins 25 p.c. du capital ou des droits de
vote sont détenus par, respectivement, cet
employeur, ou cette société.
Les sociétés publiques de participation, sociétés
de capital à risque, business angels, universités,
centres de recherche à but non lucratif,
investisseurs
institutionnels,
fonds
de
développement régional et autorités autonomes
locales, tels que visés à l'article 3, alinéa 2, de
l'annexe I, du règlement (UE) 651/2014 de la
Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines
catégories d'aides compatibles avec le marché
intérieur en application des articles 107 et 108 du
traité, ne sont, par dérogation à l'alinéa 5, pas
considérées comme une entreprise partenaire
pour l'application de l'alinéa 4.
Les sociétés publiques de participation, sociétés
de capital à risque, business angels, universités,
centres de recherche à but non lucratif,
investisseurs
institutionnels,
fonds
de
développement régional et autorités autonomes
locales, tels que visés à l'article 3, alinéa 2, de
l'annexe I, du règlement (UE) 651/2014 de la
Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines
catégories d'aides compatibles avec le marché
intérieur en application des articles 107 et 108 du
traité, ne sont, par dérogation à l'alinéa 5, pas
considérées comme une entreprise partenaire
pour l'application de l'alinéa 4.
En outre, la dispense de versement du précompte
professionnel est applicable uniquement à un
employeur dont le contrôle sur le capital ou les
droits de vote est exercé au moment de la remise
du formulaire tel que visé au § 5 directement ou
indirectement à titre individuel ou conjointement
pour moins de 25 p.c. par un ou plusieurs
pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 2 de la loi
de 15 juin 2006 relative aux marchés publics et à
En outre, la dispense de versement du précompte
professionnel est applicable uniquement à un
employeur dont le contrôle sur le capital ou les
droits de vote est exercé au moment de la remise
du formulaire tel que visé au § 5 directement ou
indirectement à titre individuel ou conjointement
pour moins de 25 p.c. par un ou plusieurs
pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 2 de la loi
de 15 juin 2006 relative aux marchés publics et à
462
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 67/96
certains marchés de travaux, de fournitures et de
services.
certains marchés de travaux, de fournitures et de
services.
En outre, dispense de versement du précompte
professionnel visée dans le présent article est
applicable uniquement si le contrôle sur le capital
ou sur les droits de vote de l'employeur, ou le cas
échéant
de
la
société
ayant
effectué
l'investissement visée au paragraphe 1er, alinéa
4, est exercé au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5 directement ou
indirectement à titre individuel ou conjointement
pour moins de 25 p.c. par un ou plusieurs
pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 2 de la loi
de 15 juin 2006 relative aux marchés publics et à
certains marchés de travaux, de fournitures et de
services. Les cas visés à l'alinéa 6 ne sont pas
considérés comme pouvoirs adjudicateurs pour
l'application du présent alinéa.
En outre, dispense de versement du précompte
professionnel visée dans le présent article est
applicable uniquement si le contrôle sur le capital
ou sur les droits de vote de l'employeur, ou le cas
échéant
de
la
société
ayant
effectué
l'investissement visée au paragraphe 1er, alinéa
4, est exercé au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5 directement ou
indirectement à titre individuel ou conjointement
pour moins de 25 p.c. par un ou plusieurs
pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 2 de la loi
de 15 juin 2006 relative aux marchés publics et à
certains marchés de travaux, de fournitures et de
services. Les cas visés à l'alinéa 6 ne sont pas
considérés comme pouvoirs adjudicateurs pour
l'application du présent alinéa.
La dispense de versement du précompte
professionnel ne peut pas être appliquée par un
employeur :
La dispense de versement du précompte
professionnel ne peut pas être appliquée par un
employeur :
- pour lequel, au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5, ou une demande
de faillite est introduite ou dont à ce moment la
gestion de tout ou partie de l'actif lui est retirée
comme cela est prévu aux articles 7 et 8 de la loi
sur les faillites;
- pour lequel, au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5, ou une demande
de faillite est introduite ou dont à ce moment la
gestion de tout ou partie de l'actif lui est retirée
comme cela est prévu aux articles 7 et 8 de la loi
sur les faillites;
- pour lequel, au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5, une procédure de
réorganisation judiciaire est entamée comme cela
est prévu à l'article 23 de la loi relative à la
continuité des entreprises;
- pour lequel, au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5, une procédure de
réorganisation judiciaire est entamée comme cela
est prévu à l'article 23 de la loi relative à la
continuité des entreprises;
- qui est, au moment de la remise du formulaire
tel que visé au § 5, une société dissoute et se
trouve en liquidation;
- qui est, au moment de la remise du formulaire
tel que visé au § 5, une société dissoute et se
trouve en liquidation;
- dont, au moment de la remise du formulaire tel
que visé au § 5, à la suite de pertes, l'actif net est
réduit à un montant inférieur à la moitié de la
part fixe du capital social;
- dont, au moment de la remise du formulaire tel
que visé au § 5, à la suite de pertes, l'actif net est
réduit à un montant inférieur à la moitié de la
part fixe du capital;
- qui, au moment de la remise du formulaire tel
- qui, au moment de la remise du formulaire tel
463
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 68/96
que visé au § 5, a reçu des aides qui ont été
considérées
comme
compatibles
par
la
Commission
européenne
avec
des
lignes
directrices concernant les aides d'Etat au
sauvetage et à la restructuration d'entreprises en
difficulté autres que les établissements financiers
du 31 juillet 2014 (JO C 249) ou avec l'article 107,
alinéa 3, b, du Traité sur le fonctionnement de
l'Union européenne et qui en cas d'aide au
sauvetage n’a pas encore remboursé le prêt ou
mis fin à la garantie ou en cas d’aide à la
restructuration est toujours soumis au plan de
restructuration.
que visé au § 5, a reçu des aides qui ont été
considérées
comme
compatibles
par
la
Commission
européenne
avec
des
lignes
directrices concernant les aides d'Etat au
sauvetage et à la restructuration d'entreprises en
difficulté autres que les établissements financiers
du 31 juillet 2014 (JO C 249) ou avec l'article 107,
alinéa 3, b, du Traité sur le fonctionnement de
l'Union européenne et qui en cas d'aide au
sauvetage n’a pas encore remboursé le prêt ou
mis fin à la garantie ou en cas d’aide à la
restructuration est toujours soumis au plan de
restructuration.
Article 275/8, § 3, alinéa 3, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 275/8, § 3, alinéa 3, du Code des impôts
sur les revenus 1992
L'employeur-tiers et l'entreprise visés à l'alinéa
précédent ne peuvent pas être liés ou associés,
dans le sens visé aux articles 11 et 12 du Code des
sociétés,
avec
l'employeur
qui
opère
l'investissement.
L'employeur-tiers et l'entreprise visés à l'alinéa
précédent ne peuvent pas être liés ou associés,
dans le sens visé aux articles 1:20 et 1:21 du
Code des sociétés et des associations, avec
l'employeur qui opère l'investissement.
Article 275/9, § 1er, alinéa 7, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 275/9, § 1er, alinéa 7, du Code des impôts
sur les revenus 1992
Pour l’application de l'alinéa 6, chaque société
liée à l’employeur, au sens de l’article 11 du Code
des sociétés est assimilée à cet employeur.
Pour l’application de l'alinéa 6, chaque société
liée à l’employeur, au sens de l’article 11 du Code
des sociétés et des associations est assimilée à
cet employeur.
Article 275/10, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 275/10, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Les employeurs définis à l'alinéa 2, qui paient ou
attribuent des rémunérations à des travailleurs et
qui sont redevables du précompte professionnel
sur ces rémunérations en vertu de l'article 270,
1°, sont dispensés de verser 10 p.c. de ce
précompte professionnel au Trésor, à condition
de retenir la totalité dudit précompte sur ces
Les employeurs définis à l'alinéa 2, qui paient ou
attribuent des rémunérations à des travailleurs et
qui sont redevables du précompte professionnel
sur ces rémunérations en vertu de l'article 270,
1°, sont dispensés de verser 10 p.c. de ce
précompte professionnel au Trésor, à condition
de retenir la totalité dudit précompte sur ces
464
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 69/96
rémunérations.
rémunérations.
Le présent article s'applique aux employeurs qui
remplissent simultanément toutes les conditions
suivantes :
Le présent article s'applique aux employeurs qui
remplissent simultanément toutes les conditions
suivantes :
1° l'employeur entre dans le champ d'application
de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions
collectives
de
travail
et
les
commissions
paritaires;
1° l'employeur entre dans le champ d'application
de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions
collectives
de
travail
et
les
commissions
paritaires;
2° l'employeur est considéré comme une petite
société au sens de l'article 15, §§ 1er à 6, du Code
des sociétés ou est une personne physique qui
satisfait mutatis mutandis aux critères dudit
article 15, §§ 1er à 6;
2° l'employeur est considéré comme une petite
société au sens de l’article 1:24, §§ 1er à 6, du
Code des sociétés et des associations ou est une
personne physique qui satisfait mutatis mutandis
aux critères dudit article 1 :24, §§ 1er à 6;
3° l'employeur est enregistré à la Banque-
Carrefour des Entreprises depuis 48 mois au plus
; le délai de 48 mois débute le premier jour du
mois qui suit cet enregistrement.
3° l'employeur est enregistré à la Banque-
Carrefour des Entreprises depuis 48 mois au plus
; le délai de 48 mois débute le premier jour du
mois qui suit cet enregistrement.
Lorsque, l'employeur continue une activité
exercée auparavant par une personne physique
ou une autre personne morale, le délai de 48
mois visé à l'alinéa 2, 3°, débute le premier jour
du mois qui suit la première inscription à la
Banque-Carrefour des Entreprises par cette
personne physique ou morale.
Lorsque, l'employeur continue une activité
exercée auparavant par une personne physique
ou une autre personne morale, le délai de 48
mois visé à l'alinéa 2, 3°, débute le premier jour
du mois qui suit la première inscription à la
Banque-Carrefour des Entreprises par cette
personne physique ou morale.
Le pourcentage prévu à l'alinéa 1er est porté à 20
p.c. lorsqu'à la fin de la période imposable
l'employeur est une microsociété au sens de
l'article 15/1 du Code des sociétés ou une
personne physique qui répond par analogie aux
critères de l'article 15/1 précité.
Le pourcentage prévu à l'alinéa 1er est porté à 20
p.c. lorsqu'à la fin de la période imposable
l'employeur est une microsociété au sens de
l'article 1 :25 du Code des sociétés et des
associations ou une personne physique qui
répond par analogie aux critères de l'article 1 :25
précité.
Article 305, alinéa 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 305, alinéa 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Pour les sociétés dissoutes sans liquidation dans
le cadre d'une fusion, d'une opération assimilée à
une fusion ou d'une scission visées aux articles
671 à 677 du Code des sociétés, ou d'une
opération de droit des sociétés similaire en droit
Pour les sociétés dissoutes sans liquidation dans
le cadre d'une fusion, d'une opération assimilée à
une fusion ou d'une scission, ou ayant fait l’objet
d’une autre dissolution sans partage total de
l’avoir social, l'obligation de déclarer incombe
465
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 70/96
étranger, l'obligation de déclarer incombe selon
le cas à la société absorbante ou aux sociétés
bénéficiaires. Pour les autres sociétés dissoutes,
cette obligation incombe aux liquidateurs.
selon le cas à la société absorbante ou aux
sociétés bénéficiaires. Pour les autres sociétés
dissoutes,
cette
obligation
incombe
aux
liquidateurs.
Article 307, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 307, du Code des impôts sur les revenus
1992
§ 1er. La déclaration est faite sur une formule
dont le modèle est fixé par le Roi et qui est
délivrée par le service désigné par le Roi.
§ 1er. La déclaration est faite sur une formule
dont le modèle est fixé par le Roi et qui est
délivrée par le service désigné par le Roi.
(…)
(…)
§ 2. La formule est remplie conformément aux
indications qui y figurent, certifiée exacte, datée
et signée.
§ 2. La formule est remplie conformément aux
indications qui y figurent, certifiée exacte, datée
et signée.
Lorsque le contribuable introduit sa formule de
déclaration, lors d'une visite au bureau ou à un
endroit déterminé à cette fin par l'administration
compétente du Service public fédéral Finances,
avec l'assistance d'un fonctionnaire de cette
administration, il doit apposer la certification
exacte, la date et la signature visées à l'alinéa 1er
sur un des deux exemplaires réalisés par le
fonctionnaire, après qu'il a introduit les revenus
et les autres données déclarés par le contribuable
dans les fichiers informatiques de l'administration
via tax-on-web. L'exemplaire ainsi certifié exact,
daté et signé est soit remis au fonctionnaire
précité, soit envoyé au service qui figure sur la
formule de déclaration précitée. Le deuxième
exemplaire de l'imprimé des données est une
copie pour le contribuable.
Lorsque le contribuable introduit sa formule de
déclaration, lors d'une visite au bureau ou à un
endroit déterminé à cette fin par l'administration
compétente du Service public fédéral Finances,
avec l'assistance d'un fonctionnaire de cette
administration, il doit apposer la certification
exacte, la date et la signature visées à l'alinéa 1er
sur un des deux exemplaires réalisés par le
fonctionnaire, après qu'il a introduit les revenus
et les autres données déclarés par le contribuable
dans les fichiers informatiques de l'administration
via tax-on-web. L'exemplaire ainsi certifié exact,
daté et signé est soit remis au fonctionnaire
précité, soit envoyé au service qui figure sur la
formule de déclaration précitée. Le deuxième
exemplaire de l'imprimé des données est une
copie pour le contribuable.
"§ 2/1. La déclaration à l’impôt des sociétés et,
pour les contribuables visés à l'article 227, 2° à
l’impôt des non-résidents, doit inclure en
annexe à la formule les comptes annuels visés à
l’article 320/1. Si la société est tenue de publier
de tels comptes annuels, les comptes annuels
publiés ne doivent pas être joints à la
déclaration. Ils font néanmoins partie intégrante
de la déclaration.
466
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 71/96
§ 3. Les documents, relevés ou renseignements
dont la production est prévue par la formule font
partie intégrante de la déclaration et doivent y
être joints.
§ 3. Les documents, relevés ou renseignements
dont la production est prévue par la formule font
partie intégrante de la déclaration et doivent y
être joints.
Article 310, alinéa 2, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 310, alinéa 2, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Pour les sociétés dissoutes sans liquidation suite
à une fusion, une opération assimilée à une
fusion ou à une scission visées aux articles 671 à
677 du Code des sociétés, ou d'une opération de
droit des sociétés similaire en droit étranger, ce
délai ne peut être inférieur à un mois à compter
de la date de l'approbation de cette opération
par les assemblées générales de toutes les
sociétés ayant décidé la fusion, l'opération
assimilée à une fusion ou la scission visées aux
articles 671 à 677 du Code des sociétés, ou
l'opération de droit des sociétés similaire en droit
étranger ou la scission, ni être supérieur à six
mois à compter de la date de cette opération.
Pour les sociétés dissoutes sans liquidation suite
à une fusion, une opération assimilée à une
fusion ou à une scission, ou ayant fait l’objet
d’une autre dissolution sans partage total de
l’avoir social, ce délai ne peut être inférieur à un
mois à compter de la date de l'approbation de
cette opération par les assemblées générales de
toutes les sociétés ayant décidé l'opération ni
être supérieur à six mois à compter de la date de
cette opération.
…
Article 320/1, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Art. 320/1. Toute société résidente, ainsi que
tout contribuable visé à l'article 227, 2°, qui
recueille des bénéfices au sens de l'article 228,
§ 2, 3°, par le biais d’un établissement belge visé
à l'article 229 est tenu, en vue de la
détermination et de la vérification de sa
situation fiscale, de tenir une comptabilité,
procéder à un inventaire et établir des comptes
annuels conformément au droit comptable
belge applicable aux entreprises soumises à ce
droit ayant une forme analogue et exerçant la
même activité. Si le contribuable est assujetti à
l’impôt des non-résidents, ces obligations sont
limitées aux opérations, avoirs, droits, dettes,
obligations et engagements de toute nature, liés
à
l’établissement
belge
précité.
Pour
l’application de ces dispositions, la société
467
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 72/96
résidente régie par un droit étranger est
assimilée à une société en commandite si l’un au
moins de ses associés est tenu des dettes
sociales dans une mesure au moins égale à un
associé commandité.
Le Roi peut prévoir des dispenses de tout ou
partie des obligations comptables visées à
l'alinéa 1er, dans la mesure où celles-ci ne sont
pas
nécessaires
pour
le
contrôle
et
la
détermination de la base imposable.
Article 357, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 357, du Code des impôts sur les revenus
1992
(…)
(…)
3° selon le cas, les sociétés absorbantes ou les
sociétés bénéficiaires ;
3° selon le cas, la société qui a procédé à une
fusion, scission, opération assimilée à la fusion
ou autre dissolution sans partage total de l’avoir
social, et la société absorbante ou bénéficiaire
ou les sociétés bénéficiaires de l’opération ;
4° les membres de la famille, de la société, de
l'association ou de la communauté dont le chef
ou le directeur a été primitivement imposé et
réciproquement.
4° les membres de la famille, de la société, de
l'association ou de la communauté dont le chef,
le directeur, les actionnaires ou les associés ont
été primitivement imposés et réciproquement.
(…)
(…)
Article 364, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 364, du Code des impôts sur les revenus
1992
Dans les sociétés civiles et les associations sans
personnalité juridique, l'ensemble des bénéfices
ou des profits est considéré comme attribué aux
associés ou membres à la date de clôture des
comptes annuels auxquels il se rapporte ou au 31
décembre de l'année, à défaut de comptabilité ;
la part des bénéfices ou profits non distribués,
considérée comme attribuée à chaque membre,
est déterminée conformément aux stipulations
du contrat ou de la convention d'association ou, à
défaut, par part virile.
Dans les sociétés et les associations sans
personnalité juridique visées à l’article 29,
l'ensemble des bénéfices ou des profits est
considéré comme attribué aux associés ou
membres à la date de clôture des comptes
annuels auxquels il se rapporte ou au 31
décembre de l'année, à défaut de comptabilité ;
la part des bénéfices ou profits non distribués,
considérée comme attribuée à chaque membre,
est déterminée conformément aux stipulations
du contrat ou de la convention d'association ou, à
468
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 73/96
défaut, par part virile.
Article 365, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 365, du Code des impôts sur les revenus
1992
Dans l'éventualité où une société est absorbée ou
scindée dans le cadre d'une fusion, d'une
opération assimilée à une fusion ou d'une
scission visées aux articles 671 à 677 du Code des
sociétés, ou d'une opération de droit des sociétés
similaire en droit étranger, l'imposition relative
aux revenus imposables recueillis par la société
absorbée ou scindée jusque et y compris
l'opération précitée, est établie dans les délais
prévus dans le présent chapitre dans le chef de la
société absorbante ou des sociétés bénéficiaires,
même à un moment où la société absorbée ou
scindée n’existe plus en tant que personne
morale.
Dans l'éventualité où une société est absorbée ou
scindée dans le cadre d'une fusion, d'une
opération assimilée à une fusion ou d'une
scission, ou a fait l’objet d’une autre dissolution
sans partage total de l’avoir social, l'imposition
relative aux revenus imposables recueillis par la
société ayant fait l’objet de l’opération jusque et
y compris l'opération précitée, peut aussi être
établie dans les délais prévus dans le présent
chapitre dans le chef de la société absorbante ou
bénéficiaire ou des sociétés bénéficiaires, à partir
du moment où la société ayant fait l’objet de
l’opération n’existe plus en tant que personne
morale.
Article 399, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 399, du Code des impôts sur les revenus
1992
Le recouvrement de l'impôt établi à charge des
associés ou membres de sociétés civiles et
associations sans personnalité juridique, peut
être poursuivi directement à charge de la société
ou association, dans la mesure où cet impôt
correspond proportionnellement à la part de ces
associés ou membres dans les bénéfices ou
profits non distribués de ces sociétés ou
associations.
Le recouvrement de l'impôt établi à charge des
associés ou membres de sociétés et associations
sans personnalité juridique visées à l’article 29,
peut être poursuivi directement à charge de la
société ou association, dans la mesure où cet
impôt correspond proportionnellement à la part
de ces associés ou membres dans les bénéfices
ou profits non distribués de ces sociétés ou
associations.
Article 399ter, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 399ter, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Le recouvrement de l'impôt d'une société scindée
en application des articles 673 à 675 du Code des
sociétés, ou d'une opération de droit des sociétés
similaire en droit étranger, établi dans le chef des
sociétés
bénéficiaires,
est,
sauf
mentions
contraires dans l'acte constatant l'opération,
Art. 339ter. Le recouvrement de l'impôt d'une
société ayant fait l’objet d’une fusion, d’une
scission, d’une opération assimilée à la fusion ou
d’une autre dissolution sans qu’il y ait partage
total de l’avoir social et établi selon le cas, dans
le chef de la société qui a fait l’objet de
469
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 74/96
effectué dans le chef des différentes sociétés
bénéficiaires au prorata de la valeur réelle de
l'actif net qu'elles ont chacune reçu.
l’opération, de la société absorbante ou
bénéficiaire, ou des sociétés bénéficiaires, est
effectué aussi, selon le cas, dans le chef de la
société absorbante bénéficiaire ou des sociétés
bénéficiaires et, dans ce dernier cas, sauf
mentions contraires dans l'acte constatant
l'opération, dans le chef des différentes sociétés
bénéficiaires au prorata de la valeur réelle de
l'actif net qu'elles ont chacune reçu.
Article 399quater, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Art. 399quater. Le recouvrement de l’impôt
établi à charge des sociétés visées à l’article 2,
§ 1er, 5°, a, alinéa 1er, deuxième tiret, peut être
poursuivi directement à charge des actionnaires
ou associés, dans la mesure où cet impôt
correspond proportionnellement à la part de ces
actionnaires ou associés dans le capital.
Article 402, § 5, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 402, § 5, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 5. La responsabilité solidaire visée au présent
article s'étend également aux dettes fiscales des
associés d'une société momentanée, d'une
société interne ou d'une société de droit
commun, qui agit comme entrepreneur ou sous-
traitant.
§ 5. La responsabilité solidaire visée au présent
article s'étend également aux dettes fiscales des
associés d'une société simple, qui agit comme
entrepreneur ou sous-traitant.
Article 405, du Code des impôts sur les revenus
1992
Article 405, du Code des impôts sur les revenus
1992
Les associés d'une société momentanée, d'une
société interne ou d'une société de droit commun
sont solidairement responsables entre eux pour
le paiement des sommes dont la société
momentanée, la société interne ou la société de
droit commun est redevable en exécution des
articles 402 à 404.
Les associés d'une société de droit commun sont
solidairement responsables entre eux pour le
paiement des sommes dont la société simple est
redevable en exécution des articles 402 à 404.
470
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 75/96
Article 413/1, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Article 413/1, du Code des impôts sur les
revenus 1992
§ 1. Le choix entre le paiement immédiat et le
paiement étalé, visé au paragraphe 2, s’applique
uniquement à la quotité restant due de l’impôt
sur les revenus établie sur base des revenus
suivants:
§ 1. Le choix entre le paiement immédiat et le
paiement étalé, visé au paragraphe 2, s’applique
uniquement à la quotité restant due de l’impôt
sur les revenus établie sur base des revenus
suivants:
1° les plus-values de cessation visées à l’article
28, alinéa 1er, 1°, et à l’article 228, § 2, 5°, pour
autant qu’elles répondent aux conditions prévues
à l’article 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, et alinéa 2, et
que les biens apportés restent affectés au siège
social d’une société intra-européenne ou dans un
établissement étranger d’une société intra-
européenne établi dans un autre État membre de
l’Union européenne ou un autre État membre de
l’Espace économique européen ayant avec la
Belgique une convention applicable prévoyant
une assistance mutuelle au recouvrement;
1° les plus-values de cessation visées à l’article
28, alinéa 1er, 1°, et à l’article 228, § 2, 5°, pour
autant qu’elles répondent aux conditions prévues
à l’article 46, § 1er, alinéa 1er, 2°, et alinéa 2, et
que les biens apportés restent affectés dans
l’Etat du domicile fiscal d’une société intra-
européenne ou dans un établissement étranger
d’une société intra-européenne établi dans un
autre État membre de l’Union européenne ou un
autre État membre de l’Espace économique
européen ayant avec la Belgique une convention
applicable prévoyant une assistance mutuelle au
recouvrement;
2° la partie de l’avoir social qui est considérée
comme un dividende distribué suite au transfert
du siège social, du principal établissement ou du
siège de direction ou d’administration, tel que
visé à l’article 210, § 1er, 4°, vers un autre État
membre de l’Union européenne ou un autre État
membre de l’Espace économique européen ayant
avec la Belgique une convention applicable
prévoyant
une
assistance
mutuelle
au
recouvrement et dans la mesure où ce dividende
résulte de plus-values sur les éléments transférés
suite à l’opération qui sont affectés et maintenus
au siège social, au principal établissement ou au
siège de direction ou d’administration de la
société ou dans un établissement étranger qui est
établi dans un autre État membre de l’Union
européenne ou un autre État membre de l’Espace
économique européen ayant avec la Belgique une
convention applicable prévoyant une assistance
mutuelle au recouvrement;
2° la partie de l’avoir social qui est considérée
comme un dividende distribué suite au transfert
du principal établissement ou du siège de
direction ou d’administration, tel que visé à
l’article 210, § 1er, 4°, vers un autre État membre
de l’Union européenne ou un autre État membre
de l’Espace économique européen ayant avec la
Belgique une convention applicable prévoyant
une assistance mutuelle au recouvrement et dans
la mesure où ce dividende résulte de plus-values
sur les éléments transférés suite à l’opération qui
sont affectés et maintenus au domicile fiscal de
la société ou dans un établissement étranger de
cette société qui sont établis qui est établi dans
un autre État membre de l’Union européenne ou
un autre État membre de l’Espace économique
européen ayant avec la Belgique une convention
applicable prévoyant une assistance mutuelle au
recouvrement;
471
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 76/96
3° la partie de l’avoir social qui est considérée
comme un dividende distribué suite à une fusion,
une scission, une opération assimilée à une
fusion par absorption ou une opération assimilée
à la scission, à laquelle s’appliquent les
dispositions de l’article 211 et dans la mesure où
ce dividende résulte de plus-values sur les
éléments transférés suite à l’opération qui sont
affectés et maintenus au siège social d’une
société ou dans un établissement étranger qui
sont établis dans un autre État membre de
l’Union européenne ou un autre État membre de
l’Espace économique européen ayant avec la
Belgique une convention applicable prévoyant
une assistance mutuelle au recouvrement;
3° la partie de l’avoir social qui est considérée
comme un dividende distribué suite à une fusion,
une scission, une opération assimilée à une
fusion par absorption ou une opération assimilée
à la scission, à laquelle s’appliquent les
dispositions de l’article 211 et dans la mesure où
ce dividende résulte de plus-values sur les
éléments transférés suite à l’opération qui sont
affectés et maintenus au domicile fiscal d’une
société ou dans un établissement étranger de
cette société qui sont établis dans un autre État
membre de l’Union européenne ou un autre État
membre de l’Espace économique européen ayant
avec la Belgique une convention applicable
prévoyant
une
assistance
mutuelle
au
recouvrement;
4° la plus-value visée à l’article 228, § 2, 3°,
constatée
ou
réalisée
à
l’occasion
d’une
opération visée à la phrase introductive de
l’article 231, § 2, alinéa 1er, par un établissement
belge visé à l’article 229, dans la mesure où il
s’agit d’une plus-value sur les éléments transférés
suite à l’opération qui sont affectés et maintenus
au siège social d’une société ou dans un
établissement étranger qui sont établis dans un
autre État membre de l’Union européenne ou un
autre État membre de l’Espace économique
européen ayant avec la Belgique une convention
applicable prévoyant une assistance mutuelle au
recouvrement;
4° la plus-value visée à l’article 228, § 2, 3°,
constatée
ou
réalisée
à
l’occasion
d’une
opération visée à la phrase introductive de
l’article 231, § 2, alinéa 1er, par un établissement
belge visé à l’article 229, dans la mesure où il
s’agit d’une plus-value sur les éléments transférés
suite à l’opération qui sont affectés et maintenus
au domicile fiscal d’une société ou dans un
établissement étranger de cette société qui sont
établis dans un autre État membre de l’Union
européenne ou un autre État membre de l’Espace
économique européen ayant avec la Belgique une
convention applicable prévoyant une assistance
mutuelle au recouvrement;
5° la plus-value visée à l’article 228, § 2, 3°bis,
réalisée par un établissement belge visé à l’article
229, déterminée à l’occasion du prélèvement
d’éléments au profit du siège social d’une société
ou d’un établissement étranger de cette société
qui sont établis dans un autre État membre de
l’Union européenne ou un autre État membre de
l’Espace économique européen ayant avec la
Belgique une convention applicable prévoyant
une assistance mutuelle au recouvrement.
5° la plus-value visée à l’article 228, § 2, 3°bis,
réalisée par un établissement belge visé à l’article
229, déterminée à l’occasion du prélèvement
d’éléments au profit du domicile fiscal d’une
société ou d’un établissement étranger de cette
société qui sont établis dans un autre État
membre de l’Union européenne ou un autre État
membre de l’Espace économique européen ayant
avec la Belgique une convention applicable
prévoyant
une
assistance
mutuelle
au
recouvrement.
6° la partie de l’avoir social qui est considérée
comme un dividende distribué par application
472
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 77/96
de l’article 210/1 dans le cas où la société cesse
d’être assujettie à l’impôt des sociétés pour
devenir assujettie à l’impôt des personnes
morales .
(…)
(…)
§ 2. La quotité restant due de l’impôt sur les
revenus établie sur la base des revenus visés au
paragraphe 1er doit être payée dans un délai de
deux mois à partir de l’envoi de l’avertissement-
extrait de rôle:
§ 2. La quotité restant due de l’impôt sur les
revenus établie sur la base des revenus visés au
paragraphe 1er doit être payée dans un délai de
deux mois à partir de l’envoi de l’avertissement-
extrait de rôle:
(…)
(…)
§ 3. Le solde de la quotité restant due de l’impôt
visé au paragraphe 2, doit être payé en totalité au
plus tard le dernier jour du mois suivant celui au
cours duquel se produit l’un des cas suivants:
§ 3. Le solde de la quotité restant due de l’impôt
visé au paragraphe 2, doit être payé en totalité au
plus tard le dernier jour du mois suivant celui au
cours duquel se produit l’un des cas suivants:
1° le transfert du siège social, du principal
établissement ou du siège de direction ou
d’administration du contribuable vers un État
étranger autre qu’un État membre de l’Union
européenne ou qu’un État membre de l’Espace
économique européen ayant avec la Belgique une
convention applicable prévoyant une assistance
mutuelle au recouvrement;
1° le transfert du domicile fiscal du contribuable
vers un État étranger autre qu’un État membre
de l’Union européenne ou qu’un État membre de
l’Espace économique européen ayant avec la
Belgique une convention applicable prévoyant
une assistance mutuelle au recouvrement;
2° la cession totale ou partielle des actifs;
2° la cession totale ou partielle des actifs;
3° le transfert total ou partiel des actifs vers un
État étranger autre qu’un État membre de
l’Union européenne ou qu’un État membre de
l’Espace économique européen ayant avec la
Belgique une convention applicable prévoyant
une assistance mutuelle au recouvrement;
3° le transfert total ou partiel des actifs vers un
État étranger autre qu’un État membre de
l’Union européenne ou qu’un État membre de
l’Espace économique européen ayant avec la
Belgique une convention applicable prévoyant
une assistance mutuelle au recouvrement;
4° la dissolution de la société à l’exclusion de celle
sans liquidation dans le cadre d’une opération
régie par le droit étranger similaire à une fusion,
ou à une opération assimilée à une fusion ou à
une scission, visées aux articles 671 à 677 du
Code des sociétés, sauf si de l’opération résulte
un transfert visé au point 3°;
4° la dissolution du contribuable à l’exclusion de
celle sans liquidation dans le cadre d’une
opération régie par le droit étranger similaire à
une fusion, ou à une fusion, scission ou
opération assimilée à une fusion ou scission,
sauf si de l’opération résulte un transfert visé au
point 3°;
(…)
(…)
473
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 78/96
§ 5. Le conseiller général de l’administration en
charge de la perception et du recouvrement des
impôts sur les revenus peut, à tout moment, par
décision motivée, et ce sur base du risque réel de
non-recouvrement, assortir le choix du paiement
étalé visé au paragraphe 2, 2°, d’une garantie
réelle ou d’une caution personnelle.
§ 5. Le conseiller général de l’administration en
charge de la perception et du recouvrement des
impôts sur les revenus peut, à tout moment, par
décision motivée, et ce sur base du risque réel de
non-recouvrement, assortir le choix du paiement
étalé visé au paragraphe 2, 2°, d’une garantie
réelle ou d’une caution personnelle.
Dans le mois de la notification de la décision visée
à l’alinéa 1er, le redevable peut introduire un
recours devant le juge des saisies du lieu du
bureau du receveur chargé du recouvrement de
tout ou partie de la quotité restant due pour
laquelle la garantie est exigée.
Dans le mois de la notification de la décision visée
à l’alinéa 1er, le redevable peut introduire un
recours devant le juge des saisies du lieu du
bureau du receveur chargé du recouvrement de
tout ou partie de la quotité restant due pour
laquelle la garantie est exigée.
La procédure est poursuivie selon les formes du
référé.
La procédure est poursuivie selon les formes du
référé.
§ 4. Ne sont pas soumises aux dispositions du
présent article les cessions réalisées par un
curateur, un mandataire de justice chargé
d’organiser et de réaliser un transfert sous
autorité de justice conformément à l’article 60 de
la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité
des entreprises ou dans le cadre d'une opération
de fusion, de scission, d'apport d'une universalité
de biens ou d'une branche d'activité réalisée
conformément aux dispositions du Code des
sociétés.
§ 4. Ne sont pas soumises aux dispositions du
présent article les cessions réalisées par un
curateur, un mandataire de justice chargé
d’organiser et de réaliser un transfert sous
autorité de justice conformément à l'article
XX.85 du Code de droit économique ou dans le
cadre d'une opération de fusion, de scission,
d'apport d'une universalité de biens ou d'une
branche d'activité réalisée conformément aux
dispositions du Code des sociétés et des
associations ou aux dispositions du droit
étranger régissant l’opération qui offrent aux
créanciers une protection équivalente.§ 4. Ne
sont pas soumises aux dispositions du présent
article les cessions réalisées par un curateur, un
mandataire de justice chargé d’organiser et de
réaliser un transfert sous autorité de justice
conformément à l’article 60 de la loi du 31 janvier
2009 relative à la continuité des entreprises ou
dans le cadre d'une opération de fusion, de
scission, d'apport d'une universalité ou d'une
branche d'activité réalisée conformément aux
dispositions du Code des sociétés et des
associations ou aux dispositions similaires du
474
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 79/96
droit étranger régissant l’opération qui offrent
aux créanciers une protection équivalente.
Article 442quater, § 1er, alinéa 1er, du Code des
impôts sur les revenus 1992
Article 442quater, § 1er, alinéa 1er, du Code des
impôts sur les revenus 1992
§ 1er. En cas de manquement, par une société ou
une personne morale visée à l'article 17, § 3, de
la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but
lucratif, les associations internationales sans but
lucratif et les fondations, à son obligation de
paiement du précompte professionnel, le ou les
dirigeants de la société ou de la personne morale
chargés de la gestion journalière de la société ou
de la personne morale sont solidairement
responsables du manquement si celui-ci est
imputable à une faute au sens de l'article 1382 du
Code civil, qu'ils ont commise dans la gestion de
la société ou de la personne morale.
§ 1er. En cas de manquement, par une société ou
une association ou fondation visée à l’article
3:47, §3, ou à l’article 3:50, §3, du Code des
sociétés et des associations, à son obligation de
paiement du précompte professionnel, le ou les
dirigeants de la société ou de la personne morale
chargés de la gestion journalière de la société ou
de la personne morale sont solidairement
responsables du manquement si celui-ci est
imputable à une faute au sens de l'article 1382 du
Code civil, qu'ils ont commise dans la gestion de
la société ou de la personne morale.
CHAPITRE 2. — Modifications au Code de la taxe
sur la valeur ajoutée
Article 56, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur
ajoutée
Article 56, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur
ajoutée
§ 1er.Selon les modalités que le Roi détermine,
des bases forfaitaires de taxation peuvent, après
consultation des groupements professionnels
intéressés
et
par
secteur
d'activité,
être
appliquées pour les assujettis qui satisfont aux
conditions suivantes:
§ 1er.Selon les modalités que le Roi détermine,
des bases forfaitaires de taxation peuvent, après
consultation des groupements professionnels
intéressés
et
par
secteur
d'activité,
être
appliquées pour les assujettis qui satisfont aux
conditions suivantes:
1°être une personne physique;
1°être une personne physique;
2°exercer
des
activités
professionnelles
comportant, pour au moins 75 p.c. du chiffre
d'affaires, des opérations pour lesquelles il n'y a
pas d'obligation d'émettre des factures pour
l'application de la taxe sur la valeur ajoutée;
2°exercer
des
activités
professionnelles
comportant, pour au moins 75 p.c. du chiffre
d'affaires, des opérations pour lesquelles il n'y a
pas d'obligation d'émettre des factures pour
l'application de la taxe sur la valeur ajoutée;
3°avoir un chiffre d'affaires annuel qui n'excède
pas 750 000 euros, non compris la taxe sur la
3°avoir un chiffre d'affaires annuel qui n'excède
pas 750 000 euros, non compris la taxe sur la
475
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 80/96
valeur ajoutée;
valeur ajoutée;
4°ne pas effectuer des livraisons de biens et des
prestations de services pour lesquelles ils sont
tenus de délivrer au client le ticket de caisse visé
à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la
définition et les conditions auxquelles doit
répondre un système de caisse enregistreuse
dans le secteur horeca.
4°ne pas effectuer des livraisons de biens et des
prestations de services pour lesquelles ils sont
tenus de délivrer au client le ticket de caisse visé
à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la
définition et les conditions auxquelles doit
répondre un système de caisse enregistreuse
dans le secteur horeca.
L'alinéa 1er est applicable aux sociétés en nom
collectif, aux sociétés en commandite simple et
aux sociétés privées à responsabilité limitée
jusqu'au 31 décembre 2019.
L’alinéa 1er est applicable aux sociétés en nom
collectif, aux sociétés en commandite et aux
sociétés à responsabilité limitée jusqu’au 31
décembre 2019.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les bases forfaitaires
de taxation peuvent être appliquées aux
assujettis qui ne remplissent pas la condition
prévue à l'alinéa 1er, 2°, lorsque les opérations
pour lesquelles l'émission d'une facture est
obligatoire sont conclues avec un petit nombre
de personnes ou portent sur des quantités de
biens qui ne sont pas sensiblement supérieures à
celles qui sont habituellement livrées à des
particuliers. En aucun cas, les opérations pour
lesquelles l'émission d'une facture est obligatoire
ne peuvent dépasser 40 p.c. du chiffre d'affaires.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les bases forfaitaires
de taxation peuvent être appliquées aux
assujettis qui ne remplissent pas la condition
prévue à l'alinéa 1er, 2°, lorsque les opérations
pour lesquelles l'émission d'une facture est
obligatoire sont conclues avec un petit nombre
de personnes ou portent sur des quantités de
biens qui ne sont pas sensiblement supérieures à
celles qui sont habituellement livrées à des
particuliers. En aucun cas, les opérations pour
lesquelles l'émission d'une facture est obligatoire
ne peuvent dépasser 40 p.c. du chiffre d'affaires.
Selon les modalités que le Roi détermine, des
bases forfaitaires de taxation spéciales peuvent,
après
consultation
des
groupements
professionnels
intéressés
et
par
secteur
d'activité, également être appliquées pour les
assujettis qui exercent leur activité dans des
conditions particulières similaires, notamment en
raison de la nature ou de la qualité des biens
qu'ils livrent ou de la nature des services qu'ils
fournissent ou en raison de leur mode
d'approvisionnement
ou
de
leurs
marges
bénéficiaires.
Selon les modalités que le Roi détermine, des
bases forfaitaires de taxation spéciales peuvent,
après
consultation
des
groupements
professionnels
intéressés
et
par
secteur
d'activité, également être appliquées pour les
assujettis qui exercent leur activité dans des
conditions particulières similaires, notamment en
raison de la nature ou de la qualité des biens
qu'ils livrent ou de la nature des services qu'ils
fournissent ou en raison de leur mode
d'approvisionnement
ou
de
leurs
marges
bénéficiaires.
A l'égard des assujettis qui exercent leur activité
dans
des
conditions
ne
permettant
pas
d'appliquer les bases forfaitaires de taxation,
même spéciales, qui ont été établies, ces bases
forfaitaires de taxation peuvent, à leur demande,
A l'égard des assujettis qui exercent leur activité
dans
des
conditions
ne
permettant
pas
d'appliquer les bases forfaitaires de taxation,
même spéciales, qui ont été établies, ces bases
forfaitaires de taxation peuvent, à leur demande,
476
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 81/96
être adaptées à l'activité de ces assujettis.
être adaptées à l'activité de ces assujettis.
Article 57, § 6, du Code de la taxe sur la valeur
ajoutée
Article 57, § 6, du Code de la taxe sur la valeur
ajoutée
§ 6. Les exploitants agricoles restent
cependant soumis à toutes les obligations
incombant aux assujettis :
§ 6. Les exploitants agricoles restent
cependant soumis à toutes les obligations
incombant aux assujettis :
1° lorsqu'ils ont emprunté la forme d'une
société commerciale;
1° lorsque l'activité est exercée sous la forme
d'une société qui n'est pas agréée comme
entreprise agricole visée à l’article 8:2 du Code
des sociétés et des associations ;
2° lorsqu'ils ont déjà la qualité d'assujetti en
raison de l'exercice d'une autre activité, à moins
qu'ils ne soient soumis, pour cette activité, au
régime particulier prévu aux articles 56 ou 56bis.
2° lorsqu'ils ont déjà la qualité d'assujetti en
raison de l'exercice d'une autre activité, à moins
qu'ils ne soient soumis, pour cette activité, au
régime particulier prévu aux articles 56 ou 56bis.
Article 93undecies B, § 4, du Code de la taxe sur
la valeur ajoutée
Article 93undecies B, § 4, du Code de la taxe sur
la valeur ajoutée
§ 4. Ne sont pas soumises aux dispositions du
présent article les cessions réalisées par un
curateur, un mandataire de justice chargé
d'organiser et de réaliser un transfert sous
autorité de justice conformément à l'article 60 de
la loi du 31 janvier 2009 relative à la continuité
des entreprises ou dans le cadre d'une opération
de fusion, de scission, d'apport d'une universalité
de biens ou d'une branche d'activité réalisée
conformément aux dispositions du Code des
sociétés.
§ 4. Ne sont pas soumises aux dispositions du
présent article les cessions réalisées par un
curateur, un mandataire de justice chargé
d'organiser et de réaliser un transfert sous
autorité de justice conformément à l'article
XX.85 du Code de droit économique ou dans le
cadre d'une opération de fusion, de scission,
d'apport d'une universalité de biens ou d'une
branche d'activité réalisée conformément aux
dispositions du Code des sociétés et des
associations.
Article 93undecies C, § 1er, alinéa 1er, du Code de
la taxe sur la valeur ajoutée
Article 93undecies C, § 1er, alinéa 1er, du Code de
la taxe sur la valeur ajoutée
§ 1erEn cas de manquement, par une société ou
une personne morale visée à l'article 17, § 3, de
la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but
lucratif, les fondations, les partis politiques
européens
et
les
fondations
politiques
européennes, assujettie à la T.V.A., à son
§ 1erEn cas de manquement, par une société ou
une association ou fondation respectivement
visée à l’article 3:47, § 3, ou à l’article 3:50, § 3,
du Code des sociétés et des associations,
assujettie à la T.V.A., à son obligation de
paiement de la taxe, des intérêts ou des frais
477
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 82/96
obligation de paiement de la taxe, des intérêts ou
des frais accessoires, le ou les dirigeants de la
société ou de la personne morale chargés de la
gestion journalière de la société ou de la
personne
morale
sont
solidairement
responsables du manquement si celui-ci est
imputable à une faute au sens de l'article 1382 du
Code civil, qu'ils ont commise dans la gestion de
la société ou de la personne morale.
accessoires, le ou les dirigeants de la société ou
de la personne morale chargés de la gestion
journalière de la société ou de la personne
morale sont solidairement responsables du
manquement si celui-ci est imputable à une faute
au sens de l'article 1382 du Code civil, qu'ils ont
commise dans la gestion de la société ou de la
personne morale.
CHAPITRE 3. – Modifications au Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Section XI : Sociétés civiles et commerciales
Section XI : Sociétés
Article 115, alinéa 1er, du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Article 115, alinéa 1er, du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Sont assujettis à un droit de 0 p.c. les apports de
biens meubles à des sociétés civiles ou
commerciales ayant soit leur siège de direction
effective en Belgique, soit leur siège statutaire en
Belgique et leur siège de direction effective hors
du
territoire
des
Etats
membres
de
la
Communauté économique européenne, que ces
apports soient effectués lors de la constitution de
la société ou ultérieurement.
Sont assujettis à un droit de 0 p.c. les apports de
biens meubles à des sociétés ayant soit leur siège
de direction effective en Belgique, soit leur siège
statutaire en Belgique et leur siège de direction
effective hors du territoire des Etats membres de
la Communauté économique européenne, que
ces
apports
soient
effectués
lors
de
la
constitution de la société ou ultérieurement.
Article 115bis, alinéa 1er, du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Article 115bis, alinéa 1er, du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Sont assujettis au droit de 0 p.c., les apports à des
sociétés civiles ou commerciales ayant soit leur
siège de direction effective en Belgique, soit leur
siège statutaire en Belgique et leur siège de
direction effective hors du territoire des Etats
membres de la Communauté européenne de
biens immeubles autres que ceux affectés ou
destinés
partiellement
ou
totalement
à
l'habitation et apportés par une personne
physique.
Sont assujettis au droit de 0 p.c., les apports à des
sociétés ayant soit leur siège de direction
effective en Belgique, soit leur siège statutaire en
Belgique et leur siège de direction effective hors
du
territoire
des
Etats
membres
de
la
Communauté européenne de biens immeubles
autres
que
ceux
affectés
ou
destinés
partiellement ou totalement à l'habitation et
apportés par une personne physique.
478
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 83/96
Article 116, alinéas 1er et 2, du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Article 116, alinéas 1er et 2, du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Est assujettie à un droit de 0 p.c. l'augmentation
du capital statutaire, sans apport nouveau, d'une
société ayant soit son siège de direction effective
en Belgique, soit son siège statutaire en Belgique
et son siège de direction effective hors du
territoire des Etats membres de la Communauté
économique européenne.
Est assujettie à un droit de 0 p.c. l'augmentation
du capital statutaire, sans apport nouveau, d'une
société ayant soit son siège de direction effective
en Belgique, soit son siège en Belgique et son
siège de direction effective hors du territoire des
Etats membres de la Communauté économique
européenne.
Le droit est liquidé sur le montant de
l'augmentation. Le droit n'est pas dû dans la
mesure où le capital statutaire est augmenté par
incorporation de réserves ou de provisions
constituées à l'occasion d'apports effectués à la
société, en représentation de tout ou partie du
montant de ces apports qui a été assujetti au
droit prévu à l'article 115.
Le droit est liquidé sur le montant de
l'augmentation. Le droit n'est pas dû dans la
mesure où le capital est augmenté par
incorporation de réserves ou de provisions
constituées à l'occasion d'apports effectués à la
société, en représentation de tout ou partie du
montant de ces apports qui a été assujetti au
droit prévu à l'article 115.
Article
117,
du
Code
des
droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Article
117,
du
Code
des
droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
§ 1er. Le droit prévu à l'article 115 n'est pas dû en
cas d'apport de l'universalité des biens d'une
société, sous forme de fusion, scission ou
autrement, à une ou plusieurs sociétés nouvelles
ou préexistantes. Cette disposition n'est toutefois
applicable qu'à condition :
§ 1er. Le droit prévu à l'article 115 n'est pas dû en
cas d'apport de l'universalité des biens d'une
société, sous forme de fusion, scission ou
autrement, à une ou plusieurs sociétés nouvelles
ou préexistantes. Cette disposition n'est toutefois
applicable qu'à condition :
(…)
(…)
2° que, déduction faite le cas échéant des
sommes dues, au moment de l'apport, par la
société apportante, l'apport soit exclusivement
rémunéré, soit par l'attribution d'actions ou parts
représentatives de droits sociaux, soit par
l'attribution d'actions ou parts représentatives de
droits sociaux, accompagnée d'un versement en
espèces ne dépassant pas le dixième de la valeur
nominale des actions ou parts sociales attribuées.
2° que, déduction faite le cas échéant des
sommes dues, au moment de l'apport, par la
société apportante, l'apport soit exclusivement
rémunéré, soit par l'attribution d'actions ou parts
représentatives de droits sociaux, soit par
l'attribution d'actions ou parts représentatives de
droits sociaux, accompagnée d'un versement en
espèces ne dépassant pas le dixième de la valeur
nominale ou, à défaut de valeur nominale, du
pair comptable des actions ou parts sociales
attribuées. Si le droit belge ou étranger qui régit
la société bénéficiaire ne prévoit pas une notion
analogue à celle du capital d’une société
479
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 84/96
anonyme, est assimilée au pair comptable la
valeur, telle qu’elle résulte des comptes annuels,
de tous les apports en numéraire ou en nature,
autre
qu’en
industrie,
consentis
par
les
actionnaires ou associés, le cas échéant
augmentée des réserves qui, en vertu d’une
disposition
statutaire,
ne
peuvent
être
distribuées aux actionnaires ou associés que
moyennant une modification des statuts, le tout
divisé par le nombre des actions ou parts.
(…)
(…)
§ 3. Le droit prévu à l'article 115 n'est de même
pas dû pour les apports d'actions, certificats
d'actions ou departs représentatives de droits
sociaux ayant pour effet que la société à qui est
fait l'apport obtient au moins 75 p.c. du capital
social de la société dont les actions, certificats
d'actions ou parts sont apportées. Lorsque ce
pourcentage est acquis à la suite de plusieurs
opérations d'apport, seuls les apports permettant
d'atteindre ce pourcentage ainsi que les apports
subséquents bénéficient de l'application du
présent paragraphe. L'application du présent
paragraphe est en outre subordonnée aux
conditions suivantes :
§ 3. Le droit prévu à l'article 115 n'est de même
pas dû pour les apports d'actions, certificats
d'actions ou departs représentatives de droits
sociaux ayant pour effet que la société à qui est
fait l'apport obtient au moins 75 p.c. du capital
ou des capitaux propres de la société dont les
actions, certificats d'actions ou parts sont
apportées. Lorsque ce pourcentage est acquis à la
suite de plusieurs opérations d'apport, seuls les
apports permettant d'atteindre ce pourcentage
ainsi que les apports subséquents bénéficient de
l'application du présent paragraphe. L'application
du présent paragraphe est en outre subordonnée
aux conditions suivantes :
(…)
(…)
2° l'apport doit être rémunéré exclusivement par
l'émission d'actions ou parts nouvelles de la
société acquéreuse, accompagné d'un versement
en espèces ne dépassant pas le dixième de la
valeur nominale des actions ou parts attribuées ;
2° l'apport doit être rémunéré exclusivement par
l'émission d'actions ou parts nouvelles de la
société acquéreuse, accompagné d'un versement
en espèces ne dépassant pas le dixième de la
valeur nominale ou, à défaut de valeur
nominale, du pair comptable des actions ou
parts attribuées. Si le droit belge ou étranger qui
régit la société bénéficiaire ne prévoit pas une
notion analogue à celle du capital d’une société
anonyme, est assimilée au pair comptable, la
valeur, telle qu’elle résulte des comptes annuels,
de tous les apports en numéraire ou en nature,
autres que les apports en industrie, consentis
par les actionnaires ou associés, le cas échéant
augmenté des réserves qui, en vertu d’une
disposition
statutaire,
ne
peuvent
être
480
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 85/96
distribuées aux actionnaires ou associés que
moyennant une modification des statuts, le tout
divisé par le nombre des actions ou parts ;
3° l'acte d'apport doit porter la mention que la
société acquéreuse obtient à l'occasion de cet
apport au moins 75 p.c. du capital social de la
société dont les actions ou parts sont apportées ;
3° l'acte d'apport doit porter la mention que la
société acquéreuse obtient à l'occasion de cet
apport au moins 75 p.c. du capital ou des
capitaux propres de la société dont les actions ou
parts sont apportées ;
Article
121,
du
Code
des
droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Article
121,
du
Code
des
droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Par dérogation aux articles 115, 115bis, 118 et
120, sont exemptés du droit proportionnel :
Par dérogation aux articles 115, 115bis, 118 et
120, sont exemptés du droit proportionnel :
1° la transformation d'une société possédant la
personnalité juridique en une société d'une
espèce différente et la transformation d'une
association sans but lucratif en une société à
finalité sociale. Cette disposition est applicable
même lorsque la transformation est réalisée par
voie de liquidation suivie de constitution d'une
société
nouvelle,
pour
autant
que
cette
reconstitution soit prévue dans l'acte de mise en
liquidation et soit réalisée dans les quinze jours
de cet acte ;
1° la transformation d'une société possédant la
personnalité juridique en une société d'une
espèce différente et la transformation d'une
association sans but lucratif en une entreprise
sociale. Cette disposition est applicable même
lorsque la transformation est réalisée par voie de
liquidation suivie de constitution d'une société
nouvelle, pour autant que cette reconstitution
soit prévue dans l'acte de mise en liquidation et
soit réalisée dans les quinze jours de cet acte ;
(…)
(…)
Dans tous les cas, le droit est perçu sur
l'augmentation du capital statutaire de la société,
sans apport nouveau, ou sur les apports de biens
nouveaux,
effectués
à
l'occasion
de
la
transformation, du changement d'objet ou du
transfert de siège.
Dans tous les cas, le droit est perçu sur
l'augmentation du capital de la société, sans
apport nouveau, ou sur les apports de biens
nouveaux,
effectués
à
l'occasion
de
la
transformation, du changement d'objet ou du
transfert de siège.
Article 123, alinéa 1er, du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Article 123, alinéa 1er, du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Sous réserve des dispositions des articles 44 et
120, est exempté du droit proportionnel
l'augmentation de capital statutaire, avec apport
nouveau, d'une société visée à l'article 201,
Sous réserve des dispositions des articles 44 et
120, est exempté du droit proportionnel
l'augmentation de capital ou des capitaux
propres, avec apport nouveau, d'une société
481
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 86/96
alinéa 1er, 1°, du Code des impôts sur les revenus
1992, pour autant que des actions de cette
société ou autres valeurs mobilières assimilables
à des actions, soient admises à la cotation auprès
d'une bourse de valeurs mobilières belge.
visée à l'article 201, alinéa 1er, 1°, du Code des
impôts sur les revenus 1992, pour autant que des
actions de cette société ou autres valeurs
mobilières assimilables à des actions, soient
admises à la cotation auprès d'une bourse de
valeurs mobilières belge.
Article
159,
du
Code
des
droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Article
159,
du
Code
des
droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Sont exemptés du droit proportionnel et soumis
au droit fixe général :
Sont exemptés du droit proportionnel et soumis
au droit fixe général :
(…)
(…)
11° les apports de biens à un groupement régi
par la loi du 17 juillet 1989 sur les groupements
d’intérêt économique ou à un groupement
européen d’intérêt économique ;
11° les apports de biens à un groupement
européen d’intérêt économique ;
12° la remise aux membres du groupement
d’intérêt
économique
ou
du
groupement
européen d’intérêt économique des immeubles
qu’ils ont apportés, lorsque celle-ci intervient
ensuite du retrait de ces membres ou de la
dissolution du groupement.
12° la remise aux membres du groupement
européen d’intérêt économique des immeubles
qu’ils ont apportés, lorsque celle-ci intervient
ensuite du retrait de ces membres ou de la
dissolution du groupement.
(…)
(…)
14° les apports à des sociétés civiles ou
commerciales ayant soit leur siège de direction
effective et leur siège statutaire en dehors de la
Belgique, soit leur siège statutaire en Belgique et
leur siège de direction effective sur le territoire
d’un
des
autres
Etats
membres
de
la
Communauté européenne, de biens immeubles
autres
que
ceux
affectés
ou
destinés
partiellement ou totalement à l’habitation et
apportés par une personne physique, dans la
mesure où il y a attribution de parts sociales en
rémunération de l’apport effectué. Lorsque
l’apport porte à la fois sur des immeubles en
Belgique et sur d’autres biens, la rémunération
qui est faite autrement que par l’attribution de
droits
sociaux
est
réputée
se
répartir
proportionnellement, nonobstant toute clause
14° les apports à des sociétés ayant soit leur
siège de direction effective et leur siège
statutaire en dehors de la Belgique, soit leur siège
statutaire en Belgique et leur siège de direction
effective sur le territoire d’un des autres Etats
membres de la Communauté européenne, de
biens immeubles autres que ceux affectés ou
destinés
partiellement
ou
totalement
à
l’habitation et apportés par une personne
physique, dans la mesure où il y a attribution de
parts sociales en rémunération de l’apport
effectué. Lorsque l’apport porte à la fois sur des
immeubles en Belgique et sur d’autres biens, la
rémunération qui est faite autrement que par
l’attribution de droits sociaux est réputée se
répartir proportionnellement, nonobstant toute
clause contraire, entre la valeur attribuée aux
482
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 87/96
contraire,
entre
la
valeur
attribuée
aux
immeubles et celle attribuée aux autres biens et
est imposée au droit prévu pour les ventes dans
la mesure où elle se rapporte aux immeubles en
Belgique.
immeubles et celle attribuée aux autres biens et
est imposée au droit prévu pour les ventes dans
la mesure où elle se rapporte aux immeubles en
Belgique.
Article
173,
1°bis,
du
Code
des
droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Article
173,
1°bis,
du
Code
des
droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
1°bis les expéditions et les extraits des actes
reçus par les notaires qui doivent être déposés au
greffe du tribunal de commerce conformément à
l'article 67 du Code des sociétés ;
1°bis les expéditions et les extraits des actes
reçus par les notaires qui doivent être déposés au
greffe du tribunal de commerce conformément à
l'article 2 :12 du Code des sociétés et des
associations ;
Article 209, alinéa 1er, 5°, du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Article 209, alinéa 1er, 5°, du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Sont sujets à restitution :
Sont sujets à restitution :
(…)
(…)
5° les droits perçus au tarif de 0,5 % en
application des articles 115, 115bis, 116 et 120,
par suite d’une augmentation de capital
statutaire, avec apport nouveau, d’une société
visée à l’article 201, alinéa 1er, 1°, du Code des
impôts sur les revenus 1992, pour autant que
cette augmentation du capital statutaire ait lieu
dans l’année précédant la date de l’autorisation
de cotation auprès d’une bourse de valeurs
mobilières belge d’actions de la société ou de
valeurs mobilières assimilables à des actions.
5° les droits perçus au tarif de 0,5 % en
application des articles 115, 115bis, 116 et 120,
par suite d’une augmentation de capital ou des
capitaux propres, avec apport nouveau, d’une
société visée à l’article 201, alinéa 1er, 1°, du
Code des impôts sur les revenus 1992, pour
autant que cette augmentation du capital ou des
capitaux propres ait lieu dans l’année précédant
la date de l’autorisation de cotation auprès d’une
bourse de valeurs mobilières belge d’actions de la
société ou de valeurs mobilières assimilables à
des actions.
CHAPITRE 4 — Modifications au Code des droits
de succession
Article 150, alinéa 2, 5°, du Code des droits de
succession
Article 150, alinéa 2, 5°, du Code des droits de
succession
483
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 88/96
Toutefois, ne sont pas compris dans ces avoirs :
Toutefois, ne sont pas compris dans ces avoirs :
(…)
(…)
5° les titres émis par des sociétés commerciales,
dont l’association ou la fondation est considérée
comme propriétaire-émettant en vertu de la loi
du 15 juillet 1998 relative à la certification de
titres émis par des sociétés commerciales, à la
condition que les certificats soient assimilés aux
titres auxquels ils se rapportent pour l’application
du Code des impôts sur les revenus 1992, en
vertu de l’article 13, § 1er, alinéa 1er de la même
loi.
5° les titres émis par des sociétés, dont
l’association ou la fondation est considérée
comme propriétaire-émettant en vertu du Code
des sociétés et des associations ou, si la société
n’est pas régie par ce code, conformément aux
dispositions du droit qui la régit, à la condition
que les certificats soient assimilés aux titres
auxquels ils se rapportent pour l’application du
Code des impôts sur les revenus 1992, en vertu
de l’article 13, § 1er, alinéa 1er de la même loi.
Article 161, du Code des droits de succession
Article 161, du Code des droits de succession
Sont assujettis à une taxe annuelle à partir du 1er
janvier qui suit leur inscription soit auprès du
Service Public Fédéral Finances sur la liste des
fonds d’investissement immobiliers spécialisés,
soit auprès de l’Autorité des services et marchés
financiers :
Sont assujettis à une taxe annuelle à partir du 1er
janvier qui suit leur inscription soit auprès du
Service Public Fédéral Finances sur la liste des
fonds d’investissement immobiliers spécialisés,
soit auprès de l’Autorité des services et marchés
financiers :
(…)
(…)
5° les entreprises d'assurances visées à l'article 2,
§ 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle
des
entreprises
d'assurances
qui
attribuent des dividendes ou des revenus visés à
l'article 21, 6° et 9°, du Code des impôts sur les
revenus 1992 ;
5° les entreprises d’assurances visées à l’article 6
de la loi du 13 mars 2016 relative au statut au
contrôle
des
entreprises
d’assurance
ou
réassurance qui attribuent des revenus visés à
l'article 21, 9°, du Code des impôts sur les
revenus 1992 ou des dividendes exonérés de
l'impôt des sociétés sur la base de l'article 185, §
1er, alinéa 1er, du Code des impôts sur les
revenus 1992 ;
6° les entreprises d’assurances visées à l’article 2,
§ 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle
des entreprises
d’assurances,
qui
effectuent des opérations d’assurance telles que
visées à l’article 3, § 2, de l’arrêté royal du 14
novembre 2003 relatif à l’activité d’assurance sur
la vie.
6° les entreprises d’assurances visées à l'article 6
de la loi du 13 mars 2016 relative au statut au
contrôle des entreprises d'assurance ou de
réassurance, qui effectuent des opérations
d’assurance visées à l’annexe II, A, 23, de la
même loi.
484
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 89/96
Article 161bis, § 6, du Code des droits de
succession
Article 161bis, § 6, du Code des droits de
succession
§ 6. Dans le cas où une entreprise d’assurance
visée à l’article 161, 5° ou 6°, a adopté la forme
d'une société coopérative agréée par le Conseil
national de la coopération, la taxe est en outre
due sur une quotité du capital social au 1er
janvier de l'année d'imposition. Cette quotité est
égale à la proportion entre le total des dividendes
non imposables sur base de l'article 21, 6°, du
Code des impôts sur les revenus 1992, et le total
des dividendes attribués pour l'exercice social qui
précède.
§ 6. Dans le cas où une entreprise d’assurance
visée à l’article 161, 5° ou 6°, a adopté la forme
d’une société coopérative agréée conformément
à l’article 8:4 du Code des sociétés et des
associations, la taxe est en outre due sur une
quotité du des capitaux propres constitués par
les apports des actionnaires au 1er janvier de
l'année d'imposition. Cette quotité est égale à la
proportion entre le total des dividendes non
imposables sur base de l'article 185, § 1er,
alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus
1992, et le total des dividendes attribués pour
l'exercice social qui précède.
Article 161ter, 4°, du Code des droits de
succession
Article 161ter, 4°, du Code des droits de
succession
Le tarif de la taxe est fixé :
Le tarif de la taxe est fixé :
(…)
(…)
4° à 0,0925 p.c. de la quotité du capital social
visée à l'article 161bis, § 6, des organismes visés à
l'article 161, 5° ou 6°, qui ont adopté le forme
d'une société coopérative agréée par le Conseil
national de la coopération ;
4° à 0,0925 p.c. de la quotité des capitaux
propres
constitués
par
les
apports
des
actionnaires visée à l'article 161bis, § 6, des
organismes visés à l'article 161, 5° ou 6°, qui ont
adopté la forme d’une société coopérative
agréée conformément à l’article 8:4 du Code des
sociétés et des associations;
Article 161quater, alinéa 2, du Code des droits
de succession
Article 161quater, alinéa 2, du Code des droits
de succession
Elle doit être acquittée au plus tard le 31 mars de
chaque année. Toutefois, ce délai est prorogé, le
cas échéant, en ce qui concerne le paiement de la
taxe ou de la partie de la taxe afférente aux
dividendes visés à l'article 21, 6°, du Code des
impôts sur les revenus 1992, jusqu'au huitième
jour ouvrable qui suit la date de l'assemblée
générale
qui
décide
de
l'attribution
des
Elle doit être acquittée au plus tard le 31 mars de
chaque année. Toutefois, ce délai est prorogé, le
cas échéant, en ce qui concerne le paiement de la
taxe ou de la partie de la taxe afférente aux
dividendes visés à l'article 161, 5°, jusqu'au
huitième jour ouvrable qui suit la date de
l'assemblée générale qui décide de l'attribution
des dividendes.
485
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 90/96
dividendes.
Article 161quinquies, alinéa 1er, du Code des
droits de succession
Article 161quinquies, alinéa 1er, du Code des
droits de succession
Les organismes, établissements, ou entreprises
visés à l'article 161 sont tenus de déposer, au
plus tard le 31 mars de chaque année
d'imposition, une déclaration faisant connaître la
base
imposable.
Toutefois,
les
sociétés
coopératives agréées par le Conseil national de la
coopération, doivent, en ce qui concerne la taxe
ou la partie de la taxe afférente aux dividendes
visés à l'article 21, 6°, du Code des impôts sur les
revenus 1992, déposer la déclaration ou une
déclaration complémentaire faisant connaître la
base imposable de la taxe ou de la partie de la
taxe afférente aux dividendes visés, au plus tard
le jour auquel le paiement doit être effectué
conformément à l'article 161quater, alinéa 2.
Les organismes, établissements, ou entreprises
visés à l'article 161 sont tenus de déposer, au
plus tard le 31 mars de chaque année
d'imposition, une déclaration faisant connaître la
base
imposable.
Toutefois,
les
sociétés
coopératives agréées conformément à l’article
8:4 du Code des sociétés et associations,
doivent, en ce qui concerne la taxe ou la partie de
la taxe afférente aux dividendes visés à l'article
161, 5°, déposer la déclaration ou une déclaration
complémentaire
faisant
connaître
la
base
imposable de la taxe ou de la partie de la taxe
afférente aux dividendes visés, au plus tard le
jour auquel le paiement doit être effectué
conformément à l'article 161quater, alinéa 2.
CHAPITRE 5. — Modifications au Code des droits
et taxes divers
Article 4, du Code des droits et taxes divers
Article 4, du Code des droits et taxes divers
Les actes de notaires passés pour des sociétés
ayant la personnalité juridique, comme décrits
dans le Code des sociétés, sont assujettis à un
droit de 95 euros.
Les actes de notaires passés pour des sociétés
ayant la personnalité juridique, comme décrits
dans le Code des sociétés et des associations,
sont assujettis à un droit de 95 euros.
Article 1261, 8°, du Code des droits et taxes
divers
Article 1261, 8°, du Code des droits et taxes
divers
Sont exemptes de la taxe :
Sont exemptes de la taxe :
(…)
(…)
8° les opérations qui, en vue de favoriser la
liquidité de ses actions, résultent d’une décision
préalable de l’assemblée générale d’un émetteur
telle que prévue à l’article 620, § 1er, 1°, du Code
des sociétés et qui seront exécutées pour le
8° les opérations qui, en vue de favoriser la
liquidité de ses actions, résultent d’une décision
préalable de l’assemblée générale d’un émetteur
telle que prévue à l’article 7:215, § 1er, 1°, du
Code des sociétés et des associations et qui
486
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 91/96
compte de l’émetteur qui est coté en bourse sur
un marché réglementé comme visé à l’article 2,
5° de la loi du 2 août 2002 relative à la
surveillance du secteur financier et aux services
financiers, par un intermédiaire visé à l’article 2,
9° et 10°, de la loi du 2 août 2002 relative à la
surveillance du secteur financier et aux services
financiers, avec lequel l’émetteur a conclu un
contrat en vue d’apporter de la liquidité ;
seront exécutées pour le compte de l’émetteur
qui est coté en bourse sur un marché réglementé
comme visé à l’article 2, 5° de la loi du 2 août
2002 relative à la surveillance du secteur
financier et aux services financiers, par un
intermédiaire visé à l’article 2, 9° et 10°, de la loi
du 2 août 2002 relative à la surveillance du
secteur financier et aux services financiers, avec
lequel l’émetteur a conclu un contrat en vue
d’apporter de la liquidité ;
CHAPITRE 6. — Dispositions diverses
Section 1ère. Sociétés de groupements forestiers
Loi du 6 mai 1999 visant à promouvoir la création
de sociétés civiles de groupements forestiers
Loi du 6 mai 1999 visant à promouvoir la
création de sociétés de groupements
Article 2, de la loi du 6 mai 1999 visant à
promouvoir la création de sociétés civiles de
groupements forestiers
Article 2, de la loi du 6 mai 1999 visant à
promouvoir
la
création
de
sociétés
de
groupements forestiers
Pour l'application de la présente loi, on entend
par groupement forestier toute société civile
ayant adopté la forme juridique d'une société
commerciale, agréée par le Ministre des Finances
sur avis du Ministre de la région concernée qui a
les forêts dans ses attributions, comme ayant
exclusivement pour objet social et pour activité la
production forestière sur des terrains dont elle
est propriétaire, ainsi que toutes les opérations
quelconques se rattachant à cet objet ou en
dérivant
normalement
pourvu
qu'elles
ne
modifient pas le caractère civil du groupement, à
l'exclusion de l'abattage des arbres et de la
transformation des produits forestiers.
Pour l'application de la présente loi, on entend
par groupement forestier toute société agréée
par le ministre des Finances sur avis du Ministre
de la région concernée qui a les forêts dans ses
attributions, comme ayant exclusivement pour
objet la production forestière sur des terrains
dont elle est propriétaire, ainsi que toutes les
opérations quelconques se rattachant à cet
objet ou en dérivant normalement, à l'exclusion
de l'abattage des arbres et de la transformation
des produits forestiers.
Article 3, 1°, de la loi du 6 mai 1999 visant à
promouvoir la création de sociétés civiles de
groupements forestiers
Article 3, 1°, de la loi du 6 mai 1999 visant à
promouvoir
la
création
de
sociétés
de
groupements forestiers
1° toutes les actions ou parts émises par le
groupement forestier sont représentatives du
capital social, sont inscrites, depuis leur émission,
1° toutes les actions ou parts émises par le
groupement forestier sont représentatives du
capital, sont inscrites, depuis leur émission, au
487
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 92/96
au nom de personnes physiques et ne confèrent
que des droits égaux à leurs détenteurs;
nom de personnes physiques et ne confèrent que
des droits égaux à leurs détenteurs;
Article 4, alinéa 4, de la loi du 6 mai 1999 visant
à promouvoir la création de sociétés civiles de
groupements forestiers
Article 4, alinéa 4, de la loi du 6 mai 1999 visant
à promouvoir la création de sociétés de
groupements forestiers
La part de chaque associé ou actionnaire dans les
revenus imposables du groupement forestier
correspond à son pourcentage d'actions ou parts
dans le capital social du groupement forestier.
La part de chaque associé ou actionnaire dans les
revenus imposables du groupement forestier
correspond à son pourcentage d'actions ou parts
dans le capital du groupement forestier.
Section 2. Régime Diamant
Article 67, de la loi-programme du 10 août 2015
Article 67, de la loi-programme du 10 août 2015
Pour l'application du présent chapitre, l'on
entend par :
Pour l'application du présent chapitre, l'on
entend par :
(…)
(…)
4° chiffre d'affaires issu du commerce de
diamants : le chiffre d'affaires tel que défini à
l'article 96, I.A., alinéa 1er, de l'arrêté royal du 30
janvier 2001 portant exécution du Code des
sociétés, pour autant qu'il soit issu du commerce
de diamants, ou, en ce qui concerne l'impôt des
personnes physiques, déterminé en additionnant
le prix de vente total de toutes les factures de
vente de la période imposable concernée qui se
rapportent à la vente de diamants.
4° chiffre d'affaires issu du commerce de
diamants : le chiffre d'affaires tel que défini à
l'article […] de l'arrêté royal du XXXX 201[8
portant exécution du Code des sociétés et des
associations], pour autant qu'il soit issu du
commerce de diamants, ou, en ce qui concerne
l'impôt des personnes physiques, déterminé en
additionnant le prix de vente total de toutes les
factures de vente de la période imposable
concernée qui se rapportent à la vente de
diamants.
5° coût de revient des diamants vendus : les
dépenses, pour autant qu'elles se rapportent au
commerce en diamants, comme défini à l'article
96. II. A, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 30 janvier
2001 portant exécution du Code des sociétés et,
en ce qui concerne l'impôt des personnes
physiques,
déterminées
par
l'addition
des
factures d'achat ayant trait à l'achat de diamants
durant la période imposable concernée, avec la
correction d'une éventuelle variation des stocks.
5° coût de revient des diamants vendus : les
dépenses, pour autant qu'elles se rapportent au
commerce en diamants, comme défini à l'article
[…] de l'arrêté royal du XXXX 201[8 portant
exécution du Code des sociétés et des
associations] et, en ce qui concerne l'impôt des
personnes physiques, déterminées par l'addition
des factures d'achat ayant trait à l'achat de
diamants durant la période imposable concernée,
avec la correction d'une éventuelle variation des
stocks.
488
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 93/96
Article 68, § 2, de la loi-programme du 10 août
2015
Article 68, § 2, de la loi-programme du 10 août
2015
§ 2. En ce qui concerne un commerçant en
diamants enregistré qui commercialise des
diamants bruts provenant de l'exploitation
propre d'une mine de diamants ou d'une zone
d'extraction alluviale propre de diamants, ou qui,
en tant que société liée dans le sens de l'article
11 du Code des sociétés, appartient à un groupe
de sociétés à l'intérieur duquel se trouve
l'exploitation d'une mine de diamants ou d'une
zone d'extraction alluviale de diamants et qui
intervient dans la commercialisation sur le
marché de ces diamants extraits, au moyen de
ventes de diamants en nom propre, le Régime
Diamant relatif aux ventes de ces diamants
extraits par lui-même ou à l'intérieur du groupe
de sociétés, ne s'applique que si ce commerçant
en diamants enregistré opte pour ce régime au
moment de l'introduction de sa déclaration
d'impôt.
§ 2. En ce qui concerne un commerçant en
diamants enregistré qui commercialise des
diamants bruts provenant de l'exploitation
propre d'une mine de diamants ou d'une zone
d'extraction alluviale propre de diamants, ou qui,
en tant que société liée dans le sens de l’article
1:20 du Code des sociétés et des associations,
appartient à un groupe de sociétés à l'intérieur
duquel se trouve l'exploitation d'une mine de
diamants ou d'une zone d'extraction alluviale de
diamants
et
qui
intervient
dans
la
commercialisation sur le marché de ces diamants
extraits, au moyen de ventes de diamants en nom
propre, le Régime Diamant relatif aux ventes de
ces diamants extraits par lui-même ou à
l'intérieur du groupe de sociétés, ne s'applique
que si ce commerçant en diamants enregistré
opte pour ce régime au moment de l'introduction
de sa déclaration d'impôt.
(…)
(…)
Section 3. Navigation maritime
Article 115, § 2, 3°, de la loi-programme du 2
août 2002
Article 115, § 2, 3°, de la loi-programme du 2
août 2002
3° Division : une entité, qui du point de vue
technique et sous l'angle de l'organisation, exerce
une activité autonome et est susceptible de
fonctionner par ses propres moyens. Pour
pouvoir être traitée comme une division au sens
de la présente loi, il est requis que chaque
division puisse pouvoir être considérée comme
une branche d'activité au sens de l'article 46, §
1er, alinéa premier, 2°, du Code des impôts sur
les revenus 1992, d'une part, et comme une
branche d'activité au sens de l'article 680 du
Code des sociétés, d'autre part, ainsi que :
3° Division : une entité, qui du point de vue
technique et sous l'angle de l'organisation, exerce
une activité autonome et est susceptible de
fonctionner par ses propres moyens. Pour
pouvoir être traitée comme une division au sens
de la présente loi, il est requis que chaque
division puisse pouvoir être considérée comme
une branche d’activité au sens de l’article 2, §
1er, 6°/2, c, du Code des impôts sur les revenus
1992, ainsi que :
489
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 94/96
(…)
(…)
Article 122, § 3, de la loi-programme du 2 août
2002
Article 122, § 3, de la loi-programme du 2 août
2002
§ 3. Le remploi doit revêtir la forme de navires,
de parts de copropriété de navires, de parts de
navires ou d'actions ou parts d'une société -
exploitant maritime qui a son siège social dans
l'Espace économique européen.
§ 3. Le remploi doit revêtir la forme de navires,
de parts de copropriété de navires, de parts de
navires ou d'actions ou parts d'une société -
exploitant
maritime
qui
a
son
principal
établissement
ou
siège
de
direction
ou
d'administration
dans
l'Espace
économique
européen.
Section 4. Ports
Article 3, alinéa 1er, de la loi du 29 mai 2018
fixant
les
conditions
du
passage
à
l’assujettissement
à
l’impôt
des
sociétés
d’entreprises portuaires
Article 3, alinéa 1er, de la loi du 29 mai 2018
fixant les conditions du passage à
l’assujettissement à l’impôt des sociétés
d’entreprises portuaires
A l'occasion de l'assujettissement à l'impôt des
sociétés de la SA De Vlaamse Waterweg, de la
SCRL Port autonome du Centre et de l'Ouest, de
la Compagnie des installations maritimes de
Bruges, du Port de Bruxelles, de la régie portuaire
communale autonome d'Ostende, des sociétés
anonymes
de
droit
public
Havenbedrijf
Antwerpen et Havenbedrijf Gent et des ports
autonomes de Liège, Charleroi et Namur, et de
toute autre personne morale exerçant des
activités similaires, les conditions suivantes sont
applicables :
A l'occasion de l'assujettissement à l'impôt des
sociétés de la SA De Vlaamse Waterweg, de la
SCRL Port autonome du Centre et de l'Ouest, de
la Compagnie des installations maritimes de
Bruges, du Port de Bruxelles, de la régie portuaire
communale autonome d'Ostende, des sociétés
anonymes
de
droit
public
Havenbedrijf
Antwerpen et Havenbedrijf Gent et des ports
autonomes de Liège, Charleroi et Namur, et de
toute autre personne morale exerçant des
activités similaires, les conditions suivantes sont
applicables :
1° la partie du capital social, des primes
d'émission ou des sommes souscrites à l'occasion
de l'émission de parts bénéficiaires, qui a
antérieurement réellement été libérée au cours
des
exercices
comptables
clôturés
avant
l'exercice comptable se rattachant au premier
exercice d'imposition pour lequel la personne
morale visée dans la phrase liminaire est
assujettie à l'impôt des sociétés est considérée
comme du capital libéré au sens de l'article 184
du Code des impôts sur les revenus 1992, aux
1° la partie du capital, des primes d'émission ou
des sommes souscrites à l'occasion de l'émission
de parts bénéficiaires, qui a antérieurement
réellement été libérée au cours des exercices
comptables clôturés avant l'exercice comptable
se rattachant au premier exercice d'imposition
pour lequel la personne morale visée dans la
phrase liminaire est assujettie à l'impôt des
sociétés est considérée comme du capital libéré
au sens de l'article 184 du Code des impôts sur
les revenus 1992, aux conditions prévues par les
490
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Page 95/96
conditions prévues par les alinéas 1er et 2 de cet
article ;
alinéas 1er et 2 de cet article ;
(…)
(…)
4° les plus-values de réévaluation sur des
immobilisations corporelles pour lesquelles des
aides
à
l'investissement
répondraient
aux
conditions prévues à l'article 56ter ou 56quater
du Règlement (UE) n° 651/2014 du 17 juin 2014
de
la
Commission
européenne
déclarant
certaines catégories d'aides compatibles avec le
marché intérieur sur base des articles 107 et 108
du traité, qui sont comptabilisées par la personne
morale visée dans la phrase liminaire, dans les
comptes annuels afférents à l'exercice comptable
clôturé avant l'exercice comptable se rattachant
au premier exercice d'imposition pour lequel
cette personne morale est assujettie à l'impôt des
sociétés, sont considérées comme des réserves
déjà taxées et comme faisant partie de la valeur
d'investissement des éléments d'actif sous-
jacents au sens de l'article 61 du Code des impôts
sur les revenus 1992, pour autant que les plus-
values de réévaluation remplissent les conditions
prévues par l'article 57 de l'arrêté royal du 30
janvier 2001 portant exécution du Code des
sociétés ;
4° les plus-values de réévaluation sur des
immobilisations corporelles pour lesquelles des
aides
à
l'investissement
répondraient
aux
conditions prévues à l'article 56ter ou 56quater
du Règlement (UE) n° 651/2014 du 17 juin 2014
de
la
Commission
européenne
déclarant
certaines catégories d'aides compatibles avec le
marché intérieur sur base des articles 107 et 108
du traité, qui sont comptabilisées par la personne
morale visée dans la phrase liminaire, dans les
comptes annuels afférents à l'exercice comptable
clôturé avant l'exercice comptable se rattachant
au premier exercice d'imposition pour lequel
cette personne morale est assujettie à l'impôt des
sociétés, sont considérées comme des réserves
déjà taxées et comme faisant partie de la valeur
d'investissement des éléments d'actif sous-
jacents au sens de l'article 61 du Code des impôts
sur les revenus 1992, pour autant que les plus-
values de réévaluation remplissent les conditions
prévues par l’article […] de l’arrêté royal du […]
portant exécution du Code des sociétés et des
associations ;
(…)
(…)
Section 6. Régime de récupération des aides
d'Etat
Article 100, alinéa 1er, de la loi-programme du
25 décembre 2016
Article 100, alinéa 1er, de la loi-programme du
25 décembre 2016
Les définitions qui sont reprises aux articles 2 et
229 du Code des impôts sur les revenus 1992 et
aux articles 5 à 11 du Code des sociétés sont
applicables au présent chapitre.
Les définitions qui sont reprises aux articles 2 et
229 du Code des impôts sur les revenus 1992 et
aux articles 1:14 à 1:20 du Code des sociétés et
des associations sont applicables au présent
chapitre.
Article 101, alinéa 3, de la loi-programme du 25
Article 101, alinéa 3, de la loi-programme du 25
491
3367/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T INGSP ERIOD E
2018
2019
Page 96/96
décembre 2016
décembre 2016
Pour déterminer le montant obtenu à titre d'aide,
il peut le cas échéant être tenu compte des
éléments concrets prouvés par le bénéficiaire de
l'aide qui concernent la prise en compte de
montants exonérés en Belgique en raison de
revenus imposables au niveau d'autres sociétés
liées étrangères telles que définies à l'article 11
du Code des sociétés, et d'autres éléments
concernant des impositions étrangères qui sont
de nature à corriger le montant de l'avantage net
réellement obtenu, et ceci pour autant que la
prise en compte de ces éléments soit conforme à
la
décision
susvisée
de
la
Commission
européenne du 11 janvier 2016.
Pour déterminer le montant obtenu à titre d'aide,
il peut le cas échéant être tenu compte des
éléments concrets prouvés par le bénéficiaire de
l'aide qui concernent la prise en compte de
montants exonérés en Belgique en raison de
revenus imposables au niveau d'autres sociétés
liées étrangères telles que définies à l’article
1 :20 du Code des sociétés et des associations, et
d'autres éléments concernant des impositions
étrangères qui sont de nature à corriger le
montant de l'avantage net réellement obtenu, et
ceci pour autant que la prise en compte de ces
éléments soit conforme à la décision susvisée de
la Commission européenne du 11 janvier 2016.
Article 105, de la loi-programme du 25
décembre 2016
Article 105, de la loi-programme du 25
décembre 2016
Dans l'éventualité où une société est absorbée ou
scindée dans le cadre d'une fusion, d'une
opération assimilée à une fusion ou d'une
scission visées aux articles 671 à 677 du Code des
sociétés, ou d'une opération de droit des sociétés
similaire en droit étranger, l'enrôlement de l'aide
à récupérer recueillie par la société absorbée ou
scindée jusque et y compris l'opération précitée,
est établi dans le chef de la société absorbante ou
des sociétés bénéficiaires, même à un moment
où la société absorbée ou scindée n'existe plus en
tant que personne morale.
Dans l'éventualité où une société est absorbée ou
scindée dans le cadre d'une fusion, d'une
opération assimilée à une fusion ou d'une
scission, ou ayant fait l’objet d’une autre
dissolution sans partage total de l’avoir social,
l'enrôlement de l'aide à récupérer recueillie par la
société absorbée ou scindée jusque et y compris
l'opération précitée, est établi dans le chef de la
société absorbante ou des sociétés bénéficiaires,
même à un moment où la société absorbée ou
scindée n'existe plus en tant que personne
morale.
Centrale drukkerij – Imprimerie centrale