Document 54K3424/001

🏛️ KAMER Legislatuur 54 📁 3424 Wetsontwerp 🌐 NL

Inhoud

DE SPOEDBEHANDELING WORDT DOOR DE REGERING GEVRAAGD OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 51 VAN HET REGLEMENT. LE GOUVERNEMENT DEMANDE L’URGENCE CONFORMÉMENT À L’ARTICLE 51 DU RÈGLEMENT. 9841 3424/001 3424/001 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 DOC 54 DOC 54 CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS PROJET DE LOI WETSONTWERP houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses 18 décembre 2018 18 december 2018 SOMMAIRE Pages Résumé ....................................................................... 3 Exposé des motifs ....................................................... 4 Avant-projet ................................................................. 61 Analyses d’impact ....................................................... 119 Avis du Conseil d’État ................................................. 139 Projet de loi ................................................................. 164 Coordination des articles ............................................ 266 INHOUD Blz. Samenvatting .............................................................. 3 Memorie van toelichting .............................................. 4 Voorontwerp ................................................................ 61 Impactanalyses ........................................................... 98 Advies van de Raad van State .................................... 139 Wetsontwerp ............................................................... 164 Coördinatie van de artikelen ....................................... 208 2 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 De regering heeft dit wetsontwerp op 18 december 2018 ingediend. Le gouvernement a déposé ce projet de loi le 18 décembre 2018. De “goedkeuring tot drukken” werd op 19 december 2018 door de Kamer ontvangen. Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le 19 décembre 2018. Abréviations dans la numérotation des publications: DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi du n° de base et du n° consécutif QRVA: Questions et Réponses écrites CRIV: Version Provisoire du Compte Rendu intégral CRABV: Compte Rendu Analytique CRIV: Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analy tique traduit des interventions (avec les an- nexes) PLEN: Séance plénière COM: Réunion de commission MOT: Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) Publications officielles éditées par la Chambre des représentants Commandes: Place de la Nation 2 1008 Bruxelles Tél. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.lachambre.be courriel : publications@lachambre.be Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers Bestellingen: Natieplein 2 1008 Brussel Tel. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.dekamer.be e-mail : publicaties@dekamer.be De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier Afkortingen bij de nummering van de publicaties: DOC 54 0000/000: Parlementair document van de 54e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA: Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV: Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV: Beknopt Verslag CRIV: Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN: Plenum COM: Commissievergadering MOT: Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie PS : Parti Socialiste MR : Mouvement Réformateur CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten sp.a : socialistische partij anders Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen cdH : centre démocrate Humaniste VB : Vlaams Belang PTB-GO! : Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant PP : Parti Populaire Vuye&Wouters : Vuye&Wouters 3 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Dit wetsontwerp, dat uit vier grote luiken bestaat, geeft mede uitvoering aan de begrotingsmaatregelen die door de regering werden getroffen in het kader van het zomerakkoord 2018. Het eerste luik bevat diverse fiscale bepalingen die werden uitgewerkt of verfijnd naar aanleiding van dit zomerakkoord, met name de spreiding van de vrijstel- ling van het sociaal passief, de vervroeging van de in- werkingtreding van de ATAD-interestaftrekbeperking, de invoering van een fiche- en inhoudingsverplichting voor bezoldigingen rechtstreeks toegekend door een buitenlandse moederonderneming aan de werkne- mers van een Belgische dochteronderneming, en ten slotte ook de indexatie van de accijnzen. Het tweede luik omvat fraudebestrijdende bepa- lingen die onder andere een wettelijke uitvoering geven aan bepaalde aanbevelingen die werden ge- maakt in het rapport van de bijzondere Commissie “Internationale fiscale fraude/Panama Papers”. Bovendien wordt ook een systeem van elektronische kennisgeving ingevoerd. Het derde luik bestaat uit louter financiële bepa- lingen, waarbij de Koninklijke Munt van België wordt omgevormd tot een administratieve dienst geïnte- greerd in de FOD Financiën. Daarnaast wordt tevens een begrotingsfonds opgericht. Het vierde en laatste luik bevat diverse fiscale be- palingen die wijzigingen aanbrengen op het vlak van de inkomstenbelastingen, van het recht op geschriften en van registratierechten. Ce projet de loi composé de quatre grands volets contribue à mettre en œuvre les mesures budgétaires prises par le gouvernement dans le cadre de l’accord de l’été 2018. Le premier volet comprend diverses dispositions fiscales élaborées ou affinées lors de l’accord de cet été, notamment l’étalement de l’exonération relative au passif social, l’avancement de l’entrée en vigueur de la limitation de la déduction d’intérêts ATAD, l’instauration d’une obligation de fiche et de retenue pour les rémunérations directement octroyées par une société mère étrangère aux travailleurs d’une filiale belge, et enfin l’indexation des accises. Le deuxième volet comprend des dispositions de lutte contre la fraude qui mettent en œuvre au niveau légal un certain nombre de recommandations formulées dans le rapport de la Commission spéciale “Fraude fiscale internationale/Panama Papers”. De plus, un système de notification électronique est également instauré. Le troisième volet se compose de dispositions purement financières transformant la Monnaie Royale de Belgique en un service administratif intégré au SPF Finances. Un fonds budgétaire et également créé. Le quatrième et dernier volet comprend diverses dispositions fiscales apportant des modifications dans le domaine des impôts sur les revenus, du droit d’écriture et des droits d’enregistrement. RÉSUMÉ SAMENVATTING 4 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 MEMORIE VAN TOELICHTING DAMES EN HEREN, TITEL I Inleidende bepaling Artikel 1 Overeenkomstig artikel 83  van de Grondwet, be- paalt dit artikel dat deze wet een door artikel 74 van de Grondwet beoogde aangelegenheid regelt. TITEL II FISCALE BEPALINGEN ALGEMENE TOELICHTING HOOFDSTUK 1 Eenheidsstatuut Het ontwerp van wet dat de Regering de eer heeft u ter goedkeuring voor te leggen heeft tot doel om de tekst van het artikel 67quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), te verduidelijken en de vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut, waarvan gebruik kan worden gemaakt voor werknemers die bij de desbetreffende belasting- plichtige ten minste vijf dienstjaren hebben verworven na 1 januari 2014, te spreiden over vijf opeenvolgende belastbare tijdperken. Het fiscaal voordeel waarop deze vrijstellingsregeling recht geeft, wordt dus gespreid in de tijd. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Art. 2 Artikel 2 brengt de volgende wijzigingen aan in artikel 67quater, WIB 92: 1°: Het tweede lid wordt aangepast om te verduidelij- ken dat zowel de in aanmerking te nemen bezoldigingen, als het loonpeil steeds per werknemer moeten worden geverifieerd. Voor werknemers die tijdens het belastbaar tijdperk begonnen zijn aan hun zesde tot en met hun twintigste dienstjaar na 1 januari 2014, mogen 3 weken bezoldiging in aanmerking genomen worden. Vanaf het eenentwintigste dienstjaar wordt het vrij te stellen bedrag beperkt tot een week bezoldiging; EXPOSÉ DES MOTIFS MESDAMES, MESSIEURS, TITRE IER Disposition introductive Article 1er Conformément à l’article 83 de la Constitution, cet article précise que la présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la Constitution. TITRE II DISPOSITIONS FISCALES EXPOSÉ GÉNÉRAL CHAPITRE 1ER Statut unique Le projet de loi que le Gouvernement a l’honneur de soumettre à votre approbation a pour but de clarifier le texte de l’article 67quater du Code des impôts sur les revenus 1992 (CIR 92), et de prendre une mesure d’étalement sur cinq périodes imposables successives de l’exonération pour passif social en vertu du statut unique dont l’octroi peut se solliciter pour les travail- leurs qui ont, chez le contribuable concerné, acquis au moins cinq années de service après le 1er janvier 2014. L’avantage fiscal auquel ce régime d’exemption donne droit, sera étalé dans le temps. COMMENTAIRE DES ARTICLES Art. 2 L’article 2  apporte les modifications suivantes à l’article 67quater, CIR 92: 1°: L’alinéa 2 est adapté pour clarifier que les rémuné- rations prises en compte ainsi que le niveau de celles-ci doivent à chaque fois se vérifier par travailleur. Pour les travailleurs qui comptent, au cours de la période imposable, au minimum 5 et au maximum 20 années de service, 3 semaines de rémunération peuvent être prises en compte. A partir de la vingt et unième année, le montant à exonérer est limité à une semaine de rémunération; 5 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 2°en 5°: De invoeging van een lid tussen het tweede en het derde lid beoogt een spreiding over vijf opeenvol- gende belastbare tijdperken van “het recht op vrijstelling voor sociaal passief” (of “het sociaal passief” in het kort). Deze spreiding laat de Staat toe de begrotingskost van deze vrijstelling te temperen voor de eerste jaren waarop zij van toepassing is. Hiervoor wordt het jaarlijkse recht op vrijstelling ver- bonden aan het betrokken belastbaar tijdperk beperkt tot 20 pct. van het “sociaal passief” waarop men recht heeft voor dat belastbaar tijdperk. Het resterende saldo van 80 pct. van het “sociaal passief” wordt gespreid over de 4 daaropvolgende belastbare tijdperken, waardoor in het belastbaar tijdperk X+4 het volledige sociaal passief van belastbaar tijdperk X in aanmerking genomen zal zijn. Dit te spreiden “sociaal passief” wordt dus verworven per belastbaar tijdperk. Dit betekent dat in belastbaar tijdperk X+1 een som van 20 pct. van het sociaal pas- sief ontstaan in belastbaar tijdperk X en bovendien ook 20 pct. van het sociaal passief ontstaan in belastbaar tijdperk X+1 in aanmerking kan genomen worden voor de berekening van de totale vrijstelling; De spreiding van het in artikel 67quater, tweede lid, WIB 92, bedoelde vrij te stellen bedrag van de win- sten en baten, ten belope van 20 pct. per belastbaar tijdperk, is van toepassing zolang dat de betrokken werknemer in dienst van de onderneming blijft. Zodra hij de onderneming verlaat, is de gespreide vrijstelling van het overblijvende deel van het sociaal passief niet meer van toepassing, zodat enkel het deel van het vrij te stellen bedrag dat bij het ontslag van die betrokken werknemer reeds vrijgesteld is, in de winsten en baten van het belastbaar tijdperk waarin de tewerkstelling een einde neemt zal worden opgenomen. 3°, a): De vervanging van de woorden “een maximum- bedrag” door de woorden “een maximumbedrag van bruto maandbezoldiging per werknemer” in het derde lid van artikel 67quater, WIB 92, dat door dit ontwerp het vierde lid wordt, verduidelijkt dat het maximumbe- drag aan bezoldigingen dat in aanmerking mag worden genomen voor deze belastingvrijstelling per werknemer berekend moet worden, zoals reeds werd aangestipt in het verslag aan de Koning van het koninklijk besluit van 25 april 2014 tot wijziging van het KB/WIB 92: “Hierbij (nb: de vrijstelling voor “sociaal passief”) kunnen werk- gevers per werknemer die een bepaalde anciënniteit (5 jaar) in het eenheidsstatuut heeft bereikt, een bepaald deel van hun winsten of baten vrijstellen van belasting” (B.S. 14.05 2014, Ed. 2, p. 39116). Bovendien maakt deze correctie het ook mogelijk om de in hetzelfde verslag aan de Koning uitgedrukte idee te preciseren dat het startpunt voor de berekening van de beperking 2° et 5°: L’insertion d’un alinéa entre les alinéas 2 et 3 vise à étaler sur cinq périodes imposables successives “le droit à l’exonération pour passif social” (ou “le passif social”, tout court). Cet étalement permet à l’État de tempérer le coût budgétaire de cette exonération pour les premières années de son application. A cet effet, le droit d’exonération annuel relatif à la période imposable concernée, est limité à 20 p.c. du “passif social” issu de cette période imposable. Le solde subsistant de 80 p.c. du “passif social” est réparti sur les quatre périodes imposables successives, de sorte qu’à la période imposable X+4 l’entièreté du passif social de la période d’imposition X aura été prise en compte. Ce “passif social” à étaler est donc acquis par période imposable. Cela signifie que pour le calcul de l’exoné- ration totale de la période imposable X+1, il peut être pris en compte une somme de 20 p.c. du passif social issu de la période imposable X, à laquelle s’ajoutent également 20 p.c. du passif social issu de la période imposable X+1; L’étalement du montant des bénéfices et profits à exonérer, visé à l’article 67quater, alinéa 2, CIR 92, à concurrence de 20 p.c. par période imposable est applicable tant que le travailleur concerné reste en service dans l’entreprise. Dès lors que celui-ci quitte l’entreprise, l’exonération étalée de la partie résiduelle du passif social n’est plus applicable, de sorte que seule la partie du montant à exonérer qui est déjà exonérée au moment du départ de ce travailleur sera reprise dans les bénéfices et profits de la période imposable au cours de laquelle l’emploi prend fin. 3°, a): Le remplacement des mots “un montant maxi- mum” par les mots “un montant maximum de rémunéra- tion mensuelle brute par travailleur” dans l’alinéa 3 de l’article 67quater, CIR 92, qui devient par le présent projet l’alinéa 4, précise que le montant maximum des rémunérations qui peut entrer en ligne de compte pour l’exonération d’impôts “Passif social en vertu du statut unique” doit se calculer par travailleur, comme l’indiquait déjà le rapport au Roi de l’arrêté royal du 25 avril 2014 modifiant l’AR/CIR 92: “Elle (nb: l’exonération pour “pas- sif social”) permet aux employeurs d’exonérer d’impôts une partie de leurs bénéfices et profits par travailleur ayant atteint une certaine ancienneté (5 années de service) dans le statut unique” (M.B. 14.05 2014, Ed. 2, p. 39116). En outre, cette correction permet également de préciser l’idée, exprimée dans ce même rapport au Roi, que le point de départ du calcul de la limitation du droit d’exonération conformément à l’article 46ter, 6 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 van het recht op de vrijstelling overeenkomstig artikel 46ter, KB/WIB 92, het “volledig bruto maandloon” is (zie B.S. 14.05 2014, Ed. 2, p. 39116: “Bij de opbouw van het sociaal passief zal tot een bruto maandloon van (...) het volledig maandloon in ogenschouw worden genomen.”, “Het aldus vastgestelde maximum basismaandloon (...)”).Omwille van de rechtszekerheid, was het daarom noodzakelijk om een duidelijkere formulering op te nemen in de wet. 3°, b) en 4°, eerste lid: Naar aanleiding van de wetten van 6 januari 2014 betreffende de herziening van de Grondwet moeten koninklijke besluiten ter uitvoering van wetten waarbij het de bedoeling is dat ze worden bekrachtigd door een wet voortaan enkel worden voor- gelegd aan de Kamer van vertegenwoordigers. 4°, tweede lid: Er wordt een zesde lid toegevoegd aan het artikel 67quater, WIB 92, die de in aanmerking te nemen bruto maandbezoldiging bepaalt. De bruto maandbezoldiging waarop desgevallend de beperking als bedoeld in artikel 46ter, KB/WIB 92, van toepassing is, heeft betrekking op het gemiddelde van alle bruto maandelijkse bezoldigingen, inclusief overuren, die de werknemer ontvangt tijdens het desbetreffende belast- baar tijdperk. Bijgevolg volstaat het dus niet om bijvoor- beeld enkel de laatste vergoeding te nemen, noch de andere bestanddelen van de bezoldiging die geen deel uitmaken van de regelmatig toegekende maandelijkse normale bezoldiging, zoals het vakantiegeld, de einde- jaarspremies, de variabele vergoeding en resultaats- of werknemersparticipatie-gebonden bonussen. De bruto maandbezoldiging is de gemiddelde bruto maandelijkse bezoldiging voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage. 4°, derde lid: Ten slotte wordt een zevende lid toege- voegd aan artikel 67quater, WIB 92, dat bepaalt hoe de maandelijkse bezoldiging moet omgezet worden naar een wekelijkse bezoldiging. De omzettingsmethode van de maandelijkse bezoldiging naar de wekelijkse bezoldiging past een multiplicator van 3/13 toe op de maandelijkse bezoldiging om zo de wekelijkse bezoldi- ging te bepalen. Deze methode is geïnspireerd op de regel bepaald bij artikel 39, § 1, vierde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. VOORBEELD: Veronderstel een zelfstandige met 1  werknemer, wiens bruto maandelijkse bezoldiging 3 000 € bedraagt. Voor de eenvoud wordt er van uitgegaan dat zijn bezol- diging niet van jaar tot jaar evolueert. Deze werknemer voldoet aan de voorwaarde van minimaal vijf dienstjaren in het eenheidsstatuut in 2019 AR/CIR 92, est le “salaire mensuel brut complet” (voir M.B. 14.05 2014, Ed. 2, p. 39116: “Lors de la formation du passif social, un salaire mensuel brut complet (…) sera pris en considération.”, “Le salaire de base mensuel maximum ainsi établi (…)”). Dans un souci de sécurité juridique, il convenait donc d’adopter une formulation plus claire dans la loi. 3°, b) et 4°, premier alinéa: Suite aux lois du 6 janvier 2014 relatives à la révision de la Constitution, les arrêtés royaux pris en exécution de lois pour lesquels il est prévu qu’ils soient confirmés par une loi doivent dorénavant être présentés à la seule Chambre des représentants. 4°, alinéa 2: Il est inséré un alinéa 6 à l’article 67qua- ter, CIR 92, qui définit la rémunération mensuelle brute à prendre en compte. La rémunération mensuelle brute à partir de laquelle s’applique, le cas échéant, la limitation prévue à l’article 46ter, AR/CIR 92, porte sur la moyenne de l’ensemble des rémunérations mensuelles brutes, les heures supplémentaires incluses, que le travailleur a reçues au cours de la période imposable concer- née. Il ne s’agit donc pas de prendre, ni par exemple, uniquement la dernière rémunération, ni non plus les autres éléments constitutifs de la rémunération qui ne font pas partie de la rémunération mensuelle normale allouée régulièrement, comme le pécule de vacances, les primes de fin d’année, les rémunérations variables et bonus liés aux résultats ou à la participation des travailleurs. La rémunération mensuelle brute est la rémunération mensuelle brute moyenne avant retenue des cotisations personnelles de sécurité sociale. 4°, alinéa 3: Enfin, un alinéa est inséré à l’article 67quater, CIR 92, pour déterminer comment transformer la rémunération mensuelle en rémunération hebdoma- daire. La méthode de conversion de la rémunération hebdomadaire à partir de la rémunération mensuelle consiste à multiplier par 3/13ème la rémunération men- suelle pour déterminer la rémunération hebdomadaire. Cette méthode s’inspire de la règle énoncée à l’article 39, § 1er, alinéa 4, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. EXEMPLE: Soit un indépendant, avec un travailleur, dont la rému- nération mensuelle brute est de 3 000 €. Dans un souci de simplification, nous considérons que sa rémunération n’évolue pas d’une année à l’autre. Ce travailleur remplit la condition de 5 années de ser- vice dans le statut unique en 2019, et sa rémunération 7 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 en zijn basismaandbezoldiging bedraagt, bij toepassing van artikel 46ter, eerste lid, KB/WIB 92, 1 830 €, zijnde: 1 500 € + 330 € (= 30 % x (2 600 € – 1 500,01 €)). Het vrij te stellen sociaal passief bedraagt, voor het belastbaar tijdperk 2019 en de daaropvolgende tijdper- ken, 1 267 €, zijnde 1 830 € vermenigvuldigd met 3/13, vermenigvuldigd met 3 weken. Belastbaar tijdperk/ Période imposable 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 Sociaal passief ontstaan uit b.t./ Passif social issu de la p.i. 1 267 1 267 1 267 1 267 1 267 1 267 1 267 Maximaal vrij te stellen in b.t.:/ Maximum à exonérer à la p.i.: 2019 253,4 NA NA NA NA NA NA 253,4 2020 253,4 253,4 NA NA NA NA NA 506,8 2021 253,4 253,4 253,4 NA NA NA NA 760,2 2022 253,4 253,4 253,4 253,4 NA NA NA 1 013,6 2023 253,4 253,4 253,4 253,4 253,4 NA NA 1 267,0 2024 / 253,4 253,4 253,4 253,4 253,4 NA 1 267,0 2025 / / 253,4 253,4 253,4 253,4 253,4 1 267,0 Er wordt aan herinnerd dat de vrijstelling voor soci- aal passief behoort tot de groep van “niet-belastbare bestanddelen” waarnaar in artikel 76, eerste lid, 2°, c, KB/WIB 92, wordt verwezen. Daardoor zal, indien het resultaat van de vennootschap voor een bepaald belastbaar tijdperk ontoereikend is om de aftrek van het totale bedrag van de niet-belastbare bestanddelen (code 1610) toe te staan, het niet-afgetrokken deel van de vrijstelling, behorend tot het globale bedrag van de verschillende niet-belastbare bestanddelen, niet naar de volgende belastbare tijdperken overdraagbaar zijn. Dit deel is dus in voorkomend geval definitief verloren. Er wordt ook nog aan herinnerd dat niet alleen vennootschappen, maar ook natuurlijke personen die werknemers hebben die voldoen aan de voorwaarden van artikel 67quater, WIB 92, kunnen genieten van de vrijstelling voor “sociaal passief”. Hier wordt ten slotte nog aan toegevoegd dat wan- neer een werknemer de onderneming verlaat, de in zijn hoofde gecumuleerde vrijstellingen opnieuw opgeno- men dienen te worden in het belastbaar resultaat. Dat resultaat wordt dan verminderd met de kosten die met het ontslag gepaard gaan. mensuelle de base, en application de l’article 46ter, alinéa 1er, AR/CIR 92, est de 1 830 €, à savoir: 1 500 € + 330 € (= 30 % x (2 600 euros – 1 500,01 euros)). Le passif social à exonérer, à partir de la période imposable 2019 et pour les périodes suivantes, est de 1 267 €, soit 1 830 euros multiplié par 3/13, multiplié par 3 semaines. Rappelons que l’exonération pour passif social appartient au groupe des “éléments non imposables” auquel se réfère l’article 76, alinéa 1er, 2°, c, AR/CIR 92. De ce fait, si les bénéfices de la société pour une période imposable déterminée sont insuffisants pour permettre la déduction du montant total des éléments non imposables (code 1610), la partie de l’exonération, afférente au montant global des différents éléments non imposables, non déduite n’est pas reportable sur les périodes imposables suivantes. Cette partie est donc, le cas échéant, définitivement perdue. Rappelons encore que non seulement les sociétés, mais également les personnes physiques ayant des travailleurs qui répondent aux conditions de l’article 67quater, CIR 92, peuvent bénéficier de l’exemption pour “passif social”. Ajoutons enfin que lorsqu’un travailleur quitte la société, les exonérations cumulées dans le chef de celui-ci doivent être reprises dans le résultat imposable. Ce résultat est ensuite diminué des coûts associés au licenciement. 8 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 3 Dit artikel regelt de inwerkingtreding van artikel 2 van dit ontwerp. Het is belangrijk te onderlijnen dat de vrijstelling voor sociaal passief kan genoten worden van zodra één of meer werknemers minstens 5 dienstjaren in het eenheidsstatuut gepresteerd hebben. Het is daarbij van geen belang of het om een normaal of gebroken boek- jaar gaat, zolang de voormelde voorwaarden vervuld zijn, wordt het recht op de vrijstelling verkregen. HOOFDSTUK 2 ATAD – Interestaftrekbeperking Art. 4 tot 7 De wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting had onder meer de gedeelte- lijke omzetting tot doel van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken, welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (“ATAD-Richtlijn “). De artikelen 34, 35, 36, 39, 6° tot 15° en 40 van de voormelde wet van 25 december 2017 hebben meer bepaald het artikel 198 van het Wetboek van de in- komstenbelastingen 1992 (“WIB 92”) gewijzigd en de nieuwe artikelen 194sexies, 194septies en 198/1 in dit Wetboek ingevoegd met als doel het belastingstelsel van de interestaftrekbeperking in vennootschapsbelasting te voorzien in lijn met de regels van de ATAD-richtlijn. Het artikel 86, B2, van de voormelde wet van 25 december 2017, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, bepaalt de inwerkingtreding van deze bepalingen op 1 januari 2020 en voorziet dat ze van toepassing zijn vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020. Tijdens de opmaak van de begroting 2019 heeft de regering besloten om de inwerkingtreding van deze bepalingen met een jaar te vervroegen, namelijk naar 2019, en dat in overeenstemming van het voorschrift van het artikel 11, eerste lid, van de Richtlijn ATAD en in overleg met de Europese Commissie. Aangezien door de vervroeging van de inwerking- treding van deze maatregel de interestaftrekbeperking op hetzelfde tijdstip in werking zal treden als de aftrek van de groepsbijdrage, is het niet meer noodzakelijk om door middel van twee verschillende wijzigingsartikelen Art. 3 Cet article règle l’entrée en vigueur de l’article 2 du présent projet. Il est important de souligner que l’on pourra bénéfi- cier de l’exonération pour le passif social dès qu’un ou plusieurs employés auront presté au moins 5 années de service dans le statut unique. Il est donc sans impor- tance qu’il s’agisse d’un exercice comptable normal ou à cheval, tant que les conditions précitées sont remplies, le droit à l’exonération est obtenu. CHAPITRE 2 ATAD – Limitation d’intérêts Art. 4 à 7 La loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l’impôt des sociétés avait notamment pour objet de transposer partiellement la directive (UE) 2016/1164 du Conseil du 12 juillet 2016 établissant des règles pour lutter contre les pratiques d’évasion fiscale qui ont une incidence directe sur le fonctionnement du marché intérieur (“Directive ATAD”). Les articles 34, 35, 36, 39, 6° à 15° et 40 de la loi susvisée du 25 décembre 2017 ont en particulier modifié l’article 198 du Code des impôts sur les revenus 1992 (“CIR 92”) et inséré les nouveaux articles 194sexies, 194septies et 198/1 dans le même Code afin d’organiser le régime fiscal de la limitation de la déduction d’intérêts à l’impôt des sociétés suivant les règles énoncées dans la Directive ATAD. L’article 86, B2, de la loi susvisée du 25 décembre 2017, modifié par la loi du 30 juillet 2018, fixe l’entrée de ces dispositions au 1er janvier 2020 et prévoit qu’elles sont applicables à partir de l’exercice d’imposition 2021 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2020. Lors de la confection du budget 2019, le gouverne- ment a décidé d’avancer d’un an, en 2019, l’entrée en vigueur de ces dispositions et ce conformément aux prescriptions de l’article 11, paragraphe 1er, de la Directive ATAD en concertation avec la Commission européenne. Compte tenu que, par l’anticipation de l’entrée en vigueur de cette disposition, la limitation de la déduction des intérêts entrera en vigueur au même moment que la déduction des transferts intra-groupe, il n’est plus nécessaire d’insérer le nouvel article 194septies dans 9 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 het nieuwe artikel 194septies in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in te voegen. Artikel 35 van de voormelde wet van 25 december 2017 wordt bijgevolg ingetrokken. De bepalingen B1 en B2 van artikel 86 van de voor- melde wet van 25 december 2017 zullen aldus gewijzigd worden om de inwerkingtreding van deze bepalingen op 1 januari 2019 vast te stellen, waardoor deze van toepas- sing zullen zijn vanaf het aanslagjaar 2020 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2019. Bovendien wordt er aan herinnerd dat elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, zonder uitwerking blijft voor de toepassing van deze bepalingen. HOOFDSTUK 3 Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse vennootschap verbonden met de werkgever ALGEMENE TOELICHTING Wanneer een werkgever beslist om zijn werknemers te verlonen door het gratis of tegen verminderde prijs toekennen van aandelenopties, is het voordeel dat daar- uit voortvloeit een belastbaar voordeel van alle aard. Dit voordeel maakt deel uit van de bezoldigingen van de werknemer waarop de werkgever bedrijfsvoorheffing moet inhouden. Het komt echter voor dat aandelenopties of andere voordelen van alle aard verleend worden door een derde onderneming die geen inwoner is van België en verbon- den is met de werkgever. Zo kan een buitenlandse moe- dervennootschap bv. aandelenopties toekennen aan werknemers van haar Belgische dochtervennootschap. Op basis van de bestaande bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), moet er voor een dergelijke toekenning geen be- drijfsvoorheffing worden ingehouden. Enerzijds is de moedervennootschap die de aandelenopties toekent een buitenlandse vennootschap waardoor deze im- mers moeilijk onderworpen kan worden aan een uit het Belgische recht voortvloeiende verplichting om bedrijfsvoorheffing in te houden. Anderzijds is de Belgische dochtervennootschap, die de werkgever is van de begunstigde van de aandelenopties, er niet toe gehouden om bedrijfsvoorheffing in te houden naar aanleiding van deze verrichting als ze er zelf niet in tussenkomt (als schuldenaar, als bewaarder, als le Code des impôts sur les revenus 1992 au moyen de deux articles modificatifs différents. Par conséquent, l’article 35 de la loi précitée du 25 décembre 2017 est retiré. Les dispositions B1 et B2 de l’article 86 de la loi sus- visée du 25 décembre 2017 seront dès lors modifiées afin que l’entrée en vigueur des dispositions en question soit fixée le 1er janvier 2019, de sorte que celles-ci soient applicables à partir de l’exercice d’imposition 2020 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2019. Par ailleurs, il est rappelé que toute modification apportée à la date de clôture de l’exercice comptable à partir du 26 juillet 2017, reste sans effet pour l’application de ces dispositions. CHAPITRE 3 Rémunérations reçues d’une société étrangère liée à l’employeur EXPOSÉ GÉNÉRAL Lorsqu’un employeur décide de rémunérer ses travailleurs au moyen de l’attribution gratuite ou à prix réduit d’options sur des actions, l’avantage qui en résulte constitue un avantage de toute nature imposable. Cet avantage fait partie de la rémunération du travailleur, sur base de laquelle l’employeur est tenu de retenir un précompte professionnel. Il arrive cependant que les options sur actions ou d’autres avantages de toute nature soient octroyés par une entreprise tierce, non résidente en Belgique, et liée à l’employeur. Concrètement, une société-mère étrangère peut accorder, par exemple, des options sur actions aux travailleurs de sa société-filiale belge. En l’état actuel du Code des impôts sur les revenus 1992 (CIR 92), une telle situation ne requiert pas de percevoir un précompte professionnel. En effet, d’une part, la société-mère qui attribue les options sur actions est une société étrangère, et elle peut donc difficilement être soumise à une obligation de droit belge de prélever un précompte. D’autre part, la société-filiale belge, qui est l’employeur du bénéficiaire des options sur actions, n’est pas tenue de prélever un précompte professionnel à l’occasion de cette opération si elle n’intervient pas du- rant celle-ci (que ça soit à titre de débitrice, dépositaire, mandataire ou intermédiaire). Cependant, si la filiale belge intervient de façon active dans l’opération, elle est qualifiée d’intermédiaire raison pour laquelle elle est 10 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 mandataris of als tussenpersoon). Echter, indien de Belgische dochtervennootschap actief tussenkomt in de verrichting wordt ze als tussenpersoon beschouwd, waardoor ze overeenkomstig de relevante bepalingen van het WIB 92 momenteel reeds verplicht is om be- drijfsvoorheffing in te houden. Bovendien is het mogelijk dat de Administratie er niet van op de hoogte wordt gebracht dat een dergelijke toe- kenning heeft plaatsgevonden, en dit niettegenstaande de verplichting om individuele en samenvattende fiches op te maken die door artikel 44, tweede lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen wordt opgelegd. Wanneer er geen bedrijfsvoorheffing wordt ingehou- den en ook de verplichting om bepaalde inlichtingen te verstrekken niet wordt gerespecteerd, ontsnapt dit type van toekenning van aandelenopties via een verbonden buitenlandse vennootschap aan de belastingheffing. Dit hoofdstuk wil de onderworpenheid van deze toe- kenningen aan de belastingheffing benadrukken door een fictie te creëren die de werkgever van de begun- stigde van een dergelijke verrichting ertoe verplicht om niet alleen bedrijfsvoorheffing in te houden, maar ook de ficheverplichting te vervullen. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Afdeling 1 Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 8 Dit artikel voegt in artikel 270, WIB 92 een tweede lid in. Voortaan wordt een belastingplichtige die onder- worpen is aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting en waarbij diens werknemer wegens of naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit bij die belastingplichtige bezoldigingen en/of voordelen van alle aard ontvangt zoals bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, WIB 92 vanwege een met die belastingplichtige verbonden buitenlandse vennootschap, geacht die be- zoldigingen en/of voordelen van alle aard zelf te hebben toegekend. Ook de belastingplichtige die onderworpen is aan de belasting der niet-inwoners, wiens werknemer vanwege een met de belastingplichtige verbonden buitenlandse vennootschap dergelijke bezoldigingen verkrijgt en waarvoor de belastingplichtige zelf bezoldi- gingen betaalt of toekent die beroepskosten zijn, wordt geacht deze bezoldigingen zelf te hebben toegekend. déjà tenue en application des dispositions pertinentes du CIR 92 de prélever du précompte professionnel. Par ailleurs, il se peut que l’Administration ne soit pas tenue informée de la survenance d’une telle attri- bution, et ce malgré l’obligation d’établir des fiches individuelles et de relevés récapitulatifs contenue à l’article 44, alinéa 2, de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d’action belge pour l’emploi 1998 et portant des dispositions diverses. En l’absence de retenue du précompte professionnel, et en l’absence du respect de l’obligation de transmettre certaines informations, ce type d’attribution d’options sur actions via une société liée étrangère échappe à l’impôt qui devrait normalement être dû. Le présent chapitre vise à souligner l’assujetissement de ces attributions à l’impôt, en créant une fiction obli- geant l’employeur du bénéficiaire d’une telle opération non seulement à prélever un précompte professionnel, mais aussi à établir une fiche. COMMENTAIRE DES ARTICLES Section première Modifications du Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 8 Cet article insère un alinéa 2 à l’article 270, CIR 92. Désormais, un contribuable imposable à l’impôt des sociétés ou à l’impôt des personnes morales dont un travailleur reçoit en raison ou à l’occasion de son activité professionnelle auprès du contribuable des rémunéra- tions et/ou des avantages de toute nature tels que visés à l’article 30, 1° et 2°, CIR 92 de la part d’une société étrangère liée à ce contribuable sera considéré comme ayant lui-même octroyé ces rémunérations et/ou ces avantages de toute nature. Le contribuable assujetti à l’impôt des non-résidents, dont un travailleur reçoit de la part d’une société étrangère liée à ce contribuable de telles rémunérations et pour lequel le contribuable paye ou attribue lui-même des rémunérations qui constituent des frais professionnels, sera également considéré comme ayant lui-même octroyé ces rémunérations. 11 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 De werknemer in kwestie heeft dus wel degelijk een arbeidsrelatie met zijn Belgische werkgever, en niet met de buitenlandse moederonderneming of het buitenland- se hoofdhuis van deze laatste. Het betreft hier dus geen geval van salary split, aangezien het werk wel degelijk enkel wordt uitgevoerd voor de Belgische werkgever, hoewel een deel van de bezoldiging betaald wordt door een buitenlandse onderneming zonder in contractueel verband te staan met de werknemer. De hypothese van salary split, hetgeen hier dus niet wordt beoogd, zou met zich meebrengen dat de werknemer in contractueel verband staat met zowel de Belgische vennootschap als de verbonden buitenlandse vennootschap. De werknemer kan onderworpen zijn aan de perso- nenbelasting (PB) of aan de belasting der niet-inwoners betreffende natuurlijke personen (BNI/nat.pers.). Het nieuwe artikel 270, tweede lid, WIB 92, beoogt namelijk de begunstigden die bezoldigingen ontvangen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, WIB 92, dat zijn de bezoldigingen van werknemers (1°) en de bezoldigingen van bedrijfs- leiders (2°). Dit artikel, dat evenwel enkel aanwezig is in het deel met betrekking tot de PB, is eveneens van toepassing op de BNI/nat.pers. Artikel 228, § 2, 6°, WIB 92, definieert namelijk als belastbare inkomsten in de BNI/nat.pers. de bezoldigingen bedoeld in artikel 23, § 1, 4°, WIB 92, dewelke de “bezoldigingen” vermeld, die vervolgens worden gedefinieerd in artikel 30, WIB 92. Een buitenlandse vennootschap is een vennootschap die in België geen maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer heeft (artikel 2, § 1, 5°, c, WIB 92). Deze fictie wordt uitdrukkelijk beperkt tot de toepas- sing van de bedrijfsvoorheffing en heeft, gelet op het principe van de hiërarchie der normen, voorrang op de bepalingen van het Koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/ WIB 92). Deze wettelijke fictie is bovendien enkel van toepas- sing op de bedrijfsvoorheffing voor zover het gaat om een voorschot op de belasting. Het is wel degelijk in die zin dat de term “voor de toepassing van de bedrijfsvoor- heffing” van de inleidende zin van artikel 270, tweede lid, WIB 92 nieuw moet worden begrepen. De fictie kan niet worden toegepast op de bedrijfsvoorheffing als berekeningsgrondslag voor een fiscaal voordeel in hoofde van de werkgever. Ze heeft derhalve geen impact op de toepassing van de vrijstellingen van doorstorten van bedrijfsvoorheffing (artikelen 2751 tot 27511, WIB 92). De fictie heeft enkel een impact op het vlak van de berekening van het bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat moet worden geïnd en op de wijze waarop de bedrijfs- voorheffing wordt geïnd. Het is logisch dat de impact Le travailleur en question est donc bien dans une relation de travail avec son employeur belge, et pas avec la société mère étrangère ou le siège principal étranger de ce dernier. Il ne s’agit donc pas d’un cas de salary split, puisque le travail est bien effectué uni- quement pour l’employeur belge, bien qu’une partie de la rémunération soit payée par une entreprise étrangère sans lien contractuel avec le travailleur. L’hypothèse du salary split, non visée ici, impliquerait que le travailleur soit à la fois dans des liens contractuels avec la société belge et avec la société liée étrangère. Le travailleur peut être assujetti à l’impôt des per- sonnes physiques (IPP) ou à l’impôt des non-résidents/ personnes physiques (INR/pp). En effet, l’article 270, alinéa 2, CIR 92 nouveau, vise les bénéficiaires rece- vant des rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, CIR 92, à savoir les rémunérations des travailleurs (1°) et les rémunérations des dirigeants d’entreprise (2°). Cet article, bien que présent uniquement dans la partie relative à l’IPP, est entièrement applicable à l’INR/pp. En effet, l’article 228, § 2, 6°, CIR 92, définit comme revenus imposables à l’INR/pp les rémunérations visées à l’article 23, § 1er, 4°, CIR 92, lequel mentionne les “rémunérations”, qui sont ensuite définies à l’article 30, CIR 92. La société étrangère est celle qui n’a pas en Belgique son siège social, son principal établissement ou son siège de direction ou d’administration (article 2, § 1er, 5°, c, CIR 92). Cette fiction légale est expressément limitée à l’application du précompte professionnel, et s’impose, eu égard au principe de la hiérarchie des normes, aux dispositions règlementaires contenues dans l’arrêté royal d’exécution du Code des impôts sur les revenus 1992 (AR/CIR 92). En outre, cette fiction légale s’applique uniquement au précompte professionnel en tant qu’il s’agit d’une avance sur l’impôt. C’est bien en ce sens qu’il faut entendre les termes “pour l’application du précompte professionnel” de la phrase liminaire de l’article 270, ali- néa 2, CIR 92 nouveau. La fiction ne saurait s’appliquer au précompte professionnel en tant que base de calcul d’un avantage fiscal dans le chef de l’employeur. Ainsi, elle n’a pas d’effet pour l’application des dispenses de versement de précompte professionnel (articles 2751 à 27511, CIR 92). La fiction ne produit ses effets que dans le cadre du calcul du montant du précompte profes- sionnel à percevoir et dans le mode de perception du précompte professionnel. Il est logique que les effets de cette fiction ne s’étendent pas aux dispenses de 12 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 van deze fictie zich niet uitstrekt tot de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. Dit zou immers neerkomen op het verlenen van een fiscaal voordeel dat als een lastenverlaging wordt beschouwd, aan een persoon die in werkelijkheid de economische kost van die last niet draagt. Voor het begrip verbonden vennootschap verwijst de bepaling naar artikel 1:20 van het Wetboek van vennoot- schappen en verenigingen. Derhalve worden als met een andere vennootschap verbonden vennootschap- pen beschouwd, de vennootschappen die deze eerste vennootschap controleren, de vennootschappen die door deze gecontroleerd worden, de vennootschappen waarmee ze een consortium vormt of nog de vennoot- schappen die, bij weten van haar bestuursorgaan, onder de controle staan van de verbonden vennootschap in de zin van één van de vorige gevallen (indirecte controle). Het begrip controle wordt eveneens omschreven in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. Art. 9 Dit artikel wijzigt artikel 272, eerste lid, WIB 92 in eerste instantie om elke twijfel weg te nemen met be- trekking tot de gevolgen van de invoering van de fictie door het vorige artikel. Artikel 272, eerste lid, 3°, WIB 92 nieuw laat expliciet toe aan de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing die door de fictie worden geviseerd om de bedrijfsvoorhef- fing in te houden die door die fictie verschuldigd is op alle belastbare inkomsten die ze storten aan de betrokken begunstigde van de bezoldigingen. Dit artikel wijzigt ook de verwijzingen naar artikel 270, WIB 92, gelet op de onderverdeling van dat laatste artikel in meerdere leden. Art. 10 tot 21 Deze artikelen wijzigingen de verwijzingen naar artikel 270, WIB 92, dat voortaan een tweede lid kent. Afdeling 2 Verplichtingen tijdens overgangsperiode voor de inkomsten van het belastbaar tijdperk 2018 Art. 22 en 23 Dit autonoom artikel voegt een ficheverplichting in ten aanzien van de belastingplichtige wiens werknemer versement de précompte professionnel. En effet, cela reviendrait à accorder un avantage fiscal considéré comme un allégement de charges à une personne qui ne supporte pas en réalité le coût économique de la charge en question. Pour la notion de société liée, la disposition renvoie à l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations. Sont donc considérées comme sociétés liées à une autre société, les sociétés que cette dernière contrôle, celles qui la contrôlent, celles avec lesquelles elle forme un consortium ou encore celles qui, à la connaissance de son organe d’administration, sont contrôlées par une société liée selon un des cas précédents (contrôle indirect). La notion de contrôle est également définie par le Code des sociétés et des associations . Art. 9 Cet article modifie principalement l’article 272, alinéa 1er, CIR  92, afin d’ôter tout doute quant aux conséquences de l’introduction de la fiction par l’article précédent. L’article 272, alinéa 1er, 3°, CIR 92 nouveau, permet ainsi explicitement aux redevables du précompte profes- sionnel visés par la fiction de retenir le précompte dû en raison de cette fiction sur tous les revenus imposables qu’ils versent au bénéficiaire des rémunérations. Par ailleurs, cet article modifie des références à l’article 270, CIR 92, suite à sa subdivision en alinéas. Art. 10 à 21 Ces articles modifient des références à l’article 270, CIR 92, désormais doté d’un alinéa 2. Section 2 Obligation transitoire pour les revenus de la période imposable 2018 Art. 22 et 23 Cet article autonome instaure une obligation de fiche à l’égard du contribuable dont un travailleur perçoit 13 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 bezoldigingen ontvangt van een buitenlandse vennoot- schap verbonden aan deze belastingplichtige. Deze ver- plichting is beperkt tot de inkomsten van het jaar 2018. Inderdaad, vanaf inkomstenjaar 2019 moeten deze belastingplichtigen bedrijfsvoorheffing inhouden op deze bezoldigingen (artikel 270, tweede lid, WIB 92, zoals ingevoegd door artikel 8 van dit ontwerp). Zij zijn boven- dien eveneens gehouden tot de ficheverplichtingen die reeds bestonden met betrekking tot de bedrijfsvoorhef- fing. Er bestaat dus geen specifieke verplichting voor de inkomsten betaald of toegekend in het inkomstenjaar 2018. Dit artikel creëert een dergelijke verplichting. De Koning zal de af te leveren modelfiche opstel- len. Deze fiche dient via elektronische weg de FOD Financiën te bereiken voor 1 maart 2019. Het niet-respecteren van deze verplichting zal ge- sanctioneerd worden met een boete van 10 pct. van het bedrag aan betaalde of toegekende bezoldigingen per inbreuk. De andere bepalingen van het WIB 92 (on- derzoeksprocedure, beroep, enz.) zijn van toepassing met uitzondering van de artikelen 219 en 445, WIB 92. De boete wordt echter niet toegepast indien de belastingplichtige kan aantonen dat het bedrag van de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, WIB 92, reeds begrepen is in een door de begunstigde in België ingediende aangifte of in een gelijkaardig in het buitenland ingediende aangifte. In dat geval is de be- lastbaarstelling van de bezoldiging reeds verzekerd en is het niet meer noodzakelijk een bijkomende boete op te leggen aan de belastingplichtige. Deze ficheverplichting voor inkomstenjaar 2018 is een autonoom artikel. Gezien de zeer beperkte duur van de maatregel, is het niet nuttig om deze in het WIB 92 in te voegen. Het advies nr. 64.422/3 van de Raad van State wordt op dit punt niet gevolgd. Art. 24 Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit hoofd- stuk. De fictie met betrekking tot de bedrijfsvoorheffing treedt in werking op 1 januari 2019. Ze zal dus van toe- passing zijn op de bezoldigingen die vanaf die datum worden toegekend. Voor de bezoldigingen toegekend of betaald in kalen- derjaar 2018, is een tijdelijke bepaling ingevoerd die een loutere ficheverplichting instelt in hoofde van de werk- gever van de begunstigde. Het is dan ook noodzakelijk dat deze bepaling in werking treedt op de dag waarop de wet wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad des rémunérations d’une société étrangère liée à ce contribuable. L’obligation est limitée aux revenus de l’année 2018. En effet, à partir de l’année de revenus 2019, ces contribuables seront tenus de retenir un précompte professionnel sur ces rémunérations (article 270, alinéa 2, CIR 92, tel qu’inséré par l’article 8 en projet). En plus, ils seront également tenus par les obligations de fiche déjà existantes en matière de précompte professionnel. Il n’existe donc pas d’obligation particulière pour les revenus payés ou attribués au cours de l’année de reve- nus 2018. Le présent article crée une telle obligation. Le Roi établira le modèle de fiche à fournir. Cette fiche devra parvenir par voie électronique au SPF Finances avant le 1er mars 2019. Le non-respect de cette obligation sera sanctionné par une amende de 10 p.c. du montant des rémunéra- tions payées ou attribuées. Les autres dispositions du CIR 92 (procédures d’investigation, recours, etc.) sont applicables à l’exception des articles 219 et 445, CIR 92. Aucune amende n’est appliquée cependant lorsque le contribuable peut démontrer que les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, CIR 92 sont comprises dans une déclaration introduite en Belgique ou dans une déclaration analogue introduite à l’étranger par le bénéficiaire. Dans ce cas, l’imposabilité de la rémuné- ration est déjà assurée et il n’est donc plus nécessaire d’infliger une amende supplémentaire au contribuable. Cette obligation de fiche pour l’année de revenus 2018 constitue une disposition autonome. Etant donné la durée très limitée de la mesure, il n’est pas utile de l’insérer dans le CIR 92. L’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État n’a pas été suivi sur ce point. Art. 24 Cet article règle l’entrée en vigueur du présent cha- pitre. La fiction concernant le précompte professionnel entre en vigueur au 1er janvier 2019. Elle s’appliquera donc aux rémunérations à partir de cette date. Pour les rémunérations attribuées ou payées au cours de l’année civile 2018, une disposition temporaire est introduite qui instaure une obligation d’établir une fiche dans le chef de l’employeur du bénéficiaire. Il est donc nécessaire que cette disposition entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge et au plus tard le 14 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 en ten laatste op 31 december 2018. Aangezien de bezoldigingen heden reeds belastbaar zijn, maar door het ontbreken van een ficheverplichting men deze in- komsten soms niet aangeeft, is deze ficheverplichting onontbeerlijk voor de goede werking van de openbare dienst alsook om de effectieve belastingheffing te ver- zekeren. Bovendien grijpt deze tijdelijke bepaling niet in op het materiële recht, noch doet zij een nieuw be- lastbaar feit ontstaan of verbreedt zij enige belastbare grondslag, maar maakt zij een loutere maatregel van procedureel recht uit, die enkel een bestaande toestand van belastbaarheid bevestigt. TITEL III Fraudebestrijding HOOFDSTUK 1 Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen ALGEMENE TOELICHTING Volgend op de zwaarte van de onthullingen in de me- dia betreffende de Panama Papers op 4 april 2016, heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers op 21 april 2016 een bijzondere commissie ingesteld “Internationale fiscale fraude/ Panama Papers”. Deze Commissie had tot doel om het juridisch kader, de middelen en de resultaten van de strijd tegen de internationale belastingontwijking en fraude in België te onderzoeken en met name in het verlengde van de uitgebrachte aanbevelingen door de parlementaire onderzoekscommissie betreffende de grote fiscale fraudedossiers in 2009 (DOC 52 34/04). Het rapport van de bijzondere Commissie “Internationale fiscale fraude/ Panama Paper” is uit- gebracht op 31 oktober 2017 (DOC 54 2749/001). Het bevat 132 aanbevelingen gericht op verbeteringen zowel op juridisch vlak als op organisatorisch vlak binnen ver- schillende diensten belast met de strijd tegen de fiscale fraude. Deze aanbevelingen zijn geordend volgens de volgende thema’s: — Maatregelen met betrekking tot de toezichthouder; — Antiwitwaswetgeving; — Klokkenluiders; — Wijzigingen van fiscale wetgeving; 31 décembre 2018. Vu que les rémunérations sont déjà imposables actuellement, mais qu’à cause d’un défaut d’obligation d’établir une fiche ces rémunérations ne sont parfois pas déclarées, cette obligation d’établir une fiche est nécessaire au bon fonctionnement du service public, et aussi à la garantie du prélèvement effectif de l’impôt. De plus, cette disposition temporaire n’intervient pas sur le droit matériel, elle ne fait pas naître un nouveau fait générateur et elle n’élargit pas la base imposable, mais celle-ci est une pure mesure de droit procédural, qui ne confirme qu’un état existant d’imposabilité. TITRE III Lutte contre la fraude CHAPITRE 1ER Modifications en matière d’impôts sur les revenus EXPOSÉ GÉNÉRAL Suite à la gravité des révélations dans la presse liées aux Panama Papers le 4 avril 2016, la Chambre des représentants a institué le 21  avril  2016 une Commission spéciale “Fraude fiscale internationale/ Panama Papers”. Cette Commission avait pour mission d’examiner le cadre juridique, les moyens et les résultats de la lutte contre l’évasion et la fraude fiscales internationales en Belgique et ce notamment dans la continuité des recommandations émises par la commission d’enquête parlementaire relative aux grands dossiers de fraude fiscale en 2009 (DOC 52 34/04). Le rapport de la Commission spéciale “Fraude fiscale internationale/Panama Papers” a été rendu le 31  octobre  2017 (DOC 54  2749/001). Il contient 132 recommandations visant à des améliorations tant sur le plan juridique qu’organisationnel au sein des différents services chargés de la lutte contre la fraude. Ces recommandations sont articulées selon les théma- tiques suivantes: — Mesures relatives à l’autorité de contrôle; — Législation anti-blanchiment; — Lanceurs d’alerte; — Modifications de la législation fiscale; 15 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 — Statuut, aansprakelijkheid en sensibilisering van banken en fiscaal adviesverleners; — Strafprocesrecht; — Organisatorische aspecten binnen justitie; — Organisatorische aspecten binnen de politiediensten; — Organisatorische aspecten binnen de BBI; — Coherente aanpak van fiscale fraude; — Jaarlijkse rapportering. Het voorgestelde ontwerp heeft tot doel om al enkele van deze aanbevelingen waarbij wettelijke wijzigingen werden gesuggereerd te concretiseren. Dat is met name het geval voor: — het verbod tot het afsluiten van een voorafgaande beslissing inzake verrichtingen met de belastingparadij- zen (aanbevelingen 21 en 36); — een verlenging van de aanslagtermijn naar 10 jaar wanneer er gebruik werd gemaakt van juridische con- structies in belastingparadijzen die ertoe strekken de herkomst en/of het bestaan van het vermogen te verhul- len (aanbeveling 69); — uitbreiding van het toepassingsveld van de uitwis- seling van inlichtingen met betrekking tot de identiteit van de uiteindelijk begunstigden (aanbevelingen 74 en 75). Tenslotte werd er bij de totstandkoming van de nieuwe maatregelen, daar waar nodig, eveneens rekening ge- houden met de aanbevelingen die er gekomen zijn naar aanleiding van de laatste peerreview. De Raad van State stelt in het randnummer 5 van haar advies nr. 64.422/3  dat het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit moet gevraagd worden voor de artikelen 26, 29,2° en 30 van dit ont- werp aangezien ze handelen over de verwerking van persoonsgegevens. Op 25  oktober  2018 werd voor de voormelde ar- tikelen 26 en 30 een spoedadvies gevraagd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit. Dit advies werd op heden [1] nog niet ontvangen. 1 Heden = 29/11/2018. — Statut, responsabilité et sensibilisation des banques et des conseillers fiscaux; — Procédure pénale; — Aspects organisationnels au sein de la Justice; — Aspects organisationnels au sein des services de police; — Aspects organisationnels au sein de l’ISI; — Lutte cohérente contre la fraude fiscale; — Rapportage annuel. Le présent projet a pour objectif de concrétiser d’ores et déjà certaines de ces recommandations dans les- quelles étaient suggérées des adaptations légales. Tel est le cas notamment en ce qui concerne: — l’interdiction de prendre une décision anticipée relative à des transactions avec des paradis fiscaux (recommandations 21 et 36); — un allongement du délai d’imposition à 10 ans lorsqu’il est fait usage de constructions juridiques situées dans des paradis fiscaux visant à camoufler l’ori- gine et/ou l’existence du patrimoine (Recommandation 69); — une extension du champ d’application de l’échange de renseignements en ce qui concerne l’identité des bénéficiaires effectifs (recommandations 74 et 75). Il a en outre été également tenu compte lors de la réalisation des nouvelles mesures, là où cela était nécessaire, des recommandations qui ont été formulées à la suite du dernier peer review. Le Conseil d’État affirme dans la recommandation numéro 5 de son avis n° 64.422/3 que l’avis de l’Autorité de protection des données doit être demandé pour les articles 26, 29, 2° et 30 du présent projet étant donné qu’ils traitent du traitement de données à caractère personnel. En date du 25 octobre 2018, un avis a été demandé en urgence à l’Autorité de protection des données pour les articles 26 et 30 susvisés. Cet avis n’a, à présent [1], pas encore été reçu. 1 Présent = 29/11/2018. 16 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Voor het artikel 29, 2° werd geen advies gevraagd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit daar het hier niet om een nieuwe bepaling gaat. Deze bepaling is terug te vinden in het artikel 322, § 1, derde lid, WIB 92 zoals het bestond alvorens te zijn gewijzigd door artikel 29 van dit ontwerp. Voor de volledigheid worden hierna nog de adviezen met betrekking tot de toegang tot het UBO-register waar- over de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer zich heeft uitgesproken, weergegeven: 1. het KB met betrekking tot de werkingsmodaliteiten van het UBO-register in haar adviezen 46/2017 van 20 september 2017 en 43/2018 van 23 mei 2018; 2. het KB dat de voorwaarden en modaliteiten regelt voor de raadpleging van de ambtenaren van de FOD Financiën in haar advies 115/2018 van 7 november 2018. De commissie adviseerde de toegang voor de amb- tenaren gunstig mits logging, een machtiging voor het gebruik van het rijksregisternummer en het gebruik van een beveiligd authenticatie-instrument. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1 Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen Afdeling 1 Gegevensuitwisseling met derde landen Art. 25 Het onderhavige wetsontwerp beoogt de uitbreiding van het gegevensuitwisselingsmechanisme waarin wordt voorzien door de artikelen 82 tot en met 84 van de wet van 26 maart 2018 tot omzetting van Richtlijn 2016/2258/EU van de Raad van 6  december  2016 wat betreft toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten. Om aan de internationale verplichtingen van België te voldoen en in overeenstemming te zijn met de OESO- normen voor transparantie en informatie-uitwisseling en tegemoet te komen aan de aanbeveling opgenomen in het peer review-rapport dat in maart 2018, werd uitge- vaardigd door het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoelein- den verzekert dit artikel de toegankelijkheid van de des- betreffende gegevens en derhalve de tijdige gegeven- suitwisseling tussen België en niet-EU-rechtsgebieden Pour l’article 29, 2°, aucun avis n’a été demandé à l’Autorité de protection des données puisque ce n’est pas une nouvelle disposition. Cette disposition se retrouve à l’article 322, § 1er, alinéa 3, CIR 92 tel qu’il existait avant sa modification par l’article 29 du présent projet. Par souci d’exhaustivité, les avis concernant l’accès au registre UBO rendus par la Commission de protection de la vie privée sont à nouveau mentionnés ci-après: 1. l’AR relatif aux modalités de fonctionnement du re- gistre UBO dans ses avis 46/2017 du 20 septembre 2017 et 43/2018 du 23 mai 2018; 2. l’AR qui détermine les conditions et modalités de consultation pour les fonctionnaires du SPF Finances dans son avis 115/2018 du 7 novembre 2018. La Commission a rendu un avis favorable pour l’accès des fonctionnaires pour autant qu’il y ait une autorisation d’utiliser le numéro de registre national et l’utilisation d’un outil d’authentification sécurisé. COMMENTAIRE DES ARTICLES CHAPITRE 1ER Modifications en matière d’impôts sur les revenus Section première Échange de données avec des pays tiers Art. 25 Le présent projet de loi vise à étendre le mécanisme d’échange de données prévu par les articles 82  à 84 de la loi du 26 mars 2018 transposant la Directive 2016/2258/UE du Conseil du 6 décembre 2016 en ce qui concerne l’accès des autorités fiscales aux informations relatives à la lutte contre le blanchiment de capitaux. Afin de remplir les obligations internationales de la Belgique et d’être en conformité avec les normes de l’OCDE en matière de transparence et d’échange de renseignements et de rencontrer la recommandation reprise dans le rapport d’examen par les pairs de mars 2018, publié par le Forum mondial sur la transparence et l’échange d’informations à des fins fiscales, le présent article garantit l’accessibilité des données en question et donc le respect des délais du mécanisme d’échange de données entre la Belgique et les juridictions non 17 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 met wie er een wettelijke basis bestaat voor de uitwis- seling van informatie. Ook de tijdige toegankelijkheid tot dergelijke informatie zoals voorgeschreven door de in de wettekst aangehaalde artikelen van Richtlijn 2015/849/EU inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, teneinde voldoende waarborgen te geven voor de goede functionering van de administra- tieve samenwerking conform artikel 1 van de voormelde Richtlijn 2016/2258/EU, wordt met de toevoeging van artikel 338ter, WIB 92 thans verwezenlijkt. Het doel van de invoeging van artikel 338ter in het WIB 92 is, in het kader van het goede functioneren van de administratieve samenwerking zoals beoogd door de voormelde Richtlijn 2016/2258/EU en de OESO- standaard, de tijdige toegang tot de informatie over de uiteindelijke begunstigden in de nationale wetgeving vast te leggen. De oorspronkelijk aan de Raad van State voorge- legde ontwerptekst werd gewijzigd omdat er, naar aanleiding van een vraag van de Raad van State over de voorgelegde tekst (zie randnummer 21 van het ad- vies nr. 64.422/3), vastgesteld werd dat de voor advies voorgelegde ontwerptekst mogelijks niet voldeed aan de hierboven vermelde doelstelling. De regering is van oordeel dat de nieuw voorgestelde tekst niet opnieuw voor advies aan de Raad van State moet worden voorgelegd. Afdeling 2 Juridische constructies Art. 26 en 27 Naar aanleiding van het parlementair onderzoek naar de grote fiscale fraude dossiers werd de aanbeveling geformuleerd om binnen de vijf jaar te evalueren of de toenmalige verlenging van de verjaringstermijn tot zeven jaar (door middel van de programmawet van 22 december 2008, BS 29 december 2009) voldoende was om fraude tegen te gaan. Tijdens dat onderzoek had men immers vastgesteld dat de destijds onder- zochte dossiers veel tijd in beslag namen ten gevolge de complexiteit van de dossiers, van het aantal actoren, van de te volgen procedures, enz. (DOC 52 0034/004, blz. 242, aanbeveling 35). In de Panamacommissie werd vastgesteld dat deze evaluatie tot nog toe niet heeft plaatsgevonden. De hierboven aangehaalde problemen blijven zich stellen, membres de l’Union européenne avec qui il existe un fondement juridique qui règle les échanges d’informa- tions. Aussi l’accessibilité en temps opportun à de telles informations telles que décrites par les articles cités dans le texte légal de la Directive 2015/849/UE relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, afin de fournir des garanties suffisantes pour le bon fonctionnement de la coopération administrative conformément à l’article 1er de la Directive 2016/2258/ UE susmentionnée, est dès lors réalisée par l’ajout de l’article 338ter, CIR 92. L’objectif de l’insertion de l’article 338ter dans le CIR 92 est, dans le cadre du bon fonctionnement de la coopération administrative telle que visée par la Directive 2016/2258/UE précitée et le modèle OCDE, de déterminer l’accès en temps opportun aux informa- tions sur les bénéficiaires effectifs dans la législation nationale. Le projet de texte initialement soumis au Conseil d’État a été modifié parce que, suite à une question du Conseil d’État sur le texte soumis (voir numéro 21 de l’avis n° 64.422/3), il a été établi que le projet de texte soumis pour avis pouvait ne pas avoir atteint l’objectif mentionné ci-dessus. Le gouvernement est d’avis que le nouveau texte proposé ne devrait pas être soumis de nouveau pour avis au Conseil d’État. Section 2 Constructions juridiques Art. 26 et 27 Suite à l’enquête parlementaire sur les grands dos- siers de fraude fiscale, il avait été recommandé d’évaluer dans les cinq ans si l’allongement des délais de pres- cription à sept ans (par le biais de la loi-programme du 22 décembre 2008, MB 29 décembre 2009) était suffi- sant pour contrer la fraude. Cette enquête avait d’ailleurs permis de constater que l’examen des dossiers avait pris beaucoup de temps en raison de leur complexité, du nombre d’acteurs concernés, des procédures à suivre, etc… (DOC 52 0034/004, p. 242, recommandation 35). La Commission Panama a pu constater que cette évaluation n’avait pas encore eu lieu à ce jour. Les problèmes susmentionnés continuent de se poser, 18 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 zoals uit de hoorzittingen blijkt. Daarenboven hebben de Panamapapers aangetoond dat in het buitenland on- dergebrachte vermogens soms zeer lang aan het zicht van de fiscus kunnen ontsnappen (DOC 54 2749/001, blz. 50, punt H). De internationale dimensie van een deel van de fraude rechtvaardigt dus een verlenging van de aan- slagtermijn, wanneer in een land opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, WIB 92, met uitzondering van de landen waarmee een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten, de belas- tingplichtige gebruik maakt van juridische constructies die ertoe strekken de herkomst of het bestaan van het vermogen te verhullen. Zoals hierboven al aangehaald, kenmerken deze zaken zich immers door een grote complexiteit. Ook is vastgesteld dat vermogens lange tijd verborgen kunnen blijven in het buitenland. Het is aan- bevolen om de aanslagtermijn te verlengen tot 10 jaar, gelijk aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. Voor de definitie van juridische constructie wordt verwezen naar artikel 2, § 1, 13° van het WIB 92. De verlenging van de aanslagtermijn met zeven jaar impliceert logischerwijze een samenhangende verlen- ging van de onderzoekstermijnen bedoeld in artikel 333, WIB 92, hetgeen het doel is van het voorgestelde artikel. Op vergelijkbare wijze als de aanvullende termijn van vier jaar die momenteel voorzien is, zal het beroep op deze buitengewone termijn van zeven jaar eveneens, op straffe van nietigheid in hoofde van de administratie, de voorafgaande melding aan de belastingplichtige op schriftelijke en nauwkeurige wijze van de aanwijzingen van belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoelde tijdperk, vereisen. Afdeling 3 Onderzoeksbevoegdheden Art. 28 Momenteel is het zo dat in het kader van een controle het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen slechts mag worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere titel dan die van attaché. comme on a pu s’en rendre compte lors des auditions. En outre, l’affaire des Panama Papers a démontré que les patrimoines cachés à l’étranger peuvent parfois échapper très longtemps au fisc (DOC 54 2749/001, p. 50, point H). La dimension internationale d’une partie de la fraude justifie donc un allongement du délai d’imposition, lorsque le contribuable fait usage de constructions juridiques, dans le but dissimuler l’origine et/ou l’exis- tence d’un patrimoine, dans un pays figurant sur la liste des États à fiscalité inexistante ou peu élevée visée à l’article 307, § 1/2, alinéa 3, CIR 92 à l’exception des pays avec lesquels une convention préventive de la double imposition a été conclue et à condition que cette convention ou un quelconque autre accord prévoit l’échange de renseignements nécessaires pour appli- quer les dispositions de la législation nationale des États contractants. Comme déjà mentionné ci-dessus, ces dossiers se caractérisent par une grande complexité. On constate également que les patrimoines peuvent rester très longtemps cachés à l’étranger. Il est dès lors recommandé de prolonger le délai d’imposition jusqu’à 10 ans, équivalant au délai de prescription de droit com- mun. Pour la définition d’une construction juridique, il est référé à l’article 2, § 1er, 13° du CIR 92. L’allongement du délai d’imposition de sept ans implique forcément une prolongation concomitante des délais d’investigation prévus à l’article 333, CIR 92, tel est l’objectif du présent article. De manière similaire au délai supplémentaire de quatre ans prévu actuellement, le recours à ce délai extraordinaire de sept ans nécessitera également dans le chef de l’administration, à peine de nullité de l’imposition, la notification préalable au contribuable, par écrit et de manière précise, des indices de fraude fiscale qui existent en ce qui le concerne pour la période considérée. Section 3 Pouvoirs d’investigation Art. 28 Il est actuellement établi que dans le cadre d’un contrôle, le droit d’entendre des tiers et de procéder à une enquête peut uniquement être exercé par un agent ayant un grade supérieur à celui d’attaché. 19 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Op het terrein is het zo dat heel wat ambtenaren hun controletaken niet ten volle kunnen uitoefenen doordat zij niet aan die voorwaarde voldoen. De voorliggende wijziging strekt ertoe artikel 322, § 1, WIB 92, zo aan te passen dat het recht om derden te horen of een onderzoek in te stellen kan worden uitgevoerd door elke ambtenaar die voorzien is van zijn aanstellingsbewijs. Er wordt opgemerkt dat niet alle ambtenaren binnen de administratie controletaken uitoefenen en in dit kader dus gemachtigd worden om derden te horen of een onderzoek in te stellen. De beoogde ambtenaren zijn deze met een functie van minimum financieel deskundige. HOOFDSTUK 2 Wijzigingen aan het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 29 Teneinde het welslagen van de internationale on- derzoeken te garanderen, werd er met de wet van 30 juni 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude een artikel 337/1 in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ingevoerd waarin er wordt afgeweken van de verplichting van passieve openbaar- heid voorzien in artikel 4 van de voormelde wet van 11 april 1994, wat betreft de vragen om inlichtingen, de verzonden antwoorden en de briefwisseling tussen de bevoegde autoriteiten, behalve indien de buitenlandse Staat uitdrukkelijk haar goedkeuring heeft gegeven voor de verspreiding ervan. Met dit artikel wordt een identieke maatregel inge- voerd in het Btw-wetboek. Teneinde de rechten van de persoon in wiens hoofde een buitenlandse staat aan de Belgische fiscus inlich- tingen vraagt zoveel als mogelijk te vrijwaren, wordt de beperking van het verbod tot inzage en afschrift tot de periode gedurende dewelke het onderzoek van de buitenlandse staat loopt en voor zover inzage en af- schrift het onderzoek kan schaden, expliciet in de tekst opgenomen. Zodra het onderzoek van de buitenlandse staat is afgesloten vervalt het verbod. Het akkoord van de buitenlandse autoriteit om de gegevens in te zien is automatisch verworven wanneer deze niet binnen een termijn van 90 dagen op de vraag van de Belgische Staat reageert en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde On constate dans la pratique que de nombreux fonctionnaires ne peuvent exercer pleinement leurs missions de contrôle dans la mesure où ils ne satisfont pas à cette condition. La modification proposée vise à adapter l’article 322, § 1er, CIR 92, de manière telle que le droit d’entendre des tiers et de procéder à une enquête puisse être exercé par tout fonctionnaire qui est muni de sa commission. Il convient de noter que tous les fonctionnaires de l’admi- nistration n’effectuent pas des tâches de contrôle et ne sont donc pas, dans ce cadre, autorisés à entendre des tiers ou à mener une enquête. Les fonctionnaires visés sont ceux qui ont au minimum une fonction d’expert financier. CHAPITRE 2 Modifications du code de la taxe sur la valeur ajoutée Art. 29 Afin de garantir l’efficacité des enquêtes internati o- nales, la loi portant des mesures de lutte contre la fraude fiscale du 30 juin 2017 a introduit un article 337/1 dans le Code des impôt sur les revenus 1992 dans lequel il est dérogé à l’obligation de publicité passive de l’administration prévue à l’article 4 de la loi précitée du 11 avril 1994, concernant les demandes d’informations, les réponses envoyées et la correspondance entre les autorités compétentes, à moins que l’État étranger n’ait expressément autorisé cette divulgation. Il est inséré, avec cet article, une mesure identique dans le Code de la TVA. En vue de garantir autant que possible les droits de la personne à l’égard de qui un État étranger sollicite des informations auprès du fisc belge, la limitation de l’interdiction d’accès et de copies à la période durant laquelle l’enquête de l’État étranger est en cours et pour autant que l’accès et les copies puissent nuire aux besoins de cette enquête, sont reprises explicitement dans le texte. Dès que l’enquête de l’État étranger est clôturée, l’interdiction est levée. L’accord de l’autorité étrangère pour consulter les données est acquis d’office si celle-ci ne répond pas dans un délai de 90 jours à la demande de l’État Belge et n’apporte pas l’information que la confidentialité des données et correspondances échangées selon 20 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 gegevens en de briefwisseling volgens het voorschrift van dit artikel moet voortduren, wanneer de betrokken belastingplichtige uitdrukkelijk de toegang tot zijn dos- sier aan de Belgische Staat heeft gevraagd. HOOFDSTUK 3 Wijzigingen aan de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken Art. 30 In het kader van de strijd tegen de fiscale fraude is het noodzakelijk dat het artikel 22 van de wet van 24 december 2002 wordt uitgebreid. Een loutere ver- wijzing naar de OESO-landen is niet meer voldoende. De uitbreiding van artikel 22  van hogervermelde wet houdt in dat er geen voorafgaande beslissing mag gegeven worden wanneer het betrekking heeft op ver- richtingen of situaties die gelinkt worden aan de lijst van Staten zonder of met een lage belasting die zijn opgenomen in het koninklijk besluit waarnaar artikel 307, § 1/2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbe- lastingen 1992 verwijst, met uitzondering van de landen waarmee een overeenkomst ter voorkoming van dub- bele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten. Voormelde lijst is terug te vinden in artikel 179 van het KB/WIB 92. HOOFDSTUK 4 De invordering Afdeling 1 Verplichting van de betaling in euro door bepaalde administraties van de FOD Financiën Art. 31 Het artikel beoogt dat terugbetalingen, inclusief de terugbetaling van sommen ontvangen in andere valuta’s dan euro, in euro moeten worden uitgevoerd, zodat de wisselkoers niet door de Belgische Staat wordt gedragen. le prescrit du présent article doit perdurer, lorsque le contribuable concerné a explicitement demandé l’accès à son dossier à l’État belge. CHAPITRE 3 Modifications de la loi du 24 décembre 2002 modifiant le régime des sociétés en matière d’impôts sur les revenus et instituant un système de décision anticipée en matière fiscale Art. 30 Dans le cadre de la lutte contre la fraude fiscale, il est nécessaire d’étendre l’article 22  de la loi du 24 décembre 2002. Une simple référence aux pays de l’OCDE n’est plus suffisante. L’extension de l’article 22 de la loi susmentionnée signifie qu’aucune décision anticipée ne peut être prise lorsqu’elle concerne des transactions ou des situations liées à la liste des États à fiscalité inexistante ou peu élevée prévue par l’arrêté royal auquel renvoie l’article 307, § 1er/2, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, à l’exception des pays avec lesquels une conven- tion préventive de la double imposition a été conclue et à condition que cette convention ou un quelconque autre accord prévoit l’échange de renseignements néces- saires pour appliquer les dispositions de la législation nationale des États contractants. La liste précitée figure à l’article 179 de l’AR/CIR 92. CHAPITRE 4 Le recouvrement Section première Obligation de paiement en euros par certaines administrations du SPF Finances Art. 31 L’article d ispose que les remboursements, en ce compris le remboursement des sommes reçues dans des devises autres que l’euro, doivent être effectués en euro de sorte que les frais de change ne sont pas à charge de l’État belge. 21 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Afdeling 2 Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de programmawet (I) van 29 maart 2002 en het burgerlijk Wetboek inzake het E-notariaat ALGEMENE TOELICHTING De artikelen 93ter tot 93nonies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna “Btw- Wetboek”) en de artikelen 433 tot 439 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna “WIB 92”) verplichten de notarissen alsook elke persoon die be- voegd is om authenticiteit te verlenen aan akten hou- dende vervreemding of hypothecaire aanwending van goederen die er krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen vatbaar voor zijn, de fiscale administratie in te lichten wanneer zij worden verzocht dergelijke akten op te maken of er authenticiteit aan te verlenen. Deze informatie stelt een wettelijk mechanisme in werking met de bedoeling een betere invordering van de rechten van de Schatkist mogelijk te maken. De wet houdende diverse bepalingen van 24 juli 2008 en de koninklijke besluiten van 31  maart  2003 en 25 februari 2007 hebben de artikelen 93ter tot 93nonies van het Btw-Wetboek en 433 tot 439 van het WIB 92 ge- wijzigd met het oog op de invoering van een systeem van elektronische toezending – E-notariaat genoemd – tussen de FOD Financiën en sommige ministeriële ambtenaren. Het gebruik van een elektronische verzendingsme- thode laat toe te besparen op de kosten van aange- tekende zendingen, de tijd die besteed wordt aan de verzendingen te beperken en de vrijgekomen tijd te besteden aan maatregelen inzake gedwongen tenuit- voerlegging. De elektronische verzendingsmethode is tot op heden beperkt tot de berichten en de inlichtingen die de notaris of de ambtenaren van aankoopcomités moeten sturen naar de administratie. De artikelen 157  tot 164  van de programmawet van 29  maart  2012, zoals gewijzigd bij wet van 13 december 2012 hebben een mechanisme van ken- nisgeving ingevoerd teneinde de invordering van fiscale schulden in het kader van het openvallen van een na- latenschap te vergemakkelijken, gelijkaardig aan het mechanisme zoals eerder ingevoerd bij vervreemding of hypothecaire aanwending van goederen die er vatbaar voor zijn, behalve wat de gevolgen van de kennisgeving betreft. Het door de notaris, of door elke andere per- soon of dienst bevoegd om een attest van erfopvolging op te stellen (het bevoegde kantoor van de Algemene Section 2 Modifications du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, du Code des impôts sur les revenus 1992, de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 et du Code civil en matière d’E-notariat EXPOSÉ GÉNÉRAL Les articles 93ter à 93nonies du Code de la taxe sur la valeur ajoutée (ci-après “Code TVA”) et les articles 433 à 439 du Code des impôts sur les revenus 1992 (ci- après “CIR 92”) imposent aux notaires ainsi qu’à toute personne habilitée à donner l’authenticité aux actes d’aliénation ou d’affectation hypothécaire de biens qui en sont susceptibles en vertu de dispositions légales ou réglementaires, d’informer l’administration fiscale lorsqu’ils sont requis de dresser ou d’authentifier de tels actes. Cette information engendre tout un mécanisme juridique dont le but est d’améliorer le recouvrement des droits du Trésor. La loi portant des dispositions diverses du 24 juillet 2008 et les arrêtés royaux des 31 mars 2003 et 25 février 2007 ont modifié les articles 93ter à 93nonies du Code TVA et 433 à 439 du CIR 92 afin d’introduire un système de transmission électronique – qualifié d’E- notariat – entre le SPF Finances et certains officiers ministériels. L’utilisation de la transmission électronique permet d’économiser les frais des envois par lettre recomman- dée, de réduire le temps consacré au traitement de ces envois et de se consacrer davantage aux mesures d’exécution forcée. La transmission électronique est jusqu’à l’heure actuelle réservée aux avis et informa- tions que le notaire ou les fonctionnaires des comités d’acquisition sont tenus d’adresser à l’administration. Les articles 157  à 164  de la loi-programme du 29  mars  2012, tels que modifiés par la loi du 13 décembre 2012 ont mis en place un mécanisme de notification facilitant le recouvrement des créances fiscales dans le cadre de l’ouverture d’une succession, semblable à celui mis en place antérieurement en cas d’aliénation ou d’affectation hypothécaire des biens qui en sont susceptibles, sauf en ce qui concerne les effets de la notification. L’avis transmis par le notaire requis de rédiger l’acte ou le certificat d’hérédité visé à l’article 1240bis du Code civil , ou par toute autre personne ou service habilité à établir un certificat d’hérédité (le 22 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Administratie van de Patrimoniumdocumentatie) ver- zonden bericht, vereist om de akte of het attest van erfopvolging bedoeld in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek op te stellen, maakt het voorwerp uit van een elektronische verzendingsmethode, behalve in geval van overmacht of een technische storing. De kennisge- ving van de ontvanger belast met de invordering van fis- cale schulden wordt daarentegen verzonden op papier. Hoofdstuk 2 bevestigt op juridisch vlak de technolo- gische vooruitgang die de ontvangers toelaat om zowel de kennisgevingen bestemd voor de notaris of voor elke persoon die bevoegd is om authenticiteit te verle- nen aan de in de artikelen 93ter van het Btw-Wetboek en 433 van het WIB 92 bedoelde akten, met name de akten tot overdracht van zakelijke rechten en de akten houdende hypothecaire aanwending van goederen die er vatbaar voor zijn, alsook deze bestemd voor elke persoon bevoegd om een akte of attest van erfopvolging op te stellen, elektronisch te verzenden. Bovendien worden de in de voornoemde wettelijke bepalingen opgenomen delegaties eenvormig gemaakt waardoor de verschillende uitvoeringsmaatregelen in één enkel reglementair besluit kunnen worden samengebracht. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Onderafdeling 1 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 32 In toepassing van de wet van 5 mei 2014 houdende de verankering van het principe van de unieke ge- gevensinzameling in de werking van de diensten en instanties die behoren tot of taken uitvoeren voor de overheid en tot vereenvoudiging en gelijkschakeling van elektronische en papieren formulieren en meer in het bijzonder van artikel 2 dat bepaalt dat : “Deze wet heeft tot doel de administratieve verplichtingen van burgers en rechtspersonen te vereenvoudigen door te waarborgen dat gegevens die reeds beschikbaar zijn in een authentieke bron niet opnieuw moeten worden mee- gedeeld aan een federale overheidsdienst en te komen tot een volledige gelijkschakeling tussen elektronische en papieren formulieren.”, werd paragraaf 2 van artikel 62, Btw-Wetboek opgeheven, zodat de aanvrager van een akte van vervreemding of hypothecaire aanwending niet langer gehouden is zijn hoedanigheid van belas- tingplichtige of lid van een btw-eenheid mee te delen aan de instrumenterende notaris, aangezien de fiscale administratie beschikt over dit soort gegevens. bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale) fait l’objet d’une transmis- sion électronique, sauf en cas de force majeure ou de dysfonctionnement technique; par contre la notification du receveur en charge du recouvrement des créances fiscales est envoyée sous format papier. Le chapitre 2 consacre juridiquement l’avancée tech- nologique qui permet aux receveurs de transmettre par voie électronique aussi bien les notifications destinées au notaire ou à toute personne habilitée à donner l’au- thenticité aux actes visés par les articles 93ter du Code TVA et 433 du CIR 92 – à savoir les actes translatifs de droits réels et l’affectation hypothécaire des biens qui en sont susceptibles, ainsi que celles destinées à toute personne habilitée à établir un acte ou certificat d’héré- dité. Au surplus, il uniformise les délégations contenues dans les dispositions légales précitées ce qui permettra aux différentes mesures d’exécution d’être rassemblées dans un seul et unique arrêté réglementaire. COMMENTAIRE DES ARTICLES Sous-section première Code de la taxe sur la valeur ajoutée Art. 32 En application de la loi du 5 mai 2014 garantissant le principe de la collecte unique des données dans le fonctionnement des services et instances qui relèvent de ou exécutent certaines missions pour l’autorité et portant simplification et harmonisation des formulaires électronique et papier, et particulièrement de son article 2 qui dispose que: “ La présente loi tend à alléger les obligations administratives des citoyens et des per- sonnes morales en leur garantissant que les données déjà disponibles dans une source authentique ne devront plus être communiquées une nouvelle fois à un service public fédéral et tend à assimiler complètement les formulaires électroniques et les formulaires papier.”, le paragraphe 2 de l’article 62, Code TVA a été abrogé, de sorte que le requérant d’un acte d’aliénation ou d’affectation hypothécaire n’est plus tenu de décliner sa qualité d’assujetti ou de membre d’une unité TVA au notaire instrumentant, dans la mesure où l’administra- tion fiscale dispose de ce type de données. 23 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 33 Het artikel 66 van het Btw-Wetboek wordt gewijzigd ten gevolge van de opheffing van paragraaf 2 van artikel 62 van hetzelfde Wetboek. Art. 34 De formulering van artikel 93ter van het Btw-Wetboek is afgestemd op artikel 433 van het WIB 92. De notaris is er toe gehouden om de Federale Overheidsdienst Financiën in te lichten over het ontwerp tot opstellen van een akte tot vervreemding of hypothe- caire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed. De term “op elektronische wijze” vervangt de uitdruk- king “door middel van een procedure waarbij informati- catechnieken gebruikt worden”. Wanneer het bericht niet kan verzonden worden op elektronische wijze, omwille van overmacht of een technische storing, dient de notaris systematisch de ontvanger waarvan de eigenaar of de houder van een zakelijk recht afhangt, op de hoogte te stellen ongeacht of de de laatstgenoemde btw-belastingplichtige is of niet. Wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed zijn residentie in het buitenland heeft, wordt de bevoegde dienst voor het ontvangen van het bericht aangewezen door de Koning. Aangezien parafgraaf 2 van artikel 62 van het Btw- Wetboek werd opgeheven, is er geen reden meer dat de notaris lezing geeft aan de verschijnende partijen van dit artikel en het artikel 73 van hetzelfde Wetboek. Verder is de notaris niet meer gehouden de aanvrager van de akte tot vervreemding of hypothecaire aanwending te vragen naar zijn hoedanigheid van belastingplichtige of lid van een Btw-eenheid. Hij draagt bijgevolg geen enkele verantwoordelijkheid dienaangaande. De delegatie aan de minister van Financiën, aan zijn gemachtigde of aan de bevoegde overheid tot bepaling van de praktische toepassingsvoorwaarden van deze paragraaf, wordt vervangen door een delegatie aan de Koning. Art. 35 Ingevolge artikel 93quater, nieuw, van het Btw-Wetboek, gebeurt de kennisgeving aan de notaris of aan iedere ander persoon bevoegd om authenticiteit te verlenen door de ontvangers belast met de invordering van de fiscale schulden van de aanvrager van de akte in Art. 33 L’article 66 du Code TVA a été modifié suite à l’abro- gation du paragraphe 2 de l’article 62 du même Code. Art. 34 La formulation de l’article 93ter du Code TVA est alignée sur l’article 433 du CIR 92. Le notaire est tenu d’informer le Service public fédéral Finances du projet d’établir un acte d’aliénation ou d‘affectation hypothécaire d’un bien susceptible d’hypothèque. La terminologie “voie électronique” se substitue à celle de “procédure utilisant les techniques de l’informatique”. Lorsque l’avis ne peut être envoyé de manière électronique, en raison d’un cas de force majeure ou de dysfonctionnement technique, le notaire est tenu d’aviser systématiquement le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel, que ce dernier soit assujetti ou non à la TVA. Lorsque le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien a sa résidence à l’étranger, le service compétent pour recevoir l’avis est désigné par le Roi. Dans la mesure où le paragraphe 2 de l’article 62 du Code TVA a été abrogé, il n’y a plus lieu pour le notaire de donner lecture aux comparants de cet article et de l’article 73 du même Code. De même, le notaire n’est plus tenu de demander au requérant de l’acte d’aliéna- tion ou d’affectation hypothécaire sa qualité d’assujetti ou de membre d’une unité TVA et n’encourt dès lors aucune responsabilité de ce chef. La délégation au ministre des Finances, à son délégué ou à l’autorité compétente pour déterminer les conditions d’application pratiques de cet article est remplacée par une délégation au Roi. Art. 35 Avec l’article 93quater, nouveau, du Code TVA, la notification effectuée par les receveurs en charge de recouvrer les dettes fiscales du requérant de l’acte en projet, à destination du notaire ou de toute autre personne habilitée à donner l’authenticité, s’effectue 24 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 ontwerp, voortaan hoofdzakelijk op elektronische wijze volgens dezelfde regels die gelden voor de berichten opgesteld door de personen die bevoegd zijn om au- thenticiteit te verlenen aan akten houdende vervreem- ding of hypothecaire aanwending van goederen die er vatbaar voor zijn , namelijk: — door het gebruik van een aangetekende brief in het geval van overmacht of een technische storing; — het vermoeden dat de datum van de kennisgeving op elektronische wijze de datum is van de ontvangst- melding en het prioritaire karakter van de verzending bij aangetekende brief wanneer de datum van die verzen- ding voorafgaat aan de datum van de kennisgeving op elektronische wijze. Deze bewoording houdt geenszins in dat eenzelfde ontvanger binnen de termijn van 12 da- gen meerdere kennisgevingen zou mogen verzenden met andere inhoud. Het handelt terzake over eenzelfde kennisgeving met een enige inhoud. Art. 36 Zoals artikel 93ter, § 1, Btw-Wetboek wordt artikel 93quinquies, §  1, derde lid, van hetzelfde Wetboek aangepast om de uitdrukking “door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt wor- den” te vervangen door “op elektronische wijze”, en om rechtstreeks de ontvanger aan te duiden als persoon die door de notaris moet worden ingelicht. Paragraaf 4, nieuw, van artikel 93quinquies, Btw- Wetboek verleent voortaan aan de Koning de bevoegd- heid om de praktische toepassingsvoorwaarden te bepalen met betrekking tot dit artikel, zoals dit eveneens is voorzien in artikel 93ter, § 4, Btw-Wetboek nieuw. Er moet opgemerkt worden dat artikel 93quinquies, Btw-Wetboek in ontwerp, van toepassing is op alle fiscale schulden, zonder onderscheid of zij het voor- werp hebben uitgemaakt van een ter kennisgebracht of betekend dwangbevel of werden opgenomen in een innings- en invorderingsregister. Art. 37 Gelet op de gewijzigde opmaak van de arti- k e l e n 9 3 t e r t o t 9 3 q u i n q u i e s v a n h e t Btw-Wetboek, moet artikel 93octies van hetzelfde Wetboek worden opgeheven. désormais principalement par la voie électronique selon les mêmes règles qui prévalent pour les avis établis par les personnes habilitées à donner l’authenticité aux actes d’aliénation et d’affectation hypothécaire de biens qui en sont susceptibles, à savoir: — l’usage de la lettre recommandée en cas de force majeure ou de dysfonctionnement technique; — la présomption selon laquelle la date de la noti- fication par voie électronique est celle de l’accusé de réception et la prééminence de l’envoi par lettre recom- mandée lorsque la date de son envoi est antérieure à celle de la notification par voie électronique. Cette formulation n’implique pas qu’un même receveur puisse envoyer plusieurs notifications avec un contenu différent dans le délai de 12 jours. Il s’agit d’une même notification dont le contenu est identique. Art. 36 Comme l’article 93ter, §  1er, Code TVA, l’article 93quinquies, §  1er, alinéa 3, du même Code a été modifié pour remplacer la notion de “procédure utilisant les techniques de l’informatique” par celle de “par voie électronique”, et pour désigner directement le receveur qui doit être informé par le notaire. Le paragraphe 4, nouveau, de l’article 93quinquies, Code TVA habilite désormais le Roi à fixer les conditions d’application pratiques afférentes à cet article, comme cela est prévu également à l’article 93ter, § 4, Code TVA nouveau. Il convient de noter que l’article 93quinquies, Code TVA en projet s’applique à toutes les dettes fiscales, sans distinguer selon qu’elles aient fait l’objet d’une contrainte notifiée ou signifiée ou aient été reprises dans un registre de perception et recouvrement. Art. 37 Compte tenu de la réécriture des articles 93ter à 93quinquies, du Code TVA, l’article 93octies du même Code doit être abrogé. 25 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 38 De opheffing van artikel 93octies van het Btw- Wetboek noodzaakt een technische aanpassing in artikel 93nonies van het Btw-Wetboek. Art. 39 Artikel 93decies, eerste lid, van het Btw-Wetboek wordt herschreven om dezelfde banken en onderne- mingen als bedoeld in artikel 440 van het WIB 92 toe te laten het bericht bedoeld in artikel 93ter van het Btw- Wetboek toe te sturen en de kennisgeving bedoeld in artikel 93quater van hetzelfde Wetboek te ontvangen. In het tweede lid van artikel 93decies van het Btw- Wetboek wordt een verwijzing ingevoerd naar de ontvan- ger bedoeld in artikel 93quater van hetzelfde Wetboek. Art. 40 Artikel 93undecies A van het Btw-Wetboek wordt herschreven om rekening te houden met de wijzigingen aangebracht in artikel 93ter van hetzelfde Wetboek. Onderafdeling 2 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 41 De wijzigingen van artikel 433 van het WIB 92 beant- woorden aan de behoefte om de terminologie te harmo- niseren. Bijgevolg zijn de woorden “van een onroerend goed, van een schip of een vaartuig” vervangen door de woorden “van een voor hypotheek vatbaar goed”. De term “op elektronische wijze” vervangt de uitdruk- king “door middel van een procedure waarbij informati- catechnieken gebruikt worden”. De terminologie is ook aangepast om de ontvanger, bestemmeling van de berichten van de persoon die bevoegd is om authenticiteit te verlenen aan de akte, aan te duiden. Dit is de ontvanger waarvan de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed afhangt en, daarenboven, zo het om een onroerend goed gaat, de ontvanger, bevoegd voor de invordering van de on- roerende voorheffing van het ambtsgebied waarin dat goed gelegen is. Wanneer de eigenaar of de houder van het zakelijk recht op het goed zijn residentie in het buitenland heeft, wordt de dienst aangewezen door de Koning. Art. 38 L’abrogation de l’article 93octies du Code TVA nécessite une adaptation technique à l’article 93nonies du Code TVA. Art. 39 L’article 93decies, alinéa 1er, du Code TVA est réécrit pour permettre aux mêmes banques et entreprises que celles visées à l’article 440 du CIR 92 d’adresser l’avis prévu à l’article 93ter du Code TVA et de recevoir la notification visée à l’article 93quater du même Code. La référence au receveur visé à l’article 93quater, du Code TVA, est introduite à l’alinéa 2 de l’article 93decies du même Code. Art. 40 L’article 93undecies A, du Code TVA est réécrit pour tenir compte des adaptations apportées à l’article 93ter du même Code. Sous-section 2 Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 41 Les modifications apportées à l’article 433  du CIR 92 répondent à des impératifs d’harmonisation de la terminologie. Ainsi les termes “d’un immeuble, d’un navire ou d’un bateau” sont remplacés par les termes “d’un bien susceptible d’hypothèque”. La terminologie “voie électronique” se substitue à celle de “procédure utilisant les techniques de l’informatique”. La terminologie est également adaptée pour désigner le receveur destinataire de l’avis établi par la personne habilitée à donner l’authenticité à l’acte. Il s’agit du rece- veur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien et, en outre, s’il s’agit d’un immeuble, le receveur compétent pour le recouvrement du pré- compte immobilier dans le ressort duquel ce bien est situé. Lorsque le propriétaire ou le titulaire du droit réel sur le bien a sa résidence à l’étranger, le service est désigné par le Roi. 26 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 De delegatie aan de minister van Financiën, aan zijn afgevaardigde of aan de bevoegde overheid tot bepaling van de voorwaarden en de praktische toepas- singsmodaliteiten van dit artikel, wordt vervangen door een delegatie aan de Koning. Art. 42 Ingevolge artikel 434, nieuw, van het WIB 92, gebeurt de kennisgeving door de ontvanger aan de verzender van het bericht hoofdzakelijk op elektronische wijze volgens dezelfde regels die gelden voor de berichten opgesteld door de personen die bevoegd zijn om au- thenticiteit te verlenen, namelijk: — door het gebruik van een aangetekende brief in het geval van overmacht of een technische storing; — het vermoeden dat de datum van de kennis- geving op elektronische wijze de datum is van de ontvangstmelding; — en het prioritaire karakter van de verzending bij aangetekende brief wanneer de datum van die verzen- ding voorafgaat aan de datum van de kennisgeving op elektronische wijze. De ontvanger die bevoegd is om kennis te geven is niet noodzakelijkerwijs de ontvanger die bevoegd is om de berichten te ontvangen. Inderdaad, ook een andere ontvanger dan die van de woonplaats of van de plaats waar het onroerend goed gelegen is, kan openstaande fiscale schulden hebben op naam van de aanvrager van de akte. Deze ontvanger kan dan kennisgeven zelfs al was hij niet de hoofdbestemmeling van het bericht. Zoals artikel 433, WIB 92, stelt artikel 434 van het WIB 92 dat voortaan de Koning bevoegd is om alle praktische toepassingsmaatregelen te nemen met be- trekking tot deze bepalingen. Art. 43 Zoals artikel 433, WIB 92, wordt artikel 435 van het WIB 92 aangepast door de uitdrukking “door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden” te vervangen door “op elektronische wijze”. Wanneer de persoon die bevoegd is om de akte op te maken, de ontvanger niet volledig kan voldoen, moet hij de ontvangers die kennis hebben gegeven, hiervan, op elektronische wijze of per aangetekende brief, informe- ren. In het laatste geval wordt de inlichting verzonden naar alle ontvangers die hebben kennisgegeven. La délégation au ministre des Finances, à son délégué ou à l’autorité compétente pour déterminer les conditions et modalités d’application pratiques de cet article est remplacée par une délégation au Roi. Art. 42 Avec l’article 434, nouveau, du CIR 92, la notification effectuée par le receveur à destination de l’expéditeur de l’avis s’effectue principalement par la voie élec- tronique selon les mêmes règles qui prévalent pour les avis établis par les personnes habilitées à donner l’authenticité, à savoir: — l’usage de la lettre recommandée en cas de force majeure ou de dysfonctionnement technique; — la présomption selon laquelle la date de la noti- fication par voie électronique est celle de l’accusé de réception; — et la prééminence de l’envoi par lettre recomman- dée lorsque la date de son envoi est antérieure à celle de la notification par voie électronique. Le receveur habilité à notifier ne se confond pas for- cément avec le receveur habilité à recevoir les avis. En effet, un autre receveur que celui du domicile ou du lieu de situation de l’immeuble peut avoir encore des dettes fiscales ouvertes au nom du requérant de l’acte. Ce receveur pourra alors procéder à la notification même s’il n’est pas le destinataire principal de l’avis. Comme l’article 433, CIR 92, l’article 434 du CIR 92, habilite désormais le Roi à prendre toutes les mesures d’application pratiques afférentes à ces dispositions. Art. 43 Comme l’article 433, CIR 92, l’article 435 du CIR 92, a été modifié pour remplacer la notion de “procédure utilisant les techniques de l’informatique” par celle de “par voie électronique”. Lorsque la personne habilitée à établir l’acte ne peut désintéresser totalement le receveur, il doit en informer les receveurs ayant notifié, par voie électronique ou par lettre recommandée. Dans ce dernier cas, l’information est adressée à tous les receveurs ayant notifié. 27 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Zoals de artikelen 433 en 434 van het WIB 92, stelt dit artikel dat voortaan de Koning bevoegd is om alle ter zake praktische toepassingsmaatregelen te nemen. Art. 44 Gelet op de gewijzigde opmaak van voornoemde artikelen, moet artikel 438  van het WIB  92  worden opgeheven. Art. 45 De opheffing van artikel 438 van het WIB 92 nood- zaakt een technische wijziging in artikel 439 van het WIB 92. Art. 46 De aanpassing aangebracht aan artikel 440, eerste lid, van het WIB 92 houdt rekening met de laatste wets- wijziging betreffende het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen. Art. 47 Artikel 441 van het WIB 92 werd gewijzigd teneinde rekening te houden met de aanpassingen in de termi- nologie in de voorgaande artikelen. Onderafdeling 3 Programmawet (I) van 29 maart 2012 Art. 48 Artikel 157 van de programmawet (I) van 29 maart 2012 wordt herschreven met het oog op de harmonisatie van de terminologie tussen de bepalingen met betrekking tot de akten en attesten van erfopvolging (artikelen 157 tot 163 van voornoemde wet) en deze met betrekking tot de vervreemding en hypothecaire aanwending van goederen die hiervoor vatbaar zijn (artikelen 93ter tot 93nonies van het Btw-wetboek en 433 tot 439 van het WIB 92). Bijgevolg wordt in de Franse tekst het woord “expédition” systematisch vervangen door “envoi”. De dienst zoals thans aangewezen door de Koning om de berichten te ontvangen en de ontvangstbevestigingen af te leveren wordt voortaan rechtstreeks in de wet aan- gewezen door middel van een generieke benaming. De ambtenaren die bestemmeling zijn van de berichten wor- den eveneens aangewezen in de wet, met uitzondering Comme les articles 433 et 434 du CIR 92, cet article habilite désormais le Roi à prendre toutes les mesures d’application pratiques y afférentes. Art. 44 Compte tenu de la réécriture des articles précités, l’article 438 du CIR 92 doit être abrogé. Art. 45 L’abrogation de l’article 438 du CIR 92 nécessite une modification technique à l’article 439 du CIR 92. Art. 46 L’adaptation apportée à l’article 440, alinéa 1er, du CIR 92 prend en considération la dernière modification législative concernant le statut et le contrôle des éta- blissements de crédit. Art. 47 L’article 441 du CIR 92 a été modifié afin de tenir compte des adaptations de la terminologie dans les articles précédents. Sous-section 3 Loi-programme (I) du 29 mars 2012 Art. 48 L’article 157 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 est réécrit pour assurer une harmonisation terminolo- gique entre les dispositions relatives aux actes et certi- ficats d’hérédité (articles 157 à 163 de la loi précitée) et celles relatives à l’aliénation et à l’affectation hypothé- caire des biens qui en sont susceptibles (articles 93ter à 93nonies du Code TVA et 433 à 439 du CIR 92). Ainsi le mot “expédition” est systématiquement remplacé par “envoi”. Le service actuellement désigné par le Roi pour recevoir les avis et délivrer les accusés de réception est désormais désigné directement dans la loi au moyen d’une dénomination générique. Les fonctionnaires des- tinataires de l’avis sont également désignés dans loi, à l’exception du fonctionnaire de l’Administration générale de la documentation patrimoniale et le service compé- tent dans le cas où le de cujus et/ou l’un de ses ayants 28 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 van de ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie en de dienst bevoegd in het geval waarin de erflater en/of één van zijn rechtheb- benden hun residentie in het buitenland hebben, en dit omwille van in de loop van de komende jaren te verwach- ten structurele evoluties binnen zowel de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie als deze van de Inning en de Invordering. Paragraaf 5 wordt gedeeltelijk herschreven om de juiste terminologie te gebruiken; zo bijvoorbeeld het nummer in het Bis-Register dat vervangen wordt door het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. Daarenboven worden het derde en vierde lid opgeheven omwille van het opheffen van paragraaf 2 van artikel 62 van het Btw-wetboek. Aangezien in het voormelde artikel 157, § 5, tweede lid, a), enkel de benaming van het register werd aange- past aan de actuele terminologie en er aldus inhoudelijk niets werd gewijzigd, werd hieromtrent geen advies ingewonnen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het advies van de Raad van State zoals vermeld onder randnummer 5 werd niet gevolgd. Aangezien met betrekking tot de artikelen 48  tot 52  een overleg met de Gewesten conform artikel 5, § 3, eerste lid, van de bijzondere financierings- wet van 16  januari  1989 heeft plaatsgevonden op 23  november  2018. Dit overeenkomstig het advies nr. 64.422/3 van de Raad van State zoals vermeld onder randnummer 6. Art. 49 In navolging van de artikelen 93quater, nieuw, van het Btw-wetboek en 434, nieuw, van het WIB 92, voert artikel 49 de elektronische kennisgeving in van de fiscale schulden door de ontvanger of de bevoegde dienst be- last met hun invordering. Bijgevolg zal de kennisgeving per aangetekende brief nog enkel van toepassing zijn in de gevallen van overmacht of technische storing. De kennisgeving kan enkel plaats vinden wanneer de fiscale schuld een zekere en vaststaande schuld uitmaakt. De voorwaarde van opeisbaarheid is dus wet- telijk niet vereist. Dit is eveneens zo voor de onroerende voorheffing en de inkomstenbelastingen, die dienen betaald te zijn binnen de twee maand vanaf de verzen- ding van het aanslagbiljet, maar desondanks kunnen deze wel het voorwerp uitmaken van een kennisgeving voorafgaand aan de datum van opeisbaarheid van de schuld. Bovendien houdt deze kennisgeving geen der- denbeslag in – in tegenstelling tot de kennisgeving van de artikelen 93quater, van het Btw-wetboek en 434, van droit ont leur résidence à l’étranger, et ce en raison, des évolutions structurelles susceptibles d’intervenir dans les années à venir au sein aussi bien de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale que celle de la Perception et du Recouvrement. Le paragraphe 5 est partiellement réécrit afin d’utiliser une terminologie exacte; ainsi en-t-il par exemple du numéro de Registre-bis qui est remplacé par le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale. Par ailleurs, les alinéas 3 et 4 sont abrogés, en raison de l’abrogation du paragraphe 2 de l’article 62 du Code TVA. Étant donné qu’à l’article 157, § 5, alinéa 2, a), sus- visé, seule la dénomination du registre a été adaptée à la terminologie actuelle et que, par conséquent, rien n’a été modifié sur le plan du contenu, aucun avis n’a été demandé à l’Autorité de protection des données sur cette question. L’avis du Conseil d’État mentionné sous le point 5 n’a pas été suivi. Concernant les articles 48 à 52, une concertation avec les Régions conformément à l’article 5, § 3, alinéa 1er, de la loi spéciale de financement du 16 janvier 1989 a eu lieu le 23 novembre 2018, conformément à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État mentionné sous le point 6. Art. 49 A l’instar des articles 93quater, nouveau, du Code TVA et 434, nouveau, du CIR 92, l’article 49 introduit la notification électronique des dettes fiscales par le receveur ou service compétent en charge de leur recou- vrement. Dès lors, la notification par voie recommandée ne sera d’application que dans les cas de force majeure ou de dysfonctionnement technique. La notification ne peut s’effectuer que dans la mesure où la dette fiscale constitue une dette certaine et liquide. La condition d’exigibilité n’est donc pas requise léga- lement. Il en est ainsi du précompte immobilier et des impôts sur les revenus, qui doivent être payés dans les deux mois de l’envoi de l’avertissement-extrait de rôle, mais qui peuvent néanmoins faire l’objet d’une notification avant la date d’exigibilité de paiement. Par ailleurs, cette notification n’emportant pas saisie-arrêt – contrairement à celle des articles 93quater, du Code TVA et 434, du CIR 92, il n’est pas nécessaire de dispo- ser d’un titre exécutoire, à partir du moment où la dette 29 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 het WIB 92. Bijgevolg is het niet noodzakelijk om over een uitvoerbare titel te beschikken. Het volstaat dat de schuld zeker en vaststaand is. Zo geldt dit bijvoorbeeld voor de diverse taksen, de Btw, de roerende voorhef- fing en de bedrijfsvoorheffing, die de hoedanigheid van zekere en vaststaande schuld verkrijgen voorafgaand aan de opname van deze taksen en voorheffingen in een uitvoerbare titel. Art. 50 De precisering toegevoegd aan artikel 159 van de programmawet (I) van 29 maart 2012 dient er toe elke dubbelzinnigheid op te heffen betreffende het begrip van houder van de fondsen, die doorgaans de schuldenaar van de erflater is – in bepaalde gevallen de schuldenaar van de rechthebbende, maar die niet de schuldenaar is van de fiscale schulden die het voorwerp uitmaken van de kennisgeving bedoeld in artikel 158 van dezelfde wet. Art. 51 De wijzigingen aangebracht aan artikel 160 van de- zelfde wet komen niet enkel tegemoet aan de behoefte om de terminologie te harmoniseren maar vooral aan moeilijkheden die in de praktijk worden ondervonden wanneer de rechthebbenden vermeld in de akte of het attest van erfopvolging genieten van een insolva- biliteitsprocedure. De deblokkering ten gunste van de gerechtsmandataris werd ingesteld om te vermijden dat bepaalde rechtverkrijgenden die zouden genieten van een collectieve procedure of gerechtelijke reorganisatie, fondsen zouden verduisteren. Hoewel de schuldenaars van de erflater (over het algemeen de banken en de verzekeringen) de faillissementscurator niet kunnen verbieden fondsen vrij te geven, wegens het volledige verlies van beheer door de schuldenaar (decujus of rechtverkrijgende), geldt dit niet voor de andere proce- dures van samenloop (collectieve schuldenregeling en deficitaire vereffening) en evenmin voor de procedures georganiseerd door het Wetboek economisch recht, Boek XX, Titel 5 met betrekking tot de gerechtelijke reor- ganisatie. Teneinde zich te wapenen tegen de risico’s op verduistering van de fondsen door de rechtverkrijgende, belastingplichtige, moet diens erfelijk aandeel ontvan- gen worden door de gerechtsmandataris die belast is met de verdeling ervan op basis van de voorrechten en hypotheken van de verschillende schuldeisers. Eén van de hypothesen die de opname van deze bepaling verant- woordt, is de volgende: in het kader van een collectieve schuldenregeling is het de gewoonte dat de schuldvor- deringen die na de beschikking van toelaatbaarheid zijn ontstaan, het voorwerp uitmaken van een verzoek tot opname in het plan door de schuldbemiddelaar. Bij est certaine et liquide. Ainsi, en est-il par exemple des taxes diverses, de la TVA, et des précomptes mobilier et professionnel, qui acquièrent la qualité de dette certaine et liquide antérieurement à la reprise de ces taxes et précomptes dans un titre exécutoire. Art. 50 La précision rajoutée à l’article 159 de la loi-pro- gramme (I) du 29  mars  2012 permet de lever toute ambiguïté quant à la notion de détenteur des fonds qui est généralement le débiteur du de cujus – dans certains cas le débiteur de l’ayant droit, mais qui n’est pas le débiteur des créances fiscales qui font l’objet de la notification visée par l’article 158 de la même loi. Art. 51 Les modifications apportées à l’article 160  de la même loi répondent non seulement à des besoins d’harmonisation terminologique mais surtout à des difficultés rencontrées en pratique lorsque les ayants droits repris sur l’acte ou certificat d’hérédité bénéficient d’une procédure d’insolvabilité. Le déblocage en faveur du mandataire judiciaire a été mis en place pour éviter les détournements de fonds par certains ayants droit qui bénéficient d’une procédure collective ou de la réorga- nisation judiciaire. Si le curateur de faillite ne pourrait se voir refuser par les débiteurs du défunt (généralement les banques et les assurances) le déblocage des fonds, en raison du dessaisissement total du débiteur (de cujus ou ayant droit), il en va autrement dans le cadre des autres procédures de concours (règlement collectif de dettes et liquidation déficitaire) ainsi que dans le cadre des procédures organisées par le Code de droit économique, Livre XX, Titre 5 relatif à la réorganisation judiciaire. Et afin de se prémunir contre les risques de détournement des fonds par l’ayant droit, redevable, il est nécessaire que sa quote-part successorale soit re- cueillie par le mandataire judiciaire, à charge pour celui- ci de la ventiler, sur base des privilèges et hypothèques sur les différents créanciers. Une des hypothèses qui justifie l’intégration de cette disposition est la suivante: dans le cadre d’un règlement collectif de dettes, il est de coutume que les créances nées postérieurement à la décision d’admissibilité fassent l’objet d’une demande d’intégration dans le plan, par le médiateur de dettes. En présence de créances fiscales, le receveur devrait logiquement et légalement notifier, puis demander au médiateur de dettes d’intégrer les créances notifiées 30 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 nieuwe fiscale schuldvorderingen dient de ontvanger, logischerwijs en wettelijk kennis te geven en daarna de schuldbemiddelaar te verzoeken de ter kennis gebrachte schuldvorderingen in het plan op te nemen teneinde handlichting te geven. Indien de deblokkering daarente- gen ten gunste van de rechtverkrijgende zou gebeuren, is het zeer waarschijnlijk dat deze zijn aandeel niet aan de schuldbemiddelaar zal overdragen, zodat die laatste het kan verdelen tussen de verschillende schuldeisers, met inbegrip van de fiscus. Een tweede hypothese betreft de fiscale schuldvor- deringen die dateren van vóór de beschikking van toe- laatbaarheid, en die reeds in het plan zijn opgenomen. De ontvanger moet eerst een kennisgeving doen en vervolgens inschatten of het opportuun is een verzoek tot herroeping of tot herziening in te dienen. Indien een dergelijk verzoek niet als opportuun wordt beschouwd en er wordt beslist handlichting te verlenen, zal het er- felijk aandeel dus door de rechtverkrijgende ontvangen worden, die dat niet stelselmatig zal overdragen aan de schuldbemiddelaar die belast is met de verdeling van de geërfde som tussen de verschillende schuldeisers. Tenslotte, indien de ontvanger in het kader van de gerechtelijke reorganisatie een kennisgeving doet, maar na onderzoek beseft dat de maatregel niet in verhou- ding is, zal hem om een handlichting worden verzocht. Maar hoe kan dan worden verzekerd dat met het erfelijk aandeel rekening zal worden gehouden in het plan tot gerechtelijke reorganisatie? Als oplossing geldt in dat geval de aanwijzing van een gerechtsmandataris, wiens opdracht het zal zijn deze sommen op gepaste wijze aan te wenden, om de best mogelijke uitvoering van het reorganisatieplan te garanderen. Art. 52 Enkel het in artikel 157 van de programmawet van 29 maart 2012 bedoelde bericht wordt opgemaakt over- eenkomstig het door de Koning opgemaakte model, de kennisgeving zoals voorzien in artikel 158 van dezelfde wet daarentegen maakt niet langer het voorwerp uit van een door de Koning bepaald model, zodat dit snel kan aangepast worden aan de technologische evoluties binnen een administratie in volle verandering. dans le plan, afin de donner mainlevée. Toutefois, si le déblocage se fait au profit de l’ayant-droit, il est fort probable que celui-ci ne rétrocédera pas sa quote-part au médiateur, de manière à ce que ce dernier puisse la ventiler entre les différents créanciers, en ce compris le fisc. Une deuxième hypothèse concerne les créances fiscales antérieures à la décision d’admissibilité, et qui sont déjà intégrées dans le plan. Le receveur doit d’abord notifier, et ensuite évaluer l’opportunité d’intro- duire une demande en révocation ou en révision. Si une telle demande n’est pas jugée opportune et qu’il décide de donner main-levée, la quote-part successo- rale sera donc perçue par l’ayant-droit, qui ne va pas la rétrocéder systématiquement au médiateur, à qui il revient la charge de ventiler la somme héritée entre les différents créanciers. Enfin, dans le cadre de la réorganisation judiciaire, si le receveur notifie, mais se rend compte, après inves- tigations que la mesure n’est pas proportionnelle, une mainlevée lui sera demandée, mais comment alors s’assurer que la quote-part successorale sera prise en compte dans le plan de réorganisation judiciaire? La solution est dans ce cas de désigner un mandataire judiciaire, qui aura pour mission de faire l’usage oppor- tun de ces sommes pour assurer la meilleure exécution possible du plan de réorganisation. Art. 52 Seul l’avis à l’article 157 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 fera l’objet d’une fixation par le Roi, par contre la notification prévue par l’article 158  de la même loi ne fera plus l’objet d’un modèle arrêté par le Roi, de manière à ce que celle-ci puisse s’adapter rapidement aux évolutions technologiques dans une administration en pleine mutation. 31 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Onderafdeling 4 Burgerlijk Wetboek Art. 53 Naast de noodzakelijkheid om bepaalde terminolo- gische aanpassingen aan te brengen, voert het artikel 23 in het artikel 1240bis, van het Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid in om de tegoeden van de erflater te deblokkeren op instructie van de gerechtsmandataris. Gegeven dat met betrekking tot artikel 54, 3°, het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit werd gevraagd op 25 oktober 2018, dit overeenkomstig het advies van de Raad van State zoals vermeld onder rand- nummer 5. Het advies werd echter nog niet ontvangen. Onderafdeling 5 Inwerkingtreding Art. 54 Het koninklijk besluit dat met name de praktische toepassingsvoorwaarden inzake e-notariaat zal be- palen, moet gelijktijdig met de wet in werking treden om de rechtszekerheid van de bepalingen ervan te verzekeren. Daarenboven bepaalt artikel 54 de uiterste datum van inwerkingtreding van de artikelen 93quater, van het Wetboek over de belasting op de toegevoegde waarde, 434, van het Wetboek van de inkomstenbe- lastingen 1992 en 158 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, met de mogelijkheid voor de Koning om een eerdere datum van inwerkingtreding te bepalen, indien de technische aanpassingen uitgevoerd zijn voorafgaand aan 1 september 2019. Afdeling 3 Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 55 Artikel 55 voegt een verduidelijking toe aan het artikel 418, eerste lid, WIB 92, in de mate dat het vertrekpunt van de moratoriuminteresten vastgelegd is ten opzichte van de ingebrekestelling, vertrekkende vanuit de hypo- these dat de eerste betaling door de belastingplichtige van de sommen die aanleiding geven tot een moratori- uminterest, zou moeten gebeuren voor deze ingebreke- stelling. Toch kan niet worden uitgesloten dat de belas- tingplichtigen hun ingebrekestelling kunnen doen voor de werkelijke betaling, zodat dit een moratoriuminterest Sous-section 4 Code civil Art. 53 Outre la nécessité d’apporter certaines adaptations terminologiques, l’article 23  introduit dans l’article 1240bis, du Code civil la possibilité de débloquer les avoirs du défunt sur instruction d’un mandataire judiciaire. Étant donné qu’en ce qui concerne l’article 54, 3°, l’avis de l’Autorité de protection des données a été demandé le 25 octobre 2018, ceci est conforme à l’avis du Conseil d’État mentionné sous le point 5. Toutefois, l’avis n’a pas encore été reçu. Sous-section 5 Entrée en vigueur Art. 54 L’arrêté royal qui fixera notamment les conditions d’application pratiques en matière d’e-notariat, doit entrer en vigueur en même temps que la loi afin d’assu- rer la sécurité juridique des dispositions y afférentes. Par ailleurs, l’article 54 fixe la date ultime d’entrée en vigueur des articles 93quater, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, 434, du Code des impôts sur les revenus 1992 et 158 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, avec la possibilité pour le Roi de fixer une date antérieure, si les adaptations techniques sont réalisées antérieurement au 1er septembre 2019. Section 3 Dispositions réparatrices des articles 418 et 419 du Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 55 L’article 55 ajoute une précision à l’article 418, ali- néa 1er, CIR 92, dans la mesure où le point de départ des intérêts moratoires a été fixé par rapport à la mise en demeure, partant de l’hypothèse que le paiement initial par le contribuable des sommes donnant lieu à un intérêt moratoire, devait s’opérer avant cette mise en demeure. Toutefois, il ne peut être exclu que les contribuables puissent adresser leur mise en demeure avant le paiement effectif, de manière à faire courir un intérêt moratoire avant même le paiement effectif. Dès 32 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 doet lopen zelfs voor de werkelijke betaling. Daarom werd artikel 418, eerste lid, WIB 92 aangevuld met een zin met het oog op deze laatste hypothese. Bijgevolg, ingeval de betaling door de belastingplichtige plaatsvindt na de ingebrekestelling, zal de moratoriuminterest pas berekend worden vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de lopende maand waarin de betaling is gebeurd, en niet vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de administratie in ge- breke werd gesteld. De werkelijke betaling wordt zowel verstaan als de rechtstreeks verrichte betaling door de belastingplichtige, als elke aanrekening op voorheffin- gen, voorafbetalingen of andere aanslagen. Art. 56 Artikel 86, C, elfde lid, van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, beoogt de inwerkingtreding van de artikelen 79 en 80 van de- zelfde wet, in de mate dat ze de begindatum wijzigen van de moratoriuminteresten bedoeld in de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 6° en tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), enkel voor de ingekohierde aanslagen. De terugbetaling waarvan sprake is in artikel 419, eerste lid, 3°, WIB 92 en de regel die de begindatum van de moratoriuminteresten bepaalt voor de roerende en bedrijfsvoorheffingen en de voorafbetalingen, wanneer het gaat om overschotten, geldt echter voor de niet ingekohierde en niet op de be- lasting aangerekende aanslagen tijdens de aanslagter- mijn. Daarom is het noodzakelijk om in een bepaling te voorzien die de inwerkingtreding regelt van de wijziging van artikel 419, tweede lid, WIB 92. Tevens, wanneer de administratie overgaat tot de terugbetaling van de roerende en bedrijfsvoorheffingen niet ingekohierd en niet aangerekend op een belasting, in de mate dat de begunstigde van de inkomsten niet onderworpen is aan de belasting, paste het de inwerkingtreding van artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbe- lasting 1992, te preciseren voor dit type van aanslag. Bovendien beoogt dit artikel 86, C, elfde lid nu enkel de inwerkingtreding van deze artikelen 79 en 80, in de mate dat ze de begindatum van de moratoriuminteres- ten wijzigen bedoeld in de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 6°, WIB 92, voor losstaande aanslagen. In bepaalde situaties kan men echter een oorspron- kelijke (primaire) aanslag hebben die gevolgd wordt door andere daaropvolgende aanslagen (aanvullende, bijkomende, etc.). Daarom is het wenselijk ook deze gevallen in aanmer- king te nemen, en te verduidelijken dat de bepalingen toepasselijk op de opeenvolgende aanslagen dezelfde moeten zijn als de bepalingen die toegepast werden lors, l’article 418, alinéa 1er, CIR 92 a été complété par une phrase envisageant cette dernière hypothèse. Par conséquent, lorsque le paiement par le contribuable intervient après la mise en demeure, l’intérêt moratoire ne sera alloué qu’à compter du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le paiement est intervenu, et non à compter du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l’administration a été mise en demeure. Le paiement effectif s’entend aussi bien du paiement directement opéré par le redevable, que pour toute imputation sur des précomptes, versements anticipés ou autres cotisations. Art. 56 L’article 86, C, alinéa 11, de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l’impôt des sociétés, envisage l’en- trée en vigueur des articles 79 et 80 de la même loi, en tant qu’ils modifient la date de départ des intérêts moratoires visés aux articles 418, alinéa 1er et 419, alinéa 1er, 6° et alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 (CIR 92), uniquement pour les cotisations enrôlées. Or, le remboursement dont il est question à l’article 419, alinéa 1er, 3°, CIR 92 et la règle qui fixe le point de départ des intérêts moratoires pour les précomptes mobilier et professionnel et les versements anticipés, lorsqu’il s’agit d’excédents, concerne des cotisations non enrôlées et non imputées sur l’impôt pendant les délais d’imposition. Partant, il est nécessaire de prévoir une disposition réglant l’entrée en vigueur de la modi- fication de l’article 419, alinéa 2, CIR 92. De même, lorsque l’administration procède au remboursement de précomptes professionnel et mobilier non enrôlés et non imputables sur un impôt, dans la mesure où le bénéficiaire des revenus n’est pas assujetti à l’impôt, il convenait de préciser l’entrée en vigueur de l’article 418, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, pour ce type de cotisation. Par ailleurs, ledit article 86, C, alinéa 11 n’envisage actuellement l’entrée en vigueur desdits articles 79 et 80, en tant qu’ils modifient la date de départ des intérêts moratoires visés aux articles 418, alinéa 1er, et 419, ali- néa 1er, 6°, CIR 92, que pour des cotisations uniques. Or, dans certaines situations, il peut y avoir une cotisation primitive (primaire) suivie d’autres cotisations subsé- quentes (subsidiaires, supplémentaires, etc.). Dès lors, il s’indique également d’envisager ces cas, et de préciser que les dispositions applicables aux cotisations subséquentes doivent être les mêmes que celles appliquées à la cotisation primaire. Si la 33 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 op de primaire aanslag. Als de primaire aanslag voor 1 januari 2018 werd ingekohierd, zal geen enkele inge- brekestelling vereist zijn om de moratoriuminteresten te doen lopen. Als de aanslag volgend op de primaire aanslag, zoals hierboven bedoeld, wordt ingekohierd, zelfs na 1 januari 2018, zullen de bepalingen die erop van toepassing zijn dezelfde zijn als deze die toegepast worden op de oorspronkelijke aanslag, en geen enkele ingebrekestelling zal dan vereist zijn om de betaling van moratoriuminteresten te doen lopen. Art. 57 Gezien de artikelen 55 en 56 van deze wet nood- zakelijke verbeteringen bevatten aan de toepassing van de artikelen 418 en 419, Wetboek van de inkom- stenbelasting 1992, waarover de wijziging door de wet van 25 december 2017 in werking is getreden op 1 januari 2018, wordt hun inwerkingtreding bijgevolg vastgelegd op 1 januari 2018. TITEL IV FINANCIELE BEPALINGEN ALGEMENE TOELICHTING Dit wetsontwerp streeft ernaar om de Koninklijke Munt van België (afgekort: KMB) om te vormen die momenteel een administratieve dienst met boekhoudkundige auto- nomie (afgekort: ADBA) is. Ze zal omgevormd worden tot een administratieve dienst geïntegreerd in de Algemene Administratie van de Thesaurie (afgekort: AA Thesaurie) van de Federale Overheidsdienst Financiën (afgekort: FOD Financiën). Na een eerste omvorming op 1 januari 2018 in ADBA met toepassing van artikel 7 van de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkom- sten, wordt de KMB op 1 januari 2019 een dienst van de AA Thesaurie van de FOD Financiën. Door deze omvorming zullen alle taken van de ADBA door de dienst van de KMB worden overgenomen en het vermogen ervan zal in de balans van de FOD Financiën worden opgenomen. Anderzijds beoogt dit wetsontwerp een begrotings- fonds voor de verrichtingen van de KMB van de AA Thesaurie van de FOD Financiën op te richten. cotisation primaire a été enrôlée antérieurement au 1er  janvier  2018, aucune mise en demeure ne sera alors requise pour déclencher les intérêts moratoires. Si la cotisation subséquente à la cotisation primaire visée plus haut est enrôlée, même postérieurement au 1er janvier 2018, les dispositions qui lui seront appli- cables seront les mêmes que celles appliquées à la cotisation primitive, et aucune mise en demeure ne sera alors requise pour déclencher la débition des intérêts moratoires. Art. 57 Compte tenu du fait que les articles 55 et 56 de la présente loi contiennent des corrections indispensables à l’application des articles 418 et 419, Code des impôts sur les revenus 1992, dont la modification par la loi du 25 décembre 2017 est entrée en vigueur au 1er jan- vier 2018, leur prise d’effet est fixée par conséquent au 1er janvier 2018. TITRE IV DISPOSITIONS FINANCIERES EXPOSÉ GÉNÉRAL Ce projet de loi vise à transformer la Monnaie royale de Belgique (en abrégé: MRB) qui est actuellement un service administratif à comptabilité autonome (en abrégé: SACA), en service administratif intégré au sein de l’Administration générale de la Trésorerie (en abrégé: AG Trésorerie) du Service public fédéral Finances (en abrégé: SPF Finances). Après une première transformation en SACA au 1er  janvier  2018, en application de l’article 7  de la loi du 31 juillet 2017 portant des dispositions finan- cières et fiscales diverses et portant des mesures en matière de contrats de concession, la MRB devient au 1er janvier 2019 un service de l’AG Trésorerie du SPF Finances. Du fait de cette transformation, l’ensemble des tâches du SACA seront reprises par le service de la MRB et son patrimoine sera intégré au bilan du SPF Finances. D’autre part, ce projet de loi vise à créer un fonds budgétaire pour les opérations de monétisation et de démonétisation de la MRB de l’AG Trésorerie du SPF Finances. 34 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Ingevolge het advies nr. 64.422/3 van de Raad van State, worden de wijzigingen betreffende het organiek reglement van de KMB overgeheveld naar een apart ontwerp. HOOFDSTUK 1 Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten ALGEMENE TOELICHTING De integratie van de KMB in de AA Thesaurie kadert in het streven naar grotere rationalisatie en vereenvou- diging. Dit biedt voordelen, met name: — het niet langer voorleggen van een begroting als ADBA; — een einde stellen aan de eigen boekhouding van de KMB als ADBA daar de verrichtingen van ontvang- sten en uitgaven vanaf 2019 geregistreerd zijn in de boekhouding van de FOD Financiën; — het beheren van de werkzaamheden in de door de onderneming SAP (Systems, Applications and Products for data processing) ontwikkelde en gecom- mercialiseerde geïntegreerde beheerstoepassing van de AA Thesaurie en niet langer in de specifieke SAP- toepassing van de KMB waarvoor een licentie vereist was; — het niet langer betalen van bedrijfsrevisoren voor het certificeren van de jaarrekeningen van de KMB; de personeelskosten aan te rekenen op de begroting van de FOD Financiën, alsook een einde stellen aan de bijzondere betalingsprocedure van de bezoldigingen door Persopoint; het organiseren van buitenlandse zendingen en hun kost aan te rekenen op de begroting van de FOD Financiën, net zoals de andere diensten van de AA Thesaurie. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Art. 58 Dit artikel wijzigt het opschrift van Afdeling 3 van het hoofdstuk 1 van Titel II, die vervangen wordt als volgt: “Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een administratieve dienst”. Suite à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État, les dis- positions relatives au règlement organique de la MRB seront transposées dans un projet distinct. CHAPITRE 1ER Modifications de la loi du 31 juillet 2017 portant des dispositions financières et fiscales diverses et portant des mesures en matière de contrats de concession EXPOSÉ GÉNÉRAL L’intégration de la MRB dans l’AG Trésorerie répond à un souci de rationalisation et de simplification accrues. En effet, elle présente des avantages, notamment: — ne plus déposer de budget pour la MRB en tant que SACA; — mettre fin à la comptabilité propre de la MRB en tant que SACA, les opérations de recettes et de dépenses étant, à partir de 2019, enregistrées dans celle du SPF Finances; — gérer les opérations dans le logiciel de gestion intégrée, développé et commercialisé par la société SAP (Systems, Applications and Products for data proces- sing) de l’AG Trésorerie et non plus dans le logiciel SAP spécifique de la MRB pour lequel une licence était due; — ne plus payer des réviseurs d’entreprises pour certifier les comptes annuels de la MRB; — faire supporter le coût du personnel par le budget du SPF Finances et ainsi, mettre fin à la procédure particulière de paiement des traitements par Persopoint; — organiser les missions à l’étranger et faire suppor- ter leur coût par le budget du SPF Finances à l’instar des autres services de l’AG Trésorerie. COMMENTAIRE DES ARTICLES Art. 58 Cet article modifie l’intitulé de la Section 3  du Chapitre 1er du Titre II, qui est remplacé par ce qui suit: “Transformation de la Monnaie royale de Belgique en service administratif”. 35 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 59 Dit artikel bevat het principe van de omvorming van de KMB, van ADBA tot administratieve dienst van de AA Thesaurie van de FOD Financiën. Art. 60 tot 63 Deze bepalingen heffen de artikels 8, tweede lid, 9, 10, punten 3° en 4°, en 12 van de wet van 31 juli 2017 op als gevolg van de omvorming van de KMB en diens integratie in de AA Thesaurie, met name: de goederen die niet meer gebruikt worden door de KMB zullen niet meer verkocht worden voor eigen rekening en de KMB ontvangt geen dotatie meer uit de algemene uitgavenbegroting. HOOFDSTUK 2 Oprichting van een begrotingsfonds betreffende verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën en wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen ALGEMENE TOELICHTING Deze afdeling beoogt, bij toepassing van artikel 62, § 1, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisa- tie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, de oprichting van een begrotingsfonds bij de AA Thesaurie van de FOD Financiën voor de door de KMB verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie. Bij het in omloop brengen van muntstukken betaalt de Nationale Bank van België (afgekort: NBB) als tus- senpersoon, aan de staat de tegenwaarde ervan, terwijl bij het uit omloop halen van muntstukken, de staat aan de NBB de tegenwaarde moet betalen van de uit de omloop gehaalde muntstukken, waarvan het bedrag moeilijk voorspelbaar is en de verschuldigde betaling heel snel opeisbaar is, namelijk binnen de 24 uur. Het opgerichte begrotingsfonds beantwoordt nauwkeurig aan de bijzonderheden van deze verrichtingen. Aangezien er zich ook heel snel na de omvorming van de KMB uitgaven op het vlak van demonetisatie zouden kunnen voordoen, zal het begrotingsfonds onmiddellijk worden gespijsd door de storting afkomstig van het Art. 59 Cet article contient le principe de la transformation de la MRB, de SACA en service administratif de l’AG Trésorerie du SPF Finances. Art. 60 à 63 Ces dispositions abrogent les articles 8, alinéa 2, 9, 10, points 3° et 4°, et 12 de la loi du 31 juillet 2017 à la suite de la transformation de la MRB et de son intégra- tion au sein de l’AG Trésorerie, notamment: les biens qui ne sont plus utilisés par la MRB ne seront pas vendus pour son propre compte et la MRB ne recevra plus de dotation spécifique provenant du budget général des dépenses. CHAPITRE 2 Création d’un fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique de l’Administration générale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances et modification de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires EXPOSÉ GÉNÉRAL Cette section vise à créer un fonds budgétaire pour les opérations de monétisation et de démonétisation de la MRB de l’AG Trésorerie du SPF Finances, en application de l’article 62, § 1er, de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l’État fédéral. Lors d‘opérations de mise en circulation de pièces de monnaie, la Banque nationale de Belgique (en abrégé: BNB), comme intermédiaire, verse à l’État la contre-va- leur de celles-ci, tandis que, lors d’opérations de retrait de la circulation de pièces, l’État doit payer à la BNB, la contre-valeur des pièces retirées dont le montant est difficilement prévisible et le paiement exigible très rapidement, c’est-à-dire dans les 24 heures. Le fonds budgétaire créé répond précisément aux particularités de ces opérations. Étant donné aussi que des dépenses de démoné- tisation pourraient survenir très rapidement après la transformation de la MRB, le fonds budgétaire sera immédiatement alimenté par le versement provenant du 36 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 beschikbare saldo van de postrekening van de KMB op 31 december 2018. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Afdeling 1 Oprichting van een begrotingsfonds betreffende verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België Art. 64 Het door het ontwerp opgerichte begrotingsfonds noemt “Begrotingsfonds betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België”, in de wet afgekort tot “Begrotingsfonds betreffende de monetaire verrichtin- gen van de Koninklijke Munt van België”. Art. 65 Het begrotingsfonds betreffende de voor monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt van België be- schikken over de volgende ontvangsten: 1° een storting op 1 januari 2019 van het beschikbare saldo op 31 december 2018 van postrekening (nr. BE 55 6792 0040 6444) zoals vermeld in de balans van de KMB; 2° stortingen van de NBB uitgevoerd na 31 december 2018 voor de verrichtingen aangaande monetisatie die overeenstemmen met de tegenwaarde van de muntstukken die ze in omloop brengt als tussenpersoon. Art. 66 De uitgaven in verband met verrichtingen aangaande demonetisatie zullen door de bovenvermelde ontvang- sten worden opgevangen. Afdeling 2 Wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen Art. 67 De bepaling brengt de noodzakelijke wijzigingen aan in de rubriek 18  van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27  december  1990 houdende solde disponible du compte courant postal de la MRB au 31 décembre 2018. COMMENTAIRE DES ARTICLES Section première Création du fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique Art. 64 Le fonds budgétaire établi par le projet est intitulé “Fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique”, en abrégé dans la loi “Fonds budgétaire relatif aux opé- rations monétaires de la Monnaie royale de Belgique”. Art. 65 Le fonds budgétaire relatif aux opérations monétaires de la Monnaie royale de Belgique dispose des recettes suivantes: 1° un versement au 1er janvier 2019 qui correspond au solde disponible le 31 décembre 2018 du compte courant postal (n° BE 55 6792 0040 6444) tel qu’il est mentionné dans le bilan de la MRB; 2° des versements de la BNB effectués après le 31 décembre 2018 pour les opérations de monétisation correspondant à la contre-valeur des pièces qu’elle met en circulation comme intermédiaire. Art. 66 Les dépenses liées aux opérations de démo- nétisation seront prises en charge par les recettes susmentionnées. Section 2  Modification de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires Art. 67 La disposition apporte les modifications nécessaires dans la rubrique 18 du tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, 37 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 oprichting van begrotingsfondsen, voorbehouden aan de Begrotingsfondsen opgericht bij de FOD Financiën. HOOFDSTUK 3 Opheffing Art. 68 De ontvangsten zullen rechtstreeks gestort worden in de schatkist zonder tussenkomst van de autonome boekhouding van de KMB. Hierdoor is er geen reden meer dat artikel 4, § 5, van het koninklijk besluit van 18 januari 1990 houdende de uitvoering van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen, blijft bestaan. HOOFDSTUK 4 Inwerkingtreding Art. 69 Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze titel. Deze datum is vastgesteld op 1 januari 2019 en komt overeen met de datum van de omvorming van de KMB tot dienst van de AA Thesaurie. TITEL V DIVERSE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1 Wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Afdeling 1 Inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers Art. 70 tot 72 De wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie heeft een nieuwe regeling ingevoerd voor inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk en uit occasio- nele diensten tussen burgers. Deze inkomsten worden in beginsel aangemerkt als diverse inkomsten (artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater, WIB 92) en zijn vrij- gesteld van inkomstenbelastingen wanneer ze niet als réservée aux Fonds budgétaires créés auprès du SPF Finances. CHAPITRE 3 Abrogation Art. 68 Les recettes seront directement versées au trésor public, sans plus passer par la comptabilité autonome de la MRB. Dès lors, l’article 4, §  5, de l’arrêté royal du 18 janvier 1990 portant modalités d’exécution de la loi du 11 août 1987 relative à la garantie des ouvrages en métaux précieux n’a plus de raison d’être. CHAPITRE 4 Entrée en vigueur Art. 69 Le présent article prévoit la date d’entrée en vigueur du présent titre. Cette date est fixée au 1er janvier 2019 et correspond à la date de la transformation de la MRB en service de l’AG Trésorerie. TITRE V DISPOSITIONS DIVERSES CHAPITRE 1ER Modifications au Code des impôts sur les revenus 1992 Section première Revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens Art. 70 à 72 La loi du 18 juillet 2018 relative à la relance éco- nomique et au renforcement de la cohésion sociale a introduit un nouveau régime pour les revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif et des ser- vices occasionnels entre citoyens. Ces revenus sont en principe considérés comme des revenus divers (article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater, CIR 92) et sont exonérés d’impôt sur les revenus lorsqu’ils ne sont pas considérés 38 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 beroepsinkomsten worden aangemerkt bij toepassing van artikel 37, § 2, WIB 92 en het totale bruto bedrag van die inkomsten tijdens het kalenderjaar en in het vorige kalenderjaar niet meer bedraagt dan 6 130 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019) (artikel 90/1, eerste lid, WIB 92). In het geval de inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tus- sen burgers alsnog als diverse inkomsten belastbaar zouden zijn, dan is het de bedoeling dat niet het bruto bedrag, maar wel het netto bedrag van die inkomsten wordt belast tegen het tarief van 33 pct. In de memorie van toelichting bij de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie wordt gesteld dat de belastingplichtige de mo- gelijkheid heeft om de werkelijke kosten die hij gedaan of gedragen heeft om die inkomsten te verwerven in mindering te brengen van het bruto bedrag (Parl. St. 54-2839/001, p. 234). Voor die aftrek van werkelijke kosten is er echter geen expliciete wettelijke grondslag. Die wordt nu gecreëerd in artikel 71 van dit ontwerp. Ingevolge de aanpassing van artikel 90, derde lid, WIB 92 door de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie, worden inkomsten uit de verhuur van onroe- rende of roerende goederen of uit de onderverhuring van al dan niet gemeubelde onroerende goederen die gelinkt zijn aan diensten die worden verleend in het kader van de deeleconomie, van het verenigingswerk of van occasionele diensten tussen burgers, ook als inkom- sten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers aangemerkt. Met die aanpassing heeft de wetgever er willen voor zorgen dat de grens van 6 130 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019) op een meer evenwichtige manier zou kunnen worden toegepast voor de inkomsten die onder de 500-euro regeling vallen (Parl. St. 54-2839/001, p. 231 en volgende). De aanpassing van artikel 90, derde lid, WIB 92 is ge- inspireerd op de tekst van artikel 37, eerste lid, WIB 92 en herneemt dan ook de zinsnede “Onverminderd de toepassing van de voorheffingen”. Anders dan de in- komsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen die op grond van artikel 37, eerste lid, WIB 92 als beroepsinkomsten worden aangemerkt, zullen de inkomsten die bij toepassing van artikel 90, derde lid, WIB 92 als inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers worden aangemerkt, doorgaans vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen (artikel 90/1, WIB 92). Dat doet de vraag rijzen of het wel aangewezen is om de bepalingen inzake de voorheffingen van toepassing te laten blijven op de inkomsten die als inkomsten uit de comme des revenus professionnels en application de l’article 37, § 2, CIR 92 et que le montant brut total de ces revenus n’excède pas 6 130 euros (montant indexé pour l’exercice d’imposition 2019) durant l’année civile et l’année civile précédente (article 90/1, alinéa 1er, CIR 92). Dans le cas où les revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens étaient tout de même imposables en tant que revenus divers, l’intention était que ce ne soit pas le montant brut, mais le montant net de ces revenus qui soit imposé au taux de 33 p.c. Dans l’exposé des motifs de la loi du 18 juillet 2018 relative à la relance économique et au renforcement de la cohésion sociale, il est indiqué que le contribuable a la possibilité de déduire du montant brut les frais réels qu’il a faits ou supportés afin d’acquérir ces revenus (Doc. Parl. 54-2839/001, p. 234). Pour cette déduction des frais réels, il n’existe aucune base légale explicite. Celle-ci est désormais crée par l’article 71 du présent projet. Suite à l’adaptation de l’article 90, alinéa  3, CIR 92 par la loi du 18 juillet 2018 relative à la relance économique et au renforcement de la cohésion sociale, les revenus issus de la location de biens immobiliers ou mobiliers ou issus de la sous-location de biens immobi- liers meublés ou non qui sont liés aux services prestés dans le cadre de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens, sont également considérés comme des revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens. Avec cette adaptation, le législateur a voulu s’assurer que la limite de 6 130 euros (montant indexé pour l’exercice d’imposition 2019) puisse être appliquée de façon plus équilibrée pour les revenus qui tombent dans le champ d’application du régime des 500 euros (Doc. Parl. 54- 2839/001, p. 231 et suivantes). L’adaptation de l’article 90, alinéa 3, CIR 92 est inspi- rée du texte de l’article 37, alinéa 1er, CIR 92 et reprend par conséquent l’élément de phrase “Sans préjudice de l’application des précomptes”. Contrairement aux revenus des biens immobiliers et des capitaux et biens mobiliers qui sont considérés comme des revenus pro- fessionnels en vertu de l’article 37, alinéa 1er, CIR 92, les revenus considérés comme des revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens en application de l’article 90, alinéa 3, CIR 92 sont généralement exoné- rés à l’impôt sur les revenus (article 90/1, CIR 92). La question se pose donc s’il est bien indiqué de laisser s’appliquer les dispositions en matière de précomptes sur les revenus qui sont qualifiés de revenus issus de 39 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 deeleconomie of uit het verenigingswerk of als inkom- sten uit occasionele diensten tussen burgers worden aangemerkt. De onroerende voorheffing is een gewestbelasting (artikel 3, eerste lid, 5°, van de bijzondere wet van 16  januari  1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten). De federale wetge- ver is dus niet bevoegd om te bepalen of de onroerende voorheffing al dan niet verschuldigd is. De verwijzing naar de toepassing van de voorheffingen in artikel 90, derde lid, WIB 92 kan derhalve enkel slaan op de roe- rende voorheffing. Op inkomsten uit de verhuur van roerende goederen en de inkomsten uit onderverhuring van onroerende goederen wordt geen roerende voorheffing ingehouden als de verkrijgers aan de personenbelasting onderwor- pen Rijksinwoners zijn (artikel 266, WIB 92 en artikel 111, KB/WIB 92). Niet-inwoners moeten in beginsel echter de voorheffing op inkomsten uit de verhuring van roerende goederen die voortkomen uit de verhuring van stoffe- rende huisraad in gemeubileerde woningen, kamers of appartementen en inkomsten uit onderverhuring van onroerende goederen die ze verkrijgen zelf doorstorten bij toepassing van artikel 262, 3°, WIB 92. (Die voorhef- fing is dan in principe de eindheffing (artikel 248, § 1, eerste lid, WIB 92)). Het feit dat niet-inwoners roerende voorheffing moeten doorstorten op inkomsten die bij toepassing van artikel 90, derde lid, WIB 92 als diverse inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers worden aan- gemerkt, valt moeilijk te rijmen met de vrijstelling van die inkomsten op grond van artikel 90/1, WIB 92. Hetzelfde geldt voor de roerende voorheffing die bij toepassing van artikel 261, eerste lid, 4°, WIB 92 moet worden ingehouden op inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten en naburige rechten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, WIB 92. Artikel 90, derde lid, WIB 92 verwijst algemeen naar inkomsten uit onroerende goederen en kapitalen die kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit de dee- leconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers in de mate dat die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het verwerven van inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers. Gelet op het type van diensten dat de wetgever heeft beoogd in het kader van de inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tus- sen burgers, gaat het in essentie om inkomsten uit de verhuur van roerende goederen als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, WIB 92 en niet om inkomsten uit kapitalen als bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2°, WIB 92. Voor l’économie collaborative ou du travail associatif ou de revenus issus de services occasionnels entre citoyens. Le précompte immobilier est un impôt régional (article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 rela- tive au financement des Communautés et des Régions). Le législateur fédéral n’est donc pas compétent pour déterminer si le précompte immobilier est dû ou non. Le renvoi à l’application des précomptes dans l’article 90, alinéa 3, CIR 92 ne peut dès lors porter que sur le précompte mobilier. Sur les revenus issus de la location de biens immobi- liers et les revenus issus de la sous-location de revenus immobiliers, aucun précompte mobilier n’est retenu si les bénéficiaires sont des habitants du Royaume sou- mis à l’impôt des personnes physiques (article 266, CIR 92 et article 111, AR/CIR 92). Les non-résidents cependant doivent en principe verser eux-mêmes le précompte sur les revenus qu’ils perçoivent de la loca- tion de biens mobiliers qui proviennent de la location de meubles garnissant des habitations, chambres ou appartements meublés les revenus de la sous-location de biens immobiliers en application de l’article 262, 3°, CIR 92. (Ce précompte est alors en principe l’impôt définitif (article 248, § 1er, alinéa 1er, CIR 92)). Le fait que les non-résidents doivent verser du précompte mobilier sur des revenus considérés comme des revenus divers issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens en appli- cation de l’article 90, alinéa 3, CIR 92, est difficilement compatible avec l’exonération de ces revenus sur base de l’article 90/1, CIR 92. La même chose vaut pour le précompte mobilier qui doit être retenu en application de l’article 261, alinéa 1er, 4°, CIR 92 sur les revenus qui résultent de la cession ou de la concession de droits d’auteur et de droits voisins tels que visés à l’article 17, § 1er, 5°, CIR 92. L’article 90, alinéa 3, CIR 92 renvoie de façon géné- rale aux revenus des biens immobiliers et de capitaux qui peuvent être considérés comme des revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens dans la mesure où ces biens et capitaux sont utilisés pour acquérir des revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens. Etant donné le type de services que le législateur a visé dans le cadre des revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occa- sionnels entre citoyens, cela porte essentiellement sur les revenus de la location des biens mobiliers tels que visés à l’article 17, § 1er, 3°, CIR 92 et non pas sur les revenus de capitaux tels que visés à l’article 17, § 1er, 40 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 bepaalde diensten zouden ook inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten en naburige rechten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, WIB 92 kunnen worden beoogd in artikel 90, derde lid, WIB 92. Omwille van de hiervoor aangehaalde redenen, wordt voorgesteld om (artikel 70 van het ontwerp): — de bepalingen inzake de “federale” voorheffingen niet langer van toepassing te maken op de inkomsten die bij toepassing van artikel 90, derde lid, WIB 92 als inkomsten uit de deeleconomie of uit occasionele dien- sten tussen burgers worden aangemerkt; — inkomsten van kapitalen en inkomsten uit lijfrenten of tijdelijke renten als bedoeld in artikel 17, § 1, 1°, 2° en 4°, WIB 92 niet langer in artikel 90, derde lid, WIB 92 op te nemen als inkomsten die als inkomsten uit de dee- leconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers kunnen worden aangemerkt. Inkomsten uit de verhuur van roerende goederen (ar- tikel 17, § 1, 3°, WIB 92) en inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten en naburige rechten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, WIB 92 worden dus, net als nu reeds het geval is, aangemerkt als inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers in de mate dat die goederen worden gebruikt voor het verwerven van inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occa- sionele diensten tussen burgers. Alhoewel het onderscheiden categorieën van diverse inkomsten zijn, zijn de inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tus- sen burgers toch nauw met mekaar verbonden door het feit dat onder dezelfde vrijstellingsregeling vallen. De bruto- inkomsten uit die categorieën worden immers samengenomen om te beoordelen of de grens van 6 130 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019) al dan niet is overschreden. Daarnaast is het mogelijk dat diensten die worden verricht in het kader van de deeleconomie, ook worden verricht in het kader van occasionele diensten tussen burgers (artikel 90, eerste lid, 1°bis, d), en 1°ter, b), WIB 92). De regering stelt dan ook voor om een negatief resultaat voor inkomsten uit de deeleconomie, voor inkomsten uit het vereni- gingswerk of voor inkomsten uit occasionele diensten tussen burgers te laten in mindering brengen van een voor hetzelfde belastbare tijdperk vastgestelde positief resultaat voor één of meer andere tot diezelfde groep behorende inkomstencategorieën. Daartoe wordt een nieuw artikel 102ter, WIB 92 ingevoegd in de afdeling met betrekking tot de diverse inkomsten. 1° et 2°, CIR 92. Pour certains services, les revenus de la cession ou de la concession de droits d’auteur et de droits voisins tels que visés à l’article 17, § 1er, 5°, CIR 92 peuvent également être visés à l’article 90, alinéa 3, CIR 92. Suite aux raisons exposées ci-avant, il est proposé de (article 70 du projet): — ne plus rendre applicables les dispositions en matière de précomptes “fédéraux” aux revenus qui sont considérés comme des revenus issus de l’économie col- laborative ou des services occasionnels entre citoyens en application de l’article 90, alinéa 3, CIR 92; — ne plus reprendre dans l’article 90, alinéa  3, CIR 92 les revenus de capitaux et les revenus de rentes viagères ou temporaires tels que visés à l’article 17, § 1er, 1°, 2° et 4°, CIR 92 en tant que revenus qui peuvent être considérés comme des revenus issus de l’écono- mie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens. Les revenus issus de la location de biens mobiliers (article 17, § 1er, 3°, CIR 92) et les revenus issus de la cession ou concession de droits d’auteur et de droits voisins tels que visés à l’article 17, § 1er, 5°, CIR 92, sont donc, tout comme c’est déjà le cas actuellement, considérés comme des revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens dans la mesure où ces biens sont utilisés pour l’acquisition de revenus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens. Bien qu’il existe des catégories distinctes de revenus divers, les revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens sont toutefois étroitement liés entre eux du fait qu’ils tombent sous le même régime d’exonération. Les revenus bruts de ces catégories sont en effet pris ensemble afin de déterminer si la limite de 6 130 euros (montant indexé pour l’exercice d’imposition 2019) est, ou non, dépassée. De plus, il est possible que des services effectués dans le cadre de l’économie colla- borative soient également effectués dans le cadre des services occasionnels entre citoyens (article 90, alinéa 1er, 1°bis, d) et 1°ter, b), CIR 92). Le gouvernement pro- pose dès lors de laisser un résultat négatif pour des revenus issus de l’économie collaborative, pour des revenus issus du travail associatif ou pour des revenus issus de services occasionnels entre citoyens être porté en diminution d’un résultat positif constaté pour la même période imposable pour une ou plusieurs autres catégories de revenus appartenant à ce même groupe. A cette fin, un nouvel article 102ter, CIR 92 est introduit dans la section relative aux revenus divers. 41 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Zoals gevraagd door de Raad van State in diens ad- vies nr. 64.422/3, wordt erop gewezen dat de in artikel 102ter, WIB 92 vermelde verliesaanrekening enkel geldt voor de inkomsten uit de deeleconomie, uit het vereni- gingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers die als divers inkomen belastbaar zijn. Afdeling 2 Vereenvoudiging inzake PB Art. 74 Niet recurrente resultaatsgebonden voordelen kun- nen fiscaal worden aangemerkt als bezoldigingen werk- nemer en als bezoldigingen bedrijfsleider. Wanneer een belastingplichtige in een belastbaar tijdperk zowel niet recurrente resultaatsgebonden voordelen heeft verkre- gen die als bezoldiging werknemer worden aangemerkt als niet recurrente resultaatsgebonden voordelen die als bezoldiging bedrijfsleider worden aangemerkt, moet de in artikel 38, § 1, eerste lid, 24°, WIB 92 bedoelde vrij- stelling over beide categorieën van beroepsinkomsten worden verdeeld. Momenteel moet de belastingplichtige zelf bepalen hoe die vrijstelling wordt omgedeeld, wat niet altijd eenvoudig is. De regering stelt daarom voor in de wet in te schrijven dat in een dergelijk geval de vrijstelling verhoudingsgewijs over de niet recurrente resultaatsgebonden voordelen in de beide categorieën van beroepsinkomsten wordt verdeeld en dit vanaf aanslagjaar 2019. Om de verhouding te bepalen wordt enkel rekening gehouden met de niet recurrente resul- taatsgebonden voordelen. Voorbeeld Bezoldiging werknemer Bezoldiging bedrijfsleider Voordeel 2.500 euro 1.500 euro Vrijstelling 2.880 x 2.500/4.000 = -1.800 euro 2.880 x 1.500/4.000 = -1.080 euro Belastbaar 700 euro 420 euro Art. 75 De tijdelijke bepaling ingevoegd in artikel 538 van het WIB 92 bij de wet van 26 december 2013 ten gevolge van de opheffing van artikel 38, § 1, eerste lid, 27° en §  5, bij dezelfde wet, betreffende een gedeeltelijke A la demande du Conseil d’État dans son avis n° 64.422/3, il est précisé que l’imputation des pertes visée à l’article 102ter, CIR 92 en projet ne s’applique qu’aux revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou de services occasionnels entre citoyens qui sont imposables en tant que revenus divers. Section 2 Simplification en matière d’IPP Art. 74 Sur le plan fiscal, les avantages non récurrents liés aux résultats peuvent être considérés comme des rému- nérations de travailleur et comme des rémunérations de dirigeant d’entreprise. Lorsqu’un contribuable a obtenu pendant une période imposable des avantages non récurrents liés aux résultats qui sont qualifiés de rémunérations de travailleur ainsi que des avantages non récurrents liés aux résultats qui sont qualifiés de rémunérations de dirigeant d’entreprise, l’exonération visée à l’article 38, § 1er, alinéa 1er, 24°, CIR 92 doit être répartie sur les deux catégories de revenus profession- nels. Actuellement, c’est au contribuable lui-même de déterminer comment cette exonération doit être répartie, ce qui n’est pas toujours simple. Dès lors, le gouver- nement propose d’inscrire dans la loi que dans un tel cas, l’exonération est répartie proportionnellement sur les avantages non récurrents liés aux résultats dans les deux catégories de revenus professionnels et ce à partir de l’exercice d’imposition 2019. Seuls les avantages non récurrents liés aux résultats sont pris en compte pour fixer la proportion. Exemple Rémunération de travailleur Rémunération de dirigeant d’entreprise Avantage 2.500 euros 1.500 euros Exonération 2.880 x 2.500/4.000 = -1.800 euros 2.880 x 1.500/4.000 = -1.080 euros Imposable 700 euros 420 euros Art. 75 La mesure transitoire insérée à l’article 538  du CIR 92 par la loi du 26 décembre 2013 suite à l’abroga- tion, par la même loi, de l’article 38, § 1er, alinéa 1er, 27° et § 5, qui concernait une exonération d’impôt partielle 42 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 belastingvrijstelling voor vergoedingen en schadeloos- stellingen ontvangen in het kader van een ontslag wat de opzeggingstermijnen en de carensdag in het kader van het eenheidsstatuutwet heeft geen bestaansreden meer en wordt opgeheven. Door deze overgangsbepaling blijft het stelsel van artikel 38, § 1, eerste lid, 27° en § 5, WIB 92 van toepas- sing na 1 januari 2014 in de gevallen voorzien in artikel 538, WIB 92. De collectieve ontslagprocedure moest ten laatste op 31 december 2013 aangevat zijn. Het betreft dus gevallen die zich in toekomstige aanslagjaren niet meer zullen voortdoen. Door dit artikel 538, WIB 92 te schrappen, wordt een bepaling die overbodig werd in dit Wetboek geschrapt, en wordt tegelijkertijd de aangifte voor de personenbe- lasting vereenvoudigd, hetgeen toelaat de overeenko- mende codes te schrappen. Art. 76 Artikel 76 bepaalt de inwerkingtreding van de bepa- lingen in dit hoofdstuk. HOOFDSTUK 2 Wijziging van het Wetboek diverse rechten en taksen Art. 77 en 78 Met een recht op geschriften van 2 euro werden bij artikel 10 van het Wetboek diverse rechten en taksen, vóór dat dit artikel werd gewijzigd bij de op 30 juli 2018 inwerking getreden wet van 11 juli 2018, enkel de akten van weigering tot overschrijving van beslaglegging en de getuigschriften, afschriften of uittreksels afgeleverd door de bewaarders der hypotheken op onroerend goederen belast. Om het ambt van hypotheekbewaarder te kunnen afschaffen, heeft de wet van 11 juli 2018 de verwijzingen naar de bewaarders en de bewaringen der hypotheken opgeheven in de vigerende wetgeving. De wijziging die werd aangebracht aan voormeld artikel 10 door die wet heeft echter ongewild het toepas- singsgebied van dat recht op geschriften uitgebreid. De voorgestelde tekst herstelt de initiële bedoeling van het toepassingsgebied. pour les rémunérations et indemnités perçues dans le cadre d’un licenciement n’a plus de raison d’être et est abrogée. Par cette mesure transitoire, le régime de l’article 38, § 1er, alinéa 1er, 27° et § 5, CIR 92 est resté applicable après le 1er janvier  2014 dans les situations visées par l’article 538, CIR 92. Le processus de licencie- ment collectif devait déjà avoir été initié au plus tard le 31 décembre 2013. Il s’agit de situations qui ne se rencontreront donc plus lors des exercices d’imposition futurs. En abrogeant cet article 538, CIR 92, on supprime dans ledit Code une disposition devenue superflue et on simplifie dans un même temps la déclaration à l’impôt des personnes physiques en permettant la suppression des codes y correspondants. Art. 76 L’article 76 règle l’entrée en vigueur des dispositions du présent chapitre. CHAPITRE 2 Modification du Code des droits et taxes divers Art. 77 et 78 Avant sa modification par la loi du 11 juillet 2018, entrée en vigueur le 30 juillet 2018, l’article 10 du Code des droits et taxes divers établissait le droit d’écriture de 2 euros seulement pour les actes de refus de transcrip- tion de saisie et pour les certificats, copies ou extraits délivrés par les conservateurs des hypothèques sur les immeubles. Afin de pouvoir supprimer la fonction de conservateur des hypothèques, la loi du 11 juillet 2018 a supprimé dans la législation en vigueur les références aux conser- vateurs et conservations des hypothèques. Toutefois la modification apportée à l’article 10 pré- cité par cette loi a étendu le champ d’application de ce droit alors que ce n’était pas l’objectif. Le texte proposé atteint à nouveau le but initial du champ d’application. 43 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 HOOFDSTUK 3 Wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten Art. 79 Artikel 921 van het Wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten (hierna W. Reg.) betreft de belasting van het stellen van een aanvullende zekerheid. Het stellen van een zekerheid onder de vorm van een hy- potheekvestiging op een onroerend goed wordt belast met een gewestelijk registratierecht (artikel 87 van het W. Reg. Waalse Gewest, artikel 87 van het W. Reg. Brusselse Gewest en artikel 2.11.3.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna VCF). Wordt een hypotheek gevestigd op een zee- of binnenschip dan is (behoudens de uitzondering voor schepen die naar hun aard voor zeevervoer bestemd zijn) een federaal registratierecht verschuldigd (artikel 88 van het W. Reg.). De problematiek van de aanvullende zekerheidstel- ling betreft de vraag of men het registratierecht op de vestiging van een hypotheek (op een onroerend goed of op een zee- of binnenschip) dat reeds werd gehe- ven naar aanleiding van de eerste hypotheekstelling, nogmaals gaat heffen wanneer een tweede hypotheek wordt gesteld tot waarborg van dezelfde schuld en van dezelfde waarde. Vóór de invoering van de VCF werd die problematiek opgelost door artikel 921, W. Reg. dat (in zijn meest recente versie) luidt “Onverminderd artikel 91, dekt het in artikelen 87 en 88 bedoeld recht alle vestiging van hypotheek welke naderhand tot zekerheid van eenzelfde schuldvordering van hetzelfde gewaarborgd bedrag mocht worden toegestaan.”. Artikel 921, W. Reg. verwijst wat dat betreft uitdruk- kelijk naar het recht bedoeld in de artikelen 87 en 88, W. Reg. Bij de invoering van de VCF werd een gelijkaardige regel ingeschreven in het artikel 2.11.6.0.1: “Er wordt een vrijstelling van het recht op hypotheekvestiging verleend voor elke vestiging van een hypotheek die na de hef- fing van de belasting, vermeld in artikel 2.11.3.0.1, wordt toegestaan tot zekerheid van dezelfde schuldvordering voor hetzelfde gewaarborgde bedrag. “ De huidige formuleringen van artikel 921, W. Reg. (federaal en Waalse en Brussels Hoofdstedelijke Gewest) en van artikel 2.11.6.0.1 VCF laten niet meer toe een dubbele belasting te vermijden . De volgende voorbeelden illustreren dit. CHAPITRE 3 Modification au Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe Art. 79 L’article 921 du Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe (ci-après: C. enreg.) concerne l’imposition d’une sûreté complémentaire. La consti- tution d’une sûreté sous la forme d’une constitution d’hypothèque sur un bien immeuble est soumise à un droit d’enregistrement régional (article 87 du C. enreg. Rég. wal., article 87 du C. enreg. Rég. B.-C. et article 2.11.3.0.1  du Code flamand de la fiscalité (ci-après C.F.F.). Il est dû un droit d’enregistrement fédéral lorsqu’une hypothèque est constituée sur un navire ou un bateau (à l’exception des navires destinés par nature au transport maritime) (article 88 du C. enreg.). La problématique de la sûreté complémentaire a trait à la question de savoir si le droit d’enregistrement sur la constitution d’une hypothèque (sur un bien immeuble ou sur un navire ou un bateau) qui a déjà été prélevée à la suite de la première hypothèque, sera à nouveau prélevé lorsqu’une deuxième hypothèque sera constituée pour garantir la même dette et la même valeur. Avant l’introduction du C.F.F., ce problème avait été résolu par l’article 921 du C. enreg., libellé (dans sa version la plus récente) comme suit: “Sans préjudice de l’article 91, le droit visé aux articles 87 et 88 couvre toute constitution d’hypothèque qui serait consentie dans la suite pour sûreté d’une même créance et du même montant garanti.”. L’article 921 du C. enreg. renvoie expressément, à cet égard, au droit visé aux articles 87 et 88 du C. enreg. Lors de l’introduction du C.F.F., une règle similaire a été prévue dans l’article 2.11.6.0.1: “Une exemption du droit sur les constitutions d’hypothèque est accordée pour toute constitution d’une hypothèque qui est auto- risée, après la perception des droits visés à l’article 2.11.3.0.1, en sûreté de la même créance pour le même montant garanti.”. Les formulations actuelles de l’article 921 du C. enreg. (fédéral, wallon et de la Région de Bruxelles-Capitale) et de l’article 2.11.6.0.1 CFF ne permettent plus d’éviter une double taxation. Les exemples suivants illustrent cela. 44 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 In geval van een hypotheekvestiging op een on- roerend goed gelegen in het Waalse Gewest of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die nadien wordt aangevuld met een hypotheekvestiging op een in het Vlaamse Gewest gelegen onroerende goed tot zeker- heid van dezelfde schuld en van hetzelfde bedrag, is de vrijstelling in artikel 2.11.6.0.1 VCF niet van toepassing omdat dit artikel enkel uitdrukkelijk verwijst naar dezelfde Codex (“de belasting, vermeld in artikel 2.11.3.0.1”) en niet naar het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. Hetzelfde probleem doet zich voor in geval van een hypotheekvestiging op een in het Vlaamse Gewest gelegen onroerend goed, gevolgd door een hypotheek- vestiging tot waarborg van dezelfde schuld en van het- zelfde bedrag maar op een onroerend goed gelegen in een ander Gewest dan het Vlaamse Gewest of op een schip bedoeld in artikel 88,W. Reg. In dit geval is het recht respectievelijk bepaald in de artikelen 87 en 88, W. Reg. verschuldigd op , gelet op het feit dat artikel 921, W. Reg. uitdrukkelijk verwijst naar de artikelen 87 en 88, W. Reg. maar niet naar de bepalingen van de VCF. Om in alle gevallen het oorspronkelijke principe van artikel 921 van het W. Reg. te herstellen, is een optreden van de federale wetgever en van de drie gewestwetge- vers nodig. De in dit ontwerp voorgestelde nieuwe versie van artikel 921 van het federale Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vormt het federale luik van de noodzakelijke aanpassingen van de teksten. De nieuwe versie van artikel 921 W. Reg. verwijst naar “het in artikel 3, eerste lid, 7°, a) van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten bedoeld recht”, dit is het gewestelijk registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een onroerend goed, en niet meer naar ‘het in artikel 87 (van het W. Reg.) bedoelde recht”. De Gewesten hebben zich, in het kader van een overleg in de schoot van de Waarnemingspost van de Gewestelijke Fiscaliteit, geëngageerd om aan hun parlement een gewestelijke variant voor te leggen van devoorgestelde nieuwe versie van artikel 921, W. Reg. Art. 80 Met de gewesten is afgesproken om de op de ver- schillende niveau’s nodige wetswijzigingen te laten in werking treden op 1 januari 2019. Dans le cas où une constitution d’hypothèque sur un bien immeuble situé en Région wallonne ou dans la Région de Bruxelles-Capitale est suivie ultérieurement d’une constitution d’hypothèque sur un bien immeuble situé en Région flamande, en garantie de la même créance pour le même montant, l’exemption de l’article 2.11.6.0.1 C.F.F. n’est pas applicable car cet article ren- voie expressément au même Code (“l’impôt, mentionné à l’article 2.11.3.0.1”) et non pas au Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe. Le même problème se présente dans le cas où une constitution d’hypothèque sur un bien immeuble situé en Région flamande est suivie d’une constitution d’hypo- thèque en garantie de la même dette et pour le même montant garanti sur un bien immeuble situé dans une autre région que la Région flamande, ou sur un navire visé à l’article 88, C. enreg. Dans ce cas, le droit fixé respectivement aux articles 87 et 88, C. enreg. est dû sur la sûreté complémentaire étant donné que l’article 921, C. enreg. renvoie expressément au droit visé aux articles 87 et 88 du C. enreg. et non aux dispositions du C.F.F.. Afin de rétablir, dans tous les cas, le principe initial de l’article 921 du C. enreg., il est nécessaire que le législa- teur fédéral et les trois législateurs régionaux agissent. La nouvelle version de l’article 921 du Code fédéral des droits d’enregistrement proposée dans ce projet, constitue la partie fédérale des adaptations nécessaires des textes. La nouvelle version de l’article 921 du C. enreg., ren- voie au “droit visé […] à l’article 3, alinéa 1er, 7°, a) de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions”, c’est-à-dire au droit d’enregistrement régional sur la constitution d’une hypothèque sur un bien immeuble, et plus “au droit visé à l’article 87 (du C. enreg.)”. Les Régions se sont engagées, dans le cadre d’une concertation au sein de l’Observatoire de la fiscalité régionale, à soumettre à leur parlement une variante régionale de la version nouvelle de l’article 921 du C. enreg. proposée. Art. 80 Il a été convenu avec les régions de faire entrer en vigueur le 1er janvier 2019 les modifications législatives nécessaires aux différents niveaux. 45 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 TITEL VI Achterwaartse verliesverrekening ter compensatie van schade aan landbouwteelten, veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden ALGEMENE TOELICHTING Dit deel geeft uitvoering aan het voornemen van de regering om een stelsel van achterwaartse aftrek van verliezen (carry back) in te voeren voor de land- en tuin- bouwsector. (Telkens wanneer hierna de term landbouw wordt gebruikt, mag daaronder ook steeds de tuinbouw worden verstaan). Ongunstige klimatologische omstandigheden, zoals vorst, storm, hagel, ijs, hevige of aanhoudende regen of ernstige droogte, kunnen een aanzienlijke impact hebben op de opbrengst van landbouwteelten en dus ook op het inkomen van landbouwers. In de personenbelasting bestaat het vigerend stelsel er in dat een in het belastbare tijdperk geleden beroeps- verlies (negatief resultaat uit een bepaalde categorie van beroepsinkomsten) afgetrokken wordt van de andere beroepsinkomsten van de belastingplichtige (artikel 23, WIB 92) en eventueel van de beroepsinkomsten van de echtgenoot van de belastingplichtige (artikel 129, WIB 92). De beroepsverliezen die dan nog niet in aftrek konden worden gebracht, worden overgedragen naar het volgende belastbare tijdperk en eventueel zelfs de daaropvolgende belastbare tijdperken (artikel 78, WIB 92). Ook in de vennootschapsbelasting voorziet het vige- rende stelsel enkel in een overdracht van het beroeps- verlies naar de volgende belastbare tijdperken (artikel 206, WIB 92). Door het fiscale verlies dat landbouwers lijden door ongunstige klimatologische omstandigheden te laten aftrekken van de beroepsinkomsten van vorige in plaats van volgende belastbare tijdperken en op die manier reeds betaalde belasting terug te geven (eerder dan toekomstige belasting te verlagen), wil de regering de landbouwers bijkomende financiële ademruimte geven. In antwoord op het advies nr. 64.422/3 van de Raad van State wordt verduidelijkt dat de regering van mening is dat dit bijzonder stelsel dat enkel kan genoten worden door landbouwondernemingen (natuurlijke personen en rechtspersonen) die schade hebben geleden die werd veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, te verantwoorden is doordat de landbouwers behoren tot TITRE VI Rétro-imputation des pertes en compensation du dommage aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables EXPOSÉ GÉNÉRAL La présente partie exécute l’engagement du gouver- nement d’instaurer un régime de rétro-déduction des pertes (carry back) pour le secteur agricole et horticole (à chaque fois que le terme agriculture est employé ci-après, il faut toujours entendre par là également l’horticulture). Des conditions climatologiques défavorables, comme le gel, les tempêtes, la grêle, le verglas, les pluies abondantes ou persistantes ou une grave sécheresse, peuvent avoir une incidence notable sur le rendement des cultures agricoles et par conséquent sur les revenus des agriculteurs. A l’impôt des personnes physiques, il existe une mesure en vigueur par laquelle une perte profession- nelle subie lors de la période imposable (résultat négatif issu de certaines catégories de revenus profession- nels) est déduite des autres revenus professionnels du contribuable (article 23, CIR 92) et éventuellement des revenus professionnels du conjoint du contribuable (article 129, CIR 92). Les pertes professionnelles qui ne peuvent être alors portées en déduction sont reportées à la période imposable suivante et même, éventuellement, aux périodes imposables suivantes (article 78, CIR 92). A l’impôt des sociétés également, la mesure en vigueur prévoit uniquement le report de pertes profes- sionnelles aux périodes imposables suivantes (article 206, CIR 92). En permettant la déduction des pertes fiscales que les agriculteurs subissent du fait de conditions climato- logiques défavorables des revenus professionnels de périodes imposables antérieures au lieu des suivantes, et, de cette façon, le remboursement de l’impôt déjà payé (plutôt que la diminution de l’impôt futur), le gou- vernement souhaite procurer plus de marge financière aux agriculteurs. En réponse à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État, il est précisé que le gouvernement est d’avis que ce régime particulier, dont ne peuvent bénéficier que les en- treprises agricoles (personnes physiques et personnes morales) qui ont subi un dommage ayant été causé par des conditions météorologiques défavorables, est jus- tifié par le fait que les agriculteurs appartiennent à un 46 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 een beroepsgroep die te lijden heeft onder wisselvallige inkomsten ten gevolge van het onvoorspelbaar karakter van het weer. In de landbouwsector is het aantal land- bouwbedrijven de afgelopen 40 jaar gedaald met 70 pct. Zij zijn uitermate gevoelig aan de wisselende extreme weersomstandigheden die jaar na jaar nog prominenter zullen worden door de klimatologische gevolgen van de opwarming van de aarde. Hierdoor valt te verwachten dat de volatiliteit van hun inkomsten, meer nog dan bij andere beroepsgroepen in de toekomst zal toenemen. De andere regels met betrekking tot de aftrek van verliezen, zoals de artikelen 79 en 80, WIB 92 zijn ook van toepassing op de achterwaartse verliesaftrek. In antwoord op het advies nr. 64.422/3 van de Raad van State wordt verduidelijkt dat dit principe ook van toepassing is in de vennootschapsbelasting en dat ook de andere regels, zoals bijvoorbeeld deze bedoeld in de artikelen 206, §§ 2 en 3, en 207, WIB 92, van toepassing zijn op de achterwaartse verliesaftrek. Het is dus bijgevolg perfect mogelijk dat de specifieke ongunstige omstandigheden van de belastbare tijdper- ken n-3, n-2, n-1 gevolgen hebben voor de toepassing van de carry back, net zoals de specifieke ongunstige omstandigheden van de belastbare tijdperken n-3, n-2, n-1, gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van een carry forward in het belastbare tijdperk n. De achterwaartse verliesaftrek voor verliezen die door landbouwondernemingen worden geleden inge- volge ongunstige klimatologische omstandigheden is een keuzestelsel. De belastingplichtige moet zijn keuze expliciet bekend maken in de aangifte met betrekking tot het belastbare tijdperk waarin de schade waaraan het verlies is te wijten, is vastgesteld. Van zodra het bedrag van de verliezen die in aanmer- king komen voor achterwaartse verliesaftrek gekend is (d.i. blijkt uit een aanslag in de personenbelasting, vennootschapsbelasting of de belasting van niet- inwoners), zullen die verliezen worden afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin de verliezen werden geleden, te beginnen met het oudste. Vervolgens zal het ingevolge de verrekening van deze verliezen teveel betaalde bedrag van rechtswege van de belasting worden ontheven. Vermits de achterwaartse aanrekening enkel geldt voor verliezen in de landbouwsector en impliceert dat er een financieel voordeel wordt verleend door de overheid, moet de maatregel in beginsel als staatssteun worden aangemerkt. groupe professionnel qui génère des revenus fluctuants en conséquence du caractère imprévisible du climat. Dans le secteur de l’agriculture, le nombre d’entreprises agricoles a diminué de 70 p.c. ces 40 dernières années. Elles sont hautement sensibles aux conditions météoro- logiques extrêmes fluctuantes qui, année après année, se feront plus prépondérantes suite aux conséquences climatiques du réchauffement de la planète. Par consé- quent, on peut s’attendre à ce que la volatilité de leurs revenus ne fasse dans le futur que s’accroître, plus que pour d’autres groupes professionnels. Les autres règles relatives à la déduction des pertes, telles que les articles 79 et 80, CIR 92, sont aussi appli- cables à la rétro-déduction des pertes. En réponse à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État, il est précisé que ce principe est également applicable à l’impôt des sociétés et que les autres règles, comme par exemple celles visées aux artricles 206, §§ 2 et 3, et 207, CIR 92, sont applicables à la rétro-imputation des pertes. Il s’ensuit donc qu’il est parfaitement possible que les conditions spécifiques défavorables des périodes imposables n-3, n-2, n-1, aient des conséquences sur l’application du “carry back”, tout comme les conditions spécifiques défaborables des périodes imposables n-3, n-2, n-1, puissent avoir des conséquences sur l’appli- cation d’un “carry forward” à la période imposable n. La rétro-déduction de pertes pour des pertes que les entreprises agricoles ont subies suite à des conditions climatologiques défavorables est un régime d’option. Le contribuable doit explicitement faire connaître son choix dans la déclaration relative à la période imposable durant laquelle les dommages qui ont causé la perte ont été constatés. Dès lors que le montant des pertes qui entrent en ligne de compte pour la rétro-déduction des pertes est connu (ç.-à.-d. tel qu’il ressort d’une imposition à l’impôt des personnes physiques, l’impôt des socié- tés ou l’impôt des non-résidents), ces pertes seront déduites des revenus professionnels des trois périodes imposables précédant la période imposable durant laquelle les pertes ont été éprouvées, à commencer par la plus ancienne. Ensuite, le montant de l’impôt payé en excès suite à l’imputation de ces pertes, sera dégrevé de plein droit. Etant donné que la rétro-imputation ne vaut que pour les pertes dans le secteur de l’agriculture, et que cela implique qu’un avantage financier est accordé par l’autorité publique, la mesure doit en principe être qualifiée d’aide d’état. 47 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Om te voldoen aan de Europese staatssteunregels heeft de regering ervoor geopteerd om met deze maatregel het kader te volgen dat door de Europese regelgever werd voorzien in artikel 25 van verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (landbouwvrijstellingsverordening). Concreet heeft dit tot gevolg dat er aan een heel aantal voorwaarden moet worden voldaan. Vooreerst kunnen in overeenstemming met dit door de Europese regelgever uitgewerkte kader enkel kmo’s in aanmerking komen voor het verkrijgen van steun en moeten over- eenkomstig artikel 1, lid 6 van de voormelde landbouw- vrijstellingsverordening ondernemingen in moeilijkheden van het toepassingsgebied worden uitgesloten. De onderneming wordt echter niet uitgesloten indien zij een onderneming in moeilijkheden is geworden ten gevolge van de geleden schade veroorzaakt door de ongunstige weersomstandigheden. Bijgevolg moeten de onderne- mingen worden uitgesloten die reeds “in moeilijkheden” waren voordat zij schade hebben geleden ingevolge de ongunstige weersomstandigheden. De begrippen “middelgrote onderneming” en “onder- neming in moeilijkheden”, zoals gedefinieerd door de verschillende vrijstellingsverordeningen, werden eerder al gebruikt in het kader van een andere maatregel, met name de steun die wordt verleend aan ondernemingen die investeren in een steunzone (artikelen 2758 en 2759, WIB 92). Omwille van legistieke redenen en om de coherentie in het WIB 92 te bevorderen, is er voor gekozen om de definitie van deze begrippen, die momenteel in artikel 2758, § 2, WIB 92 is geïntegreerd, in artikel 2, WIB 92 op te nemen. Dit heeft als voordeel dat het in de toekomst eenvoudiger wordt om maatregelen in het WIB 92 in te voeren die binnen het kader van één van de in de vrijstellingsverordeningen omschreven categorieën van steun worden uitgewerkt en het maakt het niet nodig om deze definities te herhalen in de artikelen waarin de steunregeling wordt beschreven. Vervolgens voorziet dit ontwerp dat belangrijke as- pecten van deze maatregel samen met de gewesten zullen moeten worden uitgewerkt en dat deze uitwerking zijn neerslag zal krijgen in een met elk gewest afzon- derlijk gesloten samenwerkingsakkoord. Het is hierbij geenszins de bedoeling om de bevoegdheidsverdelende regels zoals omschreven in de bijzondere wetten buiten spel te zetten. Afin de répondre aux règles européennes en matière d’aide d’état, le gouvernement a choisi pour cette mesure de suivre le cadre que le législateur européen a prévu à l’article 25 du règlement (UE) n° 702/2014 de la Commission du 25 juin 2014 déclarant certaines caté- gories d’aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne (règlement d’exemption agricole). Concrètement, cela a pour conséquence que tout un ensemble de conditions doivent être remplies. Tout d’abord, conformément à ce cadre élaboré par le législateur européen, seules les PME peuvent entrer en considération pour l’obtention d’aide et les entreprises en difficulté doivent, conformément à l’article 1er, ali- néa 6, du règlement d’exemption agricole précité, en être exclues. L’entreprise n’est cependant pas exclue si elle est devenue une entreprise en difficulté suite à des dommages subis provoqués par des conditions météorologiques défavorables. Par conséquent, les entreprises qui étaient déjà “en difficulté”, avant qu’elles n’aient encouru un dommage suite à des conditions météorologiques défavorables, doivent être exclues. Les notions de “moyenne entreprise” et “entreprise en difficulté”, comme définies par les différents règlements d’exemption, étaient antérieurement déjà utilisées dans le cadre d’une autre mesure, à savoir l’aide qui est accordée aux entreprises qui investissent dans une zone d’aide (articles 2758 et 2759, CIR 92). Pour des raisons logistiques, et afin de favoriser la cohérence dans le CIR 92, il a été choisi de reprendre la définition de ces notions, actuellement intégrée à l’article 2758, § 2, CIR 92, à l’article 2, CIR 92. Cela présente l’avantage qu’il sera à l’avenir plus simple d’introduire des mesures dans le CIR 92 qui sont élabo- rées dans le cadre d’une des catégories d’aide définies dans les règlements d’exemption et qu’il ne sera pas nécessaire de répéter ces définitions dans les articles dans lesquels la mesure d’aide sera inscrite. Ensuite, le présent projet prévoit que les aspects importants de cette mesure seront élaborés conjoin- tement avec les régions et que cette élaboration sera obtenue par le fruit d’un accord de coopération conclu séparément avec chaque région. L’intention n’est pas du tout ici de mettre de côté les règles répartitrices de compétences telles que décrites dans les lois spéciales. 48 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Deze werkwijze wordt als volgt gemotiveerd: Vooreerst is het inderdaad zo dat door de bevoegd- heidsverdelende regels aan de gewesten belangrijke delen van het landbouwbeleid werden toebedeeld. In uitvoering van dit beleid geven de gewesten vandaag al steun aan landbouwers die schade hebben geleden ingevolge ongunstige weersomstandigheden. Niettegenstaande de aan de gewesten toegewezen bevoegdheden op het vlak van landbouw, heeft ook de federale overheid bevoegdheden die haar optreden verantwoorden. Zo is uitsluitend de federale overheid bevoegd om de grondslag van de federale inkomsten- belastingen te bepalen. Dit maakt de federale overheid minstens impliciet bevoegd om via de vaststelling van de grondslag van de inkomstenbelastingen specifieke maatregelen te nemen voor een groep van belasting- plichtigen die bijzonder kwetsbaar is voor ongunstige klimatologische omstandigheden. Aangezien verschillende binnenlandse beleidsni- veaus inspanningen leveren en willen leveren om de economische gevolgen voor landbouwers van on- gunstige klimatologische omstandigheden draaglijk te houden, is het omwille van economische redenen aangewezen om de inspanningen onderling te coördi- neren. Zo zou het allerminst efficiënt zijn indien zowel het bevoegde gewest als de federale overheid naast el- kaar de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals bedoeld in artikel 25 van de landbouwvrijstellingsverordening, zouden erkennen. Daarnaast zou het ook niet efficiënt zijn indien de twee verschillende beleidsniveaus elk apart een afzonderlijke methode zouden ontwikkelen om het bedrag van de schade vast te stellen die wordt veroorzaakt door de ongunstige weersomstandigheden. Een tweede belangrijke reden om een samenwer- kingsakkoord te sluiten, is dat om te beoordelen of de in artikel 25 van de voormelde verordening voorziene maximale steunintensiteit wordt nageleefd, de aan de belastingplichtige verleende steun geconsolideerd moet worden bekeken. Het maakt voor de Europese regelgever immers niet uit door welk specifieke overheid de steun wordt verleend. In een federaal land heeft dit tot gevolg dat indien twee overheden steun willen ver- lenen ter compensatie van dezelfde kosten, de beide overheden er gezamenlijk over moeten waken dat de maximale steunintensiteit niet overschreden wordt. Om de informatie-uitwisseling die hiervoor nodig is te voorzien, is het ook noodzakelijk om een samenwer- kingsakkoord te sluiten. Cette méthode de travail est motivée comme suit: Tout d’abord, il est vrai que d’importantes parties de la politique agricole ont été attribuées aux régions par les règles répartitrices de compétences. En exécution de cette politique, les régions attribuent déjà à l’heure actuelle de l’aide aux agriculteurs qui ont subi des dommages suite à des conditions météorologiques défavorables. Nonobstant les compétences accordées aux régions en matière d’agriculture, l’Autorité fédérale possède également des compétences qui justifient son action. Ainsi, elle est seule compétente pour déterminer la base imposable des impôts sur les revenus fédéraux. Cela rend l’Autorité fédérale, au moins implicitement, compétente pour prendre des mesures spécifiques, pour un groupe de contribuables qui est spécialement vulnérable à des conditions météorologiques défavo- rables, via la détermination de la base imposable des impôts sur les revenus. Vu que différents niveaux de pouvoir nationaux four- nissent et veulent fournir des efforts pour que l’impact économique pour les agriculteurs de circonstances climatologiques défavorables reste supportable, il est souhaitable, pour des raisons économiques, de coor- donner les efforts entre eux. Ainsi, cela ne serait pas du tout efficient si la région compétente tout comme l’Autorité fédérale reconnaissaient côte à côte les condi- tions météorologiques défavorables qui peuvent être assimilées à une calamité naturelle, telles que visées à l’article 25 du règlement d’exemption agricole. En outre, il ne serait pas non plus efficient que les deux différents niveaux de pouvoir développent chacun leur méthode distincte pour la détermination du montant du dommage provoqué par les conditions météorologiques défavorables. Une deuxième raison importante pour conclure un accord de coopération est que pour vérifier si l’intensité maximale de l’aide prévue à l’article 25 du règlement précité est respectée, l’aide accordée au contribuable doit se vérifier de façon consolidée. Cela importe peu au législateur européen de savoir par quelle autorité publique spécifique l’aide est accordée. Dans un pays fédéral, cela a pour conséquence que si deux autorités publiques veulent accorder une aide en compensation des mêmes coûts, les deux autorités publiques doivent veiller ensemble à ce que l’intensité maximale de l’aide ne soit pas dépassée. Afin de prévoir l’échange d’informations nécessaire à cette fin, il est également nécessaire de conclure un accord de coopération. 49 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Art. 81, 85 en 86 De wijzigingen die deze artikelen aanbrengen hebben tot doel om de definities van “middelgrote onderneming” en “onderneming in moeilijkheden” die voorheen impli- ciet in artikel 2758, § 2, WIB 92 waren opgenomen, te verplaatsen naar artikel 2, WIB 92. Gelet op de specifieke context waar deze definities voorheen werden gebruikt, was het niet mogelijk om deze woordelijk over te nemen. Bovendien wordt wat betreft de definitie van “middelgrote onderneming” (KMO definitie) van de gelegenheid gebruik gemaakt om de in het WIB 92 opgenomen definitie waar mogelijk nog beter te laten aansluiten bij de tekst van bijlage 1 van de voormelde verordening waar de Europeesrechtelijke KMO definitie is in opgenomen. Er werd voor gekozen om niet expliciet te verwijzen naar de in de verordening opgenomen definitie omdat deze relatief complex is opgesteld en weinig geschikt is om in een fiscale context te worden gebruikt. Daarom wordt geopteerd voor het gebruik van een autonome de- finitie, die inhoudelijk zeer nauw aansluit bij de Europese definitie, maar waarvan het woordgebruik beter aansluit bij de bewoording van het WIB 92. Voor landbouwvennootschappen zal steeds in hoofde van de vennootschap worden beoordeeld of al dan niet voldaan is aan de criteria van middelgrote onderneming, ook wanneer voor een belastingheffing in de personen- belasting wordt geopteerd. In navolging van het advies nr. 64.422/3 van de Raad van State wordt in het ontwerp verduidelijkt dat enkel de in het paragraaf 4, tweede lid, bedoelde gevallen, die niet verbonden zijn met de voornoemde onderneming, niet worden beschouwd als aanbestedende overheden. In antwoord op het advies nr. 64.422/3 van de Raad van Stare wordt vervolgens verduidelijkt dat in de woor- den “behalve in het geval de eerstgenoemde onderne- ming onder het toepassingsgebied van het derde lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend” een verwijsfout was geslopen aan- gezien het de bedoeling was om te verwijzen naar de in het tweede lid bedoelde gevallen. Het ontwerp wordt hieraan aangepast. Met deze bepaling wordt artikel 3, lid 3, alinea 2, van bijlage I, van verordening 702/2014 geïmplementeerd, dat luidt: COMMENTAIRE DES ARTICLES Art. 81, 85 et 86 Les modifications qu’apportent ces articles ont pour but de déplacer les définitions de “moyenne entreprise” et “entreprise en difficulté” qui étaient auparavant impli- citement reprises à l’article 2758, § 2, CIR 92, à l’article 2, CIR 92. Etant donné le contexte spécifique dans lequel ces définitions étaient utilisées auparavant, il n’était pas possible de les reprendre littéralement. De plus, en ce qui concerne la définition de “moyenne entreprise” (définition de PME), l’occasion a été mise à profit de faire davantage correspondre, lorsque c’était possible, la définition reprise dans le CIR 92 au texte de l’annexe 1 du règlement précité dans lequel est reprise la défini- tion de PME en droit européen. Il a été choisi de ne pas se référer explicitement à la définition reprise dans le règlement parce que celle-ci est formulée de façon relativement complexe et est peu adaptée pour être utilisée dans un contexte fiscal. Dès lors, il a été choisi d’utiliser une définition autonome, qui correspond en substance très étroitement à la définition européenne, mais dont le phrasé correspond mieux au vocabulaire du CIR 92. Pour les entreprises agricoles, le respect ou non du critère de moyenne entreprise sera toujours apprécié dans le chef de la société, également lorsqu’il est opté pour une imposition à l’impôt des personnes physiques. Suite à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État, il est pré- cisé dans le projet que seuls les cas visés au paragraphe 4, alinéa 2, qui ne sont pas liés à l’entreprise précitée, ne sont pas considérés comme pouvoirs adjudicateurs. En réponse à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État, il est ensuite précisé qu’une erreur de référence s’est glissée dans les mots “sauf dans le cas où l’autre entreprise se trouve dans le champ d’application de l’alinéa 3 et que les faits n’établissent pas que ce droit est effectivement exercé”, étant donné que le but était de se référer aux cas visés à l’alinéa 2. Le projet est adapté à cet égard. Cette disposition met en œuvre l’article 3, para- graphe 3, deuxième alinéa, de l’annexe I, du règlement 702/2014, rédigé comme suit: 50 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “Er wordt verondersteld dat geen overheersende in- vloed wordt uitgeoefend indien de in lid 2, tweede alinea, genoemde investeerders zich niet direct of indirect met het beheer van de betrokken onderneming bemoeien, onverminderd de rechten die zij als aandeelhouder of vennoot bezitten.”. Art. 82 Artikel 82 past artikel 23, § 2, 3°, WIB 92 aan om reke- ning te houden met de mogelijkheid van achterwaartse verliesaftrek en dus de aftrek van verliezen van latere belastbare tijdperken. De achterwaartse verliesaftrek zal ook worden toegepast op de beroepsinkomsten van de echtgenoot. Artikel 129, WIB 92, dat de bepalingen bevat met betrekking tot die aftrek van beroepsverliezen bij de andere echtgenoot, moet echter niet worden aan- gepast, gelet op de verwijzing naar artikel 23, WIB 92 in dat artikel. Deze verwijzing omvat dus voortaan ook de achterwaartse verliesaftrek. Art. 83 De bestaande tekst van artikel 78, WIB 92, die het principe van de voorwaartse verliesaanrekening vast- legt, zal voortaan de eerste paragraaf van dat artikel vormen. De tweede paragraaf in ontwerp legt de basis- regels vast voor de achterwaartse verliesaanrekening. In aanmerking komende verliezen De achterwaartse aftrek van beroepsverliezen is enkel mogelijk voor verliezen die in de landbouwsector worden geleden door schade aan landbouwteelten veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden. Met ongunstige weersomstandigheden wordt feno- menen als zeer zware regenval, grote droogte, strenge vorst … bedoeld. De landbouwvrijstellingsverordening vereist dat een aanzienlijk deel van de oogst, i.c. 30 pct. ten opzichte van de gemiddelde jaarlijkse productie, door de ongunstige weersomstandigheden verloren is gegaan. De procedure voor formele erkenning die in artikel 25 van de landbouwvrijstellingsverordening wordt vereist, zal worden overeengekomen in de met de gewesten gesloten samenwerkingsakkoorden. De beroepsverliezen van een landbouwonderneming zullen in aanmerking komen voor achterwaartse ver- liesaftrek ten belope van maximum het bedrag van de schade aan landbouwteelten zoals dat in het belastbare tijdperk definitief is vastgesteld op de manier die zal worden vastgelegd in de met de gewesten gesloten “Il y a présomption qu’il n’y a pas d’influence domi- nante, dès lors que les investisseurs énoncés au para- graphe 2, deuxième alinéa, ne s’immiscent pas direc- tement ou indirectement dans la gestion de l’entreprise considérée, sans préjudice des droits qu’ils détiennent en leur qualité d’actionnaires ou d’associés.”. Art. 82 L’article 82 adapte l’article 23, § 2, 3°, CIR 92, pour tenir compte de la possibilité de rétro-déduction de pertes et donc de la déduction de pertes de périodes imposables ultérieures. La rétro-déduction de pertes sera également appliquée sur les revenus profession- nels du conjoint. L’article 129, CIR 92, qui contient les dispositions relatives à cette déduction des pertes professionnelles par l’autre conjoint, ne doit cependant pas être adapté, compte tenu de la référence à l’article 23, CIR 92 dans cet article. Désormais, cette référence comprend donc également la rétro-déduction de pertes. Art. 83 Le texte actuel de l’article 78, CIR 92, qui fixe le principe de l’imputation future des pertes, formera désormais le paragraphe 1er de cet article. Le para- graphe 2, en projet, détermine les règles de base pour la rétro-imputation des pertes. Les pertes à prendre en considération La rétro-déduction de pertes professionnelles n’est possible que pour les pertes qui ont été encourues dans le secteur de l’agriculture provoquées par des dom- mages causés aux cultures agricoles par des conditions météorologiques défavorables. Par conditions météorologiques défavorables sont visés les phénomènes tels que les pluies très abon- dantes, les grandes sècheresses, les fortes gelées. Le règlement d’exemption agricole exige qu’une partie substantielle de la récolte, ç.-à.-d. 30 p.c. par rapport à la production annuelle moyenne, soit perdu suite aux conditions météorologiques défavorables. La procédure pour la reconnaissance formelle qui est exigée à l’article 25 du règlement d’exemption agricole sera convenue dans l’accord de coopération conclu avec les régions. Les pertes professionnelles d’une entreprise agricole seront prises en considération pour la rétro-déduction de pertes à concurrence d’au maximum le montant des dommages causés aux cultures agricoles tels que définitivement constatés dans la période imposable, de la façon qui sera dans les accords de coopération 51 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 samenwerkingsakkoorden. De beroepsverliezen van een landbouwonderneming worden dus geacht bij voorrang voort te komen uit de schade aan landbouwteelten die is veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden. Op die manier wordt vermeden dat een complexe op- splitsing moet worden gemaakt van het fiscaal resultaat uit de betrokken landbouwteelten en het fiscaal resultaat uit andere landbouwactiviteiten. Het beroepsverlies dat in aanmerking komt voor achterwaartse verliesaftrek zal echter nooit hoger kunnen zijn dan het verlies uit de inkomenscategorie van de winst (artikel 23,§ 1, 1°, WIB 92) van de belastingplichtige voor het betrokken belastbare tijdperk. Wanneer de belastingplichtige ook een beroepsverlies heeft in de inkomstencategorie van de baten of de bezoldigingen, komen die verliezen niet in aanmerking voor een achterwaartse verliesaftrek. In het voordeel van de belastingplichtige zullen die laatste verliezen desgevallend worden geacht het eerst in aftrek te zijn gebracht van de andere beroepsinkomsten van de belastingplichtige of van de beroepsinkomsten van zijn echtgenoot. Voorbeeld 1 Echtgenoot 1: negatief resultaat in categorie winst: (25 000) euro in het belastbare tijdperk definitief vastgestelde schade aan teelten ingevolge ongunstige weersom- standigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld: (28 000) euro negatief resultaat in de categorie baten: (1 500) euro Echtgenoot 2: positief resultaat in de categorie bezoldigingen van een werknemer: 23 000 euro Beroepsverlies dat in aanmerking komt voor achter- waartse verliesaanrekening: beroepsverliezen: (25 000) ( 1 500) (26 500) Aanrekening op beroepsinkomsten van de echtgenoot: 23 000 saldo verliezen (3 500) Het saldo aan verliezen, 3 500 euro, is niet hoger dan het bedrag van het verlies uit de categorie winst en ook niet hoger dan het bedrag van de tijdens het belastbare tijdperk definitief vastgestelde schade aan teelten ingevolge ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld. conclus avec les régions. Les pertes professionnelles d’une entreprise agricole seront donc censées provenir en priorité des dommages causés aux cultures agricoles provoqués par des conditions météorologiques défa- vorables. De cette façon, nous évitons de devoir faire une scission complexe entre le résultat fiscal issu des cultures agricoles concernées et le résultat fiscal issu des autres activités agricoles. La perte professionnelle qui entre en considération pour la rétro-déduction de pertes ne pourra cependant jamais dépasser la perte issue de la catégorie de revenus des bénéfices (article 23, § 1er, 1°, CIR 92) du contribuable pour la période imposable concernée. Lorsque le contribuable a éga- lement une perte professionnelle dans la catégorie de revenus des profits ou des rémunérations, ces pertes n’entrent pas en considération pour la rétro-déduc- tion de pertes. Dans l’avantage du contribuable, ces dernières pertes seront censées, le cas échéant, être déduites en premier des autres revenus professionnels du contribuable ou des revenus professionnels de son conjoint. Exemple 1 Conjoint 1: résultat négatif de la catégorie bénéfices: (25 000) euros dommages causés aux cultures agricoles par des conditions météorologiques défavorables pouvant être assimilées à une calamité naturelle définitivement constatés dans la période imposable: (28 000) euros résultat négatif de la catégorie profits: (1 500) euros Conjoint 2: résultat positif de la catégorie rémunérations de tra- vailleur: 23 000 euros Perte professionnelle qui entre en ligne de compte pour la rétro-imputation de pertes: Pertes professionnelles: (25 000) ( 1 500) (26 500) Imputation sur des revenus professionnels du conjoint: 23 000 solde des pertes (3 500) Le solde des pertes, 3 500 euros, ne dépasse pas le montant des pertes de la catégorie des bénéfices et ne dépasse pas non plus le montant des dommages causés aux cultures agricoles par des conditions météorologiques défavorables pouvant être assimilées à une calamité naturelle définitivement constatés dans 52 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Dit saldo komt dus volledig in aanmerking voor achter- waartse verliesaftrek. Vermits niet noodzakelijk alle beroepsverliezen van een belastbaar tijdperk in aanmerking komen voor de achterwaartse verliesaftrek, is het dus niet uitgesloten dat een deel van de beroepsverliezen op vorige be- lastbare tijdperken zal worden aangerekend en een deel op latere belastbare tijdperken. Het onderstaande voorbeeld is hier een illustratie van. Voorbeeld 2 Als alleenstaande belaste belastingplichtige: negatief resultaat in categorie winst: (25 000 euro) in het belastbare tijdperk definitief vastgestelde schade aan teelten ingevolge ongunstige weersom- standigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld: (20 000 euro) positief resultaat in de categorie pensioenen: 3 000 euro beroepsverlies dat in aanmerking komt voor ach- terwaartse verliesaanrekening: 25 000  – 3 000  = 22 000 euro, beperkt tot 20 000 euro, zijnde het bedrag van de in het belastbare tijdperk definitief vastgestelde schade aan teelten ingevolge ongunstige weersom- standigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld. Het gedeelte van het niet op de andere beroeps- inkomsten van het belastbare tijdperk aangerekende beroepsverlies waarvoor de belastingplichtige geen toepassing heeft gevraagd van de achterwaartse verliesaftrek, wordt overgedragen naar de volgende belastbare tijdperken (voorwaartse verliesaanrekening). Principe van de achterwaartse verliesaftrek De achterwaartse verliesaftrek wordt toegepast op de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belast- bare tijdperk waarin de schade aan delandbouwteelten definitief is vastgesteld. Bij een ramp wordt de schade aan de landbouwteel- ten in principe een eerste keer vastgesteld kort nadat de ongunstige weersomstandigheden zich hebben voor- gedaan en nog eens kort voor de oogst. Het belastbare tijdperk waarin de schade definitief is vastgesteld, komt dan ook doorgaans overeen met het belastbare tijdperk la période imposable. Ce solde entre donc entièrement en ligne de compte pour la rétro-déduction de pertes. Puisqu’il n’est pas nécessaire que toutes les pertes professionnelles d’une période imposable entrent en considération pour la rétro-déduction de pertes, il n’est par conséquent pas exclu qu’une partie des pertes professionnelles soient imputées sur des périodes imposables antérieures et qu’une partie le soit sur des périodes imposables ultérieures. Ceci est illustré par l’exemple ci-dessous. Exemple 2 Contribuable imposé isolément: résultat négatif de la catégorie bénéfices: (25 000 euros) dommages causés aux cultures agricoles par des conditions météorologiques défavorables pouvant être assimilées à une calamité naturelle définitivement constatés dans la période imposable: (20 000 euros) résultat positif de la catégorie pensions: 3 000 euros perte professionnelle qui entre en ligne de compte pour la rétro-imputation des pertes: 25 000 – 3 000 = 22 000 euros, limités à 20 000 euros, ce qui correspond au montant des dommages causés aux cultures agri- coles par des conditions météorologiques défavorables pouvant être assimilées à une calamité naturelle défini- tivement constatés dans la période imposable. La partie de la perte professionnelle qui n’a pas été imputée sur les autres revenus professionnels de la période imposable et pour laquelle le contribuable n’a pas demandé l’application de la rétro-déduction des pertes, est reportée aux périodes imposables suivantes (imputation future des pertes). Principe de rétro-déduction de pertes La rétro-déduction de pertes s’applique sur les trois périodes imposables précédant la période imposable durant laquelle le dommage aux cultures agricoles a été définitivement constaté. Lors d’une catastrophe, le dommage aux récoltes agricoles est en principe constaté une première fois peu de temps après la survenance des conditions météorologiques défavorables, et ensuite encore une fois peu de temps après la récolte. La période imposable dans laquelle le dommage est définitivement constaté 53 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 waarin de belastingplichtige wordt geconfronteerd met een lagere omzet door de lagere oogst. Wanneer een belastingplichtige de toepassing vraagt van de achterwaartse verliesaftrek, dan zal het in aan- merking komende verlies eerst in aftrek worden gebracht van de beroepsinkomsten van de belastingplichtige en eventueel zijn echtgenoot voor het belastbare tijdperk n-3. Het eventuele saldo van de verliezen zal worden af- getrokken van de beroepsinkomsten van het belastbare tijdperk n-2, en vervolgens van de beroepsinkomsten van het belastbare tijdperk n-1. Beroepsverliezen die in het stelsel van de achterwaartse verliesaftrek niet in aftrek kunnen worden gebracht van de beroepsin- komsten van het belastbare tijdperk n-1, komen alsnog in aanmerking voor een voorwaartse verliesaftrek (die moet worden aangevraagd in de aangifte met betrek- king tot het belastbare tijdperk n + 1 en, desgevallend, de daaropvolgende belastbare tijdperken). Door de be- roepsverliezen eerst aan te rekenen op het oudste van de 3 voorafgaande belastbare tijdperken, vergroot de mogelijkheid om voor eventuele beroepsverliezen van een volgend belastbaar tijdperk ook de achterwaartse verliesaftrek toe te passen. Voorbeeld 3 Als alleenstaande belaste belastingplichtige: belastbaar tijdperk n: verlies dat in aanmerking komt voor achterwaartse verliesaftrek: (28 000 euro) belastbaar tijdperk n-3: netto beroepsinkomen: 12 000 euro belastbaar tijdperk n-2: netto beroepsinkomen: 25 000 euro belastbaar tijdperk n-1: netto beroepsinkomen: 22 000 euro achterwaartse verliesaftrek: op het belastbare tijdperk n-3: 12 000 euro op het belastbare tijdperk n-2: 16 000 euro. Voorbeeld 4 Als alleenstaande belaste belastingplichtige: belastbaar tijdperk n: beroepsverlies dat in aan- merking komt voor achterwaartse verliesaftrek: (32 000 euro) correspond dès lors généralement à la période impo- sable dans laquelle le contribuable est confronté à un chiffre d’affaires inférieur suite à une récolte inférieure. Lorsqu’un contribuable demande l’application de la rétro-déduction de pertes professionnelles, les pertes à prendre en considération sont alors déduites des reve- nus professionnels du contribuable, et éventuellement de son conjoint, d’abord pour la période imposable n-3. Le solde éventuel des pertes sera déduit de la période imposable n-2, et ensuite des revenus professionnels de la période imposable n-1. Les pertes professionnelles qui, dans la mesure de rétro-déduction de pertes, ne peuvent être déduites des revenus professionnels de la période imposable n-1, entrent encore en considéra- tion pour une déduction future des pertes (qui doit être demandée dans la déclaration relative à la période impo- sable n+1 et, le cas échéant, des périodes imposables suivantes). Le fait que les pertes professionnelles soient d’abord imputées sur la plus ancienne des 3 périodes imposables antérieures augmente la possibilité que la rétro-déduction de pertes s’applique également pour d’éventuelles pertes professionnelles d’une période imposable suivante. Exemple 3 Contribuable imposé isolément: période imposable n: perte qui entre en ligne de compte pour la rétro-déduction de pertes: (28 000 euros) période imposable n-3: revenus professionnels nets: 12 000 euros période imposable n-2: revenus professionnels nets: 25 000 euros période imposable n-1: revenus professionnels nets: 22 000 euros rétro-déduction de pertes: sur la période imposable n-3: 12 000 euros sur la période imposable n-2: 16 000 euros Exemple 4 Contribuable imposé isolément: période imposable n: perte qui entre en ligne de compte pour la rétro-déduction de pertes: (32 000 euros) 54 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 belastbaar tijdperk n-3: netto beroepsinkomen: 10 000 euro belastbaar tijdperk n-2: netto beroepsinkomen: 16 000 euro belastbaar tijdperk n-1: netto beroepsinkomen: 5 000 euro achterwaartse verliesaanrekening: op het belastbare tijdperk n-3: 10 000 euro op het belastbare tijdperk n-2: 16 000 euro. op het belastbare tijdperk n-1: 5 000 euro. Van de 32 000 euro beroepsverliezen die in aanmer- king komen voor de achterwaartse verliesaftrek, kan er 10 000 + 16 000 + 5 000 = 31 000 euro in aftrek wor- den gebracht. De overige 1 000 euro beroepsverliezen kunnen in aftrek worden gebracht van de beroepsin- komsten van de belastbare tijdperken n+1, n+2… Deze voorwaartse verliesaftrek moet worden aangevraagd in de aangifte met betrekking tot het belastbare tijdperk n+1 en, desgevallend, de aangiften met betrekking tot de daaropvolgende belastbare tijdperken. In antwoord op het advies nr. 64.422/3 van de Raad van State, wordt verduidelijkt dat de aftrek van het ge- deelte van de beroepsverliezen die in aanmerking ko- men voor de achterwaartse verliesaftrek dat niet in aftrek kan worden gebracht van de beroepsinkomsten van de drie vorige belastbare tijdperken en dus in aanmerking komt voor de voorwaartse verliesaftrek, net als alle andere beroepsverliezen in voorwaartse verliesaftrek, in de aangifte voor het volgende belastbare tijdperk en eventueel de daarop volgende belastbare tijdperken moet worden aangevraagd. De achterwaartse verliesaftrek wordt steeds toege- past na de voorwaartse verliesaftrek. Wanneer beroeps- verliezen van vorige belastbare tijdperken in aftrek zijn gebracht van de beroepsinkomsten van het belastbare tijdperk n-3, n-2 of n-1, dan blijft die aftrek behouden: de achterwaartse verliesaftrek kan niet in de plaats komen van de voorwaartse verliesaftrek. Hetzelfde geldt wan- neer naar aanleiding van een herziening van de aangifte voor een vorig belastbaar tijdperk de aftrek van vorige verliezen zou wijzigen voor de belastbare tijdperken n-3, n-2 of n-1. Die wijziging zou er dus kunnen toe leiden dat er minder achterwaartse verliesaftrek mogelijk is. période imposable n-3: revenus professionnels nets: 10 000 euros période imposable n-2: revenus professionnels nets: 16 000 euros période imposable n-1: revenus professionnels nets: 5 000 euros rétro-imputation de pertes: sur la période imposable n-3: 10 000 euros sur la période imposable n-2: 16 000 euros sur la période imposable n-2: 5 000 euros. Des 32 000  euros de pertes professionnelles qui entrent en ligne de compte pour la rétro-déduction de pertes, 10 0000 + 16 000 + 5 000 = 31 000 euros peuvent être déduits. Les 1 000 euros de pertes pro- fessionnelles restants peuvent être déduits des revenus professionnels des périodes imposables n+1, n+2, … Cette déduction future des pertes doit être demandée dans la déclaration relative à la période imposable n+1 et, le cas échéant, dans les déclarations relatives aux périodes imposables suivantes. En réponse à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État, il est précisé que la déduction de la partie des pertes professionnelles prises en considération pour la rétro- déduction pour pertes, mais qui ne peut pas être portée en déduction des revenus professionnels des trois périodes imposables précédentes, et qui peut donc être prise en considération pour la déduction ultérieure des pertes, doit être demandée dans la déclaration pour la période imposable suivante et éventuellement pour les périodes imposables suivantes, tout comme toutes les autres pertes professionnelles dans la déduction ultérieure de pertes. La rétro-déduction de pertes est toujours appliquée après la déduction future des pertes. Lorsque les pertes professionnelles de périodes imposables antérieures sont déduites des revenus professionnels de la période imposable n-3, n-2 ou n-1, cette déduction est alors maintenue: la rétro-déduction de pertes ne peut se substituer à la déduction future de pertes. Il en va de même lorsque, suite à une révision de la déclaration pour une période imposable antérieure, la déduction de pertes antérieures serait modifiée pour les périodes imposables n-3, n-2 ou n-1. Cette modification pourrait donc avoir pour conséquence qu’une rétro-déduction de pertes moindre soit possible. 55 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Voorbeeld 5 Als alleenstaande belaste belastingplichtige: belastbaar tijdperk n: beroepsverlies dat in aan- merking komt voor achterwaartse verliesaftrek: (32 000 euro) overdraagbaar beroepsverlies van n-4: (16 000 euro) belastbaar tijdperk n-3: netto-belastbare beroep- sinkomsten voor aftrek vorige beroepsverliezen: 14 000 euro belastbaar tijdperk n-2: netto-belastbare beroep- sinkomsten voor aftrek vorige beroepsverliezen: 25 000 euro belastbaar tijdperk n-1: netto-belastbare beroep- sinkomsten voor aftrek vorige beroepsverliezen: 12 000 euro voorwaartse verliesaanrekening van de overdraag- bare beroepsverliezen van n-4: op het belastbare tijdperk n-3: 14 000 euro op het belastbare tijdperk n-2: 2 000 euro achterwaartse verliesaanrekening: op het belastbare tijdperk n-3: 0 euro. op het belastbare tijdperk n-2: 23 000 euro. op het belastbare tijdperk n-1: 9 000 euro Het stelsel van de verliesaftrek wordt aangevraagd voor alle in aanmerking komende verliezen. De be- lastingplichtige kan er dus niet voor opteren om voor slechts een deel van de verliezen die veroorzaakt zijn door schade aan landbouwteelten de achterwaartse verliesaftrek toe te passen en voor de rest van de ver- liezen veroorzaakt door schade aan landbouwteelten de voorwaartse verliesaftrek. Samenwerking met de gewesten Bij de algemene bespreking werd reeds uiteengezet dat bepaalde aspecten van deze maatregel zullen wor- den uitgewerkt in overleg met de gewesten en waarbij dit overleg zijn neerslag krijgt in een met elk gewest afzonderlijk gesloten samenwerkingsakkoord. Exemple 5 Contribuable imposé isolément: période imposable n: perte qui entre en ligne de compte pour la rétro-déduction de pertes: (32 000 euros) pertes professionnelles reportables de n-4: (16 000 euros) période imposable n-3: revenus professionnels nets imposables avant déduction des pertes professionnels antérieures: 14 000 euros période imposable n-3: revenus professionnels nets imposables avant déduction des pertes professionnels antérieures: 25 000 euros période imposable n-3: revenus professionnels nets imposables avant déduction des pertes professionnels antérieures: 12 000 euros imputation future des pertes professionnelles repor- tables de n-4: sur la période imposable n-3: 14 000 euros sur la période imposable n-2: 2 000 euros rétro-imputation de pertes: sur la période imposable n-3: 0 euro sur la période imposable n-2: 23 000 euros sur la période imposable n-1: 9 000 euros Le régime de déduction de pertes est appliqué pour toutes les pertes qui entrent en considération. Le contribuable ne peut donc pas choisir de n’appliquer la rétro-déduction de pertes que pour une partie des pertes provoquées par les dommages causés aux cultures agricoles, et la déduction future des pertes pour le reste des pertes provoquées par le dommage causé aux cultures agricoles. Collaboration avec les régions Il a déjà été spécifié dans la discussion générale que certains aspects de cette mesure seront élaborés en concertation avec les régions et que cette concertation sera traduite sous la forme d’un accord de coopération conclu séparément avec chaque région. 56 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 De vraag die bij het sluiten van dergelijke samen- werkingsakkoorden moet worden beantwoord is of het gesloten akkoord betrekking heeft op de aangelegen- heden die bij wet worden geregeld, of dat dit akkoord de Staat zou kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zou kunnen binden. Als het antwoord op die vraag positief is, voorziet artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de in- stemming ervan bij wet. Wanneer het gesloten akkoord daarentegen geen betrekking heeft op de aangelegen- heden die bij wet worden geregeld, of indien dit akkoord de Staat niet kan bezwaren of Belgen niet persoonlijk kan binden, is een dergelijke instemming niet vereist. In het geval een samenwerkingsakkoord wordt ge- sloten waarvan de instemming bij wet niet is vereist voorziet de legistieke procedure, zoals vastgelegd in de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geen voorafgaandelijk advies, bij de afdeling wetgeving van de Raad van State. Daardoor is het dus onmogelijk om een advies over een sa- menwerkingsakkoord te verkrijgen tenzij in het kader van een wet die voorziet in de instemming met het samenwerkingsakkoord. De regering beoogt om samenwerkingsakkoorden te sluiten die nadien geen instemming bij wet behoeven en waarvoor dus geen juridisch advies zal kunnen worden bekomen bij de afdeling wetgeving van de Raad van State. Het is dan ook passend om de reikwijdte van de bepalingen die in deze akkoorden zullen worden opge- nomen, toe te lichten zodat de adviserende instanties zich over deze werkwijze kunnen uitspreken. In het ontwerp wordt voorzien dat met het bevoegde gewest een samenwerkingsakkoord moet worden ge- sloten met het oog op de gezamenlijke naleving van de cumulatieregels zoals bedoeld in artikel 8 van de landbouwvrijstellingsverordening. Het is hierbij niet de bedoeling om in dit samenwerkingsakkoord een methode op te nemen, die voorziet in welke gevallen een bepaalde overheid zal moeten optreden om te vermijden dat de cumulregels overtreden worden. Het is wel de bedoeling om te voorzien in de uitwisseling van de gegevens die noodzakelijk om elke overheid en de met deze overheid verbonden administratie in staat te stellen te weten welke steun door de andere overheid werd toegekend. Het zal dus de bedoeling zijn dat elke overheid de informatie gebruikt die haar door de andere overheid wordt bezorgd en voor zichzelf nagaat of aan de cumulatievoorwaarden is voldaan. In het ontwerp is dan ook een bepaling opgenomen die de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek niet toestaat indien de in de verordening opgenomen cumulatieregel niet wordt nageleefd. La question à laquelle il faut répondre pour la conclu- sion de tels accords de coopération est de savoir si l’accord conclu porte sur les matières réglées par la loi, ou si cet accord pourrait grever l’État ou pourrait lier individuellement des belges. Si la réponse à cette ques- tion est positive, l’article 92bis, § 1er, de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980 prévoit son assentiment par la loi. Si au contraire l’accord conclu ne porte pas sur une matière réglée par la loi, ou si cet accord ne peut grever l’État ou s’il ne peut lier individuel- lement des belges, un tel assentiment n’est pas exigé. Dans le cas où un accord de coopération est conclu pour lequel un assentiment par la loi n’est pas exigé, la procédure légistique, telle que fixée dans les lois sur le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973, ne pré- voit aucun avis préalable auprès de la section législation du Conseil d’État. Il est par conséquent impossible de recueillir un avis pour un accord de coopération, sauf dans le cadre d’une loi qui prévoit l’assentiment de l’accord de coopération. Le gouvernement vise la conclusion d’accords de coopération qui ne nécessitent aucun assentiment par la loi et pour lesquels aucun avis juridique ne pourra être obtenu de la section législation du Conseil d’État. Il conviendrait dès lors que la portée des mesures qui seront reprises dans ces accords soit clarifiée de sorte que les instances consultatives puissent se prononcer sur cette méthode de travail. Il est prévu dans le projet qu’un accord de coopération doit être conclu avec la région compétente en visant le respect conjoint des règles de cumul, telles que visées à l’article 8 du règlement d’exemption agricole. Le but n’est par conséquent pas de reprendre dans cet accord de coopération une méthode qui prévoirait dans quels cas une autorité publique déterminée doit agir pour éviter que les règles de cumul ne soient transgressées. L’objectif est bien de prévoir l’échange des données qui sont nécessaires pour que chaque autorité publique et chaque administration liée à cette autorité publique puisse savoir quelle aide a été accordée par l’autre auto- rité publique. L’objectif sera donc que chaque autorité publique utilise l’information qui lui est fournie par l’autre autorité publique et qu’elle vérifie par elle-même si les conditions de cumul sont remplies. Une disposition est donc également reprise dans le projet qui ne permet pas l’application de la rétro-déduction de pertes si la règle de cumul reprise dans le règlement n’est pas respectée. 57 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Om het cumulprobleem op een gecoördineerde ma- nier aan te pakken, is het noodzakelijk om overeenstem- ming te hebben over de grootte van de steunintensiteit die verbonden is met de achterwaartse verliesaftrek. In dit kader wordt erop gewezen dat er in de landbouw- vrijstellingsverordening heel wat bepalingen zijn opge- nomen om die steunintensiteit te berekenen en dat het uiteraard niet de bedoeling is om van de verordening af te wijken. Het bijzondere echter aan de achterwaartse verliesverrekening is dat er enkel een financierings- voordeel wordt verleend De algemene regel is immers dat fiscale verliezen van in latere tijdperken behaalde winst moet worden afgetrokken. Door de mogelijkheid te voorzien om het verlies achterwaarts te verrekenen wordt het fiscale actief dat het verlies in feite is, snel- ler gerealiseerd, dan dat normaal het geval zou zijn geweest. De moeilijkheid bij de toepassing van de in de ver- ordening voorziene regels om de steunintensiteit te bepalen, is dat niet op voorhand kan worden bepaald hoe lang het financieringsvoordeel zal duren. Dit zal im- mers afhangen van de mate waarin de belastingplichtige latere winsten zal behalen. Zonder op deze samenwerkingsakkoorden vooruit te willen lopen, zal het wellicht aangewezen zijn om de termijn waarbinnen de belastingplichtige een financie- ringsvoordeel heeft forfaitair te bepalen. Op die manier kan op basis van enerzijds deze termijn, het bedrag van de achterwaartse verliesaftrek en de in de verordening omschreven rentevoet en anderzijds het bedrag van de schade, de steunintensiteit worden berekend, zonder voor deze berekening te moeten wachten tot het tijdstip waarop de belastingplichtige zijn verlies zou hebben kunnen recupereren. Vervolgens voorziet dit ontwerp nog dat de federale overheid en het gewest in dit samenwerkingsakkoord eveneens de manier bepalen waarop weersomstandig- heden die met een natuurramp kunnen worden gelijk- gesteld worden erkend en op basis van artikel 25 van de voormelde verordening, de methode bepalen om de schade vast te stellen die werd veroorzaakt door de on- gunstige weersomstandigheden. Omwille van efficiën- tieoverwegingen is het aangewezen om steeds gebruik te maken van de methodes en procedures die door de gewesten worden gehanteerd, voor het beheersen van de financiële gevolgen van teeltschade van landbou- wers, op het moment van de weersomstandigheden die met een natuurramp worden gelijkgesteld. De regering beoogt dus geen regulerende impact op de door de gewesten uitgeoefende werkzaamheden. In het samenwerkingsakkoord wordt tot slot ook ge- specifieerd op welke wijze verduidelijking kan worden Afin d’aborder le problème du cumul d’une façon coordonnée, il est nécessaire de se concerter sur la grandeur de l’intensité de l’aide liée à la retro-déduction de pertes. Dans ce cadre, l’on attire l’attention sur le fait que beaucoup de dispositions sont reprises dans le règlement d’exemption agricole pour calculer cette intensité de l’aide, et que l’objectif n’est évidemment pas de déroger au règlement. Ce qui est toutefois particulier à la retro-imputation, c’est que l’on n’octroie qu’un avantage financier. En effet, la règle générale est que les pertes fiscales soient déduites des bénéfices engrangés durant les périodes ultérieures. En prévoyant la possibilité d’imputation rétroactive des pertes, l’actif fiscal, que représentent en fait les pertes, est réalisé plus rapidement qu’il n’en aurait été le cas normalement. La difficulté lors de l’application des règles prévues dans le règlement pour la détermination de l’intensité de l’aide, est qu’on ne peut déterminer à l’avance combien de temps durera l’avantage en matière de financement. Celui-ci dépendra en effet de la mesure dans laquelle le contribuable engrangera des bénéfices futurs. Sans vouloir anticiper sur ces accords de coopéra- tion, il sera sans doute approprié de déterminer forfai- tairement le délai endéans lequel le contribuable a un avantage en matière de financement. De cette manière, l’intensité de l’aide peut se calculer d’une part sur base de ce délai, du montant de la rétro-déduction de pertes et du taux d’intérêt défini dans le règlement, et d’autre part du montant du dommage, sans qu’il faille pour ce calcul attendre le moment où le contribuable aurait pu récupérer ses pertes. Ensuite, le présent projet prévoit que l’Autorité fédé- rale et la région s’entendent aussi dans cet accord de coopération sur la façon de reconnaître les conditions météorologiques qui peuvent être assimilées à une calamité naturelle et déterminent, sur base de l’article 25 du règlement précité, la méthode de constatation du dommage ayant été provoqué par des conditions météorologiques défavorables. Pour des raisons d’effi- cacité, il convient de toujours appliquer les méthodes et procédures utilisées par les régions pour gérer les conséquences financières des dommages aux cultures pour les agriculteurs, lors de conditions météorolo- giques assimilables à une catastrophe naturelle. Le gouvernement n’a pas pour objectif d’avoir un impact réglementaire sur les activités exercées par les régions. Il est enfin spécifié dans l’accord de coopération de quelle façon des clarifications peuvent être apportées 58 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 gebracht omtrent het tijdstip waarop de schade definitief is vastgesteld. Aanvraag van de achterwaartse verliesaftrek De belastingplichtige moet de achterwaartse verlies- aftrek aanvragen in zijn aangifte voor het belastbare tijdperk waarin de schade aan landbouwteelten die is veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden definitief is vastgesteld. Die aanvraag is definitief en kan niet worden herroepen. Vermits het beroepsverlies dat naar een volgend of vorig belastbaar tijdperk kan worden overgedragen uit de berekening moet blijken, zal de belastingplichtige het exacte bedrag van de beroepsverliezen die in aanmer- king komen voor achterwaartse verliesaftrek niet in zijn aangifte kunnen vermelden. Het maximumbedrag van de beroepsverliezen dat ervoor in aanmerking komt, i.c. de schade zoals die definitief is vastgesteld op de wijze bepaald in de samenwerkingsakkoorden zal moeten worden meegedeeld aan de administratie. Art. 84 Dit artikel heeft tot doel om het in de personenbelas- ting voorziene stelsel van achterwaartse verliesaftrek ook toepasbaar te maken in de vennootschapsbelasting. De in het kader van de vennootschapsbelasting recent ingevoerde beperkingen op de aftrek van winst van het belastbare tijdperk gelden ook binnen de context van de achterwaartse verliesaftrek. Zo zal het dus niet meer mogelijk zijn om sommige aftrekken in mindering te brengen van deze winst indien de som van deze aftrekken het bedrag heeft bereikt van 1 000 000 euro, vermeerderd met 70 pct. van het gedeelte van de na toepassing van de in het tweede lid bedoelde aftrekken overblijvende winst die het bedrag van 1 000 000 euro overstijgt. Deze regel zal dus in sommige gevallen de toepas- sing van de achterwaartse verliesaftrek verhinderen, met name in de gevallen waarbij in de belastbare tijd- perken n-3, n-2 of n-1, de andere aftrekken reeds de korf hebben opgevuld en er geen ruimte meer is om de achterwaartse verliesaftrek toe te passen. In dat geval kunnen de verliezen die niet aftrek konden worden gebracht bij de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek, overeenkomstig artikel 206, § 1, WIB 92, worden afgetrokken van de winst van een volgend be- lastbaar tijdperk. concernant le moment où le dommage est définitivement constaté. Demande de rétro-déduction de pertes Le contribuable doit demander la rétro-déduction de pertes dans sa déclaration pour la période imposable durant laquelle le dommage causé aux cultures agri- coles provoqué par des conditions météorologiques défavorables, est définitivement constaté. La demande est définitive et ne peut pas être révoquée. Puisque les pertes professionnelles qui peuvent être reportées à une période imposable antérieure ou ultérieure doivent apparaitre dans les comptes, le contri- buable ne pourra pas préciser dans sa déclaration le montant exact des pertes professionnelles qui entrent en considération. Le montant maximal des pertes professionnelles qui entre en considération, ç.-à.-d. le dommage tel que définitivement constaté de la façon déterminée dans les accords de coopération, devra être communiqué à l’administration. Art. 84 Le présent article a pour but de rendre applicable à l’impôt des sociétés le régime de rétro-déduction des pertes prévu à l’impôt des personnes physiques. Les limitations récentes à la déduction du bénéficie de la période imposable, introduites dans le cadre de l’impôt des sociétés, s’appliquent aussi dans le contexte de la retro-déduction des pertes. Ainsi, il ne sera donc plus possible d’imputer certaines déductions sur ces bénéfices lorsque la somme de ces déductions a atteint le montant de 1 000 000 euros, multiplié par 70 p.c. de la part de bénéfice restant après application des déductions visées à l’alinéa 2, qui dépasse le montant de 1 000 000 euros. Cette règle empêchera donc dans certains cas l’application de la rétro-déduction de pertes, à savoir dans les cas où, au cours des périodes imposables n-3, n-2 ou n-1, les autres déductions ont déjà rempli la corbeille, et qu’il n’y a plus de place pour appliquer la rétro-déduction de pertes. Dans ce cas, les pertes qui n’ont pas pu être portées en déduction lors de l’application de la rétro-déduction des pertes, conformément à l’article 206, § 1er, CIR 92, pourront être déduites des bénéfices d’une période imposable suivante. 59 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 87 Om te vermijden dat de aanrekening van beroepsver- liezen op vorige belastbare tijdperken, waarvan achteraf blijkt die aanrekening onterecht was (bv. omwille van het feit dat er na wijziging van de aangifte geen over te dragen verliezen blijken te zijn), niet zouden kunnen worden rechtgezet omdat de aanslagtermijn verstreken is, wordt een nieuw artikel 358/1 ingevoegd in de afde- ling met betrekking tot de aanslagtermijnen. Dit artikel bepaalt dat de achterwaartse verliesaftrek kan worden rechtgezet binnen dezelfde aanslagtermijn als die die geldt voor het belastbare tijdperk waarvoor de achter- waartse verliesaftrek is aangevraagd. Alle mogelijke aanslagtermijnen vermeld in de artikelen 353 tot 358, WIB 92 worden hierbij beoogd. De heropening van de aanslagtermijn op basis van de nieuwe bepaling mag enkel worden gebruikt om de achterwaartse verliesaf- trek recht te zetten (met de eventuele gevolgen daarvan op andere elementen van de berekening), niet om ele- menten van de aangifte op zich te wijzigen. Art. 88 De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek in de aangifte met betrek- king tot het belastbare tijdperk waarin de schade aan de landbouwteelten wordt vastgesteld. Anders dan bij de voorwaartse verliesaftrek, wordt het bedrag van de verliezen die op vorige belastbare tijdperken worden aangerekend dus niet vermeld in de aangifte met be- trekking tot die vorige belastbare tijdperken. De regering stelt dan ook voor om de achterwaartse verliesaftrek te verlenen onder de vorm van een ontheffing. Gelet op de finaliteit van de maatregel, zal de administratie deze ont- heffing zo snel mogelijk nadat de aanslag is gevestigd voor het belastbare tijdperk waarin het beroepsverlies is geleden waarvoor de achterwaartse verliesaftrek is aangevraagd, verlenen. Art. 89, 90 en 92 In de artikelen 409, 410, en 443ter, WIB 92 wordt een verwijzing naar de ontheffing bij toepassing van het nieuwe artikel 375/1, WIB 92 in het kader van achter- waartse verliesaftrek ingevoegd, zodat deze bepalingen ook op de nieuwe ontheffing van toepassing zijn. Art. 91 Er wordt een nieuw artikel 415/1 ingevoegd in het WIB 92 zodat er ook nalatigheidsintresten kunnen wor- den aangerekend wanneer er ingevolge de toepassing Art. 87 Pour éviter que l’imputation des pertes profession- nelles sur les périodes imposables précédentes, dont il apparaît après coup que cette imputation était indue (par exemple, à cause du fait que, suite à une modifi- cation de la déclaration, aucune perte reportable ne semble exister), ne puisse être rectifiée à cause du délai d’imposition expiré, un nouvel article 358/1 est inséré dans la section concernant les délais d’imposition. Cet article dispose que la rétro-déduction de pertes peut être rectifiée dans les mêmes délais d’imposition que ceux applicables à la période imposable pour laquelle la rétro-déduction de pertes est demandée. Tous les délais d’imposition possibles mentionnés dans les articles 353 à 358, CIR 92, sont de ce fait visés. La réouverture du délai d’imposition sur base de la nouvelle disposition ne peut être utilisée que pour rectifier la rétro-déduction de pertes (avec ses conséquences éventuelles sur d’autres éléments du calcul), et non pas pour modifier des éléments de la déclaration-même. Art. 88 Le contribuable demande l’application de la rétro- imputation de pertes dans la déclaration concernant la période imposable au cours de laquelle le dommage aux cultures agricoles est constaté. À la différence de la déduction reportée des pertes, le montant des pertes imputées sur les périodes imposables précédentes n’est pas mentionné dans la déclaration concernant ces périodes imposables précédentes. Le gouvernement propose donc également d’octroyer la rétro-imputation de pertes sous la forme d’un dégrèvement. Étant donné la finalité de la mesure, l’administration accordera ce dégrèvement aussi vite que possible après que l’impo- sition est établie pour la période imposable au cours de laquelle la perte professionnelle pour laquelle la rétro- imputation de pertes est demandée a eu lieu. Art. 89, 90 et 92 Dans les articles 409, 410 et 443ter, CIR 92, un renvoi au dégrèvement en application du nouvel article 375/1, CIR 92 dans le cadre de la rétro-déduction de pertes est inséré pour que ces dispositions s’appliquent également au nouveau dégrèvement. Art. 91 Un nouvel article 415/1 est inséré dans le CIR 92 afin que des intérêts de retard puissent être imputés lorsqu’en application de la rétro-déduction de pertes un 60 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 van de achterwaartse verliesaftrek onheffing werd ver- leend voor de belastbare tijdperken n-3, n-2 of n-1 en het bedrag dat in aanmerking komt voor de achterwaartse verliesaftrek in n-1 wordt gewijzigd, met gevolgen voor de belasting die alsnog verschuldigd is voor de belast- bare tijdperken n-3, n-2 of n-1. Art. 93 Dit artikel verduidelijkt dat er door de federale over- heid geen moratoriuminteresten verschuldigd zijn in geval het voordeel van achterwaartse verliesaftrek wordt verleend. Art. 94 De wijzigingen aangebracht in deze titel treden in werking op 1 januari 2019. Het stelsel van de achter- waartse verliesaftrek zal van toepassing zijn op de beroepsverliezen die toe te schrijven zijn aan schade aan landbouwteelten, veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden die hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 2018. TITEL VII OVERGANGSBEPALING Art. 95 en 96 Om enigerlei interpretatieproblemen te voorkomen, wordt verduidelijkt dat zolang de wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen nog niet in werking is ge- treden, de verwijzingen naar artikel 1:20 van dit Wetboek van vennootschappen en verenigingen opgenomen in de artikelen 8 en 22 van deze wet, alsook in de memorie van toelichting, gelezen moeten worden als verwijzingen naar artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen. De minister van Financiën, Alexander DE CROO dégrèvement est accordé pour les périodes imposables n-3, n-2 ou n-1 et que le montant qui entre en considéra- tion pour la rétro-déduction de pertes en n-1 est modifié, avec des conséquences pour l’impôt encore dû pour les périodes imposables n-3, n-2 ou n-1. Art. 93 Le présent article clarifie que, de la part de l’autorité fédérale, aucun intérêt moratoire n’est dû en cas d’octroi de la rétro-déduction de pertes. Art. 94 Les modifications apportées par le présent titre entrent en vigueur le 1er janvier 2019. Le régime de la rétro-déduction de pertes attribuables à des dégâts aux cultures agricoles, causés par des circonstances météorologiques défavorables ayant eu lieu à partir du 1er janvier 2018. TITRE VII DISPOSITION TRANSITOIRE Art. 95 et 96 Pour éviter tout problème d’interprétation, il est précisé que tant que la loi introduisant le Code des sociétés et des associations et portant des dis positions diverses n’est pas entrée en vigueur, les références à l’article 1:20 dudit Code des sociétés et des associa- tions reprises aux articles 8 et 22 de la présente loi, ainsi que dans le présent exposé des motifs, doivent être lues comme des références à l’article 11 du Code des sociétés. Le ministre des Finances, Alexander DE CROO 61 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 VOORONTWERP VAN WET onderworpen aan het advies van de Raad van State Voorontwerp van wet houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen DEEL I – INLEIDENDE BEPALING ENIGE TITEL Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. DEEL II – FISCALE BEPALINGEN ENIGE TITEL Hoofdstuk 1 - Eenheidsstatuut Art. 2. In artikel 67quater van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het tweede lid wordt vervangen als volgt: “Het voor het belastbaar tijdperk vrij te stellen bedrag van de winsten en baten per in het eerste lid bedoelde werknemer, bedraagt: — drie weken bezoldiging, van het zesde tot en met het twintigste door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014; — een week bezoldiging, vanaf het eenentwintigste door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014.”; 2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid inge- voegd, luidende: “Het in het tweede lid bedoelde vrij te stellen bedrag van de winsten en baten, dat in voorkomend geval wordt beperkt bij toepassing van het vierde lid, wordt gespreid over het belastbaar tijdperk en de vier volgende belastbare tijdperken ten belope van 20 pct. per belastbaar tijdperk.”; 3° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) de woorden “een maximumbedrag” worden vervangen door de woorden “een maximumbedrag van bruto maandbe- zoldiging per werknemer”; a) de tweede zin wordt opgeheven; 4° tussen het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, en het vroegere vierde lid, dat het achtste lid wordt, worden drie leden ingevoegd, luidende: AVANT-PROJET DE LOI soumis à l’avis du Conseil d’État Avant-projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses PARTIE I – DISPOSITION INTRODUCTIVE TITRE UNIQUE Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la Constitution. PARTIE II – DISPOSITIONS FISCALES TITRE UNIQUE Chapitre 1er – Statut unique Art. 2. Dans l’article 67quater du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 26 décembre 2013, modifié par la loi du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “Par travailleur visé à l’alinéa 1er, le montant des bénéfices et profits à exonérer pour la période imposable s’élève à: — trois semaines de rémunération, de la sixième année de service jusqu’à la vingtième année incluse commencée par ce travailleur après le 1er janvier 2014; — une semaine de rémunération, à partir de la vingt et unième année de service commencée par ce travailleur après le 1er janvier 2014.”; 2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3: “Le montant des bénéfices et profits à exonérer visé à l’alinéa 2 qui est, le cas échéant, limité en application de l’alinéa 4, est étalé sur la période imposable et les quatre périodes imposables suivantes à concurrence de 20 p.c. par période imposable.”; 3° à l’alinéa 3 ancien, qui devient l’alinéa 4, les modifica- tions suivantes sont apportées: a) les mots “un montant maximum” sont remplacés par les mots “un montant maximum de rémunération mensuelle brute par travailleur”; b) la deuxième phrase est abrogée; 4° trois alinéas rédigés comme suit sont insérés entre l’ancien alinéa 3, qui devient l’alinéa 4, et l’ancien alinéa 4, qui devient l’alinéa 8: 62 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot be- krachtiging van de in uitvoering van het vierde lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. De in aanmerking te nemen bruto maandbezoldiging is de gemiddelde bruto maandelijkse bezoldiging, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage, berekend over het totaal aantal maanden van het belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd. Om de wekelijkse bezoldiging te bepalen wordt het maxi- mumbedrag van de bruto maandbezoldiging vermenigvuldigd met drie en gedeeld door dertien.”. Art. 3. Artikel 2 treedt in werking op 31 december 2018. Hoofdstuk 2 – ATAD – Interestaftrekbeperking Art. 4. Dit hoofdstuk heeft de gedeeltelijke omzetting tot doel van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingont- wijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt. Art. 5. Artikel 35 van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, vervangen bij de wet van 30 juli 2018, wordt ingetrokken. Art. 6. In artikel 86 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder B1 worden de woorden “35, 39, 5° en 9°” vervangen door de woorden “34, 36, 39, 5° tot 15°, 40”; 2° in de bepaling onder B2 worden de woorden “34, 36, 39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot 15°, 40” vervangen door de woorden “39, 2°en 4°”. Art. 7. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Hoofdstuk 3 – Bezoldigingen ontvangen van een bui- tenlandse vennootschap verbonden met de werkgever Afdeling 1 – Wijzigingen van het Wetboek van de in- komstenbelastingen 1992 Art. 8. In artikel 270 van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 28 december 1992 en 22 juli 1993, bij het koninklijk besluit van 12 december 1996 en door de wetten van 24 december 2002 en 13  december  2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bestaande tekst zal het eerste lid vormen; “Le Roi saisira la Chambre des représentants immédiate- ment si elle est réunie, sinon dès l’ouverture de sa plus pro- chaine session, d’un projet de loi de confirmation des arrêtés pris en exécution de l’alinéa 4. Lesdits arrêtés sont censés ne pas avoir produit leurs effets s’ils n’ont pas été confirmés par la loi dans les douze mois de la date de leur publication au Moniteur belge. La rémunération mensuelle brute à prendre en compte est la rémunération mensuelle brute moyenne, avant retenue des cotisations personnelles de sécurité sociale, calculée sur le total du nombre de mois de la période imposable pour laquelle l’exonération est sollicitée. Pour déterminer la rémunération hebdomadaire, le montant maximum de rémunération mensuelle brute est multiplié par trois et divisé par treize.”. Art. 3. L’article 2 entre en vigueur le 31 décembre 2018. Chapitre 2 – ATAD -– Limitation d’intérêts Art. 4. Le présent chapitre a pour objet de transposer par- tiellement la directive (UE) 2016/1164 du Conseil du 12 juillet 2016 établissant des règles pour lutter contre les pratiques d’évasion fiscale qui ont une incidence directe sur le fonc- tionnement du marché intérieur. Art. 5. L’article 35 de la loi du 25 décembre 2017 por- tant réforme de l’impôt des sociétés, remplacé par la loi du 30 juillet 2018, est retiré. Art. 6. A l’article 86 de la même loi, modifié par la loi du 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° au B1, les mots “35, 39, 5° et 9°” sont remplacés par les mots “34, 36, 39, 5° à 15°, 40”; 2° au B2, les mots “34, 36, 39, 2°, 4°, 6° à 8° et 10° à 15°, 40” sont remplacés par les mots “39, 2°et 4°”. Art. 7. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de publication de la présente loi au Moniteur belge. Chapitre 3 – Rémunérations reçues d’une société étrangère liée à l’employeur Section première – Modifications du Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 8. Dans l’article 270 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié par les lois des 28  juillet  1992, 28 décembre 1992 et 22 juillet 1993, par l’arrêté royal du 12 décembre 1996 et par les lois des 24 décembre 2002 et 13  décembre  2012, les modifications suivantes sont apportées: 1° le texte actuel formera l’alinéa 1er; 63 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 2° een tweede lid wordt ingevoegd, luidende: “Voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing worden: a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige ge- acht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel [11 van het Wetboek van Vennootschappen] [1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen] wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige; b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel [11 van het Wetboek van Vennootschappen] [1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen] wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen betaalt of toekent die beroepskosten zijn in de zin van artikel 237.”. Art. 9. In artikel 272 van hetzelfde Wetboek, gewij- zigd bij de wetten van 28  december  1992, 22  juli  1993 en 13  december  2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in eerste lid, 1°, worden de woorden “in artikel 270, 1°, 3°, 6° en 7°” vervangen door de woorden “in artikel 270, eerste lid, 1°, 3°, 6° en 7°”; 2° in eerste lid, 2°, worden de woorden “in artikel 270, 2°” vervangen door de woorden “in artikel 270, eerste lid, 2°”; 3° in eerste lid wordt een bepaling onder 3° ingevoegd, luidende: “3° hebben de belastingschuldigen overeenkomstig artikel 270, tweede lid, het recht op het geheel van de belastbare inkomsten waarvan zij schuldenaar zijn de voorheffing in te houden.”; 4° in tweede lid worden de woorden “in artikel 270, 5°” vervangen door de woorden “in artikel 270, eerste lid, 5°”. Art. 10. In artikel 2751, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 11. In artikel 2752, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 20 juli 2005, worden de woorden “in toepassing van artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 12. In artikel 2753, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewij- zigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden 2° un alinéa 2 est inséré, rédigé comme suit: “Pour l’application du précompte professionnel: a) le contribuable visé aux articles 179 ou 220 est censé attribuer les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2° qu’un bénéficiaire reçoit d’une société étrangère liée au contribuable au sens de l’article [11 du Code des sociétés] [1:20 du Code des sociétés et des associations], en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable; b) le contribuable visé à l’article 227, 2° et 3°, est censé attribuer les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2° qu’un bénéficiaire reçoit d’une société étrangère liée au contribuable au sens de l’article [11 du Code des sociétés] [1:20 du Code des sociétés et des associations], en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable pour laquelle le contribuable paye ou attribue en Belgique ou à l’étranger des rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, qui constituent des frais professionnels au sens de l’article 237.”. Art. 9. À l’article 272 du même Code, modifié par les lois des 28 décembre 1992, 22 juillet 1993 et 13 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, 1°, les mots “à l’article 270, 1°, 3°, 6° et 7°” sont remplacés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er, 1°, 3°, 6° et 7°”; 2° dans l’alinéa 1er, 2°, les mots “à l’article 270, 2°” sont remplacés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er, 2°”; 3° dans l’alinéa 1er, un 3° est inséré, rédigé comme suit: “3° les redevables en application de l’article 270, alinéa 2, ont le droit de retenir le précompte sur l’ensemble des revenus imposables dont ils sont débiteurs.”; 4° dans l’alinéa 2, les mots “à l’article 270, 5°” sont rem- placés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er, 5°”. Art. 10. A l’article 2751, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 3 juillet 2005 et modifié par la loi du 22 décembre 2008, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 11. A l’article 2752, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 20 juillet 2005, les mots “en application de l’article 270, 1°.” sont remplacés par les mots “en application de l’article 270, alinéa 1er, 1°.”. Art. 12. A l’article 2753, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2017, les mots “en vertu de l’article 270, 64 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 13. In artikel 2754, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd door bij de wet van 23 december 2005, worden de woorden “bij toepassing van artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 14. In artikel 2755, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 15. In artikel 2756, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2007 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 2008, 22 december 2009 en 28 april 2011, worden de woorden “bedoeld in artikel 270,” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 270, eerste lid,”. Art. 16. In artikel 2757, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 december 2015, worden de woor- den “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 17. In artikel 2758, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015 en 18 december 2015, worden de woor- den “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 18. In artikel 2759, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015 en 18 december 2015, worden de woor- den “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 19. In artikel 27510, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2010, worden de woor- den “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 20. In artikel 27511, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woor- den “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 21. In artikel 412bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woor- den “de in artikel 270, 5°, vermelde akten” vervangen door de woorden “de in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde akten”. Afdeling 2 – Verplichting tijdens overgangsperiode voor de inkomsten van het belastbaar tijdperk 2018 Art. 22. § 1. De belastingplichtige bedoeld in de artikelen 179 of 220 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 maakt een fiche op die de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek herneemt die tijdens het kalenderjaar 2018 aan een begunstigde worden betaald of toegekend door een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 13. A l’article 2754, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005, les mots “en application de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en application de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 14. A l’article 2755, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 26 mars 2018, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 15. A l’article 2756, du même Code, inséré par la loi du 4 mai 2007 et modifié par les lois des 22 décembre 2008, 22 décembre 2009 et 28 avril 2011, les mots “visés à l’article 270,” sont à chaque fois remplacés par les mots “visés à l’article 270, alinéa 1er,”. Art. 16. A l’article 2757, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 26 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 17. A l’article 2758, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015 et 18 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 18. A l’article 2759, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015 et 18 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 19. A l’article 27510, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 10 août 2015, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 20. A l’article 27511, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 26 mars 2018, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 21. A l’article 412bis, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992, les mots “visés à l’article 270, 5°.” sont remplacés par les mots “visés à l’article 270, alinéa 1er, 5°.”. Section 2 – Obligation transitoire pour les revenus de la période imposable 2018 Art. 22. § 1er. Le contribuable visé aux articles 179 ou 220 du Code des impôts sur les revenus 1992 établit une fiche reprenant les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2° du même Code qui sont payées ou attribuées à un bénéficiaire au cours de l’année civile 2018 par une société étrangère liée au contribuable au sens de l’article [11 du Code des sociétés] [1:20 du Code des sociétés et des associations], en raison ou 65 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 [11 van het Wetboek van Vennootschappen][1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen] wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige. De in artikel 227, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkom- stenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtige maakt een fiche op die de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek herneemt die tijdens kalenderjaar 2018 aan een begunstigde zijn betaald of toegekend door een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel [11 van het Wetboek van Vennootschappen][1:20 van het Wetboek van vennootschap- pen en verenigingen] wegens of naar aanleiding van de be- roepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belas- tingplichtige waarvoor de belastingplichtige in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, van het voormelde Wetboek bedoelde bezoldigingen betaalt of toekent die beroepskosten zijn in de zin van artikel 237 van hetzelfde Wetboek. De in het eerste lid bedoelde fiche wordt voor 1 maart 2019 langs elektronische weg aan de FOD Financiën bezorgd. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde stelt het model op van de fiche bedoeld in het eerste lid. §  2. In afwijking van de artikelen 219 en 445 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is in geval van afwezigheid, onvolledigheid of laattijdigheid van de in para- graaf 1 bedoelde fiche, per vastgestelde inbreuk een boete verschuldigd van 10 pct. van het bedrag van de toegekende of betaalde bezoldigingen bedoeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid.. Er wordt geen boete toegepast wanneer de belastingplich- tige aantoont dat de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstebelastingen 1992 begrepen zijn in een door de begunstigde overeenkomstig artikel 305 van hetzelfde Wetboek ingediende aangifte of in een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijk- aardige aangifte. Art. 23. Voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op deze afdeling. Afdeling 3 – Inwerkingtreding Art. 24. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2019, met uitzondering van afdeling 2, die in werking treedt op de dag van haar publicatie in het Belgisch Staatsblad en ten laatste op 31 december 2018. Hoofdstuk 4 – Wijzigingen van de programmawet van 27 december 2004 Art. 25. De tarieven voorzien in artikel 419, a), b) en c), van de programmawet van 27 december 2004 van gelode benzine van de GN-codes 2710 11 31, 2710 11 51 en 2710 11 59 en van ongelode benzine van de GN-codes 2710 11 41, 2710 11 45 en 2710 11 49 en deze voorzien in artikel 419, e), i) en f), i), van de programmawet van 27 december 2004, voor à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable. Le contribuable visé à l’article 227, 2° et 3°, du Code des impôts sur les revenus 1992 établit une fiche reprenant les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2° du même Code qui sont payées ou attribuées à un bénéficiaire, au cours de l’année civile 2018 par, une société étrangère liée au contribuable au sens de l’article [11 du Code des sociétés] [1:20 du Code des sociétés et des associations], en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable pour laquelle le contribuable paye ou attribue en Belgique ou à l’étranger des rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, du Code précité, qui constituent des frais professionnels au sens de l’article 237 du même Code. La fiche visée à l’alinéa 1er est transmise par voie électro- nique au SPF Finances avant le 1er mars 2019. Le Ministre des Finances ou son délégué fixe le modèle de fiche visée à l’alinéa 1er. § 2. Par dérogation aux articles 219 et 445 du Code des impôts sur les revenus 1992, en cas d’absence, d’incomplè- tude ou de remise tardive de la fiche visée au paragraphe 1er, une amende de 10 p.c. du montant des rumérations attribuées ou payées visées au paragraphe 1, alinéa 1 et 2, est duepar infraction constatée. Aucune amende n’est appliquée lorsque le contribuable démontre que les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 sont comprises dans une déclaration introduite par le bénéficiaire conformé- ment à l’article 305 du même Code ou dans une déclaration analogue introduite à l’étranger par le bénéficiaire. Art. 23. Pour autant qu’il n’y soit pas dérogé, les disposi- tions du Code des impôts sur les revenus 1992 sont d’appli- cation à la présente section. Section 3 – Entrée en vigueur Art. 24. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er jan- vier 2019, à l’exception de la section 2, qui entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge et au plus tard le 31 décembre 2018. Chapitre 4 – Modifications de la loi-programme du 27 décembre 2004 Art. 25. Les taux prévus dans l’article 419, a), b) et c), de la loi-programme du 27 décembre 2004 de l’essence au plomb des codes NC 2710 11 31, 2710 11 51 et 2710 11 59 et de l’essence sans plomb des codes NC 2710 11 41, 2710 11 45 et 2710 11 49 et ceux prévus dans l’article 419, e), i), et f), i), de la loi-programme du 27 décembre 2004, pour le gasoil des 66 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 gasolie van de GN-codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49, zoals van toepassing op 31 december 2018 worden op 1 januari 2019 geïndexeerd. Het indexpercentage dat wordt toegepast op 1 januari 2019 bedraagt het verschil tussen de index van de consumptieprij- zen van juni 2018 en juni 2017. Dit percentage wordt toegepast op het totale bedrag aan accijnzen. Het resultaat van deze berekening wordt omge- vormd naar een verhoging van de bijzondere accijns. De minister bevoegd voor Financiën publiceert een officieel bericht in het Belgisch Staatsblad met vermelding van de tarieven die op 1 januari 2019 in werking treden. DEEL III – FRAUDEBESTRIJDING A. De uitvoering van de parlementaire aanbevelingen wat de Panama Papers betreft en de aanbevelingen van de OESO naar aanleiding van de Peer Review (TITELS 1 tot 3) T I T E L 1 . – W I J Z I G I N G E N I N Z A K E INKOMSTENBELASTINGEN Afdeling 1. – Gegevensuitwisseling met derde landen Art. 26.- In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 338ter ingevoegd, luidende: “Art. 338ter. De gegevens bedoeld in artikel 338, § 24/1, worden door de Belgische bevoegde autoriteit eveneens bezorgd aan buitenlandse belastingautoriteiten, op verzoek van deze laatsten, indien een juridische grondslag bestaat die de uitwisseling van informatie tussen België en de vragende jurisdictie regelt. Afdeling 2.- Juridische constructies Art. 27. In artikel 333 van hetzelfde wetboek, laatst ge- wijzigd door de wetten van 24 maart 2015 en 30 juni 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het tweede lid worden de woorden “vierde lid” ver- vangen door de woorden “vijfde lid”; 2° in het derde lid worden de woorden “artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar” vervangen door de woorden “artikel 354, tweede en derde lid, bedoelde aanvullende termijn van respectievelijk vier en zeven jaar”. 3° in het derde lid in fine worden de woorden “met de aanvullende termijn van vier jaar” vervangen door de woor- den “met de hierboven bedoelde aanvullende termijn van respectievelijk vier en zeven jaar”. Art. 28. In artikel 354 van hetzelfde Wetboek gewijzigd bij de wetten van 22 december 2008 en 27 april 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid inge- voegd, luidende: codes NC 2710 19 41, 2710 19 45 et 2710 19 49, applicables le 31 décembre 2018, sont indexés le 1er janvier 2019. Le pourcentage d’indexation appliqué le 1er janvier 2019 s’élève à la différence entre l’index des prix à la consommation de juin 2018 et juin 2017. Ce pourcentage est appliqué au montant total de l’accise. Le montant résultant du calcul précité est transformé en une augmentation de droit d’accise spécial. Le ministre ayant les Finances dans ses attributions publie un avis officiel au Moniteur belge, mentionnant les taux qui entrent en vigueur le 1er janvier 2019. PARTIE III – LUTTE CONTRE LA FRAUDE A. La mise en œuvre des recommandations parlemen- taires concernant les Panama Papers et les recomman- dations de l’OCDE suite au Peer Review (TITRES 1er à 3) TITRE 1er. – MODIFICATIONS EN MATIERE D’IMPOTS SUR LES REVENUS Section 1ère. Echange de données avec des pays tiers Art. 26.- Dans le Code des impôts sur les revenus 1992, il est inséré un article 338ter, rédigé comme suit: “Art 338ter. Les données visées à l’article 338, § 24/1, sont également fournies par l’autorité compétente belge aux autorités fiscales étrangères, sur demande de ces der- nières, lorsqu’il existe un fondement juridique qui règle les échanges d’informations entre la Belgique et la juridiction demanderesse.”. Section 2.- Constructions juridiques Art. 27. A l’article 333 du même Code, modifié en dernier lieu par les lois du 24 mars 2015 et du 30 juin 2017, les modi- fications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 2, les mots “alinéa 4” sont remplacés par les mots “alinéa 5”; 2° dans l’alinéa 3, les mots “de quatre ans prévu à l’article 354, alinéa 2,”  sont remplacés par les mots “de quatre et de sept ans prévus respectivement à l’article 354, alinéas 2 et 3,”. 3° dans l’alinéa 3 in fine, les mots “prolongé du délai supplémentaire de quatre ans” sont remplacés par les mots “prolongé du délai supplémentaire susvisé de respectivement quatre et sept ans”. Art. 28. A l’article 354 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié par les lois du 22 décembre 2008 et du 27 avril 2016, les modifications suivantes sont apportées: 1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3: 67 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “Wanneer in een land opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, met uitzondering van de landen waarmee een over- eenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten, gebruik wordt gemaakt van juridische constructies die ertoe strekken de herkomst of het bestaan van het vermogen te verhullen, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn met zeven jaar verlengd in geval van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten.”. 2° in het vroegere derde lid, dat het 4e lid is geworden, wordt het woord “twee” vervangen door het woord “drie”. Afdeling 3 – Onderzoeksbevoegdheden Art 29. In artikel 322, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid inge- voegd luidende: “Het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen mag slechts worden uitgeoefend door ambtenaren voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het ver- richten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen”; 2° het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt aangevuld als volgt: “Het recht om het UBO-register te consulteren mag slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere titel dan die van attaché.”. 3° het vroegere derde lid wordt opgeheven. TITEL 2. – WIJZIGINGEN AAN WETBOEK VAN DE BELASTING OVER TOEGEVOEGDE WAARDE Geheim van de vraag om inlichtingen van buitenlandse autoriteiten Art. 30. In het Wetboek van de belasting over de toege- voegde waarde wordt een artikel 93bis/1 ingevoegd, luidende: “Art. 93bis/1. In afwijking van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, mo- gen de verzoeken om inlichtingen van buitenlandse autoritei- ten en de antwoorden verstrekt aan die autoriteiten evenals elke andere correspondentie tussen de bevoegde autoriteiten niet openbaar worden gemaakt zolang het onderzoek van de buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover de openbaarmaking nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek, tenzij de buitenlandse autoriteit haar uitdrukkelijk akkoord heeft gegeven voor deze openbaarmaking. “Lorsque dans un Etat figurant sur la liste des Etats à fis- calité inexistante ou peu élevée visée à l’article 307, § 1er/2, alinéa 3, à l’exception des Etats avec lesquels a été conclue une convention préventive de double imposition et à condition que cette convention ou un traité assure l’échange des infor- mations qui sont nécessaires afin d’exécuter les dispositions des lois nationales des Etats contractants, il est fait usage de constructions juridiques visant à dissimuler l’origine ou l’exis- tence du patrimoine, le délai visé à l’alinéa 1er est prolongé de sept ans en cas d’infraction aux dispositions du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution.”. 2° dans l’alinéa 3 ancien, devenant l’alinéa 4, le mot “deux” est remplacé par le mot “trois”. Section 3 – Pouvoirs d’investigation Art. 29 Dans l’article 322, § 1er, du même Code, modifié par la loi du 26 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2: “Le droit d’entendre des tiers et de procéder à des enquêtes ne peut être exercé que par des agents munis de leur com- mission et chargés d’effectuer un contrôle ou une enquête se rapportant à l’application de l’impôt sur les revenus.”; 2° l’alinéa 2 ancien, devenant l’alinéa 3, est complété comme suit: “Le droit de consulter le registre UBO ne peut être exercé que par un agent ayant un titre supérieur à celui d’attaché.”. 3° l’alinéa 3 ancien est supprimé. TITRE 2.- MODIFICATIONS DU CODE DE LA TAXE SUR LA VALEUR AJOUTEE Secret de la demande d’informations formulée par l’autorité étrangère Art. 30. Dans le Code de la Taxe sur la valeur ajoutée, il est inséré un article 93bis/1 rédigé comme suit: “Art. 93bis/1. Par dérogation à l’article 4 de la loi du 11 avril 1994 relative à la publicité de l’administration, les demandes de renseignements transmises par les autorités étrangères et les réponses qui sont fournies à ces autorités ainsi que toute autre correspondance entre les autorités compétentes ne sont pas susceptibles d’être divulguées aussi longtemps que l’enquête de l’autorité étrangère n’est pas clôturée et pour autant que la divulgation nuirait aux besoins de l’enquête précitée, à moins que l’autorité étrangère n’ait expressément marqué son accord sur cette divulgation. 68 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt geacht te zijn bekomen wanneer de buitenlandse autoriteit niet rea- geert binnen een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf het verzenden door de Belgische Staat van de vraag tot inzage, en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens en de correspondentie volgens de voorwaarden van dit artikel moet voortduren, wanneer de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buiten- landse Staat wordt gevoerd uitdrukkelijk deze toegang aan de Belgische Staat heeft gevraagd.”. TITEL 3. – Wijzigingen aan de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken. Art. 31. In artikel 22, derde lid, van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt: “1° bij het indienen van de aanvraag, elementen van de beschreven verrichting of situatie betrekking hebben op een vluchtland dat niet samenwerkt met de OESO of op een land opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 tenzij met dit land een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten;”. A. De minnelijke en gedwongen invordering van fiscal en niet-fiscale schuldvorderingen en de automatisering en de modernisering van de gegevensuitwisseling tussen de administratie en zijn partners (TITEL 4) TITEL 4. - DE INVORDERING HOOFDSTUK 1 Verplichting van de betaling in euro door bepaalde administraties van de FOD Financiën Art. 32. Elke som die door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invorde- ring van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet worden teruggegeven of betaald, moet uitgevoerd worden in euro. L’accord visé à l’alinéa 1er est acquis si l’autorité étrangère ne réagit pas dans un délai de 90 jours à partir de l’envoi de la demande de divulgation par l’Etat belge et n’apporte pas l’information que la confidentialité des données et correspon- dances échangées selon les conditions du présent article doit perdurer, lorsque la personne dans le chef de qui l’enquête est menée par l’Etat étranger a explicitement demandé cet accès à l’Etat belge.”. TITRE 3. – Modifications de la loi du 24 décembre 2002 modifiant le régime des sociétés en matière d’impôts sur les revenus et instituant un système de décision anticipée en matière fiscale. Art. 31. Dans l’article 22, alinéa 3, de la loi du 24 décembre 2002 modifiant le régime des sociétés en matière d’impôts sur les revenus et instituant un système de décision anticipée en matière fiscale, le 1° est remplacé par ce qui suit: “1° lors de l’introduction de la demande, des éléments de l’opération ou de la situation décrite se rattachent à un pays refuge non coopératif avec l’OCDE ou à un pays figurant sur la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée, visée à l’article 307, § 1er/2, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, à moins qu’une convention préventive de double imposition n’ait été conclue avec cet Etat et à condition que cette convention ou un traité assure l’échange des infor- mations qui sont nécessaires afin d’exécuter les dispositions des lois nationales des Etats contractants; “. A. Le recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales et l’automatisation et la moderni- sation des échanges entre l’administration et ses parte- naires (TITRE 4) TITRE 4. – LE RECOUVREMENT CHAPITRE 1er Obligation de paiement en euros par certaines admi- nistrations du SPF Finances Art. 32. Toute somme à restituer ou à payer par l’admi- nistration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales doit être exécutée en euros. 69 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het wetboek van de inkomstenbe- lastingen 1992, de programmawet (I) van 29 maart 2002 en het burgerlijk wetboek inzake het E-notariaat AFDELING 1. Wetboek van de belasting over de toege- voegde waarde Art. 33. Artikel 62 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van 27 april 2007 en bij de wet van 25 april 2014, wordt vervangen als volgt: “Art. 62. Eenieder is gehouden, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, mondeling of schriftelijk alle inlich- tingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan.”. Art. 34. In artikel 66, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 28 januari 2004 en 17 december 2012, worden de woorden “artikel 62, § 1” vervangen door de woorden “artikel 62”. Art. 35. Artikel 93ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, en gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989, 28 december 1992, de koninklijke besluiten van 20 juli 2000, 31 maart 2003, 25 februari 2007, de wetten van 27 april 2007 en 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt: “Art. 93ter. § 1. De notaris die verzocht is om een akte op te maken die de vervreemding of hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp heeft, is persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren die tot een hy- pothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, wanneer hij daarvan geen bericht geeft aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatie- technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp van de akte is, ressorteert, of de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats in het buitenland heeft, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden mee- gedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden. Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt dit bericht als niet bestaande beschouwd. CHAPITRE 2 Modifications du code de la taxe sur la valeur ajoutée, du code des impôts sur les revenus 1992, de la loi-pro- gramme (I) du 29 mars 2012 et du code civil en matière d’E-notariat SECTION 1ère. Code de la taxe sur la valeur ajoutée Art. 33. L’article 62 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par la loi-programme du 27 avril 2007 et par la loi du 25 avril 2014, est remplacé par ce qui suit: “Art. 62. Toute personne est tenue de fournir verbalement ou par écrit, à toute réquisition des agents de l’administra- tion en charge de la taxe sur la valeur ajoutée, tous rensei- gnements qui lui sont réclamés aux fins de vérifier l’exacte perception de la taxe à sa charge ou à la charge de tiers.”. Art. 34. A l’article 66, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois du 28 décembre 1992, 28 janvier 2004 et 17 décembre 2012, les mots “l’article 62, § 1er” sont remplacés par les mots “l’article 62”. Art. 35. L’article 93ter du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980 et modifié par les lois du 22 décembre 1989, 28 décembre 1992, les arrêtés royaux des 20 juillet 2000, 31 mars 2003 et 25 février 2007, et des lois du 27 avril 2007 et 24 juillet 2008, est remplacé par ce qui suit: “Art. 93ter. § 1er. Le notaire requis de dresser un acte ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un bien susceptible d’hypothèque, est personnellement responsable du paiement de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires pouvant donner lieu à inscription hypothécaire lorsqu’il n’en avise pas: 1° le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 2° le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien faisant l’objet de l’acte, ou le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le proprié- taire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien a sa résidence à l’étranger, lorsque la communication de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l’avis est adressé par lettre recommandée. Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les trois mois à compter de l’envoi de l’avis, cet avis sera considéré comme non avenu. 70 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 § 2. Wanneer het bericht meegedeeld is in overeen- stemming met paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën. § 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien res- pectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoor- waarden van dit artikel.”. Art. 36. Artikel 93quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 maart 2003, en 25 februari 2007, en bij de wet van 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt: “Art. 93quater. § 1. Indien het belang van de Schatkist dit vereist, geeft de bevoegde ontvanger aan de notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van de verzending van het in artikel 93ter bedoelde bericht, kennis van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren dat aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist op het goed dat het voorwerp van de akte is: 1° op elektronische wijze, volgens een door de Koning bepaalde procedure; 2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving om- wille van overmacht of een technische storing niet kan wor- den meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, heeft verzonden bij aangetekende brief. § 2. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld overeenkom- stig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst informatie- en communicatie- technologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1. § 3. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de kennisgeving opgesteld over- eenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat.”. Art. 37. Artikel 93quinquies van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 8 augustus 1980, vervangen, bij de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd bij de wetten van 27 april 2016 [en de wet van xxxx2018 (WO uitvoerbare titel BTW], wordt vervangen als volgt: § 2. Lorsque la communication de l’avis est effectuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de l’avis s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances. § 3. Lorsqu’un même avis est adressé successivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er,alinéa 1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article.”. Art. 36. L’article 93quater du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980 et modifié par les arrêtés royaux du 31 mars 2003 et 25 février 2007 et par la loi du 24 juillet 2008, est remplacé par ce qui suit: “Art. 93quater. § 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le receveur compétent notifie au notaire, avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis prévu à l’article 93ter, le montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des acces- soires pouvant donner lieu à inscription de l’hypothèque légale du Trésor sur le bien faisant l’objet de l’acte: 1° par voie électronique, selon une procédure déterminée par le Roi; 2° par lettre recommandée, lorsque la communication de la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé par l’article 93ter, § 1er, par lettre recommandée. § 2. Lorsque la communication de la notification est effec- tuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de la notification s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service Technologie de l’infor- mation et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé à l’article 93ter, § 1er. §  3. Lorsqu’une même notification est adressée suc- cessivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.”. Art. 37. L’article 93quinquies, du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980, remplacé par la loi du 24 juillet 2008 et modifié par les lois des 27 avril 2016 [et xxx2018 (cf PL automatisation du titre exécutoire TVA], est remplacé par ce qui suit: 71 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “Art. 93quinquies. § 1. Wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 93quater bedoelde ken- nisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de nota- ris gehouden is deze bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen[, voor zover de in artikel 85, §1, voorgeschreven kennisgeving werd verricht]. Onverminderd de rechten van derden, is de notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, onder voorbehoud van toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de ontvanger be- doeld in artikel 93quater te storten tot beloop van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren dat hem ter uitvoering van artikel 93quater ter kennis werd gebracht en in zoverre deze belasting en bijbehoren aanlei- ding hebben gegeven tot een dwangbevel[ zijn opgenomen in een innings-en invorderingsregister] als bedoeld in artikel 85 waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door een in artikel 89 bedoelde vordering in rechte. Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, met inbegrip van de ontvanger, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover informeren aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatie- technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de ontvanger bedoeld in artikel 93quater bij aangete- kende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, bij aangetekende brief heeft verzonden. De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de da- tum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, of de datum van verzending van de aangetekende brief. § 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 1°, voorafgaat. “Art. 93quinquies. § 1er. Lorsque l’acte visé à l’article 93ter est passé, la notification visée à l’article 93quater emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou au profit du redevable et vaut opposition sur le prix au sens de l’article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir ces sommes et valeurs conformément aux articles 1639 à 1654 du Code judiciaire[, pour autant que la notification prévue à l’article 85, § 1er, ait eu lieu]. Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l’acte visé à l’article 93ter est passé, le notaire est tenu, sous réserve de l’application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de verser entre les mains du receveur visé à l’article 93quater, au plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de l’acte, les sommes et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou au profit du redevable, à concurrence du montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires qui lui ont été notifiés en exécution de l’article 93quater et dans la mesure où cette taxe et ces accessoires ont donné lieu à une contrainte visée [sont repris dans un registre de perception et de recouvrement visé] à l’article 85 dont l’exécution n’est pas interrompue par l’action en justice prévue à l’article 89. En outre, lorsque les sommes et valeurs ainsi saisies-ar- rêtées sont inférieures à l’ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, en ce compris le receveur, le notaire doit, sous peine d’être personnellement responsable de l’excédent, en informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l’acte: 1° le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 2° le receveur visé à l’article 93quater, par lettre recom- mandée, lorsque le notaire ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, commu- niquer l’information conformément au 1° ou lorsqu’il a adressé l’avis visé à l’article 93ter, § 1er, par lettre recommandée. Selon le cas, la date de l’information est celle de la date de l’accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, ou de la date d’envoi de la lettre recommandée. § 2. Lorsqu’une même information est adressée succes- sivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l’information établie confor- mément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°. 72 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de over- schrijving of de inschrijving van de akte niet aan de Staat worden tegengeworpen indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen van de datum van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zon- der uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren, welke ter uitvoering van artikel 93quater werden ter kennis gebracht. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoor- waarden van dit artikel.”. Art. 38. Artikel 93octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, wordt opgeheven. Art. 39. In artikel 93nonies van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 8 augustus 1980, worden de woorden “artikelen 93ter tot 93octies” vervangen door de woorden “artikelen 93ter tot 93septies”. Art. 40. Artikel 93decies van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 8 augustus 1980, wordt vervangen als volgt: “Art. 93decies. Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de banken, onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, evenals de kredietgevers en bemiddelaars inzake hypothecair krediet, onderworpen aan Boek VII, Titel 4, Hoofdstuk 4 van het Wetboek van economisch recht, gemachtigd het in artikel 93ter bedoelde bericht te verzenden en zijn zij bevoegd om de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving te ontvangen. De afgifte van een attest door die instellingen aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg daar- aan gegeven door de ontvanger bedoeld in artikel 93quater, stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de plaats van die van de notaris.”. Art. 41. Artikel 93undecies A van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2005 en 11 juli 2018, wordt ver- vangen als volgt: “Art. 93undecies A. Geen akte die in het buitenland verle- den is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed of een schip tot voorwerp heeft, wordt in België tot overschrijving of inschrijving in de registers van de hypothecaire openbaarmaking, wat de onroerende goederen betreft, of in het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen betreft, toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een at- test van de ontvanger bedoeld in artikel 93ter. Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of de hou- der van een zakelijk recht geen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is, ofwel dat de wettelijke hypotheek, die de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde waarborgt, ingeschreven is.”. § 3. Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou l’inscription de l’acte n’est pas opposable à l’Etat, si l’inscrip- tion de l’hypothèque légale a lieu dans les huit jours ouvrables de la date de l’information visée au paragraphe 1er, alinéa 4. Sont inopérantes au regard des créances de la taxe sur la valeur ajoutée et d’accessoires notifiés conformément à l’ar- ticle 93quater, toutes créances non inscrites pour lesquelles saisie ou opposition n’est pratiquée qu’après l’expiration du délai prévu au paragraphe 1er, alinéa 3. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article.”. Art. 38. L’article 93octies du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980, est abrogé. Art. 39. Dans l’article 93nonies, du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980, les mots “articles 93ter à 93octies” sont remplacés par les mots “articles 93ter à 93septies”. Art. 40. L’article 93decies du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980, est remplacé par ce qui suit: “Art. 93decies. Moyennant l’accord du redevable, les banques soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi que les prêteurs en crédit hypothécaire et les intermédiaires en crédit hypothécaire soumis au Livre VII, titre 4, chapitre 4 du Code de droit économique, sont autorisées à adresser l’avis prévu à l’article 93ter et qualifiées pour recevoir la notification visée à l’article 93quater. La remise d’une attestation par ces organismes au notaire relativement à l’envoi de l’avis et à la suite y donnée par le receveur visé à l’article 93quater substitue la responsabilité de ces organismes à celle du notaire.”. Art. 41. L’article 93undecies A du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980 et modifié par les lois des 10 août 2005 et 11 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit: “Art. 93undecies A. Aucun acte passé à l’étranger et ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un immeuble, ou d’un bateau ne sera admis en Belgique à la transcription ou à l’inscription dans le registres de la publicité hypothécaire en ce qui concerne les immeubles, ou dans le Registre naval belge, en ce qui concerne les bateaux, s’il n’est accompagné d’un certificat du receveur visé à l’article 93ter. Ce certificat doit attester que le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel n’est pas redevable de taxe sur la valeur ajoutée ou que l’hypothèque légale garantissant la taxe sur la valeur ajoutée due a été inscrite.”. 73 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 AFDELING 2. Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 42. Artikel 433 van het Wetboek van de inkomstenbe- lastingen 1992, vervangen bij de wet van 24 juli 2008 en ge- wijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt vervangen als volgt: “Art. 433. § 1. De notaris die verzocht is om een akte op te maken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp heeft, is persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, wanneer hij daarvan geen bericht geeft aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatie- technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed ressorteert, of de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats in het buitenland heeft en, daar- enboven, zo het om een onroerend goed gaat, de ontvanger, bevoegd voor de invordering van de onroerende voorheffing van dat goed, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeen- komstig de bepaling onder 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden. § 2. Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt dit bericht als niet bestaande beschouwd. Wanneer het bericht meegedeeld is overeenkomstig para- graaf 1, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën. § 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respec- tievelijk in paragraaf 1, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 1°, voorafgaat. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoor- waarden van dit artikel.”. Art. 43. Artikel 434 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 maart 2003 en 25 februari 2007 en bij de wet van 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt: “Art. 434. § 1. Indien het belang van de Schatkist dit vereist, wordt door de bevoegde ontvanger aan de notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van de verzending van het in artikel 433 bedoelde bericht, kennis gegeven van het bedrag van de belastingen en bijbehoren dat aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist op het goed dat het voorwerp van de akte is: SECTION 2. Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 42. L’article 433 du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé par la loi du 24 juillet 2008 et modifié par la loi du 27 avril 2016, est remplacé par ce qui suit: “Art. 433. § 1 er. Le notaire requis de dresser un acte ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un bien susceptible d’hypothèque, est personnellement responsable du paiement des impôts et des accessoires pouvant donner lieu à inscription hypothécaire, lorsqu’il n’en avise pas: 1° le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 2° le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien, ou le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien a sa résidence à l’étranger, et, en outre, s’il s’agit d’un immeuble, le receveur compétent pour le recouvrement du précompte immobilier de ce bien, lorsque la communication de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l’avis est adressé par lettre recommandée. § 2. Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les trois mois à compter de l’envoi de l’avis, cet avis sera considéré comme non avenu. Lorsque la communication de l’avis est effectuée confor- mément au paragraphe 1er, 1°, la date d’envoi de l’avis s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances. § 3. Lorsqu’un même avis est adressé successivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au paragraphe 1er, 2° ne prévaut que lorsque la date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’avis établi conformément au paragraphe 1er, 1°. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article.”.  Art. 43. L’article 434 du même Code, modifié par les arrê- tés royaux du 31 mars 2003 et 25 février 2007 et par la loi du 24 juillet 2008, est remplacé par ce qui suit: “Art. 434. § 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le receveur compétent notifie au notaire, avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis visé à l’article 433, le montant des impôts et des accessoires pouvant donner lieu à inscription de l’hypothèque légale du Trésor sur le bien faisant l’objet de l’acte: 74 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning bepaalde procedure; 2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving om- wille van overmacht of een technische storing niet kan wor- den meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 433, § 1, heeft verzonden bij aangetekende brief. § 2. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de kennisgeving opgesteld over- eenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat. § 3. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld overeenkom- stig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst informatie- en communicatie- technologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 433, § 1.”. Art. 44. Artikel 435 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd door de wet van 27 april 2016, wordt vervangen als volgt: “Art. 435. § 1. Wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 434 bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedra- gen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehou- den is de bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen. Onverminderd de rechten van derden, is de notaris, wan- neer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, ertoe ge- houden onder voorbehoud van toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de in artikel 434 bedoelde ontvanger te storten tot beloop van het bedrag van de belastingen en bijbehoren dat hem ter uit- voering van artikel 434 ter kennis werd gebracht en in zoverre deze belastingen en bijbehoren een zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410 vormen. Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldei- sers en aan de verzetdoende schuldeisers, hierin begrepen de ontvanger, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aan- sprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover informeren aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatie- technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 1° par voie électronique, selon une procédure déterminée par le Roi; 2° par lettre recommandée, lorsque la communication de la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée confor- mément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé à l’article 433, § 1er, par lettre recommandée. § 2. Lorsque la même notification est adressée succes- sivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er l’alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°. § 3. Lorsque la communication de la notification est effec- tuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de la notification s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service Technologie de l’infor- mation et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé à l’article 433, § 1er. “. Art. 44. L’article 435 du même Code, remplacé par la loi du 24 juillet 2008 et modifié par la loi du 27 avril 2016, est remplacé par ce qui suit: “Art. 435. § 1er. Lorsque l’acte visé à l’article 433 est passé, la notification visée à l’article 434 emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou au profit du redevable et vaut opposition sur le prix au sens de l’article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir ces sommes et valeurs conformément aux articles 1639 à 1654 du Code judiciaire. Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l’acte visé à l’article 433 est passé, le notaire est tenu, sous réserve de l’application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de verser entre les mains du receveur visé à l’article 434, au plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de l’acte, les sommes et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou au profit du redevable, à concurrence du montant des impôts et accessoires qui lui ont été notifiés en exécution de l’article 434 et dans la mesure où ces impôts et accessoires constituent une dette certaine et liquide au sens de l’article 410. En outre, lorsque les sommes et valeurs ainsi saisies-ar- rêtées sont inférieures à l’ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, en ce compris le receveur, le notaire doit, sous peine d’être personnellement responsable de l’excédent, en informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l’acte: 1° le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 75 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 2° de ontvanger bedoeld in artikel 434 bij een aangete- kende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij het be- richt bedoeld in artikel 433, § 1, bij aangetekende brief heeft verzonden. De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de da- tum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, of de datum van verzending van de aangetekende brief. § 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 1°, voorafgaat. § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de over- schrijving of de inschrijving van de akte, niet aan de Staat tegengeworpen worden indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen vanaf de datum van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zon- der uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en bijbehoren, welke ter uitvoering van artikel 434 werden ter kennis gebracht. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoor- waarden van dit artikel.”. Art. 45. Artikel 438 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. Art. 46. In artikel 439 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden “artikelen 433 tot 438” vervangen door de woorden “artikelen 433 tot 437”. Art. 47. Artikel 440, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt vervangen als volgt: “Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de banken, onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, evenals de krediet- gevers en bemiddelaars inzake hypothecair krediet, onder- worpen aan Boek VII, Titel 4, Hoofdstuk 4 van het Wetboek van economisch recht, gemachtigd het in artikel 433 bedoelde bericht te verzenden en zijn zij bevoegd om de in artikel 434 bedoelde kennisgeving te ontvangen.”. Art. 48. Artikel 441 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 27 april 2016 en 11 juli 2018, wordt vervangen als volgt: 2° le receveur visé à l’article 434, par lettre recomman- dée, lorsque le notaire ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, communiquer l’information conformément au 1° ou lorsqu’il a adressé l’avis visé à l’article 433, § 1er, par lettre recommandée. Selon le cas, la date de l’information est celle de la date de l’accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication, ou de la date d’envoi de la lettre recommandée. § 2. Lorsqu’une même information est adressée succes- sivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l’information établie confor- mément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°. § 3. Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou l’inscription de l’acte n’est pas opposable à l’Etat, si l’inscrip- tion de l’hypothèque légale a lieu dans les huit jours ouvrables de la date de l’information visée au paragraphe 1er, alinéa 4. Sont inopérantes au regard des créances d’impôts et accessoires notifiés en exécution de l’article 434, toutes les créances non inscrites pour lesquelles saisie ou opposition n’est pratiquée qu’après l’expiration du délai prévu au para- graphe 1er, alinéa 3. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article.”. Art. 45. L’article 438 du même Code est abrogé. Art. 46. Dans l’article 439 du même Code, les mots “articles 433 à 438” sont remplacés par les mots “articles 433 à 437”. Art. 47. L’article 440, alinéa 1er, du même Code, rem- placé par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par la loi du 18 décembre 2015, est remplacé comme suit: “Moyennant l’accord du redevable, les banques soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi que les prêteurs en crédit hypo- thécaire et les intermédiaires en crédit hypothécaire soumis au Livre VII, titre 4, chapitre 4 du Code de droit économique, sont autorisées à adresser l’avis prévu à l’article 433 et qualifiées pour recevoir la notification visée à l’article 434.”. Art. 48. L’article 441 du même Code, modifié par les lois du 27 avril 2016 en 11 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit: 76 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “Art. 441. Geen akte die in het buitenland verleden is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed of een schip tot voorwerp heeft, wordt in België tot overschrijving of inschrijving in de registers van de hypothecaire openbaarmaking, wat de onroerende goederen betreft, of in het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen betreft, toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een at- test van de ontvanger bedoeld in artikel 433. Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of de houder van het zakelijk recht geen belastingen verschuldigd is, ofwel dat de wettelijke hypotheek die de verschuldigde belastingen en bijbehoren waarborgt, ingeschreven is.”. AFDELING 3. Programmawet (I) van 29 maart 2012 Art. 49. Artikel 157 van de programmawet van 29 maart 2012, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, wordt vervangen als volgt: “Art. 157. § 1. De notarissen verzocht om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden van de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door hem gemaakte contractuele erfstelling, mits die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158 indien zij daarvan geen bericht geven aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatietech- nologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, en dit op elektronische wijze; 2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°. — de ontvangers waaronder de erflater en de rechtver- krijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest van erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de erflater en/of een van zijn rechtverkrijgenden in het buitenland verblijven; — de door de Koning aangewezen ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden. Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrij- genden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. “Art. 441. Aucun acte passé à l’étranger et ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un immeuble, ou d’un bateau, ne sera admis en Belgique, à la transcription ou à l’inscription dans les registres de la publicité hypothé- caire en ce qui concerne les immeubles, ou dans le Registre naval belge, en ce qui concerne les bateaux, s’il n’est pas accompagné d’un certificat du receveur visé à l’article 433. Ce certificat doit attester que le propriétaire ou le titulaire du droit réel n’est pas redevable d’impôts ou que l’hypothèque légale garantissant les impôts et les accessoires dus a été inscrite.”. SECTION 3. Loi-programme (I) du 29 mars 2012 Art. 49. L’article 157 de la loi-programme du 29 mars 2012, modifié par la loi de 13 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit: “Art. 157. § 1er. Les notaires requis de rédiger l’acte ou certificat d’hérédité visé à l’article 1240bis du Code civil, sont personnellement responsables du paiement des dettes dont la débition est susceptible d’être notifiée conformément à l’article 158, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l’identité est mentionnée dans l’acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d’une institution contractuelle consentie par le de cujus s’ils n’en avisent pas: 1° le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 2° les fonctionnaires ci-après, lorsque la communication de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°: — les receveurs dont relèvent le de cujus et les ayants droit dont l’identité est mentionnée dans l’acte ou le certificat d’hérédité, ainsi que le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le de cujus et/ou l’un de ses ayants droit ont leur résidence à l’étranger; — le fonctionnaire de l’Administration générale de la docu- mentation patrimoniale, désigné par le Roi. Dans ce cas, l’avis est adressé par lettre recommandée. S’agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsa- bilité visée à l’alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S’agissant de dettes dans le chef d’ayants droit, la respon- sabilité visée à l’alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l’ayant droit dont l’identité est mentionnée dans l’acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. 77 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 § 2. Indien de akte of het attest waarvan sprake niet wordt opgesteld binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt het als niet bestaande beschouwd. § 3. Wanneer hetzelfde bericht achtereenvolgens gegeven wordt overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1° voorafgaat. § 4. Wanneer het bericht gegeven wordt overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzen- ding van het bericht verstaan de datum van de ontvangstmel- ding die wordt gedaan door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën. § 5. Het bericht vermeldt de identiteit van de erflater, van zijn erfgenamen of legatarissen alsook van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling. Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identiteit: a) voor natuurlijke personen, de naam, de voornaam en, in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid van de betrok- kenen, of, bij gebrek aan zulke nummers, hun geboortedatum; b) voor rechtspersonen, trusts, fiducieën of gelijkaardige rechtsvormen, de maatschappelijke benaming, de maatschap- pelijke zetel en, in voorkomend geval, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. § 6. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoor- waarden van dit artikel.”. Art. 50. Artikel 158 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, wordt vervangen als volgt: “Art. 158. De ontvanger of dienst bevoegd voor de invorde- ring van de fiscale schuld kan aan de notaris die het in artikel 157 bedoelde bericht verzonden heeft, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van verzending van dat bericht, kennisgeven van het bestaan lastens de erflater of een andere persoon vermeld in het bericht, van een fiscale schuld bestaande uit belastingen, bijbehoren, verhogingen en boetes, met opgave voor elk van de schuldenaars van het bedrag van de hiervoor bedoelde schuld: 1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning bepaalde procedure; 2° bij een aangetekende brief, wanneer de kennisgeving, omwille van overmacht of een technische storing, niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 157, § 1, heeft meegedeeld bij aangetekende brief. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien § 2. Si l’acte ou le certificat dont question n’est pas passé dans les trois mois à compter de l’envoi de l’avis, celui-ci est considéré comme non-avenu. § 3. Lorsqu’un même avis est adressé successivement selon les procédures visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°. § 4. Lorsque l’avis est communiqué conformément au para- graphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de l’avis s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la commu- nication du Service public fédéral Finances. § 5. L’avis mentionne l’identité du de cujus, de ses héri- tiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel d’une institution contractuelle. Pour l’application de cette disposition, l’identité comprend: a) pour les personnes physiques, le nom, le prénom et, le cas échéant, le numéro d’identification du Registre national ou, à défaut, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale des intéressés, ou, à défaut de tels numéros, leur date de naissance; b) pour les personnes morales, les trusts, les fiducies et les constructions juridiques similaires, la dénomination sociale, le siège social et, le cas échéant, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises. § 6. Le Roi détermine les conditions d’application pratiques du présent article.”. Art. 50. L’article 158 de la même loi, modifié par la loi du 13 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit: “Art. 158. Avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis visé par l’article 157, le receveur ou service compétent pour le recouvrement de la dette fiscale peut notifier au notaire ayant envoyé l’avis, l’existence dans le chef du de cujus ou d’une autre personne mentionnée dans l’avis, d’une dette fiscale consistant en impôts et accessoires, accroissements et amendes, ainsi que le montant, dans le chef de chaque débiteur, de la dette susvisée: 1° par voie électronique, selon une procédure déterminée par le Roi; 2° par lettre recommandée, lorsque la communication de la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée confor- mément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé à l’article 157, § 1er, par lettre recommandée. Lorsque la même notification est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement à l’alinéa 1er, 78 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 respectievelijk in het eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 1°, voorafgaat. Het eerste lid is enkel van toepassing voor zover die fiscale schuld een zekere en vaststaande schuld uitmaakt. Wanneer de kennisgeving meegedeeld is overeenkomstig het eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de ken- nisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst informatie- en communicatietechnologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 157, § 1.”. Art. 51. In artikel 159 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, worden de woorden “door de schul- denaar” vervangen door de woorden “door hun schuldenaar”. Art. 52. In artikel 160 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, worden de woorden “belastingen en hun bijbehoren” vervangen door de woorden “ter kennis gebrachte schulden”; 2° in de inleidende zin van paragraaf 2, worden de woor- den “of aan een gerechtsmandataris” ingevoegd tussen de woorden “een begunstigde van een contractuele erfstelling” en de woorden “, indien deze een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt”; 3° in paragraaf 2, wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt: “b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris, de begunstigde van een contractuele erfstelling of de gerechtsmandataris na betaling van de schul- den ter kennis gebracht op naam van de rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden ter kennis gebracht op naam van de erflater, met tegoeden gehouden door de schuldenaar van deze fondsen.”. Art. 53. Artikel 161 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt: “Het in artikel 157 bedoelde bericht wordt opgemaakt over- eenkomstig het door de Koning bepaalde model.”. AFDELING 4. Burgerlijk Wetboek Art. 54. In artikel 1240bis, ingevoegd bij de wet van 6 mei 2009 en gewijzigd bij de wetten van 13 december 2012 en 11 juli 2018, van het Burgerlijk Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt: “§ 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, geeft een schuldenaar te goeder trouw bevrijdend tegoeden van een overledene vrij, indien dit gebeurt, ofwel aan of op instructie 1° et 2°, la notification établie conformément à l’alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de la notification établie conformément à l’alinéa 1er, 1°. L’alinéa 1er s’applique seulement dans la mesure où cette dette fiscale constitue une dette certaine et liquide. Lorsque la communication de la notification est effectuée conformément à l’alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de la notification s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service Technologie de l’information et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé à l’article 157, § 1er.”. Art. 51. Dans l’article 159 de la même loi, modifié par la loi du 13 décembre 2012, les mots “du débiteur” sont remplacés par les mots “de leur débiteur”. Art. 52. Dans l’article 160 de la même loi, modifié par la loi du 13 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, les mots “impôts et accessoires notifiés” sont remplacés par les mots “dettes notifiées”; 2° dans la phrase liminaire du paragraphe 2, les mots “ou à un mandataire judiciaire” sont insérés entre les mots “au bénéficiaire d’une institution contractuelle” et les mots “qui présente un certificat ou une expédition de l’acte d’hérédité”; 3° dans le paragraphe 2, le b) est remplacé par ce qui suit: “b) que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire, bénéficiaire d’une institution contractuelle ou mandataire judiciaire, après paiement des dettes notifiées au nom de l’ayant droit et de sa part dans les dettes notifiées au nom du de cujus, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur de ces fonds.”. Art. 53. L’article 161 de la même loi, est remplacé par ce qui suit: “L’avis visé à l’article 157 est établi conformément au modèle arrêté par le Roi.”. SECTION 4. Code Civil Art. 54. A l’article 1240bis du Code Civil, inséré par la loi du 6 mai 2009 et modifié par les lois des 13 décembre 2012 et 11 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit: “§ 1er. Sauf disposition légale contraire, un débiteur de bonne foi libère les avoirs d’un défunt de manière libératoire à condition d’avoir été fait, soit aux ou sur instruction des 79 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 van de personen aangewezen in een attest of een akte van erfopvolging, ofwel aan of op instructie van een gerechtsman- dataris, na voorlegging: — van een attest van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, of — van een attest of akte van erfopvolging opgesteld door een notaris.”; 2° in paragraaf 3 worden de woorden “een erfovereen- komst, “ingevoegd tussen de woorden “, in geval van bestaan van onbekwame rechtsopvolgers of indien er sprake is van een uiterste wilsbeschikking,” en de woorden “een contrac- tuele erfstelling of een huwelijkscontract in hoofde van de overledene”; 3° in paragraaf 4 wordt het tweede lid vervangen als volgt: “In voorkomend geval vermeldt de akte of het attest het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienum- mer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het iden- tificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen.”. AFDELING 5. Inwerkingtreding Art. 55. De artikelen 93quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 434 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en 158 van de programma- wet (I) van 29 maart 2012, zoals vervangen door de bepalingen van huidige wet, treden in werking op 1 september 2019. De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid. HOOFDSTUK 3 Wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën met het oog op het toepasbaar maken van sommige bepalingen van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen Art. 56.- In artikel 9 van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een dienst voor alimentatievorderingen bij de Financiën, gewijzigd door de wet van 26 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 2, worden de woorden “geeft bij aangete- kende brief kennis van zijn beslissing aan de onderhoudsge- rechtigde” vervangen door de woorden “geeft bij gewone brief kennis van zijn beslissing aan de onderhoudsgerechtigde. De kennisgeving heeft uitwerking vanaf de derde werkdag die volgt op de datum van haar verzending. Indien de onder- houdsgerechtigde een persoonlijk e-mailadres heeft meege- deeld, verzendt de Dienst alimentatievorderingen eveneens een kopie van de beslissing naar dit adres; deze verzending vervangt echter geenszins de kennisgeving van de beslissing bij gewone brief.”; personnes désignées par un certificat ou un acte d’hérédité, soit à ou sur instruction d’un mandataire judiciaire, après présentation: — d’un certificat d’hérédité rédigé par le bureau com- pétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale, ou — d’un certificat ou d’un acte d’hérédité rédigé par un notaire.”; 2° dans le paragraphe 3, les mots “d’un pacte successoral, “sont insérés entre les mots “, en cas de présence de suc- cesseurs incapables ou s’il est question de dispositions de dernière volonté,” et les mots “d’une institution contractuelle ou d’un contrat de mariage dans le chef du défunt,”; 3° dans le paragraphe 4, l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “Le cas échéant, il mentionne le numéro d’identification du Registre national, le numéro d’identification à la Banque- Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises.”. SECTION 5. Entrée en vigueur Art. 55. Les articles 93quater du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, 434 du Code des impôts sur les revenus 1992 et 158 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, tels que remplacés par les dispositions de la présente loi, entrent en vigueur le 1er septembre 2019. Le Roi peut fixer une date d’entrée en vigueur antérieure à celle mentionnée à l’alinéa 1er. CHAPITRE 3 Modification de la loi du 21 février 2003 créant un ser- vice des créances alimentaires au sein du SPF Finances en vue de rendre applicables certaines dispositions du code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales Art. 56.- A l’article 9 de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances, modifié par la loi du 26 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées: a) au paragraphe 2, les mots “notifie sa décision au créan- cier d’aliments par lettre recommandée.” sont remplacés par les mots “notifie sa décision au créancier d’aliments par lettre ordinaire. La notification a effet à compter du troisième jour ouvrable qui suit la date de son envoi. Lorsque le créancier d’aliments a communiqué une adresse e-mail personnelle, le Service des créances alimentaires lui transmet également à cette adresse une copie de la décision; cet envoi ne remplace toutefois pas la notification de la décision par lettre ordinaire.”; 80 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 b) in paragraaf 3, worden de woorden “vanaf de datum van de kennisgeving” vervangen door de woorden “vanaf de uitwerkingsdatum van de kennisgeving”. Art. 57.- In artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 26 maart 2018 en van …, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “geeft de Dienst voor alimentatievorderingen de onderhoudsplichtige bij aangetekende brief, ervan kennis” vervangen door de woorden “geeft de Dienst voor alimentatievorderingen de onderhoudsplichtige bij gewone brief ervan kennis”; b) paragraaf 1, derde lid wordt vervangen als volgt: “De kennisgeving heeft uitwerking vanaf de derde werkdag die volgt op de datum van haar verzending.”; c) paragraaf 2 wordt opgeheven. Art. 58.- In artikel 13 van dezelfde wet, vervangen door de wet van …, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “Ten vroegste één maand na de kennisgeving bedoeld in artikel 10, worden de verschuldigde bedragen “vervangen door de woorden “Bij niet-betaling van de verschuldigde bedragen, worden deze”; b) paragraaf 4 wordt vervangen als volgt: “§ 4. De tenuitvoerlegging van het innings- en invorderings- register kan slechts worden gestuit door een rechtsvordering bij de beslagrechter.”; c) paragraaf 5 wordt opgeheven. Art. 59.- Artikel 14 van dezelfde wet, vervangen door de wet van…, wordt vervangen als volgt: “Art. 14. Onder voorbehoud van de bepalingen van deze wet, zijn de artikelen 1 tot 7, 13 tot 22, 23, § 5, 24, 25, 27 tot 50, 53 tot 61, 72 tot 89, en 92 tot 96 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen van toepassing op de invordering van de verschuldigde bedragen.”. Art. 60.- In artikel 15, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 11 juli 2005 en 26 maart 2018, worden de woorden “bij aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij gewone brief”. Art. 61.- In artikel 18, eerste lid, van dezelfde wet, ge- wijzigd door de wetten van 12 mei 2014, van 1 juli 2016 en van 26 maart 2018, worden de woorden “overeenkomstig de bepalingen” vervangen door de woorden “overeenkomstig het artikel 3”. Art. 62.- In hoofdstuk IV van dezelfde wet, wordt het opschrift van de afdeling II/1, ingevoegd door de wet van 26 maart 2018, opgeheven. b) au paragraphe 3, les mots “de la date de l’envoi de la notification” sont remplacés par les mots “de la date d’effet de la notification”. Art. 57.- A l’article 10 de la même loi, modifié par les lois du 26 mars 2018 et du …, les modifications suivantes sont apportées: a) au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “le Service des créances alimentaires envoie au débiteur d’aliments une lettre recommandée l’informant” sont remplacés par les mots “le Service des créances alimentaires notifie au débiteur d’ali- ments par lettre ordinaire”; b) le paragraphe 1er, alinéa 3 est remplacé par ce qui suit: “La notification a effet à compter du troisième jour ouvrable qui suit la date de son envoi.”; c) le paragraphe 2 est abrogé. Art. 58.- A l’article 13 de la même loi, remplacé par la loi du …, les modifications suivantes sont apportées: a) au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “Au plus tôt un mois après la notification visée à l’article 10, les montants dus” sont remplacés par les mots “En cas de non-paiement des montants dus, ceux-ci”; b) le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit: “§ 4. L’exécution du registre de perception et recouvrement ne peut être interrompue que par une action en justice auprès du juge des saisies.”; c) le paragraphe 5 est abrogé. Art. 59.- L’article 14 de la même loi, remplacé par la loi du …, est remplacé par ce qui suit: “Art. 14. Sous réserve des dispositions de la présente loi, les articles 1 à 7, 13 à 22, 23, § 5, 24, 25, 27 à 50, 53 à 61, 72 à 89, et 92 à 96 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales sont applicables au recouvrement des montants dus.”. Art. 60.- A l’article 15, alinéa 1er, de la même loi, modifié par les lois du 11 juillet 2005 et 26 mars 2018, les mots “par lettre recommandée” sont remplacés par les mots “par lettre ordinaire”. Art. 61.- A l’article 18, alinéa 1er, de la même loi, modifié par les lois du 12 mai 2014, du 1er juillet 2016 et du 26 mars 2018, les mots “conformément aux dispositions” sont remplacés par les mots “conformément à l’article 3”. Art. 62.- Au chapitre IV de la même loi, l’intitulé de la section II/1, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. 81 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 63.- Artikel 20 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 26 maart 2018 en gewijzigd door de wet van …, wordt opgeheven. Art. 64.- Artikel 21 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 26 maart 2018 en gewijzigd door de wet van …, wordt opgeheven. Art. 65- Artikel 21/1 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven. Art. 66.- Artikel 21/2 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven. Art. 67.- In hoofdstuk IV van dezelfde wet, wordt het op- schrift van de afdeling III, vervangen door de wet van 26 maart 2018, opgeheven. Art. 68.- Artikel 22 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven. Art. 69.- Artikel 22/1 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven. Art. 70.- Artikel 22/2 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven. Art. 71.- In hoofdstuk IV van dezelfde wet, wordt het op- schrift van de afdeling IV, ingevoegd door de wet van 26 maart 2018, opgeheven. Art. 72.- Artikel 22/3 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven. Art. 73.- In hoofdstuk IV van dezelfde wet, wordt het op- schrift van de afdeling V, ingevoegd door de wet van 26 maart 2018, opgeheven. Art. 74.- Artikel 22/4 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven. Art. 75.- In artikel 26 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 26 maart 2018 en gewijzigd door de wet van …, worden de woorden “of andere aan de Staat verschuldigde bedragen” ingevoegd tussen de woorden “toegekende voor- schotten” en de woorden “definitief oninvorderbaar zijn”. Art. 76.- In artikel 27 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 26 maart 2018 en van …, worden de woorden “bij aangetekende brief” elke keer vervangen door de woorden “bij gewone brief”. Art. 77.- Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de in te vorderen bedragen opgenomen in een innings- en invorde- ringsregister uitvoerbaar verklaard voor de datum van zijn inwerkingtreding. Art. 78.- Dit hoofdstuk treedt in werking op de datum waarop, voor wat betreft de niet-fiscale schuldvorderingen, de wet van … tot invoering van het Wetboek van de min- nelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen in werking treedt. Art. 63.- L’article 20 de la même loi, remplacé par la loi du 26 mars 2018 et modifié par la loi du …, est abrogé. Art. 64.- L’article 21 de la même loi, remplacé par la loi du 26 mars 2018 et modifié par la loi du …, est abrogé. Art. 65.- L’article 21/1 de la même loi, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. Art. 66.- L’article 21/2 de la même loi, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. Art. 67.- Au chapitre IV de la même loi, l’intitulé de la section III, remplacé par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. Art. 68.- L’article 22 de la même loi, remplacé par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. Art. 69.- L’article 22/1 de la même loi, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. Art. 70.- L’article 22/2 de la même loi, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. Art. 71.- Au chapitre IV de la même loi, l’intitulé de la sec- tion IV, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. Art. 72.- L’article 22/3 de la même loi, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. Art. 73.- Au chapitre IV de la même loi, l’intitulé de la sec- tion V, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. Art. 74.- L’article 22/4 de la même loi, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé. Art. 75.- A l’article 26 de la même loi, remplacé par la loi du 26 mars 2018 et modifié par la loi du …, les mots “ou d’autres sommes dues à l’Etat” sont insérés entre les mots “des avances accordées” et les mots “sont définitivement irrécouvrables”. Art. 76.- A l’article 27 de la même loi, modifié par les lois du 26 mars 2018 et du …, les mots “par lettre recommandée” sont chaque fois remplacés par les mots “par lettre ordinaire”. Art. 77.- Le présent chapitre n’est pas applicable aux sommes à recouvrer reprises dans un registre de perception et recouvrement rendu exécutoire avant la date de son entrée en vigueur. Art. 78.- Le présent chapitre entre en vigueur à la date à laquelle entre en vigueur, en ce qui concerne les créances non fiscales, la loi du … introduisant le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales. 82 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid. HOOFDSTUK 4 Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 79. In artikel 418 van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992, vervangen door de wet van 25 december 2017, wordt het eerste lid aangevuld met een zin luidende: “Als de betaling van belastingen, voorheffingen, vooraf- betalingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve boetes plaatsvindt na de ingebrekestel- ling gericht tot de administratie, is de moratoriuminterest te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de werkelijke betaling.”. Art. 80. In artikel 86, C, van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, wordt het elfde lid, vervangen als volgt: “De artikelen 77, 79 en 80 zijn van toepassing vanaf 1 januari 2018. De artikelen 79 en 80, in de mate dat ze de begindatum van de moratoriuminteresten wijzigen bedoeld in de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn toepasselijk op de inkohieringen uitgevoerd vanaf 1 januari 2018. In geval van opeenvolgende aanslagen, wordt de datum van inkohier- ing van de oorspronkelijke aanslag in beschouwing genomen voor de toepassing van deze bepalingen. Artikel 79, in de mate dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 418, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende. Artikel 80, in de mate dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 419, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing, de roerende voorheffing en de voorafbe- talingen verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende.”. Art. 81. De artikelen 79 en 80 zijn van kracht vanaf 1 januari 2018. Le Roi peut fixer une date d’entrée en vigueur antérieure à celle mentionnée à l’ alinéa 1er. CHAPITRE 4 Dispositions réparatrices des articles 418 et 419 du Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 79. Dans l’article 418 du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé par la loi du 25 décembre 2017, l’alinéa 1er est complété par une phrase rédigée comme suit: “Lorsque le paiement des impôts, précomptes, versements anticipés, intérêts de retard, accroissements d’impôts ou amendes administratives intervient postérieurement à la mise en demeure adressée à l’administration, l’intérêt moratoire est alloué à compter du 1er jour du mois qui suit le paiement effectif.”. Art. 80. Dans l’article 86, C, de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l’impôt des sociétés, l’alinéa 11 est remplacé par ce qui suit: “Les articles 77, 79 et 80 sont applicables à partir du 1er janvier 2018. Les articles 79 et 80, en tant qu’ils modifient la date de départ des intérêts moratoires visés aux articles 418, alinéa 1er, et 419, alinéa 1er, 6°, du Code des impôts sur les revenus 1992, sont applicables aux enrôlements effectués à partir du 1er janvier 2018. En cas de cotisations subséquentes, la date d’enrôlement de la cotisation primitive est prise en considération pour l’application des présentes dispositions.  L’article 79, en tant qu’il modifie la date de départ des intérêts moratoires pour l’application de l’article 418, alinéa 1er, du même Code, est applicable aux précompte professionnel et précompte mobilier rattachés aux exercices d’imposition 2018 et suivants. L’article 80, en tant qu’il modifie la date de départ des intérêts moratoires pour l’application de l’article 419, alinéa 2, du même Code, est applicable aux précompte professionnel, précompte mobilier et versements anticipés rattachés aux exercices d’imposition 2018 et suivants.”. Art. 81. Les articles 79 et 80 produisent leurs effets à compter du 1er janvier 2018. 83 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 DEEL IV – FINANCIELE BEPALINGEN ENIGE TITEL Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een administratieve dienst en oprichting van een begrotings- fonds betreffende de verrichtingen aangaande monetisa- tie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België Afdeling 1. Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een administratieve dienst Onderafdeling 1. Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en hou- dende maatregelen inzake concessieovereenkomsten Art. 82. In de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten, wordt het opschrift van Afdeling 3 van Hoofdstuk 1 van Titel II vervangen als volgt: “Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een ad- ministratieve dienst”. Art. 83. Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “De administratieve dienst met boekhoudkundige autono- mie “Koninklijke Munt van België” wordt omgevormd tot een administratieve dienst van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze administratieve dienst wordt “Koninklijke Munt van België” genoemd en wordt hierna als “Munt” aangeduid.”. Art. 84. In artikel 8 van dezelfde wet wordt het tweede lid opgeheven. Art. 85. Artikel 9 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 86. In artikel 10 van dezelfde wet, worden de punten 3° en 4° opgeheven. Art. 87. Artikel 12 van dezelfde wet wordt opgeheven. Onderafdeling 2. De ambten De Muntmeester Art. 88. De Muntmeester staat in voor het dagelijks beheer van de Munt. Art. 89. Hij organiseert, in het belang van de dienst, de uitgifte van circulatiestukken en verzamelaarsmunten evenals de aanverwante werkzaamheden. Hij is belast met de bewaring van de monetaire instru- menten nodig voor de uitgiften die nog niet uit omloop zijn genomen. Hij houdt de inventaris bij van het muntgereedschap. PARTIE IV – DISPOSITIONS FINANCIERES TITRE UNIQUE Transformation de la Monnaie royale de Belgique en service administratif et création d’un fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonéti- sation de la Monnaie royale de Belgique Section 1ère. Transformation de la Monnaie royale de Belgique en service administratif Sous-section 1ère. Modifications de la loi du 31 juillet 2017 portant des dispositions financières et fiscales diverses et portant des mesures en matière de contrats de concession Art. 82. Dans la loi du 31 juillet 2017 portant des disposi- tions financières et fiscales diverses et portant des mesures en matière de contrats de concession, l’intitulé de la Section 3 du Chapitre 1er du Titre II est remplacé par ce qui suit: “Transformation de la Monnaie royale de Belgique en service administratif”. Art. 83. L’article 7 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Le service administratif à comptabilité autonome “Monnaie royale de Belgique” est transformé en service administratif, intégré au sein de l’Administration générale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances. Ce service administratif est dénommé “Monnaie royale de Belgique” et est appelé ci-après “Monnaie”.”. Art. 84. Dans l’article 8 de la même loi, l’alinéa 2 est abrogé. Art. 85. L’article 9 de la même loi est abrogé. Art. 86. Dans l’article 10 de la même loi, les points 3° et 4° sont abrogés. Art. 87. L’article 12 de la même loi est abrogé. Sous-section 2. Les fonctions Le Commissaire des Monnaies Art. 88. Le Commissaire des Monnaies est chargé de la gestion journalière de la Monnaie. Art. 89. Il organise, dans l’intérêt du service, l’émission des pièces de circulation et de collection, ainsi que les travaux apparentés. Il est chargé de la garde des instruments monétaires qui sont nécessaires aux émissions qui ne sont pas encore reti- rées de la circulation. Il tient l’inventaire des instruments de frappe 84 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Hij ontvangt en bewaart de uit omloop gehaalde en bij de Munt in bewaring gegeven munten, ziet ze na, en neemt alle maatregelen om de bewaring of de vernietiging ervan te verzekeren, indien zij nog wettelijk gangbaar zijn. Hij houdt de opgaven bij van de geslagen, uitgegeven of uit omloop gehaalde stukken. Hij organiseert de beveiliging van de ruimten waarin de munten waarover hij het toezicht heeft, worden opgeslagen. Hij kan het toezicht over deze munten delegeren aan derden. Minstens op het einde van elk kwartaal ziet hij de boekhou- ding na (documenten voor de registratie van de bewegingen tijdens de periode) en vergewist zich van de conformiteit van de verrichtingen met de boekhoudkundige documenten. Hij stelt een jaarlijks activiteitenverslag op en zorgt voor de publicatie ervan na goedkeuring door de minister van Financiën. Art. 90. De muntmeester is inzonderheid bevoegd om: 1° de geslagen munten en in het bijzonder het gehalte, het gewicht en de afmetingen ervan, overeenkomstig de wet te keuren en ze volgens de onderrichtingen van de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Thesaurie in omloop te laten brengen; 2° te beslissen over de aangelegenheden in verband met de wettigheid van de patrijzen, de matrijzen, het stempelge- reedschap, de stempel-handtekeningen, de muntstempels en de randschriftblokjes die voor de fabricage nodig zijn; 3° te beslissen over de vragen betreffende de valse of geschonden munten; zijn beslissingen worden genomen volgens de processen-verbaal die door de inspecteur van het essaai worden opgesteld; 4° aan de handelskeurmeesters, in de zin van de artikelen 3 en 3bis van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen, de akte van bekwaamheid uit te reiken die voor hun functie is vereist; 5° uitspraak te doen over de betwistingen betreffende de toelaatbaarheid van de werken, staven en materialen uit edele metalen, het keuren en het merken van de stempel van de staat of van de keurmeester; 6° te beslissen over de vraagstukken betreffende het ge- halte en het merk van de staven en werken uit edele metalen; 7° de stempel-handtekeningen van de fabrikanten van werken uit edele metalen goed te keuren. De inspecteur van het essaai Art. 91. De inspecteur van het essaai zorgt voor de goede uitvoering van de werkzaamheden van het laboratorium, Il reçoit et a la garde des pièces retirées de la circulation et déposées à la Monnaie, les vérifie et prend toutes les mesures pour assurer leur entreposage ou leur destruction si elles ont encore cours légal. Il tient les relevés des espèces frappées, émises ou retirées de la circulation. Il organise la sécurité des lieux où les pièces dont il a la garde, sont entreposées. Il peut déléguer la garde de ces pièces à des tiers. Il vérifie, à la fin de chaque trimestre, au moins, les docu- ments comptables (documents permettant d’enregistrer les mouvements intervenus pendant la période) et s’assure de la conformité des opérations avec les écritures comptables. Il établit un rapport d’activités annuel et en assure la publication après approbation par le Ministre des Finances. Art. 90. Le Commissaire des Monnaies a comme attribu- tions spéciales: 1° de vérifier la conformité à la loi des monnaies frappées, et en particulier d’en vérifier le titre, le poids et les dimensions et d’en permettre la mise en circulation suivant les instructions de l’Administrateur général de l’Administration générale de la Trésorerie; 2° de décider sur les questions de la légalité des poinçons, des matrices, des instruments de frappe, des poinçons-signa- tures, des coins et des coussinets nécessaires à la fabrication; 3° de décider sur les questions relatives aux monnaies fausses ou altérées; ses décisions sont rendues sur base des procès-verbaux dressés par l’inspecteur des essais; 4° de délivrer aux essayeurs du commerce, au sens des articles 3 et 3bis de la loi 11 août 1987 relative à la garantie des ouvrages en métaux précieux, les certificats de capacité requis pour leur fonction; 5° de statuer sur les contestations relatives à l’admissi- bilité des ouvrages, des lingots et des matières en métaux précieux, à la vérification et à la marque du poinçon de l’État ou de l’essayeur; 6° de décider sur les questions relatives au titre et à la marque des lingots et des ouvrages en métaux précieux; 7° d’approuver les poinçons-signatures des fabricants d’ouvrages en métaux précieux. L’inspecteur des essais Art. 91. L’inspecteur des essais veille à la bonne exécution des travaux du laboratoire, en application de la loi 17 juillet 85 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 in toepassing van de wet van 17 juli 2013 betreffende de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop, en van het waarborgkantoor, in toepassing van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen. Hij houdt toezicht op en controleert, indien nodig, de ver- richtingen voor de verificatie van het gehalte van de materi- alen en van de speciën. Hij stelt het proces-verbaal op van de verklaringen van de keurders en overhandigt dit, met zijn eventuele opmerkingen, aan de Muntmeester. Art. 92. § 1. Hij is verantwoordelijk voor de controle op de vervaardigde producten; daartoe gaat hij onder meer na dat de opgelegde afmetingen in acht werden genomen en dat de muntstempel en de gravure van goede kwaliteit zijn. Hij keurt de vervaardigde producten goed of weigert ze, na overleg met de muntmeester. Hij laat de producten met gebreken vernietigen en organi- seert de controle op deze vernietiging. § 2. In het bijzijn van de muntmeester zorgt hij voor de vernietiging van de gebruikte matrijzen en exemplaren van de matrijzen, keurstempels en randschriftblokjes van de muntty- pes en medailles, met uitzondering van de aan de Koninklijke Bibliotheek van België overgedragen exemplaren. Art. 93. In overleg met de Muntmeester neemt de inspec- teur van het essaai alle natuur- en scheikundige proeven die voor de activiteiten van het waarborgkantoor nodig zijn. Hij controleert de conformiteit van de nationale zijde van de muntstukken met de bepalingen van de Europese regelgeving over de denominaties en technische specificaties van voor circulatie bestemde euromuntstukken. Art. 94. De inspecteur van het essaai of zijn plaatsver- vanger heeft zitting in de examencommissie die door SELOR (Directie-generaal Rekrutering en Ontwikkeling - FOD Beleid en Ondersteuning) wordt samengesteld wanneer toelatings- examens voor de functie van keurmeester van de munten worden georganiseerd. Onder het toezicht van de Muntmeester orga- niseer t hij de bek waamheidsexamens voor de kandidaten-handelskeurmeesters. Indien de kandidaat evenwel niet tot dezelfde taalrol be- hoort als de inspecteur van het essaai, wordt een beroep gedaan op een plaatsvervanger van zijn dienst om te zetelen in de examencommissie voor het examen van keurmeester van de munten of voor de organisatie van de bekwaamheids- examens voor de handelskeurmeesters. Art. 95. Hij is verantwoordelijk voor de bewaking, de be- waring en voor het gebruik van de metalen die de klanten van het waarborgkantoor hem overhandigen. Hij houdt eveneens het waarborgregister bij zoals voorgeschreven bij artikel 15, §2, van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen. 2013 relative à la protection contre le faux monnayage, et au maintien de la qualité de la circulation fiduciaire, et du bureau de la garantie, en application de la loi 11 août 1987 relative à la garantie des ouvrages en métaux précieux. Il surveille et contrôle, s’il y a lieu, les opérations pour la vérification du titre des matières et des espèces. Il dresse le procès-verbal des déclarations des essayeurs et le remet, avec ses observations éventuelles, au Commissaire des Monnaies. Art. 92. § 1er. Il a la responsabilité du contrôle des produits fabriqués; à cette fin, il vérifie notamment si les dimensions imposées ont été respectées et si la frappe et la gravure sont de qualité. Il agrée ou refuse les produits fabriqués, après consultation du Commissaire des Monnaies. Il fait détruire les produits défectueux et organise le contrôle sur cette destruction. § 2. Il s’assure en présence du Commissaire des Monnaies de la destruction des matrices de service et des exemplaires des matrices, poinçons et coussinets des types monétaires et médailles, à l’exception des exemplaires transférés à la Bibliothèque royale de Belgique. Art. 93. L’inspecteur des essais procède, d’accord avec le Commissaire des Monnaies, à tous les essais physiques et chimiques nécessités par l’activité du bureau de la garantie. Il vérifie la conformité de la face nationale des pièces, aux dispositions de la réglementation européenne sur les valeurs unitaires et les spécifications techniques des pièces libellées en euros destinées à la circulation. Art. 94. L’inspecteur des essais ou son remplaçant fait partie du jury constitué par le SELOR (Direction générale Recrutement et Développement – SPF Stratégie et Appui), lors de l’organisation d’examens pour l’admission à la fonction d’essayeur des monnaies. Il organise, sous le contrôle du Commissaire des Monnaies, les examens de capacité des candidats aux fonctions d’es- sayeur du commerce. Toutefois, dans le cas où le candidat ne serait pas de même appartenance linguistique que l’inspecteur des essais, il est fait appel à un remplaçant de son service pour faire partie du jury d’examen d’essayeur des monnaies, ou pour l’orga- nisation des examens de capacité d’essayeur du commerce. Art. 95. Il est responsable de la garde, de la conservation et de l’usage des métaux que lui remettent les clients du bureau de la garantie. Il tient également le registre de la garantie prévu par l’article 15, § 2, de la loi du 11 août 1987 relative à la garantie des ouvrages en métaux précieux. 86 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Afdeling 2. Oprichting van een begrotingsfonds betreffende verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën en wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprich- ting van begrotingsfondsen Onderafdeling 1. Oprichting van het begrotingsfonds betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België Art. 96. In toepassing van artikel 62, § 1, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale staat, wordt bij de Federale Overheidsdienst Financiën een begrotingsfonds opgericht betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de “Koninklijke Munt van België” van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën, genaamd “Begrotingsfonds betreffende monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt van België”. Art. 97. Het begrotingsfonds betreffende de monetaire ver- richtingen van de Koninklijke Munt van België beschikt over: 1° de storting van het op 1 januari 2019 beschikbare saldo van de postrekening van de Koninklijke Munt van België die gebruikt werd voor de uitgaven in verband met verrichtingen aangaande demonetisatie; 2° de stortingen van de Nationale Bank van België voor de verrichtingen aangaande monetisatie. Art. 98. De ontvangsten van het Begrotingsfonds betref- fende de monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt van België worden gebruikt ter financiering van de uitgaven in verband met de activiteiten aangaande demonetisatie van de Koninklijke Munt van België vanaf 1 januari 2019. Onderafdeling 2. Wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen Art. 99. Rubriek 18 van de tabel bijgevoegd aan de orga- nieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, laatst gewijzigd door de programmawet (I) van 26 december 2015, wordt als volgt aangevuld: “18-5 Begrotingsfonds betreffende de monetaire verrich- tingen van de Koninklijke Munt van België Aard van de toegewezen ontvangsten: 1° de storting van het beschikbare saldo van de postre- kening van de Koninklijke Munt van België die gebruikt werd voor de uitgaven in verband met verrichtingen aangaande demonetisatie; 2° de stortingen die de Koninklijke Munt van België ont- vangt van de Nationale Bank van België voor de verrichtingen aangaande monetisatie. Section 2. Création d’un fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique de l’Administration générale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances et modification de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires Sous-section 1ère Création du fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique Art. 96. En application de l’article 62, § 1er, de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comp- tabilité de l’État fédéral, il est créé auprès du Service public fédéral Finances un fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la “Monnaie royale de Belgique”, de l’Administration générale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances, intitulé “Fonds budgétaire relatif aux opérations monétaires de la Monnaie royale de Belgique”. Art. 97. Le Fonds budgétaire relatif aux opérations moné- taires de la Monnaie royale de Belgique dispose: 1° du versement du solde disponible au 1er janvier 2019 du compte courant postal de la Monnaie royale de Belgique utilisé pour les dépenses liées aux opérations de démonétisation; 2° par les versements qu’elle reçoit de la Banque nationale de Belgique pour les opérations de monétisation. Art. 98. Les recettes du Fonds budgétaire relatif aux opé- rations monétaires de la Monnaie royale de Belgique sont utilisées pour financer des dépenses liées aux activités de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique à partir du 1er janvier 2019. Sous-section 2. Modification de la loi-organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires Art. 99. La rubrique 18 du tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, modifié en dernier lieu par la loi-programme (I) du 26 décembre 2015, est complétée comme suit: “18-5 Fonds budgétaire relatif aux opérations monétaires de la Monnaie royale de Belgique Nature des recettes affectées: 1° le versement du solde disponible du compte courant postal de la Monnaie royale de Belgique utilisé pour les dépenses liées aux opérations de démonétisation; 2° les versements que la Monnaie royale de Belgique reçoit de la Banque nationale de Belgique pour les opérations de monétisation. 87 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Aard van de toegestane uitgaven: De uitgaven in verband met de activiteiten aangaande demonetisatie van de Koninklijke Munt van België vanaf 1 januari 2019.”. Afdeling 3. Opheffingen Art. 100. In artikel 4, § 5, van het koninklijk besluit van 18 januari 1990 houdende de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen, wordt het tweede lid opgeheven. Art. 101. Het koninklijk besluit van 5 augustus 1992 hou- dende organiek reglement van de Koninklijke Munt van België, wordt opgeheven. Afdeling 4. Inwerkingtreding Art. 102. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2019. DEEL V – DIVERSE BEPALINGEN ENIGE TITEL V Hoofstuk 1 – Wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Afdeling 1 - Inkomsten uit de deeleconomie, uit het ver- enigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers Art. 103. In artikel 90, derde lid, van het Wetboek van de in- komstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2018 en vervangen bij de wet van 18 juli 2018, worden de woorden “Onverminderd de toepassing van de voorheffingen, worden de inkomsten van onroerende goederen, de inkomsten van roerende goederen en kapitalen evenals de in het eerste lid, 5°, vermelde inkomsten uit onderverhuring van onroerende goederen” vervangen door de woorden “De inkomsten van onroerende goederen, de in artikel 17, 3° en 5°, vermelde inkomsten van roerende goederen evenals de in het eerste lid, 5°, vermelde inkomsten uit onderverhuring van onroerende goederen worden” en worden de woorden”die goederen en kapitalen” vervangen door de woorden “die goederen”. Art. 104. Artikel 97/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016 en opgeheven bij de wet van 18 juli 2018, wordt hersteld in de volgende lezing: “Art. 97/1. De in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met de kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden. Het bruto bedrag van de inkomsten wordt bepaald over- eenkomstig artikel 90/1, tweede en derde lid.”. Nature des dépenses autorisées: Les dépenses liées aux activités de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique à partir du 1er janvier 2019.”. Section 3. Abrogations Art. 100. Dans l’article 4, § 5, de l’arrêté royal du 18 janvier 1990 portant modalités d’exécution de la loi du 11 août 1987 relative à la garantie des ouvrages en métaux précieux, l’ali- néa 2 est abrogé. Art. 101. L’arrêté royal du 5 août 1992 portant règlement organique de la Monnaie royale de Belgique, est abrogé. Section 4. Entrée en vigueur Art. 102. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2019. PARTIE V – DISPOSITIONS DIVERSES TITRE UNIQUE V Chapitre 1er – Modifications au Code des impôts sur les revenus 1992 Section 1ère - Revenus issus de l’économie collabo- rative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens Art. 103. A l’article 90, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, introduit par la loi du 1er juillet 2018 et remplacé par la loi du 18 juillet 2018, les mots “Sans préju- dice de l’application des précomptes, les revenus des biens immobiliers, les revenus des capitaux et biens mobiliers ainsi que les revenus de sous-location d’immeubles visés à l’alinéa 1er, 5°,” sont remplacés par les mots “Les revenus des biens immobiliers, les revenus des biens mobiliers visés à l’article 17, 3° et 5°, ainsi que les revenus de sous-location d’immeubles visés à l’alinéa 1er, 5°,” et les mots “ces biens et capitaux” sont remplacés par les mots “ces biens”. Art. 104. L’article 97/1 du même Code, introduit par la loi du 1er juillet 2016 et abrogé par la loi du 18 juillet 2018, est rétabli comme suit: “Art. 97/1. Les revenus visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater, s’entendent de leur montant net, c’est-à-dire le montant brut diminué des frais dont le contribuable apporte la preuve qu’ils ont été exposés ou supportés durant la période imposable afin d’acquérir ou de conserver ces revenus. Le montant brut des revenus est déterminé conformément à l’article 90/1, alinéas 2 et 3.”. 88 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 105. In titel II, hoofdstuk II, afdeling V, onderafdeling III, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 102ter ingevoegd, luidende: “Art. 102ter. Verliezen die in het belastbare tijdperk zijn geleden bij het verrichten van handelingen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis, 1°ter of 1°quater worden evenredig afgetrokken van de andere inkomsten uit zulke handelingen.”. Art. 106. Deze afdeling is van toepassing op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2018. Afdeling 2 – Vereenvoudiging inzake PB Art. 107. In artikel 38, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van [wet mobiliteitsbudget/diverse I], wordt tussen het eerste en het tweede lid, dat het derde lid wordt, een lid ingevoegd, luidende: Wanneer de in het eerste lid, 24°, bedoelde voordelen zowel in artikel 31 als in artikel 32 bedoelde bezoldigingen omvatten, wordt het maximumbedrag van de vrijstelling ver- houdingsgewijs aangerekend op elk van die bezoldigingen.”. Art. 108. Artikel 538 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, wordt opgeheven. Art. 109. Artikel 107, treedt in werking op 31 december 2018 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019. Artikel 108 treedt in werking op 1 januari 2019 en is van toepassing op ontslaguitkeringen, vergoedingen, en schade- loosstellingen bekomen vanaf 1 januari 2019. Hoofdstuk 2 – Bekrach tiging van koninklijk beslui- ten genomen ter uitvoering van artikel 37, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 110. Bekrachtigd worden met ingang van hun respec- tieve dag van inwerkingtreding: 1° het kon inklijk besluit van 26 januari 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststel- ling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, wat het werk in onroerende staat en de gelijkgestelde handelingen en de assistentiehonden betreft; 2° het kon inklijk besluit van 3 augustus 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststel- ling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat de gebouwen voor leerlingenbegeleiding betreft. Hoofdstuk 3 - Wijziging van het Wetboek diverse rech- ten en taksen Art. 111. Artikel 10 van het Wetboek diverse rechten en taksen, gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018, wordt aan- gevuld met de woorden “in het kader van de hypothecaire openbaarmaking”. Art. 105. Dans le titre II, chapitre II, section V, sous-sec- tion III, du même Code, un article 102ter est inséré, rédigé comme suit: “Art. 102ter. Les pertes éprouvées pendant la période impo- sable dans l’exercice d’activités visées à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis, 1°ter ou 1°quater sont déduites proportionnellement des autres revenus résultant de telles activités.”. Art. 106. La présente section est applicable aux revenus payés ou attribués à partir du 1er janvier 2018. Section 2 – Simplification en matière d’IPP Art. 107. A l’article 38, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du [wet mobiliteitsbudget/diverse I], entre l’alinéa 1er et l’alinéa 2, qui devient l’alinéa 3, un alinéa est inséré, rédigé comme suit: “Lorsque les avantages visés à l’alinéa 1er, 24°, com- prennent à la fois des rémunérations visées à l’article 31 et à l’article 32, le montant maximum de l’exonération est imputé proportionnellement sur chacune de ces rémunérations.”. Art. 108. L’article 538 du même Code, inséré par la loi du 26 décembre 2013, est abrogé. Art. 109. L’article 107, entre en vigueur le 31 décembre 2018 et est applicable à partir de l’exercice d’imposition 2019. L’article 108 entre en vigueur le 1er janvier 2019 et est applicable aux allocations de licenciement, rémunérations et indemnités obtenues à partir du 1er janvier 2019. Chapitre 2 – Confirmation d’arrêtés royaux pris en exécution de l’article 37, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée Art. 110. Sont confirmés avec e ffet à la date de leur entrée en vigueur respective: 1° l’arrêté royal du 26 janvier 2016 modifiant l’arrêté royal n° 20, du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux, en ce qui concerne les travaux immobiliers et opérations assimilées et les chiens d’assistance; 2° l’arrêté royal du 3 août 2016 modifiant l’arrêté royal n° 20, du 20 ju illet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux en ce qui concerne les bâtiments destinés à l’encadrement des élèves. Chapitre 3 – Modification du Code des droits et taxes divers Art. 111. L’article 10 du Code des droits et taxes divers modifié par la loi du 11 juillet 2018, est complété par les mots “, dans le cadre de la publicité hypothécaire”. 89 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 112. Artikel 111 heeft uitwerking op 30 juli 2018. Hoofdstuk 4 – Wijziging aan het Wetboek der registra- tie-, hypotheek- en griffierechten Art. 113. Artikel 921 van het Wetboek der registratie, hypo- theek en griffierechten, vervangen bij de wet van 23 december 1958, vernummerd bij het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt vervangen als volgt: “Art. 921. Het in artikel 88 en het in artikel 3, eerste lid, 7°, a) van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten bedoeld recht dekt elke latere vestiging van hypotheek op een schip tot zekerheid van dezelfde schuldvordering en van hetzelfde gewaarborgd bedrag.”. Art. 114. Artikel 113 treedt in werking op 1 januari 2019. DEEL VI – ACHTERWAARTSE VERLIESVERREKENING T E R C O M P E N S AT I E V A N S C H A D E A A N L ANDBOUW TEELTEN, VEROORZ A AK T DOOR ONGUNSTIGE WEERSOMSTANDIGHEDEN Art. 115. In artikel 2 van het Wetboek van de inkomstenbe- lastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4°/1 ingevoegd, luidende: “4°/1 Middelgrote onderneming Onder middelgrote onderneming wordt een natuurlijke persoon of een rechtspersoon verstaan die een economische activiteit uitoefent en die in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken een gemiddeld perso- neelsbestand heeft van minder dan 250 personenuitgedrukt in voltijdse equivalenten en waarvan: — de omzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van 50 miljoen euro niet overschrijdt, of — het balanstotaal het bedrag van 43 miljoen euro niet overschrijdt. Wanneer het belastbare tijdperk een duur heeft van minder of meer dan twaalf maanden, wordt het bedrag van de in het eerste lid bedoelde omzet, exclusief de belasting over de toe- gevoegde waarde, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer twaalf is en de teller het aantal maanden van het betrokken belastbare tijdperk, waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt geteld. Indien de onderneming een verbonden onderneming is, worden de criteria inzake jaaromzet en jaarlijks balanstotaal op geconsolideerde basis vastgesteld. Om het gemiddelde personeelsbestand van een verbonden onderneming te be- palen, wordt het gemiddelde personeelsbestand van elk van de betrokken verbonden vennootschappen in het belastbare tijdperk opgeteld. Art. 112. L’article 111 produit ses effets le 30 juillet 2018. Chapitre 4 – Modification au Code des droits d’enre- gistrement, d’hypothèque et de greffe Art. 113. L’article 921 du Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe, remplacé par la loi du 23 décembre 1958, renuméroté par l’arrêté royal n° 12 du 18 avril 1967 et modifié par la loi du 25 décembre 2016, est remplacé par ce qui suit: “Art. 921. Le droit visé à l’article 88 et à l’article 3, alinéa 1er, 7°, a) de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions couvre toute constitution ultérieure d‘hypothèque sur un navire pour sûreté de la même créance et du même montant garanti.“. Art. 114. L’article 113 entre en vigueur le 1er janvier 2019. PARTIE VI – RÉTRO-IMPUTATION DES PERTES EN COMPENSATION DE DOMMAGE CAUSÉ AUX CULTURES AGRICOLES, PROVOQUÉ PAR DES CONDITIONS MÉTÉOROLOGIQUES DÉFAVORABLES Art. 115. Dans l’article 2 du Code des impôts sur les reve- nus 1992, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées: a) dans le paragraphe 1er, il est inséré un 4°/1, rédigé comme suit: “4°/1 Moyenne entreprise Par moyenne entreprise on entend une personne physique ou morale exerçant une activité économique, qui occupe pour au moins deux des trois dernières périodes imposables clôturées antérieures une moyenne de personnel de moins de 250 personnes en équivalents temps plein et dont: — le chiffre d’affaires à l’exclusion de la taxe sur la valeur ajoutée n’excède pas le montant de 50 millions d’euros, ou — le total du bilan n’excède pas le montant de 43 millions d’euros. Lorsque la période imposable a une durée inférieure ou supérieure à douze mois, le montant du chiffre d’affaires à l’exclusion de la taxe sur la valeur ajoutée, visé à l’alinéa 1er, est multiplié par une fraction dont le dénominateur est douze et le numérateur le nombre de mois compris dans la période imposable considérée, tout mois commencé étant compté pour un mois complet. Si l’entreprise est une entreprise liée, les critères en matière de chiffre d’affaires et de total du bilan sont calculés sur une base consolidée. Pour déterminer la moyenne de personnel d’une entreprise liée, la moyenne de personnel de chacune des sociétés liées au cours de la période imposable est additionnée. 90 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 De in het eerste lid bedoelde jaaromzet, balanstotaal en gemiddelde personeelsbestand worden verhoogd met de jaar- omzet, het balanstotaal en het gemiddelde personeelsbestand van elke partneronderneming, in verhouding tot het hoogste percentage van de volgende vier percentages: — hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelne- mingspercentage van de eerstgenoemde onderneming in de stemrechten van de andere onderneming; — hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelne- mingspercentage van de andere onderneming in de stem- rechten van de eerstgenoemde onderneming; — hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelne- mingspercentage van de eerstgenoemde onderneming in het kapitaal van de andere onderneming; — hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelne- mingspercentage van de andere onderneming in het kapitaal van de eerstgenoemde onderneming. In het geval van een nieuwe onderneming waarvan het eerste, tweede of derde belastbare tijdperk nog niet is afge- sloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens bepaald door middel van een in de loop van het belastbare tijdperk te goeder trouw gemaakte schatting. Een onderneming kan evenwel geen middelgrote on- derneming zijn indien de controle over het kapitaal of de stemrechten van de onderneming, individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor 25 pct. of meer wordt uitgeoefend door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten. De in het paragraaf 4, tweede lid, be- doelde gevallen worden voor de toepassing van dit lid niet beschouwd als aanbestedende overheden.”; b) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4°/2 ingevoegd, luidende: “4°/2 Onderneming in moeilijkheden Onder onderneming in moeilijkheden wordt een onderne- ming verstaan: — waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan op dat ogenblik het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals voorzien in de artikelen 7 en 8 van de faillissementswet; — waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen; — die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt; — waarvan ten gevolge van geleden verlies het netto actief is gedaald tot minder dan de helft van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal; Le chiffre d’affaires, le total du bilan et la moyenne de per- sonnel visés à l’alinéa 1er sont augmentés du chiffre d’affaires, du total du bilan et de la moyenne de personnel de chaque entreprise partenaire, à concurrence du pourcentage le plus élevé des quatre pourcentages suivants: — soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe 4, alinéa 1er, de l’entreprise citée en premier lieu dans les droits de l’autre entreprise; — soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe 4, alinéa 1er, de l’autre entreprise dans les droits de vote de l’entreprise citée en premier lieu; — soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe 4, alinéa 1er, de l’entreprise citée en premier lieu dans le capital de l’autre entreprise; — soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe 4, alinéa 1er, de l’autre entreprise dans le capital dans le capital de l’entreprise citée en premier lieu. Dans le cas d’une entreprise nouvelle dont la première, deuxième ou troisième période imposable n’est pas encore clôturée, les données à prendre en considération sont déter- minés au moyen d’une estimation effectuée de bonne foi au cours de la période imposable. Une entreprise ne peut pas être une moyenne entre- prise si le contrôle sur le capital ou sur les droits de vote de l’entreprise est exercé, directement ou indirectement, à titre individuel ou conjointement, pour 25 p.c. ou plus par un ou plusieurs pouvoirs adjudicateurs visés à l’article 2 de la loi de 17 juin 2016 relative aux marchés publics. Les cas visés au paragraphe 4, alinéa 2, ne sont pas considérés comme pouvoirs adjudicateurs pour l’application du présent alinéa.”; b) dans le paragraphe 1er, il est inséré un 4°/2, rédigé comme suit: “4°/2 Entreprise en difficulté Par entreprise en difficulté on entend une entreprise: — pour laquelle une demande de faillite est introduite ou dont à ce moment la gestion de tout ou partie de l’actif lui est retirée comme cela est prévu aux articles 7 et 8 de la loi sur les faillites; — pour laquelle une procédure de réorganisation judiciaire est entamée comme cela est prévu à l’article 23 de la loi relative à la continuité des entreprises; — qui est une société dissoute et se trouve en liquidation; — dont à la suite de pertes, l’actif net est réduit à un montant inférieur à la moitié de la part fixe du capital social; 91 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 — die steun heeft ontvangen die door de Europese Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met de richt- snoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet- financiële ondernemingen in moeilijkheden van 31 juli 2014 (PB C 249) of met artikel 107, derde lid, b, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en die in het geval van reddingssteun de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd of in het geval van herstructureringssteun zich nog steeds in de herstructure- ringsfase bevindt.”; c) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende: “§ 4. Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt een onderneming als een partneronderneming van een andere onderneming aangemerkt indien deze eerstgenoemde onder- neming niet verbonden is met deze andere onderneming, en: — de eerstgenoemde onderneming al dan niet samen met de met deze onderneming verbonden ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stemrechten van de andere onderneming; of — de andere onderneming al dan niet samen met de met deze onderneming verbonden ondernemingen een deelne- ming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stem- rechten van de eerstgenoemde onderneming. Openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaa- tschappijen, business angels, universiteiten, onderzoekscen- tra zonder winstoogmerk, institutionele beleggers, regionale ontwikkelingsfondsen en autonome lokale autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van bijlage I, van verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden ver- klaard, worden voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1 niet beschouwd als partnerondernemingen. Voor de toepassing van het eerste lid en van paragraaf 1, 4°/1 wordt een onderneming als een verbonden onderneming van een andere onderneming aangemerkt indien: — de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of mid- dels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de andere onderneming; — de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de eerstgenoemde onderneming; — de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend or- gaan van de andere onderneming te benoemen of te ontslaan; — de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de — qui a reçu des aides qui ont été considérées comme compatibles par la Commission européenne avec des lignes directrices concernant les aides d’Etat au sauvetage et à la restructuration d’entreprises en difficulté autres que les éta- blissements financiers du 31 juillet 2014 (JO C 249) ou avec l’article 107, alinéa 3, b, du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne et qui en cas d’aide au sauvetage n’a pas encore remboursé le prêt ou mis fin à la garantie ou en cas d’aide à la restructuration est toujours soumis au plan de restructuration.”; c) l’article est complété par un paragraphe 4, rédigé par ce qui suit: “§ 4. Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, une entreprise est considérée comme entreprise partenaire si l’entreprise citée en premier lieu n’est pas liée à cette autre entreprise, et si: — l’entreprise citée en premier lieu ne rassemble pas avec ces entreprises liées à cette entreprise une participation de 25 p.c. ou plus du capital ou des droits de vote de l’autre entreprise; ou — l’autre entreprise ne rassemble pas avec ces entre- prises liées à cette entreprise une participation de 25 p.c. ou plus du capital ou des droits de vote de l’entreprise citée en premier lieu. Les sociétés publiques de participation, sociétés de capital à risque, business angels, universités, centres de recherche à but non lucratif, investisseurs institutionnels, fonds de développement régional et autorités autonomes locales, tels que visés à l’article 3, alinéa 2, de l’annexe I, du règlement (UE) 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d’aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité, ne sont, par dérogation à l’alinéa 5, pas considérés comme une entreprise partenaire pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1. Pour l’application de l’alinéa 1er et du paragraphe 1er, 4°/1, une entreprise est considérée comme entreprise liée à une autre entreprise si: — l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au moyen d’entreprises tierces, la majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de l’autre entreprise; — l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entre- prises tierces, la majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de l’entreprise citée en premier lieu; — l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au moyen d’entreprises tierces, le droit de nommer ou de révo- quer la majorité des membres de l’organe d’administration, de direction ou de surveillance de l’autre entreprise; — l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entre- prises tierces, le droit de nommer ou de révoquer la majorité 92 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de eerstgenoemde onderneming te benoemen of te ontslaan; — de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de eerstgenoemde onderneming onder het toepassingsgebied van het derde lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend; — de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de andere onderneming onder het toepassings- gebied van het derde lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend; — de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming en op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming; — de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van de eerst- genoemde onderneming en op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die eerst genoemde onder- neming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van de aandeel- houders of vennoten van die eerst genoemde onderneming. Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt onder het gemiddelde personeelsbestand begrepen het gemid- delde van het aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten dat is geregistreerd in de DIMONA-databank overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstel- ling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, per einde van elke maand van het belastbare tijdperk, of indien de tewerkstelling niet behoort tot het toepassingsgebied van dit koninklijk besluit, het gemiddelde aantal tewerkgestelde werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten van de in het algemene personeelsregister of een gelijkwaardig document ingeschreven werknemers per einde van elke maand van het desbetreffende belastbare tijdperk. Dit gemiddelde van het aantal werknemers wordt in voor- komend geval verhoogd met het aantal natuurlijke personen die in de onderneming een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard uitoefenen en die niet werden des membres de l’organe d’administration, de direction ou de surveillance de l’entreprise citée en premier lieu; — l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au moyen d’entreprises tierces, le droit d’exercer une influence dominante sur une autre entreprise en vertu d’un contrat conclu avec cette entreprise ou en vertu d’une clause conte- nue dans les statuts de cette entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où l’entreprise citée en premier lieu se trouve dans le champ d’application de l’alinéa 3 et que les faits n’établissent pas que ce droit est effectivement exercé; — l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entre- prises tierces, le droit d’exercer une influence dominante sur une autre entreprise en vertu d’un contrat conclu avec cette entreprise ou en vertu d’une clause contenue dans les statuts de cette entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où l’autre entreprise se trouve dans le champ d’application de l’alinéa 3 et que les faits n’établissent pas que ce droit est effectivement exercé; — l’entreprise citée en premier lieu est, directement ou au moyen d’entreprises tierces, l’actionnaire ou associée d’une autre entreprise et contrôle seule, en vertu d’un accord conclu avec d’autres actionnaires ou associés de cette autre entreprise, la majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de cette autre entreprise; — l’autre entreprise est, directement ou au moyen d’entre- prises tierces, l’actionnaire ou associé de l’entreprise citée en premier lieu et contrôle seule, en vertu d’un accord conclu avec d’autres actionnaires ou associés de cette entreprise citée en premier lieu, la majorité des droits de vote des action- naires ou associés de cette entreprise citée en premier lieu. Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, La moyenne de personnel est le nombre moyen des travailleurs exprimé en équivalents à temps plein inscrits à la banque de données DIMONA conformément à l’arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l’emploi, en application de l’article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, à la fin de chaque mois de la période imposable, ou lorsque l’emploi ne relève pas du champ d’application de cet arrêté royal, le nombre moyen des travailleurs occupés à temps plein inscrits au registre général du personnel ou dans un document équivalent à la fin de chaque mois de la période imposable considérée. Ce nombre moyen des travailleurs est augmenté, le cas échéant, du nombre des personnes physiques qui exercent dans l’entreprise une fonction dirigeante ou une activité diri- geante de gestion journalière, d’ordre commercial, financier ou technique et qui ne sont pas enregistrées à la banque de 93 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 geregistreerd in de DIMONA-databank noch werden inge- schreven in het voormelde algemene personeelsregister of het voormelde gelijkwaardig document Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten is gelijk aan het arbeidsvolume uitgedrukt in voltijds tewerk- gestelde equivalenten, te berekenen voor de deeltijdse werk- nemers op basis van het conventioneel aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van de normale arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer.”. Art. 116. In artikel 23, § 2, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, worden in de bepaling onder 3° de woorden “vorige belastbare tijdperken” vervangen door de woorden “vorige, of, in het geval vermeld in artikel 78, § 2, latere belastbare tijdperken”. Art. 117. Artikel 78, van hetzelfde Wetboek, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 wordt, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende: “§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt op vraag van een belastingplichtige die voldoet aan de in het vierde lid bedoelde criteria het gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten die werd veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, en werd geleden in een gewest waarmee een in het derde lid bedoeld samenwerkingsakkoord werd gesloten, achtereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1. Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade, stemt overeen met het bedrag van de beroepsverliezen achtereenvolgens beperkt tot het bedrag van het beroepsverlies uit de in artikel 23, § 1, 1°, bedoelde beroepswerkzaamheid van de belasting- plichtige en tot het bedrag van deze schade die op de wijze voorzien in het derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord in het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld. De in het eerste lid omschreven achterwaartse verliesaf- trek kan enkel worden toegepast indien de in het eerste lid bedoelde schade werd geleden op het grondgebied van een gewest dat met de federale overheid een samenwerkingsak- koord heeft gesloten met het oog op de gezamenlijke naleving van de cumulatieregels zoals bedoeld in artikel 8 van veror- dening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. De federale overheid en het gewest om- schrijven in dit samenwerkingsakkoord in aanvulling bij de bepalingen van artikel 7 van de voormelde verordening de wijze waarop de steunintensiteit van de in deze paragraaf bedoelde steunmaatregel moet worden berekend. Ze be- palen in het samenwerkingsakkoord eveneens de manier waarop de ongunstige weersomstandigheden die met een données DIMONA ni inscrites au registre général du personnel précité ou dans le document équivalent précité. Le nombre des travailleurs exprimé en équivalents à temps plein est égal au volume de travail exprimé en équivalents occupés à temps plein, à calculer pour les travailleurs occu- pés à temps partiel sur la base du nombre conventionnel d’heures à prester par rapport à la durée normale de travail d’un travailleur à temps plein comparable.”. Art. 116. Dans l’article 23, § 2, du même Code, modifié par la loi du 28 décembre 1992, au 3°, les mots “des périodes imposables antérieures” sont remplacés par les mots “des périodes imposables antérieures, ou, dans le cas mentionné à l’article 78, § 2, des périodes imposables ultérieures”. Art. 117. L’article 78, du même Code, dont le texte actuel devient le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit: “§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, à la demande du contribuable qui répond aux conditions visées à l’alinéa 4, la partie des pertes professionnelles qui est imputable au dommage aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables et encouru dans une région avec laquelle un accord de coopération visé à l’alinéa 3 a été conclu, est déduite consécutivement des revenus profes- sionnels des trois périodes imposables précédant la période imposable dans laquelle ce dommage a été définitivement constaté, à commencer par la plus ancienne. La partie de ces pertes professionnelles qui ne peut pas être déduite de ces revenus professionnels, est déductible conformément au paragraphe 1er. La partie des pertes professionnelles qui est imputable au dommage défini à l’alinéa 1er correspond au montant des pertes professionnelles, limité successivement au montant de la perte professionnelle de l’activité professionnelle du contribuable visée à l’article 23, § 1er, 1°, et au montant de ce dommage qui a été définitivement constaté dans la période imposable selon les modalités prévues par l’accord de coo- pération visé à l’alinéa 3. La rétro-déduction de perte définie à l’alinéa 1er est applicable uniquement si le dommage défini à l’alinéa 1er a été encouru sur le territoire d’une région qui a conclu avec l’autorité fédérale un accord de coopération visant le respect conjoint des règles de cumul telles que visées à l’article 8 du règlement (UE) n° 702/2014 de la Commission du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories d’aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne. L’autorité fédérale et la région définissent dans cet accord de coopération, en complément aux dispositions de l’article 7 du règlement précité, la manière dont l’intensité d’aide de la mesure d’aide visée au présent paragraphe doit être calculée. Elles établissent également dans cet accord de coopération la façon dont la reconnaissance des conditions météorologiques pouvant être assimilées à une calamité naturelle a lieu, et sur base des dispositions de l’article 25 du règlement précité, 94 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 natuurramp kunnen worden gelijkgesteld worden erkend en de methode waarop gegrond op de bepalingen van artikel 25 van de voormelde verordening de schade wordt vastgesteld die werd veroorzaakt door de ongunstige weersomstandigheden. Deze paragraaf is enkel van toepassing indien de belastingplichtige: — een middelgrote onderneming is, en; — een onderneming uitbaat die de productie van land- bouwproducten tot doel heeft die zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij deze landbouwproducten geen verdere bewerking ondergaan die de aard van deze producten wijzigt; — geen onderneming in moeilijkheden was op het ogenblik dat de schade werd geleden, en; — geen bevel tot terugvordering heeft uitstaan ingevolge een besluit van de Commissie die een door België verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard. De achterwaartse verliesverrekening kan niet worden toe- gepast indien de som van de overeenkomstig het tweede lid vastgestelde steunintensiteit van de achterwaartse verliesaf- trek en de steunintensiteit van de door het gewest verleende steun die dezelfde schade vergoedt als de in het eerste lid bedoelde schade, hoger is dan de maximale steunintensiteit omschreven in artikel 25, leden 9 en 10, van de verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouw- sector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. Voor de toepassing van deze paragraaf en van artikel 206, § 4, wordt onder ongunstige weersomstandigheden de weersomstandigheden verstaan die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals gedefinieerd in artikel 2, zestiende lid van verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in platte- landsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard en die formeel worden erkend op de wijze beschreven in het in het derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord. De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de ach- terwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden afgetrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1. De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achter- waartse verliesaftrek aan in de aangifte die betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning kan nadere regels met betrekking tot de aanvraag vastleggen.”. déterminent la méthode sur base de laquelle le dommage causé par des circonstances météorologiques défavorables est constaté. Le présent paragraphe n’est applicable que si le contribuable: — est une moyenne entreprise, et; — exploite une entreprise ayant pour but la production des produits agricoles énumérés à l’annexe I du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne sans exercer d’autre opération modifiant la nature de ces produits; — n’était pas une entreprise en difficulté au moment où les dégâts ont été encourus, et; — n’a pas supporté un ordre de récupération suite à une décision de la Commission déclarant une aide octroyée par la Belgique illégale et incompatible avec le marché intérieur. La rétro-imputation des pertes ne peut s’appliquer lorsque la somme de l’intensité de l’aide de déterminée conformément à l’alinéa 2 et de l’intensité de l’aide de l’aide octroyée par la région pour indemniser le même dommage que celui visé à l’alinéa 1er est supérieure à l’intensité de l’aide maximale définie à l’article 25, alinéas 9 et 10, du règlement (UE) n°702/2014, de la Commission, du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories d’aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le mar- ché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne. Pour l’application du présent paragraphe et de l’article 206, § 4, on entend par circonstances météorologiques défavorables, les circonstances météorologiques qui peuvent être assimilées à une calamité naturelle, telles que définies à l’article 2, alinéa 17, du règlement (UE) n°702/2014, de la Commission, du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories d’aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en appli- cation des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne, et qui sont formellement reconnues selon la procédure décrite dans l’accord de coopération visé à l’alinéa 3. Les pertes professionnelles pour lesquelles l’application de la rétro-déduction des pertes est demandée sont déduites après déduction des pertes professionnelles de périodes imposables antérieures en application du paragraphe 1er. Le contribuable demande l’application de la rétro-déduc- tion des pertes dans la déclaration se rapportant à la période imposable au cours de laquelle le dommage visé à l’alinéa 1er a été définitivement constaté. Cette demande est définitive et irrévocable. Le Roi peut fixer les modalités de la demande. “. 95 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 118. Artikel 206 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende: “§ 4. In afwijking van paragraaf 1, wordt op vraag van de belastingplichtige die voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 78, § 2, vierde lid, het gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten veroor- zaakt door ongunstige weersomstandigheden, en geleden in een gewest waarmee een in artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld samenwerkingsakkoord werd gesloten, achtereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1. Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade stemt overeen met het bedrag van de beroepsverliezen, beperkt tot het bedrag van deze schade die op de wijze voorzien in het in artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld samenwerkingsakkoord in het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld. De achterwaartse verliesverrekening kan niet worden toegepast indien de som van de overeenkomstig artikel 78, § 2, vijfde lid, vastgestelde steunintensiteit, de in datzelfde lid omschreven maximale steunintensiteit overschrijdt. De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de ach- terwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden afgetrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1. De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achter- waartse verliesaftrek aan in de aangifte die betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning kan nadere regels met betrekking tot de aanvraag vastleggen.”. Art. 119. In artikel 2758 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015, 18 december 2015, en 30 juli 2018 worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt: “De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de werkgever en in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht, een middelgrote onderneming is.”; b) in paragraaf 2 worden het tweede lid tot en met het zevende lid opgeheven; c) in paragraaf 2 wordt het achtste lid, dat het tweede lid wordt, vervangen als volgt: Art. 118. L’article 206, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2018, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit: “§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, la partie des pertes professionnelles qui, à la demande du contribuable qui remplit les critères visés à l’article 78, § 2, alinéa 4, est imputable au dommage causé aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables et encouru dans une région avec laquelle un accord de coopération visé à l’article 78, § 2, alinéa 3, a été conclu, est déduite consé- cutivement des revenus professionnels des trois périodes imposables précédant la période imposable dans laquelle ce dommage a été définitivement constaté, à commencer par la plus ancienne. La partie de ces pertes professionnelles qui ne peut pas être déduite de ces revenus professionnels, est déductible conformément au paragraphe 1er. La partie des pertes professionnelles qui est imputable au dommage défini à l’alinéa 1er correspond au montant des pertes professionnelles, limité au montant de ce dommage qui a été définitivement constaté dans la période imposable selon les modalités prévues par l’accord de coopération visé à l’article 78, § 2, alinéa 3. La rétro-imputation des pertes n’est pas applicable si la somme de l’intensité de l’aide déterminé conformément à l’article 78, § 2, alinéa 5, excède l’intensité maximale de l’aide définie dans le même alinéa. Les pertes professionnelles pour lesquelles l’application de la rétro-déduction de pertes est demandée sont déduites après déduction des pertes professionnelles de périodes imposables antérieures en application du paragraphe 1er. Le contribuable demande l’application de la rétro-déduc- tion des pertes dans la déclaration se rapportant à la période imposable au cours de laquelle le dommage visé à l’alinéa 1er a été définitivement constaté. Cette demande est définitive et irrévocable. Le Roi peut fixer les modalités de la demande. “. Art. 119. A l’article 2758 du même Code, rétabli par la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois du 24 mars 2015, du 18 décembre 2015 et du 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées: a) au paragraphe 2, l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “La dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article est applicable uniquement si l’employeur et le cas échéant, la société visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a effectué l’investissement, est une moyenne entreprise.”; b) au paragraphe 2, les alinéa 2 à 7 sont abrogés; c) au paragraphe 2, l’alinéa 8, qui devient l’alinéa 2, est remplacé par ce qui suit: 96 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever die op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier een onderneming in moeilijkheden is.”. Art. 120. In artikel 2759 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015, 18 december 2015, en 30 juli 2018 worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt: “De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de werkgever of in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht geen middelgrote onderneming is.”; b) in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “vrij- stelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever zoals bedoeld in artikel 2758, § 2, achtste lid” vervangen door de woorden “in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorhef- fing kan niet worden toegepast door een werkgever die op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier een onderneming in moeilijkheden is”. Art. 121. In titel VII, hoofdstuk VI, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 358/1 ingevoegd, luidende: “Art. 358/1. Wanneer wordt vastgesteld dat beroepsverlie- zen van een belastbaar tijdperk, geheel of gedeeltelijk, ten onrechte bij toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4 zijn afgetrokken van de beroepsinkomsten van vorige belast- bare tijdperken en de belasting voor deze tijdperken geheel of gedeeltelijk in toepassing van artikel 375/1 ten onrechte werd ontheven, kan die ten onrechte verleende aftrek worden rechtgezet gedurende de aanslagtermijn die van toepassing is met betrekking tot het belastbare tijdperk waarin deze be- roepsverliezen zijn ontstaan.”. Art. 122. In titel VII, hoofdstuk VII, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 375/1 ingevoegd, luidende: “Art. 375/1. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent van rechtswege ontheffing van het teveel aan gevestigde belasting ingevolge de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij toepassing van artikel 78, § 2 of artikel 206, § 4.”. Art. 123. In artikel 409 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, worden de woorden ‘artikel 376” vervangen door de woorden “de artikelen 375/1 en 376”. Art. 124. In artikel 410, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, worden de woorden “artikel 376” vervangen door de woorden “de artikelen 375/1 en 376”. “La dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article ne peut pas être appliquée par un employeur qui, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, est une entreprise en difficulté.”. Art. 120. A l’article 2759 du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois du 24 mars 2015, du 18 décembre 2015 et du 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées: a) au paragraphe 2, l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “La dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article est applicable uniquement si l’employeur ou le cas échéant, la société visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a effectué l’investissement ne sont pas des moyennes entreprises.”; b) au paragraphe 2, alinéa 2, les mots “dispense de verse- ment du précompte professionnel ne peut pas être appliquée par un employeur visé à l’article 2758, § 2, alinéa 8” sont rem- placés par les mots “dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article ne peut pas être appliquée par un employeur qui, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, est une entreprise en difficulté.”. Art. 121. Dans le titre VII, chapitre VI, section Ière, du même Code, il est inséré un article 358/1, rédigé comme suit: “Art. 358/1. Lorsqu’il est constaté que les pertes profes- sionnelles d’une période imposable ont été, entièrement ou partiellement, indûment déduites en application de l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4, des revenus professionnels des périodes imposables antérieures et que l’impôt pour ces périodes a été, entièrement ou partiellement, indûment dégrevée en application de l’article 375/1, cette déduction indûment accordée peut être corrigée durant le délai d’impo- sition applicable qui est relatif à la période imposable endéans laquelle ces pertes professionnelles ont eu lieu.”. Art. 122. Dans le titre VII, chapitre VII, section 1ère, du même Code, un article 375/1 est inséré, rédigé comme suit: “Art. 375/1. Le conseiller général de l’administration en charge de l’établissement des impôts sur les revenus ou le fonctionnaire délégué par lui accorde de plein droit le dégrèvement de l’impôt excédentaire établi suite à l’arriéré de déduction des pertes professionnelles en application de l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4.”. Art. 123. Dans l’article 409 du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999, les mots “à l’ article 376” sont remplacés par les mots “aux articles 375/1 et 376“. Art. 124. Dans l’article 410, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999, les mots “à l’ article 376” sont remplacés par les mots “aux articles 375/1 et 376 “. 97 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 125. In titel VII, hoofdstuk XIII, afdeling V, onderafdeling I,, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 415/1 ingevoegd, luidende: “Art. 415/1. Wanneer bij toepassing van artikel 375/1 onthef- fing werd verleend en het bedrag van de beroepsverliezen dat bij toepassing van artikel 78, § 2, of 206, § 4, in aanmerking komt voor de achterwaartse verliesaftrek  wordt gewijzigd, is, in afwijking van de artikelen 414 en 415, op het gedeelte van de belasting dat verband houdt met de wijziging van het bedrag van de in aftrek te brengen beroepsverliezen een nalatigheidsintrest verschuldigd, berekend overeenkomstig artikel 414, § 1, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de ontheffing werd verleend.” Art. 126. In artikel 443ter van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 26 maart 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden “artikel 376” vervangen door de woorden “de artikelen 375/1 en 376”; 2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “aanvraag tot ambtshalve ontheffing bedoeld in artikel 376” vervangen door de woorden “aanvraag tot ontheffing bedoeld in de ar- tikelen 375/1 en 376”. Art. 127. In artikel 419, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wet van 25 december 2017, wordt een bepaling onder 4°/1 ingevoegd, luidende: “4°/1 in geval van een terugbetaling van belasting met toepassing van artikel 375/1;”. Art. 128. Dit deel treedt in werking op 1 januari 2019. De artikelen 116, 117, en 118 zijn van toepassing op de beroeps- verliezen die toe te schrijven is aan schade aan landbouw- teelten, veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden die hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 2018. Art. 125. Dans le titre VII, chapitre VIII, section V, sous- section Ière, du même Code, un article 415/1 est inséré, rédigé comme suit: “Art. 415/1. Lorsqu’en application de l’article 375/1, un dégrèvement est accordé et que le montant des pertes pro- fessionnelles qui entre en considération pour la déduction des pertes antérieures en application de l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4, est modifié, un intérêt de retard est dû, par dérogation aux articles 414 et 415, sur la partie de l’impôt qui est liée à la modification du montant des pertes profession- nelles portées en déduction, calculé conformément à l’article 414, § 1er, à compter du premier jour du mois qui suit le mois durant lequel le dégrèvement a été accordé.” Art. 126. A l’article 443ter du même Code, inséré par la loi du 26 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots “à l’ article 376” sont remplacés par les mots “aux articles 375/1 et 376“;  2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “demande de dégrèvement d’office visée à l’article 376” sont remplacés par les mots “demande de dégrèvement visée aux articles 375/1 et 376“.  Art. 127. Dans l’article 419, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par les arrêtés royaux du 20 juillet 2000 et du 13 juillet 2001 et par la loi du 25 décembre 2017, il est inséré un 3°/1, rédigé comme suit: “4°/1 dans le cas d’un remboursement d’impôt en applica- tion de l’article 375/1;”. Art. 128. La présente partie entre en vigueur le 1er janvier 2019. Les articles 116, 117 et 118 s’appliquent aux pertes professionnelles qui sont imputables au dommage causé aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorolo- giques défavorables qui ont eu lieu à partir du 1er janvier 2018. 98 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) - (v2) - 12/12/2018 16:26 1/5 Geïntegreerde impactanalyse Beschrijvende fiche A. Auteur Bevoegd regeringslid De Minister van Financiën Contactpersoon beleidscel Naam : Pieter Daens E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be Tel. Nr. : + 32 2 792 99 00 Overheidsdienst FOD Financiën, BEO, Dienst Reglementering Contactpersoon overheidsdienst Naam : / E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be Tel. Nr. : / B. Ontwerp Titel van de regelgeving Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn, samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering. Dit deel II bevat vier maatregelen: 1. verduidelijking en aanpassing van de vrijstelling van de belasting voor het sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut ; 2. aanpassing van de inwerkingtreding van de maatregel die tot doel heeft te voorzien in een beperking van de aftrek van de interesten in de vennootschapsbelasting in gevolge de omzetting van de ATAD-richtlijn; 3. instelling van een bedrijfsvoorheffing die wordt ingehouden op de door een met de werkgever verbonden vennootschap betaalde of toegekende bezoldigingen; 4. indexering van de accijnstarieven op benzine en gasolie. Impactanalyses reeds uitgevoerd: Ja Nee C. Raadpleging over het ontwerp van regelgeving Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen / D. Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren 99 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) - (v2) - 12/12/2018 16:26 2/5 Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en referentiepersonen / 100 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) - (v2) - 12/12/2018 16:26 3/5 Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s? 1. Kansarmoedebestrijding Positieve impact Negatieve impact Geen impact 2. Gelijke kansen en sociale cohesie Positieve impact Negatieve impact Geen impact 3. Gelijkheid van vrouwen en mannen 1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen? Er zijn personen betrokken. Personen zijn niet betrokken. Leg uit waarom: De maatregelen zijn algemeen en betreffen alle ondernemingen en burgers. 4. Gezondheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 5. Werkgelegenheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 6. Consumptie- en productiepatronen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 7. Economische ontwikkeling Positieve impact Negatieve impact Geen impact 8. Investeringen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 9. Onderzoek en ontwikkeling Positieve impact Negatieve impact Geen impact 10. Kmo's 1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken? Er zijn ondernemingen (inclusief kmo's) betrokken. Ondernemingen zijn niet betrokken. Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s ( Algemene bepalingen die geen enkel sector in het bijzonder betreffen. 2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s. 101 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) - (v2) - 12/12/2018 16:26 4/5 N.B. de impact op de administratieve lasten moet bij het punt 11 gedetailleerd worden 1 : de maatregel vermindert de kosten van bepaalde banen 2 tot 4 : geen impact Er is een negatieve impact. 11. Administratieve lasten Ondernemingen of burgers zijn betrokken. Ondernemingen of burgers zijn niet betrokken. 1. Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving. Huidige regelgeving Ontwerp van regelgeving 1. De formaliteiten/verplichtingen zijn regeled in artikelen 46ter en 46quater, KB/WIB92. 2. tot 4. / 1. Dit regelgeving ontwerp wijzigt artikel 67quater, WIB 92, en bevat, op het vlak van de in het wet bepalingen, geen extra formaliteit/verplichting. 2./ 3. Formaliteiten mbt de bedrijfsvoorheffing. 4./ Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de huidige regelgeving. Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het ontwerp van regelgeving. 2. Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen? Huidige regelgeving Ontwerp van regelgeving 1. zie artikelen 46ter en 46quater, KB/WIB 92 2. tot 4. / 1. ongewijzigd 2. / 3. verplichtingen mbt de invoering van bedrijfsvoorheffing 4. / 3. Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld? Huidige regelgeving Ontwerp van regelgeving 1 en 2. De belastigplichtigen moeten de bewijsstukken aan de administration zorgen want het gaat over fiscale voordelen 3. Informaties mbt bedrijfsvoorheffing moeten via een elektronisch platform (FinProf) worden ingediend. 4./ 1 tot 4. ongewijzigd 4. Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep? Huidige regelgeving Ontwerp van regelgeving / / 102 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) - (v2) - 12/12/2018 16:26 5/5 5. Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te compenseren? / 12. Energie Positieve impact Negatieve impact Geen impact 13. Mobiliteit Positieve impact Negatieve impact Geen impact 14. Voeding Positieve impact Negatieve impact Geen impact 15. Klimaatverandering Positieve impact Negatieve impact Geen impact 16. Natuurlijke hulpbronnen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 17. Buiten- en binnenlucht Positieve impact Negatieve impact Geen impact 18. Biodiversiteit Positieve impact Negatieve impact Geen impact 19. Hinder Positieve impact Negatieve impact Geen impact 20. Overheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 21. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling 1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak van: voedselveiligheid, gezondheid en toegang tot geneesmiddelen, waardig werk, lokale en internationale handel, inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie), mobiliteit van personen, leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling), vrede en veiligheid. Impact op ontwikkelingslanden. Geen impact op ontwikkelingslanden. Leg uit waarom: Het gaat over nationale belastingmaatregelen. Ontwikkelingslanden zijn niet betrokken. 103 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) - (v2) - 12/12/2018 16:28 1/5 Geïntegreerde impactanalyse Beschrijvende fiche A. Auteur Bevoegd regeringslid De Minister van Financiën Contactpersoon beleidscel Naam : Pieter Daens E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be Tel. Nr. : + 32 2 792 99 00 Overheidsdienst FOD Financiën, BEO, Dienst Reglementering Contactpersoon overheidsdienst Naam : / E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be Tel. Nr. : / B. Ontwerp Titel van de regelgeving Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) 104 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) - (v2) - 12/12/2018 16:28 2/5 Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn, samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering. Het rapport van de bijzondere Commissie “Internationale fiscale fraude/ Panama Paper” is uitgebracht op 31 oktober 2017 (DOC 54 2749/001). Het bevat 132 aanbevelingen gericht op verbeteringen zowel op juridisch vlak als op organisatorisch vlak binnen verschillende diensten belast met de strijd tegen de fiscale fraude. Het voorgestelde ontwerp heeft tot doel om al enkele van deze aanbevelingen waarbij wettelijke wijzigingen werden gesuggereerd te concretiseren. Dat is met name het geval voor: - het verbod tot het afsluiten van een voorafgaande beslissing inzake verrichtingen met de belastingparadijzen (aanbevelingen 21 en 36); - een eerste aanzet naar een wettelijk systeem voor de klokkenluiders (aanbevelingen 23 tot en met 26) met betrekking tot de mededeling van fiscale gegevens; - het versterken van de compliance van de belastingplichtige (aanbevelingen 38 en 67); - de aanbevelingen met betrekking tot de automatische uitwisseling van inlichtingen (aanbevelingen 62 en 64); - een verlenging van de aanslagtermijn naar 10 jaar wanneer er gebruik werd gemaakt van juridische constructies in belastingparadijzen die ertoe strekken de herkomst en/of het bestaan van het vermogen te verhullen (aanbeveling 69); - uitbreiding van het toepassingsveld van de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot de identiteit van de uiteindelijk begunstigden (aanbevelingen 74 en 75); Tenslotte werd er bij de totstandkoming van de nieuwe maatregelen, daar waar nodig, eveneens rekening gehouden met de aanbevelingen van de OESO die er gekomen zijn naar aanleiding van de laatste peer review. Impactanalyses reeds uitgevoerd: Ja Nee C. Raadpleging over het ontwerp van regelgeving Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen / D. Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en referentiepersonen / 105 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) - (v2) - 12/12/2018 16:28 3/5 Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s? 1. Kansarmoedebestrijding Positieve impact Negatieve impact Geen impact 2. Gelijke kansen en sociale cohesie Positieve impact Negatieve impact Geen impact 3. Gelijkheid van vrouwen en mannen 1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen? Er zijn personen betrokken. Personen zijn niet betrokken. Beschrijf en meld de % vrouwen-mannen aan: Het ontwerp is genderneutraal. 2. Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop het ontwerp van regelgeving betrekking heeft. Het voorontwerp van wet gaat over de medewerkingsplicht van belastingplichtigen en derden, een invoering van een regeling voor klokkenluiders en de uitwisseling van informatie met buitenlandse autoriteiten. Er zijn geen verschillen in de respectievelijke situaties van vrouwen en mannen. Vink dit aan indien er verschillen zijn. 4. Gezondheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 5. Werkgelegenheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 6. Consumptie- en productiepatronen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 7. Economische ontwikkeling Positieve impact Negatieve impact Geen impact 8. Investeringen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 9. Onderzoek en ontwikkeling Positieve impact Negatieve impact Geen impact 10. Kmo's 1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken? Er zijn ondernemingen (inclusief kmo's) betrokken. Ondernemingen zijn niet betrokken. 106 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) - (v2) - 12/12/2018 16:28 4/5 Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s ( Het voorontwerp van wet heeft een impact op belastingplichtigen waaronder KMO's. 2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s. N.B. de impact op de administratieve lasten moet bij het punt 11 gedetailleerd worden Het voorontwerp van wet gaat over de medewerkingsplicht van belastingplichtigen en derden, een invoering van een regeling voor klokkenluiders en de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse autoriteiten. Voor wat betreft het artikel 11, de uitbreiding van artikel 22 van hogervermelde wet houdt in dat er geen voorafgaande beslissing mag gegeven worden wanneer het betrekking heeft op verrichtingen of situaties die gelinkt worden aan de lijst van Staten zonder of met een lage belasting die zijn opgenomen in het koninklijk besluit waarnaar artikel 307, §1/2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verwijst. Er is een negatieve impact. 11. Administratieve lasten Ondernemingen of burgers zijn betrokken. Ondernemingen of burgers zijn niet betrokken. 12. Energie Positieve impact Negatieve impact Geen impact 13. Mobiliteit Positieve impact Negatieve impact Geen impact 14. Voeding Positieve impact Negatieve impact Geen impact 15. Klimaatverandering Positieve impact Negatieve impact Geen impact 16. Natuurlijke hulpbronnen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 17. Buiten- en binnenlucht Positieve impact Negatieve impact Geen impact 18. Biodiversiteit Positieve impact Negatieve impact Geen impact 19. Hinder Positieve impact Negatieve impact Geen impact 20. Overheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 21. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling 107 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) - (v2) - 12/12/2018 16:28 5/5 1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak van: voedselveiligheid, gezondheid en toegang tot geneesmiddelen, waardig werk, lokale en internationale handel, inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie), mobiliteit van personen, leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling), vrede en veiligheid. Impact op ontwikkelingslanden. Geen impact op ontwikkelingslanden. Leg uit waarom: Het voorontwerp van wet gaat over de medewerkingsplicht van belastingplichtigen en derden, een invoering van een regeling voor klokkenluiders en de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse autoriteiten. Er is geen impact op ontwikkelingslanden. 108 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) - (v35) - 12/12/2018 18:36 1/5 Geïntegreerde impactanalyse Beschrijvende fiche A. Auteur Bevoegd regeringslid de Minister van Financiën Contactpersoon beleidscel Naam : ..... E-mail : ...... Tel. Nr. : ..... Overheidsdienst FOD Financiën - BEO - dienst reglementering Contactpersoon overheidsdienst Naam : ..... E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be Tel. Nr. : .... B. Ontwerp Titel van de regelgeving wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn, samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering. Het rapport van de bijzondere Commissie “Internationale fiscale fraude/ Panama Paper” is uitgebracht op 31 oktober 2017 (DOC 54 2749/001). Het bevat 132 aanbevelingen gericht op verbeteringen zowel op juridisch vlak als op organisatorisch vlak binnen verschillende diensten belast met de strijd tegen de fiscale fraude. Het voorgestelde ontwerp heeft tot doel om al enkele van deze aanbevelingen waarbij wettelijke wijzigingen werden gesuggereerd te concretiseren. Dat is met name het geval voor: - het verbod tot het afsluiten van een voorafgaande beslissing inzake verrichtingen met de belastingparadijzen (aanbevelingen 21 en 36); - de aanbevelingen met betrekking tot de automatische uitwisseling van inlichtingen (aanbevelingen 62 en 64); - een verlenging van de aanslagtermijn naar 10 jaar wanneer er gebruik werd gemaakt van juridische constructies in belastingparadijzen die ertoe strekken de herkomst en/of het bestaan van het vermogen te verhullen (aanbeveling 69); - uitbreiding van het toepassingsveld van de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot de identiteit van de uiteindelijk begunstigden (aanbevelingen 74 en 75); Tenslotte werd er bij de totstandkoming van de nieuwe maatregelen, daar waar nodig, eveneens rekening gehouden met de aanbevelingen van de OESO die er gekomen zijn naar aanleiding van de laatste peer review. Impactanalyses reeds uitgevoerd: Ja Nee 109 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) - (v35) - 12/12/2018 18:36 2/5 C. Raadpleging over het ontwerp van regelgeving Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen Advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 1 oktober 2018 Akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op eerste lezing Advies van de Raad van State, gegeven op 27 november 2018 D. Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en referentiepersonen / 110 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) - (v35) - 12/12/2018 18:36 3/5 Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s? 1. Kansarmoedebestrijding Positieve impact Negatieve impact Geen impact 2. Gelijke kansen en sociale cohesie Positieve impact Negatieve impact Geen impact 3. Gelijkheid van vrouwen en mannen 1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen? Er zijn personen betrokken. Personen zijn niet betrokken. Beschrijf en meld de % vrouwen-mannen aan: Het ontwerp is genderneutraal. 2. Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop het ontwerp van regelgeving betrekking heeft. Het wetsontwerp gaat o.a. over de uitwisseling van informatie met buitenlandse autoriteiten. Er zijn geen verschillen in de respectievelijke situaties van vrouwen en mannen. Vink dit aan indien er verschillen zijn. 4. Gezondheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 5. Werkgelegenheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 6. Consumptie- en productiepatronen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 7. Economische ontwikkeling Positieve impact Negatieve impact Geen impact 8. Investeringen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 9. Onderzoek en ontwikkeling Positieve impact Negatieve impact Geen impact 10. Kmo's 1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken? Er zijn ondernemingen (inclusief kmo's) betrokken. Ondernemingen zijn niet betrokken. 111 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) - (v35) - 12/12/2018 18:36 4/5 Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s ( Het voorontwerp van wet (art 11) heeft een impact op belastingplichtigen waaronder KMO's. 2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s. N.B. de impact op de administratieve lasten moet bij het punt 11 gedetailleerd worden Het voorontwerp van wet gaat over de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse autoriteiten. Er mag geen voorafgaande beslissing gegeven worden wanneer het betrekking heeft op verrichtingen of situaties die gelinkt worden aan de lijst van Staten zonder of met een lage belasting die zijn opgenomen in het koninklijk besluit waarnaar artikel 307, §1/2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verwijst. Er is een negatieve impact. 11. Administratieve lasten Ondernemingen of burgers zijn betrokken. Ondernemingen of burgers zijn niet betrokken. 1. Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving. Huidige regelgeving Ontwerp van regelgeving / / Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de huidige regelgeving. Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het ontwerp van regelgeving. 12. Energie Positieve impact Negatieve impact Geen impact 13. Mobiliteit Positieve impact Negatieve impact Geen impact 14. Voeding Positieve impact Negatieve impact Geen impact 15. Klimaatverandering Positieve impact Negatieve impact Geen impact 16. Natuurlijke hulpbronnen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 17. Buiten- en binnenlucht Positieve impact Negatieve impact Geen impact 18. Biodiversiteit Positieve impact Negatieve impact Geen impact 19. Hinder Positieve impact Negatieve impact Geen impact 112 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) - (v35) - 12/12/2018 18:36 5/5 20. Overheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 21. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling 1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak van: voedselveiligheid, gezondheid en toegang tot geneesmiddelen, waardig werk, lokale en internationale handel, inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie), mobiliteit van personen, leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling), vrede en veiligheid. Impact op ontwikkelingslanden. Geen impact op ontwikkelingslanden. Leg uit waarom: Het voorontwerp van wet gaat over de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse autoriteiten. Er is geen impact op ontwikkelingslanden. 113 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 1/6 Geïntegreerde impactanalyse Beschrijvende fiche A. Auteur Bevoegd regeringslid De Minister van Financiën Contactpersoon beleidscel Naam : Pieter Daens E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be Tel. Nr. : + 32 2 792 99 00 Overheidsdienst FOD Financiën, BEO, Dienst Reglementering Contactpersoon overheidsdienst Naam : / E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be Tel. Nr. : / B. Ontwerp Titel van de regelgeving Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) 114 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 2/6 Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn, samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering. Hoofdstuk 1 (Inkomstenbelastingen) Afdeeling 1 : aanpassingen van de regelgeving met betrekking tot de inkomsten uit de deeleconomie, het verenigingswerk en occasionele diensten tussen burgers (inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater, WIB 92) op het stuk van de kostenaftrek, de omschrijving van de roerende inkomsten die als inkomsten uit de deeleconomie, het verenigingswerk en occasionele diensten tussen burgers kunnen worden aangemerkt en de toepassing van de roerende voorheffing Afdeeling 2 : Afschaffing van een overgangsbepaling betreffende een gedeeltelijke vrijstelling van belasting voor bezoldigingen en vergoedingen ontvangen in het kader van ontslag : de vrijstelling heeft geen bestaansreden meer (afschaffing artikel 538 WIB 92). Het laat de schrapping van meerdere codes in de fiscale aangifte van de personenbelasting toe en is dus een vereenvoudiging. Hoofdstuk 2 (BTW) Bekrachtiging van het koninklijk besluit van 26 januari 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven en van het koninklijk besluit van 3 augustus 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat de gebouwen voor leerlingenbegeleiding betreft. Hoofdstuk 3 (Diverse rechten en taksen) De aanvulling van artikel 10 WDRT is nodig, ingevolge de wijziging bij de wet van 11 juli 2018 waarbij het toepassingsgebied van dat artikel 10 onbedoeld werd uitgebreid Hoofdstuk 4 (Hypotheekrechten) Aanpassing op het federale niveau van artikel 92/1 W. Reg., om te vermijden dat een tweede registratierecht moet betaald worden bij de vestiging van een tweede hypotheek tot waarborg van dezelfde schuld en voor eenzelfde bedrag Impactanalyses reeds uitgevoerd: Ja Nee C. Raadpleging over het ontwerp van regelgeving Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen Hoofdstuk 1 tot 3 : / Hoofdstuk 4 : Facultatieve raadpleging van de Gewesten in het kader van de Waarnemingspost Gewestelijke Fiscaliteit D. Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en referentiepersonen / 115 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 3/6 Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s? 1. Kansarmoedebestrijding Positieve impact Negatieve impact Geen impact 2. Gelijke kansen en sociale cohesie Positieve impact Negatieve impact Geen impact 3. Gelijkheid van vrouwen en mannen 1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen? Er zijn personen betrokken. Personen zijn niet betrokken. Beschrijf en meld de % vrouwen-mannen aan: Mogelijkerwijs alle burgers, zonder onderscheid 2. Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop het ontwerp van regelgeving betrekking heeft. / Vink dit aan indien er verschillen zijn. 4. Gezondheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 5. Werkgelegenheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 6. Consumptie- en productiepatronen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 7. Economische ontwikkeling Positieve impact Negatieve impact Geen impact 8. Investeringen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 9. Onderzoek en ontwikkeling Positieve impact Negatieve impact Geen impact 10. Kmo's 1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken? Er zijn ondernemingen (inclusief kmo's) betrokken. Ondernemingen zijn niet betrokken. 116 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 4/6 Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s ( Hoofd.1 : De maatregel betreft de personenbelasting. Hoofd. 3 : Potentieel alle sectoren Hoofd. 4 : KMO's die een schip in eigendom hebben (kleine kans) 2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s. N.B. de impact op de administratieve lasten moet bij het punt 11 gedetailleerd worden Hoofd. 3 : Verwaarloosbaar - zeer laag recht. Hoofd. 4 : Vermijding van een tweede keer een registratierecht te moeten betalen indien een tweede hypotheek op het schip wordt gevestigd Er is een negatieve impact. 11. Administratieve lasten Ondernemingen of burgers zijn betrokken. Ondernemingen of burgers zijn niet betrokken. 1. Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving. Huidige regelgeving Ontwerp van regelgeving Hoofd .1/afd.1 Onder de bestaande regelgeving zou er een verplichting tot inhouding/storing van roerende voorheffing kunnen bestaan voor roerende inkomsten die worden aangemerkt als diverse inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater en dus doorgaans vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen. Hoofd. 1/afd.2 Jaarlijks invullen van de aangifte personenbelasting. Hoofd. 1/afd. 1 Een eventuele verplichting om roerende voorheffing in te houden/te storten voor roerende inkomsten die worden aangemerkt als diverse inkomsten als bedoeld in artikel 90, 1°bis tot 1°quater en dus doorgaans vrijgesteld zijn van inkomstenbelastingen, wordt opgeheven. Hoofd. 1/afd. 2 Schrappen van meerdere codes in de aangifte. Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de huidige regelgeving. Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het ontwerp van regelgeving. 2. Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen? Huidige regelgeving Hoofd. 1/a1 : aangifte in de roerende voorheffing Hoofd. 1/a2 : De aangifte personenbelasting. 3. Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld? Huidige regelgeving Hoofd. 1/a1 : aangifte in te dienen bij de FOD Financiën Hoofd. 1/a2 : De aangifte personenbelasting. 4. Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep? 117 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 5/6 Huidige regelgeving Hoofd. 1/a1 : doorgaans jaarlijks Hoofd. 1/a2 : jaarlijks 5. Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te compenseren? Hoofd. 1/a1 : De wijzigingen hebben geen negatieve impact Hoofd. 1/a2 : / 12. Energie Positieve impact Negatieve impact Geen impact 13. Mobiliteit Positieve impact Negatieve impact Geen impact 14. Voeding Positieve impact Negatieve impact Geen impact 15. Klimaatverandering Positieve impact Negatieve impact Geen impact 16. Natuurlijke hulpbronnen Positieve impact Negatieve impact Geen impact 17. Buiten- en binnenlucht Positieve impact Negatieve impact Geen impact 18. Biodiversiteit Positieve impact Negatieve impact Geen impact 19. Hinder Positieve impact Negatieve impact Geen impact 20. Overheid Positieve impact Negatieve impact Geen impact 21. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling 1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak van: voedselveiligheid, gezondheid en toegang tot geneesmiddelen, waardig werk, lokale en internationale handel, inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie), mobiliteit van personen, leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling), vrede en veiligheid. Impact op ontwikkelingslanden. Geen impact op ontwikkelingslanden. 118 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 6/6 Leg uit waarom: Deze maatregelen beoogen enkel de personen die onderworpen zijn aan de personenbelasting in België of onderworpen zijn aan de diverse taksen of aan de registratierechten in België. 119 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) - (v2) - 12/12/2018 16:26 1/5 Analyse d'impact intégrée Fiche signalétique A. Auteur Membre du Gouvernement compétent Le Ministre des Finances Contact cellule stratégique Nom : Pieter Daens E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be Téléphone : + 32 2 792 99 00 Administration SPF Finances, ESS, Service Réglementation Contact administration Nom : / E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be Téléphone : / B. Projet Titre de la règlementation Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités, directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre. Cette partie II contient quatre mesures : 1. clarification et adaptation de l'exonération d'impôt pour passif social en vertu du statut unique ; 2. anticipation de l'entrée en vigueur de la limitation de la déduction d'intérêts à l'impôt des sociétés (dans le cadre de la transposition de la directive ATAD) ; 3. instauration d'un précompte professionnel retenu sur les rémunérations payées ou attribuées directement par une société liée à l'employeur ; 4. indexation des accises sur l'essence et le gasoil. Analyses d'impact déjà réalisées : Oui Non C. Consultations sur le projet de réglementation Consultation obligatoire, facultative ou informelle / D. Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact 120 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) - (v2) - 12/12/2018 16:26 2/5 Statistiques, documents, institutions et personnes de référence / 121 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) - (v2) - 12/12/2018 16:26 3/5 Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ? 1. Lutte contre la pauvreté Impact positif Impact négatif Pas d'impact 2. Égalité des chances et cohésion sociale Impact positif Impact négatif Pas d'impact 3. Égalité des femmes et des hommes 1. Quelles personnes sont (directement et indirectement) concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ? Des personnes sont concernées. Aucune personne n’est concernée. Expliquez pourquoi : Les mesures sont générales et concernent l'ensemble des entreprises et des citoyens. 4. Santé Impact positif Impact négatif Pas d'impact 5. Emploi Impact positif Impact négatif Pas d’impact 6. Modes de consommation et production Impact positif Impact négatif Pas d’impact 7. Développement économique Impact positif Impact négatif Pas d’impact 8. Investissements Impact positif Impact négatif Pas d’impact 9. Recherche et développement Impact positif Impact négatif Pas d’impact 10. PME 1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées ? Des entreprises (dont des PME) sont concernées. Aucune entreprise n'est concernée. Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME ( Mesures générales ne visant aucun secteur en particulier. 2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME. 122 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) - (v2) - 12/12/2018 16:26 4/5 N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11 1 : la mesure diminue la charge que représentent certains emplois 2 à 4 : pas d'impact Il y a des impacts négatifs. 11. Charges administratives Des entreprises/citoyens sont concernés. Les entreprises/citoyens ne sont pas concernés. 1. Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation. Réglementation actuelle Réglementation en projet 1. Les formalités/obligations sont réglées aux articles 46ter et 46quater, AR/CIR92. 2. à 4. / 1. Le présent projet de réglementation modifie l'article 67quater, CIR 92, et ne comporte, au niveau des dispositions de la loi, aucune obligation/formalité supplémentaire. 2. / 3. Formalités liées au précompte professionnel. 4. / S’il y a des formalités et/ou des obligations dans la réglementation actuelle, cochez cette case. S'il y a des formalités et/ou des obligations pour la réglementation en projet, cochez cette case. 2. Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ? Réglementation actuelle Réglementation en projet 1. cf. articles 46ter et 46quater, AR/CIR 92 2. à 4. / 1. inchangé 2. / 3. obligations relatives à la perception du précompte professionnel 4. / 3. Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ? Réglementation actuelle Réglementation en projet 1 et 2. S'agissant d'avantages fiscaux, il appartient aux contribuables de fournir les documents probants à l'administration. 3. Les informations relatives au précompte professionnel doivent être transmises via une plateforme électronique (FinProf). 4./ 1 à 4. inchangé 4. Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ? Réglementation actuelle Réglementation en projet / / 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ? 123 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) - (v2) - 12/12/2018 16:26 5/5 / 12. Énergie Impact positif Impact négatif Pas d’impact 13. Mobilité Impact positif Impact négatif Pas d'impact 14. Alimentation Impact positif Impact négatif Pas d’impact 15. Changements climatiques Impact positif Impact négatif Pas d’impact 16. Ressources naturelles Impact positif Impact négatif Pas d’impact 17. Air intérieur et extérieur Impact positif Impact négatif Pas d’impact 18. Biodiversité Impact positif Impact négatif Pas d’impact 19. Nuisances Impact positif Impact négatif Pas d'impact 20. Autorités publiques Impact positif Impact négatif Pas d’impact 21. Cohérence des politiques en faveur du développement 1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants : sécurité alimentaire, santé et accès aux médicaments, travail décent, commerce local et international, revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation), mobilité des personnes, environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre), paix et sécurité. Impact sur les pays en développement. Pas d'imapct sur les pays en développement. Expliquez pourquoi : Il s'agit de mesures fiscales nationales. Les pays en développement ne sont pas concernés. 124 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) - (v2) - 12/12/2018 16:28 1/5 Analyse d'impact intégrée Fiche signalétique A. Auteur Membre du Gouvernement compétent Le Ministre des Finances Contact cellule stratégique Nom : Pieter Daens E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be Téléphone : + 32 2 792 99 00 Administration SPF Finances, ESS, Service Réglementation Contact administration Nom : / E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be Téléphone : / B. Projet Titre de la règlementation Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités, directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre. Le rapport de la Commission spéciale « Fraude fiscale internationale/Panama Papers » a été rendu le 31 octobre 2017 (DOC 54 2749/001). Il contient 132 recommandations visant à des améliorations tant sur le plan juridique qu’organisationnel au sein des différents services chargés de la lutte contre la fraude. Le présent projet a pour objectif de concrétiser d’ores et déjà certaines de ces recommandations dans lesquelles étaient suggérées des adaptations légales. Tel est le cas notamment en ce qui concerne: - l’interdiction de prendre une décision anticipée relative à des transactions avec des paradis fiscaux (recommandations 21 et 36) ; - un premier pas vers un système juridique pour les lanceurs d'alerte (recommandations 23 à 26) en ce qui concerne la communication des données fiscales ; - le renforcement de la compliance dans le chef du contribuable (recommandations 38 et 67) ; - les recommandations en rapport avec l’échange automatique de renseignements (recommandations 62 et 64); - un allongement du délai d’imposition à 10 ans lorsqu’il est fait usage de constructions juridiques situées dans des paradis fiscaux visant à camoufler l’origine et/ou l’existence du patrimoine Recommandation 69) ; - une extension du champ d’application de l’échange de renseignements en ce qui concerne l’identité des bénéficiaires effectifs (recommandations 74 et 75) ; Il a en outre été également tenu compte lors de la réalisation des nouvelles mesures, là où cela était nécessaire, des recommandations de l'OCDE qui ont été formulées à la suite du dernier peer review. 125 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) - (v2) - 12/12/2018 16:28 2/5 Analyses d'impact déjà réalisées : Oui Non C. Consultations sur le projet de réglementation Consultation obligatoire, facultative ou informelle / D. Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact Statistiques, documents, institutions et personnes de référence / 126 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) - (v2) - 12/12/2018 16:28 3/5 Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ? 1. Lutte contre la pauvreté Impact positif Impact négatif Pas d'impact 2. Égalité des chances et cohésion sociale Impact positif Impact négatif Pas d'impact 3. Égalité des femmes et des hommes 1. Quelles personnes sont (directement et indirectement) concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ? Des personnes sont concernées. Aucune personne n’est concernée. Décrivez et indiquez le % femmes-hommes : Le projet ne fait pas de distinction de genre. 2. Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière relative au projet de réglementation. L'avant-projet de loi est relatif à l'obligation de collaboration des contribuables et des tiers, l'instauration d'une réglementation pour les lanceurs d'alerte et l'échange d'informations avec les autorités étrangères. Tous les contribuables sont concernés sans distinction de genre. S'il existe des différences, cochez cette case. 4. Santé Impact positif Impact négatif Pas d'impact 5. Emploi Impact positif Impact négatif Pas d’impact 6. Modes de consommation et production Impact positif Impact négatif Pas d’impact 7. Développement économique Impact positif Impact négatif Pas d’impact 8. Investissements Impact positif Impact négatif Pas d’impact 9. Recherche et développement Impact positif Impact négatif Pas d’impact 10. PME 1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées ? Des entreprises (dont des PME) sont concernées. Aucune entreprise n'est concernée. 127 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) - (v2) - 12/12/2018 16:28 4/5 Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME ( L'avant-projet (art 11) de loi a un impact sur les entreprises, notamment sur les PME. 2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME. N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11 L'avant -projet de loi st relatif à l'obligation de collaboration des contribuables et des tiers, l'instauration d'une réglementation pour les lanceurs d'alerte et l'échange d'informations avec les autorités étrangères. Pour ce qui est de l'article 11, l'extension de l'article 22 de la loi susmentionnée signifie qu'aucune décision anticipée ne peut être prise lorsqu'elle concerne des transactions ou des situations liées à la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée prévue par l'arrêté royal auquel renvoie l'article 307, §1/2, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992. Il y a des impacts négatifs. 11. Charges administratives Des entreprises/citoyens sont concernés. Les entreprises/citoyens ne sont pas concernés. 12. Énergie Impact positif Impact négatif Pas d’impact 13. Mobilité Impact positif Impact négatif Pas d'impact 14. Alimentation Impact positif Impact négatif Pas d’impact 15. Changements climatiques Impact positif Impact négatif Pas d’impact 16. Ressources naturelles Impact positif Impact négatif Pas d’impact 17. Air intérieur et extérieur Impact positif Impact négatif Pas d’impact 18. Biodiversité Impact positif Impact négatif Pas d’impact 19. Nuisances Impact positif Impact négatif Pas d'impact 20. Autorités publiques Impact positif Impact négatif Pas d’impact 21. Cohérence des politiques en faveur du développement 128 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) - (v2) - 12/12/2018 16:28 5/5 1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants : sécurité alimentaire, santé et accès aux médicaments, travail décent, commerce local et international, revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation), mobilité des personnes, environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre), paix et sécurité. Impact sur les pays en développement. Pas d'imapct sur les pays en développement. Expliquez pourquoi : L'avant-projet de loi est relatif à l'obligation de collaboration des contribuables et des tiers, l'instauration d'une réglementation pour les lanceurs d'alerte et l'échange d'informations avec les autorités étrangères. Il n'y a pas d'impact sur les pays en développement. 129 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) - (v35) - 12/12/2018 18:36 1/5 Analyse d'impact intégrée Fiche signalétique A. Auteur Membre du Gouvernement compétent le Ministre des Finances Contact cellule stratégique Nom : ..... E-mail : ...... Téléphone : ..... Administration SPF Finances - ESS - reglementation Contact administration Nom : ..... E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be Téléphone : .... B. Projet Titre de la règlementation projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités, directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre. Le rapport de la Commission spéciale « Fraude fiscale internationale/Panama Papers » a été rendu le 31 octobre 2017 (DOC 54 2749/001). Il contient 132 recommandations visant à des améliorations tant sur le plan juridique qu’organisationnel au sein des différents services chargés de la lutte contre la fraude. Le présent projet a pour objectif de concrétiser d’ores et déjà certaines de ces recommandations dans lesquelles étaient suggérées des adaptations légales. Tel est le cas notamment en ce qui concerne: - l’interdiction de prendre une décision anticipée relative à des transactions avec des paradis fiscaux (recommandations 21 et 36) ; - les recommandations en rapport avec l’échange automatique de renseignements (recommandations 62 et 64); - un allongement du délai d’imposition à 10 ans lorsqu’il est fait usage de constructions juridiques situées dans des paradis fiscaux visant à camoufler l’origine et/ou l’existence du patrimoine (Recommandation 69) ; - une extension du champ d’application de l’échange de renseignements en ce qui concerne l’identité des bénéficiaires effectifs (recommandations 74 et 75) ; Il a en outre été également tenu compte lors de la réalisation des nouvelles mesures, là où cela était nécessaire, des recommandations de l'OCDE qui ont été formulées à la suite du dernier peer review. Analyses d'impact déjà réalisées : Oui Non C. Consultations sur le projet de réglementation 130 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) - (v35) - 12/12/2018 18:36 2/5 Consultation obligatoire, facultative ou informelle Avis de l'Inspecteur des finances rendu le 1er octbre 2018 Accord de la Ministre du Budget rendu le ... Avis du Conseil d'Etat rendu le27 novembre 2018 D. Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact Statistiques, documents, institutions et personnes de référence / 131 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) - (v35) - 12/12/2018 18:36 3/5 Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ? 1. Lutte contre la pauvreté Impact positif Impact négatif Pas d'impact 2. Égalité des chances et cohésion sociale Impact positif Impact négatif Pas d'impact 3. Égalité des femmes et des hommes 1. Quelles personnes sont (directement et indirectement) concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ? Des personnes sont concernées. Aucune personne n’est concernée. Décrivez et indiquez le % femmes-hommes : Le projet ne fait pas de distinction de genre. 2. Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière relative au projet de réglementation. Le projet de loi est entre autres relatif à l'échange d'informations avec les autorités étrangères. Tous les contribuables sont concernés sans distinction de genre. S'il existe des différences, cochez cette case. 4. Santé Impact positif Impact négatif Pas d'impact 5. Emploi Impact positif Impact négatif Pas d’impact 6. Modes de consommation et production Impact positif Impact négatif Pas d’impact 7. Développement économique Impact positif Impact négatif Pas d’impact 8. Investissements Impact positif Impact négatif Pas d’impact 9. Recherche et développement Impact positif Impact négatif Pas d’impact 10. PME 1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées ? Des entreprises (dont des PME) sont concernées. Aucune entreprise n'est concernée. 132 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) - (v35) - 12/12/2018 18:36 4/5 Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME ( L'avant-projet (art 11) de loi a un impact sur les entreprises, notamment sur les PME. 2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME. N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11 L'avant -projet de loi st relatif à l'échange d'informations avec les autorités étrangères. Aucune décision anticipée ne peut être prise lorsqu'elle concerne des transactions ou des situations liées à la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée prévue par l'arrêté royal auquel renvoie l'article 307, §1/2, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992. Il y a des impacts négatifs. 11. Charges administratives Des entreprises/citoyens sont concernés. Les entreprises/citoyens ne sont pas concernés. 1. Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation. Réglementation actuelle Réglementation en projet / / S’il y a des formalités et/ou des obligations dans la réglementation actuelle, cochez cette case. S'il y a des formalités et/ou des obligations pour la réglementation en projet, cochez cette case. 12. Énergie Impact positif Impact négatif Pas d’impact 13. Mobilité Impact positif Impact négatif Pas d'impact 14. Alimentation Impact positif Impact négatif Pas d’impact 15. Changements climatiques Impact positif Impact négatif Pas d’impact 16. Ressources naturelles Impact positif Impact négatif Pas d’impact 17. Air intérieur et extérieur Impact positif Impact négatif Pas d’impact 18. Biodiversité Impact positif Impact négatif Pas d’impact 19. Nuisances Impact positif Impact négatif Pas d'impact 20. Autorités publiques 133 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) - (v35) - 12/12/2018 18:36 5/5 Impact positif Impact négatif Pas d’impact 21. Cohérence des politiques en faveur du développement 1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants : sécurité alimentaire, santé et accès aux médicaments, travail décent, commerce local et international, revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation), mobilité des personnes, environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre), paix et sécurité. Impact sur les pays en développement. Pas d'imapct sur les pays en développement. Expliquez pourquoi : L'avant-projet de loi est relatif à l'échange d'informations avec les autorités étrangères. Il n'y a pas d'impact sur les pays en développement. 134 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 1/5 Analyse d'impact intégrée Fiche signalétique A. Auteur Membre du Gouvernement compétent Le Ministre des Finances Contact cellule stratégique Nom : Pieter Daens E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be Téléphone : + 32 2 792 99 00 Administration SPF Finances, ESS, Service Réglementation Contact administration Nom : / E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be Téléphone : / B. Projet Titre de la règlementation Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) 135 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 2/5 Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités, directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre. Chapitre 1er (Impôt sur les revenus) Section 1 : Modifications à la réglementation relative aux revenus issus de l'économie collaborative, du travail associatif et des services occasionnels entre les citoyens (revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater, CIR 92) en matière de la déduction des frais, de la définition des revenus mobiliers qui peuvent être considérés comme des revenus issus de l'économie collaborative, du travail associatif et des services occasionnels entre les citoyens et de l'application du précompte mobilier ; Section 2 : Abrogation d'une mesure transitoire qui concernait une exonération d'impôt partielle pour les rémunérations et indemnités perçues dans le cadre d'un licenciement : elle n'a plus de raison d'être (abrogation de l'article 538 CIR 92). Permet la suppression de plusieurs codes dans la déclaration fiscale à l'impôt des personnes physiques et donc sa simplification. Chapitre 2 (TVA) Confirmation de l'arrêté royal du 26 janvier 2016 modifiant l'arrêté royal n° 20, du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux et de l'arrêté royal du 3 août 2016 modifiant l'arrêté royal n° 20, du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux en ce qui concerne les bâtiments destinés à l’encadrement des élèves. Chapitre 3 (Droits et taxes divers) L'article 10 de ce Code doit être complété , suite à la modification de cet article par la loi du 11 juillet 2018, ayant étendu involontairement son champ d'application Chapitre 4 (Droits d'hypothèque) Adaptation sur le plan fédéral de l'article 92/1 du C. enreg. en vue d'éviter qu'un deuxième droit d'enregistrement ne doive être payé lors de la constitution d'une deuxième hypothèque pour garantir la même créance et le même montant. Analyses d'impact déjà réalisées : Oui Non C. Consultations sur le projet de réglementation Consultation obligatoire, facultative ou informelle Chapitres 1 à 3 : / Chapitre 4 : Concertation facultative avec les Régions à l'Observatoire de la fiscalité régionale D. Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact Statistiques, documents, institutions et personnes de référence / 136 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 3/5 Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ? 1. Lutte contre la pauvreté Impact positif Impact négatif Pas d'impact 2. Égalité des chances et cohésion sociale Impact positif Impact négatif Pas d'impact 3. Égalité des femmes et des hommes 1. Quelles personnes sont (directement et indirectement) concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ? Des personnes sont concernées. Aucune personne n’est concernée. Décrivez et indiquez le % femmes-hommes : Potentiellement tous les citoyens, sans distinction 2. Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière relative au projet de réglementation. / S'il existe des différences, cochez cette case. 4. Santé Impact positif Impact négatif Pas d'impact 5. Emploi Impact positif Impact négatif Pas d’impact 6. Modes de consommation et production Impact positif Impact négatif Pas d’impact 7. Développement économique Impact positif Impact négatif Pas d’impact 8. Investissements Impact positif Impact négatif Pas d’impact 9. Recherche et développement Impact positif Impact négatif Pas d’impact 10. PME 1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées ? Des entreprises (dont des PME) sont concernées. Aucune entreprise n'est concernée. 137 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 4/5 Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME ( Ch. 1 : Les mesures visent les personnes physiques. Ch. 3 : Potentiellement tous les secteurs. Ch. 4 : Les PME possédant un navire (mais faible probabilité). 2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME. N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11 Ch. 3 : Négligeable, droit minime. Ch. 4 : Evitement de paiement d'un 2ème droit d'enregistrement sur une 2ème hypothèque, constituté sur un navire. Il y a des impacts négatifs. 11. Charges administratives Des entreprises/citoyens sont concernés. Les entreprises/citoyens ne sont pas concernés. 1. Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation. Réglementation actuelle Réglementation en projet Ch. 1/sect.1 Sur la base de la réglementation existante, il pourrait exister une obligation de retenir/verser le précompte mobilier pour des revenus mobiliers qui sont considérés comme des revenus divers visés à l'article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater, CIR 92 et qui sont donc généralement exonérés d'impôt sur les revenus. Ch. 1 /sect. 2 Remplissage annuel de la déclaration à l'impôt des personnes physiques. Ch. 1/sect. 1 Toute éventuelle obligation de retenir/verser le précompte mobilier pour des revenus mobiliers qui sont considérés comme des revenus divers visés à l'article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater, CIR 92 et qui sont donc généralement exonérés d'impôt sur les revenus, est abrogée. Ch. 1/sect. 2 Suppression de plusieurs codes dans la déclaration. S’il y a des formalités et/ou des obligations dans la réglementation actuelle, cochez cette case. S'il y a des formalités et/ou des obligations pour la réglementation en projet, cochez cette case. 2. Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ? Réglementation actuelle Ch. 1/s1 : déclaration au précompte mobilier Ch. 1/s2 : la déclaration IPP 3. Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ? Réglementation actuelle Ch. 1/s1 : déclaration à introduire auprès du SPF Finances Ch 1/s2 : la déclaration IPP 4. Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ? 138 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) - (v2) - 12/12/2018 16:29 5/5 Réglementation actuelle Ch. 1/s1 : généralement chaque année Ch 1/s2 : annuelle 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ? Ch. 1/s1 : les modifications n'ont pas d'impact négatifs Ch 1/s2 : / 12. Énergie Impact positif Impact négatif Pas d’impact 13. Mobilité Impact positif Impact négatif Pas d'impact 14. Alimentation Impact positif Impact négatif Pas d’impact 15. Changements climatiques Impact positif Impact négatif Pas d’impact 16. Ressources naturelles Impact positif Impact négatif Pas d’impact 17. Air intérieur et extérieur Impact positif Impact négatif Pas d’impact 18. Biodiversité Impact positif Impact négatif Pas d’impact 19. Nuisances Impact positif Impact négatif Pas d'impact 20. Autorités publiques Impact positif Impact négatif Pas d’impact 21. Cohérence des politiques en faveur du développement 1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants : sécurité alimentaire, santé et accès aux médicaments, travail décent, commerce local et international, revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation), mobilité des personnes, environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre), paix et sécurité. Impact sur les pays en développement. Pas d'imapct sur les pays en développement. Expliquez pourquoi : Les mesures ne visent que les personnes soumises à l'IPP en Belgique ou aux taxes diverses et droit d'enregistrement en Belgique. 139 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE NR. 64.422/2-3 VAN 27 NOVEMBER 2018 Op 11  oktober  2018 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een voorontwerp van wet “houdende fiscale, fraudebestrij- dende, financiële alsook diverse bepalingen”. Deel III, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 4 en deel IV van het voorontwerp zijn door de tweede kamer onderzocht op 12  november  2018. De kamer was samengesteld uit Pierre  Vandernoot, kamervoorzitter, Luc  Detroux en Bernard Blero, staatsraden, Sébastien Van Drooghenbroek en Jacques Englebert, assessoren, en Béatrice Drapier, griffier. Het verslag is uitgebracht door Jean-Luc Paquet, eerste auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Vandernoot, kamervoorzitter. Het voorontwerp is voor het overige door de derde kamer onderzocht op 20 november 2018. De kamer was samenge- steld uit Jo Baert, kamervoorzitter, Jeroen Van Nieuwenhove en Koen Muylle, staatsraden, Jan Velaers en Bruno Peeters, assessoren, en Annemie Goossens, griffier. Het verslag is uitgebracht door Kristine  Bams, eer- ste auditeur-afdelingshoofd, en Frédéric  Vanneste en Jonas Riemslagh, auditeurs. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Jo Baert, kamervoorzitter. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 27 november 2018. * 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wet- ten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond1, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. * STREKKING VAN HET VOORONTWERP 2. Het om advies voorgelegde voorontwerp van wet is een amalgaam van maatregelen, in hoofdzaak van fiscale 1  Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder “rechtsgrond” de conformiteit met hogere rechtsnormen verstaan. AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT N° 64.422/2-3 DU 27 NOVEMBRE 2018 Le 11 octobre 2018, le Conseil d’État, section de législation, a été invité par le ministre des Finances à communiquer un avis, dans un délai de trente jours, sur un avant-projet de loi “portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses”. Les parties  III, titre  4, chapitre  2, section  4, et IV de l’avant-projet ont été examinées par la deuxième chambre le 12  novembre  2018. La chambre était com- posée de Pierre  Vandernoot, président de chambre, Luc  Detroux et Bernard  Blero, conseillers d ’ État, Sébastien Van Drooghenbroek et Jacques Englebert, asses- seurs, et Béatrice Drapier, greffier. Le rapport a été présenté par Jean-Luc Paquet, premier auditeur. La concordance entre la version française et la version néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de Pierre Vandernoot, président de chambre. L’avant-projet a pour le reste été examiné par la troisième chambre le 20 novembre 2018. La chambre était composée de Jo Baert, président de chambre, Jeroen Van Nieuwenhove et Koen Muylle, conseillers d’État, Jan Velaers et Bruno Peeters, assesseurs, et Annemie Goossens, greffier. Le rapport a été présenté par Kristine Bams, premier audi- teur chef de section, et Frédéric Vanneste et Jonas Riemslagh, auditeurs. La concordance entre la version française et la version néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de Jo Baert, président de chambre. L’avis, dont le texte suit, a été donné le 27 novembre 2018. * 1. En application de l’article 84, § 3, alinéa 1er, des lois sur le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973, la section de législation a fait porter son examen essentiellement sur la compétence de l’auteur de l’acte, le fondement juridique1 et l’accomplissement des formalités prescrites. * PORTÉE DE L’AVANT-PROJET 2. L’avant-projet de loi soumis pour avis est un amalgame de mesures, essentiellement de nature fiscale et financière. 1 S’agissant d’un avant-projet de loi, on entend par “fondement juridique” la conformité avec les normes supérieures. 140 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 en financiële aard. Veelal gaat het om wijzigingsbepalingen, maar het voorontwerp telt ook een beperkt aantal autonome bepalingen (artikelen 22 tot 24 en 88 tot 98). VOORAFGAANDE OPMERKINGEN 3. Aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, zijn op korte tijd een reeks voorontwerpen van wet tot wijziging van de belastingwetgeving voorgelegd.2 Soms komen in die verschillende voorontwerpen bepalingen in verband met de- zelfde artikelen voor (zie bijvoorbeeld opmerking 28), waarbij het niet steeds duidelijk is wat de samenhang is tussen die verschillende wijzigingsbepalingen en in welke volgorde ze zullen worden aangenomen. Voor de Raad van State is het daardoor soms moeilijk om door de bomen het bos nog te zien. De stellers van het voorontwerp zullen er over moeten waken dat de bepalingen van de verschillende voorontwer- pen in de juiste volgorde worden aangenomen en dat ook de verschillende tijdstippen van inwerkingtreding op elkaar worden afgestemd. 4. Sommige van de bepalingen van het om advies voorge- legde voorontwerp bevatten tekstdelen die tussen vierkante haakjes zijn geplaatst (zie ook de opmerkingen 14 en 30). Het gaat kennelijk om tekstgedeelten die nog niet definitief zijn. Er wordt herinnerd aan de regel dat de teksten die aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, om advies worden voorgelegd, een definitief karakter dienen te hebben. VORMVEREISTEN 5. Sommige van de ontworpen bepalingen handelen over de verwerking van persoonsgegevens, bijvoorbeeld die welke het voorwerp zijn van de artikelen 26, 29, 2°, 30, 49 en 54, 3°, van het voorontwerp. Artikel 36, lid 4, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 “betreffen- de de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/ EG (algemene verordening gegevensbescherming)”, gelezen in samenhang met artikel 57, lid 1, c), en overweging 96 van die verordening, voorziet in een verplichting om de toezichthouden- de autoriteit, in dit geval de Gegevensbeschermingsautoriteit bedoeld in de wet van 3 december 2017 “tot oprichting van 2 Zie in het bijzonder het voorontwerp van wet “tot wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wat de automatisering van de uitvoerbare titel betreft” (rolnummer 64.202/1), het voorontwerp van wet “tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen” (rolnummer 64.204/3) en het voorontwerp van wet “houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van artikel 1, § 1ter, van de wet van 5 april 1955” (rolnummer 64.323/2-3). Il s’agit généralement de dispositions modificatives, mais l’avant-projet comporte également un nombre limité de dis- positions autonomes (articles 22 à 24 et 88 à 98). OBSERVATIONS PRÉALABLES 3. Le Conseil d’État, section de législation, a été saisi, sur un court laps de temps, de toute une série d’avant-projets de loi modifiant la législation fiscale2. Ces différents avant- projets comportant parfois des dispositions en rapport avec les mêmes articles (voir par exemple l’observation n° 28), on n’aperçoit pas toujours clairement la cohérence entre ces différentes dispositions modificatives et l’ordre dans lequel elles seront adoptées. Dès lors, il est parfois difficile pour le Conseil d’État de percevoir pleinement la portée du dispositif en projet. Les auteurs de l’avant-projet devront veiller à ce que les dispositions des différents avant-projets soient adoptées dans l’ordre correct et également à ce que les différentes dates d’entrée en vigueur soient harmonisées. 4. Certaines des dispositions de l’avant-projet de loi soumis pour avis contiennent des parties entre crochets (voir égale- ment les observations nos 14 et 30). Il s’agit manifestement de parties de texte qui ne sont pas encore définitives. On rappellera la règle qui veut que les textes soumis pour avis au Conseil d’État, section de législation, doivent avoir un caractère définitif. FORMALITÉS 5. Certaines des dispositions en projet portent sur le traitement de données à caractère personnel, par exemple celles qui font l’objet des articles 26, 29, 2°, 30, 49 et 54, 3°, de l’avant-projet. L’article 36, paragraphe 4, du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 “relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règle- ment général sur la protection des données)”, combiné avec l’article 57, paragraphe 1er, c), et le considérant 96 de ce règlement, imposent de consulter l’autorité de contrôle, en l’occurrence l’Autorité de protection des données visée dans la loi du 3 décembre 2017 “portant création de l’Autorité de 2 Voir notamment l’avant-projet de loi “modifiant la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances en ce qui concerne l’automatisation du titre exécutoire” (numéro de rôle 64.202/1), l’avant-projet de loi “introduisant le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales” (numéro de rôle 64.204/1) et l’avant-projet de loi “portant des dispositions fiscales diverses et modifiant l’article 1er, § 1erter, de la loi du 5 avril 1955” (numéro de rôle 64.323/2-3). 141 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 de Gegevensbeschermingsautoriteit”,3 te raadplegen bij het opstellen van een voorstel voor een door een nationaal par- lement vast te stellen wetgevingsmaatregel, of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel in verband met verwer- king. Het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit moet bijgevolg worden ingewonnen vooraleer het voorontwerp doorgang kan vinden. 6. De artikelen 49 tot 53 van het voorontwerp strekken tot wijziging van de artikelen 157 tot 161 van de programmawet (I) van 29 maart 2012. Het gaat om regels die een betere inning en invordering van belastingen, bijbehoren, verhogingen en boetes mogelijk moeten maken. De regeling kan ook worden aangewend om gewestelijke belastingen te innen of in te vor- deren waarvoor de federale overheid nog de dienst verzorgt. Krachtens artikel  5, §  3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 “betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten” (hierna: bijzondere finan- cieringswet) zorgt de Staat voor de dienst van de belasting “in overleg met het betrokken gewest”, tot het gewest de dienst van de belasting zelf in handen neemt. In zoverre de ontwor- pen regels betrekking hebben op gewestelijke belastingen waarvoor de federale overheid nog de dienst verzorgt, dient er overleg te worden gepleegd met de betrokken gewesten. Daarover om toelichting verzocht heeft de gemachtigde medegedeeld dat het overleg zal worden georganiseerd. 7 Indien de aan de Raad van State voorgelegde tekst ten gevolge van het vervullen van de voornoemde vormvereisten nog wijzigingen zou ondergaan, moeten de gewijzigde of toe- gevoegde bepalingen, ter inachtneming van het voorschrift van artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd. ALGEMENE OPMERKINGEN I. — STRUCTUUR VAN HET VOORONTWERP 8. Volgens de Handleiding wetgevingstechniek moet worden gekozen voor “een structuur waaruit eenvoudig en snel kan worden op- gemaakt welke verschillende aspecten in een tekst worden behandeld. Daartoe kunt u: a) artikelen groeperen in hoofdstukken; b) hoofdstukken achtereenvolgens onderverdelen in afde- lingen en onderafdelingen; 3   De Commissie voor de persoonlijke levenssfeer is vanaf 25 mei 2018 opgevolgd door de Gegevensbeschermingsautoriteit (zie de artikelen 3 en 110 van de wet van 3 december 2017). De leden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer oefenen evenwel de taken en de bevoegdheden van de Gegevensbeschermingsautoriteit uit tussen 25  mei  2018 en de dag waarop de leden van het directiecomité van de Gegevensbeschermingsautoriteit de eed afleggen en een verklaring ondertekenen dat er geen belangenconflicten zijn (artikel 114 van de wet van 3 december 2017). protection des données”3, dans le cadre de l’élaboration d’une proposition de mesure législative devant être adoptée par un parlement national, ou d’une mesure réglementaire fondée sur une telle mesure législative, qui se rapporte au traitement. Il s’impose par conséquent de recueillir encore l’avis de l’Autorité de protection des données avant que le projet puisse se concrétiser. 6. Les articles 49 à 53 de l’avant-projet tendent à modifier les articles 157 à 161 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012. Il s’agit de règles permettant d’améliorer la perception et le recouvrement d’impôts, d’accessoires, d’accroissements et d’amendes. Le dispositif peut également être affecté à la perception et au recouvrement d’impôts régionaux pour lesquels l’autorité fédérale assure encore le service. En vertu de l’article 5, § 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 “relative au financement des Communautés et des Régions” (ci-après: loi spéciale de financement), l’État assure le service de l’impôt “en concertation avec [la région concernée]” et jusqu’à ce que celle-ci assure elle-même le service de l’impôt. Dans la mesure où les règles en projet concernent des impôts régionaux pour lesquels l’autorité fédérale assure encore le service, une concertation doit intervenir avec les régions concernées. Invité à fournir des précisions à ce sujet, le délégué a fait savoir que la concertation sera organisée. 7. Si l’accomplissement des formalités susmentionnées devait encore donner lieu à des modifications du texte sou- mis au Conseil d’État, les dispositions modifiées ou ajoutées devraient être soumises à la section de législation, confor- mément au prescrit de l’article 3, § 1er, alinéa 1er, des lois sur le Conseil d’État. OBSERVATIONS GÉNÉRALES I. — STRUCTURE DE L’AVANT-PROJET 8. Selon le Guide de technique législative, il faut opter pour “une structure qui permette d’identifier facilement et rapi- dement les différents aspects traités par un acte. À cet égard, vous pouvez: a) grouper les articles sous des chapitres; b) diviser les chapitres successivement en sections et en sous-sections; 3 Au 25 mai 2018, l’Autorité de protection des données a succédé à la Commission pour la protection de la vie privée (voir les articles 3 et 110 de la loi du 3 décembre 2017). Les membres de la Commission de la protection de la vie privée exercent toutefois les missions et les compétences de l’Autorité de protection des données entre le 25 mai 2018 et la date à laquelle les membres du Comité de direction de l’Autorité de protection des données auront prêté serment et signé une déclaration d’absence de conflits d’intérêts (article 114 de la loi du 3 décembre 2017). 142 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 c) hoofdstukken achtereenvolgens groeperen in titels, boeken en delen.”4 Een indeling in boeken wordt niet gebruikt in het vooront- werp. Het lijkt dan ook meer aangewezen het in te delen in titels in plaats van in delen, en die titels dan verder onder te verdelen in hoofdstukken, afdelingen en onderafdelingen. Het voorontwerp dient in alle geval logischer te worden ge- structureerd. Zo heeft de onderverdeling “Enige titel” (zonder opschrift), van bijvoorbeeld deel I dat slechts uit één artikel bestaat, geen zin. Deel III bevat twee onderverdelingen A en B, die uit de band springen en daarom weggelaten moeten worden (zie ook de opmerkingen 20 en 26). Deel III, titel 1, en deel IV, enige titel, zijn dan weer niet onderverdeeld in hoofdstukken, maar in afdelingen. Deel III, titel 2, heeft twee opschriften, wat te vermijden is. Voor deel V ten slotte wordt de eerste onderverdeling aangeduid als “Enige titel V” (sic). II. — INGRIJPEN DOOR DE WETGEVER IN DE ORGANISATIE VAN DE UITVOERENDE MACHT 9. Artikel 22, § 1, vierde lid, van het voorontwerp houdt een delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de minister van Financiën in. De verordenende bevoegdheid komt evenwel krachtens de grondwettelijke beginselen betreffende de uitoefening der staatsmachten in de eerste plaats toe aan de Koning. Weliswaar is niet onverenigbaar met die beginselen, een delegatie aan een minister van bevoegdheden van louter bijkomstige of detailmatige aard, maar zulks neemt niet weg dat het dan in principe de Koning toekomt om zulk een dele- gatie van louter bijkomstige of detailmatige aard te verlenen en niet de wetgever. Een rechtstreekse delegatie van zulke bevoegdheden aan een minister komt immers in principe neer op een ingrijpen van de wetgever in een prerogatief dat aan de Koning als hoofd van de federale uitvoerende macht (artikel 37 van de Grondwet) toebehoort. Een rechtstreekse delegatie van de wetgever aan de uit- voerende macht is niet enkel in strijd met artikel 37 van de Grondwet, maar leidt ook tot heel wat praktische problemen die aanleiding kunnen geven tot rechtsonzekerheid. Naast de aangelegenheden die door de wetgever aan een minister werden gedelegeerd (en die strikt moeten worden geïnter- preteerd), blijft de Koning immers op basis van zijn algemene uitvoeringsbevoegdheid overeenkomstig artikel 108 van de Grondwet voor het overige bevoegd om te voorzien in de uitvoering van de wet. Dit geeft in de praktijk vaak aanleiding tot onduidelijkheid en betwistingen over de vraag of bepaalde (deel)aspecten vervolgens door de Koning dan wel door de minister dienen te worden geregeld, evenals tot een diffuus en moeilijk toegankelijk rechtskader dat over zowel koninklijke als ministeriële besluiten verspreid ligt. 4 Beginselen van de wetgevingstechniek – Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, nr. 62, te raadplegen op de internetsite van de Raad van State (www.raadvst-consetat.be). c) grouper les chapitres successivement sous des titres, des livres et des parties”4. L’avant-projet ne procède pas à une division en livres. Aussi serait-il plus indiqué de diviser le projet en titres, plutôt qu’en parties, et de subdiviser ces titres à leur tour en chapitres, sections et sous-sections. L’avant-projet doit en tout état de cause être structuré de manière plus logique. Ainsi, la subdivision “Titre unique” (sans intitulé) de la Partie I par exemple, qui ne comporte qu’un seul article, est dépourvue de sens. La partie III contient deux subdivisions A et B, qui échappent à la structuration globale de l’avant-projet et qui doivent pour cette raison être omises (voir également les observations nos 20 et 26). La partie III, titre 1er, et la partie IV, titre unique, ne sont quant à elles pas subdivisées en chapitres, mais en sections. La partie III, titre 2, comporte deux intitulés, ce qu’il convient d’éviter. Enfin, en ce qui concerne la partie V, la première subdivision est désignée par “Titre unique V” (sic). II. — INTERVENTION DU LÉGISLATEUR DANS L’ORGANISATION DU POUVOIR EXÉCUTIF 9. L’article 22, § 1er, alinéa 4, de l’avant-projet, accorde une délégation de pouvoir réglementaire au ministre des Finances. Toutefois, en vertu des principes constitutionnels relatifs à l’exercice des pouvoirs, le pouvoir réglementaire est dévolu en premier lieu au Roi. Certes, il n’est pas incompatible avec ces principes de conférer à un ministre une délégation de pouvoirs d’ordre accessoire ou secondaire, mais il n’en demeure pas moins qu’il appartient alors en principe au Roi et non au législateur d’octroyer pareille délégation. En effet, l’octroi d’une délégation directe de pouvoirs de l’espèce à un ministre signifierait en principe que le législateur empiéterait sur une prérogative qui revient au Roi en tant que chef du pouvoir exécutif fédéral (article 37 de la Constitution). L’octroi par le législateur d’une délégation directe au pouvoir exécutif est non seulement contraire à l’article 37 de la Constitution, mais pose également de nombreux pro- blèmes d’ordre pratique susceptibles de créer une insécurité juridique. En effet, outre les matières que le législateur a déléguées à un ministre (et qui doivent être interprétées au sens strict), le Roi demeure compétent, pour le surplus, pour exécuter la loi, en vertu du pouvoir général d’exécution qu’il tire de l’article 108 de la Constitution. Dans la pratique, cela engendre souvent la confusion et des contestations à propos de la question de savoir si certains aspects (partiels) doivent ensuite être réglés par le Roi ou par le ministre. Il en résulte également un cadre juridique confus et difficilement acces- sible, la réglementation en question se dispersant dans des arrêtés tant royaux que ministériels. 4 Principes de technique législative  Guide de rédaction des textes législatifs et réglementaires, Conseil d’État, 2008, n° 62, à consulter sur le site Internet du Conseil d’État (www.raadvst- consetat.be). 143 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 De delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de minis- ter van Financiën dient bijgevolg te worden vervangen door een delegatie aan de Koning. Maar ook door rechtstreeks niet-regelgevende bevoegd- heden toe te wijzen aan de minister van Financiën, aan een door die minister gemachtigde of aan de administratie grijpt de wetgever in op het prerogatief van de Koning.5 Ook de delegaties van individuele bevoegdheid zijn in de eerste plaats zaak van de Koning. De wetgever dient het toewijzen ervan aan de Koning over te laten, die op zijn beurt de aangelegenheid eventueel kan overlaten aan de minister van Financiën. ONDERZOEK VAN DE TEKST DEEL I – INLEIDENDE BEPALING 10. Dit deel geeft geen aanleiding tot opmerkingen. DEEL II – FISCALE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1 Eenheidsstatuut 11. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. HOOFDSTUK 2 ATAD – Interestaftrekbeperking 12. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. HOOFDSTUK 3 Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse vennootschap verbonden met de werkgever Afdeling 1 Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Artikel 8 13. Artikel 8 van het voorontwerp strekt tot het toevoe- gen van een lid aan artikel 270 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92). In dat artikel wordt bepaald wie de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is. Het ontworpen lid voert een juridische fictie in: in bepaalde geval- len wordt een belastingplichtige wiens “werknemer wegens of naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit bij die belasting- plichtige bezoldigingen en/of voordelen van alle aard ontvangt zoals bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, WIB 92 vanwege een met die belastingplichtige verbonden buitenlandse vennootschap, 5 Zie bijvoorbeeld de artikelen 25, vierde lid, en 122  van het voorontwerp. Par conséquent, la délégation de pouvoir réglementaire au ministre des Finances doit être remplacée par une délé- gation au Roi. En attribuant directement des pouvoirs non réglementaires au ministre des Finances, à un délégué de ce ministre ou à l’administration, le législateur empiète également sur la prérogative du Roi5. Les délégations de pouvoir individuel appartiennent égale- ment en premier lieu au Roi. Le législateur est tenu de laisser au Roi le soin de les attribuer, ce dernier pouvant à son tour éventuellement laisser la matière à la discrétion du ministre des Finances. EXAMEN DU TEXTE PARTIE I – DISPOSITION INTRODUCTIVE 10. Cette partie n’appelle aucune observation. PARTIE II – DISPOSITIONS FISCALES CHAPITRE 1ER Statut unique 1.1. Ce chapitre n’appelle aucune observation. CHAPITRE 2 ATAD – Limitation d’intérêts 12. Ce chapitre n’appelle aucune observation. CHAPITRE 3 Rémunérations reçues d’une société étrangère liée à l’employeur Section 1re Modifications du Code des impôts sur les revenus 1992 Article 8 13. L’article 8 de l’avant-projet tend à ajouter un alinéa à l’article 270 du Code des impôts sur les revenus 1992 (ci-après: CIR 92). Cet article détermine qui est redevable du précompte professionnel. L’alinéa en projet instaure une fiction juridique: dans certains cas, un contribuable “dont un travailleur reçoit en raison ou à l’occasion de son activité professionnelle auprès du contribuable des rémunérations et/ ou des avantages de toute nature tels que visés à l’article 30, 1° et 2°, CIR 92 de la part d’une société étrangère liée à ce contribuable sera considéré comme ayant lui-même octroyé 5 Voir par exemple les articles 25, alinéa 4, et 122, de l’avant-projet. 144 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 geacht die bezoldigingen en/of voordelen van alle aard zelf te hebben toegekend” (citaat uit de memorie van toelichting). Het is echter onzeker of de belastingplichtige in al die gevallen kennis heeft van de nodige gegevens om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen; het feit dat het gaat om een buitenlandse vennootschap die met de belastingplich- tige verbonden is, garandeert immers niet dat de belas- tingplichtige tijdig de nodige informatie heeft gekregen. Uit artikel 412, tweede lid, van het WIB 92 volgt immers dat de bedrijfsvoorheffing betaalbaar is binnen vijftien dagen na het verstrijken van de maand waarin de inkomsten werden betaald of toegekend. Aan de gemachtigde is daarom de vraag gesteld hoe een dochteronderneming die ingevolge de juridische fictie de bedrijfsvoorheffing moet betalen, kan weten dat de moe- dermaatschappij bezoldigingen of voordelen van alle aard heeft toegekend en wanneer dat is gebeurd. De gemachtigde antwoordde het volgende: “Comme indiqué dans l’exposé des motifs, c’est bien “en l’absence de retenue du précompte professionnel, et en l’absence du respect de l’obligation de transmettre cer- taines informations”, que ce type de rémunération échappe à l’impôt légalement dû. La fi ction proposée peut donc être analysée comme une mesure anti-abus, prise pour contrer certains schémas de rémunération utilisant des sociétés liées étrangères. On rappelle également que la fi ction ne sera applicable qu’en présence de sociétés liées, au sens du Code des sociétés (ou du futur Code des sociétés et des associations), dont l’une est une entreprise résidente belge, et l’autre une entreprise étrangère. Or pour que de telles sociétés soit considérées comme liées, il faut que l’une exerce un contrôle sur l’autre (article 11, C. soc.) ou que, à défaut d’un tel contrôle, elles soient toutes les deux placées sous un contrôle unique (cas du consortium, cf. article 10, C. soc.). Le contrôle implique quant à lui un pouvoir d’infl uence déci- sive sur la désignation une majorité d’administrateurs ou de gérants de la société contrôlée, ou un pouvoir d’infl uence décisive sur l’orientation de la gestion de la société contrôlée (article 5, C. soc.). On peut difficilement considérer que les décisions d’attribuer des rémunérations ou tout autre avantage, à une personne non liée contractuellement à la société débitrice, mais qui est un travailleur d’une société liée belge, soient prises sans que les administrateurs ou gérants de la société étrangère et/ou de la société belge n’en soient informés, ou sans que cela ne soit considéré comme faisant partie de la gestion de la société étrangère et/ou de la société belge. Par ailleurs, la fi ction ne trouve à s’appliquer que “en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du béné- fi ciaire au profi t du contribuable”, c’est-à-dire uniquement en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du travailleur au profi t de la société liée belge. En outre, et d’une manière très concrète, on imagine mal une société liée étrangère accorder un avantage à ces rémunérations et/ou ces avantages de toute nature” (citation de l’exposé des motifs). Cependant, il n’est pas certain que le contribuable ait, dans tous ces cas, connaissance des éléments nécessaires pour pouvoir satisfaire à ses obligations; le fait qu’il s’agisse d’une société étrangère liée au contribuable ne garantit en effet pas que le contribuable a reçu les informations en temps utile. Il ressort effectivement de l’article 412, alinéa 2, du CIR 92, que le précompte professionnel est payable dans les quinze jours qui suivent l’expiration du mois pendant lequel les revenus ont été payés ou attribués. La question a dès lors été posée au délégué de savoir comment une filiale qui doit payer le précompte professionnel en raison de la fiction juridique peut savoir que la société mère a octroyé des rémunérations ou des avantages de toute nature et quand cela a été fait. Le délégué a répondu ce qui suit: “Comme indiqué dans l’exposé des motifs, c’est bien “en l’absence de retenue du précompte professionnel, et en l’absence du respect de l’obligation de transmettre cer- taines informations”, que ce type de rémunération échappe à l’impôt légalement dû. La fiction proposée peut donc être analysée comme une mesure anti-abus, prise pour contrer certains schémas de rémunération utilisant des sociétés liées étrangères. On rappelle également que la fiction ne sera applicable qu’en présence de sociétés liées, au sens du Code des sociétés (ou du futur Code des sociétés et des associations), dont l’une est une entreprise résidente belge, et l’autre une entreprise étrangère. Or pour que de telles sociétés soit consi- dérées comme liées, il faut que l’une exerce un contrôle sur l’autre (article 11, C. soc.) ou que, à défaut d’un tel contrôle, elles soient toutes les deux placées sous un contrôle unique (cas du consortium, cf. article 10, C. soc.). Le contrôle implique quant à lui un pouvoir d’influence décisive sur la désignation une majorité d’administrateurs ou de gérants de la société contrôlée, ou un pouvoir d’influence décisive sur l’orientation de la gestion de la société contrôlée (article 5, C. soc.). On peut difficilement considérer que les décisions d’attri- buer des rémunérations ou tout autre avantage, à une per- sonne non liée contractuellement à la société débitrice, mais qui est un travailleur d’une société liée belge, soient prises sans que les administrateurs ou gérants de la société étran- gère et/ou de la société belge n’en soient informés, ou sans que cela ne soit considéré comme faisant partie de la gestion de la société étrangère et/ou de la société belge. Par ailleurs, la fiction ne trouve à s’appliquer que “en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable”, c’est-à-dire uniquement en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du travailleur au profit de la société liée belge. En outre, et d’une manière très concrète, on imagine mal une société liée étrangère accorder un avantage à 145 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 un travailleur d’une société liée belge, sans connaître un minimum d’informations sur ledit travailleur. Or ces informa- tions (identité du travailleur, fonction dans l’entreprise, et, éventuellement, numéro de compte bancaire, etc.) peuvent difficilement être transmises à la société liée étrangère, sans que la société liée belge n’en soit elle-même informée, ou sans qu’elle ne participe activement à la transmission de ces données. De ces éléments, on peut raisonnablement en déduire qu’une société belge liée à une société étrangère, comme dans les cas visés par la fi ction, sait lorsque la société liée étrangère attribue une rémunération à un travailleur de la société belge, alors qu’il n’existe aucune relation contrac- tuelle de travail entre le travailleur de la société belge et la société liée étrangère. Dans les cas où de tels schémas de rémunération étaient jusqu’à présent utilisés pour échapper au fi sc, on peut considérer qu’ils étaient mis en place à l’instigation même de la société belge, en vue de gratifi er un de ses travailleurs; dans les autres cas, on peut aussi raisonnablement considérer que la société étrangère liée informe la société liée belge de son intention d’attribuer un avantage à un travailleur de ladite société liée belge. Quel que soit le cas de fi gure, la société liée belge est donc bien mise au courant de l’attribution d’un avantage à un de ses travailleurs par la société liée étrangère. Enfi n, si on devait considérer qu’il existe des cas où, actuellement, la société liée belge n’est pas informée de l’existence de telles opérations effectuées par une société liée étrangère, on peut raisonnablement estimer que les sociétés liées belges potentiellement concernées prendront les devants en informant leurs sociétés liées étrangères de la nouvelle fi ction fi scale belge. Elles pourraient donc, par exemple, demander à leurs sociétés liées étrangères de ne pas procéder à des attributions comme celles visées par la fi ction, sans s’assurer préalablement d’en avoir informé la société liée belge.” Aan de gemachtigde is voorts gevraagd of in geval van niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing door de dochteron- derneming, de bestuurders ervan hoofdelijk gehouden zijn krachtens artikel 442quater van het WIB 92. Het antwoord luidde: “Cette fiction s’étend naturellement aux dispositions régissant le recouvrement du précompte professionnel, ainsi qu’aux sanctions qui y sont liées. Le libellé de la phrase liminaire de l’article  270, alinéa  2, CIR 92, tel qu’inséré par le présent projet de loi, à savoir “pour l’application du précompte professionnel”, nous semble suffisamment clair sur ce point. Toutefois, la responsabilité solidaire des administrateurs prévue à l’article 442quater CIR 92 est une responsabilité à base de faute (la disposition renvoie expressément à l’ar- ticle 1382 du Code civil). Il s’ensuit que cette responsabilité ne saurait être engagée si, malgré les fortes présomptions mentionnées à la réponse précédente, la société débitrice du précompte professionnel à cause de la fi ction prouve qu’elle était dans l’ignorance du paiement d’une rémunération ou un travailleur d’une société liée belge, sans connaître un minimum d’informations sur ledit travailleur. Or ces informa- tions (identité du travailleur, fonction dans l’entreprise, et, éventuellement, numéro de compte bancaire, etc.) peuvent difficilement être transmises à la société liée étrangère, sans que la société liée belge n’en soit elle-même informée, ou sans qu’elle ne participe activement à la transmission de ces données. De ces éléments, on peut raisonnablement en déduire qu’une société belge liée à une société étrangère, comme dans les cas visés par la fiction, sait lorsque la société liée étrangère attribue une rémunération à un travailleur de la société belge, alors qu’il n’existe aucune relation contrac- tuelle de travail entre le travailleur de la société belge et la société liée étrangère. Dans les cas où de tels schémas de rémunération étaient jusqu’à présent utilisés pour échapper au fisc, on peut considérer qu’ils étaient mis en place à l’ins- tigation même de la société belge, en vue de gratifier un de ses travailleurs; dans les autres cas, on peut aussi raisonna- blement considérer que la société étrangère liée informe la société liée belge de son intention d’attribuer un avantage à un travailleur de ladite société liée belge. Quel que soit le cas de figure, la société liée belge est donc bien mise au courant de l’attribution d’un avantage à un de ses travailleurs par la société liée étrangère. Enfin, si on devait considérer qu’il existe des cas où, actuellement, la société liée belge n’est pas informée de l’existence de telles opérations effectuées par une société liée étrangère, on peut raisonnablement estimer que les sociétés liées belges potentiellement concernées prendront les devants en informant leurs sociétés liées étrangères de la nouvelle fiction fiscale belge. Elles pourraient donc, par exemple, demander à leurs sociétés liées étrangères de ne pas procéder à des attributions comme celles visées par la fiction, sans s’assurer préalablement d’en avoir informé la société liée belge”. Il a en outre été demandé au délégué si en cas de non-paie- ment du précompte professionnel par la filiale, les administra- teurs de celle-ci seraient solidairement responsables en vertu de l’article 442quater du CIR 92. Il a répondu comme suit: “Cette fiction s’étend naturellement aux dispositions régissant le recouvrement du précompte professionnel, ainsi qu’aux sanctions qui y sont liées. Le libellé de la phrase limi- naire de l’article 270, alinéa 2, CIR 92, tel qu’inséré par le présent projet de loi, à savoir “pour l’application du précompte professionnel”, nous semble suffisamment clair sur ce point. Toutefois, la responsabilité solidaire des administrateurs prévue à l’article 442quater CIR 92 est une responsabilité à base de faute (la disposition renvoie expressément à l’ar- ticle 1382 du Code civil). Il s’ensuit que cette responsabilité ne saurait être engagée si, malgré les fortes présomptions mentionnées à la réponse précédente, la société débitrice du précompte professionnel à cause de la fiction prouve qu’elle était dans l’ignorance du paiement d’une rémunération ou 146 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 d’un avantage par une société liée à un de ses propres travailleurs.” 14. In het ontworpen artikel 270, tweede lid, van het WIB 92, doch ook in andere onderdelen van het voorontwerp, ko- men tekstgedeelten tussen vierkante haakjes voor waarmee wordt aangegeven tussen welke van de twee alternatieve formuleringen zal worden gekozen, afhankelijk van het feit of het wetsontwerp “tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen”6 al dan niet wet is geworden. In de uiteindelijke versie zullen die tekstgedeelten moeten worden vervangen door de definitieve tekst. Afdeling 2 Verplichting tijdens overgangsperiode voor de inkomsten van het belastbaar tijdperk 2018 Artikelen 22 en 23 15. Artikel 22 van het voorontwerp is een autonoom artikel. Het voert een aangifteplicht in voor belastingplichtigen onder- worpen aan de vennootschapsbelasting, de rechtspersonen- belasting of de belasting van niet-inwoners – wat die laatste belasting betreft met uitzondering van de niet-rijksinwoners –, inzake bepaalde aan werknemers of bedrijfsleiders tijdens het kalenderjaar 2018 door met de belastingplichtige verbon- den buitenlandse vennootschappen betaalde of toegekende bezoldigingen. Ze dienen daartoe fiches op te stellen waarin de bedoelde bezoldigingen worden vermeld (“een fiche (…) die de bezoldigingen (…) herneemt”) en die aan de Federale Overheidsdienst Financiën (hierna: FOD Financiën) te bezor- gen voor 1 maart 2019. Ook wordt voorzien in een fiscale boete voor het niet of niet correct voldoen aan de aangifteplicht. In artikel 23 van het voorontwerp wordt bepaald dat “de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing [zijn] op deze afdeling”, “[v]oor zover daarvan niet wordt afgeweken”. Gelet daarop wordt de aan- gifteplicht, die uitsluitend betrekking heeft op bezoldigingen betaald of toegekend tijdens het kalenderjaar 2018, beter niet opgenomen in een autonome bepaling, maar ingevoegd in titel X (“Overgangsbepalingen”) van het WIB 92. De bepalingen van het WIB 92 zijn dan automatisch van toepassing indien de nieuwe bepalingen er niet van afwijken. 16. In artikel 22, § 1, derde lid, wordt bepaald dat “[d]e in het eerste lid bedoelde fiche” voor 1 maart 2019 aan de FOD Financiën moet worden bezorgd. In het vierde lid wordt de “minister van Financiën of zijn gedelegeerde” belast met de opdracht om “het model (...) van de fiche bedoeld in het eerste lid” op te stellen. De aangifteplicht wordt echter niet enkel in het eerste lid, maar ook in het tweede lid geregeld. En ook in het tweede lid is sprake van de verplichting een fiche op te stellen. Er zal zowel in het derde lid als in het vierde lid derhalve niet enkel naar het eerste, maar ook naar het tweede lid moeten 6 Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 54-3119/012 (artikelen aangenomen in eerste lezing). d’un avantage par une société liée à un de ses propres travailleurs”. 14. À l’article 270, alinéa 2, en projet, du CIR 92, mais également en d’autres endroits de l’avant-projet, des par- ties de texte figurent entre crochets afin d’indiquer les deux formulations possibles entre lesquelles il faudra choisir selon que le projet de loi ‘introduisant le Code des sociétés et des associations et portant des dispositions diverses6’ sera ou non devenu une loi. Dans la version finale, ces parties de textes seront remplacées par le texte définitif. Section 2 Obligation transitoire pour les revenus de la période imposable 2018 Articles 22 et 23 15. L’article 22 de l’avant-projet est un article autonome. Il prévoit une déclaration obligatoire pour des contribuables assujettis à l’impôt des sociétés, à l’impôt des personnes morales ou à l’impôt des non-résidents – pour ce dernier impôt, à l’exception des non-habitants du Royaume – concer- nant certaines rémunérations payées ou attribuées à des tra- vailleurs ou dirigeants d’entreprise au cours de l’année civile 2018 par une société étrangère liée au contribuable. Ils doivent à cette fin établir des fiches mentionnant les rémunérations (“une fiche reprenant les rémunérations [...]”) et transmettre celle-ci au SPF Finances avant le 1er mars 2019. Une amende fiscale est également prévue dans le cas où l’obligation de déclaration n’est pas ou pas correctement respectée. L’article 23 de l’avant-projet dispose que “les dispositions du Code des impôts sur les revenus 1992 sont d’application à la présente section”, “[p]our autant qu’il n’y soit pas dérogé”. Dès lors, il vaudrait mieux ne pas faire figurer l’obligation de déclaration, qui concerne exclusivement des rémunérations payées ou attribuées au cours de l’année civile 2018, dans une disposition autonome, mais l’insérer dans le titre X (“Dispositions transitoires”) du CIR 92. De cette manière, les dispositions du CIR 92 seront automatiquement applicables si les nouvelles dispositions n’y dérogent pas. 16. L’article 22, § 1er, alinéa 3, dispose que “[l]a fiche visée à l’alinéa 1er” doit être transmise au SPF Finances avant le 1er mars 2019. L’alinéa 4 charge le “ministre des Finances ou son délégué” de fixer “le modèle de fiche visée à l’alinéa 1er”. Toutefois, l’obligation de déclaration n’est pas uniquement réglée à l’alinéa 1er, mais également à l’alinéa 2. Et l’ali- néa 2 aussi traite de l’obligation d’établir une fiche. Tant à l’alinéa 3 ainsi qu’à l’alinéa 4, il conviendra par conséquent de viser non seulement l’alinéa 1er, mais aussi 6 Doc. parl., Chambre, 2018-2019, n° 54-3119/012 (articles adoptés en première lecture). 147 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 worden verwezen. Anders zal er voor de gevallen bedoeld in artikel 22, § 1, tweede lid, van het voorontwerp geen uiterste datum zijn bepaald en zal er zelfs geen verplichting bestaan om die fiche aan de FOD Financiën te bezorgen. Ook een model van de fiche bedoeld in het tweede lid kan dan niet worden opgesteld. 17. In artikel 22, § 2, tweede lid, van het voorontwerp wordt in de Nederlandse tekst verwezen naar “de begunstigde”, maar ook naar “de verkrijger”. Dat het om dezelfde persoon gaat, blijkt uit de Franse tekst waar alleen sprake is van “le bénéficiaire”. Ter wille van de rechtszekerheid is het raadzaam om een eenvormige terminologie te hanteren. Afdeling 3 Inwerkingtreding 18. Deze afdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen. HOOFDSTUK 4 Wijzigingen van de programmawet van 27 december 2004 19. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. DEEL III – FRAUDEBESTRIJDING 20. Tussen het opschrift van deel III en het opschrift van titel 1 ervan komt een tekstfragment voor (“A. De uitvoering van de parlementaire aanbevelingen wat de Panama Papers betreft en de aanbevelingen van de OESO naar aanleiding van de Peer Review (TITELS 1 tot 3)”), dat er niet thuis hoort en derhalve geschrapt moet worden. TITEL 1 Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen Afdeling 1 Gegevensuitwisseling met derde landen Artikel 26 21. Naar aanleiding van een vraag over de draagwijdte van het ontworpen artikel 338ter van het WIB 92 en meer bepaald van het zinsdeel “op verzoek van deze laatsten”, liet de gemachtigde het volgende weten: “Het doel van artikel 338ter is het tijdig toegang voorzien tot informatie over uiteindelijk begunstigden (meer algemeen het goede functioneren van de administratieve samenwerking zoals beoogd door de Richtlijn 2016/2258 en de OESO- standaard) in de nationale wetgeving vastleggen. Het betreft een conceptuele implementering van de bepalingen van de Richtlijn, die eveneens geldt voor de verhouding tussen België en derde landen. Naar aanleiding van uw vraag, zijn l’alinéa 2. À défaut, aucune date limite ne sera fixée pour les cas visés à l’article 22, § 1er, alinéa 2, de l’avant-projet, et il n’y aura même pas d’obligation de transmettre cette fiche au SPF Finances. Un modèle de la fiche visée à l’alinéa 2 ne pourra pas non plus être fixé. 17. À l’article 22, § 2, alinéa 2, de l’avant-projet, le texte néerlandais fait référence à “de begunstigde”, mais aussi à “de verkrijger”. Il ressort du texte français, où il n’est question que du “bénéficiaire”, qu’il s’agit de la même personne. Dans un souci de sécurité juridique, il est conseillé d’employer une terminologie uniforme. Section 3 Entrée en vigueur Cette section n’appelle aucune observation. CHAPITRE 4 Modifications de la loi-programme du 27 décembre 2004 19. Ce chapitre n’appelle aucune observation. PARTIE III – LUTTE CONTRE LA FRAUDE 20. Entre l’intitulé de la partie III et l’intitulé du titre 1er figure un extrait de texte (“A. La mise en œuvre des recom- mandations parlementaires concernant les Panama Papers et les recommandations de l’OCDE suite au Peer Review (TITRES 1er à 3)”), qui n’a pas sa place à cet endroit et qui doit donc être omis. TITRE 1ER Modifications en matière d’impôts sur les revenus Section 1re Échange de données avec des pays tiers Article 26 21. Faisant suite à une question relative à la portée de l’article 338ter, en projet, du CIR 92, et plus précisément du segment de phrase “sur demande de ces dernières”, le délégué a donné les explications suivantes: “Het doel van artikel 338ter is het tijdig toegang voorzien tot informatie over uiteindelijk begunstigden (meer algemeen het goede functioneren van de administratieve samenwerking zoals beoogd door de Richtlijn 2016/2258 en de OESO- standaard) in de nationale wetgeving vastleggen. Het betreft een conceptuele implementering van de bepalingen van de Richtlijn, die eveneens geldt voor de verhouding tussen België en derde landen. Naar aanleiding van uw vraag, zijn 148 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 wij tot de constatatie gekomen dat de huidige formulering van artikel 338ter deze doelstelling mogelijks niet bereikt. Te dien einde verwijzen wij naar randnummer 184 van de handleiding “beginselen van de wetgevingstechniek” (p. 114) dat voorschrijft dat wanneer een Richtlijn bepaalt dat dwin- gende maatregelen of afwijkingen moeten worden voorge- schreven, [...] het niet voldoende [is] te stellen dat dwingende maatregelen moeten worden genomen of dat afwijkingen mogelijk zijn, maar moeten die dwingende maatregelen en afwijkingen ook worden vastgelegd. In de oorspronkelijke ontwerptekst is hieraan per vergissing voorbijgegaan. Teneinde met de invoeging van artikel  338ter dit doel alsnog te bereiken, kan de ontwerptekst mogelijks als volgt worden aangepast: “Teneinde de gegevens bedoeld in artikel 338, § 24/1, te kunnen overmaken aan de buitenlandse belastingautoriteiten en belastingautoriteiten van derde landen, binnen de juri- dische grondslag die de uitwisseling van informatie tussen België en het derde land regelt, kunnen de voormelde gege- vens door de Belgische bevoegde autoriteit conform artikel 30, tweede lid en artikel 31, zevende lid van de Richtlijn 2015/849/ EU zonder enige beperking bij de volgens de voormelde Richtlijn meldingsplichtige entiteiten worden opgevraagd, die ze binnen een maand na het verzoek dienen te bezorgen aan de Belgische bevoegde autoriteit.” In die zin lijkt ook een aanpassing van de derde alinea bij artikel 26 in het ontwerp van de Memorie van toelichting aangewezen. Het betreft louter een invoering van een con- ceptueel gegeven in Richtlijn 2016/2258 (ofte DAC5) en van de OESO-standaard: “Om aan de internationale verplichtingen van België te voldoen en in overeenstemming te zijn met de OESO-normen voor transparantie en informatie-uitwisseling en als gevolg van het peer review-rapport van maart 2018, verzekert dit artikel de toegankelijkheid van de desbetreffende gegevens en derhalve de tijdige gegevensuitwisseling tussen België en niet-EU-rechtsgebieden met wie er een wettelijke basis bestaat voor de uitwisseling van informatie. Ook de tijdige toegankelijkheid tot de informatie zoals voorgeschreven door de in de wettekst aangehaalde artikelen van Richtlijn 2015/849/EU teneinde voldoende waarborgen te geven voor de functionering van de administratieve samenwerking con- form artikel 1 van de Richtlijn 2016/2258/EU, wordt met de toevoeging van artikel 338ter thans verwezenlijkt.”” Gelet op het feit dat daarmee een volledig andere draag- wijdte wordt gegeven aan de om advies voorgelegde bepa- ling, kan de Raad van State niet ingaan op de nieuwe tekst voorgesteld door de gemachtigde. De afdeling Wetgeving dient zich voor het geven van haar advies immers in begin- sel te houden aan de tekst die haar door de minister van Financiën om advies is voorgelegd nadat de Ministerraad op 5 oktober 2018 het voorontwerp had besproken. Een dergelijke nieuwe bepaling kan desgewenst wel het voorwerp uitmaken van een nieuwe adviesaanvraag, eventueel in de vorm van een amendement. wij tot de constatatie gekomen dat de huidige formulering van artikel 338ter deze doelstelling mogelijks niet bereikt. Te dien einde verwijzen wij naar randnummer 184 van de handleiding “beginselen van de wetgevingstechniek” (p. 114) dat voorschrijft dat wanneer een Richtlijn bepaalt dat dwin- gende maatregelen of afwijkingen moeten worden voorge- schreven, [...] het niet voldoende [is] te stellen dat dwingende maatregelen moeten worden genomen of dat afwijkingen mogelijk zijn, maar moeten die dwingende maatregelen en afwijkingen ook worden vastgelegd. In de oorspronkelijke ontwerptekst is hieraan per vergissing voorbijgegaan. Teneinde met de invoeging van artikel 338ter dit doel alsnog te bereiken, kan de ontwerptekst mogelijks als volgt worden aangepast: “Teneinde de gegevens bedoeld in artikel 338, § 24/1, te kunnen overmaken aan de buitenlandse belastingauto- riteiten en belastingautoriteiten van derde landen, binnen de juridische grondslag die de uitwisseling van informatie tussen België en het derde land regelt, kunnen de voormelde gegevens door de Belgische bevoegde autoriteit conform artikel  30, tweede lid en artikel  31, zevende lid van de Richtlijn 2015/849/EU zonder enige beperking bij de volgens de voormelde Richtlijn meldingsplichtige entiteiten worden opgevraagd, die ze binnen een maand na het verzoek dienen te bezorgen aan de Belgische bevoegde autoriteit.” In die zin lijkt ook een aanpassing van de derde alinea bij artikel 26 in het ontwerp van de Memorie van toelichting aangewezen. Het betreft louter een invoering van een concep- tueel gegeven in Richtlijn 2016/2258 (ofte DAC5) en van de OESO-standaard: “Om aan de internationale verplichtingen van België te voldoen en in overeenstemming te zijn met de OESO-normen voor transparantie en informatie-uitwisseling en als gevolg van het peer review-rapport van maart 2018, verzekert dit artikel de toegankelijkheid van de desbetreffende gegevens en derhalve de tijdige gegevensuitwisseling tussen België en niet-EU-rechtsgebieden met wie er een wettelijke basis bestaat voor de uitwisseling van informatie. Ook de tijdige toegankelijkheid tot de informatie zoals voorgeschreven door de in de wettekst aangehaalde artikelen van Richtlijn 2015/849/EU teneinde voldoende waarborgen te geven voor de functionering van de administratieve samenwerking conform artikel 1 van de Richtlijn 2016/2258/EU, wordt met de toevoeging van artikel 338ter thans verwezenlijkt””. Compte tenu du fait qu’une tout autre portée est ainsi donnée à la disposition soumise pour avis, le Conseil d’État ne peut aborder le nouveau texte proposé par le délégué. En effet, pour donner son avis, la section de législation doit en principe s’en tenir au texte qui lui a été soumis par le ministre des Finances après l’examen de l’avant-projet par le Conseil des ministres du 5 octobre 2018. Toutefois, pareille nouvelle disposition peut, au besoin, faire l’objet d’une nou- velle demande d’avis, éventuellement sous la forme d’un amendement. 149 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Afdeling 2 Juridische constructies 22. Deze afdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Afdeling 3 Onderzoeksbevoegdheden Artikel 29 23. Terwijl artikel 29, 2°, van het voorontwerp ertoe strekt om het recht om het UBO-register te consulteren voor te be- houden aan ambtenaren met een graad hoger dan attaché, dat wil zeggen ambtenaren benoemd in de klasse A3 (ad- viseur) of hoger, wordt het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen niet meer aan dezelfde beperking onderworpen. Artikel 29, 3°, van het voorontwerp strekt im- mers tot de opheffing van het huidige derde lid van artikel 322, § 1, van het WIB 92, dat een beperking in die zin inhoudt, en het nieuwe tweede lid, dat wordt ingevoegd bij artikel 29, 1°, van het voorontwerp, beperkt het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen tot “ambtenaren voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen”. Een beperking tot ambtenaren met een bepaalde graad is er niet meer in opgenomen. De wetgever dient te beslissen of hij de uitvoerende macht de mogelijkheid laat om die meer verregaande bevoegdheden aan om het even welke ambtenaar te geven, ongeacht de graad. Elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven dient evenwel te beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte – in dit geval: het vast- stellen van de regelmatigheid van de belastingaangifte – en in een redelijke verhouding te staan tot de beoogde doelstel- ling. Met het oog op die evenredigheid is het van belang te voorzien in effectieve waarborgen tegen misbruik. In het licht hiervan is ook het voorbehouden van het uitoefenen van die meer verregaande bevoegdheden aan ambtenaren vanaf een bepaalde graad een bepalende factor. TITEL 2 Wijzigingen aan Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde 24. Na het opschrift van titel 2 komt een tekstfragment voor (“Geheim van de vraag om inlichtingen van buitenlandse auto- riteiten”) waarvan de functie niet duidelijk is. Dat tekstfragment moet derhalve worden geschrapt. Artikel 30 25. Artikel  30  van het voorontwerp strekt ertoe in het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (hierna: Btw-wetboek) een artikel 93bis/1 in te voegen, dat Section 2 Constructions juridiques 22. Cette section n’appelle aucune observation. Section 3 Pouvoirs d’investigation Article 29 23. Tandis que l’article 29, 2°, de l’avant-projet vise à réserver le droit de consulter le registre UBO aux agents ayant un grade supérieur à celui d’attaché, c’est-à-dire aux agents nommés dans la classe A3 (conseiller) ou au-delà, le droit d’entendre des tiers et de procéder à des enquêtes n’est plus soumis à la même limitation. L’article 29, 3°, de l’avant-projet entend en effet abroger l’actuel alinéa 3 de l’article 322, § 1er, du CIR 92, qui contient une limitation dans ce sens, et le nou- vel alinéa 2, inséré par l’article 29, 1°, de l’avant-projet, limite le droit d’entendre des tiers et de procéder à des enquêtes aux “agents munis de leur commission et chargés d’effectuer un contrôle ou une enquête se rapportant à l’application de l’impôt sur les revenus”. La disposition ne prévoit plus de limitation aux agents ayant un certain grade. Le législateur doit décider s’il laisse au pouvoir exécutif la possibilité de conférer ces pouvoirs plus étendus à n’importe quel agent, peu importe son grade. Toute ingérence des pouvoirs publics dans l’exercice du droit au respect de la vie privée doit toutefois répondre à un besoin social impé- rieux – en l’occurrence: la constatation de la régularité de la déclaration fiscale – et doit être proportionnée à l’objectif poursuivi. Afin de respecter cette proportionnalité, il importe de prévoir des garanties effectives contre les abus. Le fait de réserver l’exercice de ces pouvoirs plus étendus aux agents qui ont au minimum un certain grade est aussi un facteur déterminant en ce sens. TITRE 2 Modifications du Code de la Taxe sur la valeur ajoutée 24. L’intitulé du titre 2 est suivi d’un extrait de texte (“Secret de la demande d’informations formulée par l’autorité étran- gère”) dont la fonction n’est pas claire. Il conviendra dès lors de le supprimer. Article 30 25. L’article 30 de l’avant-projet tend à insérer dans le Code de la Taxe sur la valeur ajoutée (ci-après: le Code TVA) un article 93bis/1, identique à l’article 337/1 du CIR 92. Dans 150 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 gelijk is aan artikel 337/1 van het WIB 92. In advies 60.634/37 heeft de Raad van State een aantal opmerkingen gemaakt bij de ontworpen bepaling die artikel 337/1 van het WIB 92 is geworden. Met die opmerkingen is grotendeels rekening gehouden. De volgende opmerking is niet gevolgd, en kan hier dus worden herhaald: “Ingeval de autoriteit niet (uitdrukkelijk of stilzwijgend) akkoord gaat met het vrijgeven van de informatie, duurt de beperking van het grondrecht “zolang het onderzoek van de buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover de in- zage nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek”. Allicht is het de bedoeling om de beoordeling daarvan over te laten aan de andere autoriteit, maar dan rijst de vraag hoe de federale overheid in kennis zal worden gesteld van het gegeven dat het onderzoek is afgerond en hoe er kan voor worden gezorgd dat die kennisgeving prompt gebeurt.” TITEL 3 Wijzigingen aan de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapregeling inzake inkomstenbelastingen ten tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken 26. Aan het einde van titel 3, net voor op het opschrift van titel 4, komt een tekstfragment voor (“B. De minnelijke en gedwongen invordering van fiscal en niet-fiscale schuldvor- deringen en de automatisering en de modernisering van de gegevensuitwisseling tussen de administratie en zijn partners (TITEL 4)”), dat er niet thuis hoort en derhalve geschrapt moet worden. TITEL 4 De invordering HOOFDSTUK 1 Verplichting van de betaling in euro door bepaalde administraties van de FOD Financiën 27. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. 7 Adv.RvS 60.634/3 van 25 januari 2017 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 30 juni 2017 “houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude”, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2400/001, 37 e.v. l’avis 60.634/37, le Conseil d’État a formulé un certain nombre d’observations relatives à la disposition en projet devenue l’article 337/1 du CIR 92. Ces observations ont en grande partie été prises en compte. L’observation suivante n’a pas été suivie et peut donc être réitérée: “Si l’autorité ne marque pas (expressément ou tacitement) son accord sur la communication des informations, le droit fondamental est limité “aussi longtemps que l’enquête de l’autorité étrangère n’est pas clôturée et pour autant que la divulgation nuirait aux besoins de l’enquête précitée”. Sans doute l’intention est-elle de laisser à l’autre autorité le soin d’apprécier ce qui précède, mais la question se pose alors de savoir comment l’autorité fédérale sera informée que l’enquête est clôturée et comment on peut veiller à ce que cette notification s’effectue rapidement”. TITRE 3 Modifications de la loi du 24 décembre 2002 modifiant le régime des sociétés en matière d’impôts sur les revenus et instituant un système de décision anticipée en matière fiscale 26. À la fin du titre 3, juste avant l’intitulé du titre 4, figure un extrait de texte (“B. Le recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales et l’automatisation et la modernisation des échanges entre l’administration et ses partenaires (TITRE 4)”), qui n’est pas à sa place et qui doit donc être omis. TITRE 4 Le recouvrement CHAPITRE 1ER Obligation de paiement en euros par certaines administrations du SPF Finances 27. Ce chapitre n’appelle aucune observation. 7 Avis C.E. n° 60.634/3 du 25 janvier 2017 sur un avant-projet devenu la loi du 30 juin 2017 “portant des mesures de lutte contre la fraude fiscale”, Doc. parl., Chambre, 2016-2017, n° 54- 2400/001, pp. 37 et suiv. 151 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de programmawet (I) van 29 maart 2002 en het burgerlijk wetboek inzake het E-notariaat Algemeen 28. De artikelen 35 tot 41 (afdeling 1) en 42 tot 48 (afde- ling 2) strekken tot de vervanging van een aantal artikelen enerzijds van het Btw-wetboek en anderzijds van het WIB 92. In de opheffing van die te vervangen artikelen wordt echter voorzien bij de artikelen 25 en 62 van het voorontwerp van wet “tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwon- gen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen”. De gemachtigde verduidelijkte in dit verband het volgende: “In het huidig wetsontwerp wordt de elektronische ken- nisgeving door de ontvanger aan de notaris ingevoerd. Bij invoering van het WMGI worden deze bepalingen hernomen en het toepassingsgebied meteen uitgebreid tot alle fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen. Deze bepalingen worden dus door het WMGI vervangen.” Afdeling 1 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Artikel 33 29. Artikel 33 van het voorontwerp strekt tot de vervanging van artikel 62 van het Btw-wetboek, waarbij de tekst van paragraaf 1 van dat artikel zonder meer wordt hernomen. In wezen is de aanpassing dus beperkt tot de opheffing van de tweede paragraaf van dat artikel, terwijl de eerste paragraaf het enige lid van het artikel wordt. 8 Het hernemen van de volledige tekst van bepalingen waarvan de wijzigingen miniem zijn, heeft als voordeel dat de bestemmeling van de norm direct kennis kan nemen van de volledige, aangepaste versie van de gewijzigde bepalingen, doch heeft ook nadelen. Zo kan bij de lezer de verkeerde in- druk worden gewekt dat de nieuwe bepalingen een grondige herziening inhouden van de bestaande regeling, waardoor het noodzakelijk is deze volledig te vervangen. Daarenboven moet ermee rekening worden gehouden dat, ook wat betreft de ongewijzigd overgenomen bepalingen, de aan te nemen wet dient te worden beschouwd als een nieuwe wilsuiting van de wetgever, wat betekent dat die bepalingen in hun geheel kunnen worden aangevochten bij het Grondwettelijk Hof.9 8 Artikel 3 van het voorontwerp van wet “tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen” voorziet eveneens in de opheffing van artikel 62, § 2, van het Btw-wetboek. 9   GwH 30  juni  2004, nr. 116/2004, B.7; GwH 28  mei  2015, nr. 79/2015, B.5.2; GwH 11 mei 2017, nr. 53/2017, B.5.1. CHAPITRE 2 Modifications du Code de la Taxe sur la valeur ajoutée, du Code des Impôts sur les revenus 1992, de la loi- programme (I) du 29 mars 2012 et du Code civil en matière d’E-notariat Généralités 28. Les articles 35 à 41 (section 1re) et 42 à 48 (section 2) ont pour objet de remplacer un certain nombre d’articles du Code TVA, d’une part, et du CIR 92, d’autre part. Or, les articles 25 et 62 de l’avant-projet de loi “introduisant le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales” prévoient l’abrogation de ces articles à remplacer. À cet égard, le délégué a apporté les précisions suivantes: “In het huidig wetsontwerp wordt de elektronische ken- nisgeving door de ontvanger aan de notaris ingevoerd. Bij invoering van het WMGI worden deze bepalingen hernomen en het toepassingsgebied meteen uitgebreid tot alle fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen. Deze bepalingen worden dus door het WMGI vervangen”. Section 1re Code de la Taxe sur la valeur ajoutée Article 33 29. L’article 33 de l’avant-projet vise à remplacer l’ar- ticle 62 du Code TVA en reproduisant simplement le texte du paragraphe 1er de cet article. L’adaptation se limite donc essentiellement à supprimer le paragraphe 2 de cet article, tandis que le paragraphe  1er devient l’unique alinéa de l’article8. La reproduction du texte intégral de dispositions, aux- quelles des modifications minimes sont apportées, présente l’avantage de permettre au destinataire de la norme de prendre directement connaissance, dans sa totalité, de la version adaptée des dispositions modifiées, mais elle n’est cependant pas dénuée d’inconvénients. Ainsi, le lecteur peut être porté à croire, à tort, que les nouvelles dispositions impliquent une révision radicale du dispositif existant, qui requiert de le remplacer dans son ensemble. Il faut en outre garder à l’esprit que la loi à adopter doit être considérée, y compris en ce qui concerne les dispositions reproduites telles quelles, comme une nouvelle manifestation de la volonté du législateur, ce qui signifie que ces dispositions peuvent, elles aussi, être contestées dans leur ensemble devant la Cour constitutionnelle9. 8 L’article 3  de l’avant-projet de loi “introduisant le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales” prévoit également l’abrogation de l’article 62, § 2, du Code TVA. 9 C.C., 30  juin  2004, n°  116/2004, B.7; C.C., 28  mai  2015, n° 79/2015, B.5.2; C.C., 11 mai 2017, n° 53/2017, B.5.1. 152 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Het staat aan de stellers van het voorontwerp om te oorde- len of, gelet op de zo-even vermelde nadelen, de ontworpen wijzigingsbepaling niet beter wordt beperkt tot de eigenlijke wijziging, waar nu wordt geopteerd voor een vervanging van het volledige te wijzigen artikel, inclusief het ongewijzigd gebleven onderdeel ervan. Artikel 37 30. In het ontworpen artikel 93quinquies, § 1, tweede lid, van het Btw-wetboek komt een zinsdeel tussen vierkante haakjes voor: “… aanleiding hebben gegeven tot een dwang- bevel[ zijn opgenomen in een innings- en invorderingsregis- ter] als bedoeld in artikel 85 …”. Artikel 85 waarnaar wordt verwezen betreft in de huidige stand van de wetgeving enkel het dwangbevel. Afdeling 2 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Afdeling 3 Programmawet (I) van 29 maart 2012 Afdeling 4 Burgerlijk Wetboek Afdeling 5 Inwerkingtreding 31. Deze afdelingen geven geen aanleiding tot opmerkingen. HOOFDSTUK 3 Wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën met het oog op het toepasbaar maken van sommige bepalingen van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen Artikel 75 32. Artikel 75 van het voorontwerp strekt tot aanvulling van artikel 26 van de wet van van 21 februari 2003 “tot oprich- ting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën”, dat luidt: “Indien de adviseur-generaal bedoeld in artikel 13, tweede lid, van oordeel is dat toegekende voorschotten definitief oninvorderbaar zijn, kan hij van de invordering afzien en de schuldvordering annuleren. De ontvanger wordt op de hoogte gebracht van de beslissing dat de schuldvordering is geannuleerd.” Il revient aux auteurs de l’avant-projet d’apprécier si, au regard des inconvénients évoqués ci-dessus, il ne serait pas préférable de limiter la disposition modificative en projet à la modification qu’elle doit effectivement apporter, plutôt que d’opter, comme à présent, pour un remplacement complet de l’article, en ce compris des éléments de celui-ci qui sont restés inchangés. Article 37 30. L’article 93quinquies, § 1er, alinéa 2, en projet, du Code TVA contient un segment de phrase entre crochets: “… ont donné lieu à une contrainte visée [sont repris dans un registre de perception et de recouvrement visé] à l’article 85…”. Dans l’état actuel de la législation, l’article 85 auquel il est fait réfé- rence concerne uniquement la contrainte. Section 2 Code des impôts sur les revenus 1992 Section 3 Loi-programme (I) du 29 mars 2012 Section 4 Code civil Section 5 Entrée en vigueur 31. Ces sections n’appellent aucune observation. CHAPITRE 3 Modification de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances en vue de rendre applicables certaines dispositions du code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales Article 75 32. L’article 75 de l’avant-projet tend à compléter l’ar- ticle 26 de la loi du 21 février 2003 “créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances”, qui dispose ce qui suit: “Si le conseiller général visé à l’article 13, alinéa 2, juge que des avances accordées sont définitivement irrécouvrables, il peut renoncer au recouvrement de cette créance et l’annuler. Le receveur est informé de la décision d’annulation de la créance”. 153 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 De ontworpen wijziging houdt in dat tussen de woorden “toegekende voorschotten” en de woorden “definitief oninvor- derbaar” het zinsdeel “of andere aan de Staat verschuldigde bedragen” wordt ingevoegd. Artikel 3 van de wet van 21 februari 2003 bepaalt dat de Dienst voor alimentatievorderinge dat is de dienst binnen de administratie van de FOD Financiën bevoegd voor de inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen – belast is met de inning of invordering van het onderhouds- geld10 en van de achterstallen ten laste van de onderhouds- plichtige. Bovendien betaalt de Dienst voorschotten op het onderhoudsgeld. Gelet op die specifieke context lijkt de omschrijving “of andere aan de Staat verschuldigde bedragen” veel te ruim. In de memorie van toelichting worden als voorbeelden genoemd werkingskosten van de Dienst voor alimentatievorderingen en vervolgingskosten. Het lijkt dus veeleer te gaan om andere in het kader van de werking van die Dienst verschuldigde bedragen. Dat is te verduidelijken in de ontworpen aanvulling van artikel 26 van de wet van 21 februari 2003. HOOFDSTUK 4 Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 33. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. DEEL IV – FINANCIËLE BEPALINGEN ENIGE TITEL Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een administratieve dienst en oprichting van een begrotingsfonds betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België Afdeling 1 Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een administratieve dienst Artikelen 82 tot 95 34. Hoewel het op grond van artikel 112 van de Grondwet aanvaardbaar is dat bij wet het algemeen kader vastgelegd wordt waarbinnen de opdrachten van de Koninklijke Munt van België bepaald worden, moet de organisatie van die dienst, die een dienst van algemeen bestuur is, blijven vallen onder de bevoegdheden van de Koning, zoals dat overigens momenteel het geval is op basis van het koninklijk besluit van 5 augustus 1992 “houdende organiek reglement van de Koninklijke Munt van België”. 10 De regeling heeft betrekking op onderhoudsgeld dat verschuldigd is aan de kinderen, tussen echtgenoten of ex-echtgenoten of tussen samenwonenden en ex-samenwonenden. La modification en projet implique que le membre de phrase “ou d’autres sommes dues à l’État” est inséré entre les mots “des avances accordées” et les mots “sont définitivement irrécouvrables”. L’article 3 de la loi du 21 février 2003 dispose que le Service des créances alimentaires – c’est-à-dire le service au sein de l’administration du SPF Finances compétente pour la perception et le recouvrement des créances non fiscales – a pour mission de percevoir et de recouvrer les créances ali- mentaires10 et les arriérés à charge du débiteur d’aliments. En outre, le Service paie des avances sur la pension alimentaire. Eu égard à ce contexte spécifique, la définition “ou d’autres sommes dues à l’État” semble bien trop large. L’exposé des motifs cite à titre d’exemples les frais de fonctionnement du Service des créances alimentaires et les frais de poursuites. Il semble donc plutôt s’agir d’autres montants dus dans le cadre du fonctionnement de ce Service. Le complément en projet de l’article 26 de la loi du 21 février 2003 devra préciser ce point. CHAPITRE 4 Dispositions réparatrices des articles 418 et 419 du Code des impôts sur les revenus 1992 33. Ce chapitre n’appelle aucune observation. PARTIE IV – DISPOSITIONS FINANCIÈRES TITRE UNIQUE Transformation de la Monnaie royale de Belgique en service administratif et création d’un fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique Section 1ère Transformation de la Monnaie royale de Belgique en service administratif Articles 82 à 95 34. S’il est admissible que, sur la base de l’article 112 de la Constitution, la loi fixe le cadre général dans lequel les missions de la Monnaie royale de Belgique seront détermi- nées, l’organisation de ce service, qui a la nature d’un service d’administration générale, doit continuer à relever des compé- tences du Roi, tel que c’est au demeurant le cas actuellement sur la base de l’arrêté royal du 5 août 1992 “portant règlement organique de la Monnaie royale de Belgique”. 10 Le régime concerne la pension alimentaire due aux enfants, entre époux ou ex-époux ou entre cohabitants et ex-cohabitants. 154 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Afdeling 1 van de enige titel van deel IV van het vooront- werp moet aldus herzien worden dat daaruit de bepalingen gelicht worden die vallen onder de grondwettelijke bevoegd- heden van de Koning, inzonderheid inzake de organisatie van de overheidsdiensten, zoals die voortvloeien uit artikel 37 van de Grondwet. Afdeling 2 Oprichting van een begrotingsfonds betreffende verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën en wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen Afdeling 3 Opheffingen 35. Deze afdelingen geven geen aanleiding tot opmerkingen. Afdeling 4 Inwerkingtreding Artikel 102 36. Luidens artikel 102 treedt een “hoofdstuk” in werking, terwijl de titel waarvan die bepaling deel uitmaakt, geen hoofdstuk bevat. Voor het overige wordt verwezen naar de algemene op- merking 8. DEEL V – DIVERSE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1 Wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Afdeling 1 Inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers Artikel 103 37. Artikel 103 van het voorontwerp strekt ertoe wijzigin- gen aan te brengen in artikel 90, derde lid, van het WIB 92. In die ontworpen wijzigende bepaling wordt ten onrechte gerefereerd aan “artikel 17, 3° en 5°” van het WIB 92, terwijl dat “artikel 17, § 1, 3° en 5°” moet zijn. La section première du titre unique de la partie IV de l’avant-projet sera en conséquence réexaminée de manière à en expurger les dispositions relevant des compétences constitutionnelles du Roi, spécialement en matière d’orga- nisation des services publics, telles qu’elles résultent de l’article 37 de la Constitution. Section 2 Création d’un fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique de l’Administration générale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances et modification de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires Section 3 Abrogations 35. Ces sections n’appellent aucune observation. Section 4 Entrée en vigueur Article 102 36. L’article 102 fait entrer en vigueur un “chapitre” alors que le titre dans lequel cette disposition s’inscrit n’en com- porte pas. Il est renvoyé pour le surplus à l’observation générale n° 8. PARTIE V – DISPOSITIONS DIVERSES CHAPITRE 1ER Modifications au Code des impôts sur les revenus 1992 Section 1re Revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens Article 103 37. L’article 103 de l’avant-projet a pour objet d’apporter des modifications à l’article 90, alinéa 3, du CIR 92. C’est erronément que cette disposition modificative en projet vise “l’article 17, 3° et 5°” du CIR 92 alors qu’elle doit faire référence à “l’article 17, § 1er, 3° et 5°”. 155 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Artikelen 104 en 105 38. Artikel 104 van het voorontwerp strekt tot het herstellen van artikel 97/1 van het WIB 92, waarin wordt bepaald dat de in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater, vermelde inkomsten, naar het netto bedrag ervan in aanmerking worden genomen, zijnde “het bruto bedrag verminderd met de kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het be- lastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden”. Het brutobedrag wordt bepaald overeenkomstig artikel 90/1, tweede en derde lid, van het WIB 92, dat niet wordt gewijzigd. Artikel 105 van het voorontwerp strekt tot het invoeren in het WIB 92 van een nieuw artikel 102ter, dat luidt: “Verliezen die in het belastbare tijdperk zijn geleden bij het verrichten van handelingen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis, 1°ter of 1°quater worden evenredig afgetrokken van de andere inkomsten uit zulke handelingen”. Hoewel zulks niet uitdrukkelijk uit de ontworpen bepaling, noch uit de memorie van toelichting blijkt, komt het voor dat de ontworpen bepaling enkel toepassing vindt indien de be- trokken inkomsten als diverse inkomsten worden belast. De ontworpen bepaling heeft bijgevolg geen invloed op de toe- passing van de vrijstellingsregeling vervat in artikel 90/1 van het WIB 92,11 noch op de behandeling van de inkomsten als beroepsinkomsten zoals voorzien in artikel 37bis, § 2, van het WIB 92.12 Die lezing werd door de gemachtigde bevestigd: “De inkomsten uit de deeleconomie, het verenigingswerk en de occasionele diensten tussen burgers zijn in beginsel als beroepsinkomen belastbaar wanneer het brutobedrag van die inkomsten meer bedraagt dan 6 130 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019). Wanneer de inkomsten uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers voor een bepaalde maand meer bedragen dan 1/12 van die maandgrens, zijn ze steeds als beroepsinkomen belastbaar.” 11 In artikel 90/1 van het WIB 92 is immers sprake van “het totale brutobedrag van de in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater, bedoelde inkomsten”. 12 Artikel 37bis, § 2, van het WIB 92 luidt: “Alle in artikel 90, eerste lid, 1°ter en 1°quater, vermelde inkomsten die voor een bepaalde kalendermaand zijn geregistreerd, worden als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer het bruto bedrag van deze inkomsten, dat voor diezelfde kalendermaand is geregistreerd, meer bedraagt dan één twaalfde van het in het tweede lid vermelde bedrag, in voorkomend geval verhoogd voor specifieke categorieën van het verenigingswerk bij toepassing van artikel 12, § 3, tweede en derde lid, van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie. De in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater, vermelde inkomsten worden, behoudens tegenbewijs, als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer het bruto bedrag van die inkomsten met inbegrip van het bruto bedrag van de inkomsten die bij toepassing van het eerste lid als beroepsinkomsten worden aangemerkt in het kalenderjaar of in het vorige kalenderjaar meer bedraagt dan 3830 euro.” Articles 104 et 105 38. L’article 104 de l’avant-projet poursuit le rétablissement de l’article 97/1 du CIR 92 qui dispose que les revenus visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1erquater, s’entendent de leur montant net, c’est-à-dire “le montant brut diminué des frais dont le contribuable apporte la preuve qu’ils ont été exposés ou supportés durant la période imposable afin d’acquérir ou de conserver ces revenus”. Le montant brut des revenus est déterminé conformément à l’article 90/1, alinéas 2 et 3, du CIR 92, qui n’est pas modifié. L’article 105 de l’avant-projet a pour objet d’insérer, dans le CIR 92, un nouvel article 102ter, qui énonce ce qui suit: “Les pertes éprouvées pendant la période imposable dans l’exercice d’activités visées à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis, 1°ter ou 1°quater sont déduites proportionnellement des autres revenus résultant de telles activités”. Bien que cela ne ressorte pas expressément de la dispo- sition en projet, ni de l’exposé des motifs, il apparaît que la disposition en projet trouve uniquement à s’appliquer si les revenus concernés sont taxés à titre de revenus divers. La disposition en projet n’a par conséquent pas d’incidence sur l’application du régime d’exonération inscrit à l’article 90/1 du CIR 9211, ni sur le traitement des revenus comme des revenus professionnels au sens de l’article 37bis, § 2, du CIR 9212. Cette lecture a été confirmée par le délégué comme suit: “De inkomsten uit de deeleconomie, het verenigingswerk en de occasionele diensten tussen burgers zijn in beginsel als beroepsinkomen belastbaar wanneer het brutobedrag van die inkomsten meer bedraagt dan 6 130 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019). Wanneer de inkomsten uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers voor een bepaalde maand meer bedragen dan 1/12 van die maandgrens, zijn ze steeds als beroepsinkomen belastbaar”. 11 En effet, l’article 90/1 du CIR 92 mentionne “le montant brut total des revenus visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater”. 12 L’article 37bis, § 2, du CIR 92 énonce ce qui suit: “Tous les revenus visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°ter et 1°quater, enregistrés pour un mois civil déterminé sont considérés comme des revenus professionnels lorsque le montant brut de ces revenus qui a été enregistré pour le même mois civil, excède un douzième du montant visé à l’alinéa 2, le cas échéant, majoré pour certaines catégories du travail associatif en application de l’article 12, § 3, alinéas 2 et 3, de la loi du 18 juillet 2018 relative à la relance économique et au renforcement de la cohésion sociale. Les revenus visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater, sont, sauf preuve contraire, considérés comme des revenus professionnels lorsque le montant brut de ces revenus y compris le montant brut des revenus qui sont considérés comme revenus professionnels en application de l’alinéa 1er, excède pour l’année civile ou l’année civile précédente le montant de 3830 euros”. 156 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Het verdient aanbeveling om een en ander duidelijker in de tekst van het voorontwerp tot uiting te laten komen, of toch minstens in de memorie van toelichting. 39. Aan de gemachtigde werd de hypothese voorgelegd waarbij een persoon, bijvoorbeeld, in hetzelfde jaar voor 25 000 euro materieel koopt en 30 000 euro bruto-inkomsten verwerft binnen de regimes bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater van het WIB 92. Tevens werd de vraag ge- steld of de mogelijkheid om bepaalde verliezen af te trekken (over de drie categorieën van “bijverdiensten” heen) er niet toe leidt dat deze regimes hun uitzonderlijk karakter verliezen. De gemachtigde verklaarde hieromtrent: “De voorgestelde kostenaftrek en onderlinge compensatie van verliezen zijn enkel van toepassing wanneer de inkomsten uit de deeleconomie, de occasionele diensten tussen burgers en het verenigingswerk als diverse inkomsten belastbaar zijn. Dit is enkel het geval als de bruto-inkomsten uit de deelecono- mie, het verenigingswerk en de occasionele diensten tussen burgers samen meer bedragen dan 6 130 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019) (onder dat bedrag zijn de in- komsten in beginsel vrijgesteld van inkomstenbelastingen) en de belastingplichtige het vermoeden weerlegt dat de betrok- ken inkomsten beroepsinkomsten zijn en voor zover het niet gaat om inkomsten uit het verenigingswerk of occasionele diensten tussen burgers voor een maand waarin de maand- grens is overschreden. De kans dat een belastingplichtige die meer dan 30 000 euro aan bruto-inkomsten in een jaar heeft uit de deeleconomie of occasionele diensten tussen burgers die inkomsten als divers inkomen kan laten belasten, is dus zo goed als onbestaande. Wanneer inkomsten uit het verenigingswerk als divers inkomen worden belast, is het, gelet op de aard van het verenigingswerk, weinig waarschijnlijk dat de activiteiten in het kader van het verenigingswerk aanleiding geven tot een negatief resultaat. De verenigingswerker wordt immers beschouwd als een “beter vergoede vrijwilliger”. Wat de deel- economie en de occasionele diensten tussen burgers betreft die als divers inkomen belastbaar zijn, wordt erop gewezen dat de activiteiten in dat kader worden geacht eerder in het verlengde van de privésfeer te liggen, waarbij men gebruikt maakt van toestellen en middelen die men ook al in de pri- vésfeer gebruikt. Negatieve resultaten lijken ook hier weinig waarschijnlijk. Investeringen of grote kosten die specifiek voor de activiteit in de deeleconomie of occasionele diensten tus- sen burgers worden gemaakt, wijzen in de richting van een beroepsactiviteit en zullen het moeilijk, zoniet onmogelijk, maken om het wettelijk vermoeden dat de inkomsten beroep- sinkomsten zijn, te weerleggen.” Il est recommandé d’apporter ces précisions dans le texte de l’avant-projet ou tout au moins dans l’exposé des motifs. 39. L’hypothèse suivante a été soumise au délégué: il s’agit de l’exemple où, au cours d’une même année, une personne achète du matériel à concurrence de 25 000 euros et perçoit des revenus pour un montant brut de 30 000 euros dans les régimes visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater du CIR 92. La question lui a en outre été posée de savoir si la possibilité de déduire certaines pertes (réparties entre les trois catégories de “revenus complémentaires”) n’a pas pour conséquence de faire perdre à ces régimes leur caractère exceptionnel. Le délégué a déclaré à ce sujet ce qui suit: “De voorgestelde kostenaftrek en onderlinge compensatie van verliezen zijn enkel van toepassing wanneer de inkomsten uit de deeleconomie, de occasionele diensten tussen burgers en het verenigingswerk als diverse inkomsten belastbaar zijn. Dit is enkel het geval als de bruto-inkomsten uit de deelecono- mie, het verenigingswerk en de occasionele diensten tussen burgers samen meer bedragen dan 6 130 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019) (onder dat bedrag zijn de inkomsten in beginsel vrijgesteld van inkomstenbelastingen) en de belastingplichtige het vermoeden weerlegt dat de be- trokken inkomsten beroepsinkomsten zijn en voor zover het niet gaat om inkomsten uit het verenigingswerk of occasionele diensten tussen burgers voor een maand waarin de maand- grens is overschreden. De kans dat een belastingplichtige die meer dan 30 000 euro aan bruto-inkomsten in een jaar heeft uit de deeleconomie of occasionele diensten tussen burgers die inkomsten als divers inkomen kan laten belasten, is dus zo goed als onbestaande. Wanneer inkomsten uit het verenigingswerk als divers inkomen worden belast, is het, gelet op de aard van het verenigingswerk, weinig waarschijnlijk dat de activiteiten in het kader van het verenigingswerk aanleiding geven tot een negatief resultaat. De verenigingswerker wordt immers beschouwd als een “beter vergoede vrijwilliger”. Wat de deeleconomie en de occasionele diensten tussen burgers betreft die als divers inkomen belastbaar zijn, wordt erop gewezen dat de activiteiten in dat kader worden geacht eerder in het verlengde van de privésfeer te liggen, waarbij men gebruikt maakt van toestellen en middelen die men ook al in de privésfeer gebruikt. Negatieve resultaten lijken ook hier weinig waarschijnlijk. Investeringen of grote kosten die specifi ek voor de activiteit in de deeleconomie of occasi- onele diensten tussen burgers worden gemaakt, wijzen in de richting van een beroepsactiviteit en zullen het moeilijk, zoniet onmogelijk, maken om het wettelijk vermoeden dat de inkomsten beroepsinkomsten zijn, te weerleggen”. 157 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Afdeling 2 Vereenvoudiging inzake [personenbelasting] 40. Deze afdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen. HOOFDSTUK 2 Bekrachtiging van koninklijk besluiten genomen ter uitvoering van artikel 37, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Artikel 110 41. Artikel 110 van het voorontwerp strekt tot bekrachti- ging van twee koninklijke besluiten die het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 “tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven” hebben gewijzigd. Het gaat om enerzijds het koninklijk besluit van 26  januari  2016 “tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, wat het werk in onroerende staat en de gelijkgestelde handelingen en de assistentiehonden betreft” en anderzijds het koninklijk besluit van 3 augustus 2016 “tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wat de gebouwen voor leerlingenbegeleiding betreft”. Beide koninklijke besluiten zijn reeds bekrachtigd bij ar- tikel 16 van de wet van 22 oktober 2017 “houdende diverse fiscale bepalingen I”, zodat dit artikel geschrapt dient te worden. HOOFDSTUK 3 Wijziging van het Wetboek diverse rechten en taksen 42. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. HOOFDSTUK 4 Wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten 43. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Section 2 Simplification en matière d’[impôt des personnes physiques] 40. Cette section n’appelle aucune observation. CHAPITRE 2 Confirmation d’arrêtés royaux pris en exécution de l’article 37, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée Article 110 41. L’article 110 de l’avant-projet vise à confirmer deux arrê- tés royaux qui ont modifié l’arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970 “fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux”. Il s’agit, d’une part, de l’arrêté royal du 26 janvier 2016 “modifiant l’arrêté royal du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux, en ce qui concerne les travaux immo- biliers et opérations assimilées et les chiens d’assistance” et, d’autre part, de l’arrêté royal du 3 août 2016 “modifiant l’arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux en ce qui concerne les bâtiments destinés à l’encadrement des élèves”. Ces deux arrêtés royaux ont déjà été confirmés par l’ar- ticle 16 de la loi du 22 octobre 2017 “portant des dispositions fiscales diverses I”, de sorte que cet article doit être supprimé. CHAPITRE 3 Modification du Code des droits et taxes divers 42. Ce chapitre n’appelle aucune observation. CHAPITRE 4 Modification au Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe 43. Ce chapitre n’appelle aucune observation. 158 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 DEEL VI – ACHTERWAARTSE VERLIESVERREKENING TER COMPENSATIE VAN SCHADE AAN LANDBOUWTEELTEN, VEROORZAAKT DOOR ONGUNSTIGE WEERSOMSTANDIGHEDEN Artikelen 115 tot 128 44. Deel VI van het voorontwerp strekt tot de invoering in het WIB 92 van een “achterwaartse verliesverrekening ter compensatie van schade aan landbouwteelten, veroor- zaakt door ongunstige weersomstandigheden” (“carry back landbouw”). In de memorie van toelichting wordt daarover onder meer het volgende gesteld: “Ongunstige klimatologische omstandigheden, zoals ex- treme droogte, extreme regenval of zeer strenge vorst hebben een aanzienlijke impact op de opbrengst van landbouwteelten en dus ook op het inkomen van landbouwers. (…) Door het fiscale verlies dat landbouwers lijden door on- gunstige klimatologische omstandigheden te laten aftrekken van de beroepsinkomsten van vorige in plaats van volgende belastbare tijdperken en op die manier reeds betaalde be- lasting terug te geven (eerder dan toekomstige belasting te verlagen), wil de regering de landbouwers bijkomende finan- ciële ademruimte geven.” Het gaat om een keuzestelsel. De belastingplichtige moet zijn keuze expliciet aangeven in de aangifte met betrekking tot het belastbare tijdperk waarin de schade waaraan het verlies te wijten is, is vastgesteld. De essentie van de ontworpen regeling wordt ingevoegd in artikel 78 van het WIB 92 (artikel 117 van het voorontwerp). De achterwaartse verliesaftrek kan enkel worden toegepast indien de schade werd geleden op het grondgebied van een gewest dat met de federale overheid een samenwerkingsak- koord heeft gesloten met het oog op de gezamenlijke naleving van (onder meer) de cumulatieregeling bedoeld in artikel 8 van de verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25  juni  2014 “waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag be- treffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard” (hierna: verordening 702/2014). Ook artikel 206 van het WIB 92 wordt aangepast om de regeling van overeenkomstige toepassing te maken op de vennootschapsbelasting (artikel 118 van het vooront- werp). Een nieuw artikel 375/1 van het WIB 92 voorziet erin dat van rechtswege ontheffing wordt verleend van het teveel aan gevestigde belasting ingevolgde de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen op grond van voormelde bepalingen (artikel 122 van het voorontwerp). 45. Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof is een verschil in behandeling slechts verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet discriminatie, PARTIE VI – RÉTRO-IMPUTATION DES PERTES EN COMPENSATION DE DOMMAGE CAUSÉ AUX CULTURES AGRICOLES, PROVOQUÉ PAR DES CONDITIONS MÉTÉOROLOGIQUES DÉFAVORABLES Articles 115 à 128 44. La partie VI de l’avant-projet vise à instaurer dans le C.I.R. 92 une “rétro-imputation des pertes en compensation de dommage causé aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables” (“carry back secteur agricole”). L’exposé des motifs précise à cet égard notamment ce qui suit: “Des conditions climatologiques défavorables, comme la sécheresse extrême, des intempéries extrêmes ou des fortes gelées ont une incidence notable sur le rendement des cultures agricoles et par conséquent sur les revenus des agriculteurs. […] En permettant la déduction des pertes fiscales que les agriculteurs subissent du fait de conditions climatologiques défavorables des revenus professionnels de périodes impo- sables antérieures au lieu des suivantes, et, de cette façon, le remboursement de l’impôt déjà payé (plutôt que la diminution de l’impôt futur), le gouvernement souhaite procurer plus de marge financière aux agriculteurs”. Il s’agit d’un régime d’option. Le contribuable doit explici- tement faire connaître son choix dans la déclaration relative à la période imposable durant laquelle les dommages qui ont causé la perte ont été constatés. L’essentiel du régime en projet est insérée dans l’ar- ticle 78 du CIR 92 (article 117 de l’avant-projet). La rétro-dé- duction de perte est applicable uniquement si le dommage a été encouru sur le territoire d’une région qui a conclu avec l’autorité fédérale un accord de coopération visant le respect conjoint (notamment) des règles de cumul visées à l’article 8 du règlement (UE) n° 702/2014 de la Commission du 25 juin 2014 “déclarant certaines catégories d’aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne” (ci-après: règlement 702/2014). L’article 206 du CIR 92 est également adapté pour rendre le régime applicable à l’impôt des sociétés (article 118 de l’avant-projet). Un nouvel article 375/1 du CIR 92 prévoit que le dégrèvement de l’impôt excédentaire établi suite à l’arriéré de déduction des pertes professionnelles en application des dispositions précitées est accordé de plein droit (article 122 de l’avant-projet). 45. Selon la jurisprudence de la Cour constitutionnelle, une différence de traitement ne peut se concilier avec les principes constitutionnels d’égalité et de non-discrimination 159 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betrokken maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.13 Bij artikel 172 van de Grondwet wordt de toepasselijkheid van de grondwettelijke regels van gelijkheid en van niet-discriminatie (artikelen 10 en 11 van de Grondwet) bevestigd in fiscale aangelegenheden. Deze bepaling is immers een precisering of een bijzondere toepassing van het in artikel 10 van de Grondwet algemeen geformuleerde gelijkheidsbeginsel. De maatregel is uitsluitend bedoeld voor de landbouwsec- tor, terwijl dat niet de enige economische sector is die schade lijdt door ongunstige klimatologische omstandigheden. De stellers van het voorontwerp doen er dan ook goed aan om in de memorie van toelichting een verantwoording op te nemen voor het verschil in behandeling tussen de landbouwsector en andere economische sectoren. 46. In de memorie van toelichting wordt uiteengezet dat “[b]eroepsverliezen die in het stelsel van de achterwaartse verliesaftrek niet in aftrek kunnen worden gebracht van de beroepsinkomsten van het belastbare tijdperk n-1, (…) alsnog in aanmerking [komen] voor een voorwaartse verliesaftrek (die moet worden aangevraagd in de aangifte met betrekking tot het belastbare tijdperk n + 1 en, desgevallend, de daaropvol- gende belastbare tijdperken)”. Het is niet duidelijk waarom de belastingplichtige daarom expliciet moet vragen en waarom die carry forward niet van rechtswege en dus automatisch kan worden toegekend. Dat kan beter worden verduidelijkt in de memorie van toelichting. 47. Aan de gemachtigde is de vraag voorgelegd of de achterwaartse verliesverrekening te beschouwen is als een verrekening die autonoom bestaat – zonder rekening te hou- den met de specifieke omstandigheden van de belastbare tijdperken n-3, n-2, n-1 – of daarentegen wordt toegepast re- kening houdend met situaties die zich in voormelde tijdperken hebben voorgedaan en die kunnen leiden tot een beperking van de verliesaftrek (bijvoorbeeld een onverantwoorde con- trolewissel in de zin van artikel 207 van het WIB 92 of een belastingneutrale herstructurering in de zin van artikel 206, § 2, van het WIB 92 die een beperking tot gevolg heeft van de aftrekbaarheid van de verliezen). De gemachtigde antwoordde het volgende: 13 Vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Zie bv.: GwH 17  juli  2014, nr.  107/2014, B.12; GwH  25  september  2014, nr. 141/2014, B.4.1; GwH 30 april 2015, nr. 50/2015, B.16; GwH 18 juni 2015, nr. 91/2015, B.5.1; GwH 16 juli 2015, nr. 104/2015, B.6; GwH 16 juni 2016, nr. 94/2016, B.3; GwH 18 mei 2017, nr. 60/2017, B.11; GwH 15 juni 2017, nr. 79/2017, B.3.1; GwH 19  juli  2017, nr.  99/2017, B.11; GwH  28  september  2017, nr. 104/2017, B.8. que si cette différence repose sur un critère objectif et si elle est raisonnablement justifiée. L’existence d’une telle justifi- cation doit s’apprécier en tenant compte du but et des effets de la mesure visée ainsi que de la nature des principes en cause; le principe d’égalité et de non-discrimination est violé lorsqu’il n’existe pas de rapport raisonnable de proportionna- lité entre les moyens employés et le but visé13. L’article 172 de la Constitution confirme l’applicabilité des règles constitution- nelles d’égalité et de non-discrimination (articles 10 et 11 de la Constitution) en matière d’impôts. Cette disposition constitue en effet une précision ou une application particulière du prin- cipe général d’égalité formulé à l’article 10 de la Constitution. La mesure vise exclusivement le secteur agricole, alors que ce n’est pas le seul secteur économique qui subit des dommages en raison de circonstances météorologiques défa- vorables. Les auteurs de l’avant-projet seraient dès lors bien avisés d’inscrire dans l’exposé des motifs une justification de la différence de traitement entre le secteur agricole et les autres secteurs économiques. 46. L’exposé des motifs précise que “[l]es pertes profes- sionnelles qui, dans la mesure de rétro-déduction de pertes, ne peuvent être déduites des revenus professionnels de la période imposable n-1, entrent encore en considération pour une déduction future des pertes (qui doit être demandée dans la déclaration relative à la période imposable n+1 et, le cas échéant, des périodes imposables suivantes)”. On n’aperçoit pas pourquoi le contribuable doit en faire la demande explicite et pourquoi ce carry forward ne peut pas être accordé de plein droit et donc automatiquement. Il serait préférable d’apporter des précisions à cet égard dans l’exposé des motifs. 47. La question a été soumise au délégué de savoir si la rétro-imputation des pertes doit être considérée comme une imputation qui existe d’une manière autonome – sans tenir compte des circonstances spécifiques des périodes imposables n-3, n-2, n-1 – ou au contraire, si elle est appli- quée en tenant compte des situations qui se sont produites au cours des périodes précitées et qui peuvent conduire à une limitation de la déduction des pertes (par exemple, un changement de contrôle injustifié au sens de l’article 207 du CIR 92 ou une restructuration neutre sur le plan fiscal au sens de l’article 206, § 2, du CIR 92 qui entraîne une limitation de la déductibilité des pertes). Le délégué a répondu ce qui suit: 13 Jurisprudence constante de la Cour constitutionnelle. Voir par exemple: C.C., 17  juillet  2014, n° 107/2014, B.12; C.C., 25  septembre  2014, n°  141/2014, B.4.1; C.C., 30  avril  2015, n° 50/2015, B.16; C.C., 18 juin 2015, n° 91/2015, B.5.1; C.C., 16 juillet 2015, n° 104/2015, B.6; C.C., 16 juin 2016, n° 94/2016, B.3; C.C., 18 mai 2017, n° 60/2017, B.11; C.C., 15 juin 2017, n° 79/2017, B.3.1; C.C., 19 juillet 2017, n° 99/2017, B.11; C.C., 28 septembre 2017, n° 104/2017, B.8. 160 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “In de algemene bespreking in de memorie van toelichting kan het volgende gelezen worden: “De andere regels met betrekking tot de aftrek van verlie- zen, zoals de artikelen 79 en 80, WIB 92 zijn ook van toepas- sing op de achterwaartse verliesaftrek.” Hetzelfde geldt uiteraard voor de vennootschapsbelasting, waar alle andere regels opgenomen in artikel 206 en 207 WIB 92 (andere dan de regel opgenomen in artikel 206, § 1, eerste lid, WIB 92) ook van toepassing zijn. De carry back is dus de perfecte spiegel van de carry forward. Wat niet in carry forward zou kunnen worden genomen kan niet in carry back worden genomen en vice versa. Dit principe wordt al gedeeltelijk verduidelijkt in de artikels- gewijze bespreking van artikel 118 van het ontwerp (wijziging aan artikel 206 WIB 92) waarin het volgende geschreven staat: “De in het kader van de vennootschapsbelasting recent ingevoerde beperkingen op de aftrek van winst van het belastbare tijdperk gelden ook binnen de context van de achterwaartse verliesaftrek. Zo zal het dus niet meer mogelijk zijn om sommige aftrekken in mindering te brengen van deze winst indien de som van deze aftrekken het bedrag heeft bereikt van 1 000 000 euro, vermeerderd met 70 pct. van het gedeelte van de na toepassing van de in het tweede lid bedoelde aftrekken overblijvende winst die het bedrag van 1 000 000 euro overstijgt.” Dezelfde redenering kan uiteraard worden gemaakt met betrekking tot de andere bepalingen van de artikelen 206 en 207 WIB 92. Indien de opstellers van het ontwerp wel zouden hebben beoogd om bepaalde regels van de artikelen 206 en 207 WIB 92 buiten werking te laten zijn bij de toepassing van de carry back, zou het noodzakelijk geweest zijn om dit expliciet in het ontwerp te voorzien. Het feit dat dit niet is voorzien in het ontwerp verduidelijkt in principe voldoende dat alle regels van de artikelen 206 en 207 WIB 92 uitwerking hebben bij de toepassing van de carry back. Indien de afdeling Wetgeving van de Raad van State het wenselijk acht dat dit principe geëxpliciteerd wordt in de memorie van toelichting zal het algemene gedeelte in de memorie van toelichting in die zin worden aangevuld zodat wordt verduidelijkt dat de specifieke omstandigheden van de belastbare tijdperken n-3, n-2, n-1 gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van de carry back, net zoals de specifieke omstandigheden van de belastbare tijdperken n-3, n-2, n-1, gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van een carry forward in het belastbare tijdperk n.” Met die suggestie kan worden ingestemd. 48. Aan de gemachtigde is voorts gevraagd hoe de ach- terwaartse verliesverrekening toegepast wordt wanneer in de periode n-3, n-2 of n-1 de landbouwvennootschap opteert voor taxatie in de vennootschapsbelasting (artikel 29, § 2, 2°, van het WIB 92 en de artikelen 12 tot 16 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 “tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992”). “In de algemene bespreking in de memorie van toelichting kan het volgende gelezen worden: “De andere regels met betrekking tot de aftrek van verlie- zen, zoals de artikelen 79 en 80, WIB 92 zijn ook van toepas- sing op de achterwaartse verliesaftrek.” Hetzelfde geldt uiteraard voor de vennootschapsbelasting, waar alle andere regels opgenomen in artikel 206 en 207 WIB 92 (andere dan de regel opgenomen in artikel 206, § 1er, eerste lid, WIB 92) ook van toepassing zijn. De carry back is dus de perfecte spiegel van de carry forward. Wat niet in carry forward zou kunnen worden genomen kan niet in carry back worden genomen en vice versa. Dit principe wordt al gedeeltelijk verduidelijkt in de ar- tikelsgewijze bespreking van artikel 118 van het ontwerp (wijziging aan artikel  206  WIB 92) waarin het volgende geschreven staat: “De in het kader van de vennootschapsbelasting recent ingevoerde beperkingen op de aftrek van winst van het belastbare tijdperk gelden ook binnen de context van de achterwaartse verliesaftrek. Zo zal het dus niet meer mogelijk zijn om sommige aftrekken in mindering te brengen van deze winst indien de som van deze aftrekken het bedrag heeft bereikt van 1 000 000 euro, vermeerderd met 70 pct. van het gedeelte van de na toepassing van de in het tweede lid bedoelde aftrekken overblijvende winst die het bedrag van 1 000 000 euro overstijgt.” Dezelfde redenering kan uiteraard worden gemaakt met betrekking tot de andere bepalingen van de artikelen 206 en 207 WIB 92. Indien de opstellers van het ontwerp wel zouden hebben beoogd om bepaalde regels van de artikelen 206 en 207 WIB 92 buiten werking te laten zijn bij de toepassing van de carry back, zou het noodzakelijk geweest zijn om dit expliciet in het ontwerp te voorzien. Het feit dat dit niet is voorzien in het ontwerp verduidelijkt in principe voldoende dat alle regels van de artikelen 206 en 207 WIB 92 uitwerking hebben bij de toepassing van de carry back. Indien de afdeling Wetgeving van de Raad van State het wenselijk acht dat dit principe geëxpliciteerd wordt in de memorie van toelichting zal het algemene gedeelte in de memorie van toelichting in die zin worden aangevuld zodat wordt verduidelijkt dat de specifi eke omstandigheden van de belastbare tijdperken n-3, n-2, n-1 gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van de carry back, net zoals de specifi eke omstandigheden van de belastbare tijdperken n-3, n-2, n-1, gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van een carry forward in het belastbare tijdperk n”. Cette suggestion peut être retenue. 48. Il a en outre été demandé au délégué comment l’impu- tation rétroactive des pertes est appliquée lorsque dans la période n-3, n-2 ou n-1, la société agricole opte pour la taxation à l’impôt des sociétés (article 29, § 2, 2°, du CIR 92 et les articles 12 à 16 de l’arrêté royal du 27 août 1993 “d’exécution du Code des impôts sur les revenus 1992”). 161 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 De gemachtigde antwoordde: “Indien de landbouwvennootschap opteert voor taxatie in de vennootschapsbelasting, en zij lijdt in jaar n schade omwille van ongunstige weersomstandigheden, kan deze in toepassing van artikel 206 § 4, WIB 92 het verlies ver- rekenen met de winst van de drie voorgaande belastbare tijdperken in de mate dat deze winst belastbaar is geweest in de vennootschapsbelasting.” 49. De ontworpen regeling wordt ingepast in verordening 702/2014. Daarom worden begrippen die eigen zijn aan de Europese staatssteunreglementering en die nu reeds in spe- cifieke bepalingen van het WIB 92 voorkomen, opgenomen in artikel 2 van het WIB 92 (zie artikel 115 van het voorontwerp). 49.1. Er wordt met de ontworpen bepalingen voorzien in de naleving van bepaalde voorwaarden van die verordening, ter- wijl de naleving van andere voorwaarden ervan het voorwerp zal uitmaken van het samenwerkingsakkoord waarvan sprake in het ontworpen artikel 78, § 2, derde lid, van het WIB 92 (ar- tikel 117 van het voorontwerp). Dat geldt bijvoorbeeld voor de cumulatieregels bedoeld in artikel 8 van de verordening en voor “de manier waarop de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld worden erkend en de methode waarop gegrond op de bepalingen van artikel  25  van de voormelde verordening de schade wordt vastgesteld die werd veroorzaakt door de ongunstige weersomstandigheden”. Hetzelfde geldt voor de vaststelling van “het bedrag van deze schade die op de wijze voorzien in het derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord in het be- lastbare tijdperk definitief werd vastgesteld” (zie enerzijds het ontworpen artikel 78, § 2, tweede lid, en anderzijds artikel 25, leden 5 en 6, van de verordening). Bijgevolg is het voor de Raad van State, afdeling Wetgeving, in het kader van onderhavige adviesaanvraag nog niet mogelijk om na te gaan of en hoe de naleving van bepaalde onderdelen van verordening 702/2014 op rechtsze- kere wijze zal worden gewaarborgd. Dat laatste is uiteraard van groot belang, aangezien bij niet-naleving de steun dreigt te moeten worden beschouwd als staatssteun die vooraf- gaandelijk had moeten worden aangemeld overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. 49.2. Het ontworpen artikel 2, § 1, 4°/1, zesde lid, van het WIB 1992 (artikel 115, a), van het voorontwerp) luidt: “Een onderneming kan evenwel geen middelgrote on- derneming zijn indien de controle over het kapitaal of de stemrechten van de onderneming, individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor 25 pct. of meer wordt uitgeoefend door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten. De in (…) paragraaf  4, tweede lid, bedoelde gevallen worden voor de toepassing van dit lid niet beschouwd als aanbestedende overheden.” Le délégué a répondu comme suit: “Indien de landbouwvennootschap opteert voor taxatie in de vennootschapsbelasting, en zij lijdt in jaar n schade omwille van ongunstige weersomstandigheden, kan deze in toepassing van artikel 206 § 4, WIB 92 het verlies ver- rekenen met de winst van de drie voorgaande belastbare tijdperken in de mate dat deze winst belastbaar is geweest in de vennootschapsbelasting”. 49. Le régime en projet s’intègre dans le règlement n° 702/2014. C’est pourquoi des notions propres à la régle- mentation européenne des aides d’État, et qui figurent déjà actuellement dans des dispositions spécifiques du CIR 92, sont inscrites à l’article 2 du CIR 92 (voir l’article 115 de l’avant-projet). 49.1. Les dispositions en projet prévoient le respect de certaines conditions de ce règlement, tandis que le respect d’autres de ses conditions doit faire l’objet d’un accord de coopération évoqué à l’article 78, § 2, alinéa 3, en projet, du CIR 92 (article 117 de l’avant-projet). Tel est par exemple le cas des règles de cumul visées à l’article 8 du règlement et pour “la façon dont la reconnaissance des conditions météo- rologiques pouvant être assimilées à une calamité naturelle a lieu, et sur base des dispositions de l’article 25 du règle- ment précité, déterminent la méthode sur base de laquelle le dommage causé par des circonstances météorologiques défavorables est constaté”. Il en va de même pour la fixation du “montant de ce dommage qui a été définitivement constaté dans la période imposable selon les modalités prévues par l’accord de coopération” (voir d’une part, l’article 78, § 2, ali- néa 2, en projet, et d’autre part, l’article 25, paragraphes 5 et 6, du règlement). Par conséquent, dans le cadre de la présente demande d’avis, le Conseil d’État, section de législation, se trouve pour l’heure dans l’impossibilité d’examiner si le respect de certains éléments du règlement 702/2004 pourra être garanti avec un degré de sécurité juridique satisfaisant, et de quelle manière il pourra l’être. Ce dernier point est bien entendu très important, dès lors qu’en cas de non-respect, l’aide risque de devoir être considérée comme une aide d’État qui aurait dû être préalablement notifiée conformément à l’article 108, paragraphe 3, du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne. 49.2. L’article 2, § 1er, 4°/1, alinéa 6, en projet, du CIR 92 (ar- ticle 115, a), de l’avant-projet) énonce ce qui suit: “Une entreprise ne peut pas être une moyenne entre- prise si le contrôle sur le capital ou sur les droits de vote de l’entreprise est exercé, directement ou indirectement, à titre individuel ou conjointement, pour 25 p.c. ou plus par un ou plusieurs pouvoirs adjudicateurs visés à l’article 2 de la loi de 17 juin 2016 relative aux marchés publics. Les cas visés au paragraphe 4, alinéa 2, ne sont pas considérés comme pouvoirs adjudicateurs pour l’application du présent alinéa”. 162 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Met deze bepaling wordt artikel 3, lid 4, van bijlage I van verordening 702/2014 geïmplementeerd, dat luidt: “Behoudens de in lid 2, tweede alinea, bedoelde gevallen kan een onderneming niet als kmo worden aangemerkt indien één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen geza- menlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten.” Artikel 3, lid 2, tweede alinea, van voormelde bijlage I luidt: “Ook al wordt de drempel van 25 % bereikt of overschreden, toch kan een onderneming als zelfstandige onderneming of als onderneming zonder partnerondernemingen worden aan- gemerkt, indien het om de volgende categorieën investeerders gaat en mits dezen individueel noch gezamenlijk met de be- trokken onderneming verbonden zijn in de zin van lid 3: (...)”. De voorwaarde dat de betrokken categorieën investeerders niet “individueel noch gezamenlijk met de betrokken onder- neming verbonden [mogen] zijn”, lijkt niet te zijn vervat in de ontworpen regeling. Dat is te verduidelijken in de ontworpen bepalingen. 50. Het ontworpen artikel 2, § 4, derde lid, vijfde en zesde streepje, van het WIB 1992 (artikel 115, c), van het vooront- werp) bepaalt dat “[v]oor de toepassing van het eerste lid en van paragraaf 1, 4°/1 (...) een onderneming als een verbonden onderneming van een andere onderneming [wordt] aange- merkt indien”: “(...) — de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de eerstgenoemde onderneming onder het toepassingsgebied van het derde lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend; — de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de andere onderneming onder het toepassings- gebied van het derde lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend; (…)”. Het is echter niet duidelijk wat in de aangehaalde bepa- lingen – die onderdelen maken overigens zelf deel uit van “het derde lid” van die bepaling – wordt bedoeld met de zinsnede “behalve in het geval de (...) onderneming onder het toepassingsgebied van het derde lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend”. Dat is te verduidelijken, waarbij de stellers van het voorontwerp Cette disposition met en œuvre l’article 3, paragraphe 4, de l’annexe I du règlement n° 702/2004, qui dispose ce qui suit: “Hormis les cas visés au paragraphe 2, deuxième alinéa, une entreprise ne peut pas être considérée comme une PME si 25 % ou plus de son capital ou de ses droits de vote sont contrôlés, directement ou indirectement, par un ou plusieurs organismes publics ou collectivités publiques, à titre individuel ou conjointement”. L’article 3, paragraphe 2, deuxième alinéa, de l’annexe précitée dispose ce qui suit: “Une entreprise peut toutefois être qualifiée d’autonome, donc n’ayant pas d’entreprises partenaires, même si le seuil de 25 % est atteint ou dépassé, lorsqu’on est en présence des catégories d’investisseurs suivants, et à la condition que ceux-ci ne soient pas, à titre individuel ou conjointement, liés au sens du paragraphe 3 avec l’entreprise concernée [...]:”. La condition selon laquelle les catégories d’investisseurs concernés “ne [peuvent] pas, à titre individuel ou conjointe- ment, [être] liés [...] avec l’entreprise concernée” ne paraît pas être prévue par le régime en projet. Il convient de le préciser dans les dispositions en projet. 50. L’article 2, § 4, alinéa 3, cinquième et sixième tirets, en projet, du CIR 92 (article 115, c), de l’avant-projet) dispose que “[p]our l’application de l’alinéa 1er et du paragraphe 1er, 4°/1, une entreprise est considérée comme entreprise liée à une autre entreprise si”: “[…] — l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au moyen d’entreprises tierces, le droit d’exercer une influence dominante sur une autre entreprise en vertu d’un contrat conclu avec cette entreprise ou en vertu d’une clause conte- nue dans les statuts de cette entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où l’entreprise citée en premier lieu se trouve dans le champ d’application de l’alinéa 3 et que les faits n’établissent pas que ce droit est effectivement exercé; — l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entre- prises tierces, le droit d’exercer une influence dominante sur une autre entreprise en vertu d’un contrat conclu avec cette entreprise ou en vertu d’une clause contenue dans les statuts de cette entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où l’autre entreprise se trouve dans le champ d’application de l’alinéa 3 et que les faits n’établissent pas que ce droit est effectivement exercé; […]”. On n’aperçoit cependant pas, dans les dispositions citées – ces divisions font au demeurant elles-mêmes partie de “l’alinéa 3” de cette disposition –, ce que vise le membre de phrase “sauf dans le cas où l’entreprise […] se trouve dans le champ d’application de l’alinéa 3 et que les faits n’établissent pas que ce droit est effectivement exercé”. Les auteurs de l’avant-projet doivent le préciser, en examinant également si 163 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 ook zullen moeten nagegaan of de draagwijdte die ze aan de betrokken zinsnede geven, verenigbaar is met de bepalingen van verordening 702/2014. De griffier, De voorzitter, Annemie GOOSSENS Jo BAERT Béatrice DRAPIER Pierre VANDERNOOT la portée qu’ils donnent au membre de phrase concerné est compatible avec les dispositions du règlement n° 702/2014. Le greffier, Le président, Annemie GOOSSENS Jo BAERT Béatrice DRAPIER Pierre VANDERNOOT 164 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 WETSONTWERP FILIP, KONING DER BELGEN, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, ONZE GROET. Op de voordracht van van de minister van Financiën, HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ: De minister van Financiën is ermee belast het ont- werp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in onze naam bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen: TITEL I Inleidende bepaling Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. T ITEL II Fiscale bepalingen HO OFDSTUK 1 Eenheidsstatuut Art. 2 In artikel  67quater van het Wetboek van de in- komstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het tweede lid wordt vervangen als volgt: “Het voor het belastbaar tijdperk vrij te stellen bedrag van de winsten en baten per in het eerste lid bedoelde werknemer, bedraagt: — drie weken bezoldiging, van het zesde tot en met het twintigste door deze werknemer begonnen dienst- jaar na 1 januari 2014; PROJET DE LOI PHILIPPE, ROI DES BELGES, À tous, présents et à venir, SALUT. Sur la proposition du ministre des Finances, NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS: Le ministre des Finances est chargé de présenter, en notre nom, à la Chambre des représentants, le projet de loi dont la teneur suit: TITRE IER Disposition introductive Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la Constitution. TITRE II Dispositions fiscales CHAPITRE 1ER Statut unique Art. 2 Dans l’article 67quater du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 26 décembre 2013 et modifié par la loi du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “Par travailleur visé à l’alinéa 1er, le montant des bénéfices et profits à exonérer pour la période impo- sable s’élève à: — trois semaines de rémunération, de la sixième année de service jusqu’à la vingtième année incluse commencée par ce travailleur après le 1er janvier 2014; 165 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 — een week bezoldiging, vanaf het eenentwintig- ste door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014.”; 2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: “Het in het tweede lid bedoelde vrij te stellen bedrag van de winsten en baten, dat in voorkomend geval wordt beperkt bij toepassing van het vierde lid, wordt gespreid over het belastbaar tijdperk en de vier volgende belast- bare tijdperken ten belope van 20 pct. per belastbaar tijdperk.”; 3° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) de woorden “een maximumbedrag” worden vervan- gen door de woorden “een maximumbedrag van bruto maandbezoldiging per werknemer”; b) de tweede zin wordt opgeheven; 4° tussen het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, en het vroegere vierde lid, dat het achtste lid wordt, worden drie leden ingevoegd, luidende: “De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoor- digers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het vierde lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. De in aanmerking te nemen bruto maandbezoldiging is de gemiddelde bruto maandelijkse bezoldiging, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbij- drage, berekend over het totaal aantal maanden van het belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd. Om de wekelijkse bezoldiging te bepalen wordt het maximumbedrag van de bruto maandbezoldiging ver- menigvuldigd met drie en gedeeld door dertien.”; 5° in het vierde lid, dat het achtste wordt, worden de woorden “waarin de tewerkstelling een einde neemt.” vervangen door de woorden “waarin de tewerkstelling een einde neemt en kan het ingevolge de in het derde lid bedoelde spreiding nog vrij te stellen bedrag voor die werknemer niet meer vrijgesteld worden.”. — une semaine de rémunération, à partir de la vingt et unième année de service commencée par ce travailleur après le 1er janvier 2014.”; 2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3: “Le montant des bénéfices et profits à exonérer visé à l’alinéa 2 qui est, le cas échéant, limité en application de l’alinéa 4, est étalé sur la période imposable et les quatre périodes imposables suivantes à concurrence de 20 p.c. par période imposable.”; 3° à l’alinéa 3 ancien, qui devient l’alinéa 4, les modi- fications suivantes sont apportées: a) les mots “un montant maximum” sont remplacés par les mots “un montant maximum de rémunération mensuelle brute par travailleur”; b) la deuxième phrase est abrogée; 4° trois alinéas rédigés comme suit sont insérés entre l’ancien alinéa 3, qui devient l’alinéa 4, et l’ancien alinéa 4, qui devient l’alinéa 8: “Le Roi saisira la Chambre des représentants immé- diatement si elle est réunie, sinon dès l’ouverture de sa plus prochaine session, d’un projet de loi de confirma- tion des arrêtés pris en exécution de l’alinéa 4. Lesdits arrêtés sont censés ne pas avoir produit leurs effets s’ils n’ont pas été confirmés par la loi dans les douze mois de la date de leur publication au Moniteur belge. La rémunération mensuelle brute à prendre en compte est la rémunération mensuelle brute moyenne, avant retenue des cotisations personnelles de sécurité sociale, calculée sur le total du nombre de mois de la période imposable pour laquelle l’exonération est sollicitée. Pour déterminer la rémunération hebdomadaire, le montant maximum de rémunération mensuelle brute est multiplié par trois et divisé par treize.”; 5° dans l’alinéa 4, qui devient l’alinéa 8, les mots “la période imposable dont l’emploi prend fin.” sont remplacés par les mots “la période imposable au cours de laquelle l’emploi prend fin et le montant encore à exonérer pour ce travailleur suite à l’étalement visé à l’alinéa 3 ne peut plus être exonéré.”. 166 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 3 Artikel 2 treedt in werking op 31 december 2018. HO OFDSTUK 2 ATAD – Interestaftrekbeperking Art. 4 Dit hoofdstuk heeft de gedeeltelijke omzetting tot doel van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belasting- ontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt. Art. 5 Artikel 35 van de wet van 25 december 2017 tot her- vorming van de vennootschapsbelasting, vervangen bij de wet van 30 juli 2018, wordt ingetrokken. Art. 6 In artikel 86 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30  juli  2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder B1 worden de woorden “35, 39, 5° en 9°” vervangen door de woorden “34, 36, 39, 5° tot 15°, 40”; 2° i n de bepaling onder B2 worden de woorden “34, 36, 39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot 15°, 40” vervangen door de woorden “39, 2°en 4°”. Art. 7 Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 3 L’article 2 entre en vigueur le 31 décembre 2018. CHAPITRE 2 ATAD –– Limitation d’intérêts Art. 4 Le présent chapitre a pour objet de transposer par- tiellement la directive (UE) 2016/1164 du Conseil du 12 juillet 2016 établissant des règles pour lutter contre les pratiques d’évasion fiscale qui ont une incidence directe sur le fonctionnement du marché intérieur. Art. 5 L’article 35 de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l’impôt des sociétés, remplacé par la loi du 30 juillet 2018, est retiré. Art. 6 A l’article  86 de la même loi, modifié par la loi du 30  juillet  2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° au B1, les mots “35, 39, 5° et 9°” sont remplacés par les mots “34, 36, 39, 5° à 15°, 40”; 2° au B2, les mots “34, 36, 39, 2°, 4°, 6° à 8° et 10° à 15°, 40” sont remplacés par les mots “39, 2°et 4°”. Art. 7 Le présent chapitre entre en vigueur le jour de publi- cation de la présente loi au Moniteur belge. 167 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 HOOF DSTUK 3 Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse vennootschap verbonden met de werkgever Afdeling 1 Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 8 In artikel 270 van het Wetboek van de inkomstenbe- lastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 28 december 1992 en 22 juli 1993, bij het koninklijk besluit van 12 december 1996 en door de wetten van 24 december 2002 en 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bestaande tekst zal het eerste lid vormen; 2° een tweede lid wordt ingevoegd, luidende: “Voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing worden: a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een bui- tenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige; b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belasting- plichtige geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ont- vangt van een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in België of in het bui- tenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen betaalt of toekent die beroepskosten zijn in de zin van artikel 237.”. Art. 9 In artikel  272 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 22 juli 1993 en 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: CHAPITRE 3 Rémunérations reçues d’une société étrangère liée à l’employeur Section 1re Modifications du Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 8 Dans l’article  270 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié par les lois des 28 juillet 1992, 28 décembre 1992 et 22 juillet 1993, par l’arrêté royal du 12 décembre 1996 et par les lois des 24 décembre 2002 et 13 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées: 1° le texte actuel formera l’alinéa 1er; 2° un alinéa 2 est inséré, rédigé comme suit: “Pour l’application du précompte professionnel: a) le contribuable visé aux articles 179 ou 220 est censé attribuer les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2° qu’un bénéficiaire reçoit d’une société étran- gère liée au contribuable au sens de l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable; b) le contribuable visé à l’article 227, 2° et 3°, est censé attribuer les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2° qu’un bénéficiaire reçoit d’une société étrangère liée au contribuable au sens de l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l’occa- sion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable pour laquelle le contribuable paye ou attribue en Belgique ou à l’étranger des rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, qui constituent des frais professionnels au sens de l’article 237.”. Art. 9 À l’article 272 du même Code, modifié par les lois des 28 décembre 1992, 22 juillet 1993 et 13 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées: 168 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 1° in eerste lid, 1°, worden de woorden “in artikel 270, 1°, 3°, 6° en 7°” vervangen door de woorden “in arti- kel 270, eerste lid, 1°, 3°, 6° en 7°”; 2° in eerste lid, 2°, worden de woorden “in artikel 270, 2°” vervangen door de woorden “in artikel 270, eerste lid, 2°”; 3° in eerste lid wordt een bepaling onder 3° inge- voegd, luidende: “3° hebben de belastingschuldigen overeenkomstig artikel 270, tweede lid, het recht op het geheel van de belastbare inkomsten waarvan zij schuldenaar zijn de voorheffing in te houden.”; 4° in tweede lid worden de woorden “in artikel 270, 5°” vervangen door de woorden “in artikel 270, eerste lid, 5°”. Art. 10 In artikel 2751, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 11 In artikel 2752, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005, worden de woorden “in toe- passing van artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 12 In artikel 2753, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 13 In artikel 2754, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door bij de wet van 23 december 2005, worden de woor- den “bij toepassing van artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 270, eerste lid, 1°,”. 1° dans l’alinéa 1er, 1°, les mots “à l’article 270, 1°, 3°, 6° et 7°” sont remplacés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er, 1°, 3°, 6° et 7°”; 2° dans l’alinéa 1er, 2°, les mots “à l’article 270, 2°” sont remplacés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er, 2°”; 3° dans l’alinéa 1er, un 3° est inséré, rédigé comme suit: “3° les redevables en application de l’article 270, ali- néa 2, ont le droit de retenir le précompte sur l’ensemble des revenus imposables dont ils sont débiteurs.”; 4° dans l’alinéa 2, les mots “à l’article 270, 5°” sont remplacés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er, 5°”. Art. 10 A l’article 2751, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 3  juillet  2005 et modifié par la loi du 22 décembre 2008, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’ar- ticle 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 11 A l’article 2752, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 20 juillet 2005, les mots “en application de l’article 270, 1°.” sont remplacés par les mots “en appli- cation de l’article 270, alinéa 1er, 1°.”. Art. 12 A l’article 2753, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2017, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 13 A l’article 2754, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005, les mots “en application de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en appli- cation de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. 169 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 14 In artikel 2755, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewij- zigd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 15 In artikel 2756 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 mei 2007 en gewijzigd bij de wetten van 22 december 2008, 22 december 2009 en 28 april 2011, worden de woorden “bedoeld in artikel 270,” vervangen door de woorden “bedoeld in artikel 270, eerste lid,”. Art. 16 In artikel 2757, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 17 In artikel 2758 § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015 en 18 december 2015, worden de woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 18 In artikel 2759, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015 en 18 december 2015, worden de woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 19 In artikel 27510, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 20 In artikel 27511, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2018, worden de Art. 14 A l’article 2755, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi du 26 mars 2018, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 15 A l’article 2756 du même Code, inséré par la loi du 4 mai 2007 et modifié par les lois des 22 décembre 2008, 22 décembre 2009 et 28 avril 2011, les mots “visés à l’article 270,” sont à chaque fois remplacés par les mots “visés à l’article 270, alinéa 1er,”. Art. 16 A l’article 2757, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 26 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 17 A l’article 2758,§ 1er, du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015 et 18 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’ar- ticle 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 18 A l’article 2759, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015 et 18 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’ar- ticle 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 19 A l’article 27510, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 10 août 2015, les mots “en vertu de l’ar- ticle 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 20 A l’article 27511, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 26  mars  2018, les mots “en vertu de 170 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”. Art. 21 In artikel 412bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden “de in artikel 270, 5°, vermelde akten” ver- vangen door de woorden “de in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde akten”. Afdeling 2 Verplichting tijdens overgangsperiode voor de inkomsten van het belastbaar tijdperk 2018 Art. 22 § 1. De belastingplichtige bedoeld in artikel 179 of 220 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 maakt een fiche op die de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek herneemt die tijdens het kalenderjaar 2018 aan een begunstigde worden betaald of toegekend door een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van ven- nootschappen en verenigingen wegens of naar aanlei- ding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige. De in artikel 227, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtige maakt een fiche op die de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek herneemt die tijdens kalenderjaar 2018 aan een begunstigde zijn betaald of toegekend door een buitenlandse vennoot- schap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschap- pen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, van het voormelde Wetboek bedoelde bezoldigingen betaalt of toekent die beroepskosten zijn in de zin van artikel 237 van hetzelfde Wetboek. De in het eerste en tweede lid bedoelde fiche wordt voor 1 maart 2019 langs elektronische weg aan de FOD Financiën bezorgd . De Koning stelt het model op van de fiche bedoeld in het eerste en tweede lid. l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”. Art. 21 A l’article 412bis, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 28  décembre  1992, les mots “visés à l’article 270, 5°.” sont remplacés par les mots “visés à l’article 270, alinéa 1er, 5°.”. Section 2 Obligation transitoire pour les revenus de la période imposable 2018 Art. 22 § 1er. Le contribuable visé à l’article 179 ou 220 du Code des impôts sur les revenus 1992 établit une fiche reprenant les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, du même Code qui sont payées ou attribuées à un bénéficiaire au cours de l’année civile 2018 par une société étrangère liée au contribuable au sens de l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable. Le contribuable visé à l’article  227, 2° et 3°, du Code des impôts sur les revenus 1992 établit une fiche reprenant les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, du même Code qui sont payées ou attribuées à un bénéficiaire, au cours de l’année civile 2018 par une société étrangère liée au contribuable au sens de l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable pour laquelle le contribuable paye ou attribue en Belgique ou à l’étran- ger des rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, du Code précité, qui constituent des frais professionnels au sens de l’article 237 du même Code. La fiche visée aux alinéas  1er et 2 est transmise par voie électronique au SPF Finances avant le 1er mars 2019. Le Roi fixe le modèle de fiche visée aux alinéas 1er et 2. 171 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 § 2. In afwijking van de artikelen 219 en 445 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is in geval van afwezigheid, onvolledigheid of laattijdigheid van de in paragraaf 1 bedoelde fiche, per vastgestelde inbreuk een boete verschuldigd van 10 pct. van het bedrag van de toegekende of betaalde bezoldigingen bedoeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid. Er wordt geen boete toegepast wanneer de belas- tingplichtige aantoont dat de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkom- stenbelastingen 1992 begrepen zijn in een door de begunstigde overeenkomstig artikel 305 van hetzelfde Wetboek ingediende aangifte of in een door de be- gunstigde in het buitenland ingediende gelijkaardige aangifte. Art. 23 Voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zijn de be- palingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op deze afdeling. Afdeling 3 Inwerkingtreding Art. 24 Afdeling 1 van dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2019 en is van toepassing op bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2019. Afdeling 2 van dit hoofdstuk treedt in werking op de dag van haar publicatie in het Belgisch Staatsblad en ten laatste op 31 december 2018. TITEL III Fraudebestrijding HOOFDSTUK 1 Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen Afdeling 1 Gegevensuitwisseling met derde landen Art. 25 In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 338ter ingevoegd, luidende: § 2. Par dérogation aux articles 219 et 445 du Code des impôts sur les revenus 1992, en cas d’absence, d’incomplètude ou de remise tardive de la fiche visée au paragraphe 1er, une amende de 10 p.c. du mon- tant des rumérations attribuées ou payées visées au paragraphe 1er, alinéa 1er et 2, est due par infraction constatée. Aucune amende n’est appliquée lorsque le contri- buable démontre que les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 sont comprises dans une déclaration introduite par le bénéficiaire conformément à l’article 305 du même Code ou dans une déclaration analogue introduite à l’étranger par le bénéficiaire. Art. 23 Pour autant qu’il n’y soit pas dérogé, les dispositions du Code des impôts sur les revenus 1992 sont d’appli- cation à la présente section. Section 3 Entrée en vigueur Art. 24 La section première du présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2019 et est applicable aux rémuné- rations payées ou attribuées à partir du 1 janvier 2019. La section 2 du présent chapitre entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge et au plus tard le 31 décembre 2018. TITRE III Lutte contre la fraude CHAPITRE 1ER Modifications en matière d’impôts sur les revenus Section 1re Échange de données avec des pays tiers Art. 25 Dans le Code des impôts sur les revenus 1992, il est inséré un article 338ter, rédigé comme suit: 172 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “Art. 338ter. Teneinde de gegevens bedoeld in arti- kel 338, § 24/1, te kunnen overmaken aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten en de bevoegde autoriteiten van derde landen, binnen de juridische grondslag die de uitwisseling van informatie tussen België en het derde land regelt, kunnen de voormelde gegevens door de Belgische bevoegde autoriteit conform artikel 30, tweede lid en artikel 31, zevende lid van de Richtlijn 2015/849/EU zonder enige beperking bij de volgens voormelde Richtlijn meldingsplichtige entiteiten worden opgevraagd, die ze binnen een maand na het ver- zoek dienen te bezorgen aan de Belgische bevoegde autoriteit.”. Afdeling 2 Juridische constructies Art. 26 In artikel 333 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd door de wetten van 24 maart 2015 en 30 juni 2017, wor- den de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het tweede lid worden de woorden “vierde lid.” vervangen door de woorden “vijfde lid.”; 2° in het derde lid worden de woorden “artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar,” vervangen door de woorden “artikel 354, tweede en derde lid, bedoelde aanvullende termijn van respectie- velijk vier en zeven jaar,”; 3° in het derde lid in fine worden de woorden “met de aanvullende termijn van vier jaar.” vervangen door de woorden “met de hierboven bedoelde aanvullende termijn van respectievelijk vier en zeven jaar.”. Art. 27 In artikel 354 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 december 2008 en 27 april 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende: “Wanneer in een land opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, met uitzondering van de landen waarmee een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering “Art 338ter. Afin de pouvoir transmettre les données visées à l’article 338, § 24/1 aux autorités compétentes étrangères et aux autorités compétentes des pays tiers, conformément au fondement juridique qui règle l’échange d’informations entre la Belgique et le pays tiers, les données susvisées peuvent être demandées conformément à l’article 30, alinéa 2 et à l’article 31, alinéa  7 de la Directive 2015/849/CE, sans aucune limitation par l’autorité compétente belge auprès des entités tenues de notifier en vertu de la Directive sus- mentionnée, qui doivent les communiquer à l’autorité compétente belge dans un délai d’un mois à compter de la demande.”. Section 2 Constructions juridiques Art. 26 A l’article 333 du même Code, modifié en dernier lieu par les lois du 24 mars 2015 et du 30 juin 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 2, les mots “alinéa 4.” sont remplacés par les mots “alinéa 5.”; 2° dans l’alinéa 3, les mots “de quatre ans prévu à l’article 354, alinéa 2,” sont remplacés par les mots “de respectivement quatre et sept ans prévus à l’article 354, alinéas 2 et 3,”; 3° dans l’alinéa 3 in fine, les mots “prolongé du délai supplémentaire de quatre ans.” sont remplacés par les mots “prolongé du délai supplémentaire susvisé de respectivement quatre et sept ans.”. Art. 27 A l’article 354 du même Code, modifié par les lois des 22 décembre 2008 et 27 avril 2016, les modifications suivantes sont apportées: 1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3: “Lorsque dans un État figurant sur la liste des États à fiscalité inexistante ou peu élevée visée à l’article 307, § 1er/2, alinéa 3, à l’exception des États avec lesquels a été conclue une convention préventive de double impo- sition et à condition que cette convention ou un traité assure l’échange des informations qui sont nécessaires afin d’exécuter les dispositions des lois nationales des 173 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten, gebruik wordt gemaakt van juridische constructies die ertoe strek- ken de herkomst of het bestaan van het vermogen te verhullen, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn met zeven jaar verlengd in geval van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten.”; 2° in het vroegere derde lid, dat het 4e lid is geworden, wordt het woord “twee” vervangen door het woord “drie”. Afdeling 3 Onderzoeksbevoegdheden Art 28 In artikel 322, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2018, worden de volgende wij- zigingen aangebracht: 1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd luidende: “Het recht om derden te horen en om een onder- zoek in te stellen mag slechts worden uitgeoefend door ambtenaren die minstens de graad van financieel deskundige bezitten, voorzien van hun aanstellings- bewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen.”; 2° het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt aangevuld als volgt: “Het recht om het UBO-register te consulteren mag slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere titel dan die van attaché.”; 3° het vroegere derde lid wordt opgeheven. HOOFDSTUK 2 Wijzigingen aan het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 29 In het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt een artikel 93bis/1 ingevoegd, luidende: “Art. 93bis/1. In afwijking van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, États contractants, il est fait usage de constructions juridiques visant à dissimuler l’origine ou l’existence du patrimoine, le délai visé à l’alinéa 1er est prolongé de sept ans en cas d’infraction aux dispositions du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution.”; 2° dans l’alinéa 3 ancien, devenant l’alinéa 4, le mot “deux” est remplacé par le mot “trois”. Section 3 Pouvoirs d’investigation Art. 28 Dans l’article 322, § 1er, du même Code, modifié par la loi du 26 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2: “Le droit d’entendre des tiers et de procéder à des enquêtes ne peut être exercé que par des agents ayant au minimum le grade d’expert financier. munis de leur commission et chargés d’effectuer un contrôle ou une enquête se rapportant à l’application de l’impôt sur les revenus.”; 2° l’alinéa 2 ancien, devenant l’alinéa 3, est complété comme suit: “Le droit de consulter le registre UBO ne peut être exercé que par un agent ayant un titre supérieur à celui d’attaché.”; 3° l’alinéa 3 ancien est supprimé. CHAPITRE 2 Modifications du code de la taxe sur la valeur ajoutée Art. 29 Dans le Code de la Taxe sur la valeur ajoutée, il est inséré un article 93bis/1 rédigé comme suit: “Art. 93bis/1. Par dérogation à l’article 4 de la loi du 11 avril 1994 relative à la publicité de l’administration, 174 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 mogen de verzoeken om inlichtingen van buitenlandse autoriteiten en de antwoorden verstrekt aan die autori- teiten evenals elke andere correspondentie tussen de bevoegde autoriteiten niet openbaar worden gemaakt zolang het onderzoek van de buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover de openbaarmaking nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek, tenzij de buitenlandse autoriteit haar uitdrukkelijk akkoord heeft gegeven voor deze openbaarmaking. Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt geacht te zijn bekomen wanneer de buitenlandse autoriteit niet reageert binnen een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf het verzenden door de Belgische Staat van de vraag tot inzage, en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens en de correspondentie volgens de voorwaarden van dit artikel moet voortduren, wanneer de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd uitdrukkelijk deze toegang aan de Belgische Staat heeft gevraagd.”. HOOFDSTUK 3 Wijzigingen aan de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken Art. 30 In artikel 22, derde lid, van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake in- komstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt: “1° bij het indienen van de aanvraag, elementen van de beschreven verrichting of situatie betrekking hebben op een vluchtland dat niet samenwerkt met de OESO of op een land opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelas- tingen 1992 tenzij met dit land een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten;”. les demandes de renseignements transmises par les autorités étrangères et les réponses qui sont fournies à ces autorités ainsi que toute autre correspondance entre les autorités compétentes ne sont pas susceptibles d’être divulguées aussi longtemps que l’enquête de l’autorité étrangère n’est pas clôturée et pour autant que la divulgation nuirait aux besoins de l’enquête précitée, à moins que l’autorité étrangère n’ait expressément marqué son accord sur cette divulgation. L’accord visé à l’alinéa 1er est acquis si l’autorité étrangère ne réagit pas dans un délai de 90 jours à partir de l’envoi de la demande de divulgation par l’État belge et n’apporte pas l’information que la confidentia- lité des données et correspondances échangées selon les conditions du présent article doit perdurer, lorsque la personne dans le chef de qui l’enquête est menée par l’État étranger a explicitement demandé cet accès à l’État belge.”. CHAPITRE 3 Modifications de la loi du 24 décembre 2002 modifiant le régime des sociétés en matière d’impôts sur les revenus et instituant un système de décision anticipée en matière fiscale Art. 30 Dans l’article 22, alinéa 3, de la loi du 24 décembre 2002 modifiant le régime des sociétés en matière d’impôts sur les revenus et instituant un système de décision antici- pée en matière fiscale, le 1° est remplacé par ce qui suit: “1° lors de l’introduction de la demande, des éléments de l’opération ou de la situation décrite se rattachent à un pays refuge non coopératif avec l’OCDE ou à un pays figurant sur la liste des États à fiscalité inexistante ou peu élevée, visée à l’article 307, § 1er/2, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, à moins qu’une convention préventive de double imposition n’ait été conclue avec cet État et à condition que cette conven- tion ou un traité assure l’échange des informations qui sont nécessaires afin d’exécuter les dispositions des lois nationales des États contractants; “. 175 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 HOOFDSTUK 4 De invordering Afdeling 1 Verplichting van de betaling in euro door bepaalde administraties van de FOD Financiën Art. 31 Elke som die door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet worden teruggegeven of betaald, moet uitgevoerd worden in euro. Afdeling 2 Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de programmawet (I) van 29 maart 2012 en het burgerlijk Wetboek inzake het E-notariaat Onderafdeling 1 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 32 In artikel 62 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van 27 april 2007 en bij de wet van 25 april 2014, wordt paragraaf 2 opgeheven. Art. 33 In artikel  66, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28  december  1992, 28  januari  2004 en 17  december  2012, worden de woorden “artikel 62, § 1,” vervangen door de woorden “artikel 62”. Art. 34 Artikel 93ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, en gewijzigd bij de wet- ten van 22  december  1989, 28  december  1992, de koninklijke besluiten van 20 juli 2000, 31 maart 2003 en 25 februari 2007 en de wetten van 27 april 2007 en 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt: CHAPITRE 4 Le recouvrement Section 1re Obligation de paiement en euros par certaines administrations du SPF Finances Art. 31 Toute somme à restituer ou à payer par l’administra- tion du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales doit être exécutée en euros. Section 2 Modifications du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, du Code des impôts sur les revenus 1992, de la loi- programme (I) du 29 mars 2012 et du Code civil en matière d’E-notariat Sous-section 1re Code de la taxe sur la valeur ajoutée Art. 32 Dans l’article 62 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par la loi-programme du 27  avril  2007 et par la loi du 25 avril 2014, le paragraphe 2 est abrogé. Art. 33 A l’article 66, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois du 28 décembre 1992, 28 janvier 2004 et 17 décembre 2012, les mots “l’article 62, § 1er,” sont remplacés par les mots “l’article 62,”. Art. 34 L’article 93ter du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980 et modifié par les lois du 22 décembre 1989, 28 décembre 1992, les arrêtés royaux des 20 juillet 2000, 31  mars  2003 et 25  février  2007, et des lois du 27 avril 2007 et 24 juillet 2008 , est remplacé par ce qui suit: 176 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “Art. 93ter. § 1. De notaris die verzocht is om een akte op te maken die de vervreemding of hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp heeft, is persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, wanneer hij daarvan geen bericht geeft aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatie- technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp van de akte is, ressorteert, of de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats in het buitenland heeft, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden. Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt dit bericht als niet bestaande beschouwd. § 2. Wanneer het bericht meegedeeld is in overeen- stemming met paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van het bericht verstaan de da- tum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën. § 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassings- voorwaarden van dit artikel.”. Art. 35 Artikel 93quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij de konink- lijke besluiten van 31 maart 2003, en 25 februari 2007, en bij de wet van 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt: “Art. 93ter. § 1er. Le notaire requis de dresser un acte ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un bien susceptible d’hypothèque, est personnelle- ment responsable du paiement de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires pouvant donner lieu à ins- cription hypothécaire lorsqu’il n’en avise pas: 1° le service en charge de la technologie de l’infor- mation et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 2° le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien faisant l’objet de l’acte, ou le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien a sa résidence à l’étranger, lorsque la communication de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l’avis est adressé par lettre recommandée. Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les trois mois à compter de l’envoi de l’avis, cet avis sera considéré comme non avenu. § 2. Lorsque la communication de l’avis est effectuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de l’avis s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances. § 3. Lorsqu’un même avis est adressé successive- ment selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er ,alinéa 1er, 1° et 2°, l’avis établi confor- mément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article.”. Art. 35 L’article  93quater du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980 et modifié par les arrêtés royaux du 31 mars 2003 et 25 février 2007 et par la loi du 24 juillet 2008, est remplacé par ce qui suit: 177 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 “Art. 93quater. § 1. Indien het belang van de Schatkist dit vereist, geeft de bevoegde ontvanger aan de notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van de verzending van het in artikel 93ter bedoelde bericht, kennis van het bedrag van de belas- ting over de toegevoegde waarde en bijbehoren dat aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist op het goed dat het voor- werp van de akte is: 1° op elektronische wijze, volgens een door de Koning bepaalde procedure; 2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, heeft verzonden bij aangetekende brief. § 2. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld over- eenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst in- formatie- en communicatietechnologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1. § 3. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvol- gens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat.”. Art. 36 Artikel 93quinquies van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 8 augustus 1980, vervangen, bij de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd bij de wetten van 27 april 2016 [en de wet van xxxx2018 (WO uitvoerbare titel BTW], wordt vervangen als volgt: “Art. 93quinquies. § 1. Wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in han- den van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is deze bedragen en waarden overeenkomstig de ar- tikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen. “Art. 93quater. § 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le receveur compétent notifie au notaire, avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis prévu à l’article 93ter, le montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires pouvant donner lieu à inscription de l’hypothèque légale du Trésor sur le bien faisant l’objet de l’acte: 1° par voie électronique, selon une procédure déter- minée par le Roi; 2° par lettre recommandée, lorsque la communi- cation de la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement tech- nique, être effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé par l’article  93ter, § 1er, par lettre recommandée. § 2. Lorsque la communication de la notification est effectuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de la notification s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service Technologie de l’information et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé à l’article 93ter, § 1er. § 3. Lorsqu’une même notification est adressée suc- cessivement selon les procédures prévues respective- ment au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.”. Art. 36 L’article 93quinquies du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980, remplacé par la loi du 24 juillet 2008 et modifié par les lois des 27 avril 2016 [et xxx2018 (cf PL automatisation du titre exécutoire TVA], est remplacé par ce qui suit: “Art. 93quinquies. §  1er. Lorsque l’acte visé à l’article  93ter est passé, la notification visée à l’ar- ticle 93quater emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou au profit du redevable et vaut opposition sur le prix au sens de l’article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir ces sommes et valeurs conformément aux articles 1639 à 1654 du Code judiciaire. 178 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Onverminderd de rechten van derden, is de notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, onder voorbehoud van toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belasting- schuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de ontvanger bedoeld in ar- tikel 93quater te storten tot beloop van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren dat hem ter uitvoering van artikel 93quater ter kennis werd gebracht en in zoverre deze belasting en bijbeho- ren aanleiding hebben gegeven tot een dwangbevel of zijn opgenomen in een innings-en invorderingsregister als bedoeld in artikel 85 waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door een in artikel 89 bedoelde vor- dering in rechte. Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedra- gen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, met inbegrip van de ontvanger, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover informeren aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatie- technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de ontvanger bedoeld in artikel  93quater bij aangetekende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, bij aangetekende brief heeft verzonden. De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechno- logie van de Federale Overheidsdienst Financiën, of de datum van verzending van de aangetekende brief. §  2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvol- gens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 1°, voorafgaat. § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de overschrijving of de inschrijving van de akte niet aan de Staat worden tegengeworpen indien de inschrijving Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l’acte visé à l’article 93ter est passé, le notaire est tenu, sous réserve de l’application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de verser entre les mains du receveur visé à l’article 93quater, au plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de l’acte, les sommes et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou au profit du redevable, à concurrence du montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires qui lui ont été notifiés en exécution de l’article 93quater et dans la mesure où cette taxe et ces accessoires ont donné lieu à une contrainte ou sont repris dans un registre de perception et de recouvrement visés à l’article 85 dont l’exécution n’est pas interrompue par l’action en justice prévue à l’article 89. En outre, lorsque les sommes et valeurs ainsi saisies- arrêtées sont inférieures à l’ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, en ce compris le receveur, le notaire doit, sous peine d’être personnellement responsable de l’excédent, en informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l’acte: 1° le service en charge de la technologie de l’infor- mation et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 2° le receveur visé à l’article 93quater, par lettre recommandée, lorsque le notaire ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, communiquer l’information conformément au 1° ou lorsqu’il a adressé l’avis visé à l’article 93ter, § 1er, par lettre recommandée. Selon le cas, la date de l’information est celle de la date de l’accusé de réception communiqué par le ser- vice en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, ou de la date d’envoi de la lettre recommandée. § 2. Lorsqu’une même information est adressée suc- cessivement selon les procédures prévues respective- ment au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l’information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°. § 3. Sans préjudice des droits des tiers, la trans- cription ou l’inscription de l’acte n’est pas opposable à l’État, si l’inscription de l’hypothèque légale a lieu dans 179 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen van de datum van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belasting over de toege- voegde waarde en bijbehoren, welke ter uitvoering van artikel 93quater werden ter kennis gebracht. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassings- voorwaarden van dit artikel.”. Art. 37 Artikel 93octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, wordt opgeheven. Art. 38 In artikel 93nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, worden de woorden “ar- tikelen 93ter tot 93octies” vervangen door de woorden “artikelen 93ter tot 93septies”. Art. 39 Artikel 93decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980, wordt vervangen als volgt: “Art. 93decies. Met het akkoord van de belasting- schuldige zijn de banken, onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, evenals de kredietgevers en bemiddelaars inzake hypothecair krediet, onderworpen aan Boek VII, Titel 4, Hoofdstuk 4, van het Wetboek van economisch recht, gemachtigd het in artikel 93ter bedoelde bericht te verzenden en zijn zij bevoegd om de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving te ontvangen. De afgifte van een attest door die instellingen aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg daaraan gegeven door de ontvanger bedoeld in artikel 93quater, stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de plaats van die van de notaris.”. les huit jours ouvrables de la date de l’information visée au paragraphe 1er, alinéa 4. Sont inopérantes au regard des créances de la taxe sur la valeur ajoutée et d’accessoires notifiés conformé- ment à l’article 93quater, toutes créances non inscrites pour lesquelles saisie ou opposition n’est pratiquée qu’après l’expiration du délai prévu au paragraphe 1er, alinéa 3. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article.”. Art. 37 L’article 93octies du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980, est abrogé. Art. 38 Dans l’article 93nonies du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980, les mots “articles 93ter à 93octies” sont remplacés par les mots “articles 93ter à 93septies”. Art. 39 L’article 93decies du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980, est remplacé par ce qui suit: “Art. 93decies. Moyennant l’accord du redevable, les banques soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi que les prêteurs en crédit hypothécaire et les intermé- diaires en crédit hypothécaire soumis au Livre VII, titre 4, chapitre 4, du Code de droit économique, sont autori- sées à adresser l’avis prévu à l’article 93ter et qualifiées pour recevoir la notification visée à l’article 93quater. La remise d’une attestation par ces organismes au notaire relativement à l’envoi de l’avis et à la suite y donnée par le receveur visé à l’article 93quater substitue la responsabilité de ces organismes à celle du notaire.”. 180 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 40 Artikel 93undecies A van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2005 en 11 juli 2018, wordt vervangen als volgt: “Art. 93undecies A. Geen akte die in het buitenland verleden is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed of een schip tot voorwerp heeft, wordt in België tot overschrijving of inschrijving in de registers van de hypothecaire open- baarmaking, wat de onroerende goederen betreft, of in het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen betreft, toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een attest van de ontvanger bedoeld in artikel 93ter. Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of de houder van een zakelijk recht geen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is, ofwel dat de wet- telijke hypotheek, die de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde waarborgt, ingeschreven is.”. Onderafdeling 2 Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 41 Artikel 433 van het Wetboek van de inkomstenbelas- tingen 1992, vervangen bij de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt vervangen als volgt: “Art. 433. § 1. De notaris die verzocht is om een akte op te maken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp heeft, is persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, wanneer hij daarvan geen bericht geeft aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatie- technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed ressorteert, of de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats in het buitenland heeft en, daarenboven, zo het om een onroerend goed gaat, de ontvanger, bevoegd voor de invordering van de onroerende voorheffing van dat goed, wanneer het bericht omwille van overmacht of Art. 40 L’article 93undecies A du même Code, inséré par la loi du 8 août 1980 et modifié par les lois des 10 août 2005 et 11 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit: “Art. 93undecies A. Aucun acte passé à l’étranger et ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypo- thécaire d’un immeuble, ou d’un bateau ne sera admis en Belgique à la transcription ou à l’inscription dans le registres de la publicité hypothécaire en ce qui concerne les immeubles, ou dans le Registre naval belge, en ce qui concerne les bateaux, s’il n’est accompagné d’un certificat du receveur visé à l’article 93ter. Ce certificat doit attester que le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel n’est pas redevable de taxe sur la valeur ajoutée ou que l’hypothèque légale garantissant la taxe sur la valeur ajoutée due a été inscrite.”. Sous-section 2 Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 41 L’article 433 du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé par la loi du 24 juillet 2008 et modifié par la loi du 27 avril 2016, est remplacé par ce qui suit: “Art. 433. § 1er. Le notaire requis de dresser un acte ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un bien susceptible d’hypothèque, est personnelle- ment responsable du paiement des impôts et des acces- soires pouvant donner lieu à inscription hypothécaire, lorsqu’il n’en avise pas: 1° le service en charge de la technologie de l’infor- mation et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 2° le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien, ou le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien a sa résidence à l’étranger, et, en outre, s’il s’agit d’un immeuble, le receveur compétent pour le recouvrement du précompte immobilier de ce bien, lorsque la communication de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée 181 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig de bepaling onder 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden. § 2. Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzen- ding van het bericht, wordt dit bericht als niet bestaande beschouwd. Wanneer het bericht meegedeeld is overeenkomstig paragraaf 1, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informa- tie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën. § 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voor- zien respectievelijk in paragraaf 1, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld over- eenkomstig paragraaf 1, 1°, voorafgaat. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassings- voorwaarden van dit artikel.”. Art. 42 Artikel  434 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31  maart  2003 en 25 februari 2007 en bij de wet van 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt: “Art. 434. § 1. Indien het belang van de Schatkist dit vereist, wordt door de bevoegde ontvanger aan de nota- ris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van de verzending van het in artikel 433 bedoelde bericht, kennis gegeven van het bedrag van de belastingen en bijbehoren dat aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist op het goed dat het voorwerp van de akte is: 1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning bepaalde procedure; 2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 433, § 1, heeft verzonden bij aangetekende brief. § 2. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvol- gens wordt verzonden overeenkomstig de procedures conformément au 1°. Dans ce cas, l’avis est adressé par lettre recommandée. § 2. Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les trois mois à compter de l’envoi de l’avis, cet avis sera considéré comme non avenu. Lorsque la communication de l’avis est effectuée conformément au paragraphe 1er, 1°, la date d’envoi de l’avis s’entend de la date de l’accusé de réception com- muniqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances. § 3. Lorsqu’un même avis est adressé successive- ment selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au paragraphe 1er, 2°, ne prévaut que lorsque la date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’avis établi conformément au paragraphe 1er, 1°. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article.”. Art. 42 L’article 434 du même Code, modifié par les arrêtés royaux du 31 mars 2003 et 25 février 2007 et par la loi du 24 juillet 2008, est remplacé par ce qui suit: “Art. 434. § 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le rece- veur compétent notifie au notaire, avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis visé à l’article 433, le montant des impôts et des acces- soires pouvant donner lieu à inscription de l’hypothèque légale du Trésor sur le bien faisant l’objet de l’acte: 1° par voie électronique, selon une procédure déter- minée par le Roi; 2° par lettre recommandée, lorsque la communication de la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé à l’article 433, § 1er, par lettre recommandée. § 2. Lorsque la même notification est adressée successivement selon les procédures prévues 182 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat. § 3. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld over- eenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst in- formatie- en communicatietechnologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 433, § 1.”. Art. 43 Artikel 435 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd door de wet van 27 april 2016, wordt vervangen als volgt: “Art. 435. § 1. Wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 434 bedoelde ken- nisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen. Onverminderd de rechten van derden, is de notaris, wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, ertoe gehouden onder voorbehoud van toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belasting- schuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de in artikel 434 bedoelde ontvanger te storten tot beloop van het bedrag van de belastingen en bijbehoren dat hem ter uitvoering van artikel 434 ter kennis werd gebracht en in zoverre deze belastingen en bijbehoren een zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410 vormen. Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedra- gen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, hierin begrepen de ontvanger, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover informeren aan: respectivement au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°. § 3. Lorsque la communication de la notification est effectuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de la notification s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service Technologie de l’information et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé à l’article 433, § 1er. “. Art. 43 L’article 435 du même Code, remplacé par la loi du 24 juillet 2008 et modifié par la loi du 27 avril 2016, est remplacé par ce qui suit: “Art. 435. § 1er. Lorsque l’acte visé à l’article 433 est passé, la notification visée à l’article 434 emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou au profit du redevable et vaut opposition sur le prix au sens de l’article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir ces sommes et valeurs conformément aux articles  1639 à 1654 du Code judiciaire. Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l’acte visé à l’article 433 est passé, le notaire est tenu, sous réserve de l’application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de verser entre les mains du receveur visé à l’article 434, au plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de l’acte, les sommes et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou au profit du redevable, à concurrence du montant des impôts et accessoires qui lui ont été notifiés en exécution de l’article 434 et dans la mesure où ces impôts et acces- soires constituent une dette certaine et liquide au sens de l’article 410. En outre, lorsque les sommes et valeurs ainsi saisies- arrêtées sont inférieures à l’ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, en ce compris le receveur, le notaire doit, sous peine d’être personnellement responsable de l’excédent, en informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l’acte: 183 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 1° de dienst belast met informatie- en communicatie- technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de ontvanger bedoeld in artikel 434 bij een aan- getekende brief, wanneer de notaris omwille van over- macht of een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij het bericht bedoeld in artikel 433, § 1, bij aangetekende brief heeft verzonden. De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechno- logie van de Federale Overheidsdienst Financiën, of de datum van verzending van de aangetekende brief. §  2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvol- gens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 1°, voorafgaat. § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de overschrijving of de inschrijving van de akte, niet aan de Staat tegengeworpen worden indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen vanaf de datum van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en bijbehoren, welke ter uitvoering van artikel 434 werden ter kennis gebracht. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassings- voorwaarden van dit artikel.”. Art. 44 Artikel 438 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. Art. 45 In artikel 439 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden “artikelen 433 tot 438” vervangen door de woorden “artikelen 433 tot 437”. 1° le service en charge de la technologie de l’infor- mation et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 2° le receveur visé à l’article 434, par lettre recom- mandée, lorsque le notaire ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, communiquer l’information conformément au 1° ou lorsqu’il a adressé l’avis visé à l’article 433, § 1er, par lettre recommandée. Selon le cas, la date de l’information est celle de la date de l’accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication, ou de la date d’envoi de la lettre recommandée. § 2. Lorsqu’une même information est adressée suc- cessivement selon les procédures prévues respective- ment au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l’information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°. § 3. Sans préjudice des droits des tiers, la trans- cription ou l’inscription de l’acte n’est pas opposable à l’État, si l’inscription de l’hypothèque légale a lieu dans les huit jours ouvrables de la date de l’information visée au paragraphe 1er, alinéa 4. Sont inopérantes au regard des créances d’impôts et accessoires notifiés en exécution de l’article 434, toutes les créances non inscrites pour lesquelles saisie ou opposition n’est pratiquée qu’après l’expiration du délai prévu au paragraphe 1er, alinéa 3. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article.”. Art. 44 L’article 438 du même Code est abrogé. Art. 45 Dans l’article  439 du même Code, les mots “articles  433 à 438” sont remplacés par les mots “articles 433 à 437”. 184 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 46 Artikel 440, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervan- gen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt vervangen als volgt: “Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de banken, onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellin- gen, evenals de kredietgevers en bemiddelaars inzake hypothecair krediet, onderworpen aan boek VII, titel 4, hoofdstuk 4, van het Wetboek van economisch recht, gemachtigd het in artikel 433 bedoelde bericht te ver- zenden en zijn zij bevoegd om de in artikel 434 bedoelde kennisgeving te ontvangen.”. Art. 47 Artikel 441 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 27 april 2016 en 11 juli 2018, wordt vervan- gen als volgt: “Art. 441. Geen akte die in het buitenland verleden is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed of een schip tot voorwerp heeft, wordt in België tot overschrijving of inschrijving in de registers van de hypothecaire openbaarmaking, wat de onroerende goederen betreft, of in het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen betreft, toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een attest van de ontvanger bedoeld in artikel 433. Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of de houder van het zakelijk recht geen belastingen verschuldigd is, ofwel dat de wettelijke hypotheek die de verschuldigde belastingen en bijbehoren waarborgt, ingeschreven is.”. Onderafdeling 3 Programmawet (I) van 29 maart 2012 Art. 48 Artikel 157 van de programmawet van 29 maart 2012, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, wordt ver- vangen als volgt: “Art. 157. § 1. De notarissen verzocht om een in arti- kel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden van de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de Art. 46 L’article 440, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par la loi du 18 décembre 2015, est remplacé comme suit: “Moyennant l’accord du redevable, les banques soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi que les prêteurs en crédit hypothécaire et les intermédiaires en crédit hypothécaire soumis au livre VII, titre 4, chapitre 4, du Code de droit économique, sont autorisées à adresser l’avis prévu à l’article 433 et qualifiées pour recevoir la notification visée à l’article 434.”. Art. 47 L’article 441 du même Code, modifié par les lois du 27 avril 2016 en 11 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit: “Art. 441. Aucun acte passé à l’étranger et ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un immeuble, ou d’un bateau, ne sera admis en Belgique, à la transcription ou à l’inscription dans les registres de la publicité hypothécaire en ce qui concerne les immeubles, ou dans le Registre naval belge, en ce qui concerne les bateaux, s’il n’est pas accompagné d’un certificat du receveur visé à l’article 433. Ce certificat doit attester que le propriétaire ou le titulaire du droit réel n’est pas redevable d’impôts ou que l’hypothèque légale garantissant les impôts et les accessoires dus a été inscrite.”. Sous-section 3 Loi-programme (I) du 29 mars 2012 Art. 48 L’article 157 de la loi-programme du 29 mars 2012, modifié par la loi de 13 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit: “Art. 157. § 1er. Les notaires requis de rédiger l’acte ou certificat d’hérédité visé à l’article 1240bis du Code civil, sont personnellement responsables du paiement des dettes dont la débition est susceptible d’être noti- fiée conformément à l’article 158, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l’identité est 185 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 begunstigden van een door hem gemaakte contractuele erfstelling, mits die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158 indien zij daarvan geen bericht geven aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatie- technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, en dit op elektronische wijze; 2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het be- richt omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°: — de ontvangers waaronder de erflater en de recht- verkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest van erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de erflater en/of een van zijn rechtverkrijgenden in het buitenland verblijven; — de door de Koning aangewezen ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimonium - documentatie. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden. Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtver- krijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. § 2. Indien de akte of het attest waarvan sprake niet wordt opgesteld binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt het als niet bestaande beschouwd. § 3. Wanneer hetzelfde bericht achtereenvolgens gegeven wordt overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat. § 4. Wanneer het bericht gegeven wordt overeenkom- stig paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding die wordt gedaan door de dienst mentionnée dans l’acte ou le certificat, ou les bénéfi- ciaires d’une institution contractuelle consentie par le de cujus s’ils n’en avisent pas: 1° le service en charge de la technologie de l’infor- mation et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique; 2° les fonctionnaires ci-après, lorsque la communi- cation de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°: — les receveurs dont relèvent le de cujus et les ayants droit dont l’identité est mentionnée dans l’acte ou le certificat d’hérédité, ainsi que le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le de cujus et/ou l’un de ses ayants droit ont leur résidence à l’étranger; — le fonctionnaire de l’Administration générale de la documentation patrimoniale, désigné par le Roi. Dans ce cas, l ’avis est adressé par lettre recommandée. S’agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsabilité visée à l’alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S’agissant de dettes dans le chef d’ayants droit, la responsabilité visée à l’alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l’ayant droit dont l’identité est mentionnée dans l’acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. § 2. Si l’acte ou le certificat dont question n’est pas passé dans les trois mois à compter de l’envoi de l’avis, celui-ci est considéré comme non-avenu. § 3. Lorsqu’un même avis est adressé successive- ment selon les procédures visées au paragraphe 1er , alinéa 1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au para- graphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°. § 4. Lorsque l’avis est communiqué conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de l’avis s’entend de la date de l’accusé de réception commu- niqué par le service en charge de la technologie de 186 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën. § 5. Het bericht vermeldt de identiteit van de erflater, van zijn erfgenamen of legatarissen alsook van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling. Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identiteit: a) voor natuurlijke personen, de naam, de voornaam en, in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatie- nummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid van de betrokkenen, of, bij gebrek aan zulke nummers, hun geboortedatum; b) voor rechtspersonen, trusts, fiducieën of gelijk- aardige rechtsvormen, de maatschappelijke bena- ming, de maatschappelijke zetel en, in voorkomend geval, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. § 6. De Koning bepaalt de praktische toepassings- voorwaarden van dit artikel.”. Art. 49 Artikel 158 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, wordt vervangen als volgt: “Art. 158. De ontvanger of dienst bevoegd voor de invordering van de fiscale schuld kan aan de notaris die het in artikel 157 bedoelde bericht verzonden heeft, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van verzending van dat bericht, kennisgeven van het bestaan lastens de erflater of een andere persoon vermeld in het bericht, van een fiscale schuld bestaande uit belastingen, bijbehoren, verhogingen en boetes, met opgave voor elk van de schuldenaars van het bedrag van de hiervoor bedoelde schuld: 1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning bepaalde procedure; 2° bij een aangetekende brief, wanneer de kennisge- ving, omwille van overmacht of een technische storing, niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 157, § 1, heeft meegedeeld bij aangetekende brief. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voor- zien respectievelijk in het eerste lid, 1° en 2°, dan zal l’information et de la communication du Service public fédéral Finances. § 5. L’avis mentionne l’identité du de cujus, de ses héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel d’une institution contractuelle. Pour l’application de cette disposition, l’identité comprend: a) pour les personnes physiques, le nom, le prénom et, le cas échéant, le numéro d’identification du Registre national ou, à défaut, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale des intéressés, ou, à défaut de tels numéros, leur date de naissance; b) pour les personnes morales, les trusts, les fiducies et les constructions juridiques similaires, la dénomina- tion sociale, le siège social et, le cas échéant, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises. § 6. Le Roi détermine les conditions d’application pratiques du présent article.”. Art. 49 L’article 158 de la même loi, modifié par la loi du 13 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit: “Art. 158. Avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis visé par l’article 157, le receveur ou service compétent pour le recouvrement de la dette fiscale peut notifier au notaire ayant envoyé l’avis, l’existence dans le chef du de cujus ou d’une autre personne mentionnée dans l’avis, d’une dette fiscale consistant en impôts et accessoires, accroisse- ments et amendes, ainsi que le montant, dans le chef de chaque débiteur, de la dette susvisée: 1° par voie électronique, selon une procédure déter- minée par le Roi; 2° par lettre recommandée, lorsque la communication de la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé à l’article 157, § 1er, par lettre recommandée. Lorsque la même notification est adressée successi- vement selon les procédures prévues respectivement à l’alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie conformément 187 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 1°, voorafgaat. Het eerste lid is enkel van toepassing voor zover die fiscale schuld een zekere en vaststaande schuld uitmaakt. Wanneer de kennisgeving meegedeeld is overeen- komstig het eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbeves- tiging meegedeeld door de dienst informatie- en com- municatietechnologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 157, § 1.”. Art. 50 In artikel 159 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, worden de woorden “door de schuldenaar.” vervangen door de woorden “door hun schuldenaar.”. Art. 51 In artikel 160 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, worden de woorden “belastingen en hun bijbehoren” vervangen door de woorden “ter kennis gebrachte schulden”; 2° in de inleidende zin van paragraaf 2, worden de woorden “of aan een gerechtsmandataris” ingevoegd tussen de woorden “een begunstigde van een con- tractuele erfstelling” en de woorden “, indien deze een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt”; 3° in paragraaf 2, wordt de bepaling onder b) ver- vangen als volgt: “b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris, de begunstigde van een contractuele erfstelling of de gerechtsmandataris na betaling van de schulden ter kennis gebracht op naam van de rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden ter kennis gebracht op naam van de erflater, met tegoe- den gehouden door de schuldenaar van deze fondsen.”. à l’alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de la notification établie conformément à l’alinéa 1er, 1°. L’alinéa 1er s’applique seulement dans la mesure où cette dette fiscale constitue une dette certaine et liquide. Lorsque la communication de la notification est effec- tuée conformément à l’alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de la notification s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service Technologie de l’information et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé à l’article 157, § 1er.”. Art. 50 Dans l’article 159 de la même loi, modifié par la loi du 13 décembre 2012, les mots “du débiteur.” sont rem- placés par les mots “de leur débiteur.”. Art. 51 Dans l’article 160 de la même loi, modifié par la loi du 13 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, les mots “impôts et acces- soires notifiés” sont remplacés par les mots “dettes notifiées”; 2° dans la phrase liminaire du paragraphe 2, les mots “ou à un mandataire judiciaire” sont insérés entre les mots “au bénéficiaire d’une institution contractuelle” et les mots “qui présente un certificat ou une expédition de l’acte d’hérédité”; 3° dans le paragraphe 2, le b) est remplacé par ce qui suit: “b) que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire, bénéficiaire d’une institution contractuelle ou mandataire judiciaire, après paiement des dettes notifiées au nom de l’ayant droit et de sa part dans les dettes notifiées au nom du de cujus, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur de ces fonds.” . 188 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 52 Artikel 161 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt: “Het in artikel 157 bedoelde bericht wordt opgemaakt overeenkomstig het door de Koning bepaalde model.”. Onderafdeling 4 Burgerlijk Wetboek Art. 53 In artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek, inge- voegd bij de wet van 6 mei 2009 en gewijzigd bij de wetten van 13 december 2012 en 11 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt: “§ 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, geeft een schuldenaar te goeder trouw bevrijdend te- goeden van een overledene vrij, indien dit gebeurt, ofwel aan of op instructie van de personen aangewezen in een attest of een akte van erfopvolging, ofwel aan of op instructie van een gerechtsmandataris, na voorlegging: — van een attest van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie; of — van een attest of akte van erfopvolging opgesteld door een notaris.”; 2° in paragraaf 3 worden de woorden “een erfover- eenkomst, “ingevoegd tussen de woorden “, in geval van bestaan van onbekwame rechtsopvolgers of indien er sprake is van een uiterste wilsbeschikking,” en de woorden “een contractuele erfstelling of een huwelijks- contract in hoofde van de overledene”; 3° in paragraaf 4 wordt het tweede lid vervangen als volgt: “In voorkomend geval vermeldt de akte of het at- test het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen.”. Art. 52 L’article 161 de la même loi, est remplacé par ce qui suit: “L’avis visé à l’article 157 est établi conformément au modèle arrêté par le Roi.”. Sous-section 4 Code Civil Art. 53 A l’article 1240bis du Code Civil, inséré par la loi du 6 mai 2009 et modifié par les lois des 13 décembre 2012 et 11  juillet  2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit: “§ 1er. Sauf disposition légale contraire, un débiteur de bonne foi libère les avoirs d’un défunt de manière libératoire à condition d’avoir été fait, soit aux ou sur instruction des personnes désignées par un certificat ou un acte d’hérédité, soit à ou sur instruction d’un mandataire judiciaire, après présentation: — d’un certificat d’hérédité rédigé par le bureau com- pétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale; ou — d’un certificat ou d’un acte d’hérédité rédigé par un notaire.”; 2° dans le paragraphe 3, les mots “d’un pacte suc- cessoral, “sont insérés entre les mots “, en cas de pré- sence de successeurs incapables ou s’il est question de dispositions de dernière volonté,” et les mots “d’une institution contractuelle ou d’un contrat de mariage dans le chef du défunt,”; 3° dans le paragraphe 4, l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “Le cas échéant, il mentionne le numéro d’identifica- tion du Registre national, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises.”. 189 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Onderafdeling 5 Inwerkingtreding Art. 54 De artikelen 93quater van het Wetboek van de belas- ting over de toegevoegde waarde, 434 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en 158 van de programmawet (I) van 29 maart 2012, zoals vervangen door de bepalingen van huidige wet, treden in werking op 1 september 2019. De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepa- len voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid. Afdeling 3 Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 55 In artikel  418 van het Wetboek van de inkom- stenbelastingen 1992, vervangen door de wet van 25 december 2017, wordt het eerste lid aangevuld met een zin luidende: “Als de betaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinteresten, belasting- verhogingen of administratieve boetes plaatsvindt na de ingebrekestelling gericht tot de administratie, is de moratoriuminterest te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de werkelijke betaling.”. Art. 56 In artikel 86, C, van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, wordt het elfde lid, vervangen als volgt: “De artikelen 77, 79 en 80 zijn van toepassing vanaf 1 januari 2018. De artikelen 79 en 80, in de mate dat ze de begindatum van de moratoriuminteresten wijzigen bedoeld in de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn toepasselijk op de inkohieringen uitgevoerd vanaf 1 januari 2018. In geval van opeenvolgende aanslagen, wordt de datum van inkohiering van de oorspronkelijke aanslag in beschouwing genomen voor de toepassing van deze bepalingen. Artikel 79, in de mate dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 418, eerste lid, van hetzelfde Sous-section 5 Entrée en vigueur Art. 54 Les articles 93quater du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, 434 du Code des impôts sur les revenus 1992 et 158 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, tels que remplacés par les dispositions de la présente loi, entrent en vigueur le 1er septembre 2019. Le Roi peut fixer une date d’entrée en vigueur anté- rieure à celle mentionnée à l’alinéa 1er. Section 3 Dispositions réparatrices des articles 418 et 419 du Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 55 Dans l’article 418 du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé par la loi du 25 décembre 2017, l’ali- néa 1er est complété par une phrase rédigée comme suit: “Lorsque le paiement des impôts, précomptes, versements anticipés, intérêts de retard, accroisse- ments d’impôts ou amendes administratives intervient postérieurement à la mise en demeure adressée à l’administration, l’intérêt moratoire est alloué à compter du premier jour du mois qui suit le paiement effectif.”. Art. 56 Dans l’article 86, C, de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l’impôt des sociétés, l’alinéa 11 est remplacé par ce qui suit: “Les articles 77, 79 et 80 sont applicables à partir du 1er janvier 2018. Les articles 79 et 80, en tant qu’ils modifient la date de départ des intérêts moratoires visés aux articles 418, alinéa 1er, et 419, alinéa 1er, 6°, du Code des impôts sur les revenus 1992, sont applicables aux enrôlements effectués à partir du 1er janvier 2018. En cas de cotisations subséquentes, la date d’enrôlement de la cotisation primitive est prise en considération pour l’ap- plication des présentes dispositions. L’article 79, en tant qu’il modifie la date de départ des intérêts moratoires pour l’application de l’article 418, alinéa 1er, du même Code, est applicable aux précompte professionnel et 190 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende. Artikel 80, in de mate dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 419, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing, de roerende voorheffing en de voorafbetalingen verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende.”. Art. 57 De artikelen 55 en 56 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2018. TITEL IV Financiële bepalingen HOOFDSTUK 1 Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten Art. 58 In de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten, wordt het opschrift van Afdeling 3 van Hoofdstuk 1 van Titel II vervangen als volgt: “Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een administratieve dienst”. Art. 59 Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “De administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie “Koninklijke Munt van België” wordt omge- vormd tot een administratieve dienst van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze administratieve dienst wordt “Koninklijke Munt van België” genoemd en wordt hierna als “Munt” aangeduid.”. précompte mobilier rattachés aux exercices d’imposition 2018 et suivants. L’article 80, en tant qu’il modifie la date de départ des intérêts moratoires pour l’application de l’article 419, alinéa 2, du même Code, est applicable aux précompte professionnel, précompte mobilier et versements anticipés rattachés aux exercices d’imposition 2018 et suivants.”. Art. 57 Les articles 55 et 56 produisent leurs effets à compter du 1er janvier 2018. TITRE IV Dispositions financières CHAPITRE 1ER Modifications de la loi du 31 juillet 2017 portant des dispositions financières et fiscales diverses et portant des mesures en matière de contrats de concession Art. 58 Dans la loi du 31 juillet 2017 portant des dispositions financières et fiscales diverses et portant des mesures en matière de contrats de concession, l’intitulé de la Section 3 du Chapitre 1er du Titre II est remplacé par ce qui suit: “Transformation de la Monnaie royale de Belgique en service administratif”. Art. 59 L’article 7 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Le service administratif à comptabilité autonome “Monnaie royale de Belgique” est transformé en service administratif, intégré au sein de l’Administration géné- rale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances. Ce service administratif est dénommé “Monnaie royale de Belgique” et est appelé ci-après “Monnaie”.”. 191 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 60 In artikel 8 van dezelfde wet wordt het tweede lid opgeheven. Art. 61 Artikel 9 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 62 In artikel 10 van dezelfde wet, worden de punten 3° en 4° opgeheven. Art. 63 Artikel 12 van dezelfde wet wordt opgeheven. HOOFDSTUK 2 Oprichting van een begrotingsfonds betreffende verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën en wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen Afdeling 1 Oprichting van het begrotingsfonds betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België Art. 64 In toepassing van artikel 62, § 1, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, wordt bij de Federale Overheidsdienst Financiën een begrotings- fonds opgericht betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de “Koninklijke Munt van België” van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën, genaamd “Begrotingsfonds betreffende monetaire ver- richtingen van de Koninklijke Munt van België”. Art. 60 Dans l’article 8 de la même loi, l’alinéa 2 est abrogé. Art. 61 L’article 9 de la même loi est abrogé. Art. 62 Dans l’article 10 de la même loi, les points 3° et 4° sont abrogés. Art. 63 L’article 12 de la même loi est abrogé. CHAPITRE 2 Création d’un fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique de l’Administration générale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances et modification de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires Section 1re Création du fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique Art. 64 En application de l’article  62, § 1er, de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l’État fédéral, il est créé auprès du Service public fédéral Finances un fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisa- tion de la “Monnaie royale de Belgique”, de l’Administra- tion générale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances, intitulé “Fonds budgétaire relatif aux opéra- tions monétaires de la Monnaie royale de Belgique”. 192 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 65 Het begrotingsfonds betreffende de monetaire ver- richtingen van de Koninklijke Munt van België beschikt over: 1° de storting van het op 1 januari 2019 beschikbare saldo van de postrekening van de Koninklijke Munt van België die gebruikt werd voor de uitgaven in verband met verrichtingen aangaande demonetisatie; 2° de stortingen van de Nationale Bank van België voor de verrichtingen aangaande monetisatie. Art. 66 De ontvangsten van het Begrotingsfonds betreffende de monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt van België worden gebruikt ter financiering van de uitgaven in verband met de activiteiten aangaande demonetisatie van de Koninklijke Munt van België vanaf 1 januari 2019. Afdeling 2 Wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen Art. 67 Rubriek 18 van de tabel bijgevoegd aan de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van be- grotingsfondsen, laatst gewijzigd door de programmawet (I) van 26 december 2015, wordt als volgt aangevuld: “18-5 Begrotingsfonds betreffende de monetaire ver- richtingen van de Koninklijke Munt van België Aard van de toegewezen ontvangsten: 1° de storting van het beschikbare saldo van de post- rekening van de Koninklijke Munt van België die gebruikt werd voor de uitgaven in verband met verrichtingen aangaande demonetisatie; 2° de stortingen die de Koninklijke Munt van België ontvangt van de Nationale Bank van België voor de verrichtingen aangaande monetisatie. Aard van de toegestane uitgaven: De uitgaven in verband met de activiteiten aangaande demonetisatie van de Koninklijke Munt van België vanaf 1 januari 2019.”. Art. 65 Le Fonds budgétaire relatif aux opérations monétaires de la Monnaie royale de Belgique dispose: 1° du versement du solde disponible au 1er  jan- vier  2019 du compte courant postal de la Monnaie royale de Belgique utilisé pour les dépenses liées aux opérations de démonétisation; 2° des versements qu’elle reçoit de la Banque natio- nale de Belgique pour les opérations de monétisation. Art. 66 Les recettes du Fonds budgétaire relatif aux opéra- tions monétaires de la Monnaie royale de Belgique sont utilisées pour financer des dépenses liées aux activités de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique à partir du 1er janvier 2019. Section 2 Modification de la loi-organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires Art. 67 La rubrique 18 du tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, modifié en dernier lieu par la loi-programme (I) du 26 décembre 2015, est complétée comme suit: “18-5 Fonds budgétaire relatif aux opérations moné- taires de la Monnaie royale de Belgique Nature des recettes affectées: 1° le versement du solde disponible du compte cou- rant postal de la Monnaie royale de Belgique utilisé pour les dépenses liées aux opérations de démonétisation; 2° les versements que la Monnaie royale de Belgique reçoit de la Banque nationale de Belgique pour les opérations de monétisation. Nature des dépenses autorisées: Les dépenses liées aux activités de démonéti- sation de la Monnaie royale de Belgique à partir du 1er janvier 2019.”. 193 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 HOOFDSTUK 3 Opheffing Art. 68 In artikel  4, § 5, van het koninklijk besluit van 18 januari 1990 houdende de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen, wordt het tweede lid opgeheven. HOOFDSTUK 4 Inwerkingtreding Art. 69 Deze titel treedt in werking op 1 januari 2019. TITEL V Diverse bepalingen HOOFDSTUK 1 Wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Afdeling 1 Inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers Art. 70 In artikel  90, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2018 en vervangen bij de wet van 18 juli 2018, worden de woorden “Onverminderd de toepassing van de voorheffingen, worden de inkomsten van onroerende goederen, de inkomsten van roerende goederen en kapitalen evenals de in het eerste lid, 5°, vermelde inkomsten uit onderverhuring van onroerende goede- ren” vervangen door de woorden “De inkomsten van onroerende goederen, de in artikel 17, § 1, 3° en 5°, vermelde inkomsten van roerende goederen evenals de in het eerste lid, 5°, vermelde inkomsten uit onder- verhuring van onroerende goederen worden” en worden de woorden”die goederen en kapitalen” vervangen door de woorden “die goederen”. CHAPITRE 3 Abrogation Art. 68 Dans l’article 4, § 5, de l’arrêté royal du 18 janvier 1990 portant modalités d’exécution de la loi du 11 août 1987 relative à la garantie des ouvrages en métaux précieux, l’alinéa 2 est abrogé. CHAPITRE 4 Entrée en vigueur Art. 69 Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2019. TITRE V Dispositions diverses CHAPITRE 1ER Modifications au Code des impôts sur les revenus 1992 Section 1re Revenus issus de l’économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens Art. 70 A l’article 90, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, introduit par la loi du 1er juillet 2018 et remplacé par la loi du 18 juillet 2018, les mots “Sans préjudice de l’application des précomptes, les revenus des biens immobiliers, les revenus des capitaux et biens mobiliers ainsi que les revenus de sous-location d’immeubles visés à l’alinéa 1er, 5°,” sont remplacés par les mots “Les revenus des biens immobiliers, les reve- nus des biens mobiliers visés à l’article 17, § 1er, 3° et 5°, ainsi que les revenus de sous-location d’immeubles visés à l’alinéa 1er, 5°,” et les mots “ces biens et capitaux” sont remplacés par les mots “ces biens”. 194 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 71 Artikel 97/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2016 en opgeheven bij de wet van 18 juli 2018, wordt hersteld in de volgende lezing: “Art. 97/1. De in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°qua- ter, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met de kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden. Het bruto bedrag van de inkomsten wordt bepaald overeenkomstig artikel 90/1, tweede en derde lid.”. Art. 72 In titel II, hoofdstuk II, afdeling V, onderafdeling III, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 102ter ingevoegd, luidende: “Art. 102ter. Verliezen die in het belastbare tijdperk zijn geleden bij het verrichten van handelingen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis, 1°ter of 1°quater worden evenredig afgetrokken van de andere inkomsten uit zulke handelingen.”. Art. 73 Deze afdeling is van toepassing op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2018. Afdeling 2 Vereenvoudiging inzake PB Art. 74 In artikel 38, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van [wet mobiliteitsbudget/diverse I], wordt tussen het eerste en het tweede lid, dat het derde lid wordt, een lid ingevoegd, luidende: “Wanneer de in het eerste lid, 24°, bedoelde voorde- len zowel in artikel 31 als in artikel 32 bedoelde bezol- digingen omvatten, wordt het maximumbedrag van de vrijstelling verhoudingsgewijs aangerekend op elk van die bezoldigingen.”. Art. 71 L’article 97/1 du même Code, inséré par la loi du 1er juillet 2016 et abrogé par la loi du 18 juillet 2018, est rétabli comme suit: “Art. 97/1. Les revenus visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater, s’entendent de leur montant net, c’est-à-dire le montant brut diminué des frais dont le contribuable apporte la preuve qu’ils ont été exposés ou supportés durant la période imposable afin d’acquérir ou de conserver ces revenus. Le montant brut des revenus est déterminé confor- mément à l’article 90/1, alinéas 2 et 3.”. Art. 72 Dans le titre II, chapitre II, section V, sous-section III, du même Code, un article 102ter est inséré, rédigé comme suit: “Art. 102ter. Les pertes éprouvées pendant la période imposable dans l’exercice d’activités visées à l’ar- ticle 90, alinéa 1er, 1°bis, 1°ter ou 1°quater sont déduites proportionnellement des autres revenus résultant de telles activités.”. Art. 73 La présente section est applicable aux revenus payés ou attribués à partir du 1er janvier 2018. Section 2 Simplification en matière d’IPP Art. 74 A l’article 38, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du [wet mobiliteitsbudget/diverse I], entre l’alinéa 1er et l’alinéa 2, qui devient l’alinéa 3, un alinéa est inséré, rédigé comme suit: “Lorsque les avantages visés à l’alinéa 1er, 24°, com- prennent à la fois des rémunérations visées à l’article 31 et à l’article 32, le montant maximum de l’exonération est imputé proportionnellement sur chacune de ces rémunérations.”. 195 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 75 Artikel 538 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, wordt opgeheven. Art. 76 Artikel 74 treedt in werking op 31 december 2018 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019. Artikel 75 treedt in werking op 1 januari 2018 en is van toepassing op ontslaguitkeringen, vergoedingen, en schadeloosstellingen bekomen vanaf 1 januari 2018. HOOFDSTUK 2 Wijziging van het Wetboek diverse rechten en taksen Art. 77 Artikel 10 van het Wetboek diverse rechten en taksen, gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018, wordt aangevuld met de woorden “in het kader van de hypothecaire openbaarmaking”. Art. 78 Artikel 77 heeft uitwerking met ingang van 30 juli 2018. HOOFDSTUK 3 Wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten Art. 79 Artikel 921 van het Wetboek der registratie, hypo- theek en griffierechten, vervangen bij de wet van 23 december 1958, vernummerd bij het koninklijk be- sluit nr. 12 van 18 april 1967 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt vervangen als volgt: “Art. 921. Het in artikel 88 en het in artikel 3, eerste lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten bedoeld recht dekt elke latere vestiging van hypotheek op een schip tot zekerheid van dezelfde schuldvordering en van hetzelfde gewaarborgd bedrag.”. Art. 75 L’article 538 du même Code, inséré par la loi du 26 décembre 2013, est abrogé. Art. 76 L’article 74 entre en vigueur le 31 décembre 2018 et est applicable à partir de l’exercice d’imposition 2019. L’article 75 entre en vigueur le 1er janvier 2018 et est applicable aux allocations de licenciement, rémunéra- tions et indemnités obtenues à partir du 1er janvier 2018. CHAPITRE 2 Modification du Code des droits et taxes divers Art. 77 L’article 10 du Code des droits et taxes divers modifié par la loi du 11 juillet 2018, est complété par les mots “, dans le cadre de la publicité hypothécaire”. Art. 78 L’article 77 produit ses effets le 30 juillet 2018. CHAPITRE 3 Modification au Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe Art. 79 L’article 921 du Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe, remplacé par la loi du 23 décembre 1958, renuméroté par l’arrêté royal n° 12 du 18 avril 1967 et modifié par la loi du 25 décembre 2016, est remplacé par ce qui suit: “Art. 921. Le droit visé à l’article 88 et à l’article 3, alinéa 1er, 7°, a), de la loi spéciale du 16 janvier 1989 rela- tive au financement des Communautés et des Régions couvre toute constitution ultérieure d‘hypothèque sur un navire pour sûreté de la même créance et du même montant garanti.”. 196 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 80 Artikel 79 treedt in werking op 1 januari 2019. TITEL VI Achterwaartse verliesverrekening ter compensatie van schade aan landbouwteelten, veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden Art. 81 In artikel 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastin- gen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4°/1 in- gevoegd, luidende: “4°/1 Middelgrote onderneming Onder middelgrote onderneming wordt een natuur- lijke persoon of een rechtspersoon verstaan die een economische activiteit uitoefent en die in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken een gemiddeld personeelsbestand heeft van minder dan 250 personenuitgedrukt in voltijdse equivalenten en waarvan: — de omzet exclusief de belasting over de toege- voegde waarde het bedrag van 50 miljoen euro niet overschrijdt; of — het balanstotaal het bedrag van 43 miljoen euro niet overschrijdt. Wanneer het belastbare tijdperk een duur heeft van minder of meer dan twaalf maanden, wordt het bedrag van de in het eerste lid bedoelde omzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer twaalf is en de tel- ler het aantal maanden van het betrokken belastbare tijdperk, waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt geteld. Indien de onderneming een verbonden onderneming is, worden de criteria inzake jaaromzet en jaarlijks ba- lanstotaal op geconsolideerde basis vastgesteld. Om het gemiddelde personeelsbestand van een verbonden onderneming te bepalen, wordt het gemiddelde per- soneelsbestand van elk van de betrokken verbonden vennootschappen in het belastbare tijdperk opgeteld. De in het eerste lid bedoelde jaaromzet, balanstotaal en gemiddelde personeelsbestand worden verhoogd Art. 80 L’article 79 entre en vigueur le 1er janvier 2019. TITRE VI Rétro-imputation des pertes en compensation de dommage causé aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables Art. 81 Dans l’article 2 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées: a) dans le paragraphe 1er, il est inséré un 4°/1, rédigé comme suit: “4°/1 Moyenne entreprise Par moyenne entreprise on entend une personne physique ou morale exerçant une activité économique, qui occupe pour au moins deux des trois dernières périodes imposables clôturées une moyenne de person- nel de moins de 250 personnes en équivalents temps plein et dont: — le chiffre d’affaires à l’exclusion de la taxe sur la valeur ajoutée n’excède pas le montant de 50 millions d’euros; ou — le total du bilan n’excède pas le montant de 43 millions d’euros. Lorsque la période imposable a une durée inférieure ou supérieure à douze mois, le montant du chiffre d’affaires à l’exclusion de la taxe sur la valeur ajoutée, visé à l’alinéa 1er, est multiplié par une fraction dont le dénominateur est douze et le numérateur le nombre de mois compris dans la période imposable considé- rée, tout mois commencé étant compté pour un mois complet. Si l’entreprise est une entreprise liée, les critères en matière de chiffre d’affaires et de total du bilan sont calculés sur une base consolidée. Pour déterminer la moyenne de personnel d’une entreprise liée, la moyenne de personnel de chacune des sociétés liées au cours de la période imposable est additionnée. Le chiffre d’affaires, le total du bilan et la moyenne de personnel visés à l’alinéa 1er sont augmentés du chiffre 197 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 met de jaaromzet, het balanstotaal en het gemiddelde personeelsbestand van elke partneronderneming, in verhouding tot het hoogste percentage van de volgende vier percentages: — hetzij het in paragraaf  4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de eerstgenoemde onder- neming in de stemrechten van de andere onderneming; — hetzij het in paragraaf  4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de andere onderneming in de stemrechten van de eerstgenoemde onderneming; — hetzij het in paragraaf  4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de eerstgenoemde on- derneming in het kapitaal van de andere onderneming; — hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deel- nemingspercentage van de andere onderneming in het kapitaal van de eerstgenoemde onderneming. In het geval van een nieuwe onderneming waarvan het eerste, tweede of derde belastbare tijdperk nog niet is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen ge- gevens bepaald door middel van een in de loop van het belastbare tijdperk te goeder trouw gemaakte schatting. Een onderneming kan evenwel geen middelgrote onderneming zijn indien de controle over het kapitaal of de stemrechten van de onderneming, individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor 25 pct. of meer wordt uitgeoefend door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten. De in paragraaf 4, tweede lid, bedoelde gevallen die niet verbonden zijn met de voornoemde onderneming, worden voor de toepassing van dit lid niet beschouwd als aanbestedende overheden.”; b) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4°/2 in- gevoegd, luidende: “4°/2 Onderneming in moeilijkheden Onder onderneming in moeilijkheden wordt een on- derneming verstaan: — waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverkla- ring is ingesteld of waarvan op dat ogenblik het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals voorzien in de artikelen 7 en 8 van de faillissementswet; — waarvoor een procedure van gerechtelijke reor- ganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen; d’affaires, du total du bilan et de la moyenne de per- sonnel de chaque entreprise partenaire, à concurrence du pourcentage le plus élevé des quatre pourcentages suivants: — soit le pourcentage de participation, visé au para- graphe 4, alinéa 1er, de l’entreprise citée en premier lieu dans les droits de l’autre entreprise; — soit le pourcentage de participation, visé au para- graphe 4, alinéa 1er, de l’autre entreprise dans les droits de vote de l’entreprise citée en premier lieu; — soit le pourcentage de participation, visé au para- graphe 4, alinéa 1er, de l’entreprise citée en premier lieu dans le capital de l’autre entreprise; — soit le pourcentage de participation, visé au para- graphe 4, alinéa 1er, de l’autre entreprise dans le capital de l’entreprise citée en premier lieu. Dans le cas d’une entreprise nouvelle dont la pre- mière, deuxième ou troisième période imposable n’est pas encore clôturée, les données à prendre en consi- dération sont déterminés au moyen d’une estimation effectuée de bonne foi au cours de la période imposable. Une entreprise ne peut pas être une moyenne entre- prise si le contrôle sur le capital ou sur les droits de vote de l’entreprise est exercé, directement ou indirectement, à titre individuel ou conjointement, pour 25 p.c. ou plus par un ou plusieurs pouvoirs adjudicateurs visés à l’article 2 de la loi de 17 juin 2016 relative aux marchés publics. Les cas visés au paragraphe 4, alinéa 2, qui ne sont pas liés à l’entreprise précitée ne sont pas consi- dérés comme pouvoirs adjudicateurs pour l’application du présent alinéa.”; b) dans le paragraphe 1er, il est inséré un 4°/2, rédigé comme suit: “4°/2 Entreprise en difficulté Par entreprise en difficulté on entend une entreprise: — pour laquelle une demande de faillite est introduite ou dont à ce moment la gestion de tout ou partie de l’actif lui est retirée comme cela est prévu aux articles 7 et 8 de la loi sur les faillites; — pour laquelle une procédure de réorganisation judi- ciaire est entamée comme cela est prévu à l’article 23 de la loi relative à la continuité des entreprises; 198 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 — die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt; — waarvan ten gevolge van geleden verlies het netto actief is gedaald tot minder dan de helft van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal; — die steun heeft ontvangen die door de Europese Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden van 31 juli 2014 (PB C 249) of met artikel 107, derde lid, b, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en die in het geval van reddingssteun de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd of in het geval van herstructureringssteun zich nog steeds in de herstructureringsfase bevindt.”; c) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende: “§ 4. Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt een onderneming als een partneronderneming van een andere onderneming aangemerkt indien deze eerst- genoemde onderneming niet verbonden is met deze andere onderneming, en: — de eerstgenoemde onderneming al dan niet samen met de met deze onderneming verbonden ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stemrechten van de andere onderneming; of — de andere onderneming al dan niet samen met de met deze onderneming verbonden ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stemrechten van de eerstgenoemde onderneming. Openbare participatiemaatschappijen, risicokapi- taalmaatschappijen, business angels, universiteiten, onderzoekscentra zonder winstoogmerk, institutionele beleggers, regionale ontwikkelingsfondsen en auto- nome lokale autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van bijlage I, van verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde catego- rieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, worden voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1 niet beschouwd als partnerondernemingen. Voor de toepassing van het eerste lid en van para- graaf 1, 4°/1 wordt een onderneming als een verbonden onderneming van een andere onderneming aangemerkt indien: — qui est une société dissoute et se trouve en liquidation; — dont à la suite de pertes, l’actif net est réduit à un montant inférieur à la moitié de la part fixe du capital social; — qui a reçu des aides qui ont été considérées comme compatibles par la Commission européenne avec des lignes directrices concernant les aides d’État au sauvetage et à la restructuration d’entreprises en difficulté autres que les établissements financiers du 31 juillet 2014 (JO C 249) ou avec l’article 107, ali- néa 3, b, du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne et qui en cas d’aide au sauvetage n’a pas encore remboursé le prêt ou mis fin à la garantie ou en cas d’aide à la restructuration est toujours soumis au plan de restructuration.”; c) l’article est complété par un paragraphe 4, rédigé par ce qui suit: “§ 4. Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, une entreprise est considérée comme entreprise partenaire si l’entreprise citée en premier lieu n’est pas liée à cette autre entreprise, et si: — l’entreprise citée en premier lieu ne rassemble pas avec ces entreprises liées à cette entreprise une participation de 25 p.c. ou plus du capital ou des droits de vote de l’autre entreprise; ou — l’autre entreprise ne rassemble pas avec ces entreprises liées à cette entreprise une participation de 25 p.c. ou plus du capital ou des droits de vote de l’entreprise citée en premier lieu. Les sociétés publiques de participation, sociétés de capital à risque, business angels, universités, centres de recherche à but non lucratif, investisseurs institutionnels, fonds de développement régional et autorités autonomes locales, tels que visés à l’article 3, alinéa 2, de l’annexe I, du règlement (UE) 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d’aides compatibles avec le marché inté- rieur en application des articles 107 et 108 du traité, ne sont, par dérogation à l’alinéa 5, pas considérés comme une entreprise partenaire pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1. Pour l’application de l’alinéa 1er et du paragraphe 1er, 4°/1, une entreprise est considérée comme entreprise liée à une autre entreprise si: 199 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 — de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de andere onderneming; — de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de eerstgenoemde onderneming; — de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft de meer- derheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de andere onderneming te benoemen of te ontslaan; — de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toe- zichthoudend orgaan van de eerstgenoemde onderne- ming te benoemen of te ontslaan; — de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de eerstgenoemde onderneming onder het toe- passingsgebied van het tweede lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend; — de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheer- sende invloed op een andere onderneming uit te oefe- nen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de andere onderneming onder het toepassingsgebied van het tweede lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend; — de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming en op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming; — de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van de eerstgenoemde onderneming en op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die eerst genoemde onderneming gesloten overeenkomst — l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au moyen d’entreprises tierces, la majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de l’autre entreprise; — l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entreprises tierces, la majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de l’entreprise citée en premier lieu; — l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au moyen d’entreprises tierces, le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres de l’organe d’administration, de direction ou de surveillance de l’autre entreprise; — l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entreprises tierces, le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres de l’organe d’administration, de direction ou de surveillance de l’entreprise citée en premier lieu; — l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au moyen d’entreprises tierces, le droit d’exercer une influence dominante sur une autre entreprise en vertu d’un contrat conclu avec cette entreprise ou en vertu d’une clause contenue dans les statuts de cette entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où l’en- treprise citée en premier lieu se trouve dans le champ d’application de l’alinéa 2 et que les faits n’établissent pas que ce droit est effectivement exercé; — l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entreprises tierces, le droit d’exercer une influence dominante sur une autre entreprise en vertu d’un contrat conclu avec cette entreprise ou en vertu d’une clause contenue dans les statuts de cette entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où l’autre entreprise se trouve dans le champ d’application de l’alinéa 2 et que les faits n’établissent pas que ce droit est effectivement exercé; — l’entreprise citée en premier lieu est, directement ou au moyen d’entreprises tierces, l’actionnaire ou associée d’une autre entreprise et contrôle seule, en vertu d’un accord conclu avec d’autres actionnaires ou associés de cette autre entreprise, la majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de cette autre entreprise; — l’autre entreprise est, directement ou au moyen d’entreprises tierces, l’actionnaire ou associé de l’entreprise citée en premier lieu et contrôle seule, en vertu d’un accord conclu avec d’autres actionnaires ou associés de cette entreprise citée en premier lieu, la 200 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die eerst genoemde onderneming. Voor de toepassing van paragraaf  1, 4°/1, wordt onder het gemiddelde personeelsbestand begrepen het gemiddelde van het aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten dat is geregistreerd in de DIMONA-databank overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddel- lijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leef- baarheid van de wettelijke pensioenstelsels, per einde van elke maand van het belastbare tijdperk, of indien de tewerkstelling niet behoort tot het toepassingsgebied van dit koninklijk besluit, het gemiddelde aantal tewerk- gestelde werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalen- ten van de in het algemene personeelsregister of een gelijkwaardig document ingeschreven werknemers per einde van elke maand van het desbetreffende belast- bare tijdperk. Dit gemiddelde van het aantal werknemers wordt in voorkomend geval verhoogd met het aantal natuurlijke personen die in de onderneming een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard uitoe- fenen en die niet werden geregistreerd in de DIMONA- databank noch werden ingeschreven in het voormelde algemene personeelsregister of het voormelde gelijk- waardig document. Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equiva- lenten is gelijk aan het arbeidsvolume uitgedrukt in vol- tijds tewerkgestelde equivalenten, te berekenen voor de deeltijdse werknemers op basis van het conventioneel aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van de normale arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer.”. Art. 82 In artikel 23, § 2, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, worden in de bepa- ling onder 3° de woorden “vorige belastbare tijdperken” vervangen door de woorden “vorige, of, in het geval vermeld in artikel 78, § 2, latere belastbare tijdperken”. majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de cette entreprise citée en premier lieu. Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, la moyenne de personnel est le nombre moyen des travailleurs exprimé en équivalents à temps plein inscrits à la banque de données DIMONA conformément à l’arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l’emploi, en application de l’article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, à la fin de chaque mois de la période imposable, ou lorsque l’emploi ne relève pas du champ d’application de cet arrêté royal, le nombre moyen des travailleurs occupés à temps plein inscrits au registre général du personnel ou dans un document équivalent à la fin de chaque mois de la période impo- sable considérée. Ce nombre moyen des travailleurs est augmenté, le cas échéant, du nombre des personnes physiques qui exercent dans l’entreprise une fonction dirigeante ou une activité dirigeante de gestion journalière, d’ordre commercial, financier ou technique et qui ne sont pas enregistrées à la banque de données DIMONA ni ins- crites au registre général du personnel précité ou dans le document équivalent précité. Le nombre des travailleurs exprimé en équivalents à temps plein est égal au volume de travail exprimé en équivalents occupés à temps plein, à calculer pour les travailleurs occupés à temps partiel sur la base du nombre conventionnel d’heures à prester par rapport à la durée normale de travail d’un travailleur à temps plein comparable.”. Art. 82 Dans l’article 23, § 2, du même Code, modifié par la loi du 28 décembre 1992, au 3°, les mots “des périodes imposables antérieures.” sont remplacés par les mots “des périodes imposables antérieures, ou, dans le cas mentionné à l’article 78, § 2, des périodes imposables ultérieures.”. 201 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 83 Artikel 78 van hetzelfde Wetboek, waarvan de be- staande tekst paragraaf 1 wordt, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende: “§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt op vraag van een belastingplichtige die voldoet aan de in het vierde lid bedoelde criteria het gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten die werd veroorzaakt door ongunstige weersomstan- digheden, en werd geleden in een gewest waarmee een in het derde lid bedoeld samenwerkingsakkoord werd gesloten, achtereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroeps- inkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1. Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade, stemt overeen met het bedrag van de beroepsverlie- zen achtereenvolgens beperkt tot het bedrag van het beroepsverlies uit de in artikel 23, § 1, 1°, bedoelde beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige en tot het bedrag van deze schade die op de wijze voorzien in het derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord in het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld. De in het eerste lid omschreven achterwaartse ver- liesaftrek kan enkel worden toegepast indien de in het eerste lid bedoelde schade werd geleden op het grond- gebied van een gewest dat met de federale overheid een samenwerkingsakkoord heeft gesloten met het oog op de gezamenlijke naleving van de cumulatieregels zoals bedoeld in artikel 8 van verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. De federale overheid en het gewest omschrijven in dit samenwerkingsakkoord in aanvulling bij de bepalingen van artikel 7 van de voormelde ver- ordening de wijze waarop de steunintensiteit van de in deze paragraaf bedoelde steunmaatregel moet worden berekend. Ze bepalen in het samenwerkingsakkoord eveneens de manier waarop de ongunstige weersom- standigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld worden erkend en de methode waarop de schade wordt vastgesteld die werd veroorzaakt door de ongunstige weersomstandigheden gegrond op de be- palingen van artikel 25 van de voormelde verordening. Art. 83 L’article  78 du même Code, dont le texte actuel devient le paragraphe 1er, est complété par un para- graphe 2, rédigé comme suit: “§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, à la demande du contribuable qui répond aux conditions visées à l’alinéa 4, la partie des pertes professionnelles qui est imputable au dommage aux cultures agricoles, provo- qué par des conditions météorologiques défavorables et encouru dans une région avec laquelle un accord de coopération visé à l’alinéa 3 a été conclu, est déduite consécutivement des revenus professionnels des trois périodes imposables précédant la période impo- sable dans laquelle ce dommage a été définitivement constaté, à commencer par la plus ancienne. La partie de ces pertes professionnelles qui ne peut pas être déduite de ces revenus professionnels, est déductible conformément au paragraphe 1er. La partie des pertes professionnelles qui est impu- table au dommage défini à l’alinéa 1er correspond au montant des pertes professionnelles, limité successive- ment au montant de la perte professionnelle de l’activité professionnelle du contribuable visée à l’article  23, § 1er, 1°, et au montant de ce dommage qui a été défi- nitivement constaté dans la période imposable selon les modalités prévues par l’accord de coopération visé à l’alinéa 3. La rétro-déduction de perte définie à l’alinéa 1er est applicable uniquement si le dommage défini à l’alinéa 1er a été encouru sur le territoire d’une région qui a conclu avec l’autorité fédérale un accord de coopération visant le respect conjoint des règles de cumul telles que visées à l’article 8 du règlement (UE) n° 702/2014 de la Commission du 25 juin 2014 déclarant certaines caté- gories d’aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne. L’autorité fédérale et la région définissent dans cet accord de coo- pération, en complément aux dispositions de l’article 7 du règlement précité, la manière dont l’intensité d’aide de la mesure d’aide visée au présent paragraphe doit être calculée. Elles établissent également dans cet accord de coopération la façon dont la reconnaissance des conditions météorologiques pouvant être assimi- lées à une calamité naturelle a lieu, la méthode selon laquelle, sur base des dispositions de l’article 25 du règlement précité, le dommage ayant été causé par des circonstances météorologiques défavorables est constaté. Il est enfin spécifié dans l’accord de coopé- ration de quelle façon des clarifications concernant le 202 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 In het samenwerkingsakkoord wordt tot slot ook ge- specifieerd op welke wijze verduidelijking kan worden gebracht omtrent het tijdstip waarop de schade definitief is vastgesteld. Deze paragraaf is enkel van toepassing indien de belastingplichtige: — een middelgrote onderneming is; en — een onderneming uitbaat die de productie van landbouwproducten tot doel heeft die zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij deze landbouwproducten geen verdere bewerking ondergaan die de aard van deze producten wijzigt; — geen onderneming in moeilijkheden was op het ogenblik dat de schade werd geleden, en; — geen bevel tot terugvordering heeft uitstaan inge- volge een besluit van de Commissie die een door België verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard. De achterwaartse verliesverrekening kan niet worden toegepast indien de som van de overeenkomstig het tweede lid vastgestelde steunintensiteit van de ach- terwaartse verliesaftrek en de steunintensiteit van de door het gewest verleende steun die dezelfde schade vergoedt als de in het eerste lid bedoelde schade, hoger is dan de maximale steunintensiteit omschreven in artikel 25, leden 9 en 10, van de verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waar- bij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. Voor de toepassing van deze paragraaf en van artikel 206, § 4, wordt onder ongunstige weersomstan- digheden de weersomstandigheden verstaan die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals gedefinieerd in artikel 2, zestiende lid van verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard en die formeel worden erkend op de wijze beschreven in het in het derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord. De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden moment où le dommage est définitivement constaté peuvent être apportées. Le présent paragraphe n’est applicable que si le contribuable: — est une moyenne entreprise; et — exploite une entreprise ayant pour but la production des produits agricoles énumérés à l’annexe I du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne sans exer- cer d’autre opération modifiant la nature de ces produits; — n’était pas une entreprise en difficulté au moment où les dégâts ont été encourus; et — n’a pas supporté un ordre de récupération suite à une décision de la Commission déclarant une aide octroyée par la Belgique illégale et incompatible avec le marché intérieur. La rétro-imputation des pertes ne peut s’appliquer lorsque la somme de l’intensité de l’aide de déterminée conformément à l’alinéa 2 et de l’intensité de l’aide de l’aide octroyée par la région pour indemniser le même dommage que celui visé à l’alinéa 1er est supérieure à l’intensité de l’aide maximale définie à l’article 25, alinéas 9 et 10, du règlement (UE) n°702/2014, de la Commission, du 25 juin 2014 déclarant certaines caté- gories d’aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne. Pour l’application du présent paragraphe et de l’ar- ticle 206, § 4, on entend par circonstances météorolo- giques défavorables, les circonstances météorologiques qui peuvent être assimilées à une calamité naturelle, telles que définies à l’article 2, alinéa 16, du règlement (UE) n°702/2014, de la Commission, du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories d’aides, dans les sec- teurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne, et qui sont formellement reconnues selon la procédure décrite dans l’accord de coopération visé à l’alinéa 3. Les pertes professionnelles pour lesquelles l’applica- tion de la rétro-déduction des pertes est demandée sont 203 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 afgetrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vori- ge belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1. De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek aan in de aangifte die be- trekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning kan nadere regels met betrekking tot de aanvraag vastleggen.”. Art. 84 Artikel 206 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij- zigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende: “§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt op vraag van de belastingplichtige die voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 78, § 2, vierde lid, het gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, en geleden in een gewest waarmee een in artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld samenwerkingsakkoord werd gesloten, ach- tereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1. Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade stemt overeen met het bedrag van de beroepsverliezen, beperkt tot het bedrag van deze schade die op de wijze voorzien in het in artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld sa- menwerkingsakkoord in het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld. De achterwaartse verliesverrekening kan niet worden toegepast indien de som van de overeenkomstig arti- kel 78, § 2, vijfde lid, vastgestelde steunintensiteit, de in datzelfde lid omschreven maximale steunintensiteit overschrijdt. De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden af- getrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1. déduites après déduction des pertes professionnelles de périodes imposables antérieures en application du paragraphe 1er. Le contribuable demande l’application de la rétro-dé- duction des pertes dans la déclaration se rapportant à la période imposable au cours de laquelle le dommage visé à l’alinéa 1er a été définitivement constaté. Cette demande est définitive et irrévocable. Le Roi peut fixer les modalités de la demande. “. Art. 84 L’article 206 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2018, est complété par un para- graphe 4, rédigé comme suit: “§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, la partie des pertes professionnelles qui, à la demande du contribuable qui remplit les critères visés à l’article 78, §  2, alinéa  4, est imputable au dommage causé aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables et encouru dans une région avec laquelle un accord de coopération visé à l’article 78, § 2, alinéa 3, a été conclu, est déduite consécutivement des revenus professionnels des trois périodes imposables précédant la période impo- sable dans laquelle ce dommage a été définitivement constaté, à commencer par la plus ancienne. La partie de ces pertes professionnelles qui ne peut pas être déduite de ces revenus professionnels, est déductible conformément au paragraphe 1er. La partie des pertes professionnelles qui est impu- table au dommage défini à l’alinéa 1er correspond au montant des pertes professionnelles, limité au montant de ce dommage qui a été définitivement constaté dans la période imposable selon les modalités prévues par l’accord de coopération visé à l’article 78, § 2, alinéa 3. La rétro-imputation des pertes n’est pas applicable si la somme de l’intensité de l’aide déterminé confor- mément à l’article 78, § 2, alinéa 5, excède l’intensité maximale de l’aide définie dans ce même alinéa. Les pertes professionnelles pour lesquelles l’applica- tion de la rétro-déduction de pertes est demandée sont déduites après déduction des pertes professionnelles de périodes imposables antérieures en application du paragraphe 1er. 204 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek aan in de aangifte die be- trekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning kan nadere regels met betrekking tot de aanvraag vastleggen.”. Art. 85 In artikel 2758 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015, 18 december 2015, en 30 juli 2018 wor- den de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt: “De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de werkgever en in voorkomend geval de in para- graaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de inves- tering heeft verricht, een middelgrote onderneming is.”; b) in paragraaf 2 worden het tweede lid tot en met het zevende lid opgeheven; c) in paragraaf 2 wordt het achtste lid, dat het tweede lid wordt, vervangen als volgt: “De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever die op het ogenblik van het overleg- gen van het in § 5 bedoelde formulier een onderneming in moeilijkheden is.”. Art. 86 In artikel 2759 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 24 maart 2015, 18 december 2015, en 30 juli 2018 worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt: “De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de werkgever of in voorkomend geval de in para- graaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de inves- tering heeft verricht geen middelgrote onderneming is.”; b) in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing Le contribuable demande l’application de la rétro-dé- duction des pertes dans la déclaration se rapportant à la période imposable au cours de laquelle le dommage visé à l’alinéa 1er a été définitivement constaté. Cette demande est définitive et irrévocable. Le Roi peut fixer les modalités de la demande. “. Art. 85 A l’article 2758 du même Code, rétabli par la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015, 18 décembre 2015 et 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées: a) au paragraphe 2, l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “La dispense de versement du précompte profes- sionnel visée dans le présent article est applicable uniquement si l’employeur et le cas échéant, la société visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a effectué l’inves- tissement, est une moyenne entreprise.”; b) au paragraphe 2, les alinéa 2 à 7 sont abrogés; c) au paragraphe 2, l’alinéa 8, qui devient l’alinéa 2, est remplacé par ce qui suit: “La dispense de versement du précompte profes- sionnel visée dans le présent article ne peut pas être appliquée par un employeur qui, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, est une entreprise en difficulté.”. Art. 86 A l’article 2759 du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015, 18 décembre 2015 et 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées: a) au paragraphe 2, l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “La dispense de versement du précompte profes- sionnel visée dans le présent article est applicable uniquement si l’employeur ou le cas échéant, la société visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a effectué l’inves- tissement n’est pas une moyenne entreprise.”; b) au paragraphe 2, alinéa 2, les mots “dispense de versement du précompte professionnel ne peut pas 205 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 kan niet worden toegepast door een werkgever zoals bedoeld in artikel  2758, §  2, achtste lid” vervangen door de woorden “in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever die op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier een onderneming in moeilijkheden is.”. Art. 87 In titel VII, hoofdstuk VI, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 358/1 ingevoegd, luidende: “Art. 358/1. Wanneer wordt vastgesteld dat beroeps- verliezen van een belastbaar tijdperk, geheel of gedeel- telijk, ten onrechte bij toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4, zijn afgetrokken van de beroepsinkom- sten van vorige belastbare tijdperken en de belasting voor deze tijdperken geheel of gedeeltelijk in toepassing van artikel 375/1 ten onrechte werd ontheven, kan die ten onrechte verleende aftrek worden rechtgezet gedurende de aanslagtermijn die van toepassing is met betrekking tot het belastbare tijdperk waarin deze beroepsverliezen zijn ontstaan.”. Art. 88 In titel VII, hoofdstuk VII, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 375/1 ingevoegd, luidende: “Art. 375/1. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent van rechtswege ontheffing van het teveel aan gevestigde belasting ingevolge de achterwaartse aftrek van be- roepsverliezen bij toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4.”. Art. 89 In artikel 409 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, worden de woorden ‘artikel 376” vervangen door de woorden “de artikelen 375/1 en 376”. Art. 90 In artikel  410, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, worden de woorden “in artikel 376” vervangen door de woorden “in de artikelen 375/1 en 376”. être appliquée par un employeur visé à l’article 2758, § 2, alinéa 8” sont remplacés par les mots “dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article ne peut pas être appliquée par un employeur qui, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, est une entreprise en difficulté.”. Art. 87 Dans le titre VII, chapitre VI, section première, du même Code, il est inséré un article 358/1, rédigé comme suit: “Art. 358/1. Lorsqu’il est constaté que les pertes pro- fessionnelles d’une période imposable ont été, entière- ment ou partiellement, indûment déduites en application de l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4, des revenus professionnels des périodes imposables antérieures et que l’impôt pour ces périodes a été, entièrement ou partiellement, indûment dégrevée en application de l’article 375/1, cette déduction indûment accordée peut être corrigée durant le délai d’imposition applicable qui est relatif à la période imposable au cours de laquelle ces pertes professionnelles ont eu lieu.”. Art. 88 Dans le titre VII, chapitre VII, section première, du même Code, un article 375/1 est inséré, rédigé comme suit: “Art. 375/1. Le conseiller général de l’administration en charge de l’établissement des impôts sur les revenus ou le fonctionnaire délégué par lui accorde de plein droit le dégrèvement de l’impôt excédentaire établi suite à l’arriéré de déduction des pertes professionnelles en application de l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4.”. Art. 89 Dans l’article 409 du même Code, remplacé par la loi du 15 mars 1999, les mots “à l’ article 376” sont rempla- cés par les mots “aux articles 375/1 et 376“. Art. 90 Dans l’article 410, alinéa 1er, du même Code, rempla- cé par la loi du 15 mars 1999, les mots “à l’ article 376” sont remplacés par les mots “aux articles 375/1 et 376 “. 206 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 Art. 91 In titel VII, hoofdstuk XIII, afdeling V, onderafde- ling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 415/1 ingevoegd, luidende: “Art. 415/1. Wanneer bij toepassing van artikel 375/1 ontheffing werd verleend en het bedrag van de beroeps- verliezen dat bij toepassing van artikel 78, § 2, of arti- kel 206, § 4, in aanmerking komt voor de achterwaartse verliesaftrek wordt gewijzigd, is, in afwijking van de artikelen 414 en 415, op het gedeelte van de belasting dat verband houdt met de wijziging van het bedrag van de in aftrek te brengen beroepsverliezen een nalatig- heidsintrest verschuldigd, berekend overeenkomstig artikel 414, § 1, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de ontheffing werd verleend.”. Art. 92 In artikel 419, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ver- vangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wet van 25 december 2017, wordt een bepaling onder 4°/1 ingevoegd, luidende: “4°/1 in geval van een terugbetaling van belasting met toepassing van artikel 375/1;”. Art. 93 In artikel 443ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2018, worden de volgende wij- zigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden “in artikel 376” vervangen door de woorden “in de artike- len 375/1 en 376”; 2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “aanvraag tot ambtshalve ontheffing bedoeld in arti- kel 376,” vervangen door de woorden “aanvraag tot ontheffing bedoeld in de artikelen 375/1 en 376,”. Art. 94 Dit deel treedt in werking op 1  januari  2019. De artikelen 82, 83, en 84 zijn van toepassing op de be- roepsverliezen die toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten, veroorzaakt door ongunstige weers- omstandigheden die hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 2018. Art. 91 Dans le titre VII, chapitre VIII, section V, sous-section première, du même Code, un article 415/1 est inséré, rédigé comme suit: “Art. 415/1. Lorsqu’en application de l’article 375/1, un dégrèvement est accordé et que le montant des pertes professionnelles qui entre en considération pour la déduction des pertes antérieures en application de l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4, est modifié, un intérêt de retard est dû, par dérogation aux articles 414 et 415, sur la partie de l’impôt qui est liée à la modifica- tion du montant des pertes professionnelles portées en déduction, calculé conformément à l’article 414, § 1er, à compter du premier jour du mois qui suit le mois durant lequel le dégrèvement a été accordé.”. Art. 92 Dans l’article 419, alinéa 1er, du même Code, rem- placé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par les arrêtés royaux des 20 juillet 2000 et 13 juillet 2001 et par la loi du 25 décembre 2017, il est inséré un 3°/1, rédigé comme suit: “4°/1 dans le cas d’un remboursement d’impôt en application de l’article 375/1;”. Art. 93 A l’article 443ter du même Code, inséré par la loi du 26  mars  2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe  1er, alinéa  2, les mots “à l’article  376” sont remplacés par les mots “aux ar- ticles 375/1 et 376“; 2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “demande de dégrèvement d’office visée à l’article 376” sont rem- placés par les mots “demande de dégrèvement visée aux articles 375/1 et 376“. Art. 94 La présente partie entre en vigueur le 1er janvier 2019. Les articles 82, 83 et 84 s’appliquent aux pertes pro- fessionnelles qui sont imputables au dommage causé aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables qui ont eu lieu à partir du 1er janvier 2018. 207 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 TITEL VI I Overgangsbepalingen Art. 95 De verwijzingen naar artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, opgenomen in de artikelen 8 en 22 van deze wet, moeten worden gelezen als verwijzingen naar artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen Art. 96 Artikel 95 is van toepassing zolang de wet tot in- voering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen niet in werking is getreden. Gegeven te Brussel, 14 december 2018 FILIP VAN KONINGSWEGE: De minister van Financiën, Alexander DE CROO TITRE VII Dispositions transitoires Art. 95 Les références à l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations reprises aux articles 8 et 22 de la présente loi, doivent être lues comme des références à l’article 11 du Code des sociétés. Art. 96 L’article 95 est applicable tant que la loi introduisant le Code des sociétés et des associations et portant des dispositions diverses n’est pas entrée en vigueur. Donné à Bruxelles, le 14 décembre 2018 PHILIPPE PAR LE ROI: Le ministre des Finances, Alexander DE CROO 208 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 1 Coördinatie van de artikelen Basistekst Basistekst aangepast aan het ontwerp TITEL II – FISCALE BEPALINGEN Hoofdstuk 1 – Eenheidsstatuut Art. 67quater, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Winsten en baten worden van belasting vrijgesteld tot beloop van een bepaald bedrag aan bezoldigingen toegekend aan werknemers die bij de betrokken belastingplichtige minimaal 5 dienstjaren hebben na 1 januari 2014. Winsten en baten worden van belasting vrijgesteld tot beloop van een bepaald bedrag aan bezoldigingen toegekend aan werknemers die bij de betrokken belastingplichtige minimaal 5 dienstjaren hebben na 1 januari 2014. Het vrij te stellen bedrag van de winsten of baten bedraagt 3 weken bezoldiging per begonnen dienstjaar vanaf het 6de dienstjaar na 1 januari 2014. Vanaf het 21ste dienstjaar na 1 januari 2014 bedraagt de belastingvrijstelling 1 week bezoldiging per bijkomend begonnen dienstjaar. Het voor het belastbaar tijdperk vrij te stellen bedrag van de winsten en baten per in het eerste lid bedoelde werknemer, bedraagt: - drie weken bezoldiging, van het zesde tot en met het twintigste door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014; - een week bezoldiging, vanaf het eenentwintigste door deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014. Het in het tweede lid bedoelde vrij te stellen bedrag van de winsten en baten, dat in voorkomend geval wordt beperkt bij toepassing van het vierde lid, wordt gespreid over het belastbaar tijdperk en de vier volgende belastbare tijdperken ten belope van 20 pct. per belastbaar tijdperk. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een maximumbedrag invoeren met betrekking tot de bezoldiging als bedoeld in het tweede lid waarop de vrijstelling wordt berekend. Hij zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit lid genomen besluiten. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een maximumbedrag van bruto maandbezoldiging per werknemer invoeren met betrekking tot de bezoldiging als bedoeld in het tweede lid waarop de vrijstelling wordt berekend. De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening 209 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 2 van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het vierde lid genomen besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. De in aanmerking te nemen bruto maandbezoldiging is de gemiddelde bruto maandelijkse bezoldiging, voor inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage, berekend over het totaal aantal maanden van het belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd. Om de wekelijkse bezoldiging te bepalen wordt het maximumbedrag van de bruto maandbezoldiging vermenigvuldigd met drie en gedeeld door dertien. Wanneer de betrokken werknemer de onderneming verlaat, moet het totale voor deze werknemer reeds vrijgestelde bedrag worden opgenomen in de winsten en baten van het belastbaar tijdperk waarin de tewerkstelling een einde neemt. Wanneer de betrokken werknemer de onderneming verlaat, moet het totale voor deze werknemer reeds vrijgestelde bedrag worden opgenomen in de winsten en baten van het belastbaar tijdperk waarin de tewerkstelling een einde neemt en kan het ingevolge de in het derde lid bedoelde spreiding nog vrij te stellen bedrag voor die werknemer niet meer vrijgesteld worden. Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden Ten aanzien van de belastingplichtigen betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 211, blijven de bepalingen van dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen niet hadden plaatsgevonden De Koning regelt de wijze van uitvoering van dit artikel De Koning regelt de wijze van uitvoering van dit artikel Hoofdstuk 2 – ATAD – Interestaftrekbeperking Art. 35 van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, onderafdeling VII, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 33 wordt een artikel 194septies ingevoegd, luidende : (Ingetrokken) Art. 194septies. De winst wordt vrijgesteld ten belope van de in artikel 205/5, § 3, vierde lid, 210 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 3 bedoelde vergoeding die in uitvoering van de in artikel 205/5, § 3, bedoelde groepsbijdrage- overeenkomst wordt verkregen in ruil voor de opname van het bedrag van de groepsbijdrage in de winst van het belastbaar tijdperk. Art. 86 van de wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting (…) (…) B1. De artikelen 3, 18, 1°, 2° en 4°, 20, 33, 35, 39, 5° en 9°, 44, 2° en 3°, 47, 48, 53, 2°, 53/1, 73 en 73/1 treden in werking op 1 januari 2019 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2020 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2019. B1. De artikelen 3, 18, 1°, 2° en 4°, 20, 33, 34, 36, 39, 5° tot 15°, 40, 44, 2° en 3°, 47, 48, 53, 2°, 53/1, 73 en 73/1 treden in werking op 1 januari 2019 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2020 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2019. B2. De artikelen 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18, 3°, 20/1, 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° en 6°, 31, 2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot 15°, 40, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, 55, 4°, 58, 61, 1°, 62 tot 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 en 84 treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020 B2. De artikelen 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18, 3°, 20/1, 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° en 6°, 31, 2°, 39, 2°en 4°, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, 55, 4°, 58, 61, 1°, 62 tot 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 en 84 treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020 (…). (…). Hoofdstuk 3 – Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse vennootschap verbonden met de werkgever Afdeling 1 – Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 270, WIB 92 De bedrijfsvoorheffing is verschuldigd door : De bedrijfsvoorheffing is verschuldigd door : 1° de in de artikelen 3, 179 of 220 vermelde belastingplichtigen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen betalen of toekennen, evenals de in artikel 227 vermelde niet- inwoners voor wie de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen die ze in België of in het buitenland betalen of toekennen, 1° de in de artikelen 3, 179 of 220 vermelde belastingplichtigen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen betalen of toekennen, evenals de in artikel 227 vermelde niet-inwoners voor wie de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen die ze in België of in het buitenland betalen of toekennen, beroepskosten zijn in de zin van 211 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 4 beroepskosten zijn in de zin van artikel 237 ; artikel 237 ; 2° degenen die in België diensten bezigen van personen verbonden door een arbeidsovereenkomst, van wie de bezoldiging geheel of hoofdzakelijk bestaat uit door de cliënteel betaalde fooien of dienstpercenten ; 2° degenen die in België diensten bezigen van personen verbonden door een arbeidsovereenkomst, van wie de bezoldiging geheel of hoofdzakelijk bestaat uit door de cliënteel betaalde fooien of dienstpercenten ; 3° degenen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in artikel 228, § 2, 8°, vermelde inkomsten van podiumkunstenaars of sportbeoefenaars betalen of toekennen of bij ontstentenis daarvan de organisator van de vertoningen of van de sportwedstrijden ; 3° degenen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in artikel 228, § 2, 8°, vermelde inkomsten van podiumkunstenaars of sportbeoefenaars betalen of toekennen of bij ontstentenis daarvan de organisator van de vertoningen of van de sportwedstrijden ; 4° degene die door de leden van een in artikel 229, § 3, vermelde vennootschap of vereniging wordt aangesteld om hen in belastingzaken te vertegenwoordigen, of bij ontstentenis daarvan, elk van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten of leden ; 4° degene die door de leden van een in artikel 229, § 3, vermelde vennootschap of vereniging wordt aangesteld om hen in belastingzaken te vertegenwoordigen, of bij ontstentenis daarvan, elk van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten of leden ; 5° degenen die krachtens artikel 35 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten verplicht zijn de akten of verklaringen ter registratie aan te bieden wanneer het akten of verklaringen betreft waarbij de overdracht onder bezwarende titel is vastgesteld van in België gelegen onroerende goederen of zakelijke rechten met betrekking tot die goederen door een in artikel 227, 1° of 2°, vermelde belasting-plichtige ; 5° degenen die krachtens artikel 35 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten verplicht zijn de akten of verklaringen ter registratie aan te bieden wanneer het akten of verklaringen betreft waarbij de overdracht onder bezwarende titel is vastgesteld van in België gelegen onroerende goederen of zakelijke rechten met betrekking tot die goederen door een in artikel 227, 1° of 2°, vermelde belasting-plichtige ; 6° diegenen die als curatoren in faillissementen, vereffenaars van gerechtelijke akkoorden, vereffenaars van vennootschappen of als personen die gelijkaardige functies uitoefenen, schuldvorderingen hebben te honoreren met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30 ; 6° diegenen die als curatoren in faillissementen, vereffenaars van gerechtelijke akkoorden, vereffenaars van vennootschappen of als personen die gelijkaardige functies uitoefenen, schuldvorderingen hebben te honoreren met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30 ; 7° degenen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in artikel 228, § 3, vermelde inkomsten betalen of toekennen. 7° degenen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in artikel 228, § 3, vermelde inkomsten betalen of toekennen. Voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing worden: a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens 212 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 5 of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige; b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen betaalt of toekent die beroepskosten zijn in de zin van artikel 237. Art. 272, WIB 92 Behoudens strijdig beding : Behoudens strijdig beding : 1° hebben de in artikel 270, 1°, 3°, 6° en 7°, vermelde belastingschuldigen het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden ; 1° hebben de in artikel 270, eerste lid, 1°, 3°, 6° en 7°, vermelde belastingschuldigen het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden ; 2° hebben de in artikel 270, 2° vermelde belastingschuldigen het recht zich het bedrag van de voorheffing, verschuldigd wegens fooien of dienstpercenten, bij voorbaat te doen overhandigen. 2° hebben de in artikel 270, eerste lid, 2° vermelde belastingschuldigen het recht zich het bedrag van de voorheffing, verschuldigd wegens fooien of dienstpercenten, bij voorbaat te doen overhandigen; 3° hebben de belastingschuldigen overeenkomstig artikel 270, tweede lid, het recht op het geheel van de belastbare inkomsten waarvan zij schuldenaar zijn de voorheffing in te houden. Ondanks elk strijdig beding moeten de in artikel 270, 5°, vermelde belastingschuldigen de desbetreffende voorheffing inhouden op de meerwaarden die begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a en 4° vermelde winst of baten. Ondanks elk strijdig beding moeten de in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde belastingschuldigen de desbetreffende voorheffing inhouden op de meerwaarden die begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a en 4° vermelde winst of baten. Art. 2751, eerste lid, WIB 92 De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die krachtens artikel De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die krachtens artikel 213 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 6 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de belastbare bezoldigingen waarin de bezoldigingen zijn begrepen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de belastbare bezoldigingen waarin de bezoldigingen zijn begrepen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. Art. 2752, § 1, WIB 92 § 1. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die behoren tot de koopvaardij-, de bagger- en de sleepvaartsector en die in toepassing van artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van bedrijfsvoorheffing. § 1. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die behoren tot de koopvaardij-, de bagger- en de sleepvaartsector en die in toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van bedrijfsvoorheffing. Art. 2753, § 1, eerste lid, WIB 92 § 1. De universiteiten en hogescholen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan assistent-onderzoekers en het "Federaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Fonds fédéral de la Recherche scientifique - FFWO/FFRS", het "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen – FWO", het "Fonds de la Recherche scientifique - FNRS - FRS-FNRS" die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan postdoctorale onderzoekers en die krachtens artikel 270, 1°, bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen verschuldigd zijn, worden vrijgesteld van het storten aan de Schatkist, van 80 pct. van die bedrijfsvoorheffing, op voorwaarde dat ze op die bezoldigingen 100 pct. van die bedrijfsvoorheffing inhouden. De in dit lid bedoelde instellingen wenden de sommen die zij krachtens dit artikel niet moeten doorstorten, niet aan ter financiering van het onderzoek dat de vrijstelling van de doorstortingsverplichting heeft doen ontstaan. § 1. De universiteiten en hogescholen die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan assistent-onderzoekers en het "Federaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Fonds fédéral de la Recherche scientifique - FFWO/FFRS", het "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen – FWO", het "Fonds de la Recherche scientifique - FNRS - FRS-FNRS" die bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan postdoctorale onderzoekers en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen verschuldigd zijn, worden vrijgesteld van het storten aan de Schatkist, van 80 pct. van die bedrijfsvoorheffing, op voorwaarde dat ze op die bezoldigingen 100 pct. van die bedrijfsvoorheffing inhouden. De in dit lid bedoelde instellingen wenden de sommen die zij krachtens dit artikel niet moeten doorstorten, niet aan ter financiering van het onderzoek dat de vrijstelling van de doorstortingsverplichting heeft doen ontstaan. Art. 2754, § 1, eerste lid, WIB 92 § 1. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die behoren tot de sector van de zeevisserij en die, bij toepassing van artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing ingevolge de in artikel 273, § 1. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die behoren tot de sector van de zeevisserij en die, bij toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing ingevolge de in artikel 273, 214 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 7 1°, bedoelde betaling of toekenning van belastbare bezoldigingen aan werknemers die zijn tewerkgesteld aan boord van een in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerd schip waarvoor een zeebrief kan worden voorgelegd. Dit artikel is slechts van toepassing op de overeenkomstig artikel 272 ingehouden bedrijfsvoorheffing. 1°, bedoelde betaling of toekenning van belastbare bezoldigingen aan werknemers die zijn tewerkgesteld aan boord van een in een lidstaat van de Europese Unie geregistreerd schip waarvoor een zeebrief kan worden voorgelegd. Dit artikel is slechts van toepassing op de overeenkomstig artikel 272 ingehouden bedrijfsvoorheffing. Art. 2755, § 1, eerste lid, WIB 92 § 1. De ondernemingen waarin ploegen-arbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, worden ervan vrijgesteld een bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 22,8 pct. van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de werknemers op wie deze paragraaf van toepassing is samen waarin die ploegenpremies zijn begrepen, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden. § 1. De ondernemingen waarin ploegen-arbeid of nachtarbeid wordt verricht, die een ploegenpremie betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die premie, worden ervan vrijgesteld een bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 22,8 pct. van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de werknemers op wie deze paragraaf van toepassing is samen waarin die ploegenpremies zijn begrepen, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen en premies wordt ingehouden. Art. 2756, WIB 92 De schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270, 1°, die bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1°, betalen of toekennen aan sportbeoefenaars die op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, niet de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt, worden ervan vrijgesteld 70 pct. van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten. De schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270, eerste lid, 1°, die bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1°, betalen of toekennen aan sportbeoefenaars die op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de vrijstelling wordt gevraagd, niet de leeftijd van 26 jaar hebben bereikt, worden ervan vrijgesteld 70 pct. van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten. (…) (…) Dit artikel is eveneens van toepassing op de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270, 3°, die bezoldigingen als bedoeld in artikel 232, eerste lid, 2°, c, rechtstreeks betalen of toekennen aan sportbeoefenaars. Dit artikel is eveneens van toepassing op de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270, eerste lid, 3°, die bezoldigingen als bedoeld in artikel 232, eerste lid, 2°, c, rechtstreeks betalen of toekennen aan sportbeoefenaars. Art. 2757, eerste lid, WIB 92 De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, 215 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 8 de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. Art. 2758, § 1, eerste lid, WIB 92 § 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting gelegen in een steunzone die is opgenomen in het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die op geldige wijze een formulier als bedoeld in § 5 hebben overgelegd, die bezoldigingen betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen, worden tijdelijk vrijgesteld 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in § 4 bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. § 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting gelegen in een steunzone die is opgenomen in het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die op geldige wijze een formulier als bedoeld in § 5 hebben overgelegd, die bezoldigingen betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen, worden tijdelijk vrijgesteld 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in § 4 bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. Art. 2759, § 1, eerste lid, WIB 92 § 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting, gelegen in een steunzone die is opgenomen in de A groep van het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die op geldige wijze een formulier als bedoeld in artikel 2758, § 5, hebben overgelegd, die bezoldigingen betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen worden ervan tijdelijk vrijgesteld 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in artikel 2758, § 4, bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. § 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting, gelegen in een steunzone die is opgenomen in de A groep van het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die op geldige wijze een formulier als bedoeld in artikel 2758, § 5, hebben overgelegd, die bezoldigingen betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen worden ervan tijdelijk vrijgesteld 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in artikel 2758, § 4, bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. 216 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 9 Art. 27510, eerste lid, WIB 92 De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen van werknemers betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld 10 pct. van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen van werknemers betalen of toekennen en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld 10 pct. van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. Art. 27511, eerste lid, WIB 92 De werkgevers die aan jonge werknemers forfaitaire toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen die ze aan de betrokken jonge werknemers betalen of toekennen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die ze na toepassing van de artikelen 2751 tot 27510 verschuldigd zijn, in de Schatkist te storten. De werkgevers die aan jonge werknemers forfaitaire toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen die ze aan de betrokken jonge werknemers betalen of toekennen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die ze na toepassing van de artikelen 2751 tot 27510 verschuldigd zijn, in de Schatkist te storten. Art. 412bis, WIB 92 In afwijking van artikel 412, tweede lid, is de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in artikel 272, tweede lid, vermelde meerwaarden betaalbaar bij de registratie van de in artikel 270, 5°, vermelde akten of verklaringen. In afwijking van artikel 412, tweede lid, is de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in artikel 272, tweede lid, vermelde meerwaarden betaalbaar bij de registratie van de in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde akten of verklaringen. De Koning bepaalt de uitvoerings-modaliteiten van dit artikel. De Koning bepaalt de uitvoerings-modaliteiten van dit artikel. Afdeling 2 – Verplichting tijdens overgangsperiode voor de inkomsten van het belastbaar tijdperk 2018 TITEL III – FRAUDEBESTRIJDING Hoofdstuk 1 – Wijzigingen inzake 217 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 10 inkomstenbelastingen Afdeling 1. – Gegevensuitwisseling met derde landen Art. 338ter, WIB 92 (nieuw) Teneinde de gegevens bedoeld in artikel 338, § 24/1, te kunnen overmaken aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten en de bevoegde autoriteiten van derde landen, binnen de juridische grondslag die de uitwisseling van informatie tussen België en het derde land regelt, kunnen de voormelde gegevens door de Belgische bevoegde autoriteit conform artikel 30, tweede lid en artikel 31, zevende lid van de Richtlijn 2015/849/EU zonder enige beperking bij de volgens voormelde Richtlijn meldingsplichtige entiteiten worden opgevraagd, die ze binnen een maand na het verzoek dienen te bezorgen aan de Belgische bevoegde autoriteit. Afdeling 2 - Juridische constructies Art. 333, WIB 92 Onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, kan de administratie de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten en belastingen of aanvullende aanslagen eventueel vestigen, zelfs wanneer de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen reeds werden betaald. Onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, kan de administratie de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten en belastingen of aanvullende aanslagen eventueel vestigen, zelfs wanneer de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen reeds werden betaald. Bedoelde onderzoekingen mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht gedurende het belastbaar tijdperk evenals in de termijn bedoeld in artikel 354, eerste lid en in de termijn bedoeld in artikel 354, vierde lid. Bedoelde onderzoekingen mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht gedurende het belastbaar tijdperk evenals in de termijn bedoeld in artikel 354, eerste lid en in de termijn bedoeld in artikel 354, vijfde lid. Zij mogen bovendien worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking Zij mogen bovendien worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede en derde lid, bedoelde aanvullende termijn van respectievelijk vier en zeven jaar, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de 218 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 11 die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag. Wanneer de onderzoekingen uitgevoerd worden op vraag van een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, of waarmee België een akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden, of die samen met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden tussen de akkoordsluitende Staten mogelijk maakt, wordt, de onderzoekstermijn, uitsluitend met het oog op het beantwoorden van de voormelde vraag, zonder voorafgaande kennisgeving verlengd met de aanvullende termijn van vier jaar. aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag. Wanneer de onderzoekingen uitgevoerd worden op vraag van een Staat waarmee België een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, of waarmee België een akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden, of die samen met België deelneemt aan een ander bilateraal of multilateraal gesloten juridisch instrument, op voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord of dit juridisch instrument de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot belastingaangelegenheden tussen de akkoordsluitende Staten mogelijk maakt, wordt, de onderzoekstermijn, uitsluitend met het oog op het beantwoorden van de voormelde vraag, zonder voorafgaande kennisgeving verlengd met de hierboven bedoelde aanvullende termijn van respectievelijk vier en zeven jaar. Indien de bijlage bij de aangifte in de inkomstenbelastingen bedoeld in de artikelen 2758, § 1, vierde lid, en 2759, § 1, vierde lid, binnen de termijn bedoeld in het tweede lid, onderzocht wordt, mogen deze onderzoekingen betrekking hebben op de belastbare tijdperken waarbinnen de arbeidsplaats geacht wordt behouden te zijn gebleven zoals bedoeld in de artikelen 2758, § 1, vierde lid, en 2759, § 1, vierde lid, zonder dat hiervoor een voorafgaande kennisgeving vereist is. Indien de bijlage bij de aangifte in de inkomstenbelastingen bedoeld in de artikelen 2758, § 1, vierde lid, en 2759, § 1, vierde lid, binnen de termijn bedoeld in het tweede lid, onderzocht wordt, mogen deze onderzoekingen betrekking hebben op de belastbare tijdperken waarbinnen de arbeidsplaats geacht wordt behouden te zijn gebleven zoals bedoeld in de artikelen 2758, § 1, vierde lid, en 2759, § 1, vierde lid, zonder dat hiervoor een voorafgaande kennisgeving vereist is. Art. 354, WIB 92 Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waar voor de belasting is verschuldigd. Wanneer voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waar voor de belasting is verschuldigd. Wanneer voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde 219 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 12 boekhoudt, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar. tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar. Deze termijn wordt met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Deze termijn wordt met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Wanneer in een land opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, met uitzondering van de landen waarmee een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten, gebruik wordt gemaakt van juridische constructies die ertoe strekken de herkomst of het bestaan van het vermogen te verhullen, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn met zeven jaar verlengd in geval van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten. De onroerende voorheffing, de administratieve boete en, voor zover ze niet binnen de in artikel 412 gestelde termijn zijn betaald, de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing mogen eveneens worden gevestigd binnen de termijn bepaald in de twee vorige leden. De onroerende voorheffing, de administratieve boete en, voor zover ze niet binnen de in artikel 412 gestelde termijn zijn betaald, de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing mogen eveneens worden gevestigd binnen de termijn bepaald in de drie vorige leden. Wanneer de belastingplichtige of de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, overeenkomstig de artikelen 366 tot 371 een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt die termijn verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum van het indienen van het bezwaarschrift en die van de beslissing van de adviseur-generaal of de gedelegeerde ambtenaar, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen. Wanneer de belastingplichtige of de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, overeenkomstig de artikelen 366 tot 371 een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt die termijn verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum van het indienen van het bezwaarschrift en die van de beslissing van de adviseur-generaal of de gedelegeerde ambtenaar, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen. Afdeling 3 – Onderzoeksbevoegdheden Art. 322, § 1, WIB 92 220 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 13 § 1. De administratie mag, wat een bepaalde belastingplichtige betreft, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing van de belasting te verzekeren. § 1. De administratie mag, wat een bepaalde belastingplichtige betreft, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke of rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing van de belasting te verzekeren. Het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen mag slechts worden uitgeoefend door ambtenaren die minstens de graad van financieel deskundige bezitten, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de inkomstenbelastingen. De administratie mag wat een bepaalde belastingplichtige betreft, het register van de uiteindelijke begunstigden, genaamd UBO- register, gehouden binnen de Algemene Administratie van de Thesaurie en opgericht bij artikel 73 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, raadplegen teneinde de juiste heffing van de belasting te verzekeren. De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van deze raadpleging. De administratie mag wat een bepaalde belastingplichtige betreft, het register van de uiteindelijke begunstigden, genaamd UBO- register, gehouden binnen de Algemene Administratie van de Thesaurie en opgericht bij artikel 73 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, raadplegen teneinde de juiste heffing van de belasting te verzekeren. De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van deze raadpleging. Het recht om het UBO-register te consulteren mag slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere titel dan die van attaché. Nochtans mag het recht om derden te horen, om het UBO-register te consulteren en om een onderzoek in te stellen slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere titel dan die van attaché. (Opgeheven) Hoofdstuk 2 – Wijzigingen aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 93bis/1, BTW-Wetboek (nieuw) In afwijking van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, mogen de verzoeken om inlichtingen 221 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 14 van buitenlandse autoriteiten en de antwoorden verstrekt aan die autoriteiten evenals elke andere correspondentie tussen de bevoegde autoriteiten niet openbaar worden gemaakt zolang het onderzoek van de buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover de openbaarmaking nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek, tenzij de buitenlandse autoriteit haar uitdrukkelijk akkoord heeft gegeven voor deze openbaarmaking. Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt geacht te zijn bekomen wanneer de buitenlandse autoriteit niet reageert binnen een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf het verzenden door de Belgische Staat van de vraag tot inzage, en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens en de correspondentie volgens de voorwaarden van dit artikel moet voortduren, wanneer de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd uitdrukkelijk deze toegang aan de Belgische Staat heeft gevraagd. Hoofdstuk 3 – Wijzigingen aan de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken. Art. 22, wet van 24 december 2002 Een voorafgaande beslissing kan niet worden gegeven wanneer: Een voorafgaande beslissing kan niet worden gegeven wanneer: 1° de aanvraag betrekking heeft op situaties of verrichtingen die identiek zijn aan die welke op fiscaal vlak reeds gevolgen hebben ten name van de aanvrager of op fiscaal vlak het voorwerp uitmaken van een administratief beroep of gerechtelijke handeling tussen de Belgische Staat en de aanvrager; 1° de aanvraag betrekking heeft op situaties of verrichtingen die identiek zijn aan die welke op fiscaal vlak reeds gevolgen hebben ten name van de aanvrager of op fiscaal vlak het voorwerp uitmaken van een administratief beroep of gerechtelijke handeling tussen de Belgische Staat en de aanvrager; 2° het treffen van een voorafgaande beslissing niet aangewezen is of zonder uitwerking is op grond van de in de aanvraag aangevoerde wettelijke of reglementaire bepalingen; 2° het treffen van een voorafgaande beslissing niet aangewezen is of zonder uitwerking is op grond van de in de aanvraag aangevoerde wettelijke of reglementaire bepalingen; 222 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 15 3° de aanvraag betrekking heeft op elke toepassing van een belastingwet betreffende invordering en vervolgingen. 3° de aanvraag betrekking heeft op elke toepassing van een belastingwet betreffende invordering en vervolgingen. De Koning bepaalt, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de in het eerste lid, 2° bedoelde materies en bepalingen. De Koning bepaalt, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de in het eerste lid, 2° bedoelde materies en bepalingen. Inzake inkomstenbelastingen kan bovendien geen voorafgaande beslissing worden gegeven wanneer : Inzake inkomstenbelastingen kan bovendien geen voorafgaande beslissing worden gegeven wanneer : 1° bij het indienen van de aanvraag, essentiële elementen van de beschreven verrichting of situatie betrekking hebben op een vluchtland dat niet samenwerkt met de OESO; 1° bij het indienen van de aanvraag, elementen van de beschreven verrichting of situatie betrekking hebben op een vluchtland dat niet samenwerkt met de OESO of op een land opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 tenzij met dit land een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten;” 2° de beschreven verrichting of situatie geen economische substantie heeft in België. 2° de beschreven verrichting of situatie geen economische substantie heeft in België. Hoofdstuk 4 - De invordering Afdeling 1 - Verplichting van de betaling in euro door bepaalde administraties van de FOD Financiën Afdeling 2 - Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de programmawet (I) van 29 maart 2012 en het burgerlijk Wetboek inzake het E-notariaat Onderafdeling 1. Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 62, BTW-Wetboek § 1. Eenieder is gehouden, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast Eenieder is gehouden, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met de 223 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 16 met de belasting over de toegevoegde waarde, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan. belasting over de toegevoegde waarde, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan. § 2. Iedere belastingplichtige of lid van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, eigenaar of houder van een zakelijk recht op een voor hypotheek vatbaar goed, is gehouden, op verzoek van de notaris die belast is met het opmaken van de akte houdende vervreemding of hypotheekstelling betreffende dat goed, aan deze laatste zijn hoedanigheid van belastingplichtige of lid van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, kenbaar te maken. (opgeheven) De Minister van Financiën regelt de toepassingsmodaliteiten van deze paragraaf. Art. 66, BTW-Wetboek Wanneer iemand die krachtens artikel 51, §§ 1, 2 of 4, schuldenaar is van de belasting, om welke reden ook, in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 1°, of 53nonies, § 1,bedoelde aangifte niet heeft ingediend, geheel of ten dele in gebreke is gebleven de door of ter uitvoering van dit Wetboek voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter inzage van boeken of stukken na te komen, of niet heeft geantwoord op de vraag om inlichtingen bedoeld in artikel 62, § 1, kan hem door of vanwege de Minister van Financiën ambtshalve een aanslag worden opgelegd tot beloop van de belasting die verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de handelingen die hij heeft verricht gedurende de maand of de maanden waarop de overtreding betrekking heeft. Wanneer iemand die krachtens artikel 51, §§ 1, 2 of 4, schuldenaar is van de belasting, om welke reden ook, in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 1°, of 53nonies, § 1,bedoelde aangifte niet heeft ingediend, geheel of ten dele in gebreke is gebleven de door of ter uitvoering van dit Wetboek voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter inzage van boeken of stukken na te komen, of niet heeft geantwoord op de vraag om inlichtingen bedoeld in artikel 62 kan hem door of vanwege de Minister van Financiën ambtshalve een aanslag worden opgelegd tot beloop van de belasting die verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de handelingen die hij heeft verricht gedurende de maand of de maanden waarop de overtreding betrekking heeft. Door of vanwege de Minister van Financiën kan ook ambtshalve een aanslag worden opgelegd aan de bovengenoemde persoon die belastbare handelingen niet heeft opgetekend in het voorgeschreven boek of stuk, of die ten aanzien van dergelijke handelingen aan de medecontractant geen factuur heeft uitgereikt wanneer hij daartoe gehouden was, of een factuur heeft uitgereikt waarin de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, of het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde niet juist zijn vermeld. In die gevallen kan de ambtshalve opgelegde aanslag betrekking hebben op het gehele gecontroleerde Door of vanwege de Minister van Financiën kan ook ambtshalve een aanslag worden opgelegd aan de bovengenoemde persoon die belastbare handelingen niet heeft opgetekend in het voorgeschreven boek of stuk, of die ten aanzien van dergelijke handelingen aan de medecontractant geen factuur heeft uitgereikt wanneer hij daartoe gehouden was, of een factuur heeft uitgereikt waarin de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, of het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde niet juist zijn vermeld. In die gevallen kan de ambtshalve opgelegde aanslag betrekking hebben op het gehele gecontroleerde 224 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 17 tijdvak. tijdvak. Een aanslag kan evenwel niet ambtshalve worden opgelegd wanneer de in het vorige lid bedoelde overtredingen als louter toevallig dienen te worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatige factuur is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatige factuur is uitgereikt. Een aanslag kan evenwel niet ambtshalve worden opgelegd wanneer de in het vorige lid bedoelde overtredingen als louter toevallig dienen te worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatige factuur is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatige factuur is uitgereikt. Wanneer de aangifte te laat is ingediend doch vóór de ambtshalve opgelegde aanslag, wordt de belasting vastgesteld op grond van de aangifte, voor zover de aangifte niet meer dan twaalf maanden te laat is ingediend. Wanneer de aangifte te laat is ingediend doch vóór de ambtshalve opgelegde aanslag, wordt de belasting vastgesteld op grond van de aangifte, voor zover de aangifte niet meer dan twaalf maanden te laat is ingediend. Art. 93ter, BTW-Wetboek § 1. De notaris die verzocht wordt een akte op te maken met betrekking tot het vervreemden of het bezwaren met een hypotheek van een voor hypotheek vatbaar goed, is gehouden aan de eigenaar of vruchtgebruiker van dat goed of van een gedeelte ervan te vragen of deze een belastingplichtige of een lid van een BTW- eenheid in de zin van artikel 4, § 2, is. § 1. De notaris die verzocht is om een akte op te maken die de vervreemding of hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp heeft, is persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, wanneer hij daarvan geen bericht geeft aan: Indien het antwoord bevestigend luidt, is de notaris die verzocht wordt die akte op te maken persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, indien hij niet op de hoogte stelt: 1° de dienst die daarvoor aangewezen is door de Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid, en dit door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden; 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de door de Koning aangewezen ambtenaar wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig de bepaling onder 1°. In dat geval moet het bericht in tweevoud worden opgemaakt en bij ter post aangetekende brief worden verzonden. 2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp van de akte is, ressorteert, of de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats in het buitenland heeft, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden. Indien de akte waarvan sprake niet verleden Indien de akte waarvan sprake niet verleden 225 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 18 wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt het als niet bestaande beschouwd. wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt dit bericht als niet bestaande beschouwd. Wanneer het bericht meegedeeld is overeenkomstig het tweede lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst die daarvoor door de Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid is aangewezen. §2. Wanneer het bericht meegedeeld is in overeenstemming met paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verstuurd volgens de procedures voorzien respectievelijk in het tweede lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig het tweede lid, 2°, slechts primeren indien de datum van toezending de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig het tweede lid, 1°, voorafgaat. § 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat. De Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid bepaalt de voorwaarden en de toepassingsmodaliteiten van deze paragraaf. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoorwaarden van dit artikel. § 2. De notaris die verzocht wordt een akte op te maken met betrekking tot het vervreemden of het bezwaren met een hypotheek van een voor hypotheek vatbaar goed, is gehouden aan de verschijnende partijen lezing te geven van artikel 62, § 2, en van artikel 73. Op straffe van een geldboete van 5 EUR moet uitdrukkelijke melding van die voorlezing en van het antwoord van de verschijnende partijen in de akte worden gemaakt. § 3. Indien de notaris nalaat de in § 1 bedoelde vraag te stellen, is hij persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de in die paragraaf beoogde belasting over de toegevoegde waarde en toebehoren. Art. 93quater, BTW-Wetboek Indien het belang van de Schatkist dit vereist, wordt door de ambtenaar, die krachtens artikel 93ter door de Koning is aangewezen, aan de notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de verzending van het in artikel 93ter, § 1, bedoelde bericht, bij een ter post aangetekende brief kennis gegeven van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en toebehoren die aanleiding kunnen geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist op de goederen welke het § 1. Indien het belang van de Schatkist dit vereist, geeft de bevoegde ontvanger aan de notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van de verzending van het in artikel 93ter bedoelde bericht, kennis van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren dat aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist op het goed dat het voorwerp van de akte is: 226 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 19 voorwerp van de akte zijn. 1° op elektronische wijze, volgens een door de Koning bepaalde procedure; 2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, heeft verzonden bij aangetekende brief. § 2. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst informatie- en communicatietechnologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1. § 3. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat. Art. 93quinquies, BTW-Wetboek § 1. Wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen, voor zover de in artikel 85, § 1, voorgeschreven kennisgeving werd verricht. § 1. Wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is deze bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen. Onverminderd de rechten van derden, is de notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, behoudens toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de krachtens artikel 93ter aangewezen ambtenaar te storten tot Onverminderd de rechten van derden, is de notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden is, onder voorbehoud van toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de ontvanger bedoeld in artikel 93quater te 227 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 20 beloop van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren die hem ter uitvoering van artikel 93ter ter kennis werden gebracht en in zoverre deze belasting en bijbehoren aanleiding hebben gegeven tot een dwangbevel als bedoeld in artikel 85 waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door een in artikel 89 bedoelde vordering in rechte. storten tot beloop van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren dat hem ter uitvoering van artikel 93quater ter kennis werd gebracht en in zoverre deze belasting en bijbehoren aanleiding hebben gegeven tot een dwangbevel of zijn opgenomen in een innings-en invorderingsregister als bedoeld in artikel 85 waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door een in artikel 89 bedoelde vordering in rechte. Daarenboven, indien de sommen en waarden waarop onder derden beslag werd gelegd minder bedragen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, hieronder begrepen de ontvangers, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover inlichtingen verstrekken aan : Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, met inbegrip van de ontvanger, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover informeren aan: 1° de dienst die daarvoor aangewezen is door de Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid, en dit door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt; 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de krachtens artikel 93ter aangewezen ambtenaar bij een ter post aangetekende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij voorafgaandelijk het bericht bedoeld in artikel 93ter bij ter post aangetekende brief heeft verstuurd. 2° de ontvanger bedoeld in artikel 93quater bij aangetekende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij het bericht bedoeld in artikel 93ter, §1, bij aangetekende brief heeft verzonden. De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst die daarvoor door de Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid is aangewezen, of de datum van neerlegging ter post van de aangetekende brief. De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, of de datum van verzending van de aangetekende. § 2. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verstuurd volgens de procedures voorzien respectievelijk in § 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig § 1, derde lid, 2°, slechts primeren indien de datum van toezending de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig § 1, derde lid, 1°, voorafgaat. § 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 1°, voorafgaat. § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de 228 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 21 de overschrijving of de inschrijving van de akte niet aan de Staat worden tegengeworpen indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen van de datum van de inlichting bedoeld in § 1, vierde lid. overschrijving of de inschrijving van de akte niet aan de Staat worden tegengeworpen indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen van de datum van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. Zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en toebehoren, waarvoor de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving werd gedaan, zijn alle niet ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in § 1, derde lid, voorziene termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend. Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren, welke ter uitvoering van artikel 93quater werden ter kennis gebracht. § 4. De Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid bepaalt de voorwaarden en de toepassingsmodaliteiten van dit artikel. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoorwaarden van dit artikel. Art. 93octies, BTW-Wetboek De in de artikelen 93ter en 93quinquies bedoelde berichten en kennisgevingen dienen te worden opgemaakt overeenkomstig de door de Minister van Financiën bepaalde modellen. (opgeheven) Art. 93nonies, BTW-Wetboek De artikelen 93ter tot 93octies zijn van toepassing op al wie bevoegd is om authenticiteit te verlenen aan de in artikel 93ter bedoelde akten. De artikelen 93ter tot 93septies zijn van toepassing op al wie bevoegd is om authenticiteit te verlenen aan de in artikel 93ter bedoelde akten. Art. 93decies, BTW-Wetboek Indien de belastingschuldige ermede instemt, worden de banken, beheerst door het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935, en de ondernemingen, beheerst door het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936, gemachtigd het in artikel 93ter bedoelde bericht toe te sturen en zijn zij bevoegd de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving te ontvangen. Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de banken, onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, evenals de kredietgevers en bemiddelaars inzake hypothecair krediet, onderworpen aan boek VII, titel 4, hoofdstuk 4 van het Wetboek van economisch recht, gemachtigd het in artikel 93ter bedoelde bericht te verzenden en zijn zij bevoegd om de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving te ontvangen. Door de afgifte van een attest door die instellingen aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg daaraan gegeven door de ambtenaren die krachtens artikel 93ter door de Koning aangewezen zijn, wordt de aansprakelijkheid van die instellingen in De afgifte van een attest door die instellingen aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg daaraan gegeven door de ontvanger bedoeld in artikel 93quater, stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de plaats van die van de notaris. 229 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 22 de plaats gesteld van die van de notaris. Art. 93undecies A, BTW-Wetboek Geen akte die in het buitenland verleden is en betrekking heeft op het vervreemden of het bezwaren met een hypotheek van een onroerend goed of een schip, wordt in België tot overschrijving of inschrijving in de registers van de hypothecaire openbaarmaking, wat de onroerende goederen betreft, of de registers van het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen betreft, aanvaard, indien zij niet vergezeld gaat van een attest van de krachtens artikel 93ter door de Koning aangewezen ambtenaar. Geen akte die in het buitenland verleden is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed of een schip tot voorwerp heeft, wordt in België tot overschrijving of inschrijving in de registers van de hypothecaire openbaarmaking, wat de onroerende goederen betreft, of in het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen betreft, toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een attest van de ontvanger bedoeld in artikel 93ter. Dit attest moet vaststellen dat de eigenaar of de vruchtgebruiker geen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is of dat de wettelijke hypotheek, die de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde waarborgt, ingeschreven is. Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of de houder van een zakelijk recht geen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is, ofwel dat de wettelijke hypotheek, die de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde waarborgt, ingeschreven is. Onderafdeling 2. Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 433, WIB 92 § 1. De notarissen die gevorderd zijn om een akte op te maken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed, van een schip of een vaartuig tot voorwerp heeft, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, indien zij niet op de hoogte stellen: § 1. De notaris die verzocht is om een akte op te maken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp heeft, is persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, wanneer hij daarvan geen bericht geeft aan: 1° de dienst die daarvoor aangewezen is door de Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid, en dit door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden; 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de ontvanger van het ambtsgebied waarin de eigenaar of de vruchtgebruiker van het goed zijn woonplaats of zijn hoofdinrichting heeft en, daarenboven, zo het om een onroerend goed gaat, de ontvanger van het ambtsgebied waarin dat goed gelegen is, wanneer het bericht omwille van overmacht of technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig de bepaling onder 1°. In dat geval moet het bericht in tweevoud worden opgemaakt en bij ter post 2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed ressorteert, of de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats in het buitenland heeft en, daarenboven, zo het om een onroerend goed gaat, de ontvanger, bevoegd voor de invordering van de onroerende voorheffing van dat goed, wanneer het bericht 230 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 23 aangetekende brief worden verzonden. omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig de bepaling onder 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden. § 2. Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt het als niet bestaande beschouwd. § 2. Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt dit bericht als niet bestaande beschouwd. Wanneer het bericht meegedeeld is overeenkomstig § 1, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst die daarvoor door de Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid is aangewezen. Wanneer het bericht meegedeeld is overeenkomstig paragraaf 1, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën. § 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verstuurd volgens de procedures bepaald respectievelijk in § 1, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig § 1, 2°, slechts primeren indien de datum van toezending de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig § 1, 1°, voorafgaat. § 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 1°, voorafgaat. § 4. De Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid bepaalt de voorwaarden en de toepassingsmodaliteiten van dit artikel. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoorwaarden van dit artikel. Art. 434, WIB 92 Indien het belang van de Schatkist zulks vereist, wordt door de ontvangers aan de notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de verzending van het in artikel 433, bedoelde bericht en bij een ter post aangetekende brief kennis gegeven van het bedrag van de belastingen en bijbehoren die aanleiding kunnen geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist op de goederen welke het voorwerp van de akte zijn. § 1. Indien het belang van de Schatkist dit vereist, wordt door de bevoegde ontvanger aan de notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van de verzending van het in artikel 433 bedoelde bericht, kennis gegeven van het bedrag van de belastingen en bijbehoren dat aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist op het goed dat het voorwerp van de akte is: 1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning bepaalde procedure; 2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 433, § 1, heeft verzonden bij aangetekende brief. § 2. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien 231 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 24 respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat. § 3. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst informatie- en communicatietechnologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 433, paragraaf 1. Art. 435, WIB 92 § 1. Wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 434 bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen. § 1. Wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 434 bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen. Onverminderd de rechten van derden, is de notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, behoudens toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de ontvangers te storten tot beloop van het bedrag van de belastingen en bijbehoren die hem ter uitvoering van artikel 434 ter kennis werden gebracht en in zoverre deze belastingen en bijbehoren een zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410 vormen. Onverminderd de rechten van derden, is de notaris, wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, ertoe gehouden onder voorbehoud van toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan de in artikel 434 bedoelde ontvanger te storten tot beloop van het bedrag van de belastingen en bijbehoren dat hem ter uitvoering van artikel 434 ter kennis werd gebracht en in zoverre deze belastingen en bijbehoren een zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410 vormen. Daarenboven, indien de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, hierin begrepen de ontvangers, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover inlichtingen Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder derden getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, hierin begrepen de ontvanger, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover 232 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 25 verstrekken aan : informeren aan: 1° de dienst die daarvoor aangewezen is door de Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid, en dit door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt; 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op elektronische wijze; 2° de bovengenoemde ontvangers bij een ter post aangetekende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij voorafgaandelijk het bericht bedoeld in artikel 433 bij ter post aangetekende brief heeft verstuurd. 2° de ontvanger bedoeld in artikel 434 bij een aangetekende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij het bericht bedoeld in artikel 433, §1 bij aangetekende brief heeft verzonden. De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst die daarvoor door de Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid is aangewezen, of de datum van neerlegging ter post van de aangetekende brief. De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, of de datum van verzending van de aangetekende brief. § 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvolgens wordt verstuurd volgens de procedures voorzien respectievelijk in § 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig § 1, derde lid, 2°, slechts primeren indien de datum van toezending vroeger is dan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig § 1, derde lid, 1°. § 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 1°, voorafgaat. § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de overschrijving of de inschrijving van de akte, niet tegen de Staat ingeroepen worden indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen van de datum van de inlichting bedoeld in § 1, vierde lid. § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de overschrijving of de inschrijving van de akte, niet aan de Staat tegengeworpen worden indien de inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen vanaf de datum van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde lid. Zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en bijbehoren, welke in uitvoering van artikel 434 werden ter kennis gegeven, alle niet ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in § 1, derde lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend. Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake belastingen en bijbehoren, welke ter uitvoering van artikel 434 werden ter kennis gebracht. § 4. De Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde overheid bepaalt de voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van dit artikel. § 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoorwaarden van dit artikel. 233 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 26 Art. 438, WIB 92 De in de artikelen 433 en 435 bedoelde berichten en inlichtingen dienen opgemaakt te worden overeenkomstig de door de Minister van Financiën bepaalde modellen. (opgeheven) Art. 439, WIB 92 De artikelen 433 tot 438 zijn van toepassing op elke persoon die bevoegd is om de authenticiteit te verlenen aan de in artikel 433 bedoelde akten. De artikelen 433 tot 437 zijn van toepassing op elke persoon die bevoegd is om de authenticiteit te verlenen aan de in artikel 433 bedoelde akten. Art. 440, WIB 92 Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de banken onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, de ondernemingen onderworpen aan het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen, zomede de hypotheekondernemingen onderworpen aan de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, gemachtigd het in artikel 433 bedoelde bericht toe te sturen en bekwaam om de in artikel 434 bedoelde kennisgeving te ontvangen. Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de banken, onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, evenals de kredietgevers en bemiddelaars inzake hypothecair krediet, onderworpen aan boek VII, titel 4, hoofdstuk 4 van het Wetboek van economisch recht, gemachtigd het in artikel 433 bedoelde bericht te verzenden en zijn zij bevoegd om de in artikel 434 bedoelde kennisgeving te ontvangen. De afgifte van een attest door die instellingen aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg daaraan door de ontvangers gegeven, stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de plaats van die van de notaris. De afgifte van een attest door die instellingen aan de notaris betreffende de verzending van het bericht en het gevolg daaraan door de ontvangers gegeven, stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de plaats van die van de notaris. Art. 441, WIB 92 Geen akte die in het buitenland verleden is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed, een schip of een vaartuig tot voorwerp heeft wordt in België tot overschrijving of inschrijving in de registers van een hypotheekbewaarder toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een attest van de ontvanger in wiens ambtsgebied het onroerend goed gelegen is en, in voorkomend geval, van de ontvanger der belastingen in wiens ambtsgebied de betrokkene zijn woonplaats of zijn hoofdinrichting heeft. Geen akte die in het buitenland verleden is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een onroerend goed of een schip tot voorwerp heeft, wordt in België tot overschrijving of inschrijving in de registers van de hypothecaire openbaarmaking, wat de onroerende goederen betreft, of in het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen betreft, toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een attest van de ontvanger bedoeld in artikel 433. Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of de houder van het zakelijk recht geen belastingen verschuldigd is, ofwel dat de wettelijke hypotheek die de verschuldigde belastingen en bijbehoren waarborgt, 234 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 27 ingeschreven is. Onderafdeling 3. Programmawet (I) van 29 maart 2012 Art. 157, Wet van 29 maart 2012 § 1. De notarissen verzocht om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden van de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door hem gemaakte contractuele erfstelling, mits die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158 indien zij daarvan geen bericht geven aan : § 1. De notarissen verzocht om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden van de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door hem gemaakte contractuele erfstelling, mits die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158 indien zij daarvan geen bericht geven aan : 1° de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, en dit op elektronische wijze; 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, en dit op elektronische wijze; 2° de door de Koning aangewezen ambtenaar, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig het 1°. In dat geval moet het bericht in tweevoud worden opgesteld en bij aangetekende brief met ontvangstmelding worden verzonden. 2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1° : - de ontvangers waaronder de erflater en de rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest van erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de erflater en/of een van zijn rechtverkrijgenden in het buitenland verblijven; - de door de Koning aangewezen ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief verzonden. Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde 235 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 28 van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. § 2. Indien de akte of het attest waarvan sprake niet wordt opgesteld binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt het als niet bestaande beschouwd. § 2. Indien de akte of het attest waarvan sprake niet wordt opgesteld binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht, wordt het als niet bestaande beschouwd. § 3. Wanneer hetzelfde bericht achtereenvolgens gegeven wordt overeenkomstig § 1, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig § 1, 2°, slechts primeren indien de datum van toezending ervan vroeger is dan de datum van de verzending van het bericht dat wordt gegeven overeenkomstig § 1, 1°. § 3. Wanneer hetzelfde bericht achtereenvolgens gegeven wordt overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1° voorafgaat. § 4. Wanneer het bericht gegeven wordt overeenkomstig § 1, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding die wordt gedaan door de dienst die daarvoor door de Koning is aangewezen. § 4. Wanneer het bericht gegeven wordt overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzending van het bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding die wordt gedaan door de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën. § 5. Het bericht vermeldt de identiteit van de overledene, van de erfgenamen of legatarissen alsook de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling. § 5. Het bericht vermeldt de identiteit van de erflater, van zijn erfgenamen of legatarissen alsook van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling. Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identiteit : Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identiteit: a) voor natuurlijke personen, de naam, de voornaam en, in voorkomend geval, het nationaal nummer of het nummer in het Bis-Register van de betrokkene, of, bij gebreke van dat nummer, de datum van hun geboorte; a) voor natuurlijke personen, de naam, de voornaam en, in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid van de betrokkenen, of, bij gebrek aan zulke nummers, hun geboortedatum; b) voor een rechtspersoon, een trust, een fiduciaire of een gelijkaardige rechtsvorm, de maatschappelijke benaming en zetel en, in voorkomend geval, het ondernemingsnummer. b) voor rechtspersonen, trusts, fiducieën of gelijkaardige rechtsvormen, de maatschappelijke benaming, de maatschappelijke zetel en het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. Op vraag van de in § 1 bedoelde notaris, die de verzoekers daarover moet ondervragen, moet elke belastingplichtige en elk lid van een btw- eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zijn hoedanigheid van belastingplichtige of van lid van een btw-eenheid meedelen, 236 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 29 evenals zijn btw-nummer. De belastingplichtige of lid van een btw-eenheid die een onjuiste verklaring doet, verbeurt een administratieve boete van 500 euro. § 6. De Koning bepaalt de overige voorwaarden en de nadere regels inzake de toepassing van dit artikel. § 6. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoorwaarden van dit artikel. Art. 158, Wet van 29 maart 2012 Door de door de Koning aangewezen ambtenaar kan aan de notaris die het in artikel 157 bedoelde bericht verzonden heeft, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van verzending van dat bericht, bij een aangetekende brief met ontvangstmelding kennis gegeven worden van het bestaan lastens de overledene of een andere persoon vermeld in het bericht, van een fiscale schuld bestaande uit belastingen en bijbehoren, met opgave voor elk van de schuldenaars van het bedrag van de vorenbedoelde schuld. De ontvanger of dienst bevoegd voor de invordering van de fiscale schuld kan aan de notaris die het in artikel 157 bedoelde bericht verzonden heeft, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van verzending van dat bericht, kennisgeven van het bestaan lastens de erflater of een andere persoon vermeld in het bericht, van een fiscale schuld bestaande uit belastingen, bijbehoren, verhogingen en boetes, met opgave voor elk van de schuldenaars van het bedrag van de hiervoor bedoelde schuld: 1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning bepaalde procedure; 2° bij een aangetekende brief, wanneer de kennisgeving, omwille van overmacht of een technische storing, niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 157, § 1, heeft meegedeeld bij aangetekende brief. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respectievelijk in het eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 1°, voorafgaat. Het eerste lid is enkel van toepassing voor zover die belastingen en hun bijbehoren een zekere en vaststaande schuld uitmaken. Het eerste lid is enkel van toepassing voor zover die fiscale schuld een zekere en vaststaande schuld uitmaakt. Worden voor de toepassing van deze bepaling beschouwd als zijnde zeker en vaststaand : Wanneer de kennisgeving meegedeeld is overeenkomstig het eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst informatie- en communicatietechnologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel 157, § 1. 237 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 30 1° de schulden en hun bijbehoren die aanleiding hebben gegeven tot een dwangschrift bedoeld in artikel 142/1 van het Wetboek der successierechten of in artikel 220 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en waarvan de uitvoering niet werd gestuit door een vordering in rechte als bedoeld in artikel 221 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten; 2° de zekere en vaststaande schulden in de zin van artikel 410 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; 3° de belasting over de toegevoegde waarde en het bijbehoren ervan die aanleiding hebben gegeven tot een dwangbevel bedoeld in artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en waarvan de uitvoering niet werd gestuit door een vordering in rechte zoals bepaald in artikel 89 van hetzelfde Wetboek. De Koning bepaalt de overige voorwaarden en de nadere regels inzake de toepassing van dit artikel. Art. 159, Wet van 29 maart 2012 In het attest van erfopvolging of aan de voet van de uitgifte van de akte van erfopvolging wordt vermeld hetzij dat er geen kennisgeving van schulden bij toepassing van artikel 158 werd gedaan en dit zowel in hoofde van de overledene als in hoofde van één of meerdere personen die vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling zijn van het attest of de uitgifte, hetzij dat de schulden waarvan bij toepassing van artikel 158 kennis werd gegeven zijn betaald of, in voorkomend geval zullen worden betaald met de tegoeden gehouden door de schuldenaar. In het attest van erfopvolging of aan de voet van de uitgifte van de akte van erfopvolging wordt vermeld hetzij dat er geen kennisgeving van schulden bij toepassing van artikel 158 werd gedaan en dit zowel in hoofde van de overledene als in hoofde van één of meerdere personen die vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling zijn van het attest of de uitgifte, hetzij dat de schulden waarvan bij toepassing van artikel 158 kennis werd gegeven zijn betaald of, in voorkomend geval zullen worden betaald met de tegoeden gehouden door hun schuldenaar. De vermelding van de gedane of van de nog te verrichten betaling wordt door de door de Koning aangewezen ambtenaar aan de voet van het attest toegevoegd of vervolledigd. De vermelding van de gedane of van de nog te verrichten betaling wordt door de door de Koning aangewezen ambtenaar aan de voet van het attest toegevoegd of vervolledigd. De notaris die een attest van erfopvolging of een uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende het ontbreken van de kennisgeving of betreffende de betaling van schulden waarvan van het bestaan kennis werd gegeven overeenkomstig artikel 158, loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die de verplichting bepaald in artikel De notaris die een attest van erfopvolging of een uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende het ontbreken van de kennisgeving of betreffende de betaling van schulden waarvan van het bestaan kennis werd gegeven overeenkomstig artikel 158, loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die de verplichting bepaald in artikel 157, § 1, niet 238 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 31 157, § 1, niet naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet kon worden ingevorderd. naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet kon worden ingevorderd. Art. 160, Wet van 29 maart 2012 § 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de belastingen en hun bijbehoren waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van artikel 158, kan iemand die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het attest van erfopvolging of uit de uitgifte van de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in artikel 158 werd gedaan. § 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de ter kennis gebrachte schulden waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van artikel 158, kan iemand die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het attest van erfopvolging of uit de uitgifte van de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in artikel 158 werd gedaan. § 2. In afwijking van § 1 kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 1240bis toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele erfstelling, indien deze een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld : § 2. In afwijking van § 1 kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 1240bis toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele erfstelling of aan een gerechtsmandataris, indien deze een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld : a) dat alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden waarvan bij toepassing van artikel 158 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald of; a) dat alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden waarvan bij toepassing van artikel 158 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald of; b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling na betaling, door middel van de door de schuldenaar gehouden fondsen, van zijn schulden en van zijn deel in de schulden van de overledene waarvan werd kennisgegeven. b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris, de begunstigde van een contractuele erfstelling of de gerechtsmandataris na betaling van de schulden ter kennis gebracht op naam van de rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden ter kennis gebracht op naam van de erflater, met tegoeden gehouden door de schuldenaar van deze fondsen. § 3. De in de § 1 bedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de kennisgeving waarvan sprake in artikel 158. § 3. De in de § 1 bedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de kennisgeving waarvan sprake in artikel 158. Art. 161, loi du 29 maart 2012 De in de artikelen 157 en 158 bedoelde berichten en kennisgevingen dienen te worden opgemaakt overeenkomstig de door Koning bepaalde modellen. Het in artikel 157 bedoelde bericht wordt opgemaakt overeenkomstig het door de Koning bepaalde model. 239 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 32 Onderafdeling 4. Burgerlijk Wetboek Art. 1240bis, Burgerlijk Wetboek § 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen, geeft een schuldenaar te goeder trouw bevrijdend tegoeden van een overledene vrij, indien dit gebeurt aan of op instructie van de personen aangewezen in een attest van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, of in een attest of in een akte van erfopvolging opgemaakt door een notaris. § 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, geeft een schuldenaar te goeder trouw bevrijdend tegoeden van een overledene vrij, indien dit gebeurt, ofwel aan of op instructie van de personen aangewezen in een attest of een akte van erfopvolging, ofwel aan of op instructie van een gerechtsmandataris, na voorlegging : - van een attest van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie ; of - van een attest of akte van erfopvolging opgesteld door een notaris. Het attest of de akte van erfopvolging wordt op verzoek van een belanghebbende afgeleverd met het oog op de in het eerste lid bedoelde vrijgave van tegoeden. Het attest of de akte van erfopvolging wordt op verzoek van een belanghebbende afgeleverd met het oog op de in het eerste lid bedoelde vrijgave van tegoeden. § 2. De afgeleverde akte of het afgeleverde attest ontslaat de in paragraaf 1 bedoelde schuldenaar in geen geval van eventuele andere wettelijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering van deze tegoeden. § 2. De afgeleverde akte of het afgeleverde attest ontslaat de in paragraaf 1 bedoelde schuldenaar in geen geval van eventuele andere wettelijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering van deze tegoeden. § 3. De belanghebbende heeft de vrije keuze om zich te wenden tot het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde kantoor of de notaris. In de gevallen waarin de erfenis van de overledene niet uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 718 tot 755, in geval van bestaan van onbekwame erfopvolgers of indien er sprake is van een uiterste wilsbeschikking, een contractuele erfstelling of een huwelijkscontract in hoofde van de overledene is alleen de notaris bevoegd om een akte of een attest van erfopvolging af te leveren. § 3. De belanghebbende heeft de vrije keuze om zich te wenden tot het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde kantoor of de notaris. In de gevallen waarin de erfenis van de overledene niet uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 718 tot 755, in geval van bestaan van onbekwame erfopvolgers of indien er sprake is van een uiterste wilsbeschikking, een erfovereenkomst, een contractuele erfstelling of een huwelijkscontract in hoofde van de overledene is alleen de notaris bevoegd om een akte of een attest van erfopvolging af te leveren. § 4. Zowel de akte als het attest van erfopvolging vermelden op duidelijke wijze wie de erfgerechtigden zijn die aanspraak kunnen maken op de tegoeden van de overledene, met vermelding van volgende identificatiegegevens : naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres en eventueel de datum van overlijden. § 4. Zowel de akte als het attest van erfopvolging vermelden op duidelijke wijze wie de erfgerechtigden zijn die aanspraak kunnen maken op de tegoeden van de overledene, met vermelding van volgende identificatiegegevens : naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres en eventueel de datum van overlijden. 240 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 33 In voorkomend geval vermeldt de akte of het attest het nummer van het Nationaal Register, van het Bis-Register of het ondernemingsnummer van de belanghebbenden. In voorkomend geval vermeldt de akte of het attest het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. § 5. De notaris of het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen elke aflevering van een akte of een attest van erfopvolging weigeren indien zij aan de hand van de door de verzoekende belanghebbende voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en de verrichte opzoekingen, niet met zekerheid de erfgenamen kunnen aanwijzen. § 5. De notaris of het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen elke aflevering van een akte of een attest van erfopvolging weigeren indien zij aan de hand van de door de verzoekende belanghebbende voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en de verrichte opzoekingen, niet met zekerheid de erfgenamen kunnen aanwijzen. Afdeling 3 - Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 418, WIB 92 Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten wordt een moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet (1) zoals bepaald overeenkomstig het tweede lid, te rekenen van de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de administratie in gebreke werd gesteld door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte. Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten wordt een moratoriuminterest toegekend tegen een rentevoet (1) zoals bepaald overeenkomstig het tweede lid, te rekenen van de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de administratie in gebreke werd gesteld door een aanmaning of door een andere daarmee gelijkstaande akte. Als de betaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of administratieve boetes plaatsvindt na de ingebrekestelling gericht tot de administratie, is de moratoriuminterest te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de werkelijke betaling. Deze rentevoet is gelijk aan de overeenkomstig artikel 414, § 1, tweede lid, berekende rentevoet, verminderd met 2 procentpunt. Deze rentevoet is gelijk aan de overeenkomstig artikel 414, § 1, tweede lid, berekende rentevoet, verminderd met 2 procentpunt. Die interest wordt per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van 10 euro; de maand waarin de terugbetaling wordt voldaan, wordt niet meegerekend. Die interest wordt per kalendermaand berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere veelvoud van 10 euro; de maand waarin de terugbetaling wordt voldaan, wordt niet meegerekend. 241 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 34 Wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting Art. 86, wet van 25 december 2017 A. De artikelen 5, 1°, 6, 1°, 11, 1°, 3° en 4°, 13 tot 15, 17, 1°, 21, 1°, 24 tot 26, 28, 29, 30, 1°, 3°, en 5°, 31, 1°, 32, 37, 39, 1° en 3°, 41, 1° tot 4°, 43, 1°, 44, 1°, 45, 46, 49, 50, 52, 2° tot 6°, 53, 1° en 3° tot 6°, 54, 1°, 2° en 4°, 55, 1°, 3° en 5°, 56, 57, 59, 66, 67, 1°, 74, 78, 82 en 85 treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018. A. De artikelen 5, 1°, 6, 1°, 11, 1°, 3° en 4°, 13 tot 15, 17, 1°, 21, 1°, 24 tot 26, 28, 29, 30, 1°, 3°, en 5°, 31, 1°, 32, 37, 39, 1° en 3°, 41, 1° tot 4°, 43, 1°, 44, 1°, 45, 46, 49, 50, 52, 2° tot 6°, 53, 1° en 3° tot 6°, 54, 1°, 2° en 4°, 55, 1°, 3° en 5°, 56, 57, 59, 66, 67, 1°, 74, 78, 82 en 85 treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018. B1. De artikelen 3, [1 18, 1°, 2° en 4°]1, 20, 33, 35, 39, 5° en 9°, [1 44, 2° en 3°]1, 47, 48, [1 53, 2°, 53/1, 73 en 73/1]1 treden in werking op 1 januari 2019 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2020 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2019. B1. De artikelen 3, [1 18, 1°, 2° en 4°]1, 20, 33, 35, 39, 5° en 9°, [1 44, 2° en 3°]1, 47, 48, [1 53, 2°, 53/1, 73 en 73/1]1 treden in werking op 1 januari 2019 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2020 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2019. B2. De artikelen 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18, 3°, [1 20/1,]1 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° en 6°, 31, 2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot 15°, 40, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, [1 55, 4°]1, 58, [1 ...]1 61, 1°, 62 tot 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 en 84 treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020. B2. De artikelen 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18, 3°, [1 20/1,]1 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° en 6°, 31, 2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot 15°, 40, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, [1 55, 4°]1, 58, [1 ...]1 61, 1°, 62 tot 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 en 84 treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020. C. De artikelen 4, 1° en 2°, 16 en 68 treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing op verrichtingen van kapitaalverminderingen en terugbetalingen van met kapitaal gelijkgestelde uitgiftepremies of winstbewijzen die worden beslist door de algemene vergadering vanaf 1 januari 2018. C. De artikelen 4, 1° en 2°, 16 en 68 treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing op verrichtingen van kapitaalverminderingen en terugbetalingen van met kapitaal gelijkgestelde uitgiftepremies of winstbewijzen die worden beslist door de algemene vergadering vanaf 1 januari 2018. De artikelen 4, 3°, en 9 treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing op de interesten die betrekking hebben op periodes na 31 december 2019. De artikelen 4, 3°, en 9 treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing op de interesten die betrekking hebben op periodes na 31 december 2019. De artikelen 17, 2° tot 5°, 19, 61, 2°, en 76 treden in werking op 1 januari 2019 en zijn van toepassing op de overdrachten die plaatsvinden vanaf 1 januari 2019. De artikelen 17, 2° tot 5°, 19, 61, 2°, en 76 treden in werking op 1 januari 2019 en zijn van toepassing op de overdrachten die plaatsvinden vanaf 1 januari 2019. Artikel 29 treedt in werking op 1 januari 2018 en is Artikel 29 treedt in werking op 1 januari 2018 en is 242 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 35 niet van toepassing op voorzieningen of toevoegingen aan voorzieningen die zijn aangelegd in belastbare tijdperken die aanvangen vóór 1 januari 2018. niet van toepassing op voorzieningen of toevoegingen aan voorzieningen die zijn aangelegd in belastbare tijdperken die aanvangen vóór 1 januari 2018. Artikel 38 treedt in werking op 1 januari 2020 en is van toepassing op de activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2020. Artikel 38 treedt in werking op 1 januari 2020 en is van toepassing op de activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2020. De artikelen 69 en 70 treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing op de dividenden die vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend. De artikelen 69 en 70 treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing op de dividenden die vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend. Artikel 71, 1°, 4° en 5°, treedt in werking op 1 januari 2018 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 worden betaald of toegekend. Artikel 71, 1°, 4° en 5°, treedt in werking op 1 januari 2018 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 worden betaald of toegekend. Artikel 71, 2° en 6° tot 8°, treedt in werking op 1 januari 2018 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend. Artikel 71, 2° en 6° tot 8°, treedt in werking op 1 januari 2018 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend. Artikel 71, 3°, treedt in werking op 1 januari 2020 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2020 worden betaald of toegekend. Artikel 71, 3°, treedt in werking op 1 januari 2020 en is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2020 worden betaald of toegekend. Artikel 75, 2°, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2022. Artikel 75, 2°, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2022. De artikelen 77, 79 en 80 treden in werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing vanaf 1 januari 2018. De wijzigingen, bij de artikelen 79 en 80, van de respectievelijk in de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 6°, en tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde startdatum voor de toepassing van het moratoriuminterest, zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 2018 ingekohierde aanslagen. De artikelen 77, 79 en 80 zijn van toepassing vanaf 1 januari 2018. De artikelen 79 en 80, in de mate dat ze de begindatum van de moratoriuminteresten wijzigen bedoeld in de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn toepasselijk op de inkohieringen uitgevoerd vanaf 1 januari 2018. In geval van opeenvolgende aanslagen, wordt de datum van inkohiering van de oorspronkelijke aanslag in beschouwing genomen voor de toepassing van deze bepalingen. Artikel 79, in de mate dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 418, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende. Artikel 80, in de mate dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 419, tweede lid, van 243 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 36 hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing, de roerende voorheffing en de voorafbetalingen verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende. D. Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde bepalingen. D. Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde bepalingen. De in het eerste lid, 29°, bedoelde bezoldigingen betaald of toegekend in uitvoering van de flexi- jobarbeidsovereenkomst worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de werknemer. De in het eerste lid, 29°, bedoelde bezoldigingen betaald of toegekend in uitvoering van de flexi- jobarbeidsovereenkomst worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de werknemer. De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a) en b) en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de belastingplichtige tegelijkertijd een mobiliteitsvergoeding ontvangt in toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, tenzij in het in artikel 9, § 3, van dezelfde wet bedoelde geval. De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a) en b) en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de belastingplichtige tegelijkertijd een mobiliteitsvergoeding ontvangt in toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, tenzij in het in artikel 9, § 3, van dezelfde wet bedoelde geval. TITEL IV – FINANCIELE BEPALINGEN Hoofdstuk 1 - Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten Wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten Titel II.- FINANCIELE BEPALINGEN Titel II.- FINANCIELE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1. - Muntfonds, Koninklijke Munt van België en slaan van geldstukken HOOFDSTUK 1. - Muntfonds, Koninklijke Munt van België en slaan van geldstukken 244 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 37 Het opschrift van Afdeling 3 van Hoofdstuk 1 van Titel II, wet van 31 juli 2017 Afdeling 3. - Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie Afdeling 3. - Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een administratieve dienst Art. 7, wet van 31 juli 2017 Het staatsbedrijf "Koninklijke Munt van België" wordt omgevormd tot een administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie. "De administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie "Koninklijke Munt van België" wordt omgevormd tot een administratieve dienst van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze administratieve dienst wordt "Koninklijke Munt van België" genoemd en wordt hierna als "Munt" aangeduid. Deze administratieve dienst wordt "Koninklijke Munt van België" genoemd en wordt hierna als “Munt” aangeduid. De Koning bepaalt de nadere uitvoeringsregels van deze omvorming, alsook van de organisatie en werking van de Munt. Art. 8, wet van 31 juli 2017 De opdrachten van de Munt omvatten : (opgeheven) a) de opdrachten rechtstreeks uitgevoerd door de Munt, namelijk : 1° de bestelling van de circulatiemunten; 2° de kwaliteitscontrole van muntstukken in circulatie en de hulp bij de screening van valse muntstukken; 3° de vertegenwoordiging van de Belgische Staat op internationaal niveau; 4° de uitvoering van alle door de wet opgelegde activiteiten, andere dan deze vermeld onder 1° tot 3° ; b) de andere opdrachten van de Munt die het voorwerp kunnen uitmaken van een overdracht, concessie of onderaanneming, onder andere de vervaardiging van de circulatiemunten, de uitoefening van commerciële activiteiten, het design van muntstukken en de verkoop van metalen afkomstig van definitief uit circulatie genomen muntstukken. Bovendien mag de Munt voor eigen rekening alle goederen verkopen die voor de uitvoering van 245 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 38 haar opdrachten niet meer worden gebruikt. Art. 9, wet van 31 juli 2017 De Munt wordt geplaatst onder het gezag van de minister van Financiën. (opgeheven) Art. 10, wet van 31 juli 2017 De Munt int : De Munt int : 1° de beloning voor de uitvoering van de activiteiten bedoeld in artikel 8, eerste lid, a), 4° ; 1° de beloning voor de uitvoering van de activiteiten bedoeld in artikel 8, eerste lid, a), 4° ; 2° de beloning, de vergoeding of enige tegenprestatie in het geval van overdacht, concessie of onderaanneming van de opdrachten vermeld in artikel 8, eerste lid, b); 2° de beloning, de vergoeding of enige tegenprestatie in het geval van overdacht, concessie of onderaanneming van de opdrachten vermeld in artikel 8, eerste lid, b); 3° de opbrengst uit elke verkoop van goederen tot stand gebracht krachtens artikel 8, tweede lid; (opgeheven) 4° een dotatie uit de algemene uitgavenbegroting. (opgeheven) Art. 12, wet van 31 juli 2017 De statutaire en contractuele personeelsleden van de Munt worden overgeplaatst naar de Federale overheidsdienst Financiën. (opgeheven) De Koning bepaalt de nadere regels van de overplaatsingen. Hoofdstuk 2 - Oprichting van een begrotingsfonds betreffende verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België van de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën en wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen Afdeling 1 - Oprichting van het begrotingsfonds betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België Afdeling 2 - Wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen Hoofdstuk 3 - Opheffing 246 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 39 Art. 4, § 5, koninklijk besluit van 18 januari 1990 § 5. Maandelijks overhandigt de keurmeester van de Regering aan de rekenplichtige van de Koninklijke Munt van België de ontvangsten van het Waarborgkantoor die voortvloeien uit de in § 2, § 3 en § 4 van dit artikel bedoelde lonen en rechten. § 5. Maandelijks overhandigt de keurmeester van de Regering aan de rekenplichtige van de Koninklijke Munt van België de ontvangsten van het Waarborgkantoor die voortvloeien uit de in § 2, § 3 en § 4 van dit artikel bedoelde lonen en rechten. Het geheel van deze ontvangsten wordt door de rekenplichtige gestort op de ontvangstrekening van de Openbare Schatkist. (opgeheven) TITEL IV – DIVERSE BEPALINGEN Hoofdstuk 1 – Wijzigingen aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Afdeling 1 - Inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers Art. 90, derde lid, WIB 92 Onverminderd de toepassing van de voorheffingen, worden de inkomsten van onroerende goederen, de inkomsten van roerende goederen en kapitalen evenals de in het eerste lid, 5°, vermelde inkomsten uit onderverhuring van onroerende goederen, naargelang het geval, als in het eerste lid, 1° bis, 1° ter of 1° quater, vermelde inkomsten aangemerkt in de mate dat die goederen en kapitalen door de verkrijger van die inkomsten worden gebruikt voor het verwerven van de voormelde inkomsten. De inkomsten van onroerende goederen, de in artikel 17, § 1, 3° en 5°, vermelde inkomsten van roerende goederen evenals de in het eerste lid, 5°, vermelde inkomsten uit onderverhuring van onroerende goederen worden naargelang het geval, als in het eerste lid, 1° bis, 1° ter of 1° quater, vermelde inkomsten aangemerkt in de mate dat die goederen door de verkrijger van die inkomsten worden gebruikt voor het verwerven van de voormelde inkomsten. Art. 97/1, WIB 92 (nieuw) Art. 97/1. De in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met de kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden. 247 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 40 Het bruto bedrag van de inkomsten wordt bepaald overeenkomstig artikel 90/1, tweede en derde lid. Art. 102ter, WIB 92 (nieuw) Art. 102ter. Verliezen die in het belastbare tijdperk zijn geleden bij het verrichten van handelingen als vermeld in artikel 90, eerste lid, 1°bis, 1°ter of 1°quater worden evenredig afgetrokken van de andere inkomsten uit zulke handelingen. Afdeling 2 – Vereenvoudiging inzake PB Art. 38, §1, WIB 92 § 1. Vrijgesteld zijn : § 1. Vrijgesteld zijn : (…) (…) Wanneer de in het eerste lid, 24°, bedoelde voordelen zowel in artikel 31 als in artikel 32 bedoelde bezoldigingen omvatten, wordt het maximumbedrag van de vrijstelling verhoudingsgewijs aangerekend op elk van die bezoldigingen. De vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 9°, kan voor dezelfde verplaatsing of voor een deel hiervan niet worden gecumuleerd met de vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 14°. De vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 9°, kan voor dezelfde verplaatsing of voor een deel hiervan niet worden gecumuleerd met de vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 14°. De in het eerste lid, 29°, bedoelde bezoldigingen betaald of toegekend in uitvoering van de flexi- jobarbeidsovereenkomst worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de werknemer. De in het eerste lid, 29°, bedoelde bezoldigingen betaald of toegekend in uitvoering van de flexi- jobarbeidsovereenkomst worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de werknemer. De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a) en b) en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de belastingplichtige tegelijkertijd een mobiliteitsvergoeding ontvangt in toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, tenzij in het in artikel 9, § 3, van dezelfde wet bedoelde geval. De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a) en b) en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de belastingplichtige tegelijkertijd een mobiliteitsvergoeding ontvangt in toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, tenzij in het in artikel 9, § 3, van dezelfde wet bedoelde geval. 248 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 41 Art. 538, WIB 92 Artikel 38, § 1, eerste lid, 27°, en § 5, zoals dit bestond voor de opheffing ervan door artikel 100, 1° en 2°, van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen blijft ook na 1 januari 2014 van toepassing voor zover het ontslag ter kennis van de werknemer werd gebracht voor 1 januari 2014. (opgeheven) Dezelfde bepaling blijft eveneens na 1 januari 2014 van toepassing wanneer het ontslag wordt gegeven door de werkgever vanaf 1 januari 2014 aan de werknemer die de volgende voorwaarden op cumulatieve wijze vervult : - hij maakt het voorwerp uit van een ontwerp van collectief ontslag dat, overeenkomstig artikel 66, § 2, eerste lid, van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, ten laatste werd betekend op 31 december 2013 ; - hij valt onder het toepassingsgebied van een collectieve arbeidsovereenkomst die de gevolgen van het collectief ontslag omkadert en die ten laatste op 31 december 2013 werd neergelegd op de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Hoofdstuk 2 - Wijziging van het Wetboek diverse rechten en taksen Art. 10 van het WDRT Worden onderworpen aan een recht van 2 euro de akten van weigering tot overschrijving van beslaglegging zomede de getuigschriften, afschriften of uittreksels afgeleverd door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. Worden onderworpen aan een recht van 2 euro de akten van weigering tot overschrijving van beslaglegging zomede de getuigschriften, afschriften of uittreksels afgeleverd door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie in het kader van de hypothecaire openbaarmaking. Hoofdstuk 3 – Wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten 249 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 42 Art. 921 van het WRR Onverminderd artikel 91, dekt het in artikelen 87 en 88 bedoeld recht alle vestiging van hypotheek welke naderhand tot zekerheid van eenzelfde schuldvordering van hetzelfde gewaarborgd bedrag mocht worden toegestaan. Het in artikel 88 en het in artikel 3, eerste lid, 7°, a) van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten bedoeld recht dekt elke latere vestiging van hypotheek op een schip tot zekerheid van dezelfde schuldvordering en van hetzelfde gewaarborgd bedrag. TITEL VI – ACHTERWAARTSE VERLIESVERREKENING TER COMPENSATIE VAN SCHADE AAN LANDBOUWTEELTEN, VEROORZAAKT DOOR ONGUNSTIGE WEERSOMSTANDIGHEDEN Art. 2, WIB 92 § 1. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten hebben de volgende termen de betekenis die is bepaald in dit artikel. § 1. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten hebben de volgende termen de betekenis die is bepaald in dit artikel. 1° Rijksinwoners 1° Rijksinwoners … … 4° Kinderen 4° Kinderen Onder kinderen wordt verstaan de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot, alsmede de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft. Onder kinderen wordt verstaan de afstammelingen van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot, alsmede de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft. 4°/1 Middelgrote onderneming Onder middelgrote onderneming wordt een natuurlijke persoon of een rechtspersoon verstaan die een economische activiteit uitoefent en die in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken een gemiddeld personeelsbestand heeft van minder dan 250 personenuitgedrukt in voltijdse equivalenten en waarvan: - de omzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van 50 miljoen euro niet overschrijdt ; of - het balanstotaal het bedrag van 43 miljoen euro niet overschrijdt. Wanneer het belastbare tijdperk een duur heeft van minder of meer dan twaalf maanden, wordt 250 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 43 het bedrag van de in het eerste lid bedoelde omzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer twaalf is en de teller het aantal maanden van het betrokken belastbare tijdperk, waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt geteld. Indien de onderneming een verbonden onderneming is, worden de criteria inzake jaaromzet en jaarlijks balanstotaal op geconsolideerde basis vastgesteld. Om het gemiddelde personeelsbestand van een verbonden onderneming te bepalen, wordt het gemiddelde personeelsbestand van elk van de betrokken verbonden vennootschappen in het belastbare tijdperk opgeteld. De in het eerste lid bedoelde jaaromzet, balanstotaal en gemiddelde personeelsbestand worden verhoogd met de jaaromzet, het balanstotaal en het gemiddelde personeelsbestand van elke partneronderneming, in verhouding tot het hoogste percentage van de volgende vier percentages : - hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de eerstgenoemde onderneming in de stemrechten van de andere onderneming; - hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de andere onderneming in de stemrechten van de eerstgenoemde onderneming; - hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de eerstgenoemde onderneming in het kapitaal van de andere onderneming; - hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelnemingspercentage van de andere onderneming in het kapitaal van de eerstgenoemde onderneming. In het geval van een nieuwe onderneming waarvan het eerste, tweede of derde belastbare tijdperk nog niet is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens bepaald door middel van een in de loop van het belastbare tijdperk te goeder trouw gemaakte schatting. Een onderneming kan evenwel geen middelgrote onderneming zijn indien de controle over het kapitaal of de stemrechten van de onderneming, 251 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 44 individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor 25 pct. of meer wordt uitgeoefend door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten. De in paragraaf 4, tweede lid, bedoelde gevallen die niet verbonden zijn met de voornoemde onderneming, worden voor de toepassing van dit lid niet beschouwd als aanbestedende overheden. 4°/2 Onderneming in moeilijkheden Onder onderneming in moeilijkheden wordt een onderneming verstaan: - waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan op dat ogenblik het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals voorzien in de artikelen 7 en 8 van de faillissementswet; - waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen; - die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt; - waarvan ten gevolge van geleden verlies het netto actief is gedaald tot minder dan de helft van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal; - die steun heeft ontvangen die door de Europese Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden van 31 juli 2014 (PB C 249) of met artikel 107, derde lid, b, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en die in het geval van reddingssteun de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd of in het geval van herstructureringssteun zich nog steeds in de herstructureringsfase bevindt. 5° Vennootschappen 5° Vennootschappen … … "§ 4. Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt een onderneming als een partneronderneming van een andere onderneming aangemerkt indien deze eerstgenoemde onderneming niet verbonden is 252 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 45 met deze andere onderneming, en: - de eerstgenoemde onderneming al dan niet samen met de met deze onderneming verbonden ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stemrechten van de andere onderneming; of - de andere onderneming al dan niet samen met de met deze onderneming verbonden ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stemrechten van de eerstgenoemde onderneming. Openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, business angels, universiteiten, onderzoekscentra zonder winstoogmerk, institutionele beleggers, regionale ontwikkelingsfondsen en autonome lokale autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van bijlage I, van verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, worden voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1 niet beschouwd als partnerondernemingen. Voor de toepassing van het eerste lid en van paragraaf 1, 4°/1 wordt een onderneming als een verbonden onderneming van een andere onderneming aangemerkt indien: - de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de andere onderneming; - de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de eerstgenoemde onderneming; - de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de andere onderneming te benoemen of te ontslaan; - de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de eerstgenoemde onderneming te benoemen of te ontslaan; - de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of 253 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 46 middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de eerstgenoemde onderneming onder het toepassingsgebied van het tweede lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend; - de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de andere onderneming onder het toepassingsgebied van het tweede lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend; - de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming en op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming; - de andere onderneming rechtstreeks of middels derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van de eerstgenoemde onderneming en op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die eerst genoemde onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die eerst genoemde onderneming. Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt onder het gemiddelde personeelsbestand begrepen het gemiddelde van het aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten dat is geregistreerd in de DIMONA-databank overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, per einde van elke maand van het belastbare tijdperk, of indien de tewerkstelling niet behoort tot het 254 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 47 toepassingsgebied van dit koninklijk besluit, het gemiddelde aantal tewerkgestelde werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten van de in het algemene personeelsregister of een gelijkwaardig document ingeschreven werknemers per einde van elke maand van het desbetreffende belastbare tijdperk. Dit gemiddelde van het aantal werknemers wordt in voorkomend geval verhoogd met het aantal natuurlijke personen die in de onderneming een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard uitoefenen en die niet werden geregistreerd in de DIMONA- databank noch werden ingeschreven in het voormelde algemene personeelsregister of het voormelde gelijkwaardig document Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten is gelijk aan het arbeidsvolume uitgedrukt in voltijds tewerkgestelde equivalenten, te berekenen voor de deeltijdse werknemers op basis van het conventioneel aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van de normale arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer. Art. 23, § 2, WIB 92 § 2. Onder het nettobedrag van beroepsinkomsten wordt verstaan het totale bedrag van die inkomsten met uitsluiting van de vrijgestelde inkomsten en na uitvoering van de volgende bewerkingen : § 2. Onder het nettobedrag van beroepsinkomsten wordt verstaan het totale bedrag van die inkomsten met uitsluiting van de vrijgestelde inkomsten en na uitvoering van de volgende bewerkingen : 1° het brutobedrag van de inkomsten van iedere beroepswerkzaamheid wordt verminderd met de beroepskosten die op deze inkomsten betrekking hebben ; 1° het brutobedrag van de inkomsten van iedere beroepswerkzaamheid wordt verminderd met de beroepskosten die op deze inkomsten betrekking hebben ; 2° beroepsverliezen die tijdens het belastbare tijdperk zijn geleden uit hoofde van enige beroepswerkzaamheid, worden afgetrokken van de inkomsten van andere beroepswerkzaamheden ; 2° beroepsverliezen die tijdens het belastbare tijdperk zijn geleden uit hoofde van enige beroepswerkzaamheid, worden afgetrokken van de inkomsten van andere beroepswerkzaamheden ; 3° van de beroepsinkomsten, bepaald overeenkomstig 1° en 2°, worden de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken afgetrokken. 3° van de beroepsinkomsten, bepaald overeenkomstig 1° en 2°, worden de beroepsverliezen van vorige, of, in het geval vermeld in artikel 78, § 2, latere belastbare tijdperken afgetrokken. 4° … 4° … 255 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 48 Art. 78, WIB 92 Vorige beroepsverliezen worden achtereenvolgens van de beroepsinkomsten van elk volgend belastbare tijdperk afgetrokken. § 1. Vorige beroepsverliezen worden achtereenvolgens van de beroepsinkomsten van elk volgend belastbare tijdperk afgetrokken. § 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt op vraag van een belastingplichtige die voldoet aan de in het vierde lid bedoelde criteria het gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten die werd veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, en werd geleden in een gewest waarmee een in het derde lid bedoeld samenwerkingsakkoord werd gesloten, achtereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1. Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade, stemt overeen met het bedrag van de beroepsverliezen achtereenvolgens beperkt tot het bedrag van het beroepsverlies uit de in artikel 23, § 1, 1°, bedoelde beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige en tot het bedrag van deze schade die op de wijze voorzien in het derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord in het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld. De in het eerste lid omschreven achterwaartse verliesaftrek kan enkel worden toegepast indien de in het eerste lid bedoelde schade werd geleden op het grondgebied van een gewest dat met de federale overheid een samenwerkingsakkoord heeft gesloten met het oog op de gezamenlijke naleving van de cumulatieregels zoals bedoeld in artikel 8 van verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar 256 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 49 worden verklaard. De federale overheid en het gewest omschrijven in dit samenwerkingsakkoord in aanvulling bij de bepalingen van artikel 7 van de voormelde verordening de wijze waarop de steunintensiteit van de in deze paragraaf bedoelde steunmaatregel moet worden berekend. Ze bepalen in het samenwerkingsakkoord eveneens de manier waarop de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld worden erkend en de methode waarop de schade wordt vastgesteld die werd veroorzaakt door de ongunstige weersomstandigheden gegrond op de bepalingen van artikel 25 van de voormelde verordening. In het samenwerkingsakkoord wordt tot slot ook gespecifieerd op welke wijze verduidelijking kan worden gebracht omtrent het tijdstip waarop de schade definitief is vastgesteld. Deze paragraaf is enkel van toepassing indien de belastingplichtige: - een middelgrote onderneming is ; en - een onderneming uitbaat die de productie van landbouwproducten tot doel heeft die zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, waarbij deze landbouwproducten geen verdere bewerking ondergaan die de aard van deze producten wijzigt; - geen onderneming in moeilijkheden was op het ogenblik dat de schade werd geleden ; en - geen bevel tot terugvordering heeft uitstaan ingevolge een besluit van de Commissie die een door België verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard. De achterwaartse verliesverrekening kan niet worden toegepast indien de som van de overeenkomstig het tweede lid vastgestelde steunintensiteit van de achterwaartse verliesaftrek en de steunintensiteit van de door het gewest verleende steun die dezelfde schade vergoedt als de in het eerste lid bedoelde schade, hoger is dan de maximale steunintensiteit omschreven in artikel 25, leden 9 en 10, van de verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 257 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 50 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. Voor de toepassing van deze paragraaf en van artikel 206, § 4, wordt onder ongunstige weersomstandigheden de weersomstandigheden verstaan die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals gedefinieerd in artikel 2, zestiende lid van verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard en die formeel worden erkend op de wijze beschreven in het in het derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord. De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden afgetrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1. De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek aan in de aangifte die betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning kan nadere regels met betrekking tot de aanvraag vastleggen.". Art. 206, WIB 92 … § 3. Ingeval een buitenlandse vennootschap haar maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer naar België overbrengt, geldt het bepaalde in § 1, eerste lid, voor wat betreft beroepsverliezen door deze vennootschap geleden binnen een Belgische inrichting waarover deze vennootschap vóór deze overbrenging § 3. Ingeval een buitenlandse vennootschap haar maatschappelijke zetel, de voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer naar België overbrengt, geldt het bepaalde in § 1, eerste lid, voor wat betreft beroepsverliezen door deze vennootschap geleden binnen een Belgische inrichting waarover deze vennootschap vóór deze overbrenging 258 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 51 beschikte. beschikte. § 4. In afwijking van paragraaf 1, wordt op vraag van de belastingplichtige die voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 78, § 2, vierde lid, het gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, en geleden in een gewest waarmee een in artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld samenwerkingsakkoord werd gesloten, achtereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1. Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade stemt overeen met het bedrag van de beroepsverliezen, beperkt tot het bedrag van deze schade die op de wijze voorzien in het in artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld samenwerkingsakkoord in het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld. De achterwaartse verliesverrekening kan niet worden toegepast indien de som van de overeenkomstig artikel 78, § 2, vijfde lid, vastgestelde steunintensiteit, de in datzelfde lid omschreven maximale steunintensiteit overschrijdt. De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden afgetrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1. De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achterwaartse verliesaftrek aan in de aangifte die betrekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning kan nadere regels met betrekking tot de aanvraag vastleggen. 259 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 52 Art. 2758, WIB 92 § 2. De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de werkgever en in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht, in ten minste twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken voorafgaand aan het belastbaar tijdperk waarin het in § 5 bedoelde formulier geldig werd overgelegd een jaargemiddelde van het personeelsbestand in dienst heeft van minder dan 250 personen uitgedrukt in voltijdse equivalenten en waarvan : § 2. De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de werkgever en in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht, een middelgrote onderneming is. - de jaaromzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van 50 miljoen EUR niet overschrijdt, of - het jaarlijkse balanstotaal het bedrag van 43 miljoen EUR niet overschrijdt. Behalve in het geval de werkgever geen vennootschap is, zijn, voor de berekening van de in het eerste lid vermelde criteria, de bepalingen uit artikel 15, §§ 3 tot 5, van het Wetboek van vennootschappen van toepassing. (opgeheven) Indien de in het eerste lid bedoelde werkgever of vennootschap verbonden is in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen worden de criteria inzake jaaromzet en balanstotaal berekend op geconsolideerde basis. Wat het personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld. De in het eerste lid bedoelde jaaromzet, balanstotaal en jaargemiddelde van het personeelsbestand wordt verhoogd met de jaaromzet, het balanstotaal en het jaargemiddelde van het personeelsbestand van elke partneronderneming, in verhouding tot het hoogste percentage van de volgende twee percentages : - hetzij het percentage van de stemrechten dat verbonden is met de in het vijfde lid bedoelde deelneming; - hetzij het percentage van het kapitaal dat de in het vijfde lid bedoelde deelneming vertegenwoordigt. 260 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 53 Voor toepassing van het vierde lid wordt onder partneronderneming een natuurlijke persoon of rechtspersoon begrepen die niet verbonden is met respectievelijk de in het eerste lid bedoelde werkgever of de in datzelfde lid bedoelde vennootschap, en : - die een deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stemrechten van respectievelijk deze werkgever of deze vennootschap, of; - waarvan ten minste 25 pct. van het kapitaal of de stemrechten wordt aangehouden door respectievelijk deze werkgever of deze vennootschap. Openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaatschappijen, business angels, universiteiten, onderzoekscentra zonder winstoogmerk, institutionele beleggers, regionale ontwikkelingsfondsen en autonome lokale autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van bijlage I, van verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, worden voor de toepassing van het vierde lid en in afwijking van het vijfde lid niet beschouwd als een partneronderneming. Bovendien kan de in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing enkel worden toegepast indien de controle over het kapitaal of de stemrechten van de werkgever, of in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht, op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier, individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor minder dan 25 pct. uitgeoefend worden door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten. De in het zesde lid bedoelde gevallen worden voor de toepassing van dit lid niet beschouwd als aanbestedende overheden. De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever : De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever die op het ogenblik van het overleggen van 261 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 1 Coordination des articles Texte de base Texte de base adapté au projet TITRE II – DISPOSITIONS FISCALES Chapitre 1er – Statut unique Art. 67quater, du Code des impôts sur les revenus 1992 Des bénéfices et profits sont exonérés d'impôts jusqu'à un certain montant de rémunération attribuée à leurs travailleurs qui ont, chez le contribuable concerné, au moins 5 années de service après le 1er janvier 2014. Des bénéfices et profits sont exonérés d'impôts jusqu'à un certain montant de rémunération attribuée à leurs travailleurs qui ont, chez le contribuable concerné, au moins 5 années de service après le 1er janvier 2014. Le montant des bénéfices et profits à exonérer s'élève à 3 semaines de rémunération par année de service commencée à partir de la 6e année de service après le 1er janvier 2014. A partir de la 21e année de service après le 1er janvier 2014, l'exonération d'impôt s'élève à 1 semaine de rémunération par année supplémentaire de service commencée. Par travailleur visé à l’alinéa 1er, le montant des bénéfices et profits à exonérer pour la période imposable s'élève à : - trois semaines de rémunération, de la sixième année de service jusqu'à la vingtième année incluse commencée par ce travailleur après le 1er janvier 2014 ; - une semaine de rémunération, à partir de la vingt et unième année de service commencée par ce travailleur après le 1er janvier 2014. Le montant des bénéfices et profits à exonérer visé à l'alinéa 2 qui est, le cas échéant, limité en application de l'alinéa 4, est étalé sur la période imposable et les quatre périodes imposables suivantes à concurrence de 20 p.c. par période imposable. Le Roi peut établir, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, un montant maximum en ce qui concerne les rémunérations visées à l'alinéa 2, sur lesquelles l'exonération est calculée. Il saisira les Chambres législatives, immédiatement si elles sont réunies, sinon dès l'ouverture de leur plus prochaine session, d'un projet de loi de confirmation des arrêtés pris en exécution du présent alinéa. Le Roi peut établir, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, un montant maximum de rémunération mensuelle brute par travailleur en ce qui concerne les rémunérations visées à l'alinéa 2, sur lesquelles l'exonération est calculée. Le Roi saisira la Chambre des représentants immédiatement si elle est réunie, sinon dès l'ouverture de sa plus prochaine session, 262 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 55 bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever zoals bedoeld in artikel 2758, § 2, achtste lid of door een werkgever: doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever die op het ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier een onderneming in moeilijkheden is of door een werkgever: - waarvan voor de laatste twee belastbare tijdperken die het ogenblik van het overleggen van het in artikel 2758, § 5, bedoelde formulier voorafgaan: - waarvan voor de laatste twee belastbare tijdperken die het ogenblik van het overleggen van het in artikel 2758, § 5, bedoelde formulier voorafgaan: 1) het totale bedrag van de schulden bedoeld in artikel 88 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen hoger is dan 7,5 keer het eigen vermogen zoals bedoeld in hetzelfde artikel, en; 1) het totale bedrag van de schulden bedoeld in artikel 88 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen hoger is dan 7,5 keer het eigen vermogen zoals bedoeld in hetzelfde artikel, en; 2) het bedrag vermeld op de post "Kosten van schulden" bedoeld in artikel 89 van hetzelfde besluit, verminderd met het bedrag vermeld op de post "Opbrengsten van financiële activa" zoals bedoeld in hetzelfde artikel groter is dan de EBITDA. 2) het bedrag vermeld op de post "Kosten van schulden" bedoeld in artikel 89 van hetzelfde besluit, verminderd met het bedrag vermeld op de post "Opbrengsten van financiële activa" zoals bedoeld in hetzelfde artikel groter is dan de EBITDA. De EBITDA wordt bepaald door de post "Winst (verlies) voor belasting" bedoeld in artikel 89 van hetzelfde besluit te vermeerderen of verminderen naargelang het kosten of opbrengsten zijn met de volgende in hetzelfde artikel bedoelde posten: De EBITDA wordt bepaald door de post "Winst (verlies) voor belasting" bedoeld in artikel 89 van hetzelfde besluit te vermeerderen of verminderen naargelang het kosten of opbrengsten zijn met de volgende in hetzelfde artikel bedoelde posten: - kosten van schulden; - kosten van schulden; - andere financiële schulden; - andere financiële schulden; - opbrengsten uit vlottende activa; - opbrengsten uit vlottende activa; - andere financiële opbrengsten; - andere financiële opbrengsten; - afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa; - afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa; - waardevermindering op voorraden, op bestellingen in uitvoering en op handelsvorderingen: toevoegingen (terugnemingen); - waardevermindering op voorraden, op bestellingen in uitvoering en op handelsvorderingen: toevoegingen (terugnemingen); - uitzonderlijke afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa; - uitzonderlijke afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa; - terugneming van afschrijvingen en van waardeverminderingen op immateriële en materiële vaste activa. - terugneming van afschrijvingen en van waardeverminderingen op immateriële en materiële vaste activa. 263 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 56 Art. 358/1, WIB 92 (nieuw) Art. 358/1. Wanneer wordt vastgesteld dat beroepsverliezen van een belastbaar tijdperk, geheel of gedeeltelijk, ten onrechte bij toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4 zijn afgetrokken van de beroepsinkomsten van vorige belastbare tijdperken en de belasting voor deze tijdperken geheel of gedeeltelijk in toepassing van artikel 375/1 ten onrechte werd ontheven, kan die ten onrechte verleende aftrek worden rechtgezet gedurende de aanslagtermijn die van toepassing is met betrekking tot het belastbare tijdperk waarin deze beroepsverliezen zijn ontstaan. Art. 375/1, WIB 92 (nieuw) Art. 375/1. De adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent van rechtswege ontheffing van het teveel aan gevestigde belasting ingevolge de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij toepassing van artikel 78, § 2 of artikel 206, § 4. Art. 409, WIB 92 In geval van bezwaar, van een in artikel 376 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte, kan de betwiste aanslag, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, vermeerderd met de erop betrekking hebbende interesten en kosten, voor het geheel het voorwerp zijn van bewarende beslagen, van middelen tot tenuitvoerlegging of van alle andere maatregelen, welke ertoe strekken de invordering te waarborgen. In geval van bezwaar, van een in de artikelen 375/1 en 376 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte, kan de betwiste aanslag, in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, vermeerderd met de erop betrekking hebbende interesten en kosten, voor het geheel het voorwerp zijn van bewarende beslagen, van middelen tot tenuitvoerlegging of van alle andere maatregelen, welke ertoe strekken de invordering te waarborgen. Art. 410, eerste lid, WIB 92 Evenwel wordt in geval van bezwaar, van een in artikel 376 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte, de betwiste aanslag in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, vermeerderd met de daarop betrekking hebbende interesten, beschouwd als zekere en vaststaande schuld en kan, evenals de kosten van alle aard, door middelen van tenuitvoerlegging worden ingevorderd, in de mate dat zij overeenstemt met het bedrag van de aangegeven inkomsten of, wanneer zij ambtshalve werd gevestigd bij nietaangifte, voor zover zij niet meer bedraagt dan de laatste aanslag welke, voor een vorig aanslagjaar, definitief gevestigd werd ten laste Evenwel wordt in geval van bezwaar, van een in de artikelen 375/1 en 376 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte, de betwiste aanslag in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, vermeerderd met de daarop betrekking hebbende interesten, beschouwd als zekere en vaststaande schuld en kan, evenals de kosten van alle aard, door middelen van tenuitvoerlegging worden ingevorderd, in de mate dat zij overeenstemt met het bedrag van de aangegeven inkomsten of, wanneer zij ambtshalve werd gevestigd bij nietaangifte, voor zover zij niet meer bedraagt dan de laatste aanslag welke, voor een vorig aanslagjaar, definitief 264 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 57 van de belastingschuldige. gevestigd werd ten laste van de belastingschuldige. Art. 415/1, WIB 92 (nieuw) Art. 415/1. Wanneer bij toepassing van artikel 375/1 ontheffing werd verleend en het bedrag van de beroepsverliezen dat bij toepassing van artikel 78, § 2, of 206, § 4, in aanmerking komt voor de achterwaartse verliesaftrek wordt gewijzigd, is, in afwijking van de artikelen 414 en 415, op het gedeelte van de belasting dat verband houdt met de wijziging van het bedrag van de in aftrek te brengen beroepsverliezen een nalatigheidsintrest verschuldigd, berekend overeenkomstig artikel 414, § 1, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de ontheffing werd verleend. Art. 419, eerste lid, WIB 92 Geen moratoriuminterest wordt toegekend : Geen moratoriuminterest wordt toegekend : 1° wanneer hij geen 5 EUR per maand bedraagt, per aanslag, voor eenzelfde aanslagjaar; 1° wanneer hij geen 5 EUR per maand bedraagt, per aanslag, voor eenzelfde aanslagjaar; 2° wanneer de terugbetaling voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een boete of een belastingverhoging toegekend als genademaatregel ; 2° wanneer de terugbetaling voortvloeit uit de kwijtschelding of de vermindering van een boete of een belastingverhoging toegekend als genademaatregel ; 3° in geval van terugbetaling van het overschot van bedrijfsvoorheffing, roerende voorheffing of voorafbetalingen aan de verkrijger van de inkomsten, uiterlijk op het einde van de tweede maand die volgt op de maand waarin de aanslagtermijn vermeld in artikel 359 of in artikel 353 is verstreken ; 3° in geval van terugbetaling van het overschot van bedrijfsvoorheffing, roerende voorheffing of voorafbetalingen aan de verkrijger van de inkomsten, uiterlijk op het einde van de tweede maand die volgt op de maand waarin de aanslagtermijn vermeld in artikel 359 of in artikel 353 is verstreken ; 4° in geval van terugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte bedragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan ; 4° in geval van terugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte bedragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan ; 4°/1 in geval van een terugbetaling van belasting met toepassing van artikel 375/1; 5° in geval van terugbetaling van voorafbetalingen, met toepassing van artikel 376, § 4; 5° in geval van terugbetaling van voorafbetalingen, met toepassing van artikel 376, § 4; 6° wanneer de administratie redelijkerwijze in de onmogelijkheid verkeerde om de terugbetaling te voldoen, omwille van onder meer de afwezigheid van gegevens over de identiteit of de bankgegevens van de begunstigde of begunstigden en dit, tijdens de periode die zich uitstrekt van de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de terugbetaling zou moeten zijn voldaan indien de administratie over de noodzakelijke gegevens had beschikt tot het einde van de tweede maand volgend op deze waarin de ingebrekestelling werd verstuurd aan de administratie, en op voorwaarde dat deze 6° wanneer de administratie redelijkerwijze in de onmogelijkheid verkeerde om de terugbetaling te voldoen, omwille van onder meer de afwezigheid van gegevens over de identiteit of de bankgegevens van de begunstigde of begunstigden en dit, tijdens de periode die zich uitstrekt van de eerste dag van de maand volgend op deze waarin de terugbetaling zou moeten zijn voldaan indien de administratie over de noodzakelijke gegevens had beschikt tot het einde van de tweede maand volgend op deze waarin de ingebrekestelling werd verstuurd aan de administratie, en op voorwaarde dat deze 265 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 58 onmogelijkheid ophield te bestaan. onmogelijkheid ophield te bestaan. Art. 443ter, WIB 92 § 1. Elk rechtsgeding met betrekking tot de vestiging, de inning of de invordering van de belastingen en voorheffingen dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belastingen of voorheffingen of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring. § 1. Elk rechtsgeding met betrekking tot de vestiging, de inning of de invordering van de belastingen en voorheffingen dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belastingen of voorheffingen of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring. Het bezwaar en de in artikel 376 bedoelde aanvraag tot ontheffing schorsen eveneens de verjaring. Het bezwaar en de in de artikelen 375/1 en 376 bedoelde aanvraag tot ontheffing schorsen eveneens de verjaring. § 2. De schorsing vangt aan met de inleidende vordering en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. § 2. De schorsing vangt aan met de inleidende vordering en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Evenwel in geval van bezwaarschrift of aanvraag tot ambtshalve ontheffing bedoeld in artikel 376, vangt de schorsing aan met het verzoek waarbij het administratief beroep wordt ingeleid. Zij eindigt : Evenwel in geval van bezwaarschrift of aanvraag tot ontheffing bedoeld in de artikelen 375/1 en 376, vangt de schorsing aan met het verzoek waarbij het administratief beroep wordt ingeleid. Zij eindigt : - wanneer de belastingplichtige een rechtsvordering heeft ingesteld, op de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan ; - wanneer de belastingplichtige een rechtsvordering heeft ingesteld, op de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan ; - in de andere gevallen, na verloop van de termijn die voor de belastingplichtige openstaat om een beroep in te stellen tegen de administratieve beslissing. - in de andere gevallen, na verloop van de termijn die voor de belastingplichtige openstaat om een beroep in te stellen tegen de administratieve beslissing. § 3. Elke daad van onderzoek of van vervolging als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering betreffende de misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 schorst de verjaring van de belastingen en de voorheffingen die erop betrekking hebben. § 3. Elke daad van onderzoek of van vervolging als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering betreffende de misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 schorst de verjaring van de belastingen en de voorheffingen die erop betrekking hebben. De schorsing vangt aan met het op gang brengen van de strafvordering, en eindigt met het staken van de strafrechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid. De schorsing vangt aan met het op gang brengen van de strafvordering, en eindigt met het staken van de strafrechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid. 266 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 1 Coordination des articles Texte de base Texte de base adapté au projet TITRE II – DISPOSITIONS FISCALES Chapitre 1er – Statut unique Art. 67quater, du Code des impôts sur les revenus 1992 Des bénéfices et profits sont exonérés d'impôts jusqu'à un certain montant de rémunération attribuée à leurs travailleurs qui ont, chez le contribuable concerné, au moins 5 années de service après le 1er janvier 2014. Des bénéfices et profits sont exonérés d'impôts jusqu'à un certain montant de rémunération attribuée à leurs travailleurs qui ont, chez le contribuable concerné, au moins 5 années de service après le 1er janvier 2014. Le montant des bénéfices et profits à exonérer s'élève à 3 semaines de rémunération par année de service commencée à partir de la 6e année de service après le 1er janvier 2014. A partir de la 21e année de service après le 1er janvier 2014, l'exonération d'impôt s'élève à 1 semaine de rémunération par année supplémentaire de service commencée. Par travailleur visé à l’alinéa 1er, le montant des bénéfices et profits à exonérer pour la période imposable s'élève à : - trois semaines de rémunération, de la sixième année de service jusqu'à la vingtième année incluse commencée par ce travailleur après le 1er janvier 2014 ; - une semaine de rémunération, à partir de la vingt et unième année de service commencée par ce travailleur après le 1er janvier 2014. Le montant des bénéfices et profits à exonérer visé à l'alinéa 2 qui est, le cas échéant, limité en application de l'alinéa 4, est étalé sur la période imposable et les quatre périodes imposables suivantes à concurrence de 20 p.c. par période imposable. Le Roi peut établir, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, un montant maximum en ce qui concerne les rémunérations visées à l'alinéa 2, sur lesquelles l'exonération est calculée. Il saisira les Chambres législatives, immédiatement si elles sont réunies, sinon dès l'ouverture de leur plus prochaine session, d'un projet de loi de confirmation des arrêtés pris en exécution du présent alinéa. Le Roi peut établir, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, un montant maximum de rémunération mensuelle brute par travailleur en ce qui concerne les rémunérations visées à l'alinéa 2, sur lesquelles l'exonération est calculée. Le Roi saisira la Chambre des représentants immédiatement si elle est réunie, sinon dès l'ouverture de sa plus prochaine session, 267 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 2 d'un projet de loi de confirmation des arrêtés pris en exécution de l’alinéa 4. Lesdits arrêtés sont censés ne pas avoir produit leurs effets s'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les douze mois de la date de leur publication au Moniteur belge. La rémunération mensuelle brute à prendre en compte est la rémunération mensuelle brute moyenne, avant retenue des cotisations personnelles de sécurité sociale, calculée sur le total du nombre de mois de la période imposable pour laquelle l’exonération est sollicitée. Pour déterminer la rémunération hebdomadaire, le montant maximum de rémunération mensuelle brute est multiplié par trois et divisé par treize. Lorsque le travailleur concerné quitte l'entreprise, le montant total déjà exonéré pour ce travailleur doit être repris dans les bénéfices et profits de la période imposable dont l'emploi prend fin. Lorsque le travailleur concerné quitte l'entreprise, le montant total déjà exonéré pour ce travailleur doit être repris dans les bénéfices et profits de la période imposable au cours de laquelle l'emploi prend fin et le montant encore à exonérer pour ce travailleur suite à l’étalement visé à l’alinéa 3 ne peut plus être exonéré. En ce qui concerne les contribuables qui prennent part à des opérations visées aux articles 46 et 211, les dispositions du présent article restent applicables comme si ces opérations n'avaient pas eu lieu. En ce qui concerne les contribuables qui prennent part à des opérations visées aux articles 46 et 211, les dispositions du présent article restent applicables comme si ces opérations n'avaient pas eu lieu. Le Roi règle l'exécution du présent article. Le Roi règle l'exécution du présent article. Chapitre 2 – ATAD – Limitation d'intérêts Art. 35 de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l'impôt des sociétés Dans le titre III, chapitre II, section III, sous- section VII, du même Code, insérée par l'article 33, un article 194septies est inséré, rédigé comme suit : (Retiré) "Art. 194septies. Les bénéfices sont exonérés à concurrence de l'indemnité visée à l'article 205/5, § 3, alinéa 4, qui en exécution de la convention de transfert intra-groupe visée à l'article 205/5, § 3, est perçue en contrepartie de l'incorporation du montant du transfert intra- groupe dans les bénéfices de la période imposable.". 268 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 3 Art. 86 de la loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l'impôt des sociétés (…) (…) B1. Les articles 3, 18, 1°, 2° et 4°, 20, 33, 35, 39, 5° et 9°, 44, 2° et 3°, 47, 48, 53, 2°, 53/1, 73 et 73/1 entrent en vigueur le 1er janvier 2019 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2020 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2019. B1. Les articles 3, 18, 1°, 2° et 4°, 20, 33, 34, 36, 39, 5° à 15°, 40, 44, 2° et 3°, 47, 48, 53, 2°, 53/1, 73 et 73/1 entrent en vigueur le 1er janvier 2019 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2020 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2019. B2. Les articles 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18, 3°, 20/1, 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° et 6°, 31, 2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° à 8° et 10° à 15°, 40, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, 55, 4°, 58, 61, 1°, 62 à 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 et 84 entrent en vigueur le 1er janvier 2020 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2021 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2020. B2. Les articles 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18, 3°, 20/1, 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° et 6°, 31, 2°, 39, 2° et 4°, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, 55, 4°, 58, 61, 1°, 62 à 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 et 84 entrent en vigueur le 1er janvier 2020 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2021 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2020. (…). (…). Chapitre 3 – Rémunérations reçues d'une société étrangère liée à l'employeur Section première – Modifications du Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 270, CIR 92 Sont redevables du précompte professionnel : Sont redevables du précompte professionnel : 1° les contribuables visés aux articles 3, 179 ou 220, qui, à titre de débiteur, dépositaire, mandataire ou intermédiaire, paient ou attribuent en Belgique ou à l'étranger des rémunérations visées à l'article 30, 1° et 2°, pensions, rentes et allocations, de même que les non-résidents visés à l'article 227 pour lesquels les rémunérations visées à l'article 30, 1° et 2°, pensions, rentes et allocations qu'ils paient ou attribuent en Belgique ou à l'étranger constituent des frais professionnels au sens de l'article 237 ; 1° les contribuables visés aux articles 3, 179 ou 220, qui, à titre de débiteur, dépositaire, mandataire ou intermédiaire, paient ou attribuent en Belgique ou à l'étranger des rémunérations visées à l'article 30, 1° et 2°, pensions, rentes et allocations, de même que les non-résidents visés à l'article 227 pour lesquels les rémunérations visées à l'article 30, 1° et 2°, pensions, rentes et allocations qu'ils paient ou attribuent en Belgique ou à l'étranger constituent des frais professionnels au sens de l'article 237 ; 2° ceux qui emploient, en Belgique, des personnes liées par un contrat de travail et dont la rémunération est totalement ou principalement constituée par des pourboires ou pourcentages de service payés par la clientèle ; 2° ceux qui emploient, en Belgique, des personnes liées par un contrat de travail et dont la rémunération est totalement ou principalement constituée par des pourboires ou pourcentages de service payés par la clientèle ; 3° ceux qui, au titre de débiteur, dépositaire, 3° ceux qui, au titre de débiteur, dépositaire, 269 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 4 mandataire ou intermédiaire, paient ou attribuent des revenus d'artistes du spectacle ou de sportifs visés à l'article 228, § 2, 8° ou, à défaut, l'organisateur des représentations ou des épreuves ; mandataire ou intermédiaire, paient ou attribuent des revenus d'artistes du spectacle ou de sportifs visés à l'article 228, § 2, 8° ou, à défaut, l'organisateur des représentations ou des épreuves ; 4° celui qui est mandaté par les membres d'une société ou association visées à l'article 229, § 3, pour les représenter en matière fiscale ou, à défaut, chacun des associés ou membres, solidairement ; 4° celui qui est mandaté par les membres d'une société ou association visées à l'article 229, § 3, pour les représenter en matière fiscale ou, à défaut, chacun des associés ou membres, solidairement ; 5° ceux qui ont l'obligation de faire enregistrer les actes et déclarations en vertu de l'article 35 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, lorsqu'il s'agit d'actes ou de déclarations constatant la cession, à titre onéreux, de biens immobiliers situés en Belgique ou de droits réels portant sur ces biens, par un contribuable visé à l'article 227, 1° ou 2° ; 5° ceux qui ont l'obligation de faire enregistrer les actes et déclarations en vertu de l'article 35 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, lorsqu'il s'agit d'actes ou de déclarations constatant la cession, à titre onéreux, de biens immobiliers situés en Belgique ou de droits réels portant sur ces biens, par un contribuable visé à l'article 227, 1° ou 2° ; 6° ceux qui, au titre de curateurs de faillites, liquidateurs de concordats judiciaires, liquidateurs de sociétés ou qui exercent des fonctions analogues sont tenus à honorer des créances ayant le caractère de rémunérations au sens de l'article 30 ; 6° ceux qui, au titre de curateurs de faillites, liquidateurs de concordats judiciaires, liquidateurs de sociétés ou qui exercent des fonctions analogues sont tenus à honorer des créances ayant le caractère de rémunérations au sens de l'article 30 ; 7° ceux qui, au titre de débiteur, dépositaire, mandataire ou intermédiaire, paient ou attribuent des revenus visés à l’article 228, § 3. 7° ceux qui, au titre de débiteur, dépositaire, mandataire ou intermédiaire, paient ou attribuent des revenus visés à l’article 228, § 3. Pour l'application du précompte professionnel : a) le contribuable visé aux articles 179 ou 220 est censé attribuer les rémunérations visées à l'article 30, 1° et 2° qu'un bénéficiaire reçoit d'une société étrangère liée au contribuable au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l'occasion de l'activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable ; b) le contribuable visé à l'article 227, 2° et 3°, est censé attribuer les rémunérations visées à l'article 30, 1° et 2° qu'un bénéficiaire reçoit d'une société étrangère liée au contribuable au sens de l'article 1:20 du Code des sociétés et des associations, en raison ou à l'occasion de l'activité professionnelle du bénéficiaire au profit du contribuable pour laquelle le contribuable paye ou attribue en Belgique ou à l'étranger des rémunérations visées à l'article 30, 1° et 2°, qui constituent 270 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 5 des frais professionnels au sens de l'article 237. Art. 272, CIR 92 Sauf convention contraire : Sauf convention contraire : 1° les redevables désignés à l’article 270, 1°, 3°, 6° et 7°, ont le droit de retenir sur les revenus imposables le précompte y afférent ; 1° les redevables désignés à l’article 270, alinéa 1er, 1°, 3°, 6° et 7°, ont le droit de retenir sur les revenus imposables le précompte y afférent ; 2° les redevables désignés à l'article 270, 2° ont le droit de se faire remettre anticipativement le montant du précompte dû sur les pourboires ou pourcentages de service. 2° les redevables désignés à l'article 270, alinéa 1er, 2° ont le droit de se faire remettre anticipativement le montant du précompte dû sur les pourboires ou pourcentages de service ; 3° les redevables en application de l'article 270, alinéa 2, ont le droit de retenir le précompte sur l'ensemble des revenus imposables dont ils sont débiteurs. Nonobstant toute convention contraire, les redevables désignés à l'article 270, 5°, doivent retenir sur les plus-values comprises dans les bénéfices ou profits visés à l'article 228, § 2, 3°, a et 4°, le précompte y afférent. Nonobstant toute convention contraire, les redevables désignés à l'article 270, alinéa 1er, 5°, doivent retenir sur les plus-values comprises dans les bénéfices ou profits visés à l'article 228, § 2, 3°, a et 4°, le précompte y afférent. Art. 2751, alinéa 1er, CIR 92 Les employeurs définis à l'alinéa 2 qui paient ou attribuent des rémunérations concernant du travail supplémentaire presté par le travailleur et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une partie du précompte professionnel qui est dû sur les rémunérations imposables dans lesquelles sont comprises les rémunérations obtenues suite aux heures supplémentaires prestées par le travailleur, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte. Les employeurs définis à l'alinéa 2 qui paient ou attribuent des rémunérations concernant du travail supplémentaire presté par le travailleur et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une partie du précompte professionnel qui est dû sur les rémunérations imposables dans lesquelles sont comprises les rémunérations obtenues suite aux heures supplémentaires prestées par le travailleur, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte. Art. 2752, § 1er, CIR 92 § 1er. Le présent article est applicable aux employeurs qui appartiennent au secteur de la marine marchande, du dragage et du remorquage et qui sont redevables du précompte professionnel en application de l'article 270, 1°. § 1er. Le présent article est applicable aux employeurs qui appartiennent au secteur de la marine marchande, du dragage et du remorquage et qui sont redevables du précompte professionnel en application de l'article 270, alinéa 1er, 1°. Art. 2753, § 1er, alinéa 1er, CIR 92 § 1er. Les universités et hautes écoles qui paient ou attribuent des rémunérations à des chercheurs assistants et le "Federaal Fonds § 1er. Les universités et hautes écoles qui paient ou attribuent des rémunérations à des chercheurs assistants et le "Federaal Fonds 271 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 6 voor Wetenschappelijk Onderzoek - le Fonds fédéral de la Recherche scientifique - FFWO/FFRS", le "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen – FWO", le "Fonds de la Recherche scientifique - FNRS - FRS-FNRS" qui paient ou attribuent des rémunérations aux chercheurs post- doctoraux et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, 1°, sont dispensées de verser au Trésor 80 p.c. de ce précompte professionnel, à condition de retenir sur les dites rémunérations 100 p.c. dudit précompte. Les institutions visées au présent alinéa n'affectent pas les sommes qu'elles ne sont pas tenues de verser en vertu du présent article au financement de la recherche qui a donné lieu à la dispense de l'obligation de versement. voor Wetenschappelijk Onderzoek - le Fonds fédéral de la Recherche scientifique - FFWO/FFRS", le "Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen – FWO", le "Fonds de la Recherche scientifique - FNRS - FRS-FNRS" qui paient ou attribuent des rémunérations aux chercheurs post-doctoraux et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensées de verser au Trésor 80 p.c. de ce précompte professionnel, à condition de retenir sur les dites rémunérations 100 p.c. dudit précompte. Les institutions visées au présent alinéa n'affectent pas les sommes qu'elles ne sont pas tenues de verser en vertu du présent article au financement de la recherche qui a donné lieu à la dispense de l'obligation de versement. Art. 2754, § 1er, alinéa 1er, CIR 92 § 1er. Le présent article est applicable aux employeurs appartenant au secteur de la pêche en mer qui sont, en application de l'article 270, 1°, redevables du précompte professionnel en raison du paiement ou de l'attribution, visé à l'article 273, 1°, des rémunérations imposables de leurs travailleurs occupés à bord d'un navire enregistré dans un Etat membre de l'Union européenne et muni d'une lettre de mer. Le présent article n'est toutefois applicable qu'en ce qui concerne le précompte professionnel retenu en exécution de l'article 272. § 1er. Le présent article est applicable aux employeurs appartenant au secteur de la pêche en mer qui sont, en application de l'article 270, alinéa 1er, 1°, redevables du précompte professionnel en raison du paiement ou de l'attribution, visé à l'article 273, 1°, des rémunérations imposables de leurs travailleurs occupés à bord d'un navire enregistré dans un Etat membre de l'Union européenne et muni d'une lettre de mer. Le présent article n'est toutefois applicable qu'en ce qui concerne le précompte professionnel retenu en exécution de l'article 272. Art. 2755, § 1er, alinéa 1er, CIR 92 § 1er. Les entreprises où s'effectue un travail en équipe ou un travail de nuit, qui paient ou attribuent une prime d'équipe et qui sont redevables du précompte professionnel sur cette prime en vertu de l'article 270, 1°, sont dispensées de verser au Trésor un montant de précompte professionnel égal à 22,8 p.c. de l'ensemble des rémunérations imposables de tous les travailleurs concernés par le présent paragraphe, primes d'équipe comprises, à condition de retenir sur ces rémunérations et primes la totalité dudit précompte. § 1er. Les entreprises où s'effectue un travail en équipe ou un travail de nuit, qui paient ou attribuent une prime d'équipe et qui sont redevables du précompte professionnel sur cette prime en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensées de verser au Trésor un montant de précompte professionnel égal à 22,8 p.c. de l'ensemble des rémunérations imposables de tous les travailleurs concernés par le présent paragraphe, primes d'équipe comprises, à condition de retenir sur ces rémunérations et primes la totalité dudit précompte. Art. 2756, CIR 92 Les redevables de précompte professionnel visés à l'article 270, 1°, qui paient ou attribuent des rémunérations visées à l'article 30, 1°, à des sportifs qui n'ont pas atteint l'âge de 26 ans le 1er janvier de l'année qui suit celle au cours Les redevables de précompte professionnel visés à l'article 270, alinéa 1er, 1°, qui paient ou attribuent des rémunérations visées à l'article 30, 1°, à des sportifs qui n'ont pas atteint l'âge de 26 ans le 1er janvier de l'année qui suit celle 272 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 7 de laquelle la dispense est demandée, sont dispensés de verser au Trésor 70 p.c. de ce précompte professionnel. au cours de laquelle la dispense est demandée, sont dispensés de verser au Trésor 70 p.c. de ce précompte professionnel. (…) (…) Le présent article s'applique également aux redevables du précompte professionnel visés à l'article 270, 3°, qui paient ou attribuent directement à des sportifs des rémunérations visées à l'article 232, alinéa 1er, 2°, c. Le présent article s'applique également aux redevables du précompte professionnel visés à l'article 270, alinéa 1er, 3°, qui paient ou attribuent directement à des sportifs des rémunérations visées à l'article 232, alinéa 1er, 2°, c. Art. 2757, alinéa 1er, CIR 92 Les employeurs définis à l'alinéa 2 qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une partie de ce précompte professionnel, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte. Les employeurs définis à l'alinéa 2 qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une partie de ce précompte professionnel, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte. Art. 2758, § 1er, alinéa 1er, CIR 92 § 1er. Les employeurs visés au § 2, qui effectuent un investissement, comme visé au § 3 dans un établissement situé dans une zone d'aide visée à l'arrêté pris par le Roi en exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du Pacte de compétitivité, d'emploi et de relance, qui ont valablement remis un formulaire tel que visé au § 5, qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, 1°, sont temporairement dispensés de verser au Trésor 25 p.c. du précompte professionnel relatif aux rémunérations visés au § 4, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte. § 1er. Les employeurs visés au § 2, qui effectuent un investissement, comme visé au § 3 dans un établissement situé dans une zone d'aide visée à l'arrêté pris par le Roi en exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du Pacte de compétitivité, d'emploi et de relance, qui ont valablement remis un formulaire tel que visé au § 5, qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont temporairement dispensés de verser au Trésor 25 p.c. du précompte professionnel relatif aux rémunérations visés au § 4, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte. Art. 2759, § 1er, alinéa 1er, CIR 92 § 1er. Les employeurs visés au § 2, qui effectuent un investissement, comme visé au § 3 dans un établissement situé dans une zone d'aide visée dans le groupe A de l'arrêté pris par le Roi en exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance, qui ont valablement remis un formulaire tel que visé à l'article 2758, § 5, qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations § 1er. Les employeurs visés au § 2, qui effectuent un investissement, comme visé au § 3 dans un établissement situé dans une zone d'aide visée dans le groupe A de l'arrêté pris par le Roi en exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance, qui ont valablement remis un formulaire tel que visé à l'article 2758, § 5, qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations 273 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 8 en vertu de l'article 270, 1°, sont temporairement dispensés de verser au Trésor 25 p.c. du précompte professionnel relatif aux rémunérations visées à l'article 2758, § 4, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte. en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont temporairement dispensés de verser au Trésor 25 p.c. du précompte professionnel relatif aux rémunérations visées à l'article 2758, § 4, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte. Art. 27510, alinéa 1er, CIR 92 Les employeurs définis à l'alinéa 2, qui paient ou attribuent des rémunérations à des travailleurs et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, 1°, sont dispensés de verser 10 p.c. de ce précompte professionnel au Trésor, à condition de retenir la totalité dudit précompte sur ces rémunérations. Les employeurs définis à l'alinéa 2, qui paient ou attribuent des rémunérations à des travailleurs et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensés de verser 10 p.c. de ce précompte professionnel au Trésor, à condition de retenir la totalité dudit précompte sur ces rémunérations. Art. 27511, alinéa 1er, CIR 92 Les employeurs qui paient ou attribuent à de jeunes travailleurs un supplément forfaitaire visé à l'article 33bis, § 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, et qui, en vertu de l'article 270, 1°, sont redevables du précompte professionnel sur les rémunérations qu'ils paient ou attribuent à de jeunes travailleurs, sont dispensés de verser au Trésor une partie du précompte professionnel dont ils sont redevables après application des articles 2751 à 27510. Les employeurs qui paient ou attribuent à de jeunes travailleurs un supplément forfaitaire visé à l'article 33bis, § 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, et qui, en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont redevables du précompte professionnel sur les rémunérations qu'ils paient ou attribuent à de jeunes travailleurs, sont dispensés de verser au Trésor une partie du précompte professionnel dont ils sont redevables après application des articles 2751 à 27510. Art. 412bis, CIR 92 Par dérogation à l'article 412, alinéa 2, le précompte professionnel afférent aux plus- values visées à l'article 272, alinéa 2, est payable lors de l'enregistrement des actes et déclarations visés à l'article 270, 5°. Par dérogation à l'article 412, alinéa 2, le précompte professionnel afférent aux plus- values visées à l'article 272, alinéa 2, est payable lors de l'enregistrement des actes et déclarations visés à l'article 270, alinéa 1er, 5°. Le Roi fixe les modalités d'application du présent article. Le Roi fixe les modalités d'application du présent article. Section 2 – Obligation transitoire pour les revenus de la période imposable 2018 TITRE III – LUTTE CONTRE LA FRAUDE 274 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 9 Chapitre 1er. – Modifications en matiere d’impots sur les revenus Section première – Echange de données avec des pays tiers Art. 338ter, CIR 92 (nouveau) Afin de pouvoir transmettre les données visées à l'article 338, § 24/1 aux autorités compétentes étrangères et aux autorités compétentes des pays tiers, conformément au fondement juridique qui règle l'échange d'informations entre la Belgique et le pays tiers, les données susvisées peuvent être demandées conformément à l'article 30, alinéa 2 et à l'article 31, alinéa 7 de la Directive 2015/849/CE, sans aucune limitation par l'autorité compétente belge auprès des entités tenues de notifier en vertu de la Directive susmentionnée, qui doivent les communiquer à l'autorité compétente belge dans un délai d'un mois à compter de la demande. Section 2 – Constructions juridiques Art. 333, CIR 92 Sans préjudice des pouvoirs conférés à l'administration par les articles 351 à 354, celle- ci peut procéder aux investigations visées au présent chapitre et à l'établissement éventuel d'impôts ou de suppléments d'impôts, même lorsque la déclaration du contribuable a déjà été admise et que les impôts y afférents ont été payés. Sans préjudice des pouvoirs conférés à l'administration par les articles 351 à 354, celle- ci peut procéder aux investigations visées au présent chapitre et à l'établissement éventuel d'impôts ou de suppléments d'impôts, même lorsque la déclaration du contribuable a déjà été admise et que les impôts y afférents ont été payés. Les investigations susvisées peuvent être effectuées sans préavis, dans le courant de la période imposable ainsi que dans le délai prévu à l'article 354, alinéa 1er et dans le délai prévu à l'article 354, alinéa 4. Les investigations susvisées peuvent être effectuées sans préavis, dans le courant de la période imposable ainsi que dans le délai prévu à l'article 354, alinéa 1er et dans le délai prévu à l'article 354, alinéa 5. Elles peuvent en outre être exercées pendant le délai supplémentaire de quatre ans prévu à l'article 354, alinéa 2, à condition que l'administration ait notifié préalablement au contribuable, par écrit et de manière précise, les indices de fraude fiscale qui existent, en ce qui le concerne, pour la période considérée. Cette notification préalable est prescrite à peine de nullité de l'imposition. Lorsque les investigations sont réalisées à la demande d'un état avec lequel la Belgique a conclu une convention préventive de la double imposition, Elles peuvent en outre être exercées pendant le délai supplémentaire de quatre et de respectivement quatre et sept ans prévus à l’article 354, alinéas 2 et 3, à condition que l'administration ait notifié préalablement au contribuable, par écrit et de manière précise, les indices de fraude fiscale qui existent, en ce qui le concerne, pour la période considérée. Cette notification préalable est prescrite à peine de nullité de l'imposition. Lorsque les investigations sont réalisées à la demande d'un état avec lequel la Belgique a conclu une convention 275 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 10 ou avec lequel la Belgique a conclu un accord en vue de l'échange de renseignements en matière fiscale ou qui, avec la Belgique, est partie à un autre instrument juridique bilatéral ou multilatéral, pourvu que cette convention, cet accord ou cet instrument juridique permette l'échange d'informations entre les Etats contractants en matière fiscale, le délai d'investigation est, sans notification préalable et uniquement dans le but de répondre à la demande précitée, prolongé du délai supplémentaire de quatre ans. préventive de la double imposition, ou avec lequel la Belgique a conclu un accord en vue de l'échange de renseignements en matière fiscale ou qui, avec la Belgique, est partie à un autre instrument juridique bilatéral ou multilatéral, pourvu que cette convention, cet accord ou cet instrument juridique permette l'échange d'informations entre les Etats contractants en matière fiscale, le délai d'investigation est, sans notification préalable et uniquement dans le but de répondre à la demande précitée, prolongé du délai supplémentaire survisé de respectivement quatre et sept ans. Si l’annexe à la déclaration aux impôts sur les revenus visée aux articles 2758, § 1er, alinéa 4, et 2759, § 1er, alinéa 4, est vérifiée pendant le délai visé à l’alinéa 2, ces investigations peuvent être relatives aux périodes imposables pendant lesquelles le poste de travail est censé avoir été maintenu comme visé aux articles 2758, § 1er, alinéa 4, et 2759, § 1er, alinéa 4 sans qu’un préavis soit nécessaire. Si l’annexe à la déclaration aux impôts sur les revenus visée aux articles 2758, § 1er, alinéa 4, et 2759, § 1er, alinéa 4, est vérifiée pendant le délai visé à l’alinéa 2, ces investigations peuvent être relatives aux périodes imposables pendant lesquelles le poste de travail est censé avoir été maintenu comme visé aux articles 2758, § 1er, alinéa 4, et 2759, § 1er, alinéa 4 sans qu’un préavis soit nécessaire. Art. 354, CIR 92 En cas d'absence de déclaration, de remise tardive de celle-ci, ou lorsque l'impôt dû est supérieur à celui qui se rapporte aux revenus imposables et aux autres éléments mentionnés sous les rubriques à ce destinées d'une formule de déclaration répondant aux conditions de forme et de délais prévues aux articles 307 à 311, l'impôt ou le supplément d'impôt peut, par dérogation à l'article 359 être établi pendant trois ans à partir du 1er janvier de l'année qui désigne l'exercice d'imposition pour lequel l'impôt est dû. Lorsque, pour l'application de l'impôt des sociétés et de l'impôt des non- résidents qui est établi conformément aux articles 233 et 248, le contribuable tient une comptabilité autrement que par année civile, le délai de trois ans est prolongé d'une période égale à celle qui s'étend entre le 1er janvier de l'année dont le millésime désigne l'exercice d'imposition et la date de clôture des écritures de l'exercice comptable au cours de cette même année. En cas d'absence de déclaration, de remise tardive de celle-ci, ou lorsque l'impôt dû est supérieur à celui qui se rapporte aux revenus imposables et aux autres éléments mentionnés sous les rubriques à ce destinées d'une formule de déclaration répondant aux conditions de forme et de délais prévues aux articles 307 à 311, l'impôt ou le supplément d'impôt peut, par dérogation à l'article 359 être établi pendant trois ans à partir du 1er janvier de l'année qui désigne l'exercice d'imposition pour lequel l'impôt est dû. Lorsque, pour l'application de l'impôt des sociétés et de l'impôt des non-résidents qui est établi conformément aux articles 233 et 248, le contribuable tient une comptabilité autrement que par année civile, le délai de trois ans est prolongé d'une période égale à celle qui s'étend entre le 1er janvier de l'année dont le millésime désigne l'exercice d'imposition et la date de clôture des écritures de l'exercice comptable au cours de cette même année. Ce délai est prolongé de quatre ans en cas d'infraction aux dispositions du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution, commise dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire. Ce délai est prolongé de quatre ans en cas d'infraction aux dispositions du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution, commise dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire. 276 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 11 Lorsque dans un Etat figurant sur la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée visée à l’article 307, § 1er/2, alinéa 3, à l’exception des Etats avec lesquels a été conclue une convention préventive de double imposition et à condition que cette convention ou un traité assure l’échange des informations qui sont nécessaires afin d’exécuter les dispositions des lois nationales des Etats contractants, il est fait usage de constructions juridiques visant à dissimuler l’origine ou l’existence du patrimoine, le délai visé à l’alinéa 1er est prolongé de sept ans en cas d’infraction aux dispositions du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution. Le précompte immobilier, l'amende administrative, et, dans la mesure où ils ne sont pas payés dans le délai prévu à l'article 412, le précompte mobilier et le précompte professionnel peuvent également être établis dans le délai fixé aux deux alinéas qui précèdent. Le précompte immobilier, l'amende administrative, et, dans la mesure où ils ne sont pas payés dans le délai prévu à l'article 412, le précompte mobilier et le précompte professionnel peuvent également être établis dans le délai fixé aux trois alinéas qui précèdent. Lorsque le contribuable ou le conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement, a introduit une réclamation conformément aux articles 366 et 371, dans le délai prévu à l'alinéa 1er, ce délai est prolongé d'une période égale à celle qui s'étend entre la date de l'introduction de la réclamation et celle de la décision du conseiller général ou du fonctionnaire délégué sans que cette prolongation puisse être supérieure à six mois. Lorsque le contribuable ou le conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement, a introduit une réclamation conformément aux articles 366 et 371, dans le délai prévu à l'alinéa 1er, ce délai est prolongé d'une période égale à celle qui s'étend entre la date de l'introduction de la réclamation et celle de la décision du conseiller général ou du fonctionnaire délégué sans que cette prolongation puisse être supérieure à six mois. Section 3 – Pouvoirs d'investigation Art. 322, § 1er, CIR 92 § 1er. L'administration peut, en ce qui concerne un contribuable déterminé, recueillir des attestations écrites, entendre des tiers, procéder à des enquêtes et requérir, dans le délai qu'elle fixe, ce délai pouvant être prolongé pour de justes motifs, des personnes physiques ou morales, ainsi que des associations n'ayant pas la personnalité juridique, la production de tous renseignements qu'elle juge nécessaires à l'effet d'assurer la juste perception de l'impôt. § 1er. L'administration peut, en ce qui concerne un contribuable déterminé, recueillir des attestations écrites, entendre des tiers, procéder à des enquêtes et requérir, dans le délai qu'elle fixe, ce délai pouvant être prolongé pour de justes motifs, des personnes physiques ou morales, ainsi que des associations n'ayant pas la personnalité juridique, la production de tous renseignements qu'elle juge nécessaires à l'effet d'assurer la juste perception de l'impôt. Le droit d'entendre des tiers et de procéder à des enquêtes ne peut être exercé que par des agents ayant au minimum le grade d'expert financier munis de leur commission 277 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 12 et chargés d'effectuer un contrôle ou une enquête se rapportant à l'application de l'impôt sur les revenus. L'administration peut, en ce qui concerne un contribuable déterminé, consulter le registre des bénéficiaires effectifs, dénommé registre UBO, tenu au sein de l'Administration générale de la Trésorerie et créé par l'article 73 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, afin d'assurer la juste perception de l'impôt. Le Roi détermine les conditions et les modalités de cette consultation. L'administration peut, en ce qui concerne un contribuable déterminé, consulter le registre des bénéficiaires effectifs, dénommé registre UBO, tenu au sein de l'Administration générale de la Trésorerie et créé par l'article 73 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, afin d'assurer la juste perception de l'impôt. Le Roi détermine les conditions et les modalités de cette consultation. Le droit de consulter le registre UBO ne peut être exercé que par un agent ayant un titre supérieur à celui d'attaché. Toutefois, le droit d'entendre des tiers, de consulter le registre UBO et de procéder à des enquêtes ne peut être exercé que par un agent ayant un titre supérieur à celui d’attaché. (Abrogé) Chapitre 2.- Modifications du Code de la taxe sur la valeur ajoutée Art. 93bis/1, Code TVA (nouveau) Par dérogation à l'article 4 de la loi du 11 avril 1994 relative à la publicité de l'administration, les demandes de renseignements transmises par les autorités étrangères et les réponses qui sont fournies à ces autorités ainsi que toute autre correspondance entre les autorités compétentes ne sont pas susceptibles d'être divulguées aussi longtemps que l'enquête de l'autorité étrangère n'est pas clôturée et pour autant que la divulgation nuirait aux besoins de l'enquête précitée, à moins que l'autorité étrangère n'ait expressément marqué son accord sur cette divulgation. L'accord visé à l'alinéa 1er est acquis si l'autorité étrangère ne réagit pas dans un délai de 90 jours à partir de l'envoi de la demande de divulgation par l'Etat belge et n'apporte pas l'information que la confidentialité des données et correspondances échangées selon les conditions du présent article doit perdurer, lorsque la personne dans le chef de qui l'enquête est menée par l'Etat étranger a explicitement demandé cet accès à l'Etat 278 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 13 belge. Chapitre 3 - Modifications de la loi du 24 décembre 2002 modifiant le régime des sociétés en matière d'impôts sur les revenus et instituant un système de décision anticipée en matière fiscale. Art. 22, loi du 24 décembre 2002 Une décision anticipée ne peut être donnée lorsque : Une décision anticipée ne peut être donnée lorsque : 1° la demande a trait à des situations ou opérations identiques à celles ayant déjà produit des effets sur le plan fiscal dans le chef du demandeur ou faisant l'objet d'un recours administratif ou d'une action judiciaire sur le plan fiscal entre l'Etat belge et le demandeur; 1° la demande a trait à des situations ou opérations identiques à celles ayant déjà produit des effets sur le plan fiscal dans le chef du demandeur ou faisant l'objet d'un recours administratif ou d'une action judiciaire sur le plan fiscal entre l'Etat belge et le demandeur; 2° l'octroi d'une décision anticipée serait inapproprié ou inopérant en raison de la nature des dispositions légales ou réglementaires invoquées dans la demande; 2° l'octroi d'une décision anticipée serait inapproprié ou inopérant en raison de la nature des dispositions légales ou réglementaires invoquées dans la demande; 3° la demande a trait à toute application d'une loi d'impôt relative au recouvrement et aux poursuites. 3° la demande a trait à toute application d'une loi d'impôt relative au recouvrement et aux poursuites. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les matières et dispositions visées à l'alinéa 1er, 2°. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les matières et dispositions visées à l'alinéa 1er, 2°. En matière d'impôts sur les revenus, une décision anticipée ne peut, en outre, être donnée lorsque : En matière d'impôts sur les revenus, une décision anticipée ne peut, en outre, être donnée lorsque : 1° au moment de l'introduction de la demande, des éléments essentiels de l'opération ou de la situation décrite se rattachent à un pays refuge non coopératif avec l'OCDE; 1° lors de l’introduction de la demande, des éléments de l’opération ou de la situation décrite se rattachent à un pays refuge non coopératif avec l’OCDE ou à un pays figurant sur la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée, visée à l’article 307, §1er/2, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, à moins qu’une convention préventive de double imposition n’ait été conclue avec cet Etat et à condition que cette convention ou un traité assure l’échange des informations qui sont nécessaires afin d’exécuter les dispositions des lois nationales des Etats contractants ; 2° l'opération ou la situation décrite est dépourvue de substance économique en Belgique. 2° l'opération ou la situation décrite est dépourvue de substance économique en Belgique. 279 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 14 Chapitre 4. – Le recouvrement Section première - Obligation de paiement en euros par certaines administrations du SPF Finances Section 2 - Modifications du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, du Code des impôts sur les revenus 1992, de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 et du Code civil en matière d'E- notariat Sous-section première. Code de la taxe sur la valeur ajoutée Art. 62, Code TVA § 1er. Toute personne est tenue de fournir verbalement ou par écrit, à toute réquisition des agents de l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée, tous renseignements qui lui sont réclamés aux fins de vérifier l'exacte perception de la taxe à sa charge ou à la charge de tiers. Toute personne est tenue de fournir verbalement ou par écrit, à toute réquisition des agents de l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée, tous renseignements qui lui sont réclamés aux fins de vérifier l'exacte perception de la taxe à sa charge ou à la charge de tiers. § 2. Tout assujetti ou membre d'une unité T.V.A. au sens de l'article 4, § 2, propriétaire ou titulaire d'un droit réel sur un bien susceptible d'une hypothèque, est tenu de faire connaître sa qualité d'assujetti ou de membre d'une unité T.V.A. au notaire qui est chargé de dresser l'acte ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation hypothécaire de ce bien, suite à la demande que celui-ci lui adresse. (abrogé) Le Ministre des Finances règle les modalités d'application du présent paragraphe. Art. 66, Code TVA Lorsque, pour quelque cause que ce soit, une personne redevable de la taxe en vertu de l'article 51, §§ 1er, 2 ou 4, n'a pas remis la déclaration prévue à l'article 53, § 1er, alinéa 1er, 2°, 53ter, 1°, ou 53nonies, § 1er, ne s'est pas conformée, pour tout ou partie, aux obligations imposées par le présent Code ou en exécution de celui-ci concernant la tenue, l’établissement, la conservation ou la communication des livres ou documents, ou s'est abstenue de répondre à la demande de renseignements prévue à l'article 62, § 1er, le Ministre des Finances ou son délégué sont autorisés à établir d'office les taxes dues par cette personne, en raison du montant présumé Lorsque, pour quelque cause que ce soit, une personne redevable de la taxe en vertu de l'article 51, §§ 1er, 2 ou 4, n'a pas remis la déclaration prévue à l'article 53, § 1er, alinéa 1er, 2°, 53ter, 1°, ou 53nonies, § 1er, ne s'est pas conformée, pour tout ou partie, aux obligations imposées par le présent Code ou en exécution de celui-ci concernant la tenue, l’établissement, la conservation ou la communication des livres ou documents, ou s'est abstenue de répondre à la demande de renseignements prévue à l'article 62, le Ministre des Finances ou son délégué sont autorisés à établir d'office les taxes dues par cette personne, en raison du montant présumé des 280 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 15 des opérations qu'elle a effectuées pendant le ou les mois auxquels l'irrégularité se rapporte. opérations qu'elle a effectuées pendant le ou les mois auxquels l'irrégularité se rapporte. Ils sont également autorisés à taxer d'office la personne précitée qui, pour des opérations passibles de la taxe, n'a pas inscrit l'opération dans le livre ou le document prescrit ou n'a pas émis de facture au cocontractant quand elle y était tenue, a délivré une facture qui indique d'une façon inexacte, soit le nom ou l'adresse des parties intéressées à l'opération, soit la nature ou la quantité des biens livrés ou des services fournis, soit le prix ou ses accessoires, soit le montant de la taxe sur la valeur ajoutée due sur l'opération. Dans ces cas, la taxation d'office peut s'étendre à toute la période sur laquelle porte le contrôle. Ils sont également autorisés à taxer d'office la personne précitée qui, pour des opérations passibles de la taxe, n'a pas inscrit l'opération dans le livre ou le document prescrit ou n'a pas émis de facture au cocontractant quand elle y était tenue, a délivré une facture qui indique d'une façon inexacte, soit le nom ou l'adresse des parties intéressées à l'opération, soit la nature ou la quantité des biens livrés ou des services fournis, soit le prix ou ses accessoires, soit le montant de la taxe sur la valeur ajoutée due sur l'opération. Dans ces cas, la taxation d'office peut s'étendre à toute la période sur laquelle porte le contrôle. La taxation d'office ne peut cependant être opérée lorsque les irrégularités visées à l'alinéa précédent sont à considérer comme purement accidentelles, notamment eu égard au nombre et à l'importance des opérations non constatées par des factures régulières, comparées au nombre et à l'importance des opérations qui ont fait l'objet de factures régulières. La taxation d'office ne peut cependant être opérée lorsque les irrégularités visées à l'alinéa précédent sont à considérer comme purement accidentelles, notamment eu égard au nombre et à l'importance des opérations non constatées par des factures régulières, comparées au nombre et à l'importance des opérations qui ont fait l'objet de factures régulières. En cas de déclaration tardive, remise avant la taxation d'office, la taxe sera établie sur la base de la déclaration, pour autant que le retard dans le dépôt de la déclaration ne dépasse pas douze mois. En cas de déclaration tardive, remise avant la taxation d'office, la taxe sera établie sur la base de la déclaration, pour autant que le retard dans le dépôt de la déclaration ne dépasse pas douze mois. Art. 93ter, Code TVA § 1er. Le notaire requis de dresser un acte ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un bien susceptible d’hypothèque, est tenu de demander au propriétaire ou à l’usufruitier de tout ou partie de ce bien si celui-ci est un assujetti ou un membre d’une unité T.V.A. au sens de l’article 4, § 2. § 1er. Le notaire requis de dresser un acte ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un bien susceptible d’hypothèque, est personnellement responsable du paiement de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires pouvant donner lieu à inscription hypothécaire lorsqu’il n’en avise pas : Dans le cas où la réponse est affirmative, le notaire requis de dresser cet acte est personnellement responsable du paiement de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires pouvant donner lieu à inscription hypothécaire s’il n’en avise pas : 1° le service désigné à cette fin par le Ministre des Finances, son délégué ou l’autorité compétente au moyen d’une procédure utilisant les techniques de l’informatique ; 1° le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 2° le fonctionnaire désigné par le Roi lorsque la communication de l’avis ne peut, en raison d’un 2° le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien faisant 281 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 16 cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l’avis doit être établi en double exemplaire et adressé par lettre recommandée à la poste. l’objet de l’acte, ou le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel sur le bien a sa résidence à l'étranger, lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est adressé par lettre recommandée. Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les trois mois à compter de l’expédition de l’avis, celui-ci sera considéré comme non avenu. Si l’acte envisagé n'est pas passé dans les trois mois à compter de l’envoi de l'avis, cet avis sera considéré comme non avenu. Lorsque la communication de l’avis est effectuée conformément à l’alinéa 2, 1°, la date d’expédition de l’avis s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service désigné à cette fin par le Ministre des Finances, son délégué, ou l’autorité compétente. § 2. Lorsque la communication de l'avis est effectuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d'envoi de l'avis s'entend de la date de l'accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances. Lorsqu’un même avis est adressé successivement selon les procédures prévues respectivement à l’alinéa 2, 1° et 2°, l’avis établi conformément à l’alinéa 2, 2° ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’expédition de l’avis établi conformément à l’alinéa 2, 1°. § 3. Lorsqu'un même avis est adressé successivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, l'avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d'envoi est antérieure à la date d'envoi de l'avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°. Le Ministre des Finances, son délégué ou l’autorité compétente détermine les conditions et les modalités d’application du présent paragraphe. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article. § 2. Le notaire requis de dresser un acte ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un bien susceptible d’hypothèque est tenu de donner lecture aux comparants de l’article 62, § 2, et de l’article 73. Mention expresse de cette lecture et de la réponse donnée par les comparants doit être faite dans l’acte sous peine d’une amende de 5 EUR. § 3. Dans le cas où le notaire a omis de faire la demande prévue au § 1er, il est personnellement responsable du paiement de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires y visés. Art. 93quater, Code TVA Si l'intérêt du Trésor l'exige, le fonctionnaire, désigné par le Roi en vertu de l'article 93ter, § 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le receveur compétent notifie au notaire, avant 282 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 17 notifie au notaire, avant l'expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d'expédition de l'avis prévu à l'article 93ter, § 1er et par pli recommandé à la poste, le montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires pouvant donner lieu à inscription de l'hypothèque légale du Trésor sur les biens faisant l'objet de l'acte. l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis prévu à l’article 93ter, le montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires pouvant donner lieu à inscription de l’hypothèque légale du Trésor sur le bien faisant l’objet de l’acte : 1° par voie électronique, selon une procédure déterminée par le Roi ; 2° par lettre recommandée, lorsque la communication de la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé par l’article 93ter,§ 1er, par lettre recommandée. § 2. Lorsque la communication de la notification est effectuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d'envoi de la notification s'entend de la date de l'accusé de réception communiqué par le service Technologie de l’information et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé à l’article 93ter, § 1er. § 3. Lorsqu'une même notification est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d'envoi est antérieure à la date d'envoi de la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°. Art 93quinquies, Code TVA § 1er. Lorsque l'acte visé à l'article 93ter est passé, la notification visée à l'article 93quater emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable et vaut opposition sur le prix au sens de l'article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir ces sommes et valeurs conformément aux articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, pour autant que la notification prévue à l'article 85, § 1er, ait eu lieu. § 1er. Lorsque l'acte visé à l'article 93ter est passé, la notification visée à l'article 93quater emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable et vaut opposition sur le prix au sens de l'article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir ces sommes et valeurs conformément aux articles 1639 à 1654 du Code judiciaire. Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l'acte visé à l'article 93ter est passé, le notaire est tenu, sous réserve de l'application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de verser entre les mains du fonctionnaire désigné Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l'acte visé à l'article 93ter est passé, le notaire est tenu, sous réserve de l'application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de verser entre les mains du 283 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 18 en vertu de l'article 93ter, au plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de l'acte, les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable, à concurrence du montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires qui lui ont été notifiés en exécution de l'article 93ter et dans la mesure où cette taxe et ces accessoires ont donné lieu à une contrainte visée à l'article 85 dont l'exécution n'est pas interrompue par l'action en justice prévue à l'article 89. receveur visé à l'article 93quater, au plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de l'acte, les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable, à concurrence du montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires qui lui ont été notifiés en exécution de l'article 93quater et dans la mesure où cette taxe et ces accessoires ont donné lieu à une contrainte ou sont repris dans un registre de perception et de recouvrement visés à l'article 85 dont l'exécution n'est pas interrompue par l'action en justice prévue à l'article 89. En outre, si les sommes et valeurs ainsi saisies-arrêtées sont inférieures à l'ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, en ce compris les receveurs de la taxe sur la valeur ajoutée, le notaire doit, sous peine d'être personnellement responsable de l'excédent, en informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l'acte : En outre, lorsque les sommes et valeurs ainsi saisies-arrêtées sont inférieures à l'ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, en ce compris le receveur, le notaire doit, sous peine d'être personnellement responsable de l'excédent, en informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l'acte : 1° le service désigné à cette fin par le Ministre des Finances, son délégué ou l'autorité compétente, au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ; 1° le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 2° le fonctionnaire désigné en vertu de l'article 93ter, par lettre recommandée à la poste, lorsque le notaire ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, communiquer l'information conformément au 1° ou lorsqu'il a adressé préalablement l'avis visé à l'article 93ter par lettre recommandée à la poste. 2° le receveur visé à l'article 93quater, par lettre recommandée, lorsque le notaire ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, communiquer l'information conformément au 1° ou lorsqu'il a adressé l'avis visé à l'article 93ter, § 1er, par lettre recommandée. Selon le cas, la date de l'information est celle de la date de l'accusé de réception communiqué par le service désigné à cette fin par le Ministre des Finances, son délégué ou l'autorité compétente, ou de la date de dépôt à la poste de la lettre recommandée. Selon le cas, la date de l'information est celle de la date de l'accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, ou de la date d’envoi de la lettre recommandée. § 2. Lorsqu'une même information est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement au § 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l'information établie conformément au § 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d'envoi est antérieure à la date d'expédition de l'information établie conformément au § 1er, alinéa 3, 1°. § 2. Lorsqu'une même information est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l'information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d'envoi est antérieure à la date d'envoi de l'information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°. § 3. Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou l'inscription de l'acte n'est pas § 3. Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou l'inscription de l'acte n'est 284 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 19 opposable à l'Etat, si l'inscription de l'hypothèque légale a lieu dans les huit jours ouvrables de la date de l'information visée au § 1er, alinéa 4. pas opposable à l'Etat, si l'inscription de l'hypothèque légale a lieu dans les huit jours ouvrables de la date de l'information visée au paragraphe 1er, alinéa 4. Sont inopérantes au regard des créances de la taxe sur la valeur ajoutée et d'accessoires notifiés conformément à l'article 93quater, toutes créances non inscrites pour lesquelles saisie ou opposition n'est pratiquée qu'après l'expiration du délai prévu au § 1er, alinéa 3. Sont inopérantes au regard des créances de la taxe sur la valeur ajoutée et d'accessoires notifiés conformément à l'article 93quater, toutes créances non inscrites pour lesquelles saisie ou opposition n'est pratiquée qu'après l'expiration du délai prévu au paragraphe 1er, alinéa 3. § 4. Le Ministre des Finances, son délégué ou l'autorité compétente détermine les conditions et les modalités d'application du présent article. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article. Art. 93octies, Code TVA Les avis et informations visés aux articles 93ter et 93quinquies doivent être établis conformément aux modèles arrêtés par le Ministre des Finances. (abrogé) Art. 93nonies, Code TVA Les articles 93ter à 93octies sont applicables à toute personne habilitée à donner l'authenticité aux actes visés à l'article 93ter. Les articles 93ter à 93septies sont applicables à toute personne habilitée à donner l'authenticité aux actes visés à l'article 93ter. Art. 93decies, Code TVA Moyennant l'accord du redevable, les banques régies par l'arrêté royal no 185 du 9 juillet 1935 et les entreprises régies par l'arrêté royal no 225 du 7 janvier 1936 sont autorisées à adresser l'avis prévu à l'article 93ter et qualifiées pour recevoir la notification visée à l'article 93quater. Moyennant l'accord du redevable, les banques soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi que les prêteurs en crédit hypothécaire et les intermédiaires en crédit hypothécaire soumis au Livre VII, titre 4, chapitre 4, du Code de droit économique, sont autorisées à adresser l'avis prévu à l'article 93ter et qualifiées pour recevoir la notification visée à l'article 93quater. La remise d'une attestation par ces organismes au notaire relativement à l'envoi de l'avis et à la suite y donnée par les fonctionnaires désignés par le Roi en vertu de l'article 93ter, substitue la responsabilité de ces organismes à celle du notaire. La remise d’une attestation par ces organismes au notaire relativement à l’envoi de l’avis et à la suite y donnée par le receveur visé à l’article 93quater substitue la responsabilité de ces organismes à celle du notaire. Art. 93undecies A, Code TVA Aucun acte passé l'étranger et ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation hypothécaire d'un immeuble ou d’un bateau, ne sera admis en Belgique à la transcription ou à l'inscription dans les registres de la publicité hypothécaire en ce qui concerne les immeubles, ou dans le Registre naval belge, en ce qui concerne les bateaux, s'il n'est accompagné d'un certificat du Aucun acte passé à l’étranger et ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un immeuble, ou d’un bateau ne sera admis en Belgique à la transcription ou à l’inscription dans le registres de la publicité hypothécaire en ce qui concerne les immeubles, ou dans le Registre naval belge, en ce qui concerne les bateaux, s’il n’est 285 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 20 fonctionnaire désigné par le Roi en vertu de l'article 93ter. accompagné d’un certificat du receveur visé à l’article 93ter. Ce certificat doit attester que le propriétaire ou l'usufruitier n'est pas redevable de taxe sur la valeur ajoutée ou que l'hypothèque légale garantissant la taxe sur la valeur ajoutée due a été inscrite. Ce certificat doit attester que le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel n’est pas redevable de taxe sur la valeur ajoutée ou que l’hypothèque légale garantissant la taxe sur la valeur ajoutée due a été inscrite. Sous-section 2. Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 433, CIR 92 § 1er. Les notaires requis de dresser un acte ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation hypothécaire d'un immeuble, d'un navire ou d'un bateau, sont personnellement responsables du paiement des impôts et accessoires pouvant donner lieu à inscription hypothécaire, s'ils n'en avisent pas : § 1er. Le notaire requis de dresser un acte ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation hypothécaire d'un bien susceptible d’hypothèque, est personnellement responsable du paiement des impôts et des accessoires pouvant donner lieu à inscription hypothécaire, lorsqu'il n'en avise pas : 1° le service désigné à cette fin par le Ministre des Finances, son délégué ou l'autorité compétente, au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique; 1° le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 2° le receveur des contributions dans le ressort duquel le propriétaire ou l'usufruitier du bien a son domicile ou son principal établissement et, en outre, s'il s'agit d'un immeuble, le receveur des contributions dans le ressort duquel il est situé, lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis doit être établi en double exemplaire et adressé par lettre recommandée à la poste. 2° le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien, ou le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le propriétaire ou le titulaire d'un droit réel sur le bien a sa résidence à l'étranger, et, en outre, s’il s’agit d’un immeuble, le receveur compétent pour le recouvrement du précompte immobilier de ce bien, lorsque la communication de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l’avis est adressé par lettre recommandée. § 2. Si l'acte envisagé n'est pas passé dans les trois mois à compter de l'expédition de l'avis, celui-ci sera considéré comme non-avenu. § 2. Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les trois mois à compter de l’envoi de l’avis, cet avis sera considéré comme non avenu. Lorsque la communication de l'avis est effectuée conformément au § 1er, 1°, la date d'expédition de l'avis s'entend de la date de l'accusé de réception communiqué par le service désigné à cette fin par le Ministre des Finances, son délégué ou l'autorité compétente. Lorsque la communication de l’avis est effectuée conformément au paragraphe 1er, 1°, la date d’envoi de l'avis s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances. § 3. Lorsqu'un même avis est adressé successivement selon les procédures prévues respectivement au § 1er, 1° et 2°, l'avis établi conformément au § 1er, 2° ne prévaut que lorsque sa date d'envoi est antérieure à la date § 3. Lorsqu’un même avis est adressé successivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au paragraphe 1er, 2° ne prévaut que lorsque la 286 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 21 d'expédition de l'avis établi conformément au § 1er, 1°. date d’envoi est antérieure à la date d'envoi de l’avis établi conformément au paragraphe 1er, 1°. § 4. Le Ministre des Finances, son délégué ou l'autorité compétente détermine les conditions et les modalités d'application du présent article (1). § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article. Art. 434, CIR 92 Si l'intérêt du Trésor l'exige, les receveurs notifient au notaire, avant l'expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d'expédition de l'avis prévu, à l'article 433, et par lettre recommandée à la poste, le montant des impôts et accessoires. pouvant donner lieu à inscription de l'hypothèque légale du Trésor sur les biens faisant l'objet de l'acte. § 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le receveur compétent notifie au notaire, avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis visé à l’article 433, le montant des impôts et des accessoires pouvant donner lieu à inscription de l’hypothèque légale du Trésor sur le bien faisant l’objet de l’acte : 1° par voie électronique, selon une procédure déterminée par le Roi ; 2° par lettre recommandée, lorsque la communication de la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé à l’article 433, § 1er, par lettre recommandée. § 2. Lorsque la même notification est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d'envoi de la notification établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°. § 3. Lorsque la communication de la notification est effectuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d'envoi de la notification s'entend de la date de l'accusé de réception communiqué par le service Technologie de l’information et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé à l’article 433, § 1er. Art. 435, CIR 92 § 1er. Lorsque l'acte visé à l'article 433 est passé, la notification visée à l'article 434 emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable et vaut opposition sur le prix au sens § 1er. Lorsque l'acte visé à l'article 433 est passé, la notification visée à l'article 434 emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable et vaut opposition sur 287 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 22 de l'article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir ces sommes et valeurs conformément aux articles 1639 à 1654 du Code judiciaire. le prix au sens de l'article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir ces sommes et valeurs conformément aux articles 1639 à 1654 du Code judiciaire. Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l'acte visé à l'article 433 est passé, le notaire est tenu, sous réserve de l'application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de verser entre les mains des receveurs des contributions directes, au plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de l'acte, les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable, à concurrence du montant des impôts et accessoires qui lui ont été notifiés en exécution de l'article 434 et dans la mesure où ces impôts et accessoires constituent une dette certaine et liquide au sens de l'article 410. Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l'acte visé à l'article 433 est passé, le notaire est tenu, sous réserve de l'application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de verser entre les mains du receveur visé à l’article 434, au plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de l'acte, les sommes et valeurs qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte ou au profit du redevable, à concurrence du montant des impôts et accessoires qui lui ont été notifiés en exécution de l'article 434 et dans la mesure où ces impôts et accessoires constituent une dette certaine et liquide au sens de l'article 410. En outre, si les sommes et valeurs ainsi saisies-arrêtées sont inférieures à l'ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, en ce compris les receveurs des contributions directes, le notaire doit, sous peine d'être personnellement responsable de l'excédent, en informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l'acte : En outre, lorsque les sommes et valeurs ainsi saisies-arrêtées sont inférieures à l'ensemble des sommes dues aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants, en ce compris le receveur, le notaire doit, sous peine d'être personnellement responsable de l'excédent, en informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la passation de l'acte : 1° le service désigné à cette fin par le Ministre des Finances, son délégué ou l’autorité compétente au moyen d’une procédure utilisant les techniques de l’informatique ; 1° le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 2° les receveurs précités, par lettre recommandée à la poste, lorsque le notaire ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, communiquer l'information conformément au 1° ou lorsqu'il a adressé préalablement l'avis visé à l'article 433 par lettre recommandée à la poste. 2° le receveur visé à l'article 434, par lettre recommandée, lorsque le notaire ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, communiquer l'information conformément au 1° ou lorsqu’il a adressé l'avis visé à l'article 433, § 1er, par lettre recommandée. Selon le cas, la date de l'information est celle de la date de l'accusé de réception communiqué par le service désigné à cette fin par le Ministre des Finances, son délégué ou l'autorité compétente, ou de la date de dépôt à la poste de la lettre recommandée. Selon le cas, la date de l'information est celle de la date de l'accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication, ou de la date d’envoi de la lettre recommandée. § 2. Lorsqu'une même information est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement au § 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l'information établie conformément au § 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d'envoi est antérieure à la date d'expédition de l'information établie conformément au § 1er, § 2. Lorsqu'une même information est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l'information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d'envoi est antérieure à la 288 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 23 alinéa 3, 1°. date d'envoi de l'information établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°. § 3. Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou l'inscription de l'acte n'est pas opposable à l'État, si l'inscription de l'hypothèque légale a lieu dans les huit jours ouvrables de la date de l'information visée au § 1er, alinéa 4. § 3. Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou l'inscription de l'acte n'est pas opposable à l'Etat, si l'inscription de l'hypothèque légale a lieu dans les huit jours ouvrables de la date de l'information visée au paragraphe 1er, alinéa 4. Sont inopérantes au regard des créances d'impôts et accessoires notifiés en exécution de l'article 434, toutes les créances non inscrites pour lesquelles saisie ou opposition n'est pratiquée qu'après l'expiration du délai prévu au § 1er, alinéa 3. Sont inopérantes au regard des créances d'impôts et accessoires notifiés en exécution de l'article 434, toutes les créances non inscrites pour lesquelles saisie ou opposition n'est pratiquée qu'après l'expiration du délai prévu au paragraphe 1er, alinéa 3. § 4. Le Ministre des Finances, son délégué ou l'autorité compétente détermine les conditions et les modalités d'application du présent article. § 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du présent article. Art. 438, CIR 92 Les avis et informations visés aux articles 433 et 435 doivent être établis conformément aux modèles arrêtés par le Ministre des Finances. (abrogé) Art. 439, CIR 92 Les articles 433 à 438 sont applicables à toute personne habilitée à donner l'authenticité aux actes visés à l'article 433. Les articles 433 à 437 sont applicables à toute personne habilitée à donner l'authenticité aux actes visés à l'article 433. Art. 440, CIR 92 Moyennant l'accord du redevable, les banques soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, les entreprises soumises à l'arrêté royal n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts hypothécaires et organisant le contrôle des entreprises de prêts hypothécaires, ainsi que les entreprises hypothécaires soumises à la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire, sont autorisées à adresser l'avis prévu à l'article 433 et qualifiées pour recevoir la notification visée à l'article 434. Moyennant l'accord du redevable, les banques soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi que les prêteurs en crédit hypothécaire et les intermédiaires en crédit hypothécaire soumis au livre VII, titre 4, chapitre 4 du Code de droit économique, sont autorisées à adresser l'avis prévu à l'article 433 et qualifiées pour recevoir la notification visée à l'article 434. La remise d'une attestation par ces organismes au notaire relativement à l'envoi de l'avis et à la suite y donnée par les receveurs, substitue la responsabilité de ces organismes à celle du notaire. La remise d'une attestation par ces organismes au notaire relativement à l'envoi de l'avis et à la suite y donnée par les receveurs, substitue la responsabilité de ces organismes à celle du notaire. Art. 441, CIR 92 Aucun acte passé à l'étranger et ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation hypothécaire Aucun acte passé à l’étranger et ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation 289 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 24 d'un immeuble, d'un navire ou d'un bateau ne sera admis en Belgique, à la transcription ou à l'inscription dans les registres d'un conservateur des hypothèques, s'il n'est accompagné d'un certificat du receveur, dans le ressort duquel l'immeuble est situé et, s'il y a lieu, du receveur des contributions dans le ressort duquel l'intéressé a son domicile ou son principal établissement. hypothécaire d'un immeuble, ou d’un bateau, ne sera admis en Belgique, à la transcription ou à l’inscription dans les registres de la publicité hypothécaire en ce qui concerne les immeubles, ou dans le Registre naval belge, en ce qui concerne les bateaux, s’il n’est pas accompagné d’un certificat du receveur visé à l’article 433. Ce certificat doit attester que le propriétaire ou le titulaire du droit réel n’est pas redevable d’impôts ou que l’hypothèque légale garantissant les impôts et les accessoires dus a été inscrite. Sous-section 3. Loi-programme (I) du 29 mars 2012 Art. 157, Loi-programme du 29 mars 2012 §1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou certificat d'hérédité visé à l'article 1240bis du Code civil, sont personnellement responsables du paiement des dettes dont la débition est susceptible d'être notifiée conformément à l'article 158, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus […] s'ils n'en avisent pas: § 1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou certificat d'hérédité visé à l'article 1240bis du Code civil, sont personnellement responsables du paiement des dettes dont la débition est susceptible d'être notifiée conformément à l'article 158, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus s'ils n'en avisent pas : 1° par voie électronique, le service désigné à cette fin par le Roi; 1° le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 2° le fonctionnaire désigné par le Roi lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis doit être établi en double exemplaire et adressé par lettre recommandée avec accusé de réception. 2° les fonctionnaires ci-après, lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1° : - les receveurs dont relèvent le de cujus et les ayants droit dont l’identité est mentionnée dans l’acte ou le certificat d’hérédité, ainsi que le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le de cujus et/ou l'un de ses ayants droit ont leur résidence à l'étranger ; - le fonctionnaire de l'Administration générale de la documentation patrimoniale, désigné par le Roi. Dans ce cas, l'avis est adressé par lettre recommandée. S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la 290 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 25 valeur de la succession. valeur de la succession. S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l’ayant droit dont l’identité est mentionnée dans l’acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. § 2. Si l'acte ou le certificat dont question n'est pas passé dans les trois mois à compter de l'expédition de l'avis, celui-ci est considéré comme non-avenu. § 2. Si l'acte ou le certificat dont question n'est pas passé dans les trois mois à compter de l'envoi de l'avis, celui-ci est considéré comme non-avenu. § 3. Lorsqu’un même avis est adressé successivement selon les procédures visées au §1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au §1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’expédition de l’avis établi conformément au §1er, 1°. § 3. Lorsqu'un même avis est adressé successivement selon les procédures visées au paragraphe 1er , alinéa 1er, 1° et 2°, l'avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d'envoi est antérieure à la date d'envoi de l'avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°. § 4. Lorsque l'avis est communiqué conformément au § 1er, 1°, la date d'expédition de l'avis s'entend de la date de l'accusé de réception communiqué par le service désigné à cette fin par le Roi. § 4. Lorsque l'avis est communiqué conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d'envoi de l'avis s'entend de la date de l'accusé de réception communiqué par le service en charge de la technologie de l’information et de la communication du Service public fédéral Finances. § 5. L'avis mentionne l'identité du de cujus, de ses héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle. § 5. L'avis mentionne l'identité du de cujus, de ses héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle. Pour l'application de cette disposition, l'identité comprend : Pour l'application de cette disposition, l'identité comprend : a) pour les personnes physiques, le nom, le prénom, et, le cas échéant, le numéro national ou le numéro du Registre-bis des intéressés, ou, à défaut de ce numéro, leur date de naissance; a) pour les personnes physiques, le nom, le prénom et, le cas échéant, le numéro d'identification du Registre national ou, à défaut, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale des intéressés, ou, à défaut de tels numéros, leur date de naissance ; b) pour les personnes morales, les trusts, les fiducies et les constructions juridiques similaires, la dénomination sociale, le siège social et, le cas échéant, le numéro d'entreprise. b) pour les personnes morales, les trusts, les fiducies et les constructions juridiques similaires, la dénomination sociale, le siège social et, le cas échéant, le numéro d'identification à la Banque-Carrefour des entreprises. A la demande du notaire requis, visé au paragraphe 1er, lui-même tenu d'interroger les requérants à ce sujet, tout assujetti ou membre d'une unité T.V.A. au sens de l'article 4, § 2, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée est tenu de faire connaître sa qualité d'assujetti ou de membre d'une unité T.V.A., ainsi que son numéro de T.V.A. 291 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 26 L'assujetti ou membre d'une unité T.V.A., auteur d'une déclaration inexacte encourt une amende administrative de 500 euros. § 6. Le Roi détermine les autres conditions et les modalités d'application du présent article. § 6. Le Roi détermine les conditions d'application pratiques du présent article. Art. 158, Loi-programme du 29 mars 2012 Avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d’expédition de l’avis visé par l’article 157, le fonctionnaire désigné par le Roi peut notifier au notaire ayant expédié l’avis, par lettre recommandée avec accusé de réception, l’existence dans le chef du de cujus ou d’une autre personne mentionnée dans l’avis, d’une dette fiscale consistant en impôts ou accessoires, ainsi que le montant, dans le chef de chaque débiteur, de la dette susvisée. Avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis visé par l’article 157, le receveur ou service compétent pour le recouvrement de la dette fiscale peut notifier au notaire ayant envoyé l’avis, l’existence dans le chef du de cujus ou d’une autre personne mentionnée dans l’avis, d’une dette fiscale consistant en impôts et accessoires, accroissements et amendes, ainsi que le montant, dans le chef de chaque débiteur, de la dette susvisée : 1° par voie électronique, selon une procédure déterminée par le Roi ; 2° par lettre recommandée, lorsque la communication de la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé à l’article 157, § 1er, par lettre recommandée. Lorsque la même notification est adressée successivement selon les procédures prévues respectivement à l’alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie conformément à l’alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d'envoi de la notification établie conformément à l’alinéa 1er, 1°. L’alinéa 1er s’applique seulement dans la mesure où ces impôts et accessoires constituent une dette certaine et liquide. L’alinéa 1er s’applique seulement dans la mesure où cette dette fiscale constitue une dette certaine et liquide. Pour l'application de cette disposition, sont réputées certaines et liquides : Lorsque la communication de la notification est effectuée conformément à l’alinéa 1er, 1°, la date d'envoi de la notification s'entend de la date de l'accusé de réception communiqué par le service Technologie de l’information et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé à l’article 157, § 1er. 1° les dettes et les accessoires ayant donné lieu à une contrainte visée à l'article 1421 du Code des droits de succession ou à l'article 220 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe et dont l'exécution n'est pas interrompue par l'action en justice visée à l'article 221 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe; 292 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 27 2° les dettes certaines et liquides au sens de l'article 410 du Code des impôts sur les revenus 1992; 3° la taxe sur la valeur ajoutée et les accessoires ayant donné lieu à une contrainte visée à l'article 85 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée et dont l'exécution n'est pas interrompue par l'action en justice prévue à l'article 89 du même Code. Le Roi détermine les autres conditions et les modalités d’application du présent article. Art. 159, Loi-programme du 29 mars 2012 Dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte d'hérédité délivrée, il est fait mention soit de l'absence de notification de dettes en vertu de l'article 158, tant dans le chef du de cujus que dans le chef d'une ou plusieurs personnes mentionnées dans l'avis et destinataires du certificat ou de l'expédition, soit du paiement des dettes notifiées en vertu de l'article 158, le cas échéant à intervenir au moyen des fonds détenus auprès du débiteur. Dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte d'hérédité délivrée, il est fait mention soit de l'absence de notification de dettes en vertu de l'article 158, tant dans le chef du de cujus que dans le chef d'une ou plusieurs personnes mentionnées dans l'avis et destinataires du certificat ou de l'expédition, soit du paiement des dettes notifiées en vertu de l'article 158, le cas échéant à intervenir au moyen des fonds détenus auprès de leur débiteur. La mention du paiement intervenu ou à intervenir est ajoutée ou complétée, au pied du certificat, par le fonctionnaire désigné par le Roi. La mention du paiement intervenu ou à intervenir est ajoutée ou complétée, au pied du certificat, par le fonctionnaire désigné par le Roi. Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou une expédition de l'acte d'hérédité portant des mentions inexactes relatives à l'absence de notification ou au paiement des dettes dont l'existence a été notifiée en vertu de l'article 158, encourt la même responsabilité que celui qui contrevient à l'obligation visée à l'article 157, § 1er. Cette responsabilité est toutefois limitée au montant non recouvré du fait de ces inexactitudes. Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou une expédition de l'acte d'hérédité portant des mentions inexactes relatives à l'absence de notification ou au paiement des dettes dont l'existence a été notifiée en vertu de l'article 158, encourt la même responsabilité que celui qui contrevient à l'obligation visée à l'article 157, § 1er. Cette responsabilité est toutefois limitée au montant non recouvré du fait de ces inexactitudes. Art. 160, Loi-programme du 29 mars 2012 § 1. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des impôts et accessoires notifiés en vertu de l'article 158, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article 1240bis du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement du certificat d’hérédité ou de l’expédition de l’acte d’hérédité qu'aucune notification au sens de l'article 158 n'a été faite. § 1. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des dettes notifiées en vertu de l'article 158, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article 1240bis du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement du certificat d’hérédité ou de l’expédition de l’acte d’hérédité qu'aucune notification au sens de l'article 158 n'a été faite. § 2. Par dérogation au § 1er, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 1240bis du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire ou au bénéficiaire d'une institution contractuelle qui présente un certificat ou une § 2. Par dérogation au § 1er, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 1240bis du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire, au bénéficiaire d'une institution contractuelle ou à un mandataire judiciaire qui 293 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 28 expédition de l'acte d'hérédité mentionnant : présente un certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité mentionnant : a) que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément à l’article 158 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d’une institution contractuelle ont été payées; a) que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément à l’article 158 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d’une institution contractuelle ont été payées; b) ou que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d’une institution contractuelle, après paiement de ses dettes notifiées et de sa part dans les dettes notifiées au nom du de cujus, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur. b) que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire, bénéficiaire d’une institution contractuelle ou mandataire judiciaire, après paiement des dettes notifiées au nom de l’ayant droit et de sa part dans les dettes notifiées au nom du de cujus, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur de ces fonds. § 3. La responsabilité visée au § 1er est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée à l’article 158. § 3. La responsabilité visée au § 1er est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée à l’article 158. Art. 161, Loi-programme du 29 mars 2012 Les avis et informations visés aux articles 157 et 158 doivent être établis conformément aux modèles arrêtés par le Roi. L'avis visé à l'article 157 est établi conformément au modèle arrêté par le Roi. Sous-section 4. Code Civil Art. 1240bis, Code civil § 1er. Sauf disposition légale contraire, un débiteur de bonne foi libère les avoirs d'un défunt de manière libératoire à condition d'avoir été fait aux ou sur instruction des personnes désignées par un certificat d'hérédité rédigé par le bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale ou par un certificat ou un acte d'hérédité rédigé par un notaire. § 1er. Sauf disposition légale contraire, un débiteur de bonne foi libère les avoirs d'un défunt de manière libératoire à condition d'avoir été fait, soit aux ou sur instruction des personnes désignées par un certificat ou un acte d’hérédité, soit à ou sur instruction d’un mandataire judiciaire, après présentation : Le certificat ou l'acte d'hérédité est délivré sur demande d'une partie intéressée en vue de la libération des avoirs visée à l'alinéa 1er. - d’un certificat d’hérédité rédigé par le bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale ; ou - d’un certificat ou d’un acte d’hérédité rédigé par un notaire. § 2. L'acte ou le certificat délivré n'exempte en aucun cas le débiteur visé au paragraphe 1er, d'éventuelles autres obligations légales prescrites pour le déblocage de ces avoirs. § 2. L'acte ou le certificat délivré n'exempte en aucun cas le débiteur visé au paragraphe 1er, d'éventuelles autres obligations légales prescrites pour le déblocage de ces avoirs. § 3. La partie intéressée est libre de s'adresser au bureau visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou au notaire. Dans les cas où la succession du défunt § 3. La partie intéressée est libre de s'adresser au bureau visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou au notaire. Dans les cas où la succession du défunt 294 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 29 n'est pas exclusivement dévolue conformément aux dispositions des articles 718 à 755, en cas de présence de successeurs incapables ou s'il est question de dispositions de dernière volonté, d'une institution contractuelle ou d'un contrat de mariage dans le chef du défunt, seul le notaire est autorisé à délivrer un acte ou un certificat d'hérédité. n'est pas exclusivement dévolue conformément aux dispositions des articles 718 à 755, en cas de présence de successeurs incapables ou s'il est question de dispositions de dernière volonté, d’un pacte successoral, d'une institution contractuelle ou d'un contrat de mariage dans le chef du défunt, seul le notaire est autorisé à délivrer un acte ou un certificat d'hérédité. § 4. Tant l'acte que le certificat d'hérédité mentionnent clairement qui sont les successibles qui peuvent prétendre aux avoirs du défunt, avec mention des données d'identification suivantes : nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et éventuellement date de décès. § 4. Tant l'acte que le certificat d'hérédité mentionnent clairement qui sont les successibles qui peuvent prétendre aux avoirs du défunt, avec mention des données d'identification suivantes : nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et éventuellement date de décès. Le cas échéant, il mentionne le numéro de Registre national, du Registre bis ou le numéro d'entreprise des parties intéressées. Le cas échéant, il mentionne le numéro d’identification du Registre national, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises. § 5. Le notaire ou le bureau de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, peuvent refuser toute remise de certificat ou d'acte d'hérédité si les pièces présentées par la partie intéressée requérante, les déclarations faites et les recherches effectuées ne leur permettent pas de désigner les héritiers avec certitude. § 5. Le notaire ou le bureau de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, peuvent refuser toute remise de certificat ou d'acte d'hérédité si les pièces présentées par la partie intéressée requérante, les déclarations faites et les recherches effectuées ne leur permettent pas de désigner les héritiers avec certitude. Section 3 - Dispositions réparatrices des articles 418 et 419 du Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 418, CIR 92 En cas de remboursement d'impôts, de précomptes, de versements anticipés, d'intérêts de retard, d'accroissements d'impôts ou d'amendes administratives, un intérêt moratoire est alloué au taux (1) tel que déterminé conformément à l'alinéa 2, à compter du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'administration a été mise en demeure par sommation ou par autre acte équivalent. En cas de remboursement d'impôts, de précomptes, de versements anticipés, d'intérêts de retard, d'accroissements d'impôts ou d'amendes administratives, un intérêt moratoire est alloué au taux (1) tel que déterminé conformément à l'alinéa 2, à compter du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'administration a été mise en demeure par sommation ou par autre acte équivalent. Lorsque le paiement des impôts, précomptes, versements anticipés, intérêts de retard, accroissements d’impôts ou amendes administratives intervient postérieurement à la mise en demeure adressée à l’administration, l’intérêt moratoire est alloué à compter du premier jour du mois qui suit le paiement 295 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 30 effectif. Ce taux est égal au taux calculé conformément à l'article 414, § 1er, alinéa 2, diminué de 2 points de pourcentage. Ce taux est égal au taux calculé conformément à l'article 414, § 1er, alinéa 2, diminué de 2 points de pourcentage. Cet intérêt est calculé par mois civil sur le montant de chaque paiement arrondi au multiple inférieur de 10 euros; le mois pendant lequel le remboursement est liquidé est négligé. Cet intérêt est calculé par mois civil sur le montant de chaque paiement arrondi au multiple inférieur de 10 euros; le mois pendant lequel le remboursement est liquidé est négligé. Art. 86, loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l'impôt des sociétés A. Les articles 5, 1°, 6, 1°, 11, 1°, 3° et 4°, 13 à 15, 17, 1°, 21, 1°, 24 à 26, 28, 29, 30, 1°, 3°, et 5°, 31, 1°, 32, 37, 39, 1° et 3°, 41, 1° à 4°, 43, 1°, 44, 1°, 45, 46, 49, 50, 52, 2° à 6°, 53, 1° et 3° à 6°, 54, 1°, 2° et 4°, 55, 1°, 3° et 5°, 56, 57, 59, 66, 67, 1°, 74, 78, 82 et 85 entrent en vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2019 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2018. A. Les articles 5, 1°, 6, 1°, 11, 1°, 3° et 4°, 13 à 15, 17, 1°, 21, 1°, 24 à 26, 28, 29, 30, 1°, 3°, et 5°, 31, 1°, 32, 37, 39, 1° et 3°, 41, 1° à 4°, 43, 1°, 44, 1°, 45, 46, 49, 50, 52, 2° à 6°, 53, 1° et 3° à 6°, 54, 1°, 2° et 4°, 55, 1°, 3° et 5°, 56, 57, 59, 66, 67, 1°, 74, 78, 82 et 85 entrent en vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2019 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2018. B1. Les articles 3, [1 18, 1°, 2° et 4°]1, 20, 33, 35, 39, 5° et 9°, [1 44, 2° et 3°]1, 47, 48, [1 53, 2°, 53/1, 73 et 73/1]1 entrent en vigueur le 1er janvier 2019 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2020 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2019. B1. Les articles 3, [1 18, 1°, 2° et 4°]1, 20, 33, 35, 39, 5° et 9°, [1 44, 2° et 3°]1, 47, 48, [1 53, 2°, 53/1, 73 et 73/1]1 entrent en vigueur le 1er janvier 2019 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2020 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2019. B2. Les articles 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18, 3°, [1 20/1,]1 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° et 6°, 31, 2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° à 8° et 10° à 15°, 40, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, [1 55, 4°]1, 58, [1 ...]1 61, 1°, 62 à 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 et 84 entrent en vigueur le 1er janvier 2020 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2021 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2020. B2. Les articles 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18, 3°, [1 20/1,]1 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° et 6°, 31, 2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° à 8° et 10° à 15°, 40, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, [1 55, 4°]1, 58, [1 ...]1 61, 1°, 62 à 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 et 84 entrent en vigueur le 1er janvier 2020 et sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 2021 se rattachant à une période imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier 2020. C. Les articles 4, 1° et 2°, 16 et 68 entrent en vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables aux opérations de réduction de capital et de remboursement de primes d'émission ou de parts bénéficiaires assimilées à du capital libéré qui sont décidées par l'assemblée générale à partir du 1er janvier 2018. C. Les articles 4, 1° et 2°, 16 et 68 entrent en vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables aux opérations de réduction de capital et de remboursement de primes d'émission ou de parts bénéficiaires assimilées à du capital libéré qui sont décidées par l'assemblée générale à partir du 1er janvier 2018. Les articles 4, 3°, et 9 entrent en vigueur le 1er janvier 2020 et sont applicables aux intérêts qui se rapportent aux périodes après le 31 décembre 2019. Les articles 4, 3°, et 9 entrent en vigueur le 1er janvier 2020 et sont applicables aux intérêts qui se rapportent aux périodes après le 31 décembre 2019. Les articles 17, 2° à 5°, 19, 61, 2°, et 76 entrent Les articles 17, 2° à 5°, 19, 61, 2°, et 76 entrent 296 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 31 en vigueur le 1er janvier 2019 et sont applicables aux transferts qui ont lieu à partir du 1er janvier 2019. en vigueur le 1er janvier 2019 et sont applicables aux transferts qui ont lieu à partir du 1er janvier 2019. L'article 29 entre en vigueur le 1er janvier 2018 et n'est pas applicable aux provisions ou dotations aux provisions qui ont été constituées pendant des périodes imposables qui ont commencé avant le 1er janvier 2018. L'article 29 entre en vigueur le 1er janvier 2018 et n'est pas applicable aux provisions ou dotations aux provisions qui ont été constituées pendant des périodes imposables qui ont commencé avant le 1er janvier 2018. L'article 38 entre en vigueur le 1er janvier 2020 et est applicable aux immobilisations acquises ou constituées à partir du 1er janvier 2020. L'article 38 entre en vigueur le 1er janvier 2020 et est applicable aux immobilisations acquises ou constituées à partir du 1er janvier 2020. Les articles 69 et 70 entrent en vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables aux dividendes payés ou attribués à partir du 1er janvier 2018. Les articles 69 et 70 entrent en vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables aux dividendes payés ou attribués à partir du 1er janvier 2018. L'article 71, 1°, 4° et 5°, entre en vigueur le 1er janvier 2018 et est applicable aux rémunérations payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2018 et jusqu'au 31 décembre 2019. L'article 71, 1°, 4° et 5°, entre en vigueur le 1er janvier 2018 et est applicable aux rémunérations payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2018 et jusqu'au 31 décembre 2019. L'article 71, 2° et 6° à 8°, entre en vigueur le 1er janvier 2018 et est applicable aux rémunérations payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2018. L'article 71, 2° et 6° à 8°, entre en vigueur le 1er janvier 2018 et est applicable aux rémunérations payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2018. L'article 71, 3°, entre en vigueur le 1er janvier 2020 et est applicable aux rémunérations payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2020. L'article 71, 3°, entre en vigueur le 1er janvier 2020 et est applicable aux rémunérations payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2020. L'article 75, 2°, entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2022. L'article 75, 2°, entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2022. Les articles 77, 79 et 80 entrent en vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables à partir du 1er janvier 2018. Les modifications, par les articles 79 et 80, de la date de départ pour l'application de l'intérêt moratoire visée respectivement aux articles 418, alinéa 1er, et 419, alinéa 1er, 6°, et alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus 1992 sont applicables aux enrôlements effectués à partir du 1er janvier 2018. Les articles 77, 79 et 80 sont applicables à partir du 1er janvier 2018. Les articles 79 et 80, en tant qu’ils modifient la date de départ des intérêts moratoires visés aux articles 418, alinéa 1er, et 419, alinéa 1er, 6°, du Code des impôts sur les revenus 1992, sont applicables aux enrôlements effectués à partir du 1er janvier 2018. En cas de cotisations subséquentes, la date d’enrôlement de la cotisation primitive est prise en considération pour l’application des présentes dispositions. L’article 79, en tant qu’il modifie la date de départ des intérêts moratoires pour l’application de l’article 418, alinéa 1er, du même Code, est applicable aux précompte professionnel et précompte mobilier rattachés aux exercices d’imposition 2018 et suivants. L’article 80, en tant qu’il modifie la date de départ des intérêts moratoires pour 297 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 32 l’application de l’article 419, alinéa 2, du même Code, est applicable aux précompte professionnel, précompte mobilier et versements anticipés rattachés aux exercices d’imposition 2018 et suivants. D. Toute modification apportée à la date de clôture de l'exercice comptable à partir du 26 juillet 2017, reste sans effet pour l'application des dispositions du présent chapitre. D. Toute modification apportée à la date de clôture de l'exercice comptable à partir du 26 juillet 2017, reste sans effet pour l'application des dispositions du présent chapitre. TITRE IV – DISPOSITIONS FINANCIERES Chapitre 1er - Modifications de la loi du 31 juillet 2017 portant des dispositions financières et fiscales diverses et portant des mesures en matière de contrats de concession Loi du 31 juillet 2017 portant des dispositions financières et fiscales diverses et portant des mesures en matière de contrats de concession … … TITRE II. - Dispositions financières TITRE II. - Dispositions financières CHAPITRE 1er. - Fonds monétaire, Monnaie royale de Belgique et frappe des pièces de monnaie CHAPITRE 1er. - Fonds monétaire, Monnaie royale de Belgique et frappe des pièces de monnaie … … Section 3. - Transformation de la Monnaie royale de Belgique en service administratif à comptabilité autonome Section 3. - Transformation de la Monnaie royale de Belgique en service administratif Art. 7, loi du 31 juillet 2017 L'entreprise d'Etat "Monnaie royale de Belgique" est transformée en service administratif à comptabilité autonome. Le service administratif à comptabilité autonome "Monnaie royale de Belgique" est transformé en service administratif, intégré au sein de l’Administration générale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances. Ce service administratif est dénommé "Monnaie royale de Belgique" et est appelé ci-après "Monnaie". Ce service administratif est dénommé "Monnaie royale de Belgique" et est appelé ci-après "Monnaie". Le Roi fixe les modalités d'exécution de cette transformation, ainsi que de l'organisation et du fonctionnement de la Monnaie. Art. 8, loi du 31 juillet 2017 Les missions de la Monnaie comprennent : (abrogé) a) les missions exercées directement par la Monnaie, à savoir : 298 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 33 1° la commande de pièces de circulation; 2° le contrôle de qualité des pièces de monnaie en circulation et l'aide au dépistage des fausses pièces de monnaie; 3° la représentation de l'Etat belge au niveau international; 4° l'exécution de toutes les activités imposées par la loi, autres que celles mentionnées sous 1° à 3° ; b) les autres missions de la Monnaie qui peuvent faire l'objet d'une cession, d'une concession ou d'une sous-traitance, notamment la fabrication des pièces de circulation, l'exercice des activités commerciales, le design des pièces de monnaie et la vente de métaux provenant de pièces de monnaie définitivement retirées de la circulation. De plus, la Monnaie peut vendre pour son propre compte tous les biens qui ne sont plus utilisés pour l'exécution de ses missions. Art. 9, loi du 31 juillet 2017 La Monnaie est placée sous l'autorité du ministre des Finances. (abrogé) Art. 10, loi du 31 juillet 2017 La Monnaie perçoit : La Monnaie perçoit : 1° la rétribution pour l'exécution des activités visées à l'article 8, alinéa 1er, a), 4° ; 1° la rétribution pour l'exécution des activités visées à l'article 8, alinéa 1er, a), 4° ; 2° la rétribution, la redevance ou toute autre contrepartie en cas de cession, concession ou sous-traitance des missions reprises à l'article 8, alinéa 1er, b); 2° la rétribution, la redevance ou toute autre contrepartie en cas de cession, concession ou sous-traitance des missions reprises à l'article 8, alinéa 1er, b); 3° le produit de toute vente de biens effectuée en vertu de l'article 8, alinéa 2; (abrogé) 4° une dotation provenant du budget général des dépenses. (abrogé) Art. 12, loi du 31 juillet 2017 Les membres du personnel statutaires et contractuels de la Monnaie sont transférés au Service public fédéral Finances. (abrogé) Le Roi fixe les modalités des transferts. Chapitre 2 - Création d’un fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de 299 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 34 Belgique de l’Administration générale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances et modification de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires Section première - Création du fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique Section 2 - Modification de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires Chapitre 3 – Abrogation Art. 4, § 5, arrêté royal du 18 janvier 1990 § 5. Mensuellement l'essayeur du Gouvernement remet au comptable de la Monnaie Royale de Belgique les recettes du Bureau de la Garantie issues des frais et droits prévus aux § 2, § 3 et § 4 du présent article. § 5. Mensuellement l'essayeur du Gouvernement remet au comptable de la Monnaie Royale de Belgique les recettes du Bureau de la Garantie issues des frais et droits prévus aux § 2, § 3 et § 4 du présent article. L'ensemble de ces recettes est versé par le comptable au compte de recettes du Trésor public. (abrogé) TITRE V – DISPOSITIONS DIVERSES Chapitre 1er – Modifications au Code des impôts sur les revenus 1992 Section première – Revenus issus de l'économie collaborative, du travail associatif ou des services occasionnels entre citoyens Art. 90, alinéa 3, CIR 92 Sans préjudice de l'application des précomptes, les revenus des biens immobiliers, les revenus des capitaux et biens mobiliers ainsi que les revenus de sous-location d'immeubles visés à l'alinéa 1er, 5°, sont considérés comme des revenus visés, selon le cas, à l'alinéa 1er, 1° bis, 1° ter ou 1° quater, dans la mesure où ces biens et capitaux sont utilisés par le bénéficiaire de ces revenus pour recueillir les revenus susvisés. Les revenus des biens immobiliers, les revenus des biens mobiliers visés à l'article 17, § 1er, 3° et 5°, ainsi que les revenus de sous-location d'immeubles visés à l'alinéa 1er, 5°, sont considérés comme des revenus visés, selon le cas, à l'alinéa 1er, 1° bis, 1° ter ou 1° quater, dans la mesure où ces biens sont utilisés par le bénéficiaire de ces revenus pour recueillir les revenus susvisés. Art. 97/1, CIR 92 (rétabli) Art. 97/1. Les revenus visés à l'article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater, s'entendent de leur montant net, c'est-à-dire le montant brut diminué des frais dont le contribuable apporte la preuve qu'ils ont été exposés ou supportés durant la période imposable afin 300 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 35 d'acquérir ou de conserver ces revenus. Le montant brut des revenus est déterminé conformément à l'article 90/1, alinéas 2 et 3. Art. 102ter, CIR 92 (nouveau) Art. 102ter. Les pertes éprouvées pendant la période imposable dans l'exercice d'activités visées à l'article 90, alinéa 1er, 1°bis, 1°ter ou 1°quater sont déduites proportionnellement des autres revenus résultant de telles activités. Section 2 – Simplification en matière d'IPP Art. 38, § 1er, CIR 92 § 1er. Sont exonérées : § 1er. Sont exonérées : (…) (…) Lorsque les avantages visés à l'alinéa 1er, 24°, comprennent à la fois des rémunérations visées à l'article 31 et à l'article 32, le montant maximum de l'exonération est imputé proportionnellement sur chacune de ces rémunérations.". L'exonération visée à l'alinéa 1er, 9°, ne peut être cumulée pour le même déplacement ou partie de celui-ci avec celle visée à l'alinéa 1er, 14°. L'exonération visée à l'alinéa 1er, 9°, ne peut être cumulée pour le même déplacement ou partie de celui-ci avec celle visée à l'alinéa 1er, 14°. Les rémunérations payées ou attribuées en exécution d'un contrat de travail flexi-job, visées à l'alinéa 1er, 29°, sont mentionnées sur la note de calcul qui est jointe à l'avertissement-extrait de rôle en matière d'impôt des personnes physiques du travailleur. Les rémunérations payées ou attribuées en exécution d'un contrat de travail flexi-job, visées à l'alinéa 1er, 29°, sont mentionnées sur la note de calcul qui est jointe à l'avertissement-extrait de rôle en matière d'impôt des personnes physiques du travailleur. Les exonérations visées à l'alinéa 1er, 9°, a) et b), et 14°, ne sont pas applicables lorsque le contribuable perçoit simultanément une allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité, sauf le cas visé à l'article 9, § 3, de la même loi. Les exonérations visées à l'alinéa 1er, 9°, a) et b), et 14°, ne sont pas applicables lorsque le contribuable perçoit simultanément une allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité, sauf le cas visé à l'article 9, § 3, de la même loi. Art. 538, CIR 92 L'article 38, § 1er, alinéa 1er, 27°, et § 5, tel qu'il existait avant d'être abrogé par l'article 100, 1° et 2°, de la loi du 26 décembre 2013 concernant l'introduction d'un statut unique entre ouvriers et (abrogé) 301 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 36 employés en ce qui concerne les délais de préavis et le jour de carence ainsi que de mesures d'accompagnement reste aussi applicable après le 1er janvier 2014 pour autant que le licenciement est porté à la connaissance du travailleur avant le 1er janvier 2014. La même disposition reste également applicable après le 1er janvier 2014 lorsque le licenciement est donné par l'employeur à partir du 1er janvier 2014 au travailleur réunissant les conditions cumulatives suivantes : - il est concerné par un projet de licenciement collectif notifié, conformément à l'article 66, § 2, alinéa 1er, de la loi du 13 février 1998 portant des dispositions en faveur de l'emploi, au plus tard le 31 décembre 2013; - il se voit appliquer les dispositions d'une convention collective de travail encadrant les conséquences du licenciement collectif et ayant été déposée, au plus tard le 31 décembre 2013, au greffe de la Direction générale Relations collectives de travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale. Chapitre 2 – Modification au Code des droits et taxes divers Art. 10, C.D.T.D. Sont assujettis à un droit de 2 euros les actes de refus de transcription de saisie, ainsi que les certificats, copies ou extraits, délivrés par l'Administration générale de la Documentation patrimoniale. Sont assujettis à un droit de 2 euros les actes de refus de transcription de saisie, ainsi que les certificats, copies ou extraits, délivrés par l'Administration générale de la Documentation patrimoniale, dans le cadre de la publicité hypothécaire. Chapitre 3 – Modification au Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe Art. 921, C.D.E. Sans préjudice de l’article 91, le droit visé aux articles 87 et 88 couvre toute constitution d’hypothèque qui serait consentie dans la suite pour sûreté d’une même créance et du même montant garanti. Le droit visé à l’article 88 et à l’article 3, alinéa 1er, 7°, a) de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des Communautés et des Régions couvre toute constitution ultérieure d‘hypothèque sur un navire qui serait consentie dans la suite pour sûreté d’une même créance et du même montant garanti. 302 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 37 TITRE VI – RÉTRO-IMPUTATION DES PERTES EN COMPENSATION DE DOMMAGE CAUSÉ AUX CULTURES AGRICOLES, PROVOQUÉ PAR DES CONDITIONS MÉTÉOROLOGIQUES DÉFAVORABLES Art. 2, CIR 92 § 1er. Pour l'application du présent Code, des dispositions légales particulières relatives aux impôts sur les revenus et des arrêtés pris pour leur exécution, les termes suivants ont le sens défini dans le présent article. § 1er. Pour l'application du présent Code, des dispositions légales particulières relatives aux impôts sur les revenus et des arrêtés pris pour leur exécution, les termes suivants ont le sens défini dans le présent article. 1° Habitants du Royaume 1° Habitants du Royaume … … 4° Enfants 4° Enfants Par enfants, on entend les descendants du contribuable et ceux de son conjoint ainsi que les enfants dont il assume la charge exclusive ou principale. Par enfants, on entend les descendants du contribuable et ceux de son conjoint ainsi que les enfants dont il assume la charge exclusive ou principale. 4°/1 Moyenne entreprise Par moyenne entreprise on entend une personne physique ou morale exerçant une activité économique, qui occupe pour au moins deux des trois dernières périodes imposables clôturées une moyenne de personnel de moins de 250 personnes en équivalents temps plein et dont : - le chiffre d'affaires à l'exclusion de la taxe sur la valeur ajoutée n'excède pas le montant de 50 millions d'euros ; ou - le total du bilan n'excède pas le montant de 43 millions d'euros. Lorsque la période imposable a une durée inférieure ou supérieure à douze mois, le montant du chiffre d'affaires à l'exclusion de la taxe sur la valeur ajoutée, visé à l’alinéa 1er, est multiplié par une fraction dont le dénominateur est douze et le numérateur le nombre de mois compris dans la période imposable considérée, tout mois commencé étant compté pour un mois complet. Si l’entreprise est une entreprise liée, les critères en matière de chiffre d’affaires et de total du bilan sont calculés sur une base consolidée. Pour déterminer la moyenne de personnel d’une entreprise liée, la moyenne 303 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 38 de personnel de chacune des sociétés liées au cours de la période imposable est additionnée. Le chiffre d'affaires, le total du bilan et la moyenne de personnel visés à l'alinéa 1er sont augmentés du chiffre d'affaires, du total du bilan et de la moyenne de personnel de chaque entreprise partenaire, à concurrence du pourcentage le plus élevé des quatre pourcentages suivants : - soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe 4, alinéa 1er, de l'entreprise citée en premier lieu dans les droits de l'autre entreprise ; - soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe 4, alinéa 1er, de l'autre entreprise dans les droits de vote de l'entreprise citée en premier lieu ; - soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe 4, alinéa 1er, de l'entreprise citée en premier lieu dans le capital de l'autre entreprise ; - soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe 4, alinéa 1er, de l'autre entreprise dans le capital de l'entreprise citée en premier lieu. Dans le cas d'une entreprise nouvelle dont la première, deuxième ou troisième période imposable n’est pas encore clôturée, les données à prendre en considération sont déterminés au moyen d'une estimation effectuée de bonne foi au cours de la période imposable. Une entreprise ne peut pas être une moyenne entreprise si le contrôle sur le capital ou sur les droits de vote de l'entreprise est exercé, directement ou indirectement, à titre individuel ou conjointement, pour 25 p.c. ou plus par un ou plusieurs pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 2 de la loi de 17 juin 2016 relative aux marchés publics. Les cas visés au paragraphe 4, alinéa 2, qui ne sont pas liés à l'entreprise précitée ne sont pas considérés comme pouvoirs adjudicateurs pour l’application du présent alinéa. 4°/2 Entreprise en difficulté Par entreprise en difficulté on entend une 304 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 39 entreprise: - pour laquelle une demande de faillite est introduite ou dont à ce moment la gestion de tout ou partie de l'actif lui est retirée comme cela est prévu aux articles 7 et 8 de la loi sur les faillites ; - pour laquelle une procédure de réorganisation judiciaire est entamée comme cela est prévu à l'article 23 de la loi relative à la continuité des entreprises ; - qui est une société dissoute et se trouve en liquidation ; - dont à la suite de pertes, l'actif net est réduit à un montant inférieur à la moitié de la part fixe du capital social ; - qui a reçu des aides qui ont été considérées comme compatibles par la Commission européenne avec des lignes directrices concernant les aides d'Etat au sauvetage et à la restructuration d'entreprises en difficulté autres que les établissements financiers du 31 juillet 2014 (JO C 249) ou avec l'article 107, alinéa 3, b, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne et qui en cas d'aide au sauvetage n’a pas encore remboursé le prêt ou mis fin à la garantie ou en cas d’aide à la restructuration est toujours soumis au plan de restructuration. 5° Sociétés 5° Sociétés … … § 4. Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, une entreprise est considérée comme entreprise partenaire si l'entreprise citée en premier lieu n’est pas liée à cette autre entreprise, et si : - l'entreprise citée en premier lieu ne rassemble pas avec ces entreprises liées à cette entreprise une participation de 25 p.c. ou plus du capital ou des droits de vote de l'autre entreprise ; ou - l'autre entreprise ne rassemble pas avec ces entreprises liées à cette entreprise une participation de 25 p.c. ou plus du capital ou des droits de vote de l'entreprise citée en premier lieu. 305 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 40 Les sociétés publiques de participation, sociétés de capital à risque, business angels, universités, centres de recherche à but non lucratif, investisseurs institutionnels, fonds de développement régional et autorités autonomes locales, tels que visés à l’article 3, alinéa 2, de l’annexe I, du règlement (UE) 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité, ne sont, par dérogation à l’alinéa 5, pas considérés comme une entreprise partenaire pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1. Pour l’application de l'alinéa 1er et du paragraphe 1er, 4°/1, une entreprise est considérée comme entreprise liée à une autre entreprise si : - l'entreprise citée en premier lieu a, directement ou au moyen d'entreprises tierces, la majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de l'autre entreprise ; - l'autre entreprise a, directement ou au moyen d'entreprises tierces, la majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de l'entreprise citée en premier lieu ; - l'entreprise citée en premier lieu a, directement ou au moyen d'entreprises tierces, le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres de l'organe d'administration, de direction ou de surveillance de l'autre entreprise ; - l'autre entreprise a, directement ou au moyen d'entreprises tierces, le droit de nommer ou de révoquer la majorité des membres de l'organe d'administration, de direction ou de surveillance de l'entreprise citée en premier lieu ; - l'entreprise citée en premier lieu a, directement ou au moyen d'entreprises tierces, le droit d'exercer une influence dominante sur une autre entreprise en vertu d'un contrat conclu avec cette entreprise ou en vertu d'une clause contenue dans les statuts de cette entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où l'entreprise citée en premier lieu se trouve dans le champ d'application de l'alinéa 2 et que les faits n'établissent pas que ce droit est 306 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 41 effectivement exercé ; - l'autre entreprise a, directement ou au moyen d'entreprises tierces, le droit d'exercer une influence dominante sur une autre entreprise en vertu d'un contrat conclu avec cette entreprise ou en vertu d'une clause contenue dans les statuts de cette entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où l'autre entreprise se trouve dans le champ d'application de l'alinéa 2 et que les faits n'établissent pas que ce droit est effectivement exercé ; - l'entreprise citée en premier lieu est, directement ou au moyen d'entreprises tierces, l’actionnaire ou associée d'une autre entreprise et contrôle seule, en vertu d'un accord conclu avec d'autres actionnaires ou associés de cette autre entreprise, la majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de cette autre entreprise ; - l'autre entreprise est, directement ou au moyen d'entreprises tierces, l'actionnaire ou associé de l'entreprise citée en premier lieu et contrôle seule, en vertu d'un accord conclu avec d'autres actionnaires ou associés de cette entreprise citée en premier lieu, la majorité des droits de vote des actionnaires ou associés de cette entreprise citée en premier lieu. Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, la moyenne de personnel est le nombre moyen des travailleurs exprimé en équivalents à temps plein inscrits à la banque de données DIMONA conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, à la fin de chaque mois de la période imposable, ou lorsque l'emploi ne relève pas du champ d'application de cet arrêté royal, le nombre moyen des travailleurs occupés à temps plein inscrits au registre général du personnel ou dans un document équivalent à la fin de chaque mois de la période imposable considérée. Ce nombre moyen des travailleurs est augmenté, le cas échéant, du nombre des personnes physiques qui exercent dans l’entreprise une fonction dirigeante ou une activité dirigeante de gestion journalière, 307 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 42 d'ordre commercial, financier ou technique et qui ne sont pas enregistrées à la banque de données DIMONA ni inscrites au registre général du personnel précité ou dans le document équivalent précité. Le nombre des travailleurs exprimé en équivalents à temps plein est égal au volume de travail exprimé en équivalents occupés à temps plein, à calculer pour les travailleurs occupés à temps partiel sur la base du nombre conventionnel d'heures à prester par rapport à la durée normale de travail d'un travailleur à temps plein comparable. Art. 23, § 2, CIR 92 § 2. Le montant net des revenus professionnels s'entend du montant total de ces revenus, à l'exception des revenus exonérés et après exécution des opérations suivantes : § 2. Le montant net des revenus professionnels s'entend du montant total de ces revenus, à l'exception des revenus exonérés et après exécution des opérations suivantes : 1° le montant brut des revenus de chacune des activités professionnelles est diminué des frais professionnels qui grèvent ces revenus ; 1° le montant brut des revenus de chacune des activités professionnelles est diminué des frais professionnels qui grèvent ces revenus ; 2° les pertes professionnelles éprouvées pendant la période imposable, en raison d'une activité professionnelle quelconque, sont déduites des revenus des autres activités professionnelles ; 2° les pertes professionnelles éprouvées pendant la période imposable, en raison d'une activité professionnelle quelconque, sont déduites des revenus des autres activités professionnelles ; 3° des revenus professionnels déterminés conformément aux 1° et 2°, sont déduites les pertes professionnelles des périodes imposables antérieures. 3° des revenus professionnels déterminés conformément aux 1° et 2°, sont déduites les pertes professionnelles des périodes imposables antérieures, ou, dans le cas mentionné à l'article 78, § 2, des périodes imposables ultérieures. 4° … 4° … Art. 78, CIR 92 Les pertes professionnelles antérieures sont successivement déduites des revenus professionnels de chacune des périodes imposables suivantes. § 1er. Les pertes professionnelles antérieures sont successivement déduites des revenus professionnels de chacune des périodes imposables suivantes. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, à la demande du contribuable qui répond aux conditions visées à l’alinéa 4, la partie des pertes professionnelles qui est imputable au dommage aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables et encouru dans une région avec laquelle un accord de coopération visé à l'alinéa 3 a été conclu, est déduite consécutivement des revenus 308 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 43 professionnels des trois périodes imposables précédant la période imposable dans laquelle ce dommage a été définitivement constaté, à commencer par la plus ancienne. La partie de ces pertes professionnelles qui ne peut pas être déduite de ces revenus professionnels, est déductible conformément au paragraphe 1er. La partie des pertes professionnelles qui est imputable au dommage défini à l'alinéa 1er correspond au montant des pertes professionnelles, limité successivement au montant de la perte professionnelle de l’activité professionnelle du contribuable visée à l’article 23, § 1er, 1°, et au montant de ce dommage qui a été définitivement constaté dans la période imposable selon les modalités prévues par l'accord de coopération visé à l'alinéa 3. La rétro-déduction de perte définie à l'alinéa 1er est applicable uniquement si le dommage défini à l'alinéa 1er a été encouru sur le territoire d'une région qui a conclu avec l'autorité fédérale un accord de coopération visant le respect conjoint des règles de cumul telles que visées à l'article 8 du règlement (UE) n° 702/2014 de la Commission du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne. L'autorité fédérale et la région définissent dans cet accord de coopération, en complément aux dispositions de l'article 7 du règlement précité, la manière dont l'intensité d'aide de la mesure d'aide visée au présent paragraphe doit être calculée. Elles établissent également dans cet accord de coopération la façon dont la reconnaissance des conditions météorologiques pouvant être assimilées à une calamité naturelle a lieu, la méthode selon laquelle, sur base des dispositions de l'article 25 du règlement précité, le dommage ayant été causé par des circonstances météorologiques défavorables est constaté. Il est enfin spécifié dans l'accord de coopération de quelle façon des clarifications concernant le moment où le dommage est définitivement contaté peuvent être apportées. 309 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 44 Le présent paragraphe n'est applicable que si le contribuable: - est une moyenne entreprise ; et - exploite une entreprise ayant pour but la production des produits agricoles énumérés à l’annexe I du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne sans exercer d’autre opération modifiant la nature de ces produits ; - n'était pas une entreprise en difficulté au moment où les dégâts ont été encourus ; et - n'a pas supporté un ordre de récupération suite à une décision de la Commission déclarant une aide octroyée par la Belgique illégale et incompatible avec le marché intérieur. La rétro-imputation des pertes ne peut s'appliquer lorsque la somme de l'intensité de l'aide déterminée conformément à l'alinéa 2 et de l'intensité de l'aide octroyée par la région pour indemniser le même dommage que celui visé à l'alinéa 1er est supérieure à l'intensité de l'aide maximale définie à l'article 25, alinéas 9 et 10, du règlement (UE) n°702/2014, de la Commission, du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne. Pour l'application du présent paragraphe et de l'article 206, § 4, on entend par circonstances météorologiques défavorables, les circonstances météorologiques qui peuvent être assimilées à une calamité naturelle, telles que définies à l'article 2, alinéa 16, du règlement (UE) n°702/2014, de la Commission, du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, et qui sont formellement reconnues selon la procédure décrite dans l'accord de coopération visé à l'alinéa 3. 310 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 45 Les pertes professionnelles pour lesquelles l'application de la rétro-déduction des pertes est demandée sont déduites après déduction des pertes professionnelles de périodes imposables antérieures en application du paragraphe 1er. Le contribuable demande l’application de la rétro-déduction des pertes dans la déclaration se rapportant à la période imposable au cours de laquelle le dommage visé à l'alinéa 1er a été définitivement constaté. Cette demande est définitive et irrévocable. Le Roi peut fixer les modalités de la demande. Art. 206, CIR 92 … § 3. Dans l'éventualité où une société étrangère transfère en Belgique son siège social, son principal établissement ou son siège de direction ou d'administration, la disposition du § 1er, alinéa 1er, est d'application pour ce qui concerne les pertes professionnelles éprouvées par cette société dans un établissement belge dont cette société disposait avant ce transfert. § 3. Dans l'éventualité où une société étrangère transfère en Belgique son siège social, son principal établissement ou son siège de direction ou d'administration, la disposition du § 1er, alinéa 1er, est d'application pour ce qui concerne les pertes professionnelles éprouvées par cette société dans un établissement belge dont cette société disposait avant ce transfert. § 4. Par dérogation au paragraphe 1er, la partie des pertes professionnelles qui, à la demande du contribuable qui remplit les critères visés à l'article 78, § 2, alinéa 4, est imputable au dommage causé aux cultures agricoles, provoqué par des conditions météorologiques défavorables et encouru dans une région avec laquelle un accord de coopération visé à l'article 78, § 2, alinéa 3, a été conclu, est déduite consécutivement des revenus professionnels des trois périodes imposables précédant la période imposable dans laquelle ce dommage a été définitivement constaté, à commencer par la plus ancienne. La partie de ces pertes professionnelles qui ne peut pas être déduite de ces revenus professionnels, est déductible conformément au paragraphe 1er. La partie des pertes professionnelles qui est imputable au dommage défini à l'alinéa 1er correspond au montant des pertes professionnelles, limité au montant de ce dommage qui a été définitivement constaté dans la période imposable selon les modalités prévues par l'accord de 311 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 46 coopération visé à l'article 78, § 2, alinéa 3. La rétro-imputation des pertes n'est pas applicable si la somme de l'intensité de l'aide déterminé conformément à l'article 78, § 2, alinéa 5, excède l'intensité maximale de l'aide définie dans ce même alinéa. Les pertes professionnelles pour lesquelles l'application de la rétro-déduction de pertes est demandée sont déduites après déduction des pertes professionnelles de périodes imposables antérieures en application du paragraphe 1er. Le contribuable demande l’application de la rétro-déduction des pertes dans la déclaration se rapportant à la période imposable au cours de laquelle le dommage visé à l'alinéa 1er a été définitivement constaté. Cette demande est définitive et irrévocable. Le Roi peut fixer les modalités de la demande. Art. 2758, § 2, CIR 92 § 2. La dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article est applicable uniquement si l'employeur et le cas échéant, la société visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a effectué l'investissement, occupe pour au moins deux des trois dernières périodes imposables clôturées antérieures à la période imposable durant laquelle le formulaire tel que visé au § 5 était valablement remis une moyenne annuelle de personnel de moins de 250 personnes en équivalents temps plein et dont : § 2. La dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article est applicable uniquement si l’employeur et le cas échéant, la société visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a effectué l’investissement, est une moyenne entreprise. - le chiffre d'affaires annuel hors taxe sur la valeur ajoutée n'excède pas le montant de 50 millions d'EUR, ou - le total bilan annuel n'excède pas le montant de 43 millions d'EUR. Sauf si l'employeur n'est pas une société, les dispositions de l'article 15, §§ 3 à 5, du Code des sociétés sont applicables pour l'examen du respect des critères visés à l'alinéa 1er. (abrogé) Si l'employeur, ou la société visé à l'alinéa 1er est liée au sens de l'article 11, du Code des sociétés, les critères en matière de chiffre d'affaires et de total du bilan sont calculés sur une base consolidée. Quant au personnel occupé, le nombre de travailleurs occupés en moyenne annuelle par chacune des sociétés 312 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 47 liées est additionné. Le chiffre d'affaires, le total du bilan et la moyenne annuelle du personnel visés à l'alinéa 1er sont augmentés du chiffre d'affaires, du total du bilan et de la moyenne annuelle du personnel de chaque entreprise partenaire, à concurrence du pourcentage le plus élevé des deux pourcentages suivants : - soit le pourcentage des droits de votes qui est liée à la participation visée à l'alinéa 5; - soit le pourcentage du capital qui représente la participation visée à l'alinéa 5. Pour l'application de l'alinéa 4, il y a lieu d'entendre par entreprise partenaire une personne physique ou morale qui n'est pas liée, respectivement, à l'employeur visé à l'alinéa 1er, ou à la société visée au même alinéa, et : - qui a une participation de 25 p.c. ou plus du capital ou des droits de vote de, respectivement cet employeur, ou cette société, ou; - dont au moins 25 p.c. du capital ou des droits de vote sont détenus par, respectivement, cet employeur, ou cette société. Les sociétés publiques de participation, sociétés de capital à risque, business angels, universités, centres de recherche à but non lucratif, investisseurs institutionnels, fonds de développement régional et autorités autonomes locales, tels que visés à l'article 3, alinéa 2, de l'annexe I, du règlement (UE) 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité, ne sont, par dérogation à l'alinéa 5, pas considérées comme une entreprise partenaire pour l'application de l'alinéa 4. En outre, dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article est applicable uniquement si le contrôle sur le capital ou sur les droits de vote de l'employeur, ou le cas échéant de la société ayant effectué l'investissement visée au paragraphe 1er, alinéa 4, est exercé au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5 directement ou indirectement à titre individuel ou conjointement pour moins de 25 p.c. par un ou plusieurs pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 2 de la loi de 15 juin 2006 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures 313 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 48 et de services. Les cas visés à l'alinéa 6 ne sont pas considérés comme pouvoirs adjudicateurs pour l'application du présent alinéa. La dispense de versement du précompte professionnel ne peut pas être appliquée par un employeur : La dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article ne peut pas être appliquée par un employeur qui, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, est une entreprise en difficulté. - pour lequel, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, ou une demande de faillite est introduite ou dont à ce moment la gestion de tout ou partie de l'actif lui est retirée comme cela est prévu aux articles 7 et 8 de la loi sur les faillites; - pour lequel, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, une procédure de réorganisation judiciaire est entamée comme cela est prévu à l'article 23 de la loi relative à la continuité des entreprises; - qui est, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, une société dissoute et se trouve en liquidation; - dont, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, à la suite de pertes, l'actif net est réduit à un montant inférieur à la moitié de la part fixe du capital social; - qui, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, a reçu des aides qui ont été considérées comme compatibles par la Commission européenne avec des lignes directrices concernant les aides d'Etat au sauvetage et à la restructuration d'entreprises en difficulté autres que les établissements financiers du 31 juillet 2014 (JO C 249) ou avec l'article 107, alinéa 3, b, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne et qui en cas d'aide au sauvetage n’a pas encore remboursé le prêt ou mis fin à la garantie ou en cas d’aide à la restructuration est toujours soumis au plan de restructuration. Art. 2759, § 2, CIR 92 § 2. La dispense de versement du précompte professionnel est applicable uniquement à un employeur qui ne remplit pas au moins un des critères déterminés à l'article 2758, § 2, alinéas 1er à 7. § 2. La dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article est applicable uniquement si l’employeur ou le cas échéant, la société visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a effectué l’investissement n’est pas une 314 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 49 moyenne entreprise. La dispense de versement du précompte professionnel ne peut pas être appliquée par un employeur visé à l'article 2758, § 2, alinéa 8 ou par un employeur: La dispense de versement du précompte professionnel visée dans le présent article ne peut pas être appliquée par un employeur qui, au moment de la remise du formulaire tel que visé au § 5, est une entreprise en difficulté ou par un employeur: - dont pour les deux dernières périodes imposables antérieures au moment de la remise du formulaire tel que visé à l'article 2758, § 5: - dont pour les deux dernières périodes imposables antérieures au moment de la remise du formulaire tel que visé à l'article 2758, § 5: 1) le montant total des dettes, visées à l’article 88 de l’arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés a dépassé 7,5 fois le montant total des capitaux propres visés au même article, et; 1) le montant total des dettes, visées à l’article 88 de l’arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du Code des sociétés a dépassé 7,5 fois le montant total des capitaux propres visés au même article, et; 2) le montant mentionné au poste "Charges des dettes" visé à l'article 89 du même arrêté, diminué avec le montant mentionné au poste "produits des immobilisations financières" visé au même article est supérieur à l’EBITDA. 2) le montant mentionné au poste "Charges des dettes" visé à l'article 89 du même arrêté, diminué avec le montant mentionné au poste "produits des immobilisations financières" visé au même article est supérieur à l’EBITDA. L’EBITDA est déterminé par le poste "Bénéfice (Perte) de l'exercice avant impôts" visé à l'article 89 du même arrêté, augmenté ou diminué selon que ce sont des charges ou des produits avec les postes suivants visés au même article: L’EBITDA est déterminé par le poste "Bénéfice (Perte) de l'exercice avant impôts" visé à l'article 89 du même arrêté, augmenté ou diminué selon que ce sont des charges ou des produits avec les postes suivants visés au même article: - charges des dettes; - charges des dettes; - autres charges financières; - autres charges financières; - produits des actifs circulants; - produits des actifs circulants; - autres produits financiers; - autres produits financiers; - amortissements et réductions de valeur sur frais d’établissement, sur immobilisations incorporelles et corporelles; - amortissements et réductions de valeur sur frais d’établissement, sur immobilisations incorporelles et corporelles; - réductions de valeur sur stocks, sur commandes en cours d’exécution et sur créances commerciales: dotations (reprises); - réductions de valeur sur stocks, sur commandes en cours d’exécution et sur créances commerciales: dotations (reprises); - amortissements et réductions de valeur exceptionnels sur frais d’établissement, sur immobilisations incorporelles et corporelles; - amortissements et réductions de valeur exceptionnels sur frais d’établissement, sur immobilisations incorporelles et corporelles; - reprises d'amortissements et de réductions de valeur sur immobilisations incorporelles et corporelles. - reprises d'amortissements et de réductions de valeur sur immobilisations incorporelles et corporelles. 315 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 50 Art. 358/1, CIR 92 (nouveau) Art. 358/1. Lorsqu'il est constaté que les pertes professionnelles d'une période imposable ont été, entièrement ou partiellement, indûment déduites en application de l'article 78, § 2, ou de l'article 206, § 4, des revenus professionnels des périodes imposables antérieures et que l'impôt pour ces périodes a été, entièrement ou partiellement, indûment dégrevée en application de l'article 375/1, cette déduction indûment accordée peut être corrigée durant le délai d'imposition applicable qui est relatif à la période imposable au cours de laquelle ces pertes professionnelles ont eu lieu. Art. 375/1, CIR 92 (nouveau) Art. 375/1. Le conseiller général de l'administration en charge de l’établissement des impôts sur les revenus ou le fonctionnaire délégué par lui accorde de plein droit le dégrèvement de l'impôt excédentaire établi suite à l'arriéré de déduction des pertes professionnelles en application de l'article 78, § 2, ou de l'article 206, § 4. Art. 409, CIR 92 En cas de réclamation, de demande de dégrèvement visée à l'article 376 ou d'action en justice, l'imposition contestée, en principal, additionnels et accroissements, augmentée des intérêts et des frais y afférents, peut faire l'objet pour le tout de saisies conservatoires, de voies d'exécution ou de toutes autres mesures destinées à en garantir le recouvrement. En cas de réclamation, de demande de dégrèvement visée aux articles 375/1 et 376 ou d'action en justice, l'imposition contestée, en principal, additionnels et accroissements, augmentée des intérêts et des frais y afférents, peut faire l'objet pour le tout de saisies conservatoires, de voies d'exécution ou de toutes autres mesures destinées à en garantir le recouvrement. Art. 410, alinéa 1er, CIR 92 Toutefois, en cas de réclamation, de demande de dégrèvement visée à l'article 376 ou d'action en justice, l'imposition contestée en principal, additionnels et accroissements, augmentée des intérêts y afférents, est considérée comme une dette liquide et certaine et peut être recouvrée par voies d'exécution, ainsi que les frais de toute nature, dans la mesure où elle correspond au montant des revenus déclarés ou lorsqu'elle a été établie d'office à défaut de déclaration, dans la mesure où elle n'excède pas la dernière imposition définitivement établie à charge du redevable pour un exercice d'imposition Toutefois, en cas de réclamation, de demande de dégrèvement visée aux articles 375/1 et 376 ou d'action en justice, l'imposition contestée en principal, additionnels et accroissements, augmentée des intérêts y afférents, est considérée comme une dette liquide et certaine et peut être recouvrée par voies d'exécution, ainsi que les frais de toute nature, dans la mesure où elle correspond au montant des revenus déclarés ou lorsqu'elle a été établie d'office à défaut de déclaration, dans la mesure où elle n'excède pas la dernière imposition définitivement établie à charge du 316 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 51 antérieur. redevable pour un exercice d'imposition antérieur. Art. 415/1, CIR 92 (nouveau) Art. 415/1. Lorsqu'en application de l'article 375/1, un dégrèvement est accordé et que le montant des pertes professionnelles qui entre en considération pour la déduction des pertes antérieures en application de l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4, est modifié, un intérêt de retard est dû, par dérogation aux articles 414 et 415, sur la partie de l'impôt qui est liée à la modification du montant des pertes professionnelles portées en déduction, calculé conformément à l'article 414, § 1er, à compter du premier jour du mois qui suit le mois durant lequel le dégrèvement a été accordé. Art. 419, alinéa 1er, CIR 92 Aucun intérêt moratoire n'est alloué : Aucun intérêt moratoire n'est alloué : 1° lorsque son montant n'atteint pas 5 EUR par mois, par cotisation, pour un même exercice d'imposition ; 1° lorsque son montant n'atteint pas 5 EUR par mois, par cotisation, pour un même exercice d'imposition ; 2° lorsque le remboursement résulte de la remise ou de la modération d'une amende ou d'un accroissement, accordée à titre de grâce ; 2° lorsque le remboursement résulte de la remise ou de la modération d'une amende ou d'un accroissement, accordée à titre de grâce ; 3° en cas de remboursement d'excédent de précompte professionnel, de précompte mobilier ou de versements anticipés, au bénéficiaire des revenus, au plus tard à l'expiration du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le délai d'imposition visé à l'article 359 ou à l'article 353, a expiré ; 3° en cas de remboursement d'excédent de précompte professionnel, de précompte mobilier ou de versements anticipés, au bénéficiaire des revenus, au plus tard à l'expiration du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le délai d'imposition visé à l'article 359 ou à l'article 353, a expiré ; 4° en cas de remboursement de sommes versées à titre de précompte mobilier ou à titre de précompte professionnel, à leurs redevables visés aux articles 261 et 270 ; 4° en cas de remboursement de sommes versées à titre de précompte mobilier ou à titre de précompte professionnel, à leurs redevables visés aux articles 261 et 270 ; 4°/1 dans le cas d'un remboursement d'impôt en application de l'article 375/1; 5° en cas de remboursement de versements anticipés, en application de l'article 376, § 4 ; 5° en cas de remboursement de versements anticipés, en application de l'article 376, § 4 ; 6° lorsque l'administration a été raisonnablement dans l'impossibilité de liquider le remboursement, en raison entre autres de l'absence d'informations sur l'identité ou sur les coordonnées bancaires du ou des bénéficiaires, pendant la période s'étendant entre le premier 6° lorsque l'administration a été raisonnablement dans l'impossibilité de liquider le remboursement, en raison entre autres de l'absence d'informations sur l'identité ou sur les coordonnées bancaires du ou des bénéficiaires, pendant la période s'étendant entre le premier 317 3424/001 DOC 54 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 52 jour du mois suivant celui pendant lequel le remboursement aurait dû être liquidé si l'administration avait eu les données nécessaires, et la fin du deuxième mois suivant le mois au cours duquel une mise en demeure a été adressée à l'administration, et à la condition que cette impossibilité ait cessé. jour du mois suivant celui pendant lequel le remboursement aurait dû être liquidé si l'administration avait eu les données nécessaires, et la fin du deuxième mois suivant le mois au cours duquel une mise en demeure a été adressée à l'administration, et à la condition que cette impossibilité ait cessé. Art. 443ter, CIR 92 § 1er. Toute instance en justice relative à l'établissement, à la perception ou au recouvrement des impôts et des précomptes qui est introduite par l'Etat belge, par le redevable de ces impôts ou précomptes ou par toute autre personne tenue au paiement de la dette en vertu du présent Code, des arrêtés pris pour son exécution ou du droit commun, suspend le cours de la prescription. § 1er. Toute instance en justice relative à l'établissement, à la perception ou au recouvrement des impôts et des précomptes qui est introduite par l'Etat belge, par le redevable de ces impôts ou précomptes ou par toute autre personne tenue au paiement de la dette en vertu du présent Code, des arrêtés pris pour son exécution ou du droit commun, suspend le cours de la prescription. La réclamation et la demande de dégrèvement visée à l'article 376 suspendent également le cours de la prescription. La réclamation et la demande de dégrèvement visée aux articles 375/1 et 376 suspendent également le cours de la prescription. § 2. La suspension débute avec l'acte introductif d'instance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée. § 2. La suspension débute avec l'acte introductif d'instance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée. Toutefois, en cas de réclamation ou de demande de dégrèvement d'office visée à l'article 376, la suspension débute avec la demande introductive du recours administratif. Elle se termine : Toutefois, en cas de réclamation ou de demande de dégrèvement visée aux articles 375/1 et 376, la suspension débute avec la demande introductive du recours administratif. Elle se termine : - lorsque le contribuable a introduit une action en justice, au jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée ; - lorsque le contribuable a introduit une action en justice, au jour où la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée ; - dans les autres cas, à l'expiration du délai ouvert au contribuable pour introduire un recours contre la décision administrative. - dans les autres cas, à l'expiration du délai ouvert au contribuable pour introduire un recours contre la décision administrative. § 3. Tout acte d'instruction ou de poursuite visé à l'article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure pénale relative aux infractions visées aux articles 449 à 452 suspend le cours de la prescription des impôts et des précomptes y afférents. § 3. Tout acte d'instruction ou de poursuite visé à l'article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure pénale relative aux infractions visées aux articles 449 à 452 suspend le cours de la prescription des impôts et des précomptes y afférents. La suspension débute dès que l'action publique est mise en mouvement et se termine par l'abandon des poursuites pénales, l'extinction de l'action publique ou lorsque le jugement ou l'arrêt est coulé en force de chose jugée pour les infractions visées à l'alinéa 1er. La suspension débute dès que l'action publique est mise en mouvement et se termine par l'abandon des poursuites pénales, l'extinction de l'action publique ou lorsque le jugement ou l'arrêt est coulé en force de chose jugée pour les infractions visées à l'alinéa 1er. Centrale drukkerij – Imprimerie centrale

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot