Inhoud
DE SPOEDBEHANDELING WORDT DOOR DE REGERING GEVRAAGD
OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 51 VAN HET REGLEMENT.
LE GOUVERNEMENT DEMANDE L’URGENCE CONFORMÉMENT À
L’ARTICLE 51 DU RÈGLEMENT.
9841
3424/001
3424/001
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
DOC 54
DOC 54
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
houdende fiscale, fraudebestrijdende,
financiële alsook diverse bepalingen
portant des dispositions fiscales, de lutte
contre la fraude, financières et diverses
18 décembre 2018
18 december 2018
SOMMAIRE
Pages
Résumé .......................................................................
3
Exposé des motifs .......................................................
4
Avant-projet .................................................................
61
Analyses d’impact .......................................................
119
Avis du Conseil d’État .................................................
139
Projet de loi .................................................................
164
Coordination des articles ............................................
266
INHOUD
Blz.
Samenvatting ..............................................................
3
Memorie van toelichting ..............................................
4
Voorontwerp ................................................................
61
Impactanalyses ...........................................................
98
Advies van de Raad van State ....................................
139
Wetsontwerp ...............................................................
164
Coördinatie van de artikelen .......................................
208
2
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De regering heeft dit wetsontwerp op
18 december 2018 ingediend.
Le gouvernement a déposé ce projet de loi le
18 décembre 2018.
De “goedkeuring tot drukken” werd op
19 december 2018 door de Kamer ontvangen.
Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le
19 décembre 2018.
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA:
Questions et Réponses écrites
CRIV:
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
CRABV:
Compte Rendu Analytique
CRIV:
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le
compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu
analy tique traduit des interventions (avec les an-
nexes)
PLEN:
Séance plénière
COM:
Réunion de commission
MOT:
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes:
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.lachambre.be
courriel : publications@lachambre.be
Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen:
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.dekamer.be
e-mail : publicaties@dekamer.be
De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier
Afkortingen bij de nummering van de publicaties:
DOC 54 0000/000:
Parlementair document van de 54e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV:
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV:
Beknopt Verslag
CRIV:
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag
en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken
(met de bijlagen)
PLEN:
Plenum
COM:
Commissievergadering
MOT:
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti Socialiste
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
sp.a
:
socialistische partij anders
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
cdH
:
centre démocrate Humaniste
VB
:
Vlaams Belang
PTB-GO!
:
Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
PP
:
Parti Populaire
Vuye&Wouters
:
Vuye&Wouters
3
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Dit wetsontwerp, dat uit vier grote luiken bestaat,
geeft mede uitvoering aan de begrotingsmaatregelen
die door de regering werden getroffen in het kader
van het zomerakkoord 2018.
Het eerste luik bevat diverse fiscale bepalingen die
werden uitgewerkt of verfijnd naar aanleiding van dit
zomerakkoord, met name de spreiding van de vrijstel-
ling van het sociaal passief, de vervroeging van de in-
werkingtreding van de ATAD-interestaftrekbeperking,
de invoering van een fiche- en inhoudingsverplichting
voor bezoldigingen rechtstreeks toegekend door een
buitenlandse moederonderneming aan de werkne-
mers van een Belgische dochteronderneming, en ten
slotte ook de indexatie van de accijnzen.
Het tweede luik omvat fraudebestrijdende bepa-
lingen die onder andere een wettelijke uitvoering
geven aan bepaalde aanbevelingen die werden ge-
maakt in het rapport van de bijzondere Commissie
“Internationale fiscale fraude/Panama Papers”.
Bovendien wordt ook een systeem van elektronische
kennisgeving ingevoerd.
Het derde luik bestaat uit louter financiële bepa-
lingen, waarbij de Koninklijke Munt van België wordt
omgevormd tot een administratieve dienst geïnte-
greerd in de FOD Financiën. Daarnaast wordt tevens
een begrotingsfonds opgericht.
Het vierde en laatste luik bevat diverse fiscale be-
palingen die wijzigingen aanbrengen op het vlak van
de inkomstenbelastingen, van het recht op geschriften
en van registratierechten.
Ce projet de loi composé de quatre grands volets
contribue à mettre en œuvre les mesures budgétaires
prises par le gouvernement dans le cadre de l’accord
de l’été 2018.
Le premier volet comprend diverses dispositions
fiscales élaborées ou affinées lors de l’accord de cet
été, notamment l’étalement de l’exonération relative
au passif social, l’avancement de l’entrée en vigueur
de la limitation de la déduction d’intérêts ATAD,
l’instauration d’une obligation de fiche et de retenue
pour les rémunérations directement octroyées par une
société mère étrangère aux travailleurs d’une filiale
belge, et enfin l’indexation des accises.
Le deuxième volet comprend des dispositions
de lutte contre la fraude qui mettent en œuvre au
niveau légal un certain nombre de recommandations
formulées dans le rapport de la Commission spéciale
“Fraude fiscale internationale/Panama Papers”. De
plus, un système de notification électronique est
également instauré.
Le troisième volet se compose de dispositions
purement financières transformant la Monnaie Royale
de Belgique en un service administratif intégré au SPF
Finances. Un fonds budgétaire et également créé.
Le quatrième et dernier volet comprend diverses
dispositions fiscales apportant des modifications
dans le domaine des impôts sur les revenus, du droit
d’écriture et des droits d’enregistrement.
RÉSUMÉ
SAMENVATTING
4
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
MEMORIE VAN TOELICHTING
DAMES EN HEREN,
TITEL I
Inleidende bepaling
Artikel 1
Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet, be-
paalt dit artikel dat deze wet een door artikel 74 van de
Grondwet beoogde aangelegenheid regelt.
TITEL II
FISCALE BEPALINGEN
ALGEMENE TOELICHTING
HOOFDSTUK 1
Eenheidsstatuut
Het ontwerp van wet dat de Regering de eer heeft
u ter goedkeuring voor te leggen heeft tot doel om de
tekst van het artikel 67quater van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), te verduidelijken
en de vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het
eenheidsstatuut, waarvan gebruik kan worden gemaakt
voor werknemers die bij de desbetreffende belasting-
plichtige ten minste vijf dienstjaren hebben verworven
na 1 januari 2014, te spreiden over vijf opeenvolgende
belastbare tijdperken. Het fiscaal voordeel waarop deze
vrijstellingsregeling recht geeft, wordt dus gespreid in
de tijd.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Art. 2
Artikel 2 brengt de volgende wijzigingen aan in artikel
67quater, WIB 92:
1°: Het tweede lid wordt aangepast om te verduidelij-
ken dat zowel de in aanmerking te nemen bezoldigingen,
als het loonpeil steeds per werknemer moeten worden
geverifieerd. Voor werknemers die tijdens het belastbaar
tijdperk begonnen zijn aan hun zesde tot en met hun
twintigste dienstjaar na 1 januari 2014, mogen 3 weken
bezoldiging in aanmerking genomen worden. Vanaf het
eenentwintigste dienstjaar wordt het vrij te stellen bedrag
beperkt tot een week bezoldiging;
EXPOSÉ DES MOTIFS
MESDAMES, MESSIEURS,
TITRE IER
Disposition introductive
Article 1er
Conformément à l’article 83 de la Constitution, cet
article précise que la présente loi règle une matière
visée à l’article 74 de la Constitution.
TITRE II
DISPOSITIONS FISCALES
EXPOSÉ GÉNÉRAL
CHAPITRE 1ER
Statut unique
Le projet de loi que le Gouvernement a l’honneur de
soumettre à votre approbation a pour but de clarifier
le texte de l’article 67quater du Code des impôts sur
les revenus 1992 (CIR 92), et de prendre une mesure
d’étalement sur cinq périodes imposables successives
de l’exonération pour passif social en vertu du statut
unique dont l’octroi peut se solliciter pour les travail-
leurs qui ont, chez le contribuable concerné, acquis au
moins cinq années de service après le 1er janvier 2014.
L’avantage fiscal auquel ce régime d’exemption donne
droit, sera étalé dans le temps.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
Art. 2
L’article 2 apporte les modifications suivantes à
l’article 67quater, CIR 92:
1°: L’alinéa 2 est adapté pour clarifier que les rémuné-
rations prises en compte ainsi que le niveau de celles-ci
doivent à chaque fois se vérifier par travailleur. Pour
les travailleurs qui comptent, au cours de la période
imposable, au minimum 5 et au maximum 20 années
de service, 3 semaines de rémunération peuvent être
prises en compte. A partir de la vingt et unième année,
le montant à exonérer est limité à une semaine de
rémunération;
5
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2°en 5°: De invoeging van een lid tussen het tweede
en het derde lid beoogt een spreiding over vijf opeenvol-
gende belastbare tijdperken van “het recht op vrijstelling
voor sociaal passief” (of “het sociaal passief” in het kort).
Deze spreiding laat de Staat toe de begrotingskost van
deze vrijstelling te temperen voor de eerste jaren waarop
zij van toepassing is.
Hiervoor wordt het jaarlijkse recht op vrijstelling ver-
bonden aan het betrokken belastbaar tijdperk beperkt tot
20 pct. van het “sociaal passief” waarop men recht heeft
voor dat belastbaar tijdperk. Het resterende saldo van
80 pct. van het “sociaal passief” wordt gespreid over de
4 daaropvolgende belastbare tijdperken, waardoor in het
belastbaar tijdperk X+4 het volledige sociaal passief van
belastbaar tijdperk X in aanmerking genomen zal zijn.
Dit te spreiden “sociaal passief” wordt dus verworven
per belastbaar tijdperk. Dit betekent dat in belastbaar
tijdperk X+1 een som van 20 pct. van het sociaal pas-
sief ontstaan in belastbaar tijdperk X en bovendien ook
20 pct. van het sociaal passief ontstaan in belastbaar
tijdperk X+1 in aanmerking kan genomen worden voor
de berekening van de totale vrijstelling;
De spreiding van het in artikel 67quater, tweede lid,
WIB 92, bedoelde vrij te stellen bedrag van de win-
sten en baten, ten belope van 20 pct. per belastbaar
tijdperk, is van toepassing zolang dat de betrokken
werknemer in dienst van de onderneming blijft. Zodra
hij de onderneming verlaat, is de gespreide vrijstelling
van het overblijvende deel van het sociaal passief niet
meer van toepassing, zodat enkel het deel van het vrij
te stellen bedrag dat bij het ontslag van die betrokken
werknemer reeds vrijgesteld is, in de winsten en baten
van het belastbaar tijdperk waarin de tewerkstelling een
einde neemt zal worden opgenomen.
3°, a): De vervanging van de woorden “een maximum-
bedrag” door de woorden “een maximumbedrag van
bruto maandbezoldiging per werknemer” in het derde
lid van artikel 67quater, WIB 92, dat door dit ontwerp
het vierde lid wordt, verduidelijkt dat het maximumbe-
drag aan bezoldigingen dat in aanmerking mag worden
genomen voor deze belastingvrijstelling per werknemer
berekend moet worden, zoals reeds werd aangestipt in
het verslag aan de Koning van het koninklijk besluit van
25 april 2014 tot wijziging van het KB/WIB 92: “Hierbij
(nb: de vrijstelling voor “sociaal passief”) kunnen werk-
gevers per werknemer die een bepaalde anciënniteit
(5 jaar) in het eenheidsstatuut heeft bereikt, een bepaald
deel van hun winsten of baten vrijstellen van belasting”
(B.S. 14.05 2014, Ed. 2, p. 39116). Bovendien maakt
deze correctie het ook mogelijk om de in hetzelfde
verslag aan de Koning uitgedrukte idee te preciseren
dat het startpunt voor de berekening van de beperking
2° et 5°: L’insertion d’un alinéa entre les alinéas 2 et
3 vise à étaler sur cinq périodes imposables successives
“le droit à l’exonération pour passif social” (ou “le passif
social”, tout court). Cet étalement permet à l’État de
tempérer le coût budgétaire de cette exonération pour
les premières années de son application.
A cet effet, le droit d’exonération annuel relatif à la
période imposable concernée, est limité à 20 p.c. du
“passif social” issu de cette période imposable. Le solde
subsistant de 80 p.c. du “passif social” est réparti sur les
quatre périodes imposables successives, de sorte qu’à
la période imposable X+4 l’entièreté du passif social
de la période d’imposition X aura été prise en compte.
Ce “passif social” à étaler est donc acquis par période
imposable. Cela signifie que pour le calcul de l’exoné-
ration totale de la période imposable X+1, il peut être
pris en compte une somme de 20 p.c. du passif social
issu de la période imposable X, à laquelle s’ajoutent
également 20 p.c. du passif social issu de la période
imposable X+1;
L’étalement du montant des bénéfices et profits à
exonérer, visé à l’article 67quater, alinéa 2, CIR 92,
à concurrence de 20 p.c. par période imposable est
applicable tant que le travailleur concerné reste en
service dans l’entreprise. Dès lors que celui-ci quitte
l’entreprise, l’exonération étalée de la partie résiduelle
du passif social n’est plus applicable, de sorte que seule
la partie du montant à exonérer qui est déjà exonérée
au moment du départ de ce travailleur sera reprise dans
les bénéfices et profits de la période imposable au cours
de laquelle l’emploi prend fin.
3°, a): Le remplacement des mots “un montant maxi-
mum” par les mots “un montant maximum de rémunéra-
tion mensuelle brute par travailleur” dans l’alinéa 3 de
l’article 67quater, CIR 92, qui devient par le présent
projet l’alinéa 4, précise que le montant maximum des
rémunérations qui peut entrer en ligne de compte pour
l’exonération d’impôts “Passif social en vertu du statut
unique” doit se calculer par travailleur, comme l’indiquait
déjà le rapport au Roi de l’arrêté royal du 25 avril 2014
modifiant l’AR/CIR 92: “Elle (nb: l’exonération pour “pas-
sif social”) permet aux employeurs d’exonérer d’impôts
une partie de leurs bénéfices et profits par travailleur
ayant atteint une certaine ancienneté (5 années de
service) dans le statut unique” (M.B. 14.05 2014, Ed. 2,
p. 39116). En outre, cette correction permet également
de préciser l’idée, exprimée dans ce même rapport au
Roi, que le point de départ du calcul de la limitation
du droit d’exonération conformément à l’article 46ter,
6
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van het recht op de vrijstelling overeenkomstig artikel
46ter, KB/WIB 92, het “volledig bruto maandloon” is (zie
B.S. 14.05 2014, Ed. 2, p. 39116: “Bij de opbouw van het
sociaal passief zal tot een bruto maandloon van (...) het
volledig maandloon in ogenschouw worden genomen.”,
“Het aldus vastgestelde maximum basismaandloon
(...)”).Omwille van de rechtszekerheid, was het daarom
noodzakelijk om een duidelijkere formulering op te
nemen in de wet.
3°, b) en 4°, eerste lid: Naar aanleiding van de wetten
van 6 januari 2014 betreffende de herziening van de
Grondwet moeten koninklijke besluiten ter uitvoering
van wetten waarbij het de bedoeling is dat ze worden
bekrachtigd door een wet voortaan enkel worden voor-
gelegd aan de Kamer van vertegenwoordigers.
4°, tweede lid: Er wordt een zesde lid toegevoegd
aan het artikel 67quater, WIB 92, die de in aanmerking
te nemen bruto maandbezoldiging bepaalt. De bruto
maandbezoldiging waarop desgevallend de beperking
als bedoeld in artikel 46ter, KB/WIB 92, van toepassing
is, heeft betrekking op het gemiddelde van alle bruto
maandelijkse bezoldigingen, inclusief overuren, die de
werknemer ontvangt tijdens het desbetreffende belast-
baar tijdperk. Bijgevolg volstaat het dus niet om bijvoor-
beeld enkel de laatste vergoeding te nemen, noch de
andere bestanddelen van de bezoldiging die geen deel
uitmaken van de regelmatig toegekende maandelijkse
normale bezoldiging, zoals het vakantiegeld, de einde-
jaarspremies, de variabele vergoeding en resultaats- of
werknemersparticipatie-gebonden bonussen. De bruto
maandbezoldiging is de gemiddelde bruto maandelijkse
bezoldiging voor inhouding van de persoonlijke sociale
zekerheidsbijdrage.
4°, derde lid: Ten slotte wordt een zevende lid toege-
voegd aan artikel 67quater, WIB 92, dat bepaalt hoe de
maandelijkse bezoldiging moet omgezet worden naar
een wekelijkse bezoldiging. De omzettingsmethode
van de maandelijkse bezoldiging naar de wekelijkse
bezoldiging past een multiplicator van 3/13 toe op de
maandelijkse bezoldiging om zo de wekelijkse bezoldi-
ging te bepalen. Deze methode is geïnspireerd op de
regel bepaald bij artikel 39, § 1, vierde lid, van de wet
van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
VOORBEELD:
Veronderstel een zelfstandige met 1 werknemer,
wiens bruto maandelijkse bezoldiging 3 000 € bedraagt.
Voor de eenvoud wordt er van uitgegaan dat zijn bezol-
diging niet van jaar tot jaar evolueert.
Deze werknemer voldoet aan de voorwaarde van
minimaal vijf dienstjaren in het eenheidsstatuut in 2019
AR/CIR 92, est le “salaire mensuel brut complet” (voir
M.B. 14.05 2014, Ed. 2, p. 39116: “Lors de la formation
du passif social, un salaire mensuel brut complet (…)
sera pris en considération.”, “Le salaire de base mensuel
maximum ainsi établi (…)”). Dans un souci de sécurité
juridique, il convenait donc d’adopter une formulation
plus claire dans la loi.
3°, b) et 4°, premier alinéa: Suite aux lois du
6 janvier 2014 relatives à la révision de la Constitution,
les arrêtés royaux pris en exécution de lois pour lesquels
il est prévu qu’ils soient confirmés par une loi doivent
dorénavant être présentés à la seule Chambre des
représentants.
4°, alinéa 2: Il est inséré un alinéa 6 à l’article 67qua-
ter, CIR 92, qui définit la rémunération mensuelle brute à
prendre en compte. La rémunération mensuelle brute à
partir de laquelle s’applique, le cas échéant, la limitation
prévue à l’article 46ter, AR/CIR 92, porte sur la moyenne
de l’ensemble des rémunérations mensuelles brutes,
les heures supplémentaires incluses, que le travailleur
a reçues au cours de la période imposable concer-
née. Il ne s’agit donc pas de prendre, ni par exemple,
uniquement la dernière rémunération, ni non plus les
autres éléments constitutifs de la rémunération qui ne
font pas partie de la rémunération mensuelle normale
allouée régulièrement, comme le pécule de vacances,
les primes de fin d’année, les rémunérations variables
et bonus liés aux résultats ou à la participation des
travailleurs. La rémunération mensuelle brute est la
rémunération mensuelle brute moyenne avant retenue
des cotisations personnelles de sécurité sociale.
4°, alinéa 3: Enfin, un alinéa est inséré à l’article
67quater, CIR 92, pour déterminer comment transformer
la rémunération mensuelle en rémunération hebdoma-
daire. La méthode de conversion de la rémunération
hebdomadaire à partir de la rémunération mensuelle
consiste à multiplier par 3/13ème la rémunération men-
suelle pour déterminer la rémunération hebdomadaire.
Cette méthode s’inspire de la règle énoncée à l’article
39, § 1er, alinéa 4, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux
contrats de travail.
EXEMPLE:
Soit un indépendant, avec un travailleur, dont la rému-
nération mensuelle brute est de 3 000 €. Dans un souci
de simplification, nous considérons que sa rémunération
n’évolue pas d’une année à l’autre.
Ce travailleur remplit la condition de 5 années de ser-
vice dans le statut unique en 2019, et sa rémunération
7
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
en zijn basismaandbezoldiging bedraagt, bij toepassing
van artikel 46ter, eerste lid, KB/WIB 92, 1 830 €, zijnde:
1 500 € + 330 € (= 30 % x (2 600 € – 1 500,01 €)).
Het vrij te stellen sociaal passief bedraagt, voor het
belastbaar tijdperk 2019 en de daaropvolgende tijdper-
ken, 1 267 €, zijnde 1 830 € vermenigvuldigd met 3/13,
vermenigvuldigd met 3 weken.
Belastbaar tijdperk/
Période imposable
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Sociaal passief ontstaan uit b.t./
Passif social issu de la p.i.
1 267
1 267
1 267
1 267
1 267
1 267
1 267
Maximaal vrij te stellen in b.t.:/
Maximum à exonérer à la p.i.:
2019
253,4
NA
NA
NA
NA
NA
NA
253,4
2020
253,4
253,4
NA
NA
NA
NA
NA
506,8
2021
253,4
253,4
253,4
NA
NA
NA
NA
760,2
2022
253,4
253,4
253,4
253,4
NA
NA
NA
1 013,6
2023
253,4
253,4
253,4
253,4
253,4
NA
NA
1 267,0
2024
/
253,4
253,4
253,4
253,4
253,4
NA
1 267,0
2025
/
/
253,4
253,4
253,4
253,4
253,4
1 267,0
Er wordt aan herinnerd dat de vrijstelling voor soci-
aal passief behoort tot de groep van “niet-belastbare
bestanddelen” waarnaar in artikel 76, eerste lid, 2°,
c, KB/WIB 92, wordt verwezen. Daardoor zal, indien
het resultaat van de vennootschap voor een bepaald
belastbaar tijdperk ontoereikend is om de aftrek van
het totale bedrag van de niet-belastbare bestanddelen
(code 1610) toe te staan, het niet-afgetrokken deel van
de vrijstelling, behorend tot het globale bedrag van de
verschillende niet-belastbare bestanddelen, niet naar
de volgende belastbare tijdperken overdraagbaar zijn.
Dit deel is dus in voorkomend geval definitief verloren.
Er wordt ook nog aan herinnerd dat niet alleen
vennootschappen, maar ook natuurlijke personen die
werknemers hebben die voldoen aan de voorwaarden
van artikel 67quater, WIB 92, kunnen genieten van de
vrijstelling voor “sociaal passief”.
Hier wordt ten slotte nog aan toegevoegd dat wan-
neer een werknemer de onderneming verlaat, de in zijn
hoofde gecumuleerde vrijstellingen opnieuw opgeno-
men dienen te worden in het belastbaar resultaat. Dat
resultaat wordt dan verminderd met de kosten die met
het ontslag gepaard gaan.
mensuelle de base, en application de l’article 46ter,
alinéa 1er, AR/CIR 92, est de 1 830 €, à savoir: 1 500 €
+ 330 € (= 30 % x (2 600 euros – 1 500,01 euros)).
Le passif social à exonérer, à partir de la période
imposable 2019 et pour les périodes suivantes, est de
1 267 €, soit 1 830 euros multiplié par 3/13, multiplié
par 3 semaines.
Rappelons que l’exonération pour passif social
appartient au groupe des “éléments non imposables”
auquel se réfère l’article 76, alinéa 1er, 2°, c, AR/CIR 92.
De ce fait, si les bénéfices de la société pour une
période imposable déterminée sont insuffisants pour
permettre la déduction du montant total des éléments
non imposables (code 1610), la partie de l’exonération,
afférente au montant global des différents éléments non
imposables, non déduite n’est pas reportable sur les
périodes imposables suivantes. Cette partie est donc,
le cas échéant, définitivement perdue.
Rappelons encore que non seulement les sociétés,
mais également les personnes physiques ayant des
travailleurs qui répondent aux conditions de l’article
67quater, CIR 92, peuvent bénéficier de l’exemption
pour “passif social”.
Ajoutons enfin que lorsqu’un travailleur quitte la
société, les exonérations cumulées dans le chef de
celui-ci doivent être reprises dans le résultat imposable.
Ce résultat est ensuite diminué des coûts associés au
licenciement.
8
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 3
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van artikel 2 van
dit ontwerp.
Het is belangrijk te onderlijnen dat de vrijstelling
voor sociaal passief kan genoten worden van zodra
één of meer werknemers minstens 5 dienstjaren in het
eenheidsstatuut gepresteerd hebben. Het is daarbij van
geen belang of het om een normaal of gebroken boek-
jaar gaat, zolang de voormelde voorwaarden vervuld
zijn, wordt het recht op de vrijstelling verkregen.
HOOFDSTUK 2
ATAD – Interestaftrekbeperking
Art. 4 tot 7
De wet van 25 december 2017 tot hervorming van de
vennootschapsbelasting had onder meer de gedeelte-
lijke omzetting tot doel van richtlijn (EU) 2016/1164 van
de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter
bestrijding van belastingontwijkingspraktijken, welke
rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de
interne markt (“ATAD-Richtlijn “).
De artikelen 34, 35, 36, 39, 6° tot 15° en 40 van de
voormelde wet van 25 december 2017 hebben meer
bepaald het artikel 198 van het Wetboek van de in-
komstenbelastingen 1992 (“WIB 92”) gewijzigd en de
nieuwe artikelen 194sexies, 194septies en 198/1 in dit
Wetboek ingevoegd met als doel het belastingstelsel van
de interestaftrekbeperking in vennootschapsbelasting
te voorzien in lijn met de regels van de ATAD-richtlijn.
Het artikel 86, B2, van de voormelde wet van
25 december 2017, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018,
bepaalt de inwerkingtreding van deze bepalingen op
1 januari 2020 en voorziet dat ze van toepassing zijn
vanaf aanslagjaar 2021 verbonden aan een belastbaar
tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020.
Tijdens de opmaak van de begroting 2019 heeft de
regering besloten om de inwerkingtreding van deze
bepalingen met een jaar te vervroegen, namelijk naar
2019, en dat in overeenstemming van het voorschrift
van het artikel 11, eerste lid, van de Richtlijn ATAD en
in overleg met de Europese Commissie.
Aangezien door de vervroeging van de inwerking-
treding van deze maatregel de interestaftrekbeperking
op hetzelfde tijdstip in werking zal treden als de aftrek
van de groepsbijdrage, is het niet meer noodzakelijk om
door middel van twee verschillende wijzigingsartikelen
Art. 3
Cet article règle l’entrée en vigueur de l’article 2 du
présent projet.
Il est important de souligner que l’on pourra bénéfi-
cier de l’exonération pour le passif social dès qu’un ou
plusieurs employés auront presté au moins 5 années de
service dans le statut unique. Il est donc sans impor-
tance qu’il s’agisse d’un exercice comptable normal ou
à cheval, tant que les conditions précitées sont remplies,
le droit à l’exonération est obtenu.
CHAPITRE 2
ATAD – Limitation d’intérêts
Art. 4 à 7
La loi du 25 décembre 2017 portant réforme de l’impôt
des sociétés avait notamment pour objet de transposer
partiellement la directive (UE) 2016/1164 du Conseil du
12 juillet 2016 établissant des règles pour lutter contre
les pratiques d’évasion fiscale qui ont une incidence
directe sur le fonctionnement du marché intérieur
(“Directive ATAD”).
Les articles 34, 35, 36, 39, 6° à 15° et 40 de la loi
susvisée du 25 décembre 2017 ont en particulier modifié
l’article 198 du Code des impôts sur les revenus 1992
(“CIR 92”) et inséré les nouveaux articles 194sexies,
194septies et 198/1 dans le même Code afin d’organiser
le régime fiscal de la limitation de la déduction d’intérêts
à l’impôt des sociétés suivant les règles énoncées dans
la Directive ATAD.
L’article 86, B2, de la loi susvisée du 25 décembre 2017,
modifié par la loi du 30 juillet 2018, fixe l’entrée de ces
dispositions au 1er janvier 2020 et prévoit qu’elles sont
applicables à partir de l’exercice d’imposition 2021 se
rattachant à une période imposable qui débute au plus
tôt le 1er janvier 2020.
Lors de la confection du budget 2019, le gouverne-
ment a décidé d’avancer d’un an, en 2019, l’entrée
en vigueur de ces dispositions et ce conformément
aux prescriptions de l’article 11, paragraphe 1er, de la
Directive ATAD en concertation avec la Commission
européenne.
Compte tenu que, par l’anticipation de l’entrée en
vigueur de cette disposition, la limitation de la déduction
des intérêts entrera en vigueur au même moment que
la déduction des transferts intra-groupe, il n’est plus
nécessaire d’insérer le nouvel article 194septies dans
9
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
het nieuwe artikel 194septies in het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 in te voegen. Artikel 35 van
de voormelde wet van 25 december 2017 wordt bijgevolg
ingetrokken.
De bepalingen B1 en B2 van artikel 86 van de voor-
melde wet van 25 december 2017 zullen aldus gewijzigd
worden om de inwerkingtreding van deze bepalingen op
1 januari 2019 vast te stellen, waardoor deze van toepas-
sing zullen zijn vanaf het aanslagjaar 2020 verbonden
aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt
op 1 januari 2019.
Bovendien wordt er aan herinnerd dat elke wijziging
die vanaf 26 juli 2017 aan de afsluitingsdatum van het
boekjaar wordt aangebracht, zonder uitwerking blijft
voor de toepassing van deze bepalingen.
HOOFDSTUK 3
Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse
vennootschap verbonden met de werkgever
ALGEMENE TOELICHTING
Wanneer een werkgever beslist om zijn werknemers
te verlonen door het gratis of tegen verminderde prijs
toekennen van aandelenopties, is het voordeel dat daar-
uit voortvloeit een belastbaar voordeel van alle aard. Dit
voordeel maakt deel uit van de bezoldigingen van de
werknemer waarop de werkgever bedrijfsvoorheffing
moet inhouden.
Het komt echter voor dat aandelenopties of andere
voordelen van alle aard verleend worden door een derde
onderneming die geen inwoner is van België en verbon-
den is met de werkgever. Zo kan een buitenlandse moe-
dervennootschap bv. aandelenopties toekennen aan
werknemers van haar Belgische dochtervennootschap.
Op basis van de bestaande bepalingen van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92),
moet er voor een dergelijke toekenning geen be-
drijfsvoorheffing worden ingehouden. Enerzijds is de
moedervennootschap die de aandelenopties toekent
een buitenlandse vennootschap waardoor deze im-
mers moeilijk onderworpen kan worden aan een uit
het Belgische recht voortvloeiende verplichting om
bedrijfsvoorheffing in te houden. Anderzijds is de
Belgische dochtervennootschap, die de werkgever is
van de begunstigde van de aandelenopties, er niet
toe gehouden om bedrijfsvoorheffing in te houden
naar aanleiding van deze verrichting als ze er zelf niet
in tussenkomt (als schuldenaar, als bewaarder, als
le Code des impôts sur les revenus 1992 au moyen de
deux articles modificatifs différents. Par conséquent,
l’article 35 de la loi précitée du 25 décembre 2017 est
retiré.
Les dispositions B1 et B2 de l’article 86 de la loi sus-
visée du 25 décembre 2017 seront dès lors modifiées
afin que l’entrée en vigueur des dispositions en question
soit fixée le 1er janvier 2019, de sorte que celles-ci soient
applicables à partir de l’exercice d’imposition 2020 se
rattachant à une période imposable qui débute au plus
tôt le 1er janvier 2019.
Par ailleurs, il est rappelé que toute modification
apportée à la date de clôture de l’exercice comptable à
partir du 26 juillet 2017, reste sans effet pour l’application
de ces dispositions.
CHAPITRE 3
Rémunérations reçues d’une société étrangère
liée à l’employeur
EXPOSÉ GÉNÉRAL
Lorsqu’un employeur décide de rémunérer ses
travailleurs au moyen de l’attribution gratuite ou à prix
réduit d’options sur des actions, l’avantage qui en
résulte constitue un avantage de toute nature imposable.
Cet avantage fait partie de la rémunération du travailleur,
sur base de laquelle l’employeur est tenu de retenir un
précompte professionnel.
Il arrive cependant que les options sur actions ou
d’autres avantages de toute nature soient octroyés par
une entreprise tierce, non résidente en Belgique, et liée à
l’employeur. Concrètement, une société-mère étrangère
peut accorder, par exemple, des options sur actions aux
travailleurs de sa société-filiale belge.
En l’état actuel du Code des impôts sur les revenus
1992 (CIR 92), une telle situation ne requiert pas de
percevoir un précompte professionnel. En effet, d’une
part, la société-mère qui attribue les options sur actions
est une société étrangère, et elle peut donc difficilement
être soumise à une obligation de droit belge de prélever
un précompte. D’autre part, la société-filiale belge, qui
est l’employeur du bénéficiaire des options sur actions,
n’est pas tenue de prélever un précompte professionnel
à l’occasion de cette opération si elle n’intervient pas du-
rant celle-ci (que ça soit à titre de débitrice, dépositaire,
mandataire ou intermédiaire). Cependant, si la filiale
belge intervient de façon active dans l’opération, elle
est qualifiée d’intermédiaire raison pour laquelle elle est
10
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
mandataris of als tussenpersoon). Echter, indien de
Belgische dochtervennootschap actief tussenkomt in
de verrichting wordt ze als tussenpersoon beschouwd,
waardoor ze overeenkomstig de relevante bepalingen
van het WIB 92 momenteel reeds verplicht is om be-
drijfsvoorheffing in te houden.
Bovendien is het mogelijk dat de Administratie er niet
van op de hoogte wordt gebracht dat een dergelijke toe-
kenning heeft plaatsgevonden, en dit niettegenstaande
de verplichting om individuele en samenvattende fiches
op te maken die door artikel 44, tweede lid, van de wet
van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan
voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse
bepalingen wordt opgelegd.
Wanneer er geen bedrijfsvoorheffing wordt ingehou-
den en ook de verplichting om bepaalde inlichtingen te
verstrekken niet wordt gerespecteerd, ontsnapt dit type
van toekenning van aandelenopties via een verbonden
buitenlandse vennootschap aan de belastingheffing.
Dit hoofdstuk wil de onderworpenheid van deze toe-
kenningen aan de belastingheffing benadrukken door
een fictie te creëren die de werkgever van de begun-
stigde van een dergelijke verrichting ertoe verplicht om
niet alleen bedrijfsvoorheffing in te houden, maar ook
de ficheverplichting te vervullen.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Afdeling 1
Wijzigingen van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Art. 8
Dit artikel voegt in artikel 270, WIB 92 een tweede
lid in. Voortaan wordt een belastingplichtige die onder-
worpen is aan de vennootschapsbelasting of aan de
rechtspersonenbelasting en waarbij diens werknemer
wegens of naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit bij
die belastingplichtige bezoldigingen en/of voordelen
van alle aard ontvangt zoals bedoeld in artikel 30, 1°
en 2°, WIB 92 vanwege een met die belastingplichtige
verbonden buitenlandse vennootschap, geacht die be-
zoldigingen en/of voordelen van alle aard zelf te hebben
toegekend. Ook de belastingplichtige die onderworpen
is aan de belasting der niet-inwoners, wiens werknemer
vanwege een met de belastingplichtige verbonden
buitenlandse vennootschap dergelijke bezoldigingen
verkrijgt en waarvoor de belastingplichtige zelf bezoldi-
gingen betaalt of toekent die beroepskosten zijn, wordt
geacht deze bezoldigingen zelf te hebben toegekend.
déjà tenue en application des dispositions pertinentes
du CIR 92 de prélever du précompte professionnel.
Par ailleurs, il se peut que l’Administration ne soit
pas tenue informée de la survenance d’une telle attri-
bution, et ce malgré l’obligation d’établir des fiches
individuelles et de relevés récapitulatifs contenue à
l’article 44, alinéa 2, de la loi du 26 mars 1999 relative
au plan d’action belge pour l’emploi 1998 et portant des
dispositions diverses.
En l’absence de retenue du précompte professionnel,
et en l’absence du respect de l’obligation de transmettre
certaines informations, ce type d’attribution d’options
sur actions via une société liée étrangère échappe à
l’impôt qui devrait normalement être dû.
Le présent chapitre vise à souligner l’assujetissement
de ces attributions à l’impôt, en créant une fiction obli-
geant l’employeur du bénéficiaire d’une telle opération
non seulement à prélever un précompte professionnel,
mais aussi à établir une fiche.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
Section première
Modifications du Code des
impôts sur les revenus 1992
Art. 8
Cet article insère un alinéa 2 à l’article 270, CIR 92.
Désormais, un contribuable imposable à l’impôt des
sociétés ou à l’impôt des personnes morales dont un
travailleur reçoit en raison ou à l’occasion de son activité
professionnelle auprès du contribuable des rémunéra-
tions et/ou des avantages de toute nature tels que visés
à l’article 30, 1° et 2°, CIR 92 de la part d’une société
étrangère liée à ce contribuable sera considéré comme
ayant lui-même octroyé ces rémunérations et/ou ces
avantages de toute nature. Le contribuable assujetti à
l’impôt des non-résidents, dont un travailleur reçoit de
la part d’une société étrangère liée à ce contribuable de
telles rémunérations et pour lequel le contribuable paye
ou attribue lui-même des rémunérations qui constituent
des frais professionnels, sera également considéré
comme ayant lui-même octroyé ces rémunérations.
11
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De werknemer in kwestie heeft dus wel degelijk een
arbeidsrelatie met zijn Belgische werkgever, en niet met
de buitenlandse moederonderneming of het buitenland-
se hoofdhuis van deze laatste. Het betreft hier dus geen
geval van salary split, aangezien het werk wel degelijk
enkel wordt uitgevoerd voor de Belgische werkgever,
hoewel een deel van de bezoldiging betaald wordt door
een buitenlandse onderneming zonder in contractueel
verband te staan met de werknemer. De hypothese van
salary split, hetgeen hier dus niet wordt beoogd, zou
met zich meebrengen dat de werknemer in contractueel
verband staat met zowel de Belgische vennootschap als
de verbonden buitenlandse vennootschap.
De werknemer kan onderworpen zijn aan de perso-
nenbelasting (PB) of aan de belasting der niet-inwoners
betreffende natuurlijke personen (BNI/nat.pers.). Het
nieuwe artikel 270, tweede lid, WIB 92, beoogt namelijk
de begunstigden die bezoldigingen ontvangen bedoeld
in artikel 30, 1° en 2°, WIB 92, dat zijn de bezoldigingen
van werknemers (1°) en de bezoldigingen van bedrijfs-
leiders (2°). Dit artikel, dat evenwel enkel aanwezig is
in het deel met betrekking tot de PB, is eveneens van
toepassing op de BNI/nat.pers. Artikel 228, § 2, 6°,
WIB 92, definieert namelijk als belastbare inkomsten in
de BNI/nat.pers. de bezoldigingen bedoeld in artikel 23,
§ 1, 4°, WIB 92, dewelke de “bezoldigingen” vermeld, die
vervolgens worden gedefinieerd in artikel 30, WIB 92.
Een buitenlandse vennootschap is een vennootschap
die in België geen maatschappelijke zetel, voornaamste
inrichting of zetel van bestuur of beheer heeft (artikel 2,
§ 1, 5°, c, WIB 92).
Deze fictie wordt uitdrukkelijk beperkt tot de toepas-
sing van de bedrijfsvoorheffing en heeft, gelet op het
principe van de hiërarchie der normen, voorrang op de
bepalingen van het Koninklijk besluit tot uitvoering van
het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/
WIB 92).
Deze wettelijke fictie is bovendien enkel van toepas-
sing op de bedrijfsvoorheffing voor zover het gaat om
een voorschot op de belasting. Het is wel degelijk in die
zin dat de term “voor de toepassing van de bedrijfsvoor-
heffing” van de inleidende zin van artikel 270, tweede
lid, WIB 92 nieuw moet worden begrepen. De fictie
kan niet worden toegepast op de bedrijfsvoorheffing
als berekeningsgrondslag voor een fiscaal voordeel in
hoofde van de werkgever. Ze heeft derhalve geen impact
op de toepassing van de vrijstellingen van doorstorten
van bedrijfsvoorheffing (artikelen 2751 tot 27511, WIB 92).
De fictie heeft enkel een impact op het vlak van de
berekening van het bedrag aan bedrijfsvoorheffing dat
moet worden geïnd en op de wijze waarop de bedrijfs-
voorheffing wordt geïnd. Het is logisch dat de impact
Le travailleur en question est donc bien dans une
relation de travail avec son employeur belge, et pas
avec la société mère étrangère ou le siège principal
étranger de ce dernier. Il ne s’agit donc pas d’un cas
de salary split, puisque le travail est bien effectué uni-
quement pour l’employeur belge, bien qu’une partie de
la rémunération soit payée par une entreprise étrangère
sans lien contractuel avec le travailleur. L’hypothèse du
salary split, non visée ici, impliquerait que le travailleur
soit à la fois dans des liens contractuels avec la société
belge et avec la société liée étrangère.
Le travailleur peut être assujetti à l’impôt des per-
sonnes physiques (IPP) ou à l’impôt des non-résidents/
personnes physiques (INR/pp). En effet, l’article 270,
alinéa 2, CIR 92 nouveau, vise les bénéficiaires rece-
vant des rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°,
CIR 92, à savoir les rémunérations des travailleurs (1°)
et les rémunérations des dirigeants d’entreprise (2°).
Cet article, bien que présent uniquement dans la partie
relative à l’IPP, est entièrement applicable à l’INR/pp.
En effet, l’article 228, § 2, 6°, CIR 92, définit comme
revenus imposables à l’INR/pp les rémunérations
visées à l’article 23, § 1er, 4°, CIR 92, lequel mentionne
les “rémunérations”, qui sont ensuite définies à l’article
30, CIR 92.
La société étrangère est celle qui n’a pas en Belgique
son siège social, son principal établissement ou son
siège de direction ou d’administration (article 2, § 1er,
5°, c, CIR 92).
Cette fiction légale est expressément limitée à
l’application du précompte professionnel, et s’impose,
eu égard au principe de la hiérarchie des normes, aux
dispositions règlementaires contenues dans l’arrêté
royal d’exécution du Code des impôts sur les revenus
1992 (AR/CIR 92).
En outre, cette fiction légale s’applique uniquement
au précompte professionnel en tant qu’il s’agit d’une
avance sur l’impôt. C’est bien en ce sens qu’il faut
entendre les termes “pour l’application du précompte
professionnel” de la phrase liminaire de l’article 270, ali-
néa 2, CIR 92 nouveau. La fiction ne saurait s’appliquer
au précompte professionnel en tant que base de calcul
d’un avantage fiscal dans le chef de l’employeur. Ainsi,
elle n’a pas d’effet pour l’application des dispenses de
versement de précompte professionnel (articles 2751 à
27511, CIR 92). La fiction ne produit ses effets que dans
le cadre du calcul du montant du précompte profes-
sionnel à percevoir et dans le mode de perception du
précompte professionnel. Il est logique que les effets
de cette fiction ne s’étendent pas aux dispenses de
12
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van deze fictie zich niet uitstrekt tot de vrijstellingen van
doorstorting van bedrijfsvoorheffing. Dit zou immers
neerkomen op het verlenen van een fiscaal voordeel
dat als een lastenverlaging wordt beschouwd, aan een
persoon die in werkelijkheid de economische kost van
die last niet draagt.
Voor het begrip verbonden vennootschap verwijst de
bepaling naar artikel 1:20 van het Wetboek van vennoot-
schappen en verenigingen. Derhalve worden als met
een andere vennootschap verbonden vennootschap-
pen beschouwd, de vennootschappen die deze eerste
vennootschap controleren, de vennootschappen die
door deze gecontroleerd worden, de vennootschappen
waarmee ze een consortium vormt of nog de vennoot-
schappen die, bij weten van haar bestuursorgaan, onder
de controle staan van de verbonden vennootschap in de
zin van één van de vorige gevallen (indirecte controle).
Het begrip controle wordt eveneens omschreven in het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
Art. 9
Dit artikel wijzigt artikel 272, eerste lid, WIB 92 in
eerste instantie om elke twijfel weg te nemen met be-
trekking tot de gevolgen van de invoering van de fictie
door het vorige artikel.
Artikel 272, eerste lid, 3°, WIB 92 nieuw laat expliciet
toe aan de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing die
door de fictie worden geviseerd om de bedrijfsvoorhef-
fing in te houden die door die fictie verschuldigd is op alle
belastbare inkomsten die ze storten aan de betrokken
begunstigde van de bezoldigingen.
Dit artikel wijzigt ook de verwijzingen naar artikel
270, WIB 92, gelet op de onderverdeling van dat laatste
artikel in meerdere leden.
Art. 10 tot 21
Deze artikelen wijzigingen de verwijzingen naar artikel
270, WIB 92, dat voortaan een tweede lid kent.
Afdeling 2
Verplichtingen tijdens overgangsperiode voor de inkomsten
van het belastbaar tijdperk 2018
Art. 22 en 23
Dit autonoom artikel voegt een ficheverplichting in
ten aanzien van de belastingplichtige wiens werknemer
versement de précompte professionnel. En effet, cela
reviendrait à accorder un avantage fiscal considéré
comme un allégement de charges à une personne qui
ne supporte pas en réalité le coût économique de la
charge en question.
Pour la notion de société liée, la disposition renvoie à
l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations.
Sont donc considérées comme sociétés liées à une
autre société, les sociétés que cette dernière contrôle,
celles qui la contrôlent, celles avec lesquelles elle forme
un consortium ou encore celles qui, à la connaissance
de son organe d’administration, sont contrôlées par
une société liée selon un des cas précédents (contrôle
indirect). La notion de contrôle est également définie par
le Code des sociétés et des associations .
Art. 9
Cet article modifie principalement l’article 272,
alinéa 1er, CIR 92, afin d’ôter tout doute quant aux
conséquences de l’introduction de la fiction par l’article
précédent.
L’article 272, alinéa 1er, 3°, CIR 92 nouveau, permet
ainsi explicitement aux redevables du précompte profes-
sionnel visés par la fiction de retenir le précompte dû en
raison de cette fiction sur tous les revenus imposables
qu’ils versent au bénéficiaire des rémunérations.
Par ailleurs, cet article modifie des références à
l’article 270, CIR 92, suite à sa subdivision en alinéas.
Art. 10 à 21
Ces articles modifient des références à l’article
270, CIR 92, désormais doté d’un alinéa 2.
Section 2
Obligation transitoire pour les revenus de la période
imposable 2018
Art. 22 et 23
Cet article autonome instaure une obligation de fiche
à l’égard du contribuable dont un travailleur perçoit
13
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bezoldigingen ontvangt van een buitenlandse vennoot-
schap verbonden aan deze belastingplichtige. Deze ver-
plichting is beperkt tot de inkomsten van het jaar 2018.
Inderdaad, vanaf inkomstenjaar 2019 moeten deze
belastingplichtigen bedrijfsvoorheffing inhouden op deze
bezoldigingen (artikel 270, tweede lid, WIB 92, zoals
ingevoegd door artikel 8 van dit ontwerp). Zij zijn boven-
dien eveneens gehouden tot de ficheverplichtingen die
reeds bestonden met betrekking tot de bedrijfsvoorhef-
fing. Er bestaat dus geen specifieke verplichting voor
de inkomsten betaald of toegekend in het inkomstenjaar
2018. Dit artikel creëert een dergelijke verplichting.
De Koning zal de af te leveren modelfiche opstel-
len. Deze fiche dient via elektronische weg de FOD
Financiën te bereiken voor 1 maart 2019.
Het niet-respecteren van deze verplichting zal ge-
sanctioneerd worden met een boete van 10 pct. van
het bedrag aan betaalde of toegekende bezoldigingen
per inbreuk. De andere bepalingen van het WIB 92 (on-
derzoeksprocedure, beroep, enz.) zijn van toepassing
met uitzondering van de artikelen 219 en 445, WIB 92.
De boete wordt echter niet toegepast indien de
belastingplichtige kan aantonen dat het bedrag van
de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, WIB
92, reeds begrepen is in een door de begunstigde in
België ingediende aangifte of in een gelijkaardig in het
buitenland ingediende aangifte. In dat geval is de be-
lastbaarstelling van de bezoldiging reeds verzekerd en
is het niet meer noodzakelijk een bijkomende boete op
te leggen aan de belastingplichtige.
Deze ficheverplichting voor inkomstenjaar 2018 is een
autonoom artikel. Gezien de zeer beperkte duur van de
maatregel, is het niet nuttig om deze in het WIB 92 in te
voegen. Het advies nr. 64.422/3 van de Raad van State
wordt op dit punt niet gevolgd.
Art. 24
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit hoofd-
stuk. De fictie met betrekking tot de bedrijfsvoorheffing
treedt in werking op 1 januari 2019. Ze zal dus van toe-
passing zijn op de bezoldigingen die vanaf die datum
worden toegekend.
Voor de bezoldigingen toegekend of betaald in kalen-
derjaar 2018, is een tijdelijke bepaling ingevoerd die een
loutere ficheverplichting instelt in hoofde van de werk-
gever van de begunstigde. Het is dan ook noodzakelijk
dat deze bepaling in werking treedt op de dag waarop
de wet wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad
des rémunérations d’une société étrangère liée à ce
contribuable. L’obligation est limitée aux revenus de
l’année 2018.
En effet, à partir de l’année de revenus 2019, ces
contribuables seront tenus de retenir un précompte
professionnel sur ces rémunérations (article 270, alinéa
2, CIR 92, tel qu’inséré par l’article 8 en projet). En plus,
ils seront également tenus par les obligations de fiche
déjà existantes en matière de précompte professionnel.
Il n’existe donc pas d’obligation particulière pour les
revenus payés ou attribués au cours de l’année de reve-
nus 2018. Le présent article crée une telle obligation.
Le Roi établira le modèle de fiche à fournir. Cette fiche
devra parvenir par voie électronique au SPF Finances
avant le 1er mars 2019.
Le non-respect de cette obligation sera sanctionné
par une amende de 10 p.c. du montant des rémunéra-
tions payées ou attribuées. Les autres dispositions du
CIR 92 (procédures d’investigation, recours, etc.) sont
applicables à l’exception des articles 219 et 445, CIR 92.
Aucune amende n’est appliquée cependant lorsque
le contribuable peut démontrer que les rémunérations
visées à l’article 30, 1° et 2°, CIR 92 sont comprises
dans une déclaration introduite en Belgique ou dans
une déclaration analogue introduite à l’étranger par le
bénéficiaire. Dans ce cas, l’imposabilité de la rémuné-
ration est déjà assurée et il n’est donc plus nécessaire
d’infliger une amende supplémentaire au contribuable.
Cette obligation de fiche pour l’année de revenus
2018 constitue une disposition autonome. Etant donné
la durée très limitée de la mesure, il n’est pas utile de
l’insérer dans le CIR 92. L’avis n° 64.422/3 du Conseil
d’État n’a pas été suivi sur ce point.
Art. 24
Cet article règle l’entrée en vigueur du présent cha-
pitre. La fiction concernant le précompte professionnel
entre en vigueur au 1er janvier 2019. Elle s’appliquera
donc aux rémunérations à partir de cette date.
Pour les rémunérations attribuées ou payées au cours
de l’année civile 2018, une disposition temporaire est
introduite qui instaure une obligation d’établir une fiche
dans le chef de l’employeur du bénéficiaire. Il est donc
nécessaire que cette disposition entre en vigueur le jour
de sa publication au Moniteur belge et au plus tard le
14
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
en ten laatste op 31 december 2018. Aangezien de
bezoldigingen heden reeds belastbaar zijn, maar door
het ontbreken van een ficheverplichting men deze in-
komsten soms niet aangeeft, is deze ficheverplichting
onontbeerlijk voor de goede werking van de openbare
dienst alsook om de effectieve belastingheffing te ver-
zekeren. Bovendien grijpt deze tijdelijke bepaling niet
in op het materiële recht, noch doet zij een nieuw be-
lastbaar feit ontstaan of verbreedt zij enige belastbare
grondslag, maar maakt zij een loutere maatregel van
procedureel recht uit, die enkel een bestaande toestand
van belastbaarheid bevestigt.
TITEL III
Fraudebestrijding
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen
ALGEMENE TOELICHTING
Volgend op de zwaarte van de onthullingen in de me-
dia betreffende de Panama Papers op 4 april 2016, heeft
de Kamer van volksvertegenwoordigers op 21 april 2016
een bijzondere commissie ingesteld “Internationale
fiscale fraude/ Panama Papers”.
Deze Commissie had tot doel om het juridisch kader,
de middelen en de resultaten van de strijd tegen de
internationale belastingontwijking en fraude in België
te onderzoeken en met name in het verlengde van de
uitgebrachte aanbevelingen door de parlementaire
onderzoekscommissie betreffende de grote fiscale
fraudedossiers in 2009 (DOC 52 34/04).
Het rapport van de bijzondere Commissie
“Internationale fiscale fraude/ Panama Paper” is uit-
gebracht op 31 oktober 2017 (DOC 54 2749/001). Het
bevat 132 aanbevelingen gericht op verbeteringen zowel
op juridisch vlak als op organisatorisch vlak binnen ver-
schillende diensten belast met de strijd tegen de fiscale
fraude. Deze aanbevelingen zijn geordend volgens de
volgende thema’s:
— Maatregelen met betrekking tot de toezichthouder;
— Antiwitwaswetgeving;
— Klokkenluiders;
— Wijzigingen van fiscale wetgeving;
31 décembre 2018. Vu que les rémunérations sont déjà
imposables actuellement, mais qu’à cause d’un défaut
d’obligation d’établir une fiche ces rémunérations ne
sont parfois pas déclarées, cette obligation d’établir
une fiche est nécessaire au bon fonctionnement du
service public, et aussi à la garantie du prélèvement
effectif de l’impôt. De plus, cette disposition temporaire
n’intervient pas sur le droit matériel, elle ne fait pas
naître un nouveau fait générateur et elle n’élargit pas
la base imposable, mais celle-ci est une pure mesure
de droit procédural, qui ne confirme qu’un état existant
d’imposabilité.
TITRE III
Lutte contre la fraude
CHAPITRE 1ER
Modifications en matière d’impôts sur les revenus
EXPOSÉ GÉNÉRAL
Suite à la gravité des révélations dans la presse
liées aux Panama Papers le 4 avril 2016, la Chambre
des représentants a institué le 21 avril 2016 une
Commission spéciale “Fraude fiscale internationale/
Panama Papers”.
Cette Commission avait pour mission d’examiner le
cadre juridique, les moyens et les résultats de la lutte
contre l’évasion et la fraude fiscales internationales
en Belgique et ce notamment dans la continuité des
recommandations émises par la commission d’enquête
parlementaire relative aux grands dossiers de fraude
fiscale en 2009 (DOC 52 34/04).
Le rapport de la Commission spéciale “Fraude
fiscale internationale/Panama Papers” a été rendu
le 31 octobre 2017 (DOC 54 2749/001). Il contient
132 recommandations visant à des améliorations tant
sur le plan juridique qu’organisationnel au sein des
différents services chargés de la lutte contre la fraude.
Ces recommandations sont articulées selon les théma-
tiques suivantes:
— Mesures relatives à l’autorité de contrôle;
— Législation anti-blanchiment;
— Lanceurs d’alerte;
— Modifications de la législation fiscale;
15
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— Statuut, aansprakelijkheid en sensibilisering van
banken en fiscaal adviesverleners;
— Strafprocesrecht;
— Organisatorische aspecten binnen justitie;
— Organisatorische aspecten binnen de
politiediensten;
— Organisatorische aspecten binnen de BBI;
— Coherente aanpak van fiscale fraude;
— Jaarlijkse rapportering.
Het voorgestelde ontwerp heeft tot doel om al enkele
van deze aanbevelingen waarbij wettelijke wijzigingen
werden gesuggereerd te concretiseren. Dat is met name
het geval voor:
— het verbod tot het afsluiten van een voorafgaande
beslissing inzake verrichtingen met de belastingparadij-
zen (aanbevelingen 21 en 36);
— een verlenging van de aanslagtermijn naar 10 jaar
wanneer er gebruik werd gemaakt van juridische con-
structies in belastingparadijzen die ertoe strekken de
herkomst en/of het bestaan van het vermogen te verhul-
len (aanbeveling 69);
— uitbreiding van het toepassingsveld van de uitwis-
seling van inlichtingen met betrekking tot de identiteit
van de uiteindelijk begunstigden (aanbevelingen 74 en
75).
Tenslotte werd er bij de totstandkoming van de nieuwe
maatregelen, daar waar nodig, eveneens rekening ge-
houden met de aanbevelingen die er gekomen zijn naar
aanleiding van de laatste peerreview.
De Raad van State stelt in het randnummer 5 van
haar advies nr. 64.422/3 dat het advies van de
Gegevensbeschermingsautoriteit moet gevraagd
worden voor de artikelen 26, 29,2° en 30 van dit ont-
werp aangezien ze handelen over de verwerking van
persoonsgegevens.
Op 25 oktober 2018 werd voor de voormelde ar-
tikelen 26 en 30 een spoedadvies gevraagd aan de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Dit advies werd op
heden [1] nog niet ontvangen.
1
Heden = 29/11/2018.
— Statut, responsabilité et sensibilisation des
banques et des conseillers fiscaux;
— Procédure pénale;
— Aspects organisationnels au sein de la Justice;
— Aspects organisationnels au sein des services
de police;
— Aspects organisationnels au sein de l’ISI;
— Lutte cohérente contre la fraude fiscale;
— Rapportage annuel.
Le présent projet a pour objectif de concrétiser d’ores
et déjà certaines de ces recommandations dans les-
quelles étaient suggérées des adaptations légales. Tel
est le cas notamment en ce qui concerne:
— l’interdiction de prendre une décision anticipée
relative à des transactions avec des paradis fiscaux
(recommandations 21 et 36);
— un allongement du délai d’imposition à 10 ans
lorsqu’il est fait usage de constructions juridiques
situées dans des paradis fiscaux visant à camoufler l’ori-
gine et/ou l’existence du patrimoine (Recommandation
69);
— une extension du champ d’application de
l’échange de renseignements en ce qui concerne
l’identité des bénéficiaires effectifs (recommandations
74 et 75).
Il a en outre été également tenu compte lors de
la réalisation des nouvelles mesures, là où cela était
nécessaire, des recommandations qui ont été formulées
à la suite du dernier peer review.
Le Conseil d’État affirme dans la recommandation
numéro 5 de son avis n° 64.422/3 que l’avis de l’Autorité
de protection des données doit être demandé pour les
articles 26, 29, 2° et 30 du présent projet étant donné
qu’ils traitent du traitement de données à caractère
personnel.
En date du 25 octobre 2018, un avis a été demandé
en urgence à l’Autorité de protection des données pour
les articles 26 et 30 susvisés. Cet avis n’a, à présent [1],
pas encore été reçu.
1
Présent = 29/11/2018.
16
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Voor het artikel 29, 2° werd geen advies gevraagd aan
de Gegevensbeschermingsautoriteit daar het hier niet
om een nieuwe bepaling gaat. Deze bepaling is terug
te vinden in het artikel 322, § 1, derde lid, WIB 92 zoals
het bestond alvorens te zijn gewijzigd door artikel 29 van
dit ontwerp.
Voor de volledigheid worden hierna nog de adviezen
met betrekking tot de toegang tot het UBO-register waar-
over de Commissie ter bescherming van de persoonlijke
levenssfeer zich heeft uitgesproken, weergegeven:
1. het KB met betrekking tot de werkingsmodaliteiten
van het UBO-register in haar adviezen 46/2017 van
20 september 2017 en 43/2018 van 23 mei 2018;
2. het KB dat de voorwaarden en modaliteiten regelt
voor de raadpleging van de ambtenaren van de FOD
Financiën in haar advies 115/2018 van 7 november 2018.
De commissie adviseerde de toegang voor de amb-
tenaren gunstig mits logging, een machtiging voor het
gebruik van het rijksregisternummer en het gebruik van
een beveiligd authenticatie-instrument.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen
Afdeling 1
Gegevensuitwisseling met derde landen
Art. 25
Het onderhavige wetsontwerp beoogt de uitbreiding
van het gegevensuitwisselingsmechanisme waarin
wordt voorzien door de artikelen 82 tot en met 84 van
de wet van 26 maart 2018 tot omzetting van Richtlijn
2016/2258/EU van de Raad van 6 december 2016
wat betreft toegang tot antiwitwasinlichtingen door
belastingautoriteiten.
Om aan de internationale verplichtingen van België te
voldoen en in overeenstemming te zijn met de OESO-
normen voor transparantie en informatie-uitwisseling en
tegemoet te komen aan de aanbeveling opgenomen in
het peer review-rapport dat in maart 2018, werd uitge-
vaardigd door het Mondiaal Forum inzake transparantie
en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoelein-
den verzekert dit artikel de toegankelijkheid van de des-
betreffende gegevens en derhalve de tijdige gegeven-
suitwisseling tussen België en niet-EU-rechtsgebieden
Pour l’article 29, 2°, aucun avis n’a été demandé à
l’Autorité de protection des données puisque ce n’est
pas une nouvelle disposition. Cette disposition se
retrouve à l’article 322, § 1er, alinéa 3, CIR 92 tel qu’il
existait avant sa modification par l’article 29 du présent
projet.
Par souci d’exhaustivité, les avis concernant l’accès
au registre UBO rendus par la Commission de protection
de la vie privée sont à nouveau mentionnés ci-après:
1. l’AR relatif aux modalités de fonctionnement du re-
gistre UBO dans ses avis 46/2017 du 20 septembre 2017
et 43/2018 du 23 mai 2018;
2. l’AR qui détermine les conditions et modalités de
consultation pour les fonctionnaires du SPF Finances
dans son avis 115/2018 du 7 novembre 2018.
La Commission a rendu un avis favorable pour l’accès
des fonctionnaires pour autant qu’il y ait une autorisation
d’utiliser le numéro de registre national et l’utilisation
d’un outil d’authentification sécurisé.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
CHAPITRE 1ER
Modifications en matière d’impôts sur les revenus
Section première
Échange de données avec des pays tiers
Art. 25
Le présent projet de loi vise à étendre le mécanisme
d’échange de données prévu par les articles 82 à
84 de la loi du 26 mars 2018 transposant la Directive
2016/2258/UE du Conseil du 6 décembre 2016 en ce qui
concerne l’accès des autorités fiscales aux informations
relatives à la lutte contre le blanchiment de capitaux.
Afin de remplir les obligations internationales de la
Belgique et d’être en conformité avec les normes de
l’OCDE en matière de transparence et d’échange de
renseignements et de rencontrer la recommandation
reprise dans le rapport d’examen par les pairs de mars
2018, publié par le Forum mondial sur la transparence et
l’échange d’informations à des fins fiscales, le présent
article garantit l’accessibilité des données en question
et donc le respect des délais du mécanisme d’échange
de données entre la Belgique et les juridictions non
17
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
met wie er een wettelijke basis bestaat voor de uitwis-
seling van informatie. Ook de tijdige toegankelijkheid
tot dergelijke informatie zoals voorgeschreven door
de in de wettekst aangehaalde artikelen van Richtlijn
2015/849/EU inzake de voorkoming van het gebruik
van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of
terrorismefinanciering, teneinde voldoende waarborgen
te geven voor de goede functionering van de administra-
tieve samenwerking conform artikel 1 van de voormelde
Richtlijn 2016/2258/EU, wordt met de toevoeging van
artikel 338ter, WIB 92 thans verwezenlijkt.
Het doel van de invoeging van artikel 338ter in het
WIB 92 is, in het kader van het goede functioneren van
de administratieve samenwerking zoals beoogd door
de voormelde Richtlijn 2016/2258/EU en de OESO-
standaard, de tijdige toegang tot de informatie over de
uiteindelijke begunstigden in de nationale wetgeving
vast te leggen.
De oorspronkelijk aan de Raad van State voorge-
legde ontwerptekst werd gewijzigd omdat er, naar
aanleiding van een vraag van de Raad van State over
de voorgelegde tekst (zie randnummer 21 van het ad-
vies nr. 64.422/3), vastgesteld werd dat de voor advies
voorgelegde ontwerptekst mogelijks niet voldeed aan
de hierboven vermelde doelstelling.
De regering is van oordeel dat de nieuw voorgestelde
tekst niet opnieuw voor advies aan de Raad van State
moet worden voorgelegd.
Afdeling 2
Juridische constructies
Art. 26 en 27
Naar aanleiding van het parlementair onderzoek naar
de grote fiscale fraude dossiers werd de aanbeveling
geformuleerd om binnen de vijf jaar te evalueren of
de toenmalige verlenging van de verjaringstermijn tot
zeven jaar (door middel van de programmawet van
22 december 2008, BS 29 december 2009) voldoende
was om fraude tegen te gaan. Tijdens dat onderzoek
had men immers vastgesteld dat de destijds onder-
zochte dossiers veel tijd in beslag namen ten gevolge
de complexiteit van de dossiers, van het aantal actoren,
van de te volgen procedures, enz. (DOC 52 0034/004,
blz. 242, aanbeveling 35).
In de Panamacommissie werd vastgesteld dat deze
evaluatie tot nog toe niet heeft plaatsgevonden. De
hierboven aangehaalde problemen blijven zich stellen,
membres de l’Union européenne avec qui il existe un
fondement juridique qui règle les échanges d’informa-
tions. Aussi l’accessibilité en temps opportun à de telles
informations telles que décrites par les articles cités
dans le texte légal de la Directive 2015/849/UE relative
à la prévention de l’utilisation du système financier aux
fins du blanchiment de capitaux ou du financement du
terrorisme, afin de fournir des garanties suffisantes pour
le bon fonctionnement de la coopération administrative
conformément à l’article 1er de la Directive 2016/2258/
UE susmentionnée, est dès lors réalisée par l’ajout de
l’article 338ter, CIR 92.
L’objectif de l’insertion de l’article 338ter dans le
CIR 92 est, dans le cadre du bon fonctionnement de
la coopération administrative telle que visée par la
Directive 2016/2258/UE précitée et le modèle OCDE,
de déterminer l’accès en temps opportun aux informa-
tions sur les bénéficiaires effectifs dans la législation
nationale.
Le projet de texte initialement soumis au Conseil
d’État a été modifié parce que, suite à une question du
Conseil d’État sur le texte soumis (voir numéro 21 de
l’avis n° 64.422/3), il a été établi que le projet de texte
soumis pour avis pouvait ne pas avoir atteint l’objectif
mentionné ci-dessus.
Le gouvernement est d’avis que le nouveau texte
proposé ne devrait pas être soumis de nouveau pour
avis au Conseil d’État.
Section 2
Constructions juridiques
Art. 26 et 27
Suite à l’enquête parlementaire sur les grands dos-
siers de fraude fiscale, il avait été recommandé d’évaluer
dans les cinq ans si l’allongement des délais de pres-
cription à sept ans (par le biais de la loi-programme du
22 décembre 2008, MB 29 décembre 2009) était suffi-
sant pour contrer la fraude. Cette enquête avait d’ailleurs
permis de constater que l’examen des dossiers avait
pris beaucoup de temps en raison de leur complexité, du
nombre d’acteurs concernés, des procédures à suivre,
etc… (DOC 52 0034/004, p. 242, recommandation 35).
La Commission Panama a pu constater que cette
évaluation n’avait pas encore eu lieu à ce jour. Les
problèmes susmentionnés continuent de se poser,
18
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
zoals uit de hoorzittingen blijkt. Daarenboven hebben
de Panamapapers aangetoond dat in het buitenland on-
dergebrachte vermogens soms zeer lang aan het zicht
van de fiscus kunnen ontsnappen (DOC 54 2749/001,
blz. 50, punt H).
De internationale dimensie van een deel van de
fraude rechtvaardigt dus een verlenging van de aan-
slagtermijn, wanneer in een land opgenomen in de lijst
van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in
artikel 307, § 1/2, derde lid, WIB 92, met uitzondering van
de landen waarmee een overeenkomst ter voorkoming
van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde
dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de
uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om
uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale
wetten van de overeenkomstsluitende staten, de belas-
tingplichtige gebruik maakt van juridische constructies
die ertoe strekken de herkomst of het bestaan van het
vermogen te verhullen. Zoals hierboven al aangehaald,
kenmerken deze zaken zich immers door een grote
complexiteit. Ook is vastgesteld dat vermogens lange tijd
verborgen kunnen blijven in het buitenland. Het is aan-
bevolen om de aanslagtermijn te verlengen tot 10 jaar,
gelijk aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. Voor
de definitie van juridische constructie wordt verwezen
naar artikel 2, § 1, 13° van het WIB 92.
De verlenging van de aanslagtermijn met zeven jaar
impliceert logischerwijze een samenhangende verlen-
ging van de onderzoekstermijnen bedoeld in artikel 333,
WIB 92, hetgeen het doel is van het voorgestelde artikel.
Op vergelijkbare wijze als de aanvullende termijn van
vier jaar die momenteel voorzien is, zal het beroep op
deze buitengewone termijn van zeven jaar eveneens,
op straffe van nietigheid in hoofde van de administratie,
de voorafgaande melding aan de belastingplichtige op
schriftelijke en nauwkeurige wijze van de aanwijzingen
van belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan
voor het bedoelde tijdperk, vereisen.
Afdeling 3
Onderzoeksbevoegdheden
Art. 28
Momenteel is het zo dat in het kader van een controle
het recht om derden te horen en om een onderzoek in
te stellen slechts mag worden uitgeoefend door een
ambtenaar met een hogere titel dan die van attaché.
comme on a pu s’en rendre compte lors des auditions.
En outre, l’affaire des Panama Papers a démontré que
les patrimoines cachés à l’étranger peuvent parfois
échapper très longtemps au fisc (DOC 54 2749/001,
p. 50, point H).
La dimension internationale d’une partie de la fraude
justifie donc un allongement du délai d’imposition,
lorsque le contribuable fait usage de constructions
juridiques, dans le but dissimuler l’origine et/ou l’exis-
tence d’un patrimoine, dans un pays figurant sur la liste
des États à fiscalité inexistante ou peu élevée visée à
l’article 307, § 1/2, alinéa 3, CIR 92 à l’exception des
pays avec lesquels une convention préventive de la
double imposition a été conclue et à condition que
cette convention ou un quelconque autre accord prévoit
l’échange de renseignements nécessaires pour appli-
quer les dispositions de la législation nationale des États
contractants. Comme déjà mentionné ci-dessus, ces
dossiers se caractérisent par une grande complexité.
On constate également que les patrimoines peuvent
rester très longtemps cachés à l’étranger. Il est dès lors
recommandé de prolonger le délai d’imposition jusqu’à
10 ans, équivalant au délai de prescription de droit com-
mun. Pour la définition d’une construction juridique, il
est référé à l’article 2, § 1er, 13° du CIR 92.
L’allongement du délai d’imposition de sept ans
implique forcément une prolongation concomitante des
délais d’investigation prévus à l’article 333, CIR 92, tel
est l’objectif du présent article.
De manière similaire au délai supplémentaire de
quatre ans prévu actuellement, le recours à ce délai
extraordinaire de sept ans nécessitera également
dans le chef de l’administration, à peine de nullité de
l’imposition, la notification préalable au contribuable,
par écrit et de manière précise, des indices de fraude
fiscale qui existent en ce qui le concerne pour la période
considérée.
Section 3
Pouvoirs d’investigation
Art. 28
Il est actuellement établi que dans le cadre d’un
contrôle, le droit d’entendre des tiers et de procéder à
une enquête peut uniquement être exercé par un agent
ayant un grade supérieur à celui d’attaché.
19
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Op het terrein is het zo dat heel wat ambtenaren hun
controletaken niet ten volle kunnen uitoefenen doordat
zij niet aan die voorwaarde voldoen.
De voorliggende wijziging strekt ertoe artikel 322,
§ 1, WIB 92, zo aan te passen dat het recht om derden
te horen of een onderzoek in te stellen kan worden
uitgevoerd door elke ambtenaar die voorzien is van
zijn aanstellingsbewijs. Er wordt opgemerkt dat niet
alle ambtenaren binnen de administratie controletaken
uitoefenen en in dit kader dus gemachtigd worden om
derden te horen of een onderzoek in te stellen. De
beoogde ambtenaren zijn deze met een functie van
minimum financieel deskundige.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen aan het wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde
Art. 29
Teneinde het welslagen van de internationale on-
derzoeken te garanderen, werd er met de wet van
30 juni 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de
fiscale fraude een artikel 337/1 in het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 ingevoerd waarin er wordt
afgeweken van de verplichting van passieve openbaar-
heid voorzien in artikel 4 van de voormelde wet van
11 april 1994, wat betreft de vragen om inlichtingen, de
verzonden antwoorden en de briefwisseling tussen de
bevoegde autoriteiten, behalve indien de buitenlandse
Staat uitdrukkelijk haar goedkeuring heeft gegeven voor
de verspreiding ervan.
Met dit artikel wordt een identieke maatregel inge-
voerd in het Btw-wetboek.
Teneinde de rechten van de persoon in wiens hoofde
een buitenlandse staat aan de Belgische fiscus inlich-
tingen vraagt zoveel als mogelijk te vrijwaren, wordt
de beperking van het verbod tot inzage en afschrift tot
de periode gedurende dewelke het onderzoek van de
buitenlandse staat loopt en voor zover inzage en af-
schrift het onderzoek kan schaden, expliciet in de tekst
opgenomen. Zodra het onderzoek van de buitenlandse
staat is afgesloten vervalt het verbod.
Het akkoord van de buitenlandse autoriteit om de
gegevens in te zien is automatisch verworven wanneer
deze niet binnen een termijn van 90 dagen op de vraag
van de Belgische Staat reageert en de informatie niet
verschaft dat de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde
On constate dans la pratique que de nombreux
fonctionnaires ne peuvent exercer pleinement leurs
missions de contrôle dans la mesure où ils ne satisfont
pas à cette condition.
La modification proposée vise à adapter l’article 322,
§ 1er, CIR 92, de manière telle que le droit d’entendre des
tiers et de procéder à une enquête puisse être exercé
par tout fonctionnaire qui est muni de sa commission. Il
convient de noter que tous les fonctionnaires de l’admi-
nistration n’effectuent pas des tâches de contrôle et ne
sont donc pas, dans ce cadre, autorisés à entendre des
tiers ou à mener une enquête. Les fonctionnaires visés
sont ceux qui ont au minimum une fonction d’expert
financier.
CHAPITRE 2
Modifications du code de la taxe sur la valeur
ajoutée
Art. 29
Afin de garantir l’efficacité des enquêtes internati o-
nales, la loi portant des mesures de lutte contre la fraude
fiscale du 30 juin 2017 a introduit un article 337/1 dans
le Code des impôt sur les revenus 1992 dans lequel
il est dérogé à l’obligation de publicité passive de
l’administration prévue à l’article 4 de la loi précitée du
11 avril 1994, concernant les demandes d’informations,
les réponses envoyées et la correspondance entre les
autorités compétentes, à moins que l’État étranger n’ait
expressément autorisé cette divulgation.
Il est inséré, avec cet article, une mesure identique
dans le Code de la TVA.
En vue de garantir autant que possible les droits de
la personne à l’égard de qui un État étranger sollicite
des informations auprès du fisc belge, la limitation de
l’interdiction d’accès et de copies à la période durant
laquelle l’enquête de l’État étranger est en cours et
pour autant que l’accès et les copies puissent nuire aux
besoins de cette enquête, sont reprises explicitement
dans le texte. Dès que l’enquête de l’État étranger est
clôturée, l’interdiction est levée.
L’accord de l’autorité étrangère pour consulter les
données est acquis d’office si celle-ci ne répond pas
dans un délai de 90 jours à la demande de l’État Belge
et n’apporte pas l’information que la confidentialité
des données et correspondances échangées selon
20
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
gegevens en de briefwisseling volgens het voorschrift
van dit artikel moet voortduren, wanneer de betrokken
belastingplichtige uitdrukkelijk de toegang tot zijn dos-
sier aan de Belgische Staat heeft gevraagd.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen aan de wet van 24 december 2002 tot
wijziging van de vennootschapsregeling inzake
inkomstenbelastingen en tot instelling van een
systeem van voorafgaande beslissingen in
fiscale zaken
Art. 30
In het kader van de strijd tegen de fiscale fraude
is het noodzakelijk dat het artikel 22 van de wet van
24 december 2002 wordt uitgebreid. Een loutere ver-
wijzing naar de OESO-landen is niet meer voldoende.
De uitbreiding van artikel 22 van hogervermelde
wet houdt in dat er geen voorafgaande beslissing mag
gegeven worden wanneer het betrekking heeft op ver-
richtingen of situaties die gelinkt worden aan de lijst
van Staten zonder of met een lage belasting die zijn
opgenomen in het koninklijk besluit waarnaar artikel 307,
§ 1/2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbe-
lastingen 1992 verwijst, met uitzondering van de landen
waarmee een overeenkomst ter voorkoming van dub-
bele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze
overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling
van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te
geven aan de bepalingen van de nationale wetten van
de overeenkomstsluitende staten.
Voormelde lijst is terug te vinden in artikel 179 van
het KB/WIB 92.
HOOFDSTUK 4
De invordering
Afdeling 1
Verplichting van de betaling in euro door bepaalde
administraties van de FOD Financiën
Art. 31
Het artikel beoogt dat terugbetalingen, inclusief
de terugbetaling van sommen ontvangen in andere
valuta’s dan euro, in euro moeten worden uitgevoerd,
zodat de wisselkoers niet door de Belgische Staat wordt
gedragen.
le prescrit du présent article doit perdurer, lorsque le
contribuable concerné a explicitement demandé l’accès
à son dossier à l’État belge.
CHAPITRE 3
Modifications de la loi du 24 décembre 2002
modifiant le régime des sociétés en matière
d’impôts sur les revenus et instituant un système
de décision anticipée en
matière fiscale
Art. 30
Dans le cadre de la lutte contre la fraude fiscale,
il est nécessaire d’étendre l’article 22 de la loi du
24 décembre 2002. Une simple référence aux pays de
l’OCDE n’est plus suffisante.
L’extension de l’article 22 de la loi susmentionnée
signifie qu’aucune décision anticipée ne peut être prise
lorsqu’elle concerne des transactions ou des situations
liées à la liste des États à fiscalité inexistante ou peu
élevée prévue par l’arrêté royal auquel renvoie l’article
307, § 1er/2, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus
1992, à l’exception des pays avec lesquels une conven-
tion préventive de la double imposition a été conclue et à
condition que cette convention ou un quelconque autre
accord prévoit l’échange de renseignements néces-
saires pour appliquer les dispositions de la législation
nationale des États contractants.
La liste précitée figure à l’article 179 de l’AR/CIR 92.
CHAPITRE 4
Le recouvrement
Section première
Obligation de paiement en euros par certaines
administrations du SPF Finances
Art. 31
L’article d ispose que les remboursements, en ce
compris le remboursement des sommes reçues dans
des devises autres que l’euro, doivent être effectués
en euro de sorte que les frais de change ne sont pas à
charge de l’État belge.
21
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Afdeling 2
Wijzigingen van het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992, de programmawet (I) van
29 maart 2002 en het burgerlijk Wetboek inzake het
E-notariaat
ALGEMENE TOELICHTING
De artikelen 93ter tot 93nonies van het Wetboek van
de belasting over de toegevoegde waarde (hierna “Btw-
Wetboek”) en de artikelen 433 tot 439 van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna “WIB 92”)
verplichten de notarissen alsook elke persoon die be-
voegd is om authenticiteit te verlenen aan akten hou-
dende vervreemding of hypothecaire aanwending van
goederen die er krachtens wettelijke of reglementaire
bepalingen vatbaar voor zijn, de fiscale administratie in
te lichten wanneer zij worden verzocht dergelijke akten
op te maken of er authenticiteit aan te verlenen. Deze
informatie stelt een wettelijk mechanisme in werking met
de bedoeling een betere invordering van de rechten van
de Schatkist mogelijk te maken.
De wet houdende diverse bepalingen van 24 juli 2008
en de koninklijke besluiten van 31 maart 2003 en
25 februari 2007 hebben de artikelen 93ter tot 93nonies
van het Btw-Wetboek en 433 tot 439 van het WIB 92 ge-
wijzigd met het oog op de invoering van een systeem
van elektronische toezending – E-notariaat genoemd
– tussen de FOD Financiën en sommige ministeriële
ambtenaren.
Het gebruik van een elektronische verzendingsme-
thode laat toe te besparen op de kosten van aange-
tekende zendingen, de tijd die besteed wordt aan de
verzendingen te beperken en de vrijgekomen tijd te
besteden aan maatregelen inzake gedwongen tenuit-
voerlegging. De elektronische verzendingsmethode is
tot op heden beperkt tot de berichten en de inlichtingen
die de notaris of de ambtenaren van aankoopcomités
moeten sturen naar de administratie.
De artikelen 157 tot 164 van de programmawet
van 29 maart 2012, zoals gewijzigd bij wet van
13 december 2012 hebben een mechanisme van ken-
nisgeving ingevoerd teneinde de invordering van fiscale
schulden in het kader van het openvallen van een na-
latenschap te vergemakkelijken, gelijkaardig aan het
mechanisme zoals eerder ingevoerd bij vervreemding of
hypothecaire aanwending van goederen die er vatbaar
voor zijn, behalve wat de gevolgen van de kennisgeving
betreft. Het door de notaris, of door elke andere per-
soon of dienst bevoegd om een attest van erfopvolging
op te stellen (het bevoegde kantoor van de Algemene
Section 2
Modifications du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, du
Code des impôts sur les revenus 1992, de
la loi-programme (I) du 29 mars 2012
et du Code civil en matière d’E-notariat
EXPOSÉ GÉNÉRAL
Les articles 93ter à 93nonies du Code de la taxe sur
la valeur ajoutée (ci-après “Code TVA”) et les articles
433 à 439 du Code des impôts sur les revenus 1992 (ci-
après “CIR 92”) imposent aux notaires ainsi qu’à toute
personne habilitée à donner l’authenticité aux actes
d’aliénation ou d’affectation hypothécaire de biens qui
en sont susceptibles en vertu de dispositions légales
ou réglementaires, d’informer l’administration fiscale
lorsqu’ils sont requis de dresser ou d’authentifier de tels
actes. Cette information engendre tout un mécanisme
juridique dont le but est d’améliorer le recouvrement
des droits du Trésor.
La loi portant des dispositions diverses du
24 juillet 2008 et les arrêtés royaux des 31 mars 2003 et
25 février 2007 ont modifié les articles 93ter à 93nonies
du Code TVA et 433 à 439 du CIR 92 afin d’introduire
un système de transmission électronique – qualifié d’E-
notariat – entre le SPF Finances et certains officiers
ministériels.
L’utilisation de la transmission électronique permet
d’économiser les frais des envois par lettre recomman-
dée, de réduire le temps consacré au traitement de
ces envois et de se consacrer davantage aux mesures
d’exécution forcée. La transmission électronique est
jusqu’à l’heure actuelle réservée aux avis et informa-
tions que le notaire ou les fonctionnaires des comités
d’acquisition sont tenus d’adresser à l’administration.
Les articles 157 à 164 de la loi-programme
du 29 mars 2012, tels que modifiés par la loi du
13 décembre 2012 ont mis en place un mécanisme
de notification facilitant le recouvrement des créances
fiscales dans le cadre de l’ouverture d’une succession,
semblable à celui mis en place antérieurement en cas
d’aliénation ou d’affectation hypothécaire des biens qui
en sont susceptibles, sauf en ce qui concerne les effets
de la notification. L’avis transmis par le notaire requis de
rédiger l’acte ou le certificat d’hérédité visé à l’article
1240bis du Code civil , ou par toute autre personne
ou service habilité à établir un certificat d’hérédité (le
22
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie) ver-
zonden bericht, vereist om de akte of het attest van
erfopvolging bedoeld in artikel 1240bis van het Burgerlijk
Wetboek op te stellen, maakt het voorwerp uit van een
elektronische verzendingsmethode, behalve in geval
van overmacht of een technische storing. De kennisge-
ving van de ontvanger belast met de invordering van fis-
cale schulden wordt daarentegen verzonden op papier.
Hoofdstuk 2 bevestigt op juridisch vlak de technolo-
gische vooruitgang die de ontvangers toelaat om zowel
de kennisgevingen bestemd voor de notaris of voor
elke persoon die bevoegd is om authenticiteit te verle-
nen aan de in de artikelen 93ter van het Btw-Wetboek
en 433 van het WIB 92 bedoelde akten, met name de
akten tot overdracht van zakelijke rechten en de akten
houdende hypothecaire aanwending van goederen die
er vatbaar voor zijn, alsook deze bestemd voor elke
persoon bevoegd om een akte of attest van erfopvolging
op te stellen, elektronisch te verzenden. Bovendien
worden de in de voornoemde wettelijke bepalingen
opgenomen delegaties eenvormig gemaakt waardoor
de verschillende uitvoeringsmaatregelen in één enkel
reglementair besluit kunnen worden samengebracht.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Onderafdeling 1
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 32
In toepassing van de wet van 5 mei 2014 houdende
de verankering van het principe van de unieke ge-
gevensinzameling in de werking van de diensten en
instanties die behoren tot of taken uitvoeren voor de
overheid en tot vereenvoudiging en gelijkschakeling
van elektronische en papieren formulieren en meer in
het bijzonder van artikel 2 dat bepaalt dat : “Deze wet
heeft tot doel de administratieve verplichtingen van
burgers en rechtspersonen te vereenvoudigen door te
waarborgen dat gegevens die reeds beschikbaar zijn in
een authentieke bron niet opnieuw moeten worden mee-
gedeeld aan een federale overheidsdienst en te komen
tot een volledige gelijkschakeling tussen elektronische
en papieren formulieren.”, werd paragraaf 2 van artikel
62, Btw-Wetboek opgeheven, zodat de aanvrager van
een akte van vervreemding of hypothecaire aanwending
niet langer gehouden is zijn hoedanigheid van belas-
tingplichtige of lid van een btw-eenheid mee te delen
aan de instrumenterende notaris, aangezien de fiscale
administratie beschikt over dit soort gegevens.
bureau compétent de l’Administration générale de la
documentation patrimoniale) fait l’objet d’une transmis-
sion électronique, sauf en cas de force majeure ou de
dysfonctionnement technique; par contre la notification
du receveur en charge du recouvrement des créances
fiscales est envoyée sous format papier.
Le chapitre 2 consacre juridiquement l’avancée tech-
nologique qui permet aux receveurs de transmettre par
voie électronique aussi bien les notifications destinées
au notaire ou à toute personne habilitée à donner l’au-
thenticité aux actes visés par les articles 93ter du Code
TVA et 433 du CIR 92 – à savoir les actes translatifs de
droits réels et l’affectation hypothécaire des biens qui
en sont susceptibles, ainsi que celles destinées à toute
personne habilitée à établir un acte ou certificat d’héré-
dité. Au surplus, il uniformise les délégations contenues
dans les dispositions légales précitées ce qui permettra
aux différentes mesures d’exécution d’être rassemblées
dans un seul et unique arrêté réglementaire.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
Sous-section première
Code de la taxe sur la valeur ajoutée
Art. 32
En application de la loi du 5 mai 2014 garantissant
le principe de la collecte unique des données dans le
fonctionnement des services et instances qui relèvent
de ou exécutent certaines missions pour l’autorité et
portant simplification et harmonisation des formulaires
électronique et papier, et particulièrement de son article
2 qui dispose que: “ La présente loi tend à alléger les
obligations administratives des citoyens et des per-
sonnes morales en leur garantissant que les données
déjà disponibles dans une source authentique ne
devront plus être communiquées une nouvelle fois à un
service public fédéral et tend à assimiler complètement
les formulaires électroniques et les formulaires papier.”,
le paragraphe 2 de l’article 62, Code TVA a été abrogé,
de sorte que le requérant d’un acte d’aliénation ou
d’affectation hypothécaire n’est plus tenu de décliner
sa qualité d’assujetti ou de membre d’une unité TVA au
notaire instrumentant, dans la mesure où l’administra-
tion fiscale dispose de ce type de données.
23
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 33
Het artikel 66 van het Btw-Wetboek wordt gewijzigd
ten gevolge van de opheffing van paragraaf 2 van artikel
62 van hetzelfde Wetboek.
Art. 34
De formulering van artikel 93ter van het Btw-Wetboek
is afgestemd op artikel 433 van het WIB 92.
De notaris is er toe gehouden om de Federale
Overheidsdienst Financiën in te lichten over het ontwerp
tot opstellen van een akte tot vervreemding of hypothe-
caire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed.
De term “op elektronische wijze” vervangt de uitdruk-
king “door middel van een procedure waarbij informati-
catechnieken gebruikt worden”.
Wanneer het bericht niet kan verzonden worden
op elektronische wijze, omwille van overmacht of een
technische storing, dient de notaris systematisch de
ontvanger waarvan de eigenaar of de houder van een
zakelijk recht afhangt, op de hoogte te stellen ongeacht
of de de laatstgenoemde btw-belastingplichtige is of
niet. Wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk
recht op het goed zijn residentie in het buitenland heeft,
wordt de bevoegde dienst voor het ontvangen van het
bericht aangewezen door de Koning.
Aangezien parafgraaf 2 van artikel 62 van het Btw-
Wetboek werd opgeheven, is er geen reden meer dat de
notaris lezing geeft aan de verschijnende partijen van dit
artikel en het artikel 73 van hetzelfde Wetboek. Verder
is de notaris niet meer gehouden de aanvrager van de
akte tot vervreemding of hypothecaire aanwending te
vragen naar zijn hoedanigheid van belastingplichtige
of lid van een Btw-eenheid. Hij draagt bijgevolg geen
enkele verantwoordelijkheid dienaangaande.
De delegatie aan de minister van Financiën, aan zijn
gemachtigde of aan de bevoegde overheid tot bepaling
van de praktische toepassingsvoorwaarden van deze
paragraaf, wordt vervangen door een delegatie aan de
Koning.
Art. 35
Ingevolge artikel 93quater, nieuw, van het
Btw-Wetboek, gebeurt de kennisgeving aan de notaris of
aan iedere ander persoon bevoegd om authenticiteit te
verlenen door de ontvangers belast met de invordering
van de fiscale schulden van de aanvrager van de akte in
Art. 33
L’article 66 du Code TVA a été modifié suite à l’abro-
gation du paragraphe 2 de l’article 62 du même Code.
Art. 34
La formulation de l’article 93ter du Code TVA est
alignée sur l’article 433 du CIR 92.
Le notaire est tenu d’informer le Service public
fédéral Finances du projet d’établir un acte d’aliénation
ou d‘affectation hypothécaire d’un bien susceptible
d’hypothèque.
La terminologie “voie électronique” se substitue
à celle de “procédure utilisant les techniques de
l’informatique”.
Lorsque l’avis ne peut être envoyé de manière
électronique, en raison d’un cas de force majeure ou
de dysfonctionnement technique, le notaire est tenu
d’aviser systématiquement le receveur dont relève le
propriétaire ou le titulaire d’un droit réel, que ce dernier
soit assujetti ou non à la TVA. Lorsque le propriétaire
ou le titulaire d’un droit réel sur le bien a sa résidence
à l’étranger, le service compétent pour recevoir l’avis
est désigné par le Roi.
Dans la mesure où le paragraphe 2 de l’article 62 du
Code TVA a été abrogé, il n’y a plus lieu pour le notaire
de donner lecture aux comparants de cet article et de
l’article 73 du même Code. De même, le notaire n’est
plus tenu de demander au requérant de l’acte d’aliéna-
tion ou d’affectation hypothécaire sa qualité d’assujetti
ou de membre d’une unité TVA et n’encourt dès lors
aucune responsabilité de ce chef.
La délégation au ministre des Finances, à son
délégué ou à l’autorité compétente pour déterminer
les conditions d’application pratiques de cet article est
remplacée par une délégation au Roi.
Art. 35
Avec l’article 93quater, nouveau, du Code TVA, la
notification effectuée par les receveurs en charge de
recouvrer les dettes fiscales du requérant de l’acte
en projet, à destination du notaire ou de toute autre
personne habilitée à donner l’authenticité, s’effectue
24
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
ontwerp, voortaan hoofdzakelijk op elektronische wijze
volgens dezelfde regels die gelden voor de berichten
opgesteld door de personen die bevoegd zijn om au-
thenticiteit te verlenen aan akten houdende vervreem-
ding of hypothecaire aanwending van goederen die er
vatbaar voor zijn , namelijk:
— door het gebruik van een aangetekende brief in het
geval van overmacht of een technische storing;
— het vermoeden dat de datum van de kennisgeving
op elektronische wijze de datum is van de ontvangst-
melding en het prioritaire karakter van de verzending bij
aangetekende brief wanneer de datum van die verzen-
ding voorafgaat aan de datum van de kennisgeving op
elektronische wijze. Deze bewoording houdt geenszins
in dat eenzelfde ontvanger binnen de termijn van 12 da-
gen meerdere kennisgevingen zou mogen verzenden
met andere inhoud. Het handelt terzake over eenzelfde
kennisgeving met een enige inhoud.
Art. 36
Zoals artikel 93ter, § 1, Btw-Wetboek wordt artikel
93quinquies, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek
aangepast om de uitdrukking “door middel van een
procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt wor-
den” te vervangen door “op elektronische wijze”, en om
rechtstreeks de ontvanger aan te duiden als persoon
die door de notaris moet worden ingelicht.
Paragraaf 4, nieuw, van artikel 93quinquies, Btw-
Wetboek verleent voortaan aan de Koning de bevoegd-
heid om de praktische toepassingsvoorwaarden te
bepalen met betrekking tot dit artikel, zoals dit eveneens
is voorzien in artikel 93ter, § 4, Btw-Wetboek nieuw.
Er moet opgemerkt worden dat artikel 93quinquies,
Btw-Wetboek in ontwerp, van toepassing is op alle
fiscale schulden, zonder onderscheid of zij het voor-
werp hebben uitgemaakt van een ter kennisgebracht
of betekend dwangbevel of werden opgenomen in een
innings- en invorderingsregister.
Art. 37
Gelet op de gewijzigde opmaak van de arti-
k e l e n 9 3 t e r t o t 9 3 q u i n q u i e s v a n h e t
Btw-Wetboek, moet artikel 93octies van hetzelfde
Wetboek worden opgeheven.
désormais principalement par la voie électronique selon
les mêmes règles qui prévalent pour les avis établis par
les personnes habilitées à donner l’authenticité aux
actes d’aliénation et d’affectation hypothécaire de biens
qui en sont susceptibles, à savoir:
— l’usage de la lettre recommandée en cas de force
majeure ou de dysfonctionnement technique;
— la présomption selon laquelle la date de la noti-
fication par voie électronique est celle de l’accusé de
réception et la prééminence de l’envoi par lettre recom-
mandée lorsque la date de son envoi est antérieure
à celle de la notification par voie électronique. Cette
formulation n’implique pas qu’un même receveur
puisse envoyer plusieurs notifications avec un contenu
différent dans le délai de 12 jours. Il s’agit d’une même
notification dont le contenu est identique.
Art. 36
Comme l’article 93ter, § 1er, Code TVA, l’article
93quinquies, § 1er, alinéa 3, du même Code a été
modifié pour remplacer la notion de “procédure utilisant
les techniques de l’informatique” par celle de “par voie
électronique”, et pour désigner directement le receveur
qui doit être informé par le notaire.
Le paragraphe 4, nouveau, de l’article 93quinquies,
Code TVA habilite désormais le Roi à fixer les conditions
d’application pratiques afférentes à cet article, comme
cela est prévu également à l’article 93ter, § 4, Code
TVA nouveau.
Il convient de noter que l’article 93quinquies, Code
TVA en projet s’applique à toutes les dettes fiscales,
sans distinguer selon qu’elles aient fait l’objet d’une
contrainte notifiée ou signifiée ou aient été reprises dans
un registre de perception et recouvrement.
Art. 37
Compte tenu de la réécriture des articles 93ter à
93quinquies, du Code TVA, l’article 93octies du même
Code doit être abrogé.
25
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 38
De opheffing van artikel 93octies van het Btw-
Wetboek noodzaakt een technische aanpassing in
artikel 93nonies van het Btw-Wetboek.
Art. 39
Artikel 93decies, eerste lid, van het Btw-Wetboek
wordt herschreven om dezelfde banken en onderne-
mingen als bedoeld in artikel 440 van het WIB 92 toe
te laten het bericht bedoeld in artikel 93ter van het Btw-
Wetboek toe te sturen en de kennisgeving bedoeld in
artikel 93quater van hetzelfde Wetboek te ontvangen.
In het tweede lid van artikel 93decies van het Btw-
Wetboek wordt een verwijzing ingevoerd naar de ontvan-
ger bedoeld in artikel 93quater van hetzelfde Wetboek.
Art. 40
Artikel 93undecies A van het Btw-Wetboek wordt
herschreven om rekening te houden met de wijzigingen
aangebracht in artikel 93ter van hetzelfde Wetboek.
Onderafdeling 2
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 41
De wijzigingen van artikel 433 van het WIB 92 beant-
woorden aan de behoefte om de terminologie te harmo-
niseren. Bijgevolg zijn de woorden “van een onroerend
goed, van een schip of een vaartuig” vervangen door
de woorden “van een voor hypotheek vatbaar goed”.
De term “op elektronische wijze” vervangt de uitdruk-
king “door middel van een procedure waarbij informati-
catechnieken gebruikt worden”.
De terminologie is ook aangepast om de ontvanger,
bestemmeling van de berichten van de persoon die
bevoegd is om authenticiteit te verlenen aan de akte,
aan te duiden. Dit is de ontvanger waarvan de eigenaar
of de houder van een zakelijk recht op het goed afhangt
en, daarenboven, zo het om een onroerend goed gaat,
de ontvanger, bevoegd voor de invordering van de on-
roerende voorheffing van het ambtsgebied waarin dat
goed gelegen is. Wanneer de eigenaar of de houder
van het zakelijk recht op het goed zijn residentie in het
buitenland heeft, wordt de dienst aangewezen door de
Koning.
Art. 38
L’abrogation de l’article 93octies du Code TVA
nécessite une adaptation technique à l’article 93nonies
du Code TVA.
Art. 39
L’article 93decies, alinéa 1er, du Code TVA est réécrit
pour permettre aux mêmes banques et entreprises que
celles visées à l’article 440 du CIR 92 d’adresser l’avis
prévu à l’article 93ter du Code TVA et de recevoir la
notification visée à l’article 93quater du même Code.
La référence au receveur visé à l’article 93quater, du
Code TVA, est introduite à l’alinéa 2 de l’article 93decies
du même Code.
Art. 40
L’article 93undecies A, du Code TVA est réécrit pour
tenir compte des adaptations apportées à l’article 93ter
du même Code.
Sous-section 2
Code des impôts sur les revenus 1992
Art. 41
Les modifications apportées à l’article 433 du
CIR 92 répondent à des impératifs d’harmonisation de
la terminologie. Ainsi les termes “d’un immeuble, d’un
navire ou d’un bateau” sont remplacés par les termes
“d’un bien susceptible d’hypothèque”.
La terminologie “voie électronique” se substitue
à celle de “procédure utilisant les techniques de
l’informatique”.
La terminologie est également adaptée pour désigner
le receveur destinataire de l’avis établi par la personne
habilitée à donner l’authenticité à l’acte. Il s’agit du rece-
veur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un droit
réel sur le bien et, en outre, s’il s’agit d’un immeuble,
le receveur compétent pour le recouvrement du pré-
compte immobilier dans le ressort duquel ce bien est
situé. Lorsque le propriétaire ou le titulaire du droit réel
sur le bien a sa résidence à l’étranger, le service est
désigné par le Roi.
26
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De delegatie aan de minister van Financiën, aan
zijn afgevaardigde of aan de bevoegde overheid tot
bepaling van de voorwaarden en de praktische toepas-
singsmodaliteiten van dit artikel, wordt vervangen door
een delegatie aan de Koning.
Art. 42
Ingevolge artikel 434, nieuw, van het WIB 92, gebeurt
de kennisgeving door de ontvanger aan de verzender
van het bericht hoofdzakelijk op elektronische wijze
volgens dezelfde regels die gelden voor de berichten
opgesteld door de personen die bevoegd zijn om au-
thenticiteit te verlenen, namelijk:
— door het gebruik van een aangetekende brief in het
geval van overmacht of een technische storing;
— het vermoeden dat de datum van de kennis-
geving op elektronische wijze de datum is van de
ontvangstmelding;
— en het prioritaire karakter van de verzending bij
aangetekende brief wanneer de datum van die verzen-
ding voorafgaat aan de datum van de kennisgeving op
elektronische wijze.
De ontvanger die bevoegd is om kennis te geven is
niet noodzakelijkerwijs de ontvanger die bevoegd is om
de berichten te ontvangen. Inderdaad, ook een andere
ontvanger dan die van de woonplaats of van de plaats
waar het onroerend goed gelegen is, kan openstaande
fiscale schulden hebben op naam van de aanvrager van
de akte. Deze ontvanger kan dan kennisgeven zelfs al
was hij niet de hoofdbestemmeling van het bericht.
Zoals artikel 433, WIB 92, stelt artikel 434 van het
WIB 92 dat voortaan de Koning bevoegd is om alle
praktische toepassingsmaatregelen te nemen met be-
trekking tot deze bepalingen.
Art. 43
Zoals artikel 433, WIB 92, wordt artikel 435 van het
WIB 92 aangepast door de uitdrukking “door middel van
een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt
worden” te vervangen door “op elektronische wijze”.
Wanneer de persoon die bevoegd is om de akte op te
maken, de ontvanger niet volledig kan voldoen, moet hij
de ontvangers die kennis hebben gegeven, hiervan, op
elektronische wijze of per aangetekende brief, informe-
ren. In het laatste geval wordt de inlichting verzonden
naar alle ontvangers die hebben kennisgegeven.
La délégation au ministre des Finances, à son
délégué ou à l’autorité compétente pour déterminer les
conditions et modalités d’application pratiques de cet
article est remplacée par une délégation au Roi.
Art. 42
Avec l’article 434, nouveau, du CIR 92, la notification
effectuée par le receveur à destination de l’expéditeur
de l’avis s’effectue principalement par la voie élec-
tronique selon les mêmes règles qui prévalent pour
les avis établis par les personnes habilitées à donner
l’authenticité, à savoir:
— l’usage de la lettre recommandée en cas de force
majeure ou de dysfonctionnement technique;
— la présomption selon laquelle la date de la noti-
fication par voie électronique est celle de l’accusé de
réception;
— et la prééminence de l’envoi par lettre recomman-
dée lorsque la date de son envoi est antérieure à celle
de la notification par voie électronique.
Le receveur habilité à notifier ne se confond pas for-
cément avec le receveur habilité à recevoir les avis. En
effet, un autre receveur que celui du domicile ou du lieu
de situation de l’immeuble peut avoir encore des dettes
fiscales ouvertes au nom du requérant de l’acte. Ce
receveur pourra alors procéder à la notification même
s’il n’est pas le destinataire principal de l’avis.
Comme l’article 433, CIR 92, l’article 434 du CIR 92,
habilite désormais le Roi à prendre toutes les mesures
d’application pratiques afférentes à ces dispositions.
Art. 43
Comme l’article 433, CIR 92, l’article 435 du CIR 92,
a été modifié pour remplacer la notion de “procédure
utilisant les techniques de l’informatique” par celle de
“par voie électronique”.
Lorsque la personne habilitée à établir l’acte ne peut
désintéresser totalement le receveur, il doit en informer
les receveurs ayant notifié, par voie électronique ou par
lettre recommandée. Dans ce dernier cas, l’information
est adressée à tous les receveurs ayant notifié.
27
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Zoals de artikelen 433 en 434 van het WIB 92, stelt
dit artikel dat voortaan de Koning bevoegd is om alle
ter zake praktische toepassingsmaatregelen te nemen.
Art. 44
Gelet op de gewijzigde opmaak van voornoemde
artikelen, moet artikel 438 van het WIB 92 worden
opgeheven.
Art. 45
De opheffing van artikel 438 van het WIB 92 nood-
zaakt een technische wijziging in artikel 439 van het
WIB 92.
Art. 46
De aanpassing aangebracht aan artikel 440, eerste
lid, van het WIB 92 houdt rekening met de laatste wets-
wijziging betreffende het statuut van en het toezicht op
kredietinstellingen.
Art. 47
Artikel 441 van het WIB 92 werd gewijzigd teneinde
rekening te houden met de aanpassingen in de termi-
nologie in de voorgaande artikelen.
Onderafdeling 3
Programmawet (I) van 29 maart 2012
Art. 48
Artikel 157 van de programmawet (I) van 29 maart 2012
wordt herschreven met het oog op de harmonisatie van
de terminologie tussen de bepalingen met betrekking tot
de akten en attesten van erfopvolging (artikelen 157 tot
163 van voornoemde wet) en deze met betrekking tot
de vervreemding en hypothecaire aanwending van
goederen die hiervoor vatbaar zijn (artikelen 93ter tot
93nonies van het Btw-wetboek en 433 tot 439 van het
WIB 92). Bijgevolg wordt in de Franse tekst het woord
“expédition” systematisch vervangen door “envoi”. De
dienst zoals thans aangewezen door de Koning om de
berichten te ontvangen en de ontvangstbevestigingen
af te leveren wordt voortaan rechtstreeks in de wet aan-
gewezen door middel van een generieke benaming. De
ambtenaren die bestemmeling zijn van de berichten wor-
den eveneens aangewezen in de wet, met uitzondering
Comme les articles 433 et 434 du CIR 92, cet article
habilite désormais le Roi à prendre toutes les mesures
d’application pratiques y afférentes.
Art. 44
Compte tenu de la réécriture des articles précités,
l’article 438 du CIR 92 doit être abrogé.
Art. 45
L’abrogation de l’article 438 du CIR 92 nécessite une
modification technique à l’article 439 du CIR 92.
Art. 46
L’adaptation apportée à l’article 440, alinéa 1er, du
CIR 92 prend en considération la dernière modification
législative concernant le statut et le contrôle des éta-
blissements de crédit.
Art. 47
L’article 441 du CIR 92 a été modifié afin de tenir
compte des adaptations de la terminologie dans les
articles précédents.
Sous-section 3
Loi-programme (I) du 29 mars 2012
Art. 48
L’article 157 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012
est réécrit pour assurer une harmonisation terminolo-
gique entre les dispositions relatives aux actes et certi-
ficats d’hérédité (articles 157 à 163 de la loi précitée) et
celles relatives à l’aliénation et à l’affectation hypothé-
caire des biens qui en sont susceptibles (articles 93ter
à 93nonies du Code TVA et 433 à 439 du CIR 92). Ainsi
le mot “expédition” est systématiquement remplacé par
“envoi”. Le service actuellement désigné par le Roi pour
recevoir les avis et délivrer les accusés de réception est
désormais désigné directement dans la loi au moyen
d’une dénomination générique. Les fonctionnaires des-
tinataires de l’avis sont également désignés dans loi, à
l’exception du fonctionnaire de l’Administration générale
de la documentation patrimoniale et le service compé-
tent dans le cas où le de cujus et/ou l’un de ses ayants
28
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van de ambtenaar van de Algemene Administratie van
de Patrimoniumdocumentatie en de dienst bevoegd in
het geval waarin de erflater en/of één van zijn rechtheb-
benden hun residentie in het buitenland hebben, en dit
omwille van in de loop van de komende jaren te verwach-
ten structurele evoluties binnen zowel de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie als deze
van de Inning en de Invordering.
Paragraaf 5 wordt gedeeltelijk herschreven om de
juiste terminologie te gebruiken; zo bijvoorbeeld het
nummer in het Bis-Register dat vervangen wordt door
het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de
Sociale Zekerheid. Daarenboven worden het derde
en vierde lid opgeheven omwille van het opheffen van
paragraaf 2 van artikel 62 van het Btw-wetboek.
Aangezien in het voormelde artikel 157, § 5, tweede
lid, a), enkel de benaming van het register werd aange-
past aan de actuele terminologie en er aldus inhoudelijk
niets werd gewijzigd, werd hieromtrent geen advies
ingewonnen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Het advies van de Raad van State zoals vermeld onder
randnummer 5 werd niet gevolgd.
Aangezien met betrekking tot de artikelen 48 tot
52 een overleg met de Gewesten conform artikel
5, § 3, eerste lid, van de bijzondere financierings-
wet van 16 januari 1989 heeft plaatsgevonden op
23 november 2018. Dit overeenkomstig het advies
nr. 64.422/3 van de Raad van State zoals vermeld onder
randnummer 6.
Art. 49
In navolging van de artikelen 93quater, nieuw, van
het Btw-wetboek en 434, nieuw, van het WIB 92, voert
artikel 49 de elektronische kennisgeving in van de fiscale
schulden door de ontvanger of de bevoegde dienst be-
last met hun invordering. Bijgevolg zal de kennisgeving
per aangetekende brief nog enkel van toepassing zijn in
de gevallen van overmacht of technische storing.
De kennisgeving kan enkel plaats vinden wanneer
de fiscale schuld een zekere en vaststaande schuld
uitmaakt. De voorwaarde van opeisbaarheid is dus wet-
telijk niet vereist. Dit is eveneens zo voor de onroerende
voorheffing en de inkomstenbelastingen, die dienen
betaald te zijn binnen de twee maand vanaf de verzen-
ding van het aanslagbiljet, maar desondanks kunnen
deze wel het voorwerp uitmaken van een kennisgeving
voorafgaand aan de datum van opeisbaarheid van de
schuld. Bovendien houdt deze kennisgeving geen der-
denbeslag in – in tegenstelling tot de kennisgeving van
de artikelen 93quater, van het Btw-wetboek en 434, van
droit ont leur résidence à l’étranger, et ce en raison, des
évolutions structurelles susceptibles d’intervenir dans
les années à venir au sein aussi bien de l’Administration
générale de la Documentation patrimoniale que celle de
la Perception et du Recouvrement.
Le paragraphe 5 est partiellement réécrit afin d’utiliser
une terminologie exacte; ainsi en-t-il par exemple du
numéro de Registre-bis qui est remplacé par le numéro
d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité
sociale. Par ailleurs, les alinéas 3 et 4 sont abrogés,
en raison de l’abrogation du paragraphe 2 de l’article
62 du Code TVA.
Étant donné qu’à l’article 157, § 5, alinéa 2, a), sus-
visé, seule la dénomination du registre a été adaptée
à la terminologie actuelle et que, par conséquent, rien
n’a été modifié sur le plan du contenu, aucun avis n’a
été demandé à l’Autorité de protection des données sur
cette question. L’avis du Conseil d’État mentionné sous
le point 5 n’a pas été suivi.
Concernant les articles 48 à 52, une concertation
avec les Régions conformément à l’article 5, § 3, alinéa
1er, de la loi spéciale de financement du 16 janvier 1989
a eu lieu le 23 novembre 2018, conformément à l’avis
n° 64.422/3 du Conseil d’État mentionné sous le point 6.
Art. 49
A l’instar des articles 93quater, nouveau, du Code
TVA et 434, nouveau, du CIR 92, l’article 49 introduit
la notification électronique des dettes fiscales par le
receveur ou service compétent en charge de leur recou-
vrement. Dès lors, la notification par voie recommandée
ne sera d’application que dans les cas de force majeure
ou de dysfonctionnement technique.
La notification ne peut s’effectuer que dans la mesure
où la dette fiscale constitue une dette certaine et liquide.
La condition d’exigibilité n’est donc pas requise léga-
lement. Il en est ainsi du précompte immobilier et des
impôts sur les revenus, qui doivent être payés dans
les deux mois de l’envoi de l’avertissement-extrait de
rôle, mais qui peuvent néanmoins faire l’objet d’une
notification avant la date d’exigibilité de paiement. Par
ailleurs, cette notification n’emportant pas saisie-arrêt
– contrairement à celle des articles 93quater, du Code
TVA et 434, du CIR 92, il n’est pas nécessaire de dispo-
ser d’un titre exécutoire, à partir du moment où la dette
29
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
het WIB 92. Bijgevolg is het niet noodzakelijk om over
een uitvoerbare titel te beschikken. Het volstaat dat de
schuld zeker en vaststaand is. Zo geldt dit bijvoorbeeld
voor de diverse taksen, de Btw, de roerende voorhef-
fing en de bedrijfsvoorheffing, die de hoedanigheid van
zekere en vaststaande schuld verkrijgen voorafgaand
aan de opname van deze taksen en voorheffingen in
een uitvoerbare titel.
Art. 50
De precisering toegevoegd aan artikel 159 van de
programmawet (I) van 29 maart 2012 dient er toe elke
dubbelzinnigheid op te heffen betreffende het begrip van
houder van de fondsen, die doorgaans de schuldenaar
van de erflater is – in bepaalde gevallen de schuldenaar
van de rechthebbende, maar die niet de schuldenaar is
van de fiscale schulden die het voorwerp uitmaken van
de kennisgeving bedoeld in artikel 158 van dezelfde wet.
Art. 51
De wijzigingen aangebracht aan artikel 160 van de-
zelfde wet komen niet enkel tegemoet aan de behoefte
om de terminologie te harmoniseren maar vooral aan
moeilijkheden die in de praktijk worden ondervonden
wanneer de rechthebbenden vermeld in de akte of
het attest van erfopvolging genieten van een insolva-
biliteitsprocedure. De deblokkering ten gunste van de
gerechtsmandataris werd ingesteld om te vermijden dat
bepaalde rechtverkrijgenden die zouden genieten van
een collectieve procedure of gerechtelijke reorganisatie,
fondsen zouden verduisteren. Hoewel de schuldenaars
van de erflater (over het algemeen de banken en de
verzekeringen) de faillissementscurator niet kunnen
verbieden fondsen vrij te geven, wegens het volledige
verlies van beheer door de schuldenaar (decujus of
rechtverkrijgende), geldt dit niet voor de andere proce-
dures van samenloop (collectieve schuldenregeling en
deficitaire vereffening) en evenmin voor de procedures
georganiseerd door het Wetboek economisch recht,
Boek XX, Titel 5 met betrekking tot de gerechtelijke reor-
ganisatie. Teneinde zich te wapenen tegen de risico’s op
verduistering van de fondsen door de rechtverkrijgende,
belastingplichtige, moet diens erfelijk aandeel ontvan-
gen worden door de gerechtsmandataris die belast is
met de verdeling ervan op basis van de voorrechten en
hypotheken van de verschillende schuldeisers. Eén van
de hypothesen die de opname van deze bepaling verant-
woordt, is de volgende: in het kader van een collectieve
schuldenregeling is het de gewoonte dat de schuldvor-
deringen die na de beschikking van toelaatbaarheid
zijn ontstaan, het voorwerp uitmaken van een verzoek
tot opname in het plan door de schuldbemiddelaar. Bij
est certaine et liquide. Ainsi, en est-il par exemple des
taxes diverses, de la TVA, et des précomptes mobilier et
professionnel, qui acquièrent la qualité de dette certaine
et liquide antérieurement à la reprise de ces taxes et
précomptes dans un titre exécutoire.
Art. 50
La précision rajoutée à l’article 159 de la loi-pro-
gramme (I) du 29 mars 2012 permet de lever toute
ambiguïté quant à la notion de détenteur des fonds
qui est généralement le débiteur du de cujus – dans
certains cas le débiteur de l’ayant droit, mais qui n’est
pas le débiteur des créances fiscales qui font l’objet
de la notification visée par l’article 158 de la même loi.
Art. 51
Les modifications apportées à l’article 160 de la
même loi répondent non seulement à des besoins
d’harmonisation terminologique mais surtout à des
difficultés rencontrées en pratique lorsque les ayants
droits repris sur l’acte ou certificat d’hérédité bénéficient
d’une procédure d’insolvabilité. Le déblocage en faveur
du mandataire judiciaire a été mis en place pour éviter
les détournements de fonds par certains ayants droit qui
bénéficient d’une procédure collective ou de la réorga-
nisation judiciaire. Si le curateur de faillite ne pourrait se
voir refuser par les débiteurs du défunt (généralement
les banques et les assurances) le déblocage des fonds,
en raison du dessaisissement total du débiteur (de
cujus ou ayant droit), il en va autrement dans le cadre
des autres procédures de concours (règlement collectif
de dettes et liquidation déficitaire) ainsi que dans le
cadre des procédures organisées par le Code de droit
économique, Livre XX, Titre 5 relatif à la réorganisation
judiciaire. Et afin de se prémunir contre les risques de
détournement des fonds par l’ayant droit, redevable, il
est nécessaire que sa quote-part successorale soit re-
cueillie par le mandataire judiciaire, à charge pour celui-
ci de la ventiler, sur base des privilèges et hypothèques
sur les différents créanciers. Une des hypothèses qui
justifie l’intégration de cette disposition est la suivante:
dans le cadre d’un règlement collectif de dettes, il est
de coutume que les créances nées postérieurement à la
décision d’admissibilité fassent l’objet d’une demande
d’intégration dans le plan, par le médiateur de dettes.
En présence de créances fiscales, le receveur devrait
logiquement et légalement notifier, puis demander au
médiateur de dettes d’intégrer les créances notifiées
30
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
nieuwe fiscale schuldvorderingen dient de ontvanger,
logischerwijs en wettelijk kennis te geven en daarna de
schuldbemiddelaar te verzoeken de ter kennis gebrachte
schuldvorderingen in het plan op te nemen teneinde
handlichting te geven. Indien de deblokkering daarente-
gen ten gunste van de rechtverkrijgende zou gebeuren,
is het zeer waarschijnlijk dat deze zijn aandeel niet aan
de schuldbemiddelaar zal overdragen, zodat die laatste
het kan verdelen tussen de verschillende schuldeisers,
met inbegrip van de fiscus.
Een tweede hypothese betreft de fiscale schuldvor-
deringen die dateren van vóór de beschikking van toe-
laatbaarheid, en die reeds in het plan zijn opgenomen.
De ontvanger moet eerst een kennisgeving doen en
vervolgens inschatten of het opportuun is een verzoek
tot herroeping of tot herziening in te dienen. Indien een
dergelijk verzoek niet als opportuun wordt beschouwd
en er wordt beslist handlichting te verlenen, zal het er-
felijk aandeel dus door de rechtverkrijgende ontvangen
worden, die dat niet stelselmatig zal overdragen aan de
schuldbemiddelaar die belast is met de verdeling van
de geërfde som tussen de verschillende schuldeisers.
Tenslotte, indien de ontvanger in het kader van de
gerechtelijke reorganisatie een kennisgeving doet, maar
na onderzoek beseft dat de maatregel niet in verhou-
ding is, zal hem om een handlichting worden verzocht.
Maar hoe kan dan worden verzekerd dat met het erfelijk
aandeel rekening zal worden gehouden in het plan tot
gerechtelijke reorganisatie? Als oplossing geldt in dat
geval de aanwijzing van een gerechtsmandataris, wiens
opdracht het zal zijn deze sommen op gepaste wijze
aan te wenden, om de best mogelijke uitvoering van
het reorganisatieplan te garanderen.
Art. 52
Enkel het in artikel 157 van de programmawet van
29 maart 2012 bedoelde bericht wordt opgemaakt over-
eenkomstig het door de Koning opgemaakte model, de
kennisgeving zoals voorzien in artikel 158 van dezelfde
wet daarentegen maakt niet langer het voorwerp uit van
een door de Koning bepaald model, zodat dit snel kan
aangepast worden aan de technologische evoluties
binnen een administratie in volle verandering.
dans le plan, afin de donner mainlevée. Toutefois, si
le déblocage se fait au profit de l’ayant-droit, il est fort
probable que celui-ci ne rétrocédera pas sa quote-part
au médiateur, de manière à ce que ce dernier puisse la
ventiler entre les différents créanciers, en ce compris
le fisc.
Une deuxième hypothèse concerne les créances
fiscales antérieures à la décision d’admissibilité, et
qui sont déjà intégrées dans le plan. Le receveur doit
d’abord notifier, et ensuite évaluer l’opportunité d’intro-
duire une demande en révocation ou en révision. Si
une telle demande n’est pas jugée opportune et qu’il
décide de donner main-levée, la quote-part successo-
rale sera donc perçue par l’ayant-droit, qui ne va pas
la rétrocéder systématiquement au médiateur, à qui il
revient la charge de ventiler la somme héritée entre les
différents créanciers.
Enfin, dans le cadre de la réorganisation judiciaire, si
le receveur notifie, mais se rend compte, après inves-
tigations que la mesure n’est pas proportionnelle, une
mainlevée lui sera demandée, mais comment alors
s’assurer que la quote-part successorale sera prise en
compte dans le plan de réorganisation judiciaire? La
solution est dans ce cas de désigner un mandataire
judiciaire, qui aura pour mission de faire l’usage oppor-
tun de ces sommes pour assurer la meilleure exécution
possible du plan de réorganisation.
Art. 52
Seul l’avis à l’article 157 de la loi-programme (I) du
29 mars 2012 fera l’objet d’une fixation par le Roi, par
contre la notification prévue par l’article 158 de la même
loi ne fera plus l’objet d’un modèle arrêté par le Roi, de
manière à ce que celle-ci puisse s’adapter rapidement
aux évolutions technologiques dans une administration
en pleine mutation.
31
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Onderafdeling 4
Burgerlijk Wetboek
Art. 53
Naast de noodzakelijkheid om bepaalde terminolo-
gische aanpassingen aan te brengen, voert het artikel
23 in het artikel 1240bis, van het Burgerlijk Wetboek
de mogelijkheid in om de tegoeden van de erflater te
deblokkeren op instructie van de gerechtsmandataris.
Gegeven dat met betrekking tot artikel 54, 3°, het
advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit werd
gevraagd op 25 oktober 2018, dit overeenkomstig het
advies van de Raad van State zoals vermeld onder rand-
nummer 5. Het advies werd echter nog niet ontvangen.
Onderafdeling 5
Inwerkingtreding
Art. 54
Het koninklijk besluit dat met name de praktische
toepassingsvoorwaarden inzake e-notariaat zal be-
palen, moet gelijktijdig met de wet in werking treden
om de rechtszekerheid van de bepalingen ervan te
verzekeren. Daarenboven bepaalt artikel 54 de uiterste
datum van inwerkingtreding van de artikelen 93quater,
van het Wetboek over de belasting op de toegevoegde
waarde, 434, van het Wetboek van de inkomstenbe-
lastingen 1992 en 158 van de programmawet (I) van
29 maart 2012, met de mogelijkheid voor de Koning om
een eerdere datum van inwerkingtreding te bepalen,
indien de technische aanpassingen uitgevoerd zijn
voorafgaand aan 1 september 2019.
Afdeling 3
Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 55
Artikel 55 voegt een verduidelijking toe aan het artikel
418, eerste lid, WIB 92, in de mate dat het vertrekpunt
van de moratoriuminteresten vastgelegd is ten opzichte
van de ingebrekestelling, vertrekkende vanuit de hypo-
these dat de eerste betaling door de belastingplichtige
van de sommen die aanleiding geven tot een moratori-
uminterest, zou moeten gebeuren voor deze ingebreke-
stelling. Toch kan niet worden uitgesloten dat de belas-
tingplichtigen hun ingebrekestelling kunnen doen voor
de werkelijke betaling, zodat dit een moratoriuminterest
Sous-section 4
Code civil
Art. 53
Outre la nécessité d’apporter certaines adaptations
terminologiques, l’article 23 introduit dans l’article
1240bis, du Code civil la possibilité de débloquer
les avoirs du défunt sur instruction d’un mandataire
judiciaire.
Étant donné qu’en ce qui concerne l’article 54, 3°,
l’avis de l’Autorité de protection des données a été
demandé le 25 octobre 2018, ceci est conforme à l’avis
du Conseil d’État mentionné sous le point 5. Toutefois,
l’avis n’a pas encore été reçu.
Sous-section 5
Entrée en vigueur
Art. 54
L’arrêté royal qui fixera notamment les conditions
d’application pratiques en matière d’e-notariat, doit
entrer en vigueur en même temps que la loi afin d’assu-
rer la sécurité juridique des dispositions y afférentes. Par
ailleurs, l’article 54 fixe la date ultime d’entrée en vigueur
des articles 93quater, du Code de la taxe sur la valeur
ajoutée, 434, du Code des impôts sur les revenus 1992
et 158 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, avec la
possibilité pour le Roi de fixer une date antérieure, si les
adaptations techniques sont réalisées antérieurement
au 1er septembre 2019.
Section 3
Dispositions réparatrices des articles 418 et 419 du Code
des impôts sur les revenus 1992
Art. 55
L’article 55 ajoute une précision à l’article 418, ali-
néa 1er, CIR 92, dans la mesure où le point de départ
des intérêts moratoires a été fixé par rapport à la mise
en demeure, partant de l’hypothèse que le paiement
initial par le contribuable des sommes donnant lieu à
un intérêt moratoire, devait s’opérer avant cette mise
en demeure. Toutefois, il ne peut être exclu que les
contribuables puissent adresser leur mise en demeure
avant le paiement effectif, de manière à faire courir un
intérêt moratoire avant même le paiement effectif. Dès
32
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
doet lopen zelfs voor de werkelijke betaling. Daarom
werd artikel 418, eerste lid, WIB 92 aangevuld met een
zin met het oog op deze laatste hypothese. Bijgevolg,
ingeval de betaling door de belastingplichtige plaatsvindt
na de ingebrekestelling, zal de moratoriuminterest pas
berekend worden vanaf de eerste dag van de maand
die volgt op de lopende maand waarin de betaling is
gebeurd, en niet vanaf de eerste dag van de maand
die volgt op de maand waarin de administratie in ge-
breke werd gesteld. De werkelijke betaling wordt zowel
verstaan als de rechtstreeks verrichte betaling door de
belastingplichtige, als elke aanrekening op voorheffin-
gen, voorafbetalingen of andere aanslagen.
Art. 56
Artikel 86, C, elfde lid, van de wet van 25 december 2017
tot hervorming van de vennootschapsbelasting, beoogt
de inwerkingtreding van de artikelen 79 en 80 van de-
zelfde wet, in de mate dat ze de begindatum wijzigen
van de moratoriuminteresten bedoeld in de artikelen 418,
eerste lid, en 419, eerste lid, 6° en tweede lid, van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92),
enkel voor de ingekohierde aanslagen. De terugbetaling
waarvan sprake is in artikel 419, eerste lid, 3°, WIB 92 en
de regel die de begindatum van de moratoriuminteresten
bepaalt voor de roerende en bedrijfsvoorheffingen en de
voorafbetalingen, wanneer het gaat om overschotten,
geldt echter voor de niet ingekohierde en niet op de be-
lasting aangerekende aanslagen tijdens de aanslagter-
mijn. Daarom is het noodzakelijk om in een bepaling te
voorzien die de inwerkingtreding regelt van de wijziging
van artikel 419, tweede lid, WIB 92. Tevens, wanneer
de administratie overgaat tot de terugbetaling van de
roerende en bedrijfsvoorheffingen niet ingekohierd en
niet aangerekend op een belasting, in de mate dat de
begunstigde van de inkomsten niet onderworpen is aan
de belasting, paste het de inwerkingtreding van artikel
418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbe-
lasting 1992, te preciseren voor dit type van aanslag.
Bovendien beoogt dit artikel 86, C, elfde lid nu enkel
de inwerkingtreding van deze artikelen 79 en 80, in de
mate dat ze de begindatum van de moratoriuminteres-
ten wijzigen bedoeld in de artikelen 418, eerste lid, en
419, eerste lid, 6°, WIB 92, voor losstaande aanslagen.
In bepaalde situaties kan men echter een oorspron-
kelijke (primaire) aanslag hebben die gevolgd wordt
door andere daaropvolgende aanslagen (aanvullende,
bijkomende, etc.).
Daarom is het wenselijk ook deze gevallen in aanmer-
king te nemen, en te verduidelijken dat de bepalingen
toepasselijk op de opeenvolgende aanslagen dezelfde
moeten zijn als de bepalingen die toegepast werden
lors, l’article 418, alinéa 1er, CIR 92 a été complété par
une phrase envisageant cette dernière hypothèse. Par
conséquent, lorsque le paiement par le contribuable
intervient après la mise en demeure, l’intérêt moratoire
ne sera alloué qu’à compter du premier jour du mois qui
suit celui au cours duquel le paiement est intervenu, et
non à compter du premier jour du mois qui suit celui au
cours duquel l’administration a été mise en demeure.
Le paiement effectif s’entend aussi bien du paiement
directement opéré par le redevable, que pour toute
imputation sur des précomptes, versements anticipés
ou autres cotisations.
Art. 56
L’article 86, C, alinéa 11, de la loi du 25 décembre 2017
portant réforme de l’impôt des sociétés, envisage l’en-
trée en vigueur des articles 79 et 80 de la même loi,
en tant qu’ils modifient la date de départ des intérêts
moratoires visés aux articles 418, alinéa 1er et 419, alinéa
1er, 6° et alinéa 2, du Code des impôts sur les revenus
1992 (CIR 92), uniquement pour les cotisations enrôlées.
Or, le remboursement dont il est question à l’article
419, alinéa 1er, 3°, CIR 92 et la règle qui fixe le point
de départ des intérêts moratoires pour les précomptes
mobilier et professionnel et les versements anticipés,
lorsqu’il s’agit d’excédents, concerne des cotisations
non enrôlées et non imputées sur l’impôt pendant les
délais d’imposition. Partant, il est nécessaire de prévoir
une disposition réglant l’entrée en vigueur de la modi-
fication de l’article 419, alinéa 2, CIR 92. De même,
lorsque l’administration procède au remboursement
de précomptes professionnel et mobilier non enrôlés
et non imputables sur un impôt, dans la mesure où le
bénéficiaire des revenus n’est pas assujetti à l’impôt,
il convenait de préciser l’entrée en vigueur de l’article
418, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992,
pour ce type de cotisation.
Par ailleurs, ledit article 86, C, alinéa 11 n’envisage
actuellement l’entrée en vigueur desdits articles 79 et
80, en tant qu’ils modifient la date de départ des intérêts
moratoires visés aux articles 418, alinéa 1er, et 419, ali-
néa 1er, 6°, CIR 92, que pour des cotisations uniques. Or,
dans certaines situations, il peut y avoir une cotisation
primitive (primaire) suivie d’autres cotisations subsé-
quentes (subsidiaires, supplémentaires, etc.).
Dès lors, il s’indique également d’envisager ces
cas, et de préciser que les dispositions applicables
aux cotisations subséquentes doivent être les mêmes
que celles appliquées à la cotisation primaire. Si la
33
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
op de primaire aanslag. Als de primaire aanslag voor
1 januari 2018 werd ingekohierd, zal geen enkele inge-
brekestelling vereist zijn om de moratoriuminteresten
te doen lopen. Als de aanslag volgend op de primaire
aanslag, zoals hierboven bedoeld, wordt ingekohierd,
zelfs na 1 januari 2018, zullen de bepalingen die erop
van toepassing zijn dezelfde zijn als deze die toegepast
worden op de oorspronkelijke aanslag, en geen enkele
ingebrekestelling zal dan vereist zijn om de betaling van
moratoriuminteresten te doen lopen.
Art. 57
Gezien de artikelen 55 en 56 van deze wet nood-
zakelijke verbeteringen bevatten aan de toepassing
van de artikelen 418 en 419, Wetboek van de inkom-
stenbelasting 1992, waarover de wijziging door de
wet van 25 december 2017 in werking is getreden op
1 januari 2018, wordt hun inwerkingtreding bijgevolg
vastgelegd op 1 januari 2018.
TITEL IV
FINANCIELE BEPALINGEN
ALGEMENE TOELICHTING
Dit wetsontwerp streeft ernaar om de Koninklijke Munt
van België (afgekort: KMB) om te vormen die momenteel
een administratieve dienst met boekhoudkundige auto-
nomie (afgekort: ADBA) is. Ze zal omgevormd worden tot
een administratieve dienst geïntegreerd in de Algemene
Administratie van de Thesaurie (afgekort: AA Thesaurie)
van de Federale Overheidsdienst Financiën (afgekort:
FOD Financiën).
Na een eerste omvorming op 1 januari 2018 in ADBA
met toepassing van artikel 7 van de wet van 31 juli 2017
houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en
houdende maatregelen inzake concessieovereenkom-
sten, wordt de KMB op 1 januari 2019 een dienst van
de AA Thesaurie van de FOD Financiën. Door deze
omvorming zullen alle taken van de ADBA door de dienst
van de KMB worden overgenomen en het vermogen
ervan zal in de balans van de FOD Financiën worden
opgenomen.
Anderzijds beoogt dit wetsontwerp een begrotings-
fonds voor de verrichtingen van de KMB van de AA
Thesaurie van de FOD Financiën op te richten.
cotisation primaire a été enrôlée antérieurement au
1er janvier 2018, aucune mise en demeure ne sera
alors requise pour déclencher les intérêts moratoires.
Si la cotisation subséquente à la cotisation primaire
visée plus haut est enrôlée, même postérieurement
au 1er janvier 2018, les dispositions qui lui seront appli-
cables seront les mêmes que celles appliquées à la
cotisation primitive, et aucune mise en demeure ne sera
alors requise pour déclencher la débition des intérêts
moratoires.
Art. 57
Compte tenu du fait que les articles 55 et 56 de la
présente loi contiennent des corrections indispensables
à l’application des articles 418 et 419, Code des impôts
sur les revenus 1992, dont la modification par la loi du
25 décembre 2017 est entrée en vigueur au 1er jan-
vier 2018, leur prise d’effet est fixée par conséquent au
1er janvier 2018.
TITRE IV
DISPOSITIONS FINANCIERES
EXPOSÉ GÉNÉRAL
Ce projet de loi vise à transformer la Monnaie royale
de Belgique (en abrégé: MRB) qui est actuellement
un service administratif à comptabilité autonome (en
abrégé: SACA), en service administratif intégré au sein
de l’Administration générale de la Trésorerie (en abrégé:
AG Trésorerie) du Service public fédéral Finances (en
abrégé: SPF Finances).
Après une première transformation en SACA au
1er janvier 2018, en application de l’article 7 de la
loi du 31 juillet 2017 portant des dispositions finan-
cières et fiscales diverses et portant des mesures en
matière de contrats de concession, la MRB devient au
1er janvier 2019 un service de l’AG Trésorerie du SPF
Finances. Du fait de cette transformation, l’ensemble
des tâches du SACA seront reprises par le service de
la MRB et son patrimoine sera intégré au bilan du SPF
Finances.
D’autre part, ce projet de loi vise à créer un fonds
budgétaire pour les opérations de monétisation et de
démonétisation de la MRB de l’AG Trésorerie du SPF
Finances.
34
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Ingevolge het advies nr. 64.422/3 van de Raad van
State, worden de wijzigingen betreffende het organiek
reglement van de KMB overgeheveld naar een apart
ontwerp.
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017
houdende diverse financiële en fiscale
bepalingen en houdende maatregelen inzake
concessieovereenkomsten
ALGEMENE TOELICHTING
De integratie van de KMB in de AA Thesaurie kadert
in het streven naar grotere rationalisatie en vereenvou-
diging. Dit biedt voordelen, met name:
— het niet langer voorleggen van een begroting als
ADBA;
— een einde stellen aan de eigen boekhouding van
de KMB als ADBA daar de verrichtingen van ontvang-
sten en uitgaven vanaf 2019 geregistreerd zijn in de
boekhouding van de FOD Financiën;
— het beheren van de werkzaamheden in de door
de onderneming SAP (Systems, Applications and
Products for data processing) ontwikkelde en gecom-
mercialiseerde geïntegreerde beheerstoepassing van
de AA Thesaurie en niet langer in de specifieke SAP-
toepassing van de KMB waarvoor een licentie vereist
was;
— het niet langer betalen van bedrijfsrevisoren voor
het certificeren van de jaarrekeningen van de KMB;
de personeelskosten aan te rekenen op de begroting
van de FOD Financiën, alsook een einde stellen aan de
bijzondere betalingsprocedure van de bezoldigingen
door Persopoint;
het organiseren van buitenlandse zendingen en
hun kost aan te rekenen op de begroting van de FOD
Financiën, net zoals de andere diensten van de AA
Thesaurie.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Art. 58
Dit artikel wijzigt het opschrift van Afdeling 3 van het
hoofdstuk 1 van Titel II, die vervangen wordt als volgt:
“Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een
administratieve dienst”.
Suite à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État, les dis-
positions relatives au règlement organique de la MRB
seront transposées dans un projet distinct.
CHAPITRE 1ER
Modifications de la loi du 31 juillet 2017 portant
des dispositions financières et fiscales diverses
et portant des mesures en matière de contrats de
concession
EXPOSÉ GÉNÉRAL
L’intégration de la MRB dans l’AG Trésorerie répond
à un souci de rationalisation et de simplification accrues.
En effet, elle présente des avantages, notamment:
— ne plus déposer de budget pour la MRB en tant
que SACA;
— mettre fin à la comptabilité propre de la MRB
en tant que SACA, les opérations de recettes et de
dépenses étant, à partir de 2019, enregistrées dans
celle du SPF Finances;
— gérer les opérations dans le logiciel de gestion
intégrée, développé et commercialisé par la société SAP
(Systems, Applications and Products for data proces-
sing) de l’AG Trésorerie et non plus dans le logiciel SAP
spécifique de la MRB pour lequel une licence était due;
— ne plus payer des réviseurs d’entreprises pour
certifier les comptes annuels de la MRB;
— faire supporter le coût du personnel par le budget
du SPF Finances et ainsi, mettre fin à la procédure
particulière de paiement des traitements par Persopoint;
— organiser les missions à l’étranger et faire suppor-
ter leur coût par le budget du SPF Finances à l’instar
des autres services de l’AG Trésorerie.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
Art. 58
Cet article modifie l’intitulé de la Section 3 du
Chapitre 1er du Titre II, qui est remplacé par ce qui suit:
“Transformation de la Monnaie royale de Belgique en
service administratif”.
35
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 59
Dit artikel bevat het principe van de omvorming van
de KMB, van ADBA tot administratieve dienst van de
AA Thesaurie van de FOD Financiën.
Art. 60 tot 63
Deze bepalingen heffen de artikels 8, tweede lid, 9,
10, punten 3° en 4°, en 12 van de wet van 31 juli 2017
op als gevolg van de omvorming van de KMB en diens
integratie in de AA Thesaurie, met name: de goederen
die niet meer gebruikt worden door de KMB zullen
niet meer verkocht worden voor eigen rekening en
de KMB ontvangt geen dotatie meer uit de algemene
uitgavenbegroting.
HOOFDSTUK 2
Oprichting van een begrotingsfonds betreffende
verrichtingen aangaande monetisatie en
demonetisatie van de Koninklijke Munt van
België van de Algemene Administratie van de
Thesaurie van de Federale Overheidsdienst
Financiën en wijziging van de organieke wet
van 27 december 1990 houdende oprichting van
begrotingsfondsen
ALGEMENE TOELICHTING
Deze afdeling beoogt, bij toepassing van artikel 62,
§ 1, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisa-
tie van de begroting en van de comptabiliteit van de
Federale Staat, de oprichting van een begrotingsfonds
bij de AA Thesaurie van de FOD Financiën voor de
door de KMB verrichtingen aangaande monetisatie en
demonetisatie.
Bij het in omloop brengen van muntstukken betaalt
de Nationale Bank van België (afgekort: NBB) als tus-
senpersoon, aan de staat de tegenwaarde ervan, terwijl
bij het uit omloop halen van muntstukken, de staat aan
de NBB de tegenwaarde moet betalen van de uit de
omloop gehaalde muntstukken, waarvan het bedrag
moeilijk voorspelbaar is en de verschuldigde betaling
heel snel opeisbaar is, namelijk binnen de 24 uur. Het
opgerichte begrotingsfonds beantwoordt nauwkeurig
aan de bijzonderheden van deze verrichtingen.
Aangezien er zich ook heel snel na de omvorming van
de KMB uitgaven op het vlak van demonetisatie zouden
kunnen voordoen, zal het begrotingsfonds onmiddellijk
worden gespijsd door de storting afkomstig van het
Art. 59
Cet article contient le principe de la transformation
de la MRB, de SACA en service administratif de l’AG
Trésorerie du SPF Finances.
Art. 60 à 63
Ces dispositions abrogent les articles 8, alinéa 2, 9,
10, points 3° et 4°, et 12 de la loi du 31 juillet 2017 à la
suite de la transformation de la MRB et de son intégra-
tion au sein de l’AG Trésorerie, notamment: les biens qui
ne sont plus utilisés par la MRB ne seront pas vendus
pour son propre compte et la MRB ne recevra plus de
dotation spécifique provenant du budget général des
dépenses.
CHAPITRE 2
Création d’un fonds budgétaire relatif aux
opérations de monétisation et de démonétisation
de la Monnaie royale de Belgique de
l’Administration générale de la Trésorerie du
Service public fédéral Finances et modification de
la loi organique du 27 décembre 1990 créant des
fonds budgétaires
EXPOSÉ GÉNÉRAL
Cette section vise à créer un fonds budgétaire pour
les opérations de monétisation et de démonétisation
de la MRB de l’AG Trésorerie du SPF Finances, en
application de l’article 62, § 1er, de la loi du 22 mai 2003
portant organisation du budget et de la comptabilité de
l’État fédéral.
Lors d‘opérations de mise en circulation de pièces de
monnaie, la Banque nationale de Belgique (en abrégé:
BNB), comme intermédiaire, verse à l’État la contre-va-
leur de celles-ci, tandis que, lors d’opérations de retrait
de la circulation de pièces, l’État doit payer à la BNB,
la contre-valeur des pièces retirées dont le montant
est difficilement prévisible et le paiement exigible très
rapidement, c’est-à-dire dans les 24 heures. Le fonds
budgétaire créé répond précisément aux particularités
de ces opérations.
Étant donné aussi que des dépenses de démoné-
tisation pourraient survenir très rapidement après la
transformation de la MRB, le fonds budgétaire sera
immédiatement alimenté par le versement provenant du
36
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
beschikbare saldo van de postrekening van de KMB
op 31 december 2018.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Afdeling 1
Oprichting van een begrotingsfonds betreffende
verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van
de Koninklijke Munt van België
Art. 64
Het door het ontwerp opgerichte begrotingsfonds
noemt “Begrotingsfonds betreffende de verrichtingen
aangaande monetisatie en demonetisatie van de
Koninklijke Munt van België”, in de wet afgekort tot
“Begrotingsfonds betreffende de monetaire verrichtin-
gen van de Koninklijke Munt van België”.
Art. 65
Het begrotingsfonds betreffende de voor monetaire
verrichtingen van de Koninklijke Munt van België be-
schikken over de volgende ontvangsten:
1° een storting op 1 januari 2019 van het beschikbare
saldo op 31 december 2018 van postrekening (nr. BE
55 6792 0040 6444) zoals vermeld in de balans van
de KMB;
2° stortingen van de NBB uitgevoerd na
31 december 2018 voor de verrichtingen aangaande
monetisatie die overeenstemmen met de tegenwaarde
van de muntstukken die ze in omloop brengt als
tussenpersoon.
Art. 66
De uitgaven in verband met verrichtingen aangaande
demonetisatie zullen door de bovenvermelde ontvang-
sten worden opgevangen.
Afdeling 2
Wijziging van de organieke wet van 27 december 1990
houdende oprichting van begrotingsfondsen
Art. 67
De bepaling brengt de noodzakelijke wijzigingen
aan in de rubriek 18 van de tabel gevoegd bij de
organieke wet van 27 december 1990 houdende
solde disponible du compte courant postal de la MRB
au 31 décembre 2018.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
Section première
Création du fonds budgétaire relatif aux opérations de
monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de
Belgique
Art. 64
Le fonds budgétaire établi par le projet est intitulé
“Fonds budgétaire relatif aux opérations de monétisation
et de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique”,
en abrégé dans la loi “Fonds budgétaire relatif aux opé-
rations monétaires de la Monnaie royale de Belgique”.
Art. 65
Le fonds budgétaire relatif aux opérations monétaires
de la Monnaie royale de Belgique dispose des recettes
suivantes:
1° un versement au 1er janvier 2019 qui correspond
au solde disponible le 31 décembre 2018 du compte
courant postal (n° BE 55 6792 0040 6444) tel qu’il est
mentionné dans le bilan de la MRB;
2° des versements de la BNB effectués après le
31 décembre 2018 pour les opérations de monétisation
correspondant à la contre-valeur des pièces qu’elle met
en circulation comme intermédiaire.
Art. 66
Les dépenses liées aux opérations de démo-
nétisation seront prises en charge par les recettes
susmentionnées.
Section 2
Modification de la loi organique du 27 décembre 1990
créant des fonds budgétaires
Art. 67
La disposition apporte les modifications nécessaires
dans la rubrique 18 du tableau annexé à la loi organique
du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires,
37
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
oprichting van begrotingsfondsen, voorbehouden aan
de Begrotingsfondsen opgericht bij de FOD Financiën.
HOOFDSTUK 3
Opheffing
Art. 68
De ontvangsten zullen rechtstreeks gestort worden
in de schatkist zonder tussenkomst van de autonome
boekhouding van de KMB.
Hierdoor is er geen reden meer dat artikel 4, § 5, van
het koninklijk besluit van 18 januari 1990 houdende de
uitvoering van de wet van 11 augustus 1987 houdende
waarborg van werken uit edele metalen, blijft bestaan.
HOOFDSTUK 4
Inwerkingtreding
Art. 69
Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van
deze titel. Deze datum is vastgesteld op 1 januari 2019
en komt overeen met de datum van de omvorming van
de KMB tot dienst van de AA Thesaurie.
TITEL V
DIVERSE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen aan het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Afdeling 1
Inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of
uit occasionele diensten tussen burgers
Art. 70 tot 72
De wet van 18 juli 2018 betreffende de economische
relance en de versterking van de sociale cohesie heeft
een nieuwe regeling ingevoerd voor inkomsten uit de
deeleconomie, uit het verenigingswerk en uit occasio-
nele diensten tussen burgers. Deze inkomsten worden
in beginsel aangemerkt als diverse inkomsten (artikel
90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater, WIB 92) en zijn vrij-
gesteld van inkomstenbelastingen wanneer ze niet als
réservée aux Fonds budgétaires créés auprès du SPF
Finances.
CHAPITRE 3
Abrogation
Art. 68
Les recettes seront directement versées au trésor
public, sans plus passer par la comptabilité autonome
de la MRB.
Dès lors, l’article 4, § 5, de l’arrêté royal du
18 janvier 1990 portant modalités d’exécution de la loi
du 11 août 1987 relative à la garantie des ouvrages en
métaux précieux n’a plus de raison d’être.
CHAPITRE 4
Entrée en vigueur
Art. 69
Le présent article prévoit la date d’entrée en vigueur
du présent titre. Cette date est fixée au 1er janvier 2019
et correspond à la date de la transformation de la MRB
en service de l’AG Trésorerie.
TITRE V
DISPOSITIONS DIVERSES
CHAPITRE 1ER
Modifications au Code des impôts sur les revenus
1992
Section première
Revenus issus de l’économie collaborative, du travail
associatif ou des services occasionnels entre citoyens
Art. 70 à 72
La loi du 18 juillet 2018 relative à la relance éco-
nomique et au renforcement de la cohésion sociale a
introduit un nouveau régime pour les revenus issus de
l’économie collaborative, du travail associatif et des ser-
vices occasionnels entre citoyens. Ces revenus sont en
principe considérés comme des revenus divers (article
90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater, CIR 92) et sont exonérés
d’impôt sur les revenus lorsqu’ils ne sont pas considérés
38
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
beroepsinkomsten worden aangemerkt bij toepassing
van artikel 37, § 2, WIB 92 en het totale bruto bedrag
van die inkomsten tijdens het kalenderjaar en in het
vorige kalenderjaar niet meer bedraagt dan 6 130 euro
(geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019) (artikel
90/1, eerste lid, WIB 92).
In het geval de inkomsten uit de deeleconomie, uit
het verenigingswerk of uit occasionele diensten tus-
sen burgers alsnog als diverse inkomsten belastbaar
zouden zijn, dan is het de bedoeling dat niet het bruto
bedrag, maar wel het netto bedrag van die inkomsten
wordt belast tegen het tarief van 33 pct. In de memorie
van toelichting bij de wet van 18 juli 2018 betreffende de
economische relance en de versterking van de sociale
cohesie wordt gesteld dat de belastingplichtige de mo-
gelijkheid heeft om de werkelijke kosten die hij gedaan
of gedragen heeft om die inkomsten te verwerven in
mindering te brengen van het bruto bedrag (Parl. St.
54-2839/001, p. 234). Voor die aftrek van werkelijke
kosten is er echter geen expliciete wettelijke grondslag.
Die wordt nu gecreëerd in artikel 71 van dit ontwerp.
Ingevolge de aanpassing van artikel 90, derde lid,
WIB 92 door de wet van 18 juli 2018 betreffende de
economische relance en de versterking van de sociale
cohesie, worden inkomsten uit de verhuur van onroe-
rende of roerende goederen of uit de onderverhuring
van al dan niet gemeubelde onroerende goederen die
gelinkt zijn aan diensten die worden verleend in het
kader van de deeleconomie, van het verenigingswerk of
van occasionele diensten tussen burgers, ook als inkom-
sten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit
occasionele diensten tussen burgers aangemerkt. Met
die aanpassing heeft de wetgever er willen voor zorgen
dat de grens van 6 130 euro (geïndexeerd bedrag voor
aanslagjaar 2019) op een meer evenwichtige manier zou
kunnen worden toegepast voor de inkomsten die onder
de 500-euro regeling vallen (Parl. St. 54-2839/001,
p. 231 en volgende).
De aanpassing van artikel 90, derde lid, WIB 92 is ge-
inspireerd op de tekst van artikel 37, eerste lid, WIB 92 en
herneemt dan ook de zinsnede “Onverminderd de
toepassing van de voorheffingen”. Anders dan de in-
komsten van onroerende goederen en van roerende
goederen en kapitalen die op grond van artikel 37, eerste
lid, WIB 92 als beroepsinkomsten worden aangemerkt,
zullen de inkomsten die bij toepassing van artikel 90,
derde lid, WIB 92 als inkomsten uit de deeleconomie, uit
het verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen
burgers worden aangemerkt, doorgaans vrijgesteld zijn
van inkomstenbelastingen (artikel 90/1, WIB 92). Dat
doet de vraag rijzen of het wel aangewezen is om de
bepalingen inzake de voorheffingen van toepassing te
laten blijven op de inkomsten die als inkomsten uit de
comme des revenus professionnels en application de
l’article 37, § 2, CIR 92 et que le montant brut total de
ces revenus n’excède pas 6 130 euros (montant indexé
pour l’exercice d’imposition 2019) durant l’année civile
et l’année civile précédente (article 90/1, alinéa 1er,
CIR 92).
Dans le cas où les revenus issus de l’économie
collaborative, du travail associatif ou des services
occasionnels entre citoyens étaient tout de même
imposables en tant que revenus divers, l’intention était
que ce ne soit pas le montant brut, mais le montant net
de ces revenus qui soit imposé au taux de 33 p.c. Dans
l’exposé des motifs de la loi du 18 juillet 2018 relative à la
relance économique et au renforcement de la cohésion
sociale, il est indiqué que le contribuable a la possibilité
de déduire du montant brut les frais réels qu’il a faits
ou supportés afin d’acquérir ces revenus (Doc. Parl.
54-2839/001, p. 234). Pour cette déduction des frais
réels, il n’existe aucune base légale explicite. Celle-ci
est désormais crée par l’article 71 du présent projet.
Suite à l’adaptation de l’article 90, alinéa 3,
CIR 92 par la loi du 18 juillet 2018 relative à la relance
économique et au renforcement de la cohésion sociale,
les revenus issus de la location de biens immobiliers ou
mobiliers ou issus de la sous-location de biens immobi-
liers meublés ou non qui sont liés aux services prestés
dans le cadre de l’économie collaborative, du travail
associatif ou des services occasionnels entre citoyens,
sont également considérés comme des revenus issus
de l’économie collaborative, du travail associatif ou
des services occasionnels entre citoyens. Avec cette
adaptation, le législateur a voulu s’assurer que la
limite de 6 130 euros (montant indexé pour l’exercice
d’imposition 2019) puisse être appliquée de façon plus
équilibrée pour les revenus qui tombent dans le champ
d’application du régime des 500 euros (Doc. Parl. 54-
2839/001, p. 231 et suivantes).
L’adaptation de l’article 90, alinéa 3, CIR 92 est inspi-
rée du texte de l’article 37, alinéa 1er, CIR 92 et reprend
par conséquent l’élément de phrase “Sans préjudice
de l’application des précomptes”. Contrairement aux
revenus des biens immobiliers et des capitaux et biens
mobiliers qui sont considérés comme des revenus pro-
fessionnels en vertu de l’article 37, alinéa 1er, CIR 92,
les revenus considérés comme des revenus issus de
l’économie collaborative, du travail associatif ou des
services occasionnels entre citoyens en application de
l’article 90, alinéa 3, CIR 92 sont généralement exoné-
rés à l’impôt sur les revenus (article 90/1, CIR 92). La
question se pose donc s’il est bien indiqué de laisser
s’appliquer les dispositions en matière de précomptes
sur les revenus qui sont qualifiés de revenus issus de
39
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
deeleconomie of uit het verenigingswerk of als inkom-
sten uit occasionele diensten tussen burgers worden
aangemerkt.
De onroerende voorheffing is een gewestbelasting
(artikel 3, eerste lid, 5°, van de bijzondere wet van
16 januari 1989 betreffende de financiering van de
Gemeenschappen en de Gewesten). De federale wetge-
ver is dus niet bevoegd om te bepalen of de onroerende
voorheffing al dan niet verschuldigd is. De verwijzing
naar de toepassing van de voorheffingen in artikel 90,
derde lid, WIB 92 kan derhalve enkel slaan op de roe-
rende voorheffing.
Op inkomsten uit de verhuur van roerende goederen
en de inkomsten uit onderverhuring van onroerende
goederen wordt geen roerende voorheffing ingehouden
als de verkrijgers aan de personenbelasting onderwor-
pen Rijksinwoners zijn (artikel 266, WIB 92 en artikel 111,
KB/WIB 92). Niet-inwoners moeten in beginsel echter de
voorheffing op inkomsten uit de verhuring van roerende
goederen die voortkomen uit de verhuring van stoffe-
rende huisraad in gemeubileerde woningen, kamers of
appartementen en inkomsten uit onderverhuring van
onroerende goederen die ze verkrijgen zelf doorstorten
bij toepassing van artikel 262, 3°, WIB 92. (Die voorhef-
fing is dan in principe de eindheffing (artikel 248, § 1,
eerste lid, WIB 92)). Het feit dat niet-inwoners roerende
voorheffing moeten doorstorten op inkomsten die bij
toepassing van artikel 90, derde lid, WIB 92 als diverse
inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk
of uit occasionele diensten tussen burgers worden aan-
gemerkt, valt moeilijk te rijmen met de vrijstelling van die
inkomsten op grond van artikel 90/1, WIB 92. Hetzelfde
geldt voor de roerende voorheffing die bij toepassing
van artikel 261, eerste lid, 4°, WIB 92 moet worden
ingehouden op inkomsten uit de cessie of concessie
van auteursrechten en naburige rechten als bedoeld in
artikel 17, § 1, 5°, WIB 92.
Artikel 90, derde lid, WIB 92 verwijst algemeen naar
inkomsten uit onroerende goederen en kapitalen die
kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit de dee-
leconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele
diensten tussen burgers in de mate dat die goederen
en kapitalen worden gebruikt voor het verwerven van
inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk
of uit occasionele diensten tussen burgers. Gelet op
het type van diensten dat de wetgever heeft beoogd in
het kader van de inkomsten uit de deeleconomie, uit
het verenigingswerk of uit occasionele diensten tus-
sen burgers, gaat het in essentie om inkomsten uit de
verhuur van roerende goederen als bedoeld in artikel
17, § 1, 3°, WIB 92 en niet om inkomsten uit kapitalen
als bedoeld in artikel 17, § 1, 1° en 2°, WIB 92. Voor
l’économie collaborative ou du travail associatif ou de
revenus issus de services occasionnels entre citoyens.
Le précompte immobilier est un impôt régional (article
3, alinéa 1er, 5°, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 rela-
tive au financement des Communautés et des Régions).
Le législateur fédéral n’est donc pas compétent pour
déterminer si le précompte immobilier est dû ou non.
Le renvoi à l’application des précomptes dans l’article
90, alinéa 3, CIR 92 ne peut dès lors porter que sur le
précompte mobilier.
Sur les revenus issus de la location de biens immobi-
liers et les revenus issus de la sous-location de revenus
immobiliers, aucun précompte mobilier n’est retenu si
les bénéficiaires sont des habitants du Royaume sou-
mis à l’impôt des personnes physiques (article 266,
CIR 92 et article 111, AR/CIR 92). Les non-résidents
cependant doivent en principe verser eux-mêmes le
précompte sur les revenus qu’ils perçoivent de la loca-
tion de biens mobiliers qui proviennent de la location
de meubles garnissant des habitations, chambres ou
appartements meublés les revenus de la sous-location
de biens immobiliers en application de l’article 262, 3°,
CIR 92. (Ce précompte est alors en principe l’impôt
définitif (article 248, § 1er, alinéa 1er, CIR 92)). Le fait que
les non-résidents doivent verser du précompte mobilier
sur des revenus considérés comme des revenus divers
issus de l’économie collaborative, du travail associatif
ou des services occasionnels entre citoyens en appli-
cation de l’article 90, alinéa 3, CIR 92, est difficilement
compatible avec l’exonération de ces revenus sur base
de l’article 90/1, CIR 92. La même chose vaut pour le
précompte mobilier qui doit être retenu en application
de l’article 261, alinéa 1er, 4°, CIR 92 sur les revenus qui
résultent de la cession ou de la concession de droits
d’auteur et de droits voisins tels que visés à l’article 17,
§ 1er, 5°, CIR 92.
L’article 90, alinéa 3, CIR 92 renvoie de façon géné-
rale aux revenus des biens immobiliers et de capitaux
qui peuvent être considérés comme des revenus issus
de l’économie collaborative, du travail associatif ou des
services occasionnels entre citoyens dans la mesure
où ces biens et capitaux sont utilisés pour acquérir des
revenus issus de l’économie collaborative, du travail
associatif ou des services occasionnels entre citoyens.
Etant donné le type de services que le législateur a
visé dans le cadre des revenus issus de l’économie
collaborative, du travail associatif ou des services occa-
sionnels entre citoyens, cela porte essentiellement sur
les revenus de la location des biens mobiliers tels que
visés à l’article 17, § 1er, 3°, CIR 92 et non pas sur les
revenus de capitaux tels que visés à l’article 17, § 1er,
40
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
bepaalde diensten zouden ook inkomsten uit de cessie
of concessie van auteursrechten en naburige rechten
als bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, WIB 92 kunnen worden
beoogd in artikel 90, derde lid, WIB 92.
Omwille van de hiervoor aangehaalde redenen, wordt
voorgesteld om (artikel 70 van het ontwerp):
— de bepalingen inzake de “federale” voorheffingen
niet langer van toepassing te maken op de inkomsten
die bij toepassing van artikel 90, derde lid, WIB 92 als
inkomsten uit de deeleconomie of uit occasionele dien-
sten tussen burgers worden aangemerkt;
— inkomsten van kapitalen en inkomsten uit lijfrenten
of tijdelijke renten als bedoeld in artikel 17, § 1, 1°, 2° en
4°, WIB 92 niet langer in artikel 90, derde lid, WIB 92 op
te nemen als inkomsten die als inkomsten uit de dee-
leconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele
diensten tussen burgers kunnen worden aangemerkt.
Inkomsten uit de verhuur van roerende goederen (ar-
tikel 17, § 1, 3°, WIB 92) en inkomsten uit de cessie of
concessie van auteursrechten en naburige rechten als
bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, WIB 92 worden dus, net als
nu reeds het geval is, aangemerkt als inkomsten uit de
deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occasionele
diensten tussen burgers in de mate dat die goederen
worden gebruikt voor het verwerven van inkomsten uit
de deeleconomie, uit het verenigingswerk of uit occa-
sionele diensten tussen burgers.
Alhoewel het onderscheiden categorieën van diverse
inkomsten zijn, zijn de inkomsten uit de deeleconomie,
uit het verenigingswerk of uit occasionele diensten tus-
sen burgers toch nauw met mekaar verbonden door
het feit dat onder dezelfde vrijstellingsregeling vallen.
De bruto- inkomsten uit die categorieën worden immers
samengenomen om te beoordelen of de grens van
6 130 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2019)
al dan niet is overschreden. Daarnaast is het mogelijk
dat diensten die worden verricht in het kader van de
deeleconomie, ook worden verricht in het kader van
occasionele diensten tussen burgers (artikel 90, eerste
lid, 1°bis, d), en 1°ter, b), WIB 92). De regering stelt dan
ook voor om een negatief resultaat voor inkomsten
uit de deeleconomie, voor inkomsten uit het vereni-
gingswerk of voor inkomsten uit occasionele diensten
tussen burgers te laten in mindering brengen van een
voor hetzelfde belastbare tijdperk vastgestelde positief
resultaat voor één of meer andere tot diezelfde groep
behorende inkomstencategorieën. Daartoe wordt een
nieuw artikel 102ter, WIB 92 ingevoegd in de afdeling
met betrekking tot de diverse inkomsten.
1° et 2°, CIR 92. Pour certains services, les revenus
de la cession ou de la concession de droits d’auteur
et de droits voisins tels que visés à l’article 17, § 1er,
5°, CIR 92 peuvent également être visés à l’article 90,
alinéa 3, CIR 92.
Suite aux raisons exposées ci-avant, il est proposé
de (article 70 du projet):
— ne plus rendre applicables les dispositions en
matière de précomptes “fédéraux” aux revenus qui sont
considérés comme des revenus issus de l’économie col-
laborative ou des services occasionnels entre citoyens
en application de l’article 90, alinéa 3, CIR 92;
— ne plus reprendre dans l’article 90, alinéa 3,
CIR 92 les revenus de capitaux et les revenus de rentes
viagères ou temporaires tels que visés à l’article 17,
§ 1er, 1°, 2° et 4°, CIR 92 en tant que revenus qui peuvent
être considérés comme des revenus issus de l’écono-
mie collaborative, du travail associatif ou des services
occasionnels entre citoyens. Les revenus issus de la
location de biens mobiliers (article 17, § 1er, 3°, CIR 92) et
les revenus issus de la cession ou concession de droits
d’auteur et de droits voisins tels que visés à l’article 17,
§ 1er, 5°, CIR 92, sont donc, tout comme c’est déjà le
cas actuellement, considérés comme des revenus issus
de l’économie collaborative, du travail associatif ou des
services occasionnels entre citoyens dans la mesure
où ces biens sont utilisés pour l’acquisition de revenus
de l’économie collaborative, du travail associatif ou des
services occasionnels entre citoyens.
Bien qu’il existe des catégories distinctes de revenus
divers, les revenus issus de l’économie collaborative,
du travail associatif ou des services occasionnels entre
citoyens sont toutefois étroitement liés entre eux du fait
qu’ils tombent sous le même régime d’exonération.
Les revenus bruts de ces catégories sont en effet pris
ensemble afin de déterminer si la limite de 6 130 euros
(montant indexé pour l’exercice d’imposition 2019) est,
ou non, dépassée. De plus, il est possible que des
services effectués dans le cadre de l’économie colla-
borative soient également effectués dans le cadre des
services occasionnels entre citoyens (article 90, alinéa
1er, 1°bis, d) et 1°ter, b), CIR 92). Le gouvernement pro-
pose dès lors de laisser un résultat négatif pour des
revenus issus de l’économie collaborative, pour des
revenus issus du travail associatif ou pour des revenus
issus de services occasionnels entre citoyens être
porté en diminution d’un résultat positif constaté pour la
même période imposable pour une ou plusieurs autres
catégories de revenus appartenant à ce même groupe.
A cette fin, un nouvel article 102ter, CIR 92 est introduit
dans la section relative aux revenus divers.
41
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Zoals gevraagd door de Raad van State in diens ad-
vies nr. 64.422/3, wordt erop gewezen dat de in artikel
102ter, WIB 92 vermelde verliesaanrekening enkel geldt
voor de inkomsten uit de deeleconomie, uit het vereni-
gingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers
die als divers inkomen belastbaar zijn.
Afdeling 2
Vereenvoudiging inzake PB
Art. 74
Niet recurrente resultaatsgebonden voordelen kun-
nen fiscaal worden aangemerkt als bezoldigingen werk-
nemer en als bezoldigingen bedrijfsleider. Wanneer een
belastingplichtige in een belastbaar tijdperk zowel niet
recurrente resultaatsgebonden voordelen heeft verkre-
gen die als bezoldiging werknemer worden aangemerkt
als niet recurrente resultaatsgebonden voordelen die als
bezoldiging bedrijfsleider worden aangemerkt, moet de
in artikel 38, § 1, eerste lid, 24°, WIB 92 bedoelde vrij-
stelling over beide categorieën van beroepsinkomsten
worden verdeeld. Momenteel moet de belastingplichtige
zelf bepalen hoe die vrijstelling wordt omgedeeld, wat
niet altijd eenvoudig is. De regering stelt daarom voor
in de wet in te schrijven dat in een dergelijk geval de
vrijstelling verhoudingsgewijs over de niet recurrente
resultaatsgebonden voordelen in de beide categorieën
van beroepsinkomsten wordt verdeeld en dit vanaf
aanslagjaar 2019. Om de verhouding te bepalen wordt
enkel rekening gehouden met de niet recurrente resul-
taatsgebonden voordelen.
Voorbeeld
Bezoldiging
werknemer
Bezoldiging
bedrijfsleider
Voordeel
2.500 euro
1.500 euro
Vrijstelling
2.880 x 2.500/4.000
= -1.800 euro
2.880 x 1.500/4.000
= -1.080 euro
Belastbaar
700 euro
420 euro
Art. 75
De tijdelijke bepaling ingevoegd in artikel 538 van het
WIB 92 bij de wet van 26 december 2013 ten gevolge
van de opheffing van artikel 38, § 1, eerste lid, 27° en
§ 5, bij dezelfde wet, betreffende een gedeeltelijke
A la demande du Conseil d’État dans son avis
n° 64.422/3, il est précisé que l’imputation des pertes
visée à l’article 102ter, CIR 92 en projet ne s’applique
qu’aux revenus issus de l’économie collaborative, du
travail associatif ou de services occasionnels entre
citoyens qui sont imposables en tant que revenus divers.
Section 2
Simplification en matière d’IPP
Art. 74
Sur le plan fiscal, les avantages non récurrents liés
aux résultats peuvent être considérés comme des rému-
nérations de travailleur et comme des rémunérations
de dirigeant d’entreprise. Lorsqu’un contribuable a
obtenu pendant une période imposable des avantages
non récurrents liés aux résultats qui sont qualifiés de
rémunérations de travailleur ainsi que des avantages
non récurrents liés aux résultats qui sont qualifiés de
rémunérations de dirigeant d’entreprise, l’exonération
visée à l’article 38, § 1er, alinéa 1er, 24°, CIR 92 doit être
répartie sur les deux catégories de revenus profession-
nels. Actuellement, c’est au contribuable lui-même de
déterminer comment cette exonération doit être répartie,
ce qui n’est pas toujours simple. Dès lors, le gouver-
nement propose d’inscrire dans la loi que dans un tel
cas, l’exonération est répartie proportionnellement sur
les avantages non récurrents liés aux résultats dans les
deux catégories de revenus professionnels et ce à partir
de l’exercice d’imposition 2019. Seuls les avantages
non récurrents liés aux résultats sont pris en compte
pour fixer la proportion.
Exemple
Rémunération de
travailleur
Rémunération
de dirigeant
d’entreprise
Avantage
2.500 euros
1.500 euros
Exonération
2.880 x 2.500/4.000
= -1.800 euros
2.880 x 1.500/4.000
= -1.080 euros
Imposable
700 euros
420 euros
Art. 75
La mesure transitoire insérée à l’article 538 du
CIR 92 par la loi du 26 décembre 2013 suite à l’abroga-
tion, par la même loi, de l’article 38, § 1er, alinéa 1er, 27°
et § 5, qui concernait une exonération d’impôt partielle
42
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
belastingvrijstelling voor vergoedingen en schadeloos-
stellingen ontvangen in het kader van een ontslag wat
de opzeggingstermijnen en de carensdag in het kader
van het eenheidsstatuutwet heeft geen bestaansreden
meer en wordt opgeheven.
Door deze overgangsbepaling blijft het stelsel van
artikel 38, § 1, eerste lid, 27° en § 5, WIB 92 van toepas-
sing na 1 januari 2014 in de gevallen voorzien in artikel
538, WIB 92. De collectieve ontslagprocedure moest ten
laatste op 31 december 2013 aangevat zijn. Het betreft
dus gevallen die zich in toekomstige aanslagjaren niet
meer zullen voortdoen.
Door dit artikel 538, WIB 92 te schrappen, wordt een
bepaling die overbodig werd in dit Wetboek geschrapt,
en wordt tegelijkertijd de aangifte voor de personenbe-
lasting vereenvoudigd, hetgeen toelaat de overeenko-
mende codes te schrappen.
Art. 76
Artikel 76 bepaalt de inwerkingtreding van de bepa-
lingen in dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK 2
Wijziging van het Wetboek diverse rechten
en taksen
Art. 77 en 78
Met een recht op geschriften van 2 euro werden bij
artikel 10 van het Wetboek diverse rechten en taksen,
vóór dat dit artikel werd gewijzigd bij de op 30 juli 2018
inwerking getreden wet van 11 juli 2018, enkel de akten
van weigering tot overschrijving van beslaglegging en
de getuigschriften, afschriften of uittreksels afgeleverd
door de bewaarders der hypotheken op onroerend
goederen belast.
Om het ambt van hypotheekbewaarder te kunnen
afschaffen, heeft de wet van 11 juli 2018 de verwijzingen
naar de bewaarders en de bewaringen der hypotheken
opgeheven in de vigerende wetgeving.
De wijziging die werd aangebracht aan voormeld
artikel 10 door die wet heeft echter ongewild het toepas-
singsgebied van dat recht op geschriften uitgebreid. De
voorgestelde tekst herstelt de initiële bedoeling van het
toepassingsgebied.
pour les rémunérations et indemnités perçues dans le
cadre d’un licenciement n’a plus de raison d’être et
est abrogée.
Par cette mesure transitoire, le régime de l’article 38,
§ 1er, alinéa 1er, 27° et § 5, CIR 92 est resté applicable
après le 1er janvier 2014 dans les situations visées
par l’article 538, CIR 92. Le processus de licencie-
ment collectif devait déjà avoir été initié au plus tard
le 31 décembre 2013. Il s’agit de situations qui ne se
rencontreront donc plus lors des exercices d’imposition
futurs.
En abrogeant cet article 538, CIR 92, on supprime
dans ledit Code une disposition devenue superflue et on
simplifie dans un même temps la déclaration à l’impôt
des personnes physiques en permettant la suppression
des codes y correspondants.
Art. 76
L’article 76 règle l’entrée en vigueur des dispositions
du présent chapitre.
CHAPITRE 2
Modification du Code des droits
et taxes divers
Art. 77 et 78
Avant sa modification par la loi du 11 juillet 2018,
entrée en vigueur le 30 juillet 2018, l’article 10 du Code
des droits et taxes divers établissait le droit d’écriture de
2 euros seulement pour les actes de refus de transcrip-
tion de saisie et pour les certificats, copies ou extraits
délivrés par les conservateurs des hypothèques sur les
immeubles.
Afin de pouvoir supprimer la fonction de conservateur
des hypothèques, la loi du 11 juillet 2018 a supprimé
dans la législation en vigueur les références aux conser-
vateurs et conservations des hypothèques.
Toutefois la modification apportée à l’article 10 pré-
cité par cette loi a étendu le champ d’application de ce
droit alors que ce n’était pas l’objectif. Le texte proposé
atteint à nouveau le but initial du champ d’application.
43
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 3
Wijziging aan het Wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten
Art. 79
Artikel 921 van het Wetboek der registratie, hypotheek
en griffierechten (hierna W. Reg.) betreft de belasting
van het stellen van een aanvullende zekerheid. Het
stellen van een zekerheid onder de vorm van een hy-
potheekvestiging op een onroerend goed wordt belast
met een gewestelijk registratierecht (artikel 87 van het
W. Reg. Waalse Gewest, artikel 87 van het W. Reg.
Brusselse Gewest en artikel 2.11.3.0.1 van de Vlaamse
Codex Fiscaliteit (hierna VCF). Wordt een hypotheek
gevestigd op een zee- of binnenschip dan is (behoudens
de uitzondering voor schepen die naar hun aard voor
zeevervoer bestemd zijn) een federaal registratierecht
verschuldigd (artikel 88 van het W. Reg.).
De problematiek van de aanvullende zekerheidstel-
ling betreft de vraag of men het registratierecht op de
vestiging van een hypotheek (op een onroerend goed
of op een zee- of binnenschip) dat reeds werd gehe-
ven naar aanleiding van de eerste hypotheekstelling,
nogmaals gaat heffen wanneer een tweede hypotheek
wordt gesteld tot waarborg van dezelfde schuld en van
dezelfde waarde.
Vóór de invoering van de VCF werd die problematiek
opgelost door artikel 921, W. Reg. dat (in zijn meest
recente versie) luidt “Onverminderd artikel 91, dekt het
in artikelen 87 en 88 bedoeld recht alle vestiging van
hypotheek welke naderhand tot zekerheid van eenzelfde
schuldvordering van hetzelfde gewaarborgd bedrag
mocht worden toegestaan.”.
Artikel 921, W. Reg. verwijst wat dat betreft uitdruk-
kelijk naar het recht bedoeld in de artikelen 87 en 88, W.
Reg.
Bij de invoering van de VCF werd een gelijkaardige
regel ingeschreven in het artikel 2.11.6.0.1: “Er wordt een
vrijstelling van het recht op hypotheekvestiging verleend
voor elke vestiging van een hypotheek die na de hef-
fing van de belasting, vermeld in artikel 2.11.3.0.1, wordt
toegestaan tot zekerheid van dezelfde schuldvordering
voor hetzelfde gewaarborgde bedrag. “
De huidige formuleringen van artikel 921, W. Reg.
(federaal en Waalse en Brussels Hoofdstedelijke
Gewest) en van artikel 2.11.6.0.1 VCF laten niet meer
toe een dubbele belasting te vermijden . De volgende
voorbeelden illustreren dit.
CHAPITRE 3
Modification au Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Art. 79
L’article 921 du Code des droits d’enregistrement,
d’hypothèque et de greffe (ci-après: C. enreg.) concerne
l’imposition d’une sûreté complémentaire. La consti-
tution d’une sûreté sous la forme d’une constitution
d’hypothèque sur un bien immeuble est soumise à un
droit d’enregistrement régional (article 87 du C. enreg.
Rég. wal., article 87 du C. enreg. Rég. B.-C. et article
2.11.3.0.1 du Code flamand de la fiscalité (ci-après
C.F.F.). Il est dû un droit d’enregistrement fédéral
lorsqu’une hypothèque est constituée sur un navire ou
un bateau (à l’exception des navires destinés par nature
au transport maritime) (article 88 du C. enreg.).
La problématique de la sûreté complémentaire a trait
à la question de savoir si le droit d’enregistrement sur la
constitution d’une hypothèque (sur un bien immeuble ou
sur un navire ou un bateau) qui a déjà été prélevée à la
suite de la première hypothèque, sera à nouveau prélevé
lorsqu’une deuxième hypothèque sera constituée pour
garantir la même dette et la même valeur.
Avant l’introduction du C.F.F., ce problème avait été
résolu par l’article 921 du C. enreg., libellé (dans sa
version la plus récente) comme suit: “Sans préjudice
de l’article 91, le droit visé aux articles 87 et 88 couvre
toute constitution d’hypothèque qui serait consentie
dans la suite pour sûreté d’une même créance et du
même montant garanti.”.
L’article 921 du C. enreg. renvoie expressément, à cet
égard, au droit visé aux articles 87 et 88 du C. enreg.
Lors de l’introduction du C.F.F., une règle similaire a
été prévue dans l’article 2.11.6.0.1: “Une exemption du
droit sur les constitutions d’hypothèque est accordée
pour toute constitution d’une hypothèque qui est auto-
risée, après la perception des droits visés à l’article
2.11.3.0.1, en sûreté de la même créance pour le même
montant garanti.”.
Les formulations actuelles de l’article 921 du C. enreg.
(fédéral, wallon et de la Région de Bruxelles-Capitale) et
de l’article 2.11.6.0.1 CFF ne permettent plus d’éviter une
double taxation. Les exemples suivants illustrent cela.
44
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
In geval van een hypotheekvestiging op een on-
roerend goed gelegen in het Waalse Gewest of in
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die nadien wordt
aangevuld met een hypotheekvestiging op een in het
Vlaamse Gewest gelegen onroerende goed tot zeker-
heid van dezelfde schuld en van hetzelfde bedrag, is de
vrijstelling in artikel 2.11.6.0.1 VCF niet van toepassing
omdat dit artikel enkel uitdrukkelijk verwijst naar dezelfde
Codex (“de belasting, vermeld in artikel 2.11.3.0.1”) en
niet naar het Wetboek der registratie-, hypotheek- en
griffierechten.
Hetzelfde probleem doet zich voor in geval van een
hypotheekvestiging op een in het Vlaamse Gewest
gelegen onroerend goed, gevolgd door een hypotheek-
vestiging tot waarborg van dezelfde schuld en van het-
zelfde bedrag maar op een onroerend goed gelegen in
een ander Gewest dan het Vlaamse Gewest of op een
schip bedoeld in artikel 88,W. Reg. In dit geval is het
recht respectievelijk bepaald in de artikelen 87 en 88, W.
Reg. verschuldigd op , gelet op het feit dat artikel 921,
W. Reg. uitdrukkelijk verwijst naar de artikelen 87 en
88, W. Reg. maar niet naar de bepalingen van de VCF.
Om in alle gevallen het oorspronkelijke principe van
artikel 921 van het W. Reg. te herstellen, is een optreden
van de federale wetgever en van de drie gewestwetge-
vers nodig.
De in dit ontwerp voorgestelde nieuwe versie van
artikel 921 van het federale Wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten, vormt het federale luik van
de noodzakelijke aanpassingen van de teksten.
De nieuwe versie van artikel 921 W. Reg. verwijst naar
“het in artikel 3, eerste lid, 7°, a) van de bijzondere wet
van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de
Gemeenschappen en de Gewesten bedoeld recht”, dit
is het gewestelijk registratierecht op de vestiging van
een hypotheek op een onroerend goed, en niet meer
naar ‘het in artikel 87 (van het W. Reg.) bedoelde recht”.
De Gewesten hebben zich, in het kader van een
overleg in de schoot van de Waarnemingspost van
de Gewestelijke Fiscaliteit, geëngageerd om aan hun
parlement een gewestelijke variant voor te leggen van
devoorgestelde nieuwe versie van artikel 921, W. Reg.
Art. 80
Met de gewesten is afgesproken om de op de ver-
schillende niveau’s nodige wetswijzigingen te laten in
werking treden op 1 januari 2019.
Dans le cas où une constitution d’hypothèque sur
un bien immeuble situé en Région wallonne ou dans la
Région de Bruxelles-Capitale est suivie ultérieurement
d’une constitution d’hypothèque sur un bien immeuble
situé en Région flamande, en garantie de la même
créance pour le même montant, l’exemption de l’article
2.11.6.0.1 C.F.F. n’est pas applicable car cet article ren-
voie expressément au même Code (“l’impôt, mentionné
à l’article 2.11.3.0.1”) et non pas au Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe.
Le même problème se présente dans le cas où une
constitution d’hypothèque sur un bien immeuble situé en
Région flamande est suivie d’une constitution d’hypo-
thèque en garantie de la même dette et pour le même
montant garanti sur un bien immeuble situé dans une
autre région que la Région flamande, ou sur un navire
visé à l’article 88, C. enreg. Dans ce cas, le droit fixé
respectivement aux articles 87 et 88, C. enreg. est dû
sur la sûreté complémentaire étant donné que l’article
921, C. enreg. renvoie expressément au droit visé aux
articles 87 et 88 du C. enreg. et non aux dispositions
du C.F.F..
Afin de rétablir, dans tous les cas, le principe initial de
l’article 921 du C. enreg., il est nécessaire que le législa-
teur fédéral et les trois législateurs régionaux agissent.
La nouvelle version de l’article 921 du Code fédéral
des droits d’enregistrement proposée dans ce projet,
constitue la partie fédérale des adaptations nécessaires
des textes.
La nouvelle version de l’article 921 du C. enreg., ren-
voie au “droit visé […] à l’article 3, alinéa 1er, 7°, a) de la
loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement
des Communautés et des Régions”, c’est-à-dire au
droit d’enregistrement régional sur la constitution d’une
hypothèque sur un bien immeuble, et plus “au droit visé
à l’article 87 (du C. enreg.)”.
Les Régions se sont engagées, dans le cadre d’une
concertation au sein de l’Observatoire de la fiscalité
régionale, à soumettre à leur parlement une variante
régionale de la version nouvelle de l’article 921 du C.
enreg. proposée.
Art. 80
Il a été convenu avec les régions de faire entrer en
vigueur le 1er janvier 2019 les modifications législatives
nécessaires aux différents niveaux.
45
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
TITEL VI
Achterwaartse verliesverrekening ter compensatie
van schade aan landbouwteelten, veroorzaakt door
ongunstige weersomstandigheden
ALGEMENE TOELICHTING
Dit deel geeft uitvoering aan het voornemen van de
regering om een stelsel van achterwaartse aftrek van
verliezen (carry back) in te voeren voor de land- en tuin-
bouwsector. (Telkens wanneer hierna de term landbouw
wordt gebruikt, mag daaronder ook steeds de tuinbouw
worden verstaan).
Ongunstige klimatologische omstandigheden, zoals
vorst, storm, hagel, ijs, hevige of aanhoudende regen
of ernstige droogte, kunnen een aanzienlijke impact
hebben op de opbrengst van landbouwteelten en dus
ook op het inkomen van landbouwers.
In de personenbelasting bestaat het vigerend stelsel
er in dat een in het belastbare tijdperk geleden beroeps-
verlies (negatief resultaat uit een bepaalde categorie van
beroepsinkomsten) afgetrokken wordt van de andere
beroepsinkomsten van de belastingplichtige (artikel
23, WIB 92) en eventueel van de beroepsinkomsten
van de echtgenoot van de belastingplichtige (artikel
129, WIB 92). De beroepsverliezen die dan nog niet in
aftrek konden worden gebracht, worden overgedragen
naar het volgende belastbare tijdperk en eventueel
zelfs de daaropvolgende belastbare tijdperken (artikel
78, WIB 92).
Ook in de vennootschapsbelasting voorziet het vige-
rende stelsel enkel in een overdracht van het beroeps-
verlies naar de volgende belastbare tijdperken (artikel
206, WIB 92).
Door het fiscale verlies dat landbouwers lijden door
ongunstige klimatologische omstandigheden te laten
aftrekken van de beroepsinkomsten van vorige in plaats
van volgende belastbare tijdperken en op die manier
reeds betaalde belasting terug te geven (eerder dan
toekomstige belasting te verlagen), wil de regering de
landbouwers bijkomende financiële ademruimte geven.
In antwoord op het advies nr. 64.422/3 van de Raad
van State wordt verduidelijkt dat de regering van mening
is dat dit bijzonder stelsel dat enkel kan genoten worden
door landbouwondernemingen (natuurlijke personen en
rechtspersonen) die schade hebben geleden die werd
veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, te
verantwoorden is doordat de landbouwers behoren tot
TITRE VI
Rétro-imputation des pertes en compensation du
dommage aux cultures agricoles, provoqué par des
conditions météorologiques défavorables
EXPOSÉ GÉNÉRAL
La présente partie exécute l’engagement du gouver-
nement d’instaurer un régime de rétro-déduction des
pertes (carry back) pour le secteur agricole et horticole
(à chaque fois que le terme agriculture est employé
ci-après, il faut toujours entendre par là également
l’horticulture).
Des conditions climatologiques défavorables, comme
le gel, les tempêtes, la grêle, le verglas, les pluies
abondantes ou persistantes ou une grave sécheresse,
peuvent avoir une incidence notable sur le rendement
des cultures agricoles et par conséquent sur les revenus
des agriculteurs.
A l’impôt des personnes physiques, il existe une
mesure en vigueur par laquelle une perte profession-
nelle subie lors de la période imposable (résultat négatif
issu de certaines catégories de revenus profession-
nels) est déduite des autres revenus professionnels
du contribuable (article 23, CIR 92) et éventuellement
des revenus professionnels du conjoint du contribuable
(article 129, CIR 92). Les pertes professionnelles qui ne
peuvent être alors portées en déduction sont reportées à
la période imposable suivante et même, éventuellement,
aux périodes imposables suivantes (article 78, CIR 92).
A l’impôt des sociétés également, la mesure en
vigueur prévoit uniquement le report de pertes profes-
sionnelles aux périodes imposables suivantes (article
206, CIR 92).
En permettant la déduction des pertes fiscales que
les agriculteurs subissent du fait de conditions climato-
logiques défavorables des revenus professionnels de
périodes imposables antérieures au lieu des suivantes,
et, de cette façon, le remboursement de l’impôt déjà
payé (plutôt que la diminution de l’impôt futur), le gou-
vernement souhaite procurer plus de marge financière
aux agriculteurs.
En réponse à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État,
il est précisé que le gouvernement est d’avis que ce
régime particulier, dont ne peuvent bénéficier que les en-
treprises agricoles (personnes physiques et personnes
morales) qui ont subi un dommage ayant été causé par
des conditions météorologiques défavorables, est jus-
tifié par le fait que les agriculteurs appartiennent à un
46
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
een beroepsgroep die te lijden heeft onder wisselvallige
inkomsten ten gevolge van het onvoorspelbaar karakter
van het weer. In de landbouwsector is het aantal land-
bouwbedrijven de afgelopen 40 jaar gedaald met 70 pct.
Zij zijn uitermate gevoelig aan de wisselende extreme
weersomstandigheden die jaar na jaar nog prominenter
zullen worden door de klimatologische gevolgen van de
opwarming van de aarde. Hierdoor valt te verwachten
dat de volatiliteit van hun inkomsten, meer nog dan bij
andere beroepsgroepen in de toekomst zal toenemen.
De andere regels met betrekking tot de aftrek van
verliezen, zoals de artikelen 79 en 80, WIB 92 zijn ook
van toepassing op de achterwaartse verliesaftrek.
In antwoord op het advies nr. 64.422/3 van de Raad
van State wordt verduidelijkt dat dit principe ook van
toepassing is in de vennootschapsbelasting en dat ook
de andere regels, zoals bijvoorbeeld deze bedoeld in de
artikelen 206, §§ 2 en 3, en 207, WIB 92, van toepassing
zijn op de achterwaartse verliesaftrek.
Het is dus bijgevolg perfect mogelijk dat de specifieke
ongunstige omstandigheden van de belastbare tijdper-
ken n-3, n-2, n-1 gevolgen hebben voor de toepassing
van de carry back, net zoals de specifieke ongunstige
omstandigheden van de belastbare tijdperken n-3, n-2,
n-1, gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van
een carry forward in het belastbare tijdperk n.
De achterwaartse verliesaftrek voor verliezen die
door landbouwondernemingen worden geleden inge-
volge ongunstige klimatologische omstandigheden is
een keuzestelsel. De belastingplichtige moet zijn keuze
expliciet bekend maken in de aangifte met betrekking
tot het belastbare tijdperk waarin de schade waaraan
het verlies is te wijten, is vastgesteld.
Van zodra het bedrag van de verliezen die in aanmer-
king komen voor achterwaartse verliesaftrek gekend
is (d.i. blijkt uit een aanslag in de personenbelasting,
vennootschapsbelasting of de belasting van niet-
inwoners), zullen die verliezen worden afgetrokken van
de beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken
voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin de
verliezen werden geleden, te beginnen met het oudste.
Vervolgens zal het ingevolge de verrekening van deze
verliezen teveel betaalde bedrag van rechtswege van
de belasting worden ontheven.
Vermits de achterwaartse aanrekening enkel geldt
voor verliezen in de landbouwsector en impliceert dat er
een financieel voordeel wordt verleend door de overheid,
moet de maatregel in beginsel als staatssteun worden
aangemerkt.
groupe professionnel qui génère des revenus fluctuants
en conséquence du caractère imprévisible du climat.
Dans le secteur de l’agriculture, le nombre d’entreprises
agricoles a diminué de 70 p.c. ces 40 dernières années.
Elles sont hautement sensibles aux conditions météoro-
logiques extrêmes fluctuantes qui, année après année,
se feront plus prépondérantes suite aux conséquences
climatiques du réchauffement de la planète. Par consé-
quent, on peut s’attendre à ce que la volatilité de leurs
revenus ne fasse dans le futur que s’accroître, plus que
pour d’autres groupes professionnels.
Les autres règles relatives à la déduction des pertes,
telles que les articles 79 et 80, CIR 92, sont aussi appli-
cables à la rétro-déduction des pertes.
En réponse à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État, il
est précisé que ce principe est également applicable à
l’impôt des sociétés et que les autres règles, comme
par exemple celles visées aux artricles 206, §§ 2 et 3,
et 207, CIR 92, sont applicables à la rétro-imputation
des pertes.
Il s’ensuit donc qu’il est parfaitement possible que
les conditions spécifiques défavorables des périodes
imposables n-3, n-2, n-1, aient des conséquences sur
l’application du “carry back”, tout comme les conditions
spécifiques défaborables des périodes imposables n-3,
n-2, n-1, puissent avoir des conséquences sur l’appli-
cation d’un “carry forward” à la période imposable n.
La rétro-déduction de pertes pour des pertes que les
entreprises agricoles ont subies suite à des conditions
climatologiques défavorables est un régime d’option.
Le contribuable doit explicitement faire connaître son
choix dans la déclaration relative à la période imposable
durant laquelle les dommages qui ont causé la perte
ont été constatés.
Dès lors que le montant des pertes qui entrent en
ligne de compte pour la rétro-déduction des pertes
est connu (ç.-à.-d. tel qu’il ressort d’une imposition à
l’impôt des personnes physiques, l’impôt des socié-
tés ou l’impôt des non-résidents), ces pertes seront
déduites des revenus professionnels des trois périodes
imposables précédant la période imposable durant
laquelle les pertes ont été éprouvées, à commencer
par la plus ancienne. Ensuite, le montant de l’impôt
payé en excès suite à l’imputation de ces pertes, sera
dégrevé de plein droit.
Etant donné que la rétro-imputation ne vaut que
pour les pertes dans le secteur de l’agriculture, et que
cela implique qu’un avantage financier est accordé
par l’autorité publique, la mesure doit en principe être
qualifiée d’aide d’état.
47
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Om te voldoen aan de Europese staatssteunregels
heeft de regering ervoor geopteerd om met deze
maatregel het kader te volgen dat door de Europese
regelgever werd voorzien in artikel 25 van verordening
(EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014
waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw-
en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op
grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie met
de interne markt verenigbaar worden verklaard
(landbouwvrijstellingsverordening).
Concreet heeft dit tot gevolg dat er aan een heel
aantal voorwaarden moet worden voldaan. Vooreerst
kunnen in overeenstemming met dit door de Europese
regelgever uitgewerkte kader enkel kmo’s in aanmerking
komen voor het verkrijgen van steun en moeten over-
eenkomstig artikel 1, lid 6 van de voormelde landbouw-
vrijstellingsverordening ondernemingen in moeilijkheden
van het toepassingsgebied worden uitgesloten. De
onderneming wordt echter niet uitgesloten indien zij een
onderneming in moeilijkheden is geworden ten gevolge
van de geleden schade veroorzaakt door de ongunstige
weersomstandigheden. Bijgevolg moeten de onderne-
mingen worden uitgesloten die reeds “in moeilijkheden”
waren voordat zij schade hebben geleden ingevolge de
ongunstige weersomstandigheden.
De begrippen “middelgrote onderneming” en “onder-
neming in moeilijkheden”, zoals gedefinieerd door de
verschillende vrijstellingsverordeningen, werden eerder
al gebruikt in het kader van een andere maatregel, met
name de steun die wordt verleend aan ondernemingen
die investeren in een steunzone (artikelen 2758 en 2759,
WIB 92).
Omwille van legistieke redenen en om de coherentie
in het WIB 92 te bevorderen, is er voor gekozen om de
definitie van deze begrippen, die momenteel in artikel
2758, § 2, WIB 92 is geïntegreerd, in artikel 2, WIB 92 op
te nemen. Dit heeft als voordeel dat het in de toekomst
eenvoudiger wordt om maatregelen in het WIB 92 in
te voeren die binnen het kader van één van de in de
vrijstellingsverordeningen omschreven categorieën van
steun worden uitgewerkt en het maakt het niet nodig
om deze definities te herhalen in de artikelen waarin de
steunregeling wordt beschreven.
Vervolgens voorziet dit ontwerp dat belangrijke as-
pecten van deze maatregel samen met de gewesten
zullen moeten worden uitgewerkt en dat deze uitwerking
zijn neerslag zal krijgen in een met elk gewest afzon-
derlijk gesloten samenwerkingsakkoord. Het is hierbij
geenszins de bedoeling om de bevoegdheidsverdelende
regels zoals omschreven in de bijzondere wetten buiten
spel te zetten.
Afin de répondre aux règles européennes en matière
d’aide d’état, le gouvernement a choisi pour cette
mesure de suivre le cadre que le législateur européen
a prévu à l’article 25 du règlement (UE) n° 702/2014 de
la Commission du 25 juin 2014 déclarant certaines caté-
gories d’aides, dans les secteurs agricole et forestier
et dans les zones rurales, compatibles avec le marché
intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité
sur le fonctionnement de l’Union européenne (règlement
d’exemption agricole).
Concrètement, cela a pour conséquence que tout
un ensemble de conditions doivent être remplies.
Tout d’abord, conformément à ce cadre élaboré par le
législateur européen, seules les PME peuvent entrer en
considération pour l’obtention d’aide et les entreprises
en difficulté doivent, conformément à l’article 1er, ali-
néa 6, du règlement d’exemption agricole précité, en
être exclues. L’entreprise n’est cependant pas exclue
si elle est devenue une entreprise en difficulté suite à
des dommages subis provoqués par des conditions
météorologiques défavorables. Par conséquent, les
entreprises qui étaient déjà “en difficulté”, avant qu’elles
n’aient encouru un dommage suite à des conditions
météorologiques défavorables, doivent être exclues.
Les notions de “moyenne entreprise” et “entreprise en
difficulté”, comme définies par les différents règlements
d’exemption, étaient antérieurement déjà utilisées dans
le cadre d’une autre mesure, à savoir l’aide qui est
accordée aux entreprises qui investissent dans une
zone d’aide (articles 2758 et 2759, CIR 92).
Pour des raisons logistiques, et afin de favoriser la
cohérence dans le CIR 92, il a été choisi de reprendre
la définition de ces notions, actuellement intégrée à
l’article 2758, § 2, CIR 92, à l’article 2, CIR 92. Cela
présente l’avantage qu’il sera à l’avenir plus simple
d’introduire des mesures dans le CIR 92 qui sont élabo-
rées dans le cadre d’une des catégories d’aide définies
dans les règlements d’exemption et qu’il ne sera pas
nécessaire de répéter ces définitions dans les articles
dans lesquels la mesure d’aide sera inscrite.
Ensuite, le présent projet prévoit que les aspects
importants de cette mesure seront élaborés conjoin-
tement avec les régions et que cette élaboration sera
obtenue par le fruit d’un accord de coopération conclu
séparément avec chaque région. L’intention n’est pas
du tout ici de mettre de côté les règles répartitrices de
compétences telles que décrites dans les lois spéciales.
48
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Deze werkwijze wordt als volgt gemotiveerd:
Vooreerst is het inderdaad zo dat door de bevoegd-
heidsverdelende regels aan de gewesten belangrijke
delen van het landbouwbeleid werden toebedeeld. In
uitvoering van dit beleid geven de gewesten vandaag
al steun aan landbouwers die schade hebben geleden
ingevolge ongunstige weersomstandigheden.
Niettegenstaande de aan de gewesten toegewezen
bevoegdheden op het vlak van landbouw, heeft ook
de federale overheid bevoegdheden die haar optreden
verantwoorden. Zo is uitsluitend de federale overheid
bevoegd om de grondslag van de federale inkomsten-
belastingen te bepalen. Dit maakt de federale overheid
minstens impliciet bevoegd om via de vaststelling van
de grondslag van de inkomstenbelastingen specifieke
maatregelen te nemen voor een groep van belasting-
plichtigen die bijzonder kwetsbaar is voor ongunstige
klimatologische omstandigheden.
Aangezien verschillende binnenlandse beleidsni-
veaus inspanningen leveren en willen leveren om de
economische gevolgen voor landbouwers van on-
gunstige klimatologische omstandigheden draaglijk
te houden, is het omwille van economische redenen
aangewezen om de inspanningen onderling te coördi-
neren. Zo zou het allerminst efficiënt zijn indien zowel
het bevoegde gewest als de federale overheid naast el-
kaar de ongunstige weersomstandigheden die met een
natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals bedoeld
in artikel 25 van de landbouwvrijstellingsverordening,
zouden erkennen. Daarnaast zou het ook niet efficiënt
zijn indien de twee verschillende beleidsniveaus elk
apart een afzonderlijke methode zouden ontwikkelen
om het bedrag van de schade vast te stellen die wordt
veroorzaakt door de ongunstige weersomstandigheden.
Een tweede belangrijke reden om een samenwer-
kingsakkoord te sluiten, is dat om te beoordelen of de
in artikel 25 van de voormelde verordening voorziene
maximale steunintensiteit wordt nageleefd, de aan
de belastingplichtige verleende steun geconsolideerd
moet worden bekeken. Het maakt voor de Europese
regelgever immers niet uit door welk specifieke overheid
de steun wordt verleend. In een federaal land heeft dit
tot gevolg dat indien twee overheden steun willen ver-
lenen ter compensatie van dezelfde kosten, de beide
overheden er gezamenlijk over moeten waken dat de
maximale steunintensiteit niet overschreden wordt.
Om de informatie-uitwisseling die hiervoor nodig is te
voorzien, is het ook noodzakelijk om een samenwer-
kingsakkoord te sluiten.
Cette méthode de travail est motivée comme suit:
Tout d’abord, il est vrai que d’importantes parties de
la politique agricole ont été attribuées aux régions par
les règles répartitrices de compétences. En exécution
de cette politique, les régions attribuent déjà à l’heure
actuelle de l’aide aux agriculteurs qui ont subi des
dommages suite à des conditions météorologiques
défavorables.
Nonobstant les compétences accordées aux régions
en matière d’agriculture, l’Autorité fédérale possède
également des compétences qui justifient son action.
Ainsi, elle est seule compétente pour déterminer la
base imposable des impôts sur les revenus fédéraux.
Cela rend l’Autorité fédérale, au moins implicitement,
compétente pour prendre des mesures spécifiques,
pour un groupe de contribuables qui est spécialement
vulnérable à des conditions météorologiques défavo-
rables, via la détermination de la base imposable des
impôts sur les revenus.
Vu que différents niveaux de pouvoir nationaux four-
nissent et veulent fournir des efforts pour que l’impact
économique pour les agriculteurs de circonstances
climatologiques défavorables reste supportable, il est
souhaitable, pour des raisons économiques, de coor-
donner les efforts entre eux. Ainsi, cela ne serait pas
du tout efficient si la région compétente tout comme
l’Autorité fédérale reconnaissaient côte à côte les condi-
tions météorologiques défavorables qui peuvent être
assimilées à une calamité naturelle, telles que visées
à l’article 25 du règlement d’exemption agricole. En
outre, il ne serait pas non plus efficient que les deux
différents niveaux de pouvoir développent chacun leur
méthode distincte pour la détermination du montant du
dommage provoqué par les conditions météorologiques
défavorables.
Une deuxième raison importante pour conclure un
accord de coopération est que pour vérifier si l’intensité
maximale de l’aide prévue à l’article 25 du règlement
précité est respectée, l’aide accordée au contribuable
doit se vérifier de façon consolidée. Cela importe peu
au législateur européen de savoir par quelle autorité
publique spécifique l’aide est accordée. Dans un pays
fédéral, cela a pour conséquence que si deux autorités
publiques veulent accorder une aide en compensation
des mêmes coûts, les deux autorités publiques doivent
veiller ensemble à ce que l’intensité maximale de
l’aide ne soit pas dépassée. Afin de prévoir l’échange
d’informations nécessaire à cette fin, il est également
nécessaire de conclure un accord de coopération.
49
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Art. 81, 85 en 86
De wijzigingen die deze artikelen aanbrengen hebben
tot doel om de definities van “middelgrote onderneming”
en “onderneming in moeilijkheden” die voorheen impli-
ciet in artikel 2758, § 2, WIB 92 waren opgenomen, te
verplaatsen naar artikel 2, WIB 92.
Gelet op de specifieke context waar deze definities
voorheen werden gebruikt, was het niet mogelijk om
deze woordelijk over te nemen. Bovendien wordt wat
betreft de definitie van “middelgrote onderneming” (KMO
definitie) van de gelegenheid gebruik gemaakt om de
in het WIB 92 opgenomen definitie waar mogelijk nog
beter te laten aansluiten bij de tekst van bijlage 1 van
de voormelde verordening waar de Europeesrechtelijke
KMO definitie is in opgenomen.
Er werd voor gekozen om niet expliciet te verwijzen
naar de in de verordening opgenomen definitie omdat
deze relatief complex is opgesteld en weinig geschikt is
om in een fiscale context te worden gebruikt. Daarom
wordt geopteerd voor het gebruik van een autonome de-
finitie, die inhoudelijk zeer nauw aansluit bij de Europese
definitie, maar waarvan het woordgebruik beter aansluit
bij de bewoording van het WIB 92.
Voor landbouwvennootschappen zal steeds in hoofde
van de vennootschap worden beoordeeld of al dan niet
voldaan is aan de criteria van middelgrote onderneming,
ook wanneer voor een belastingheffing in de personen-
belasting wordt geopteerd.
In navolging van het advies nr. 64.422/3 van de Raad
van State wordt in het ontwerp verduidelijkt dat enkel de
in het paragraaf 4, tweede lid, bedoelde gevallen, die
niet verbonden zijn met de voornoemde onderneming,
niet worden beschouwd als aanbestedende overheden.
In antwoord op het advies nr. 64.422/3 van de Raad
van Stare wordt vervolgens verduidelijkt dat in de woor-
den “behalve in het geval de eerstgenoemde onderne-
ming onder het toepassingsgebied van het derde lid
valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk
wordt uitgeoefend” een verwijsfout was geslopen aan-
gezien het de bedoeling was om te verwijzen naar de
in het tweede lid bedoelde gevallen. Het ontwerp wordt
hieraan aangepast.
Met deze bepaling wordt artikel 3, lid 3, alinea 2, van
bijlage I, van verordening 702/2014 geïmplementeerd,
dat luidt:
COMMENTAIRE DES ARTICLES
Art. 81, 85 et 86
Les modifications qu’apportent ces articles ont pour
but de déplacer les définitions de “moyenne entreprise”
et “entreprise en difficulté” qui étaient auparavant impli-
citement reprises à l’article 2758, § 2, CIR 92, à l’article
2, CIR 92.
Etant donné le contexte spécifique dans lequel ces
définitions étaient utilisées auparavant, il n’était pas
possible de les reprendre littéralement. De plus, en
ce qui concerne la définition de “moyenne entreprise”
(définition de PME), l’occasion a été mise à profit de
faire davantage correspondre, lorsque c’était possible,
la définition reprise dans le CIR 92 au texte de l’annexe
1 du règlement précité dans lequel est reprise la défini-
tion de PME en droit européen.
Il a été choisi de ne pas se référer explicitement à la
définition reprise dans le règlement parce que celle-ci
est formulée de façon relativement complexe et est peu
adaptée pour être utilisée dans un contexte fiscal. Dès
lors, il a été choisi d’utiliser une définition autonome, qui
correspond en substance très étroitement à la définition
européenne, mais dont le phrasé correspond mieux au
vocabulaire du CIR 92.
Pour les entreprises agricoles, le respect ou non du
critère de moyenne entreprise sera toujours apprécié
dans le chef de la société, également lorsqu’il est opté
pour une imposition à l’impôt des personnes physiques.
Suite à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État, il est pré-
cisé dans le projet que seuls les cas visés au paragraphe
4, alinéa 2, qui ne sont pas liés à l’entreprise précitée,
ne sont pas considérés comme pouvoirs adjudicateurs.
En réponse à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État,
il est ensuite précisé qu’une erreur de référence s’est
glissée dans les mots “sauf dans le cas où l’autre
entreprise se trouve dans le champ d’application de
l’alinéa 3 et que les faits n’établissent pas que ce droit
est effectivement exercé”, étant donné que le but était
de se référer aux cas visés à l’alinéa 2. Le projet est
adapté à cet égard.
Cette disposition met en œuvre l’article 3, para-
graphe 3, deuxième alinéa, de l’annexe I, du règlement
702/2014, rédigé comme suit:
50
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Er wordt verondersteld dat geen overheersende in-
vloed wordt uitgeoefend indien de in lid 2, tweede alinea,
genoemde investeerders zich niet direct of indirect met
het beheer van de betrokken onderneming bemoeien,
onverminderd de rechten die zij als aandeelhouder of
vennoot bezitten.”.
Art. 82
Artikel 82 past artikel 23, § 2, 3°, WIB 92 aan om reke-
ning te houden met de mogelijkheid van achterwaartse
verliesaftrek en dus de aftrek van verliezen van latere
belastbare tijdperken. De achterwaartse verliesaftrek
zal ook worden toegepast op de beroepsinkomsten van
de echtgenoot. Artikel 129, WIB 92, dat de bepalingen
bevat met betrekking tot die aftrek van beroepsverliezen
bij de andere echtgenoot, moet echter niet worden aan-
gepast, gelet op de verwijzing naar artikel 23, WIB 92 in
dat artikel. Deze verwijzing omvat dus voortaan ook de
achterwaartse verliesaftrek.
Art. 83
De bestaande tekst van artikel 78, WIB 92, die het
principe van de voorwaartse verliesaanrekening vast-
legt, zal voortaan de eerste paragraaf van dat artikel
vormen. De tweede paragraaf in ontwerp legt de basis-
regels vast voor de achterwaartse verliesaanrekening.
In aanmerking komende verliezen
De achterwaartse aftrek van beroepsverliezen is
enkel mogelijk voor verliezen die in de landbouwsector
worden geleden door schade aan landbouwteelten
veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden.
Met ongunstige weersomstandigheden wordt feno-
menen als zeer zware regenval, grote droogte, strenge
vorst … bedoeld. De landbouwvrijstellingsverordening
vereist dat een aanzienlijk deel van de oogst, i.c. 30 pct.
ten opzichte van de gemiddelde jaarlijkse productie,
door de ongunstige weersomstandigheden verloren
is gegaan. De procedure voor formele erkenning die
in artikel 25 van de landbouwvrijstellingsverordening
wordt vereist, zal worden overeengekomen in de met de
gewesten gesloten samenwerkingsakkoorden.
De beroepsverliezen van een landbouwonderneming
zullen in aanmerking komen voor achterwaartse ver-
liesaftrek ten belope van maximum het bedrag van de
schade aan landbouwteelten zoals dat in het belastbare
tijdperk definitief is vastgesteld op de manier die zal
worden vastgelegd in de met de gewesten gesloten
“Il y a présomption qu’il n’y a pas d’influence domi-
nante, dès lors que les investisseurs énoncés au para-
graphe 2, deuxième alinéa, ne s’immiscent pas direc-
tement ou indirectement dans la gestion de l’entreprise
considérée, sans préjudice des droits qu’ils détiennent
en leur qualité d’actionnaires ou d’associés.”.
Art. 82
L’article 82 adapte l’article 23, § 2, 3°, CIR 92, pour
tenir compte de la possibilité de rétro-déduction de
pertes et donc de la déduction de pertes de périodes
imposables ultérieures. La rétro-déduction de pertes
sera également appliquée sur les revenus profession-
nels du conjoint. L’article 129, CIR 92, qui contient les
dispositions relatives à cette déduction des pertes
professionnelles par l’autre conjoint, ne doit cependant
pas être adapté, compte tenu de la référence à l’article
23, CIR 92 dans cet article. Désormais, cette référence
comprend donc également la rétro-déduction de pertes.
Art. 83
Le texte actuel de l’article 78, CIR 92, qui fixe le
principe de l’imputation future des pertes, formera
désormais le paragraphe 1er de cet article. Le para-
graphe 2, en projet, détermine les règles de base pour
la rétro-imputation des pertes.
Les pertes à prendre en considération
La rétro-déduction de pertes professionnelles n’est
possible que pour les pertes qui ont été encourues dans
le secteur de l’agriculture provoquées par des dom-
mages causés aux cultures agricoles par des conditions
météorologiques défavorables.
Par conditions météorologiques défavorables sont
visés les phénomènes tels que les pluies très abon-
dantes, les grandes sècheresses, les fortes gelées.
Le règlement d’exemption agricole exige qu’une partie
substantielle de la récolte, ç.-à.-d. 30 p.c. par rapport
à la production annuelle moyenne, soit perdu suite aux
conditions météorologiques défavorables. La procédure
pour la reconnaissance formelle qui est exigée à l’article
25 du règlement d’exemption agricole sera convenue
dans l’accord de coopération conclu avec les régions.
Les pertes professionnelles d’une entreprise agricole
seront prises en considération pour la rétro-déduction
de pertes à concurrence d’au maximum le montant
des dommages causés aux cultures agricoles tels que
définitivement constatés dans la période imposable,
de la façon qui sera dans les accords de coopération
51
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
samenwerkingsakkoorden. De beroepsverliezen van een
landbouwonderneming worden dus geacht bij voorrang
voort te komen uit de schade aan landbouwteelten die
is veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden.
Op die manier wordt vermeden dat een complexe op-
splitsing moet worden gemaakt van het fiscaal resultaat
uit de betrokken landbouwteelten en het fiscaal resultaat
uit andere landbouwactiviteiten. Het beroepsverlies dat
in aanmerking komt voor achterwaartse verliesaftrek
zal echter nooit hoger kunnen zijn dan het verlies uit
de inkomenscategorie van de winst (artikel 23,§ 1, 1°,
WIB 92) van de belastingplichtige voor het betrokken
belastbare tijdperk. Wanneer de belastingplichtige ook
een beroepsverlies heeft in de inkomstencategorie van
de baten of de bezoldigingen, komen die verliezen niet
in aanmerking voor een achterwaartse verliesaftrek. In
het voordeel van de belastingplichtige zullen die laatste
verliezen desgevallend worden geacht het eerst in aftrek
te zijn gebracht van de andere beroepsinkomsten van
de belastingplichtige of van de beroepsinkomsten van
zijn echtgenoot.
Voorbeeld 1
Echtgenoot 1:
negatief resultaat in categorie winst: (25 000) euro
in het belastbare tijdperk definitief vastgestelde
schade aan teelten ingevolge ongunstige weersom-
standigheden die met een natuurramp kunnen worden
gelijkgesteld: (28 000) euro
negatief resultaat in de categorie baten: (1 500) euro
Echtgenoot 2:
positief resultaat in de categorie bezoldigingen van
een werknemer: 23 000 euro
Beroepsverlies dat in aanmerking komt voor achter-
waartse verliesaanrekening:
beroepsverliezen:
(25 000)
( 1 500)
(26 500)
Aanrekening op beroepsinkomsten
van de echtgenoot:
23 000
saldo verliezen
(3 500)
Het saldo aan verliezen, 3 500 euro, is niet hoger
dan het bedrag van het verlies uit de categorie winst
en ook niet hoger dan het bedrag van de tijdens het
belastbare tijdperk definitief vastgestelde schade aan
teelten ingevolge ongunstige weersomstandigheden
die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld.
conclus avec les régions. Les pertes professionnelles
d’une entreprise agricole seront donc censées provenir
en priorité des dommages causés aux cultures agricoles
provoqués par des conditions météorologiques défa-
vorables. De cette façon, nous évitons de devoir faire
une scission complexe entre le résultat fiscal issu des
cultures agricoles concernées et le résultat fiscal issu
des autres activités agricoles. La perte professionnelle
qui entre en considération pour la rétro-déduction de
pertes ne pourra cependant jamais dépasser la perte
issue de la catégorie de revenus des bénéfices (article
23, § 1er, 1°, CIR 92) du contribuable pour la période
imposable concernée. Lorsque le contribuable a éga-
lement une perte professionnelle dans la catégorie de
revenus des profits ou des rémunérations, ces pertes
n’entrent pas en considération pour la rétro-déduc-
tion de pertes. Dans l’avantage du contribuable, ces
dernières pertes seront censées, le cas échéant, être
déduites en premier des autres revenus professionnels
du contribuable ou des revenus professionnels de son
conjoint.
Exemple 1
Conjoint 1:
résultat négatif de la catégorie bénéfices: (25 000)
euros
dommages causés aux cultures agricoles par des
conditions météorologiques défavorables pouvant
être assimilées à une calamité naturelle définitivement
constatés dans la période imposable: (28 000) euros
résultat négatif de la catégorie profits: (1 500) euros
Conjoint 2:
résultat positif de la catégorie rémunérations de tra-
vailleur: 23 000 euros
Perte professionnelle qui entre en ligne de compte
pour la rétro-imputation de pertes:
Pertes professionnelles:
(25 000)
( 1 500)
(26 500)
Imputation sur des revenus
professionnels du conjoint:
23 000
solde des pertes
(3 500)
Le solde des pertes, 3 500 euros, ne dépasse pas
le montant des pertes de la catégorie des bénéfices et
ne dépasse pas non plus le montant des dommages
causés aux cultures agricoles par des conditions
météorologiques défavorables pouvant être assimilées
à une calamité naturelle définitivement constatés dans
52
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Dit saldo komt dus volledig in aanmerking voor achter-
waartse verliesaftrek.
Vermits niet noodzakelijk alle beroepsverliezen van
een belastbaar tijdperk in aanmerking komen voor de
achterwaartse verliesaftrek, is het dus niet uitgesloten
dat een deel van de beroepsverliezen op vorige be-
lastbare tijdperken zal worden aangerekend en een
deel op latere belastbare tijdperken. Het onderstaande
voorbeeld is hier een illustratie van.
Voorbeeld 2
Als alleenstaande belaste belastingplichtige:
negatief resultaat in categorie winst: (25 000 euro)
in het belastbare tijdperk definitief vastgestelde
schade aan teelten ingevolge ongunstige weersom-
standigheden die met een natuurramp kunnen worden
gelijkgesteld: (20 000 euro)
positief resultaat in de categorie pensioenen:
3 000 euro
beroepsverlies dat in aanmerking komt voor ach-
terwaartse verliesaanrekening: 25 000 – 3 000 =
22 000 euro, beperkt tot 20 000 euro, zijnde het bedrag
van de in het belastbare tijdperk definitief vastgestelde
schade aan teelten ingevolge ongunstige weersom-
standigheden die met een natuurramp kunnen worden
gelijkgesteld.
Het gedeelte van het niet op de andere beroeps-
inkomsten van het belastbare tijdperk aangerekende
beroepsverlies waarvoor de belastingplichtige geen
toepassing heeft gevraagd van de achterwaartse
verliesaftrek, wordt overgedragen naar de volgende
belastbare tijdperken (voorwaartse verliesaanrekening).
Principe van de achterwaartse verliesaftrek
De achterwaartse verliesaftrek wordt toegepast op de
drie belastbare tijdperken voorafgaand aan het belast-
bare tijdperk waarin de schade aan delandbouwteelten
definitief is vastgesteld.
Bij een ramp wordt de schade aan de landbouwteel-
ten in principe een eerste keer vastgesteld kort nadat
de ongunstige weersomstandigheden zich hebben voor-
gedaan en nog eens kort voor de oogst. Het belastbare
tijdperk waarin de schade definitief is vastgesteld, komt
dan ook doorgaans overeen met het belastbare tijdperk
la période imposable. Ce solde entre donc entièrement
en ligne de compte pour la rétro-déduction de pertes.
Puisqu’il n’est pas nécessaire que toutes les pertes
professionnelles d’une période imposable entrent en
considération pour la rétro-déduction de pertes, il n’est
par conséquent pas exclu qu’une partie des pertes
professionnelles soient imputées sur des périodes
imposables antérieures et qu’une partie le soit sur des
périodes imposables ultérieures. Ceci est illustré par
l’exemple ci-dessous.
Exemple 2
Contribuable imposé isolément:
résultat négatif de la catégorie bénéfices:
(25 000 euros)
dommages causés aux cultures agricoles par des
conditions météorologiques défavorables pouvant
être assimilées à une calamité naturelle définitivement
constatés dans la période imposable: (20 000 euros)
résultat positif de la catégorie pensions: 3 000 euros
perte professionnelle qui entre en ligne de compte
pour la rétro-imputation des pertes: 25 000 – 3 000 =
22 000 euros, limités à 20 000 euros, ce qui correspond
au montant des dommages causés aux cultures agri-
coles par des conditions météorologiques défavorables
pouvant être assimilées à une calamité naturelle défini-
tivement constatés dans la période imposable.
La partie de la perte professionnelle qui n’a pas été
imputée sur les autres revenus professionnels de la
période imposable et pour laquelle le contribuable n’a
pas demandé l’application de la rétro-déduction des
pertes, est reportée aux périodes imposables suivantes
(imputation future des pertes).
Principe de rétro-déduction de pertes
La rétro-déduction de pertes s’applique sur les trois
périodes imposables précédant la période imposable
durant laquelle le dommage aux cultures agricoles a
été définitivement constaté.
Lors d’une catastrophe, le dommage aux récoltes
agricoles est en principe constaté une première fois
peu de temps après la survenance des conditions
météorologiques défavorables, et ensuite encore une
fois peu de temps après la récolte. La période imposable
dans laquelle le dommage est définitivement constaté
53
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
waarin de belastingplichtige wordt geconfronteerd met
een lagere omzet door de lagere oogst.
Wanneer een belastingplichtige de toepassing vraagt
van de achterwaartse verliesaftrek, dan zal het in aan-
merking komende verlies eerst in aftrek worden gebracht
van de beroepsinkomsten van de belastingplichtige en
eventueel zijn echtgenoot voor het belastbare tijdperk
n-3. Het eventuele saldo van de verliezen zal worden af-
getrokken van de beroepsinkomsten van het belastbare
tijdperk n-2, en vervolgens van de beroepsinkomsten
van het belastbare tijdperk n-1. Beroepsverliezen die
in het stelsel van de achterwaartse verliesaftrek niet
in aftrek kunnen worden gebracht van de beroepsin-
komsten van het belastbare tijdperk n-1, komen alsnog
in aanmerking voor een voorwaartse verliesaftrek (die
moet worden aangevraagd in de aangifte met betrek-
king tot het belastbare tijdperk n + 1 en, desgevallend,
de daaropvolgende belastbare tijdperken). Door de be-
roepsverliezen eerst aan te rekenen op het oudste van
de 3 voorafgaande belastbare tijdperken, vergroot de
mogelijkheid om voor eventuele beroepsverliezen van
een volgend belastbaar tijdperk ook de achterwaartse
verliesaftrek toe te passen.
Voorbeeld 3
Als alleenstaande belaste belastingplichtige:
belastbaar tijdperk n: verlies dat in aanmerking komt
voor achterwaartse verliesaftrek: (28 000 euro)
belastbaar tijdperk n-3: netto beroepsinkomen:
12 000 euro
belastbaar tijdperk n-2: netto beroepsinkomen:
25 000 euro
belastbaar tijdperk n-1: netto beroepsinkomen:
22 000 euro
achterwaartse verliesaftrek:
op het belastbare tijdperk n-3: 12 000 euro
op het belastbare tijdperk n-2: 16 000 euro.
Voorbeeld 4
Als alleenstaande belaste belastingplichtige:
belastbaar tijdperk n: beroepsverlies dat in aan-
merking komt voor achterwaartse verliesaftrek:
(32 000 euro)
correspond dès lors généralement à la période impo-
sable dans laquelle le contribuable est confronté à un
chiffre d’affaires inférieur suite à une récolte inférieure.
Lorsqu’un contribuable demande l’application de la
rétro-déduction de pertes professionnelles, les pertes à
prendre en considération sont alors déduites des reve-
nus professionnels du contribuable, et éventuellement
de son conjoint, d’abord pour la période imposable n-3.
Le solde éventuel des pertes sera déduit de la période
imposable n-2, et ensuite des revenus professionnels
de la période imposable n-1. Les pertes professionnelles
qui, dans la mesure de rétro-déduction de pertes, ne
peuvent être déduites des revenus professionnels de
la période imposable n-1, entrent encore en considéra-
tion pour une déduction future des pertes (qui doit être
demandée dans la déclaration relative à la période impo-
sable n+1 et, le cas échéant, des périodes imposables
suivantes). Le fait que les pertes professionnelles soient
d’abord imputées sur la plus ancienne des 3 périodes
imposables antérieures augmente la possibilité que la
rétro-déduction de pertes s’applique également pour
d’éventuelles pertes professionnelles d’une période
imposable suivante.
Exemple 3
Contribuable imposé isolément:
période imposable n: perte qui entre en ligne de
compte pour la rétro-déduction de pertes: (28 000 euros)
période imposable n-3: revenus professionnels nets:
12 000 euros
période imposable n-2: revenus professionnels nets:
25 000 euros
période imposable n-1: revenus professionnels nets:
22 000 euros
rétro-déduction de pertes:
sur la période imposable n-3: 12 000 euros
sur la période imposable n-2: 16 000 euros
Exemple 4
Contribuable imposé isolément:
période imposable n: perte qui entre en ligne de
compte pour la rétro-déduction de pertes: (32 000 euros)
54
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
belastbaar tijdperk n-3: netto beroepsinkomen:
10 000 euro
belastbaar tijdperk n-2: netto beroepsinkomen:
16 000 euro
belastbaar tijdperk n-1: netto beroepsinkomen:
5 000 euro
achterwaartse verliesaanrekening:
op het belastbare tijdperk n-3: 10 000 euro
op het belastbare tijdperk n-2: 16 000 euro.
op het belastbare tijdperk n-1: 5 000 euro.
Van de 32 000 euro beroepsverliezen die in aanmer-
king komen voor de achterwaartse verliesaftrek, kan er
10 000 + 16 000 + 5 000 = 31 000 euro in aftrek wor-
den gebracht. De overige 1 000 euro beroepsverliezen
kunnen in aftrek worden gebracht van de beroepsin-
komsten van de belastbare tijdperken n+1, n+2… Deze
voorwaartse verliesaftrek moet worden aangevraagd
in de aangifte met betrekking tot het belastbare tijdperk
n+1 en, desgevallend, de aangiften met betrekking tot
de daaropvolgende belastbare tijdperken.
In antwoord op het advies nr. 64.422/3 van de Raad
van State, wordt verduidelijkt dat de aftrek van het ge-
deelte van de beroepsverliezen die in aanmerking ko-
men voor de achterwaartse verliesaftrek dat niet in aftrek
kan worden gebracht van de beroepsinkomsten van de
drie vorige belastbare tijdperken en dus in aanmerking
komt voor de voorwaartse verliesaftrek, net als alle
andere beroepsverliezen in voorwaartse verliesaftrek,
in de aangifte voor het volgende belastbare tijdperk en
eventueel de daarop volgende belastbare tijdperken
moet worden aangevraagd.
De achterwaartse verliesaftrek wordt steeds toege-
past na de voorwaartse verliesaftrek. Wanneer beroeps-
verliezen van vorige belastbare tijdperken in aftrek zijn
gebracht van de beroepsinkomsten van het belastbare
tijdperk n-3, n-2 of n-1, dan blijft die aftrek behouden: de
achterwaartse verliesaftrek kan niet in de plaats komen
van de voorwaartse verliesaftrek. Hetzelfde geldt wan-
neer naar aanleiding van een herziening van de aangifte
voor een vorig belastbaar tijdperk de aftrek van vorige
verliezen zou wijzigen voor de belastbare tijdperken n-3,
n-2 of n-1. Die wijziging zou er dus kunnen toe leiden
dat er minder achterwaartse verliesaftrek mogelijk is.
période imposable n-3: revenus professionnels nets:
10 000 euros
période imposable n-2: revenus professionnels nets:
16 000 euros
période imposable n-1: revenus professionnels nets:
5 000 euros
rétro-imputation de pertes:
sur la période imposable n-3: 10 000 euros
sur la période imposable n-2: 16 000 euros
sur la période imposable n-2: 5 000 euros.
Des 32 000 euros de pertes professionnelles qui
entrent en ligne de compte pour la rétro-déduction
de pertes, 10 0000 + 16 000 + 5 000 = 31 000 euros
peuvent être déduits. Les 1 000 euros de pertes pro-
fessionnelles restants peuvent être déduits des revenus
professionnels des périodes imposables n+1, n+2, …
Cette déduction future des pertes doit être demandée
dans la déclaration relative à la période imposable
n+1 et, le cas échéant, dans les déclarations relatives
aux périodes imposables suivantes.
En réponse à l’avis n° 64.422/3 du Conseil d’État,
il est précisé que la déduction de la partie des pertes
professionnelles prises en considération pour la rétro-
déduction pour pertes, mais qui ne peut pas être portée
en déduction des revenus professionnels des trois
périodes imposables précédentes, et qui peut donc être
prise en considération pour la déduction ultérieure des
pertes, doit être demandée dans la déclaration pour
la période imposable suivante et éventuellement pour
les périodes imposables suivantes, tout comme toutes
les autres pertes professionnelles dans la déduction
ultérieure de pertes.
La rétro-déduction de pertes est toujours appliquée
après la déduction future des pertes. Lorsque les pertes
professionnelles de périodes imposables antérieures
sont déduites des revenus professionnels de la période
imposable n-3, n-2 ou n-1, cette déduction est alors
maintenue: la rétro-déduction de pertes ne peut se
substituer à la déduction future de pertes. Il en va de
même lorsque, suite à une révision de la déclaration
pour une période imposable antérieure, la déduction
de pertes antérieures serait modifiée pour les périodes
imposables n-3, n-2 ou n-1. Cette modification pourrait
donc avoir pour conséquence qu’une rétro-déduction
de pertes moindre soit possible.
55
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Voorbeeld 5
Als alleenstaande belaste belastingplichtige:
belastbaar tijdperk n: beroepsverlies dat in aan-
merking komt voor achterwaartse verliesaftrek:
(32 000 euro)
overdraagbaar beroepsverlies van n-4: (16 000 euro)
belastbaar tijdperk n-3: netto-belastbare beroep-
sinkomsten voor aftrek vorige beroepsverliezen:
14 000 euro
belastbaar tijdperk n-2: netto-belastbare beroep-
sinkomsten voor aftrek vorige beroepsverliezen:
25 000 euro
belastbaar tijdperk n-1: netto-belastbare beroep-
sinkomsten voor aftrek vorige beroepsverliezen:
12 000 euro
voorwaartse verliesaanrekening van de overdraag-
bare beroepsverliezen van n-4:
op het belastbare tijdperk n-3: 14 000 euro
op het belastbare tijdperk n-2: 2 000 euro
achterwaartse verliesaanrekening:
op het belastbare tijdperk n-3: 0 euro.
op het belastbare tijdperk n-2: 23 000 euro.
op het belastbare tijdperk n-1: 9 000 euro
Het stelsel van de verliesaftrek wordt aangevraagd
voor alle in aanmerking komende verliezen. De be-
lastingplichtige kan er dus niet voor opteren om voor
slechts een deel van de verliezen die veroorzaakt zijn
door schade aan landbouwteelten de achterwaartse
verliesaftrek toe te passen en voor de rest van de ver-
liezen veroorzaakt door schade aan landbouwteelten
de voorwaartse verliesaftrek.
Samenwerking met de gewesten
Bij de algemene bespreking werd reeds uiteengezet
dat bepaalde aspecten van deze maatregel zullen wor-
den uitgewerkt in overleg met de gewesten en waarbij
dit overleg zijn neerslag krijgt in een met elk gewest
afzonderlijk gesloten samenwerkingsakkoord.
Exemple 5
Contribuable imposé isolément:
période imposable n: perte qui entre en ligne de
compte pour la rétro-déduction de pertes: (32 000 euros)
pertes professionnelles reportables de n-4:
(16 000 euros)
période imposable n-3: revenus professionnels nets
imposables avant déduction des pertes professionnels
antérieures: 14 000 euros
période imposable n-3: revenus professionnels nets
imposables avant déduction des pertes professionnels
antérieures: 25 000 euros
période imposable n-3: revenus professionnels nets
imposables avant déduction des pertes professionnels
antérieures: 12 000 euros
imputation future des pertes professionnelles repor-
tables de n-4:
sur la période imposable n-3: 14 000 euros
sur la période imposable n-2: 2 000 euros
rétro-imputation de pertes:
sur la période imposable n-3: 0 euro
sur la période imposable n-2: 23 000 euros
sur la période imposable n-1: 9 000 euros
Le régime de déduction de pertes est appliqué
pour toutes les pertes qui entrent en considération. Le
contribuable ne peut donc pas choisir de n’appliquer
la rétro-déduction de pertes que pour une partie des
pertes provoquées par les dommages causés aux
cultures agricoles, et la déduction future des pertes pour
le reste des pertes provoquées par le dommage causé
aux cultures agricoles.
Collaboration avec les régions
Il a déjà été spécifié dans la discussion générale que
certains aspects de cette mesure seront élaborés en
concertation avec les régions et que cette concertation
sera traduite sous la forme d’un accord de coopération
conclu séparément avec chaque région.
56
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De vraag die bij het sluiten van dergelijke samen-
werkingsakkoorden moet worden beantwoord is of het
gesloten akkoord betrekking heeft op de aangelegen-
heden die bij wet worden geregeld, of dat dit akkoord de
Staat zou kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zou
kunnen binden. Als het antwoord op die vraag positief
is, voorziet artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van
8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de in-
stemming ervan bij wet. Wanneer het gesloten akkoord
daarentegen geen betrekking heeft op de aangelegen-
heden die bij wet worden geregeld, of indien dit akkoord
de Staat niet kan bezwaren of Belgen niet persoonlijk
kan binden, is een dergelijke instemming niet vereist.
In het geval een samenwerkingsakkoord wordt ge-
sloten waarvan de instemming bij wet niet is vereist
voorziet de legistieke procedure, zoals vastgelegd in
de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973, geen voorafgaandelijk advies, bij de
afdeling wetgeving van de Raad van State. Daardoor
is het dus onmogelijk om een advies over een sa-
menwerkingsakkoord te verkrijgen tenzij in het kader
van een wet die voorziet in de instemming met het
samenwerkingsakkoord.
De regering beoogt om samenwerkingsakkoorden te
sluiten die nadien geen instemming bij wet behoeven en
waarvoor dus geen juridisch advies zal kunnen worden
bekomen bij de afdeling wetgeving van de Raad van
State. Het is dan ook passend om de reikwijdte van de
bepalingen die in deze akkoorden zullen worden opge-
nomen, toe te lichten zodat de adviserende instanties
zich over deze werkwijze kunnen uitspreken.
In het ontwerp wordt voorzien dat met het bevoegde
gewest een samenwerkingsakkoord moet worden ge-
sloten met het oog op de gezamenlijke naleving van
de cumulatieregels zoals bedoeld in artikel 8 van de
landbouwvrijstellingsverordening. Het is hierbij niet
de bedoeling om in dit samenwerkingsakkoord een
methode op te nemen, die voorziet in welke gevallen
een bepaalde overheid zal moeten optreden om te
vermijden dat de cumulregels overtreden worden. Het
is wel de bedoeling om te voorzien in de uitwisseling
van de gegevens die noodzakelijk om elke overheid en
de met deze overheid verbonden administratie in staat
te stellen te weten welke steun door de andere overheid
werd toegekend. Het zal dus de bedoeling zijn dat elke
overheid de informatie gebruikt die haar door de andere
overheid wordt bezorgd en voor zichzelf nagaat of aan
de cumulatievoorwaarden is voldaan. In het ontwerp is
dan ook een bepaling opgenomen die de toepassing
van de achterwaartse verliesaftrek niet toestaat indien
de in de verordening opgenomen cumulatieregel niet
wordt nageleefd.
La question à laquelle il faut répondre pour la conclu-
sion de tels accords de coopération est de savoir si
l’accord conclu porte sur les matières réglées par la
loi, ou si cet accord pourrait grever l’État ou pourrait lier
individuellement des belges. Si la réponse à cette ques-
tion est positive, l’article 92bis, § 1er, de la loi spéciale
de réformes institutionnelles du 8 août 1980 prévoit son
assentiment par la loi. Si au contraire l’accord conclu
ne porte pas sur une matière réglée par la loi, ou si cet
accord ne peut grever l’État ou s’il ne peut lier individuel-
lement des belges, un tel assentiment n’est pas exigé.
Dans le cas où un accord de coopération est conclu
pour lequel un assentiment par la loi n’est pas exigé, la
procédure légistique, telle que fixée dans les lois sur le
Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973, ne pré-
voit aucun avis préalable auprès de la section législation
du Conseil d’État. Il est par conséquent impossible de
recueillir un avis pour un accord de coopération, sauf
dans le cadre d’une loi qui prévoit l’assentiment de
l’accord de coopération.
Le gouvernement vise la conclusion d’accords de
coopération qui ne nécessitent aucun assentiment par
la loi et pour lesquels aucun avis juridique ne pourra
être obtenu de la section législation du Conseil d’État.
Il conviendrait dès lors que la portée des mesures qui
seront reprises dans ces accords soit clarifiée de sorte
que les instances consultatives puissent se prononcer
sur cette méthode de travail.
Il est prévu dans le projet qu’un accord de coopération
doit être conclu avec la région compétente en visant le
respect conjoint des règles de cumul, telles que visées
à l’article 8 du règlement d’exemption agricole. Le but
n’est par conséquent pas de reprendre dans cet accord
de coopération une méthode qui prévoirait dans quels
cas une autorité publique déterminée doit agir pour
éviter que les règles de cumul ne soient transgressées.
L’objectif est bien de prévoir l’échange des données qui
sont nécessaires pour que chaque autorité publique
et chaque administration liée à cette autorité publique
puisse savoir quelle aide a été accordée par l’autre auto-
rité publique. L’objectif sera donc que chaque autorité
publique utilise l’information qui lui est fournie par l’autre
autorité publique et qu’elle vérifie par elle-même si les
conditions de cumul sont remplies. Une disposition est
donc également reprise dans le projet qui ne permet pas
l’application de la rétro-déduction de pertes si la règle
de cumul reprise dans le règlement n’est pas respectée.
57
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Om het cumulprobleem op een gecoördineerde ma-
nier aan te pakken, is het noodzakelijk om overeenstem-
ming te hebben over de grootte van de steunintensiteit
die verbonden is met de achterwaartse verliesaftrek. In
dit kader wordt erop gewezen dat er in de landbouw-
vrijstellingsverordening heel wat bepalingen zijn opge-
nomen om die steunintensiteit te berekenen en dat het
uiteraard niet de bedoeling is om van de verordening af
te wijken. Het bijzondere echter aan de achterwaartse
verliesverrekening is dat er enkel een financierings-
voordeel wordt verleend De algemene regel is immers
dat fiscale verliezen van in latere tijdperken behaalde
winst moet worden afgetrokken. Door de mogelijkheid
te voorzien om het verlies achterwaarts te verrekenen
wordt het fiscale actief dat het verlies in feite is, snel-
ler gerealiseerd, dan dat normaal het geval zou zijn
geweest.
De moeilijkheid bij de toepassing van de in de ver-
ordening voorziene regels om de steunintensiteit te
bepalen, is dat niet op voorhand kan worden bepaald
hoe lang het financieringsvoordeel zal duren. Dit zal im-
mers afhangen van de mate waarin de belastingplichtige
latere winsten zal behalen.
Zonder op deze samenwerkingsakkoorden vooruit
te willen lopen, zal het wellicht aangewezen zijn om de
termijn waarbinnen de belastingplichtige een financie-
ringsvoordeel heeft forfaitair te bepalen. Op die manier
kan op basis van enerzijds deze termijn, het bedrag van
de achterwaartse verliesaftrek en de in de verordening
omschreven rentevoet en anderzijds het bedrag van de
schade, de steunintensiteit worden berekend, zonder
voor deze berekening te moeten wachten tot het tijdstip
waarop de belastingplichtige zijn verlies zou hebben
kunnen recupereren.
Vervolgens voorziet dit ontwerp nog dat de federale
overheid en het gewest in dit samenwerkingsakkoord
eveneens de manier bepalen waarop weersomstandig-
heden die met een natuurramp kunnen worden gelijk-
gesteld worden erkend en op basis van artikel 25 van
de voormelde verordening, de methode bepalen om de
schade vast te stellen die werd veroorzaakt door de on-
gunstige weersomstandigheden. Omwille van efficiën-
tieoverwegingen is het aangewezen om steeds gebruik
te maken van de methodes en procedures die door de
gewesten worden gehanteerd, voor het beheersen van
de financiële gevolgen van teeltschade van landbou-
wers, op het moment van de weersomstandigheden die
met een natuurramp worden gelijkgesteld. De regering
beoogt dus geen regulerende impact op de door de
gewesten uitgeoefende werkzaamheden.
In het samenwerkingsakkoord wordt tot slot ook ge-
specifieerd op welke wijze verduidelijking kan worden
Afin d’aborder le problème du cumul d’une façon
coordonnée, il est nécessaire de se concerter sur la
grandeur de l’intensité de l’aide liée à la retro-déduction
de pertes. Dans ce cadre, l’on attire l’attention sur le
fait que beaucoup de dispositions sont reprises dans
le règlement d’exemption agricole pour calculer cette
intensité de l’aide, et que l’objectif n’est évidemment
pas de déroger au règlement. Ce qui est toutefois
particulier à la retro-imputation, c’est que l’on n’octroie
qu’un avantage financier. En effet, la règle générale est
que les pertes fiscales soient déduites des bénéfices
engrangés durant les périodes ultérieures. En prévoyant
la possibilité d’imputation rétroactive des pertes, l’actif
fiscal, que représentent en fait les pertes, est réalisé
plus rapidement qu’il n’en aurait été le cas normalement.
La difficulté lors de l’application des règles prévues
dans le règlement pour la détermination de l’intensité de
l’aide, est qu’on ne peut déterminer à l’avance combien
de temps durera l’avantage en matière de financement.
Celui-ci dépendra en effet de la mesure dans laquelle le
contribuable engrangera des bénéfices futurs.
Sans vouloir anticiper sur ces accords de coopéra-
tion, il sera sans doute approprié de déterminer forfai-
tairement le délai endéans lequel le contribuable a un
avantage en matière de financement. De cette manière,
l’intensité de l’aide peut se calculer d’une part sur base
de ce délai, du montant de la rétro-déduction de pertes
et du taux d’intérêt défini dans le règlement, et d’autre
part du montant du dommage, sans qu’il faille pour ce
calcul attendre le moment où le contribuable aurait pu
récupérer ses pertes.
Ensuite, le présent projet prévoit que l’Autorité fédé-
rale et la région s’entendent aussi dans cet accord de
coopération sur la façon de reconnaître les conditions
météorologiques qui peuvent être assimilées à une
calamité naturelle et déterminent, sur base de l’article
25 du règlement précité, la méthode de constatation
du dommage ayant été provoqué par des conditions
météorologiques défavorables. Pour des raisons d’effi-
cacité, il convient de toujours appliquer les méthodes
et procédures utilisées par les régions pour gérer les
conséquences financières des dommages aux cultures
pour les agriculteurs, lors de conditions météorolo-
giques assimilables à une catastrophe naturelle. Le
gouvernement n’a pas pour objectif d’avoir un impact
réglementaire sur les activités exercées par les régions.
Il est enfin spécifié dans l’accord de coopération de
quelle façon des clarifications peuvent être apportées
58
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
gebracht omtrent het tijdstip waarop de schade definitief
is vastgesteld.
Aanvraag van de achterwaartse verliesaftrek
De belastingplichtige moet de achterwaartse verlies-
aftrek aanvragen in zijn aangifte voor het belastbare
tijdperk waarin de schade aan landbouwteelten die is
veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden
definitief is vastgesteld. Die aanvraag is definitief en
kan niet worden herroepen.
Vermits het beroepsverlies dat naar een volgend of
vorig belastbaar tijdperk kan worden overgedragen uit
de berekening moet blijken, zal de belastingplichtige het
exacte bedrag van de beroepsverliezen die in aanmer-
king komen voor achterwaartse verliesaftrek niet in zijn
aangifte kunnen vermelden. Het maximumbedrag van
de beroepsverliezen dat ervoor in aanmerking komt, i.c.
de schade zoals die definitief is vastgesteld op de wijze
bepaald in de samenwerkingsakkoorden zal moeten
worden meegedeeld aan de administratie.
Art. 84
Dit artikel heeft tot doel om het in de personenbelas-
ting voorziene stelsel van achterwaartse verliesaftrek
ook toepasbaar te maken in de vennootschapsbelasting.
De in het kader van de vennootschapsbelasting
recent ingevoerde beperkingen op de aftrek van winst
van het belastbare tijdperk gelden ook binnen de context
van de achterwaartse verliesaftrek. Zo zal het dus niet
meer mogelijk zijn om sommige aftrekken in mindering
te brengen van deze winst indien de som van deze
aftrekken het bedrag heeft bereikt van 1 000 000 euro,
vermeerderd met 70 pct. van het gedeelte van de na
toepassing van de in het tweede lid bedoelde aftrekken
overblijvende winst die het bedrag van 1 000 000 euro
overstijgt.
Deze regel zal dus in sommige gevallen de toepas-
sing van de achterwaartse verliesaftrek verhinderen,
met name in de gevallen waarbij in de belastbare tijd-
perken n-3, n-2 of n-1, de andere aftrekken reeds de
korf hebben opgevuld en er geen ruimte meer is om de
achterwaartse verliesaftrek toe te passen.
In dat geval kunnen de verliezen die niet aftrek konden
worden gebracht bij de toepassing van de achterwaartse
verliesaftrek, overeenkomstig artikel 206, § 1, WIB 92,
worden afgetrokken van de winst van een volgend be-
lastbaar tijdperk.
concernant le moment où le dommage est définitivement
constaté.
Demande de rétro-déduction de pertes
Le contribuable doit demander la rétro-déduction de
pertes dans sa déclaration pour la période imposable
durant laquelle le dommage causé aux cultures agri-
coles provoqué par des conditions météorologiques
défavorables, est définitivement constaté. La demande
est définitive et ne peut pas être révoquée.
Puisque les pertes professionnelles qui peuvent
être reportées à une période imposable antérieure ou
ultérieure doivent apparaitre dans les comptes, le contri-
buable ne pourra pas préciser dans sa déclaration le
montant exact des pertes professionnelles qui entrent
en considération. Le montant maximal des pertes
professionnelles qui entre en considération, ç.-à.-d. le
dommage tel que définitivement constaté de la façon
déterminée dans les accords de coopération, devra être
communiqué à l’administration.
Art. 84
Le présent article a pour but de rendre applicable à
l’impôt des sociétés le régime de rétro-déduction des
pertes prévu à l’impôt des personnes physiques.
Les limitations récentes à la déduction du bénéficie
de la période imposable, introduites dans le cadre de
l’impôt des sociétés, s’appliquent aussi dans le contexte
de la retro-déduction des pertes. Ainsi, il ne sera donc
plus possible d’imputer certaines déductions sur ces
bénéfices lorsque la somme de ces déductions a atteint
le montant de 1 000 000 euros, multiplié par 70 p.c.
de la part de bénéfice restant après application des
déductions visées à l’alinéa 2, qui dépasse le montant
de 1 000 000 euros.
Cette règle empêchera donc dans certains cas
l’application de la rétro-déduction de pertes, à savoir
dans les cas où, au cours des périodes imposables
n-3, n-2 ou n-1, les autres déductions ont déjà rempli la
corbeille, et qu’il n’y a plus de place pour appliquer la
rétro-déduction de pertes.
Dans ce cas, les pertes qui n’ont pas pu être portées
en déduction lors de l’application de la rétro-déduction
des pertes, conformément à l’article 206, § 1er, CIR 92,
pourront être déduites des bénéfices d’une période
imposable suivante.
59
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 87
Om te vermijden dat de aanrekening van beroepsver-
liezen op vorige belastbare tijdperken, waarvan achteraf
blijkt die aanrekening onterecht was (bv. omwille van
het feit dat er na wijziging van de aangifte geen over
te dragen verliezen blijken te zijn), niet zouden kunnen
worden rechtgezet omdat de aanslagtermijn verstreken
is, wordt een nieuw artikel 358/1 ingevoegd in de afde-
ling met betrekking tot de aanslagtermijnen. Dit artikel
bepaalt dat de achterwaartse verliesaftrek kan worden
rechtgezet binnen dezelfde aanslagtermijn als die die
geldt voor het belastbare tijdperk waarvoor de achter-
waartse verliesaftrek is aangevraagd. Alle mogelijke
aanslagtermijnen vermeld in de artikelen 353 tot 358,
WIB 92 worden hierbij beoogd. De heropening van de
aanslagtermijn op basis van de nieuwe bepaling mag
enkel worden gebruikt om de achterwaartse verliesaf-
trek recht te zetten (met de eventuele gevolgen daarvan
op andere elementen van de berekening), niet om ele-
menten van de aangifte op zich te wijzigen.
Art. 88
De belastingplichtige vraagt de toepassing van de
achterwaartse verliesaftrek in de aangifte met betrek-
king tot het belastbare tijdperk waarin de schade aan
de landbouwteelten wordt vastgesteld. Anders dan bij
de voorwaartse verliesaftrek, wordt het bedrag van de
verliezen die op vorige belastbare tijdperken worden
aangerekend dus niet vermeld in de aangifte met be-
trekking tot die vorige belastbare tijdperken. De regering
stelt dan ook voor om de achterwaartse verliesaftrek te
verlenen onder de vorm van een ontheffing. Gelet op de
finaliteit van de maatregel, zal de administratie deze ont-
heffing zo snel mogelijk nadat de aanslag is gevestigd
voor het belastbare tijdperk waarin het beroepsverlies
is geleden waarvoor de achterwaartse verliesaftrek is
aangevraagd, verlenen.
Art. 89, 90 en 92
In de artikelen 409, 410, en 443ter, WIB 92 wordt
een verwijzing naar de ontheffing bij toepassing van het
nieuwe artikel 375/1, WIB 92 in het kader van achter-
waartse verliesaftrek ingevoegd, zodat deze bepalingen
ook op de nieuwe ontheffing van toepassing zijn.
Art. 91
Er wordt een nieuw artikel 415/1 ingevoegd in het
WIB 92 zodat er ook nalatigheidsintresten kunnen wor-
den aangerekend wanneer er ingevolge de toepassing
Art. 87
Pour éviter que l’imputation des pertes profession-
nelles sur les périodes imposables précédentes, dont
il apparaît après coup que cette imputation était indue
(par exemple, à cause du fait que, suite à une modifi-
cation de la déclaration, aucune perte reportable ne
semble exister), ne puisse être rectifiée à cause du délai
d’imposition expiré, un nouvel article 358/1 est inséré
dans la section concernant les délais d’imposition. Cet
article dispose que la rétro-déduction de pertes peut
être rectifiée dans les mêmes délais d’imposition que
ceux applicables à la période imposable pour laquelle la
rétro-déduction de pertes est demandée. Tous les délais
d’imposition possibles mentionnés dans les articles
353 à 358, CIR 92, sont de ce fait visés. La réouverture
du délai d’imposition sur base de la nouvelle disposition
ne peut être utilisée que pour rectifier la rétro-déduction
de pertes (avec ses conséquences éventuelles sur
d’autres éléments du calcul), et non pas pour modifier
des éléments de la déclaration-même.
Art. 88
Le contribuable demande l’application de la rétro-
imputation de pertes dans la déclaration concernant la
période imposable au cours de laquelle le dommage
aux cultures agricoles est constaté. À la différence de
la déduction reportée des pertes, le montant des pertes
imputées sur les périodes imposables précédentes
n’est pas mentionné dans la déclaration concernant ces
périodes imposables précédentes. Le gouvernement
propose donc également d’octroyer la rétro-imputation
de pertes sous la forme d’un dégrèvement. Étant donné
la finalité de la mesure, l’administration accordera ce
dégrèvement aussi vite que possible après que l’impo-
sition est établie pour la période imposable au cours de
laquelle la perte professionnelle pour laquelle la rétro-
imputation de pertes est demandée a eu lieu.
Art. 89, 90 et 92
Dans les articles 409, 410 et 443ter, CIR 92, un renvoi
au dégrèvement en application du nouvel article 375/1,
CIR 92 dans le cadre de la rétro-déduction de pertes est
inséré pour que ces dispositions s’appliquent également
au nouveau dégrèvement.
Art. 91
Un nouvel article 415/1 est inséré dans le CIR 92 afin
que des intérêts de retard puissent être imputés
lorsqu’en application de la rétro-déduction de pertes un
60
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van de achterwaartse verliesaftrek onheffing werd ver-
leend voor de belastbare tijdperken n-3, n-2 of n-1 en het
bedrag dat in aanmerking komt voor de achterwaartse
verliesaftrek in n-1 wordt gewijzigd, met gevolgen voor
de belasting die alsnog verschuldigd is voor de belast-
bare tijdperken n-3, n-2 of n-1.
Art. 93
Dit artikel verduidelijkt dat er door de federale over-
heid geen moratoriuminteresten verschuldigd zijn in
geval het voordeel van achterwaartse verliesaftrek
wordt verleend.
Art. 94
De wijzigingen aangebracht in deze titel treden in
werking op 1 januari 2019. Het stelsel van de achter-
waartse verliesaftrek zal van toepassing zijn op de
beroepsverliezen die toe te schrijven zijn aan schade
aan landbouwteelten, veroorzaakt door ongunstige
weersomstandigheden die hebben plaatsgevonden
vanaf 1 januari 2018.
TITEL VII
OVERGANGSBEPALING
Art. 95 en 96
Om enigerlei interpretatieproblemen te voorkomen,
wordt verduidelijkt dat zolang de wet tot invoering van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en
houdende diverse bepalingen nog niet in werking is ge-
treden, de verwijzingen naar artikel 1:20 van dit Wetboek
van vennootschappen en verenigingen opgenomen in
de artikelen 8 en 22 van deze wet, alsook in de memorie
van toelichting, gelezen moeten worden als verwijzingen
naar artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen.
De minister van Financiën,
Alexander DE CROO
dégrèvement est accordé pour les périodes imposables
n-3, n-2 ou n-1 et que le montant qui entre en considéra-
tion pour la rétro-déduction de pertes en n-1 est modifié,
avec des conséquences pour l’impôt encore dû pour les
périodes imposables n-3, n-2 ou n-1.
Art. 93
Le présent article clarifie que, de la part de l’autorité
fédérale, aucun intérêt moratoire n’est dû en cas d’octroi
de la rétro-déduction de pertes.
Art. 94
Les modifications apportées par le présent titre
entrent en vigueur le 1er janvier 2019. Le régime de la
rétro-déduction de pertes attribuables à des dégâts
aux cultures agricoles, causés par des circonstances
météorologiques défavorables ayant eu lieu à partir du
1er janvier 2018.
TITRE VII
DISPOSITION TRANSITOIRE
Art. 95 et 96
Pour éviter tout problème d’interprétation, il est
précisé que tant que la loi introduisant le Code des
sociétés et des associations et portant des dis positions
diverses n’est pas entrée en vigueur, les références à
l’article 1:20 dudit Code des sociétés et des associa-
tions reprises aux articles 8 et 22 de la présente loi,
ainsi que dans le présent exposé des motifs, doivent
être lues comme des références à l’article 11 du Code
des sociétés.
Le ministre des Finances,
Alexander DE CROO
61
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
VOORONTWERP VAN WET
onderworpen aan het advies van de Raad van State
Voorontwerp van wet houdende fiscale,
fraudebestrijdende, financiële alsook
diverse bepalingen
DEEL I – INLEIDENDE BEPALING
ENIGE TITEL
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld
in artikel 74 van de Grondwet.
DEEL II – FISCALE BEPALINGEN
ENIGE TITEL
Hoofdstuk 1 - Eenheidsstatuut
Art. 2. In artikel 67quater van het Wetboek van de inkomsten-
belastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013
en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Het voor het belastbaar tijdperk vrij te stellen bedrag van
de winsten en baten per in het eerste lid bedoelde werknemer,
bedraagt:
— drie weken bezoldiging, van het zesde tot en met het
twintigste door deze werknemer begonnen dienstjaar na
1 januari 2014;
— een week bezoldiging, vanaf het eenentwintigste door
deze werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari 2014.”;
2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid inge-
voegd, luidende:
“Het in het tweede lid bedoelde vrij te stellen bedrag van
de winsten en baten, dat in voorkomend geval wordt beperkt
bij toepassing van het vierde lid, wordt gespreid over het
belastbaar tijdperk en de vier volgende belastbare tijdperken
ten belope van 20 pct. per belastbaar tijdperk.”;
3° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden “een maximumbedrag” worden vervangen
door de woorden “een maximumbedrag van bruto maandbe-
zoldiging per werknemer”;
a) de tweede zin wordt opgeheven;
4° tussen het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt,
en het vroegere vierde lid, dat het achtste lid wordt, worden
drie leden ingevoegd, luidende:
AVANT-PROJET DE LOI
soumis à l’avis du Conseil d’État
Avant-projet de loi portant des dispositions
fiscales, de lutte contre la fraude,
financières et diverses
PARTIE I – DISPOSITION INTRODUCTIVE
TITRE UNIQUE
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à
l’article 74 de la Constitution.
PARTIE II – DISPOSITIONS FISCALES
TITRE UNIQUE
Chapitre 1er – Statut unique
Art. 2. Dans l’article 67quater du Code des impôts sur les
revenus 1992, inséré par la loi du 26 décembre 2013, modifié
par la loi du 18 décembre 2015, les modifications suivantes
sont apportées:
1° l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
“Par travailleur visé à l’alinéa 1er, le montant des bénéfices
et profits à exonérer pour la période imposable s’élève à:
— trois semaines de rémunération, de la sixième année
de service jusqu’à la vingtième année incluse commencée
par ce travailleur après le 1er janvier 2014;
— une semaine de rémunération, à partir de la vingt et
unième année de service commencée par ce travailleur après
le 1er janvier 2014.”;
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas
2 et 3:
“Le montant des bénéfices et profits à exonérer visé à
l’alinéa 2 qui est, le cas échéant, limité en application de
l’alinéa 4, est étalé sur la période imposable et les quatre
périodes imposables suivantes à concurrence de 20 p.c. par
période imposable.”;
3° à l’alinéa 3 ancien, qui devient l’alinéa 4, les modifica-
tions suivantes sont apportées:
a) les mots “un montant maximum” sont remplacés par
les mots “un montant maximum de rémunération mensuelle
brute par travailleur”;
b) la deuxième phrase est abrogée;
4° trois alinéas rédigés comme suit sont insérés entre
l’ancien alinéa 3, qui devient l’alinéa 4, et l’ancien alinéa 4,
qui devient l’alinéa 8:
62
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers,
onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van
de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot be-
krachtiging van de in uitvoering van het vierde lid genomen
besluiten. Deze besluiten worden geacht geen uitwerking te
hebben gehad indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen
de twaalf maanden na de datum van hun bekendmaking in
het Belgisch Staatsblad.
De in aanmerking te nemen bruto maandbezoldiging is de
gemiddelde bruto maandelijkse bezoldiging, voor inhouding
van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage, berekend
over het totaal aantal maanden van het belastbaar tijdperk
waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd.
Om de wekelijkse bezoldiging te bepalen wordt het maxi-
mumbedrag van de bruto maandbezoldiging vermenigvuldigd
met drie en gedeeld door dertien.”.
Art. 3. Artikel 2 treedt in werking op 31 december 2018.
Hoofdstuk 2 – ATAD – Interestaftrekbeperking
Art. 4. Dit hoofdstuk heeft de gedeeltelijke omzetting tot
doel van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016
tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingont-
wijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de
werking van de interne markt.
Art. 5. Artikel 35 van de wet van 25 december 2017 tot
hervorming van de vennootschapsbelasting, vervangen bij
de wet van 30 juli 2018, wordt ingetrokken.
Art. 6. In artikel 86 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder B1 worden de woorden “35, 39, 5°
en 9°” vervangen door de woorden “34, 36, 39, 5° tot 15°, 40”;
2° in de bepaling onder B2 worden de woorden “34, 36,
39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot 15°, 40” vervangen door de
woorden “39, 2°en 4°”.
Art. 7. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze
wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Hoofdstuk 3 – Bezoldigingen ontvangen van een bui-
tenlandse vennootschap verbonden met de werkgever
Afdeling 1 – Wijzigingen van het Wetboek van de in-
komstenbelastingen 1992
Art. 8. In artikel 270 van het Wetboek van de inkomsten-
belastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992,
28 december 1992 en 22 juli 1993, bij het koninklijk besluit van
12 december 1996 en door de wetten van 24 december 2002
en 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de bestaande tekst zal het eerste lid vormen;
“Le Roi saisira la Chambre des représentants immédiate-
ment si elle est réunie, sinon dès l’ouverture de sa plus pro-
chaine session, d’un projet de loi de confirmation des arrêtés
pris en exécution de l’alinéa 4. Lesdits arrêtés sont censés
ne pas avoir produit leurs effets s’ils n’ont pas été confirmés
par la loi dans les douze mois de la date de leur publication
au Moniteur belge.
La rémunération mensuelle brute à prendre en compte est
la rémunération mensuelle brute moyenne, avant retenue des
cotisations personnelles de sécurité sociale, calculée sur le
total du nombre de mois de la période imposable pour laquelle
l’exonération est sollicitée.
Pour déterminer la rémunération hebdomadaire, le montant
maximum de rémunération mensuelle brute est multiplié par
trois et divisé par treize.”.
Art. 3. L’article 2 entre en vigueur le 31 décembre 2018.
Chapitre 2 – ATAD -– Limitation d’intérêts
Art. 4. Le présent chapitre a pour objet de transposer par-
tiellement la directive (UE) 2016/1164 du Conseil du 12 juillet
2016 établissant des règles pour lutter contre les pratiques
d’évasion fiscale qui ont une incidence directe sur le fonc-
tionnement du marché intérieur.
Art. 5. L’article 35 de la loi du 25 décembre 2017 por-
tant réforme de l’impôt des sociétés, remplacé par la loi du
30 juillet 2018, est retiré.
Art. 6. A l’article 86 de la même loi, modifié par la loi du
30 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° au B1, les mots “35, 39, 5° et 9°” sont remplacés par les
mots “34, 36, 39, 5° à 15°, 40”;
2° au B2, les mots “34, 36, 39, 2°, 4°, 6° à 8° et 10° à 15°,
40” sont remplacés par les mots “39, 2°et 4°”.
Art. 7. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de
publication de la présente loi au Moniteur belge.
Chapitre 3 – Rémunérations reçues d’une société
étrangère liée à l’employeur
Section première – Modifications du Code des impôts
sur les revenus 1992
Art. 8. Dans l’article 270 du Code des impôts sur les
revenus 1992, modifié par les lois des 28 juillet 1992,
28 décembre 1992 et 22 juillet 1993, par l’arrêté royal du
12 décembre 1996 et par les lois des 24 décembre 2002
et 13 décembre 2012, les modifications suivantes sont
apportées:
1° le texte actuel formera l’alinéa 1er;
63
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2° een tweede lid wordt ingevoegd, luidende:
“Voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing worden:
a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige ge-
acht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te
kennen die een begunstigde ontvangt van een buitenlandse
vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in
de zin van artikel [11 van het Wetboek van Vennootschappen]
[1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]
wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de
begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige;
b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belastingplichtige
geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen toe
te kennen die een begunstigde ontvangt van een buitenlandse
vennootschap die met de belastingplichtige verbonden is in
de zin van artikel [11 van het Wetboek van Vennootschappen]
[1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]
wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de
begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor
de belastingplichtige in België of in het buitenland in artikel
30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen betaalt of toekent die
beroepskosten zijn in de zin van artikel 237.”.
Art. 9. In artikel 272 van hetzelfde Wetboek, gewij-
zigd bij de wetten van 28 december 1992, 22 juli 1993
en 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in eerste lid, 1°, worden de woorden “in artikel 270, 1°, 3°,
6° en 7°” vervangen door de woorden “in artikel 270, eerste
lid, 1°, 3°, 6° en 7°”;
2° in eerste lid, 2°, worden de woorden “in artikel 270, 2°”
vervangen door de woorden “in artikel 270, eerste lid, 2°”;
3° in eerste lid wordt een bepaling onder 3° ingevoegd,
luidende:
“3° hebben de belastingschuldigen overeenkomstig artikel
270, tweede lid, het recht op het geheel van de belastbare
inkomsten waarvan zij schuldenaar zijn de voorheffing in te
houden.”;
4° in tweede lid worden de woorden “in artikel 270, 5°”
vervangen door de woorden “in artikel 270, eerste lid, 5°”.
Art. 10. In artikel 2751, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de wet
van 22 december 2008, worden de woorden “krachtens artikel
270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel 270,
eerste lid, 1°,”.
Art. 11. In artikel 2752, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 20 juli 2005, worden de woorden “in
toepassing van artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“overeenkomstig artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 12. In artikel 2753, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewij-
zigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden
2° un alinéa 2 est inséré, rédigé comme suit:
“Pour l’application du précompte professionnel:
a) le contribuable visé aux articles 179 ou 220 est censé
attribuer les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°
qu’un bénéficiaire reçoit d’une société étrangère liée au
contribuable au sens de l’article [11 du Code des sociétés]
[1:20 du Code des sociétés et des associations], en raison
ou à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire
au profit du contribuable;
b) le contribuable visé à l’article 227, 2° et 3°, est censé
attribuer les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°
qu’un bénéficiaire reçoit d’une société étrangère liée au
contribuable au sens de l’article [11 du Code des sociétés]
[1:20 du Code des sociétés et des associations], en raison ou
à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au
profit du contribuable pour laquelle le contribuable paye ou
attribue en Belgique ou à l’étranger des rémunérations visées
à l’article 30, 1° et 2°, qui constituent des frais professionnels
au sens de l’article 237.”.
Art. 9. À l’article 272 du même Code, modifié par les lois
des 28 décembre 1992, 22 juillet 1993 et 13 décembre 2012,
les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, 1°, les mots “à l’article 270, 1°, 3°, 6°
et 7°” sont remplacés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er,
1°, 3°, 6° et 7°”;
2° dans l’alinéa 1er, 2°, les mots “à l’article 270, 2°” sont
remplacés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er, 2°”;
3° dans l’alinéa 1er, un 3° est inséré, rédigé comme suit:
“3° les redevables en application de l’article 270, alinéa 2,
ont le droit de retenir le précompte sur l’ensemble des revenus
imposables dont ils sont débiteurs.”;
4° dans l’alinéa 2, les mots “à l’article 270, 5°” sont rem-
placés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er, 5°”.
Art. 10. A l’article 2751, alinéa 1er, du même Code,
inséré par la loi du 3 juillet 2005 et modifié par la loi du
22 décembre 2008, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,”
sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa
1er, 1°,”.
Art. 11. A l’article 2752, § 1er, du même Code, inséré par la
loi du 20 juillet 2005, les mots “en application de l’article 270,
1°.” sont remplacés par les mots “en application de l’article
270, alinéa 1er, 1°.”.
Art. 12. A l’article 2753, § 1er, du même Code, inséré par
la loi du 23 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la
loi du 25 décembre 2017, les mots “en vertu de l’article 270,
64
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 13. In artikel 2754, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd door bij de wet van 23 december 2005, worden de
woorden “bij toepassing van artikel 270, 1°,” vervangen door
de woorden “overeenkomstig artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 14. In artikel 2755, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden “krachtens
artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden “krachtens artikel
270, eerste lid, 1°,”.
Art. 15. In artikel 2756, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 4 mei 2007 en gewijzigd bij de wetten van
22 december 2008, 22 december 2009 en 28 april 2011,
worden de woorden “bedoeld in artikel 270,” vervangen door
de woorden “bedoeld in artikel 270, eerste lid,”.
Art. 16. In artikel 2757, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 26 december 2015, worden de woor-
den “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 17. In artikel 2758, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten
van 24 maart 2015 en 18 december 2015, worden de woor-
den “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 18. In artikel 2759, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten
van 24 maart 2015 en 18 december 2015, worden de woor-
den “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 19. In artikel 27510, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2010, worden de woor-
den “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 20. In artikel 27511, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woor-
den “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 21. In artikel 412bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woor-
den “de in artikel 270, 5°, vermelde akten” vervangen door
de woorden “de in artikel 270, eerste lid, 5°, vermelde akten”.
Afdeling 2 – Verplichting tijdens overgangsperiode
voor de inkomsten van het belastbaar tijdperk 2018
Art. 22. § 1. De belastingplichtige bedoeld in de artikelen
179 of 220 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992 maakt een fiche op die de bezoldigingen bedoeld in
artikel 30, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek herneemt die
tijdens het kalenderjaar 2018 aan een begunstigde worden
betaald of toegekend door een buitenlandse vennootschap
die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel
1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270,
alinéa 1er, 1°,”.
Art. 13. A l’article 2754, § 1er, du même Code, inséré par
la loi du 23 décembre 2005, les mots “en application de
l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en application
de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”.
Art. 14. A l’article 2755, § 1er, du même Code, inséré par
la loi du 23 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la
loi du 26 mars 2018, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,”
sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa
1er, 1°,”.
Art. 15. A l’article 2756, du même Code, inséré par la loi
du 4 mai 2007 et modifié par les lois des 22 décembre 2008,
22 décembre 2009 et 28 avril 2011, les mots “visés à l’article
270,” sont à chaque fois remplacés par les mots “visés à
l’article 270, alinéa 1er,”.
Art. 16. A l’article 2757, alinéa 1er, du même Code, remplacé
par la loi du 26 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article
270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article
270, alinéa 1er, 1°,”.
Art. 17. A l’article 2758, § 1er, du même Code, inséré par
la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015
et 18 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,”
sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa
1er, 1°,”.
Art. 18. A l’article 2759, § 1er, du même Code, inséré par
la loi du 15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015
et 18 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,”
sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270, alinéa
1er, 1°,”.
Art. 19. A l’article 27510, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 10 août 2015, les mots “en vertu de l’article 270,
1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270,
alinéa 1er, 1°,”.
Art. 20. A l’article 27511, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 26 mars 2018, les mots “en vertu de l’article 270,
1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270,
alinéa 1er, 1°,”.
Art. 21. A l’article 412bis, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 28 décembre 1992, les mots “visés à l’article
270, 5°.” sont remplacés par les mots “visés à l’article 270,
alinéa 1er, 5°.”.
Section 2 – Obligation transitoire pour les revenus de
la période imposable 2018
Art. 22. § 1er. Le contribuable visé aux articles 179 ou 220
du Code des impôts sur les revenus 1992 établit une fiche
reprenant les rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2° du
même Code qui sont payées ou attribuées à un bénéficiaire
au cours de l’année civile 2018 par une société étrangère liée
au contribuable au sens de l’article [11 du Code des sociétés]
[1:20 du Code des sociétés et des associations], en raison ou
65
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
[11 van het Wetboek van Vennootschappen][1:20 van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen] wegens of
naar aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde
ten behoeve van de belastingplichtige.
De in artikel 227, 2° en 3°, van het Wetboek van de inkom-
stenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtige maakt een
fiche op die de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1° en 2°,
van hetzelfde Wetboek herneemt die tijdens kalenderjaar
2018 aan een begunstigde zijn betaald of toegekend door
een buitenlandse vennootschap die met de belastingplichtige
verbonden is in de zin van artikel [11 van het Wetboek van
Vennootschappen][1:20 van het Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen] wegens of naar aanleiding van de be-
roepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van de belas-
tingplichtige waarvoor de belastingplichtige in België of in het
buitenland in artikel 30, 1° en 2°, van het voormelde Wetboek
bedoelde bezoldigingen betaalt of toekent die beroepskosten
zijn in de zin van artikel 237 van hetzelfde Wetboek.
De in het eerste lid bedoelde fiche wordt voor 1 maart 2019
langs elektronische weg aan de FOD Financiën bezorgd.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde stelt het
model op van de fiche bedoeld in het eerste lid.
§ 2. In afwijking van de artikelen 219 en 445 van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is in geval van
afwezigheid, onvolledigheid of laattijdigheid van de in para-
graaf 1 bedoelde fiche, per vastgestelde inbreuk een boete
verschuldigd van 10 pct. van het bedrag van de toegekende
of betaalde bezoldigingen bedoeld in paragraaf 1, eerste en
tweede lid..
Er wordt geen boete toegepast wanneer de belastingplich-
tige aantoont dat de bezoldigingen bedoeld in artikel 30, 1°
en 2°, van het Wetboek van de inkomstebelastingen 1992
begrepen zijn in een door de begunstigde overeenkomstig
artikel 305 van hetzelfde Wetboek ingediende aangifte of in
een door de verkrijger in het buitenland ingediende gelijk-
aardige aangifte.
Art. 23. Voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zijn de
bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992 van toepassing op deze afdeling.
Afdeling 3 – Inwerkingtreding
Art. 24. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2019,
met uitzondering van afdeling 2, die in werking treedt op de
dag van haar publicatie in het Belgisch Staatsblad en ten
laatste op 31 december 2018.
Hoofdstuk 4 – Wijzigingen van de programmawet van
27 december 2004
Art. 25. De tarieven voorzien in artikel 419, a), b) en c),
van de programmawet van 27 december 2004 van gelode
benzine van de GN-codes 2710 11 31, 2710 11 51 en 2710 11
59 en van ongelode benzine van de GN-codes 2710 11 41,
2710 11 45 en 2710 11 49 en deze voorzien in artikel 419, e),
i) en f), i), van de programmawet van 27 december 2004, voor
à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au
profit du contribuable.
Le contribuable visé à l’article 227, 2° et 3°, du Code des
impôts sur les revenus 1992 établit une fiche reprenant les
rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2° du même Code
qui sont payées ou attribuées à un bénéficiaire, au cours
de l’année civile 2018 par, une société étrangère liée au
contribuable au sens de l’article [11 du Code des sociétés]
[1:20 du Code des sociétés et des associations], en raison ou
à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au
profit du contribuable pour laquelle le contribuable paye ou
attribue en Belgique ou à l’étranger des rémunérations visées
à l’article 30, 1° et 2°, du Code précité, qui constituent des
frais professionnels au sens de l’article 237 du même Code.
La fiche visée à l’alinéa 1er est transmise par voie électro-
nique au SPF Finances avant le 1er mars 2019.
Le Ministre des Finances ou son délégué fixe le modèle
de fiche visée à l’alinéa 1er.
§ 2. Par dérogation aux articles 219 et 445 du Code des
impôts sur les revenus 1992, en cas d’absence, d’incomplè-
tude ou de remise tardive de la fiche visée au paragraphe 1er,
une amende de 10 p.c. du montant des rumérations attribuées
ou payées visées au paragraphe 1, alinéa 1 et 2, est duepar
infraction constatée.
Aucune amende n’est appliquée lorsque le contribuable
démontre que les rémunérations visées à l’article 30, 1° et
2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 sont comprises
dans une déclaration introduite par le bénéficiaire conformé-
ment à l’article 305 du même Code ou dans une déclaration
analogue introduite à l’étranger par le bénéficiaire.
Art. 23. Pour autant qu’il n’y soit pas dérogé, les disposi-
tions du Code des impôts sur les revenus 1992 sont d’appli-
cation à la présente section.
Section 3 – Entrée en vigueur
Art. 24. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er jan-
vier 2019, à l’exception de la section 2, qui entre en vigueur
le jour de sa publication au Moniteur belge et au plus tard le
31 décembre 2018.
Chapitre 4 – Modifications de la loi-programme du
27 décembre 2004
Art. 25. Les taux prévus dans l’article 419, a), b) et c), de la
loi-programme du 27 décembre 2004 de l’essence au plomb
des codes NC 2710 11 31, 2710 11 51 et 2710 11 59 et de
l’essence sans plomb des codes NC 2710 11 41, 2710 11 45
et 2710 11 49 et ceux prévus dans l’article 419, e), i), et f), i),
de la loi-programme du 27 décembre 2004, pour le gasoil des
66
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
gasolie van de GN-codes 2710 19 41, 2710 19 45 en 2710 19
49, zoals van toepassing op 31 december 2018 worden op
1 januari 2019 geïndexeerd.
Het indexpercentage dat wordt toegepast op 1 januari 2019
bedraagt het verschil tussen de index van de consumptieprij-
zen van juni 2018 en juni 2017.
Dit percentage wordt toegepast op het totale bedrag aan
accijnzen. Het resultaat van deze berekening wordt omge-
vormd naar een verhoging van de bijzondere accijns.
De minister bevoegd voor Financiën publiceert een officieel
bericht in het Belgisch Staatsblad met vermelding van de
tarieven die op 1 januari 2019 in werking treden.
DEEL III – FRAUDEBESTRIJDING
A. De uitvoering van de parlementaire aanbevelingen
wat de Panama Papers betreft en de aanbevelingen van de
OESO naar aanleiding van de Peer Review (TITELS 1 tot 3)
T I T E L
1 .
–
W I J Z I G I N G E N
I N Z A K E
INKOMSTENBELASTINGEN
Afdeling 1. – Gegevensuitwisseling met derde landen
Art. 26.- In het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992, wordt een artikel 338ter ingevoegd, luidende:
“Art. 338ter. De gegevens bedoeld in artikel 338, § 24/1,
worden door de Belgische bevoegde autoriteit eveneens
bezorgd aan buitenlandse belastingautoriteiten, op verzoek
van deze laatsten, indien een juridische grondslag bestaat die
de uitwisseling van informatie tussen België en de vragende
jurisdictie regelt.
Afdeling 2.- Juridische constructies
Art. 27. In artikel 333 van hetzelfde wetboek, laatst ge-
wijzigd door de wetten van 24 maart 2015 en 30 juni 2017,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden “vierde lid” ver-
vangen door de woorden “vijfde lid”;
2° in het derde lid worden de woorden “artikel 354, tweede
lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar” vervangen
door de woorden “artikel 354, tweede en derde lid, bedoelde
aanvullende termijn van respectievelijk vier en zeven jaar”.
3° in het derde lid in fine worden de woorden “met de
aanvullende termijn van vier jaar” vervangen door de woor-
den “met de hierboven bedoelde aanvullende termijn van
respectievelijk vier en zeven jaar”.
Art. 28. In artikel 354 van hetzelfde Wetboek gewijzigd bij
de wetten van 22 december 2008 en 27 april 2016, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid inge-
voegd, luidende:
codes NC 2710 19 41, 2710 19 45 et 2710 19 49, applicables
le 31 décembre 2018, sont indexés le 1er janvier 2019.
Le pourcentage d’indexation appliqué le 1er janvier 2019
s’élève à la différence entre l’index des prix à la consommation
de juin 2018 et juin 2017.
Ce pourcentage est appliqué au montant total de l’accise.
Le montant résultant du calcul précité est transformé en une
augmentation de droit d’accise spécial.
Le ministre ayant les Finances dans ses attributions publie
un avis officiel au Moniteur belge, mentionnant les taux qui
entrent en vigueur le 1er janvier 2019.
PARTIE III – LUTTE CONTRE LA FRAUDE
A. La mise en œuvre des recommandations parlemen-
taires concernant les Panama Papers et les recomman-
dations de l’OCDE suite au Peer Review (TITRES 1er à 3)
TITRE 1er. – MODIFICATIONS EN MATIERE D’IMPOTS
SUR LES REVENUS
Section 1ère. Echange de données avec des pays tiers
Art. 26.- Dans le Code des impôts sur les revenus 1992,
il est inséré un article 338ter, rédigé comme suit:
“Art 338ter. Les données visées à l’article 338, § 24/1,
sont également fournies par l’autorité compétente belge
aux autorités fiscales étrangères, sur demande de ces der-
nières, lorsqu’il existe un fondement juridique qui règle les
échanges d’informations entre la Belgique et la juridiction
demanderesse.”.
Section 2.- Constructions juridiques
Art. 27. A l’article 333 du même Code, modifié en dernier
lieu par les lois du 24 mars 2015 et du 30 juin 2017, les modi-
fications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 2, les mots “alinéa 4” sont remplacés par
les mots “alinéa 5”;
2° dans l’alinéa 3, les mots “de quatre ans prévu à l’article
354, alinéa 2,” sont remplacés par les mots “de quatre et de
sept ans prévus respectivement à l’article 354, alinéas 2 et 3,”.
3° dans l’alinéa 3 in fine, les mots “prolongé du délai
supplémentaire de quatre ans” sont remplacés par les mots
“prolongé du délai supplémentaire susvisé de respectivement
quatre et sept ans”.
Art. 28. A l’article 354 du Code des impôts sur les revenus
1992, modifié par les lois du 22 décembre 2008 et du 27 avril
2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas
2 et 3:
67
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Wanneer in een land opgenomen in de lijst van staten
zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2,
derde lid, met uitzondering van de landen waarmee een over-
eenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten
en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag
in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om
uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten
van de overeenkomstsluitende staten, gebruik wordt gemaakt
van juridische constructies die ertoe strekken de herkomst of
het bestaan van het vermogen te verhullen, wordt de in het
eerste lid bedoelde termijn met zeven jaar verlengd in geval
van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter
uitvoering ervan genomen besluiten.”.
2° in het vroegere derde lid, dat het 4e lid is geworden, wordt
het woord “twee” vervangen door het woord “drie”.
Afdeling 3 – Onderzoeksbevoegdheden
Art 29. In artikel 322, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wet van 26 maart 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid inge-
voegd luidende:
“Het recht om derden te horen en om een onderzoek in
te stellen mag slechts worden uitgeoefend door ambtenaren
voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het ver-
richten van een controle of een onderzoek betreffende de
toepassing van de inkomstenbelastingen”;
2° het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, wordt
aangevuld als volgt:
“Het recht om het UBO-register te consulteren mag slechts
worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere titel
dan die van attaché.”.
3° het vroegere derde lid wordt opgeheven.
TITEL 2. – WIJZIGINGEN AAN WETBOEK VAN DE
BELASTING OVER TOEGEVOEGDE WAARDE
Geheim van de vraag om inlichtingen van buitenlandse
autoriteiten
Art. 30. In het Wetboek van de belasting over de toege-
voegde waarde wordt een artikel 93bis/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 93bis/1. In afwijking van artikel 4 van de wet van
11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, mo-
gen de verzoeken om inlichtingen van buitenlandse autoritei-
ten en de antwoorden verstrekt aan die autoriteiten evenals
elke andere correspondentie tussen de bevoegde autoriteiten
niet openbaar worden gemaakt zolang het onderzoek van
de buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover
de openbaarmaking nadelig zou zijn voor het voormelde
onderzoek, tenzij de buitenlandse autoriteit haar uitdrukkelijk
akkoord heeft gegeven voor deze openbaarmaking.
“Lorsque dans un Etat figurant sur la liste des Etats à fis-
calité inexistante ou peu élevée visée à l’article 307, § 1er/2,
alinéa 3, à l’exception des Etats avec lesquels a été conclue
une convention préventive de double imposition et à condition
que cette convention ou un traité assure l’échange des infor-
mations qui sont nécessaires afin d’exécuter les dispositions
des lois nationales des Etats contractants, il est fait usage de
constructions juridiques visant à dissimuler l’origine ou l’exis-
tence du patrimoine, le délai visé à l’alinéa 1er est prolongé
de sept ans en cas d’infraction aux dispositions du présent
Code ou des arrêtés pris pour son exécution.”.
2° dans l’alinéa 3 ancien, devenant l’alinéa 4, le mot “deux”
est remplacé par le mot “trois”.
Section 3 – Pouvoirs d’investigation
Art. 29 Dans l’article 322, § 1er, du même Code, modifié
par la loi du 26 mars 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas
1er et 2:
“Le droit d’entendre des tiers et de procéder à des enquêtes
ne peut être exercé que par des agents munis de leur com-
mission et chargés d’effectuer un contrôle ou une enquête se
rapportant à l’application de l’impôt sur les revenus.”;
2° l’alinéa 2 ancien, devenant l’alinéa 3, est complété
comme suit:
“Le droit de consulter le registre UBO ne peut être exercé
que par un agent ayant un titre supérieur à celui d’attaché.”.
3° l’alinéa 3 ancien est supprimé.
TITRE 2.- MODIFICATIONS DU CODE DE LA TAXE SUR
LA VALEUR AJOUTEE
Secret de la demande d’informations formulée par
l’autorité étrangère
Art. 30. Dans le Code de la Taxe sur la valeur ajoutée, il
est inséré un article 93bis/1 rédigé comme suit:
“Art. 93bis/1. Par dérogation à l’article 4 de la loi du 11 avril
1994 relative à la publicité de l’administration, les demandes
de renseignements transmises par les autorités étrangères
et les réponses qui sont fournies à ces autorités ainsi que
toute autre correspondance entre les autorités compétentes
ne sont pas susceptibles d’être divulguées aussi longtemps
que l’enquête de l’autorité étrangère n’est pas clôturée et
pour autant que la divulgation nuirait aux besoins de l’enquête
précitée, à moins que l’autorité étrangère n’ait expressément
marqué son accord sur cette divulgation.
68
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt geacht te
zijn bekomen wanneer de buitenlandse autoriteit niet rea-
geert binnen een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf het
verzenden door de Belgische Staat van de vraag tot inzage,
en de informatie niet verschaft dat de vertrouwelijkheid van
de uitgewisselde gegevens en de correspondentie volgens
de voorwaarden van dit artikel moet voortduren, wanneer
de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buiten-
landse Staat wordt gevoerd uitdrukkelijk deze toegang aan
de Belgische Staat heeft gevraagd.”.
TITEL 3. – Wijzigingen aan de wet van 24 december
2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake
inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem
van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.
Art. 31. In artikel 22, derde lid, van de wet van 24 december
2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake
inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van
voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, wordt de bepaling
onder 1° vervangen als volgt:
“1° bij het indienen van de aanvraag, elementen van de
beschreven verrichting of situatie betrekking hebben op een
vluchtland dat niet samenwerkt met de OESO of op een land
opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage
belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 tenzij met dit
land een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting
werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of
enig verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die
nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de
nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten;”.
A. De minnelijke en gedwongen invordering van fiscal
en niet-fiscale schuldvorderingen en de automatisering
en de modernisering van de gegevensuitwisseling tussen
de administratie en zijn partners (TITEL 4)
TITEL 4. - DE INVORDERING
HOOFDSTUK 1
Verplichting van de betaling in euro door bepaalde
administraties van de FOD Financiën
Art. 32. Elke som die door de administratie van de Federale
Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invorde-
ring van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet worden
teruggegeven of betaald, moet uitgevoerd worden in euro.
L’accord visé à l’alinéa 1er est acquis si l’autorité étrangère
ne réagit pas dans un délai de 90 jours à partir de l’envoi de
la demande de divulgation par l’Etat belge et n’apporte pas
l’information que la confidentialité des données et correspon-
dances échangées selon les conditions du présent article doit
perdurer, lorsque la personne dans le chef de qui l’enquête
est menée par l’Etat étranger a explicitement demandé cet
accès à l’Etat belge.”.
TITRE 3. – Modifications de la loi du 24 décembre 2002
modifiant le régime des sociétés en matière d’impôts sur
les revenus et instituant un système de décision anticipée
en matière fiscale.
Art. 31. Dans l’article 22, alinéa 3, de la loi du 24 décembre
2002 modifiant le régime des sociétés en matière d’impôts sur
les revenus et instituant un système de décision anticipée en
matière fiscale, le 1° est remplacé par ce qui suit:
“1° lors de l’introduction de la demande, des éléments de
l’opération ou de la situation décrite se rattachent à un pays
refuge non coopératif avec l’OCDE ou à un pays figurant sur
la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée, visée
à l’article 307, § 1er/2, alinéa 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992, à moins qu’une convention préventive de
double imposition n’ait été conclue avec cet Etat et à condition
que cette convention ou un traité assure l’échange des infor-
mations qui sont nécessaires afin d’exécuter les dispositions
des lois nationales des Etats contractants; “.
A. Le recouvrement amiable et forcé des créances
fiscales et non fiscales et l’automatisation et la moderni-
sation des échanges entre l’administration et ses parte-
naires (TITRE 4)
TITRE 4. – LE RECOUVREMENT
CHAPITRE 1er
Obligation de paiement en euros par certaines admi-
nistrations du SPF Finances
Art. 32. Toute somme à restituer ou à payer par l’admi-
nistration du Service public fédéral Finances en charge de la
perception et du recouvrement des créances fiscales et non
fiscales doit être exécutée en euros.
69
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van het wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde, het wetboek van de inkomstenbe-
lastingen 1992, de programmawet (I) van 29 maart 2002
en het burgerlijk wetboek inzake het E-notariaat
AFDELING 1. Wetboek van de belasting over de toege-
voegde waarde
Art. 33. Artikel 62 van het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van
28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet van
27 april 2007 en bij de wet van 25 april 2014, wordt vervangen
als volgt:
“Art. 62. Eenieder is gehouden, op ieder verzoek van de
ambtenaren van de administratie belast met de belasting over
de toegevoegde waarde, mondeling of schriftelijk alle inlich-
tingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de
juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde
van derden na te gaan.”.
Art. 34. In artikel 66, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 28 januari
2004 en 17 december 2012, worden de woorden “artikel 62,
§ 1” vervangen door de woorden “artikel 62”.
Art. 35. Artikel 93ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 8 augustus 1980, en gewijzigd bij de wetten
van 22 december 1989, 28 december 1992, de koninklijke
besluiten van 20 juli 2000, 31 maart 2003, 25 februari 2007,
de wetten van 27 april 2007 en 24 juli 2008, wordt vervangen
als volgt:
“Art. 93ter. § 1. De notaris die verzocht is om een akte op
te maken die de vervreemding of hypothecaire aanwending
van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp heeft, is
persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting
over de toegevoegde waarde en bijbehoren die tot een hy-
pothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven, wanneer hij
daarvan geen bericht geeft aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatie-
technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op
elektronische wijze;
2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder van
een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp van de akte
is, ressorteert, of de ontvanger van de dienst die door de
Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de eigenaar of de
houder van een zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats
in het buitenland heeft, wanneer het bericht omwille van
overmacht of een technische storing niet kan worden mee-
gedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bericht bij
aangetekende brief verzonden.
Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt binnen
drie maanden te rekenen van de verzending van het bericht,
wordt dit bericht als niet bestaande beschouwd.
CHAPITRE 2
Modifications du code de la taxe sur la valeur ajoutée,
du code des impôts sur les revenus 1992, de la loi-pro-
gramme (I) du 29 mars 2012 et du code civil en matière
d’E-notariat
SECTION 1ère. Code de la taxe sur la valeur ajoutée
Art. 33. L’article 62 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée,
remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par la
loi-programme du 27 avril 2007 et par la loi du 25 avril 2014,
est remplacé par ce qui suit:
“Art. 62. Toute personne est tenue de fournir verbalement
ou par écrit, à toute réquisition des agents de l’administra-
tion en charge de la taxe sur la valeur ajoutée, tous rensei-
gnements qui lui sont réclamés aux fins de vérifier l’exacte
perception de la taxe à sa charge ou à la charge de tiers.”.
Art. 34. A l’article 66, alinéa 1er, du même Code, modifié par
les lois du 28 décembre 1992, 28 janvier 2004 et 17 décembre
2012, les mots “l’article 62, § 1er” sont remplacés par les mots
“l’article 62”.
Art. 35. L’article 93ter du même Code, inséré par la loi
du 8 août 1980 et modifié par les lois du 22 décembre 1989,
28 décembre 1992, les arrêtés royaux des 20 juillet 2000,
31 mars 2003 et 25 février 2007, et des lois du 27 avril 2007
et 24 juillet 2008, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 93ter. § 1er. Le notaire requis de dresser un acte ayant
pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un bien
susceptible d’hypothèque, est personnellement responsable
du paiement de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires
pouvant donner lieu à inscription hypothécaire lorsqu’il n’en
avise pas:
1° le service en charge de la technologie de l’information
et de la communication du Service public fédéral Finances,
par voie électronique;
2° le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un
droit réel sur le bien faisant l’objet de l’acte, ou le receveur
du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le proprié-
taire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien a sa résidence
à l’étranger, lorsque la communication de l’avis ne peut, en
raison d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement
technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas,
l’avis est adressé par lettre recommandée.
Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les trois mois à
compter de l’envoi de l’avis, cet avis sera considéré comme
non avenu.
70
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
§ 2. Wanneer het bericht meegedeeld is in overeen-
stemming met paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de
verzendingsdatum van het bericht verstaan de datum van
ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast met
informatie- en communicatietechnologie van de Federale
Overheidsdienst Financiën.
§ 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt
verzonden overeenkomstig de procedures voorzien res-
pectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal het
bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°,
slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de
verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat.
§ 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoor-
waarden van dit artikel.”.
Art. 36. Artikel 93quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij de koninklijke
besluiten van 31 maart 2003, en 25 februari 2007, en bij de
wet van 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt:
“Art. 93quater. § 1. Indien het belang van de Schatkist dit
vereist, geeft de bevoegde ontvanger aan de notaris, vóór het
verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van
de verzending van het in artikel 93ter bedoelde bericht, kennis
van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde
en bijbehoren dat aanleiding kan geven tot inschrijving van
de wettelijke hypotheek van de Schatkist op het goed dat het
voorwerp van de akte is:
1° op elektronische wijze, volgens een door de Koning
bepaalde procedure;
2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving om-
wille van overmacht of een technische storing niet kan wor-
den meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris
het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, heeft verzonden bij
aangetekende brief.
§ 2. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld overeenkom-
stig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van de verzending
van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging
meegedeeld door de dienst informatie- en communicatie-
technologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel
93ter, § 1.
§ 3. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens
wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien
respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal de
kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste
lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan
de verzendingsdatum van de kennisgeving opgesteld over-
eenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat.”.
Art. 37. Artikel 93quinquies van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 8 augustus 1980, vervangen, bij de wet
van 24 juli 2008 en gewijzigd bij de wetten van 27 april 2016
[en de wet van xxxx2018 (WO uitvoerbare titel BTW], wordt
vervangen als volgt:
§ 2. Lorsque la communication de l’avis est effectuée
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date
d’envoi de l’avis s’entend de la date de l’accusé de réception
communiqué par le service en charge de la technologie de
l’information et de la communication du Service public fédéral
Finances.
§ 3. Lorsqu’un même avis est adressé successivement
selon les procédures prévues respectivement au paragraphe
1er,alinéa 1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au paragraphe
1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est
antérieure à la date d’envoi de l’avis établi conformément au
paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du
présent article.”.
Art. 36. L’article 93quater du même Code, inséré par la loi
du 8 août 1980 et modifié par les arrêtés royaux du 31 mars
2003 et 25 février 2007 et par la loi du 24 juillet 2008, est
remplacé par ce qui suit:
“Art. 93quater. § 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le receveur
compétent notifie au notaire, avant l’expiration du douzième
jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis prévu à l’article
93ter, le montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des acces-
soires pouvant donner lieu à inscription de l’hypothèque légale
du Trésor sur le bien faisant l’objet de l’acte:
1° par voie électronique, selon une procédure déterminée
par le Roi;
2° par lettre recommandée, lorsque la communication de la
notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un
dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au
1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé par l’article 93ter,
§ 1er, par lettre recommandée.
§ 2. Lorsque la communication de la notification est effec-
tuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date
d’envoi de la notification s’entend de la date de l’accusé de
réception communiqué par le service Technologie de l’infor-
mation et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé
à l’article 93ter, § 1er.
§ 3. Lorsqu’une même notification est adressée suc-
cessivement selon les procédures prévues respectivement
au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut
que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi
de la notification établie conformément au paragraphe 1er,
alinéa 1er, 1°.”.
Art. 37. L’article 93quinquies, du même Code, inséré par
la loi du 8 août 1980, remplacé par la loi du 24 juillet 2008
et modifié par les lois des 27 avril 2016 [et xxx2018 (cf PL
automatisation du titre exécutoire TVA], est remplacé par ce
qui suit:
71
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Art. 93quinquies. § 1. Wanneer de in artikel 93ter bedoelde
akte verleden is, geldt de in artikel 93quater bedoelde ken-
nisgeving als beslag onder derden in handen van de notaris
op de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder
zich houdt voor rekening of ten bate van de belastingschuldige
en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642
van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de nota-
ris gehouden is deze bedragen en waarden overeenkomstig
de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te
verdelen[, voor zover de in artikel 85, §1, voorgeschreven
kennisgeving werd verricht].
Onverminderd de rechten van derden, is de notaris ertoe
gehouden, wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte verleden
is, onder voorbehoud van toepassing van de artikelen 1639 tot
1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden
die hij krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten
bate van de belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag
die volgt op het verlijden van de akte, aan de ontvanger be-
doeld in artikel 93quater te storten tot beloop van het bedrag
van de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren
dat hem ter uitvoering van artikel 93quater ter kennis werd
gebracht en in zoverre deze belasting en bijbehoren aanlei-
ding hebben gegeven tot een dwangbevel[ zijn opgenomen
in een innings-en invorderingsregister] als bedoeld in artikel
85 waarvan de tenuitvoerlegging niet werd gestuit door een
in artikel 89 bedoelde vordering in rechte.
Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder derden
getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het
totaal van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven
schuldeisers en aan de verzetdoende schuldeisers, met
inbegrip van de ontvanger, moet de notaris, op straffe van
persoonlijke aansprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de
eerste werkdag die volgt op het verlijden van de akte hierover
informeren aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatie-
technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op
elektronische wijze;
2° de ontvanger bedoeld in artikel 93quater bij aangete-
kende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of
een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken
overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij het
bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, bij aangetekende brief
heeft verzonden.
De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de da-
tum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast
met informatie- en communicatietechnologie van de Federale
Overheidsdienst Financiën, of de datum van verzending van
de aangetekende brief.
§ 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvolgens
wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien
respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal de
inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid,
2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de
verzendingsdatum van de inlichting opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, derde lid, 1°, voorafgaat.
“Art. 93quinquies. § 1er. Lorsque l’acte visé à l’article 93ter
est passé, la notification visée à l’article 93quater emporte
saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes et
valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou au
profit du redevable et vaut opposition sur le prix au sens de
l’article 1642 du Code judiciaire dans les cas où le notaire est
tenu de répartir ces sommes et valeurs conformément aux
articles 1639 à 1654 du Code judiciaire[, pour autant que la
notification prévue à l’article 85, § 1er, ait eu lieu].
Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l’acte visé à
l’article 93ter est passé, le notaire est tenu, sous réserve de
l’application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de
verser entre les mains du receveur visé à l’article 93quater,
au plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de
l’acte, les sommes et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte
pour le compte ou au profit du redevable, à concurrence du
montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires qui
lui ont été notifiés en exécution de l’article 93quater et dans la
mesure où cette taxe et ces accessoires ont donné lieu à une
contrainte visée [sont repris dans un registre de perception
et de recouvrement visé] à l’article 85 dont l’exécution n’est
pas interrompue par l’action en justice prévue à l’article 89.
En outre, lorsque les sommes et valeurs ainsi saisies-ar-
rêtées sont inférieures à l’ensemble des sommes dues aux
créanciers inscrits et aux créanciers opposants, en ce compris
le receveur, le notaire doit, sous peine d’être personnellement
responsable de l’excédent, en informer au plus tard le premier
jour ouvrable qui suit la passation de l’acte:
1° le service en charge de la technologie de l’information
et de la communication du Service public fédéral Finances,
par voie électronique;
2° le receveur visé à l’article 93quater, par lettre recom-
mandée, lorsque le notaire ne peut, en raison d’un cas de
force majeure ou d’un dysfonctionnement technique, commu-
niquer l’information conformément au 1° ou lorsqu’il a adressé
l’avis visé à l’article 93ter, § 1er, par lettre recommandée.
Selon le cas, la date de l’information est celle de la date de
l’accusé de réception communiqué par le service en charge
de la technologie de l’information et de la communication du
Service public fédéral Finances, ou de la date d’envoi de la
lettre recommandée.
§ 2. Lorsqu’une même information est adressée succes-
sivement selon les procédures prévues respectivement au
paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l’information établie confor-
mément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque
sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’information
établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°.
72
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
§ 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de over-
schrijving of de inschrijving van de akte niet aan de Staat
worden tegengeworpen indien de inschrijving van de wettelijke
hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen van de datum
van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde lid.
Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts
na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bepaalde
termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zon-
der uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake
belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren, welke
ter uitvoering van artikel 93quater werden ter kennis gebracht.
§ 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoor-
waarden van dit artikel.”.
Art. 38. Artikel 93octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 8 augustus 1980, wordt opgeheven.
Art. 39. In artikel 93nonies van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 8 augustus 1980, worden de woorden
“artikelen 93ter tot 93octies” vervangen door de woorden
“artikelen 93ter tot 93septies”.
Art. 40. Artikel 93decies van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 8 augustus 1980, wordt vervangen als
volgt:
“Art. 93decies. Met het akkoord van de belastingschuldige
zijn de banken, onderworpen aan de wet van 25 april 2014
op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen,
evenals de kredietgevers en bemiddelaars inzake hypothecair
krediet, onderworpen aan Boek VII, Titel 4, Hoofdstuk 4 van
het Wetboek van economisch recht, gemachtigd het in artikel
93ter bedoelde bericht te verzenden en zijn zij bevoegd om
de in artikel 93quater bedoelde kennisgeving te ontvangen.
De afgifte van een attest door die instellingen aan de notaris
betreffende de verzending van het bericht en het gevolg daar-
aan gegeven door de ontvanger bedoeld in artikel 93quater,
stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de plaats van
die van de notaris.”.
Art. 41. Artikel 93undecies A van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij
de wetten van 10 augustus 2005 en 11 juli 2018, wordt ver-
vangen als volgt:
“Art. 93undecies A. Geen akte die in het buitenland verle-
den is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending van
een onroerend goed of een schip tot voorwerp heeft, wordt in
België tot overschrijving of inschrijving in de registers van de
hypothecaire openbaarmaking, wat de onroerende goederen
betreft, of in het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen
betreft, toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een at-
test van de ontvanger bedoeld in artikel 93ter.
Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of de hou-
der van een zakelijk recht geen belasting over de toegevoegde
waarde verschuldigd is, ofwel dat de wettelijke hypotheek,
die de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde
waarborgt, ingeschreven is.”.
§ 3. Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou
l’inscription de l’acte n’est pas opposable à l’Etat, si l’inscrip-
tion de l’hypothèque légale a lieu dans les huit jours ouvrables
de la date de l’information visée au paragraphe 1er, alinéa 4.
Sont inopérantes au regard des créances de la taxe sur la
valeur ajoutée et d’accessoires notifiés conformément à l’ar-
ticle 93quater, toutes créances non inscrites pour lesquelles
saisie ou opposition n’est pratiquée qu’après l’expiration du
délai prévu au paragraphe 1er, alinéa 3.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du
présent article.”.
Art. 38. L’article 93octies du même Code, inséré par la loi
du 8 août 1980, est abrogé.
Art. 39. Dans l’article 93nonies, du même Code, inséré par
la loi du 8 août 1980, les mots “articles 93ter à 93octies” sont
remplacés par les mots “articles 93ter à 93septies”.
Art. 40. L’article 93decies du même Code, inséré par la
loi du 8 août 1980, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 93decies. Moyennant l’accord du redevable, les
banques soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au statut
et au contrôle des établissements de crédit, ainsi que les
prêteurs en crédit hypothécaire et les intermédiaires en crédit
hypothécaire soumis au Livre VII, titre 4, chapitre 4 du Code
de droit économique, sont autorisées à adresser l’avis prévu
à l’article 93ter et qualifiées pour recevoir la notification visée
à l’article 93quater.
La remise d’une attestation par ces organismes au notaire
relativement à l’envoi de l’avis et à la suite y donnée par le
receveur visé à l’article 93quater substitue la responsabilité
de ces organismes à celle du notaire.”.
Art. 41. L’article 93undecies A du même Code, inséré par
la loi du 8 août 1980 et modifié par les lois des 10 août 2005
et 11 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 93undecies A. Aucun acte passé à l’étranger et ayant
pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un
immeuble, ou d’un bateau ne sera admis en Belgique à la
transcription ou à l’inscription dans le registres de la publicité
hypothécaire en ce qui concerne les immeubles, ou dans le
Registre naval belge, en ce qui concerne les bateaux, s’il n’est
accompagné d’un certificat du receveur visé à l’article 93ter.
Ce certificat doit attester que le propriétaire ou le titulaire
d’un droit réel n’est pas redevable de taxe sur la valeur ajoutée
ou que l’hypothèque légale garantissant la taxe sur la valeur
ajoutée due a été inscrite.”.
73
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
AFDELING 2. Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 42. Artikel 433 van het Wetboek van de inkomstenbe-
lastingen 1992, vervangen bij de wet van 24 juli 2008 en ge-
wijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt vervangen als volgt:
“Art. 433. § 1. De notaris die verzocht is om een akte op te
maken die de vervreemding of de hypothecaire aanwending
van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp heeft, is
persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de belastingen
en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving aanleiding
kunnen geven, wanneer hij daarvan geen bericht geeft aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatie-
technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op
elektronische wijze;
2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder van
een zakelijk recht op het goed ressorteert, of de ontvanger
van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen,
wanneer de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op
het goed zijn verblijfplaats in het buitenland heeft en, daar-
enboven, zo het om een onroerend goed gaat, de ontvanger,
bevoegd voor de invordering van de onroerende voorheffing
van dat goed, wanneer het bericht omwille van overmacht of
een technische storing niet kan worden meegedeeld overeen-
komstig de bepaling onder 1°. In dat geval wordt het bericht
bij aangetekende brief verzonden.
§ 2. Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt
binnen drie maanden te rekenen van de verzending van het
bericht, wordt dit bericht als niet bestaande beschouwd.
Wanneer het bericht meegedeeld is overeenkomstig para-
graaf 1, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van het bericht
verstaan de datum van ontvangstmelding meegedeeld door
de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie
van de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens wordt
verzonden overeenkomstig de procedures voorzien respec-
tievelijk in paragraaf 1, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld
overeenkomstig paragraaf 1, 2°, slechts primeren wanneer
de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het
bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 1°, voorafgaat.
§ 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoor-
waarden van dit artikel.”.
Art. 43. Artikel 434 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij
de koninklijke besluiten van 31 maart 2003 en 25 februari
2007 en bij de wet van 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt:
“Art. 434. § 1. Indien het belang van de Schatkist dit vereist,
wordt door de bevoegde ontvanger aan de notaris, vóór het
verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de datum van
de verzending van het in artikel 433 bedoelde bericht, kennis
gegeven van het bedrag van de belastingen en bijbehoren
dat aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke
hypotheek van de Schatkist op het goed dat het voorwerp
van de akte is:
SECTION 2. Code des impôts sur les revenus 1992
Art. 42. L’article 433 du Code des impôts sur les revenus
1992, remplacé par la loi du 24 juillet 2008 et modifié par la
loi du 27 avril 2016, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 433. § 1 er. Le notaire requis de dresser un acte ayant
pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un bien
susceptible d’hypothèque, est personnellement responsable
du paiement des impôts et des accessoires pouvant donner
lieu à inscription hypothécaire, lorsqu’il n’en avise pas:
1° le service en charge de la technologie de l’information
et de la communication du Service public fédéral Finances,
par voie électronique;
2° le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire d’un
droit réel sur le bien, ou le receveur du service désigné à cette
fin par le Roi lorsque le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel
sur le bien a sa résidence à l’étranger, et, en outre, s’il s’agit
d’un immeuble, le receveur compétent pour le recouvrement
du précompte immobilier de ce bien, lorsque la communication
de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un
dysfonctionnement technique, être effectuée conformément
au 1°. Dans ce cas, l’avis est adressé par lettre recommandée.
§ 2. Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les trois mois
à compter de l’envoi de l’avis, cet avis sera considéré comme
non avenu.
Lorsque la communication de l’avis est effectuée confor-
mément au paragraphe 1er, 1°, la date d’envoi de l’avis
s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué
par le service en charge de la technologie de l’information
et de la communication du Service public fédéral Finances.
§ 3. Lorsqu’un même avis est adressé successivement
selon les procédures prévues respectivement au paragraphe
1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au paragraphe 1er, 2°
ne prévaut que lorsque la date d’envoi est antérieure à la date
d’envoi de l’avis établi conformément au paragraphe 1er, 1°.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du
présent article.”.
Art. 43. L’article 434 du même Code, modifié par les arrê-
tés royaux du 31 mars 2003 et 25 février 2007 et par la loi du
24 juillet 2008, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 434. § 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le receveur
compétent notifie au notaire, avant l’expiration du douzième
jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis visé à l’article
433, le montant des impôts et des accessoires pouvant donner
lieu à inscription de l’hypothèque légale du Trésor sur le bien
faisant l’objet de l’acte:
74
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning
bepaalde procedure;
2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving om-
wille van overmacht of een technische storing niet kan wor-
den meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris
het bericht bedoeld in artikel 433, § 1, heeft verzonden bij
aangetekende brief.
§ 2. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens
wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien
respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal de
kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste
lid, 2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan
de verzendingsdatum van de kennisgeving opgesteld over-
eenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, voorafgaat.
§ 3. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld overeenkom-
stig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van de verzending
van de kennisgeving de datum van de ontvangstbevestiging
meegedeeld door de dienst informatie- en communicatie-
technologie van de afzender van het bericht bedoeld in artikel
433, § 1.”.
Art. 44. Artikel 435 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd door de wet van 27 april
2016, wordt vervangen als volgt:
“Art. 435. § 1. Wanneer de in artikel 433 bedoelde akte
verleden is, geldt de in artikel 434 bedoelde kennisgeving als
beslag onder derden in handen van de notaris op de bedra-
gen en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt
voor rekening of ten bate van de belastingschuldige en geldt
als verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642 van het
Gerechtelijk Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehou-
den is de bedragen en waarden overeenkomstig de artikelen
1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen.
Onverminderd de rechten van derden, is de notaris, wan-
neer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is, ertoe ge-
houden onder voorbehoud van toepassing van de artikelen
1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen
en waarden die hij krachtens de akte onder zich houdt voor
rekening of ten bate van de belastingschuldige, uiterlijk de
achtste werkdag die volgt op het verlijden van de akte, aan
de in artikel 434 bedoelde ontvanger te storten tot beloop van
het bedrag van de belastingen en bijbehoren dat hem ter uit-
voering van artikel 434 ter kennis werd gebracht en in zoverre
deze belastingen en bijbehoren een zekere en vaststaande
schuld in de zin van artikel 410 vormen.
Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder derden
getroffen sommen en waarden minder bedragen dan het totaal
van de sommen verschuldigd aan de ingeschreven schuldei-
sers en aan de verzetdoende schuldeisers, hierin begrepen de
ontvanger, moet de notaris, op straffe van persoonlijke aan-
sprakelijkheid voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag
die volgt op het verlijden van de akte hierover informeren aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatie-
technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, op
elektronische wijze;
1° par voie électronique, selon une procédure déterminée
par le Roi;
2° par lettre recommandée, lorsque la communication de
la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure
ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée confor-
mément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé à
l’article 433, § 1er, par lettre recommandée.
§ 2. Lorsque la même notification est adressée succes-
sivement selon les procédures prévues respectivement au
paragraphe 1er l’alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ne prévaut
que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi
de la notification établie conformément au paragraphe 1er,
alinéa 1er, 1°.
§ 3. Lorsque la communication de la notification est effec-
tuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date
d’envoi de la notification s’entend de la date de l’accusé de
réception communiqué par le service Technologie de l’infor-
mation et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé
à l’article 433, § 1er. “.
Art. 44. L’article 435 du même Code, remplacé par la loi
du 24 juillet 2008 et modifié par la loi du 27 avril 2016, est
remplacé par ce qui suit:
“Art. 435. § 1er. Lorsque l’acte visé à l’article 433 est passé,
la notification visée à l’article 434 emporte saisie-arrêt entre
les mains du notaire sur les sommes et valeurs qu’il détient
en vertu de l’acte pour le compte ou au profit du redevable et
vaut opposition sur le prix au sens de l’article 1642 du Code
judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir ces
sommes et valeurs conformément aux articles 1639 à 1654
du Code judiciaire.
Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l’acte visé à
l’article 433 est passé, le notaire est tenu, sous réserve de
l’application des articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de
verser entre les mains du receveur visé à l’article 434, au
plus tard le huitième jour ouvrable qui suit la passation de
l’acte, les sommes et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte
pour le compte ou au profit du redevable, à concurrence du
montant des impôts et accessoires qui lui ont été notifiés en
exécution de l’article 434 et dans la mesure où ces impôts
et accessoires constituent une dette certaine et liquide au
sens de l’article 410.
En outre, lorsque les sommes et valeurs ainsi saisies-ar-
rêtées sont inférieures à l’ensemble des sommes dues aux
créanciers inscrits et aux créanciers opposants, en ce compris
le receveur, le notaire doit, sous peine d’être personnellement
responsable de l’excédent, en informer au plus tard le premier
jour ouvrable qui suit la passation de l’acte:
1° le service en charge de la technologie de l’information
et de la communication du Service public fédéral Finances,
par voie électronique;
75
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2° de ontvanger bedoeld in artikel 434 bij een aangete-
kende brief, wanneer de notaris omwille van overmacht of
een technische storing de inlichtingen niet kan verstrekken
overeenkomstig de bepaling onder 1° of wanneer hij het be-
richt bedoeld in artikel 433, § 1, bij aangetekende brief heeft
verzonden.
De datum van de inlichting is, naar gelang het geval, de da-
tum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst belast
met informatie- en communicatietechnologie van de Federale
Overheidsdienst Financiën, of de datum van verzending van
de aangetekende brief.
§ 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvolgens
wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien
respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°, dan zal de
inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde lid,
2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de
verzendingsdatum van de inlichting opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, derde lid, 1°, voorafgaat.
§ 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de over-
schrijving of de inschrijving van de akte, niet aan de Staat
tegengeworpen worden indien de inschrijving van de wettelijke
hypotheek geschiedt binnen acht werkdagen vanaf de datum
van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde lid.
Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts
na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde lid, bepaalde
termijn wordt beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zon-
der uitwerking ten opzichte van de schuldvorderingen inzake
belastingen en bijbehoren, welke ter uitvoering van artikel 434
werden ter kennis gebracht.
§ 4. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoor-
waarden van dit artikel.”.
Art. 45. Artikel 438 van hetzelfde Wetboek wordt
opgeheven.
Art. 46. In artikel 439 van hetzelfde Wetboek, worden de
woorden “artikelen 433 tot 438” vervangen door de woorden
“artikelen 433 tot 437”.
Art. 47. Artikel 440, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd
bij de wet van 18 december 2015, wordt vervangen als volgt:
“Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de banken,
onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op het statuut van
en het toezicht op de kredietinstellingen, evenals de krediet-
gevers en bemiddelaars inzake hypothecair krediet, onder-
worpen aan Boek VII, Titel 4, Hoofdstuk 4 van het Wetboek
van economisch recht, gemachtigd het in artikel 433 bedoelde
bericht te verzenden en zijn zij bevoegd om de in artikel 434
bedoelde kennisgeving te ontvangen.”.
Art. 48. Artikel 441 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij
de wetten van 27 april 2016 en 11 juli 2018, wordt vervangen
als volgt:
2° le receveur visé à l’article 434, par lettre recomman-
dée, lorsque le notaire ne peut, en raison d’un cas de force
majeure ou d’un dysfonctionnement technique, communiquer
l’information conformément au 1° ou lorsqu’il a adressé l’avis
visé à l’article 433, § 1er, par lettre recommandée.
Selon le cas, la date de l’information est celle de la date de
l’accusé de réception communiqué par le service en charge
de la technologie de l’information et de la communication, ou
de la date d’envoi de la lettre recommandée.
§ 2. Lorsqu’une même information est adressée succes-
sivement selon les procédures prévues respectivement au
paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l’information établie confor-
mément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque
sa date d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’information
établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°.
§ 3. Sans préjudice des droits des tiers, la transcription ou
l’inscription de l’acte n’est pas opposable à l’Etat, si l’inscrip-
tion de l’hypothèque légale a lieu dans les huit jours ouvrables
de la date de l’information visée au paragraphe 1er, alinéa 4.
Sont inopérantes au regard des créances d’impôts et
accessoires notifiés en exécution de l’article 434, toutes les
créances non inscrites pour lesquelles saisie ou opposition
n’est pratiquée qu’après l’expiration du délai prévu au para-
graphe 1er, alinéa 3.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques du
présent article.”.
Art. 45. L’article 438 du même Code est abrogé.
Art. 46. Dans l’article 439 du même Code, les mots
“articles 433 à 438” sont remplacés par les mots “articles
433 à 437”.
Art. 47. L’article 440, alinéa 1er, du même Code, rem-
placé par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par la loi du
18 décembre 2015, est remplacé comme suit:
“Moyennant l’accord du redevable, les banques soumises
à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit, ainsi que les prêteurs en crédit hypo-
thécaire et les intermédiaires en crédit hypothécaire soumis au
Livre VII, titre 4, chapitre 4 du Code de droit économique, sont
autorisées à adresser l’avis prévu à l’article 433 et qualifiées
pour recevoir la notification visée à l’article 434.”.
Art. 48. L’article 441 du même Code, modifié par les lois du
27 avril 2016 en 11 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit:
76
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Art. 441. Geen akte die in het buitenland verleden is en
de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een
onroerend goed of een schip tot voorwerp heeft, wordt in
België tot overschrijving of inschrijving in de registers van de
hypothecaire openbaarmaking, wat de onroerende goederen
betreft, of in het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen
betreft, toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een at-
test van de ontvanger bedoeld in artikel 433.
Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of de
houder van het zakelijk recht geen belastingen verschuldigd
is, ofwel dat de wettelijke hypotheek die de verschuldigde
belastingen en bijbehoren waarborgt, ingeschreven is.”.
AFDELING 3. Programmawet (I) van 29 maart 2012
Art. 49. Artikel 157 van de programmawet van 29 maart
2012, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, wordt
vervangen als volgt:
“Art. 157. § 1. De notarissen verzocht om een in artikel
1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest
van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk
voor de betaling van de schulden van de overledene, zijn
erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld
is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door
hem gemaakte contractuele erfstelling, mits die schulden het
onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld
in artikel 158 indien zij daarvan geen bericht geven aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatietech-
nologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, en dit
op elektronische wijze;
2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het bericht
omwille van overmacht of een technische storing niet kan
worden meegedeeld overeenkomstig 1°.
— de ontvangers waaronder de erflater en de rechtver-
krijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het
attest van erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger
van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen,
wanneer de erflater en/of een van zijn rechtverkrijgenden in
het buitenland verblijven;
— de door de Koning aangewezen ambtenaar van de
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie.
In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief
verzonden.
Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is
de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de
waarde van de nalatenschap.
Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrij-
genden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid
beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de
rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte
of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk
kan worden gesteld.
“Art. 441. Aucun acte passé à l’étranger et ayant pour objet
l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un immeuble, ou
d’un bateau, ne sera admis en Belgique, à la transcription
ou à l’inscription dans les registres de la publicité hypothé-
caire en ce qui concerne les immeubles, ou dans le Registre
naval belge, en ce qui concerne les bateaux, s’il n’est pas
accompagné d’un certificat du receveur visé à l’article 433.
Ce certificat doit attester que le propriétaire ou le titulaire du
droit réel n’est pas redevable d’impôts ou que l’hypothèque
légale garantissant les impôts et les accessoires dus a été
inscrite.”.
SECTION 3. Loi-programme (I) du 29 mars 2012
Art. 49. L’article 157 de la loi-programme du 29 mars
2012, modifié par la loi de 13 décembre 2012, est remplacé
par ce qui suit:
“Art. 157. § 1er. Les notaires requis de rédiger l’acte ou
certificat d’hérédité visé à l’article 1240bis du Code civil,
sont personnellement responsables du paiement des dettes
dont la débition est susceptible d’être notifiée conformément
à l’article 158, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et
légataires dont l’identité est mentionnée dans l’acte ou le
certificat, ou les bénéficiaires d’une institution contractuelle
consentie par le de cujus s’ils n’en avisent pas:
1° le service en charge de la technologie de l’information
et de la communication du Service public fédéral Finances,
par voie électronique;
2° les fonctionnaires ci-après, lorsque la communication
de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure ou d’un
dysfonctionnement technique, être effectuée conformément
au 1°:
— les receveurs dont relèvent le de cujus et les ayants
droit dont l’identité est mentionnée dans l’acte ou le certificat
d’hérédité, ainsi que le receveur du service désigné à cette
fin par le Roi lorsque le de cujus et/ou l’un de ses ayants droit
ont leur résidence à l’étranger;
— le fonctionnaire de l’Administration générale de la docu-
mentation patrimoniale, désigné par le Roi.
Dans ce cas, l’avis est adressé par lettre recommandée.
S’agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsa-
bilité visée à l’alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession.
S’agissant de dettes dans le chef d’ayants droit, la respon-
sabilité visée à l’alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui
échoient à l’ayant droit dont l’identité est mentionnée dans
l’acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
77
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
§ 2. Indien de akte of het attest waarvan sprake niet wordt
opgesteld binnen drie maanden te rekenen van de verzending
van het bericht, wordt het als niet bestaande beschouwd.
§ 3. Wanneer hetzelfde bericht achtereenvolgens gegeven
wordt overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°, dan zal
het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid,
2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan de
verzendingsdatum van het bericht opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, eerste lid, 1° voorafgaat.
§ 4. Wanneer het bericht gegeven wordt overeenkomstig
paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de datum van verzen-
ding van het bericht verstaan de datum van de ontvangstmel-
ding die wordt gedaan door de dienst belast met informatie- en
communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst
Financiën.
§ 5. Het bericht vermeldt de identiteit van de erflater, van
zijn erfgenamen of legatarissen alsook van de eventuele
begunstigde van een contractuele erfstelling.
Voor de toepassing van deze bepaling omvat de identiteit:
a) voor natuurlijke personen, de naam, de voornaam
en, in voorkomend geval, het identificatienummer van het
Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatienummer
bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid van de betrok-
kenen, of, bij gebrek aan zulke nummers, hun geboortedatum;
b) voor rechtspersonen, trusts, fiducieën of gelijkaardige
rechtsvormen, de maatschappelijke benaming, de maatschap-
pelijke zetel en, in voorkomend geval, het identificatienummer
bij de Kruispuntbank van Ondernemingen.
§ 6. De Koning bepaalt de praktische toepassingsvoor-
waarden van dit artikel.”.
Art. 50. Artikel 158 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 13 december 2012, wordt vervangen als volgt:
“Art. 158. De ontvanger of dienst bevoegd voor de invorde-
ring van de fiscale schuld kan aan de notaris die het in artikel
157 bedoelde bericht verzonden heeft, vóór het verstrijken van
de twaalfde werkdag volgend op de datum van verzending van
dat bericht, kennisgeven van het bestaan lastens de erflater
of een andere persoon vermeld in het bericht, van een fiscale
schuld bestaande uit belastingen, bijbehoren, verhogingen
en boetes, met opgave voor elk van de schuldenaars van het
bedrag van de hiervoor bedoelde schuld:
1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning
bepaalde procedure;
2° bij een aangetekende brief, wanneer de kennisgeving,
omwille van overmacht of een technische storing, niet kan
worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris
het bericht bedoeld in artikel 157, § 1, heeft meegedeeld bij
aangetekende brief.
Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens
wordt verzonden overeenkomstig de procedures voorzien
§ 2. Si l’acte ou le certificat dont question n’est pas passé
dans les trois mois à compter de l’envoi de l’avis, celui-ci est
considéré comme non-avenu.
§ 3. Lorsqu’un même avis est adressé successivement
selon les procédures visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°
et 2°, l’avis établi conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er,
2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à
la date d’envoi de l’avis établi conformément au paragraphe
1er, alinéa 1er, 1°.
§ 4. Lorsque l’avis est communiqué conformément au para-
graphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de l’avis s’entend de
la date de l’accusé de réception communiqué par le service
en charge de la technologie de l’information et de la commu-
nication du Service public fédéral Finances.
§ 5. L’avis mentionne l’identité du de cujus, de ses héri-
tiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel d’une
institution contractuelle.
Pour l’application de cette disposition, l’identité comprend:
a) pour les personnes physiques, le nom, le prénom et, le
cas échéant, le numéro d’identification du Registre national
ou, à défaut, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour
de la Sécurité sociale des intéressés, ou, à défaut de tels
numéros, leur date de naissance;
b) pour les personnes morales, les trusts, les fiducies et les
constructions juridiques similaires, la dénomination sociale,
le siège social et, le cas échéant, le numéro d’identification
à la Banque-Carrefour des entreprises.
§ 6. Le Roi détermine les conditions d’application pratiques
du présent article.”.
Art. 50. L’article 158 de la même loi, modifié par la loi du
13 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 158. Avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui
suit la date d’envoi de l’avis visé par l’article 157, le receveur
ou service compétent pour le recouvrement de la dette fiscale
peut notifier au notaire ayant envoyé l’avis, l’existence dans le
chef du de cujus ou d’une autre personne mentionnée dans
l’avis, d’une dette fiscale consistant en impôts et accessoires,
accroissements et amendes, ainsi que le montant, dans le
chef de chaque débiteur, de la dette susvisée:
1° par voie électronique, selon une procédure déterminée
par le Roi;
2° par lettre recommandée, lorsque la communication de
la notification ne peut, en raison d’un cas de force majeure
ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée confor-
mément au 1°, ou lorsque le notaire a adressé l’avis visé à
l’article 157, § 1er, par lettre recommandée.
Lorsque la même notification est adressée successivement
selon les procédures prévues respectivement à l’alinéa 1er,
78
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
respectievelijk in het eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht
opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 2°, slechts primeren
wanneer de verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum
van het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid, 1°,
voorafgaat.
Het eerste lid is enkel van toepassing voor zover die fiscale
schuld een zekere en vaststaande schuld uitmaakt.
Wanneer de kennisgeving meegedeeld is overeenkomstig
het eerste lid, 1°, is de datum van de verzending van de ken-
nisgeving de datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld
door de dienst informatie- en communicatietechnologie van
de afzender van het bericht bedoeld in artikel 157, § 1.”.
Art. 51. In artikel 159 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 13 december 2012, worden de woorden “door de schul-
denaar” vervangen door de woorden “door hun schuldenaar”.
Art. 52. In artikel 160 van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden “belastingen en hun
bijbehoren” vervangen door de woorden “ter kennis gebrachte
schulden”;
2° in de inleidende zin van paragraaf 2, worden de woor-
den “of aan een gerechtsmandataris” ingevoegd tussen de
woorden “een begunstigde van een contractuele erfstelling”
en de woorden “, indien deze een attest van erfopvolging of
een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt”;
3° in paragraaf 2, wordt de bepaling onder b) vervangen
als volgt:
“b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de
erfgenaam, de legataris, de begunstigde van een contractuele
erfstelling of de gerechtsmandataris na betaling van de schul-
den ter kennis gebracht op naam van de rechtverkrijgende
en van zijn deel in de schulden ter kennis gebracht op naam
van de erflater, met tegoeden gehouden door de schuldenaar
van deze fondsen.”.
Art. 53. Artikel 161 van dezelfde wet, wordt vervangen
als volgt:
“Het in artikel 157 bedoelde bericht wordt opgemaakt over-
eenkomstig het door de Koning bepaalde model.”.
AFDELING 4. Burgerlijk Wetboek
Art. 54. In artikel 1240bis, ingevoegd bij de wet van 6 mei
2009 en gewijzigd bij de wetten van 13 december 2012 en
11 juli 2018, van het Burgerlijk Wetboek worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, geeft
een schuldenaar te goeder trouw bevrijdend tegoeden van een
overledene vrij, indien dit gebeurt, ofwel aan of op instructie
1° et 2°, la notification établie conformément à l’alinéa 1er,
2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure
à la date d’envoi de la notification établie conformément à
l’alinéa 1er, 1°.
L’alinéa 1er s’applique seulement dans la mesure où cette
dette fiscale constitue une dette certaine et liquide.
Lorsque la communication de la notification est effectuée
conformément à l’alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de la notification
s’entend de la date de l’accusé de réception communiqué par
le service Technologie de l’information et de la communication
de l’expéditeur de l’avis visé à l’article 157, § 1er.”.
Art. 51. Dans l’article 159 de la même loi, modifié par la loi
du 13 décembre 2012, les mots “du débiteur” sont remplacés
par les mots “de leur débiteur”.
Art. 52. Dans l’article 160 de la même loi, modifié par la
loi du 13 décembre 2012, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots “impôts et accessoires
notifiés” sont remplacés par les mots “dettes notifiées”;
2° dans la phrase liminaire du paragraphe 2, les mots “ou
à un mandataire judiciaire” sont insérés entre les mots “au
bénéficiaire d’une institution contractuelle” et les mots “qui
présente un certificat ou une expédition de l’acte d’hérédité”;
3° dans le paragraphe 2, le b) est remplacé par ce qui suit:
“b) que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet
héritier, légataire, bénéficiaire d’une institution contractuelle
ou mandataire judiciaire, après paiement des dettes notifiées
au nom de l’ayant droit et de sa part dans les dettes notifiées
au nom du de cujus, au moyen des fonds détenus auprès du
débiteur de ces fonds.”.
Art. 53. L’article 161 de la même loi, est remplacé par ce
qui suit:
“L’avis visé à l’article 157 est établi conformément au
modèle arrêté par le Roi.”.
SECTION 4. Code Civil
Art. 54. A l’article 1240bis du Code Civil, inséré par la loi
du 6 mai 2009 et modifié par les lois des 13 décembre 2012
et 11 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. Sauf disposition légale contraire, un débiteur de
bonne foi libère les avoirs d’un défunt de manière libératoire
à condition d’avoir été fait, soit aux ou sur instruction des
79
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van de personen aangewezen in een attest of een akte van
erfopvolging, ofwel aan of op instructie van een gerechtsman-
dataris, na voorlegging:
— van een attest van erfopvolging opgesteld door het
bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie, of
— van een attest of akte van erfopvolging opgesteld door
een notaris.”;
2° in paragraaf 3 worden de woorden “een erfovereen-
komst, “ingevoegd tussen de woorden “, in geval van bestaan
van onbekwame rechtsopvolgers of indien er sprake is van
een uiterste wilsbeschikking,” en de woorden “een contrac-
tuele erfstelling of een huwelijkscontract in hoofde van de
overledene”;
3° in paragraaf 4 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
“In voorkomend geval vermeldt de akte of het attest het
identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienum-
mer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het iden-
tificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen.”.
AFDELING 5. Inwerkingtreding
Art. 55. De artikelen 93quater van het Wetboek van de
belasting over de toegevoegde waarde, 434 van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992 en 158 van de programma-
wet (I) van 29 maart 2012, zoals vervangen door de bepalingen
van huidige wet, treden in werking op 1 september 2019.
De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepalen
voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK 3
Wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting
van een dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD
Financiën met het oog op het toepasbaar maken van
sommige bepalingen van het wetboek van de minnelijke
en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale
schuldvorderingen
Art. 56.- In artikel 9 van de wet van 21 februari 2003 tot
oprichting van een dienst voor alimentatievorderingen bij de
Financiën, gewijzigd door de wet van 26 maart 2018, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 2, worden de woorden “geeft bij aangete-
kende brief kennis van zijn beslissing aan de onderhoudsge-
rechtigde” vervangen door de woorden “geeft bij gewone brief
kennis van zijn beslissing aan de onderhoudsgerechtigde.
De kennisgeving heeft uitwerking vanaf de derde werkdag
die volgt op de datum van haar verzending. Indien de onder-
houdsgerechtigde een persoonlijk e-mailadres heeft meege-
deeld, verzendt de Dienst alimentatievorderingen eveneens
een kopie van de beslissing naar dit adres; deze verzending
vervangt echter geenszins de kennisgeving van de beslissing
bij gewone brief.”;
personnes désignées par un certificat ou un acte d’hérédité,
soit à ou sur instruction d’un mandataire judiciaire, après
présentation:
— d’un certificat d’hérédité rédigé par le bureau com-
pétent de l’Administration générale de la documentation
patrimoniale, ou
— d’un certificat ou d’un acte d’hérédité rédigé par un
notaire.”;
2° dans le paragraphe 3, les mots “d’un pacte successoral,
“sont insérés entre les mots “, en cas de présence de suc-
cesseurs incapables ou s’il est question de dispositions de
dernière volonté,” et les mots “d’une institution contractuelle
ou d’un contrat de mariage dans le chef du défunt,”;
3° dans le paragraphe 4, l’alinéa 2 est remplacé par ce
qui suit:
“Le cas échéant, il mentionne le numéro d’identification
du Registre national, le numéro d’identification à la Banque-
Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d’identification
à la Banque-Carrefour des entreprises.”.
SECTION 5. Entrée en vigueur
Art. 55. Les articles 93quater du Code de la taxe sur la
valeur ajoutée, 434 du Code des impôts sur les revenus 1992
et 158 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, tels que
remplacés par les dispositions de la présente loi, entrent en
vigueur le 1er septembre 2019.
Le Roi peut fixer une date d’entrée en vigueur antérieure
à celle mentionnée à l’alinéa 1er.
CHAPITRE 3
Modification de la loi du 21 février 2003 créant un ser-
vice des créances alimentaires au sein du SPF Finances
en vue de rendre applicables certaines dispositions du
code du recouvrement amiable et forcé des créances
fiscales et non fiscales
Art. 56.- A l’article 9 de la loi du 21 février 2003 créant un
Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances,
modifié par la loi du 26 mars 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
a) au paragraphe 2, les mots “notifie sa décision au créan-
cier d’aliments par lettre recommandée.” sont remplacés par
les mots “notifie sa décision au créancier d’aliments par lettre
ordinaire. La notification a effet à compter du troisième jour
ouvrable qui suit la date de son envoi. Lorsque le créancier
d’aliments a communiqué une adresse e-mail personnelle, le
Service des créances alimentaires lui transmet également à
cette adresse une copie de la décision; cet envoi ne remplace
toutefois pas la notification de la décision par lettre ordinaire.”;
80
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
b) in paragraaf 3, worden de woorden “vanaf de datum
van de kennisgeving” vervangen door de woorden “vanaf de
uitwerkingsdatum van de kennisgeving”.
Art. 57.- In artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd door de
wetten van 26 maart 2018 en van …, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “geeft de
Dienst voor alimentatievorderingen de onderhoudsplichtige
bij aangetekende brief, ervan kennis” vervangen door de
woorden “geeft de Dienst voor alimentatievorderingen de
onderhoudsplichtige bij gewone brief ervan kennis”;
b) paragraaf 1, derde lid wordt vervangen als volgt:
“De kennisgeving heeft uitwerking vanaf de derde werkdag
die volgt op de datum van haar verzending.”;
c) paragraaf 2 wordt opgeheven.
Art. 58.- In artikel 13 van dezelfde wet, vervangen door
de wet van …, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “Ten
vroegste één maand na de kennisgeving bedoeld in artikel
10, worden de verschuldigde bedragen “vervangen door de
woorden “Bij niet-betaling van de verschuldigde bedragen,
worden deze”;
b) paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
“§ 4. De tenuitvoerlegging van het innings- en invorderings-
register kan slechts worden gestuit door een rechtsvordering
bij de beslagrechter.”;
c) paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art. 59.- Artikel 14 van dezelfde wet, vervangen door de
wet van…, wordt vervangen als volgt:
“Art. 14. Onder voorbehoud van de bepalingen van deze
wet, zijn de artikelen 1 tot 7, 13 tot 22, 23, § 5, 24, 25, 27 tot
50, 53 tot 61, 72 tot 89, en 92 tot 96 van het Wetboek van
de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-
fiscale schuldvorderingen van toepassing op de invordering
van de verschuldigde bedragen.”.
Art. 60.- In artikel 15, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd
door de wetten van 11 juli 2005 en 26 maart 2018, worden de
woorden “bij aangetekende brief” vervangen door de woorden
“bij gewone brief”.
Art. 61.- In artikel 18, eerste lid, van dezelfde wet, ge-
wijzigd door de wetten van 12 mei 2014, van 1 juli 2016 en
van 26 maart 2018, worden de woorden “overeenkomstig de
bepalingen” vervangen door de woorden “overeenkomstig
het artikel 3”.
Art. 62.- In hoofdstuk IV van dezelfde wet, wordt het
opschrift van de afdeling II/1, ingevoegd door de wet van
26 maart 2018, opgeheven.
b) au paragraphe 3, les mots “de la date de l’envoi de la
notification” sont remplacés par les mots “de la date d’effet
de la notification”.
Art. 57.- A l’article 10 de la même loi, modifié par les lois
du 26 mars 2018 et du …, les modifications suivantes sont
apportées:
a) au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “le Service des
créances alimentaires envoie au débiteur d’aliments une lettre
recommandée l’informant” sont remplacés par les mots “le
Service des créances alimentaires notifie au débiteur d’ali-
ments par lettre ordinaire”;
b) le paragraphe 1er, alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
“La notification a effet à compter du troisième jour ouvrable
qui suit la date de son envoi.”;
c) le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 58.- A l’article 13 de la même loi, remplacé par la loi
du …, les modifications suivantes sont apportées:
a) au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “Au plus tôt un
mois après la notification visée à l’article 10, les montants
dus” sont remplacés par les mots “En cas de non-paiement
des montants dus, ceux-ci”;
b) le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit:
“§ 4. L’exécution du registre de perception et recouvrement
ne peut être interrompue que par une action en justice auprès
du juge des saisies.”;
c) le paragraphe 5 est abrogé.
Art. 59.- L’article 14 de la même loi, remplacé par la loi du
…, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 14. Sous réserve des dispositions de la présente loi,
les articles 1 à 7, 13 à 22, 23, § 5, 24, 25, 27 à 50, 53 à 61, 72
à 89, et 92 à 96 du Code du recouvrement amiable et forcé
des créances fiscales et non fiscales sont applicables au
recouvrement des montants dus.”.
Art. 60.- A l’article 15, alinéa 1er, de la même loi, modifié
par les lois du 11 juillet 2005 et 26 mars 2018, les mots “par
lettre recommandée” sont remplacés par les mots “par lettre
ordinaire”.
Art. 61.- A l’article 18, alinéa 1er, de la même loi, modifié par
les lois du 12 mai 2014, du 1er juillet 2016 et du 26 mars 2018,
les mots “conformément aux dispositions” sont remplacés par
les mots “conformément à l’article 3”.
Art. 62.- Au chapitre IV de la même loi, l’intitulé de la
section II/1, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé.
81
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 63.- Artikel 20 van dezelfde wet, vervangen door de
wet van 26 maart 2018 en gewijzigd door de wet van …, wordt
opgeheven.
Art. 64.- Artikel 21 van dezelfde wet, vervangen door de
wet van 26 maart 2018 en gewijzigd door de wet van …, wordt
opgeheven.
Art. 65- Artikel 21/1 van dezelfde wet, ingevoegd door de
wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven.
Art. 66.- Artikel 21/2 van dezelfde wet, ingevoegd door de
wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven.
Art. 67.- In hoofdstuk IV van dezelfde wet, wordt het op-
schrift van de afdeling III, vervangen door de wet van 26 maart
2018, opgeheven.
Art. 68.- Artikel 22 van dezelfde wet, vervangen door de
wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven.
Art. 69.- Artikel 22/1 van dezelfde wet, ingevoegd door de
wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven.
Art. 70.- Artikel 22/2 van dezelfde wet, ingevoegd door de
wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven.
Art. 71.- In hoofdstuk IV van dezelfde wet, wordt het op-
schrift van de afdeling IV, ingevoegd door de wet van 26 maart
2018, opgeheven.
Art. 72.- Artikel 22/3 van dezelfde wet, ingevoegd door de
wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven.
Art. 73.- In hoofdstuk IV van dezelfde wet, wordt het op-
schrift van de afdeling V, ingevoegd door de wet van 26 maart
2018, opgeheven.
Art. 74.- Artikel 22/4 van dezelfde wet, ingevoegd door de
wet van 26 maart 2018, wordt opgeheven.
Art. 75.- In artikel 26 van dezelfde wet, vervangen door
de wet van 26 maart 2018 en gewijzigd door de wet van …,
worden de woorden “of andere aan de Staat verschuldigde
bedragen” ingevoegd tussen de woorden “toegekende voor-
schotten” en de woorden “definitief oninvorderbaar zijn”.
Art. 76.- In artikel 27 van dezelfde wet, gewijzigd door de
wetten van 26 maart 2018 en van …, worden de woorden “bij
aangetekende brief” elke keer vervangen door de woorden
“bij gewone brief”.
Art. 77.- Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de in te
vorderen bedragen opgenomen in een innings- en invorde-
ringsregister uitvoerbaar verklaard voor de datum van zijn
inwerkingtreding.
Art. 78.- Dit hoofdstuk treedt in werking op de datum
waarop, voor wat betreft de niet-fiscale schuldvorderingen,
de wet van … tot invoering van het Wetboek van de min-
nelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale
schuldvorderingen in werking treedt.
Art. 63.- L’article 20 de la même loi, remplacé par la loi du
26 mars 2018 et modifié par la loi du …, est abrogé.
Art. 64.- L’article 21 de la même loi, remplacé par la loi du
26 mars 2018 et modifié par la loi du …, est abrogé.
Art. 65.- L’article 21/1 de la même loi, inséré par la loi du
26 mars 2018, est abrogé.
Art. 66.- L’article 21/2 de la même loi, inséré par la loi du
26 mars 2018, est abrogé.
Art. 67.- Au chapitre IV de la même loi, l’intitulé de la
section III, remplacé par la loi du 26 mars 2018, est abrogé.
Art. 68.- L’article 22 de la même loi, remplacé par la loi du
26 mars 2018, est abrogé.
Art. 69.- L’article 22/1 de la même loi, inséré par la loi du
26 mars 2018, est abrogé.
Art. 70.- L’article 22/2 de la même loi, inséré par la loi du
26 mars 2018, est abrogé.
Art. 71.- Au chapitre IV de la même loi, l’intitulé de la sec-
tion IV, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé.
Art. 72.- L’article 22/3 de la même loi, inséré par la loi du
26 mars 2018, est abrogé.
Art. 73.- Au chapitre IV de la même loi, l’intitulé de la sec-
tion V, inséré par la loi du 26 mars 2018, est abrogé.
Art. 74.- L’article 22/4 de la même loi, inséré par la loi du
26 mars 2018, est abrogé.
Art. 75.- A l’article 26 de la même loi, remplacé par la
loi du 26 mars 2018 et modifié par la loi du …, les mots “ou
d’autres sommes dues à l’Etat” sont insérés entre les mots
“des avances accordées” et les mots “sont définitivement
irrécouvrables”.
Art. 76.- A l’article 27 de la même loi, modifié par les lois
du 26 mars 2018 et du …, les mots “par lettre recommandée”
sont chaque fois remplacés par les mots “par lettre ordinaire”.
Art. 77.- Le présent chapitre n’est pas applicable aux
sommes à recouvrer reprises dans un registre de perception
et recouvrement rendu exécutoire avant la date de son entrée
en vigueur.
Art. 78.- Le présent chapitre entre en vigueur à la date à
laquelle entre en vigueur, en ce qui concerne les créances
non fiscales, la loi du … introduisant le Code du recouvrement
amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales.
82
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepalen
voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK 4
Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van
het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 79. In artikel 418 van het Wetboek van de inkomsten-
belastingen 1992, vervangen door de wet van 25 december
2017, wordt het eerste lid aangevuld met een zin luidende:
“Als de betaling van belastingen, voorheffingen, vooraf-
betalingen, nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen
of administratieve boetes plaatsvindt na de ingebrekestel-
ling gericht tot de administratie, is de moratoriuminterest te
rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de
werkelijke betaling.”.
Art. 80. In artikel 86, C, van de wet van 25 december 2017
tot hervorming van de vennootschapsbelasting, wordt het
elfde lid, vervangen als volgt:
“De artikelen 77, 79 en 80 zijn van toepassing vanaf
1 januari 2018. De artikelen 79 en 80, in de mate dat ze de
begindatum van de moratoriuminteresten wijzigen bedoeld
in de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 6°, van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn toepasselijk
op de inkohieringen uitgevoerd vanaf 1 januari 2018. In geval
van opeenvolgende aanslagen, wordt de datum van inkohier-
ing van de oorspronkelijke aanslag in beschouwing genomen
voor de toepassing van deze bepalingen. Artikel 79, in de mate
dat het de begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten
voor de toepassing van artikel 418, eerste lid, van hetzelfde
Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing en de
roerende voorheffing verbonden aan de aanslagjaren 2018
en volgende.
Artikel 80, in de mate dat het de begindatum wijzigt van
de moratoriuminteresten voor de toepassing van artikel 419,
tweede lid, van hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de
bedrijfsvoorheffing, de roerende voorheffing en de voorafbe-
talingen verbonden aan de aanslagjaren 2018 en volgende.”.
Art. 81. De artikelen 79 en 80 zijn van kracht vanaf
1 januari 2018.
Le Roi peut fixer une date d’entrée en vigueur antérieure
à celle mentionnée à l’ alinéa 1er.
CHAPITRE 4
Dispositions réparatrices des articles 418 et 419 du
Code des impôts sur les revenus 1992
Art. 79. Dans l’article 418 du Code des impôts sur les
revenus 1992, remplacé par la loi du 25 décembre 2017,
l’alinéa 1er est complété par une phrase rédigée comme suit:
“Lorsque le paiement des impôts, précomptes, versements
anticipés, intérêts de retard, accroissements d’impôts ou
amendes administratives intervient postérieurement à la mise
en demeure adressée à l’administration, l’intérêt moratoire
est alloué à compter du 1er jour du mois qui suit le paiement
effectif.”.
Art. 80. Dans l’article 86, C, de la loi du 25 décembre
2017 portant réforme de l’impôt des sociétés, l’alinéa 11 est
remplacé par ce qui suit:
“Les articles 77, 79 et 80 sont applicables à partir du 1er
janvier 2018. Les articles 79 et 80, en tant qu’ils modifient
la date de départ des intérêts moratoires visés aux articles
418, alinéa 1er, et 419, alinéa 1er, 6°, du Code des impôts
sur les revenus 1992, sont applicables aux enrôlements
effectués à partir du 1er janvier 2018. En cas de cotisations
subséquentes, la date d’enrôlement de la cotisation primitive
est prise en considération pour l’application des présentes
dispositions. L’article 79, en tant qu’il modifie la date de
départ des intérêts moratoires pour l’application de l’article
418, alinéa 1er, du même Code, est applicable aux précompte
professionnel et précompte mobilier rattachés aux exercices
d’imposition 2018 et suivants.
L’article 80, en tant qu’il modifie la date de départ des
intérêts moratoires pour l’application de l’article 419, alinéa 2,
du même Code, est applicable aux précompte professionnel,
précompte mobilier et versements anticipés rattachés aux
exercices d’imposition 2018 et suivants.”.
Art. 81. Les articles 79 et 80 produisent leurs effets à
compter du 1er janvier 2018.
83
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
DEEL IV – FINANCIELE BEPALINGEN
ENIGE TITEL
Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een
administratieve dienst en oprichting van een begrotings-
fonds betreffende de verrichtingen aangaande monetisa-
tie en demonetisatie van de Koninklijke Munt van België
Afdeling 1. Omvorming van de Koninklijke Munt van
België tot een administratieve dienst
Onderafdeling 1. Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017
houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en hou-
dende maatregelen inzake concessieovereenkomsten
Art. 82. In de wet van 31 juli 2017 houdende diverse
financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen
inzake concessieovereenkomsten, wordt het opschrift van
Afdeling 3 van Hoofdstuk 1 van Titel II vervangen als volgt:
“Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een ad-
ministratieve dienst”.
Art. 83. Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen als
volgt:
“De administratieve dienst met boekhoudkundige autono-
mie “Koninklijke Munt van België” wordt omgevormd tot een
administratieve dienst van de Algemene Administratie van
de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Deze administratieve dienst wordt “Koninklijke Munt van
België” genoemd en wordt hierna als “Munt” aangeduid.”.
Art. 84. In artikel 8 van dezelfde wet wordt het tweede lid
opgeheven.
Art. 85. Artikel 9 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 86. In artikel 10 van dezelfde wet, worden de punten
3° en 4° opgeheven.
Art. 87. Artikel 12 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Onderafdeling 2. De ambten
De Muntmeester
Art. 88. De Muntmeester staat in voor het dagelijks beheer
van de Munt.
Art. 89. Hij organiseert, in het belang van de dienst, de
uitgifte van circulatiestukken en verzamelaarsmunten evenals
de aanverwante werkzaamheden.
Hij is belast met de bewaring van de monetaire instru-
menten nodig voor de uitgiften die nog niet uit omloop zijn
genomen.
Hij houdt de inventaris bij van het muntgereedschap.
PARTIE IV – DISPOSITIONS FINANCIERES
TITRE UNIQUE
Transformation de la Monnaie royale de Belgique en
service administratif et création d’un fonds budgétaire
relatif aux opérations de monétisation et de démonéti-
sation de la Monnaie royale de Belgique
Section 1ère. Transformation de la Monnaie royale de
Belgique en service administratif
Sous-section 1ère. Modifications de la loi du 31 juillet 2017
portant des dispositions financières et fiscales diverses et
portant des mesures en matière de contrats de concession
Art. 82. Dans la loi du 31 juillet 2017 portant des disposi-
tions financières et fiscales diverses et portant des mesures
en matière de contrats de concession, l’intitulé de la Section
3 du Chapitre 1er du Titre II est remplacé par ce qui suit:
“Transformation de la Monnaie royale de Belgique en service
administratif”.
Art. 83. L’article 7 de la même loi est remplacé par ce
qui suit:
“Le service administratif à comptabilité autonome “Monnaie
royale de Belgique” est transformé en service administratif,
intégré au sein de l’Administration générale de la Trésorerie
du Service public fédéral Finances.
Ce service administratif est dénommé “Monnaie royale de
Belgique” et est appelé ci-après “Monnaie”.”.
Art. 84. Dans l’article 8 de la même loi, l’alinéa 2 est
abrogé.
Art. 85. L’article 9 de la même loi est abrogé.
Art. 86. Dans l’article 10 de la même loi, les points 3° et
4° sont abrogés.
Art. 87. L’article 12 de la même loi est abrogé.
Sous-section 2. Les fonctions
Le Commissaire des Monnaies
Art. 88. Le Commissaire des Monnaies est chargé de la
gestion journalière de la Monnaie.
Art. 89. Il organise, dans l’intérêt du service, l’émission
des pièces de circulation et de collection, ainsi que les travaux
apparentés.
Il est chargé de la garde des instruments monétaires qui
sont nécessaires aux émissions qui ne sont pas encore reti-
rées de la circulation.
Il tient l’inventaire des instruments de frappe
84
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Hij ontvangt en bewaart de uit omloop gehaalde en bij
de Munt in bewaring gegeven munten, ziet ze na, en neemt
alle maatregelen om de bewaring of de vernietiging ervan te
verzekeren, indien zij nog wettelijk gangbaar zijn.
Hij houdt de opgaven bij van de geslagen, uitgegeven of
uit omloop gehaalde stukken.
Hij organiseert de beveiliging van de ruimten waarin de
munten waarover hij het toezicht heeft, worden opgeslagen.
Hij kan het toezicht over deze munten delegeren aan
derden.
Minstens op het einde van elk kwartaal ziet hij de boekhou-
ding na (documenten voor de registratie van de bewegingen
tijdens de periode) en vergewist zich van de conformiteit van
de verrichtingen met de boekhoudkundige documenten.
Hij stelt een jaarlijks activiteitenverslag op en zorgt voor
de publicatie ervan na goedkeuring door de minister van
Financiën.
Art. 90. De muntmeester is inzonderheid bevoegd om:
1° de geslagen munten en in het bijzonder het gehalte,
het gewicht en de afmetingen ervan, overeenkomstig de
wet te keuren en ze volgens de onderrichtingen van de
administrateur-generaal van de Algemene Administratie van
de Thesaurie in omloop te laten brengen;
2° te beslissen over de aangelegenheden in verband met
de wettigheid van de patrijzen, de matrijzen, het stempelge-
reedschap, de stempel-handtekeningen, de muntstempels en
de randschriftblokjes die voor de fabricage nodig zijn;
3° te beslissen over de vragen betreffende de valse of
geschonden munten; zijn beslissingen worden genomen
volgens de processen-verbaal die door de inspecteur van
het essaai worden opgesteld;
4° aan de handelskeurmeesters, in de zin van de artikelen 3
en 3bis van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg
van werken uit edele metalen, de akte van bekwaamheid uit
te reiken die voor hun functie is vereist;
5° uitspraak te doen over de betwistingen betreffende de
toelaatbaarheid van de werken, staven en materialen uit edele
metalen, het keuren en het merken van de stempel van de
staat of van de keurmeester;
6° te beslissen over de vraagstukken betreffende het ge-
halte en het merk van de staven en werken uit edele metalen;
7° de stempel-handtekeningen van de fabrikanten van
werken uit edele metalen goed te keuren.
De inspecteur van het essaai
Art. 91. De inspecteur van het essaai zorgt voor de goede
uitvoering van de werkzaamheden van het laboratorium,
Il reçoit et a la garde des pièces retirées de la circulation et
déposées à la Monnaie, les vérifie et prend toutes les mesures
pour assurer leur entreposage ou leur destruction si elles ont
encore cours légal.
Il tient les relevés des espèces frappées, émises ou retirées
de la circulation.
Il organise la sécurité des lieux où les pièces dont il a la
garde, sont entreposées.
Il peut déléguer la garde de ces pièces à des tiers.
Il vérifie, à la fin de chaque trimestre, au moins, les docu-
ments comptables (documents permettant d’enregistrer les
mouvements intervenus pendant la période) et s’assure de
la conformité des opérations avec les écritures comptables.
Il établit un rapport d’activités annuel et en assure la
publication après approbation par le Ministre des Finances.
Art. 90. Le Commissaire des Monnaies a comme attribu-
tions spéciales:
1° de vérifier la conformité à la loi des monnaies frappées,
et en particulier d’en vérifier le titre, le poids et les dimensions
et d’en permettre la mise en circulation suivant les instructions
de l’Administrateur général de l’Administration générale de
la Trésorerie;
2° de décider sur les questions de la légalité des poinçons,
des matrices, des instruments de frappe, des poinçons-signa-
tures, des coins et des coussinets nécessaires à la fabrication;
3° de décider sur les questions relatives aux monnaies
fausses ou altérées; ses décisions sont rendues sur base des
procès-verbaux dressés par l’inspecteur des essais;
4° de délivrer aux essayeurs du commerce, au sens des
articles 3 et 3bis de la loi 11 août 1987 relative à la garantie
des ouvrages en métaux précieux, les certificats de capacité
requis pour leur fonction;
5° de statuer sur les contestations relatives à l’admissi-
bilité des ouvrages, des lingots et des matières en métaux
précieux, à la vérification et à la marque du poinçon de l’État
ou de l’essayeur;
6° de décider sur les questions relatives au titre et à la
marque des lingots et des ouvrages en métaux précieux;
7° d’approuver les poinçons-signatures des fabricants
d’ouvrages en métaux précieux.
L’inspecteur des essais
Art. 91. L’inspecteur des essais veille à la bonne exécution
des travaux du laboratoire, en application de la loi 17 juillet
85
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
in toepassing van de wet van 17 juli 2013 betreffende de
bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de
kwaliteit van de geldomloop, en van het waarborgkantoor,
in toepassing van de wet van 11 augustus 1987 houdende
waarborg van werken uit edele metalen.
Hij houdt toezicht op en controleert, indien nodig, de ver-
richtingen voor de verificatie van het gehalte van de materi-
alen en van de speciën. Hij stelt het proces-verbaal op van
de verklaringen van de keurders en overhandigt dit, met zijn
eventuele opmerkingen, aan de Muntmeester.
Art. 92. § 1. Hij is verantwoordelijk voor de controle op de
vervaardigde producten; daartoe gaat hij onder meer na dat
de opgelegde afmetingen in acht werden genomen en dat de
muntstempel en de gravure van goede kwaliteit zijn.
Hij keurt de vervaardigde producten goed of weigert ze,
na overleg met de muntmeester.
Hij laat de producten met gebreken vernietigen en organi-
seert de controle op deze vernietiging.
§ 2. In het bijzijn van de muntmeester zorgt hij voor de
vernietiging van de gebruikte matrijzen en exemplaren van de
matrijzen, keurstempels en randschriftblokjes van de muntty-
pes en medailles, met uitzondering van de aan de Koninklijke
Bibliotheek van België overgedragen exemplaren.
Art. 93. In overleg met de Muntmeester neemt de inspec-
teur van het essaai alle natuur- en scheikundige proeven die
voor de activiteiten van het waarborgkantoor nodig zijn.
Hij controleert de conformiteit van de nationale zijde van de
muntstukken met de bepalingen van de Europese regelgeving
over de denominaties en technische specificaties van voor
circulatie bestemde euromuntstukken.
Art. 94. De inspecteur van het essaai of zijn plaatsver-
vanger heeft zitting in de examencommissie die door SELOR
(Directie-generaal Rekrutering en Ontwikkeling - FOD Beleid
en Ondersteuning) wordt samengesteld wanneer toelatings-
examens voor de functie van keurmeester van de munten
worden georganiseerd.
Onder het toezicht van de Muntmeester orga-
niseer t hij de bek waamheidsexamens voor de
kandidaten-handelskeurmeesters.
Indien de kandidaat evenwel niet tot dezelfde taalrol be-
hoort als de inspecteur van het essaai, wordt een beroep
gedaan op een plaatsvervanger van zijn dienst om te zetelen
in de examencommissie voor het examen van keurmeester
van de munten of voor de organisatie van de bekwaamheids-
examens voor de handelskeurmeesters.
Art. 95. Hij is verantwoordelijk voor de bewaking, de be-
waring en voor het gebruik van de metalen die de klanten van
het waarborgkantoor hem overhandigen. Hij houdt eveneens
het waarborgregister bij zoals voorgeschreven bij artikel 15,
§2, van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg
van werken uit edele metalen.
2013 relative à la protection contre le faux monnayage, et au
maintien de la qualité de la circulation fiduciaire, et du bureau
de la garantie, en application de la loi 11 août 1987 relative à
la garantie des ouvrages en métaux précieux.
Il surveille et contrôle, s’il y a lieu, les opérations pour la
vérification du titre des matières et des espèces. Il dresse le
procès-verbal des déclarations des essayeurs et le remet,
avec ses observations éventuelles, au Commissaire des
Monnaies.
Art. 92. § 1er. Il a la responsabilité du contrôle des produits
fabriqués; à cette fin, il vérifie notamment si les dimensions
imposées ont été respectées et si la frappe et la gravure sont
de qualité.
Il agrée ou refuse les produits fabriqués, après consultation
du Commissaire des Monnaies.
Il fait détruire les produits défectueux et organise le contrôle
sur cette destruction.
§ 2. Il s’assure en présence du Commissaire des Monnaies
de la destruction des matrices de service et des exemplaires
des matrices, poinçons et coussinets des types monétaires
et médailles, à l’exception des exemplaires transférés à la
Bibliothèque royale de Belgique.
Art. 93. L’inspecteur des essais procède, d’accord avec le
Commissaire des Monnaies, à tous les essais physiques et
chimiques nécessités par l’activité du bureau de la garantie.
Il vérifie la conformité de la face nationale des pièces, aux
dispositions de la réglementation européenne sur les valeurs
unitaires et les spécifications techniques des pièces libellées
en euros destinées à la circulation.
Art. 94. L’inspecteur des essais ou son remplaçant fait
partie du jury constitué par le SELOR (Direction générale
Recrutement et Développement – SPF Stratégie et Appui),
lors de l’organisation d’examens pour l’admission à la fonction
d’essayeur des monnaies.
Il organise, sous le contrôle du Commissaire des Monnaies,
les examens de capacité des candidats aux fonctions d’es-
sayeur du commerce.
Toutefois, dans le cas où le candidat ne serait pas de même
appartenance linguistique que l’inspecteur des essais, il est
fait appel à un remplaçant de son service pour faire partie
du jury d’examen d’essayeur des monnaies, ou pour l’orga-
nisation des examens de capacité d’essayeur du commerce.
Art. 95. Il est responsable de la garde, de la conservation et
de l’usage des métaux que lui remettent les clients du bureau
de la garantie. Il tient également le registre de la garantie
prévu par l’article 15, § 2, de la loi du 11 août 1987 relative à
la garantie des ouvrages en métaux précieux.
86
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Afdeling 2. Oprichting van een begrotingsfonds
betreffende verrichtingen aangaande monetisatie en
demonetisatie van de Koninklijke Munt van België van
de Algemene Administratie van de Thesaurie van de
Federale Overheidsdienst Financiën en wijziging van de
organieke wet van 27 december 1990 houdende oprich-
ting van begrotingsfondsen
Onderafdeling 1. Oprichting van het begrotingsfonds
betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en
demonetisatie van de Koninklijke Munt van België
Art. 96. In toepassing van artikel 62, § 1, van de wet van
22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van
de comptabiliteit van de federale staat, wordt bij de Federale
Overheidsdienst Financiën een begrotingsfonds opgericht
betreffende de verrichtingen aangaande monetisatie en
demonetisatie van de “Koninklijke Munt van België” van de
Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale
Overheidsdienst Financiën, genaamd “Begrotingsfonds
betreffende monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt
van België”.
Art. 97. Het begrotingsfonds betreffende de monetaire ver-
richtingen van de Koninklijke Munt van België beschikt over:
1° de storting van het op 1 januari 2019 beschikbare saldo
van de postrekening van de Koninklijke Munt van België die
gebruikt werd voor de uitgaven in verband met verrichtingen
aangaande demonetisatie;
2° de stortingen van de Nationale Bank van België voor
de verrichtingen aangaande monetisatie.
Art. 98. De ontvangsten van het Begrotingsfonds betref-
fende de monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt
van België worden gebruikt ter financiering van de uitgaven
in verband met de activiteiten aangaande demonetisatie van
de Koninklijke Munt van België vanaf 1 januari 2019.
Onderafdeling 2. Wijziging van de organieke wet
van 27 december 1990 houdende oprichting van
begrotingsfondsen
Art. 99. Rubriek 18 van de tabel bijgevoegd aan de orga-
nieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van
begrotingsfondsen, laatst gewijzigd door de programmawet
(I) van 26 december 2015, wordt als volgt aangevuld:
“18-5 Begrotingsfonds betreffende de monetaire verrich-
tingen van de Koninklijke Munt van België
Aard van de toegewezen ontvangsten:
1° de storting van het beschikbare saldo van de postre-
kening van de Koninklijke Munt van België die gebruikt werd
voor de uitgaven in verband met verrichtingen aangaande
demonetisatie;
2° de stortingen die de Koninklijke Munt van België ont-
vangt van de Nationale Bank van België voor de verrichtingen
aangaande monetisatie.
Section 2. Création d’un fonds budgétaire relatif aux
opérations de monétisation et de démonétisation de la
Monnaie royale de Belgique de l’Administration générale
de la Trésorerie du Service public fédéral Finances et
modification de la loi organique du 27 décembre 1990
créant des fonds budgétaires
Sous-section 1ère Création du fonds budgétaire relatif
aux opérations de monétisation et de démonétisation de la
Monnaie royale de Belgique
Art. 96. En application de l’article 62, § 1er, de la loi du
22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comp-
tabilité de l’État fédéral, il est créé auprès du Service public
fédéral Finances un fonds budgétaire relatif aux opérations
de monétisation et de démonétisation de la “Monnaie royale
de Belgique”, de l’Administration générale de la Trésorerie du
Service public fédéral Finances, intitulé “Fonds budgétaire
relatif aux opérations monétaires de la Monnaie royale de
Belgique”.
Art. 97. Le Fonds budgétaire relatif aux opérations moné-
taires de la Monnaie royale de Belgique dispose:
1° du versement du solde disponible au 1er janvier 2019 du
compte courant postal de la Monnaie royale de Belgique utilisé
pour les dépenses liées aux opérations de démonétisation;
2° par les versements qu’elle reçoit de la Banque nationale
de Belgique pour les opérations de monétisation.
Art. 98. Les recettes du Fonds budgétaire relatif aux opé-
rations monétaires de la Monnaie royale de Belgique sont
utilisées pour financer des dépenses liées aux activités de
démonétisation de la Monnaie royale de Belgique à partir du
1er janvier 2019.
Sous-section 2. Modification de la loi-organique du
27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires
Art. 99. La rubrique 18 du tableau annexé à la loi organique
du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, modifié
en dernier lieu par la loi-programme (I) du 26 décembre 2015,
est complétée comme suit:
“18-5 Fonds budgétaire relatif aux opérations monétaires
de la Monnaie royale de Belgique
Nature des recettes affectées:
1° le versement du solde disponible du compte courant
postal de la Monnaie royale de Belgique utilisé pour les
dépenses liées aux opérations de démonétisation;
2° les versements que la Monnaie royale de Belgique reçoit
de la Banque nationale de Belgique pour les opérations de
monétisation.
87
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Aard van de toegestane uitgaven:
De uitgaven in verband met de activiteiten aangaande
demonetisatie van de Koninklijke Munt van België vanaf
1 januari 2019.”.
Afdeling 3. Opheffingen
Art. 100. In artikel 4, § 5, van het koninklijk besluit van
18 januari 1990 houdende de uitvoeringsmodaliteiten van de
wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit
edele metalen, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 101. Het koninklijk besluit van 5 augustus 1992 hou-
dende organiek reglement van de Koninklijke Munt van België,
wordt opgeheven.
Afdeling 4. Inwerkingtreding
Art. 102. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2019.
DEEL V – DIVERSE BEPALINGEN
ENIGE TITEL V
Hoofstuk 1 – Wijzigingen aan het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Afdeling 1 - Inkomsten uit de deeleconomie, uit het ver-
enigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers
Art. 103. In artikel 90, derde lid, van het Wetboek van de in-
komstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 1 juli 2018
en vervangen bij de wet van 18 juli 2018, worden de woorden
“Onverminderd de toepassing van de voorheffingen, worden
de inkomsten van onroerende goederen, de inkomsten van
roerende goederen en kapitalen evenals de in het eerste lid,
5°, vermelde inkomsten uit onderverhuring van onroerende
goederen” vervangen door de woorden “De inkomsten van
onroerende goederen, de in artikel 17, 3° en 5°, vermelde
inkomsten van roerende goederen evenals de in het eerste
lid, 5°, vermelde inkomsten uit onderverhuring van onroerende
goederen worden” en worden de woorden”die goederen en
kapitalen” vervangen door de woorden “die goederen”.
Art. 104. Artikel 97/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 1 juli 2016 en opgeheven bij de wet van 18 juli 2018,
wordt hersteld in de volgende lezing:
“Art. 97/1. De in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater,
vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag ervan in
aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag verminderd met
de kosten waarvan de belastingplichtige het bewijs levert dat
zij tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om
die inkomsten te verkrijgen of te behouden.
Het bruto bedrag van de inkomsten wordt bepaald over-
eenkomstig artikel 90/1, tweede en derde lid.”.
Nature des dépenses autorisées:
Les dépenses liées aux activités de démonétisation de
la Monnaie royale de Belgique à partir du 1er janvier 2019.”.
Section 3. Abrogations
Art. 100. Dans l’article 4, § 5, de l’arrêté royal du 18 janvier
1990 portant modalités d’exécution de la loi du 11 août 1987
relative à la garantie des ouvrages en métaux précieux, l’ali-
néa 2 est abrogé.
Art. 101. L’arrêté royal du 5 août 1992 portant règlement
organique de la Monnaie royale de Belgique, est abrogé.
Section 4. Entrée en vigueur
Art. 102. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier
2019.
PARTIE V – DISPOSITIONS DIVERSES
TITRE UNIQUE V
Chapitre 1er – Modifications au Code des impôts sur
les revenus 1992
Section 1ère - Revenus issus de l’économie collabo-
rative, du travail associatif ou des services occasionnels
entre citoyens
Art. 103. A l’article 90, alinéa 3, du Code des impôts
sur les revenus 1992, introduit par la loi du 1er juillet 2018 et
remplacé par la loi du 18 juillet 2018, les mots “Sans préju-
dice de l’application des précomptes, les revenus des biens
immobiliers, les revenus des capitaux et biens mobiliers
ainsi que les revenus de sous-location d’immeubles visés
à l’alinéa 1er, 5°,” sont remplacés par les mots “Les revenus
des biens immobiliers, les revenus des biens mobiliers visés
à l’article 17, 3° et 5°, ainsi que les revenus de sous-location
d’immeubles visés à l’alinéa 1er, 5°,” et les mots “ces biens et
capitaux” sont remplacés par les mots “ces biens”.
Art. 104. L’article 97/1 du même Code, introduit par la loi
du 1er juillet 2016 et abrogé par la loi du 18 juillet 2018, est
rétabli comme suit:
“Art. 97/1. Les revenus visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis
à 1°quater, s’entendent de leur montant net, c’est-à-dire le
montant brut diminué des frais dont le contribuable apporte la
preuve qu’ils ont été exposés ou supportés durant la période
imposable afin d’acquérir ou de conserver ces revenus.
Le montant brut des revenus est déterminé conformément
à l’article 90/1, alinéas 2 et 3.”.
88
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 105. In titel II, hoofdstuk II, afdeling V, onderafdeling III,
van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 102ter ingevoegd,
luidende:
“Art. 102ter. Verliezen die in het belastbare tijdperk zijn
geleden bij het verrichten van handelingen als vermeld in
artikel 90, eerste lid, 1°bis, 1°ter of 1°quater worden evenredig
afgetrokken van de andere inkomsten uit zulke handelingen.”.
Art. 106. Deze afdeling is van toepassing op de inkomsten
die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2018.
Afdeling 2 – Vereenvoudiging inzake PB
Art. 107. In artikel 38, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van [wet mobiliteitsbudget/diverse I], wordt
tussen het eerste en het tweede lid, dat het derde lid wordt,
een lid ingevoegd, luidende:
Wanneer de in het eerste lid, 24°, bedoelde voordelen
zowel in artikel 31 als in artikel 32 bedoelde bezoldigingen
omvatten, wordt het maximumbedrag van de vrijstelling ver-
houdingsgewijs aangerekend op elk van die bezoldigingen.”.
Art. 108. Artikel 538 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 26 december 2013, wordt opgeheven.
Art. 109. Artikel 107, treedt in werking op 31 december
2018 en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019.
Artikel 108 treedt in werking op 1 januari 2019 en is van
toepassing op ontslaguitkeringen, vergoedingen, en schade-
loosstellingen bekomen vanaf 1 januari 2019.
Hoofdstuk 2 – Bekrach tiging van koninklijk beslui-
ten genomen ter uitvoering van artikel 37, § 1, van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 110. Bekrachtigd worden met ingang van hun respec-
tieve dag van inwerkingtreding:
1° het kon inklijk besluit van 26 januari 2016 tot wijziging
van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststel-
ling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde
waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die
tarieven, wat het werk in onroerende staat en de gelijkgestelde
handelingen en de assistentiehonden betreft;
2° het kon inklijk besluit van 3 augustus 2016 tot wijziging
van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststel-
ling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde
waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die
tarieven wat de gebouwen voor leerlingenbegeleiding betreft.
Hoofdstuk 3 - Wijziging van het Wetboek diverse rech-
ten en taksen
Art. 111. Artikel 10 van het Wetboek diverse rechten en
taksen, gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018, wordt aan-
gevuld met de woorden “in het kader van de hypothecaire
openbaarmaking”.
Art. 105. Dans le titre II, chapitre II, section V, sous-sec-
tion III, du même Code, un article 102ter est inséré, rédigé
comme suit:
“Art. 102ter. Les pertes éprouvées pendant la période impo-
sable dans l’exercice d’activités visées à l’article 90, alinéa
1er, 1°bis, 1°ter ou 1°quater sont déduites proportionnellement
des autres revenus résultant de telles activités.”.
Art. 106. La présente section est applicable aux revenus
payés ou attribués à partir du 1er janvier 2018.
Section 2 – Simplification en matière d’IPP
Art. 107. A l’article 38, § 1er, du même Code, modifié en
dernier lieu par la loi du [wet mobiliteitsbudget/diverse I], entre
l’alinéa 1er et l’alinéa 2, qui devient l’alinéa 3, un alinéa est
inséré, rédigé comme suit:
“Lorsque les avantages visés à l’alinéa 1er, 24°, com-
prennent à la fois des rémunérations visées à l’article 31 et à
l’article 32, le montant maximum de l’exonération est imputé
proportionnellement sur chacune de ces rémunérations.”.
Art. 108. L’article 538 du même Code, inséré par la loi du
26 décembre 2013, est abrogé.
Art. 109. L’article 107, entre en vigueur le 31 décembre
2018 et est applicable à partir de l’exercice d’imposition 2019.
L’article 108 entre en vigueur le 1er janvier 2019 et est
applicable aux allocations de licenciement, rémunérations et
indemnités obtenues à partir du 1er janvier 2019.
Chapitre 2 – Confirmation d’arrêtés royaux pris en
exécution de l’article 37, § 1er, du Code de la taxe sur la
valeur ajoutée
Art. 110. Sont confirmés avec e ffet à la date de leur entrée
en vigueur respective:
1° l’arrêté royal du 26 janvier 2016 modifiant l’arrêté royal
n° 20, du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur
ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services
selon ces taux, en ce qui concerne les travaux immobiliers et
opérations assimilées et les chiens d’assistance;
2° l’arrêté royal du 3 août 2016 modifiant l’arrêté royal
n° 20, du 20 ju illet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur
ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services
selon ces taux en ce qui concerne les bâtiments destinés à
l’encadrement des élèves.
Chapitre 3 – Modification du Code des droits et taxes
divers
Art. 111. L’article 10 du Code des droits et taxes divers
modifié par la loi du 11 juillet 2018, est complété par les mots
“, dans le cadre de la publicité hypothécaire”.
89
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 112. Artikel 111 heeft uitwerking op 30 juli 2018.
Hoofdstuk 4 – Wijziging aan het Wetboek der registra-
tie-, hypotheek- en griffierechten
Art. 113. Artikel 921 van het Wetboek der registratie, hypo-
theek en griffierechten, vervangen bij de wet van 23 december
1958, vernummerd bij het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april
1967 en gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt
vervangen als volgt:
“Art. 921. Het in artikel 88 en het in artikel 3, eerste lid, 7°,
a) van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende
de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten
bedoeld recht dekt elke latere vestiging van hypotheek op
een schip tot zekerheid van dezelfde schuldvordering en van
hetzelfde gewaarborgd bedrag.”.
Art. 114. Artikel 113 treedt in werking op 1 januari 2019.
DEEL VI – ACHTERWAARTSE VERLIESVERREKENING
T E R C O M P E N S AT I E V A N S C H A D E A A N
L ANDBOUW TEELTEN, VEROORZ A AK T DOOR
ONGUNSTIGE WEERSOMSTANDIGHEDEN
Art. 115. In artikel 2 van het Wetboek van de inkomstenbe-
lastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4°/1 ingevoegd,
luidende:
“4°/1 Middelgrote onderneming
Onder middelgrote onderneming wordt een natuurlijke
persoon of een rechtspersoon verstaan die een economische
activiteit uitoefent en die in ten minste twee van de laatste
drie afgesloten belastbare tijdperken een gemiddeld perso-
neelsbestand heeft van minder dan 250 personenuitgedrukt
in voltijdse equivalenten en waarvan:
— de omzet exclusief de belasting over de toegevoegde
waarde het bedrag van 50 miljoen euro niet overschrijdt, of
— het balanstotaal het bedrag van 43 miljoen euro niet
overschrijdt.
Wanneer het belastbare tijdperk een duur heeft van minder
of meer dan twaalf maanden, wordt het bedrag van de in het
eerste lid bedoelde omzet, exclusief de belasting over de toe-
gevoegde waarde, vermenigvuldigd met een breuk waarvan
de noemer twaalf is en de teller het aantal maanden van het
betrokken belastbare tijdperk, waarbij elke begonnen maand
voor een volle maand wordt geteld.
Indien de onderneming een verbonden onderneming is,
worden de criteria inzake jaaromzet en jaarlijks balanstotaal
op geconsolideerde basis vastgesteld. Om het gemiddelde
personeelsbestand van een verbonden onderneming te be-
palen, wordt het gemiddelde personeelsbestand van elk van
de betrokken verbonden vennootschappen in het belastbare
tijdperk opgeteld.
Art. 112. L’article 111 produit ses effets le 30 juillet 2018.
Chapitre 4 – Modification au Code des droits d’enre-
gistrement, d’hypothèque et de greffe
Art. 113. L’article 921 du Code des droits d’enregistrement,
d’hypothèque et de greffe, remplacé par la loi du 23 décembre
1958, renuméroté par l’arrêté royal n° 12 du 18 avril 1967 et
modifié par la loi du 25 décembre 2016, est remplacé par ce
qui suit:
“Art. 921. Le droit visé à l’article 88 et à l’article 3, alinéa
1er, 7°, a) de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au
financement des Communautés et des Régions couvre toute
constitution ultérieure d‘hypothèque sur un navire pour sûreté
de la même créance et du même montant garanti.“.
Art. 114. L’article 113 entre en vigueur le 1er janvier 2019.
PARTIE VI – RÉTRO-IMPUTATION DES PERTES EN
COMPENSATION DE DOMMAGE CAUSÉ AUX CULTURES
AGRICOLES, PROVOQUÉ PAR DES CONDITIONS
MÉTÉOROLOGIQUES DÉFAVORABLES
Art. 115. Dans l’article 2 du Code des impôts sur les reve-
nus 1992, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2018,
les modifications suivantes sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, il est inséré un 4°/1, rédigé
comme suit:
“4°/1 Moyenne entreprise
Par moyenne entreprise on entend une personne physique
ou morale exerçant une activité économique, qui occupe
pour au moins deux des trois dernières périodes imposables
clôturées antérieures une moyenne de personnel de moins
de 250 personnes en équivalents temps plein et dont:
— le chiffre d’affaires à l’exclusion de la taxe sur la valeur
ajoutée n’excède pas le montant de 50 millions d’euros, ou
— le total du bilan n’excède pas le montant de 43 millions
d’euros.
Lorsque la période imposable a une durée inférieure ou
supérieure à douze mois, le montant du chiffre d’affaires à
l’exclusion de la taxe sur la valeur ajoutée, visé à l’alinéa 1er,
est multiplié par une fraction dont le dénominateur est douze
et le numérateur le nombre de mois compris dans la période
imposable considérée, tout mois commencé étant compté
pour un mois complet.
Si l’entreprise est une entreprise liée, les critères en
matière de chiffre d’affaires et de total du bilan sont calculés
sur une base consolidée. Pour déterminer la moyenne de
personnel d’une entreprise liée, la moyenne de personnel de
chacune des sociétés liées au cours de la période imposable
est additionnée.
90
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De in het eerste lid bedoelde jaaromzet, balanstotaal en
gemiddelde personeelsbestand worden verhoogd met de jaar-
omzet, het balanstotaal en het gemiddelde personeelsbestand
van elke partneronderneming, in verhouding tot het hoogste
percentage van de volgende vier percentages:
— hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelne-
mingspercentage van de eerstgenoemde onderneming in de
stemrechten van de andere onderneming;
— hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelne-
mingspercentage van de andere onderneming in de stem-
rechten van de eerstgenoemde onderneming;
— hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelne-
mingspercentage van de eerstgenoemde onderneming in het
kapitaal van de andere onderneming;
— hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deelne-
mingspercentage van de andere onderneming in het kapitaal
van de eerstgenoemde onderneming.
In het geval van een nieuwe onderneming waarvan het
eerste, tweede of derde belastbare tijdperk nog niet is afge-
sloten, worden de in aanmerking te nemen gegevens bepaald
door middel van een in de loop van het belastbare tijdperk te
goeder trouw gemaakte schatting.
Een onderneming kan evenwel geen middelgrote on-
derneming zijn indien de controle over het kapitaal of de
stemrechten van de onderneming, individueel of gezamenlijk,
rechtstreeks of onrechtstreeks, voor 25 pct. of meer wordt
uitgeoefend door één of meerdere aanbestedende overheden
als bedoeld in artikel 2 van de wet van 17 juni 2016 inzake
overheidsopdrachten. De in het paragraaf 4, tweede lid, be-
doelde gevallen worden voor de toepassing van dit lid niet
beschouwd als aanbestedende overheden.”;
b) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4°/2 ingevoegd,
luidende:
“4°/2 Onderneming in moeilijkheden
Onder onderneming in moeilijkheden wordt een onderne-
ming verstaan:
— waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverklaring
is ingesteld of waarvan op dat ogenblik het beheer van het
actief geheel of ten dele is ontnomen zoals voorzien in de
artikelen 7 en 8 van de faillissementswet;
— waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie
is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de wet betreffende
de continuïteit van de ondernemingen;
— die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van
vereffening bevindt;
— waarvan ten gevolge van geleden verlies het netto actief
is gedaald tot minder dan de helft van het vaste gedeelte van
het maatschappelijk kapitaal;
Le chiffre d’affaires, le total du bilan et la moyenne de per-
sonnel visés à l’alinéa 1er sont augmentés du chiffre d’affaires,
du total du bilan et de la moyenne de personnel de chaque
entreprise partenaire, à concurrence du pourcentage le plus
élevé des quatre pourcentages suivants:
— soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe
4, alinéa 1er, de l’entreprise citée en premier lieu dans les
droits de l’autre entreprise;
— soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe
4, alinéa 1er, de l’autre entreprise dans les droits de vote de
l’entreprise citée en premier lieu;
— soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe
4, alinéa 1er, de l’entreprise citée en premier lieu dans le capital
de l’autre entreprise;
— soit le pourcentage de participation, visé au paragraphe
4, alinéa 1er, de l’autre entreprise dans le capital dans le capital
de l’entreprise citée en premier lieu.
Dans le cas d’une entreprise nouvelle dont la première,
deuxième ou troisième période imposable n’est pas encore
clôturée, les données à prendre en considération sont déter-
minés au moyen d’une estimation effectuée de bonne foi au
cours de la période imposable.
Une entreprise ne peut pas être une moyenne entre-
prise si le contrôle sur le capital ou sur les droits de vote de
l’entreprise est exercé, directement ou indirectement, à titre
individuel ou conjointement, pour 25 p.c. ou plus par un ou
plusieurs pouvoirs adjudicateurs visés à l’article 2 de la loi
de 17 juin 2016 relative aux marchés publics. Les cas visés
au paragraphe 4, alinéa 2, ne sont pas considérés comme
pouvoirs adjudicateurs pour l’application du présent alinéa.”;
b) dans le paragraphe 1er, il est inséré un 4°/2, rédigé
comme suit:
“4°/2 Entreprise en difficulté
Par entreprise en difficulté on entend une entreprise:
— pour laquelle une demande de faillite est introduite ou
dont à ce moment la gestion de tout ou partie de l’actif lui
est retirée comme cela est prévu aux articles 7 et 8 de la loi
sur les faillites;
— pour laquelle une procédure de réorganisation judiciaire
est entamée comme cela est prévu à l’article 23 de la loi
relative à la continuité des entreprises;
— qui est une société dissoute et se trouve en liquidation;
— dont à la suite de pertes, l’actif net est réduit à un
montant inférieur à la moitié de la part fixe du capital social;
91
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— die steun heeft ontvangen die door de Europese
Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met de richt-
snoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-
financiële ondernemingen in moeilijkheden van 31 juli 2014
(PB C 249) of met artikel 107, derde lid, b, van het Verdrag
betreffende de Werking van de Europese Unie en die in het
geval van reddingssteun de lening nog niet heeft terugbetaald
of de garantie nog niet heeft beëindigd of in het geval van
herstructureringssteun zich nog steeds in de herstructure-
ringsfase bevindt.”;
c) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4,
luidende:
“§ 4. Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt een
onderneming als een partneronderneming van een andere
onderneming aangemerkt indien deze eerstgenoemde onder-
neming niet verbonden is met deze andere onderneming, en:
— de eerstgenoemde onderneming al dan niet samen met
de met deze onderneming verbonden ondernemingen een
deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de
stemrechten van de andere onderneming; of
— de andere onderneming al dan niet samen met de met
deze onderneming verbonden ondernemingen een deelne-
ming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of de stem-
rechten van de eerstgenoemde onderneming.
Openbare participatiemaatschappijen, risicokapitaalmaa-
tschappijen, business angels, universiteiten, onderzoekscen-
tra zonder winstoogmerk, institutionele beleggers, regionale
ontwikkelingsfondsen en autonome lokale autoriteiten, zoals
bedoeld in artikel 3, lid 2, van bijlage I, van verordening (EU)
651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde
categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van
het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden ver-
klaard, worden voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1 niet
beschouwd als partnerondernemingen.
Voor de toepassing van het eerste lid en van paragraaf 1,
4°/1 wordt een onderneming als een verbonden onderneming
van een andere onderneming aangemerkt indien:
— de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of mid-
dels derde ondernemingen de meerderheid heeft van de
stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van de
andere onderneming;
— de andere onderneming rechtstreeks of middels derde
ondernemingen de meerderheid heeft van de stemrechten
van de aandeelhouders of vennoten van de eerstgenoemde
onderneming;
— de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de
leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend or-
gaan van de andere onderneming te benoemen of te ontslaan;
— de andere onderneming rechtstreeks of middels derde
ondernemingen het recht heeft de meerderheid van de
— qui a reçu des aides qui ont été considérées comme
compatibles par la Commission européenne avec des lignes
directrices concernant les aides d’Etat au sauvetage et à la
restructuration d’entreprises en difficulté autres que les éta-
blissements financiers du 31 juillet 2014 (JO C 249) ou avec
l’article 107, alinéa 3, b, du Traité sur le fonctionnement de
l’Union européenne et qui en cas d’aide au sauvetage n’a
pas encore remboursé le prêt ou mis fin à la garantie ou en
cas d’aide à la restructuration est toujours soumis au plan
de restructuration.”;
c) l’article est complété par un paragraphe 4, rédigé par
ce qui suit:
“§ 4. Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, une
entreprise est considérée comme entreprise partenaire si
l’entreprise citée en premier lieu n’est pas liée à cette autre
entreprise, et si:
— l’entreprise citée en premier lieu ne rassemble pas avec
ces entreprises liées à cette entreprise une participation de
25 p.c. ou plus du capital ou des droits de vote de l’autre
entreprise; ou
— l’autre entreprise ne rassemble pas avec ces entre-
prises liées à cette entreprise une participation de 25 p.c. ou
plus du capital ou des droits de vote de l’entreprise citée en
premier lieu.
Les sociétés publiques de participation, sociétés de capital
à risque, business angels, universités, centres de recherche
à but non lucratif, investisseurs institutionnels, fonds de
développement régional et autorités autonomes locales, tels
que visés à l’article 3, alinéa 2, de l’annexe I, du règlement
(UE) 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant
certaines catégories d’aides compatibles avec le marché
intérieur en application des articles 107 et 108 du traité, ne
sont, par dérogation à l’alinéa 5, pas considérés comme une
entreprise partenaire pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1.
Pour l’application de l’alinéa 1er et du paragraphe 1er, 4°/1,
une entreprise est considérée comme entreprise liée à une
autre entreprise si:
— l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au
moyen d’entreprises tierces, la majorité des droits de vote des
actionnaires ou associés de l’autre entreprise;
— l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entre-
prises tierces, la majorité des droits de vote des actionnaires
ou associés de l’entreprise citée en premier lieu;
— l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au
moyen d’entreprises tierces, le droit de nommer ou de révo-
quer la majorité des membres de l’organe d’administration,
de direction ou de surveillance de l’autre entreprise;
— l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entre-
prises tierces, le droit de nommer ou de révoquer la majorité
92
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend
orgaan van de eerstgenoemde onderneming te benoemen
of te ontslaan;
— de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen het recht heeft een overheersende
invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond
van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een
bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming,
behalve in het geval de eerstgenoemde onderneming onder
het toepassingsgebied van het derde lid valt en uit de feiten
niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend;
— de andere onderneming rechtstreeks of middels derde
ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op
een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met
deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling
in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve
in het geval de andere onderneming onder het toepassings-
gebied van het derde lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit
recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend;
— de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van
een andere onderneming en op grond van een met andere
aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming
gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft over de
meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of
vennoten van die andere onderneming;
— de andere onderneming rechtstreeks of middels derde
ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is van de eerst-
genoemde onderneming en op grond van een met andere
aandeelhouders of vennoten van die eerst genoemde onder-
neming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap heeft
over de meerderheid van de stemrechten van de aandeel-
houders of vennoten van die eerst genoemde onderneming.
Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt onder
het gemiddelde personeelsbestand begrepen het gemid-
delde van het aantal werknemers, uitgedrukt in voltijdse
equivalenten dat is geregistreerd in de DIMONA-databank
overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002
tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstel-
ling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996
tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring
van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, per
einde van elke maand van het belastbare tijdperk, of indien
de tewerkstelling niet behoort tot het toepassingsgebied van
dit koninklijk besluit, het gemiddelde aantal tewerkgestelde
werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten van de in het
algemene personeelsregister of een gelijkwaardig document
ingeschreven werknemers per einde van elke maand van het
desbetreffende belastbare tijdperk.
Dit gemiddelde van het aantal werknemers wordt in voor-
komend geval verhoogd met het aantal natuurlijke personen
die in de onderneming een leidende functie of een leidende
werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële,
financiële of technische aard uitoefenen en die niet werden
des membres de l’organe d’administration, de direction ou de
surveillance de l’entreprise citée en premier lieu;
— l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au
moyen d’entreprises tierces, le droit d’exercer une influence
dominante sur une autre entreprise en vertu d’un contrat
conclu avec cette entreprise ou en vertu d’une clause conte-
nue dans les statuts de cette entreprise citée en dernier
lieu, sauf dans le cas où l’entreprise citée en premier lieu se
trouve dans le champ d’application de l’alinéa 3 et que les
faits n’établissent pas que ce droit est effectivement exercé;
— l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entre-
prises tierces, le droit d’exercer une influence dominante sur
une autre entreprise en vertu d’un contrat conclu avec cette
entreprise ou en vertu d’une clause contenue dans les statuts
de cette entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où
l’autre entreprise se trouve dans le champ d’application de
l’alinéa 3 et que les faits n’établissent pas que ce droit est
effectivement exercé;
— l’entreprise citée en premier lieu est, directement ou
au moyen d’entreprises tierces, l’actionnaire ou associée
d’une autre entreprise et contrôle seule, en vertu d’un accord
conclu avec d’autres actionnaires ou associés de cette autre
entreprise, la majorité des droits de vote des actionnaires ou
associés de cette autre entreprise;
— l’autre entreprise est, directement ou au moyen d’entre-
prises tierces, l’actionnaire ou associé de l’entreprise citée
en premier lieu et contrôle seule, en vertu d’un accord conclu
avec d’autres actionnaires ou associés de cette entreprise
citée en premier lieu, la majorité des droits de vote des action-
naires ou associés de cette entreprise citée en premier lieu.
Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, La moyenne de
personnel est le nombre moyen des travailleurs exprimé en
équivalents à temps plein inscrits à la banque de données
DIMONA conformément à l’arrêté royal du 5 novembre
2002 instaurant une déclaration immédiate de l’emploi, en
application de l’article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant
modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité
des régimes légaux des pensions, à la fin de chaque mois de
la période imposable, ou lorsque l’emploi ne relève pas du
champ d’application de cet arrêté royal, le nombre moyen des
travailleurs occupés à temps plein inscrits au registre général
du personnel ou dans un document équivalent à la fin de
chaque mois de la période imposable considérée.
Ce nombre moyen des travailleurs est augmenté, le cas
échéant, du nombre des personnes physiques qui exercent
dans l’entreprise une fonction dirigeante ou une activité diri-
geante de gestion journalière, d’ordre commercial, financier
ou technique et qui ne sont pas enregistrées à la banque de
93
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
geregistreerd in de DIMONA-databank noch werden inge-
schreven in het voormelde algemene personeelsregister of
het voormelde gelijkwaardig document
Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten
is gelijk aan het arbeidsvolume uitgedrukt in voltijds tewerk-
gestelde equivalenten, te berekenen voor de deeltijdse werk-
nemers op basis van het conventioneel aantal te presteren
uren, gerelateerd ten opzichte van de normale arbeidsduur
van een vergelijkbare voltijdse werknemer.”.
Art. 116. In artikel 23, § 2, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wet van 28 december 1992, worden in de bepaling onder
3° de woorden “vorige belastbare tijdperken” vervangen door
de woorden “vorige, of, in het geval vermeld in artikel 78, § 2,
latere belastbare tijdperken”.
Art. 117. Artikel 78, van hetzelfde Wetboek, waarvan de
bestaande tekst paragraaf 1 wordt, wordt aangevuld met een
paragraaf 2, luidende:
“§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt op vraag van
een belastingplichtige die voldoet aan de in het vierde lid
bedoelde criteria het gedeelte van de beroepsverliezen, dat
toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten die werd
veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden, en werd
geleden in een gewest waarmee een in het derde lid bedoeld
samenwerkingsakkoord werd gesloten, achtereenvolgens
afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare
tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die
schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste.
Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan
worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar
overeenkomstig paragraaf 1.
Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven
is aan de in het eerste lid omschreven schade, stemt overeen
met het bedrag van de beroepsverliezen achtereenvolgens
beperkt tot het bedrag van het beroepsverlies uit de in artikel
23, § 1, 1°, bedoelde beroepswerkzaamheid van de belasting-
plichtige en tot het bedrag van deze schade die op de wijze
voorzien in het derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord in
het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld.
De in het eerste lid omschreven achterwaartse verliesaf-
trek kan enkel worden toegepast indien de in het eerste lid
bedoelde schade werd geleden op het grondgebied van een
gewest dat met de federale overheid een samenwerkingsak-
koord heeft gesloten met het oog op de gezamenlijke naleving
van de cumulatieregels zoals bedoeld in artikel 8 van veror-
dening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014
waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de
bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de
artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar
worden verklaard. De federale overheid en het gewest om-
schrijven in dit samenwerkingsakkoord in aanvulling bij de
bepalingen van artikel 7 van de voormelde verordening de
wijze waarop de steunintensiteit van de in deze paragraaf
bedoelde steunmaatregel moet worden berekend. Ze be-
palen in het samenwerkingsakkoord eveneens de manier
waarop de ongunstige weersomstandigheden die met een
données DIMONA ni inscrites au registre général du personnel
précité ou dans le document équivalent précité.
Le nombre des travailleurs exprimé en équivalents à temps
plein est égal au volume de travail exprimé en équivalents
occupés à temps plein, à calculer pour les travailleurs occu-
pés à temps partiel sur la base du nombre conventionnel
d’heures à prester par rapport à la durée normale de travail
d’un travailleur à temps plein comparable.”.
Art. 116. Dans l’article 23, § 2, du même Code, modifié
par la loi du 28 décembre 1992, au 3°, les mots “des périodes
imposables antérieures” sont remplacés par les mots “des
périodes imposables antérieures, ou, dans le cas mentionné
à l’article 78, § 2, des périodes imposables ultérieures”.
Art. 117. L’article 78, du même Code, dont le texte actuel
devient le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2,
rédigé comme suit:
“§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, à la demande du
contribuable qui répond aux conditions visées à l’alinéa 4,
la partie des pertes professionnelles qui est imputable au
dommage aux cultures agricoles, provoqué par des conditions
météorologiques défavorables et encouru dans une région
avec laquelle un accord de coopération visé à l’alinéa 3 a
été conclu, est déduite consécutivement des revenus profes-
sionnels des trois périodes imposables précédant la période
imposable dans laquelle ce dommage a été définitivement
constaté, à commencer par la plus ancienne. La partie de
ces pertes professionnelles qui ne peut pas être déduite de
ces revenus professionnels, est déductible conformément
au paragraphe 1er.
La partie des pertes professionnelles qui est imputable
au dommage défini à l’alinéa 1er correspond au montant des
pertes professionnelles, limité successivement au montant
de la perte professionnelle de l’activité professionnelle du
contribuable visée à l’article 23, § 1er, 1°, et au montant de ce
dommage qui a été définitivement constaté dans la période
imposable selon les modalités prévues par l’accord de coo-
pération visé à l’alinéa 3.
La rétro-déduction de perte définie à l’alinéa 1er est
applicable uniquement si le dommage défini à l’alinéa 1er a
été encouru sur le territoire d’une région qui a conclu avec
l’autorité fédérale un accord de coopération visant le respect
conjoint des règles de cumul telles que visées à l’article 8 du
règlement (UE) n° 702/2014 de la Commission du 25 juin 2014
déclarant certaines catégories d’aides, dans les secteurs
agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles
avec le marché intérieur, en application des articles 107 et
108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne.
L’autorité fédérale et la région définissent dans cet accord de
coopération, en complément aux dispositions de l’article 7
du règlement précité, la manière dont l’intensité d’aide de la
mesure d’aide visée au présent paragraphe doit être calculée.
Elles établissent également dans cet accord de coopération la
façon dont la reconnaissance des conditions météorologiques
pouvant être assimilées à une calamité naturelle a lieu, et sur
base des dispositions de l’article 25 du règlement précité,
94
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
natuurramp kunnen worden gelijkgesteld worden erkend en de
methode waarop gegrond op de bepalingen van artikel 25 van
de voormelde verordening de schade wordt vastgesteld die
werd veroorzaakt door de ongunstige weersomstandigheden.
Deze paragraaf is enkel van toepassing indien de
belastingplichtige:
— een middelgrote onderneming is, en;
— een onderneming uitbaat die de productie van land-
bouwproducten tot doel heeft die zijn opgenomen in bijlage I
bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
waarbij deze landbouwproducten geen verdere bewerking
ondergaan die de aard van deze producten wijzigt;
— geen onderneming in moeilijkheden was op het ogenblik
dat de schade werd geleden, en;
— geen bevel tot terugvordering heeft uitstaan ingevolge
een besluit van de Commissie die een door België verleende
steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt
heeft verklaard.
De achterwaartse verliesverrekening kan niet worden toe-
gepast indien de som van de overeenkomstig het tweede lid
vastgestelde steunintensiteit van de achterwaartse verliesaf-
trek en de steunintensiteit van de door het gewest verleende
steun die dezelfde schade vergoedt als de in het eerste lid
bedoelde schade, hoger is dan de maximale steunintensiteit
omschreven in artikel 25, leden 9 en 10, van de verordening
(EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij
bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouw-
sector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen
107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden
verklaard.
Voor de toepassing van deze paragraaf en van artikel
206, § 4, wordt onder ongunstige weersomstandigheden de
weersomstandigheden verstaan die met een natuurramp
kunnen worden gelijkgesteld, zoals gedefinieerd in artikel
2, zestiende lid van verordening (EU) Nr. 702/2014 van de
Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën
steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in platte-
landsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met
de interne markt verenigbaar worden verklaard en die formeel
worden erkend op de wijze beschreven in het in het derde lid
bedoelde samenwerkingsakkoord.
De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de ach-
terwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden afgetrokken
na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare
tijdperken bij toepassing van paragraaf 1.
De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achter-
waartse verliesaftrek aan in de aangifte die betrekking heeft
op het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde
schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en
onherroepelijk. De Koning kan nadere regels met betrekking
tot de aanvraag vastleggen.”.
déterminent la méthode sur base de laquelle le dommage
causé par des circonstances météorologiques défavorables
est constaté.
Le présent paragraphe n’est applicable que si le
contribuable:
— est une moyenne entreprise, et;
— exploite une entreprise ayant pour but la production
des produits agricoles énumérés à l’annexe I du Traité sur le
fonctionnement de l’Union européenne sans exercer d’autre
opération modifiant la nature de ces produits;
— n’était pas une entreprise en difficulté au moment où
les dégâts ont été encourus, et;
— n’a pas supporté un ordre de récupération suite à une
décision de la Commission déclarant une aide octroyée par
la Belgique illégale et incompatible avec le marché intérieur.
La rétro-imputation des pertes ne peut s’appliquer lorsque
la somme de l’intensité de l’aide de déterminée conformément
à l’alinéa 2 et de l’intensité de l’aide de l’aide octroyée par
la région pour indemniser le même dommage que celui visé
à l’alinéa 1er est supérieure à l’intensité de l’aide maximale
définie à l’article 25, alinéas 9 et 10, du règlement (UE)
n°702/2014, de la Commission, du 25 juin 2014 déclarant
certaines catégories d’aides, dans les secteurs agricole et
forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le mar-
ché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité
sur le fonctionnement de l’Union européenne.
Pour l’application du présent paragraphe et de l’article
206, § 4, on entend par circonstances météorologiques
défavorables, les circonstances météorologiques qui peuvent
être assimilées à une calamité naturelle, telles que définies
à l’article 2, alinéa 17, du règlement (UE) n°702/2014, de la
Commission, du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories
d’aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les
zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en appli-
cation des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement
de l’Union européenne, et qui sont formellement reconnues
selon la procédure décrite dans l’accord de coopération visé
à l’alinéa 3.
Les pertes professionnelles pour lesquelles l’application
de la rétro-déduction des pertes est demandée sont déduites
après déduction des pertes professionnelles de périodes
imposables antérieures en application du paragraphe 1er.
Le contribuable demande l’application de la rétro-déduc-
tion des pertes dans la déclaration se rapportant à la période
imposable au cours de laquelle le dommage visé à l’alinéa 1er
a été définitivement constaté. Cette demande est définitive et
irrévocable. Le Roi peut fixer les modalités de la demande. “.
95
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 118. Artikel 206 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt aangevuld met
een paragraaf 4, luidende:
“§ 4. In afwijking van paragraaf 1, wordt op vraag van de
belastingplichtige die voldoet aan de criteria bedoeld in artikel
78, § 2, vierde lid, het gedeelte van de beroepsverliezen, dat
toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten veroor-
zaakt door ongunstige weersomstandigheden, en geleden in
een gewest waarmee een in artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld
samenwerkingsakkoord werd gesloten, achtereenvolgens
afgetrokken van de beroepsinkomsten van de drie belastbare
tijdperken voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die
schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het oudste.
Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan
worden gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar
overeenkomstig paragraaf 1.
Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te schrijven
is aan de in het eerste lid omschreven schade stemt overeen
met het bedrag van de beroepsverliezen, beperkt tot het
bedrag van deze schade die op de wijze voorzien in het in
artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld samenwerkingsakkoord in
het belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld.
De achterwaartse verliesverrekening kan niet worden
toegepast indien de som van de overeenkomstig artikel 78,
§ 2, vijfde lid, vastgestelde steunintensiteit, de in datzelfde lid
omschreven maximale steunintensiteit overschrijdt.
De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de ach-
terwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden afgetrokken
na aftrek van de beroepsverliezen van vorige belastbare
tijdperken bij toepassing van paragraaf 1.
De belastingplichtige vraagt de toepassing van de achter-
waartse verliesaftrek aan in de aangifte die betrekking heeft
op het belastbare tijdperk waarin de in het eerste lid bedoelde
schade definitief is vastgesteld. Deze aanvraag is definitief en
onherroepelijk. De Koning kan nadere regels met betrekking
tot de aanvraag vastleggen.”.
Art. 119. In artikel 2758 van hetzelfde Wetboek, hersteld
bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van
24 maart 2015, 18 december 2015, en 30 juli 2018 worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
“De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van
de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de
werkgever en in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde
lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht,
een middelgrote onderneming is.”;
b) in paragraaf 2 worden het tweede lid tot en met het
zevende lid opgeheven;
c) in paragraaf 2 wordt het achtste lid, dat het tweede lid
wordt, vervangen als volgt:
Art. 118. L’article 206, du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 30 juillet 2018, est complété par un paragraphe
4, rédigé comme suit:
“§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, la partie des pertes
professionnelles qui, à la demande du contribuable qui remplit
les critères visés à l’article 78, § 2, alinéa 4, est imputable
au dommage causé aux cultures agricoles, provoqué par des
conditions météorologiques défavorables et encouru dans
une région avec laquelle un accord de coopération visé à
l’article 78, § 2, alinéa 3, a été conclu, est déduite consé-
cutivement des revenus professionnels des trois périodes
imposables précédant la période imposable dans laquelle ce
dommage a été définitivement constaté, à commencer par la
plus ancienne. La partie de ces pertes professionnelles qui
ne peut pas être déduite de ces revenus professionnels, est
déductible conformément au paragraphe 1er.
La partie des pertes professionnelles qui est imputable
au dommage défini à l’alinéa 1er correspond au montant des
pertes professionnelles, limité au montant de ce dommage
qui a été définitivement constaté dans la période imposable
selon les modalités prévues par l’accord de coopération visé
à l’article 78, § 2, alinéa 3.
La rétro-imputation des pertes n’est pas applicable si la
somme de l’intensité de l’aide déterminé conformément à
l’article 78, § 2, alinéa 5, excède l’intensité maximale de l’aide
définie dans le même alinéa.
Les pertes professionnelles pour lesquelles l’application
de la rétro-déduction de pertes est demandée sont déduites
après déduction des pertes professionnelles de périodes
imposables antérieures en application du paragraphe 1er.
Le contribuable demande l’application de la rétro-déduc-
tion des pertes dans la déclaration se rapportant à la période
imposable au cours de laquelle le dommage visé à l’alinéa 1er
a été définitivement constaté. Cette demande est définitive et
irrévocable. Le Roi peut fixer les modalités de la demande. “.
Art. 119. A l’article 2758 du même Code, rétabli par la loi
du 15 mai 2014 et modifié par les lois du 24 mars 2015, du
18 décembre 2015 et du 30 juillet 2018, les modifications
suivantes sont apportées:
a) au paragraphe 2, l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“La dispense de versement du précompte professionnel
visée dans le présent article est applicable uniquement si
l’employeur et le cas échéant, la société visée au paragraphe
1er, alinéa 4, qui a effectué l’investissement, est une moyenne
entreprise.”;
b) au paragraphe 2, les alinéa 2 à 7 sont abrogés;
c) au paragraphe 2, l’alinéa 8, qui devient l’alinéa 2, est
remplacé par ce qui suit:
96
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van
de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een
werkgever die op het ogenblik van het overleggen van het in
§ 5 bedoelde formulier een onderneming in moeilijkheden is.”.
Art. 120. In artikel 2759 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van
24 maart 2015, 18 december 2015, en 30 juli 2018 worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
“De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting van
de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast indien de
werkgever of in voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde
lid, bedoelde vennootschap die de investering heeft verricht
geen middelgrote onderneming is.”;
b) in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “vrij-
stelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet
worden toegepast door een werkgever zoals bedoeld in artikel
2758, § 2, achtste lid” vervangen door de woorden “in dit artikel
bedoelde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorhef-
fing kan niet worden toegepast door een werkgever die op het
ogenblik van het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier
een onderneming in moeilijkheden is”.
Art. 121. In titel VII, hoofdstuk VI, afdeling I, van hetzelfde
Wetboek, wordt een artikel 358/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 358/1. Wanneer wordt vastgesteld dat beroepsverlie-
zen van een belastbaar tijdperk, geheel of gedeeltelijk, ten
onrechte bij toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4
zijn afgetrokken van de beroepsinkomsten van vorige belast-
bare tijdperken en de belasting voor deze tijdperken geheel
of gedeeltelijk in toepassing van artikel 375/1 ten onrechte
werd ontheven, kan die ten onrechte verleende aftrek worden
rechtgezet gedurende de aanslagtermijn die van toepassing
is met betrekking tot het belastbare tijdperk waarin deze be-
roepsverliezen zijn ontstaan.”.
Art. 122. In titel VII, hoofdstuk VII, afdeling I, van hetzelfde
Wetboek, wordt een artikel 375/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 375/1. De adviseur-generaal van de administratie
belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of de
door hem gedelegeerde ambtenaar verleent van rechtswege
ontheffing van het teveel aan gevestigde belasting ingevolge
de achterwaartse aftrek van beroepsverliezen bij toepassing
van artikel 78, § 2 of artikel 206, § 4.”.
Art. 123. In artikel 409 van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 15 maart 1999, worden de woorden ‘artikel
376” vervangen door de woorden “de artikelen 375/1 en 376”.
Art. 124. In artikel 410, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 15 maart 1999, worden de woorden
“artikel 376” vervangen door de woorden “de artikelen 375/1
en 376”.
“La dispense de versement du précompte professionnel
visée dans le présent article ne peut pas être appliquée par
un employeur qui, au moment de la remise du formulaire tel
que visé au § 5, est une entreprise en difficulté.”.
Art. 120. A l’article 2759 du même Code, inséré par la loi
du 15 mai 2014 et modifié par les lois du 24 mars 2015, du
18 décembre 2015 et du 30 juillet 2018, les modifications
suivantes sont apportées:
a) au paragraphe 2, l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“La dispense de versement du précompte professionnel
visée dans le présent article est applicable uniquement si
l’employeur ou le cas échéant, la société visée au paragraphe
1er, alinéa 4, qui a effectué l’investissement ne sont pas des
moyennes entreprises.”;
b) au paragraphe 2, alinéa 2, les mots “dispense de verse-
ment du précompte professionnel ne peut pas être appliquée
par un employeur visé à l’article 2758, § 2, alinéa 8” sont rem-
placés par les mots “dispense de versement du précompte
professionnel visée dans le présent article ne peut pas être
appliquée par un employeur qui, au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5, est une entreprise en difficulté.”.
Art. 121. Dans le titre VII, chapitre VI, section Ière, du même
Code, il est inséré un article 358/1, rédigé comme suit:
“Art. 358/1. Lorsqu’il est constaté que les pertes profes-
sionnelles d’une période imposable ont été, entièrement ou
partiellement, indûment déduites en application de l’article
78, § 2, ou de l’article 206, § 4, des revenus professionnels
des périodes imposables antérieures et que l’impôt pour
ces périodes a été, entièrement ou partiellement, indûment
dégrevée en application de l’article 375/1, cette déduction
indûment accordée peut être corrigée durant le délai d’impo-
sition applicable qui est relatif à la période imposable endéans
laquelle ces pertes professionnelles ont eu lieu.”.
Art. 122. Dans le titre VII, chapitre VII, section 1ère, du
même Code, un article 375/1 est inséré, rédigé comme suit:
“Art. 375/1. Le conseiller général de l’administration en
charge de l’établissement des impôts sur les revenus ou
le fonctionnaire délégué par lui accorde de plein droit le
dégrèvement de l’impôt excédentaire établi suite à l’arriéré
de déduction des pertes professionnelles en application de
l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4.”.
Art. 123. Dans l’article 409 du même Code, remplacé par la
loi du 15 mars 1999, les mots “à l’ article 376” sont remplacés
par les mots “aux articles 375/1 et 376“.
Art. 124. Dans l’article 410, alinéa 1er, du même Code,
remplacé par la loi du 15 mars 1999, les mots “à l’ article
376” sont remplacés par les mots “aux articles 375/1 et 376 “.
97
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 125. In titel VII, hoofdstuk XIII, afdeling V, onderafdeling
I,, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 415/1 ingevoegd,
luidende:
“Art. 415/1. Wanneer bij toepassing van artikel 375/1 onthef-
fing werd verleend en het bedrag van de beroepsverliezen dat
bij toepassing van artikel 78, § 2, of 206, § 4, in aanmerking
komt voor de achterwaartse verliesaftrek wordt gewijzigd,
is, in afwijking van de artikelen 414 en 415, op het gedeelte
van de belasting dat verband houdt met de wijziging van het
bedrag van de in aftrek te brengen beroepsverliezen een
nalatigheidsintrest verschuldigd, berekend overeenkomstig
artikel 414, § 1, vanaf de eerste dag van de maand die volgt
op de maand waarin de ontheffing werd verleend.”
Art. 126. In artikel 443ter van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 26 maart 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden “artikel
376” vervangen door de woorden “de artikelen 375/1 en 376”;
2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “aanvraag
tot ambtshalve ontheffing bedoeld in artikel 376” vervangen
door de woorden “aanvraag tot ontheffing bedoeld in de ar-
tikelen 375/1 en 376”.
Art. 127. In artikel 419, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de
koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de
wet van 25 december 2017, wordt een bepaling onder 4°/1
ingevoegd, luidende:
“4°/1 in geval van een terugbetaling van belasting met
toepassing van artikel 375/1;”.
Art. 128. Dit deel treedt in werking op 1 januari 2019. De
artikelen 116, 117, en 118 zijn van toepassing op de beroeps-
verliezen die toe te schrijven is aan schade aan landbouw-
teelten, veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden
die hebben plaatsgevonden vanaf 1 januari 2018.
Art. 125. Dans le titre VII, chapitre VIII, section V, sous-
section Ière, du même Code, un article 415/1 est inséré, rédigé
comme suit:
“Art. 415/1. Lorsqu’en application de l’article 375/1, un
dégrèvement est accordé et que le montant des pertes pro-
fessionnelles qui entre en considération pour la déduction des
pertes antérieures en application de l’article 78, § 2, ou de
l’article 206, § 4, est modifié, un intérêt de retard est dû, par
dérogation aux articles 414 et 415, sur la partie de l’impôt qui
est liée à la modification du montant des pertes profession-
nelles portées en déduction, calculé conformément à l’article
414, § 1er, à compter du premier jour du mois qui suit le mois
durant lequel le dégrèvement a été accordé.”
Art. 126. A l’article 443ter du même Code, inséré par la loi
du 26 mars 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots “à l’ article
376” sont remplacés par les mots “aux articles 375/1 et 376“;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “demande de
dégrèvement d’office visée à l’article 376” sont remplacés
par les mots “demande de dégrèvement visée aux articles
375/1 et 376“.
Art. 127. Dans l’article 419, alinéa 1er, du même Code,
remplacé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par les arrêtés
royaux du 20 juillet 2000 et du 13 juillet 2001 et par la loi du
25 décembre 2017, il est inséré un 3°/1, rédigé comme suit:
“4°/1 dans le cas d’un remboursement d’impôt en applica-
tion de l’article 375/1;”.
Art. 128. La présente partie entre en vigueur le 1er janvier
2019. Les articles 116, 117 et 118 s’appliquent aux pertes
professionnelles qui sont imputables au dommage causé aux
cultures agricoles, provoqué par des conditions météorolo-
giques défavorables qui ont eu lieu à partir du 1er janvier 2018.
98
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) - (v2) - 12/12/2018 16:26
1/5
Geïntegreerde impactanalyse
Beschrijvende fiche
A. Auteur
Bevoegd regeringslid
De Minister van Financiën
Contactpersoon beleidscel
Naam : Pieter Daens
E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be
Tel. Nr. : + 32 2 792 99 00
Overheidsdienst
FOD Financiën, BEO, Dienst Reglementering
Contactpersoon overheidsdienst
Naam : /
E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be
Tel. Nr. : /
B. Ontwerp
Titel van de regelgeving
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II)
Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn,
samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering.
Dit deel II bevat vier maatregelen:
1. verduidelijking en aanpassing van de vrijstelling van de belasting voor het sociaal passief ingevolge het
eenheidsstatuut ;
2. aanpassing van de inwerkingtreding van de maatregel die tot doel heeft te voorzien in een beperking
van de aftrek van de interesten in de vennootschapsbelasting in gevolge de omzetting van de
ATAD-richtlijn;
3. instelling van een bedrijfsvoorheffing die wordt ingehouden op de door een met de werkgever
verbonden vennootschap betaalde of toegekende bezoldigingen;
4. indexering van de accijnstarieven op benzine en gasolie.
Impactanalyses reeds uitgevoerd:
Ja
Nee
C. Raadpleging over het ontwerp van regelgeving
Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen
/
D. Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren
99
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) - (v2) - 12/12/2018 16:26
2/5
Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en referentiepersonen
/
100
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) - (v2) - 12/12/2018 16:26
3/5
Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s?
1. Kansarmoedebestrijding
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
2. Gelijke kansen en sociale cohesie
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
3. Gelijkheid van vrouwen en mannen
1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar
geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen?
Er zijn personen betrokken.
Personen zijn niet betrokken.
Leg uit waarom:
De maatregelen zijn algemeen en betreffen alle ondernemingen en burgers.
4. Gezondheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
5. Werkgelegenheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
6. Consumptie- en productiepatronen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
7. Economische ontwikkeling
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
8. Investeringen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
9. Onderzoek en ontwikkeling
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
10. Kmo's
1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken?
Er zijn ondernemingen (inclusief kmo's) betrokken.
Ondernemingen zijn niet betrokken.
Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (
Algemene bepalingen die geen enkel sector in het bijzonder betreffen.
2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s.
101
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) - (v2) - 12/12/2018 16:26
4/5
N.B. de impact op de administratieve lasten moet bij het punt 11 gedetailleerd worden
1 : de maatregel vermindert de kosten van bepaalde banen
2 tot 4 : geen impact
Er is een negatieve impact.
11. Administratieve lasten
Ondernemingen of burgers zijn betrokken.
Ondernemingen of burgers zijn niet betrokken.
1. Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van
de regelgeving.
Huidige regelgeving
Ontwerp van regelgeving
1. De formaliteiten/verplichtingen zijn regeled in
artikelen 46ter en 46quater, KB/WIB92.
2. tot 4. /
1. Dit regelgeving ontwerp wijzigt artikel
67quater, WIB 92, en bevat, op het vlak van de
in het wet bepalingen, geen extra
formaliteit/verplichting.
2./
3. Formaliteiten mbt de bedrijfsvoorheffing.
4./
Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de huidige regelgeving.
Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het ontwerp van regelgeving.
2. Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen?
Huidige regelgeving
Ontwerp van regelgeving
1. zie artikelen 46ter en 46quater, KB/WIB 92
2. tot 4. /
1. ongewijzigd
2. /
3. verplichtingen mbt de invoering van
bedrijfsvoorheffing
4. /
3. Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld?
Huidige regelgeving
Ontwerp van regelgeving
1 en 2. De belastigplichtigen moeten de
bewijsstukken aan de administration zorgen
want het gaat over fiscale voordelen
3. Informaties mbt bedrijfsvoorheffing moeten
via een elektronisch platform (FinProf) worden
ingediend.
4./
1 tot 4. ongewijzigd
4. Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep?
Huidige regelgeving
Ontwerp van regelgeving
/
/
102
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel II) - (v2) - 12/12/2018 16:26
5/5
5. Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te
compenseren?
/
12. Energie
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
13. Mobiliteit
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
14. Voeding
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
15. Klimaatverandering
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
16. Natuurlijke hulpbronnen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
17. Buiten- en binnenlucht
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
18. Biodiversiteit
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
19. Hinder
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
20. Overheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
21. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling
1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de
ontwikkelingslanden op het vlak van: voedselveiligheid, gezondheid en toegang tot geneesmiddelen,
waardig werk, lokale en internationale handel, inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie),
mobiliteit van personen, leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling), vrede
en veiligheid.
Impact op ontwikkelingslanden.
Geen impact op ontwikkelingslanden.
Leg uit waarom:
Het gaat over nationale belastingmaatregelen. Ontwikkelingslanden zijn niet betrokken.
103
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) - (v2) - 12/12/2018
16:28
1/5
Geïntegreerde impactanalyse
Beschrijvende fiche
A. Auteur
Bevoegd regeringslid
De Minister van Financiën
Contactpersoon beleidscel
Naam : Pieter Daens
E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be
Tel. Nr. : + 32 2 792 99 00
Overheidsdienst
FOD Financiën, BEO, Dienst Reglementering
Contactpersoon overheidsdienst
Naam : /
E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be
Tel. Nr. : /
B. Ontwerp
Titel van de regelgeving
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3)
104
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) - (v2) - 12/12/2018
16:28
2/5
Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn,
samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering.
Het rapport van de bijzondere Commissie “Internationale fiscale fraude/ Panama Paper” is uitgebracht op
31 oktober 2017 (DOC 54 2749/001). Het bevat 132 aanbevelingen gericht op verbeteringen zowel op
juridisch vlak als op organisatorisch vlak binnen verschillende diensten belast met de strijd tegen de
fiscale fraude.
Het voorgestelde ontwerp heeft tot doel om al enkele van deze aanbevelingen waarbij wettelijke
wijzigingen werden gesuggereerd te concretiseren. Dat is met name het geval voor:
- het verbod tot het afsluiten van een voorafgaande beslissing inzake verrichtingen met de
belastingparadijzen (aanbevelingen 21 en 36);
- een eerste aanzet naar een wettelijk systeem voor de klokkenluiders (aanbevelingen 23 tot en met 26)
met betrekking tot de mededeling van fiscale gegevens;
- het versterken van de compliance van de belastingplichtige (aanbevelingen 38 en 67);
- de aanbevelingen met betrekking tot de automatische uitwisseling van inlichtingen (aanbevelingen 62
en 64);
- een verlenging van de aanslagtermijn naar 10 jaar wanneer er gebruik werd gemaakt van juridische
constructies in belastingparadijzen die ertoe strekken de herkomst en/of het bestaan van het vermogen te
verhullen (aanbeveling 69);
- uitbreiding van het toepassingsveld van de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot de identiteit
van de uiteindelijk begunstigden (aanbevelingen 74 en 75);
Tenslotte werd er bij de totstandkoming van de nieuwe maatregelen, daar waar nodig, eveneens rekening
gehouden met de aanbevelingen van de OESO die er gekomen zijn naar aanleiding van de laatste peer
review.
Impactanalyses reeds uitgevoerd:
Ja
Nee
C. Raadpleging over het ontwerp van regelgeving
Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen
/
D. Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren
Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en referentiepersonen
/
105
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) - (v2) - 12/12/2018
16:28
3/5
Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s?
1. Kansarmoedebestrijding
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
2. Gelijke kansen en sociale cohesie
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
3. Gelijkheid van vrouwen en mannen
1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar
geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen?
Er zijn personen betrokken.
Personen zijn niet betrokken.
Beschrijf en meld de % vrouwen-mannen aan:
Het ontwerp is genderneutraal.
2. Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de
materie waarop het ontwerp van regelgeving betrekking heeft.
Het voorontwerp van wet gaat over de medewerkingsplicht van belastingplichtigen en derden, een
invoering van een regeling voor klokkenluiders en de uitwisseling van informatie met buitenlandse
autoriteiten. Er zijn geen verschillen in de respectievelijke situaties van vrouwen en mannen.
Vink dit aan indien er verschillen zijn.
4. Gezondheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
5. Werkgelegenheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
6. Consumptie- en productiepatronen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
7. Economische ontwikkeling
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
8. Investeringen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
9. Onderzoek en ontwikkeling
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
10. Kmo's
1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken?
Er zijn ondernemingen (inclusief kmo's) betrokken.
Ondernemingen zijn niet betrokken.
106
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) - (v2) - 12/12/2018
16:28
4/5
Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (
Het voorontwerp van wet heeft een impact op belastingplichtigen waaronder KMO's.
2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s.
N.B. de impact op de administratieve lasten moet bij het punt 11 gedetailleerd worden
Het voorontwerp van wet gaat over de medewerkingsplicht van belastingplichtigen en derden, een
invoering van een regeling voor klokkenluiders en de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse
autoriteiten. Voor wat betreft het artikel 11, de uitbreiding van artikel 22 van hogervermelde wet houdt
in dat er geen voorafgaande beslissing mag gegeven worden wanneer het betrekking heeft op
verrichtingen of situaties die gelinkt worden aan de lijst van Staten zonder of met een lage belasting
die zijn opgenomen in het koninklijk besluit waarnaar artikel 307, §1/2, derde lid, van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992 verwijst.
Er is een negatieve impact.
11. Administratieve lasten
Ondernemingen of burgers zijn betrokken.
Ondernemingen of burgers zijn niet betrokken.
12. Energie
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
13. Mobiliteit
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
14. Voeding
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
15. Klimaatverandering
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
16. Natuurlijke hulpbronnen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
17. Buiten- en binnenlucht
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
18. Biodiversiteit
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
19. Hinder
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
20. Overheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
21. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling
107
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel III - titelen 1 tot 3) - (v2) - 12/12/2018
16:28
5/5
1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de
ontwikkelingslanden op het vlak van: voedselveiligheid, gezondheid en toegang tot geneesmiddelen,
waardig werk, lokale en internationale handel, inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie),
mobiliteit van personen, leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling), vrede
en veiligheid.
Impact op ontwikkelingslanden.
Geen impact op ontwikkelingslanden.
Leg uit waarom:
Het voorontwerp van wet gaat over de medewerkingsplicht van belastingplichtigen en derden, een
invoering van een regeling voor klokkenluiders en de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse
autoriteiten. Er is geen impact op ontwikkelingslanden.
108
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) -
(v35) - 12/12/2018 18:36
1/5
Geïntegreerde impactanalyse
Beschrijvende fiche
A. Auteur
Bevoegd regeringslid
de Minister van Financiën
Contactpersoon beleidscel
Naam : .....
E-mail : ......
Tel. Nr. : .....
Overheidsdienst
FOD Financiën - BEO - dienst reglementering
Contactpersoon overheidsdienst
Naam : .....
E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be
Tel. Nr. : ....
B. Ontwerp
Titel van de regelgeving
wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III -
hoofdstukken 1-3)
Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn,
samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering.
Het rapport van de bijzondere Commissie “Internationale fiscale fraude/ Panama Paper” is uitgebracht op
31 oktober 2017 (DOC 54 2749/001). Het bevat 132 aanbevelingen gericht op verbeteringen zowel op
juridisch vlak als op organisatorisch vlak binnen verschillende diensten belast met de strijd tegen de
fiscale fraude.
Het voorgestelde ontwerp heeft tot doel om al enkele van deze aanbevelingen waarbij wettelijke
wijzigingen werden gesuggereerd te concretiseren. Dat is met name het geval voor:
- het verbod tot het afsluiten van een voorafgaande beslissing inzake verrichtingen met de
belastingparadijzen (aanbevelingen 21 en 36);
- de aanbevelingen met betrekking tot de automatische uitwisseling van inlichtingen (aanbevelingen 62
en 64);
- een verlenging van de aanslagtermijn naar 10 jaar wanneer er gebruik werd gemaakt van juridische
constructies in belastingparadijzen die ertoe strekken de herkomst en/of het bestaan van het vermogen te
verhullen (aanbeveling 69);
- uitbreiding van het toepassingsveld van de uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot de identiteit
van de uiteindelijk begunstigden (aanbevelingen 74 en 75);
Tenslotte werd er bij de totstandkoming van de nieuwe maatregelen, daar waar nodig, eveneens rekening
gehouden met de aanbevelingen van de OESO die er gekomen zijn naar aanleiding van de laatste peer
review.
Impactanalyses reeds uitgevoerd:
Ja
Nee
109
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) -
(v35) - 12/12/2018 18:36
2/5
C. Raadpleging over het ontwerp van regelgeving
Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen
Advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 1 oktober 2018
Akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op eerste lezing
Advies van de Raad van State, gegeven op 27 november 2018
D. Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren
Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en referentiepersonen
/
110
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) -
(v35) - 12/12/2018 18:36
3/5
Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s?
1. Kansarmoedebestrijding
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
2. Gelijke kansen en sociale cohesie
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
3. Gelijkheid van vrouwen en mannen
1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar
geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen?
Er zijn personen betrokken.
Personen zijn niet betrokken.
Beschrijf en meld de % vrouwen-mannen aan:
Het ontwerp is genderneutraal.
2. Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de
materie waarop het ontwerp van regelgeving betrekking heeft.
Het wetsontwerp gaat o.a. over de uitwisseling van informatie met buitenlandse autoriteiten. Er zijn
geen verschillen in de respectievelijke situaties van vrouwen en mannen.
Vink dit aan indien er verschillen zijn.
4. Gezondheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
5. Werkgelegenheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
6. Consumptie- en productiepatronen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
7. Economische ontwikkeling
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
8. Investeringen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
9. Onderzoek en ontwikkeling
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
10. Kmo's
1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken?
Er zijn ondernemingen (inclusief kmo's) betrokken.
Ondernemingen zijn niet betrokken.
111
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) -
(v35) - 12/12/2018 18:36
4/5
Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (
Het voorontwerp van wet (art 11) heeft een impact op belastingplichtigen waaronder KMO's.
2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s.
N.B. de impact op de administratieve lasten moet bij het punt 11 gedetailleerd worden
Het voorontwerp van wet gaat over de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse autoriteiten. Er
mag geen voorafgaande beslissing gegeven worden wanneer het betrekking heeft op verrichtingen of
situaties die gelinkt worden aan de lijst van Staten zonder of met een lage belasting die zijn
opgenomen in het koninklijk besluit waarnaar artikel 307, §1/2, derde lid, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 verwijst.
Er is een negatieve impact.
11. Administratieve lasten
Ondernemingen of burgers zijn betrokken.
Ondernemingen of burgers zijn niet betrokken.
1. Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van
de regelgeving.
Huidige regelgeving
Ontwerp van regelgeving
/
/
Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de huidige regelgeving.
Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het ontwerp van regelgeving.
12. Energie
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
13. Mobiliteit
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
14. Voeding
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
15. Klimaatverandering
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
16. Natuurlijke hulpbronnen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
17. Buiten- en binnenlucht
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
18. Biodiversiteit
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
19. Hinder
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
112
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
wetsontwerp houdende fiscale, fraudebestrijdende, financiële alsook diverse bepalingen (Titel III - hoofdstukken 1-3) -
(v35) - 12/12/2018 18:36
5/5
20. Overheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
21. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling
1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de
ontwikkelingslanden op het vlak van: voedselveiligheid, gezondheid en toegang tot geneesmiddelen,
waardig werk, lokale en internationale handel, inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie),
mobiliteit van personen, leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling), vrede
en veiligheid.
Impact op ontwikkelingslanden.
Geen impact op ontwikkelingslanden.
Leg uit waarom:
Het voorontwerp van wet gaat over de uitwisseling van inlichtingen met buitenlandse autoriteiten. Er is
geen impact op ontwikkelingslanden.
113
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29
1/6
Geïntegreerde impactanalyse
Beschrijvende fiche
A. Auteur
Bevoegd regeringslid
De Minister van Financiën
Contactpersoon beleidscel
Naam : Pieter Daens
E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be
Tel. Nr. : + 32 2 792 99 00
Overheidsdienst
FOD Financiën, BEO, Dienst Reglementering
Contactpersoon overheidsdienst
Naam : /
E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be
Tel. Nr. : /
B. Ontwerp
Titel van de regelgeving
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V)
114
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29
2/6
Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn,
samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering.
Hoofdstuk 1 (Inkomstenbelastingen)
Afdeeling 1 : aanpassingen van de regelgeving met betrekking tot de inkomsten uit de deeleconomie, het
verenigingswerk en occasionele diensten tussen burgers (inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid,
1°bis tot 1°quater, WIB 92) op het stuk van de kostenaftrek, de omschrijving van de roerende inkomsten
die als inkomsten uit de deeleconomie, het verenigingswerk en occasionele diensten tussen burgers
kunnen worden aangemerkt en de toepassing van de roerende voorheffing
Afdeeling 2 : Afschaffing van een overgangsbepaling betreffende een gedeeltelijke vrijstelling van
belasting voor bezoldigingen en vergoedingen ontvangen in het kader van ontslag : de vrijstelling heeft
geen bestaansreden meer (afschaffing artikel 538 WIB 92). Het laat de schrapping van meerdere codes
in de fiscale aangifte van de personenbelasting toe en is dus een vereenvoudiging.
Hoofdstuk 2 (BTW)
Bekrachtiging van het koninklijk besluit van 26 januari 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20
van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot
indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven en van het koninklijk besluit van 3 augustus
2016 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de
belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven
wat de gebouwen voor leerlingenbegeleiding betreft.
Hoofdstuk 3 (Diverse rechten en taksen)
De aanvulling van artikel 10 WDRT is nodig, ingevolge de wijziging bij de wet van 11 juli 2018 waarbij het
toepassingsgebied van dat artikel 10 onbedoeld werd uitgebreid
Hoofdstuk 4 (Hypotheekrechten)
Aanpassing op het federale niveau van artikel 92/1 W. Reg., om te vermijden dat een tweede
registratierecht moet betaald worden bij de vestiging van een tweede hypotheek tot waarborg van
dezelfde schuld en voor eenzelfde bedrag
Impactanalyses reeds uitgevoerd:
Ja
Nee
C. Raadpleging over het ontwerp van regelgeving
Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen
Hoofdstuk 1 tot 3 : /
Hoofdstuk 4 : Facultatieve raadpleging van de Gewesten in het kader van de Waarnemingspost
Gewestelijke Fiscaliteit
D. Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren
Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en referentiepersonen
/
115
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29
3/6
Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s?
1. Kansarmoedebestrijding
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
2. Gelijke kansen en sociale cohesie
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
3. Gelijkheid van vrouwen en mannen
1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar
geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen?
Er zijn personen betrokken.
Personen zijn niet betrokken.
Beschrijf en meld de % vrouwen-mannen aan:
Mogelijkerwijs alle burgers, zonder onderscheid
2. Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de
materie waarop het ontwerp van regelgeving betrekking heeft.
/
Vink dit aan indien er verschillen zijn.
4. Gezondheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
5. Werkgelegenheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
6. Consumptie- en productiepatronen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
7. Economische ontwikkeling
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
8. Investeringen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
9. Onderzoek en ontwikkeling
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
10. Kmo's
1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken?
Er zijn ondernemingen (inclusief kmo's) betrokken.
Ondernemingen zijn niet betrokken.
116
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29
4/6
Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (
Hoofd.1 : De maatregel betreft de personenbelasting.
Hoofd. 3 : Potentieel alle sectoren
Hoofd. 4 : KMO's die een schip in eigendom hebben (kleine kans)
2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s.
N.B. de impact op de administratieve lasten moet bij het punt 11 gedetailleerd worden
Hoofd. 3 : Verwaarloosbaar - zeer laag recht.
Hoofd. 4 : Vermijding van een tweede keer een registratierecht te moeten betalen indien een tweede
hypotheek op het schip wordt gevestigd
Er is een negatieve impact.
11. Administratieve lasten
Ondernemingen of burgers zijn betrokken.
Ondernemingen of burgers zijn niet betrokken.
1. Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van
de regelgeving.
Huidige regelgeving
Ontwerp van regelgeving
Hoofd .1/afd.1
Onder de bestaande regelgeving zou er een
verplichting tot inhouding/storing van roerende
voorheffing kunnen bestaan voor roerende
inkomsten die worden aangemerkt als diverse
inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid,
1°bis tot 1°quater en dus doorgaans vrijgesteld
zijn van inkomstenbelastingen.
Hoofd. 1/afd.2
Jaarlijks invullen van de aangifte
personenbelasting.
Hoofd. 1/afd. 1
Een eventuele verplichting om roerende
voorheffing in te houden/te storten voor roerende
inkomsten die worden aangemerkt als diverse
inkomsten als bedoeld in artikel 90, 1°bis tot
1°quater en dus doorgaans vrijgesteld zijn van
inkomstenbelastingen, wordt opgeheven.
Hoofd. 1/afd. 2
Schrappen van meerdere codes in de aangifte.
Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de huidige regelgeving.
Vink dit aan indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het ontwerp van regelgeving.
2. Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen?
Huidige regelgeving
Hoofd. 1/a1 : aangifte in de roerende voorheffing
Hoofd. 1/a2 : De aangifte personenbelasting.
3. Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld?
Huidige regelgeving
Hoofd. 1/a1 : aangifte in te dienen bij de FOD Financiën
Hoofd. 1/a2 : De aangifte personenbelasting.
4. Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep?
117
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29
5/6
Huidige regelgeving
Hoofd. 1/a1 : doorgaans jaarlijks
Hoofd. 1/a2 : jaarlijks
5. Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te
compenseren?
Hoofd. 1/a1 : De wijzigingen hebben geen negatieve impact
Hoofd. 1/a2 : /
12. Energie
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
13. Mobiliteit
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
14. Voeding
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
15. Klimaatverandering
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
16. Natuurlijke hulpbronnen
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
17. Buiten- en binnenlucht
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
18. Biodiversiteit
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
19. Hinder
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
20. Overheid
Positieve impact
Negatieve impact
Geen impact
21. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling
1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de
ontwikkelingslanden op het vlak van: voedselveiligheid, gezondheid en toegang tot geneesmiddelen,
waardig werk, lokale en internationale handel, inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie),
mobiliteit van personen, leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling), vrede
en veiligheid.
Impact op ontwikkelingslanden.
Geen impact op ontwikkelingslanden.
118
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetsontwerp houdende fiscale, fraude, financiële alsook diverse bepalingen (Deel V) - (v2) - 12/12/2018 16:29
6/6
Leg uit waarom:
Deze maatregelen beoogen enkel de personen die onderworpen zijn aan de personenbelasting in België
of onderworpen zijn aan de diverse taksen of aan de registratierechten in België.
119
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) - (v2) -
12/12/2018 16:26
1/5
Analyse d'impact intégrée
Fiche signalétique
A. Auteur
Membre du Gouvernement compétent
Le Ministre des Finances
Contact cellule stratégique
Nom : Pieter Daens
E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be
Téléphone : + 32 2 792 99 00
Administration
SPF Finances, ESS, Service Réglementation
Contact administration
Nom : /
E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be
Téléphone : /
B. Projet
Titre de la règlementation
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II)
Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités,
directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre.
Cette partie II contient quatre mesures :
1. clarification et adaptation de l'exonération d'impôt pour passif social en vertu du statut unique ;
2. anticipation de l'entrée en vigueur de la limitation de la déduction d'intérêts à l'impôt des sociétés (dans
le cadre de la transposition de la directive ATAD) ;
3. instauration d'un précompte professionnel retenu sur les rémunérations payées ou attribuées
directement par une société liée à l'employeur ;
4. indexation des accises sur l'essence et le gasoil.
Analyses d'impact déjà réalisées :
Oui
Non
C. Consultations sur le projet de réglementation
Consultation obligatoire, facultative ou informelle
/
D. Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact
120
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) - (v2) -
12/12/2018 16:26
2/5
Statistiques, documents, institutions et personnes de référence
/
121
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) - (v2) -
12/12/2018 16:26
3/5
Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ?
1. Lutte contre la pauvreté
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
2. Égalité des chances et cohésion sociale
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
3. Égalité des femmes et des hommes
1. Quelles personnes sont (directement et indirectement) concernées par le projet et quelle est la
composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ?
Des personnes sont concernées.
Aucune personne n’est concernée.
Expliquez pourquoi :
Les mesures sont générales et concernent l'ensemble des entreprises et des citoyens.
4. Santé
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
5. Emploi
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
6. Modes de consommation et production
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
7. Développement économique
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
8. Investissements
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
9. Recherche et développement
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
10. PME
1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées ?
Des entreprises (dont des PME) sont concernées.
Aucune entreprise n'est concernée.
Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (
Mesures générales ne visant aucun secteur en particulier.
2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME.
122
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) - (v2) -
12/12/2018 16:26
4/5
N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11
1 : la mesure diminue la charge que représentent certains emplois
2 à 4 : pas d'impact
Il y a des impacts négatifs.
11. Charges administratives
Des entreprises/citoyens sont concernés.
Les entreprises/citoyens ne sont pas concernés.
1. Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la
réglementation.
Réglementation actuelle
Réglementation en projet
1. Les formalités/obligations sont réglées aux
articles 46ter et 46quater, AR/CIR92.
2. à 4. /
1. Le présent projet de réglementation modifie
l'article 67quater, CIR 92, et ne comporte, au
niveau des dispositions de la loi, aucune
obligation/formalité supplémentaire.
2. /
3. Formalités liées au précompte professionnel.
4. /
S’il y a des formalités et/ou des obligations dans la réglementation actuelle, cochez cette case.
S'il y a des formalités et/ou des obligations pour la réglementation en projet, cochez cette case.
2. Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ?
Réglementation actuelle
Réglementation en projet
1. cf. articles 46ter et 46quater, AR/CIR 92
2. à 4. /
1. inchangé
2. /
3. obligations relatives à la perception du
précompte professionnel
4. /
3. Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ?
Réglementation actuelle
Réglementation en projet
1 et 2. S'agissant d'avantages fiscaux, il
appartient aux contribuables de fournir les
documents probants à l'administration.
3. Les informations relatives au précompte
professionnel doivent être transmises via une
plateforme électronique (FinProf).
4./
1 à 4. inchangé
4. Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ?
Réglementation actuelle
Réglementation en projet
/
/
5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ?
123
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie II) - (v2) -
12/12/2018 16:26
5/5
/
12. Énergie
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
13. Mobilité
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
14. Alimentation
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
15. Changements climatiques
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
16. Ressources naturelles
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
17. Air intérieur et extérieur
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
18. Biodiversité
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
19. Nuisances
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
20. Autorités publiques
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
21. Cohérence des politiques en faveur du développement
1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les
domaines suivants : sécurité alimentaire, santé et accès aux médicaments, travail décent, commerce local et
international, revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation), mobilité des personnes,
environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre), paix et sécurité.
Impact sur les pays en développement.
Pas d'imapct sur les pays en développement.
Expliquez pourquoi :
Il s'agit de mesures fiscales nationales. Les pays en développement ne sont pas concernés.
124
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) -
(v2) - 12/12/2018 16:28
1/5
Analyse d'impact intégrée
Fiche signalétique
A. Auteur
Membre du Gouvernement compétent
Le Ministre des Finances
Contact cellule stratégique
Nom : Pieter Daens
E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be
Téléphone : + 32 2 792 99 00
Administration
SPF Finances, ESS, Service Réglementation
Contact administration
Nom : /
E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be
Téléphone : /
B. Projet
Titre de la règlementation
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III -
Titres 1 à 3)
Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités,
directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre.
Le rapport de la Commission spéciale « Fraude fiscale internationale/Panama Papers » a été rendu le 31
octobre 2017 (DOC 54 2749/001). Il contient 132 recommandations visant à des améliorations tant sur le
plan juridique qu’organisationnel au sein des différents services chargés de la lutte contre la fraude.
Le présent projet a pour objectif de concrétiser d’ores et déjà certaines de ces recommandations dans
lesquelles étaient suggérées des adaptations légales. Tel est le cas notamment en ce qui concerne:
- l’interdiction de prendre une décision anticipée relative à des transactions avec des paradis fiscaux
(recommandations 21 et 36) ;
- un premier pas vers un système juridique pour les lanceurs d'alerte (recommandations 23 à 26) en ce
qui concerne la communication des données fiscales ;
- le renforcement de la compliance dans le chef du contribuable (recommandations 38 et 67) ;
- les recommandations en rapport avec l’échange automatique de renseignements (recommandations 62
et 64);
- un allongement du délai d’imposition à 10 ans lorsqu’il est fait usage de constructions juridiques situées
dans des paradis fiscaux visant à camoufler l’origine et/ou l’existence du patrimoine Recommandation 69)
;
- une extension du champ d’application de l’échange de renseignements en ce qui concerne l’identité des
bénéficiaires effectifs (recommandations 74 et 75) ;
Il a en outre été également tenu compte lors de la réalisation des nouvelles mesures, là où cela était
nécessaire, des recommandations de l'OCDE qui ont été formulées à la suite du dernier peer review.
125
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) -
(v2) - 12/12/2018 16:28
2/5
Analyses d'impact déjà réalisées :
Oui
Non
C. Consultations sur le projet de réglementation
Consultation obligatoire, facultative ou informelle
/
D. Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact
Statistiques, documents, institutions et personnes de référence
/
126
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) -
(v2) - 12/12/2018 16:28
3/5
Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ?
1. Lutte contre la pauvreté
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
2. Égalité des chances et cohésion sociale
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
3. Égalité des femmes et des hommes
1. Quelles personnes sont (directement et indirectement) concernées par le projet et quelle est la
composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ?
Des personnes sont concernées.
Aucune personne n’est concernée.
Décrivez et indiquez le % femmes-hommes :
Le projet ne fait pas de distinction de genre.
2. Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la
matière relative au projet de réglementation.
L'avant-projet de loi est relatif à l'obligation de collaboration des contribuables et des tiers,
l'instauration d'une réglementation pour les lanceurs d'alerte et l'échange d'informations avec les
autorités étrangères. Tous les contribuables sont concernés sans distinction de genre.
S'il existe des différences, cochez cette case.
4. Santé
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
5. Emploi
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
6. Modes de consommation et production
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
7. Développement économique
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
8. Investissements
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
9. Recherche et développement
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
10. PME
1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées ?
Des entreprises (dont des PME) sont concernées.
Aucune entreprise n'est concernée.
127
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) -
(v2) - 12/12/2018 16:28
4/5
Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (
L'avant-projet (art 11) de loi a un impact sur les entreprises, notamment sur les PME.
2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME.
N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11
L'avant -projet de loi st relatif à l'obligation de collaboration des contribuables et des tiers, l'instauration
d'une réglementation pour les lanceurs d'alerte et l'échange d'informations avec les autorités
étrangères. Pour ce qui est de l'article 11, l'extension de l'article 22 de la loi susmentionnée signifie
qu'aucune décision anticipée ne peut être prise lorsqu'elle concerne des transactions ou des situations
liées à la liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée prévue par l'arrêté royal auquel renvoie
l'article 307, §1/2, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Il y a des impacts négatifs.
11. Charges administratives
Des entreprises/citoyens sont concernés.
Les entreprises/citoyens ne sont pas concernés.
12. Énergie
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
13. Mobilité
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
14. Alimentation
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
15. Changements climatiques
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
16. Ressources naturelles
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
17. Air intérieur et extérieur
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
18. Biodiversité
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
19. Nuisances
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
20. Autorités publiques
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
21. Cohérence des politiques en faveur du développement
128
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie III - Titres 1 à 3) -
(v2) - 12/12/2018 16:28
5/5
1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les
domaines suivants : sécurité alimentaire, santé et accès aux médicaments, travail décent, commerce local et
international, revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation), mobilité des personnes,
environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre), paix et sécurité.
Impact sur les pays en développement.
Pas d'imapct sur les pays en développement.
Expliquez pourquoi :
L'avant-projet de loi est relatif à l'obligation de collaboration des contribuables et des tiers, l'instauration
d'une réglementation pour les lanceurs d'alerte et l'échange d'informations avec les autorités étrangères.
Il n'y a pas d'impact sur les pays en développement.
129
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) -
(v35) - 12/12/2018 18:36
1/5
Analyse d'impact intégrée
Fiche signalétique
A. Auteur
Membre du Gouvernement compétent
le Ministre des Finances
Contact cellule stratégique
Nom : .....
E-mail : ......
Téléphone : .....
Administration
SPF Finances - ESS - reglementation
Contact administration
Nom : .....
E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be
Téléphone : ....
B. Projet
Titre de la règlementation
projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III -
chapitres 1à3)
Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités,
directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre.
Le rapport de la Commission spéciale « Fraude fiscale internationale/Panama Papers » a été rendu le 31
octobre 2017 (DOC 54 2749/001). Il contient 132 recommandations visant à des améliorations tant sur le
plan juridique qu’organisationnel au sein des différents services chargés de la lutte contre la fraude.
Le présent projet a pour objectif de concrétiser d’ores et déjà certaines de ces recommandations dans
lesquelles étaient suggérées des adaptations légales. Tel est le cas notamment en ce qui concerne:
- l’interdiction de prendre une décision anticipée relative à des transactions avec des paradis fiscaux
(recommandations 21 et 36) ;
- les recommandations en rapport avec l’échange automatique de renseignements (recommandations 62
et 64);
- un allongement du délai d’imposition à 10 ans lorsqu’il est fait usage de constructions juridiques situées
dans des paradis fiscaux visant à camoufler l’origine et/ou l’existence du patrimoine (Recommandation
69) ;
- une extension du champ d’application de l’échange de renseignements en ce qui concerne l’identité des
bénéficiaires effectifs (recommandations 74 et 75) ;
Il a en outre été également tenu compte lors de la réalisation des nouvelles mesures, là où cela était
nécessaire, des recommandations de l'OCDE qui ont été formulées à la suite du dernier peer review.
Analyses d'impact déjà réalisées :
Oui
Non
C. Consultations sur le projet de réglementation
130
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) -
(v35) - 12/12/2018 18:36
2/5
Consultation obligatoire, facultative ou informelle
Avis de l'Inspecteur des finances rendu le 1er octbre 2018
Accord de la Ministre du Budget rendu le ...
Avis du Conseil d'Etat rendu le27 novembre 2018
D. Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact
Statistiques, documents, institutions et personnes de référence
/
131
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) -
(v35) - 12/12/2018 18:36
3/5
Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ?
1. Lutte contre la pauvreté
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
2. Égalité des chances et cohésion sociale
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
3. Égalité des femmes et des hommes
1. Quelles personnes sont (directement et indirectement) concernées par le projet et quelle est la
composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ?
Des personnes sont concernées.
Aucune personne n’est concernée.
Décrivez et indiquez le % femmes-hommes :
Le projet ne fait pas de distinction de genre.
2. Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la
matière relative au projet de réglementation.
Le projet de loi est entre autres relatif à l'échange d'informations avec les autorités étrangères. Tous
les contribuables sont concernés sans distinction de genre.
S'il existe des différences, cochez cette case.
4. Santé
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
5. Emploi
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
6. Modes de consommation et production
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
7. Développement économique
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
8. Investissements
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
9. Recherche et développement
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
10. PME
1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées ?
Des entreprises (dont des PME) sont concernées.
Aucune entreprise n'est concernée.
132
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) -
(v35) - 12/12/2018 18:36
4/5
Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (
L'avant-projet (art 11) de loi a un impact sur les entreprises, notamment sur les PME.
2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME.
N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11
L'avant -projet de loi st relatif à l'échange d'informations avec les autorités étrangères. Aucune
décision anticipée ne peut être prise lorsqu'elle concerne des transactions ou des situations liées à la
liste des Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée prévue par l'arrêté royal auquel renvoie l'article
307, §1/2, alinéa 3, du Code des impôts sur les revenus 1992.
Il y a des impacts négatifs.
11. Charges administratives
Des entreprises/citoyens sont concernés.
Les entreprises/citoyens ne sont pas concernés.
1. Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la
réglementation.
Réglementation actuelle
Réglementation en projet
/
/
S’il y a des formalités et/ou des obligations dans la réglementation actuelle, cochez cette case.
S'il y a des formalités et/ou des obligations pour la réglementation en projet, cochez cette case.
12. Énergie
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
13. Mobilité
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
14. Alimentation
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
15. Changements climatiques
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
16. Ressources naturelles
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
17. Air intérieur et extérieur
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
18. Biodiversité
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
19. Nuisances
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
20. Autorités publiques
133
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (titre III - chapitres 1à3) -
(v35) - 12/12/2018 18:36
5/5
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
21. Cohérence des politiques en faveur du développement
1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les
domaines suivants : sécurité alimentaire, santé et accès aux médicaments, travail décent, commerce local et
international, revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation), mobilité des personnes,
environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre), paix et sécurité.
Impact sur les pays en développement.
Pas d'imapct sur les pays en développement.
Expliquez pourquoi :
L'avant-projet de loi est relatif à l'échange d'informations avec les autorités étrangères. Il n'y a pas
d'impact sur les pays en développement.
134
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) - (v2) -
12/12/2018 16:29
1/5
Analyse d'impact intégrée
Fiche signalétique
A. Auteur
Membre du Gouvernement compétent
Le Ministre des Finances
Contact cellule stratégique
Nom : Pieter Daens
E-mail : pieter.daens@decroo.fed.be
Téléphone : + 32 2 792 99 00
Administration
SPF Finances, ESS, Service Réglementation
Contact administration
Nom : /
E-mail : beoess.regl@minfin.fed.be
Téléphone : /
B. Projet
Titre de la règlementation
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V)
135
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) - (v2) -
12/12/2018 16:29
2/5
Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités,
directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre.
Chapitre 1er (Impôt sur les revenus)
Section 1 : Modifications à la réglementation relative aux revenus issus de l'économie collaborative, du
travail associatif et des services occasionnels entre les citoyens (revenus visés à l'article 90, alinéa 1er,
1°bis à 1°quater, CIR 92) en matière de la déduction des frais, de la définition des revenus mobiliers qui
peuvent être considérés comme des revenus issus de l'économie collaborative, du travail associatif et
des services occasionnels entre les citoyens et de l'application du précompte mobilier ;
Section 2 : Abrogation d'une mesure transitoire qui concernait une exonération d'impôt partielle pour les
rémunérations et indemnités perçues dans le cadre d'un licenciement : elle n'a plus de raison d'être
(abrogation de l'article 538 CIR 92). Permet la suppression de plusieurs codes dans la déclaration fiscale
à l'impôt des personnes physiques et donc sa simplification.
Chapitre 2 (TVA)
Confirmation de l'arrêté royal du 26 janvier 2016 modifiant l'arrêté royal n° 20, du 20 juillet 1970, fixant les
taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux
et de l'arrêté royal du 3 août 2016 modifiant l'arrêté royal n° 20, du 20 juillet 1970, fixant les taux de la
taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux en ce qui
concerne les bâtiments destinés à l’encadrement des élèves.
Chapitre 3 (Droits et taxes divers)
L'article 10 de ce Code doit être complété , suite à la modification de cet article par la loi du 11 juillet
2018, ayant étendu involontairement son champ d'application
Chapitre 4 (Droits d'hypothèque)
Adaptation sur le plan fédéral de l'article 92/1 du C. enreg. en vue d'éviter qu'un deuxième droit
d'enregistrement ne doive être payé lors de la constitution d'une deuxième hypothèque pour garantir la
même créance et le même montant.
Analyses d'impact déjà réalisées :
Oui
Non
C. Consultations sur le projet de réglementation
Consultation obligatoire, facultative ou informelle
Chapitres 1 à 3 : /
Chapitre 4 : Concertation facultative avec les Régions à l'Observatoire de la fiscalité régionale
D. Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact
Statistiques, documents, institutions et personnes de référence
/
136
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) - (v2) -
12/12/2018 16:29
3/5
Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ?
1. Lutte contre la pauvreté
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
2. Égalité des chances et cohésion sociale
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
3. Égalité des femmes et des hommes
1. Quelles personnes sont (directement et indirectement) concernées par le projet et quelle est la
composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ?
Des personnes sont concernées.
Aucune personne n’est concernée.
Décrivez et indiquez le % femmes-hommes :
Potentiellement tous les citoyens, sans distinction
2. Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la
matière relative au projet de réglementation.
/
S'il existe des différences, cochez cette case.
4. Santé
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
5. Emploi
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
6. Modes de consommation et production
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
7. Développement économique
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
8. Investissements
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
9. Recherche et développement
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
10. PME
1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées ?
Des entreprises (dont des PME) sont concernées.
Aucune entreprise n'est concernée.
137
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) - (v2) -
12/12/2018 16:29
4/5
Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (
Ch. 1 : Les mesures visent les personnes physiques.
Ch. 3 : Potentiellement tous les secteurs.
Ch. 4 : Les PME possédant un navire (mais faible probabilité).
2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME.
N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11
Ch. 3 : Négligeable, droit minime.
Ch. 4 : Evitement de paiement d'un 2ème droit d'enregistrement sur une 2ème hypothèque, constituté
sur un navire.
Il y a des impacts négatifs.
11. Charges administratives
Des entreprises/citoyens sont concernés.
Les entreprises/citoyens ne sont pas concernés.
1. Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la
réglementation.
Réglementation actuelle
Réglementation en projet
Ch. 1/sect.1
Sur la base de la réglementation existante, il
pourrait exister une obligation de retenir/verser le
précompte mobilier pour des revenus mobiliers
qui sont considérés comme des revenus divers
visés à l'article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater,
CIR 92 et qui sont donc généralement exonérés
d'impôt sur les revenus.
Ch. 1 /sect. 2
Remplissage annuel de la déclaration à l'impôt
des personnes physiques.
Ch. 1/sect. 1
Toute éventuelle obligation de retenir/verser le
précompte mobilier pour des revenus mobiliers
qui sont considérés comme des revenus divers
visés à l'article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater,
CIR 92 et qui sont donc généralement exonérés
d'impôt sur les revenus, est abrogée.
Ch. 1/sect. 2
Suppression de plusieurs codes dans la
déclaration.
S’il y a des formalités et/ou des obligations dans la réglementation actuelle, cochez cette case.
S'il y a des formalités et/ou des obligations pour la réglementation en projet, cochez cette case.
2. Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ?
Réglementation actuelle
Ch. 1/s1 : déclaration au précompte mobilier
Ch. 1/s2 : la déclaration IPP
3. Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ?
Réglementation actuelle
Ch. 1/s1 : déclaration à introduire auprès du SPF Finances
Ch 1/s2 : la déclaration IPP
4. Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ?
138
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Projet de loi portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude, financières et diverses (Partie V) - (v2) -
12/12/2018 16:29
5/5
Réglementation actuelle
Ch. 1/s1 : généralement chaque année
Ch 1/s2 : annuelle
5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ?
Ch. 1/s1 : les modifications n'ont pas d'impact négatifs
Ch 1/s2 : /
12. Énergie
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
13. Mobilité
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
14. Alimentation
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
15. Changements climatiques
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
16. Ressources naturelles
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
17. Air intérieur et extérieur
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
18. Biodiversité
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
19. Nuisances
Impact positif
Impact négatif
Pas d'impact
20. Autorités publiques
Impact positif
Impact négatif
Pas d’impact
21. Cohérence des politiques en faveur du développement
1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les
domaines suivants : sécurité alimentaire, santé et accès aux médicaments, travail décent, commerce local et
international, revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation), mobilité des personnes,
environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre), paix et sécurité.
Impact sur les pays en développement.
Pas d'imapct sur les pays en développement.
Expliquez pourquoi :
Les mesures ne visent que les personnes soumises à l'IPP en Belgique ou aux taxes diverses et droit
d'enregistrement en Belgique.
139
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
NR. 64.422/2-3 VAN 27 NOVEMBER 2018
Op 11 oktober 2018 is de Raad van State, afdeling
Wetgeving, door de minister van Financiën verzocht binnen
een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over
een voorontwerp van wet “houdende fiscale, fraudebestrij-
dende, financiële alsook diverse bepalingen”.
Deel III, titel 4, hoofdstuk 2, afdeling 4 en deel IV van
het voorontwerp zijn door de tweede kamer onderzocht
op 12 november 2018. De kamer was samengesteld
uit Pierre Vandernoot, kamervoorzitter, Luc Detroux en
Bernard Blero, staatsraden, Sébastien Van Drooghenbroek en
Jacques Englebert, assessoren, en Béatrice Drapier, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Jean-Luc Paquet, eerste
auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van
Pierre Vandernoot, kamervoorzitter.
Het voorontwerp is voor het overige door de derde kamer
onderzocht op 20 november 2018. De kamer was samenge-
steld uit Jo Baert, kamervoorzitter, Jeroen Van Nieuwenhove
en Koen Muylle, staatsraden, Jan Velaers en Bruno Peeters,
assessoren, en Annemie Goossens, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Kristine Bams, eer-
ste auditeur-afdelingshoofd, en Frédéric Vanneste en
Jonas Riemslagh, auditeurs.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Jo Baert,
kamervoorzitter.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op
27 november 2018.
*
1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wet-
ten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973,
heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek
van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de
rechtsgrond1, alsmede van de vraag of aan de te vervullen
vormvereisten is voldaan.
*
STREKKING VAN HET VOORONTWERP
2. Het om advies voorgelegde voorontwerp van wet is
een amalgaam van maatregelen, in hoofdzaak van fiscale
1
Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder
“rechtsgrond” de conformiteit met hogere rechtsnormen verstaan.
AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT
N° 64.422/2-3 DU 27 NOVEMBRE 2018
Le 11 octobre 2018, le Conseil d’État, section de législation,
a été invité par le ministre des Finances à communiquer un
avis, dans un délai de trente jours, sur un avant-projet de loi
“portant des dispositions fiscales, de lutte contre la fraude,
financières et diverses”.
Les parties III, titre 4, chapitre 2, section 4, et IV
de l’avant-projet ont été examinées par la deuxième
chambre le 12 novembre 2018. La chambre était com-
posée de Pierre Vandernoot, président de chambre,
Luc Detroux et Bernard Blero, conseillers d ’ État,
Sébastien Van Drooghenbroek et Jacques Englebert, asses-
seurs, et Béatrice Drapier, greffier.
Le rapport a été présenté par Jean-Luc Paquet, premier
auditeur.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de
Pierre Vandernoot, président de chambre.
L’avant-projet a pour le reste été examiné par la troisième
chambre le 20 novembre 2018. La chambre était composée de
Jo Baert, président de chambre, Jeroen Van Nieuwenhove et
Koen Muylle, conseillers d’État, Jan Velaers et Bruno Peeters,
assesseurs, et Annemie Goossens, greffier.
Le rapport a été présenté par Kristine Bams, premier audi-
teur chef de section, et Frédéric Vanneste et Jonas Riemslagh,
auditeurs.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de
Jo Baert, président de chambre.
L’avis, dont le texte suit, a été donné le 27 novembre 2018.
*
1. En application de l’article 84, § 3, alinéa 1er, des lois sur
le Conseil d’État, coordonnées le 12 janvier 1973, la section
de législation a fait porter son examen essentiellement sur
la compétence de l’auteur de l’acte, le fondement juridique1
et l’accomplissement des formalités prescrites.
*
PORTÉE DE L’AVANT-PROJET
2. L’avant-projet de loi soumis pour avis est un amalgame
de mesures, essentiellement de nature fiscale et financière.
1
S’agissant d’un avant-projet de loi, on entend par “fondement
juridique” la conformité avec les normes supérieures.
140
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
en financiële aard. Veelal gaat het om wijzigingsbepalingen,
maar het voorontwerp telt ook een beperkt aantal autonome
bepalingen (artikelen 22 tot 24 en 88 tot 98).
VOORAFGAANDE OPMERKINGEN
3. Aan de Raad van State, afdeling Wetgeving, zijn op
korte tijd een reeks voorontwerpen van wet tot wijziging
van de belastingwetgeving voorgelegd.2 Soms komen in die
verschillende voorontwerpen bepalingen in verband met de-
zelfde artikelen voor (zie bijvoorbeeld opmerking 28), waarbij
het niet steeds duidelijk is wat de samenhang is tussen die
verschillende wijzigingsbepalingen en in welke volgorde ze
zullen worden aangenomen. Voor de Raad van State is het
daardoor soms moeilijk om door de bomen het bos nog te zien.
De stellers van het voorontwerp zullen er over moeten
waken dat de bepalingen van de verschillende voorontwer-
pen in de juiste volgorde worden aangenomen en dat ook
de verschillende tijdstippen van inwerkingtreding op elkaar
worden afgestemd.
4. Sommige van de bepalingen van het om advies voorge-
legde voorontwerp bevatten tekstdelen die tussen vierkante
haakjes zijn geplaatst (zie ook de opmerkingen 14 en 30). Het
gaat kennelijk om tekstgedeelten die nog niet definitief zijn. Er
wordt herinnerd aan de regel dat de teksten die aan de Raad
van State, afdeling Wetgeving, om advies worden voorgelegd,
een definitief karakter dienen te hebben.
VORMVEREISTEN
5. Sommige van de ontworpen bepalingen handelen over
de verwerking van persoonsgegevens, bijvoorbeeld die welke
het voorwerp zijn van de artikelen 26, 29, 2°, 30, 49 en 54, 3°,
van het voorontwerp.
Artikel 36, lid 4, van verordening (EU) 2016/679 van het
Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 “betreffen-
de de bescherming van natuurlijke personen in verband met
de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije
verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/
EG (algemene verordening gegevensbescherming)”, gelezen
in samenhang met artikel 57, lid 1, c), en overweging 96 van die
verordening, voorziet in een verplichting om de toezichthouden-
de autoriteit, in dit geval de Gegevensbeschermingsautoriteit
bedoeld in de wet van 3 december 2017 “tot oprichting van
2
Zie in het bijzonder het voorontwerp van wet “tot wijziging
van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst
voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën wat de
automatisering van de uitvoerbare titel betreft” (rolnummer
64.202/1), het voorontwerp van wet “tot invoering van het
Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale
en niet-fiscale schuldvorderingen” (rolnummer 64.204/3) en het
voorontwerp van wet “houdende diverse fiscale bepalingen en
tot wijziging van artikel 1, § 1ter, van de wet van 5 april 1955”
(rolnummer 64.323/2-3).
Il s’agit généralement de dispositions modificatives, mais
l’avant-projet comporte également un nombre limité de dis-
positions autonomes (articles 22 à 24 et 88 à 98).
OBSERVATIONS PRÉALABLES
3. Le Conseil d’État, section de législation, a été saisi, sur
un court laps de temps, de toute une série d’avant-projets
de loi modifiant la législation fiscale2. Ces différents avant-
projets comportant parfois des dispositions en rapport avec
les mêmes articles (voir par exemple l’observation n° 28), on
n’aperçoit pas toujours clairement la cohérence entre ces
différentes dispositions modificatives et l’ordre dans lequel
elles seront adoptées. Dès lors, il est parfois difficile pour le
Conseil d’État de percevoir pleinement la portée du dispositif
en projet.
Les auteurs de l’avant-projet devront veiller à ce que les
dispositions des différents avant-projets soient adoptées dans
l’ordre correct et également à ce que les différentes dates
d’entrée en vigueur soient harmonisées.
4. Certaines des dispositions de l’avant-projet de loi soumis
pour avis contiennent des parties entre crochets (voir égale-
ment les observations nos 14 et 30). Il s’agit manifestement
de parties de texte qui ne sont pas encore définitives. On
rappellera la règle qui veut que les textes soumis pour avis
au Conseil d’État, section de législation, doivent avoir un
caractère définitif.
FORMALITÉS
5. Certaines des dispositions en projet portent sur le
traitement de données à caractère personnel, par exemple
celles qui font l’objet des articles 26, 29, 2°, 30, 49 et 54, 3°,
de l’avant-projet.
L’article 36, paragraphe 4, du règlement (UE) n° 2016/679 du
Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 “relatif à la
protection des personnes physiques à l’égard du traitement
des données à caractère personnel et à la libre circulation
de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règle-
ment général sur la protection des données)”, combiné avec
l’article 57, paragraphe 1er, c), et le considérant 96 de ce
règlement, imposent de consulter l’autorité de contrôle, en
l’occurrence l’Autorité de protection des données visée dans
la loi du 3 décembre 2017 “portant création de l’Autorité de
2
Voir notamment l’avant-projet de loi “modifiant la loi du
21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires
au sein du SPF Finances en ce qui concerne l’automatisation
du titre exécutoire” (numéro de rôle 64.202/1), l’avant-projet de
loi “introduisant le Code du recouvrement amiable et forcé des
créances fiscales et non fiscales” (numéro de rôle 64.204/1) et
l’avant-projet de loi “portant des dispositions fiscales diverses
et modifiant l’article 1er, § 1erter, de la loi du 5 avril 1955” (numéro
de rôle 64.323/2-3).
141
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
de Gegevensbeschermingsautoriteit”,3 te raadplegen bij het
opstellen van een voorstel voor een door een nationaal par-
lement vast te stellen wetgevingsmaatregel, of een daarop
gebaseerde regelgevingsmaatregel in verband met verwer-
king. Het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit
moet bijgevolg worden ingewonnen vooraleer het voorontwerp
doorgang kan vinden.
6. De artikelen 49 tot 53 van het voorontwerp strekken tot
wijziging van de artikelen 157 tot 161 van de programmawet (I)
van 29 maart 2012. Het gaat om regels die een betere inning
en invordering van belastingen, bijbehoren, verhogingen en
boetes mogelijk moeten maken. De regeling kan ook worden
aangewend om gewestelijke belastingen te innen of in te vor-
deren waarvoor de federale overheid nog de dienst verzorgt.
Krachtens artikel 5, § 3, eerste lid, van de bijzondere
wet van 16 januari 1989 “betreffende de financiering van de
Gemeenschappen en de Gewesten” (hierna: bijzondere finan-
cieringswet) zorgt de Staat voor de dienst van de belasting “in
overleg met het betrokken gewest”, tot het gewest de dienst
van de belasting zelf in handen neemt. In zoverre de ontwor-
pen regels betrekking hebben op gewestelijke belastingen
waarvoor de federale overheid nog de dienst verzorgt, dient
er overleg te worden gepleegd met de betrokken gewesten.
Daarover om toelichting verzocht heeft de gemachtigde
medegedeeld dat het overleg zal worden georganiseerd.
7 Indien de aan de Raad van State voorgelegde tekst ten
gevolge van het vervullen van de voornoemde vormvereisten
nog wijzigingen zou ondergaan, moeten de gewijzigde of toe-
gevoegde bepalingen, ter inachtneming van het voorschrift
van artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van
State, aan de afdeling Wetgeving worden voorgelegd.
ALGEMENE OPMERKINGEN
I. — STRUCTUUR VAN HET VOORONTWERP
8. Volgens de Handleiding wetgevingstechniek moet
worden gekozen voor
“een structuur waaruit eenvoudig en snel kan worden op-
gemaakt welke verschillende aspecten in een tekst worden
behandeld. Daartoe kunt u:
a) artikelen groeperen in hoofdstukken;
b) hoofdstukken achtereenvolgens onderverdelen in afde-
lingen en onderafdelingen;
3
De Commissie voor de persoonlijke levenssfeer is vanaf
25 mei 2018 opgevolgd door de Gegevensbeschermingsautoriteit
(zie de artikelen 3 en 110 van de wet van 3 december 2017). De
leden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer oefenen evenwel de taken en de bevoegdheden van
de Gegevensbeschermingsautoriteit uit tussen 25 mei 2018
en de dag waarop de leden van het directiecomité van de
Gegevensbeschermingsautoriteit de eed afleggen en een
verklaring ondertekenen dat er geen belangenconflicten zijn
(artikel 114 van de wet van 3 december 2017).
protection des données”3, dans le cadre de l’élaboration
d’une proposition de mesure législative devant être adoptée
par un parlement national, ou d’une mesure réglementaire
fondée sur une telle mesure législative, qui se rapporte au
traitement. Il s’impose par conséquent de recueillir encore
l’avis de l’Autorité de protection des données avant que le
projet puisse se concrétiser.
6. Les articles 49 à 53 de l’avant-projet tendent à modifier
les articles 157 à 161 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012.
Il s’agit de règles permettant d’améliorer la perception et le
recouvrement d’impôts, d’accessoires, d’accroissements
et d’amendes. Le dispositif peut également être affecté à
la perception et au recouvrement d’impôts régionaux pour
lesquels l’autorité fédérale assure encore le service.
En vertu de l’article 5, § 3, alinéa 1er, de la loi spéciale du
16 janvier 1989 “relative au financement des Communautés
et des Régions” (ci-après: loi spéciale de financement), l’État
assure le service de l’impôt “en concertation avec [la région
concernée]” et jusqu’à ce que celle-ci assure elle-même le
service de l’impôt. Dans la mesure où les règles en projet
concernent des impôts régionaux pour lesquels l’autorité
fédérale assure encore le service, une concertation doit
intervenir avec les régions concernées.
Invité à fournir des précisions à ce sujet, le délégué a fait
savoir que la concertation sera organisée.
7. Si l’accomplissement des formalités susmentionnées
devait encore donner lieu à des modifications du texte sou-
mis au Conseil d’État, les dispositions modifiées ou ajoutées
devraient être soumises à la section de législation, confor-
mément au prescrit de l’article 3, § 1er, alinéa 1er, des lois sur
le Conseil d’État.
OBSERVATIONS GÉNÉRALES
I. — STRUCTURE DE L’AVANT-PROJET
8. Selon le Guide de technique législative, il faut opter pour
“une structure qui permette d’identifier facilement et rapi-
dement les différents aspects traités par un acte. À cet égard,
vous pouvez:
a) grouper les articles sous des chapitres;
b) diviser les chapitres successivement en sections et en
sous-sections;
3
Au 25 mai 2018, l’Autorité de protection des données a succédé
à la Commission pour la protection de la vie privée (voir les
articles 3 et 110 de la loi du 3 décembre 2017). Les membres de
la Commission de la protection de la vie privée exercent toutefois
les missions et les compétences de l’Autorité de protection des
données entre le 25 mai 2018 et la date à laquelle les membres
du Comité de direction de l’Autorité de protection des données
auront prêté serment et signé une déclaration d’absence de
conflits d’intérêts (article 114 de la loi du 3 décembre 2017).
142
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
c) hoofdstukken achtereenvolgens groeperen in titels,
boeken en delen.”4
Een indeling in boeken wordt niet gebruikt in het vooront-
werp. Het lijkt dan ook meer aangewezen het in te delen in
titels in plaats van in delen, en die titels dan verder onder te
verdelen in hoofdstukken, afdelingen en onderafdelingen.
Het voorontwerp dient in alle geval logischer te worden ge-
structureerd. Zo heeft de onderverdeling “Enige titel” (zonder
opschrift), van bijvoorbeeld deel I dat slechts uit één artikel
bestaat, geen zin. Deel III bevat twee onderverdelingen A en
B, die uit de band springen en daarom weggelaten moeten
worden (zie ook de opmerkingen 20 en 26). Deel III, titel 1,
en deel IV, enige titel, zijn dan weer niet onderverdeeld in
hoofdstukken, maar in afdelingen. Deel III, titel 2, heeft twee
opschriften, wat te vermijden is. Voor deel V ten slotte wordt
de eerste onderverdeling aangeduid als “Enige titel V” (sic).
II. — INGRIJPEN DOOR DE WETGEVER IN DE
ORGANISATIE VAN DE UITVOERENDE MACHT
9. Artikel 22, § 1, vierde lid, van het voorontwerp houdt een
delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de minister
van Financiën in.
De verordenende bevoegdheid komt evenwel krachtens
de grondwettelijke beginselen betreffende de uitoefening
der staatsmachten in de eerste plaats toe aan de Koning.
Weliswaar is niet onverenigbaar met die beginselen, een
delegatie aan een minister van bevoegdheden van louter
bijkomstige of detailmatige aard, maar zulks neemt niet weg
dat het dan in principe de Koning toekomt om zulk een dele-
gatie van louter bijkomstige of detailmatige aard te verlenen
en niet de wetgever. Een rechtstreekse delegatie van zulke
bevoegdheden aan een minister komt immers in principe
neer op een ingrijpen van de wetgever in een prerogatief dat
aan de Koning als hoofd van de federale uitvoerende macht
(artikel 37 van de Grondwet) toebehoort.
Een rechtstreekse delegatie van de wetgever aan de uit-
voerende macht is niet enkel in strijd met artikel 37 van de
Grondwet, maar leidt ook tot heel wat praktische problemen
die aanleiding kunnen geven tot rechtsonzekerheid. Naast
de aangelegenheden die door de wetgever aan een minister
werden gedelegeerd (en die strikt moeten worden geïnter-
preteerd), blijft de Koning immers op basis van zijn algemene
uitvoeringsbevoegdheid overeenkomstig artikel 108 van de
Grondwet voor het overige bevoegd om te voorzien in de
uitvoering van de wet. Dit geeft in de praktijk vaak aanleiding
tot onduidelijkheid en betwistingen over de vraag of bepaalde
(deel)aspecten vervolgens door de Koning dan wel door de
minister dienen te worden geregeld, evenals tot een diffuus
en moeilijk toegankelijk rechtskader dat over zowel koninklijke
als ministeriële besluiten verspreid ligt.
4
Beginselen van de wetgevingstechniek – Handleiding voor het
opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van
State, 2008, nr. 62, te raadplegen op de internetsite van de Raad
van State (www.raadvst-consetat.be).
c) grouper les chapitres successivement sous des titres,
des livres et des parties”4.
L’avant-projet ne procède pas à une division en livres. Aussi
serait-il plus indiqué de diviser le projet en titres, plutôt qu’en
parties, et de subdiviser ces titres à leur tour en chapitres,
sections et sous-sections.
L’avant-projet doit en tout état de cause être structuré de
manière plus logique. Ainsi, la subdivision “Titre unique” (sans
intitulé) de la Partie I par exemple, qui ne comporte qu’un seul
article, est dépourvue de sens. La partie III contient deux
subdivisions A et B, qui échappent à la structuration globale
de l’avant-projet et qui doivent pour cette raison être omises
(voir également les observations nos 20 et 26). La partie III,
titre 1er, et la partie IV, titre unique, ne sont quant à elles pas
subdivisées en chapitres, mais en sections. La partie III, titre
2, comporte deux intitulés, ce qu’il convient d’éviter. Enfin,
en ce qui concerne la partie V, la première subdivision est
désignée par “Titre unique V” (sic).
II. — INTERVENTION DU LÉGISLATEUR DANS
L’ORGANISATION DU POUVOIR EXÉCUTIF
9. L’article 22, § 1er, alinéa 4, de l’avant-projet, accorde une
délégation de pouvoir réglementaire au ministre des Finances.
Toutefois, en vertu des principes constitutionnels relatifs à
l’exercice des pouvoirs, le pouvoir réglementaire est dévolu
en premier lieu au Roi. Certes, il n’est pas incompatible
avec ces principes de conférer à un ministre une délégation
de pouvoirs d’ordre accessoire ou secondaire, mais il n’en
demeure pas moins qu’il appartient alors en principe au Roi
et non au législateur d’octroyer pareille délégation. En effet,
l’octroi d’une délégation directe de pouvoirs de l’espèce à un
ministre signifierait en principe que le législateur empiéterait
sur une prérogative qui revient au Roi en tant que chef du
pouvoir exécutif fédéral (article 37 de la Constitution).
L’octroi par le législateur d’une délégation directe au
pouvoir exécutif est non seulement contraire à l’article 37 de
la Constitution, mais pose également de nombreux pro-
blèmes d’ordre pratique susceptibles de créer une insécurité
juridique. En effet, outre les matières que le législateur a
déléguées à un ministre (et qui doivent être interprétées au
sens strict), le Roi demeure compétent, pour le surplus, pour
exécuter la loi, en vertu du pouvoir général d’exécution qu’il
tire de l’article 108 de la Constitution. Dans la pratique, cela
engendre souvent la confusion et des contestations à propos
de la question de savoir si certains aspects (partiels) doivent
ensuite être réglés par le Roi ou par le ministre. Il en résulte
également un cadre juridique confus et difficilement acces-
sible, la réglementation en question se dispersant dans des
arrêtés tant royaux que ministériels.
4
Principes de technique législative Guide de rédaction des
textes législatifs et réglementaires, Conseil d’État, 2008, n° 62,
à consulter sur le site Internet du Conseil d’État (www.raadvst-
consetat.be).
143
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de minis-
ter van Financiën dient bijgevolg te worden vervangen door
een delegatie aan de Koning.
Maar ook door rechtstreeks niet-regelgevende bevoegd-
heden toe te wijzen aan de minister van Financiën, aan een
door die minister gemachtigde of aan de administratie grijpt
de wetgever in op het prerogatief van de Koning.5
Ook de delegaties van individuele bevoegdheid zijn in
de eerste plaats zaak van de Koning. De wetgever dient het
toewijzen ervan aan de Koning over te laten, die op zijn beurt
de aangelegenheid eventueel kan overlaten aan de minister
van Financiën.
ONDERZOEK VAN DE TEKST
DEEL I – INLEIDENDE BEPALING
10. Dit deel geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
DEEL II – FISCALE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1
Eenheidsstatuut
11. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
HOOFDSTUK 2
ATAD – Interestaftrekbeperking
12. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
HOOFDSTUK 3
Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse
vennootschap verbonden met de werkgever
Afdeling 1
Wijzigingen van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Artikel 8
13. Artikel 8 van het voorontwerp strekt tot het toevoe-
gen van een lid aan artikel 270 van het Wetboek van de
Inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92). In dat artikel
wordt bepaald wie de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is. Het
ontworpen lid voert een juridische fictie in: in bepaalde geval-
len wordt een belastingplichtige wiens “werknemer wegens
of naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit bij die belasting-
plichtige bezoldigingen en/of voordelen van alle aard ontvangt
zoals bedoeld in artikel 30, 1° en 2°, WIB 92 vanwege een met
die belastingplichtige verbonden buitenlandse vennootschap,
5
Zie bijvoorbeeld de artikelen 25, vierde lid, en 122 van het
voorontwerp.
Par conséquent, la délégation de pouvoir réglementaire
au ministre des Finances doit être remplacée par une délé-
gation au Roi.
En attribuant directement des pouvoirs non réglementaires
au ministre des Finances, à un délégué de ce ministre ou
à l’administration, le législateur empiète également sur la
prérogative du Roi5.
Les délégations de pouvoir individuel appartiennent égale-
ment en premier lieu au Roi. Le législateur est tenu de laisser
au Roi le soin de les attribuer, ce dernier pouvant à son tour
éventuellement laisser la matière à la discrétion du ministre
des Finances.
EXAMEN DU TEXTE
PARTIE I – DISPOSITION INTRODUCTIVE
10. Cette partie n’appelle aucune observation.
PARTIE II – DISPOSITIONS FISCALES
CHAPITRE 1ER
Statut unique
1.1. Ce chapitre n’appelle aucune observation.
CHAPITRE 2
ATAD – Limitation d’intérêts
12. Ce chapitre n’appelle aucune observation.
CHAPITRE 3
Rémunérations reçues d’une société étrangère
liée à l’employeur
Section 1re
Modifications du Code des impôts
sur les revenus 1992
Article 8
13. L’article 8 de l’avant-projet tend à ajouter un alinéa
à l’article 270 du Code des impôts sur les revenus 1992
(ci-après: CIR 92). Cet article détermine qui est redevable
du précompte professionnel. L’alinéa en projet instaure une
fiction juridique: dans certains cas, un contribuable “dont un
travailleur reçoit en raison ou à l’occasion de son activité
professionnelle auprès du contribuable des rémunérations et/
ou des avantages de toute nature tels que visés à l’article 30,
1° et 2°, CIR 92 de la part d’une société étrangère liée à ce
contribuable sera considéré comme ayant lui-même octroyé
5
Voir par exemple les articles 25, alinéa 4, et 122, de l’avant-projet.
144
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
geacht die bezoldigingen en/of voordelen van alle aard zelf
te hebben toegekend” (citaat uit de memorie van toelichting).
Het is echter onzeker of de belastingplichtige in al die
gevallen kennis heeft van de nodige gegevens om aan zijn
verplichtingen te kunnen voldoen; het feit dat het gaat om
een buitenlandse vennootschap die met de belastingplich-
tige verbonden is, garandeert immers niet dat de belas-
tingplichtige tijdig de nodige informatie heeft gekregen. Uit
artikel 412, tweede lid, van het WIB 92 volgt immers dat de
bedrijfsvoorheffing betaalbaar is binnen vijftien dagen na
het verstrijken van de maand waarin de inkomsten werden
betaald of toegekend.
Aan de gemachtigde is daarom de vraag gesteld hoe
een dochteronderneming die ingevolge de juridische fictie
de bedrijfsvoorheffing moet betalen, kan weten dat de moe-
dermaatschappij bezoldigingen of voordelen van alle aard
heeft toegekend en wanneer dat is gebeurd. De gemachtigde
antwoordde het volgende:
“Comme indiqué dans l’exposé des motifs, c’est bien
“en l’absence de retenue du précompte professionnel, et
en l’absence du respect de l’obligation de transmettre cer-
taines informations”, que ce type de rémunération échappe
à l’impôt légalement dû. La fi ction proposée peut donc être
analysée comme une mesure anti-abus, prise pour contrer
certains schémas de rémunération utilisant des sociétés
liées étrangères.
On rappelle également que la fi ction ne sera applicable
qu’en présence de sociétés liées, au sens du Code des
sociétés (ou du futur Code des sociétés et des associations),
dont l’une est une entreprise résidente belge, et l’autre
une entreprise étrangère. Or pour que de telles sociétés
soit considérées comme liées, il faut que l’une exerce un
contrôle sur l’autre (article 11, C. soc.) ou que, à défaut d’un
tel contrôle, elles soient toutes les deux placées sous un
contrôle unique (cas du consortium, cf. article 10, C. soc.).
Le contrôle implique quant à lui un pouvoir d’infl uence déci-
sive sur la désignation une majorité d’administrateurs ou de
gérants de la société contrôlée, ou un pouvoir d’infl uence
décisive sur l’orientation de la gestion de la société contrôlée
(article 5, C. soc.).
On peut difficilement considérer que les décisions
d’attribuer des rémunérations ou tout autre avantage, à une
personne non liée contractuellement à la société débitrice,
mais qui est un travailleur d’une société liée belge, soient
prises sans que les administrateurs ou gérants de la société
étrangère et/ou de la société belge n’en soient informés, ou
sans que cela ne soit considéré comme faisant partie de la
gestion de la société étrangère et/ou de la société belge.
Par ailleurs, la fi ction ne trouve à s’appliquer que “en
raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du béné-
fi ciaire au profi t du contribuable”, c’est-à-dire uniquement
en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle du
travailleur au profi t de la société liée belge.
En outre, et d’une manière très concrète, on imagine
mal une société liée étrangère accorder un avantage à
ces rémunérations et/ou ces avantages de toute nature”
(citation de l’exposé des motifs).
Cependant, il n’est pas certain que le contribuable ait, dans
tous ces cas, connaissance des éléments nécessaires pour
pouvoir satisfaire à ses obligations; le fait qu’il s’agisse d’une
société étrangère liée au contribuable ne garantit en effet pas
que le contribuable a reçu les informations en temps utile. Il
ressort effectivement de l’article 412, alinéa 2, du CIR 92, que
le précompte professionnel est payable dans les quinze jours
qui suivent l’expiration du mois pendant lequel les revenus
ont été payés ou attribués.
La question a dès lors été posée au délégué de savoir
comment une filiale qui doit payer le précompte professionnel
en raison de la fiction juridique peut savoir que la société mère
a octroyé des rémunérations ou des avantages de toute nature
et quand cela a été fait. Le délégué a répondu ce qui suit:
“Comme indiqué dans l’exposé des motifs, c’est bien
“en l’absence de retenue du précompte professionnel, et
en l’absence du respect de l’obligation de transmettre cer-
taines informations”, que ce type de rémunération échappe
à l’impôt légalement dû. La fiction proposée peut donc être
analysée comme une mesure anti-abus, prise pour contrer
certains schémas de rémunération utilisant des sociétés
liées étrangères.
On rappelle également que la fiction ne sera applicable
qu’en présence de sociétés liées, au sens du Code des
sociétés (ou du futur Code des sociétés et des associations),
dont l’une est une entreprise résidente belge, et l’autre une
entreprise étrangère. Or pour que de telles sociétés soit consi-
dérées comme liées, il faut que l’une exerce un contrôle sur
l’autre (article 11, C. soc.) ou que, à défaut d’un tel contrôle,
elles soient toutes les deux placées sous un contrôle unique
(cas du consortium, cf. article 10, C. soc.). Le contrôle implique
quant à lui un pouvoir d’influence décisive sur la désignation
une majorité d’administrateurs ou de gérants de la société
contrôlée, ou un pouvoir d’influence décisive sur l’orientation
de la gestion de la société contrôlée (article 5, C. soc.).
On peut difficilement considérer que les décisions d’attri-
buer des rémunérations ou tout autre avantage, à une per-
sonne non liée contractuellement à la société débitrice, mais
qui est un travailleur d’une société liée belge, soient prises
sans que les administrateurs ou gérants de la société étran-
gère et/ou de la société belge n’en soient informés, ou sans
que cela ne soit considéré comme faisant partie de la gestion
de la société étrangère et/ou de la société belge.
Par ailleurs, la fiction ne trouve à s’appliquer que “en raison
ou à l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire
au profit du contribuable”, c’est-à-dire uniquement en raison
ou à l’occasion de l’activité professionnelle du travailleur au
profit de la société liée belge.
En outre, et d’une manière très concrète, on imagine
mal une société liée étrangère accorder un avantage à
145
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
un travailleur d’une société liée belge, sans connaître un
minimum d’informations sur ledit travailleur. Or ces informa-
tions (identité du travailleur, fonction dans l’entreprise, et,
éventuellement, numéro de compte bancaire, etc.) peuvent
difficilement être transmises à la société liée étrangère, sans
que la société liée belge n’en soit elle-même informée, ou
sans qu’elle ne participe activement à la transmission de
ces données.
De ces éléments, on peut raisonnablement en déduire
qu’une société belge liée à une société étrangère, comme
dans les cas visés par la fi ction, sait lorsque la société liée
étrangère attribue une rémunération à un travailleur de la
société belge, alors qu’il n’existe aucune relation contrac-
tuelle de travail entre le travailleur de la société belge et la
société liée étrangère. Dans les cas où de tels schémas de
rémunération étaient jusqu’à présent utilisés pour échapper
au fi sc, on peut considérer qu’ils étaient mis en place à
l’instigation même de la société belge, en vue de gratifi er
un de ses travailleurs; dans les autres cas, on peut aussi
raisonnablement considérer que la société étrangère liée
informe la société liée belge de son intention d’attribuer un
avantage à un travailleur de ladite société liée belge. Quel
que soit le cas de fi gure, la société liée belge est donc bien
mise au courant de l’attribution d’un avantage à un de ses
travailleurs par la société liée étrangère.
Enfi n, si on devait considérer qu’il existe des cas où,
actuellement, la société liée belge n’est pas informée de
l’existence de telles opérations effectuées par une société
liée étrangère, on peut raisonnablement estimer que les
sociétés liées belges potentiellement concernées prendront
les devants en informant leurs sociétés liées étrangères de
la nouvelle fi ction fi scale belge. Elles pourraient donc, par
exemple, demander à leurs sociétés liées étrangères de ne
pas procéder à des attributions comme celles visées par la
fi ction, sans s’assurer préalablement d’en avoir informé la
société liée belge.”
Aan de gemachtigde is voorts gevraagd of in geval van
niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing door de dochteron-
derneming, de bestuurders ervan hoofdelijk gehouden zijn
krachtens artikel 442quater van het WIB 92. Het antwoord
luidde:
“Cette fiction s’étend naturellement aux dispositions
régissant le recouvrement du précompte professionnel, ainsi
qu’aux sanctions qui y sont liées. Le libellé de la phrase
liminaire de l’article 270, alinéa 2, CIR 92, tel qu’inséré
par le présent projet de loi, à savoir “pour l’application du
précompte professionnel”, nous semble suffisamment clair
sur ce point.
Toutefois, la responsabilité solidaire des administrateurs
prévue à l’article 442quater CIR 92 est une responsabilité
à base de faute (la disposition renvoie expressément à l’ar-
ticle 1382 du Code civil). Il s’ensuit que cette responsabilité
ne saurait être engagée si, malgré les fortes présomptions
mentionnées à la réponse précédente, la société débitrice du
précompte professionnel à cause de la fi ction prouve qu’elle
était dans l’ignorance du paiement d’une rémunération ou
un travailleur d’une société liée belge, sans connaître un
minimum d’informations sur ledit travailleur. Or ces informa-
tions (identité du travailleur, fonction dans l’entreprise, et,
éventuellement, numéro de compte bancaire, etc.) peuvent
difficilement être transmises à la société liée étrangère, sans
que la société liée belge n’en soit elle-même informée, ou
sans qu’elle ne participe activement à la transmission de
ces données.
De ces éléments, on peut raisonnablement en déduire
qu’une société belge liée à une société étrangère, comme
dans les cas visés par la fiction, sait lorsque la société liée
étrangère attribue une rémunération à un travailleur de la
société belge, alors qu’il n’existe aucune relation contrac-
tuelle de travail entre le travailleur de la société belge et la
société liée étrangère. Dans les cas où de tels schémas de
rémunération étaient jusqu’à présent utilisés pour échapper
au fisc, on peut considérer qu’ils étaient mis en place à l’ins-
tigation même de la société belge, en vue de gratifier un de
ses travailleurs; dans les autres cas, on peut aussi raisonna-
blement considérer que la société étrangère liée informe la
société liée belge de son intention d’attribuer un avantage à
un travailleur de ladite société liée belge. Quel que soit le cas
de figure, la société liée belge est donc bien mise au courant
de l’attribution d’un avantage à un de ses travailleurs par la
société liée étrangère.
Enfin, si on devait considérer qu’il existe des cas où,
actuellement, la société liée belge n’est pas informée de
l’existence de telles opérations effectuées par une société
liée étrangère, on peut raisonnablement estimer que les
sociétés liées belges potentiellement concernées prendront
les devants en informant leurs sociétés liées étrangères de
la nouvelle fiction fiscale belge. Elles pourraient donc, par
exemple, demander à leurs sociétés liées étrangères de ne
pas procéder à des attributions comme celles visées par la
fiction, sans s’assurer préalablement d’en avoir informé la
société liée belge”.
Il a en outre été demandé au délégué si en cas de non-paie-
ment du précompte professionnel par la filiale, les administra-
teurs de celle-ci seraient solidairement responsables en vertu
de l’article 442quater du CIR 92. Il a répondu comme suit:
“Cette fiction s’étend naturellement aux dispositions
régissant le recouvrement du précompte professionnel, ainsi
qu’aux sanctions qui y sont liées. Le libellé de la phrase limi-
naire de l’article 270, alinéa 2, CIR 92, tel qu’inséré par le
présent projet de loi, à savoir “pour l’application du précompte
professionnel”, nous semble suffisamment clair sur ce point.
Toutefois, la responsabilité solidaire des administrateurs
prévue à l’article 442quater CIR 92 est une responsabilité
à base de faute (la disposition renvoie expressément à l’ar-
ticle 1382 du Code civil). Il s’ensuit que cette responsabilité
ne saurait être engagée si, malgré les fortes présomptions
mentionnées à la réponse précédente, la société débitrice du
précompte professionnel à cause de la fiction prouve qu’elle
était dans l’ignorance du paiement d’une rémunération ou
146
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
d’un avantage par une société liée à un de ses propres
travailleurs.”
14. In het ontworpen artikel 270, tweede lid, van het WIB
92, doch ook in andere onderdelen van het voorontwerp, ko-
men tekstgedeelten tussen vierkante haakjes voor waarmee
wordt aangegeven tussen welke van de twee alternatieve
formuleringen zal worden gekozen, afhankelijk van het feit
of het wetsontwerp “tot invoering van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen en houdende diverse
bepalingen”6 al dan niet wet is geworden. In de uiteindelijke
versie zullen die tekstgedeelten moeten worden vervangen
door de definitieve tekst.
Afdeling 2
Verplichting tijdens overgangsperiode voor de
inkomsten van het belastbaar tijdperk 2018
Artikelen 22 en 23
15. Artikel 22 van het voorontwerp is een autonoom artikel.
Het voert een aangifteplicht in voor belastingplichtigen onder-
worpen aan de vennootschapsbelasting, de rechtspersonen-
belasting of de belasting van niet-inwoners – wat die laatste
belasting betreft met uitzondering van de niet-rijksinwoners
–, inzake bepaalde aan werknemers of bedrijfsleiders tijdens
het kalenderjaar 2018 door met de belastingplichtige verbon-
den buitenlandse vennootschappen betaalde of toegekende
bezoldigingen. Ze dienen daartoe fiches op te stellen waarin
de bedoelde bezoldigingen worden vermeld (“een fiche (…)
die de bezoldigingen (…) herneemt”) en die aan de Federale
Overheidsdienst Financiën (hierna: FOD Financiën) te bezor-
gen voor 1 maart 2019. Ook wordt voorzien in een fiscale boete
voor het niet of niet correct voldoen aan de aangifteplicht.
In artikel 23 van het voorontwerp wordt bepaald dat “de
bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992 van toepassing [zijn] op deze afdeling”, “[v]oor zover
daarvan niet wordt afgeweken”. Gelet daarop wordt de aan-
gifteplicht, die uitsluitend betrekking heeft op bezoldigingen
betaald of toegekend tijdens het kalenderjaar 2018, beter niet
opgenomen in een autonome bepaling, maar ingevoegd in titel
X (“Overgangsbepalingen”) van het WIB 92. De bepalingen
van het WIB 92 zijn dan automatisch van toepassing indien
de nieuwe bepalingen er niet van afwijken.
16. In artikel 22, § 1, derde lid, wordt bepaald dat “[d]e
in het eerste lid bedoelde fiche” voor 1 maart 2019 aan de
FOD Financiën moet worden bezorgd. In het vierde lid wordt
de “minister van Financiën of zijn gedelegeerde” belast met
de opdracht om “het model (...) van de fiche bedoeld in het
eerste lid” op te stellen. De aangifteplicht wordt echter niet
enkel in het eerste lid, maar ook in het tweede lid geregeld.
En ook in het tweede lid is sprake van de verplichting een
fiche op te stellen.
Er zal zowel in het derde lid als in het vierde lid derhalve niet
enkel naar het eerste, maar ook naar het tweede lid moeten
6
Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 54-3119/012 (artikelen aangenomen
in eerste lezing).
d’un avantage par une société liée à un de ses propres
travailleurs”.
14. À l’article 270, alinéa 2, en projet, du CIR 92, mais
également en d’autres endroits de l’avant-projet, des par-
ties de texte figurent entre crochets afin d’indiquer les deux
formulations possibles entre lesquelles il faudra choisir selon
que le projet de loi ‘introduisant le Code des sociétés et des
associations et portant des dispositions diverses6’ sera ou non
devenu une loi. Dans la version finale, ces parties de textes
seront remplacées par le texte définitif.
Section 2
Obligation transitoire pour les revenus
de la période imposable 2018
Articles 22 et 23
15. L’article 22 de l’avant-projet est un article autonome.
Il prévoit une déclaration obligatoire pour des contribuables
assujettis à l’impôt des sociétés, à l’impôt des personnes
morales ou à l’impôt des non-résidents – pour ce dernier
impôt, à l’exception des non-habitants du Royaume – concer-
nant certaines rémunérations payées ou attribuées à des tra-
vailleurs ou dirigeants d’entreprise au cours de l’année civile
2018 par une société étrangère liée au contribuable. Ils doivent
à cette fin établir des fiches mentionnant les rémunérations
(“une fiche reprenant les rémunérations [...]”) et transmettre
celle-ci au SPF Finances avant le 1er mars 2019. Une amende
fiscale est également prévue dans le cas où l’obligation de
déclaration n’est pas ou pas correctement respectée.
L’article 23 de l’avant-projet dispose que “les dispositions
du Code des impôts sur les revenus 1992 sont d’application à
la présente section”, “[p]our autant qu’il n’y soit pas dérogé”.
Dès lors, il vaudrait mieux ne pas faire figurer l’obligation de
déclaration, qui concerne exclusivement des rémunérations
payées ou attribuées au cours de l’année civile 2018, dans
une disposition autonome, mais l’insérer dans le titre X
(“Dispositions transitoires”) du CIR 92. De cette manière, les
dispositions du CIR 92 seront automatiquement applicables
si les nouvelles dispositions n’y dérogent pas.
16. L’article 22, § 1er, alinéa 3, dispose que “[l]a fiche visée
à l’alinéa 1er” doit être transmise au SPF Finances avant le
1er mars 2019. L’alinéa 4 charge le “ministre des Finances ou
son délégué” de fixer “le modèle de fiche visée à l’alinéa 1er”.
Toutefois, l’obligation de déclaration n’est pas uniquement
réglée à l’alinéa 1er, mais également à l’alinéa 2. Et l’ali-
néa 2 aussi traite de l’obligation d’établir une fiche.
Tant à l’alinéa 3 ainsi qu’à l’alinéa 4, il conviendra par
conséquent de viser non seulement l’alinéa 1er, mais aussi
6
Doc. parl., Chambre, 2018-2019, n° 54-3119/012 (articles adoptés
en première lecture).
147
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
worden verwezen. Anders zal er voor de gevallen bedoeld in
artikel 22, § 1, tweede lid, van het voorontwerp geen uiterste
datum zijn bepaald en zal er zelfs geen verplichting bestaan
om die fiche aan de FOD Financiën te bezorgen. Ook een
model van de fiche bedoeld in het tweede lid kan dan niet
worden opgesteld.
17. In artikel 22, § 2, tweede lid, van het voorontwerp wordt
in de Nederlandse tekst verwezen naar “de begunstigde”,
maar ook naar “de verkrijger”. Dat het om dezelfde persoon
gaat, blijkt uit de Franse tekst waar alleen sprake is van “le
bénéficiaire”. Ter wille van de rechtszekerheid is het raadzaam
om een eenvormige terminologie te hanteren.
Afdeling 3
Inwerkingtreding
18. Deze afdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van de programmawet van
27 december 2004
19. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
DEEL III – FRAUDEBESTRIJDING
20. Tussen het opschrift van deel III en het opschrift van
titel 1 ervan komt een tekstfragment voor (“A. De uitvoering
van de parlementaire aanbevelingen wat de Panama Papers
betreft en de aanbevelingen van de OESO naar aanleiding
van de Peer Review (TITELS 1 tot 3)”), dat er niet thuis hoort
en derhalve geschrapt moet worden.
TITEL 1
Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen
Afdeling 1
Gegevensuitwisseling met derde landen
Artikel 26
21. Naar aanleiding van een vraag over de draagwijdte
van het ontworpen artikel 338ter van het WIB 92 en meer
bepaald van het zinsdeel “op verzoek van deze laatsten”, liet
de gemachtigde het volgende weten:
“Het doel van artikel 338ter is het tijdig toegang voorzien
tot informatie over uiteindelijk begunstigden (meer algemeen
het goede functioneren van de administratieve samenwerking
zoals beoogd door de Richtlijn 2016/2258 en de OESO-
standaard) in de nationale wetgeving vastleggen. Het betreft
een conceptuele implementering van de bepalingen van
de Richtlijn, die eveneens geldt voor de verhouding tussen
België en derde landen. Naar aanleiding van uw vraag, zijn
l’alinéa 2. À défaut, aucune date limite ne sera fixée pour les
cas visés à l’article 22, § 1er, alinéa 2, de l’avant-projet, et il
n’y aura même pas d’obligation de transmettre cette fiche
au SPF Finances. Un modèle de la fiche visée à l’alinéa 2 ne
pourra pas non plus être fixé.
17. À l’article 22, § 2, alinéa 2, de l’avant-projet, le texte
néerlandais fait référence à “de begunstigde”, mais aussi à
“de verkrijger”. Il ressort du texte français, où il n’est question
que du “bénéficiaire”, qu’il s’agit de la même personne. Dans
un souci de sécurité juridique, il est conseillé d’employer une
terminologie uniforme.
Section 3
Entrée en vigueur
Cette section n’appelle aucune observation.
CHAPITRE 4
Modifications de la loi-programme du
27 décembre 2004
19. Ce chapitre n’appelle aucune observation.
PARTIE III – LUTTE CONTRE LA FRAUDE
20. Entre l’intitulé de la partie III et l’intitulé du titre 1er
figure un extrait de texte (“A. La mise en œuvre des recom-
mandations parlementaires concernant les Panama Papers
et les recommandations de l’OCDE suite au Peer Review
(TITRES 1er à 3)”), qui n’a pas sa place à cet endroit et qui
doit donc être omis.
TITRE 1ER
Modifications en matière d’impôts sur les revenus
Section 1re
Échange de données avec des pays tiers
Article 26
21. Faisant suite à une question relative à la portée de
l’article 338ter, en projet, du CIR 92, et plus précisément
du segment de phrase “sur demande de ces dernières”, le
délégué a donné les explications suivantes:
“Het doel van artikel 338ter is het tijdig toegang voorzien
tot informatie over uiteindelijk begunstigden (meer algemeen
het goede functioneren van de administratieve samenwerking
zoals beoogd door de Richtlijn 2016/2258 en de OESO-
standaard) in de nationale wetgeving vastleggen. Het betreft
een conceptuele implementering van de bepalingen van
de Richtlijn, die eveneens geldt voor de verhouding tussen
België en derde landen. Naar aanleiding van uw vraag, zijn
148
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
wij tot de constatatie gekomen dat de huidige formulering van
artikel 338ter deze doelstelling mogelijks niet bereikt.
Te dien einde verwijzen wij naar randnummer 184 van de
handleiding “beginselen van de wetgevingstechniek” (p. 114)
dat voorschrijft dat wanneer een Richtlijn bepaalt dat dwin-
gende maatregelen of afwijkingen moeten worden voorge-
schreven, [...] het niet voldoende [is] te stellen dat dwingende
maatregelen moeten worden genomen of dat afwijkingen
mogelijk zijn, maar moeten die dwingende maatregelen en
afwijkingen ook worden vastgelegd. In de oorspronkelijke
ontwerptekst is hieraan per vergissing voorbijgegaan.
Teneinde met de invoeging van artikel 338ter dit doel
alsnog te bereiken, kan de ontwerptekst mogelijks als volgt
worden aangepast:
“Teneinde de gegevens bedoeld in artikel 338, § 24/1, te
kunnen overmaken aan de buitenlandse belastingautoriteiten
en belastingautoriteiten van derde landen, binnen de juri-
dische grondslag die de uitwisseling van informatie tussen
België en het derde land regelt, kunnen de voormelde gege-
vens door de Belgische bevoegde autoriteit conform artikel 30,
tweede lid en artikel 31, zevende lid van de Richtlijn 2015/849/
EU zonder enige beperking bij de volgens de voormelde
Richtlijn meldingsplichtige entiteiten worden opgevraagd, die
ze binnen een maand na het verzoek dienen te bezorgen aan
de Belgische bevoegde autoriteit.”
In die zin lijkt ook een aanpassing van de derde alinea
bij artikel 26 in het ontwerp van de Memorie van toelichting
aangewezen. Het betreft louter een invoering van een con-
ceptueel gegeven in Richtlijn 2016/2258 (ofte DAC5) en van
de OESO-standaard:
“Om aan de internationale verplichtingen van België te
voldoen en in overeenstemming te zijn met de OESO-normen
voor transparantie en informatie-uitwisseling en als gevolg
van het peer review-rapport van maart 2018, verzekert dit
artikel de toegankelijkheid van de desbetreffende gegevens
en derhalve de tijdige gegevensuitwisseling tussen België
en niet-EU-rechtsgebieden met wie er een wettelijke basis
bestaat voor de uitwisseling van informatie. Ook de tijdige
toegankelijkheid tot de informatie zoals voorgeschreven
door de in de wettekst aangehaalde artikelen van Richtlijn
2015/849/EU teneinde voldoende waarborgen te geven voor
de functionering van de administratieve samenwerking con-
form artikel 1 van de Richtlijn 2016/2258/EU, wordt met de
toevoeging van artikel 338ter thans verwezenlijkt.””
Gelet op het feit dat daarmee een volledig andere draag-
wijdte wordt gegeven aan de om advies voorgelegde bepa-
ling, kan de Raad van State niet ingaan op de nieuwe tekst
voorgesteld door de gemachtigde. De afdeling Wetgeving
dient zich voor het geven van haar advies immers in begin-
sel te houden aan de tekst die haar door de minister van
Financiën om advies is voorgelegd nadat de Ministerraad op
5 oktober 2018 het voorontwerp had besproken. Een dergelijke
nieuwe bepaling kan desgewenst wel het voorwerp uitmaken
van een nieuwe adviesaanvraag, eventueel in de vorm van
een amendement.
wij tot de constatatie gekomen dat de huidige formulering
van artikel 338ter deze doelstelling mogelijks niet bereikt.
Te dien einde verwijzen wij naar randnummer 184 van de
handleiding “beginselen van de wetgevingstechniek” (p. 114)
dat voorschrijft dat wanneer een Richtlijn bepaalt dat dwin-
gende maatregelen of afwijkingen moeten worden voorge-
schreven, [...] het niet voldoende [is] te stellen dat dwingende
maatregelen moeten worden genomen of dat afwijkingen
mogelijk zijn, maar moeten die dwingende maatregelen en
afwijkingen ook worden vastgelegd. In de oorspronkelijke
ontwerptekst is hieraan per vergissing voorbijgegaan.
Teneinde met de invoeging van artikel 338ter dit doel
alsnog te bereiken, kan de ontwerptekst mogelijks als
volgt worden aangepast:
“Teneinde de gegevens bedoeld in artikel 338, § 24/1,
te kunnen overmaken aan de buitenlandse belastingauto-
riteiten en belastingautoriteiten van derde landen, binnen
de juridische grondslag die de uitwisseling van informatie
tussen België en het derde land regelt, kunnen de voormelde
gegevens door de Belgische bevoegde autoriteit conform
artikel 30, tweede lid en artikel 31, zevende lid van de
Richtlijn 2015/849/EU zonder enige beperking bij de volgens
de voormelde Richtlijn meldingsplichtige entiteiten worden
opgevraagd, die ze binnen een maand na het verzoek dienen
te bezorgen aan de Belgische bevoegde autoriteit.”
In die zin lijkt ook een aanpassing van de derde alinea
bij artikel 26 in het ontwerp van de Memorie van toelichting
aangewezen. Het betreft louter een invoering van een concep-
tueel gegeven in Richtlijn 2016/2258 (ofte DAC5) en van de
OESO-standaard:
“Om aan de internationale verplichtingen van België te
voldoen en in overeenstemming te zijn met de OESO-normen
voor transparantie en informatie-uitwisseling en als gevolg
van het peer review-rapport van maart 2018, verzekert dit
artikel de toegankelijkheid van de desbetreffende gegevens
en derhalve de tijdige gegevensuitwisseling tussen België
en niet-EU-rechtsgebieden met wie er een wettelijke basis
bestaat voor de uitwisseling van informatie. Ook de tijdige
toegankelijkheid tot de informatie zoals voorgeschreven
door de in de wettekst aangehaalde artikelen van Richtlijn
2015/849/EU teneinde voldoende waarborgen te geven
voor de functionering van de administratieve samenwerking
conform artikel 1 van de Richtlijn 2016/2258/EU, wordt met
de toevoeging van artikel 338ter thans verwezenlijkt””.
Compte tenu du fait qu’une tout autre portée est ainsi
donnée à la disposition soumise pour avis, le Conseil d’État
ne peut aborder le nouveau texte proposé par le délégué.
En effet, pour donner son avis, la section de législation doit
en principe s’en tenir au texte qui lui a été soumis par le
ministre des Finances après l’examen de l’avant-projet par
le Conseil des ministres du 5 octobre 2018. Toutefois, pareille
nouvelle disposition peut, au besoin, faire l’objet d’une nou-
velle demande d’avis, éventuellement sous la forme d’un
amendement.
149
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Afdeling 2
Juridische constructies
22. Deze afdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Afdeling 3
Onderzoeksbevoegdheden
Artikel 29
23. Terwijl artikel 29, 2°, van het voorontwerp ertoe strekt
om het recht om het UBO-register te consulteren voor te be-
houden aan ambtenaren met een graad hoger dan attaché,
dat wil zeggen ambtenaren benoemd in de klasse A3 (ad-
viseur) of hoger, wordt het recht om derden te horen en om
een onderzoek in te stellen niet meer aan dezelfde beperking
onderworpen. Artikel 29, 3°, van het voorontwerp strekt im-
mers tot de opheffing van het huidige derde lid van artikel 322,
§ 1, van het WIB 92, dat een beperking in die zin inhoudt, en
het nieuwe tweede lid, dat wordt ingevoegd bij artikel 29, 1°,
van het voorontwerp, beperkt het recht om derden te horen
en om een onderzoek in te stellen tot “ambtenaren voorzien
van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van
een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van
de inkomstenbelastingen”. Een beperking tot ambtenaren met
een bepaalde graad is er niet meer in opgenomen.
De wetgever dient te beslissen of hij de uitvoerende macht
de mogelijkheid laat om die meer verregaande bevoegdheden
aan om het even welke ambtenaar te geven, ongeacht de
graad. Elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging
van het privéleven dient evenwel te beantwoorden aan een
dwingende maatschappelijke behoefte – in dit geval: het vast-
stellen van de regelmatigheid van de belastingaangifte – en
in een redelijke verhouding te staan tot de beoogde doelstel-
ling. Met het oog op die evenredigheid is het van belang te
voorzien in effectieve waarborgen tegen misbruik. In het licht
hiervan is ook het voorbehouden van het uitoefenen van die
meer verregaande bevoegdheden aan ambtenaren vanaf een
bepaalde graad een bepalende factor.
TITEL 2
Wijzigingen aan Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde
24. Na het opschrift van titel 2 komt een tekstfragment voor
(“Geheim van de vraag om inlichtingen van buitenlandse auto-
riteiten”) waarvan de functie niet duidelijk is. Dat tekstfragment
moet derhalve worden geschrapt.
Artikel 30
25. Artikel 30 van het voorontwerp strekt ertoe in het
Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde
(hierna: Btw-wetboek) een artikel 93bis/1 in te voegen, dat
Section 2
Constructions juridiques
22. Cette section n’appelle aucune observation.
Section 3
Pouvoirs d’investigation
Article 29
23. Tandis que l’article 29, 2°, de l’avant-projet vise à
réserver le droit de consulter le registre UBO aux agents ayant
un grade supérieur à celui d’attaché, c’est-à-dire aux agents
nommés dans la classe A3 (conseiller) ou au-delà, le droit
d’entendre des tiers et de procéder à des enquêtes n’est plus
soumis à la même limitation. L’article 29, 3°, de l’avant-projet
entend en effet abroger l’actuel alinéa 3 de l’article 322, § 1er,
du CIR 92, qui contient une limitation dans ce sens, et le nou-
vel alinéa 2, inséré par l’article 29, 1°, de l’avant-projet, limite
le droit d’entendre des tiers et de procéder à des enquêtes
aux “agents munis de leur commission et chargés d’effectuer
un contrôle ou une enquête se rapportant à l’application de
l’impôt sur les revenus”. La disposition ne prévoit plus de
limitation aux agents ayant un certain grade.
Le législateur doit décider s’il laisse au pouvoir exécutif la
possibilité de conférer ces pouvoirs plus étendus à n’importe
quel agent, peu importe son grade. Toute ingérence des
pouvoirs publics dans l’exercice du droit au respect de la
vie privée doit toutefois répondre à un besoin social impé-
rieux – en l’occurrence: la constatation de la régularité de
la déclaration fiscale – et doit être proportionnée à l’objectif
poursuivi. Afin de respecter cette proportionnalité, il importe
de prévoir des garanties effectives contre les abus. Le fait de
réserver l’exercice de ces pouvoirs plus étendus aux agents
qui ont au minimum un certain grade est aussi un facteur
déterminant en ce sens.
TITRE 2
Modifications du Code de la Taxe
sur la valeur ajoutée
24. L’intitulé du titre 2 est suivi d’un extrait de texte (“Secret
de la demande d’informations formulée par l’autorité étran-
gère”) dont la fonction n’est pas claire. Il conviendra dès lors
de le supprimer.
Article 30
25. L’article 30 de l’avant-projet tend à insérer dans le Code
de la Taxe sur la valeur ajoutée (ci-après: le Code TVA) un
article 93bis/1, identique à l’article 337/1 du CIR 92. Dans
150
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
gelijk is aan artikel 337/1 van het WIB 92. In advies 60.634/37
heeft de Raad van State een aantal opmerkingen gemaakt
bij de ontworpen bepaling die artikel 337/1 van het WIB 92 is
geworden. Met die opmerkingen is grotendeels rekening
gehouden. De volgende opmerking is niet gevolgd, en kan
hier dus worden herhaald:
“Ingeval de autoriteit niet (uitdrukkelijk of stilzwijgend)
akkoord gaat met het vrijgeven van de informatie, duurt de
beperking van het grondrecht “zolang het onderzoek van de
buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en voor zover de in-
zage nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek”. Allicht is
het de bedoeling om de beoordeling daarvan over te laten aan
de andere autoriteit, maar dan rijst de vraag hoe de federale
overheid in kennis zal worden gesteld van het gegeven dat
het onderzoek is afgerond en hoe er kan voor worden gezorgd
dat die kennisgeving prompt gebeurt.”
TITEL 3
Wijzigingen aan de wet van 24 december 2002
tot wijziging van de vennootschapregeling inzake
inkomstenbelastingen ten tot instelling van een systeem
van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken
26. Aan het einde van titel 3, net voor op het opschrift van
titel 4, komt een tekstfragment voor (“B. De minnelijke en
gedwongen invordering van fiscal en niet-fiscale schuldvor-
deringen en de automatisering en de modernisering van de
gegevensuitwisseling tussen de administratie en zijn partners
(TITEL 4)”), dat er niet thuis hoort en derhalve geschrapt
moet worden.
TITEL 4
De invordering
HOOFDSTUK 1
Verplichting van de betaling in euro door bepaalde
administraties van de FOD Financiën
27. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
7
Adv.RvS 60.634/3 van 25 januari 2017 over een voorontwerp dat
heeft geleid tot de wet van 30 juni 2017 “houdende maatregelen
in de strijd tegen de fiscale fraude”, Parl.St. Kamer 2016-17,
nr. 54-2400/001, 37 e.v.
l’avis 60.634/37, le Conseil d’État a formulé un certain nombre
d’observations relatives à la disposition en projet devenue
l’article 337/1 du CIR 92. Ces observations ont en grande
partie été prises en compte. L’observation suivante n’a pas
été suivie et peut donc être réitérée:
“Si l’autorité ne marque pas (expressément ou tacitement)
son accord sur la communication des informations, le droit
fondamental est limité “aussi longtemps que l’enquête de
l’autorité étrangère n’est pas clôturée et pour autant que la
divulgation nuirait aux besoins de l’enquête précitée”. Sans
doute l’intention est-elle de laisser à l’autre autorité le soin
d’apprécier ce qui précède, mais la question se pose alors
de savoir comment l’autorité fédérale sera informée que
l’enquête est clôturée et comment on peut veiller à ce que
cette notification s’effectue rapidement”.
TITRE 3
Modifications de la loi du 24 décembre 2002 modifiant
le régime des sociétés en matière d’impôts sur
les revenus et instituant un système de décision
anticipée en matière fiscale
26. À la fin du titre 3, juste avant l’intitulé du titre 4, figure
un extrait de texte (“B. Le recouvrement amiable et forcé
des créances fiscales et non fiscales et l’automatisation et
la modernisation des échanges entre l’administration et ses
partenaires (TITRE 4)”), qui n’est pas à sa place et qui doit
donc être omis.
TITRE 4
Le recouvrement
CHAPITRE 1ER
Obligation de paiement en euros par certaines
administrations du SPF Finances
27. Ce chapitre n’appelle aucune observation.
7
Avis C.E. n° 60.634/3 du 25 janvier 2017 sur un avant-projet
devenu la loi du 30 juin 2017 “portant des mesures de lutte
contre la fraude fiscale”, Doc. parl., Chambre, 2016-2017, n° 54-
2400/001, pp. 37 et suiv.
151
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van het wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, het wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992, de programmawet (I) van
29 maart 2002 en het burgerlijk wetboek inzake
het E-notariaat
Algemeen
28. De artikelen 35 tot 41 (afdeling 1) en 42 tot 48 (afde-
ling 2) strekken tot de vervanging van een aantal artikelen
enerzijds van het Btw-wetboek en anderzijds van het WIB 92.
In de opheffing van die te vervangen artikelen wordt echter
voorzien bij de artikelen 25 en 62 van het voorontwerp van wet
“tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwon-
gen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen”.
De gemachtigde verduidelijkte in dit verband het volgende:
“In het huidig wetsontwerp wordt de elektronische ken-
nisgeving door de ontvanger aan de notaris ingevoerd. Bij
invoering van het WMGI worden deze bepalingen hernomen
en het toepassingsgebied meteen uitgebreid tot alle fiscale
en niet-fiscale schuldvorderingen. Deze bepalingen worden
dus door het WMGI vervangen.”
Afdeling 1
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Artikel 33
29. Artikel 33 van het voorontwerp strekt tot de vervanging
van artikel 62 van het Btw-wetboek, waarbij de tekst van
paragraaf 1 van dat artikel zonder meer wordt hernomen. In
wezen is de aanpassing dus beperkt tot de opheffing van de
tweede paragraaf van dat artikel, terwijl de eerste paragraaf
het enige lid van het artikel wordt. 8
Het hernemen van de volledige tekst van bepalingen
waarvan de wijzigingen miniem zijn, heeft als voordeel dat de
bestemmeling van de norm direct kennis kan nemen van de
volledige, aangepaste versie van de gewijzigde bepalingen,
doch heeft ook nadelen. Zo kan bij de lezer de verkeerde in-
druk worden gewekt dat de nieuwe bepalingen een grondige
herziening inhouden van de bestaande regeling, waardoor
het noodzakelijk is deze volledig te vervangen. Daarenboven
moet ermee rekening worden gehouden dat, ook wat betreft
de ongewijzigd overgenomen bepalingen, de aan te nemen
wet dient te worden beschouwd als een nieuwe wilsuiting van
de wetgever, wat betekent dat die bepalingen in hun geheel
kunnen worden aangevochten bij het Grondwettelijk Hof.9
8
Artikel 3 van het voorontwerp van wet “tot invoering van het
Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van
fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen” voorziet eveneens in
de opheffing van artikel 62, § 2, van het Btw-wetboek.
9
GwH 30 juni 2004, nr. 116/2004, B.7; GwH 28 mei 2015,
nr. 79/2015, B.5.2; GwH 11 mei 2017, nr. 53/2017, B.5.1.
CHAPITRE 2
Modifications du Code de la Taxe sur la valeur ajoutée,
du Code des Impôts sur les revenus 1992, de la loi-
programme (I) du 29 mars 2012 et du Code civil en
matière d’E-notariat
Généralités
28. Les articles 35 à 41 (section 1re) et 42 à 48 (section 2)
ont pour objet de remplacer un certain nombre d’articles du
Code TVA, d’une part, et du CIR 92, d’autre part. Or, les
articles 25 et 62 de l’avant-projet de loi “introduisant le Code
du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non
fiscales” prévoient l’abrogation de ces articles à remplacer.
À cet égard, le délégué a apporté les précisions suivantes:
“In het huidig wetsontwerp wordt de elektronische ken-
nisgeving door de ontvanger aan de notaris ingevoerd. Bij
invoering van het WMGI worden deze bepalingen hernomen
en het toepassingsgebied meteen uitgebreid tot alle fiscale
en niet-fiscale schuldvorderingen. Deze bepalingen worden
dus door het WMGI vervangen”.
Section 1re
Code de la Taxe sur la valeur ajoutée
Article 33
29. L’article 33 de l’avant-projet vise à remplacer l’ar-
ticle 62 du Code TVA en reproduisant simplement le texte
du paragraphe 1er de cet article. L’adaptation se limite donc
essentiellement à supprimer le paragraphe 2 de cet article,
tandis que le paragraphe 1er devient l’unique alinéa de
l’article8.
La reproduction du texte intégral de dispositions, aux-
quelles des modifications minimes sont apportées, présente
l’avantage de permettre au destinataire de la norme de
prendre directement connaissance, dans sa totalité, de la
version adaptée des dispositions modifiées, mais elle n’est
cependant pas dénuée d’inconvénients. Ainsi, le lecteur
peut être porté à croire, à tort, que les nouvelles dispositions
impliquent une révision radicale du dispositif existant, qui
requiert de le remplacer dans son ensemble. Il faut en outre
garder à l’esprit que la loi à adopter doit être considérée, y
compris en ce qui concerne les dispositions reproduites telles
quelles, comme une nouvelle manifestation de la volonté du
législateur, ce qui signifie que ces dispositions peuvent, elles
aussi, être contestées dans leur ensemble devant la Cour
constitutionnelle9.
8
L’article 3 de l’avant-projet de loi “introduisant le Code du
recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non
fiscales” prévoit également l’abrogation de l’article 62, § 2, du
Code TVA.
9
C.C., 30 juin 2004, n° 116/2004, B.7; C.C., 28 mai 2015,
n° 79/2015, B.5.2; C.C., 11 mai 2017, n° 53/2017, B.5.1.
152
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Het staat aan de stellers van het voorontwerp om te oorde-
len of, gelet op de zo-even vermelde nadelen, de ontworpen
wijzigingsbepaling niet beter wordt beperkt tot de eigenlijke
wijziging, waar nu wordt geopteerd voor een vervanging van
het volledige te wijzigen artikel, inclusief het ongewijzigd
gebleven onderdeel ervan.
Artikel 37
30. In het ontworpen artikel 93quinquies, § 1, tweede lid,
van het Btw-wetboek komt een zinsdeel tussen vierkante
haakjes voor: “… aanleiding hebben gegeven tot een dwang-
bevel[ zijn opgenomen in een innings- en invorderingsregis-
ter] als bedoeld in artikel 85 …”. Artikel 85 waarnaar wordt
verwezen betreft in de huidige stand van de wetgeving enkel
het dwangbevel.
Afdeling 2
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Afdeling 3
Programmawet (I) van 29 maart 2012
Afdeling 4
Burgerlijk Wetboek
Afdeling 5
Inwerkingtreding
31. Deze afdelingen geven geen aanleiding tot opmerkingen.
HOOFDSTUK 3
Wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting
van een dienst voor alimentatievorderingen bij de
FOD Financiën met het oog op het toepasbaar maken
van sommige bepalingen van het wetboek van de
minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en
niet-fiscale schuldvorderingen
Artikel 75
32. Artikel 75 van het voorontwerp strekt tot aanvulling van
artikel 26 van de wet van van 21 februari 2003 “tot oprich-
ting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD
Financiën”, dat luidt:
“Indien de adviseur-generaal bedoeld in artikel 13, tweede
lid, van oordeel is dat toegekende voorschotten definitief
oninvorderbaar zijn, kan hij van de invordering afzien en
de schuldvordering annuleren. De ontvanger wordt op de
hoogte gebracht van de beslissing dat de schuldvordering
is geannuleerd.”
Il revient aux auteurs de l’avant-projet d’apprécier si, au
regard des inconvénients évoqués ci-dessus, il ne serait pas
préférable de limiter la disposition modificative en projet à la
modification qu’elle doit effectivement apporter, plutôt que
d’opter, comme à présent, pour un remplacement complet
de l’article, en ce compris des éléments de celui-ci qui sont
restés inchangés.
Article 37
30. L’article 93quinquies, § 1er, alinéa 2, en projet, du Code
TVA contient un segment de phrase entre crochets: “… ont
donné lieu à une contrainte visée [sont repris dans un registre
de perception et de recouvrement visé] à l’article 85…”. Dans
l’état actuel de la législation, l’article 85 auquel il est fait réfé-
rence concerne uniquement la contrainte.
Section 2
Code des impôts sur les revenus 1992
Section 3
Loi-programme (I) du 29 mars 2012
Section 4
Code civil
Section 5
Entrée en vigueur
31. Ces sections n’appellent aucune observation.
CHAPITRE 3
Modification de la loi du 21 février 2003 créant un
Service des créances alimentaires au sein du SPF
Finances en vue de rendre applicables certaines
dispositions du code du recouvrement amiable et forcé
des créances fiscales et non fiscales
Article 75
32. L’article 75 de l’avant-projet tend à compléter l’ar-
ticle 26 de la loi du 21 février 2003 “créant un Service des
créances alimentaires au sein du SPF Finances”, qui dispose
ce qui suit:
“Si le conseiller général visé à l’article 13, alinéa 2, juge que
des avances accordées sont définitivement irrécouvrables, il
peut renoncer au recouvrement de cette créance et l’annuler.
Le receveur est informé de la décision d’annulation de la
créance”.
153
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De ontworpen wijziging houdt in dat tussen de woorden
“toegekende voorschotten” en de woorden “definitief oninvor-
derbaar” het zinsdeel “of andere aan de Staat verschuldigde
bedragen” wordt ingevoegd.
Artikel 3 van de wet van 21 februari 2003 bepaalt dat de
Dienst voor alimentatievorderinge dat is de dienst binnen
de administratie van de FOD Financiën bevoegd voor de
inning en de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen
– belast is met de inning of invordering van het onderhouds-
geld10 en van de achterstallen ten laste van de onderhouds-
plichtige. Bovendien betaalt de Dienst voorschotten op het
onderhoudsgeld.
Gelet op die specifieke context lijkt de omschrijving “of
andere aan de Staat verschuldigde bedragen” veel te ruim. In
de memorie van toelichting worden als voorbeelden genoemd
werkingskosten van de Dienst voor alimentatievorderingen en
vervolgingskosten. Het lijkt dus veeleer te gaan om andere
in het kader van de werking van die Dienst verschuldigde
bedragen. Dat is te verduidelijken in de ontworpen aanvulling
van artikel 26 van de wet van 21 februari 2003.
HOOFDSTUK 4
Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van
het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
33. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
DEEL IV – FINANCIËLE BEPALINGEN
ENIGE TITEL
Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot
een administratieve dienst en oprichting van een
begrotingsfonds betreffende de verrichtingen aangaande
monetisatie en demonetisatie van de
Koninklijke Munt van België
Afdeling 1
Omvorming van de Koninklijke Munt van België tot een
administratieve dienst
Artikelen 82 tot 95
34. Hoewel het op grond van artikel 112 van de Grondwet
aanvaardbaar is dat bij wet het algemeen kader vastgelegd
wordt waarbinnen de opdrachten van de Koninklijke Munt
van België bepaald worden, moet de organisatie van die
dienst, die een dienst van algemeen bestuur is, blijven vallen
onder de bevoegdheden van de Koning, zoals dat overigens
momenteel het geval is op basis van het koninklijk besluit
van 5 augustus 1992 “houdende organiek reglement van de
Koninklijke Munt van België”.
10
De regeling heeft betrekking op onderhoudsgeld dat verschuldigd
is aan de kinderen, tussen echtgenoten of ex-echtgenoten of
tussen samenwonenden en ex-samenwonenden.
La modification en projet implique que le membre de
phrase “ou d’autres sommes dues à l’État” est inséré
entre les mots “des avances accordées” et les mots “sont
définitivement irrécouvrables”.
L’article 3 de la loi du 21 février 2003 dispose que le Service
des créances alimentaires – c’est-à-dire le service au sein
de l’administration du SPF Finances compétente pour la
perception et le recouvrement des créances non fiscales – a
pour mission de percevoir et de recouvrer les créances ali-
mentaires10 et les arriérés à charge du débiteur d’aliments. En
outre, le Service paie des avances sur la pension alimentaire.
Eu égard à ce contexte spécifique, la définition “ou d’autres
sommes dues à l’État” semble bien trop large. L’exposé des
motifs cite à titre d’exemples les frais de fonctionnement du
Service des créances alimentaires et les frais de poursuites. Il
semble donc plutôt s’agir d’autres montants dus dans le cadre
du fonctionnement de ce Service. Le complément en projet de
l’article 26 de la loi du 21 février 2003 devra préciser ce point.
CHAPITRE 4
Dispositions réparatrices des articles 418 et 419 du
Code des impôts sur les revenus 1992
33. Ce chapitre n’appelle aucune observation.
PARTIE IV – DISPOSITIONS FINANCIÈRES
TITRE UNIQUE
Transformation de la Monnaie royale de Belgique en
service administratif et création d’un fonds budgétaire
relatif aux opérations de monétisation et de démonétisation
de la Monnaie royale de Belgique
Section 1ère
Transformation de la Monnaie royale de Belgique en
service administratif
Articles 82 à 95
34. S’il est admissible que, sur la base de l’article 112 de
la Constitution, la loi fixe le cadre général dans lequel les
missions de la Monnaie royale de Belgique seront détermi-
nées, l’organisation de ce service, qui a la nature d’un service
d’administration générale, doit continuer à relever des compé-
tences du Roi, tel que c’est au demeurant le cas actuellement
sur la base de l’arrêté royal du 5 août 1992 “portant règlement
organique de la Monnaie royale de Belgique”.
10
Le régime concerne la pension alimentaire due aux enfants, entre
époux ou ex-époux ou entre cohabitants et ex-cohabitants.
154
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Afdeling 1 van de enige titel van deel IV van het vooront-
werp moet aldus herzien worden dat daaruit de bepalingen
gelicht worden die vallen onder de grondwettelijke bevoegd-
heden van de Koning, inzonderheid inzake de organisatie
van de overheidsdiensten, zoals die voortvloeien uit artikel
37 van de Grondwet.
Afdeling 2
Oprichting van een begrotingsfonds betreffende
verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie
van de Koninklijke Munt van België van de Algemene
Administratie van de Thesaurie van de Federale
Overheidsdienst Financiën en wijziging van de organieke
wet van 27 december 1990 houdende oprichting van
begrotingsfondsen
Afdeling 3
Opheffingen
35. Deze afdelingen geven geen aanleiding tot opmerkingen.
Afdeling 4
Inwerkingtreding
Artikel 102
36. Luidens artikel 102 treedt een “hoofdstuk” in werking,
terwijl de titel waarvan die bepaling deel uitmaakt, geen
hoofdstuk bevat.
Voor het overige wordt verwezen naar de algemene op-
merking 8.
DEEL V – DIVERSE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen aan het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Afdeling 1
Inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of
uit occasionele diensten tussen burgers
Artikel 103
37. Artikel 103 van het voorontwerp strekt ertoe wijzigin-
gen aan te brengen in artikel 90, derde lid, van het WIB 92.
In die ontworpen wijzigende bepaling wordt ten onrechte
gerefereerd aan “artikel 17, 3° en 5°” van het WIB 92, terwijl
dat “artikel 17, § 1, 3° en 5°” moet zijn.
La section première du titre unique de la partie IV de
l’avant-projet sera en conséquence réexaminée de manière
à en expurger les dispositions relevant des compétences
constitutionnelles du Roi, spécialement en matière d’orga-
nisation des services publics, telles qu’elles résultent de
l’article 37 de la Constitution.
Section 2
Création d’un fonds budgétaire relatif aux opérations de
monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale
de Belgique de l’Administration générale de la Trésorerie
du Service public fédéral Finances et modification de
la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds
budgétaires
Section 3
Abrogations
35. Ces sections n’appellent aucune observation.
Section 4
Entrée en vigueur
Article 102
36. L’article 102 fait entrer en vigueur un “chapitre” alors
que le titre dans lequel cette disposition s’inscrit n’en com-
porte pas.
Il est renvoyé pour le surplus à l’observation générale n° 8.
PARTIE V – DISPOSITIONS DIVERSES
CHAPITRE 1ER
Modifications au Code des impôts
sur les revenus 1992
Section 1re
Revenus issus de l’économie collaborative, du travail
associatif ou des services occasionnels entre citoyens
Article 103
37. L’article 103 de l’avant-projet a pour objet d’apporter
des modifications à l’article 90, alinéa 3, du CIR 92. C’est
erronément que cette disposition modificative en projet vise
“l’article 17, 3° et 5°” du CIR 92 alors qu’elle doit faire référence
à “l’article 17, § 1er, 3° et 5°”.
155
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Artikelen 104 en 105
38. Artikel 104 van het voorontwerp strekt tot het herstellen
van artikel 97/1 van het WIB 92, waarin wordt bepaald dat de
in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater, vermelde inkomsten,
naar het netto bedrag ervan in aanmerking worden genomen,
zijnde “het bruto bedrag verminderd met de kosten waarvan
de belastingplichtige het bewijs levert dat zij tijdens het be-
lastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om die inkomsten
te verkrijgen of te behouden”. Het brutobedrag wordt bepaald
overeenkomstig artikel 90/1, tweede en derde lid, van het WIB
92, dat niet wordt gewijzigd.
Artikel 105 van het voorontwerp strekt tot het invoeren in
het WIB 92 van een nieuw artikel 102ter, dat luidt:
“Verliezen die in het belastbare tijdperk zijn geleden bij het
verrichten van handelingen als vermeld in artikel 90, eerste
lid, 1°bis, 1°ter of 1°quater worden evenredig afgetrokken van
de andere inkomsten uit zulke handelingen”.
Hoewel zulks niet uitdrukkelijk uit de ontworpen bepaling,
noch uit de memorie van toelichting blijkt, komt het voor dat
de ontworpen bepaling enkel toepassing vindt indien de be-
trokken inkomsten als diverse inkomsten worden belast. De
ontworpen bepaling heeft bijgevolg geen invloed op de toe-
passing van de vrijstellingsregeling vervat in artikel 90/1 van
het WIB 92,11 noch op de behandeling van de inkomsten als
beroepsinkomsten zoals voorzien in artikel 37bis, § 2, van
het WIB 92.12
Die lezing werd door de gemachtigde bevestigd:
“De inkomsten uit de deeleconomie, het verenigingswerk
en de occasionele diensten tussen burgers zijn in beginsel
als beroepsinkomen belastbaar wanneer het brutobedrag van
die inkomsten meer bedraagt dan 6 130 euro (geïndexeerd
bedrag voor aanslagjaar 2019). Wanneer de inkomsten uit het
verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers
voor een bepaalde maand meer bedragen dan 1/12 van die
maandgrens, zijn ze steeds als beroepsinkomen belastbaar.”
11
In artikel 90/1 van het WIB 92 is immers sprake van “het totale
brutobedrag van de in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater,
bedoelde inkomsten”.
12
Artikel 37bis, § 2, van het WIB 92 luidt:
“Alle in artikel 90, eerste lid, 1°ter en 1°quater, vermelde inkomsten
die voor een bepaalde kalendermaand zijn geregistreerd,
worden als beroepsinkomsten aangemerkt wanneer het bruto
bedrag van deze inkomsten, dat voor diezelfde kalendermaand
is geregistreerd, meer bedraagt dan één twaalfde van het in het
tweede lid vermelde bedrag, in voorkomend geval verhoogd voor
specifieke categorieën van het verenigingswerk bij toepassing
van artikel 12, § 3, tweede en derde lid, van de wet van 18 juli 2018
betreffende de economische relance en de versterking van de
sociale cohesie.
De in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°quater, vermelde inkomsten
worden, behoudens tegenbewijs, als beroepsinkomsten
aangemerkt wanneer het bruto bedrag van die inkomsten met
inbegrip van het bruto bedrag van de inkomsten die bij toepassing
van het eerste lid als beroepsinkomsten worden aangemerkt in
het kalenderjaar of in het vorige kalenderjaar meer bedraagt dan
3830 euro.”
Articles 104 et 105
38. L’article 104 de l’avant-projet poursuit le rétablissement
de l’article 97/1 du CIR 92 qui dispose que les revenus visés
à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1erquater, s’entendent de leur
montant net, c’est-à-dire “le montant brut diminué des frais
dont le contribuable apporte la preuve qu’ils ont été exposés
ou supportés durant la période imposable afin d’acquérir ou
de conserver ces revenus”. Le montant brut des revenus est
déterminé conformément à l’article 90/1, alinéas 2 et 3, du
CIR 92, qui n’est pas modifié.
L’article 105 de l’avant-projet a pour objet d’insérer, dans
le CIR 92, un nouvel article 102ter, qui énonce ce qui suit:
“Les pertes éprouvées pendant la période imposable dans
l’exercice d’activités visées à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis, 1°ter
ou 1°quater sont déduites proportionnellement des autres
revenus résultant de telles activités”.
Bien que cela ne ressorte pas expressément de la dispo-
sition en projet, ni de l’exposé des motifs, il apparaît que la
disposition en projet trouve uniquement à s’appliquer si les
revenus concernés sont taxés à titre de revenus divers. La
disposition en projet n’a par conséquent pas d’incidence sur
l’application du régime d’exonération inscrit à l’article 90/1 du
CIR 9211, ni sur le traitement des revenus comme des revenus
professionnels au sens de l’article 37bis, § 2, du CIR 9212.
Cette lecture a été confirmée par le délégué comme suit:
“De inkomsten uit de deeleconomie, het verenigingswerk
en de occasionele diensten tussen burgers zijn in beginsel
als beroepsinkomen belastbaar wanneer het brutobedrag van
die inkomsten meer bedraagt dan 6 130 euro (geïndexeerd
bedrag voor aanslagjaar 2019). Wanneer de inkomsten uit het
verenigingswerk of uit occasionele diensten tussen burgers
voor een bepaalde maand meer bedragen dan 1/12 van die
maandgrens, zijn ze steeds als beroepsinkomen belastbaar”.
11
En effet, l’article 90/1 du CIR 92 mentionne “le montant brut total
des revenus visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater”.
12
L’article 37bis, § 2, du CIR 92 énonce ce qui suit:
“Tous les revenus visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°ter et 1°quater,
enregistrés pour un mois civil déterminé sont considérés comme
des revenus professionnels lorsque le montant brut de ces
revenus qui a été enregistré pour le même mois civil, excède un
douzième du montant visé à l’alinéa 2, le cas échéant, majoré
pour certaines catégories du travail associatif en application de
l’article 12, § 3, alinéas 2 et 3, de la loi du 18 juillet 2018 relative
à la relance économique et au renforcement de la cohésion
sociale.
Les revenus visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater,
sont, sauf preuve contraire, considérés comme des revenus
professionnels lorsque le montant brut de ces revenus y compris
le montant brut des revenus qui sont considérés comme revenus
professionnels en application de l’alinéa 1er, excède pour l’année
civile ou l’année civile précédente le montant de 3830 euros”.
156
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Het verdient aanbeveling om een en ander duidelijker in
de tekst van het voorontwerp tot uiting te laten komen, of toch
minstens in de memorie van toelichting.
39. Aan de gemachtigde werd de hypothese voorgelegd
waarbij een persoon, bijvoorbeeld, in hetzelfde jaar voor
25 000 euro materieel koopt en 30 000 euro bruto-inkomsten
verwerft binnen de regimes bedoeld in artikel 90, eerste lid,
1°bis tot 1°quater van het WIB 92. Tevens werd de vraag ge-
steld of de mogelijkheid om bepaalde verliezen af te trekken
(over de drie categorieën van “bijverdiensten” heen) er niet
toe leidt dat deze regimes hun uitzonderlijk karakter verliezen.
De gemachtigde verklaarde hieromtrent:
“De voorgestelde kostenaftrek en onderlinge compensatie
van verliezen zijn enkel van toepassing wanneer de inkomsten
uit de deeleconomie, de occasionele diensten tussen burgers
en het verenigingswerk als diverse inkomsten belastbaar zijn.
Dit is enkel het geval als de bruto-inkomsten uit de deelecono-
mie, het verenigingswerk en de occasionele diensten tussen
burgers samen meer bedragen dan 6 130 euro (geïndexeerd
bedrag voor aanslagjaar 2019) (onder dat bedrag zijn de in-
komsten in beginsel vrijgesteld van inkomstenbelastingen) en
de belastingplichtige het vermoeden weerlegt dat de betrok-
ken inkomsten beroepsinkomsten zijn en voor zover het niet
gaat om inkomsten uit het verenigingswerk of occasionele
diensten tussen burgers voor een maand waarin de maand-
grens is overschreden. De kans dat een belastingplichtige die
meer dan 30 000 euro aan bruto-inkomsten in een jaar heeft
uit de deeleconomie of occasionele diensten tussen burgers
die inkomsten als divers inkomen kan laten belasten, is dus
zo goed als onbestaande.
Wanneer inkomsten uit het verenigingswerk als divers
inkomen worden belast, is het, gelet op de aard van het
verenigingswerk, weinig waarschijnlijk dat de activiteiten
in het kader van het verenigingswerk aanleiding geven tot
een negatief resultaat. De verenigingswerker wordt immers
beschouwd als een “beter vergoede vrijwilliger”. Wat de deel-
economie en de occasionele diensten tussen burgers betreft
die als divers inkomen belastbaar zijn, wordt erop gewezen
dat de activiteiten in dat kader worden geacht eerder in het
verlengde van de privésfeer te liggen, waarbij men gebruikt
maakt van toestellen en middelen die men ook al in de pri-
vésfeer gebruikt. Negatieve resultaten lijken ook hier weinig
waarschijnlijk. Investeringen of grote kosten die specifiek voor
de activiteit in de deeleconomie of occasionele diensten tus-
sen burgers worden gemaakt, wijzen in de richting van een
beroepsactiviteit en zullen het moeilijk, zoniet onmogelijk,
maken om het wettelijk vermoeden dat de inkomsten beroep-
sinkomsten zijn, te weerleggen.”
Il est recommandé d’apporter ces précisions dans le texte
de l’avant-projet ou tout au moins dans l’exposé des motifs.
39. L’hypothèse suivante a été soumise au délégué: il s’agit
de l’exemple où, au cours d’une même année, une personne
achète du matériel à concurrence de 25 000 euros et perçoit
des revenus pour un montant brut de 30 000 euros dans les
régimes visés à l’article 90, alinéa 1er, 1°bis à 1°quater du
CIR 92. La question lui a en outre été posée de savoir si la
possibilité de déduire certaines pertes (réparties entre les
trois catégories de “revenus complémentaires”) n’a pas pour
conséquence de faire perdre à ces régimes leur caractère
exceptionnel.
Le délégué a déclaré à ce sujet ce qui suit:
“De voorgestelde kostenaftrek en onderlinge compensatie
van verliezen zijn enkel van toepassing wanneer de inkomsten
uit de deeleconomie, de occasionele diensten tussen burgers
en het verenigingswerk als diverse inkomsten belastbaar zijn.
Dit is enkel het geval als de bruto-inkomsten uit de deelecono-
mie, het verenigingswerk en de occasionele diensten tussen
burgers samen meer bedragen dan 6 130 euro (geïndexeerd
bedrag voor aanslagjaar 2019) (onder dat bedrag zijn de
inkomsten in beginsel vrijgesteld van inkomstenbelastingen)
en de belastingplichtige het vermoeden weerlegt dat de be-
trokken inkomsten beroepsinkomsten zijn en voor zover het
niet gaat om inkomsten uit het verenigingswerk of occasionele
diensten tussen burgers voor een maand waarin de maand-
grens is overschreden. De kans dat een belastingplichtige
die meer dan 30 000 euro aan bruto-inkomsten in een jaar
heeft uit de deeleconomie of occasionele diensten tussen
burgers die inkomsten als divers inkomen kan laten belasten,
is dus zo goed als onbestaande.
Wanneer inkomsten uit het verenigingswerk als divers
inkomen worden belast, is het, gelet op de aard van het
verenigingswerk, weinig waarschijnlijk dat de activiteiten
in het kader van het verenigingswerk aanleiding geven tot
een negatief resultaat. De verenigingswerker wordt immers
beschouwd als een “beter vergoede vrijwilliger”. Wat de
deeleconomie en de occasionele diensten tussen burgers
betreft die als divers inkomen belastbaar zijn, wordt erop
gewezen dat de activiteiten in dat kader worden geacht
eerder in het verlengde van de privésfeer te liggen, waarbij
men gebruikt maakt van toestellen en middelen die men ook
al in de privésfeer gebruikt. Negatieve resultaten lijken ook
hier weinig waarschijnlijk. Investeringen of grote kosten die
specifi ek voor de activiteit in de deeleconomie of occasi-
onele diensten tussen burgers worden gemaakt, wijzen in
de richting van een beroepsactiviteit en zullen het moeilijk,
zoniet onmogelijk, maken om het wettelijk vermoeden dat de
inkomsten beroepsinkomsten zijn, te weerleggen”.
157
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Afdeling 2
Vereenvoudiging inzake [personenbelasting]
40. Deze afdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
HOOFDSTUK 2
Bekrachtiging van koninklijk besluiten genomen ter
uitvoering van artikel 37, § 1, van het Wetboek van de
belasting over de toegevoegde waarde
Artikel 110
41. Artikel 110 van het voorontwerp strekt tot bekrachti-
ging van twee koninklijke besluiten die het koninklijk besluit
nr. 20 van 20 juli 1970 “tot vaststelling van de tarieven van
de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling
van de goederen en de diensten bij die tarieven” hebben
gewijzigd. Het gaat om enerzijds het koninklijk besluit van
26 januari 2016 “tot wijziging van het koninklijk besluit
nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de
belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van
de goederen en de diensten bij die tarieven, wat het werk
in onroerende staat en de gelijkgestelde handelingen en de
assistentiehonden betreft” en anderzijds het koninklijk besluit
van 3 augustus 2016 “tot wijziging van het koninklijk besluit
nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de
belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de
goederen en de diensten bij die tarieven wat de gebouwen
voor leerlingenbegeleiding betreft”.
Beide koninklijke besluiten zijn reeds bekrachtigd bij ar-
tikel 16 van de wet van 22 oktober 2017 “houdende diverse
fiscale bepalingen I”, zodat dit artikel geschrapt dient te
worden.
HOOFDSTUK 3
Wijziging van het Wetboek diverse rechten en taksen
42. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
HOOFDSTUK 4
Wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek-
en griffierechten
43. Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Section 2
Simplification en matière d’[impôt des
personnes physiques]
40. Cette section n’appelle aucune observation.
CHAPITRE 2
Confirmation d’arrêtés royaux pris en exécution de
l’article 37, § 1er, du Code de la taxe sur
la valeur ajoutée
Article 110
41. L’article 110 de l’avant-projet vise à confirmer deux arrê-
tés royaux qui ont modifié l’arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970
“fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la
répartition des biens et des services selon ces taux”. Il s’agit,
d’une part, de l’arrêté royal du 26 janvier 2016 “modifiant
l’arrêté royal du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur
la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des
services selon ces taux, en ce qui concerne les travaux immo-
biliers et opérations assimilées et les chiens d’assistance” et,
d’autre part, de l’arrêté royal du 3 août 2016 “modifiant l’arrêté
royal n° 20 du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur la
valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des
services selon ces taux en ce qui concerne les bâtiments
destinés à l’encadrement des élèves”.
Ces deux arrêtés royaux ont déjà été confirmés par l’ar-
ticle 16 de la loi du 22 octobre 2017 “portant des dispositions
fiscales diverses I”, de sorte que cet article doit être supprimé.
CHAPITRE 3
Modification du Code des droits et taxes divers
42. Ce chapitre n’appelle aucune observation.
CHAPITRE 4
Modification au Code des droits d’enregistrement,
d’hypothèque et de greffe
43. Ce chapitre n’appelle aucune observation.
158
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
DEEL VI – ACHTERWAARTSE VERLIESVERREKENING
TER COMPENSATIE VAN SCHADE AAN
LANDBOUWTEELTEN, VEROORZAAKT DOOR
ONGUNSTIGE WEERSOMSTANDIGHEDEN
Artikelen 115 tot 128
44. Deel VI van het voorontwerp strekt tot de invoering
in het WIB 92 van een “achterwaartse verliesverrekening
ter compensatie van schade aan landbouwteelten, veroor-
zaakt door ongunstige weersomstandigheden” (“carry back
landbouw”).
In de memorie van toelichting wordt daarover onder meer
het volgende gesteld:
“Ongunstige klimatologische omstandigheden, zoals ex-
treme droogte, extreme regenval of zeer strenge vorst hebben
een aanzienlijke impact op de opbrengst van landbouwteelten
en dus ook op het inkomen van landbouwers.
(…)
Door het fiscale verlies dat landbouwers lijden door on-
gunstige klimatologische omstandigheden te laten aftrekken
van de beroepsinkomsten van vorige in plaats van volgende
belastbare tijdperken en op die manier reeds betaalde be-
lasting terug te geven (eerder dan toekomstige belasting te
verlagen), wil de regering de landbouwers bijkomende finan-
ciële ademruimte geven.”
Het gaat om een keuzestelsel. De belastingplichtige moet
zijn keuze expliciet aangeven in de aangifte met betrekking tot
het belastbare tijdperk waarin de schade waaraan het verlies
te wijten is, is vastgesteld.
De essentie van de ontworpen regeling wordt ingevoegd
in artikel 78 van het WIB 92 (artikel 117 van het voorontwerp).
De achterwaartse verliesaftrek kan enkel worden toegepast
indien de schade werd geleden op het grondgebied van een
gewest dat met de federale overheid een samenwerkingsak-
koord heeft gesloten met het oog op de gezamenlijke naleving
van (onder meer) de cumulatieregeling bedoeld in artikel 8 van
de verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van
25 juni 2014 “waarbij bepaalde categorieën steun in de
landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden
op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag be-
treffende de werking van de Europese Unie met de interne
markt verenigbaar worden verklaard” (hierna: verordening
702/2014). Ook artikel 206 van het WIB 92 wordt aangepast
om de regeling van overeenkomstige toepassing te maken
op de vennootschapsbelasting (artikel 118 van het vooront-
werp). Een nieuw artikel 375/1 van het WIB 92 voorziet erin
dat van rechtswege ontheffing wordt verleend van het teveel
aan gevestigde belasting ingevolgde de achterwaartse aftrek
van beroepsverliezen op grond van voormelde bepalingen
(artikel 122 van het voorontwerp).
45. Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof
is een verschil in behandeling slechts verenigbaar met de
grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet discriminatie,
PARTIE VI – RÉTRO-IMPUTATION DES PERTES
EN COMPENSATION DE DOMMAGE CAUSÉ AUX
CULTURES AGRICOLES, PROVOQUÉ PAR DES
CONDITIONS MÉTÉOROLOGIQUES DÉFAVORABLES
Articles 115 à 128
44. La partie VI de l’avant-projet vise à instaurer dans le
C.I.R. 92 une “rétro-imputation des pertes en compensation
de dommage causé aux cultures agricoles, provoqué par
des conditions météorologiques défavorables” (“carry back
secteur agricole”).
L’exposé des motifs précise à cet égard notamment ce
qui suit:
“Des conditions climatologiques défavorables, comme
la sécheresse extrême, des intempéries extrêmes ou des
fortes gelées ont une incidence notable sur le rendement
des cultures agricoles et par conséquent sur les revenus
des agriculteurs.
[…]
En permettant la déduction des pertes fiscales que les
agriculteurs subissent du fait de conditions climatologiques
défavorables des revenus professionnels de périodes impo-
sables antérieures au lieu des suivantes, et, de cette façon, le
remboursement de l’impôt déjà payé (plutôt que la diminution
de l’impôt futur), le gouvernement souhaite procurer plus de
marge financière aux agriculteurs”.
Il s’agit d’un régime d’option. Le contribuable doit explici-
tement faire connaître son choix dans la déclaration relative
à la période imposable durant laquelle les dommages qui ont
causé la perte ont été constatés.
L’essentiel du régime en projet est insérée dans l’ar-
ticle 78 du CIR 92 (article 117 de l’avant-projet). La rétro-dé-
duction de perte est applicable uniquement si le dommage
a été encouru sur le territoire d’une région qui a conclu
avec l’autorité fédérale un accord de coopération visant le
respect conjoint (notamment) des règles de cumul visées à
l’article 8 du règlement (UE) n° 702/2014 de la Commission
du 25 juin 2014 “déclarant certaines catégories d’aides, dans
les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales,
compatibles avec le marché intérieur, en application des
articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union
européenne” (ci-après: règlement 702/2014). L’article 206 du
CIR 92 est également adapté pour rendre le régime applicable
à l’impôt des sociétés (article 118 de l’avant-projet). Un nouvel
article 375/1 du CIR 92 prévoit que le dégrèvement de l’impôt
excédentaire établi suite à l’arriéré de déduction des pertes
professionnelles en application des dispositions précitées est
accordé de plein droit (article 122 de l’avant-projet).
45. Selon la jurisprudence de la Cour constitutionnelle,
une différence de traitement ne peut se concilier avec les
principes constitutionnels d’égalité et de non-discrimination
159
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en
het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke
verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend
met het doel en de gevolgen van de betrokken maatregel
en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het
beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden
wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat
tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.13 Bij
artikel 172 van de Grondwet wordt de toepasselijkheid van de
grondwettelijke regels van gelijkheid en van niet-discriminatie
(artikelen 10 en 11 van de Grondwet) bevestigd in fiscale
aangelegenheden. Deze bepaling is immers een precisering
of een bijzondere toepassing van het in artikel 10 van de
Grondwet algemeen geformuleerde gelijkheidsbeginsel.
De maatregel is uitsluitend bedoeld voor de landbouwsec-
tor, terwijl dat niet de enige economische sector is die schade
lijdt door ongunstige klimatologische omstandigheden. De
stellers van het voorontwerp doen er dan ook goed aan om in
de memorie van toelichting een verantwoording op te nemen
voor het verschil in behandeling tussen de landbouwsector
en andere economische sectoren.
46. In de memorie van toelichting wordt uiteengezet dat
“[b]eroepsverliezen die in het stelsel van de achterwaartse
verliesaftrek niet in aftrek kunnen worden gebracht van de
beroepsinkomsten van het belastbare tijdperk n-1, (…) alsnog
in aanmerking [komen] voor een voorwaartse verliesaftrek (die
moet worden aangevraagd in de aangifte met betrekking tot
het belastbare tijdperk n + 1 en, desgevallend, de daaropvol-
gende belastbare tijdperken)”.
Het is niet duidelijk waarom de belastingplichtige daarom
expliciet moet vragen en waarom die carry forward niet van
rechtswege en dus automatisch kan worden toegekend. Dat
kan beter worden verduidelijkt in de memorie van toelichting.
47. Aan de gemachtigde is de vraag voorgelegd of de
achterwaartse verliesverrekening te beschouwen is als een
verrekening die autonoom bestaat – zonder rekening te hou-
den met de specifieke omstandigheden van de belastbare
tijdperken n-3, n-2, n-1 – of daarentegen wordt toegepast re-
kening houdend met situaties die zich in voormelde tijdperken
hebben voorgedaan en die kunnen leiden tot een beperking
van de verliesaftrek (bijvoorbeeld een onverantwoorde con-
trolewissel in de zin van artikel 207 van het WIB 92 of een
belastingneutrale herstructurering in de zin van artikel 206,
§ 2, van het WIB 92 die een beperking tot gevolg heeft van
de aftrekbaarheid van de verliezen).
De gemachtigde antwoordde het volgende:
13
Vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Zie bv.: GwH
17 juli 2014, nr. 107/2014, B.12; GwH 25 september 2014,
nr. 141/2014, B.4.1; GwH 30 april 2015, nr. 50/2015, B.16; GwH
18 juni 2015, nr. 91/2015, B.5.1; GwH 16 juli 2015, nr. 104/2015,
B.6; GwH 16 juni 2016, nr. 94/2016, B.3; GwH 18 mei 2017,
nr. 60/2017, B.11; GwH 15 juni 2017, nr. 79/2017, B.3.1; GwH
19 juli 2017, nr. 99/2017, B.11; GwH 28 september 2017,
nr. 104/2017, B.8.
que si cette différence repose sur un critère objectif et si elle
est raisonnablement justifiée. L’existence d’une telle justifi-
cation doit s’apprécier en tenant compte du but et des effets
de la mesure visée ainsi que de la nature des principes en
cause; le principe d’égalité et de non-discrimination est violé
lorsqu’il n’existe pas de rapport raisonnable de proportionna-
lité entre les moyens employés et le but visé13. L’article 172 de
la Constitution confirme l’applicabilité des règles constitution-
nelles d’égalité et de non-discrimination (articles 10 et 11 de la
Constitution) en matière d’impôts. Cette disposition constitue
en effet une précision ou une application particulière du prin-
cipe général d’égalité formulé à l’article 10 de la Constitution.
La mesure vise exclusivement le secteur agricole, alors
que ce n’est pas le seul secteur économique qui subit des
dommages en raison de circonstances météorologiques défa-
vorables. Les auteurs de l’avant-projet seraient dès lors bien
avisés d’inscrire dans l’exposé des motifs une justification
de la différence de traitement entre le secteur agricole et les
autres secteurs économiques.
46. L’exposé des motifs précise que “[l]es pertes profes-
sionnelles qui, dans la mesure de rétro-déduction de pertes,
ne peuvent être déduites des revenus professionnels de la
période imposable n-1, entrent encore en considération pour
une déduction future des pertes (qui doit être demandée dans
la déclaration relative à la période imposable n+1 et, le cas
échéant, des périodes imposables suivantes)”.
On n’aperçoit pas pourquoi le contribuable doit en faire
la demande explicite et pourquoi ce carry forward ne peut
pas être accordé de plein droit et donc automatiquement. Il
serait préférable d’apporter des précisions à cet égard dans
l’exposé des motifs.
47. La question a été soumise au délégué de savoir si
la rétro-imputation des pertes doit être considérée comme
une imputation qui existe d’une manière autonome – sans
tenir compte des circonstances spécifiques des périodes
imposables n-3, n-2, n-1 – ou au contraire, si elle est appli-
quée en tenant compte des situations qui se sont produites
au cours des périodes précitées et qui peuvent conduire à
une limitation de la déduction des pertes (par exemple, un
changement de contrôle injustifié au sens de l’article 207 du
CIR 92 ou une restructuration neutre sur le plan fiscal au sens
de l’article 206, § 2, du CIR 92 qui entraîne une limitation de
la déductibilité des pertes).
Le délégué a répondu ce qui suit:
13
Jurisprudence constante de la Cour constitutionnelle. Voir
par exemple: C.C., 17 juillet 2014, n° 107/2014, B.12; C.C.,
25 septembre 2014, n° 141/2014, B.4.1; C.C., 30 avril 2015,
n° 50/2015, B.16; C.C., 18 juin 2015, n° 91/2015, B.5.1; C.C.,
16 juillet 2015, n° 104/2015, B.6; C.C., 16 juin 2016, n° 94/2016,
B.3; C.C., 18 mai 2017, n° 60/2017, B.11; C.C., 15 juin 2017,
n° 79/2017, B.3.1; C.C., 19 juillet 2017, n° 99/2017, B.11; C.C.,
28 septembre 2017, n° 104/2017, B.8.
160
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“In de algemene bespreking in de memorie van toelichting
kan het volgende gelezen worden:
“De andere regels met betrekking tot de aftrek van verlie-
zen, zoals de artikelen 79 en 80, WIB 92 zijn ook van toepas-
sing op de achterwaartse verliesaftrek.”
Hetzelfde geldt uiteraard voor de vennootschapsbelasting,
waar alle andere regels opgenomen in artikel 206 en 207 WIB
92 (andere dan de regel opgenomen in artikel 206, § 1, eerste
lid, WIB 92) ook van toepassing zijn. De carry back is dus
de perfecte spiegel van de carry forward. Wat niet in carry
forward zou kunnen worden genomen kan niet in carry back
worden genomen en vice versa.
Dit principe wordt al gedeeltelijk verduidelijkt in de artikels-
gewijze bespreking van artikel 118 van het ontwerp (wijziging
aan artikel 206 WIB 92) waarin het volgende geschreven staat:
“De in het kader van de vennootschapsbelasting recent
ingevoerde beperkingen op de aftrek van winst van het
belastbare tijdperk gelden ook binnen de context van de
achterwaartse verliesaftrek. Zo zal het dus niet meer mogelijk
zijn om sommige aftrekken in mindering te brengen van deze
winst indien de som van deze aftrekken het bedrag heeft
bereikt van 1 000 000 euro, vermeerderd met 70 pct. van
het gedeelte van de na toepassing van de in het tweede lid
bedoelde aftrekken overblijvende winst die het bedrag van
1 000 000 euro overstijgt.”
Dezelfde redenering kan uiteraard worden gemaakt met
betrekking tot de andere bepalingen van de artikelen 206 en
207 WIB 92. Indien de opstellers van het ontwerp wel zouden
hebben beoogd om bepaalde regels van de artikelen 206 en
207 WIB 92 buiten werking te laten zijn bij de toepassing
van de carry back, zou het noodzakelijk geweest zijn om
dit expliciet in het ontwerp te voorzien. Het feit dat dit niet is
voorzien in het ontwerp verduidelijkt in principe voldoende
dat alle regels van de artikelen 206 en 207 WIB 92 uitwerking
hebben bij de toepassing van de carry back.
Indien de afdeling Wetgeving van de Raad van State het
wenselijk acht dat dit principe geëxpliciteerd wordt in de
memorie van toelichting zal het algemene gedeelte in de
memorie van toelichting in die zin worden aangevuld zodat
wordt verduidelijkt dat de specifieke omstandigheden van de
belastbare tijdperken n-3, n-2, n-1 gevolgen kunnen hebben
voor de toepassing van de carry back, net zoals de specifieke
omstandigheden van de belastbare tijdperken n-3, n-2, n-1,
gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van een carry
forward in het belastbare tijdperk n.”
Met die suggestie kan worden ingestemd.
48. Aan de gemachtigde is voorts gevraagd hoe de ach-
terwaartse verliesverrekening toegepast wordt wanneer in de
periode n-3, n-2 of n-1 de landbouwvennootschap opteert voor
taxatie in de vennootschapsbelasting (artikel 29, § 2, 2°, van
het WIB 92 en de artikelen 12 tot 16 van het koninklijk besluit
van 27 augustus 1993 “tot uitvoering van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992”).
“In de algemene bespreking in de memorie van toelichting
kan het volgende gelezen worden:
“De andere regels met betrekking tot de aftrek van verlie-
zen, zoals de artikelen 79 en 80, WIB 92 zijn ook van toepas-
sing op de achterwaartse verliesaftrek.”
Hetzelfde geldt uiteraard voor de vennootschapsbelasting,
waar alle andere regels opgenomen in artikel 206 en 207 WIB
92 (andere dan de regel opgenomen in artikel 206, § 1er,
eerste lid, WIB 92) ook van toepassing zijn. De carry back
is dus de perfecte spiegel van de carry forward. Wat niet in
carry forward zou kunnen worden genomen kan niet in carry
back worden genomen en vice versa.
Dit principe wordt al gedeeltelijk verduidelijkt in de ar-
tikelsgewijze bespreking van artikel 118 van het ontwerp
(wijziging aan artikel 206 WIB 92) waarin het volgende
geschreven staat:
“De in het kader van de vennootschapsbelasting recent
ingevoerde beperkingen op de aftrek van winst van het
belastbare tijdperk gelden ook binnen de context van de
achterwaartse verliesaftrek. Zo zal het dus niet meer mogelijk
zijn om sommige aftrekken in mindering te brengen van deze
winst indien de som van deze aftrekken het bedrag heeft
bereikt van 1 000 000 euro, vermeerderd met 70 pct. van
het gedeelte van de na toepassing van de in het tweede lid
bedoelde aftrekken overblijvende winst die het bedrag van
1 000 000 euro overstijgt.”
Dezelfde redenering kan uiteraard worden gemaakt met
betrekking tot de andere bepalingen van de artikelen 206 en
207 WIB 92. Indien de opstellers van het ontwerp wel zouden
hebben beoogd om bepaalde regels van de artikelen 206 en
207 WIB 92 buiten werking te laten zijn bij de toepassing
van de carry back, zou het noodzakelijk geweest zijn om
dit expliciet in het ontwerp te voorzien. Het feit dat dit niet is
voorzien in het ontwerp verduidelijkt in principe voldoende
dat alle regels van de artikelen 206 en 207 WIB 92 uitwerking
hebben bij de toepassing van de carry back.
Indien de afdeling Wetgeving van de Raad van State het
wenselijk acht dat dit principe geëxpliciteerd wordt in de
memorie van toelichting zal het algemene gedeelte in de
memorie van toelichting in die zin worden aangevuld zodat
wordt verduidelijkt dat de specifi eke omstandigheden van de
belastbare tijdperken n-3, n-2, n-1 gevolgen kunnen hebben
voor de toepassing van de carry back, net zoals de specifi eke
omstandigheden van de belastbare tijdperken n-3, n-2, n-1,
gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van een carry
forward in het belastbare tijdperk n”.
Cette suggestion peut être retenue.
48. Il a en outre été demandé au délégué comment l’impu-
tation rétroactive des pertes est appliquée lorsque dans la
période n-3, n-2 ou n-1, la société agricole opte pour la taxation
à l’impôt des sociétés (article 29, § 2, 2°, du CIR 92 et les
articles 12 à 16 de l’arrêté royal du 27 août 1993 “d’exécution
du Code des impôts sur les revenus 1992”).
161
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De gemachtigde antwoordde:
“Indien de landbouwvennootschap opteert voor taxatie
in de vennootschapsbelasting, en zij lijdt in jaar n schade
omwille van ongunstige weersomstandigheden, kan deze
in toepassing van artikel 206 § 4, WIB 92 het verlies ver-
rekenen met de winst van de drie voorgaande belastbare
tijdperken in de mate dat deze winst belastbaar is geweest
in de vennootschapsbelasting.”
49. De ontworpen regeling wordt ingepast in verordening
702/2014. Daarom worden begrippen die eigen zijn aan de
Europese staatssteunreglementering en die nu reeds in spe-
cifieke bepalingen van het WIB 92 voorkomen, opgenomen in
artikel 2 van het WIB 92 (zie artikel 115 van het voorontwerp).
49.1. Er wordt met de ontworpen bepalingen voorzien in de
naleving van bepaalde voorwaarden van die verordening, ter-
wijl de naleving van andere voorwaarden ervan het voorwerp
zal uitmaken van het samenwerkingsakkoord waarvan sprake
in het ontworpen artikel 78, § 2, derde lid, van het WIB 92 (ar-
tikel 117 van het voorontwerp). Dat geldt bijvoorbeeld voor de
cumulatieregels bedoeld in artikel 8 van de verordening en
voor “de manier waarop de ongunstige weersomstandigheden
die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld worden
erkend en de methode waarop gegrond op de bepalingen
van artikel 25 van de voormelde verordening de schade
wordt vastgesteld die werd veroorzaakt door de ongunstige
weersomstandigheden”. Hetzelfde geldt voor de vaststelling
van “het bedrag van deze schade die op de wijze voorzien
in het derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord in het be-
lastbare tijdperk definitief werd vastgesteld” (zie enerzijds het
ontworpen artikel 78, § 2, tweede lid, en anderzijds artikel 25,
leden 5 en 6, van de verordening).
Bijgevolg is het voor de Raad van State, afdeling
Wetgeving, in het kader van onderhavige adviesaanvraag
nog niet mogelijk om na te gaan of en hoe de naleving van
bepaalde onderdelen van verordening 702/2014 op rechtsze-
kere wijze zal worden gewaarborgd. Dat laatste is uiteraard
van groot belang, aangezien bij niet-naleving de steun dreigt
te moeten worden beschouwd als staatssteun die vooraf-
gaandelijk had moeten worden aangemeld overeenkomstig
artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de Werking van
de Europese Unie.
49.2. Het ontworpen artikel 2, § 1, 4°/1, zesde lid, van het
WIB 1992 (artikel 115, a), van het voorontwerp) luidt:
“Een onderneming kan evenwel geen middelgrote on-
derneming zijn indien de controle over het kapitaal of de
stemrechten van de onderneming, individueel of gezamenlijk,
rechtstreeks of onrechtstreeks, voor 25 pct. of meer wordt
uitgeoefend door één of meerdere aanbestedende overheden
als bedoeld in artikel 2 van de wet van 17 juni 2016 inzake
overheidsopdrachten. De in (…) paragraaf 4, tweede lid,
bedoelde gevallen worden voor de toepassing van dit lid niet
beschouwd als aanbestedende overheden.”
Le délégué a répondu comme suit:
“Indien de landbouwvennootschap opteert voor taxatie
in de vennootschapsbelasting, en zij lijdt in jaar n schade
omwille van ongunstige weersomstandigheden, kan deze
in toepassing van artikel 206 § 4, WIB 92 het verlies ver-
rekenen met de winst van de drie voorgaande belastbare
tijdperken in de mate dat deze winst belastbaar is geweest
in de vennootschapsbelasting”.
49. Le régime en projet s’intègre dans le règlement
n° 702/2014. C’est pourquoi des notions propres à la régle-
mentation européenne des aides d’État, et qui figurent déjà
actuellement dans des dispositions spécifiques du CIR 92,
sont inscrites à l’article 2 du CIR 92 (voir l’article 115 de
l’avant-projet).
49.1. Les dispositions en projet prévoient le respect de
certaines conditions de ce règlement, tandis que le respect
d’autres de ses conditions doit faire l’objet d’un accord de
coopération évoqué à l’article 78, § 2, alinéa 3, en projet, du
CIR 92 (article 117 de l’avant-projet). Tel est par exemple le
cas des règles de cumul visées à l’article 8 du règlement et
pour “la façon dont la reconnaissance des conditions météo-
rologiques pouvant être assimilées à une calamité naturelle
a lieu, et sur base des dispositions de l’article 25 du règle-
ment précité, déterminent la méthode sur base de laquelle
le dommage causé par des circonstances météorologiques
défavorables est constaté”. Il en va de même pour la fixation
du “montant de ce dommage qui a été définitivement constaté
dans la période imposable selon les modalités prévues par
l’accord de coopération” (voir d’une part, l’article 78, § 2, ali-
néa 2, en projet, et d’autre part, l’article 25, paragraphes 5 et
6, du règlement).
Par conséquent, dans le cadre de la présente demande
d’avis, le Conseil d’État, section de législation, se trouve
pour l’heure dans l’impossibilité d’examiner si le respect de
certains éléments du règlement 702/2004 pourra être garanti
avec un degré de sécurité juridique satisfaisant, et de quelle
manière il pourra l’être. Ce dernier point est bien entendu très
important, dès lors qu’en cas de non-respect, l’aide risque
de devoir être considérée comme une aide d’État qui aurait
dû être préalablement notifiée conformément à l’article 108,
paragraphe 3, du Traité sur le fonctionnement de l’Union
européenne.
49.2. L’article 2, § 1er, 4°/1, alinéa 6, en projet, du CIR 92 (ar-
ticle 115, a), de l’avant-projet) énonce ce qui suit:
“Une entreprise ne peut pas être une moyenne entre-
prise si le contrôle sur le capital ou sur les droits de vote de
l’entreprise est exercé, directement ou indirectement, à titre
individuel ou conjointement, pour 25 p.c. ou plus par un ou
plusieurs pouvoirs adjudicateurs visés à l’article 2 de la loi
de 17 juin 2016 relative aux marchés publics. Les cas visés
au paragraphe 4, alinéa 2, ne sont pas considérés comme
pouvoirs adjudicateurs pour l’application du présent alinéa”.
162
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Met deze bepaling wordt artikel 3, lid 4, van bijlage I van
verordening 702/2014 geïmplementeerd, dat luidt:
“Behoudens de in lid 2, tweede alinea, bedoelde gevallen
kan een onderneming niet als kmo worden aangemerkt indien
één of meer overheidsinstanties of openbare lichamen geza-
menlijk direct of indirect zeggenschap heeft of hebben over
25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten.”
Artikel 3, lid 2, tweede alinea, van voormelde bijlage I luidt:
“Ook al wordt de drempel van 25 % bereikt of overschreden,
toch kan een onderneming als zelfstandige onderneming of
als onderneming zonder partnerondernemingen worden aan-
gemerkt, indien het om de volgende categorieën investeerders
gaat en mits dezen individueel noch gezamenlijk met de be-
trokken onderneming verbonden zijn in de zin van lid 3: (...)”.
De voorwaarde dat de betrokken categorieën investeerders
niet “individueel noch gezamenlijk met de betrokken onder-
neming verbonden [mogen] zijn”, lijkt niet te zijn vervat in de
ontworpen regeling. Dat is te verduidelijken in de ontworpen
bepalingen.
50. Het ontworpen artikel 2, § 4, derde lid, vijfde en zesde
streepje, van het WIB 1992 (artikel 115, c), van het vooront-
werp) bepaalt dat “[v]oor de toepassing van het eerste lid en
van paragraaf 1, 4°/1 (...) een onderneming als een verbonden
onderneming van een andere onderneming [wordt] aange-
merkt indien”:
“(...)
— de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen het recht heeft een overheersende
invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond
van een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een
bepaling in de statuten van de laatstgenoemde onderneming,
behalve in het geval de eerstgenoemde onderneming onder
het toepassingsgebied van het derde lid valt en uit de feiten
niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend;
— de andere onderneming rechtstreeks of middels derde
ondernemingen het recht heeft een overheersende invloed op
een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met
deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling
in de statuten van de laatstgenoemde onderneming, behalve
in het geval de andere onderneming onder het toepassings-
gebied van het derde lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit
recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend;
(…)”.
Het is echter niet duidelijk wat in de aangehaalde bepa-
lingen – die onderdelen maken overigens zelf deel uit van
“het derde lid” van die bepaling – wordt bedoeld met de
zinsnede “behalve in het geval de (...) onderneming onder
het toepassingsgebied van het derde lid valt en uit de feiten
niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend”. Dat
is te verduidelijken, waarbij de stellers van het voorontwerp
Cette disposition met en œuvre l’article 3, paragraphe 4, de
l’annexe I du règlement n° 702/2004, qui dispose ce qui suit:
“Hormis les cas visés au paragraphe 2, deuxième alinéa,
une entreprise ne peut pas être considérée comme une PME
si 25 % ou plus de son capital ou de ses droits de vote sont
contrôlés, directement ou indirectement, par un ou plusieurs
organismes publics ou collectivités publiques, à titre individuel
ou conjointement”.
L’article 3, paragraphe 2, deuxième alinéa, de l’annexe
précitée dispose ce qui suit:
“Une entreprise peut toutefois être qualifiée d’autonome,
donc n’ayant pas d’entreprises partenaires, même si le seuil
de 25 % est atteint ou dépassé, lorsqu’on est en présence
des catégories d’investisseurs suivants, et à la condition que
ceux-ci ne soient pas, à titre individuel ou conjointement, liés
au sens du paragraphe 3 avec l’entreprise concernée [...]:”.
La condition selon laquelle les catégories d’investisseurs
concernés “ne [peuvent] pas, à titre individuel ou conjointe-
ment, [être] liés [...] avec l’entreprise concernée” ne paraît pas
être prévue par le régime en projet. Il convient de le préciser
dans les dispositions en projet.
50. L’article 2, § 4, alinéa 3, cinquième et sixième tirets,
en projet, du CIR 92 (article 115, c), de l’avant-projet) dispose
que “[p]our l’application de l’alinéa 1er et du paragraphe 1er,
4°/1, une entreprise est considérée comme entreprise liée à
une autre entreprise si”:
“[…]
— l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou au
moyen d’entreprises tierces, le droit d’exercer une influence
dominante sur une autre entreprise en vertu d’un contrat
conclu avec cette entreprise ou en vertu d’une clause conte-
nue dans les statuts de cette entreprise citée en dernier
lieu, sauf dans le cas où l’entreprise citée en premier lieu se
trouve dans le champ d’application de l’alinéa 3 et que les
faits n’établissent pas que ce droit est effectivement exercé;
— l’autre entreprise a, directement ou au moyen d’entre-
prises tierces, le droit d’exercer une influence dominante sur
une autre entreprise en vertu d’un contrat conclu avec cette
entreprise ou en vertu d’une clause contenue dans les statuts
de cette entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où
l’autre entreprise se trouve dans le champ d’application de
l’alinéa 3 et que les faits n’établissent pas que ce droit est
effectivement exercé;
[…]”.
On n’aperçoit cependant pas, dans les dispositions citées
– ces divisions font au demeurant elles-mêmes partie de
“l’alinéa 3” de cette disposition –, ce que vise le membre de
phrase “sauf dans le cas où l’entreprise […] se trouve dans le
champ d’application de l’alinéa 3 et que les faits n’établissent
pas que ce droit est effectivement exercé”. Les auteurs de
l’avant-projet doivent le préciser, en examinant également si
163
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
ook zullen moeten nagegaan of de draagwijdte die ze aan de
betrokken zinsnede geven, verenigbaar is met de bepalingen
van verordening 702/2014.
De griffier,
De voorzitter,
Annemie GOOSSENS
Jo BAERT
Béatrice DRAPIER
Pierre VANDERNOOT
la portée qu’ils donnent au membre de phrase concerné est
compatible avec les dispositions du règlement n° 702/2014.
Le greffier,
Le président,
Annemie GOOSSENS
Jo BAERT
Béatrice DRAPIER
Pierre VANDERNOOT
164
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
WETSONTWERP
FILIP,
KONING DER BELGEN,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.
Op de voordracht van van de minister van Financiën,
HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ:
De minister van Financiën is ermee belast het ont-
werp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in onze
naam bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te
dienen:
TITEL I
Inleidende bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 74 van de Grondwet.
T ITEL II
Fiscale bepalingen
HO OFDSTUK 1
Eenheidsstatuut
Art. 2
In artikel 67quater van het Wetboek van de in-
komstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet
van 26 december 2013 en gewijzigd bij de wet van
18 december 2015, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Het voor het belastbaar tijdperk vrij te stellen bedrag
van de winsten en baten per in het eerste lid bedoelde
werknemer, bedraagt:
— drie weken bezoldiging, van het zesde tot en met
het twintigste door deze werknemer begonnen dienst-
jaar na 1 januari 2014;
PROJET DE LOI
PHILIPPE,
ROI DES BELGES,
À tous, présents et à venir,
SALUT.
Sur la proposition du ministre des Finances,
NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS:
Le ministre des Finances est chargé de présenter, en
notre nom, à la Chambre des représentants, le projet
de loi dont la teneur suit:
TITRE IER
Disposition introductive
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 74
de la Constitution.
TITRE II
Dispositions fiscales
CHAPITRE 1ER
Statut unique
Art. 2
Dans l’article 67quater du Code des impôts sur les
revenus 1992, inséré par la loi du 26 décembre 2013 et
modifié par la loi du 18 décembre 2015, les modifications
suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
“Par travailleur visé à l’alinéa 1er, le montant des
bénéfices et profits à exonérer pour la période impo-
sable s’élève à:
— trois semaines de rémunération, de la sixième
année de service jusqu’à la vingtième année incluse
commencée par ce travailleur après le 1er janvier 2014;
165
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— een week bezoldiging, vanaf het eenentwintig-
ste door deze werknemer begonnen dienstjaar na
1 januari 2014.”;
2° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid
ingevoegd, luidende:
“Het in het tweede lid bedoelde vrij te stellen bedrag
van de winsten en baten, dat in voorkomend geval wordt
beperkt bij toepassing van het vierde lid, wordt gespreid
over het belastbaar tijdperk en de vier volgende belast-
bare tijdperken ten belope van 20 pct. per belastbaar
tijdperk.”;
3° in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden “een maximumbedrag” worden vervan-
gen door de woorden “een maximumbedrag van bruto
maandbezoldiging per werknemer”;
b) de tweede zin wordt opgeheven;
4° tussen het vroegere derde lid, dat het vierde lid
wordt, en het vroegere vierde lid, dat het achtste lid
wordt, worden drie leden ingevoegd, luidende:
“De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoor-
digers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de
opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp
indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het
vierde lid genomen besluiten. Deze besluiten worden
geacht geen uitwerking te hebben gehad indien ze
niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf maanden
na de datum van hun bekendmaking in het Belgisch
Staatsblad.
De in aanmerking te nemen bruto maandbezoldiging
is de gemiddelde bruto maandelijkse bezoldiging, voor
inhouding van de persoonlijke sociale zekerheidsbij-
drage, berekend over het totaal aantal maanden van
het belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling wordt
aangevraagd.
Om de wekelijkse bezoldiging te bepalen wordt het
maximumbedrag van de bruto maandbezoldiging ver-
menigvuldigd met drie en gedeeld door dertien.”;
5° in het vierde lid, dat het achtste wordt, worden de
woorden “waarin de tewerkstelling een einde neemt.”
vervangen door de woorden “waarin de tewerkstelling
een einde neemt en kan het ingevolge de in het derde
lid bedoelde spreiding nog vrij te stellen bedrag voor die
werknemer niet meer vrijgesteld worden.”.
— une semaine de rémunération, à partir de la vingt et
unième année de service commencée par ce travailleur
après le 1er janvier 2014.”;
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les
alinéas 2 et 3:
“Le montant des bénéfices et profits à exonérer visé
à l’alinéa 2 qui est, le cas échéant, limité en application
de l’alinéa 4, est étalé sur la période imposable et les
quatre périodes imposables suivantes à concurrence
de 20 p.c. par période imposable.”;
3° à l’alinéa 3 ancien, qui devient l’alinéa 4, les modi-
fications suivantes sont apportées:
a) les mots “un montant maximum” sont remplacés
par les mots “un montant maximum de rémunération
mensuelle brute par travailleur”;
b) la deuxième phrase est abrogée;
4° trois alinéas rédigés comme suit sont insérés
entre l’ancien alinéa 3, qui devient l’alinéa 4, et l’ancien
alinéa 4, qui devient l’alinéa 8:
“Le Roi saisira la Chambre des représentants immé-
diatement si elle est réunie, sinon dès l’ouverture de sa
plus prochaine session, d’un projet de loi de confirma-
tion des arrêtés pris en exécution de l’alinéa 4. Lesdits
arrêtés sont censés ne pas avoir produit leurs effets
s’ils n’ont pas été confirmés par la loi dans les douze
mois de la date de leur publication au Moniteur belge.
La rémunération mensuelle brute à prendre en
compte est la rémunération mensuelle brute moyenne,
avant retenue des cotisations personnelles de sécurité
sociale, calculée sur le total du nombre de mois de
la période imposable pour laquelle l’exonération est
sollicitée.
Pour déterminer la rémunération hebdomadaire, le
montant maximum de rémunération mensuelle brute
est multiplié par trois et divisé par treize.”;
5° dans l’alinéa 4, qui devient l’alinéa 8, les mots
“la période imposable dont l’emploi prend fin.” sont
remplacés par les mots “la période imposable au cours
de laquelle l’emploi prend fin et le montant encore à
exonérer pour ce travailleur suite à l’étalement visé à
l’alinéa 3 ne peut plus être exonéré.”.
166
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 3
Artikel 2 treedt in werking op 31 december 2018.
HO OFDSTUK 2
ATAD – Interestaftrekbeperking
Art. 4
Dit hoofdstuk heeft de gedeeltelijke omzetting tot doel
van richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016
tot vaststelling van regels ter bestrijding van belasting-
ontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed
zijn op de werking van de interne markt.
Art. 5
Artikel 35 van de wet van 25 december 2017 tot her-
vorming van de vennootschapsbelasting, vervangen bij
de wet van 30 juli 2018, wordt ingetrokken.
Art. 6
In artikel 86 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de bepaling onder B1 worden de woorden “35,
39, 5° en 9°” vervangen door de woorden “34, 36, 39,
5° tot 15°, 40”;
2° i n de bepaling onder B2 worden de woorden “34,
36, 39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot 15°, 40” vervangen
door de woorden “39, 2°en 4°”.
Art. 7
Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze
wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 3
L’article 2 entre en vigueur le 31 décembre 2018.
CHAPITRE 2
ATAD –– Limitation d’intérêts
Art. 4
Le présent chapitre a pour objet de transposer par-
tiellement la directive (UE) 2016/1164 du Conseil du
12 juillet 2016 établissant des règles pour lutter contre
les pratiques d’évasion fiscale qui ont une incidence
directe sur le fonctionnement du marché intérieur.
Art. 5
L’article 35 de la loi du 25 décembre 2017 portant
réforme de l’impôt des sociétés, remplacé par la loi du
30 juillet 2018, est retiré.
Art. 6
A l’article 86 de la même loi, modifié par la loi
du 30 juillet 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° au B1, les mots “35, 39, 5° et 9°” sont remplacés
par les mots “34, 36, 39, 5° à 15°, 40”;
2° au B2, les mots “34, 36, 39, 2°, 4°, 6° à 8° et 10°
à 15°, 40” sont remplacés par les mots “39, 2°et 4°”.
Art. 7
Le présent chapitre entre en vigueur le jour de publi-
cation de la présente loi au Moniteur belge.
167
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOF DSTUK 3
Bezoldigingen ontvangen van een buitenlandse
vennootschap verbonden met de werkgever
Afdeling 1
Wijzigingen van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Art. 8
In artikel 270 van het Wetboek van de inkomstenbe-
lastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992,
28 december 1992 en 22 juli 1993, bij het koninklijk
besluit van 12 december 1996 en door de wetten van
24 december 2002 en 13 december 2012, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° de bestaande tekst zal het eerste lid vormen;
2° een tweede lid wordt ingevoegd, luidende:
“Voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing
worden:
a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige
geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen
toe te kennen die een begunstigde ontvangt van een bui-
tenlandse vennootschap die met de belastingplichtige
verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen wegens of naar
aanleiding van de beroepsactiviteit van de begunstigde
ten behoeve van de belastingplichtige;
b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belasting-
plichtige geacht de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde
bezoldigingen toe te kennen die een begunstigde ont-
vangt van een buitenlandse vennootschap die met de
belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20
van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen
wegens of naar aanleiding van de beroepsactiviteit van
de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige
waarvoor de belastingplichtige in België of in het bui-
tenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen
betaalt of toekent die beroepskosten zijn in de zin van
artikel 237.”.
Art. 9
In artikel 272 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wetten van 28 december 1992, 22 juli 1993 en
13 december 2012, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
CHAPITRE 3
Rémunérations reçues d’une société étrangère
liée à l’employeur
Section 1re
Modifications du Code des impôts
sur les revenus 1992
Art. 8
Dans l’article 270 du Code des impôts sur les
revenus 1992, modifié par les lois des 28 juillet 1992,
28 décembre 1992 et 22 juillet 1993, par l’arrêté royal du
12 décembre 1996 et par les lois des 24 décembre 2002
et 13 décembre 2012, les modifications suivantes sont
apportées:
1° le texte actuel formera l’alinéa 1er;
2° un alinéa 2 est inséré, rédigé comme suit:
“Pour l’application du précompte professionnel:
a) le contribuable visé aux articles 179 ou 220 est
censé attribuer les rémunérations visées à l’article 30,
1° et 2° qu’un bénéficiaire reçoit d’une société étran-
gère liée au contribuable au sens de l’article 1:20 du
Code des sociétés et des associations, en raison ou à
l’occasion de l’activité professionnelle du bénéficiaire
au profit du contribuable;
b) le contribuable visé à l’article 227, 2° et 3°, est
censé attribuer les rémunérations visées à l’article 30,
1° et 2° qu’un bénéficiaire reçoit d’une société étrangère
liée au contribuable au sens de l’article 1:20 du Code
des sociétés et des associations, en raison ou à l’occa-
sion de l’activité professionnelle du bénéficiaire au profit
du contribuable pour laquelle le contribuable paye ou
attribue en Belgique ou à l’étranger des rémunérations
visées à l’article 30, 1° et 2°, qui constituent des frais
professionnels au sens de l’article 237.”.
Art. 9
À l’article 272 du même Code, modifié par les lois des
28 décembre 1992, 22 juillet 1993 et 13 décembre 2012,
les modifications suivantes sont apportées:
168
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1° in eerste lid, 1°, worden de woorden “in artikel 270,
1°, 3°, 6° en 7°” vervangen door de woorden “in arti-
kel 270, eerste lid, 1°, 3°, 6° en 7°”;
2° in eerste lid, 2°, worden de woorden “in artikel 270,
2°” vervangen door de woorden “in artikel 270, eerste
lid, 2°”;
3° in eerste lid wordt een bepaling onder 3° inge-
voegd, luidende:
“3° hebben de belastingschuldigen overeenkomstig
artikel 270, tweede lid, het recht op het geheel van de
belastbare inkomsten waarvan zij schuldenaar zijn de
voorheffing in te houden.”;
4° in tweede lid worden de woorden “in artikel 270,
5°” vervangen door de woorden “in artikel 270, eerste
lid, 5°”.
Art. 10
In artikel 2751, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij
de wet van 22 december 2008, worden de woorden
“krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 11
In artikel 2752, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 20 juli 2005, worden de woorden “in toe-
passing van artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“overeenkomstig artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 12
In artikel 2753, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden
“krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 13
In artikel 2754, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
door bij de wet van 23 december 2005, worden de woor-
den “bij toepassing van artikel 270, 1°,” vervangen door
de woorden “overeenkomstig artikel 270, eerste lid, 1°,”.
1° dans l’alinéa 1er, 1°, les mots “à l’article 270, 1°, 3°,
6° et 7°” sont remplacés par les mots “à l’article 270,
alinéa 1er, 1°, 3°, 6° et 7°”;
2° dans l’alinéa 1er, 2°, les mots “à l’article 270, 2°”
sont remplacés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er,
2°”;
3° dans l’alinéa 1er, un 3° est inséré, rédigé comme
suit:
“3° les redevables en application de l’article 270, ali-
néa 2, ont le droit de retenir le précompte sur l’ensemble
des revenus imposables dont ils sont débiteurs.”;
4° dans l’alinéa 2, les mots “à l’article 270, 5°” sont
remplacés par les mots “à l’article 270, alinéa 1er, 5°”.
Art. 10
A l’article 2751, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 3 juillet 2005 et modifié par la loi du
22 décembre 2008, les mots “en vertu de l’article 270,
1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’ar-
ticle 270, alinéa 1er, 1°,”.
Art. 11
A l’article 2752, § 1er, du même Code, inséré par
la loi du 20 juillet 2005, les mots “en application de
l’article 270, 1°.” sont remplacés par les mots “en appli-
cation de l’article 270, alinéa 1er, 1°.”.
Art. 12
A l’article 2753, § 1er, du même Code, inséré par
la loi du 23 décembre 2005 et modifié en dernier lieu
par la loi du 25 décembre 2017, les mots “en vertu de
l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu
de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”.
Art. 13
A l’article 2754, § 1er, du même Code, inséré par la
loi du 23 décembre 2005, les mots “en application de
l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en appli-
cation de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”.
169
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 14
In artikel 2755, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewij-
zigd bij de wet van 26 maart 2018, worden de woorden
“krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de woorden
“krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 15
In artikel 2756 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 4 mei 2007 en gewijzigd bij de wetten van
22 december 2008, 22 december 2009 en 28 april 2011,
worden de woorden “bedoeld in artikel 270,” vervangen
door de woorden “bedoeld in artikel 270, eerste lid,”.
Art. 16
In artikel 2757, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 26 december 2015, worden de
woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de
woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 17
In artikel 2758 § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten
van 24 maart 2015 en 18 december 2015, worden de
woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de
woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 18
In artikel 2759, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten
van 24 maart 2015 en 18 december 2015, worden de
woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de
woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 19
In artikel 27510, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de
woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de
woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 20
In artikel 27511, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 26 maart 2018, worden de
Art. 14
A l’article 2755, § 1er, du même Code, inséré par la loi
du 23 décembre 2005 et modifié en dernier lieu par la loi
du 26 mars 2018, les mots “en vertu de l’article 270, 1°,”
sont remplacés par les mots “en vertu de l’article 270,
alinéa 1er, 1°,”.
Art. 15
A l’article 2756 du même Code, inséré par la loi du
4 mai 2007 et modifié par les lois des 22 décembre 2008,
22 décembre 2009 et 28 avril 2011, les mots “visés à
l’article 270,” sont à chaque fois remplacés par les mots
“visés à l’article 270, alinéa 1er,”.
Art. 16
A l’article 2757, alinéa 1er, du même Code, remplacé
par la loi du 26 décembre 2015, les mots “en vertu de
l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu
de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”.
Art. 17
A l’article 2758,§ 1er, du même Code, inséré par la loi
du 15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015
et 18 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article 270,
1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’ar-
ticle 270, alinéa 1er, 1°,”.
Art. 18
A l’article 2759, § 1er, du même Code, inséré par la loi
du 15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015
et 18 décembre 2015, les mots “en vertu de l’article 270,
1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de l’ar-
ticle 270, alinéa 1er, 1°,”.
Art. 19
A l’article 27510, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 10 août 2015, les mots “en vertu de l’ar-
ticle 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu de
l’article 270, alinéa 1er, 1°,”.
Art. 20
A l’article 27511, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 26 mars 2018, les mots “en vertu de
170
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
woorden “krachtens artikel 270, 1°,” vervangen door de
woorden “krachtens artikel 270, eerste lid, 1°,”.
Art. 21
In artikel 412bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden
de woorden “de in artikel 270, 5°, vermelde akten” ver-
vangen door de woorden “de in artikel 270, eerste lid,
5°, vermelde akten”.
Afdeling 2
Verplichting tijdens overgangsperiode voor de inkomsten
van het belastbaar tijdperk 2018
Art. 22
§ 1. De belastingplichtige bedoeld in artikel 179 of
220 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992 maakt een fiche op die de bezoldigingen bedoeld
in artikel 30, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek herneemt
die tijdens het kalenderjaar 2018 aan een begunstigde
worden betaald of toegekend door een buitenlandse
vennootschap die met de belastingplichtige verbonden
is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van ven-
nootschappen en verenigingen wegens of naar aanlei-
ding van de beroepsactiviteit van de begunstigde ten
behoeve van de belastingplichtige.
De in artikel 227, 2° en 3°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 bedoelde belastingplichtige
maakt een fiche op die de bezoldigingen bedoeld in
artikel 30, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek herneemt
die tijdens kalenderjaar 2018 aan een begunstigde zijn
betaald of toegekend door een buitenlandse vennoot-
schap die met de belastingplichtige verbonden is in de
zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschap-
pen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de
beroepsactiviteit van de begunstigde ten behoeve van
de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in
België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, van het
voormelde Wetboek bedoelde bezoldigingen betaalt of
toekent die beroepskosten zijn in de zin van artikel 237
van hetzelfde Wetboek.
De in het eerste en tweede lid bedoelde fiche wordt
voor 1 maart 2019 langs elektronische weg aan de FOD
Financiën bezorgd .
De Koning stelt het model op van de fiche bedoeld
in het eerste en tweede lid.
l’article 270, 1°,” sont remplacés par les mots “en vertu
de l’article 270, alinéa 1er, 1°,”.
Art. 21
A l’article 412bis, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 28 décembre 1992, les mots “visés à
l’article 270, 5°.” sont remplacés par les mots “visés à
l’article 270, alinéa 1er, 5°.”.
Section 2
Obligation transitoire pour les revenus de la période
imposable 2018
Art. 22
§ 1er. Le contribuable visé à l’article 179 ou 220 du
Code des impôts sur les revenus 1992 établit une fiche
reprenant les rémunérations visées à l’article 30, 1°
et 2°, du même Code qui sont payées ou attribuées
à un bénéficiaire au cours de l’année civile 2018 par
une société étrangère liée au contribuable au sens de
l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations,
en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle
du bénéficiaire au profit du contribuable.
Le contribuable visé à l’article 227, 2° et 3°, du
Code des impôts sur les revenus 1992 établit une fiche
reprenant les rémunérations visées à l’article 30, 1°
et 2°, du même Code qui sont payées ou attribuées
à un bénéficiaire, au cours de l’année civile 2018 par
une société étrangère liée au contribuable au sens de
l’article 1:20 du Code des sociétés et des associations,
en raison ou à l’occasion de l’activité professionnelle
du bénéficiaire au profit du contribuable pour laquelle le
contribuable paye ou attribue en Belgique ou à l’étran-
ger des rémunérations visées à l’article 30, 1° et 2°, du
Code précité, qui constituent des frais professionnels
au sens de l’article 237 du même Code.
La fiche visée aux alinéas 1er et 2 est transmise
par voie électronique au SPF Finances avant le
1er mars 2019.
Le Roi fixe le modèle de fiche visée aux alinéas 1er
et 2.
171
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
§ 2. In afwijking van de artikelen 219 en 445 van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is in geval
van afwezigheid, onvolledigheid of laattijdigheid van de
in paragraaf 1 bedoelde fiche, per vastgestelde inbreuk
een boete verschuldigd van 10 pct. van het bedrag van
de toegekende of betaalde bezoldigingen bedoeld in
paragraaf 1, eerste en tweede lid.
Er wordt geen boete toegepast wanneer de belas-
tingplichtige aantoont dat de bezoldigingen bedoeld
in artikel 30, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkom-
stenbelastingen 1992 begrepen zijn in een door de
begunstigde overeenkomstig artikel 305 van hetzelfde
Wetboek ingediende aangifte of in een door de be-
gunstigde in het buitenland ingediende gelijkaardige
aangifte.
Art. 23
Voor zover daarvan niet wordt afgeweken, zijn de be-
palingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992 van toepassing op deze afdeling.
Afdeling 3
Inwerkingtreding
Art. 24
Afdeling 1 van dit hoofdstuk treedt in werking op
1 januari 2019 en is van toepassing op bezoldigingen
betaald of toegekend vanaf 1 januari 2019.
Afdeling 2 van dit hoofdstuk treedt in werking op de
dag van haar publicatie in het Belgisch Staatsblad en
ten laatste op 31 december 2018.
TITEL III
Fraudebestrijding
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen inzake inkomstenbelastingen
Afdeling 1
Gegevensuitwisseling met derde landen
Art. 25
In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,
wordt een artikel 338ter ingevoegd, luidende:
§ 2. Par dérogation aux articles 219 et 445 du Code
des impôts sur les revenus 1992, en cas d’absence,
d’incomplètude ou de remise tardive de la fiche visée
au paragraphe 1er, une amende de 10 p.c. du mon-
tant des rumérations attribuées ou payées visées au
paragraphe 1er, alinéa 1er et 2, est due par infraction
constatée.
Aucune amende n’est appliquée lorsque le contri-
buable démontre que les rémunérations visées à
l’article 30, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus
1992 sont comprises dans une déclaration introduite par
le bénéficiaire conformément à l’article 305 du même
Code ou dans une déclaration analogue introduite à
l’étranger par le bénéficiaire.
Art. 23
Pour autant qu’il n’y soit pas dérogé, les dispositions
du Code des impôts sur les revenus 1992 sont d’appli-
cation à la présente section.
Section 3
Entrée en vigueur
Art. 24
La section première du présent chapitre entre en
vigueur le 1er janvier 2019 et est applicable aux rémuné-
rations payées ou attribuées à partir du 1 janvier 2019.
La section 2 du présent chapitre entre en vigueur le
jour de sa publication au Moniteur belge et au plus tard
le 31 décembre 2018.
TITRE III
Lutte contre la fraude
CHAPITRE 1ER
Modifications en matière d’impôts sur les revenus
Section 1re
Échange de données avec des pays tiers
Art. 25
Dans le Code des impôts sur les revenus 1992, il est
inséré un article 338ter, rédigé comme suit:
172
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Art. 338ter. Teneinde de gegevens bedoeld in arti-
kel 338, § 24/1, te kunnen overmaken aan de bevoegde
buitenlandse autoriteiten en de bevoegde autoriteiten
van derde landen, binnen de juridische grondslag die
de uitwisseling van informatie tussen België en het
derde land regelt, kunnen de voormelde gegevens door
de Belgische bevoegde autoriteit conform artikel 30,
tweede lid en artikel 31, zevende lid van de Richtlijn
2015/849/EU zonder enige beperking bij de volgens
voormelde Richtlijn meldingsplichtige entiteiten worden
opgevraagd, die ze binnen een maand na het ver-
zoek dienen te bezorgen aan de Belgische bevoegde
autoriteit.”.
Afdeling 2
Juridische constructies
Art. 26
In artikel 333 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd
door de wetten van 24 maart 2015 en 30 juni 2017, wor-
den de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden “vierde lid.”
vervangen door de woorden “vijfde lid.”;
2° in het derde lid worden de woorden “artikel 354,
tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar,”
vervangen door de woorden “artikel 354, tweede en
derde lid, bedoelde aanvullende termijn van respectie-
velijk vier en zeven jaar,”;
3° in het derde lid in fine worden de woorden “met
de aanvullende termijn van vier jaar.” vervangen door
de woorden “met de hierboven bedoelde aanvullende
termijn van respectievelijk vier en zeven jaar.”.
Art. 27
In artikel 354 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 22 december 2008 en 27 april 2016, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid
ingevoegd, luidende:
“Wanneer in een land opgenomen in de lijst van
staten zonder of met een lage belasting bedoeld in
artikel 307, § 1/2, derde lid, met uitzondering van de
landen waarmee een overeenkomst ter voorkoming van
dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat
deze overeenkomst of enig verdrag in de uitwisseling
van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering
“Art 338ter. Afin de pouvoir transmettre les données
visées à l’article 338, § 24/1 aux autorités compétentes
étrangères et aux autorités compétentes des pays
tiers, conformément au fondement juridique qui règle
l’échange d’informations entre la Belgique et le pays
tiers, les données susvisées peuvent être demandées
conformément à l’article 30, alinéa 2 et à l’article 31,
alinéa 7 de la Directive 2015/849/CE, sans aucune
limitation par l’autorité compétente belge auprès des
entités tenues de notifier en vertu de la Directive sus-
mentionnée, qui doivent les communiquer à l’autorité
compétente belge dans un délai d’un mois à compter
de la demande.”.
Section 2
Constructions juridiques
Art. 26
A l’article 333 du même Code, modifié en dernier
lieu par les lois du 24 mars 2015 et du 30 juin 2017, les
modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 2, les mots “alinéa 4.” sont remplacés
par les mots “alinéa 5.”;
2° dans l’alinéa 3, les mots “de quatre ans prévu à
l’article 354, alinéa 2,” sont remplacés par les mots “de
respectivement quatre et sept ans prévus à l’article 354,
alinéas 2 et 3,”;
3° dans l’alinéa 3 in fine, les mots “prolongé du délai
supplémentaire de quatre ans.” sont remplacés par les
mots “prolongé du délai supplémentaire susvisé de
respectivement quatre et sept ans.”.
Art. 27
A l’article 354 du même Code, modifié par les lois des
22 décembre 2008 et 27 avril 2016, les modifications
suivantes sont apportées:
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les
alinéas 2 et 3:
“Lorsque dans un État figurant sur la liste des États à
fiscalité inexistante ou peu élevée visée à l’article 307,
§ 1er/2, alinéa 3, à l’exception des États avec lesquels a
été conclue une convention préventive de double impo-
sition et à condition que cette convention ou un traité
assure l’échange des informations qui sont nécessaires
afin d’exécuter les dispositions des lois nationales des
173
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
te geven aan de bepalingen van de nationale wetten
van de overeenkomstsluitende staten, gebruik wordt
gemaakt van juridische constructies die ertoe strek-
ken de herkomst of het bestaan van het vermogen te
verhullen, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn
met zeven jaar verlengd in geval van een inbreuk op de
bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan
genomen besluiten.”;
2° in het vroegere derde lid, dat het 4e lid is geworden,
wordt het woord “twee” vervangen door het woord “drie”.
Afdeling 3
Onderzoeksbevoegdheden
Art 28
In artikel 322, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wet van 26 maart 2018, worden de volgende wij-
zigingen aangebracht:
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid
ingevoegd luidende:
“Het recht om derden te horen en om een onder-
zoek in te stellen mag slechts worden uitgeoefend
door ambtenaren die minstens de graad van financieel
deskundige bezitten, voorzien van hun aanstellings-
bewijs en belast met het verrichten van een controle
of een onderzoek betreffende de toepassing van de
inkomstenbelastingen.”;
2° het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt,
wordt aangevuld als volgt:
“Het recht om het UBO-register te consulteren mag
slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met
een hogere titel dan die van attaché.”;
3° het vroegere derde lid wordt opgeheven.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen aan het wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde
Art. 29
In het Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde wordt een artikel 93bis/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 93bis/1. In afwijking van artikel 4 van de wet van
11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur,
États contractants, il est fait usage de constructions
juridiques visant à dissimuler l’origine ou l’existence du
patrimoine, le délai visé à l’alinéa 1er est prolongé de
sept ans en cas d’infraction aux dispositions du présent
Code ou des arrêtés pris pour son exécution.”;
2° dans l’alinéa 3 ancien, devenant l’alinéa 4, le mot
“deux” est remplacé par le mot “trois”.
Section 3
Pouvoirs d’investigation
Art. 28
Dans l’article 322, § 1er, du même Code, modifié par
la loi du 26 mars 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les
alinéas 1er et 2:
“Le droit d’entendre des tiers et de procéder à des
enquêtes ne peut être exercé que par des agents ayant
au minimum le grade d’expert financier. munis de leur
commission et chargés d’effectuer un contrôle ou une
enquête se rapportant à l’application de l’impôt sur les
revenus.”;
2° l’alinéa 2 ancien, devenant l’alinéa 3, est complété
comme suit:
“Le droit de consulter le registre UBO ne peut être
exercé que par un agent ayant un titre supérieur à celui
d’attaché.”;
3° l’alinéa 3 ancien est supprimé.
CHAPITRE 2
Modifications du code de la taxe
sur la valeur ajoutée
Art. 29
Dans le Code de la Taxe sur la valeur ajoutée, il est
inséré un article 93bis/1 rédigé comme suit:
“Art. 93bis/1. Par dérogation à l’article 4 de la loi du
11 avril 1994 relative à la publicité de l’administration,
174
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
mogen de verzoeken om inlichtingen van buitenlandse
autoriteiten en de antwoorden verstrekt aan die autori-
teiten evenals elke andere correspondentie tussen de
bevoegde autoriteiten niet openbaar worden gemaakt
zolang het onderzoek van de buitenlandse autoriteit
niet is afgesloten en voor zover de openbaarmaking
nadelig zou zijn voor het voormelde onderzoek, tenzij de
buitenlandse autoriteit haar uitdrukkelijk akkoord heeft
gegeven voor deze openbaarmaking.
Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt geacht
te zijn bekomen wanneer de buitenlandse autoriteit niet
reageert binnen een termijn van 90 dagen te rekenen
vanaf het verzenden door de Belgische Staat van de
vraag tot inzage, en de informatie niet verschaft dat de
vertrouwelijkheid van de uitgewisselde gegevens en
de correspondentie volgens de voorwaarden van dit
artikel moet voortduren, wanneer de persoon in wiens
hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt
gevoerd uitdrukkelijk deze toegang aan de Belgische
Staat heeft gevraagd.”.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen aan de wet van 24 december 2002 tot
wijziging van de vennootschapsregeling inzake
inkomstenbelastingen en tot instelling van een
systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale
zaken
Art. 30
In artikel 22, derde lid, van de wet van 24 december 2002
tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake in-
komstenbelastingen en tot instelling van een systeem
van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, wordt
de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
“1° bij het indienen van de aanvraag, elementen van
de beschreven verrichting of situatie betrekking hebben
op een vluchtland dat niet samenwerkt met de OESO
of op een land opgenomen in de lijst van staten zonder
of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2,
derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelas-
tingen 1992 tenzij met dit land een overeenkomst ter
voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en
op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag
in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig
zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de
nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten;”.
les demandes de renseignements transmises par les
autorités étrangères et les réponses qui sont fournies
à ces autorités ainsi que toute autre correspondance
entre les autorités compétentes ne sont pas susceptibles
d’être divulguées aussi longtemps que l’enquête de
l’autorité étrangère n’est pas clôturée et pour autant que
la divulgation nuirait aux besoins de l’enquête précitée,
à moins que l’autorité étrangère n’ait expressément
marqué son accord sur cette divulgation.
L’accord visé à l’alinéa 1er est acquis si l’autorité
étrangère ne réagit pas dans un délai de 90 jours à
partir de l’envoi de la demande de divulgation par l’État
belge et n’apporte pas l’information que la confidentia-
lité des données et correspondances échangées selon
les conditions du présent article doit perdurer, lorsque
la personne dans le chef de qui l’enquête est menée
par l’État étranger a explicitement demandé cet accès
à l’État belge.”.
CHAPITRE 3
Modifications de la loi du 24 décembre 2002
modifiant le régime des sociétés en matière
d’impôts sur les revenus et instituant un système
de décision anticipée en matière fiscale
Art. 30
Dans l’article 22, alinéa 3, de la loi du 24 décembre 2002
modifiant le régime des sociétés en matière d’impôts sur
les revenus et instituant un système de décision antici-
pée en matière fiscale, le 1° est remplacé par ce qui suit:
“1° lors de l’introduction de la demande, des éléments
de l’opération ou de la situation décrite se rattachent
à un pays refuge non coopératif avec l’OCDE ou à un
pays figurant sur la liste des États à fiscalité inexistante
ou peu élevée, visée à l’article 307, § 1er/2, alinéa 3, du
Code des impôts sur les revenus 1992, à moins qu’une
convention préventive de double imposition n’ait été
conclue avec cet État et à condition que cette conven-
tion ou un traité assure l’échange des informations qui
sont nécessaires afin d’exécuter les dispositions des
lois nationales des États contractants; “.
175
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 4
De invordering
Afdeling 1
Verplichting van de betaling in euro door bepaalde
administraties van de FOD Financiën
Art. 31
Elke som die door de administratie van de Federale
Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de
invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen
moet worden teruggegeven of betaald, moet uitgevoerd
worden in euro.
Afdeling 2
Wijzigingen van het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992, de programmawet (I) van
29 maart 2012 en het burgerlijk Wetboek inzake het
E-notariaat
Onderafdeling 1
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 32
In artikel 62 van het Wetboek van de belasting over
de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van
28 december 1992 en gewijzigd bij de programmawet
van 27 april 2007 en bij de wet van 25 april 2014, wordt
paragraaf 2 opgeheven.
Art. 33
In artikel 66, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992,
28 januari 2004 en 17 december 2012, worden de
woorden “artikel 62, § 1,” vervangen door de woorden
“artikel 62”.
Art. 34
Artikel 93ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 8 augustus 1980, en gewijzigd bij de wet-
ten van 22 december 1989, 28 december 1992, de
koninklijke besluiten van 20 juli 2000, 31 maart 2003
en 25 februari 2007 en de wetten van 27 april 2007 en
24 juli 2008, wordt vervangen als volgt:
CHAPITRE 4
Le recouvrement
Section 1re
Obligation de paiement en euros par certaines
administrations du SPF Finances
Art. 31
Toute somme à restituer ou à payer par l’administra-
tion du Service public fédéral Finances en charge de la
perception et du recouvrement des créances fiscales et
non fiscales doit être exécutée en euros.
Section 2
Modifications du Code de la taxe sur la valeur ajoutée,
du Code des impôts sur les revenus 1992, de la loi-
programme (I) du 29 mars 2012 et du Code civil en matière
d’E-notariat
Sous-section 1re
Code de la taxe sur la valeur ajoutée
Art. 32
Dans l’article 62 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée,
remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par la
loi-programme du 27 avril 2007 et par la loi du
25 avril 2014, le paragraphe 2 est abrogé.
Art. 33
A l’article 66, alinéa 1er, du même Code, modifié
par les lois du 28 décembre 1992, 28 janvier 2004 et
17 décembre 2012, les mots “l’article 62, § 1er,” sont
remplacés par les mots “l’article 62,”.
Art. 34
L’article 93ter du même Code, inséré par la loi du
8 août 1980 et modifié par les lois du 22 décembre 1989,
28 décembre 1992, les arrêtés royaux des 20 juillet 2000,
31 mars 2003 et 25 février 2007, et des lois du
27 avril 2007 et 24 juillet 2008 , est remplacé par ce
qui suit:
176
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Art. 93ter. § 1. De notaris die verzocht is om een
akte op te maken die de vervreemding of hypothecaire
aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot
voorwerp heeft, is persoonlijk aansprakelijk voor de
betaling van de belasting over de toegevoegde waarde
en bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving
aanleiding kunnen geven, wanneer hij daarvan geen
bericht geeft aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatie-
technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën,
op elektronische wijze;
2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder
van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp van
de akte is, ressorteert, of de ontvanger van de dienst
die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer
de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het
goed zijn verblijfplaats in het buitenland heeft, wanneer
het bericht omwille van overmacht of een technische
storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig
1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief
verzonden.
Indien de akte waarvan sprake niet verleden wordt
binnen drie maanden te rekenen van de verzending
van het bericht, wordt dit bericht als niet bestaande
beschouwd.
§ 2. Wanneer het bericht meegedeeld is in overeen-
stemming met paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder
de verzendingsdatum van het bericht verstaan de da-
tum van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst
belast met informatie- en communicatietechnologie van
de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens
wordt verzonden overeenkomstig de procedures
voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1°
en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de
verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het
bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste
lid, 1°, voorafgaat.
§ 4. De Koning bepaalt de praktische toepassings-
voorwaarden van dit artikel.”.
Art. 35
Artikel 93quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij de konink-
lijke besluiten van 31 maart 2003, en 25 februari 2007,
en bij de wet van 24 juli 2008, wordt vervangen als volgt:
“Art. 93ter. § 1er. Le notaire requis de dresser un acte
ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire
d’un bien susceptible d’hypothèque, est personnelle-
ment responsable du paiement de la taxe sur la valeur
ajoutée et des accessoires pouvant donner lieu à ins-
cription hypothécaire lorsqu’il n’en avise pas:
1° le service en charge de la technologie de l’infor-
mation et de la communication du Service public fédéral
Finances, par voie électronique;
2° le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire
d’un droit réel sur le bien faisant l’objet de l’acte, ou le
receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque
le propriétaire ou le titulaire d’un droit réel sur le bien
a sa résidence à l’étranger, lorsque la communication
de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure
ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée
conformément au 1°. Dans ce cas, l’avis est adressé
par lettre recommandée.
Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les trois mois
à compter de l’envoi de l’avis, cet avis sera considéré
comme non avenu.
§ 2. Lorsque la communication de l’avis est effectuée
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date
d’envoi de l’avis s’entend de la date de l’accusé de
réception communiqué par le service en charge de la
technologie de l’information et de la communication du
Service public fédéral Finances.
§ 3. Lorsqu’un même avis est adressé successive-
ment selon les procédures prévues respectivement au
paragraphe 1er ,alinéa 1er, 1° et 2°, l’avis établi confor-
mément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut
que lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date
d’envoi de l’avis établi conformément au paragraphe 1er,
alinéa 1er, 1°.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques
du présent article.”.
Art. 35
L’article 93quater du même Code, inséré par la
loi du 8 août 1980 et modifié par les arrêtés royaux
du 31 mars 2003 et 25 février 2007 et par la loi du
24 juillet 2008, est remplacé par ce qui suit:
177
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Art. 93quater. § 1. Indien het belang van de Schatkist
dit vereist, geeft de bevoegde ontvanger aan de notaris,
vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend
op de datum van de verzending van het in artikel 93ter
bedoelde bericht, kennis van het bedrag van de belas-
ting over de toegevoegde waarde en bijbehoren dat
aanleiding kan geven tot inschrijving van de wettelijke
hypotheek van de Schatkist op het goed dat het voor-
werp van de akte is:
1° op elektronische wijze, volgens een door de Koning
bepaalde procedure;
2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving
omwille van overmacht of een technische storing niet
kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer
de notaris het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, heeft
verzonden bij aangetekende brief.
§ 2. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld over-
eenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van
de verzending van de kennisgeving de datum van de
ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst in-
formatie- en communicatietechnologie van de afzender
van het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1.
§ 3. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvol-
gens wordt verzonden overeenkomstig de procedures
voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en
2°, dan zal de kennisgeving opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de
verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de
kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1,
eerste lid, 1°, voorafgaat.”.
Art. 36
Artikel 93quinquies van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 8 augustus 1980, vervangen, bij
de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd bij de wetten van
27 april 2016 [en de wet van xxxx2018 (WO uitvoerbare
titel BTW], wordt vervangen als volgt:
“Art. 93quinquies. § 1. Wanneer de in artikel 93ter
bedoelde akte verleden is, geldt de in artikel 93quater
bedoelde kennisgeving als beslag onder derden in han-
den van de notaris op de bedragen en waarden die hij
krachtens de akte onder zich houdt voor rekening of ten
bate van de belastingschuldige en geldt als verzet tegen
de prijs in de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk
Wetboek in de gevallen waarin de notaris gehouden
is deze bedragen en waarden overeenkomstig de ar-
tikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek te
verdelen.
“Art. 93quater. § 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le
receveur compétent notifie au notaire, avant l’expiration
du douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de
l’avis prévu à l’article 93ter, le montant de la taxe sur la
valeur ajoutée et des accessoires pouvant donner lieu à
inscription de l’hypothèque légale du Trésor sur le bien
faisant l’objet de l’acte:
1° par voie électronique, selon une procédure déter-
minée par le Roi;
2° par lettre recommandée, lorsque la communi-
cation de la notification ne peut, en raison d’un cas
de force majeure ou d’un dysfonctionnement tech-
nique, être effectuée conformément au 1°, ou lorsque
le notaire a adressé l’avis visé par l’article 93ter,
§ 1er, par lettre recommandée.
§ 2. Lorsque la communication de la notification est
effectuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er,
1°, la date d’envoi de la notification s’entend de la date
de l’accusé de réception communiqué par le service
Technologie de l’information et de la communication de
l’expéditeur de l’avis visé à l’article 93ter, § 1er.
§ 3. Lorsqu’une même notification est adressée suc-
cessivement selon les procédures prévues respective-
ment au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, la notification
établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°,
ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure à
la date d’envoi de la notification établie conformément
au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.”.
Art. 36
L’article 93quinquies du même Code, inséré par la loi
du 8 août 1980, remplacé par la loi du 24 juillet 2008 et
modifié par les lois des 27 avril 2016 [et xxx2018 (cf PL
automatisation du titre exécutoire TVA], est remplacé
par ce qui suit:
“Art. 93quinquies. § 1er. Lorsque l’acte visé à
l’article 93ter est passé, la notification visée à l’ar-
ticle 93quater emporte saisie-arrêt entre les mains du
notaire sur les sommes et valeurs qu’il détient en vertu
de l’acte pour le compte ou au profit du redevable et vaut
opposition sur le prix au sens de l’article 1642 du Code
judiciaire dans les cas où le notaire est tenu de répartir
ces sommes et valeurs conformément aux articles 1639
à 1654 du Code judiciaire.
178
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Onverminderd de rechten van derden, is de notaris
ertoe gehouden, wanneer de in artikel 93ter bedoelde
akte verleden is, onder voorbehoud van toepassing van
de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek,
de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder
zich houdt voor rekening of ten bate van de belasting-
schuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het
verlijden van de akte, aan de ontvanger bedoeld in ar-
tikel 93quater te storten tot beloop van het bedrag van
de belasting over de toegevoegde waarde en bijbehoren
dat hem ter uitvoering van artikel 93quater ter kennis
werd gebracht en in zoverre deze belasting en bijbeho-
ren aanleiding hebben gegeven tot een dwangbevel of
zijn opgenomen in een innings-en invorderingsregister
als bedoeld in artikel 85 waarvan de tenuitvoerlegging
niet werd gestuit door een in artikel 89 bedoelde vor-
dering in rechte.
Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder
derden getroffen sommen en waarden minder bedra-
gen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan
de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende
schuldeisers, met inbegrip van de ontvanger, moet de
notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid
voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt
op het verlijden van de akte hierover informeren aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatie-
technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën,
op elektronische wijze;
2° de ontvanger bedoeld in artikel 93quater bij
aangetekende brief, wanneer de notaris omwille van
overmacht of een technische storing de inlichtingen niet
kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1°
of wanneer hij het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1,
bij aangetekende brief heeft verzonden.
De datum van de inlichting is, naar gelang het geval,
de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de
dienst belast met informatie- en communicatietechno-
logie van de Federale Overheidsdienst Financiën, of
de datum van verzending van de aangetekende brief.
§ 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvol-
gens wordt verzonden overeenkomstig de procedures
voorzien respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1°
en 2°, dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren wanneer de
verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de
inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde
lid, 1°, voorafgaat.
§ 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de
overschrijving of de inschrijving van de akte niet aan
de Staat worden tegengeworpen indien de inschrijving
Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l’acte
visé à l’article 93ter est passé, le notaire est tenu, sous
réserve de l’application des articles 1639 à 1654 du
Code judiciaire, de verser entre les mains du receveur
visé à l’article 93quater, au plus tard le huitième jour
ouvrable qui suit la passation de l’acte, les sommes et
valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou
au profit du redevable, à concurrence du montant de la
taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires qui lui ont
été notifiés en exécution de l’article 93quater et dans
la mesure où cette taxe et ces accessoires ont donné
lieu à une contrainte ou sont repris dans un registre de
perception et de recouvrement visés à l’article 85 dont
l’exécution n’est pas interrompue par l’action en justice
prévue à l’article 89.
En outre, lorsque les sommes et valeurs ainsi saisies-
arrêtées sont inférieures à l’ensemble des sommes dues
aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants,
en ce compris le receveur, le notaire doit, sous peine
d’être personnellement responsable de l’excédent, en
informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit
la passation de l’acte:
1° le service en charge de la technologie de l’infor-
mation et de la communication du Service public fédéral
Finances, par voie électronique;
2° le receveur visé à l’article 93quater, par lettre
recommandée, lorsque le notaire ne peut, en raison
d’un cas de force majeure ou d’un dysfonctionnement
technique, communiquer l’information conformément
au 1° ou lorsqu’il a adressé l’avis visé à l’article 93ter,
§ 1er, par lettre recommandée.
Selon le cas, la date de l’information est celle de la
date de l’accusé de réception communiqué par le ser-
vice en charge de la technologie de l’information et de
la communication du Service public fédéral Finances,
ou de la date d’envoi de la lettre recommandée.
§ 2. Lorsqu’une même information est adressée suc-
cessivement selon les procédures prévues respective-
ment au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l’information
établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°,
ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure
à la date d’envoi de l’information établie conformément
au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°.
§ 3. Sans préjudice des droits des tiers, la trans-
cription ou l’inscription de l’acte n’est pas opposable à
l’État, si l’inscription de l’hypothèque légale a lieu dans
179
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht
werkdagen van de datum van de inlichting bedoeld in
paragraaf 1, vierde lid.
Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor
slechts na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde
lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet
aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van
de schuldvorderingen inzake belasting over de toege-
voegde waarde en bijbehoren, welke ter uitvoering van
artikel 93quater werden ter kennis gebracht.
§ 4. De Koning bepaalt de praktische toepassings-
voorwaarden van dit artikel.”.
Art. 37
Artikel 93octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 8 augustus 1980, wordt opgeheven.
Art. 38
In artikel 93nonies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 8 augustus 1980, worden de woorden “ar-
tikelen 93ter tot 93octies” vervangen door de woorden
“artikelen 93ter tot 93septies”.
Art. 39
Artikel 93decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 8 augustus 1980, wordt vervangen als
volgt:
“Art. 93decies. Met het akkoord van de belasting-
schuldige zijn de banken, onderworpen aan de wet
van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht
op de kredietinstellingen, evenals de kredietgevers en
bemiddelaars inzake hypothecair krediet, onderworpen
aan Boek VII, Titel 4, Hoofdstuk 4, van het Wetboek
van economisch recht, gemachtigd het in artikel 93ter
bedoelde bericht te verzenden en zijn zij bevoegd om de
in artikel 93quater bedoelde kennisgeving te ontvangen.
De afgifte van een attest door die instellingen aan de
notaris betreffende de verzending van het bericht en het
gevolg daaraan gegeven door de ontvanger bedoeld
in artikel 93quater, stelt de aansprakelijkheid van die
instellingen in de plaats van die van de notaris.”.
les huit jours ouvrables de la date de l’information visée
au paragraphe 1er, alinéa 4.
Sont inopérantes au regard des créances de la taxe
sur la valeur ajoutée et d’accessoires notifiés conformé-
ment à l’article 93quater, toutes créances non inscrites
pour lesquelles saisie ou opposition n’est pratiquée
qu’après l’expiration du délai prévu au paragraphe 1er,
alinéa 3.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques
du présent article.”.
Art. 37
L’article 93octies du même Code, inséré par la loi du
8 août 1980, est abrogé.
Art. 38
Dans l’article 93nonies du même Code, inséré par la
loi du 8 août 1980, les mots “articles 93ter à 93octies”
sont remplacés par les mots “articles 93ter à 93septies”.
Art. 39
L’article 93decies du même Code, inséré par la loi
du 8 août 1980, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 93decies. Moyennant l’accord du redevable, les
banques soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au
statut et au contrôle des établissements de crédit, ainsi
que les prêteurs en crédit hypothécaire et les intermé-
diaires en crédit hypothécaire soumis au Livre VII, titre
4, chapitre 4, du Code de droit économique, sont autori-
sées à adresser l’avis prévu à l’article 93ter et qualifiées
pour recevoir la notification visée à l’article 93quater.
La remise d’une attestation par ces organismes au
notaire relativement à l’envoi de l’avis et à la suite y
donnée par le receveur visé à l’article 93quater substitue
la responsabilité de ces organismes à celle du notaire.”.
180
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 40
Artikel 93undecies A van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 8 augustus 1980 en gewijzigd bij
de wetten van 10 augustus 2005 en 11 juli 2018, wordt
vervangen als volgt:
“Art. 93undecies A. Geen akte die in het buitenland
verleden is en de vervreemding of de hypothecaire
aanwending van een onroerend goed of een schip tot
voorwerp heeft, wordt in België tot overschrijving of
inschrijving in de registers van de hypothecaire open-
baarmaking, wat de onroerende goederen betreft, of in
het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen betreft,
toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een attest
van de ontvanger bedoeld in artikel 93ter.
Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar of
de houder van een zakelijk recht geen belasting over de
toegevoegde waarde verschuldigd is, ofwel dat de wet-
telijke hypotheek, die de verschuldigde belasting over
de toegevoegde waarde waarborgt, ingeschreven is.”.
Onderafdeling 2
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 41
Artikel 433 van het Wetboek van de inkomstenbelas-
tingen 1992, vervangen bij de wet van 24 juli 2008 en
gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, wordt vervangen
als volgt:
“Art. 433. § 1. De notaris die verzocht is om een akte
op te maken die de vervreemding of de hypothecaire
aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot
voorwerp heeft, is persoonlijk aansprakelijk voor de
betaling van de belastingen en bijbehoren die tot een
hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen geven,
wanneer hij daarvan geen bericht geeft aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatie-
technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën,
op elektronische wijze;
2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de houder
van een zakelijk recht op het goed ressorteert, of de
ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor
is aangewezen, wanneer de eigenaar of de houder
van een zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats in
het buitenland heeft en, daarenboven, zo het om een
onroerend goed gaat, de ontvanger, bevoegd voor de
invordering van de onroerende voorheffing van dat
goed, wanneer het bericht omwille van overmacht of
Art. 40
L’article 93undecies A du même Code, inséré par la
loi du 8 août 1980 et modifié par les lois des 10 août 2005
et 11 juillet 2018, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 93undecies A. Aucun acte passé à l’étranger
et ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypo-
thécaire d’un immeuble, ou d’un bateau ne sera admis
en Belgique à la transcription ou à l’inscription dans le
registres de la publicité hypothécaire en ce qui concerne
les immeubles, ou dans le Registre naval belge, en ce
qui concerne les bateaux, s’il n’est accompagné d’un
certificat du receveur visé à l’article 93ter.
Ce certificat doit attester que le propriétaire ou le
titulaire d’un droit réel n’est pas redevable de taxe sur la
valeur ajoutée ou que l’hypothèque légale garantissant
la taxe sur la valeur ajoutée due a été inscrite.”.
Sous-section 2
Code des impôts sur les revenus 1992
Art. 41
L’article 433 du Code des impôts sur les revenus
1992, remplacé par la loi du 24 juillet 2008 et modifié
par la loi du 27 avril 2016, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 433. § 1er. Le notaire requis de dresser un acte
ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire
d’un bien susceptible d’hypothèque, est personnelle-
ment responsable du paiement des impôts et des acces-
soires pouvant donner lieu à inscription hypothécaire,
lorsqu’il n’en avise pas:
1° le service en charge de la technologie de l’infor-
mation et de la communication du Service public fédéral
Finances, par voie électronique;
2° le receveur dont relève le propriétaire ou le titulaire
d’un droit réel sur le bien, ou le receveur du service
désigné à cette fin par le Roi lorsque le propriétaire
ou le titulaire d’un droit réel sur le bien a sa résidence
à l’étranger, et, en outre, s’il s’agit d’un immeuble, le
receveur compétent pour le recouvrement du précompte
immobilier de ce bien, lorsque la communication de
l’avis ne peut, en raison d’un cas de force majeure
ou d’un dysfonctionnement technique, être effectuée
181
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
een technische storing niet kan worden meegedeeld
overeenkomstig de bepaling onder 1°. In dat geval wordt
het bericht bij aangetekende brief verzonden.
§ 2. Indien de akte waarvan sprake niet verleden
wordt binnen drie maanden te rekenen van de verzen-
ding van het bericht, wordt dit bericht als niet bestaande
beschouwd.
Wanneer het bericht meegedeeld is overeenkomstig
paragraaf 1, 1°, wordt onder de verzendingsdatum van
het bericht verstaan de datum van ontvangstmelding
meegedeeld door de dienst belast met informa-
tie- en communicatietechnologie van de Federale
Overheidsdienst Financiën.
§ 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens
wordt verzonden overeenkomstig de procedures voor-
zien respectievelijk in paragraaf 1, 1° en 2°, dan zal
het bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 2°,
slechts primeren wanneer de verzendingsdatum ervan
de verzendingsdatum van het bericht opgesteld over-
eenkomstig paragraaf 1, 1°, voorafgaat.
§ 4. De Koning bepaalt de praktische toepassings-
voorwaarden van dit artikel.”.
Art. 42
Artikel 434 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de koninklijke besluiten van 31 maart 2003 en
25 februari 2007 en bij de wet van 24 juli 2008, wordt
vervangen als volgt:
“Art. 434. § 1. Indien het belang van de Schatkist dit
vereist, wordt door de bevoegde ontvanger aan de nota-
ris, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend
op de datum van de verzending van het in artikel 433
bedoelde bericht, kennis gegeven van het bedrag van de
belastingen en bijbehoren dat aanleiding kan geven tot
inschrijving van de wettelijke hypotheek van de Schatkist
op het goed dat het voorwerp van de akte is:
1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning
bepaalde procedure;
2° bij aangetekende brief, wanneer de kennisgeving
omwille van overmacht of een technische storing niet
kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of wanneer
de notaris het bericht bedoeld in artikel 433, § 1, heeft
verzonden bij aangetekende brief.
§ 2. Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvol-
gens wordt verzonden overeenkomstig de procedures
conformément au 1°. Dans ce cas, l’avis est adressé
par lettre recommandée.
§ 2. Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les
trois mois à compter de l’envoi de l’avis, cet avis sera
considéré comme non avenu.
Lorsque la communication de l’avis est effectuée
conformément au paragraphe 1er, 1°, la date d’envoi de
l’avis s’entend de la date de l’accusé de réception com-
muniqué par le service en charge de la technologie de
l’information et de la communication du Service public
fédéral Finances.
§ 3. Lorsqu’un même avis est adressé successive-
ment selon les procédures prévues respectivement
au paragraphe 1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément
au paragraphe 1er, 2°, ne prévaut que lorsque la date
d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’avis établi
conformément au paragraphe 1er, 1°.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques
du présent article.”.
Art. 42
L’article 434 du même Code, modifié par les arrêtés
royaux du 31 mars 2003 et 25 février 2007 et par la loi
du 24 juillet 2008, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 434. § 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le rece-
veur compétent notifie au notaire, avant l’expiration du
douzième jour ouvrable qui suit la date d’envoi de l’avis
visé à l’article 433, le montant des impôts et des acces-
soires pouvant donner lieu à inscription de l’hypothèque
légale du Trésor sur le bien faisant l’objet de l’acte:
1° par voie électronique, selon une procédure déter-
minée par le Roi;
2° par lettre recommandée, lorsque la communication
de la notification ne peut, en raison d’un cas de force
majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être
effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire
a adressé l’avis visé à l’article 433, § 1er, par lettre
recommandée.
§ 2. Lorsque la même notification est adressée
successivement selon les procédures prévues
182
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en
2°, dan zal de kennisgeving opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de
verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de
kennisgeving opgesteld overeenkomstig paragraaf 1,
eerste lid, 1°, voorafgaat.
§ 3. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld over-
eenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de datum van
de verzending van de kennisgeving de datum van de
ontvangstbevestiging meegedeeld door de dienst in-
formatie- en communicatietechnologie van de afzender
van het bericht bedoeld in artikel 433, § 1.”.
Art. 43
Artikel 435 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 24 juli 2008 en gewijzigd door de wet van
27 april 2016, wordt vervangen als volgt:
“Art. 435. § 1. Wanneer de in artikel 433 bedoelde
akte verleden is, geldt de in artikel 434 bedoelde ken-
nisgeving als beslag onder derden in handen van de
notaris op de bedragen en waarden die hij krachtens de
akte onder zich houdt voor rekening of ten bate van de
belastingschuldige en geldt als verzet tegen de prijs in
de zin van artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in
de gevallen waarin de notaris gehouden is de bedragen
en waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot 1654
van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen.
Onverminderd de rechten van derden, is de notaris,
wanneer de in artikel 433 bedoelde akte verleden is,
ertoe gehouden onder voorbehoud van toepassing van
de artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek,
de bedragen en waarden die hij krachtens de akte onder
zich houdt voor rekening of ten bate van de belasting-
schuldige, uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het
verlijden van de akte, aan de in artikel 434 bedoelde
ontvanger te storten tot beloop van het bedrag van de
belastingen en bijbehoren dat hem ter uitvoering van
artikel 434 ter kennis werd gebracht en in zoverre deze
belastingen en bijbehoren een zekere en vaststaande
schuld in de zin van artikel 410 vormen.
Daarenboven, wanneer de aldus door beslag onder
derden getroffen sommen en waarden minder bedra-
gen dan het totaal van de sommen verschuldigd aan
de ingeschreven schuldeisers en aan de verzetdoende
schuldeisers, hierin begrepen de ontvanger, moet de
notaris, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid
voor het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt
op het verlijden van de akte hierover informeren aan:
respectivement au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°,
la notification établie conformément au paragraphe 1er,
alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi
est antérieure à la date d’envoi de la notification établie
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.
§ 3. Lorsque la communication de la notification est
effectuée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er,
1°, la date d’envoi de la notification s’entend de la date
de l’accusé de réception communiqué par le service
Technologie de l’information et de la communication de
l’expéditeur de l’avis visé à l’article 433, § 1er. “.
Art. 43
L’article 435 du même Code, remplacé par la loi du
24 juillet 2008 et modifié par la loi du 27 avril 2016, est
remplacé par ce qui suit:
“Art. 435. § 1er. Lorsque l’acte visé à l’article 433
est passé, la notification visée à l’article 434 emporte
saisie-arrêt entre les mains du notaire sur les sommes
et valeurs qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte
ou au profit du redevable et vaut opposition sur le prix
au sens de l’article 1642 du Code judiciaire dans les
cas où le notaire est tenu de répartir ces sommes et
valeurs conformément aux articles 1639 à 1654 du
Code judiciaire.
Sans préjudice des droits des tiers, lorsque l’acte
visé à l’article 433 est passé, le notaire est tenu, sous
réserve de l’application des articles 1639 à 1654 du
Code judiciaire, de verser entre les mains du receveur
visé à l’article 434, au plus tard le huitième jour ouvrable
qui suit la passation de l’acte, les sommes et valeurs
qu’il détient en vertu de l’acte pour le compte ou au profit
du redevable, à concurrence du montant des impôts
et accessoires qui lui ont été notifiés en exécution de
l’article 434 et dans la mesure où ces impôts et acces-
soires constituent une dette certaine et liquide au sens
de l’article 410.
En outre, lorsque les sommes et valeurs ainsi saisies-
arrêtées sont inférieures à l’ensemble des sommes dues
aux créanciers inscrits et aux créanciers opposants,
en ce compris le receveur, le notaire doit, sous peine
d’être personnellement responsable de l’excédent, en
informer au plus tard le premier jour ouvrable qui suit
la passation de l’acte:
183
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1° de dienst belast met informatie- en communicatie-
technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën,
op elektronische wijze;
2° de ontvanger bedoeld in artikel 434 bij een aan-
getekende brief, wanneer de notaris omwille van over-
macht of een technische storing de inlichtingen niet
kan verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1°
of wanneer hij het bericht bedoeld in artikel 433, § 1, bij
aangetekende brief heeft verzonden.
De datum van de inlichting is, naar gelang het geval,
de datum van ontvangstmelding meegedeeld door de
dienst belast met informatie- en communicatietechno-
logie van de Federale Overheidsdienst Financiën, of
de datum van verzending van de aangetekende brief.
§ 2. Wanneer eenzelfde inlichting achtereenvol-
gens wordt verzonden overeenkomstig de procedures
voorzien respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1°
en 2°, dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren wanneer de
verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van de
inlichting opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, derde
lid, 1°, voorafgaat.
§ 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de
overschrijving of de inschrijving van de akte, niet aan
de Staat tegengeworpen worden indien de inschrijving
van de wettelijke hypotheek geschiedt binnen acht
werkdagen vanaf de datum van de inlichting bedoeld
in paragraaf 1, vierde lid.
Alle niet-ingeschreven schuldvorderingen waarvoor
slechts na het verstrijken van de in paragraaf 1, derde
lid, bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet
aangetekend, zijn zonder uitwerking ten opzichte van
de schuldvorderingen inzake belastingen en bijbehoren,
welke ter uitvoering van artikel 434 werden ter kennis
gebracht.
§ 4. De Koning bepaalt de praktische toepassings-
voorwaarden van dit artikel.”.
Art. 44
Artikel 438 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 45
In artikel 439 van hetzelfde Wetboek, worden de
woorden “artikelen 433 tot 438” vervangen door de
woorden “artikelen 433 tot 437”.
1° le service en charge de la technologie de l’infor-
mation et de la communication du Service public fédéral
Finances, par voie électronique;
2° le receveur visé à l’article 434, par lettre recom-
mandée, lorsque le notaire ne peut, en raison d’un cas
de force majeure ou d’un dysfonctionnement technique,
communiquer l’information conformément au 1° ou
lorsqu’il a adressé l’avis visé à l’article 433, § 1er, par
lettre recommandée.
Selon le cas, la date de l’information est celle de
la date de l’accusé de réception communiqué par le
service en charge de la technologie de l’information et
de la communication, ou de la date d’envoi de la lettre
recommandée.
§ 2. Lorsqu’une même information est adressée suc-
cessivement selon les procédures prévues respective-
ment au paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l’information
établie conformément au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°,
ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est antérieure
à la date d’envoi de l’information établie conformément
au paragraphe 1er, alinéa 3, 1°.
§ 3. Sans préjudice des droits des tiers, la trans-
cription ou l’inscription de l’acte n’est pas opposable à
l’État, si l’inscription de l’hypothèque légale a lieu dans
les huit jours ouvrables de la date de l’information visée
au paragraphe 1er, alinéa 4.
Sont inopérantes au regard des créances d’impôts
et accessoires notifiés en exécution de l’article 434,
toutes les créances non inscrites pour lesquelles saisie
ou opposition n’est pratiquée qu’après l’expiration du
délai prévu au paragraphe 1er, alinéa 3.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application pratiques
du présent article.”.
Art. 44
L’article 438 du même Code est abrogé.
Art. 45
Dans l’article 439 du même Code, les mots
“articles 433 à 438” sont remplacés par les mots
“articles 433 à 437”.
184
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 46
Artikel 440, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervan-
gen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de
wet van 18 december 2015, wordt vervangen als volgt:
“Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de
banken, onderworpen aan de wet van 25 april 2014 op
het statuut van en het toezicht op de kredietinstellin-
gen, evenals de kredietgevers en bemiddelaars inzake
hypothecair krediet, onderworpen aan boek VII, titel 4,
hoofdstuk 4, van het Wetboek van economisch recht,
gemachtigd het in artikel 433 bedoelde bericht te ver-
zenden en zijn zij bevoegd om de in artikel 434 bedoelde
kennisgeving te ontvangen.”.
Art. 47
Artikel 441 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 27 april 2016 en 11 juli 2018, wordt vervan-
gen als volgt:
“Art. 441. Geen akte die in het buitenland verleden
is en de vervreemding of de hypothecaire aanwending
van een onroerend goed of een schip tot voorwerp
heeft, wordt in België tot overschrijving of inschrijving
in de registers van de hypothecaire openbaarmaking,
wat de onroerende goederen betreft, of in het Belgisch
Scheepsregister, wat de schepen betreft, toegelaten,
indien zij niet vergezeld gaat van een attest van de
ontvanger bedoeld in artikel 433.
Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar
of de houder van het zakelijk recht geen belastingen
verschuldigd is, ofwel dat de wettelijke hypotheek die
de verschuldigde belastingen en bijbehoren waarborgt,
ingeschreven is.”.
Onderafdeling 3
Programmawet (I) van 29 maart 2012
Art. 48
Artikel 157 van de programmawet van 29 maart 2012,
gewijzigd bij de wet van 13 december 2012, wordt ver-
vangen als volgt:
“Art. 157. § 1. De notarissen verzocht om een in arti-
kel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte
of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk
aansprakelijk voor de betaling van de schulden van de
overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan
de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de
Art. 46
L’article 440, alinéa 1er, du même Code, remplacé
par la loi du 22 décembre 1998 et modifié par la loi du
18 décembre 2015, est remplacé comme suit:
“Moyennant l’accord du redevable, les banques
soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et
au contrôle des établissements de crédit, ainsi que les
prêteurs en crédit hypothécaire et les intermédiaires en
crédit hypothécaire soumis au livre VII, titre 4, chapitre
4, du Code de droit économique, sont autorisées à
adresser l’avis prévu à l’article 433 et qualifiées pour
recevoir la notification visée à l’article 434.”.
Art. 47
L’article 441 du même Code, modifié par les lois du
27 avril 2016 en 11 juillet 2018, est remplacé par ce qui
suit:
“Art. 441. Aucun acte passé à l’étranger et ayant
pour objet l’aliénation ou l’affectation hypothécaire d’un
immeuble, ou d’un bateau, ne sera admis en Belgique,
à la transcription ou à l’inscription dans les registres
de la publicité hypothécaire en ce qui concerne les
immeubles, ou dans le Registre naval belge, en ce qui
concerne les bateaux, s’il n’est pas accompagné d’un
certificat du receveur visé à l’article 433.
Ce certificat doit attester que le propriétaire ou le
titulaire du droit réel n’est pas redevable d’impôts ou
que l’hypothèque légale garantissant les impôts et les
accessoires dus a été inscrite.”.
Sous-section 3
Loi-programme (I) du 29 mars 2012
Art. 48
L’article 157 de la loi-programme du 29 mars 2012,
modifié par la loi de 13 décembre 2012, est remplacé
par ce qui suit:
“Art. 157. § 1er. Les notaires requis de rédiger l’acte
ou certificat d’hérédité visé à l’article 1240bis du Code
civil, sont personnellement responsables du paiement
des dettes dont la débition est susceptible d’être noti-
fiée conformément à l’article 158, qui sont dues par le
de cujus, ses héritiers et légataires dont l’identité est
185
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
begunstigden van een door hem gemaakte contractuele
erfstelling, mits die schulden het onderwerp kunnen
uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158
indien zij daarvan geen bericht geven aan:
1° de dienst belast met informatie- en communicatie-
technologie van de Federale Overheidsdienst Financiën,
en dit op elektronische wijze;
2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het be-
richt omwille van overmacht of een technische storing
niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°:
— de ontvangers waaronder de erflater en de recht-
verkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte
of het attest van erfopvolging ressorteren, evenals de
ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor
is aangewezen, wanneer de erflater en/of een van zijn
rechtverkrijgenden in het buitenland verblijven;
— de door de Koning aangewezen ambtenaar
van de Algemene Administratie van de Patrimonium -
documentatie.
In dat geval wordt het bericht bij aangetekende brief
verzonden.
Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene
is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt
tot de waarde van de nalatenschap.
Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtver-
krijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste
lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen
aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld
is in de akte of het attest en betreffende dewelke de
notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
§ 2. Indien de akte of het attest waarvan sprake niet
wordt opgesteld binnen drie maanden te rekenen van de
verzending van het bericht, wordt het als niet bestaande
beschouwd.
§ 3. Wanneer hetzelfde bericht achtereenvolgens
gegeven wordt overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid,
1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, eerste lid, 2°, slechts primeren wanneer de
verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum van het
bericht opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste
lid, 1°, voorafgaat.
§ 4. Wanneer het bericht gegeven wordt overeenkom-
stig paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt onder de datum
van verzending van het bericht verstaan de datum van
de ontvangstmelding die wordt gedaan door de dienst
mentionnée dans l’acte ou le certificat, ou les bénéfi-
ciaires d’une institution contractuelle consentie par le
de cujus s’ils n’en avisent pas:
1° le service en charge de la technologie de l’infor-
mation et de la communication du Service public fédéral
Finances, par voie électronique;
2° les fonctionnaires ci-après, lorsque la communi-
cation de l’avis ne peut, en raison d’un cas de force
majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être
effectuée conformément au 1°:
— les receveurs dont relèvent le de cujus et les ayants
droit dont l’identité est mentionnée dans l’acte ou le
certificat d’hérédité, ainsi que le receveur du service
désigné à cette fin par le Roi lorsque le de cujus et/ou
l’un de ses ayants droit ont leur résidence à l’étranger;
— le fonctionnaire de l’Administration générale de la
documentation patrimoniale, désigné par le Roi.
Dans ce cas, l ’avis est adressé par lettre
recommandée.
S’agissant de dettes dans le chef du de cujus, la
responsabilité visée à l’alinéa 1er est limitée à la valeur
de la succession.
S’agissant de dettes dans le chef d’ayants droit, la
responsabilité visée à l’alinéa 1er est limitée à la valeur
des avoirs qui échoient à l’ayant droit dont l’identité
est mentionnée dans l’acte ou le certificat et à propos
duquel la responsabilité du notaire est engagée.
§ 2. Si l’acte ou le certificat dont question n’est pas
passé dans les trois mois à compter de l’envoi de l’avis,
celui-ci est considéré comme non-avenu.
§ 3. Lorsqu’un même avis est adressé successive-
ment selon les procédures visées au paragraphe 1er ,
alinéa 1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au para-
graphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date
d’envoi est antérieure à la date d’envoi de l’avis établi
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.
§ 4. Lorsque l’avis est communiqué conformément
au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de l’avis
s’entend de la date de l’accusé de réception commu-
niqué par le service en charge de la technologie de
186
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
belast met informatie- en communicatietechnologie van
de Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 5. Het bericht vermeldt de identiteit van de erflater,
van zijn erfgenamen of legatarissen alsook van de
eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling.
Voor de toepassing van deze bepaling omvat de
identiteit:
a) voor natuurlijke personen, de naam, de voornaam
en, in voorkomend geval, het identificatienummer van
het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identificatie-
nummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid
van de betrokkenen, of, bij gebrek aan zulke nummers,
hun geboortedatum;
b) voor rechtspersonen, trusts, fiducieën of gelijk-
aardige rechtsvormen, de maatschappelijke bena-
ming, de maatschappelijke zetel en, in voorkomend
geval, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van
Ondernemingen.
§ 6. De Koning bepaalt de praktische toepassings-
voorwaarden van dit artikel.”.
Art. 49
Artikel 158 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van
13 december 2012, wordt vervangen als volgt:
“Art. 158. De ontvanger of dienst bevoegd voor de
invordering van de fiscale schuld kan aan de notaris die
het in artikel 157 bedoelde bericht verzonden heeft, vóór
het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de
datum van verzending van dat bericht, kennisgeven van
het bestaan lastens de erflater of een andere persoon
vermeld in het bericht, van een fiscale schuld bestaande
uit belastingen, bijbehoren, verhogingen en boetes, met
opgave voor elk van de schuldenaars van het bedrag
van de hiervoor bedoelde schuld:
1° op elektronische wijze, volgens de door de Koning
bepaalde procedure;
2° bij een aangetekende brief, wanneer de kennisge-
ving, omwille van overmacht of een technische storing,
niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°, of
wanneer de notaris het bericht bedoeld in artikel 157,
§ 1, heeft meegedeeld bij aangetekende brief.
Wanneer eenzelfde kennisgeving achtereenvolgens
wordt verzonden overeenkomstig de procedures voor-
zien respectievelijk in het eerste lid, 1° en 2°, dan zal
l’information et de la communication du Service public
fédéral Finances.
§ 5. L’avis mentionne l’identité du de cujus, de ses
héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel
d’une institution contractuelle.
Pour l’application de cette disposition, l’identité
comprend:
a) pour les personnes physiques, le nom, le prénom
et, le cas échéant, le numéro d’identification du Registre
national ou, à défaut, le numéro d’identification à la
Banque-Carrefour de la Sécurité sociale des intéressés,
ou, à défaut de tels numéros, leur date de naissance;
b) pour les personnes morales, les trusts, les fiducies
et les constructions juridiques similaires, la dénomina-
tion sociale, le siège social et, le cas échéant, le numéro
d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises.
§ 6. Le Roi détermine les conditions d’application
pratiques du présent article.”.
Art. 49
L’article 158 de la même loi, modifié par la loi du
13 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 158. Avant l’expiration du douzième jour ouvrable
qui suit la date d’envoi de l’avis visé par l’article 157, le
receveur ou service compétent pour le recouvrement
de la dette fiscale peut notifier au notaire ayant envoyé
l’avis, l’existence dans le chef du de cujus ou d’une
autre personne mentionnée dans l’avis, d’une dette
fiscale consistant en impôts et accessoires, accroisse-
ments et amendes, ainsi que le montant, dans le chef
de chaque débiteur, de la dette susvisée:
1° par voie électronique, selon une procédure déter-
minée par le Roi;
2° par lettre recommandée, lorsque la communication
de la notification ne peut, en raison d’un cas de force
majeure ou d’un dysfonctionnement technique, être
effectuée conformément au 1°, ou lorsque le notaire
a adressé l’avis visé à l’article 157, § 1er, par lettre
recommandée.
Lorsque la même notification est adressée successi-
vement selon les procédures prévues respectivement à
l’alinéa 1er, 1° et 2°, la notification établie conformément
187
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste lid,
2°, slechts primeren wanneer de verzendingsdatum
ervan de verzendingsdatum van het bericht opgesteld
overeenkomstig het eerste lid, 1°, voorafgaat.
Het eerste lid is enkel van toepassing voor zover
die fiscale schuld een zekere en vaststaande schuld
uitmaakt.
Wanneer de kennisgeving meegedeeld is overeen-
komstig het eerste lid, 1°, is de datum van de verzending
van de kennisgeving de datum van de ontvangstbeves-
tiging meegedeeld door de dienst informatie- en com-
municatietechnologie van de afzender van het bericht
bedoeld in artikel 157, § 1.”.
Art. 50
In artikel 159 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 13 december 2012, worden de woorden “door de
schuldenaar.” vervangen door de woorden “door hun
schuldenaar.”.
Art. 51
In artikel 160 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 13 december 2012, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden “belastingen en
hun bijbehoren” vervangen door de woorden “ter kennis
gebrachte schulden”;
2° in de inleidende zin van paragraaf 2, worden de
woorden “of aan een gerechtsmandataris” ingevoegd
tussen de woorden “een begunstigde van een con-
tractuele erfstelling” en de woorden “, indien deze een
attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van
erfopvolging voorlegt”;
3° in paragraaf 2, wordt de bepaling onder b) ver-
vangen als volgt:
“b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan
de erfgenaam, de legataris, de begunstigde van een
contractuele erfstelling of de gerechtsmandataris na
betaling van de schulden ter kennis gebracht op naam
van de rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden
ter kennis gebracht op naam van de erflater, met tegoe-
den gehouden door de schuldenaar van deze fondsen.”.
à l’alinéa 1er, 2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi
est antérieure à la date d’envoi de la notification établie
conformément à l’alinéa 1er, 1°.
L’alinéa 1er s’applique seulement dans la mesure où
cette dette fiscale constitue une dette certaine et liquide.
Lorsque la communication de la notification est effec-
tuée conformément à l’alinéa 1er, 1°, la date d’envoi de la
notification s’entend de la date de l’accusé de réception
communiqué par le service Technologie de l’information
et de la communication de l’expéditeur de l’avis visé à
l’article 157, § 1er.”.
Art. 50
Dans l’article 159 de la même loi, modifié par la loi
du 13 décembre 2012, les mots “du débiteur.” sont rem-
placés par les mots “de leur débiteur.”.
Art. 51
Dans l’article 160 de la même loi, modifié par la loi
du 13 décembre 2012, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots “impôts et acces-
soires notifiés” sont remplacés par les mots “dettes
notifiées”;
2° dans la phrase liminaire du paragraphe 2, les mots
“ou à un mandataire judiciaire” sont insérés entre les
mots “au bénéficiaire d’une institution contractuelle” et
les mots “qui présente un certificat ou une expédition
de l’acte d’hérédité”;
3° dans le paragraphe 2, le b) est remplacé par ce
qui suit:
“b) que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit
de cet héritier, légataire, bénéficiaire d’une institution
contractuelle ou mandataire judiciaire, après paiement
des dettes notifiées au nom de l’ayant droit et de sa part
dans les dettes notifiées au nom du de cujus, au moyen
des fonds détenus auprès du débiteur de ces fonds.” .
188
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 52
Artikel 161 van dezelfde wet, wordt vervangen als
volgt:
“Het in artikel 157 bedoelde bericht wordt opgemaakt
overeenkomstig het door de Koning bepaalde model.”.
Onderafdeling 4
Burgerlijk Wetboek
Art. 53
In artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 6 mei 2009 en gewijzigd bij de
wetten van 13 december 2012 en 11 juli 2018, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling,
geeft een schuldenaar te goeder trouw bevrijdend te-
goeden van een overledene vrij, indien dit gebeurt, ofwel
aan of op instructie van de personen aangewezen in
een attest of een akte van erfopvolging, ofwel aan of op
instructie van een gerechtsmandataris, na voorlegging:
— van een attest van erfopvolging opgesteld door
het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie; of
— van een attest of akte van erfopvolging opgesteld
door een notaris.”;
2° in paragraaf 3 worden de woorden “een erfover-
eenkomst, “ingevoegd tussen de woorden “, in geval
van bestaan van onbekwame rechtsopvolgers of indien
er sprake is van een uiterste wilsbeschikking,” en de
woorden “een contractuele erfstelling of een huwelijks-
contract in hoofde van de overledene”;
3° in paragraaf 4 wordt het tweede lid vervangen
als volgt:
“In voorkomend geval vermeldt de akte of het at-
test het identificatienummer van het Rijksregister,
het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de
Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de
Kruispuntbank van Ondernemingen.”.
Art. 52
L’article 161 de la même loi, est remplacé par ce qui
suit:
“L’avis visé à l’article 157 est établi conformément au
modèle arrêté par le Roi.”.
Sous-section 4
Code Civil
Art. 53
A l’article 1240bis du Code Civil, inséré par la loi du
6 mai 2009 et modifié par les lois des 13 décembre 2012
et 11 juillet 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est remplacé par ce
qui suit:
“§ 1er. Sauf disposition légale contraire, un débiteur
de bonne foi libère les avoirs d’un défunt de manière
libératoire à condition d’avoir été fait, soit aux ou sur
instruction des personnes désignées par un certificat
ou un acte d’hérédité, soit à ou sur instruction d’un
mandataire judiciaire, après présentation:
— d’un certificat d’hérédité rédigé par le bureau com-
pétent de l’Administration générale de la documentation
patrimoniale; ou
— d’un certificat ou d’un acte d’hérédité rédigé par
un notaire.”;
2° dans le paragraphe 3, les mots “d’un pacte suc-
cessoral, “sont insérés entre les mots “, en cas de pré-
sence de successeurs incapables ou s’il est question
de dispositions de dernière volonté,” et les mots “d’une
institution contractuelle ou d’un contrat de mariage dans
le chef du défunt,”;
3° dans le paragraphe 4, l’alinéa 2 est remplacé par
ce qui suit:
“Le cas échéant, il mentionne le numéro d’identifica-
tion du Registre national, le numéro d’identification à la
Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro
d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises.”.
189
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Onderafdeling 5
Inwerkingtreding
Art. 54
De artikelen 93quater van het Wetboek van de belas-
ting over de toegevoegde waarde, 434 van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992 en 158 van de
programmawet (I) van 29 maart 2012, zoals vervangen
door de bepalingen van huidige wet, treden in werking
op 1 september 2019.
De Koning kan een datum van inwerkingtreding bepa-
len voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
Afdeling 3
Reparatiebepalingen van de artikelen 418 en 419 van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 55
In artikel 418 van het Wetboek van de inkom-
stenbelastingen 1992, vervangen door de wet van
25 december 2017, wordt het eerste lid aangevuld met
een zin luidende:
“Als de betaling van belastingen, voorheffingen,
voorafbetalingen, nalatigheidsinteresten, belasting-
verhogingen of administratieve boetes plaatsvindt na
de ingebrekestelling gericht tot de administratie, is de
moratoriuminterest te rekenen vanaf de eerste dag van
de maand die volgt op de werkelijke betaling.”.
Art. 56
In artikel 86, C, van de wet van 25 december 2017
tot hervorming van de vennootschapsbelasting, wordt
het elfde lid, vervangen als volgt:
“De artikelen 77, 79 en 80 zijn van toepassing vanaf
1 januari 2018. De artikelen 79 en 80, in de mate dat ze
de begindatum van de moratoriuminteresten wijzigen
bedoeld in de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid,
6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,
zijn toepasselijk op de inkohieringen uitgevoerd vanaf
1 januari 2018. In geval van opeenvolgende aanslagen,
wordt de datum van inkohiering van de oorspronkelijke
aanslag in beschouwing genomen voor de toepassing
van deze bepalingen. Artikel 79, in de mate dat het de
begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten voor
de toepassing van artikel 418, eerste lid, van hetzelfde
Sous-section 5
Entrée en vigueur
Art. 54
Les articles 93quater du Code de la taxe sur la valeur
ajoutée, 434 du Code des impôts sur les revenus 1992
et 158 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, tels
que remplacés par les dispositions de la présente loi,
entrent en vigueur le 1er septembre 2019.
Le Roi peut fixer une date d’entrée en vigueur anté-
rieure à celle mentionnée à l’alinéa 1er.
Section 3
Dispositions réparatrices des articles 418 et 419 du Code
des impôts sur les revenus 1992
Art. 55
Dans l’article 418 du Code des impôts sur les revenus
1992, remplacé par la loi du 25 décembre 2017, l’ali-
néa 1er est complété par une phrase rédigée comme suit:
“Lorsque le paiement des impôts, précomptes,
versements anticipés, intérêts de retard, accroisse-
ments d’impôts ou amendes administratives intervient
postérieurement à la mise en demeure adressée à
l’administration, l’intérêt moratoire est alloué à compter
du premier jour du mois qui suit le paiement effectif.”.
Art. 56
Dans l’article 86, C, de la loi du 25 décembre 2017
portant réforme de l’impôt des sociétés, l’alinéa 11 est
remplacé par ce qui suit:
“Les articles 77, 79 et 80 sont applicables à partir
du 1er janvier 2018. Les articles 79 et 80, en tant qu’ils
modifient la date de départ des intérêts moratoires visés
aux articles 418, alinéa 1er, et 419, alinéa 1er, 6°, du Code
des impôts sur les revenus 1992, sont applicables aux
enrôlements effectués à partir du 1er janvier 2018. En cas
de cotisations subséquentes, la date d’enrôlement de la
cotisation primitive est prise en considération pour l’ap-
plication des présentes dispositions. L’article 79, en tant
qu’il modifie la date de départ des intérêts moratoires
pour l’application de l’article 418, alinéa 1er, du même
Code, est applicable aux précompte professionnel et
190
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wetboek, is van toepassing op de bedrijfsvoorheffing en
de roerende voorheffing verbonden aan de aanslagjaren
2018 en volgende.
Artikel 80, in de mate dat het de begindatum wijzigt
van de moratoriuminteresten voor de toepassing van
artikel 419, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, is van
toepassing op de bedrijfsvoorheffing, de roerende
voorheffing en de voorafbetalingen verbonden aan de
aanslagjaren 2018 en volgende.”.
Art. 57
De artikelen 55 en 56 hebben uitwerking met ingang
van 1 januari 2018.
TITEL IV
Financiële bepalingen
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen van de wet van 31 juli 2017
houdende diverse financiële en fiscale
bepalingen en houdende maatregelen inzake
concessieovereenkomsten
Art. 58
In de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiële
en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake
concessieovereenkomsten, wordt het opschrift van
Afdeling 3 van Hoofdstuk 1 van Titel II vervangen als
volgt: “Omvorming van de Koninklijke Munt van België
tot een administratieve dienst”.
Art. 59
Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“De administratieve dienst met boekhoudkundige
autonomie “Koninklijke Munt van België” wordt omge-
vormd tot een administratieve dienst van de Algemene
Administratie van de Thesaurie van de Federale
Overheidsdienst Financiën.
Deze administratieve dienst wordt “Koninklijke
Munt van België” genoemd en wordt hierna als “Munt”
aangeduid.”.
précompte mobilier rattachés aux exercices d’imposition
2018 et suivants.
L’article 80, en tant qu’il modifie la date de départ des
intérêts moratoires pour l’application de l’article 419,
alinéa 2, du même Code, est applicable aux précompte
professionnel, précompte mobilier et versements
anticipés rattachés aux exercices d’imposition 2018 et
suivants.”.
Art. 57
Les articles 55 et 56 produisent leurs effets à compter
du 1er janvier 2018.
TITRE IV
Dispositions financières
CHAPITRE 1ER
Modifications de la loi du 31 juillet 2017 portant
des dispositions financières et fiscales diverses
et portant des mesures en matière de contrats de
concession
Art. 58
Dans la loi du 31 juillet 2017 portant des dispositions
financières et fiscales diverses et portant des mesures
en matière de contrats de concession, l’intitulé de la
Section 3 du Chapitre 1er du Titre II est remplacé par
ce qui suit: “Transformation de la Monnaie royale de
Belgique en service administratif”.
Art. 59
L’article 7 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“Le service administratif à comptabilité autonome
“Monnaie royale de Belgique” est transformé en service
administratif, intégré au sein de l’Administration géné-
rale de la Trésorerie du Service public fédéral Finances.
Ce service administratif est dénommé “Monnaie
royale de Belgique” et est appelé ci-après “Monnaie”.”.
191
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 60
In artikel 8 van dezelfde wet wordt het tweede lid
opgeheven.
Art. 61
Artikel 9 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 62
In artikel 10 van dezelfde wet, worden de punten 3°
en 4° opgeheven.
Art. 63
Artikel 12 van dezelfde wet wordt opgeheven.
HOOFDSTUK 2
Oprichting van een begrotingsfonds betreffende
verrichtingen aangaande monetisatie en
demonetisatie van de Koninklijke Munt van
België van de Algemene Administratie van de
Thesaurie van de Federale Overheidsdienst
Financiën en wijziging van de organieke wet
van 27 december 1990 houdende oprichting van
begrotingsfondsen
Afdeling 1
Oprichting van het begrotingsfonds betreffende de
verrichtingen aangaande monetisatie en demonetisatie van
de Koninklijke Munt van België
Art. 64
In toepassing van artikel 62, § 1, van de wet van
22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en
van de comptabiliteit van de Federale Staat, wordt bij
de Federale Overheidsdienst Financiën een begrotings-
fonds opgericht betreffende de verrichtingen aangaande
monetisatie en demonetisatie van de “Koninklijke Munt
van België” van de Algemene Administratie van de
Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën,
genaamd “Begrotingsfonds betreffende monetaire ver-
richtingen van de Koninklijke Munt van België”.
Art. 60
Dans l’article 8 de la même loi, l’alinéa 2 est abrogé.
Art. 61
L’article 9 de la même loi est abrogé.
Art. 62
Dans l’article 10 de la même loi, les points 3° et 4°
sont abrogés.
Art. 63
L’article 12 de la même loi est abrogé.
CHAPITRE 2
Création d’un fonds budgétaire relatif aux
opérations de monétisation et de démonétisation
de la Monnaie royale de Belgique de
l’Administration générale de la Trésorerie du
Service public fédéral Finances et modification de
la loi organique du 27 décembre 1990 créant des
fonds budgétaires
Section 1re
Création du fonds budgétaire relatif aux opérations de
monétisation et de démonétisation de la Monnaie royale de
Belgique
Art. 64
En application de l’article 62, § 1er, de la loi du
22 mai 2003 portant organisation du budget et de la
comptabilité de l’État fédéral, il est créé auprès du
Service public fédéral Finances un fonds budgétaire
relatif aux opérations de monétisation et de démonétisa-
tion de la “Monnaie royale de Belgique”, de l’Administra-
tion générale de la Trésorerie du Service public fédéral
Finances, intitulé “Fonds budgétaire relatif aux opéra-
tions monétaires de la Monnaie royale de Belgique”.
192
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 65
Het begrotingsfonds betreffende de monetaire ver-
richtingen van de Koninklijke Munt van België beschikt
over:
1° de storting van het op 1 januari 2019 beschikbare
saldo van de postrekening van de Koninklijke Munt van
België die gebruikt werd voor de uitgaven in verband
met verrichtingen aangaande demonetisatie;
2° de stortingen van de Nationale Bank van België
voor de verrichtingen aangaande monetisatie.
Art. 66
De ontvangsten van het Begrotingsfonds betreffende
de monetaire verrichtingen van de Koninklijke Munt van
België worden gebruikt ter financiering van de uitgaven
in verband met de activiteiten aangaande demonetisatie
van de Koninklijke Munt van België vanaf 1 januari 2019.
Afdeling 2
Wijziging van de organieke wet van 27 december 1990
houdende oprichting van begrotingsfondsen
Art. 67
Rubriek 18 van de tabel bijgevoegd aan de organieke
wet van 27 december 1990 houdende oprichting van be-
grotingsfondsen, laatst gewijzigd door de programmawet
(I) van 26 december 2015, wordt als volgt aangevuld:
“18-5 Begrotingsfonds betreffende de monetaire ver-
richtingen van de Koninklijke Munt van België
Aard van de toegewezen ontvangsten:
1° de storting van het beschikbare saldo van de post-
rekening van de Koninklijke Munt van België die gebruikt
werd voor de uitgaven in verband met verrichtingen
aangaande demonetisatie;
2° de stortingen die de Koninklijke Munt van België
ontvangt van de Nationale Bank van België voor de
verrichtingen aangaande monetisatie.
Aard van de toegestane uitgaven:
De uitgaven in verband met de activiteiten aangaande
demonetisatie van de Koninklijke Munt van België vanaf
1 januari 2019.”.
Art. 65
Le Fonds budgétaire relatif aux opérations monétaires
de la Monnaie royale de Belgique dispose:
1° du versement du solde disponible au 1er jan-
vier 2019 du compte courant postal de la Monnaie
royale de Belgique utilisé pour les dépenses liées aux
opérations de démonétisation;
2° des versements qu’elle reçoit de la Banque natio-
nale de Belgique pour les opérations de monétisation.
Art. 66
Les recettes du Fonds budgétaire relatif aux opéra-
tions monétaires de la Monnaie royale de Belgique sont
utilisées pour financer des dépenses liées aux activités
de démonétisation de la Monnaie royale de Belgique à
partir du 1er janvier 2019.
Section 2
Modification de la loi-organique du 27 décembre 1990
créant des fonds budgétaires
Art. 67
La rubrique 18 du tableau annexé à la loi organique
du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires,
modifié en dernier lieu par la loi-programme (I) du
26 décembre 2015, est complétée comme suit:
“18-5 Fonds budgétaire relatif aux opérations moné-
taires de la Monnaie royale de Belgique
Nature des recettes affectées:
1° le versement du solde disponible du compte cou-
rant postal de la Monnaie royale de Belgique utilisé pour
les dépenses liées aux opérations de démonétisation;
2° les versements que la Monnaie royale de Belgique
reçoit de la Banque nationale de Belgique pour les
opérations de monétisation.
Nature des dépenses autorisées:
Les dépenses liées aux activités de démonéti-
sation de la Monnaie royale de Belgique à partir du
1er janvier 2019.”.
193
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
HOOFDSTUK 3
Opheffing
Art. 68
In artikel 4, § 5, van het koninklijk besluit van
18 januari 1990 houdende de uitvoeringsmodaliteiten
van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg
van werken uit edele metalen, wordt het tweede lid
opgeheven.
HOOFDSTUK 4
Inwerkingtreding
Art. 69
Deze titel treedt in werking op 1 januari 2019.
TITEL V
Diverse bepalingen
HOOFDSTUK 1
Wijzigingen aan het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Afdeling 1
Inkomsten uit de deeleconomie, uit het verenigingswerk of
uit occasionele diensten tussen burgers
Art. 70
In artikel 90, derde lid, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van
1 juli 2018 en vervangen bij de wet van 18 juli 2018,
worden de woorden “Onverminderd de toepassing van
de voorheffingen, worden de inkomsten van onroerende
goederen, de inkomsten van roerende goederen en
kapitalen evenals de in het eerste lid, 5°, vermelde
inkomsten uit onderverhuring van onroerende goede-
ren” vervangen door de woorden “De inkomsten van
onroerende goederen, de in artikel 17, § 1, 3° en 5°,
vermelde inkomsten van roerende goederen evenals
de in het eerste lid, 5°, vermelde inkomsten uit onder-
verhuring van onroerende goederen worden” en worden
de woorden”die goederen en kapitalen” vervangen door
de woorden “die goederen”.
CHAPITRE 3
Abrogation
Art. 68
Dans l’article 4, § 5, de l’arrêté royal du 18 janvier 1990
portant modalités d’exécution de la loi du 11 août 1987
relative à la garantie des ouvrages en métaux précieux,
l’alinéa 2 est abrogé.
CHAPITRE 4
Entrée en vigueur
Art. 69
Le présent titre entre en vigueur le 1er janvier 2019.
TITRE V
Dispositions diverses
CHAPITRE 1ER
Modifications au Code des impôts
sur les revenus 1992
Section 1re
Revenus issus de l’économie collaborative, du travail
associatif ou des services occasionnels entre citoyens
Art. 70
A l’article 90, alinéa 3, du Code des impôts sur les
revenus 1992, introduit par la loi du 1er juillet 2018 et
remplacé par la loi du 18 juillet 2018, les mots “Sans
préjudice de l’application des précomptes, les revenus
des biens immobiliers, les revenus des capitaux et
biens mobiliers ainsi que les revenus de sous-location
d’immeubles visés à l’alinéa 1er, 5°,” sont remplacés par
les mots “Les revenus des biens immobiliers, les reve-
nus des biens mobiliers visés à l’article 17, § 1er, 3° et
5°, ainsi que les revenus de sous-location d’immeubles
visés à l’alinéa 1er, 5°,” et les mots “ces biens et capitaux”
sont remplacés par les mots “ces biens”.
194
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 71
Artikel 97/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 1 juli 2016 en opgeheven bij de wet van
18 juli 2018, wordt hersteld in de volgende lezing:
“Art. 97/1. De in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot 1°qua-
ter, vermelde inkomsten worden naar het netto bedrag
ervan in aanmerking genomen, dit is het bruto bedrag
verminderd met de kosten waarvan de belastingplichtige
het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare tijdperk
zijn gedaan of gedragen om die inkomsten te verkrijgen
of te behouden.
Het bruto bedrag van de inkomsten wordt bepaald
overeenkomstig artikel 90/1, tweede en derde lid.”.
Art. 72
In titel II, hoofdstuk II, afdeling V, onderafdeling III, van
hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 102ter ingevoegd,
luidende:
“Art. 102ter. Verliezen die in het belastbare tijdperk zijn
geleden bij het verrichten van handelingen als vermeld
in artikel 90, eerste lid, 1°bis, 1°ter of 1°quater worden
evenredig afgetrokken van de andere inkomsten uit
zulke handelingen.”.
Art. 73
Deze afdeling is van toepassing op de inkomsten
die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2018.
Afdeling 2
Vereenvoudiging inzake PB
Art. 74
In artikel 38, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van [wet mobiliteitsbudget/diverse
I], wordt tussen het eerste en het tweede lid, dat het
derde lid wordt, een lid ingevoegd, luidende:
“Wanneer de in het eerste lid, 24°, bedoelde voorde-
len zowel in artikel 31 als in artikel 32 bedoelde bezol-
digingen omvatten, wordt het maximumbedrag van de
vrijstelling verhoudingsgewijs aangerekend op elk van
die bezoldigingen.”.
Art. 71
L’article 97/1 du même Code, inséré par la loi du
1er juillet 2016 et abrogé par la loi du 18 juillet 2018, est
rétabli comme suit:
“Art. 97/1. Les revenus visés à l’article 90, alinéa 1er,
1°bis à 1°quater, s’entendent de leur montant net,
c’est-à-dire le montant brut diminué des frais dont le
contribuable apporte la preuve qu’ils ont été exposés ou
supportés durant la période imposable afin d’acquérir
ou de conserver ces revenus.
Le montant brut des revenus est déterminé confor-
mément à l’article 90/1, alinéas 2 et 3.”.
Art. 72
Dans le titre II, chapitre II, section V, sous-section
III, du même Code, un article 102ter est inséré, rédigé
comme suit:
“Art. 102ter. Les pertes éprouvées pendant la période
imposable dans l’exercice d’activités visées à l’ar-
ticle 90, alinéa 1er, 1°bis, 1°ter ou 1°quater sont déduites
proportionnellement des autres revenus résultant de
telles activités.”.
Art. 73
La présente section est applicable aux revenus payés
ou attribués à partir du 1er janvier 2018.
Section 2
Simplification en matière d’IPP
Art. 74
A l’article 38, § 1er, du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du [wet mobiliteitsbudget/diverse I], entre
l’alinéa 1er et l’alinéa 2, qui devient l’alinéa 3, un alinéa
est inséré, rédigé comme suit:
“Lorsque les avantages visés à l’alinéa 1er, 24°, com-
prennent à la fois des rémunérations visées à l’article 31
et à l’article 32, le montant maximum de l’exonération
est imputé proportionnellement sur chacune de ces
rémunérations.”.
195
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 75
Artikel 538 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 26 december 2013, wordt opgeheven.
Art. 76
Artikel 74 treedt in werking op 31 december 2018 en
is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019.
Artikel 75 treedt in werking op 1 januari 2018 en is
van toepassing op ontslaguitkeringen, vergoedingen,
en schadeloosstellingen bekomen vanaf 1 januari 2018.
HOOFDSTUK 2
Wijziging van het Wetboek diverse rechten
en taksen
Art. 77
Artikel 10 van het Wetboek diverse rechten en taksen,
gewijzigd bij de wet van 11 juli 2018, wordt aangevuld
met de woorden “in het kader van de hypothecaire
openbaarmaking”.
Art. 78
Artikel 77 heeft uitwerking met ingang van 30 juli 2018.
HOOFDSTUK 3
Wijziging aan het Wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten
Art. 79
Artikel 921 van het Wetboek der registratie, hypo-
theek en griffierechten, vervangen bij de wet van
23 december 1958, vernummerd bij het koninklijk be-
sluit nr. 12 van 18 april 1967 en gewijzigd bij de wet van
25 december 2016, wordt vervangen als volgt:
“Art. 921. Het in artikel 88 en het in artikel 3, eerste
lid, 7°, a), van de bijzondere wet van 16 januari 1989
betreffende de financiering van de Gemeenschappen
en de Gewesten bedoeld recht dekt elke latere vestiging
van hypotheek op een schip tot zekerheid van dezelfde
schuldvordering en van hetzelfde gewaarborgd bedrag.”.
Art. 75
L’article 538 du même Code, inséré par la loi du
26 décembre 2013, est abrogé.
Art. 76
L’article 74 entre en vigueur le 31 décembre 2018 et
est applicable à partir de l’exercice d’imposition 2019.
L’article 75 entre en vigueur le 1er janvier 2018 et est
applicable aux allocations de licenciement, rémunéra-
tions et indemnités obtenues à partir du 1er janvier 2018.
CHAPITRE 2
Modification du Code des droits
et taxes divers
Art. 77
L’article 10 du Code des droits et taxes divers modifié
par la loi du 11 juillet 2018, est complété par les mots “,
dans le cadre de la publicité hypothécaire”.
Art. 78
L’article 77 produit ses effets le 30 juillet 2018.
CHAPITRE 3
Modification au Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Art. 79
L’article 921 du Code des droits d’enregistrement,
d’hypothèque et de greffe, remplacé par la loi du
23 décembre 1958, renuméroté par l’arrêté royal n° 12 du
18 avril 1967 et modifié par la loi du 25 décembre 2016,
est remplacé par ce qui suit:
“Art. 921. Le droit visé à l’article 88 et à l’article 3,
alinéa 1er, 7°, a), de la loi spéciale du 16 janvier 1989 rela-
tive au financement des Communautés et des Régions
couvre toute constitution ultérieure d‘hypothèque sur
un navire pour sûreté de la même créance et du même
montant garanti.”.
196
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 80
Artikel 79 treedt in werking op 1 januari 2019.
TITEL VI
Achterwaartse verliesverrekening ter compensatie
van schade aan landbouwteelten, veroorzaakt door
ongunstige weersomstandigheden
Art. 81
In artikel 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastin-
gen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4°/1 in-
gevoegd, luidende:
“4°/1 Middelgrote onderneming
Onder middelgrote onderneming wordt een natuur-
lijke persoon of een rechtspersoon verstaan die een
economische activiteit uitoefent en die in ten minste
twee van de laatste drie afgesloten belastbare tijdperken
een gemiddeld personeelsbestand heeft van minder
dan 250 personenuitgedrukt in voltijdse equivalenten
en waarvan:
— de omzet exclusief de belasting over de toege-
voegde waarde het bedrag van 50 miljoen euro niet
overschrijdt; of
— het balanstotaal het bedrag van 43 miljoen euro
niet overschrijdt.
Wanneer het belastbare tijdperk een duur heeft van
minder of meer dan twaalf maanden, wordt het bedrag
van de in het eerste lid bedoelde omzet, exclusief de
belasting over de toegevoegde waarde, vermenigvuldigd
met een breuk waarvan de noemer twaalf is en de tel-
ler het aantal maanden van het betrokken belastbare
tijdperk, waarbij elke begonnen maand voor een volle
maand wordt geteld.
Indien de onderneming een verbonden onderneming
is, worden de criteria inzake jaaromzet en jaarlijks ba-
lanstotaal op geconsolideerde basis vastgesteld. Om
het gemiddelde personeelsbestand van een verbonden
onderneming te bepalen, wordt het gemiddelde per-
soneelsbestand van elk van de betrokken verbonden
vennootschappen in het belastbare tijdperk opgeteld.
De in het eerste lid bedoelde jaaromzet, balanstotaal
en gemiddelde personeelsbestand worden verhoogd
Art. 80
L’article 79 entre en vigueur le 1er janvier 2019.
TITRE VI
Rétro-imputation des pertes en compensation de
dommage causé aux cultures agricoles, provoqué
par des conditions météorologiques défavorables
Art. 81
Dans l’article 2 du Code des impôts sur les revenus
1992, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2018,
les modifications suivantes sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, il est inséré un 4°/1, rédigé
comme suit:
“4°/1 Moyenne entreprise
Par moyenne entreprise on entend une personne
physique ou morale exerçant une activité économique,
qui occupe pour au moins deux des trois dernières
périodes imposables clôturées une moyenne de person-
nel de moins de 250 personnes en équivalents temps
plein et dont:
— le chiffre d’affaires à l’exclusion de la taxe sur la
valeur ajoutée n’excède pas le montant de 50 millions
d’euros; ou
— le total du bilan n’excède pas le montant de 43
millions d’euros.
Lorsque la période imposable a une durée inférieure
ou supérieure à douze mois, le montant du chiffre
d’affaires à l’exclusion de la taxe sur la valeur ajoutée,
visé à l’alinéa 1er, est multiplié par une fraction dont le
dénominateur est douze et le numérateur le nombre
de mois compris dans la période imposable considé-
rée, tout mois commencé étant compté pour un mois
complet.
Si l’entreprise est une entreprise liée, les critères en
matière de chiffre d’affaires et de total du bilan sont
calculés sur une base consolidée. Pour déterminer
la moyenne de personnel d’une entreprise liée, la
moyenne de personnel de chacune des sociétés liées
au cours de la période imposable est additionnée.
Le chiffre d’affaires, le total du bilan et la moyenne de
personnel visés à l’alinéa 1er sont augmentés du chiffre
197
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
met de jaaromzet, het balanstotaal en het gemiddelde
personeelsbestand van elke partneronderneming, in
verhouding tot het hoogste percentage van de volgende
vier percentages:
— hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde
deelnemingspercentage van de eerstgenoemde onder-
neming in de stemrechten van de andere onderneming;
— hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde
deelnemingspercentage van de andere onderneming in
de stemrechten van de eerstgenoemde onderneming;
— hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde
deelnemingspercentage van de eerstgenoemde on-
derneming in het kapitaal van de andere onderneming;
— hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde deel-
nemingspercentage van de andere onderneming in het
kapitaal van de eerstgenoemde onderneming.
In het geval van een nieuwe onderneming waarvan
het eerste, tweede of derde belastbare tijdperk nog niet
is afgesloten, worden de in aanmerking te nemen ge-
gevens bepaald door middel van een in de loop van het
belastbare tijdperk te goeder trouw gemaakte schatting.
Een onderneming kan evenwel geen middelgrote
onderneming zijn indien de controle over het kapitaal
of de stemrechten van de onderneming, individueel of
gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor 25
pct. of meer wordt uitgeoefend door één of meerdere
aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van
de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten.
De in paragraaf 4, tweede lid, bedoelde gevallen die
niet verbonden zijn met de voornoemde onderneming,
worden voor de toepassing van dit lid niet beschouwd
als aanbestedende overheden.”;
b) in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4°/2 in-
gevoegd, luidende:
“4°/2 Onderneming in moeilijkheden
Onder onderneming in moeilijkheden wordt een on-
derneming verstaan:
— waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverkla-
ring is ingesteld of waarvan op dat ogenblik het beheer
van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals
voorzien in de artikelen 7 en 8 van de faillissementswet;
— waarvoor een procedure van gerechtelijke reor-
ganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de
wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen;
d’affaires, du total du bilan et de la moyenne de per-
sonnel de chaque entreprise partenaire, à concurrence
du pourcentage le plus élevé des quatre pourcentages
suivants:
— soit le pourcentage de participation, visé au para-
graphe 4, alinéa 1er, de l’entreprise citée en premier lieu
dans les droits de l’autre entreprise;
— soit le pourcentage de participation, visé au para-
graphe 4, alinéa 1er, de l’autre entreprise dans les droits
de vote de l’entreprise citée en premier lieu;
— soit le pourcentage de participation, visé au para-
graphe 4, alinéa 1er, de l’entreprise citée en premier lieu
dans le capital de l’autre entreprise;
— soit le pourcentage de participation, visé au para-
graphe 4, alinéa 1er, de l’autre entreprise dans le capital
de l’entreprise citée en premier lieu.
Dans le cas d’une entreprise nouvelle dont la pre-
mière, deuxième ou troisième période imposable n’est
pas encore clôturée, les données à prendre en consi-
dération sont déterminés au moyen d’une estimation
effectuée de bonne foi au cours de la période imposable.
Une entreprise ne peut pas être une moyenne entre-
prise si le contrôle sur le capital ou sur les droits de vote
de l’entreprise est exercé, directement ou indirectement,
à titre individuel ou conjointement, pour 25 p.c. ou plus
par un ou plusieurs pouvoirs adjudicateurs visés à
l’article 2 de la loi de 17 juin 2016 relative aux marchés
publics. Les cas visés au paragraphe 4, alinéa 2, qui ne
sont pas liés à l’entreprise précitée ne sont pas consi-
dérés comme pouvoirs adjudicateurs pour l’application
du présent alinéa.”;
b) dans le paragraphe 1er, il est inséré un 4°/2, rédigé
comme suit:
“4°/2 Entreprise en difficulté
Par entreprise en difficulté on entend une entreprise:
— pour laquelle une demande de faillite est introduite
ou dont à ce moment la gestion de tout ou partie de l’actif
lui est retirée comme cela est prévu aux articles 7 et 8
de la loi sur les faillites;
— pour laquelle une procédure de réorganisation judi-
ciaire est entamée comme cela est prévu à l’article 23
de la loi relative à la continuité des entreprises;
198
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— die een ontbonden vennootschap is en zich in staat
van vereffening bevindt;
— waarvan ten gevolge van geleden verlies het netto
actief is gedaald tot minder dan de helft van het vaste
gedeelte van het maatschappelijk kapitaal;
— die steun heeft ontvangen die door de Europese
Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met de
richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun
aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden van
31 juli 2014 (PB C 249) of met artikel 107, derde lid, b, van
het Verdrag betreffende de Werking van de Europese
Unie en die in het geval van reddingssteun de lening
nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft
beëindigd of in het geval van herstructureringssteun
zich nog steeds in de herstructureringsfase bevindt.”;
c) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 4,
luidende:
“§ 4. Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt
een onderneming als een partneronderneming van een
andere onderneming aangemerkt indien deze eerst-
genoemde onderneming niet verbonden is met deze
andere onderneming, en:
— de eerstgenoemde onderneming al dan niet
samen met de met deze onderneming verbonden
ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct. of
meer van het kapitaal of de stemrechten van de andere
onderneming; of
— de andere onderneming al dan niet samen met de
met deze onderneming verbonden ondernemingen een
deelneming heeft van 25 pct. of meer van het kapitaal of
de stemrechten van de eerstgenoemde onderneming.
Openbare participatiemaatschappijen, risicokapi-
taalmaatschappijen, business angels, universiteiten,
onderzoekscentra zonder winstoogmerk, institutionele
beleggers, regionale ontwikkelingsfondsen en auto-
nome lokale autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 3, lid
2, van bijlage I, van verordening (EU) 651/2014 van de
Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde catego-
rieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van
het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden
verklaard, worden voor de toepassing van paragraaf 1,
4°/1 niet beschouwd als partnerondernemingen.
Voor de toepassing van het eerste lid en van para-
graaf 1, 4°/1 wordt een onderneming als een verbonden
onderneming van een andere onderneming aangemerkt
indien:
— qui est une société dissoute et se trouve en
liquidation;
— dont à la suite de pertes, l’actif net est réduit à un
montant inférieur à la moitié de la part fixe du capital
social;
— qui a reçu des aides qui ont été considérées
comme compatibles par la Commission européenne
avec des lignes directrices concernant les aides d’État
au sauvetage et à la restructuration d’entreprises en
difficulté autres que les établissements financiers du
31 juillet 2014 (JO C 249) ou avec l’article 107, ali-
néa 3, b, du Traité sur le fonctionnement de l’Union
européenne et qui en cas d’aide au sauvetage n’a pas
encore remboursé le prêt ou mis fin à la garantie ou en
cas d’aide à la restructuration est toujours soumis au
plan de restructuration.”;
c) l’article est complété par un paragraphe 4, rédigé
par ce qui suit:
“§ 4. Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, une
entreprise est considérée comme entreprise partenaire
si l’entreprise citée en premier lieu n’est pas liée à cette
autre entreprise, et si:
— l’entreprise citée en premier lieu ne rassemble
pas avec ces entreprises liées à cette entreprise une
participation de 25 p.c. ou plus du capital ou des droits
de vote de l’autre entreprise; ou
— l’autre entreprise ne rassemble pas avec ces
entreprises liées à cette entreprise une participation
de 25 p.c. ou plus du capital ou des droits de vote de
l’entreprise citée en premier lieu.
Les sociétés publiques de participation, sociétés
de capital à risque, business angels, universités,
centres de recherche à but non lucratif, investisseurs
institutionnels, fonds de développement régional et
autorités autonomes locales, tels que visés à l’article 3,
alinéa 2, de l’annexe I, du règlement (UE) 651/2014
de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines
catégories d’aides compatibles avec le marché inté-
rieur en application des articles 107 et 108 du traité,
ne sont, par dérogation à l’alinéa 5, pas considérés
comme une entreprise partenaire pour l’application du
paragraphe 1er, 4°/1.
Pour l’application de l’alinéa 1er et du paragraphe 1er,
4°/1, une entreprise est considérée comme entreprise
liée à une autre entreprise si:
199
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of
middels derde ondernemingen de meerderheid heeft
van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten
van de andere onderneming;
— de andere onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen de meerderheid heeft van de
stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van
de eerstgenoemde onderneming;
— de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of
middels derde ondernemingen het recht heeft de meer-
derheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend
of toezichthoudend orgaan van de andere onderneming
te benoemen of te ontslaan;
— de andere onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen het recht heeft de meerderheid
van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toe-
zichthoudend orgaan van de eerstgenoemde onderne-
ming te benoemen of te ontslaan;
— de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks
of middels derde ondernemingen het recht heeft een
overheersende invloed op een andere onderneming uit
te oefenen op grond van een met deze onderneming
gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten
van de laatstgenoemde onderneming, behalve in het
geval de eerstgenoemde onderneming onder het toe-
passingsgebied van het tweede lid valt en uit de feiten
niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk wordt uitgeoefend;
— de andere onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen het recht heeft een overheer-
sende invloed op een andere onderneming uit te oefe-
nen op grond van een met deze onderneming gesloten
overeenkomst of een bepaling in de statuten van de
laatstgenoemde onderneming, behalve in het geval de
andere onderneming onder het toepassingsgebied van
het tweede lid valt en uit de feiten niet blijkt dat dit recht
daadwerkelijk wordt uitgeoefend;
— de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of
middels derde ondernemingen de aandeelhouder of
vennoot is van een andere onderneming en op grond
van een met andere aandeelhouders of vennoten van
die andere onderneming gesloten overeenkomst als
enige zeggenschap heeft over de meerderheid van de
stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van
die andere onderneming;
— de andere onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen de aandeelhouder of vennoot is
van de eerstgenoemde onderneming en op grond van
een met andere aandeelhouders of vennoten van die
eerst genoemde onderneming gesloten overeenkomst
— l’entreprise citée en premier lieu a, directement ou
au moyen d’entreprises tierces, la majorité des droits de
vote des actionnaires ou associés de l’autre entreprise;
— l’autre entreprise a, directement ou au moyen
d’entreprises tierces, la majorité des droits de vote
des actionnaires ou associés de l’entreprise citée en
premier lieu;
— l’entreprise citée en premier lieu a, directement
ou au moyen d’entreprises tierces, le droit de nommer
ou de révoquer la majorité des membres de l’organe
d’administration, de direction ou de surveillance de
l’autre entreprise;
— l’autre entreprise a, directement ou au moyen
d’entreprises tierces, le droit de nommer ou de révoquer
la majorité des membres de l’organe d’administration,
de direction ou de surveillance de l’entreprise citée en
premier lieu;
— l’entreprise citée en premier lieu a, directement
ou au moyen d’entreprises tierces, le droit d’exercer
une influence dominante sur une autre entreprise en
vertu d’un contrat conclu avec cette entreprise ou en
vertu d’une clause contenue dans les statuts de cette
entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le cas où l’en-
treprise citée en premier lieu se trouve dans le champ
d’application de l’alinéa 2 et que les faits n’établissent
pas que ce droit est effectivement exercé;
— l’autre entreprise a, directement ou au moyen
d’entreprises tierces, le droit d’exercer une influence
dominante sur une autre entreprise en vertu d’un contrat
conclu avec cette entreprise ou en vertu d’une clause
contenue dans les statuts de cette entreprise citée en
dernier lieu, sauf dans le cas où l’autre entreprise se
trouve dans le champ d’application de l’alinéa 2 et que
les faits n’établissent pas que ce droit est effectivement
exercé;
— l’entreprise citée en premier lieu est, directement
ou au moyen d’entreprises tierces, l’actionnaire ou
associée d’une autre entreprise et contrôle seule, en
vertu d’un accord conclu avec d’autres actionnaires
ou associés de cette autre entreprise, la majorité des
droits de vote des actionnaires ou associés de cette
autre entreprise;
— l’autre entreprise est, directement ou au moyen
d’entreprises tierces, l’actionnaire ou associé de
l’entreprise citée en premier lieu et contrôle seule, en
vertu d’un accord conclu avec d’autres actionnaires ou
associés de cette entreprise citée en premier lieu, la
200
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
als enige zeggenschap heeft over de meerderheid van
de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten
van die eerst genoemde onderneming.
Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt
onder het gemiddelde personeelsbestand begrepen
het gemiddelde van het aantal werknemers, uitgedrukt
in voltijdse equivalenten dat is geregistreerd in de
DIMONA-databank overeenkomstig het koninklijk besluit
van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddel-
lijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van
artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering
van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leef-
baarheid van de wettelijke pensioenstelsels, per einde
van elke maand van het belastbare tijdperk, of indien
de tewerkstelling niet behoort tot het toepassingsgebied
van dit koninklijk besluit, het gemiddelde aantal tewerk-
gestelde werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalen-
ten van de in het algemene personeelsregister of een
gelijkwaardig document ingeschreven werknemers per
einde van elke maand van het desbetreffende belast-
bare tijdperk.
Dit gemiddelde van het aantal werknemers wordt in
voorkomend geval verhoogd met het aantal natuurlijke
personen die in de onderneming een leidende functie
of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur,
van commerciële, financiële of technische aard uitoe-
fenen en die niet werden geregistreerd in de DIMONA-
databank noch werden ingeschreven in het voormelde
algemene personeelsregister of het voormelde gelijk-
waardig document.
Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse equiva-
lenten is gelijk aan het arbeidsvolume uitgedrukt in vol-
tijds tewerkgestelde equivalenten, te berekenen voor de
deeltijdse werknemers op basis van het conventioneel
aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van
de normale arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse
werknemer.”.
Art. 82
In artikel 23, § 2, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wet van 28 december 1992, worden in de bepa-
ling onder 3° de woorden “vorige belastbare tijdperken”
vervangen door de woorden “vorige, of, in het geval
vermeld in artikel 78, § 2, latere belastbare tijdperken”.
majorité des droits de vote des actionnaires ou associés
de cette entreprise citée en premier lieu.
Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, la moyenne
de personnel est le nombre moyen des travailleurs
exprimé en équivalents à temps plein inscrits à la
banque de données DIMONA conformément à l’arrêté
royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration
immédiate de l’emploi, en application de l’article 38
de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de
la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes
légaux des pensions, à la fin de chaque mois de la
période imposable, ou lorsque l’emploi ne relève pas
du champ d’application de cet arrêté royal, le nombre
moyen des travailleurs occupés à temps plein inscrits
au registre général du personnel ou dans un document
équivalent à la fin de chaque mois de la période impo-
sable considérée.
Ce nombre moyen des travailleurs est augmenté, le
cas échéant, du nombre des personnes physiques qui
exercent dans l’entreprise une fonction dirigeante ou
une activité dirigeante de gestion journalière, d’ordre
commercial, financier ou technique et qui ne sont pas
enregistrées à la banque de données DIMONA ni ins-
crites au registre général du personnel précité ou dans
le document équivalent précité.
Le nombre des travailleurs exprimé en équivalents
à temps plein est égal au volume de travail exprimé
en équivalents occupés à temps plein, à calculer pour
les travailleurs occupés à temps partiel sur la base du
nombre conventionnel d’heures à prester par rapport
à la durée normale de travail d’un travailleur à temps
plein comparable.”.
Art. 82
Dans l’article 23, § 2, du même Code, modifié par la
loi du 28 décembre 1992, au 3°, les mots “des périodes
imposables antérieures.” sont remplacés par les mots
“des périodes imposables antérieures, ou, dans le cas
mentionné à l’article 78, § 2, des périodes imposables
ultérieures.”.
201
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 83
Artikel 78 van hetzelfde Wetboek, waarvan de be-
staande tekst paragraaf 1 wordt, wordt aangevuld met
een paragraaf 2, luidende:
“§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt op vraag van
een belastingplichtige die voldoet aan de in het vierde lid
bedoelde criteria het gedeelte van de beroepsverliezen,
dat toe te schrijven is aan schade aan landbouwteelten
die werd veroorzaakt door ongunstige weersomstan-
digheden, en werd geleden in een gewest waarmee
een in het derde lid bedoeld samenwerkingsakkoord
werd gesloten, achtereenvolgens afgetrokken van de
beroepsinkomsten van de drie belastbare tijdperken
voorafgaand aan het belastbare tijdperk waarin die
schade definitief is vastgesteld, te beginnen met het
oudste. Het gedeelte van deze beroepsverliezen dat
niet in aftrek kan worden gebracht van deze beroeps-
inkomsten, is aftrekbaar overeenkomstig paragraaf 1.
Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te
schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade,
stemt overeen met het bedrag van de beroepsverlie-
zen achtereenvolgens beperkt tot het bedrag van het
beroepsverlies uit de in artikel 23, § 1, 1°, bedoelde
beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige en tot
het bedrag van deze schade die op de wijze voorzien
in het derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord in het
belastbare tijdperk definitief werd vastgesteld.
De in het eerste lid omschreven achterwaartse ver-
liesaftrek kan enkel worden toegepast indien de in het
eerste lid bedoelde schade werd geleden op het grond-
gebied van een gewest dat met de federale overheid een
samenwerkingsakkoord heeft gesloten met het oog op
de gezamenlijke naleving van de cumulatieregels zoals
bedoeld in artikel 8 van verordening (EU) Nr. 702/2014
van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde
categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector
en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107
en 108 van het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie met de interne markt verenigbaar
worden verklaard. De federale overheid en het gewest
omschrijven in dit samenwerkingsakkoord in aanvulling
bij de bepalingen van artikel 7 van de voormelde ver-
ordening de wijze waarop de steunintensiteit van de in
deze paragraaf bedoelde steunmaatregel moet worden
berekend. Ze bepalen in het samenwerkingsakkoord
eveneens de manier waarop de ongunstige weersom-
standigheden die met een natuurramp kunnen worden
gelijkgesteld worden erkend en de methode waarop de
schade wordt vastgesteld die werd veroorzaakt door de
ongunstige weersomstandigheden gegrond op de be-
palingen van artikel 25 van de voormelde verordening.
Art. 83
L’article 78 du même Code, dont le texte actuel
devient le paragraphe 1er, est complété par un para-
graphe 2, rédigé comme suit:
“§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, à la demande
du contribuable qui répond aux conditions visées à
l’alinéa 4, la partie des pertes professionnelles qui est
imputable au dommage aux cultures agricoles, provo-
qué par des conditions météorologiques défavorables
et encouru dans une région avec laquelle un accord de
coopération visé à l’alinéa 3 a été conclu, est déduite
consécutivement des revenus professionnels des
trois périodes imposables précédant la période impo-
sable dans laquelle ce dommage a été définitivement
constaté, à commencer par la plus ancienne. La partie
de ces pertes professionnelles qui ne peut pas être
déduite de ces revenus professionnels, est déductible
conformément au paragraphe 1er.
La partie des pertes professionnelles qui est impu-
table au dommage défini à l’alinéa 1er correspond au
montant des pertes professionnelles, limité successive-
ment au montant de la perte professionnelle de l’activité
professionnelle du contribuable visée à l’article 23,
§ 1er, 1°, et au montant de ce dommage qui a été défi-
nitivement constaté dans la période imposable selon
les modalités prévues par l’accord de coopération visé
à l’alinéa 3.
La rétro-déduction de perte définie à l’alinéa 1er est
applicable uniquement si le dommage défini à l’alinéa 1er
a été encouru sur le territoire d’une région qui a conclu
avec l’autorité fédérale un accord de coopération visant
le respect conjoint des règles de cumul telles que
visées à l’article 8 du règlement (UE) n° 702/2014 de la
Commission du 25 juin 2014 déclarant certaines caté-
gories d’aides, dans les secteurs agricole et forestier
et dans les zones rurales, compatibles avec le marché
intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité
sur le fonctionnement de l’Union européenne. L’autorité
fédérale et la région définissent dans cet accord de coo-
pération, en complément aux dispositions de l’article 7
du règlement précité, la manière dont l’intensité d’aide
de la mesure d’aide visée au présent paragraphe doit
être calculée. Elles établissent également dans cet
accord de coopération la façon dont la reconnaissance
des conditions météorologiques pouvant être assimi-
lées à une calamité naturelle a lieu, la méthode selon
laquelle, sur base des dispositions de l’article 25 du
règlement précité, le dommage ayant été causé par
des circonstances météorologiques défavorables est
constaté. Il est enfin spécifié dans l’accord de coopé-
ration de quelle façon des clarifications concernant le
202
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
In het samenwerkingsakkoord wordt tot slot ook ge-
specifieerd op welke wijze verduidelijking kan worden
gebracht omtrent het tijdstip waarop de schade definitief
is vastgesteld.
Deze paragraaf is enkel van toepassing indien de
belastingplichtige:
— een middelgrote onderneming is; en
— een onderneming uitbaat die de productie van
landbouwproducten tot doel heeft die zijn opgenomen
in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, waarbij deze landbouwproducten
geen verdere bewerking ondergaan die de aard van
deze producten wijzigt;
— geen onderneming in moeilijkheden was op het
ogenblik dat de schade werd geleden, en;
— geen bevel tot terugvordering heeft uitstaan inge-
volge een besluit van de Commissie die een door België
verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de
interne markt heeft verklaard.
De achterwaartse verliesverrekening kan niet worden
toegepast indien de som van de overeenkomstig het
tweede lid vastgestelde steunintensiteit van de ach-
terwaartse verliesaftrek en de steunintensiteit van de
door het gewest verleende steun die dezelfde schade
vergoedt als de in het eerste lid bedoelde schade,
hoger is dan de maximale steunintensiteit omschreven
in artikel 25, leden 9 en 10, van de verordening (EU)
nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waar-
bij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de
bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van
de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie met de interne markt
verenigbaar worden verklaard.
Voor de toepassing van deze paragraaf en van
artikel 206, § 4, wordt onder ongunstige weersomstan-
digheden de weersomstandigheden verstaan die met
een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals
gedefinieerd in artikel 2, zestiende lid van verordening
(EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014
waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en
de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond
van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie met de interne markt
verenigbaar worden verklaard en die formeel worden
erkend op de wijze beschreven in het in het derde lid
bedoelde samenwerkingsakkoord.
De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van
de achterwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden
moment où le dommage est définitivement constaté
peuvent être apportées.
Le présent paragraphe n’est applicable que si le
contribuable:
— est une moyenne entreprise; et
— exploite une entreprise ayant pour but la production
des produits agricoles énumérés à l’annexe I du Traité
sur le fonctionnement de l’Union européenne sans exer-
cer d’autre opération modifiant la nature de ces produits;
— n’était pas une entreprise en difficulté au moment
où les dégâts ont été encourus; et
— n’a pas supporté un ordre de récupération suite
à une décision de la Commission déclarant une aide
octroyée par la Belgique illégale et incompatible avec
le marché intérieur.
La rétro-imputation des pertes ne peut s’appliquer
lorsque la somme de l’intensité de l’aide de déterminée
conformément à l’alinéa 2 et de l’intensité de l’aide de
l’aide octroyée par la région pour indemniser le même
dommage que celui visé à l’alinéa 1er est supérieure
à l’intensité de l’aide maximale définie à l’article 25,
alinéas 9 et 10, du règlement (UE) n°702/2014, de la
Commission, du 25 juin 2014 déclarant certaines caté-
gories d’aides, dans les secteurs agricole et forestier
et dans les zones rurales, compatibles avec le marché
intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité
sur le fonctionnement de l’Union européenne.
Pour l’application du présent paragraphe et de l’ar-
ticle 206, § 4, on entend par circonstances météorolo-
giques défavorables, les circonstances météorologiques
qui peuvent être assimilées à une calamité naturelle,
telles que définies à l’article 2, alinéa 16, du règlement
(UE) n°702/2014, de la Commission, du 25 juin 2014
déclarant certaines catégories d’aides, dans les sec-
teurs agricole et forestier et dans les zones rurales,
compatibles avec le marché intérieur, en application des
articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de
l’Union européenne, et qui sont formellement reconnues
selon la procédure décrite dans l’accord de coopération
visé à l’alinéa 3.
Les pertes professionnelles pour lesquelles l’applica-
tion de la rétro-déduction des pertes est demandée sont
203
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
afgetrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vori-
ge belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1.
De belastingplichtige vraagt de toepassing van de
achterwaartse verliesaftrek aan in de aangifte die be-
trekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de in
het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld.
Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning
kan nadere regels met betrekking tot de aanvraag
vastleggen.”.
Art. 84
Artikel 206 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij-
zigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt aangevuld met
een paragraaf 4, luidende:
“§ 4. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, wordt
op vraag van de belastingplichtige die voldoet aan
de criteria bedoeld in artikel 78, § 2, vierde lid, het
gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te schrijven
is aan schade aan landbouwteelten veroorzaakt door
ongunstige weersomstandigheden, en geleden in
een gewest waarmee een in artikel 78, § 2, derde lid,
bedoeld samenwerkingsakkoord werd gesloten, ach-
tereenvolgens afgetrokken van de beroepsinkomsten
van de drie belastbare tijdperken voorafgaand aan
het belastbare tijdperk waarin die schade definitief is
vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het gedeelte
van deze beroepsverliezen dat niet in aftrek kan worden
gebracht van deze beroepsinkomsten, is aftrekbaar
overeenkomstig paragraaf 1.
Het gedeelte van de beroepsverliezen dat toe te
schrijven is aan de in het eerste lid omschreven schade
stemt overeen met het bedrag van de beroepsverliezen,
beperkt tot het bedrag van deze schade die op de wijze
voorzien in het in artikel 78, § 2, derde lid, bedoeld sa-
menwerkingsakkoord in het belastbare tijdperk definitief
werd vastgesteld.
De achterwaartse verliesverrekening kan niet worden
toegepast indien de som van de overeenkomstig arti-
kel 78, § 2, vijfde lid, vastgestelde steunintensiteit, de
in datzelfde lid omschreven maximale steunintensiteit
overschrijdt.
De beroepsverliezen waarvoor de toepassing van de
achterwaartse verliesaftrek wordt gevraagd, worden af-
getrokken na aftrek van de beroepsverliezen van vorige
belastbare tijdperken bij toepassing van paragraaf 1.
déduites après déduction des pertes professionnelles
de périodes imposables antérieures en application du
paragraphe 1er.
Le contribuable demande l’application de la rétro-dé-
duction des pertes dans la déclaration se rapportant à
la période imposable au cours de laquelle le dommage
visé à l’alinéa 1er a été définitivement constaté. Cette
demande est définitive et irrévocable. Le Roi peut fixer
les modalités de la demande. “.
Art. 84
L’article 206 du même Code, modifié en dernier lieu
par la loi du 30 juillet 2018, est complété par un para-
graphe 4, rédigé comme suit:
“§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, la
partie des pertes professionnelles qui, à la demande du
contribuable qui remplit les critères visés à l’article 78,
§ 2, alinéa 4, est imputable au dommage causé
aux cultures agricoles, provoqué par des conditions
météorologiques défavorables et encouru dans une
région avec laquelle un accord de coopération visé
à l’article 78, § 2, alinéa 3, a été conclu, est déduite
consécutivement des revenus professionnels des
trois périodes imposables précédant la période impo-
sable dans laquelle ce dommage a été définitivement
constaté, à commencer par la plus ancienne. La partie
de ces pertes professionnelles qui ne peut pas être
déduite de ces revenus professionnels, est déductible
conformément au paragraphe 1er.
La partie des pertes professionnelles qui est impu-
table au dommage défini à l’alinéa 1er correspond au
montant des pertes professionnelles, limité au montant
de ce dommage qui a été définitivement constaté dans
la période imposable selon les modalités prévues par
l’accord de coopération visé à l’article 78, § 2, alinéa 3.
La rétro-imputation des pertes n’est pas applicable
si la somme de l’intensité de l’aide déterminé confor-
mément à l’article 78, § 2, alinéa 5, excède l’intensité
maximale de l’aide définie dans ce même alinéa.
Les pertes professionnelles pour lesquelles l’applica-
tion de la rétro-déduction de pertes est demandée sont
déduites après déduction des pertes professionnelles
de périodes imposables antérieures en application du
paragraphe 1er.
204
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
De belastingplichtige vraagt de toepassing van de
achterwaartse verliesaftrek aan in de aangifte die be-
trekking heeft op het belastbare tijdperk waarin de in
het eerste lid bedoelde schade definitief is vastgesteld.
Deze aanvraag is definitief en onherroepelijk. De Koning
kan nadere regels met betrekking tot de aanvraag
vastleggen.”.
Art. 85
In artikel 2758 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij
de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van
24 maart 2015, 18 december 2015, en 30 juli 2018 wor-
den de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als
volgt:
“De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting
van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast
indien de werkgever en in voorkomend geval de in para-
graaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de inves-
tering heeft verricht, een middelgrote onderneming is.”;
b) in paragraaf 2 worden het tweede lid tot en met het
zevende lid opgeheven;
c) in paragraaf 2 wordt het achtste lid, dat het tweede
lid wordt, vervangen als volgt:
“De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting
van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast
door een werkgever die op het ogenblik van het overleg-
gen van het in § 5 bedoelde formulier een onderneming
in moeilijkheden is.”.
Art. 86
In artikel 2759 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten
van 24 maart 2015, 18 december 2015, en 30 juli 2018
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als
volgt:
“De in dit artikel bedoelde vrijstelling van doorstorting
van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast
indien de werkgever of in voorkomend geval de in para-
graaf 1, vierde lid, bedoelde vennootschap die de inves-
tering heeft verricht geen middelgrote onderneming is.”;
b) in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden
“vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing
Le contribuable demande l’application de la rétro-dé-
duction des pertes dans la déclaration se rapportant à
la période imposable au cours de laquelle le dommage
visé à l’alinéa 1er a été définitivement constaté. Cette
demande est définitive et irrévocable. Le Roi peut fixer
les modalités de la demande. “.
Art. 85
A l’article 2758 du même Code, rétabli par la loi du
15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015,
18 décembre 2015 et 30 juillet 2018, les modifications
suivantes sont apportées:
a) au paragraphe 2, l’alinéa 1er est remplacé par ce
qui suit:
“La dispense de versement du précompte profes-
sionnel visée dans le présent article est applicable
uniquement si l’employeur et le cas échéant, la société
visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a effectué l’inves-
tissement, est une moyenne entreprise.”;
b) au paragraphe 2, les alinéa 2 à 7 sont abrogés;
c) au paragraphe 2, l’alinéa 8, qui devient l’alinéa 2,
est remplacé par ce qui suit:
“La dispense de versement du précompte profes-
sionnel visée dans le présent article ne peut pas être
appliquée par un employeur qui, au moment de la remise
du formulaire tel que visé au § 5, est une entreprise en
difficulté.”.
Art. 86
A l’article 2759 du même Code, inséré par la loi du
15 mai 2014 et modifié par les lois des 24 mars 2015,
18 décembre 2015 et 30 juillet 2018, les modifications
suivantes sont apportées:
a) au paragraphe 2, l’alinéa 1er est remplacé par ce
qui suit:
“La dispense de versement du précompte profes-
sionnel visée dans le présent article est applicable
uniquement si l’employeur ou le cas échéant, la société
visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a effectué l’inves-
tissement n’est pas une moyenne entreprise.”;
b) au paragraphe 2, alinéa 2, les mots “dispense de
versement du précompte professionnel ne peut pas
205
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
kan niet worden toegepast door een werkgever zoals
bedoeld in artikel 2758, § 2, achtste lid” vervangen
door de woorden “in dit artikel bedoelde vrijstelling van
doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden
toegepast door een werkgever die op het ogenblik van
het overleggen van het in § 5 bedoelde formulier een
onderneming in moeilijkheden is.”.
Art. 87
In titel VII, hoofdstuk VI, afdeling I, van hetzelfde
Wetboek, wordt een artikel 358/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 358/1. Wanneer wordt vastgesteld dat beroeps-
verliezen van een belastbaar tijdperk, geheel of gedeel-
telijk, ten onrechte bij toepassing van artikel 78, § 2, of
artikel 206, § 4, zijn afgetrokken van de beroepsinkom-
sten van vorige belastbare tijdperken en de belasting
voor deze tijdperken geheel of gedeeltelijk in toepassing
van artikel 375/1 ten onrechte werd ontheven, kan die ten
onrechte verleende aftrek worden rechtgezet gedurende
de aanslagtermijn die van toepassing is met betrekking
tot het belastbare tijdperk waarin deze beroepsverliezen
zijn ontstaan.”.
Art. 88
In titel VII, hoofdstuk VII, afdeling I, van hetzelfde
Wetboek, wordt een artikel 375/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 375/1. De adviseur-generaal van de administratie
belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen
of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent van
rechtswege ontheffing van het teveel aan gevestigde
belasting ingevolge de achterwaartse aftrek van be-
roepsverliezen bij toepassing van artikel 78, § 2, of
artikel 206, § 4.”.
Art. 89
In artikel 409 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de
wet van 15 maart 1999, worden de woorden ‘artikel 376”
vervangen door de woorden “de artikelen 375/1 en 376”.
Art. 90
In artikel 410, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 15 maart 1999, worden de
woorden “in artikel 376” vervangen door de woorden
“in de artikelen 375/1 en 376”.
être appliquée par un employeur visé à l’article 2758,
§ 2, alinéa 8” sont remplacés par les mots “dispense
de versement du précompte professionnel visée dans
le présent article ne peut pas être appliquée par un
employeur qui, au moment de la remise du formulaire
tel que visé au § 5, est une entreprise en difficulté.”.
Art. 87
Dans le titre VII, chapitre VI, section première, du
même Code, il est inséré un article 358/1, rédigé comme
suit:
“Art. 358/1. Lorsqu’il est constaté que les pertes pro-
fessionnelles d’une période imposable ont été, entière-
ment ou partiellement, indûment déduites en application
de l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4, des revenus
professionnels des périodes imposables antérieures
et que l’impôt pour ces périodes a été, entièrement ou
partiellement, indûment dégrevée en application de
l’article 375/1, cette déduction indûment accordée peut
être corrigée durant le délai d’imposition applicable qui
est relatif à la période imposable au cours de laquelle
ces pertes professionnelles ont eu lieu.”.
Art. 88
Dans le titre VII, chapitre VII, section première, du
même Code, un article 375/1 est inséré, rédigé comme
suit:
“Art. 375/1. Le conseiller général de l’administration
en charge de l’établissement des impôts sur les revenus
ou le fonctionnaire délégué par lui accorde de plein droit
le dégrèvement de l’impôt excédentaire établi suite à
l’arriéré de déduction des pertes professionnelles en
application de l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4.”.
Art. 89
Dans l’article 409 du même Code, remplacé par la loi
du 15 mars 1999, les mots “à l’ article 376” sont rempla-
cés par les mots “aux articles 375/1 et 376“.
Art. 90
Dans l’article 410, alinéa 1er, du même Code, rempla-
cé par la loi du 15 mars 1999, les mots “à l’ article 376”
sont remplacés par les mots “aux articles 375/1 et 376 “.
206
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Art. 91
In titel VII, hoofdstuk XIII, afdeling V, onderafde-
ling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 415/1
ingevoegd, luidende:
“Art. 415/1. Wanneer bij toepassing van artikel 375/1
ontheffing werd verleend en het bedrag van de beroeps-
verliezen dat bij toepassing van artikel 78, § 2, of arti-
kel 206, § 4, in aanmerking komt voor de achterwaartse
verliesaftrek wordt gewijzigd, is, in afwijking van de
artikelen 414 en 415, op het gedeelte van de belasting
dat verband houdt met de wijziging van het bedrag van
de in aftrek te brengen beroepsverliezen een nalatig-
heidsintrest verschuldigd, berekend overeenkomstig
artikel 414, § 1, vanaf de eerste dag van de maand die
volgt op de maand waarin de ontheffing werd verleend.”.
Art. 92
In artikel 419, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ver-
vangen bij de wet van 15 maart 1999 en gewijzigd bij de
koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en
bij de wet van 25 december 2017, wordt een bepaling
onder 4°/1 ingevoegd, luidende:
“4°/1 in geval van een terugbetaling van belasting met
toepassing van artikel 375/1;”.
Art. 93
In artikel 443ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 26 maart 2018, worden de volgende wij-
zigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden “in
artikel 376” vervangen door de woorden “in de artike-
len 375/1 en 376”;
2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden
“aanvraag tot ambtshalve ontheffing bedoeld in arti-
kel 376,” vervangen door de woorden “aanvraag tot
ontheffing bedoeld in de artikelen 375/1 en 376,”.
Art. 94
Dit deel treedt in werking op 1 januari 2019. De
artikelen 82, 83, en 84 zijn van toepassing op de be-
roepsverliezen die toe te schrijven is aan schade aan
landbouwteelten, veroorzaakt door ongunstige weers-
omstandigheden die hebben plaatsgevonden vanaf
1 januari 2018.
Art. 91
Dans le titre VII, chapitre VIII, section V, sous-section
première, du même Code, un article 415/1 est inséré,
rédigé comme suit:
“Art. 415/1. Lorsqu’en application de l’article 375/1,
un dégrèvement est accordé et que le montant des
pertes professionnelles qui entre en considération pour
la déduction des pertes antérieures en application de
l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4, est modifié, un
intérêt de retard est dû, par dérogation aux articles 414
et 415, sur la partie de l’impôt qui est liée à la modifica-
tion du montant des pertes professionnelles portées en
déduction, calculé conformément à l’article 414, § 1er, à
compter du premier jour du mois qui suit le mois durant
lequel le dégrèvement a été accordé.”.
Art. 92
Dans l’article 419, alinéa 1er, du même Code, rem-
placé par la loi du 15 mars 1999 et modifié par les
arrêtés royaux des 20 juillet 2000 et 13 juillet 2001 et
par la loi du 25 décembre 2017, il est inséré un 3°/1,
rédigé comme suit:
“4°/1 dans le cas d’un remboursement d’impôt en
application de l’article 375/1;”.
Art. 93
A l’article 443ter du même Code, inséré par la loi
du 26 mars 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots “à
l’article 376” sont remplacés par les mots “aux ar-
ticles 375/1 et 376“;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “demande
de dégrèvement d’office visée à l’article 376” sont rem-
placés par les mots “demande de dégrèvement visée
aux articles 375/1 et 376“.
Art. 94
La présente partie entre en vigueur le 1er janvier 2019.
Les articles 82, 83 et 84 s’appliquent aux pertes pro-
fessionnelles qui sont imputables au dommage causé
aux cultures agricoles, provoqué par des conditions
météorologiques défavorables qui ont eu lieu à partir
du 1er janvier 2018.
207
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
TITEL VI I
Overgangsbepalingen
Art. 95
De verwijzingen naar artikel 1:20 van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen, opgenomen
in de artikelen 8 en 22 van deze wet, moeten worden
gelezen als verwijzingen naar artikel 11 van het Wetboek
van vennootschappen
Art. 96
Artikel 95 is van toepassing zolang de wet tot in-
voering van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen en houdende diverse bepalingen niet in
werking is getreden.
Gegeven te Brussel, 14 december 2018
FILIP
VAN KONINGSWEGE:
De minister van Financiën,
Alexander DE CROO
TITRE VII
Dispositions transitoires
Art. 95
Les références à l’article 1:20 du Code des sociétés
et des associations reprises aux articles 8 et 22 de la
présente loi, doivent être lues comme des références
à l’article 11 du Code des sociétés.
Art. 96
L’article 95 est applicable tant que la loi introduisant
le Code des sociétés et des associations et portant des
dispositions diverses n’est pas entrée en vigueur.
Donné à Bruxelles, le 14 décembre 2018
PHILIPPE
PAR LE ROI:
Le ministre des Finances,
Alexander DE CROO
208
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1
Coördinatie van de artikelen
Basistekst
Basistekst aangepast aan het ontwerp
TITEL II – FISCALE BEPALINGEN
Hoofdstuk 1 – Eenheidsstatuut
Art. 67quater, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Winsten en baten worden van belasting
vrijgesteld tot beloop van een bepaald bedrag
aan bezoldigingen toegekend aan werknemers
die
bij
de
betrokken
belastingplichtige
minimaal 5 dienstjaren hebben na 1 januari
2014.
Winsten en baten worden van belasting
vrijgesteld tot beloop van een bepaald bedrag
aan bezoldigingen toegekend aan werknemers
die bij de betrokken belastingplichtige minimaal
5 dienstjaren hebben na 1 januari 2014.
Het vrij te stellen bedrag van de winsten of
baten bedraagt 3 weken bezoldiging per
begonnen dienstjaar vanaf het 6de dienstjaar
na 1 januari 2014. Vanaf het 21ste dienstjaar
na
1
januari
2014
bedraagt
de
belastingvrijstelling 1 week bezoldiging per
bijkomend begonnen dienstjaar.
Het voor het belastbaar tijdperk vrij te
stellen bedrag van de winsten en baten per
in het eerste lid bedoelde werknemer,
bedraagt:
-
drie weken bezoldiging, van het zesde
tot en met het twintigste door deze
werknemer begonnen dienstjaar na 1 januari
2014;
-
een
week
bezoldiging,
vanaf
het
eenentwintigste
door
deze
werknemer
begonnen dienstjaar na 1 januari 2014.
Het in het tweede lid bedoelde vrij te stellen
bedrag van de winsten en baten, dat in
voorkomend
geval
wordt
beperkt
bij
toepassing
van
het
vierde
lid,
wordt
gespreid over het belastbaar tijdperk en de
vier volgende belastbare tijdperken ten
belope van 20 pct. per belastbaar tijdperk.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na
overleg
in
de
Ministerraad,
een
maximumbedrag invoeren met betrekking tot
de bezoldiging als bedoeld in het tweede lid
waarop de vrijstelling wordt berekend. Hij zal
bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien
ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de
eerstvolgende
zitting,
een
wetsontwerp
indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering
van dit lid genomen besluiten.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na
overleg
in
de
Ministerraad,
een
maximumbedrag
van
bruto
maandbezoldiging per werknemer invoeren
met betrekking tot de bezoldiging als bedoeld in
het tweede lid waarop de vrijstelling wordt
berekend.
De
Koning
zal
bij
de
Kamer
van
volksvertegenwoordigers,
onmiddellijk
indien ze in zitting is, zo niet bij de opening
209
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2
van
de
eerstvolgende
zitting,
een
wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van
de in uitvoering van het vierde lid genomen
besluiten. Deze besluiten worden geacht
geen uitwerking te hebben gehad indien ze
niet bij wet zijn bekrachtigd binnen de twaalf
maanden
na
de
datum
van
hun
bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De
in
aanmerking
te
nemen
bruto
maandbezoldiging is de gemiddelde bruto
maandelijkse bezoldiging, voor inhouding
van
de
persoonlijke
sociale
zekerheidsbijdrage, berekend over het totaal
aantal maanden van het belastbaar tijdperk
waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd.
Om de wekelijkse bezoldiging te bepalen
wordt het maximumbedrag van de bruto
maandbezoldiging vermenigvuldigd met
drie en gedeeld door dertien.
Wanneer
de
betrokken
werknemer
de
onderneming verlaat, moet het totale voor
deze werknemer reeds vrijgestelde bedrag
worden opgenomen in de winsten en baten
van
het
belastbaar
tijdperk
waarin
de
tewerkstelling een einde neemt.
Wanneer
de
betrokken
werknemer
de
onderneming verlaat, moet het totale voor deze
werknemer reeds vrijgestelde bedrag worden
opgenomen in de winsten en baten van het
belastbaar tijdperk waarin de tewerkstelling
een einde neemt en kan het ingevolge de in
het derde lid bedoelde spreiding nog vrij te
stellen bedrag voor die werknemer niet meer
vrijgesteld worden.
Ten
aanzien
van
de
belastingplichtigen
betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de
artikelen 46 en 211, blijven de bepalingen van
dit
artikel
van
toepassing
alsof
die
verrichtingen niet hadden plaatsgevonden
Ten
aanzien
van
de
belastingplichtigen
betrokken bij verrichtingen als bedoeld in de
artikelen 46 en 211, blijven de bepalingen van
dit artikel van toepassing alsof die verrichtingen
niet hadden plaatsgevonden
De Koning regelt de wijze van uitvoering van
dit artikel
De Koning regelt de wijze van uitvoering van dit
artikel
Hoofdstuk 2 – ATAD –
Interestaftrekbeperking
Art. 35 van de wet van 25 december 2017
tot
hervorming
van
de
vennootschapsbelasting
In
titel
III,
hoofdstuk
II,
afdeling
III,
onderafdeling VII, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij artikel 33 wordt een artikel
194septies ingevoegd, luidende :
(Ingetrokken)
Art. 194septies. De winst wordt vrijgesteld ten
belope van de in artikel 205/5, § 3, vierde lid,
210
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
3
bedoelde vergoeding die in uitvoering van de
in artikel 205/5, § 3, bedoelde groepsbijdrage-
overeenkomst wordt verkregen in ruil voor de
opname van het bedrag van de groepsbijdrage
in de winst van het belastbaar tijdperk.
Art. 86 van de wet van 25 december 2017
tot
hervorming
van
de
vennootschapsbelasting
(…)
(…)
B1. De artikelen 3, 18, 1°, 2° en 4°, 20, 33, 35,
39, 5° en 9°, 44, 2° en 3°, 47, 48, 53, 2°, 53/1,
73 en 73/1 treden in werking op 1 januari 2019
en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2020
verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten
vroegste aanvangt op 1 januari 2019.
B1. De artikelen 3, 18, 1°, 2° en 4°, 20, 33, 34,
36, 39, 5° tot 15°, 40, 44, 2° en 3°, 47, 48, 53,
2°, 53/1, 73 en 73/1 treden in werking op 1
januari 2019 en zijn van toepassing vanaf
aanslagjaar
2020
verbonden
aan
een
belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt
op 1 januari 2019.
B2. De artikelen 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°,
18, 3°, 20/1, 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° en
6°, 31, 2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot
15°, 40, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, 55, 4°,
58, 61, 1°, 62 tot 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83
en 84 treden in werking op 1 januari 2020 en
zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2021
verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten
vroegste aanvangt op 1 januari 2020
B2. De artikelen 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18,
3°, 20/1, 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° en 6°, 31,
2°, 39, 2°en 4°, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°,
55, 4°, 58, 61, 1°, 62 tot 65, 67, 2°, 72, 75, 1°,
81, 83 en 84 treden in werking op 1 januari
2020 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar
2021 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat
ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020
(…).
(…).
Hoofdstuk 3 – Bezoldigingen ontvangen van
een buitenlandse vennootschap verbonden
met de werkgever
Afdeling 1 – Wijzigingen van het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 270, WIB 92
De bedrijfsvoorheffing is verschuldigd door :
De bedrijfsvoorheffing is verschuldigd door :
1° de in de artikelen 3, 179 of 220 vermelde
belastingplichtigen
die
als
schuldenaar,
bewaarder, mandataris of tussenpersoon in
België of in het buitenland in artikel 30, 1° en
2°,
bedoelde
bezoldigingen,
pensioenen,
renten en toelagen betalen of toekennen,
evenals de in artikel 227 vermelde niet-
inwoners voor wie de in artikel 30, 1° en 2°,
bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten
en toelagen die ze in België of in het
buitenland
betalen
of
toekennen,
1° de in de artikelen 3, 179 of 220 vermelde
belastingplichtigen
die
als
schuldenaar,
bewaarder, mandataris of tussenpersoon in
België of in het buitenland in artikel 30, 1° en
2°, bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten
en toelagen betalen of toekennen, evenals de
in artikel 227 vermelde niet-inwoners voor wie
de
in
artikel
30,
1°
en
2°,
bedoelde
bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen
die ze in België of in het buitenland betalen of
toekennen, beroepskosten zijn in de zin van
211
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
4
beroepskosten zijn in de zin van artikel 237 ;
artikel 237 ;
2° degenen die in België diensten bezigen van
personen
verbonden
door
een
arbeidsovereenkomst, van wie de bezoldiging
geheel of hoofdzakelijk bestaat uit door de
cliënteel betaalde fooien of dienstpercenten ;
2° degenen die in België diensten bezigen van
personen
verbonden
door
een
arbeidsovereenkomst, van wie de bezoldiging
geheel of hoofdzakelijk bestaat uit door de
cliënteel betaalde fooien of dienstpercenten ;
3° degenen die als schuldenaar, bewaarder,
mandataris of tussenpersoon in artikel 228, §
2,
8°,
vermelde
inkomsten
van
podiumkunstenaars
of
sportbeoefenaars
betalen of toekennen of bij ontstentenis
daarvan de organisator van de vertoningen of
van de sportwedstrijden ;
3° degenen die als schuldenaar, bewaarder,
mandataris of tussenpersoon in artikel 228, § 2,
8°,
vermelde
inkomsten
van
podiumkunstenaars
of
sportbeoefenaars
betalen of toekennen of bij ontstentenis
daarvan de organisator van de vertoningen of
van de sportwedstrijden ;
4° degene die door de leden van een in artikel
229, § 3, vermelde vennootschap of vereniging
wordt aangesteld om hen in belastingzaken te
vertegenwoordigen,
of
bij
ontstentenis
daarvan, elk van de hoofdelijk aansprakelijke
vennoten of leden ;
4° degene die door de leden van een in artikel
229, § 3, vermelde vennootschap of vereniging
wordt aangesteld om hen in belastingzaken te
vertegenwoordigen, of bij ontstentenis daarvan,
elk van de hoofdelijk aansprakelijke vennoten of
leden ;
5° degenen die krachtens artikel 35 van het
Wetboek
der
registratie-,
hypotheek-
en
griffierechten
verplicht
zijn
de
akten
of
verklaringen ter registratie aan te bieden
wanneer het akten of verklaringen betreft
waarbij de overdracht onder bezwarende titel
is
vastgesteld
van
in
België
gelegen
onroerende goederen of zakelijke rechten met
betrekking tot die goederen door een in artikel
227, 1° of 2°, vermelde belasting-plichtige ;
5° degenen die krachtens artikel 35 van het
Wetboek
der
registratie-,
hypotheek-
en
griffierechten
verplicht
zijn
de
akten
of
verklaringen ter registratie aan te bieden
wanneer het akten of verklaringen betreft
waarbij de overdracht onder bezwarende titel is
vastgesteld van in België gelegen onroerende
goederen of zakelijke rechten met betrekking
tot die goederen door een in artikel 227, 1° of
2°, vermelde belasting-plichtige ;
6°
diegenen
die
als
curatoren
in
faillissementen, vereffenaars van gerechtelijke
akkoorden, vereffenaars van vennootschappen
of als personen die gelijkaardige functies
uitoefenen,
schuldvorderingen
hebben
te
honoreren
met
de
hoedanigheid
van
bezoldigingen als bedoeld in artikel 30 ;
6° diegenen die als curatoren in faillissementen,
vereffenaars
van
gerechtelijke
akkoorden,
vereffenaars van vennootschappen of als
personen die gelijkaardige functies uitoefenen,
schuldvorderingen hebben te honoreren met de
hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in
artikel 30 ;
7° degenen die als schuldenaar, bewaarder,
mandataris of tussenpersoon in artikel 228, §
3, vermelde inkomsten betalen of toekennen.
7° degenen die als schuldenaar, bewaarder,
mandataris of tussenpersoon in artikel 228, § 3,
vermelde inkomsten betalen of toekennen.
Voor
de
toepassing
van
de
bedrijfsvoorheffing worden:
a) de in artikel 179 of 220 bedoelde
belastingplichtige geacht de in artikel 30, 1°
en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen
die een begunstigde ontvangt van een
buitenlandse vennootschap die met de
belastingplichtige verbonden is in de zin
van artikel 1:20 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen wegens
212
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
5
of naar aanleiding van de beroepsactiviteit
van de begunstigde ten behoeve van de
belastingplichtige;
b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde
belastingplichtige geacht de in artikel 30, 1°
en 2°, bedoelde bezoldigingen toe te kennen
die een begunstigde ontvangt van een
buitenlandse vennootschap die met de
belastingplichtige verbonden is in de zin
van artikel 1:20 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen wegens
of naar aanleiding van de beroepsactiviteit
van de begunstigde ten behoeve van de
belastingplichtige
waarvoor
de
belastingplichtige
in
België
of
in
het
buitenland in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde
bezoldigingen
betaalt
of
toekent
die
beroepskosten zijn in de zin van artikel 237.
Art. 272, WIB 92
Behoudens strijdig beding :
Behoudens strijdig beding :
1° hebben de in artikel 270, 1°, 3°, 6° en 7°,
vermelde belastingschuldigen het recht op de
belastbare
inkomsten
de
desbetreffende
voorheffing in te houden ;
1° hebben de in artikel 270, eerste lid, 1°, 3°,
6° en 7°, vermelde belastingschuldigen het
recht
op
de
belastbare
inkomsten
de
desbetreffende voorheffing in te houden ;
2° hebben de in artikel 270, 2° vermelde
belastingschuldigen het recht zich het bedrag
van de voorheffing, verschuldigd wegens
fooien of dienstpercenten, bij voorbaat te doen
overhandigen.
2° hebben de in artikel 270, eerste lid, 2°
vermelde belastingschuldigen het recht zich het
bedrag
van
de
voorheffing,
verschuldigd
wegens fooien of dienstpercenten, bij voorbaat
te doen overhandigen;
3°
hebben
de
belastingschuldigen
overeenkomstig artikel 270, tweede lid, het
recht op het geheel van de belastbare
inkomsten waarvan zij schuldenaar zijn de
voorheffing in te houden.
Ondanks elk strijdig beding moeten de in
artikel 270, 5°, vermelde belastingschuldigen
de desbetreffende voorheffing inhouden op de
meerwaarden die begrepen zijn in de in artikel
228, § 2, 3°, a en 4° vermelde winst of baten.
Ondanks elk strijdig beding moeten de in
artikel
270,
eerste
lid,
5°,
vermelde
belastingschuldigen
de
desbetreffende
voorheffing inhouden op de meerwaarden die
begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a en
4° vermelde winst of baten.
Art. 2751, eerste lid, WIB 92
De in het tweede lid omschreven werkgevers
die bezoldigingen betalen of toekennen die
betrekking hebben op door de werknemer
gepresteerd overwerk, en die krachtens artikel
De in het tweede lid omschreven werkgevers
die bezoldigingen betalen of toekennen die
betrekking hebben op door de werknemer
gepresteerd overwerk, en die krachtens artikel
213
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
6
270,
1°,
schuldenaar
zijn
van
de
bedrijfsvoorheffing
op
die
bezoldigingen,
worden ervan vrijgesteld een deel van de
bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de
belastbare
bezoldigingen
waarin
de
bezoldigingen zijn begrepen die betrekking
hebben op door de werknemer gepresteerd
overwerk, in de Schatkist te storten, op
voorwaarde dat de genoemde voorheffing
volledig
op
die
bezoldigingen
wordt
ingehouden.
270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de
bedrijfsvoorheffing
op
die
bezoldigingen,
worden ervan vrijgesteld een deel van de
bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de
belastbare
bezoldigingen
waarin
de
bezoldigingen zijn begrepen die betrekking
hebben op door de werknemer gepresteerd
overwerk, in de Schatkist te storten, op
voorwaarde dat de genoemde voorheffing
volledig
op
die
bezoldigingen
wordt
ingehouden.
Art. 2752, § 1, WIB 92
§ 1. Dit artikel is van toepassing op de
werkgevers die behoren tot de koopvaardij-, de
bagger- en de sleepvaartsector en die in
toepassing van artikel 270, 1°, schuldenaar
zijn van bedrijfsvoorheffing.
§ 1. Dit artikel is van toepassing op de
werkgevers die behoren tot de koopvaardij-, de
bagger- en de sleepvaartsector en die in
toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°,
schuldenaar zijn van bedrijfsvoorheffing.
Art. 2753, § 1, eerste lid, WIB 92
§ 1. De universiteiten en hogescholen die
bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan
assistent-onderzoekers
en
het
"Federaal
Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek -
Fonds fédéral de la Recherche scientifique -
FFWO/FFRS",
het
"Fonds
voor
Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen –
FWO",
het
"Fonds
de
la
Recherche
scientifique
-
FNRS
-
FRS-FNRS"
die
bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan
postdoctorale onderzoekers en die krachtens
artikel 270, 1°, bedrijfsvoorheffing op die
bezoldigingen
verschuldigd
zijn,
worden
vrijgesteld van het storten aan de Schatkist,
van 80 pct. van die bedrijfsvoorheffing, op
voorwaarde dat ze op die bezoldigingen 100
pct. van die bedrijfsvoorheffing inhouden. De in
dit lid bedoelde instellingen wenden de
sommen die zij krachtens dit artikel niet
moeten doorstorten, niet aan ter financiering
van het onderzoek dat de vrijstelling van de
doorstortingsverplichting heeft doen ontstaan.
§ 1. De universiteiten en hogescholen die
bezoldigingen uitbetalen of toekennen aan
assistent-onderzoekers en het "Federaal Fonds
voor Wetenschappelijk Onderzoek - Fonds
fédéral
de
la
Recherche
scientifique
-
FFWO/FFRS",
het
"Fonds
voor
Wetenschappelijk
Onderzoek-Vlaanderen
–
FWO", het "Fonds de la Recherche scientifique
- FNRS - FRS-FNRS" die bezoldigingen
uitbetalen of toekennen aan postdoctorale
onderzoekers en die krachtens artikel 270,
eerste lid, 1°, bedrijfsvoorheffing op die
bezoldigingen
verschuldigd
zijn,
worden
vrijgesteld van het storten aan de Schatkist, van
80
pct.
van
die
bedrijfsvoorheffing,
op
voorwaarde dat ze op die bezoldigingen 100
pct. van die bedrijfsvoorheffing inhouden. De in
dit
lid
bedoelde
instellingen
wenden
de
sommen die zij krachtens dit artikel niet moeten
doorstorten, niet aan ter financiering van het
onderzoek
dat
de
vrijstelling
van
de
doorstortingsverplichting heeft doen ontstaan.
Art. 2754, § 1, eerste lid, WIB 92
§ 1. Dit artikel is van toepassing op de
werkgevers die behoren tot de sector van de
zeevisserij en die, bij toepassing van artikel
270,
1°,
schuldenaar
zijn
van
de
bedrijfsvoorheffing ingevolge de in artikel 273,
§ 1. Dit artikel is van toepassing op de
werkgevers die behoren tot de sector van de
zeevisserij en die, bij toepassing van artikel
270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de
bedrijfsvoorheffing ingevolge de in artikel 273,
214
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
7
1°, bedoelde betaling of toekenning van
belastbare bezoldigingen aan werknemers die
zijn tewerkgesteld aan boord van een in een
lidstaat van de Europese Unie geregistreerd
schip waarvoor een zeebrief kan worden
voorgelegd.
Dit
artikel
is
slechts
van
toepassing op de overeenkomstig artikel 272
ingehouden bedrijfsvoorheffing.
1°, bedoelde betaling of toekenning van
belastbare bezoldigingen aan werknemers die
zijn tewerkgesteld aan boord van een in een
lidstaat van de Europese Unie geregistreerd
schip waarvoor een zeebrief kan worden
voorgelegd. Dit artikel is slechts van toepassing
op de overeenkomstig artikel 272 ingehouden
bedrijfsvoorheffing.
Art. 2755, § 1, eerste lid, WIB 92
§ 1. De ondernemingen waarin ploegen-arbeid
of
nachtarbeid
wordt
verricht,
die
een
ploegenpremie betalen of toekennen en die
krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van
de bedrijfsvoorheffing op die premie, worden
ervan
vrijgesteld
een
bedrag
aan
bedrijfsvoorheffing gelijk aan 22,8 pct. van het
totaal van de belastbare bezoldigingen van al
de werknemers op wie deze paragraaf van
toepassing
is
samen
waarin
die
ploegenpremies zijn begrepen, in de Schatkist
te storten, op voorwaarde dat de genoemde
voorheffing volledig op die bezoldigingen en
premies wordt ingehouden.
§ 1. De ondernemingen waarin ploegen-arbeid
of
nachtarbeid
wordt
verricht,
die
een
ploegenpremie betalen of toekennen en die
krachtens
artikel
270,
eerste
lid,
1°,
schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op
die premie, worden ervan vrijgesteld een
bedrag aan bedrijfsvoorheffing gelijk aan 22,8
pct.
van
het
totaal
van
de
belastbare
bezoldigingen van al de werknemers op wie
deze paragraaf van toepassing is samen waarin
die ploegenpremies zijn begrepen, in de
Schatkist te storten, op voorwaarde dat de
genoemde
voorheffing
volledig
op
die
bezoldigingen en premies wordt ingehouden.
Art. 2756, WIB 92
De schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing
bedoeld in artikel 270, 1°, die bezoldigingen
als bedoeld in artikel 30, 1°, betalen of
toekennen aan sportbeoefenaars die op 1
januari van het jaar dat volgt op dat waarin de
vrijstelling wordt gevraagd, niet de leeftijd van
26
jaar
hebben
bereikt,
worden
ervan
vrijgesteld 70 pct. van die bedrijfsvoorheffing in
de Schatkist te storten.
De schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing
bedoeld in artikel 270, eerste lid, 1°, die
bezoldigingen als bedoeld in artikel 30, 1°,
betalen of toekennen aan sportbeoefenaars die
op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin
de vrijstelling wordt gevraagd, niet de leeftijd
van 26 jaar hebben bereikt, worden ervan
vrijgesteld 70 pct. van die bedrijfsvoorheffing in
de Schatkist te storten.
(…)
(…)
Dit artikel is eveneens van toepassing op de
schuldenaars
van
de
bedrijfsvoorheffing
bedoeld in artikel 270, 3°, die bezoldigingen
als bedoeld in artikel 232, eerste lid, 2°, c,
rechtstreeks
betalen
of
toekennen
aan
sportbeoefenaars.
Dit artikel is eveneens van toepassing op de
schuldenaars
van
de
bedrijfsvoorheffing
bedoeld in artikel 270, eerste lid, 3°, die
bezoldigingen als bedoeld in artikel 232, eerste
lid, 2°, c, rechtstreeks betalen of toekennen aan
sportbeoefenaars.
Art. 2757, eerste lid, WIB 92
De in het tweede lid omschreven werkgevers
die bezoldigingen betalen of toekennen en die
krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van
De in het tweede lid omschreven werkgevers
die bezoldigingen betalen of toekennen en die
krachtens
artikel
270,
eerste
lid,
1°,
215
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
8
de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen,
worden ervan vrijgesteld een deel van die
bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten,
op voorwaarde dat de genoemde voorheffing
volledig
op
die
bezoldigingen
wordt
ingehouden.
schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op
die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een
deel van die bedrijfsvoorheffing in de Schatkist
te storten, op voorwaarde dat de genoemde
voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt
ingehouden.
Art. 2758, § 1, eerste lid, WIB 92
§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in
§ 3 bedoelde investering verrichten in een
inrichting gelegen in een steunzone die is
opgenomen in het door de Koning genomen
besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet
van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het
pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en
relance, die op geldige wijze een formulier als
bedoeld in § 5 hebben overgelegd, die
bezoldigingen betalen of toekennen, en die
krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van
de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen,
worden tijdelijk vrijgesteld 25 pct. van de
bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de
in § 4 bedoelde bezoldigingen in de Schatkist
te storten, op voorwaarde dat de genoemde
voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt
ingehouden.
§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in §
3 bedoelde investering verrichten in een
inrichting gelegen in een steunzone die is
opgenomen in het door de Koning genomen
besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet
van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het
pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en
relance, die op geldige wijze een formulier als
bedoeld in § 5 hebben overgelegd, die
bezoldigingen betalen of toekennen, en die
krachtens
artikel
270,
eerste
lid,
1°,
schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op
deze bezoldigingen, worden tijdelijk vrijgesteld
25 pct. van de bedrijfsvoorheffing die betrekking
heeft op de in § 4 bedoelde bezoldigingen in de
Schatkist te storten, op voorwaarde dat de
genoemde
voorheffing
volledig
op
die
bezoldigingen wordt ingehouden.
Art. 2759, § 1, eerste lid, WIB 92
§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in
§ 3 bedoelde investering verrichten in een
inrichting, gelegen in een steunzone die is
opgenomen in de A groep van het door de
Koning genomen besluit ter uitvoering van
artikel 16 van de wet van 15 mei 2014
houdende uitvoering van het pact voor
competitiviteit, werkgelegenheid en relance,
die op geldige wijze een formulier als bedoeld
in artikel 2758, § 5, hebben overgelegd, die
bezoldigingen betalen of toekennen, en die
krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van
de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen
worden ervan tijdelijk vrijgesteld 25 pct. van de
bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de
in artikel 2758, § 4, bedoelde bezoldigingen in
de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de
genoemde
voorheffing
volledig
op
die
bezoldigingen wordt ingehouden.
§ 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in §
3 bedoelde investering verrichten in een
inrichting, gelegen in een steunzone die is
opgenomen in de A groep van het door de
Koning genomen besluit ter uitvoering van
artikel 16 van de wet van 15 mei 2014
houdende
uitvoering
van
het
pact
voor
competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die
op geldige wijze een formulier als bedoeld in
artikel 2758, § 5, hebben overgelegd, die
bezoldigingen betalen of toekennen, en die
krachtens
artikel
270,
eerste
lid,
1°,
schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op
die
bezoldigingen
worden
ervan
tijdelijk
vrijgesteld 25 pct. van de bedrijfsvoorheffing die
betrekking heeft op de in artikel 2758, § 4,
bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te
storten, op voorwaarde dat de genoemde
voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt
ingehouden.
216
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
9
Art. 27510, eerste lid, WIB 92
De in het tweede lid omschreven werkgevers
die bezoldigingen van werknemers betalen of
toekennen en die krachtens artikel 270, 1°,
schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op
deze bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld
10 pct. van die bedrijfsvoorheffing in de
Schatkist te storten, op voorwaarde dat de
genoemde
voorheffing
volledig
op
die
bezoldigingen wordt ingehouden.
De in het tweede lid omschreven werkgevers
die bezoldigingen van werknemers betalen of
toekennen en die krachtens artikel 270,
eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de
bedrijfsvoorheffing
op
deze
bezoldigingen,
worden ervan vrijgesteld 10 pct. van die
bedrijfsvoorheffing in de Schatkist te storten, op
voorwaarde dat de genoemde voorheffing
volledig
op
die
bezoldigingen
wordt
ingehouden.
Art. 27511, eerste lid, WIB 92
De werkgevers die aan jonge werknemers
forfaitaire toeslagen als bedoeld in artikel
33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999
ter bevordering van de werkgelegenheid
betalen of toekennen, en die krachtens artikel
270,
1°,
schuldenaar
zijn
van
de
bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen die ze
aan de betrokken jonge werknemers betalen of
toekennen, worden ervan vrijgesteld een deel
van
de
bedrijfsvoorheffing
die
ze
na
toepassing van de artikelen 2751 tot 27510
verschuldigd zijn, in de Schatkist te storten.
De werkgevers die aan jonge werknemers
forfaitaire toeslagen als bedoeld in artikel 33bis,
§ 4, van de wet van 24 december 1999 ter
bevordering van de werkgelegenheid betalen of
toekennen, en die krachtens artikel 270,
eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de
bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen die ze
aan de betrokken jonge werknemers betalen of
toekennen, worden ervan vrijgesteld een deel
van de bedrijfsvoorheffing die ze na toepassing
van de artikelen 2751 tot 27510 verschuldigd
zijn, in de Schatkist te storten.
Art. 412bis, WIB 92
In afwijking van artikel 412, tweede lid, is de
bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in
artikel 272, tweede lid, vermelde meerwaarden
betaalbaar bij de registratie van de in artikel
270, 5°, vermelde akten of verklaringen.
In afwijking van artikel 412, tweede lid, is de
bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in
artikel 272, tweede lid, vermelde meerwaarden
betaalbaar bij de registratie van de in artikel
270, eerste lid, 5°, vermelde akten of
verklaringen.
De Koning bepaalt de uitvoerings-modaliteiten
van dit artikel.
De Koning bepaalt de uitvoerings-modaliteiten
van dit artikel.
Afdeling
2
–
Verplichting
tijdens
overgangsperiode voor de inkomsten van
het belastbaar tijdperk 2018
TITEL III – FRAUDEBESTRIJDING
Hoofdstuk
1
–
Wijzigingen
inzake
217
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
10
inkomstenbelastingen
Afdeling 1. – Gegevensuitwisseling met
derde landen
Art. 338ter, WIB 92 (nieuw)
Teneinde de gegevens bedoeld in artikel 338,
§
24/1,
te
kunnen
overmaken
aan
de
bevoegde buitenlandse autoriteiten en de
bevoegde autoriteiten van derde landen,
binnen de juridische grondslag die de
uitwisseling van informatie tussen België en
het derde land regelt, kunnen de voormelde
gegevens
door
de
Belgische
bevoegde
autoriteit conform artikel 30, tweede lid en
artikel 31, zevende lid van de Richtlijn
2015/849/EU zonder enige beperking bij de
volgens
voormelde
Richtlijn
meldingsplichtige
entiteiten
worden
opgevraagd, die ze binnen een maand na het
verzoek dienen te bezorgen aan de Belgische
bevoegde autoriteit.
Afdeling 2 - Juridische constructies
Art. 333, WIB 92
Onverminderd de bevoegdheden die haar bij
de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, kan
de administratie de in dit hoofdstuk bedoelde
onderzoekingen verrichten en belastingen of
aanvullende aanslagen eventueel vestigen,
zelfs
wanneer
de
aangifte
van
de
belastingplichtige reeds werd aangenomen en
de desbetreffende belastingen reeds werden
betaald.
Onverminderd de bevoegdheden die haar bij de
artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, kan de
administratie de in dit hoofdstuk bedoelde
onderzoekingen verrichten en belastingen of
aanvullende aanslagen eventueel vestigen, zelfs
wanneer de aangifte van de belastingplichtige
reeds werd aangenomen en de desbetreffende
belastingen reeds werden betaald.
Bedoelde onderzoekingen mogen zonder
voorafgaande kennisgeving worden verricht
gedurende het belastbaar tijdperk evenals in
de termijn bedoeld in artikel 354, eerste lid en
in de termijn bedoeld in artikel 354, vierde lid.
Bedoelde
onderzoekingen
mogen
zonder
voorafgaande
kennisgeving
worden
verricht
gedurende het belastbaar tijdperk evenals in de
termijn bedoeld in artikel 354, eerste lid en in de
termijn bedoeld in artikel 354, vijfde lid.
Zij
mogen
bovendien
worden
verricht
gedurende de in artikel 354, tweede lid,
bedoelde aanvullende termijn van vier jaar, op
voorwaarde
dat
de
administratie
de
belastingplichtige vooraf schriftelijk en op
nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van
de aanwijzingen inzake belastingontduiking
Zij mogen bovendien worden verricht gedurende
de in artikel 354, tweede en derde lid,
bedoelde
aanvullende
termijn
van
respectievelijk
vier
en
zeven
jaar,
op
voorwaarde
dat
de
administratie
de
belastingplichtige
vooraf
schriftelijk
en
op
nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de
218
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
11
die te zijnen aanzien bestaan voor het
bedoeld
tijdperk.
Die
voorafgaande
kennisgeving is voorgeschreven op straffe van
nietigheid van de aanslag. Wanneer de
onderzoekingen uitgevoerd worden op vraag
van
een
Staat
waarmee
België
een
overeenkomst tot voorkoming van dubbele
belasting heeft gesloten, of waarmee België
een
akkoord
heeft gesloten
inzake de
uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot
belastingaangelegenheden, of die samen met
België deelneemt aan een ander bilateraal of
multilateraal gesloten juridisch instrument, op
voorwaarde dat deze overeenkomst, dit
akkoord
of
dit
juridisch
instrument
de
uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot
belastingaangelegenheden
tussen
de
akkoordsluitende
Staten
mogelijk
maakt,
wordt, de onderzoekstermijn, uitsluitend met
het oog op het beantwoorden van de
voormelde
vraag,
zonder
voorafgaande
kennisgeving verlengd met de aanvullende
termijn van vier jaar.
aanwijzingen inzake belastingontduiking die te
zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk.
Die
voorafgaande
kennisgeving
is
voorgeschreven op straffe van nietigheid van de
aanslag. Wanneer de onderzoekingen uitgevoerd
worden op vraag van een Staat waarmee België
een overeenkomst tot voorkoming van dubbele
belasting heeft gesloten, of waarmee België een
akkoord heeft gesloten inzake de uitwisseling
van
inlichtingen
met
betrekking
tot
belastingaangelegenheden, of die samen met
België deelneemt aan een ander bilateraal of
multilateraal gesloten juridisch instrument, op
voorwaarde dat deze overeenkomst, dit akkoord
of dit juridisch instrument de uitwisseling van
inlichtingen
met
betrekking
tot
belastingaangelegenheden
tussen
de
akkoordsluitende Staten mogelijk maakt, wordt,
de onderzoekstermijn, uitsluitend met het oog op
het beantwoorden van de voormelde vraag,
zonder voorafgaande kennisgeving verlengd met
de hierboven bedoelde aanvullende termijn
van respectievelijk vier en zeven jaar.
Indien de bijlage bij de aangifte in de
inkomstenbelastingen bedoeld in de artikelen
2758, § 1, vierde lid, en 2759, § 1, vierde lid,
binnen de termijn bedoeld in het tweede lid,
onderzocht
wordt,
mogen
deze
onderzoekingen betrekking hebben op de
belastbare
tijdperken
waarbinnen
de
arbeidsplaats geacht wordt behouden te zijn
gebleven zoals bedoeld in de artikelen 2758, §
1, vierde lid, en 2759, § 1, vierde lid, zonder
dat hiervoor een voorafgaande kennisgeving
vereist is.
Indien
de
bijlage
bij
de
aangifte
in
de
inkomstenbelastingen bedoeld in de artikelen
2758, § 1, vierde lid, en 2759, § 1, vierde lid,
binnen de termijn bedoeld in het tweede lid,
onderzocht wordt, mogen deze onderzoekingen
betrekking hebben op de belastbare tijdperken
waarbinnen de arbeidsplaats geacht wordt
behouden te zijn gebleven zoals bedoeld in de
artikelen 2758, § 1, vierde lid, en 2759, § 1, vierde
lid, zonder dat hiervoor een voorafgaande
kennisgeving vereist is.
Art. 354, WIB 92
Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van
aangifte,
of
wanneer
de
verschuldigde
belasting hoger is dan de belasting met
betrekking tot de belastbare inkomsten en de
andere gegevens vermeld in de daartoe
bestemde rubrieken van een aangifteformulier
dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten,
gesteld bij de artikelen 307 tot 311, mag de
belasting of de aanvullende belasting, in
afwijking van artikel 359, worden gevestigd
gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het
jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd
waar voor de belasting is verschuldigd.
Wanneer
voor
de
toepassing
van
de
vennootschapsbelasting en van de belasting
van niet-inwoners die overeenkomstig de
artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de
belastingplichtige anders dan per kalenderjaar
Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van
aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting
hoger is dan de belasting met betrekking tot de
belastbare inkomsten en de andere gegevens
vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van
een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm-
en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307
tot 311, mag de belasting of de aanvullende
belasting, in afwijking van artikel 359, worden
gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari
van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt
genoemd waar voor de belasting is verschuldigd.
Wanneer
voor
de
toepassing
van
de
vennootschapsbelasting en van de belasting van
niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen
233 en 248 wordt gevestigd, de belastingplichtige
anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt de
termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde
219
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
12
boekhoudt, wordt de termijn van drie jaar
verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke
is verlopen tussen 1 januari van het jaar
waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en
de datum van afsluiting van het boekjaar in de
loop van hetzelfde jaar.
tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari
van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt
genoemd en de datum van afsluiting van het
boekjaar in de loop van hetzelfde jaar.
Deze termijn wordt met vier jaar verlengd in
geval van inbreuk op de bepalingen van dit
Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen
besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met
het oogmerk te schaden.
Deze termijn wordt met vier jaar verlengd in
geval van inbreuk op de bepalingen van dit
Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen
besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met
het oogmerk te schaden.
Wanneer in een land opgenomen in de lijst
van staten zonder of met een lage belasting
bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, met
uitzondering van de landen waarmee een
overeenkomst ter voorkoming van dubbele
belasting werd gesloten en op voorwaarde
dat deze overeenkomst of enig verdrag in de
uitwisseling van inlichtingen voorziet die
nodig zijn om uitvoering te geven aan de
bepalingen van de nationale wetten van de
overeenkomstsluitende staten, gebruik wordt
gemaakt van juridische constructies die ertoe
strekken de herkomst of het bestaan van het
vermogen te verhullen, wordt de in het eerste
lid bedoelde termijn met zeven jaar verlengd
in geval van een inbreuk op de bepalingen
van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan
genomen besluiten.
De onroerende voorheffing, de administratieve
boete en, voor zover ze niet binnen de in
artikel 412 gestelde termijn zijn betaald, de
roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing
mogen eveneens worden gevestigd binnen de
termijn bepaald in de twee vorige leden.
De onroerende voorheffing, de administratieve
boete en, voor zover ze niet binnen de in artikel
412 gestelde termijn zijn betaald, de roerende
voorheffing en de bedrijfsvoorheffing mogen
eveneens worden gevestigd binnen de termijn
bepaald in de drie vorige leden.
Wanneer
de
belastingplichtige
of
de
echtgenoot op wiens goederen de aanslag
wordt ingevorderd, binnen de in het eerste lid
bedoelde termijn, overeenkomstig de artikelen
366
tot
371
een
bezwaarschrift
heeft
ingediend, wordt die termijn verlengd met een
tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen
tussen de datum van het indienen van het
bezwaarschrift en die van de beslissing van
de adviseur-generaal of de gedelegeerde
ambtenaar, zonder dat die verlenging meer
dan zes maanden mag bedragen.
Wanneer de belastingplichtige of de echtgenoot
op
wiens
goederen
de
aanslag
wordt
ingevorderd, binnen de in het eerste lid bedoelde
termijn, overeenkomstig de artikelen 366 tot 371
een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt die
termijn verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan
de tijd die is verlopen tussen de datum van het
indienen van het bezwaarschrift en die van de
beslissing van de adviseur-generaal of de
gedelegeerde
ambtenaar,
zonder
dat
die
verlenging
meer
dan
zes
maanden
mag
bedragen.
Afdeling 3 – Onderzoeksbevoegdheden
Art. 322, § 1, WIB 92
220
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
13
§ 1. De administratie mag, wat een bepaalde
belastingplichtige betreft, geschreven attesten
inzamelen, derden horen, een onderzoek
instellen, en binnen de door haar bepaalde
termijn, welke wegens wettige redenen kan
worden
verlengd,
van
natuurlijke
of
rechtspersonen,
alsook
van
verenigingen
zonder rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen
vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing
van de belasting te verzekeren.
§ 1. De administratie mag, wat een bepaalde
belastingplichtige betreft, geschreven attesten
inzamelen,
derden
horen,
een
onderzoek
instellen, en binnen de door haar bepaalde
termijn, welke wegens wettige redenen kan
worden
verlengd,
van
natuurlijke
of
rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder
rechtspersoonlijkheid alle inlichtingen vorderen
die zij nodig acht om de juiste heffing van de
belasting te verzekeren.
Het recht om derden te horen en om een
onderzoek in te stellen mag slechts worden
uitgeoefend door ambtenaren die minstens
de graad van financieel deskundige bezitten,
voorzien van hun aanstellingsbewijs en
belast met het verrichten van een controle of
een onderzoek betreffende de toepassing van
de inkomstenbelastingen.
De administratie mag wat een bepaalde
belastingplichtige betreft, het register van de
uiteindelijke begunstigden, genaamd UBO-
register, gehouden binnen de Algemene
Administratie van de Thesaurie en opgericht
bij artikel 73 van de wet van 18 september
2017 tot voorkoming van het witwassen van
geld en de financiering van terrorisme en tot
beperking van het gebruik van contanten,
raadplegen teneinde de juiste heffing van de
belasting te verzekeren. De Koning bepaalt de
voorwaarden
en
modaliteiten
van
deze
raadpleging.
De
administratie
mag
wat
een
bepaalde
belastingplichtige betreft, het register van de
uiteindelijke
begunstigden,
genaamd
UBO-
register,
gehouden
binnen
de
Algemene
Administratie van de Thesaurie en opgericht bij
artikel 73 van de wet van 18 september 2017 tot
voorkoming van het witwassen van geld en de
financiering van terrorisme en tot beperking van
het gebruik van contanten, raadplegen teneinde
de juiste heffing van de belasting te verzekeren.
De
Koning
bepaalt
de
voorwaarden
en
modaliteiten van deze raadpleging. Het recht om
het UBO-register te consulteren mag slechts
worden uitgeoefend door een ambtenaar met
een hogere titel dan die van attaché.
Nochtans mag het recht om derden te horen,
om het UBO-register te consulteren en om
een onderzoek in te stellen slechts worden
uitgeoefend door een ambtenaar met een
hogere titel dan die van attaché.
(Opgeheven)
Hoofdstuk 2 – Wijzigingen aan het
Wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde
Art. 93bis/1, BTW-Wetboek (nieuw)
In afwijking van artikel 4 van de wet van 11
april 1994 betreffende de openbaarheid van
bestuur, mogen de verzoeken om inlichtingen
221
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
14
van
buitenlandse
autoriteiten
en
de
antwoorden verstrekt aan die autoriteiten
evenals elke andere correspondentie tussen
de
bevoegde
autoriteiten
niet
openbaar
worden gemaakt zolang het onderzoek van de
buitenlandse autoriteit niet is afgesloten en
voor zover de openbaarmaking nadelig zou
zijn voor het voormelde onderzoek, tenzij de
buitenlandse
autoriteit
haar
uitdrukkelijk
akkoord
heeft
gegeven
voor
deze
openbaarmaking.
Het in het eerste lid bedoelde akkoord wordt
geacht
te
zijn
bekomen
wanneer
de
buitenlandse autoriteit niet reageert binnen
een termijn van 90 dagen te rekenen vanaf het
verzenden door de Belgische Staat van de
vraag tot inzage, en de informatie niet
verschaft dat de vertrouwelijkheid van de
uitgewisselde
gegevens
en
de
correspondentie volgens de voorwaarden van
dit artikel moet voortduren, wanneer de
persoon in wiens hoofde het onderzoek door
de
buitenlandse
Staat
wordt
gevoerd
uitdrukkelijk deze toegang aan de Belgische
Staat heeft gevraagd.
Hoofdstuk 3 – Wijzigingen aan de wet van
24 december 2002 tot wijziging van de
vennootschapsregeling inzake
inkomstenbelastingen en tot instelling van
een systeem van voorafgaande
beslissingen in fiscale zaken.
Art. 22, wet van 24 december 2002
Een voorafgaande beslissing kan niet worden
gegeven wanneer:
Een voorafgaande beslissing kan niet worden
gegeven wanneer:
1° de aanvraag betrekking heeft op situaties of
verrichtingen die identiek zijn aan die welke op
fiscaal vlak reeds gevolgen hebben ten name
van de aanvrager of op fiscaal vlak het
voorwerp uitmaken van een administratief
beroep of gerechtelijke handeling tussen de
Belgische Staat en de aanvrager;
1° de aanvraag betrekking heeft op situaties of
verrichtingen die identiek zijn aan die welke op
fiscaal vlak reeds gevolgen hebben ten name
van de aanvrager of op fiscaal vlak het voorwerp
uitmaken van een administratief beroep of
gerechtelijke handeling tussen de Belgische
Staat en de aanvrager;
2° het treffen van een voorafgaande beslissing
niet aangewezen is of zonder uitwerking is op
grond van de in de aanvraag aangevoerde
wettelijke of reglementaire bepalingen;
2° het treffen van een voorafgaande beslissing
niet aangewezen is of zonder uitwerking is op
grond van de in de aanvraag aangevoerde
wettelijke of reglementaire bepalingen;
222
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
15
3° de aanvraag betrekking heeft op elke
toepassing van een belastingwet betreffende
invordering en vervolgingen.
3° de aanvraag betrekking heeft op elke
toepassing van een belastingwet betreffende
invordering en vervolgingen.
De Koning bepaalt, bij een na overleg in de
Ministerraad vastgesteld besluit, de in het
eerste
lid,
2°
bedoelde
materies
en
bepalingen.
De Koning bepaalt, bij een na overleg in de
Ministerraad vastgesteld besluit, de in het eerste
lid, 2° bedoelde materies en bepalingen.
Inzake inkomstenbelastingen kan bovendien
geen
voorafgaande
beslissing
worden
gegeven wanneer :
Inzake inkomstenbelastingen kan bovendien
geen voorafgaande beslissing worden gegeven
wanneer :
1° bij het indienen van de aanvraag,
essentiële elementen van de beschreven
verrichting of situatie betrekking hebben op
een vluchtland dat niet samenwerkt met de
OESO;
1°
bij
het
indienen
van
de
aanvraag,
elementen van de beschreven verrichting of
situatie betrekking hebben op een vluchtland
dat niet samenwerkt met de OESO of op een
land opgenomen in de lijst van staten zonder
of met een lage belasting bedoeld in artikel
307, § 1/2, derde lid, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992 tenzij met dit land
een
overeenkomst
ter
voorkoming
van
dubbele belasting werd gesloten en op
voorwaarde dat deze overeenkomst of enig
verdrag in de uitwisseling van inlichtingen
voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven
aan de bepalingen van de nationale wetten
van de overeenkomstsluitende staten;”
2° de beschreven verrichting of situatie geen
economische substantie heeft in België.
2° de beschreven verrichting of situatie geen
economische substantie heeft in België.
Hoofdstuk 4 - De invordering
Afdeling 1 - Verplichting van de betaling in
euro door bepaalde administraties van de FOD
Financiën
Afdeling 2 - Wijzigingen van het Wetboek van
de belasting over de toegevoegde waarde, het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,
de programmawet (I) van 29 maart 2012 en het
burgerlijk Wetboek inzake het E-notariaat
Onderafdeling 1. Wetboek van de belasting over
de toegevoegde waarde
Art. 62, BTW-Wetboek
§ 1. Eenieder is gehouden, op ieder verzoek
van de ambtenaren van de administratie belast
Eenieder is gehouden, op ieder verzoek van de
ambtenaren van de administratie belast met de
223
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
16
met de belasting over de toegevoegde waarde,
mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te
verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde
de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde
of in hoofde van derden na te gaan.
belasting
over
de
toegevoegde
waarde,
mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te
verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde
de juiste heffing van de belasting in zijnen
hoofde of in hoofde van derden na te gaan.
§ 2. Iedere belastingplichtige of lid van een
BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, eigenaar
of houder van een zakelijk recht op een voor
hypotheek vatbaar goed, is gehouden, op verzoek
van de notaris die belast is met het opmaken van
de
akte
houdende
vervreemding
of
hypotheekstelling betreffende dat goed, aan deze
laatste zijn hoedanigheid van belastingplichtige of
lid van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, §
2, kenbaar te maken.
(opgeheven)
De
Minister
van
Financiën
regelt
de
toepassingsmodaliteiten van deze paragraaf.
Art. 66, BTW-Wetboek
Wanneer iemand die krachtens artikel 51, §§ 1, 2
of 4, schuldenaar is van de belasting, om welke
reden ook, in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°,
53ter, 1°, of 53nonies, § 1,bedoelde aangifte niet
heeft ingediend, geheel of ten dele in gebreke is
gebleven de door of ter uitvoering van dit
Wetboek voorgeschreven verplichtingen inzake
het houden, het uitreiken, het bewaren of het
voorleggen ter inzage van boeken of stukken na
te komen, of niet heeft geantwoord op de vraag
om inlichtingen bedoeld in artikel 62, § 1, kan
hem door of vanwege de Minister van Financiën
ambtshalve een aanslag worden opgelegd tot
beloop van de belasting die verschuldigd is over
het vermoedelijk bedrag van de handelingen die
hij heeft verricht gedurende de maand of de
maanden waarop de overtreding betrekking heeft.
Wanneer iemand die krachtens artikel 51, §§ 1, 2 of
4, schuldenaar is van de belasting, om welke reden
ook, in de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2°, 53ter, 1°,
of 53nonies, § 1,bedoelde aangifte niet heeft
ingediend, geheel of ten dele in gebreke is gebleven
de door of ter uitvoering van dit Wetboek
voorgeschreven verplichtingen inzake het houden,
het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter
inzage van boeken of stukken na te komen, of niet
heeft geantwoord op de vraag om inlichtingen
bedoeld in artikel 62 kan hem door of vanwege de
Minister van Financiën ambtshalve een aanslag
worden opgelegd tot beloop van de belasting die
verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de
handelingen die hij heeft verricht gedurende de
maand of de maanden waarop de overtreding
betrekking heeft.
Door of vanwege de Minister van Financiën kan
ook ambtshalve een aanslag worden opgelegd
aan de bovengenoemde persoon die belastbare
handelingen
niet
heeft
opgetekend
in
het
voorgeschreven boek of stuk, of die ten aanzien
van
dergelijke
handelingen
aan
de
medecontractant geen factuur heeft uitgereikt
wanneer hij daartoe gehouden was, of een
factuur heeft uitgereikt waarin de naam of het
adres van de bij de handeling betrokken partijen,
de aard of de hoeveelheid van de geleverde
goederen of verstrekte diensten, de prijs of het
toebehoren ervan, of het bedrag van de op de
handeling
verschuldigde
belasting
over
de
toegevoegde waarde niet juist zijn vermeld. In die
gevallen kan de ambtshalve opgelegde aanslag
betrekking hebben op het gehele gecontroleerde
Door of vanwege de Minister van Financiën kan ook
ambtshalve een aanslag worden opgelegd aan de
bovengenoemde
persoon
die
belastbare
handelingen
niet
heeft
opgetekend
in
het
voorgeschreven boek of stuk, of die ten aanzien van
dergelijke handelingen aan de medecontractant
geen factuur heeft uitgereikt wanneer hij daartoe
gehouden was, of een factuur heeft uitgereikt waarin
de naam of het adres van de bij de handeling
betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de
geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs
of het toebehoren ervan, of het bedrag van de op de
handeling
verschuldigde
belasting
over
de
toegevoegde waarde niet juist zijn vermeld. In die
gevallen kan de ambtshalve opgelegde aanslag
betrekking hebben op het gehele gecontroleerde
224
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
17
tijdvak.
tijdvak.
Een aanslag kan evenwel niet ambtshalve
worden opgelegd wanneer de in het vorige lid
bedoelde overtredingen als louter toevallig dienen
te worden aangemerkt, inzonderheid op grond
van het aantal en het belang van de handelingen
waarvoor geen regelmatige factuur is uitgereikt,
vergeleken met het aantal en het belang van de
handelingen waarvoor wel een regelmatige
factuur is uitgereikt.
Een aanslag kan evenwel niet ambtshalve worden
opgelegd wanneer de in het vorige lid bedoelde
overtredingen als louter toevallig dienen te worden
aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal
en het belang van de handelingen waarvoor geen
regelmatige factuur is uitgereikt, vergeleken met het
aantal en het belang van de handelingen waarvoor
wel een regelmatige factuur is uitgereikt.
Wanneer de aangifte te laat is ingediend doch
vóór de ambtshalve opgelegde aanslag, wordt de
belasting vastgesteld op grond van de aangifte,
voor zover de aangifte niet meer dan twaalf
maanden te laat is ingediend.
Wanneer de aangifte te laat is ingediend doch vóór
de ambtshalve opgelegde aanslag, wordt de
belasting vastgesteld op grond van de aangifte, voor
zover de aangifte niet meer dan twaalf maanden te
laat is ingediend.
Art. 93ter, BTW-Wetboek
§ 1. De notaris die verzocht wordt een akte op
te maken met betrekking tot het vervreemden of
het bezwaren met een hypotheek van een voor
hypotheek vatbaar goed, is gehouden aan de
eigenaar of vruchtgebruiker van dat goed of van
een gedeelte ervan te vragen of deze een
belastingplichtige of een lid van een BTW-
eenheid in de zin van artikel 4, § 2, is.
§ 1. De notaris die verzocht is om een akte op te
maken die de vervreemding of hypothecaire
aanwending van een voor hypotheek vatbaar
goed
tot
voorwerp
heeft,
is
persoonlijk
aansprakelijk voor de betaling van de belasting
over de toegevoegde waarde en bijbehoren die
tot een hypothecaire inschrijving aanleiding
kunnen geven, wanneer hij daarvan geen bericht
geeft aan:
Indien het antwoord bevestigend luidt, is de
notaris die verzocht wordt die akte op te maken
persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de
belasting over de toegevoegde waarde en
bijbehoren die tot een hypothecaire inschrijving
aanleiding kunnen geven, indien hij niet op de
hoogte stelt:
1° de dienst die daarvoor aangewezen is door
de Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of
de bevoegde overheid, en dit door middel van
een procedure waarbij informaticatechnieken
gebruikt worden;
1°
de
dienst
belast
met
informatie-
en
communicatietechnologie
van
de
Federale
Overheidsdienst Financiën, op elektronische
wijze;
2° de door de Koning aangewezen ambtenaar
wanneer het bericht omwille van overmacht of
een
technische
storing
niet
kan
worden
meegedeeld overeenkomstig de bepaling onder
1°. In dat geval moet het bericht in tweevoud
worden opgemaakt en bij ter post aangetekende
brief worden verzonden.
2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de
houder van een zakelijk recht op het goed dat het
voorwerp van de akte is, ressorteert, of de
ontvanger van de dienst die door de Koning
daarvoor is aangewezen, wanneer de eigenaar of
de houder van een zakelijk recht op het goed zijn
verblijfplaats in het buitenland heeft, wanneer het
bericht omwille van overmacht of een technische
storing
niet
kan
worden
meegedeeld
overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bericht
bij aangetekende brief verzonden.
Indien de akte waarvan sprake niet verleden Indien de akte waarvan sprake niet verleden
225
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
18
wordt binnen drie maanden te rekenen van de
verzending van het bericht, wordt het als niet
bestaande beschouwd.
wordt binnen drie maanden te rekenen van de
verzending van het bericht, wordt dit bericht als
niet bestaande beschouwd.
Wanneer
het
bericht
meegedeeld
is
overeenkomstig het tweede lid, 1°, wordt onder
de datum van verzending van het bericht verstaan
de datum van ontvangstmelding meegedeeld
door de dienst die daarvoor door de Minister van
Financiën, zijn gedelegeerde of de bevoegde
overheid is aangewezen.
§2. Wanneer het bericht meegedeeld is in
overeenstemming met paragraaf 1, eerste lid, 1°,
wordt onder de verzendingsdatum van het
bericht verstaan de datum van ontvangstmelding
meegedeeld
door
de
dienst
belast
met
informatie- en communicatietechnologie van de
Federale Overheidsdienst Financiën.
Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens
wordt verstuurd volgens de procedures voorzien
respectievelijk in het tweede lid, 1° en 2°, dan zal
het bericht opgesteld overeenkomstig het tweede
lid, 2°, slechts primeren indien de datum van
toezending de verzendingsdatum van het bericht
opgesteld overeenkomstig het tweede lid, 1°,
voorafgaat.
§ 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens
wordt verzonden overeenkomstig de procedures
voorzien respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid,
1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld
overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°,
slechts primeren wanneer de verzendingsdatum
ervan de verzendingsdatum van het bericht
opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste
lid, 1°, voorafgaat.
De Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of
de bevoegde overheid bepaalt de voorwaarden
en
de
toepassingsmodaliteiten
van
deze
paragraaf.
§
4.
De
Koning
bepaalt
de
praktische
toepassingsvoorwaarden van dit artikel.
§ 2. De notaris die verzocht wordt een akte op
te maken met betrekking tot het vervreemden of
het bezwaren met een hypotheek van een voor
hypotheek vatbaar goed, is gehouden aan de
verschijnende partijen lezing te geven van artikel
62, § 2, en van artikel 73. Op straffe van een
geldboete van 5 EUR moet uitdrukkelijke melding
van die voorlezing en van het antwoord van de
verschijnende
partijen
in
de
akte
worden
gemaakt.
§ 3. Indien de notaris nalaat de in § 1 bedoelde
vraag te stellen, is hij persoonlijk aansprakelijk
voor de betaling van de in die paragraaf beoogde
belasting over de toegevoegde waarde en
toebehoren.
Art. 93quater, BTW-Wetboek
Indien het belang van de Schatkist dit vereist,
wordt door de ambtenaar, die krachtens artikel
93ter door de Koning is aangewezen, aan de
notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde
werkdag volgend op de verzending van het in
artikel 93ter, § 1, bedoelde bericht, bij een ter
post aangetekende brief kennis gegeven van het
bedrag van de belasting over de toegevoegde
waarde en toebehoren die aanleiding kunnen
geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek
van de Schatkist op de goederen welke het
§ 1. Indien het belang van de Schatkist dit
vereist, geeft de bevoegde ontvanger aan de
notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde
werkdag volgend op de datum van de verzending
van het in artikel 93ter bedoelde bericht, kennis
van het bedrag van de belasting over de
toegevoegde
waarde
en
bijbehoren
dat
aanleiding kan geven tot inschrijving van de
wettelijke hypotheek van de Schatkist op het
goed dat het voorwerp van de akte is:
226
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
19
voorwerp van de akte zijn.
1° op elektronische wijze, volgens een door de
Koning bepaalde procedure;
2°
bij
aangetekende
brief,
wanneer
de
kennisgeving omwille van overmacht of een
technische storing niet kan worden meegedeeld
overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het
bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1, heeft
verzonden bij aangetekende brief.
§ 2. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld
overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de
datum van de verzending van de kennisgeving
de
datum
van
de
ontvangstbevestiging
meegedeeld door de dienst informatie- en
communicatietechnologie van de afzender van
het bericht bedoeld in artikel 93ter, § 1.
§
3.
Wanneer
eenzelfde
kennisgeving
achtereenvolgens
wordt
verzonden
overeenkomstig
de
procedures
voorzien
respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°,
dan
zal
de
kennisgeving
opgesteld
overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°,
slechts primeren wanneer de verzendingsdatum
ervan de verzendingsdatum van de kennisgeving
opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste
lid, 1°, voorafgaat.
Art. 93quinquies, BTW-Wetboek
§ 1. Wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte
verleden is, geldt de in artikel 93quater bedoelde
kennisgeving als beslag onder derden in handen
van de notaris op de bedragen en waarden die hij
krachtens de akte onder zich houdt voor rekening
of ten bate van de belastingschuldige en geldt als
verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642
van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen
waarin de notaris gehouden is de bedragen en
waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot
1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen,
voor zover de in artikel 85, § 1, voorgeschreven
kennisgeving werd verricht.
§ 1. Wanneer de in artikel 93ter bedoelde akte
verleden is, geldt de in artikel 93quater bedoelde
kennisgeving als beslag onder derden in handen
van de notaris op de bedragen en waarden die hij
krachtens de akte onder zich houdt voor
rekening of ten bate van de belastingschuldige
en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van
artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de
gevallen waarin de notaris gehouden is deze
bedragen
en
waarden
overeenkomstig
de
artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk
Wetboek te verdelen.
Onverminderd de rechten van derden, is de
notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel
93ter bedoelde akte verleden is, behoudens
toepassing van de artikelen 1639 tot 1654 van het
Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden
die hij krachtens de akte onder zich houdt voor
rekening of ten bate van de belastingschuldige,
uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het
verlijden van de akte, aan de krachtens artikel
93ter aangewezen ambtenaar te storten tot
Onverminderd de rechten van derden, is de
notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel
93ter
bedoelde
akte
verleden
is,
onder
voorbehoud van toepassing van de artikelen
1639 tot 1654 van het Gerechtelijk Wetboek, de
bedragen en waarden die hij krachtens de akte
onder zich houdt voor rekening of ten bate van
de
belastingschuldige,
uiterlijk
de
achtste
werkdag die volgt op het verlijden van de akte,
aan de ontvanger bedoeld in artikel 93quater te
227
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
20
beloop van het bedrag van de belasting over de
toegevoegde waarde en bijbehoren die hem ter
uitvoering van artikel 93ter ter kennis werden
gebracht en in zoverre deze belasting en
bijbehoren aanleiding hebben gegeven tot een
dwangbevel als bedoeld in artikel 85 waarvan de
tenuitvoerlegging niet werd gestuit door een in
artikel 89 bedoelde vordering in rechte.
storten tot beloop van het bedrag van de
belasting over de toegevoegde waarde en
bijbehoren dat hem ter uitvoering van artikel
93quater ter kennis werd gebracht en in zoverre
deze belasting en bijbehoren aanleiding hebben
gegeven tot een dwangbevel of zijn opgenomen
in
een
innings-en
invorderingsregister
als
bedoeld
in
artikel
85
waarvan
de
tenuitvoerlegging niet werd gestuit door een in
artikel 89 bedoelde vordering in rechte.
Daarenboven, indien de sommen en waarden
waarop onder derden beslag werd gelegd minder
bedragen dan het totaal van de sommen
verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers
en aan de verzetdoende schuldeisers, hieronder
begrepen de ontvangers, moet de notaris, op
straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het
overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op
het verlijden van de akte hierover inlichtingen
verstrekken aan :
Daarenboven, wanneer de aldus door beslag
onder derden getroffen sommen en waarden
minder bedragen dan het totaal van de sommen
verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers
en aan de verzetdoende schuldeisers, met
inbegrip van de ontvanger, moet de notaris, op
straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor
het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die
volgt op het verlijden van de akte hierover
informeren aan:
1° de dienst die daarvoor aangewezen is door
de Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of
de bevoegde overheid, en dit door middel van
een procedure waarbij informaticatechnieken
worden gebruikt;
1°
de
dienst
belast
met
informatie-
en
communicatietechnologie
van
de
Federale
Overheidsdienst Financiën, op elektronische
wijze;
2° de krachtens artikel 93ter aangewezen
ambtenaar bij een ter post aangetekende brief,
wanneer de notaris omwille van overmacht of een
technische storing de inlichtingen niet kan
verstrekken overeenkomstig de bepaling onder 1°
of wanneer hij voorafgaandelijk het bericht
bedoeld in artikel 93ter bij ter post aangetekende
brief heeft verstuurd.
2° de ontvanger bedoeld in artikel 93quater bij
aangetekende brief, wanneer de notaris omwille
van overmacht of een technische storing de
inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig
de bepaling onder 1° of wanneer hij het bericht
bedoeld in artikel 93ter, §1, bij aangetekende
brief heeft verzonden.
De datum van de inlichting is, naar gelang het
geval,
de
datum
van
ontvangstmelding
meegedeeld door de dienst die daarvoor door de
Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de
bevoegde overheid is aangewezen, of de datum
van neerlegging ter post van de aangetekende
brief.
De datum van de inlichting is, naar gelang het
geval,
de
datum
van
ontvangstmelding
meegedeeld
door
de
dienst
belast
met
informatie- en communicatietechnologie van de
Federale Overheidsdienst Financiën, of de datum
van verzending van de aangetekende.
§
2.
Wanneer
eenzelfde
bericht
achtereenvolgens wordt verstuurd volgens de
procedures voorzien respectievelijk in § 1, derde
lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld
overeenkomstig § 1, derde lid, 2°, slechts
primeren indien de datum van toezending de
verzendingsdatum van het bericht opgesteld
overeenkomstig § 1, derde lid, 1°, voorafgaat.
§
2.
Wanneer
eenzelfde
inlichting
achtereenvolgens
wordt
verzonden
overeenkomstig
de
procedures
voorzien
respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°,
dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren
wanneer
de
verzendingsdatum
ervan
de
verzendingsdatum van de inlichting opgesteld
overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 1°,
voorafgaat.
§ 3. Onverminderd de rechten van derden, kan § 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de
228
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
21
de overschrijving of de inschrijving van de akte
niet aan de Staat worden tegengeworpen indien
de inschrijving van de wettelijke hypotheek
geschiedt binnen acht werkdagen van de datum
van de inlichting bedoeld in § 1, vierde lid.
overschrijving of de inschrijving van de akte niet
aan de Staat worden tegengeworpen indien de
inschrijving
van
de
wettelijke
hypotheek
geschiedt binnen acht werkdagen van de datum
van de inlichting bedoeld in paragraaf 1, vierde
lid.
Zonder
uitwerking
ten
opzichte
van
de
schuldvorderingen inzake belasting over de
toegevoegde waarde en toebehoren, waarvoor de
in artikel 93quater bedoelde kennisgeving werd
gedaan,
zijn
alle
niet
ingeschreven
schuldvorderingen waarvoor slechts na het
verstrijken van de in § 1, derde lid, voorziene
termijn
wordt
beslag
gelegd
of
verzet
aangetekend.
Alle
niet-ingeschreven
schuldvorderingen
waarvoor slechts na het verstrijken van de in
paragraaf 1, derde lid, bepaalde termijn wordt
beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zonder
uitwerking
ten
opzichte
van
de
schuldvorderingen inzake belasting over de
toegevoegde waarde en bijbehoren, welke ter
uitvoering van artikel 93quater werden ter kennis
gebracht.
§ 4. De Minister van Financiën, zijn
gedelegeerde of de bevoegde overheid bepaalt
de voorwaarden en de toepassingsmodaliteiten
van dit artikel.
§
4.
De
Koning
bepaalt
de
praktische
toepassingsvoorwaarden van dit artikel.
Art. 93octies, BTW-Wetboek
De in de artikelen 93ter en 93quinquies bedoelde
berichten en kennisgevingen dienen te worden
opgemaakt overeenkomstig de door de Minister
van Financiën bepaalde modellen.
(opgeheven)
Art. 93nonies, BTW-Wetboek
De artikelen 93ter tot 93octies zijn van toepassing
op al wie bevoegd is om authenticiteit te verlenen
aan de in artikel 93ter bedoelde akten.
De artikelen 93ter tot 93septies zijn van toepassing
op al wie bevoegd is om authenticiteit te verlenen
aan de in artikel 93ter bedoelde akten.
Art. 93decies, BTW-Wetboek
Indien de belastingschuldige ermede instemt,
worden de banken, beheerst door het koninklijk
besluit nr. 185 van 9 juli 1935, en de
ondernemingen, beheerst door het koninklijk
besluit nr. 225 van 7 januari 1936, gemachtigd het
in artikel 93ter bedoelde bericht toe te sturen en
zijn zij bevoegd de in artikel 93quater bedoelde
kennisgeving te ontvangen.
Met het akkoord van de belastingschuldige zijn
de banken, onderworpen aan de wet van 25 april
2014 op het statuut van en het toezicht op de
kredietinstellingen, evenals de kredietgevers en
bemiddelaars
inzake
hypothecair
krediet,
onderworpen aan boek VII, titel 4, hoofdstuk 4
van
het
Wetboek
van
economisch
recht,
gemachtigd het in artikel 93ter bedoelde bericht
te verzenden en zijn zij bevoegd om de in artikel
93quater bedoelde kennisgeving te ontvangen.
Door de afgifte van een attest door die
instellingen aan de notaris betreffende de
verzending van het bericht en het gevolg daaraan
gegeven door de ambtenaren die krachtens
artikel 93ter door de Koning aangewezen zijn,
wordt de aansprakelijkheid van die instellingen in
De afgifte van een attest door die instellingen
aan de notaris betreffende de verzending van het
bericht en het gevolg daaraan gegeven door de
ontvanger bedoeld in artikel 93quater, stelt de
aansprakelijkheid van die instellingen in de
plaats van die van de notaris.
229
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
22
de plaats gesteld van die van de notaris.
Art. 93undecies A, BTW-Wetboek
Geen akte die in het buitenland verleden is en
betrekking heeft op het vervreemden of het
bezwaren met een hypotheek van een onroerend
goed
of
een
schip,
wordt
in
België
tot
overschrijving of inschrijving in de registers van
de
hypothecaire
openbaarmaking,
wat
de
onroerende goederen betreft, of de registers van
het Belgisch Scheepsregister, wat de schepen
betreft, aanvaard, indien zij niet vergezeld gaat
van een attest van de krachtens artikel 93ter door
de Koning aangewezen ambtenaar.
Geen akte die in het buitenland verleden is en de
vervreemding of de hypothecaire aanwending
van een onroerend goed of een schip tot
voorwerp
heeft,
wordt
in
België
tot
overschrijving of inschrijving in de registers van
de
hypothecaire
openbaarmaking,
wat
de
onroerende goederen betreft, of in het Belgisch
Scheepsregister,
wat
de
schepen
betreft,
toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een
attest van de ontvanger bedoeld in artikel 93ter.
Dit attest moet vaststellen dat de eigenaar of de
vruchtgebruiker
geen
belasting
over
de
toegevoegde waarde verschuldigd is of dat de
wettelijke
hypotheek,
die
de
verschuldigde
belasting
over
de
toegevoegde
waarde
waarborgt, ingeschreven is.
Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar
of de houder van een zakelijk recht geen
belasting
over
de
toegevoegde
waarde
verschuldigd
is,
ofwel
dat
de
wettelijke
hypotheek, die de verschuldigde belasting over
de toegevoegde waarde waarborgt, ingeschreven
is.
Onderafdeling 2. Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 433, WIB 92
§ 1. De notarissen die gevorderd zijn om een akte
op te maken die de vervreemding of de
hypothecaire aanwending van een onroerend
goed, van een schip of een vaartuig tot voorwerp
heeft, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de
betaling van de belastingen en bijbehoren die tot
een hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen
geven, indien zij niet op de hoogte stellen:
§ 1. De notaris die verzocht is om een akte op te
maken die de vervreemding of de hypothecaire
aanwending van een voor hypotheek vatbaar
goed
tot
voorwerp
heeft,
is
persoonlijk
aansprakelijk
voor
de
betaling
van
de
belastingen
en
bijbehoren
die
tot
een
hypothecaire inschrijving aanleiding kunnen
geven, wanneer hij daarvan geen bericht geeft
aan:
1° de dienst die daarvoor aangewezen is door de
Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de
bevoegde overheid, en dit door middel van een
procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt
worden;
1°
de
dienst
belast
met
informatie-
en
communicatietechnologie
van
de
Federale
Overheidsdienst Financiën, op elektronische
wijze;
2° de ontvanger van het ambtsgebied waarin de
eigenaar of de vruchtgebruiker van het goed zijn
woonplaats of zijn hoofdinrichting heeft en,
daarenboven, zo het om een onroerend goed
gaat, de ontvanger van het ambtsgebied waarin
dat goed gelegen is, wanneer het bericht omwille
van overmacht of technische storing niet kan
worden meegedeeld overeenkomstig de bepaling
onder 1°. In dat geval moet het bericht in
tweevoud worden opgemaakt en bij ter post
2° de ontvanger waaronder de eigenaar of de
houder van een zakelijk recht op het goed
ressorteert, of de ontvanger van de dienst die
door
de
Koning
daarvoor
is
aangewezen,
wanneer de eigenaar of de houder van een
zakelijk recht op het goed zijn verblijfplaats in
het buitenland heeft en, daarenboven, zo het om
een onroerend goed gaat, de ontvanger, bevoegd
voor
de
invordering
van
de
onroerende
voorheffing van dat goed, wanneer het bericht
230
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
23
aangetekende brief worden verzonden.
omwille van overmacht of een technische storing
niet kan worden meegedeeld overeenkomstig de
bepaling onder 1°. In dat geval wordt het bericht
bij aangetekende brief verzonden.
§ 2. Indien de akte waarvan sprake niet verleden
wordt binnen drie maanden te rekenen van de
verzending van het bericht, wordt het als niet
bestaande beschouwd.
§ 2. Indien de akte waarvan sprake niet verleden
wordt binnen drie maanden te rekenen van de
verzending van het bericht, wordt dit bericht als
niet bestaande beschouwd.
Wanneer
het
bericht
meegedeeld
is
overeenkomstig § 1, 1°, wordt onder de datum
van verzending van het bericht verstaan de datum
van ontvangstmelding meegedeeld door de dienst
die daarvoor door de Minister van Financiën, zijn
gedelegeerde of de bevoegde overheid is
aangewezen.
Wanneer
het
bericht
meegedeeld
is
overeenkomstig paragraaf 1, 1°, wordt onder de
verzendingsdatum van het bericht verstaan de
datum van ontvangstmelding meegedeeld door
de
dienst
belast
met
informatie-
en
communicatietechnologie
van
de
Federale
Overheidsdienst Financiën.
§ 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens
wordt verstuurd volgens de procedures bepaald
respectievelijk in § 1, 1° en 2°, dan zal het bericht
opgesteld overeenkomstig § 1, 2°, slechts
primeren indien de datum van toezending de
verzendingsdatum van het bericht opgesteld
overeenkomstig § 1, 1°, voorafgaat.
§ 3. Wanneer eenzelfde bericht achtereenvolgens
wordt verzonden overeenkomstig de procedures
voorzien respectievelijk in paragraaf 1, 1° en 2°,
dan zal het bericht opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, 2°, slechts primeren wanneer de
verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum
van
het
bericht
opgesteld
overeenkomstig
paragraaf 1, 1°, voorafgaat.
§ 4. De Minister van Financiën, zijn gedelegeerde
of de bevoegde overheid bepaalt de voorwaarden
en de toepassingsmodaliteiten van dit artikel.
§
4.
De
Koning
bepaalt
de
praktische
toepassingsvoorwaarden van dit artikel.
Art. 434, WIB 92
Indien het belang van de Schatkist zulks vereist,
wordt door de ontvangers aan de notaris, vóór het
verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op
de verzending van het in artikel 433, bedoelde
bericht en bij een ter post aangetekende brief
kennis
gegeven
van
het
bedrag
van
de
belastingen en bijbehoren die aanleiding kunnen
geven tot inschrijving van de wettelijke hypotheek
van de Schatkist op de goederen welke het
voorwerp van de akte zijn.
§ 1. Indien het belang van de Schatkist dit
vereist, wordt door de bevoegde ontvanger aan
de notaris, vóór het verstrijken van de twaalfde
werkdag volgend op de datum van de verzending
van het in artikel 433 bedoelde bericht, kennis
gegeven van het bedrag van de belastingen en
bijbehoren
dat
aanleiding
kan
geven
tot
inschrijving van de wettelijke hypotheek van de
Schatkist op het goed dat het voorwerp van de
akte is:
1° op elektronische wijze, volgens de door de
Koning bepaalde procedure;
2°
bij
aangetekende
brief,
wanneer
de
kennisgeving omwille van overmacht of een
technische storing niet kan worden meegedeeld
overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het
bericht bedoeld in artikel 433, § 1, heeft
verzonden bij aangetekende brief.
§
2.
Wanneer
eenzelfde
kennisgeving
achtereenvolgens
wordt
verzonden
overeenkomstig
de
procedures
voorzien
231
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
24
respectievelijk in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2°,
dan
zal
de
kennisgeving
opgesteld
overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°,
slechts primeren wanneer de verzendingsdatum
ervan de verzendingsdatum van de kennisgeving
opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste
lid, 1°, voorafgaat.
§ 3. Wanneer de kennisgeving is meegedeeld
overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, is de
datum van de verzending van de kennisgeving
de
datum
van
de
ontvangstbevestiging
meegedeeld door de dienst informatie- en
communicatietechnologie van de afzender van
het bericht bedoeld in artikel 433, paragraaf 1.
Art. 435, WIB 92
§ 1. Wanneer de in artikel 433 bedoelde akte
verleden is, geldt de in artikel 434 bedoelde
kennisgeving als beslag onder derden in handen
van de notaris op de bedragen en waarden die hij
krachtens de akte onder zich houdt voor rekening
of ten bate van de belastingschuldige en geldt als
verzet tegen de prijs in de zin van artikel 1642
van het Gerechtelijk Wetboek in de gevallen
waarin de notaris gehouden is de bedragen en
waarden overeenkomstig de artikelen 1639 tot
1654 van het Gerechtelijk Wetboek te verdelen.
§ 1. Wanneer de in artikel 433 bedoelde akte
verleden is, geldt de in artikel 434 bedoelde
kennisgeving als beslag onder derden in handen
van de notaris op de bedragen en waarden die hij
krachtens de akte onder zich houdt voor
rekening of ten bate van de belastingschuldige
en geldt als verzet tegen de prijs in de zin van
artikel 1642 van het Gerechtelijk Wetboek in de
gevallen waarin de notaris gehouden is de
bedragen
en
waarden
overeenkomstig
de
artikelen 1639 tot 1654 van het Gerechtelijk
Wetboek te verdelen.
Onverminderd de rechten van derden, is de
notaris ertoe gehouden, wanneer de in artikel 433
bedoelde akte verleden is, behoudens toepassing
van de artikelen 1639 tot 1654 van het
Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en waarden
die hij krachtens de akte onder zich houdt voor
rekening of ten bate van de belastingschuldige,
uiterlijk de achtste werkdag die volgt op het
verlijden van de akte, aan de ontvangers te
storten tot beloop van het bedrag van de
belastingen en bijbehoren die hem ter uitvoering
van artikel 434 ter kennis werden gebracht en in
zoverre deze belastingen en bijbehoren een
zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel
410 vormen.
Onverminderd de rechten van derden, is de
notaris, wanneer de in artikel 433 bedoelde akte
verleden is, ertoe gehouden onder voorbehoud
van toepassing van de artikelen 1639 tot 1654
van het Gerechtelijk Wetboek, de bedragen en
waarden die hij krachtens de akte onder zich
houdt voor rekening of ten bate van de
belastingschuldige, uiterlijk de achtste werkdag
die volgt op het verlijden van de akte, aan de in
artikel 434 bedoelde ontvanger te storten tot
beloop van het bedrag van de belastingen en
bijbehoren dat hem ter uitvoering van artikel 434
ter kennis werd gebracht en in zoverre deze
belastingen
en
bijbehoren
een
zekere
en
vaststaande schuld in de zin van artikel 410
vormen.
Daarenboven, indien de aldus door beslag onder
derden getroffen sommen en waarden minder
bedragen dan het totaal van de sommen
verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers
en aan de verzetdoende schuldeisers, hierin
begrepen de ontvangers, moet de notaris, op
straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor het
overschot, uiterlijk de eerste werkdag die volgt op
het verlijden van de akte hierover inlichtingen
Daarenboven, wanneer de aldus door beslag
onder derden getroffen sommen en waarden
minder bedragen dan het totaal van de sommen
verschuldigd aan de ingeschreven schuldeisers
en aan de verzetdoende schuldeisers, hierin
begrepen de ontvanger, moet de notaris, op
straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor
het overschot, uiterlijk de eerste werkdag die
volgt op het verlijden van de akte hierover
232
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
25
verstrekken aan :
informeren aan:
1° de dienst die daarvoor aangewezen is door de
Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de
bevoegde overheid, en dit door middel van een
procedure waarbij informaticatechnieken worden
gebruikt;
1°
de
dienst
belast
met
informatie-
en
communicatietechnologie
van
de
Federale
Overheidsdienst Financiën, op elektronische
wijze;
2° de bovengenoemde ontvangers bij een ter post
aangetekende brief, wanneer de notaris omwille
van overmacht of een technische storing de
inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig
de
bepaling
onder
1°
of
wanneer
hij
voorafgaandelijk het bericht bedoeld in artikel 433
bij ter post aangetekende brief heeft verstuurd.
2° de ontvanger bedoeld in artikel 434 bij een
aangetekende brief, wanneer de notaris omwille
van overmacht of een technische storing de
inlichtingen niet kan verstrekken overeenkomstig
de bepaling onder 1° of wanneer hij het bericht
bedoeld in artikel 433, §1 bij aangetekende brief
heeft verzonden.
De datum van de inlichting is, naar gelang het
geval,
de
datum
van
ontvangstmelding
meegedeeld door de dienst die daarvoor door de
Minister van Financiën, zijn gedelegeerde of de
bevoegde overheid is aangewezen, of de datum
van neerlegging ter post van de aangetekende
brief.
De datum van de inlichting is, naar gelang het
geval,
de
datum
van
ontvangstmelding
meegedeeld
door
de
dienst
belast
met
informatie- en communicatietechnologie van de
Federale Overheidsdienst Financiën, of de datum
van verzending van de aangetekende brief.
§
2.
Wanneer
eenzelfde
inlichting
achtereenvolgens wordt verstuurd volgens de
procedures voorzien respectievelijk in § 1, derde
lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld
overeenkomstig § 1, derde lid, 2°, slechts
primeren indien de datum van toezending vroeger
is dan de verzendingsdatum van het bericht
opgesteld overeenkomstig § 1, derde lid, 1°.
§
2.
Wanneer
eenzelfde
inlichting
achtereenvolgens
wordt
verzonden
overeenkomstig
de
procedures
voorzien
respectievelijk in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2°,
dan zal de inlichting opgesteld overeenkomstig
paragraaf 1, derde lid, 2°, slechts primeren
wanneer
de
verzendingsdatum
ervan
de
verzendingsdatum van de inlichting opgesteld
overeenkomstig paragraaf 1, derde lid, 1°,
voorafgaat.
§ 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de
overschrijving of de inschrijving van de akte, niet
tegen de Staat ingeroepen worden indien de
inschrijving van de wettelijke hypotheek geschiedt
binnen acht werkdagen van de datum van de
inlichting bedoeld in § 1, vierde lid.
§ 3. Onverminderd de rechten van derden, kan de
overschrijving of de inschrijving van de akte, niet
aan de Staat tegengeworpen worden indien de
inschrijving
van
de
wettelijke
hypotheek
geschiedt binnen acht werkdagen vanaf de
datum van de inlichting bedoeld in paragraaf 1,
vierde lid.
Zijn zonder uitwerking ten opzichte van de
schuldvorderingen
inzake
belastingen
en
bijbehoren, welke in uitvoering van artikel 434
werden
ter
kennis
gegeven,
alle
niet
ingeschreven schuldvorderingen waarvoor slechts
na het verstrijken van de in § 1, derde lid,
bepaalde termijn wordt beslag gelegd of verzet
aangetekend.
Alle
niet-ingeschreven
schuldvorderingen
waarvoor slechts na het verstrijken van de in
paragraaf 1, derde lid, bepaalde termijn wordt
beslag gelegd of verzet aangetekend, zijn zonder
uitwerking
ten
opzichte
van
de
schuldvorderingen
inzake
belastingen
en
bijbehoren, welke ter uitvoering van artikel 434
werden ter kennis gebracht.
§ 4. De Minister van Financiën, zijn gedelegeerde
of de bevoegde overheid bepaalt de voorwaarden
en toepassingsmodaliteiten van dit artikel.
§
4.
De
Koning
bepaalt
de
praktische
toepassingsvoorwaarden van dit artikel.
233
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
26
Art. 438, WIB 92
De in de artikelen 433 en 435 bedoelde berichten
en inlichtingen dienen opgemaakt te worden
overeenkomstig
de
door
de
Minister
van
Financiën bepaalde modellen.
(opgeheven)
Art. 439, WIB 92
De artikelen 433 tot 438 zijn van toepassing op
elke persoon die bevoegd is om de authenticiteit
te verlenen aan de in artikel 433 bedoelde akten.
De artikelen 433 tot 437 zijn van toepassing op elke
persoon die bevoegd is om de authenticiteit te
verlenen aan de in artikel 433 bedoelde akten.
Art. 440, WIB 92
Met het akkoord van de belastingschuldige zijn de
banken onderworpen aan de wet van 25 april
2014 op het statuut van en het toezicht op
kredietinstellingen,
de
ondernemingen
onderworpen aan het koninklijk besluit nr. 225
van 7 januari 1936 tot reglementering van de
hypothecaire leningen en tot inrichting van de
controle op de ondernemingen van hypothecaire
leningen, zomede de hypotheekondernemingen
onderworpen aan de wet van 4 augustus 1992 op
het hypothecair krediet, gemachtigd het in artikel
433 bedoelde bericht toe te sturen en bekwaam
om de in artikel 434 bedoelde kennisgeving te
ontvangen.
Met het akkoord van de belastingschuldige zijn
de banken, onderworpen aan de wet van 25 april
2014 op het statuut van en het toezicht op de
kredietinstellingen, evenals de kredietgevers en
bemiddelaars
inzake
hypothecair
krediet,
onderworpen aan boek VII, titel 4, hoofdstuk 4
van
het
Wetboek
van
economisch
recht,
gemachtigd het in artikel 433 bedoelde bericht te
verzenden en zijn zij bevoegd om de in artikel
434 bedoelde kennisgeving te ontvangen.
De afgifte van een attest door die instellingen aan
de notaris betreffende de verzending van het
bericht en het gevolg daaraan door de ontvangers
gegeven, stelt de aansprakelijkheid van die
instellingen in de plaats van die van de notaris.
De afgifte van een attest door die instellingen aan de
notaris betreffende de verzending van het bericht en
het gevolg daaraan door de ontvangers gegeven,
stelt de aansprakelijkheid van die instellingen in de
plaats van die van de notaris.
Art. 441, WIB 92
Geen akte die in het buitenland verleden is en de
vervreemding of de hypothecaire aanwending van
een onroerend goed, een schip of een vaartuig tot
voorwerp heeft wordt in België tot overschrijving
of
inschrijving
in
de
registers
van
een
hypotheekbewaarder toegelaten, indien zij niet
vergezeld gaat van een attest van de ontvanger in
wiens ambtsgebied het onroerend goed gelegen
is en, in voorkomend geval, van de ontvanger der
belastingen in wiens ambtsgebied de betrokkene
zijn woonplaats of zijn hoofdinrichting heeft.
Geen akte die in het buitenland verleden is en de
vervreemding of de hypothecaire aanwending
van een onroerend goed of een schip tot
voorwerp
heeft,
wordt
in
België
tot
overschrijving of inschrijving in de registers van
de
hypothecaire
openbaarmaking,
wat
de
onroerende goederen betreft, of in het Belgisch
Scheepsregister,
wat
de
schepen
betreft,
toegelaten, indien zij niet vergezeld gaat van een
attest van de ontvanger bedoeld in artikel 433.
Dit attest moet vaststellen ofwel dat de eigenaar
of de houder van het zakelijk recht geen
belastingen
verschuldigd
is,
ofwel
dat
de
wettelijke
hypotheek
die
de
verschuldigde
belastingen
en
bijbehoren
waarborgt,
234
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
27
ingeschreven is.
Onderafdeling 3. Programmawet (I) van 29 maart
2012
Art. 157, Wet van 29 maart 2012
§ 1. De notarissen verzocht om een in artikel
1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde
akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn
persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de
schulden van de overledene, zijn erfgenamen en
legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de
akte of het attest, of de begunstigden van een
door hem gemaakte contractuele erfstelling, mits
die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van
een kennisgeving bedoeld in artikel 158 indien zij
daarvan geen bericht geven aan :
§ 1. De notarissen verzocht om een in artikel
1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde
akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn
persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de
schulden van de overledene, zijn erfgenamen en
legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in
de akte of het attest, of de begunstigden van een
door hem gemaakte contractuele erfstelling, mits
die schulden het onderwerp kunnen uitmaken
van een kennisgeving bedoeld in artikel 158
indien zij daarvan geen bericht geven aan :
1° de dienst die door de Koning daarvoor is
aangewezen, en dit op elektronische wijze;
1°
de
dienst
belast
met
informatie-
en
communicatietechnologie
van
de
Federale
Overheidsdienst
Financiën,
en
dit
op
elektronische wijze;
2° de door de Koning aangewezen ambtenaar,
wanneer het bericht omwille van overmacht of
een
technische
storing
niet
kan
worden
meegedeeld overeenkomstig het 1°. In dat geval
moet het bericht in tweevoud worden opgesteld
en bij aangetekende brief met ontvangstmelding
worden verzonden.
2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het
bericht omwille van overmacht of een technische
storing
niet
kan
worden
meegedeeld
overeenkomstig 1° :
- de ontvangers waaronder de erflater en de
rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld
is in de akte of het attest van erfopvolging
ressorteren, evenals de ontvanger van de dienst
die door de Koning daarvoor is aangewezen,
wanneer
de
erflater
en/of
een
van
zijn
rechtverkrijgenden in het buitenland verblijven;
- de door de Koning aangewezen ambtenaar van
de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie.
In dat geval wordt het bericht bij aangetekende
brief verzonden.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het
eerste lid beperkt tot de waarde van de
nalatenschap.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in
het eerste lid beperkt tot de waarde van de
nalatenschap
Wanneer het gaat om schulden lastens de
rechtverkrijgenden
is
de
aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
Wanneer het gaat om schulden lastens de
rechtverkrijgenden
is
de
aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
235
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
28
van
de
tegoeden
die
toekomen
aan
de
rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is
in de akte of het attest en betreffende dewelke de
notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
van
de
tegoeden
die
toekomen
aan
de
rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld
is in de akte of het attest en betreffende dewelke
de notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
§ 2. Indien de akte of het attest waarvan sprake
niet wordt opgesteld binnen drie maanden te
rekenen van de verzending van het bericht, wordt
het als niet bestaande beschouwd.
§ 2. Indien de akte of het attest waarvan sprake
niet wordt opgesteld binnen drie maanden te
rekenen van de verzending van het bericht, wordt
het als niet bestaande beschouwd.
§ 3. Wanneer hetzelfde bericht achtereenvolgens
gegeven wordt overeenkomstig § 1, 1° en 2°, dan
zal het bericht opgesteld overeenkomstig § 1, 2°,
slechts primeren indien de datum van toezending
ervan vroeger is dan de datum van de verzending
van
het
bericht
dat
wordt
gegeven
overeenkomstig § 1, 1°.
§ 3. Wanneer hetzelfde bericht achtereenvolgens
gegeven wordt overeenkomstig paragraaf 1,
eerste lid, 1° en 2°, dan zal het bericht opgesteld
overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 2°,
slechts primeren wanneer de verzendingsdatum
ervan de verzendingsdatum van het bericht
opgesteld overeenkomstig paragraaf 1, eerste
lid, 1° voorafgaat.
§ 4. Wanneer het bericht gegeven wordt
overeenkomstig § 1, 1°, wordt onder de datum
van verzending van het bericht verstaan de datum
van de ontvangstmelding die wordt gedaan door
de dienst die daarvoor door de Koning is
aangewezen.
§ 4. Wanneer het bericht gegeven wordt
overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt
onder de datum van verzending van het bericht
verstaan de datum van de ontvangstmelding die
wordt gedaan door de dienst belast met
informatie- en communicatietechnologie van de
Federale Overheidsdienst Financiën.
§ 5. Het bericht vermeldt de identiteit van de
overledene, van de erfgenamen of legatarissen
alsook de eventuele begunstigde van een
contractuele erfstelling.
§ 5. Het bericht vermeldt de identiteit van de
erflater, van zijn erfgenamen of legatarissen
alsook van de eventuele begunstigde van een
contractuele erfstelling.
Voor de toepassing van deze bepaling omvat de
identiteit :
Voor de toepassing van deze bepaling omvat de
identiteit:
a) voor natuurlijke personen, de naam, de
voornaam en, in voorkomend geval, het nationaal
nummer of het nummer in het Bis-Register van de
betrokkene, of, bij gebreke van dat nummer, de
datum van hun geboorte;
a) voor natuurlijke personen, de naam, de
voornaam
en,
in
voorkomend
geval,
het
identificatienummer van het Rijksregister of, bij
gebrek daaraan, het identificatienummer bij de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid van de
betrokkenen, of, bij gebrek aan zulke nummers,
hun geboortedatum;
b) voor een rechtspersoon, een trust, een
fiduciaire of een gelijkaardige rechtsvorm, de
maatschappelijke benaming en zetel en, in
voorkomend geval, het ondernemingsnummer.
b) voor rechtspersonen, trusts, fiducieën of
gelijkaardige rechtsvormen, de maatschappelijke
benaming, de maatschappelijke zetel en het
identificatienummer bij de Kruispuntbank van
Ondernemingen.
Op vraag van de in § 1 bedoelde notaris, die de
verzoekers daarover moet ondervragen, moet
elke belastingplichtige en elk lid van een btw-
eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde
waarde, zijn hoedanigheid van belastingplichtige
of van lid van een btw-eenheid meedelen,
236
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
29
evenals zijn btw-nummer.
De belastingplichtige of lid van een btw-eenheid
die een onjuiste verklaring doet, verbeurt een
administratieve boete van 500 euro.
§ 6. De Koning bepaalt de overige voorwaarden
en de nadere regels inzake de toepassing van dit
artikel.
§
6.
De
Koning
bepaalt
de
praktische
toepassingsvoorwaarden van dit artikel.
Art. 158, Wet van 29 maart 2012
Door de door de Koning aangewezen ambtenaar
kan aan de notaris die het in artikel 157 bedoelde
bericht verzonden heeft, vóór het verstrijken van
de twaalfde werkdag volgend op de datum van
verzending van dat bericht, bij een aangetekende
brief met ontvangstmelding kennis gegeven
worden van het bestaan lastens de overledene of
een andere persoon vermeld in het bericht, van
een fiscale schuld bestaande uit belastingen en
bijbehoren, met opgave voor elk van de
schuldenaars
van
het
bedrag
van
de
vorenbedoelde schuld.
De ontvanger of dienst bevoegd voor de
invordering van de fiscale schuld kan aan de
notaris die het in artikel 157 bedoelde bericht
verzonden heeft, vóór het verstrijken van de
twaalfde werkdag volgend op de datum van
verzending van dat bericht, kennisgeven van het
bestaan lastens de erflater of een andere
persoon vermeld in het bericht, van een fiscale
schuld bestaande uit belastingen, bijbehoren,
verhogingen en boetes, met opgave voor elk van
de schuldenaars van het bedrag van de hiervoor
bedoelde schuld:
1° op elektronische wijze, volgens de door de
Koning bepaalde procedure;
2° bij een aangetekende brief, wanneer de
kennisgeving, omwille van overmacht of een
technische storing, niet kan worden meegedeeld
overeenkomstig 1°, of wanneer de notaris het
bericht bedoeld in artikel 157, § 1, heeft
meegedeeld bij aangetekende brief.
Wanneer
eenzelfde
kennisgeving
achtereenvolgens
wordt
verzonden
overeenkomstig
de
procedures
voorzien
respectievelijk in het eerste lid, 1° en 2°, dan zal
het bericht opgesteld overeenkomstig het eerste
lid,
2°,
slechts
primeren
wanneer
de
verzendingsdatum ervan de verzendingsdatum
van het bericht opgesteld overeenkomstig het
eerste lid, 1°, voorafgaat.
Het eerste lid is enkel van toepassing voor zover
die belastingen en hun bijbehoren een zekere en
vaststaande schuld uitmaken.
Het eerste lid is enkel van toepassing voor zover
die fiscale schuld een zekere en vaststaande
schuld uitmaakt.
Worden voor de toepassing van deze bepaling
beschouwd als zijnde zeker en vaststaand :
Wanneer
de
kennisgeving
meegedeeld
is
overeenkomstig het eerste lid, 1°, is de datum
van de verzending van de kennisgeving de
datum van de ontvangstbevestiging meegedeeld
door
de
dienst
informatie-
en
communicatietechnologie van de afzender van
het bericht bedoeld in artikel 157, § 1.
237
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
30
1° de schulden en hun bijbehoren die aanleiding
hebben gegeven tot een dwangschrift bedoeld in
artikel
142/1
van
het
Wetboek
der
successierechten of in artikel 220 van het
Wetboek
der
registratie-,
hypotheek-
en
griffierechten en waarvan de uitvoering niet werd
gestuit door een vordering in rechte als bedoeld in
artikel 221 van het Wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten;
2° de zekere en vaststaande schulden in de zin
van artikel 410 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992;
3° de belasting over de toegevoegde waarde en
het bijbehoren ervan die aanleiding hebben
gegeven tot een dwangbevel bedoeld in artikel 85
van het Wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde en waarvan de uitvoering
niet werd gestuit door een vordering in rechte
zoals bepaald in artikel 89 van hetzelfde
Wetboek.
De Koning bepaalt de overige voorwaarden en de
nadere regels inzake de toepassing van dit
artikel.
Art. 159, Wet van 29 maart 2012
In het attest van erfopvolging of aan de voet van
de uitgifte van de akte van erfopvolging wordt
vermeld hetzij dat er geen kennisgeving van
schulden bij toepassing van artikel 158 werd
gedaan en dit zowel in hoofde van de overledene
als in hoofde van één of meerdere personen die
vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling
zijn van het attest of de uitgifte, hetzij dat de
schulden waarvan bij toepassing van artikel 158
kennis
werd
gegeven
zijn
betaald
of,
in
voorkomend geval zullen worden betaald met de
tegoeden gehouden door de schuldenaar.
In het attest van erfopvolging of aan de voet van de
uitgifte van de akte van erfopvolging wordt vermeld
hetzij dat er geen kennisgeving van schulden bij
toepassing van artikel 158 werd gedaan en dit zowel
in hoofde van de overledene als in hoofde van één of
meerdere personen die vermeld zijn in het bericht en
die bestemmeling zijn van het attest of de uitgifte,
hetzij dat de schulden waarvan bij toepassing van
artikel 158 kennis werd gegeven zijn betaald of, in
voorkomend geval zullen worden betaald met de
tegoeden gehouden door hun schuldenaar.
De vermelding van de gedane of van de nog te
verrichten betaling wordt door de door de Koning
aangewezen ambtenaar aan de voet van het
attest toegevoegd of vervolledigd.
De vermelding van de gedane of van de nog te
verrichten betaling wordt door de door de Koning
aangewezen ambtenaar aan de voet van het attest
toegevoegd of vervolledigd.
De notaris die een attest van erfopvolging of een
uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert
waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende
het ontbreken van de kennisgeving of betreffende
de betaling van schulden waarvan van het
bestaan kennis werd gegeven overeenkomstig
artikel 158, loopt dezelfde aansprakelijkheid op
als de notaris die de verplichting bepaald in artikel
De notaris die een attest van erfopvolging of een
uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert waarin
onjuiste
vermeldingen
staan
betreffende
het
ontbreken van de kennisgeving of betreffende de
betaling van schulden waarvan van het bestaan
kennis werd gegeven overeenkomstig artikel 158,
loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die
de verplichting bepaald in artikel 157, § 1, niet
238
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
31
157, § 1, niet naleeft. Die aansprakelijkheid is
evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van
die onjuistheden niet kon worden ingevorderd.
naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot
het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet
kon worden ingevorderd.
Art. 160, Wet van 29 maart 2012
§ 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te
zijn voor de betaling van de belastingen en hun
bijbehoren waarvan kennis werd gegeven bij
toepassing van artikel 158, kan iemand die
tegoeden
van
een
overledene
vrijgeeft
overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk
Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze
doen
indien
duidelijk
uit
het
attest
van
erfopvolging of uit de uitgifte van de akte van
erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving
als bedoeld in artikel 158 werd gedaan.
§ 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn
voor de betaling van de ter kennis gebrachte
schulden
waarvan
kennis
werd
gegeven
bij
toepassing van artikel 158, kan iemand die tegoeden
van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel
1240bis van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op
een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het
attest van erfopvolging of uit de uitgifte van de akte
van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving
als bedoeld in artikel 158 werd gedaan.
§ 2. In afwijking van § 1 kan het vrijgeven van de
tegoeden van de overledene overeenkomstig
artikel 1240bis toch op een bevrijdende wijze
gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris
of
een
begunstigde
van
een
contractuele
erfstelling,
indien
deze
een
attest
van
erfopvolging of een uitgifte van de akte van
erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld :
§ 2. In afwijking van § 1 kan het vrijgeven van de
tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel
1240bis toch op een bevrijdende wijze gedaan
worden aan een erfgenaam, een legataris of een
begunstigde van een contractuele erfstelling of aan
een gerechtsmandataris, indien deze een attest
van erfopvolging of een uitgifte van de akte van
erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld :
a) dat alle op naam van de overledene en alle op
naam van de erfgenaam, de legataris of de
begunstigde van een contractuele erfstelling
bestaande schulden waarvan bij toepassing van
artikel 158 in voorkomend geval kennis werd
gegeven, werden betaald of;
a) dat alle op naam van de overledene en alle op
naam van de erfgenaam, de legataris of de
begunstigde
van
een
contractuele
erfstelling
bestaande schulden waarvan bij toepassing van
artikel 158 in voorkomend geval kennis werd
gegeven, werden betaald of;
b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven
aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde
van een contractuele erfstelling na betaling, door
middel van de door de schuldenaar gehouden
fondsen, van zijn schulden en van zijn deel in de
schulden van de overledene waarvan werd
kennisgegeven.
b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven
aan de erfgenaam, de legataris, de begunstigde
van
een
contractuele
erfstelling
of
de
gerechtsmandataris na betaling van de schulden
ter
kennis
gebracht
op
naam
van
de
rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden
ter kennis gebracht op naam van de erflater, met
tegoeden gehouden door de schuldenaar van
deze fondsen.
§ 3. De in de § 1 bedoelde aansprakelijkheid is
beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn
vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld
in de kennisgeving waarvan sprake in artikel 158.
§ 3. De in de § 1 bedoelde aansprakelijkheid is
beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn
vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in
de kennisgeving waarvan sprake in artikel 158.
Art. 161, loi du 29 maart 2012
De in de artikelen 157 en 158 bedoelde berichten
en kennisgevingen dienen te worden opgemaakt
overeenkomstig
de
door
Koning
bepaalde
modellen.
Het in artikel 157 bedoelde bericht wordt
opgemaakt overeenkomstig het door de Koning
bepaalde model.
239
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
32
Onderafdeling 4. Burgerlijk Wetboek
Art. 1240bis, Burgerlijk Wetboek
§
1.
Behoudens
andersluidende
wettelijke
bepalingen, geeft een schuldenaar te goeder
trouw bevrijdend tegoeden van een overledene
vrij, indien dit gebeurt aan of op instructie van de
personen
aangewezen
in
een
attest
van
erfopvolging
opgesteld
door
het
bevoegde
kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie, of in een attest of in
een akte van erfopvolging opgemaakt door een
notaris.
§
1.
Behoudens
andersluidende
wettelijke
bepaling, geeft een schuldenaar te goeder trouw
bevrijdend tegoeden van een overledene vrij,
indien dit gebeurt, ofwel aan of op instructie van
de personen aangewezen in een attest of een
akte van erfopvolging, ofwel aan of op instructie
van een gerechtsmandataris, na voorlegging :
- van een attest van erfopvolging opgesteld door
het
bevoegde
kantoor
van
de
Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie ;
of
- van een attest of akte van erfopvolging
opgesteld door een notaris.
Het attest of de akte van erfopvolging wordt op
verzoek van een belanghebbende afgeleverd met
het oog op de in het eerste lid bedoelde vrijgave
van tegoeden.
Het attest of de akte van erfopvolging wordt op
verzoek van een belanghebbende afgeleverd met
het oog op de in het eerste lid bedoelde vrijgave van
tegoeden.
§ 2. De afgeleverde akte of het afgeleverde attest
ontslaat de in paragraaf 1 bedoelde schuldenaar
in geen geval van eventuele andere wettelijke
verplichtingen
voorgeschreven
voor
de
deblokkering van deze tegoeden.
§ 2. De afgeleverde akte of het afgeleverde attest
ontslaat de in paragraaf 1 bedoelde schuldenaar in
geen
geval
van
eventuele
andere
wettelijke
verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering
van deze tegoeden.
§ 3. De belanghebbende heeft de vrije keuze om
zich te wenden tot het in paragraaf 1, eerste lid,
bedoelde kantoor of de notaris. In de gevallen
waarin de erfenis van de overledene niet
uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig de
bepalingen van de artikelen 718 tot 755, in geval
van bestaan van onbekwame erfopvolgers of
indien
er
sprake
is
van
een
uiterste
wilsbeschikking, een contractuele erfstelling of
een
huwelijkscontract
in
hoofde
van
de
overledene is alleen de notaris bevoegd om een
akte of een attest van erfopvolging af te leveren.
§ 3. De belanghebbende heeft de vrije keuze om
zich te wenden tot het in paragraaf 1, eerste lid,
bedoelde kantoor of de notaris. In de gevallen
waarin de erfenis van de overledene niet uitsluitend
wordt vererfd overeenkomstig de bepalingen van de
artikelen 718 tot 755, in geval van bestaan van
onbekwame erfopvolgers of indien er sprake is van
een uiterste wilsbeschikking, een erfovereenkomst,
een contractuele erfstelling of een huwelijkscontract
in hoofde van de overledene is alleen de notaris
bevoegd om een akte of een attest van erfopvolging
af te leveren.
§ 4. Zowel de akte als het attest van erfopvolging
vermelden
op
duidelijke
wijze
wie
de
erfgerechtigden zijn die aanspraak kunnen maken
op de tegoeden van de overledene, met
vermelding van volgende identificatiegegevens :
naam, voornamen, plaats en datum van geboorte,
adres en eventueel de datum van overlijden.
§ 4. Zowel de akte als het attest van erfopvolging
vermelden op duidelijke wijze wie de erfgerechtigden
zijn die aanspraak kunnen maken op de tegoeden
van de overledene, met vermelding van volgende
identificatiegegevens : naam, voornamen, plaats en
datum van geboorte, adres en eventueel de datum
van overlijden.
240
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
33
In voorkomend geval vermeldt de akte of het
attest het nummer van het Nationaal Register,
van het Bis-Register of het ondernemingsnummer
van de belanghebbenden.
In voorkomend geval vermeldt de akte of het
attest
het
identificatienummer
van
het
Rijksregister, het identificatienummer bij de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het
identificatienummer bij de Kruispuntbank van
Ondernemingen.
§ 5. De notaris of het in paragraaf 1, eerste lid,
bedoelde kantoor van de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie kunnen elke
aflevering van een akte of een attest van
erfopvolging weigeren indien zij aan de hand van
de
door
de
verzoekende
belanghebbende
voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en
de verrichte opzoekingen, niet met zekerheid de
erfgenamen kunnen aanwijzen.
§ 5. De notaris of het in paragraaf 1, eerste lid,
bedoelde kantoor van de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie kunnen elke
aflevering van een akte of een attest van
erfopvolging weigeren indien zij aan de hand van de
door de verzoekende belanghebbende voorgelegde
stukken, de gedane verklaringen en de verrichte
opzoekingen, niet met zekerheid de erfgenamen
kunnen aanwijzen.
Afdeling 3 - Reparatiebepalingen van de
artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992
Art. 418, WIB 92
Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen,
voorafbetalingen,
nalatigheidsinterest,
belastingverhogingen of administratieve boeten
wordt een moratoriuminterest toegekend tegen
een rentevoet (1) zoals bepaald overeenkomstig
het tweede lid, te rekenen van de eerste dag van
de
maand
volgend
op
deze
waarin
de
administratie in gebreke werd gesteld door een
aanmaning
of
door
een
andere
daarmee
gelijkstaande akte.
Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen,
voorafbetalingen,
nalatigheidsinterest,
belastingverhogingen
of
administratieve
boeten
wordt een moratoriuminterest toegekend tegen een
rentevoet (1) zoals bepaald overeenkomstig het
tweede lid, te rekenen van de eerste dag van de
maand volgend op deze waarin de administratie in
gebreke werd gesteld door een
aanmaning
of
door
een
andere
daarmee
gelijkstaande
akte.
Als
de
betaling
van
belastingen,
voorheffingen,
voorafbetalingen,
nalatigheidsinteresten, belastingverhogingen of
administratieve
boetes
plaatsvindt
na
de
ingebrekestelling gericht tot de administratie, is
de moratoriuminterest te rekenen vanaf de eerste
dag van de maand die volgt op de werkelijke
betaling.
Deze rentevoet is gelijk aan de overeenkomstig
artikel 414, § 1, tweede lid, berekende rentevoet,
verminderd met 2 procentpunt.
Deze rentevoet is gelijk aan de overeenkomstig
artikel 414, § 1, tweede lid, berekende rentevoet,
verminderd met 2 procentpunt.
Die interest wordt per kalendermaand berekend
op het bedrag van elke betaling, afgerond op het
lagere veelvoud van 10 euro; de maand waarin
de terugbetaling wordt voldaan, wordt niet
meegerekend.
Die interest wordt per kalendermaand berekend op
het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere
veelvoud van 10 euro; de maand waarin de
terugbetaling
wordt
voldaan,
wordt
niet
meegerekend.
241
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
34
Wet van 25 december 2017 tot hervorming van
de vennootschapsbelasting
Art. 86, wet van 25 december 2017
A. De artikelen 5, 1°, 6, 1°, 11, 1°, 3° en 4°, 13 tot
15, 17, 1°, 21, 1°, 24 tot 26, 28, 29, 30, 1°, 3°, en
5°, 31, 1°, 32, 37, 39, 1° en 3°, 41, 1° tot 4°, 43,
1°, 44, 1°, 45, 46, 49, 50, 52, 2° tot 6°, 53, 1° en
3° tot 6°, 54, 1°, 2° en 4°, 55, 1°, 3° en 5°, 56, 57,
59, 66, 67, 1°, 74, 78, 82 en 85 treden in werking
op 1 januari 2018 en zijn van toepassing vanaf
aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar
tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari
2018.
A. De artikelen 5, 1°, 6, 1°, 11, 1°, 3° en 4°, 13 tot
15, 17, 1°, 21, 1°, 24 tot 26, 28, 29, 30, 1°, 3°, en 5°,
31, 1°, 32, 37, 39, 1° en 3°, 41, 1° tot 4°, 43, 1°, 44,
1°, 45, 46, 49, 50, 52, 2° tot 6°, 53, 1° en 3° tot 6°,
54, 1°, 2° en 4°, 55, 1°, 3° en 5°, 56, 57, 59, 66, 67,
1°, 74, 78, 82 en 85 treden in werking op 1 januari
2018 en zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2019
verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten
vroegste aanvangt op 1 januari 2018.
B1. De artikelen 3, [1 18, 1°, 2° en 4°]1, 20, 33,
35, 39, 5° en 9°, [1 44, 2° en 3°]1, 47, 48, [1 53,
2°, 53/1, 73 en 73/1]1 treden in werking op 1
januari 2019 en zijn van toepassing vanaf
aanslagjaar 2020 verbonden aan een belastbaar
tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari
2019.
B1. De artikelen 3, [1 18, 1°, 2° en 4°]1, 20, 33, 35,
39, 5° en 9°, [1 44, 2° en 3°]1, 47, 48, [1 53, 2°, 53/1,
73 en 73/1]1 treden in werking op 1 januari 2019 en
zijn
van
toepassing
vanaf
aanslagjaar
2020
verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten
vroegste aanvangt op 1 januari 2019.
B2. De artikelen 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18,
3°, [1 20/1,]1 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° en 6°,
31, 2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot 15°,
40, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, [1 55, 4°]1, 58, [1
...]1 61, 1°, 62 tot 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 en
84 treden in werking op 1 januari 2020 en zijn van
toepassing vanaf aanslagjaar 2021 verbonden
aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste
aanvangt op 1 januari 2020.
B2. De artikelen 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18, 3°,
[1 20/1,]1 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° en 6°, 31, 2°,
34, 36, 39, 2°, 4°, 6° tot 8° en 10° tot 15°, 40, 41, 5°,
42, 51, 52, 1°, 54, 3°, [1 55, 4°]1, 58, [1 ...]1 61, 1°,
62 tot 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 en 84 treden in
werking op 1 januari 2020 en zijn van toepassing
vanaf
aanslagjaar
2021
verbonden
aan
een
belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1
januari 2020.
C. De artikelen 4, 1° en 2°, 16 en 68 treden in
werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing
op verrichtingen van kapitaalverminderingen en
terugbetalingen van met kapitaal gelijkgestelde
uitgiftepremies of winstbewijzen die worden
beslist door de algemene vergadering vanaf 1
januari 2018.
C. De artikelen 4, 1° en 2°, 16 en 68 treden in
werking op 1 januari 2018 en zijn van toepassing op
verrichtingen
van
kapitaalverminderingen
en
terugbetalingen van met kapitaal gelijkgestelde
uitgiftepremies of winstbewijzen die worden beslist
door de algemene vergadering vanaf 1 januari 2018.
De artikelen 4, 3°, en 9 treden in werking op 1
januari 2020 en zijn van toepassing op de
interesten die betrekking hebben op periodes na
31 december 2019.
De artikelen 4, 3°, en 9 treden in werking op 1
januari 2020 en zijn van toepassing op de interesten
die betrekking hebben op periodes na 31 december
2019.
De artikelen 17, 2° tot 5°, 19, 61, 2°, en 76 treden
in werking op 1 januari 2019 en zijn van
toepassing op de overdrachten die plaatsvinden
vanaf 1 januari 2019.
De artikelen 17, 2° tot 5°, 19, 61, 2°, en 76 treden in
werking op 1 januari 2019 en zijn van toepassing op
de overdrachten die plaatsvinden vanaf 1 januari
2019.
Artikel 29 treedt in werking op 1 januari 2018 en is Artikel 29 treedt in werking op 1 januari 2018 en is
242
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
35
niet
van
toepassing
op
voorzieningen
of
toevoegingen
aan
voorzieningen
die
zijn
aangelegd in belastbare tijdperken die aanvangen
vóór 1 januari 2018.
niet
van
toepassing
op
voorzieningen
of
toevoegingen aan voorzieningen die zijn aangelegd
in belastbare tijdperken die aanvangen vóór 1 januari
2018.
Artikel 38 treedt in werking op 1 januari 2020 en is
van toepassing op de activa verkregen of tot
stand gebracht vanaf 1 januari 2020.
Artikel 38 treedt in werking op 1 januari 2020 en is
van toepassing op de activa verkregen of tot stand
gebracht vanaf 1 januari 2020.
De artikelen 69 en 70 treden in werking op 1
januari 2018 en zijn van toepassing op de
dividenden die vanaf 1 januari 2018 worden
betaald of toegekend.
De artikelen 69 en 70 treden in werking op 1 januari
2018 en zijn van toepassing op de dividenden die
vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend.
Artikel 71, 1°, 4° en 5°, treedt in werking op 1
januari 2018 en is van toepassing op de
bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 tot en met
31 december 2019 worden betaald of toegekend.
Artikel 71, 1°, 4° en 5°, treedt in werking op 1 januari
2018 en is van toepassing op de bezoldigingen die
vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019
worden betaald of toegekend.
Artikel 71, 2° en 6° tot 8°, treedt in werking op 1
januari 2018 en is van toepassing op de
bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 worden
betaald of toegekend.
Artikel 71, 2° en 6° tot 8°, treedt in werking op 1
januari
2018
en
is
van
toepassing
op
de
bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 worden
betaald of toegekend.
Artikel 71, 3°, treedt in werking op 1 januari 2020
en is van toepassing op de bezoldigingen die
vanaf
1
januari
2020
worden
betaald
of
toegekend.
Artikel 71, 3°, treedt in werking op 1 januari 2020 en
is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1
januari 2020 worden betaald of toegekend.
Artikel
75,
2°,
treedt
in
werking
vanaf
aanslagjaar 2022.
Artikel 75, 2°, treedt in werking vanaf aanslagjaar
2022.
De artikelen 77, 79 en 80 treden in werking op 1
januari 2018 en zijn van toepassing vanaf 1
januari 2018. De wijzigingen, bij de artikelen 79
en 80, van de respectievelijk in de artikelen 418,
eerste lid, en 419, eerste lid, 6°, en tweede lid,
van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992 bedoelde startdatum voor de toepassing
van het moratoriuminterest, zijn van toepassing
op de vanaf 1 januari 2018 ingekohierde
aanslagen.
De artikelen 77, 79 en 80 zijn van toepassing
vanaf 1 januari 2018. De artikelen 79 en 80, in de
mate
dat
ze
de
begindatum
van
de
moratoriuminteresten wijzigen bedoeld in de
artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 6°, van
het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,
zijn toepasselijk op de inkohieringen uitgevoerd
vanaf 1 januari 2018. In geval van opeenvolgende
aanslagen, wordt de datum van inkohiering van
de oorspronkelijke aanslag in beschouwing
genomen
voor
de
toepassing
van
deze
bepalingen. Artikel 79, in de mate dat het de
begindatum wijzigt van de moratoriuminteresten
voor de toepassing van artikel 418, eerste lid,
van hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de
bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing
verbonden
aan
de
aanslagjaren
2018
en
volgende.
Artikel 80, in de mate dat het de begindatum
wijzigt van de moratoriuminteresten voor de
toepassing van artikel 419, tweede lid, van
243
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
36
hetzelfde Wetboek, is van toepassing op de
bedrijfsvoorheffing, de roerende voorheffing en
de
voorafbetalingen
verbonden
aan
de
aanslagjaren 2018 en volgende.
D. Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de
afsluitingsdatum
van
het
boekjaar
wordt
aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de
toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde
bepalingen.
D. Elke wijziging die vanaf 26 juli 2017 aan de
afsluitingsdatum
van
het
boekjaar
wordt
aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de
toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde
bepalingen.
De in het eerste lid, 29°, bedoelde bezoldigingen
betaald of toegekend in uitvoering van de flexi-
jobarbeidsovereenkomst worden vermeld op de
berekeningsnota
die
gevoegd
is
bij
het
aanslagbiljet inzake personenbelasting van de
werknemer.
De in het eerste lid, 29°, bedoelde bezoldigingen
betaald of toegekend in uitvoering van de flexi-
jobarbeidsovereenkomst worden vermeld op de
berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet
inzake personenbelasting van de werknemer.
De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a)
en b) en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de
belastingplichtige
tegelijkertijd
een
mobiliteitsvergoeding ontvangt in toepassing van
de wet van 30 maart 2018 betreffende de
invoering van een mobiliteitsvergoeding, tenzij in
het in artikel 9, § 3, van dezelfde wet bedoelde
geval.
De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a) en b)
en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de
belastingplichtige
tegelijkertijd
een
mobiliteitsvergoeding ontvangt in toepassing van de
wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van
een mobiliteitsvergoeding, tenzij in het in artikel 9, §
3, van dezelfde wet bedoelde geval.
TITEL IV – FINANCIELE BEPALINGEN
Hoofdstuk 1 - Wijzigingen van de wet van 31
juli 2017 houdende diverse financiële en
fiscale bepalingen en houdende maatregelen
inzake concessieovereenkomsten
Wet van 31 juli 2017 houdende diverse
financiële en fiscale bepalingen en houdende
maatregelen
inzake
concessieovereenkomsten
Titel II.- FINANCIELE BEPALINGEN
Titel II.- FINANCIELE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1. - Muntfonds, Koninklijke Munt
van België en slaan van geldstukken
HOOFDSTUK 1. - Muntfonds, Koninklijke Munt
van België en slaan van geldstukken
244
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
37
Het opschrift van Afdeling 3 van Hoofdstuk 1
van Titel II, wet van 31 juli 2017
Afdeling 3. - Omvorming van de Koninklijke Munt
van België tot een administratieve dienst met
boekhoudkundige autonomie
Afdeling 3. - Omvorming van de Koninklijke Munt
van België tot een administratieve dienst
Art. 7, wet van 31 juli 2017
Het staatsbedrijf "Koninklijke Munt van België"
wordt omgevormd tot een administratieve dienst
met boekhoudkundige autonomie.
"De administratieve dienst met boekhoudkundige
autonomie "Koninklijke Munt van België" wordt
omgevormd tot een administratieve dienst van
de Algemene Administratie van de Thesaurie van
de Federale Overheidsdienst Financiën.
Deze administratieve dienst wordt "Koninklijke
Munt van België" genoemd en wordt hierna als
"Munt" aangeduid.
Deze administratieve dienst wordt "Koninklijke
Munt van België" genoemd en wordt hierna als
“Munt” aangeduid.
De Koning bepaalt de nadere uitvoeringsregels
van deze omvorming, alsook van de organisatie
en werking van de Munt.
Art. 8, wet van 31 juli 2017
De opdrachten van de Munt omvatten :
(opgeheven)
a) de opdrachten rechtstreeks uitgevoerd door
de Munt, namelijk :
1° de bestelling van de circulatiemunten;
2° de kwaliteitscontrole van muntstukken in
circulatie en de hulp bij de screening van valse
muntstukken;
3° de vertegenwoordiging van de Belgische
Staat op internationaal niveau;
4° de uitvoering van alle door de wet opgelegde
activiteiten, andere dan deze vermeld onder 1° tot
3° ;
b) de andere opdrachten van de Munt die het
voorwerp kunnen uitmaken van een overdracht,
concessie of onderaanneming, onder andere de
vervaardiging
van
de
circulatiemunten,
de
uitoefening van commerciële activiteiten, het
design van muntstukken en de verkoop van
metalen afkomstig van definitief uit circulatie
genomen muntstukken.
Bovendien mag de Munt voor eigen rekening
alle goederen verkopen die voor de uitvoering van
245
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
38
haar opdrachten niet meer worden gebruikt.
Art. 9, wet van 31 juli 2017
De Munt wordt geplaatst onder het gezag van de
minister van Financiën.
(opgeheven)
Art. 10, wet van 31 juli 2017
De Munt int :
De Munt int :
1° de beloning voor de uitvoering van de
activiteiten bedoeld in artikel 8, eerste lid, a), 4° ;
1° de beloning voor de uitvoering van de activiteiten
bedoeld in artikel 8, eerste lid, a), 4° ;
2° de beloning, de vergoeding of enige
tegenprestatie in het geval van overdacht,
concessie of onderaanneming van de opdrachten
vermeld in artikel 8, eerste lid, b);
2°
de
beloning,
de
vergoeding
of
enige
tegenprestatie in het geval van overdacht, concessie
of onderaanneming van de opdrachten vermeld in
artikel 8, eerste lid, b);
3° de opbrengst uit elke verkoop van goederen
tot stand gebracht krachtens artikel 8, tweede lid;
(opgeheven)
4°
een
dotatie
uit
de
algemene
uitgavenbegroting.
(opgeheven)
Art. 12, wet van 31 juli 2017
De statutaire en contractuele personeelsleden
van de Munt worden overgeplaatst naar de
Federale overheidsdienst Financiën.
(opgeheven)
De Koning bepaalt de nadere regels van de
overplaatsingen.
Hoofdstuk 2 - Oprichting van een
begrotingsfonds betreffende verrichtingen
aangaande monetisatie en demonetisatie van
de Koninklijke Munt van België van de
Algemene Administratie van de Thesaurie van
de Federale Overheidsdienst Financiën en
wijziging van de organieke wet van 27
december 1990 houdende oprichting van
begrotingsfondsen
Afdeling 1 - Oprichting van het
begrotingsfonds betreffende de verrichtingen
aangaande monetisatie en demonetisatie van
de Koninklijke Munt van België
Afdeling 2 - Wijziging van de organieke wet
van 27 december 1990 houdende oprichting
van begrotingsfondsen
Hoofdstuk 3 - Opheffing
246
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
39
Art. 4, § 5, koninklijk besluit van 18 januari
1990
§ 5. Maandelijks overhandigt de keurmeester van
de Regering aan de rekenplichtige van de
Koninklijke Munt van België de ontvangsten van
het Waarborgkantoor die voortvloeien uit de in §
2, § 3 en § 4 van dit artikel bedoelde lonen en
rechten.
§ 5. Maandelijks overhandigt de keurmeester van de
Regering aan de rekenplichtige van de Koninklijke
Munt
van
België
de
ontvangsten
van
het
Waarborgkantoor die voortvloeien uit de in § 2, § 3
en § 4 van dit artikel bedoelde lonen en rechten.
Het geheel van deze ontvangsten wordt door de
rekenplichtige gestort op de ontvangstrekening
van de Openbare Schatkist.
(opgeheven)
TITEL IV – DIVERSE BEPALINGEN
Hoofdstuk 1 – Wijzigingen aan het Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
Afdeling 1 - Inkomsten uit de deeleconomie,
uit het verenigingswerk of uit occasionele
diensten tussen burgers
Art. 90, derde lid, WIB 92
Onverminderd
de
toepassing
van
de
voorheffingen, worden de inkomsten van
onroerende goederen, de inkomsten van
roerende goederen en kapitalen evenals de in
het eerste lid, 5°, vermelde inkomsten uit
onderverhuring van onroerende goederen,
naargelang het geval, als in het eerste lid, 1°
bis, 1° ter of 1° quater, vermelde inkomsten
aangemerkt in de mate dat die goederen en
kapitalen door de verkrijger van die inkomsten
worden gebruikt voor het verwerven van de
voormelde inkomsten.
De inkomsten van onroerende goederen, de
in artikel 17, § 1, 3° en 5°, vermelde
inkomsten van roerende goederen evenals de
in het eerste lid, 5°, vermelde inkomsten uit
onderverhuring van onroerende goederen
worden naargelang het geval, als in het eerste
lid, 1° bis, 1° ter of 1° quater, vermelde
inkomsten aangemerkt in de mate dat die
goederen door de verkrijger van die inkomsten
worden gebruikt voor het verwerven van de
voormelde inkomsten.
Art. 97/1, WIB 92 (nieuw)
Art. 97/1. De in artikel 90, eerste lid, 1°bis tot
1°quater, vermelde inkomsten worden naar
het
netto
bedrag
ervan
in
aanmerking
genomen, dit is het bruto bedrag verminderd
met de kosten waarvan de belastingplichtige
het bewijs levert dat zij tijdens het belastbare
tijdperk zijn gedaan of gedragen om die
inkomsten te verkrijgen of te behouden.
247
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
40
Het bruto bedrag van de inkomsten wordt
bepaald overeenkomstig artikel 90/1, tweede
en derde lid.
Art. 102ter, WIB 92 (nieuw)
Art. 102ter. Verliezen die in het belastbare
tijdperk zijn geleden bij het verrichten van
handelingen als vermeld in artikel 90, eerste
lid, 1°bis, 1°ter of 1°quater worden evenredig
afgetrokken van de andere inkomsten uit
zulke handelingen.
Afdeling 2 – Vereenvoudiging inzake PB
Art. 38, §1, WIB 92
§ 1. Vrijgesteld zijn :
§ 1. Vrijgesteld zijn :
(…)
(…)
Wanneer de in het eerste lid, 24°, bedoelde
voordelen zowel in artikel 31 als in artikel 32
bedoelde bezoldigingen omvatten, wordt het
maximumbedrag
van
de
vrijstelling
verhoudingsgewijs aangerekend op elk van
die bezoldigingen.
De vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid,
9°, kan voor dezelfde verplaatsing of voor een
deel hiervan niet worden gecumuleerd met de
vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 14°.
De vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 9°,
kan voor dezelfde verplaatsing of voor een deel
hiervan niet worden gecumuleerd met de
vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid, 14°.
De in het eerste lid, 29°, bedoelde bezoldigingen
betaald of toegekend in uitvoering van de flexi-
jobarbeidsovereenkomst worden vermeld op de
berekeningsnota
die
gevoegd
is
bij
het
aanslagbiljet inzake personenbelasting van de
werknemer.
De in het eerste lid, 29°, bedoelde bezoldigingen
betaald of toegekend in uitvoering van de flexi-
jobarbeidsovereenkomst worden vermeld op de
berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet
inzake personenbelasting van de werknemer.
De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a)
en b) en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de
belastingplichtige
tegelijkertijd
een
mobiliteitsvergoeding ontvangt in toepassing van
de wet van 30 maart 2018 betreffende de
invoering van een mobiliteitsvergoeding, tenzij in
het in artikel 9, § 3, van dezelfde wet bedoelde
geval.
De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid, 9°, a) en b)
en 14°, zijn niet van toepassing wanneer de
belastingplichtige
tegelijkertijd
een
mobiliteitsvergoeding ontvangt in toepassing van de
wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van
een mobiliteitsvergoeding, tenzij in het in artikel 9, §
3, van dezelfde wet bedoelde geval.
248
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
41
Art. 538, WIB 92
Artikel 38, § 1, eerste lid, 27°, en § 5, zoals dit
bestond voor de opheffing ervan door artikel 100,
1° en 2°, van de wet van 26 december 2013
betreffende de invoering van een eenheidsstatuut
tussen arbeiders en bedienden inzake de
opzeggingstermijnen
en
de
carenzdag
en
begeleidende maatregelen blijft ook na 1 januari
2014 van toepassing voor zover het ontslag ter
kennis van de werknemer werd gebracht voor 1
januari 2014.
(opgeheven)
Dezelfde bepaling blijft eveneens na 1 januari
2014 van toepassing wanneer het ontslag wordt
gegeven door de werkgever vanaf 1 januari 2014
aan de werknemer die de volgende voorwaarden
op cumulatieve wijze vervult :
- hij maakt het voorwerp uit van een ontwerp van
collectief ontslag dat, overeenkomstig artikel 66, §
2, eerste lid, van de wet van 13 februari 1998
houdende bepalingen tot bevordering van de
tewerkstelling, ten laatste werd betekend op 31
december 2013 ;
- hij valt onder het toepassingsgebied van een
collectieve arbeidsovereenkomst die de gevolgen
van het collectief ontslag omkadert en die ten
laatste op 31 december 2013 werd neergelegd op
de griffie van de Algemene Directie Collectieve
Arbeidsbetrekkingen
van
de
Federale
Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en
Sociaal Overleg.
Hoofdstuk 2 - Wijziging van het Wetboek
diverse rechten en taksen
Art. 10 van het WDRT
Worden onderworpen aan een recht van 2 euro
de akten van weigering tot overschrijving van
beslaglegging
zomede
de
getuigschriften,
afschriften of uittreksels afgeleverd door de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie.
Worden onderworpen aan een recht van 2 euro de
akten
van
weigering
tot
overschrijving
van
beslaglegging zomede de getuigschriften, afschriften
of
uittreksels
afgeleverd
door
de
Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie in
het kader van de hypothecaire openbaarmaking.
Hoofdstuk 3 – Wijziging aan het Wetboek der
registratie-, hypotheek- en griffierechten
249
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
42
Art. 921 van het WRR
Onverminderd artikel 91, dekt het in artikelen 87
en 88 bedoeld recht alle vestiging van hypotheek
welke naderhand tot zekerheid van eenzelfde
schuldvordering
van
hetzelfde
gewaarborgd
bedrag mocht worden toegestaan.
Het in artikel 88 en het in artikel 3, eerste lid, 7°,
a) van de bijzondere wet van 16 januari 1989
betreffende
de
financiering
van
de
Gemeenschappen en de Gewesten bedoeld recht
dekt elke latere vestiging van hypotheek op een
schip tot zekerheid van dezelfde schuldvordering
en van hetzelfde gewaarborgd bedrag.
TITEL VI – ACHTERWAARTSE
VERLIESVERREKENING TER COMPENSATIE
VAN SCHADE AAN LANDBOUWTEELTEN,
VEROORZAAKT DOOR ONGUNSTIGE
WEERSOMSTANDIGHEDEN
Art. 2, WIB 92
§ 1. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de
bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de
inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering
ervan genomen besluiten hebben de volgende
termen de betekenis die is bepaald in dit artikel.
§ 1. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de
bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de
inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan
genomen besluiten hebben de volgende termen de
betekenis die is bepaald in dit artikel.
1° Rijksinwoners
1° Rijksinwoners
…
…
4° Kinderen
4° Kinderen
Onder kinderen wordt verstaan de
afstammelingen van de belastingplichtige en die
van zijn echtgenoot, alsmede de kinderen die hij
volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.
Onder kinderen wordt verstaan de afstammelingen
van de belastingplichtige en die van zijn echtgenoot,
alsmede de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk
ten laste heeft.
4°/1 Middelgrote onderneming
Onder middelgrote onderneming wordt een
natuurlijke
persoon
of
een
rechtspersoon
verstaan die een economische activiteit uitoefent
en die in ten minste twee van de laatste drie
afgesloten belastbare tijdperken een gemiddeld
personeelsbestand heeft van minder dan 250
personenuitgedrukt in voltijdse equivalenten en
waarvan:
- de omzet exclusief de belasting over de
toegevoegde waarde het bedrag van 50 miljoen
euro niet overschrijdt ; of
- het balanstotaal het bedrag van 43 miljoen euro
niet overschrijdt.
Wanneer het belastbare tijdperk een duur heeft
van minder of meer dan twaalf maanden, wordt
250
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
43
het bedrag van de in het eerste lid bedoelde
omzet,
exclusief
de
belasting
over
de
toegevoegde waarde, vermenigvuldigd met een
breuk waarvan de noemer twaalf is en de teller
het aantal maanden van het betrokken belastbare
tijdperk, waarbij elke begonnen maand voor een
volle maand wordt geteld.
Indien
de
onderneming
een
verbonden
onderneming is, worden de criteria inzake
jaaromzet
en
jaarlijks
balanstotaal
op
geconsolideerde basis vastgesteld. Om het
gemiddelde
personeelsbestand
van
een
verbonden onderneming te bepalen, wordt het
gemiddelde personeelsbestand van elk van de
betrokken verbonden vennootschappen in het
belastbare tijdperk opgeteld.
De in het eerste lid bedoelde jaaromzet,
balanstotaal en gemiddelde personeelsbestand
worden
verhoogd
met
de
jaaromzet,
het
balanstotaal
en
het
gemiddelde
personeelsbestand
van
elke
partneronderneming,
in
verhouding
tot
het
hoogste percentage van de volgende vier
percentages :
- hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde
deelnemingspercentage van de eerstgenoemde
onderneming in de stemrechten van de andere
onderneming;
- hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde
deelnemingspercentage
van
de
andere
onderneming
in
de
stemrechten
van
de
eerstgenoemde onderneming;
- hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde
deelnemingspercentage van de eerstgenoemde
onderneming in het kapitaal van de andere
onderneming;
- hetzij het in paragraaf 4, eerste lid, bedoelde
deelnemingspercentage
van
de
andere
onderneming
in
het
kapitaal
van
de
eerstgenoemde onderneming.
In het geval van een nieuwe onderneming
waarvan het eerste, tweede of derde belastbare
tijdperk nog niet is afgesloten, worden de in
aanmerking te nemen gegevens bepaald door
middel van een in de loop van het belastbare
tijdperk te goeder trouw gemaakte schatting.
Een onderneming kan evenwel geen middelgrote
onderneming zijn indien de controle over het
kapitaal of de stemrechten van de onderneming,
251
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
44
individueel
of
gezamenlijk,
rechtstreeks
of
onrechtstreeks, voor 25 pct. of meer wordt
uitgeoefend
door
één
of
meerdere
aanbestedende overheden als bedoeld in artikel
2
van
de
wet
van
17 juni 2016
inzake
overheidsopdrachten. De in paragraaf 4, tweede
lid, bedoelde gevallen die niet verbonden zijn
met de voornoemde onderneming, worden voor
de toepassing van dit lid niet beschouwd als
aanbestedende overheden.
4°/2 Onderneming in moeilijkheden
Onder onderneming in moeilijkheden wordt een
onderneming verstaan:
- waarvoor een aangifte of vordering tot
faillietverklaring is ingesteld of waarvan op dat
ogenblik het beheer van het actief geheel of ten
dele is ontnomen zoals voorzien in de artikelen 7
en 8 van de faillissementswet;
- waarvoor een procedure van gerechtelijke
reorganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel
23 van de wet betreffende de continuïteit van de
ondernemingen;
- die een ontbonden vennootschap is en zich in
staat van vereffening bevindt;
- waarvan ten gevolge van geleden verlies het
netto actief is gedaald tot minder dan de helft
van het vaste gedeelte van het maatschappelijk
kapitaal;
- die steun heeft ontvangen die door de Europese
Commissie geacht wordt verenigbaar te zijn met
de
richtsnoeren
voor
reddings-
en
herstructureringssteun
aan
niet-financiële
ondernemingen in moeilijkheden van 31 juli 2014
(PB C 249) of met artikel 107, derde lid, b, van het
Verdrag betreffende de Werking van de Europese
Unie en die in het geval van reddingssteun de
lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie
nog niet heeft beëindigd of in het geval van
herstructureringssteun zich nog steeds in de
herstructureringsfase bevindt.
5° Vennootschappen
5° Vennootschappen
…
…
"§ 4. Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1,
wordt
een
onderneming
als
een
partneronderneming
van
een
andere
onderneming
aangemerkt
indien
deze
eerstgenoemde onderneming niet verbonden is
252
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
45
met deze andere onderneming, en:
- de eerstgenoemde onderneming al dan niet
samen met de met deze onderneming verbonden
ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct.
of meer van het kapitaal of de stemrechten van
de andere onderneming; of
- de andere onderneming al dan niet samen met
de
met
deze
onderneming
verbonden
ondernemingen een deelneming heeft van 25 pct.
of meer van het kapitaal of de stemrechten van
de eerstgenoemde onderneming.
Openbare
participatiemaatschappijen,
risicokapitaalmaatschappijen, business angels,
universiteiten,
onderzoekscentra
zonder
winstoogmerk,
institutionele
beleggers,
regionale ontwikkelingsfondsen en autonome
lokale autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 3, lid
2, van bijlage I, van verordening (EU) 651/2014
van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij
bepaalde categorieën steun op grond van de
artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de
interne markt verenigbaar worden verklaard,
worden voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1
niet beschouwd als partnerondernemingen.
Voor de toepassing van het eerste lid en van
paragraaf 1, 4°/1 wordt een onderneming als een
verbonden
onderneming
van
een
andere
onderneming aangemerkt indien:
- de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of
middels derde ondernemingen de meerderheid
heeft van de stemrechten van de aandeelhouders
of vennoten van de andere onderneming;
- de andere onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen de meerderheid heeft van
de stemrechten van de aandeelhouders of
vennoten van de eerstgenoemde onderneming;
- de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of
middels derde ondernemingen het recht heeft de
meerderheid van de leden van het bestuurs-,
leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de
andere onderneming te benoemen of te ontslaan;
- de andere onderneming rechtstreeks of middels
derde
ondernemingen
het
recht
heeft
de
meerderheid van de leden van het bestuurs-,
leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de
eerstgenoemde onderneming te benoemen of te
ontslaan;
- de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of
253
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
46
middels derde ondernemingen het recht heeft
een overheersende invloed op een andere
onderneming uit te oefenen op grond van een
met deze onderneming gesloten overeenkomst
of
een
bepaling
in
de
statuten
van
de
laatstgenoemde onderneming, behalve in het
geval de eerstgenoemde onderneming onder het
toepassingsgebied van het tweede lid valt en uit
de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk
wordt uitgeoefend;
- de andere onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen het recht heeft een
overheersende
invloed
op
een
andere
onderneming uit te oefenen op grond van een
met deze onderneming gesloten overeenkomst
of
een
bepaling
in
de
statuten
van
de
laatstgenoemde onderneming, behalve in het
geval
de
andere
onderneming
onder
het
toepassingsgebied van het tweede lid valt en uit
de feiten niet blijkt dat dit recht daadwerkelijk
wordt uitgeoefend;
- de eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of
middels derde ondernemingen de aandeelhouder
of vennoot is van een andere onderneming en op
grond van een met andere aandeelhouders of
vennoten van die andere onderneming gesloten
overeenkomst als enige zeggenschap heeft over
de meerderheid van de stemrechten van de
aandeelhouders of vennoten van die andere
onderneming;
- de andere onderneming rechtstreeks of middels
derde ondernemingen de aandeelhouder of
vennoot is van de eerstgenoemde onderneming
en op grond van een met andere aandeelhouders
of
vennoten
van
die
eerst
genoemde
onderneming gesloten overeenkomst als enige
zeggenschap heeft over de meerderheid van de
stemrechten van de aandeelhouders of vennoten
van die eerst genoemde onderneming.
Voor de toepassing van paragraaf 1, 4°/1, wordt
onder
het
gemiddelde
personeelsbestand
begrepen
het
gemiddelde
van
het
aantal
werknemers, uitgedrukt in voltijdse equivalenten
dat is geregistreerd in de DIMONA-databank
overeenkomstig het koninklijk besluit van 5
november
2002
tot
invoering
van
een
onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met
toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli
1996 tot modernisering van de sociale zekerheid
en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de
wettelijke pensioenstelsels, per einde van elke
maand van het belastbare tijdperk, of indien de
tewerkstelling
niet
behoort
tot
het
254
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
47
toepassingsgebied van dit koninklijk besluit, het
gemiddelde aantal tewerkgestelde werknemers
uitgedrukt in voltijdse equivalenten van de in het
algemene
personeelsregister
of
een
gelijkwaardig
document
ingeschreven
werknemers per einde van elke maand van het
desbetreffende belastbare tijdperk.
Dit gemiddelde van het aantal werknemers wordt
in voorkomend geval verhoogd met het aantal
natuurlijke personen die in de onderneming een
leidende functie of een leidende werkzaamheid
van
dagelijks
bestuur,
van
commerciële,
financiële of technische aard uitoefenen en die
niet werden
geregistreerd
in
de
DIMONA-
databank noch werden ingeschreven in het
voormelde algemene personeelsregister of het
voormelde gelijkwaardig document
Het aantal werknemers uitgedrukt in voltijdse
equivalenten is gelijk aan het arbeidsvolume
uitgedrukt
in
voltijds
tewerkgestelde
equivalenten, te berekenen voor de deeltijdse
werknemers op basis van het conventioneel
aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte
van
de
normale
arbeidsduur
van
een
vergelijkbare voltijdse werknemer.
Art. 23, § 2, WIB 92
§ 2. Onder het nettobedrag van
beroepsinkomsten wordt verstaan het totale
bedrag van die inkomsten met uitsluiting van de
vrijgestelde inkomsten en na uitvoering van de
volgende bewerkingen :
§ 2. Onder het nettobedrag van beroepsinkomsten
wordt verstaan het totale bedrag van die inkomsten
met uitsluiting van de vrijgestelde inkomsten en na
uitvoering van de volgende bewerkingen :
1° het brutobedrag van de inkomsten van iedere
beroepswerkzaamheid wordt verminderd met de
beroepskosten die op deze inkomsten betrekking
hebben ;
1° het brutobedrag van de inkomsten van iedere
beroepswerkzaamheid wordt verminderd met de
beroepskosten die op deze inkomsten betrekking
hebben ;
2° beroepsverliezen die tijdens het belastbare
tijdperk zijn geleden uit hoofde van enige
beroepswerkzaamheid, worden afgetrokken van
de inkomsten van andere
beroepswerkzaamheden ;
2° beroepsverliezen die tijdens het belastbare
tijdperk zijn geleden uit hoofde van enige
beroepswerkzaamheid, worden afgetrokken van de
inkomsten van andere beroepswerkzaamheden ;
3° van de beroepsinkomsten, bepaald
overeenkomstig 1° en 2°, worden de
beroepsverliezen van vorige belastbare tijdperken
afgetrokken.
3° van de beroepsinkomsten, bepaald
overeenkomstig 1° en 2°, worden de
beroepsverliezen van vorige, of, in het geval
vermeld in artikel 78, § 2, latere belastbare
tijdperken afgetrokken.
4° …
4° …
255
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
48
Art. 78, WIB 92
Vorige
beroepsverliezen
worden
achtereenvolgens van de beroepsinkomsten
van
elk
volgend
belastbare
tijdperk
afgetrokken.
§ 1.
Vorige
beroepsverliezen
worden
achtereenvolgens van de beroepsinkomsten
van elk volgend belastbare tijdperk afgetrokken.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt op
vraag van een belastingplichtige die voldoet
aan de in het vierde lid bedoelde criteria het
gedeelte van de beroepsverliezen, dat toe te
schrijven
is
aan
schade
aan
landbouwteelten die werd veroorzaakt door
ongunstige weersomstandigheden, en werd
geleden in een gewest waarmee een in het
derde lid bedoeld samenwerkingsakkoord
werd
gesloten,
achtereenvolgens
afgetrokken van de beroepsinkomsten van
de drie belastbare tijdperken voorafgaand
aan het belastbare tijdperk waarin die
schade definitief is vastgesteld, te beginnen
met het oudste. Het gedeelte van deze
beroepsverliezen dat niet in aftrek kan
worden
gebracht
van
deze
beroepsinkomsten,
is
aftrekbaar
overeenkomstig paragraaf 1.
Het gedeelte van de beroepsverliezen dat
toe te schrijven is aan de in het eerste lid
omschreven schade, stemt overeen met het
bedrag
van
de
beroepsverliezen
achtereenvolgens beperkt tot het bedrag
van het beroepsverlies uit de in artikel 23, §
1, 1°, bedoelde beroepswerkzaamheid van
de belastingplichtige en tot het bedrag van
deze schade die op de wijze voorzien in het
derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord
in het belastbare tijdperk definitief werd
vastgesteld.
De
in
het
eerste
lid
omschreven
achterwaartse
verliesaftrek
kan
enkel
worden toegepast indien de in het eerste lid
bedoelde schade werd geleden op het
grondgebied van een gewest dat met de
federale
overheid
een
samenwerkingsakkoord heeft gesloten met
het oog op de gezamenlijke naleving van de
cumulatieregels zoals bedoeld in artikel 8
van verordening (EU) Nr. 702/2014 van de
Commissie
van
25
juni
2014
waarbij
bepaalde categorieën steun in de landbouw-
en
de
bosbouwsector
en
in
plattelandsgebieden
op
grond
van
de
artikelen 107 en 108 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese
Unie met de interne markt verenigbaar
256
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
49
worden verklaard. De federale overheid en
het
gewest
omschrijven
in
dit
samenwerkingsakkoord in aanvulling bij de
bepalingen van artikel 7 van de voormelde
verordening
de
wijze
waarop
de
steunintensiteit van de in deze paragraaf
bedoelde
steunmaatregel
moet
worden
berekend.
Ze
bepalen
in
het
samenwerkingsakkoord eveneens de manier
waarop
de
ongunstige
weersomstandigheden
die
met
een
natuurramp kunnen worden gelijkgesteld
worden erkend en de methode waarop de
schade
wordt
vastgesteld
die
werd
veroorzaakt
door
de
ongunstige
weersomstandigheden
gegrond
op
de
bepalingen van artikel 25 van de voormelde
verordening. In het samenwerkingsakkoord
wordt tot slot ook gespecifieerd op welke
wijze verduidelijking kan worden gebracht
omtrent het tijdstip waarop de schade
definitief is vastgesteld.
Deze paragraaf is enkel van toepassing
indien de belastingplichtige:
- een middelgrote onderneming is ; en
- een onderneming uitbaat die de productie
van landbouwproducten tot doel heeft die
zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese
Unie, waarbij deze landbouwproducten geen
verdere bewerking ondergaan die de aard
van deze producten wijzigt;
- geen onderneming in moeilijkheden was
op het ogenblik dat de schade werd
geleden ; en
- geen bevel tot terugvordering heeft
uitstaan ingevolge een besluit van de
Commissie die een door België verleende
steun onrechtmatig en onverenigbaar met
de interne markt heeft verklaard.
De achterwaartse verliesverrekening kan
niet worden toegepast indien de som van de
overeenkomstig het tweede lid vastgestelde
steunintensiteit
van
de
achterwaartse
verliesaftrek en de steunintensiteit van de
door het gewest verleende steun die
dezelfde schade vergoedt als de in het
eerste lid bedoelde schade, hoger is dan de
maximale steunintensiteit omschreven in
artikel 25, leden 9 en 10, van de verordening
(EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25
257
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
50
juni 2014 waarbij bepaalde categorieën
steun in de landbouw- en de bosbouwsector
en in plattelandsgebieden op grond van de
artikelen 107 en 108 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese
Unie met de interne markt verenigbaar
worden verklaard.
Voor de toepassing van deze paragraaf en
van artikel 206, § 4, wordt onder ongunstige
weersomstandigheden
de
weersomstandigheden verstaan die met een
natuurramp kunnen worden gelijkgesteld,
zoals gedefinieerd in artikel 2, zestiende lid
van verordening (EU) Nr. 702/2014 van de
Commissie
van
25
juni
2014
waarbij
bepaalde categorieën steun in de landbouw-
en
de
bosbouwsector
en
in
plattelandsgebieden
op
grond
van
de
artikelen 107 en 108 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese
Unie met de interne markt verenigbaar
worden verklaard en die formeel worden
erkend op de wijze beschreven in het in het
derde lid bedoelde samenwerkingsakkoord.
De
beroepsverliezen
waarvoor
de
toepassing
van
de
achterwaartse
verliesaftrek
wordt
gevraagd,
worden
afgetrokken
na
aftrek
van
de
beroepsverliezen
van
vorige
belastbare
tijdperken bij toepassing van paragraaf 1.
De belastingplichtige vraagt de toepassing
van de achterwaartse verliesaftrek aan in de
aangifte
die
betrekking
heeft
op
het
belastbare tijdperk waarin de in het eerste
lid bedoelde schade definitief is vastgesteld.
Deze
aanvraag
is
definitief
en
onherroepelijk. De Koning kan nadere regels
met
betrekking
tot
de
aanvraag
vastleggen.".
Art. 206, WIB 92
…
§ 3. Ingeval een buitenlandse vennootschap
haar maatschappelijke zetel, de voornaamste
inrichting of de zetel van bestuur of beheer
naar België overbrengt, geldt het bepaalde in §
1, eerste lid, voor wat betreft beroepsverliezen
door deze vennootschap geleden binnen een
Belgische
inrichting
waarover
deze
vennootschap
vóór
deze
overbrenging
§ 3. Ingeval een buitenlandse vennootschap
haar maatschappelijke zetel, de voornaamste
inrichting of de zetel van bestuur of beheer naar
België overbrengt, geldt het bepaalde in § 1,
eerste lid, voor wat betreft beroepsverliezen
door deze vennootschap geleden binnen een
Belgische
inrichting
waarover
deze
vennootschap
vóór
deze
overbrenging
258
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
51
beschikte.
beschikte.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, wordt op
vraag van de belastingplichtige die voldoet
aan de criteria bedoeld in artikel 78, § 2,
vierde
lid,
het
gedeelte
van
de
beroepsverliezen, dat toe te schrijven is aan
schade aan landbouwteelten veroorzaakt
door ongunstige weersomstandigheden, en
geleden in een gewest waarmee een in
artikel
78,
§
2,
derde
lid,
bedoeld
samenwerkingsakkoord
werd
gesloten,
achtereenvolgens
afgetrokken
van
de
beroepsinkomsten van de drie belastbare
tijdperken voorafgaand aan het belastbare
tijdperk waarin die schade definitief is
vastgesteld, te beginnen met het oudste. Het
gedeelte van deze beroepsverliezen dat niet
in aftrek kan worden gebracht van deze
beroepsinkomsten,
is
aftrekbaar
overeenkomstig paragraaf 1.
Het gedeelte van de beroepsverliezen dat
toe te schrijven is aan de in het eerste lid
omschreven schade stemt overeen met het
bedrag van de beroepsverliezen, beperkt tot
het bedrag van deze schade die op de wijze
voorzien in het in artikel 78, § 2, derde lid,
bedoeld
samenwerkingsakkoord
in
het
belastbare
tijdperk
definitief
werd
vastgesteld.
De achterwaartse verliesverrekening kan
niet worden toegepast indien de som van de
overeenkomstig artikel 78, § 2, vijfde lid,
vastgestelde steunintensiteit, de in datzelfde
lid omschreven maximale steunintensiteit
overschrijdt.
De
beroepsverliezen
waarvoor
de
toepassing
van
de
achterwaartse
verliesaftrek
wordt
gevraagd,
worden
afgetrokken
na
aftrek
van
de
beroepsverliezen
van
vorige
belastbare
tijdperken bij toepassing van paragraaf 1.
De belastingplichtige vraagt de toepassing
van de achterwaartse verliesaftrek aan in de
aangifte
die
betrekking
heeft
op
het
belastbare tijdperk waarin de in het eerste
lid bedoelde schade definitief is vastgesteld.
Deze
aanvraag
is
definitief
en
onherroepelijk. De Koning kan nadere regels
met betrekking tot de aanvraag vastleggen.
259
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
52
Art. 2758, WIB 92
§ 2. De in dit artikel bedoelde vrijstelling van
doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan
enkel worden toegepast indien de werkgever
en in voorkomend geval de in paragraaf 1,
vierde lid, bedoelde vennootschap die de
investering heeft verricht, in ten minste twee
van de laatste drie afgesloten belastbare
tijdperken voorafgaand aan het belastbaar
tijdperk waarin het in § 5 bedoelde formulier
geldig werd overgelegd een jaargemiddelde
van het personeelsbestand in dienst heeft van
minder dan 250 personen uitgedrukt in
voltijdse equivalenten en waarvan :
§ 2. De in dit artikel bedoelde vrijstelling van
doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan
enkel
worden
toegepast
indien
de
werkgever en in voorkomend geval de in
paragraaf
1,
vierde
lid,
bedoelde
vennootschap die de investering heeft
verricht, een middelgrote onderneming is.
- de jaaromzet exclusief de belasting over de
toegevoegde waarde het bedrag van 50
miljoen EUR niet overschrijdt, of
- het jaarlijkse balanstotaal het bedrag van 43
miljoen EUR niet overschrijdt.
Behalve in het geval de werkgever geen
vennootschap is, zijn, voor de berekening van
de in het eerste lid vermelde criteria, de
bepalingen uit artikel 15, §§ 3 tot 5, van het
Wetboek
van
vennootschappen
van
toepassing.
(opgeheven)
Indien de in het eerste lid bedoelde werkgever
of vennootschap verbonden is in de zin van
artikel
11
van
het
Wetboek
van
vennootschappen worden de criteria inzake
jaaromzet
en
balanstotaal
berekend
op
geconsolideerde
basis.
Wat
het
personeelsbestand betreft, wordt het aantal
werknemers opgeteld dat door elk van de
betrokken
verbonden
vennootschappen
jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld.
De in het eerste lid bedoelde jaaromzet,
balanstotaal
en
jaargemiddelde
van
het
personeelsbestand wordt verhoogd met de
jaaromzet,
het
balanstotaal
en
het
jaargemiddelde van het personeelsbestand
van elke partneronderneming, in verhouding
tot het hoogste percentage van de volgende
twee percentages :
- hetzij het percentage van de stemrechten
dat verbonden is met de in het vijfde lid
bedoelde deelneming;
- hetzij het percentage van het kapitaal dat de
in
het
vijfde
lid
bedoelde
deelneming
vertegenwoordigt.
260
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
53
Voor toepassing van het vierde lid wordt onder
partneronderneming een natuurlijke persoon of
rechtspersoon begrepen die niet verbonden is
met respectievelijk de in het eerste lid
bedoelde werkgever of de in datzelfde lid
bedoelde vennootschap, en :
- die een deelneming heeft van 25 pct. of
meer van het kapitaal of de stemrechten van
respectievelijk
deze
werkgever
of
deze
vennootschap, of;
- waarvan ten minste 25 pct. van het kapitaal
of de stemrechten wordt aangehouden door
respectievelijk
deze
werkgever
of
deze
vennootschap.
Openbare
participatiemaatschappijen,
risicokapitaalmaatschappijen, business angels,
universiteiten,
onderzoekscentra
zonder
winstoogmerk,
institutionele
beleggers,
regionale ontwikkelingsfondsen en autonome
lokale autoriteiten, zoals bedoeld in artikel 3,
lid 2, van bijlage I, van verordening (EU)
651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014
waarbij bepaalde categorieën steun op grond
van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag
met de interne markt verenigbaar worden
verklaard, worden voor de toepassing van het
vierde lid en in afwijking van het vijfde lid niet
beschouwd als een partneronderneming.
Bovendien kan de in dit artikel bedoelde
vrijstelling
van
doorstorting
van
de
bedrijfsvoorheffing enkel worden toegepast
indien de controle over het kapitaal of de
stemrechten
van
de
werkgever,
of
in
voorkomend geval de in paragraaf 1, vierde lid,
bedoelde vennootschap die de investering
heeft verricht, op het ogenblik van het
overleggen van het in § 5 bedoelde formulier,
individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of
onrechtstreeks, voor minder dan 25 pct.
uitgeoefend worden door één of meerdere
aanbestedende overheden als bedoeld in
artikel 2 van de wet van 15 juni 2006
betreffende
de
overheidsopdrachten
en
bepaalde opdrachten voor werken, leveringen
en diensten. De in het zesde lid bedoelde
gevallen worden voor de toepassing van dit lid
niet
beschouwd
als
aanbestedende
overheden.
De
vrijstelling
van
doorstorting
van
de
bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast
door een werkgever :
De in dit artikel bedoelde vrijstelling van
doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan
niet worden toegepast door een werkgever
die op het ogenblik van het overleggen van
261
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1
Coordination des articles
Texte de base
Texte de base adapté au projet
TITRE II – DISPOSITIONS FISCALES
Chapitre 1er – Statut unique
Art. 67quater, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Des bénéfices et profits sont exonérés d'impôts
jusqu'à un certain montant de rémunération
attribuée à leurs travailleurs qui ont, chez le
contribuable concerné, au moins 5 années de
service après le 1er janvier 2014.
Des bénéfices et profits sont exonérés d'impôts
jusqu'à un certain montant de rémunération
attribuée à leurs travailleurs qui ont, chez le
contribuable concerné, au moins 5 années de
service après le 1er janvier 2014.
Le montant des bénéfices et profits à exonérer
s'élève à 3 semaines de rémunération par
année de service commencée à partir de la 6e
année de service après le 1er janvier 2014. A
partir de la 21e année de service après le 1er
janvier 2014, l'exonération d'impôt s'élève à 1
semaine
de
rémunération
par
année
supplémentaire de service commencée.
Par travailleur visé à l’alinéa 1er, le montant
des bénéfices et profits à exonérer pour la
période imposable s'élève à :
-
trois semaines de rémunération, de la
sixième
année
de
service
jusqu'à
la
vingtième année incluse commencée par ce
travailleur après le 1er janvier 2014 ;
-
une semaine de rémunération, à partir
de la vingt et unième année de service
commencée par ce travailleur après le 1er
janvier 2014.
Le montant des bénéfices et profits à
exonérer visé à l'alinéa 2 qui est, le cas
échéant, limité en application de l'alinéa 4,
est étalé sur la période imposable et les
quatre périodes imposables suivantes à
concurrence
de
20
p.c.
par
période
imposable.
Le Roi peut établir, par arrêté délibéré en
Conseil des ministres, un montant maximum en
ce qui concerne les rémunérations visées à
l'alinéa 2, sur lesquelles l'exonération est
calculée. Il saisira les Chambres législatives,
immédiatement si elles sont réunies, sinon dès
l'ouverture de leur plus prochaine session, d'un
projet de loi de confirmation des arrêtés pris en
exécution du présent alinéa.
Le Roi peut établir, par arrêté délibéré en
Conseil des ministres, un montant maximum
de
rémunération
mensuelle
brute
par
travailleur
en
ce
qui
concerne
les
rémunérations visées à l'alinéa 2, sur lesquelles
l'exonération est calculée.
Le Roi saisira la Chambre des représentants
immédiatement si elle est réunie, sinon dès
l'ouverture de sa plus prochaine session,
262
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
55
bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast
door een werkgever zoals bedoeld in artikel
2758, § 2, achtste lid of door een werkgever:
doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan
niet worden toegepast door een werkgever
die op het ogenblik van het overleggen van
het
in
§
5
bedoelde
formulier
een
onderneming in moeilijkheden is of door een
werkgever:
- waarvan voor de laatste twee belastbare
tijdperken die het ogenblik van het overleggen
van het in artikel 2758, § 5, bedoelde formulier
voorafgaan:
- waarvan voor de laatste twee belastbare
tijdperken die het ogenblik van het overleggen
van het in artikel 2758, § 5, bedoelde formulier
voorafgaan:
1) het totale bedrag van de schulden bedoeld
in artikel 88 van het koninklijk besluit van 30
januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek
van Vennootschappen hoger is dan 7,5 keer
het eigen vermogen zoals bedoeld in hetzelfde
artikel, en;
1) het totale bedrag van de schulden bedoeld
in artikel 88 van het koninklijk besluit van 30
januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van
Vennootschappen hoger is dan 7,5 keer het
eigen vermogen zoals bedoeld in hetzelfde
artikel, en;
2) het bedrag vermeld op de post "Kosten van
schulden" bedoeld in artikel 89 van hetzelfde
besluit, verminderd met het bedrag vermeld op
de post "Opbrengsten van financiële activa"
zoals bedoeld in hetzelfde artikel groter is dan
de EBITDA.
2) het bedrag vermeld op de post "Kosten van
schulden" bedoeld in artikel 89 van hetzelfde
besluit, verminderd met het bedrag vermeld op
de post "Opbrengsten van financiële activa"
zoals bedoeld in hetzelfde artikel groter is dan
de EBITDA.
De EBITDA wordt bepaald door de post "Winst
(verlies) voor belasting" bedoeld in artikel 89
van hetzelfde besluit te vermeerderen of
verminderen
naargelang
het
kosten
of
opbrengsten zijn met de volgende in hetzelfde
artikel bedoelde posten:
De EBITDA wordt bepaald door de post "Winst
(verlies) voor belasting" bedoeld in artikel 89
van hetzelfde besluit te vermeerderen of
verminderen
naargelang
het
kosten
of
opbrengsten zijn met de volgende in hetzelfde
artikel bedoelde posten:
- kosten van schulden;
- kosten van schulden;
- andere financiële schulden;
- andere financiële schulden;
- opbrengsten uit vlottende activa;
- opbrengsten uit vlottende activa;
- andere financiële opbrengsten;
- andere financiële opbrengsten;
- afschrijvingen en waardeverminderingen op
oprichtingskosten, op immateriële en materiële
vaste activa;
- afschrijvingen en waardeverminderingen op
oprichtingskosten, op immateriële en materiële
vaste activa;
- waardevermindering op voorraden, op
bestellingen
in
uitvoering
en
op
handelsvorderingen:
toevoegingen
(terugnemingen);
- waardevermindering op voorraden, op
bestellingen
in
uitvoering
en
op
handelsvorderingen:
toevoegingen
(terugnemingen);
-
uitzonderlijke
afschrijvingen
en
waardeverminderingen op oprichtingskosten,
op immateriële en materiële vaste activa;
-
uitzonderlijke
afschrijvingen
en
waardeverminderingen op oprichtingskosten,
op immateriële en materiële vaste activa;
- terugneming van afschrijvingen en van
waardeverminderingen
op
immateriële
en
materiële vaste activa.
- terugneming van afschrijvingen en van
waardeverminderingen
op
immateriële
en
materiële vaste activa.
263
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
56
Art. 358/1, WIB 92 (nieuw)
Art. 358/1. Wanneer wordt vastgesteld dat
beroepsverliezen van een belastbaar tijdperk,
geheel of gedeeltelijk, ten onrechte bij
toepassing van artikel 78, § 2, of artikel 206, § 4
zijn afgetrokken van de beroepsinkomsten van
vorige belastbare tijdperken en de belasting voor
deze tijdperken geheel of gedeeltelijk in
toepassing van artikel 375/1 ten onrechte werd
ontheven, kan die ten onrechte verleende aftrek
worden rechtgezet gedurende de aanslagtermijn
die van toepassing is met betrekking tot het
belastbare tijdperk waarin deze beroepsverliezen
zijn ontstaan.
Art. 375/1, WIB 92 (nieuw)
Art. 375/1. De adviseur-generaal van de
administratie belast met de vestiging van de
inkomstenbelastingen of de door hem
gedelegeerde ambtenaar verleent van
rechtswege ontheffing van het teveel aan
gevestigde belasting ingevolge de achterwaartse
aftrek van beroepsverliezen bij toepassing van
artikel 78, § 2 of artikel 206, § 4.
Art. 409, WIB 92
In geval van bezwaar, van een in artikel 376
bedoelde aanvraag om ontheffing of van een
vordering in rechte, kan de betwiste aanslag, in
hoofdsom,
opcentiemen
en
verhogingen,
vermeerderd met de erop betrekking hebbende
interesten en kosten, voor het geheel het
voorwerp zijn van bewarende beslagen, van
middelen tot tenuitvoerlegging of van alle andere
maatregelen, welke ertoe strekken de invordering
te waarborgen.
In geval van bezwaar, van een in de artikelen 375/1
en 376 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een
vordering in rechte, kan de betwiste aanslag, in
hoofdsom,
opcentiemen
en
verhogingen,
vermeerderd met de erop betrekking hebbende
interesten en kosten, voor het geheel het voorwerp
zijn van bewarende beslagen, van middelen tot
tenuitvoerlegging of van alle andere maatregelen,
welke ertoe strekken de invordering te waarborgen.
Art. 410, eerste lid, WIB 92
Evenwel wordt in geval van bezwaar, van een in
artikel 376 bedoelde aanvraag om ontheffing of
van een vordering in rechte, de betwiste aanslag
in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen,
vermeerderd met de daarop betrekking hebbende
interesten, beschouwd als zekere en vaststaande
schuld en kan, evenals de kosten van alle aard,
door middelen van tenuitvoerlegging worden
ingevorderd, in de mate dat zij overeenstemt met
het bedrag van de aangegeven inkomsten of,
wanneer zij ambtshalve werd gevestigd bij
nietaangifte, voor zover zij niet meer bedraagt
dan de laatste aanslag welke, voor een vorig
aanslagjaar, definitief gevestigd werd ten laste
Evenwel wordt in geval van bezwaar, van een in de
artikelen 375/1 en 376 bedoelde aanvraag om
ontheffing of van een vordering in rechte, de betwiste
aanslag in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen,
vermeerderd met de daarop betrekking hebbende
interesten, beschouwd als zekere en vaststaande
schuld en kan, evenals de kosten van alle aard, door
middelen van tenuitvoerlegging worden ingevorderd,
in de mate dat zij overeenstemt met het bedrag van
de
aangegeven
inkomsten
of,
wanneer
zij
ambtshalve werd gevestigd bij nietaangifte, voor
zover zij niet meer bedraagt dan de laatste aanslag
welke,
voor
een
vorig
aanslagjaar,
definitief
264
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
57
van de belastingschuldige.
gevestigd werd ten laste van de belastingschuldige.
Art. 415/1, WIB 92 (nieuw)
Art. 415/1. Wanneer bij toepassing van artikel
375/1 ontheffing werd verleend en het bedrag van
de beroepsverliezen dat bij toepassing van
artikel 78, § 2, of 206, § 4, in aanmerking komt
voor de achterwaartse verliesaftrek wordt
gewijzigd, is, in afwijking van de artikelen 414 en
415, op het gedeelte van de belasting dat
verband houdt met de wijziging van het bedrag
van de in aftrek te brengen beroepsverliezen een
nalatigheidsintrest verschuldigd, berekend
overeenkomstig artikel 414, § 1, vanaf de eerste
dag van de maand die volgt op de maand waarin
de ontheffing werd verleend.
Art. 419, eerste lid, WIB 92
Geen moratoriuminterest wordt toegekend :
Geen moratoriuminterest wordt toegekend :
1° wanneer hij geen 5 EUR per maand
bedraagt, per aanslag, voor eenzelfde
aanslagjaar;
1° wanneer hij geen 5 EUR per maand bedraagt,
per aanslag, voor eenzelfde aanslagjaar;
2° wanneer de terugbetaling voortvloeit uit de
kwijtschelding of de vermindering van een
boete of een belastingverhoging toegekend
als genademaatregel ;
2° wanneer de terugbetaling voortvloeit uit de
kwijtschelding of de vermindering van een boete
of een belastingverhoging toegekend als
genademaatregel ;
3° in geval van terugbetaling van het
overschot van bedrijfsvoorheffing, roerende
voorheffing of voorafbetalingen aan de
verkrijger van de inkomsten, uiterlijk op het
einde van de tweede maand die volgt op de
maand waarin de aanslagtermijn vermeld in
artikel 359 of in artikel 353 is verstreken ;
3° in geval van terugbetaling van het overschot
van bedrijfsvoorheffing, roerende voorheffing of
voorafbetalingen aan de verkrijger van de
inkomsten, uiterlijk op het einde van de tweede
maand die volgt op de maand waarin de
aanslagtermijn vermeld in artikel 359 of in artikel
353 is verstreken ;
4° in geval van terugbetaling van als roerende
voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte
bedragen aan de in de artikelen 261 en 270
bedoelde schuldenaars ervan ;
4° in geval van terugbetaling van als roerende
voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte
bedragen aan de in de artikelen 261 en 270
bedoelde schuldenaars ervan ;
4°/1 in geval van een terugbetaling van belasting
met toepassing van artikel 375/1;
5° in geval van terugbetaling van
voorafbetalingen, met toepassing van artikel
376, § 4;
5° in geval van terugbetaling van
voorafbetalingen, met toepassing van artikel 376,
§ 4;
6° wanneer de administratie redelijkerwijze in de
onmogelijkheid verkeerde om de terugbetaling te
voldoen, omwille van onder meer de afwezigheid
van gegevens over de identiteit of de
bankgegevens van de begunstigde of
begunstigden en dit, tijdens de periode die zich
uitstrekt van de eerste dag van de maand volgend
op deze waarin de terugbetaling zou moeten zijn
voldaan indien de administratie over de
noodzakelijke gegevens had beschikt tot het
einde van de tweede maand volgend op deze
waarin de ingebrekestelling werd verstuurd aan
de administratie, en op voorwaarde dat deze
6° wanneer de administratie redelijkerwijze in de
onmogelijkheid verkeerde om de terugbetaling te
voldoen, omwille van onder meer de afwezigheid
van gegevens over de identiteit of de
bankgegevens van de begunstigde of
begunstigden en dit, tijdens de periode die zich
uitstrekt van de eerste dag van de maand
volgend op deze waarin de terugbetaling zou
moeten zijn voldaan indien de administratie over
de noodzakelijke gegevens had beschikt tot het
einde van de tweede maand volgend op deze
waarin de ingebrekestelling werd verstuurd aan
de administratie, en op voorwaarde dat deze
265
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
58
onmogelijkheid ophield te bestaan.
onmogelijkheid ophield te bestaan.
Art. 443ter, WIB 92
§ 1. Elk rechtsgeding met betrekking tot de
vestiging, de inning of de invordering van de
belastingen
en
voorheffingen
dat
wordt
ingesteld door de Belgische Staat, door de
schuldenaar
van
deze
belastingen
of
voorheffingen of door ieder ander persoon die
gehouden is tot de betaling van de schuld op
grond van dit Wetboek, van de besluiten
genomen ter uitvoering ervan of van het
gemeen recht, schorst de verjaring.
§ 1. Elk rechtsgeding met betrekking tot de
vestiging, de inning of de invordering van de
belastingen
en
voorheffingen
dat
wordt
ingesteld door de Belgische Staat, door de
schuldenaar
van
deze
belastingen
of
voorheffingen of door ieder ander persoon die
gehouden is tot de betaling van de schuld op
grond van dit Wetboek, van de besluiten
genomen ter uitvoering ervan of van het
gemeen recht, schorst de verjaring.
Het bezwaar en de in artikel 376 bedoelde
aanvraag tot ontheffing schorsen eveneens de
verjaring.
Het bezwaar en de in de artikelen 375/1 en
376 bedoelde aanvraag tot ontheffing schorsen
eveneens de verjaring.
§ 2. De schorsing vangt aan met de
inleidende vordering en eindigt wanneer de
rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is
gegaan.
§ 2. De schorsing vangt aan met de inleidende
vordering en eindigt wanneer de rechterlijke
beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Evenwel in geval van bezwaarschrift of
aanvraag tot ambtshalve ontheffing bedoeld in
artikel 376, vangt de schorsing aan met het
verzoek waarbij het administratief beroep
wordt ingeleid. Zij eindigt :
Evenwel in geval van bezwaarschrift of
aanvraag tot ontheffing bedoeld in de
artikelen 375/1 en 376, vangt de schorsing aan
met het verzoek waarbij het administratief
beroep wordt ingeleid. Zij eindigt :
-
wanneer
de
belastingplichtige
een
rechtsvordering heeft ingesteld, op de dag dat
de
rechterlijke
beslissing
in kracht
van
gewijsde is gegaan ;
-
wanneer
de
belastingplichtige
een
rechtsvordering heeft ingesteld, op de dag dat
de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde
is gegaan ;
- in de andere gevallen, na verloop van de
termijn die voor de belastingplichtige openstaat
om een beroep in te stellen tegen de
administratieve beslissing.
- in de andere gevallen, na verloop van de
termijn die voor de belastingplichtige openstaat
om een beroep in te stellen tegen de
administratieve beslissing.
§ 3. Elke daad van onderzoek of van
vervolging als bedoeld in artikel 22 van de
Voorafgaande Titel van het Wetboek van
strafvordering
betreffende
de
misdrijven
bedoeld in de artikelen 449 tot 452 schorst de
verjaring
van
de
belastingen
en
de
voorheffingen die erop betrekking hebben.
§ 3. Elke daad van onderzoek of van
vervolging als bedoeld in artikel 22 van de
Voorafgaande Titel van het Wetboek van
strafvordering
betreffende
de
misdrijven
bedoeld in de artikelen 449 tot 452 schorst de
verjaring
van
de
belastingen
en
de
voorheffingen die erop betrekking hebben.
De schorsing vangt aan met het op gang
brengen van de strafvordering, en eindigt met
het staken van de strafrechtelijke vervolging,
het verval van de strafvordering of wanneer
het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is
gegaan voor de misdrijven bedoeld in het
eerste lid.
De schorsing vangt aan met het op gang
brengen van de strafvordering, en eindigt met
het staken van de strafrechtelijke vervolging,
het verval van de strafvordering of wanneer het
vonnis of arrest in kracht van gewijsde is
gegaan voor de misdrijven bedoeld in het
eerste lid.
266
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1
Coordination des articles
Texte de base
Texte de base adapté au projet
TITRE II – DISPOSITIONS FISCALES
Chapitre 1er – Statut unique
Art. 67quater, du Code des impôts sur les
revenus 1992
Des bénéfices et profits sont exonérés d'impôts
jusqu'à un certain montant de rémunération
attribuée à leurs travailleurs qui ont, chez le
contribuable concerné, au moins 5 années de
service après le 1er janvier 2014.
Des bénéfices et profits sont exonérés d'impôts
jusqu'à un certain montant de rémunération
attribuée à leurs travailleurs qui ont, chez le
contribuable concerné, au moins 5 années de
service après le 1er janvier 2014.
Le montant des bénéfices et profits à exonérer
s'élève à 3 semaines de rémunération par
année de service commencée à partir de la 6e
année de service après le 1er janvier 2014. A
partir de la 21e année de service après le 1er
janvier 2014, l'exonération d'impôt s'élève à 1
semaine
de
rémunération
par
année
supplémentaire de service commencée.
Par travailleur visé à l’alinéa 1er, le montant
des bénéfices et profits à exonérer pour la
période imposable s'élève à :
-
trois semaines de rémunération, de la
sixième
année
de
service
jusqu'à
la
vingtième année incluse commencée par ce
travailleur après le 1er janvier 2014 ;
-
une semaine de rémunération, à partir
de la vingt et unième année de service
commencée par ce travailleur après le 1er
janvier 2014.
Le montant des bénéfices et profits à
exonérer visé à l'alinéa 2 qui est, le cas
échéant, limité en application de l'alinéa 4,
est étalé sur la période imposable et les
quatre périodes imposables suivantes à
concurrence
de
20
p.c.
par
période
imposable.
Le Roi peut établir, par arrêté délibéré en
Conseil des ministres, un montant maximum en
ce qui concerne les rémunérations visées à
l'alinéa 2, sur lesquelles l'exonération est
calculée. Il saisira les Chambres législatives,
immédiatement si elles sont réunies, sinon dès
l'ouverture de leur plus prochaine session, d'un
projet de loi de confirmation des arrêtés pris en
exécution du présent alinéa.
Le Roi peut établir, par arrêté délibéré en
Conseil des ministres, un montant maximum
de
rémunération
mensuelle
brute
par
travailleur
en
ce
qui
concerne
les
rémunérations visées à l'alinéa 2, sur lesquelles
l'exonération est calculée.
Le Roi saisira la Chambre des représentants
immédiatement si elle est réunie, sinon dès
l'ouverture de sa plus prochaine session,
267
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2
d'un projet de loi de confirmation des arrêtés
pris en exécution de l’alinéa 4. Lesdits
arrêtés sont censés ne pas avoir produit
leurs effets s'ils n'ont pas été confirmés par
la loi dans les douze mois de la date de leur
publication au Moniteur belge.
La rémunération mensuelle brute à prendre
en compte est la rémunération mensuelle
brute
moyenne,
avant
retenue
des
cotisations personnelles de sécurité sociale,
calculée sur le total du nombre de mois de la
période
imposable
pour
laquelle
l’exonération est sollicitée.
Pour
déterminer
la
rémunération
hebdomadaire, le montant maximum de
rémunération mensuelle brute est multiplié
par trois et divisé par treize.
Lorsque
le
travailleur
concerné
quitte
l'entreprise, le montant total déjà exonéré pour
ce travailleur doit être repris dans les bénéfices
et profits de la période imposable dont l'emploi
prend fin.
Lorsque
le
travailleur
concerné
quitte
l'entreprise, le montant total déjà exonéré pour
ce travailleur doit être repris dans les bénéfices
et profits de la période imposable au cours de
laquelle l'emploi prend fin et le montant
encore à exonérer pour ce travailleur suite à
l’étalement visé à l’alinéa 3 ne peut plus être
exonéré.
En ce qui concerne les contribuables qui
prennent part à des opérations visées aux
articles 46 et 211, les dispositions du présent
article restent applicables comme si ces
opérations n'avaient pas eu lieu.
En ce qui concerne les contribuables qui
prennent part à des opérations visées aux
articles 46 et 211, les dispositions du présent
article restent applicables comme si ces
opérations n'avaient pas eu lieu.
Le Roi règle l'exécution du présent article.
Le Roi règle l'exécution du présent article.
Chapitre 2 – ATAD – Limitation d'intérêts
Art. 35 de la loi du 25 décembre 2017 portant
réforme de l'impôt des sociétés
Dans le titre III, chapitre II, section III, sous-
section VII, du même Code, insérée par l'article
33, un article 194septies est inséré, rédigé
comme suit :
(Retiré)
"Art. 194septies. Les bénéfices sont exonérés à
concurrence de l'indemnité visée à l'article
205/5, § 3, alinéa 4, qui en exécution de la
convention de transfert intra-groupe visée à
l'article 205/5, § 3, est perçue en contrepartie
de l'incorporation du montant du transfert intra-
groupe dans les bénéfices de la période
imposable.".
268
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
3
Art. 86 de la loi du 25 décembre 2017 portant
réforme de l'impôt des sociétés
(…)
(…)
B1. Les articles 3, 18, 1°, 2° et 4°, 20, 33, 35,
39, 5° et 9°, 44, 2° et 3°, 47, 48, 53, 2°, 53/1, 73
et 73/1 entrent en vigueur le 1er janvier 2019 et
sont
applicables
à
partir
de
l'exercice
d'imposition 2020 se rattachant à une période
imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier
2019.
B1. Les articles 3, 18, 1°, 2° et 4°, 20, 33, 34,
36, 39, 5° à 15°, 40, 44, 2° et 3°, 47, 48, 53, 2°,
53/1, 73 et 73/1 entrent en vigueur le 1er janvier
2019 et sont applicables à partir de l'exercice
d'imposition 2020 se rattachant à une période
imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier
2019.
B2. Les articles 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18,
3°, 20/1, 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° et 6°, 31,
2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° à 8° et 10° à 15°, 40,
41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, 55, 4°, 58, 61, 1°,
62 à 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83 et 84 entrent
en vigueur le 1er janvier 2020 et sont
applicables à partir de l'exercice d'imposition
2021 se rattachant à une période imposable qui
débute au plus tôt le 1er janvier 2020.
B2. Les articles 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18,
3°, 20/1, 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° et 6°, 31,
2°, 39, 2° et 4°, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, 55,
4°, 58, 61, 1°, 62 à 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83
et 84 entrent en vigueur le 1er janvier 2020 et
sont
applicables
à
partir
de
l'exercice
d'imposition 2021 se rattachant à une période
imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier
2020.
(…).
(…).
Chapitre 3 – Rémunérations reçues d'une
société étrangère liée à l'employeur
Section première – Modifications du Code
des impôts sur les revenus 1992
Art. 270, CIR 92
Sont redevables du précompte professionnel :
Sont redevables du précompte professionnel :
1° les contribuables visés aux articles 3, 179 ou
220, qui, à titre de débiteur, dépositaire,
mandataire
ou
intermédiaire,
paient
ou
attribuent en Belgique ou à l'étranger des
rémunérations visées à l'article 30, 1° et 2°,
pensions, rentes et allocations, de même que
les non-résidents visés à l'article 227 pour
lesquels les rémunérations visées à l'article 30,
1° et 2°, pensions, rentes et allocations qu'ils
paient ou attribuent en Belgique ou à l'étranger
constituent des frais professionnels au sens de
l'article 237 ;
1° les contribuables visés aux articles 3, 179 ou
220, qui, à titre de débiteur, dépositaire,
mandataire ou intermédiaire, paient ou attribuent
en Belgique ou à l'étranger des rémunérations
visées à l'article 30, 1° et 2°, pensions, rentes et
allocations, de même que les non-résidents
visés
à
l'article
227
pour
lesquels
les
rémunérations visées à l'article 30, 1° et 2°,
pensions, rentes et allocations qu'ils paient ou
attribuent en Belgique ou à l'étranger constituent
des frais professionnels au sens de l'article 237 ;
2° ceux qui emploient, en Belgique, des
personnes liées par un contrat de travail et dont
la
rémunération
est
totalement
ou
principalement constituée par des pourboires
ou pourcentages de service payés par la
clientèle ;
2° ceux qui emploient, en Belgique, des
personnes liées par un contrat de travail et dont
la
rémunération
est
totalement
ou
principalement constituée par des pourboires ou
pourcentages de service payés par la clientèle ;
3° ceux qui, au titre de débiteur, dépositaire,
3° ceux qui, au titre de débiteur, dépositaire,
269
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
4
mandataire
ou
intermédiaire,
paient
ou
attribuent des revenus d'artistes du spectacle
ou de sportifs visés à l'article 228, § 2, 8° ou, à
défaut, l'organisateur des représentations ou
des épreuves ;
mandataire ou intermédiaire, paient ou attribuent
des revenus d'artistes du spectacle ou de
sportifs visés à l'article 228, § 2, 8° ou, à défaut,
l'organisateur
des
représentations
ou
des
épreuves ;
4° celui qui est mandaté par les membres d'une
société ou association visées à l'article 229, §
3, pour les représenter en matière fiscale ou, à
défaut, chacun des associés ou membres,
solidairement ;
4° celui qui est mandaté par les membres d'une
société ou association visées à l'article 229, § 3,
pour les représenter en matière fiscale ou, à
défaut, chacun des associés ou membres,
solidairement ;
5° ceux qui ont l'obligation de faire enregistrer
les actes et déclarations en vertu de l'article 35
du
Code
des
droits
d'enregistrement,
d'hypothèque et de greffe, lorsqu'il s'agit d'actes
ou de déclarations constatant la cession, à titre
onéreux, de biens immobiliers situés en
Belgique ou de droits réels portant sur ces
biens, par un contribuable visé à l'article 227, 1°
ou 2° ;
5° ceux qui ont l'obligation de faire enregistrer
les actes et déclarations en vertu de l'article 35
du
Code
des
droits
d'enregistrement,
d'hypothèque et de greffe, lorsqu'il s'agit d'actes
ou de déclarations constatant la cession, à titre
onéreux,
de
biens
immobiliers
situés
en
Belgique ou de droits réels portant sur ces
biens, par un contribuable visé à l'article 227, 1°
ou 2° ;
6° ceux qui, au titre de curateurs de faillites,
liquidateurs
de
concordats
judiciaires,
liquidateurs de sociétés ou qui exercent des
fonctions analogues sont tenus à honorer des
créances ayant le caractère de rémunérations
au sens de l'article 30 ;
6° ceux qui, au titre de curateurs de faillites,
liquidateurs
de
concordats
judiciaires,
liquidateurs de sociétés ou qui exercent des
fonctions analogues sont tenus à honorer des
créances ayant le caractère de rémunérations
au sens de l'article 30 ;
7° ceux qui, au titre de débiteur, dépositaire,
mandataire
ou
intermédiaire,
paient
ou
attribuent des revenus visés à l’article 228, § 3.
7° ceux qui, au titre de débiteur, dépositaire,
mandataire ou intermédiaire, paient ou attribuent
des revenus visés à l’article 228, § 3.
Pour
l'application
du
précompte
professionnel :
a) le contribuable visé aux articles 179 ou
220 est censé attribuer les rémunérations
visées
à
l'article
30,
1°
et
2°
qu'un
bénéficiaire reçoit d'une société étrangère
liée au contribuable au sens de l'article 1:20
du Code des sociétés et des associations, en
raison
ou
à
l'occasion
de
l'activité
professionnelle du bénéficiaire au profit du
contribuable ;
b) le contribuable visé à l'article 227, 2° et 3°,
est censé attribuer les rémunérations visées
à l'article 30, 1° et 2° qu'un bénéficiaire reçoit
d'une société étrangère liée au contribuable
au sens de l'article 1:20 du Code des
sociétés et des associations, en raison ou à
l'occasion de l'activité professionnelle du
bénéficiaire au profit du contribuable pour
laquelle le contribuable paye ou attribue en
Belgique ou à l'étranger des rémunérations
visées à l'article 30, 1° et 2°, qui constituent
270
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
5
des frais professionnels au sens de l'article
237.
Art. 272, CIR 92
Sauf convention contraire :
Sauf convention contraire :
1° les redevables désignés à l’article 270, 1°,
3°, 6° et 7°, ont le droit de retenir sur les
revenus imposables le précompte y afférent ;
1° les redevables désignés à l’article 270,
alinéa 1er, 1°, 3°, 6° et 7°, ont le droit de retenir
sur les revenus imposables le précompte y
afférent ;
2° les redevables désignés à l'article 270, 2°
ont le droit de se faire remettre anticipativement
le montant du précompte dû sur les pourboires
ou pourcentages de service.
2° les redevables désignés à l'article 270,
alinéa 1er, 2° ont le droit de se faire remettre
anticipativement le montant du précompte dû sur
les pourboires ou pourcentages de service ;
3° les redevables en application de l'article
270, alinéa 2, ont le droit de retenir le
précompte sur l'ensemble des revenus
imposables dont ils sont débiteurs.
Nonobstant toute convention contraire, les
redevables désignés à l'article 270, 5°, doivent
retenir sur les plus-values comprises dans les
bénéfices ou profits visés à l'article 228, § 2, 3°,
a et 4°, le précompte y afférent.
Nonobstant toute convention contraire, les
redevables désignés à l'article 270, alinéa 1er,
5°, doivent retenir sur les plus-values comprises
dans les bénéfices ou profits visés à l'article
228, § 2, 3°, a et 4°, le précompte y afférent.
Art. 2751, alinéa 1er, CIR 92
Les employeurs définis à l'alinéa 2 qui paient
ou attribuent des rémunérations concernant du
travail supplémentaire presté par le travailleur
et
qui
sont
redevables
du
précompte
professionnel sur ces rémunérations en vertu
de l'article 270, 1°, sont dispensés de verser au
Trésor une partie du précompte professionnel
qui est dû sur les rémunérations imposables
dans
lesquelles
sont
comprises
les
rémunérations obtenues suite aux heures
supplémentaires prestées par le travailleur, à
condition de retenir sur ces rémunérations la
totalité dudit précompte.
Les employeurs définis à l'alinéa 2 qui paient ou
attribuent des rémunérations concernant du
travail supplémentaire presté par le travailleur et
qui sont redevables du précompte professionnel
sur ces rémunérations en vertu de l'article 270,
alinéa 1er, 1°, sont dispensés de verser au
Trésor une partie du précompte professionnel
qui est dû sur les rémunérations imposables
dans
lesquelles
sont
comprises
les
rémunérations
obtenues
suite
aux
heures
supplémentaires prestées par le travailleur, à
condition de retenir sur ces rémunérations la
totalité dudit précompte.
Art. 2752, § 1er, CIR 92
§ 1er. Le présent article est applicable aux
employeurs qui appartiennent au secteur de la
marine
marchande,
du
dragage
et
du
remorquage
et
qui
sont
redevables
du
précompte professionnel en application de
l'article 270, 1°.
§ 1er. Le présent article est applicable aux
employeurs qui appartiennent au secteur de la
marine
marchande,
du
dragage
et
du
remorquage
et
qui
sont
redevables
du
précompte professionnel en application de
l'article 270, alinéa 1er, 1°.
Art. 2753, § 1er, alinéa 1er, CIR 92
§ 1er. Les universités et hautes écoles qui
paient ou attribuent des rémunérations à des
chercheurs assistants et le "Federaal Fonds
§ 1er. Les universités et hautes écoles qui paient
ou
attribuent
des
rémunérations
à
des
chercheurs assistants et le "Federaal Fonds
271
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
6
voor Wetenschappelijk Onderzoek - le Fonds
fédéral
de
la
Recherche
scientifique
-
FFWO/FFRS",
le
"Fonds
voor
Wetenschappelijk
Onderzoek-Vlaanderen
–
FWO", le "Fonds de la Recherche scientifique -
FNRS - FRS-FNRS" qui paient ou attribuent
des
rémunérations
aux
chercheurs
post-
doctoraux et qui sont redevables du précompte
professionnel sur ces rémunérations en vertu
de l'article 270, 1°, sont dispensées de verser
au
Trésor
80
p.c.
de
ce
précompte
professionnel, à condition de retenir sur les
dites rémunérations 100 p.c. dudit précompte.
Les institutions visées au présent alinéa
n'affectent pas les sommes qu'elles ne sont pas
tenues de verser en vertu du présent article au
financement de la recherche qui a donné lieu à
la dispense de l'obligation de versement.
voor Wetenschappelijk Onderzoek - le Fonds
fédéral
de
la
Recherche
scientifique
-
FFWO/FFRS", le "Fonds voor Wetenschappelijk
Onderzoek-Vlaanderen – FWO", le "Fonds de la
Recherche scientifique - FNRS - FRS-FNRS" qui
paient ou attribuent des rémunérations aux
chercheurs
post-doctoraux
et
qui
sont
redevables du précompte professionnel sur ces
rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa
1er, 1°, sont dispensées de verser au Trésor 80
p.c. de ce précompte professionnel, à condition
de retenir sur les dites rémunérations 100 p.c.
dudit précompte. Les institutions visées au
présent alinéa n'affectent pas les sommes
qu'elles ne sont pas tenues de verser en vertu
du présent article au financement de la
recherche qui a donné lieu à la dispense de
l'obligation de versement.
Art. 2754, § 1er, alinéa 1er, CIR 92
§ 1er. Le présent article est applicable aux
employeurs appartenant au secteur de la pêche
en mer qui sont, en application de l'article 270,
1°, redevables du précompte professionnel en
raison du paiement ou de l'attribution, visé à
l'article 273, 1°, des rémunérations imposables
de leurs travailleurs occupés à bord d'un navire
enregistré dans un Etat membre de l'Union
européenne et muni d'une lettre de mer. Le
présent article n'est toutefois applicable qu'en
ce qui concerne le précompte professionnel
retenu en exécution de l'article 272.
§ 1er. Le présent article est applicable aux
employeurs appartenant au secteur de la pêche
en mer qui sont, en application de l'article 270,
alinéa
1er,
1°,
redevables
du
précompte
professionnel en raison du paiement ou de
l'attribution, visé à l'article 273, 1°, des
rémunérations imposables de leurs travailleurs
occupés à bord d'un navire enregistré dans un
Etat membre de l'Union européenne et muni
d'une lettre de mer. Le présent article n'est
toutefois applicable qu'en ce qui concerne le
précompte professionnel retenu en exécution de
l'article 272.
Art. 2755, § 1er, alinéa 1er, CIR 92
§ 1er. Les entreprises où s'effectue un travail en
équipe ou un travail de nuit, qui paient ou
attribuent une prime d'équipe et qui sont
redevables du précompte professionnel sur
cette prime en vertu de l'article 270, 1°, sont
dispensées de verser au Trésor un montant de
précompte professionnel égal à 22,8 p.c. de
l'ensemble des rémunérations imposables de
tous les travailleurs concernés par le présent
paragraphe, primes d'équipe comprises, à
condition de retenir sur ces rémunérations et
primes la totalité dudit précompte.
§ 1er. Les entreprises où s'effectue un travail en
équipe ou un travail de nuit, qui paient ou
attribuent une prime d'équipe et qui sont
redevables du précompte professionnel sur cette
prime en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°,
sont dispensées de verser au Trésor un montant
de précompte professionnel égal à 22,8 p.c. de
l'ensemble des rémunérations imposables de
tous les travailleurs concernés par le présent
paragraphe, primes d'équipe comprises, à
condition de retenir sur ces rémunérations et
primes la totalité dudit précompte.
Art. 2756, CIR 92
Les redevables de précompte professionnel
visés à l'article 270, 1°, qui paient ou attribuent
des rémunérations visées à l'article 30, 1°, à
des sportifs qui n'ont pas atteint l'âge de 26 ans
le 1er janvier de l'année qui suit celle au cours
Les redevables de précompte professionnel
visés à l'article 270, alinéa 1er, 1°, qui paient ou
attribuent des rémunérations visées à l'article
30, 1°, à des sportifs qui n'ont pas atteint l'âge
de 26 ans le 1er janvier de l'année qui suit celle
272
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
7
de laquelle la dispense est demandée, sont
dispensés de verser au Trésor 70 p.c. de ce
précompte professionnel.
au cours de laquelle la dispense est demandée,
sont dispensés de verser au Trésor 70 p.c. de
ce précompte professionnel.
(…)
(…)
Le présent article s'applique également aux
redevables du précompte professionnel visés à
l'article 270, 3°, qui paient ou attribuent
directement à des sportifs des rémunérations
visées à l'article 232, alinéa 1er, 2°, c.
Le présent article s'applique également aux
redevables du précompte professionnel visés à
l'article 270, alinéa 1er, 3°, qui paient ou
attribuent directement à des sportifs des
rémunérations visées à l'article 232, alinéa 1er,
2°, c.
Art. 2757, alinéa 1er, CIR 92
Les employeurs définis à l'alinéa 2 qui paient
ou attribuent des rémunérations et qui sont
redevables du précompte professionnel sur ces
rémunérations en vertu de l'article 270, 1°, sont
dispensés de verser au Trésor une partie de ce
précompte professionnel, à condition de retenir
sur
ces
rémunérations
la
totalité
dudit
précompte.
Les employeurs définis à l'alinéa 2 qui paient ou
attribuent
des rémunérations
et qui
sont
redevables du précompte professionnel sur ces
rémunérations en vertu de l'article 270, alinéa
1er, 1°, sont dispensés de verser au Trésor une
partie
de
ce
précompte
professionnel,
à
condition de retenir sur ces rémunérations la
totalité dudit précompte.
Art. 2758, § 1er, alinéa 1er, CIR 92
§ 1er. Les employeurs visés au § 2, qui
effectuent un investissement, comme visé au §
3 dans un établissement situé dans une zone
d'aide visée à l'arrêté pris par le Roi en
exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai
2014
portant
exécution
du
Pacte
de
compétitivité, d'emploi et de relance, qui ont
valablement remis un formulaire tel que visé au
§ 5, qui paient ou attribuent des rémunérations
et
qui
sont
redevables
du
précompte
professionnel sur ces rémunérations en vertu
de l'article 270, 1°, sont temporairement
dispensés de verser au Trésor 25 p.c. du
précompte
professionnel
relatif
aux
rémunérations visés au § 4, à condition de
retenir sur ces rémunérations la totalité dudit
précompte.
§ 1er. Les employeurs visés au § 2, qui
effectuent un investissement, comme visé au § 3
dans un établissement situé dans une zone
d'aide visée à l'arrêté pris par le Roi en
exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014
portant exécution du Pacte de compétitivité,
d'emploi et de relance, qui ont valablement
remis un formulaire tel que visé au § 5, qui
paient ou attribuent des rémunérations et qui
sont redevables du précompte professionnel sur
ces rémunérations en vertu de l'article 270,
alinéa 1er, 1°, sont temporairement dispensés
de verser au Trésor 25 p.c. du précompte
professionnel relatif aux rémunérations visés au
§ 4, à condition de retenir sur ces rémunérations
la totalité dudit précompte.
Art. 2759, § 1er, alinéa 1er, CIR 92
§ 1er. Les employeurs visés au § 2, qui
effectuent un investissement, comme visé au §
3 dans un établissement situé dans une zone
d'aide visée dans le groupe A de l'arrêté pris
par le Roi en exécution de l'article 16 de la loi
du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de
compétitivité, d'emploi et de relance, qui ont
valablement remis un formulaire tel que visé à
l'article 2758, § 5, qui paient ou attribuent des
rémunérations et qui sont redevables du
précompte professionnel sur ces rémunérations
§ 1er. Les employeurs visés au § 2, qui
effectuent un investissement, comme visé au § 3
dans un établissement situé dans une zone
d'aide visée dans le groupe A de l'arrêté pris par
le Roi en exécution de l'article 16 de la loi du 15
mai 2014 portant exécution du pacte de
compétitivité, d'emploi et de relance, qui ont
valablement remis un formulaire tel que visé à
l'article 2758, § 5, qui paient ou attribuent des
rémunérations et qui sont redevables du
précompte professionnel sur ces rémunérations
273
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
8
en
vertu
de
l'article
270,
1°,
sont
temporairement dispensés de verser au Trésor
25 p.c. du précompte professionnel relatif aux
rémunérations visées à l'article 2758, § 4, à
condition de retenir sur ces rémunérations la
totalité dudit précompte.
en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont
temporairement dispensés de verser au Trésor
25 p.c. du précompte professionnel relatif aux
rémunérations visées à l'article 2758, § 4, à
condition de retenir sur ces rémunérations la
totalité dudit précompte.
Art. 27510, alinéa 1er, CIR 92
Les employeurs définis à l'alinéa 2, qui paient
ou
attribuent
des
rémunérations
à
des
travailleurs
et
qui
sont
redevables
du
précompte professionnel sur ces rémunérations
en vertu de l'article 270, 1°, sont dispensés de
verser 10 p.c. de ce précompte professionnel
au Trésor, à condition de retenir la totalité dudit
précompte sur ces rémunérations.
Les employeurs définis à l'alinéa 2, qui paient ou
attribuent des rémunérations à des travailleurs
et
qui
sont
redevables
du
précompte
professionnel sur ces rémunérations en vertu
de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont dispensés
de verser 10 p.c. de ce précompte professionnel
au Trésor, à condition de retenir la totalité dudit
précompte sur ces rémunérations.
Art. 27511, alinéa 1er, CIR 92
Les employeurs qui paient ou attribuent à de
jeunes travailleurs un supplément forfaitaire
visé à l'article 33bis, § 4, de la loi du 24
décembre 1999 en vue de la promotion de
l'emploi, et qui, en vertu de l'article 270, 1°, sont
redevables du précompte professionnel sur les
rémunérations qu'ils paient ou attribuent à de
jeunes travailleurs, sont dispensés de verser au
Trésor une partie du précompte professionnel
dont ils sont redevables après application des
articles 2751 à 27510.
Les employeurs qui paient ou attribuent à de
jeunes travailleurs un supplément forfaitaire visé
à l'article 33bis, § 4, de la loi du 24 décembre
1999 en vue de la promotion de l'emploi, et qui,
en vertu de l'article 270, alinéa 1er, 1°, sont
redevables du précompte professionnel sur les
rémunérations qu'ils paient ou attribuent à de
jeunes travailleurs, sont dispensés de verser au
Trésor une partie du précompte professionnel
dont ils sont redevables après application des
articles 2751 à 27510.
Art. 412bis, CIR 92
Par dérogation à l'article 412, alinéa 2, le
précompte professionnel afférent aux plus-
values visées à l'article 272, alinéa 2, est
payable lors de l'enregistrement des actes et
déclarations visés à l'article 270, 5°.
Par dérogation à l'article 412, alinéa 2, le
précompte professionnel afférent aux plus-
values visées à l'article 272, alinéa 2, est
payable lors de l'enregistrement des actes et
déclarations visés à l'article 270, alinéa 1er, 5°.
Le Roi fixe les modalités d'application du
présent article.
Le Roi fixe les modalités d'application du
présent article.
Section 2 – Obligation transitoire pour les
revenus de la période imposable 2018
TITRE III – LUTTE CONTRE LA FRAUDE
274
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
9
Chapitre 1er. – Modifications en matiere
d’impots sur les revenus
Section première – Echange de données
avec des pays tiers
Art. 338ter, CIR 92 (nouveau)
Afin de pouvoir transmettre les données
visées à l'article 338, § 24/1 aux autorités
compétentes étrangères et aux autorités
compétentes des pays tiers, conformément
au fondement juridique qui règle l'échange
d'informations entre la Belgique et le pays
tiers, les données susvisées peuvent être
demandées conformément à l'article 30,
alinéa 2 et à l'article 31, alinéa 7 de la
Directive
2015/849/CE,
sans
aucune
limitation par l'autorité compétente belge
auprès des entités tenues de notifier en vertu
de la Directive susmentionnée, qui doivent
les communiquer à l'autorité compétente
belge dans un délai d'un mois à compter de
la demande.
Section 2 – Constructions juridiques
Art. 333, CIR 92
Sans préjudice des pouvoirs conférés à
l'administration par les articles 351 à 354, celle-
ci peut procéder aux investigations visées au
présent chapitre et à l'établissement éventuel
d'impôts ou de suppléments d'impôts, même
lorsque la déclaration du contribuable a déjà
été admise et que les impôts y afférents ont été
payés.
Sans
préjudice
des
pouvoirs
conférés
à
l'administration par les articles 351 à 354, celle-
ci peut procéder aux investigations visées au
présent chapitre et à l'établissement éventuel
d'impôts ou de suppléments d'impôts, même
lorsque la déclaration du contribuable a déjà été
admise et que les impôts y afférents ont été
payés.
Les investigations susvisées peuvent être
effectuées sans préavis, dans le courant de la
période imposable ainsi que dans le délai prévu
à l'article 354, alinéa 1er et dans le délai prévu à
l'article 354, alinéa 4.
Les investigations susvisées peuvent être
effectuées sans préavis, dans le courant de la
période imposable ainsi que dans le délai prévu
à l'article 354, alinéa 1er et dans le délai prévu à
l'article 354, alinéa 5.
Elles peuvent en outre être exercées pendant le
délai supplémentaire de quatre ans prévu à
l'article
354,
alinéa 2,
à
condition que
l'administration ait notifié préalablement au
contribuable, par écrit et de manière précise,
les indices de fraude fiscale qui existent, en ce
qui le concerne, pour la période considérée.
Cette notification préalable est prescrite à peine
de
nullité
de
l'imposition.
Lorsque
les
investigations sont réalisées à la demande d'un
état avec lequel la Belgique a conclu une
convention préventive de la double imposition,
Elles peuvent en outre être exercées pendant le
délai
supplémentaire
de
quatre
et
de
respectivement quatre et sept ans prévus à
l’article 354, alinéas 2 et 3, à condition que
l'administration ait notifié préalablement au
contribuable, par écrit et de manière précise, les
indices de fraude fiscale qui existent, en ce qui
le concerne, pour la période considérée. Cette
notification préalable est prescrite à peine de
nullité de l'imposition. Lorsque les investigations
sont réalisées à la demande d'un état avec
lequel la Belgique a conclu une convention
275
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
10
ou avec lequel la Belgique a conclu un accord
en vue de l'échange de renseignements en
matière fiscale ou qui, avec la Belgique, est
partie à un autre instrument juridique bilatéral
ou multilatéral, pourvu que cette convention, cet
accord ou cet instrument juridique permette
l'échange
d'informations
entre
les
Etats
contractants en matière fiscale, le délai
d'investigation est, sans notification préalable et
uniquement dans le but de répondre à la
demande
précitée,
prolongé
du
délai
supplémentaire de quatre ans.
préventive de la double imposition, ou avec
lequel la Belgique a conclu un accord en vue de
l'échange de renseignements en matière fiscale
ou qui, avec la Belgique, est partie à un autre
instrument juridique bilatéral ou multilatéral,
pourvu que cette convention, cet accord ou cet
instrument
juridique
permette
l'échange
d'informations entre les Etats contractants en
matière fiscale, le délai d'investigation est, sans
notification préalable et uniquement dans le but
de répondre à la demande précitée, prolongé
du
délai
supplémentaire
survisé
de
respectivement quatre et sept ans.
Si l’annexe à la déclaration aux impôts sur les
revenus visée aux articles 2758, § 1er, alinéa 4,
et 2759, § 1er, alinéa 4, est vérifiée pendant le
délai visé à l’alinéa 2, ces investigations
peuvent être relatives aux périodes imposables
pendant lesquelles le poste de travail est censé
avoir été maintenu comme visé aux articles
2758, § 1er, alinéa 4, et 2759, § 1er, alinéa 4
sans qu’un préavis soit nécessaire.
Si l’annexe à la déclaration aux impôts sur les
revenus visée aux articles 2758, § 1er, alinéa 4,
et 2759, § 1er, alinéa 4, est vérifiée pendant le
délai visé à l’alinéa 2, ces investigations peuvent
être relatives aux périodes imposables pendant
lesquelles le poste de travail est censé avoir été
maintenu comme visé aux articles 2758, § 1er,
alinéa 4, et 2759, § 1er, alinéa 4 sans qu’un
préavis soit nécessaire.
Art. 354, CIR 92
En cas d'absence de déclaration, de remise
tardive de celle-ci, ou lorsque l'impôt dû est
supérieur à celui qui se rapporte aux revenus
imposables et aux autres éléments mentionnés
sous les rubriques à ce destinées d'une formule
de déclaration répondant aux conditions de
forme et de délais prévues aux articles 307 à
311, l'impôt ou le supplément d'impôt peut, par
dérogation à l'article 359 être établi pendant
trois ans à partir du 1er janvier de l'année qui
désigne l'exercice d'imposition pour lequel
l'impôt est dû. Lorsque, pour l'application de
l'impôt des sociétés et de l'impôt des non-
résidents qui est établi conformément aux
articles 233 et 248, le contribuable tient une
comptabilité autrement que par année civile, le
délai de trois ans est prolongé d'une période
égale à celle qui s'étend entre le 1er janvier de
l'année dont le millésime désigne l'exercice
d'imposition et la date de clôture des écritures
de l'exercice comptable au cours de cette
même année.
En cas d'absence de déclaration, de remise
tardive de celle-ci, ou lorsque l'impôt dû est
supérieur à celui qui se rapporte aux revenus
imposables et aux autres éléments mentionnés
sous les rubriques à ce destinées d'une formule
de déclaration répondant aux conditions de
forme et de délais prévues aux articles 307 à
311, l'impôt ou le supplément d'impôt peut, par
dérogation à l'article 359 être établi pendant trois
ans à partir du 1er janvier de l'année qui désigne
l'exercice d'imposition pour lequel l'impôt est dû.
Lorsque, pour l'application de l'impôt des
sociétés et de l'impôt des non-résidents qui est
établi conformément aux articles 233 et 248, le
contribuable tient une comptabilité autrement
que par année civile, le délai de trois ans est
prolongé d'une période égale à celle qui s'étend
entre le 1er janvier de l'année dont le millésime
désigne l'exercice d'imposition et la date de
clôture des écritures de l'exercice comptable au
cours de cette même année.
Ce délai est prolongé de quatre ans en cas
d'infraction aux dispositions du présent Code
ou des arrêtés pris pour son exécution,
commise dans une intention frauduleuse ou à
dessein de nuire.
Ce délai est prolongé de quatre ans en cas
d'infraction aux dispositions du présent Code ou
des arrêtés pris pour son exécution, commise
dans une intention frauduleuse ou à dessein de
nuire.
276
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
11
Lorsque dans un Etat figurant sur la liste des
Etats à fiscalité inexistante ou peu élevée
visée à l’article 307, § 1er/2, alinéa 3, à
l’exception des Etats avec lesquels a été
conclue
une
convention
préventive
de
double imposition et à condition que cette
convention ou un traité assure l’échange des
informations
qui
sont
nécessaires
afin
d’exécuter
les
dispositions
des
lois
nationales des Etats contractants, il est fait
usage de constructions juridiques visant à
dissimuler
l’origine
ou
l’existence
du
patrimoine, le délai visé à l’alinéa 1er est
prolongé de sept ans en cas d’infraction aux
dispositions du présent Code ou des arrêtés
pris pour son exécution.
Le
précompte
immobilier,
l'amende
administrative, et, dans la mesure où ils ne sont
pas payés dans le délai prévu à l'article 412, le
précompte
mobilier
et
le
précompte
professionnel peuvent également être établis
dans le délai fixé aux deux alinéas qui
précèdent.
Le
précompte
immobilier,
l'amende
administrative, et, dans la mesure où ils ne sont
pas payés dans le délai prévu à l'article 412, le
précompte
mobilier
et
le
précompte
professionnel peuvent également être établis
dans le délai fixé aux trois alinéas qui
précèdent.
Lorsque le contribuable ou le conjoint sur les
biens
duquel
l'imposition
est
mise
en
recouvrement, a introduit une réclamation
conformément aux articles 366 et 371, dans le
délai prévu à l'alinéa 1er, ce délai est prolongé
d'une période égale à celle qui s'étend entre la
date de l'introduction de la réclamation et celle
de la décision du conseiller général ou du
fonctionnaire
délégué
sans
que
cette
prolongation puisse être supérieure à six mois.
Lorsque le contribuable ou le conjoint sur les
biens
duquel
l'imposition
est
mise
en
recouvrement, a introduit une réclamation
conformément aux articles 366 et 371, dans le
délai prévu à l'alinéa 1er, ce délai est prolongé
d'une période égale à celle qui s'étend entre la
date de l'introduction de la réclamation et celle
de la décision du conseiller général ou du
fonctionnaire
délégué
sans
que
cette
prolongation puisse être supérieure à six mois.
Section 3 – Pouvoirs d'investigation
Art. 322, § 1er, CIR 92
§ 1er. L'administration peut, en ce qui concerne
un
contribuable
déterminé,
recueillir
des
attestations
écrites,
entendre
des
tiers,
procéder à des enquêtes et requérir, dans le
délai qu'elle fixe, ce délai pouvant être prolongé
pour de justes motifs, des personnes physiques
ou morales, ainsi que des associations n'ayant
pas la personnalité juridique, la production de
tous renseignements qu'elle juge nécessaires à
l'effet d'assurer la juste perception de l'impôt.
§ 1er. L'administration peut, en ce qui concerne
un
contribuable
déterminé,
recueillir
des
attestations écrites, entendre des tiers, procéder
à des enquêtes et requérir, dans le délai qu'elle
fixe, ce délai pouvant être prolongé pour de
justes motifs, des personnes physiques ou
morales, ainsi que des associations n'ayant pas
la personnalité juridique, la production de tous
renseignements qu'elle juge nécessaires à l'effet
d'assurer la juste perception de l'impôt.
Le droit d'entendre des tiers et de procéder à
des enquêtes ne peut être exercé que par
des agents ayant au minimum le grade
d'expert financier munis de leur commission
277
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
12
et chargés d'effectuer un contrôle ou une
enquête se rapportant à l'application de
l'impôt sur les revenus.
L'administration peut, en ce qui concerne un
contribuable déterminé, consulter le registre
des bénéficiaires effectifs, dénommé registre
UBO, tenu au sein de l'Administration générale
de la Trésorerie et créé par l'article 73 de la loi
du 18 septembre 2017 relative à la prévention
du blanchiment de capitaux et du financement
du terrorisme et à la limitation de l'utilisation
des espèces, afin d'assurer la juste perception
de l'impôt. Le Roi détermine les conditions et
les modalités de cette consultation.
L'administration peut, en ce qui concerne un
contribuable déterminé, consulter le registre des
bénéficiaires effectifs, dénommé registre UBO,
tenu au sein de l'Administration générale de la
Trésorerie et créé par l'article 73 de la loi du 18
septembre 2017 relative à la prévention du
blanchiment de capitaux et du financement du
terrorisme et à la limitation de l'utilisation des
espèces, afin d'assurer la juste perception de
l'impôt. Le Roi détermine les conditions et les
modalités de cette consultation. Le droit de
consulter le registre UBO ne peut être exercé
que par un agent ayant un titre supérieur à
celui d'attaché.
Toutefois, le droit d'entendre des tiers, de
consulter le registre UBO et de procéder à des
enquêtes ne peut être exercé que par un agent
ayant un titre supérieur à celui d’attaché.
(Abrogé)
Chapitre 2.- Modifications du Code de la taxe
sur la valeur ajoutée
Art. 93bis/1, Code TVA (nouveau)
Par dérogation à l'article 4 de la loi du 11
avril
1994
relative
à
la
publicité
de
l'administration,
les
demandes
de
renseignements transmises par les autorités
étrangères et les réponses qui sont fournies
à ces autorités ainsi que toute autre
correspondance
entre
les
autorités
compétentes ne sont pas susceptibles d'être
divulguées aussi longtemps que l'enquête de
l'autorité étrangère n'est pas clôturée et pour
autant que la divulgation nuirait aux besoins
de l'enquête précitée, à moins que l'autorité
étrangère n'ait expressément marqué son
accord sur cette divulgation.
L'accord visé à l'alinéa 1er est acquis si
l'autorité étrangère ne réagit pas dans un
délai de 90 jours à partir de l'envoi de la
demande de divulgation par l'Etat belge et
n'apporte
pas
l'information
que
la
confidentialité
des
données
et
correspondances
échangées
selon
les
conditions du présent article doit perdurer,
lorsque la personne dans le chef de qui
l'enquête est menée par l'Etat étranger a
explicitement demandé cet accès à l'Etat
278
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
13
belge.
Chapitre 3 - Modifications de la loi du 24
décembre 2002 modifiant le régime des
sociétés en matière d'impôts sur les revenus
et instituant un système de décision
anticipée en matière fiscale.
Art. 22, loi du 24 décembre 2002
Une décision anticipée ne peut être donnée
lorsque :
Une décision anticipée ne peut être donnée
lorsque :
1° la demande a trait à des situations ou
opérations identiques à celles ayant déjà
produit des effets sur le plan fiscal dans le chef
du demandeur ou faisant l'objet d'un recours
administratif ou d'une action judiciaire sur le
plan fiscal entre l'Etat belge et le demandeur;
1° la demande a trait à des situations ou
opérations identiques à celles ayant déjà produit
des effets sur le plan fiscal dans le chef du
demandeur ou faisant l'objet d'un recours
administratif ou d'une action judiciaire sur le plan
fiscal entre l'Etat belge et le demandeur;
2° l'octroi d'une décision anticipée serait
inapproprié ou inopérant en raison de la nature
des dispositions légales ou réglementaires
invoquées dans la demande;
2° l'octroi d'une décision anticipée serait
inapproprié ou inopérant en raison de la nature
des dispositions légales ou réglementaires
invoquées dans la demande;
3° la demande a trait à toute application d'une
loi d'impôt relative au recouvrement et aux
poursuites.
3° la demande a trait à toute application d'une loi
d'impôt
relative
au
recouvrement
et
aux
poursuites.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en
Conseil
des
Ministres,
les
matières
et
dispositions visées à l'alinéa 1er, 2°.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil
des Ministres, les matières et dispositions visées
à l'alinéa 1er, 2°.
En matière d'impôts sur les revenus, une
décision anticipée ne peut, en outre, être
donnée lorsque :
En matière d'impôts sur les revenus, une
décision anticipée ne peut, en outre, être
donnée lorsque :
1° au moment de l'introduction de la demande,
des éléments essentiels de l'opération ou de la
situation décrite se rattachent à un pays refuge
non coopératif avec l'OCDE;
1° lors de l’introduction de la demande, des
éléments de l’opération ou de la situation
décrite se rattachent à un pays refuge non
coopératif avec l’OCDE ou à un pays figurant
sur la liste des Etats à fiscalité inexistante ou
peu élevée, visée à l’article 307, §1er/2, alinéa
3, du Code des impôts sur les revenus 1992,
à moins qu’une convention préventive de
double imposition n’ait été conclue avec cet
Etat et à condition que cette convention ou
un traité assure l’échange des informations
qui sont nécessaires afin d’exécuter les
dispositions des lois nationales des Etats
contractants ;
2° l'opération ou la situation décrite est
dépourvue de substance économique en
Belgique.
2° l'opération ou la situation décrite est
dépourvue
de
substance
économique
en
Belgique.
279
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
14
Chapitre 4. – Le recouvrement
Section première - Obligation de paiement en
euros par certaines administrations du SPF
Finances
Section 2 - Modifications du Code de la taxe
sur la valeur ajoutée, du Code des impôts sur
les revenus 1992, de la loi-programme (I) du
29 mars 2012 et du Code civil en matière d'E-
notariat
Sous-section première. Code de la taxe sur la
valeur ajoutée
Art. 62, Code TVA
§ 1er. Toute personne est tenue de fournir
verbalement ou par écrit, à toute réquisition des
agents de l'administration en charge de la taxe
sur la valeur ajoutée, tous renseignements qui
lui sont réclamés aux fins de vérifier l'exacte
perception de la taxe à sa charge ou à la
charge de tiers.
Toute
personne
est
tenue
de
fournir
verbalement ou par écrit, à toute réquisition des
agents de l'administration en charge de la taxe
sur la valeur ajoutée, tous renseignements qui
lui sont réclamés aux fins de vérifier l'exacte
perception de la taxe à sa charge ou à la charge
de tiers.
§ 2. Tout assujetti ou membre d'une unité
T.V.A. au sens de l'article 4, § 2, propriétaire ou
titulaire d'un droit réel sur un bien susceptible
d'une hypothèque, est tenu de faire connaître
sa qualité d'assujetti ou de membre d'une unité
T.V.A. au notaire qui est chargé de dresser
l'acte
ayant
pour
objet
l'aliénation
ou
l'affectation hypothécaire de ce bien, suite à la
demande que celui-ci lui adresse.
(abrogé)
Le Ministre des Finances règle les modalités
d'application du présent paragraphe.
Art. 66, Code TVA
Lorsque, pour quelque cause que ce soit, une
personne redevable de la taxe en vertu de
l'article 51, §§ 1er, 2 ou 4, n'a pas remis la
déclaration prévue à l'article 53, § 1er, alinéa
1er, 2°, 53ter, 1°, ou 53nonies, § 1er, ne s'est
pas conformée, pour tout ou partie, aux
obligations imposées par le présent Code ou en
exécution de celui-ci concernant la tenue,
l’établissement,
la
conservation
ou
la
communication des livres ou documents, ou
s'est abstenue de répondre à la demande de
renseignements prévue à l'article 62, § 1er, le
Ministre des Finances ou son délégué sont
autorisés à établir d'office les taxes dues par
cette personne, en raison du montant présumé
Lorsque, pour quelque cause que ce soit, une
personne redevable de la taxe en vertu de
l'article 51, §§ 1er, 2 ou 4, n'a pas remis la
déclaration prévue à l'article 53, § 1er, alinéa
1er, 2°, 53ter, 1°, ou 53nonies, § 1er, ne s'est
pas conformée, pour tout ou partie, aux
obligations imposées par le présent Code ou en
exécution de celui-ci concernant la tenue,
l’établissement,
la
conservation
ou
la
communication des livres ou documents, ou
s'est abstenue de répondre à la demande de
renseignements prévue à l'article 62, le Ministre
des Finances ou son délégué sont autorisés à
établir d'office les taxes dues par cette
personne, en raison du montant présumé des
280
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
15
des opérations qu'elle a effectuées pendant le
ou les mois auxquels l'irrégularité se rapporte.
opérations qu'elle a effectuées pendant le ou les
mois auxquels l'irrégularité se rapporte.
Ils sont également autorisés à taxer d'office la
personne précitée qui, pour des opérations
passibles de la taxe, n'a pas inscrit l'opération
dans le livre ou le document prescrit ou n'a pas
émis de facture au cocontractant quand elle y
était tenue, a délivré une facture qui indique
d'une façon inexacte, soit le nom ou l'adresse
des parties intéressées à l'opération, soit la
nature ou la quantité des biens livrés ou des
services fournis, soit le prix ou ses accessoires,
soit le montant de la taxe sur la valeur ajoutée
due sur l'opération. Dans ces cas, la taxation
d'office peut s'étendre à toute la période sur
laquelle porte le contrôle.
Ils sont également autorisés à taxer d'office la
personne précitée qui, pour des opérations
passibles de la taxe, n'a pas inscrit l'opération
dans le livre ou le document prescrit ou n'a pas
émis de facture au cocontractant quand elle y
était tenue, a délivré une facture qui indique
d'une façon inexacte, soit le nom ou l'adresse
des parties intéressées à l'opération, soit la
nature ou la quantité des biens livrés ou des
services fournis, soit le prix ou ses accessoires,
soit le montant de la taxe sur la valeur ajoutée
due sur l'opération. Dans ces cas, la taxation
d'office peut s'étendre à toute la période sur
laquelle porte le contrôle.
La taxation d'office ne peut cependant être
opérée lorsque les irrégularités visées à l'alinéa
précédent sont à considérer comme purement
accidentelles, notamment eu égard au nombre
et à l'importance des opérations non constatées
par des factures régulières, comparées au
nombre et à l'importance des opérations qui ont
fait l'objet de factures régulières.
La taxation d'office ne peut cependant être
opérée lorsque les irrégularités visées à l'alinéa
précédent sont à considérer comme purement
accidentelles, notamment eu égard au nombre
et à l'importance des opérations non constatées
par des factures régulières, comparées au
nombre et à l'importance des opérations qui ont
fait l'objet de factures régulières.
En cas de déclaration tardive, remise avant la
taxation d'office, la taxe sera établie sur la base
de la déclaration, pour autant que le retard
dans le dépôt de la déclaration ne dépasse pas
douze mois.
En cas de déclaration tardive, remise avant la
taxation d'office, la taxe sera établie sur la base
de la déclaration, pour autant que le retard dans
le dépôt de la déclaration ne dépasse pas douze
mois.
Art. 93ter, Code TVA
§ 1er. Le notaire requis de dresser un acte
ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation
hypothécaire
d’un
bien
susceptible
d’hypothèque, est tenu de demander au
propriétaire ou à l’usufruitier de tout ou partie
de ce bien si celui-ci est un assujetti ou un
membre d’une unité T.V.A. au sens de l’article
4, § 2.
§ 1er. Le notaire requis de dresser un acte
ayant pour objet l’aliénation ou l’affectation
hypothécaire
d’un
bien
susceptible
d’hypothèque,
est
personnellement
responsable du paiement de la taxe sur la
valeur ajoutée et des accessoires pouvant
donner
lieu
à
inscription
hypothécaire
lorsqu’il n’en avise pas :
Dans le cas où la réponse est affirmative, le
notaire requis de dresser cet acte est
personnellement responsable du paiement de
la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires
pouvant donner lieu à inscription hypothécaire
s’il n’en avise pas :
1° le service désigné à cette fin par le Ministre
des Finances, son délégué ou l’autorité
compétente au moyen d’une procédure utilisant
les techniques de l’informatique ;
1° le service en charge de la technologie de
l’information et de la communication du
Service public fédéral Finances, par voie
électronique ;
2° le fonctionnaire désigné par le Roi lorsque la
communication de l’avis ne peut, en raison d’un
2° le receveur dont relève le propriétaire ou
le titulaire d’un droit réel sur le bien faisant
281
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
16
cas
de
force
majeure
ou
d’un
dysfonctionnement technique, être effectuée
conformément au 1°.
Dans ce cas, l’avis doit être établi en double
exemplaire et adressé par lettre recommandée
à la poste.
l’objet de l’acte, ou le receveur du service
désigné à cette fin par le Roi lorsque le
propriétaire ou le titulaire d'un droit réel sur
le bien a sa résidence à l'étranger, lorsque la
communication de l'avis ne peut, en raison
d'un
cas
de
force
majeure
ou
d'un
dysfonctionnement technique, être effectuée
conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est
adressé par lettre recommandée.
Si l’acte envisagé n’est pas passé dans les trois
mois à compter de l’expédition de l’avis, celui-ci
sera considéré comme non avenu.
Si l’acte envisagé n'est pas passé dans les
trois mois à compter de l’envoi de l'avis, cet
avis sera considéré comme non avenu.
Lorsque
la
communication
de
l’avis
est
effectuée conformément à l’alinéa 2, 1°, la date
d’expédition de l’avis s’entend de la date de
l’accusé de réception communiqué par le
service désigné à cette fin par le Ministre des
Finances,
son
délégué,
ou
l’autorité
compétente.
§ 2. Lorsque la communication de l'avis est
effectuée conformément au paragraphe 1er,
alinéa 1er, 1°, la date d'envoi de l'avis
s'entend de la date de l'accusé de réception
communiqué par le service en charge de la
technologie
de
l’information
et
de
la
communication du Service public fédéral
Finances.
Lorsqu’un
même
avis
est
adressé
successivement selon les procédures prévues
respectivement à l’alinéa 2, 1° et 2°, l’avis établi
conformément à l’alinéa 2, 2° ne prévaut que
lorsque sa date d’envoi est antérieure à la date
d’expédition de l’avis établi conformément à
l’alinéa 2, 1°.
§ 3. Lorsqu'un même avis est adressé
successivement
selon
les
procédures
prévues respectivement au paragraphe 1er,
alinéa 1er, 1° et 2°, l'avis établi conformément
au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut
que lorsque sa date d'envoi est antérieure à
la date d'envoi de l'avis établi conformément
au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.
Le Ministre des Finances, son délégué ou
l’autorité compétente détermine les conditions
et les modalités d’application du présent
paragraphe.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application
pratiques du présent article.
§ 2. Le notaire requis de dresser un acte ayant
pour
objet
l’aliénation
ou
l’affectation
hypothécaire
d’un
bien
susceptible
d’hypothèque est tenu de donner lecture aux
comparants de l’article 62, § 2, et de l’article 73.
Mention expresse de cette lecture et de la
réponse donnée par les comparants doit être
faite dans l’acte sous peine d’une amende de 5
EUR.
§ 3. Dans le cas où le notaire a omis de faire la
demande
prévue
au
§
1er,
il
est
personnellement responsable du paiement de
la taxe sur la valeur ajoutée et des accessoires
y visés.
Art. 93quater, Code TVA
Si l'intérêt du Trésor l'exige, le fonctionnaire,
désigné par le Roi en vertu de l'article 93ter,
§ 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le receveur
compétent
notifie
au
notaire,
avant
282
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
17
notifie
au
notaire,
avant
l'expiration
du
douzième jour ouvrable qui suit la date
d'expédition de l'avis prévu à l'article 93ter, §
1er et par pli recommandé à la poste, le
montant de la taxe sur la valeur ajoutée et des
accessoires pouvant donner lieu à inscription
de l'hypothèque légale du Trésor sur les biens
faisant l'objet de l'acte.
l’expiration du douzième jour ouvrable qui
suit la date d’envoi de l’avis prévu à l’article
93ter, le montant de la taxe sur la valeur
ajoutée et des accessoires pouvant donner
lieu à inscription de l’hypothèque légale du
Trésor sur le bien faisant l’objet de l’acte :
1°
par
voie
électronique,
selon
une
procédure déterminée par le Roi ;
2° par lettre recommandée, lorsque la
communication de la notification ne peut, en
raison d’un cas de force majeure ou d’un
dysfonctionnement technique, être effectuée
conformément au 1°, ou lorsque le notaire a
adressé l’avis visé par l’article 93ter,§ 1er, par
lettre recommandée.
§ 2.
Lorsque
la
communication
de
la
notification est effectuée conformément au
paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d'envoi
de la notification s'entend de la date de
l'accusé de réception communiqué par le
service Technologie de l’information et de la
communication de l’expéditeur de l’avis visé
à l’article 93ter, § 1er.
§ 3.
Lorsqu'une
même
notification
est
adressée
successivement
selon
les
procédures
prévues
respectivement
au
paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, la
notification
établie
conformément
au
paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, ne prévaut que
lorsque sa date d'envoi est antérieure à la
date
d'envoi
de
la
notification
établie
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er,
1°.
Art 93quinquies, Code TVA
§ 1er. Lorsque l'acte visé à l'article 93ter est
passé, la notification visée à l'article 93quater
emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire
sur les sommes et valeurs qu'il détient en vertu
de l'acte pour le compte ou au profit du
redevable et vaut opposition sur le prix au sens
de l'article 1642 du Code judiciaire dans les cas
où le notaire est tenu de répartir ces sommes et
valeurs conformément aux articles 1639 à 1654
du Code judiciaire, pour autant que la
notification prévue à l'article 85, § 1er, ait eu
lieu.
§ 1er. Lorsque l'acte visé à l'article 93ter est
passé,
la
notification
visée
à
l'article
93quater emporte saisie-arrêt entre les mains
du notaire sur les sommes et valeurs qu'il
détient en vertu de l'acte pour le compte ou
au profit du redevable et vaut opposition sur
le prix au sens de l'article 1642 du Code
judiciaire dans les cas où le notaire est tenu
de
répartir
ces
sommes
et
valeurs
conformément aux articles 1639 à 1654 du
Code judiciaire.
Sans préjudice des droits des tiers, lorsque
l'acte visé à l'article 93ter est passé, le notaire
est tenu, sous réserve de l'application des
articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de
verser entre les mains du fonctionnaire désigné
Sans préjudice des droits des tiers, lorsque
l'acte visé à l'article 93ter est passé, le
notaire
est
tenu,
sous
réserve
de
l'application des articles 1639 à 1654 du
Code judiciaire, de verser entre les mains du
283
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
18
en vertu de l'article 93ter, au plus tard le
huitième jour ouvrable qui suit la passation de
l'acte, les sommes et valeurs qu'il détient en
vertu de l'acte pour le compte ou au profit du
redevable, à concurrence du montant de la taxe
sur la valeur ajoutée et des accessoires qui lui
ont été notifiés en exécution de l'article 93ter et
dans la mesure où cette taxe et ces
accessoires ont donné lieu à une contrainte
visée à l'article 85 dont l'exécution n'est pas
interrompue par l'action en justice prévue à
l'article 89.
receveur visé à l'article 93quater, au plus tard
le
huitième
jour
ouvrable
qui
suit la
passation de l'acte, les sommes et valeurs
qu'il détient en vertu de l'acte pour le compte
ou au profit du redevable, à concurrence du
montant de la taxe sur la valeur ajoutée et
des accessoires qui lui ont été notifiés en
exécution de l'article 93quater et dans la
mesure où cette taxe et ces accessoires ont
donné lieu à une contrainte ou sont repris
dans un registre de perception et de
recouvrement visés à l'article 85 dont
l'exécution n'est pas interrompue par l'action
en justice prévue à l'article 89.
En outre, si les sommes et valeurs ainsi
saisies-arrêtées sont inférieures à l'ensemble
des sommes dues aux créanciers inscrits et
aux créanciers opposants, en ce compris les
receveurs de la taxe sur la valeur ajoutée, le
notaire doit, sous peine d'être personnellement
responsable de l'excédent, en informer au plus
tard le premier jour ouvrable qui suit la
passation de l'acte :
En outre, lorsque les sommes et valeurs
ainsi saisies-arrêtées sont inférieures à
l'ensemble des sommes dues aux créanciers
inscrits et aux créanciers opposants, en ce
compris le receveur, le notaire doit, sous
peine d'être personnellement responsable de
l'excédent, en informer au plus tard le
premier jour ouvrable qui suit la passation de
l'acte :
1° le service désigné à cette fin par le Ministre
des Finances, son délégué ou l'autorité
compétente,
au
moyen
d'une
procédure
utilisant les techniques de l'informatique ;
1° le service en charge de la technologie de
l’information et de la communication du
Service public fédéral Finances, par voie
électronique ;
2° le fonctionnaire désigné en vertu de l'article
93ter, par lettre recommandée à la poste,
lorsque le notaire ne peut, en raison d'un cas
de
force majeure ou d'un dysfonctionnement
technique,
communiquer
l'information
conformément au 1° ou lorsqu'il a adressé
préalablement l'avis visé à l'article 93ter par
lettre recommandée à la poste.
2° le receveur visé à l'article 93quater, par
lettre recommandée, lorsque le notaire ne
peut, en raison d'un cas de force majeure ou
d'un
dysfonctionnement
technique,
communiquer l'information conformément au
1° ou lorsqu'il a adressé l'avis visé à l'article
93ter, § 1er, par lettre recommandée.
Selon le cas, la date de l'information est celle
de
la
date
de
l'accusé
de
réception
communiqué par le service désigné à cette fin
par le Ministre des Finances, son délégué ou
l'autorité compétente, ou de la date de dépôt à
la poste de la lettre recommandée.
Selon le cas, la date de l'information est celle
de
la
date
de
l'accusé
de
réception
communiqué par le service en charge de la
technologie
de
l’information
et
de
la
communication du Service public fédéral
Finances, ou de la date d’envoi de la lettre
recommandée.
§ 2. Lorsqu'une même information est adressée
successivement selon les procédures prévues
respectivement au § 1er, alinéa 3, 1° et 2°,
l'information établie conformément au § 1er,
alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date
d'envoi est antérieure à la date d'expédition de
l'information établie conformément au § 1er,
alinéa 3, 1°.
§ 2. Lorsqu'une même information est
adressée
successivement
selon
les
procédures
prévues
respectivement
au
paragraphe 1er, alinéa 3, 1° et 2°, l'information
établie conformément au paragraphe 1er,
alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date
d'envoi est antérieure à la date d'envoi de
l'information
établie
conformément
au
paragraphe 1er, alinéa 3, 1°.
§ 3. Sans préjudice des droits des tiers, la
transcription ou l'inscription de l'acte n'est pas
§ 3. Sans préjudice des droits des tiers, la
transcription ou l'inscription de l'acte n'est
284
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
19
opposable
à
l'Etat,
si
l'inscription
de
l'hypothèque légale a lieu dans les huit jours
ouvrables de la date de l'information visée au §
1er, alinéa 4.
pas opposable à l'Etat, si l'inscription de
l'hypothèque légale a lieu dans les huit jours
ouvrables de la date de l'information visée au
paragraphe 1er, alinéa 4.
Sont inopérantes au regard des créances de la
taxe sur la valeur ajoutée et d'accessoires
notifiés conformément à l'article 93quater,
toutes créances non inscrites pour lesquelles
saisie ou opposition n'est pratiquée qu'après
l'expiration du délai prévu au § 1er, alinéa 3.
Sont inopérantes au regard des créances de
la taxe sur la valeur ajoutée et d'accessoires
notifiés conformément à l'article 93quater,
toutes
créances
non
inscrites
pour
lesquelles
saisie
ou
opposition
n'est
pratiquée qu'après l'expiration du délai prévu
au paragraphe 1er, alinéa 3.
§ 4. Le Ministre des Finances, son délégué ou
l'autorité compétente détermine les conditions
et les modalités d'application du présent article.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application
pratiques du présent article.
Art. 93octies, Code TVA
Les avis et informations visés aux articles 93ter
et
93quinquies
doivent
être
établis
conformément aux modèles arrêtés par le
Ministre des Finances.
(abrogé)
Art. 93nonies, Code TVA
Les articles 93ter à 93octies sont applicables à
toute personne habilitée à donner l'authenticité
aux actes visés à l'article 93ter.
Les articles 93ter à 93septies sont applicables
à toute personne habilitée à donner l'authenticité
aux actes visés à l'article 93ter.
Art. 93decies, Code TVA
Moyennant l'accord du redevable, les banques
régies par l'arrêté royal no 185 du 9 juillet 1935
et les entreprises régies par l'arrêté royal no
225 du 7 janvier 1936 sont autorisées à
adresser l'avis prévu à l'article 93ter et
qualifiées pour recevoir la notification visée à
l'article 93quater.
Moyennant
l'accord
du
redevable,
les
banques soumises à la loi du 25 avril 2014
relative
au
statut et
au
contrôle
des
établissements de crédit, ainsi que les
prêteurs en crédit hypothécaire et les
intermédiaires en crédit hypothécaire soumis
au Livre VII, titre 4, chapitre 4, du Code de
droit économique, sont autorisées à adresser
l'avis prévu à l'article 93ter et qualifiées pour
recevoir la notification visée à l'article
93quater.
La remise d'une attestation par ces organismes
au notaire relativement à l'envoi de l'avis et à la
suite y donnée par les fonctionnaires désignés
par le Roi en vertu de l'article 93ter, substitue la
responsabilité de ces organismes à celle du
notaire.
La
remise
d’une
attestation
par
ces
organismes au notaire relativement à l’envoi
de l’avis et à la suite y donnée par le
receveur visé à l’article 93quater substitue la
responsabilité de ces organismes à celle du
notaire.
Art. 93undecies A, Code TVA
Aucun acte passé l'étranger et ayant pour objet
l'aliénation ou l'affectation hypothécaire d'un
immeuble ou d’un bateau, ne sera admis en
Belgique à la transcription ou à l'inscription
dans les registres de la publicité hypothécaire
en ce qui concerne les immeubles, ou dans le
Registre naval belge, en ce qui concerne les
bateaux, s'il n'est accompagné d'un certificat du
Aucun acte passé à l’étranger et ayant pour
objet
l’aliénation
ou
l’affectation
hypothécaire d’un immeuble, ou d’un bateau
ne sera admis en Belgique à la transcription
ou à l’inscription dans le registres de la
publicité hypothécaire en ce qui concerne les
immeubles, ou dans le Registre naval belge,
en ce qui concerne les bateaux, s’il n’est
285
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
20
fonctionnaire désigné par le Roi en vertu de
l'article 93ter.
accompagné d’un certificat du receveur visé
à l’article 93ter.
Ce certificat doit attester que le propriétaire ou
l'usufruitier n'est pas redevable de taxe sur la
valeur ajoutée ou que l'hypothèque légale
garantissant la taxe sur la valeur ajoutée due a
été inscrite.
Ce certificat doit attester que le propriétaire
ou le titulaire d’un droit réel n’est pas
redevable de taxe sur la valeur ajoutée ou
que l’hypothèque légale garantissant la taxe
sur la valeur ajoutée due a été inscrite.
Sous-section 2. Code des impôts sur les
revenus 1992
Art. 433, CIR 92
§ 1er. Les notaires requis de dresser un acte
ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation
hypothécaire d'un immeuble, d'un navire ou
d'un
bateau,
sont
personnellement
responsables du paiement des impôts et
accessoires pouvant donner lieu à inscription
hypothécaire, s'ils n'en avisent pas :
§ 1er. Le notaire requis de dresser un acte
ayant pour objet l'aliénation ou l'affectation
hypothécaire
d'un
bien
susceptible
d’hypothèque,
est
personnellement
responsable du paiement des impôts et des
accessoires
pouvant
donner
lieu
à
inscription hypothécaire, lorsqu'il n'en avise
pas :
1° le service désigné à cette fin par le Ministre
des Finances, son délégué ou l'autorité
compétente,
au
moyen
d'une
procédure
utilisant les techniques de l'informatique;
1° le service en charge de la technologie de
l’information et de la communication du
Service public fédéral Finances, par voie
électronique ;
2° le receveur des contributions dans le ressort
duquel le propriétaire ou l'usufruitier du bien a
son domicile ou son principal établissement et,
en outre, s'il s'agit d'un immeuble, le receveur
des contributions dans le ressort duquel il est
situé, lorsque la communication de l'avis ne
peut, en raison d'un cas de force majeure ou
d'un
dysfonctionnement
technique,
être
effectuée conformément au 1°. Dans ce cas,
l'avis doit être établi en double exemplaire et
adressé par lettre recommandée à la poste.
2° le receveur dont relève le propriétaire ou
le titulaire d’un droit réel sur le bien, ou le
receveur du service désigné à cette fin par
le Roi lorsque le propriétaire ou le titulaire
d'un droit réel sur le bien a sa résidence à
l'étranger, et, en outre, s’il s’agit d’un
immeuble, le receveur compétent pour le
recouvrement du précompte immobilier de
ce bien, lorsque la communication de l’avis
ne peut, en raison d’un cas de force majeure
ou d’un dysfonctionnement technique, être
effectuée conformément au 1°. Dans ce cas,
l’avis est adressé par lettre recommandée.
§ 2. Si l'acte envisagé n'est pas passé dans les
trois mois à compter de l'expédition de l'avis,
celui-ci sera considéré comme non-avenu.
§ 2. Si l’acte envisagé n’est pas passé dans
les trois mois à compter de l’envoi de l’avis,
cet avis sera considéré comme non avenu.
Lorsque
la
communication
de
l'avis
est
effectuée conformément au § 1er, 1°, la date
d'expédition de l'avis s'entend de la date de
l'accusé de réception communiqué par le
service désigné à cette fin par le Ministre des
Finances, son délégué ou l'autorité compétente.
Lorsque la communication de l’avis est
effectuée conformément au paragraphe 1er,
1°, la date d’envoi de l'avis s’entend de la
date de l’accusé de réception communiqué
par le service en charge de la technologie
de l’information et de la communication du
Service public fédéral Finances.
§ 3. Lorsqu'un même avis est adressé
successivement selon les procédures prévues
respectivement au § 1er, 1° et 2°, l'avis établi
conformément au § 1er, 2° ne prévaut que
lorsque sa date d'envoi est antérieure à la date
§ 3. Lorsqu’un même avis est adressé
successivement
selon
les
procédures
prévues respectivement au paragraphe 1er,
1° et 2°, l’avis établi conformément au
paragraphe 1er, 2° ne prévaut que lorsque la
286
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
21
d'expédition de l'avis établi conformément au §
1er, 1°.
date d’envoi est antérieure à la date d'envoi
de l’avis établi conformément au paragraphe
1er, 1°.
§ 4. Le Ministre des Finances, son délégué ou
l'autorité compétente détermine les conditions
et les modalités d'application du présent article
(1).
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application
pratiques du présent article.
Art. 434, CIR 92
Si l'intérêt du Trésor l'exige, les receveurs
notifient au notaire, avant l'expiration du
douzième jour ouvrable qui suit la date
d'expédition de l'avis prévu, à l'article 433, et
par lettre recommandée à la poste, le montant
des impôts et accessoires.
pouvant
donner
lieu
à
inscription
de
l'hypothèque légale du Trésor sur les biens
faisant l'objet de l'acte.
§ 1er. Si l’intérêt du Trésor l’exige, le
receveur compétent notifie au notaire, avant
l’expiration du douzième jour ouvrable qui
suit la date d’envoi de l’avis visé à l’article
433,
le
montant
des
impôts
et
des
accessoires
pouvant
donner
lieu
à
inscription de l’hypothèque légale du Trésor
sur le bien faisant l’objet de l’acte :
1°
par
voie
électronique,
selon
une
procédure déterminée par le Roi ;
2° par lettre recommandée, lorsque la
communication de la notification ne peut, en
raison d’un cas de force majeure ou d’un
dysfonctionnement
technique,
être
effectuée conformément au 1°, ou lorsque le
notaire a adressé l’avis visé à l’article 433, §
1er, par lettre recommandée.
§ 2. Lorsque la même notification est
adressée
successivement
selon
les
procédures
prévues
respectivement
au
paragraphe 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, la
notification
établie
conformément
au
paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° ne prévaut que
lorsque sa date d’envoi est antérieure à la
date d'envoi de la notification établie
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er,
1°.
§ 3.
Lorsque
la
communication
de
la
notification est effectuée conformément au
paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, la date d'envoi
de la notification s'entend de la date de
l'accusé de réception communiqué par le
service Technologie de l’information et de la
communication de l’expéditeur de l’avis visé
à l’article 433, § 1er.
Art. 435, CIR 92
§ 1er. Lorsque l'acte visé à l'article 433 est
passé, la notification visée à l'article 434
emporte saisie-arrêt entre les mains du notaire
sur les sommes et valeurs qu'il détient en vertu
de l'acte pour le compte ou au profit du
redevable et vaut opposition sur le prix au sens
§ 1er. Lorsque l'acte visé à l'article 433 est
passé, la notification visée à l'article 434
emporte saisie-arrêt entre les mains du
notaire sur les sommes et valeurs qu'il
détient en vertu de l'acte pour le compte ou
au profit du redevable et vaut opposition sur
287
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
22
de l'article 1642 du Code judiciaire dans les cas
où le notaire est tenu de répartir ces sommes et
valeurs conformément aux articles 1639 à 1654
du Code judiciaire.
le prix au sens de l'article 1642 du Code
judiciaire dans les cas où le notaire est tenu
de
répartir
ces
sommes
et
valeurs
conformément aux articles 1639 à 1654 du
Code judiciaire.
Sans préjudice des droits des tiers, lorsque
l'acte visé à l'article 433 est passé, le notaire
est tenu, sous réserve de l'application des
articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de
verser entre les mains des receveurs des
contributions directes, au plus tard le huitième
jour ouvrable qui suit la passation de l'acte, les
sommes et valeurs qu'il détient en vertu de
l'acte pour le compte ou au profit du redevable,
à concurrence du montant des impôts et
accessoires qui lui ont été notifiés en exécution
de l'article 434 et dans la mesure où ces impôts
et accessoires constituent une dette certaine et
liquide au sens de l'article 410.
Sans préjudice des droits des tiers, lorsque
l'acte visé à l'article 433 est passé, le notaire
est tenu, sous réserve de l'application des
articles 1639 à 1654 du Code judiciaire, de
verser entre les mains du receveur visé à
l’article 434, au plus tard le huitième jour
ouvrable qui suit la passation de l'acte, les
sommes et valeurs qu'il détient en vertu de
l'acte pour le compte ou au profit du
redevable, à concurrence du montant des
impôts et accessoires qui lui ont été notifiés
en exécution de l'article 434 et dans la
mesure où ces impôts et accessoires
constituent une dette certaine et liquide au
sens de l'article 410.
En outre, si les sommes et valeurs ainsi
saisies-arrêtées sont inférieures à l'ensemble
des sommes dues aux créanciers inscrits et
aux créanciers opposants, en ce compris les
receveurs des contributions directes, le notaire
doit,
sous
peine
d'être
personnellement
responsable de l'excédent, en informer au plus
tard le premier jour ouvrable qui suit la
passation de l'acte :
En outre, lorsque les sommes et valeurs
ainsi saisies-arrêtées sont inférieures à
l'ensemble
des
sommes
dues
aux
créanciers
inscrits
et
aux
créanciers
opposants, en ce compris le receveur, le
notaire
doit,
sous
peine
d'être
personnellement responsable de l'excédent,
en informer au plus tard le premier jour
ouvrable qui suit la passation de l'acte :
1° le service désigné à cette fin par le Ministre
des Finances, son délégué ou l’autorité
compétente au moyen d’une procédure utilisant
les techniques de l’informatique ;
1° le service en charge de la technologie de
l’information et de la communication du
Service public fédéral Finances, par voie
électronique ;
2°
les
receveurs
précités,
par
lettre
recommandée à la poste, lorsque le notaire ne
peut, en raison d'un cas de force majeure ou
d'un
dysfonctionnement
technique,
communiquer l'information conformément au 1°
ou lorsqu'il a adressé préalablement l'avis visé
à l'article 433 par lettre recommandée à la
poste.
2° le receveur visé à l'article 434, par lettre
recommandée, lorsque le notaire ne peut, en
raison d'un cas de force majeure ou d'un
dysfonctionnement
technique,
communiquer l'information conformément
au 1° ou lorsqu’il a adressé l'avis visé à
l'article 433, § 1er, par lettre recommandée.
Selon le cas, la date de l'information est celle
de
la
date
de
l'accusé
de
réception
communiqué par le service désigné à cette fin
par le Ministre des Finances, son délégué ou
l'autorité compétente, ou de la date de dépôt à
la poste de la lettre recommandée.
Selon le cas, la date de l'information est
celle de la date de l'accusé de réception
communiqué par le service en charge de la
technologie
de
l’information
et
de
la
communication, ou de la date d’envoi de la
lettre recommandée.
§ 2. Lorsqu'une même information est adressée
successivement selon les procédures prévues
respectivement au § 1er, alinéa 3, 1° et 2°,
l'information établie conformément au § 1er,
alinéa 3, 2°, ne prévaut que lorsque sa date
d'envoi est antérieure à la date d'expédition de
l'information établie conformément au § 1er,
§ 2. Lorsqu'une même information est
adressée
successivement
selon
les
procédures
prévues
respectivement
au
paragraphe
1er,
alinéa
3,
1°
et
2°,
l'information
établie
conformément
au
paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, ne prévaut que
lorsque sa date d'envoi est antérieure à la
288
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
23
alinéa 3, 1°.
date
d'envoi
de
l'information
établie
conformément au paragraphe 1er, alinéa 3,
1°.
§ 3. Sans préjudice des droits des tiers, la
transcription ou l'inscription de l'acte n'est pas
opposable
à
l'État,
si
l'inscription
de
l'hypothèque légale a lieu dans les huit jours
ouvrables de la date de l'information visée au §
1er, alinéa 4.
§ 3. Sans préjudice des droits des tiers, la
transcription ou l'inscription de l'acte n'est
pas opposable à l'Etat, si l'inscription de
l'hypothèque légale a lieu dans les huit jours
ouvrables de la date de l'information visée
au paragraphe 1er, alinéa 4.
Sont inopérantes au regard des créances
d'impôts et accessoires notifiés en exécution de
l'article 434, toutes les créances non inscrites
pour lesquelles saisie ou opposition n'est
pratiquée qu'après l'expiration du délai prévu au
§ 1er, alinéa 3.
Sont inopérantes au regard des créances
d'impôts
et
accessoires
notifiés
en
exécution
de
l'article
434,
toutes
les
créances non inscrites pour lesquelles
saisie
ou
opposition
n'est
pratiquée
qu'après l'expiration du délai prévu au
paragraphe 1er, alinéa 3.
§ 4. Le Ministre des Finances, son délégué ou
l'autorité compétente détermine les conditions
et les modalités d'application du présent article.
§ 4. Le Roi fixe les conditions d’application
pratiques du présent article.
Art. 438, CIR 92
Les avis et informations visés aux articles 433
et 435 doivent être établis conformément aux
modèles arrêtés par le Ministre des Finances.
(abrogé)
Art. 439, CIR 92
Les articles 433 à 438 sont applicables à toute
personne habilitée à donner l'authenticité aux
actes visés à l'article 433.
Les articles 433 à 437 sont applicables à toute
personne habilitée à donner l'authenticité aux
actes visés à l'article 433.
Art. 440, CIR 92
Moyennant l'accord du redevable, les banques
soumises à la loi du 25 avril 2014 relative au
statut et au contrôle des établissements de
crédit, les entreprises soumises à l'arrêté royal
n° 225 du 7 janvier 1936 réglementant les prêts
hypothécaires et organisant le contrôle des
entreprises de prêts hypothécaires, ainsi que
les entreprises hypothécaires soumises à la loi
du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire,
sont autorisées à adresser l'avis prévu à l'article
433 et qualifiées pour recevoir la notification
visée à l'article 434.
Moyennant
l'accord
du
redevable,
les
banques soumises à la loi du 25 avril 2014
relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit, ainsi que les
prêteurs en crédit hypothécaire et les
intermédiaires
en
crédit
hypothécaire
soumis au livre VII, titre 4, chapitre 4 du
Code de droit économique, sont autorisées
à adresser l'avis prévu à l'article 433 et
qualifiées pour recevoir la notification visée
à l'article 434.
La remise d'une attestation par ces organismes
au notaire relativement à l'envoi de l'avis et à la
suite y donnée par les receveurs, substitue la
responsabilité de ces organismes à celle du
notaire.
La remise d'une attestation par ces organismes
au notaire relativement à l'envoi de l'avis et à la
suite y donnée par les receveurs, substitue la
responsabilité de ces organismes à celle du
notaire.
Art. 441, CIR 92
Aucun acte passé à l'étranger et ayant pour
objet l'aliénation ou l'affectation hypothécaire
Aucun acte passé à l’étranger et ayant pour
objet
l'aliénation
ou
l'affectation
289
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
24
d'un immeuble, d'un navire ou d'un bateau ne
sera admis en Belgique, à la transcription ou à
l'inscription dans les registres d'un conservateur
des hypothèques, s'il n'est accompagné d'un
certificat du receveur, dans le ressort duquel
l'immeuble est situé et, s'il y a lieu, du receveur
des contributions dans le ressort duquel
l'intéressé a son domicile ou son principal
établissement.
hypothécaire
d'un
immeuble,
ou
d’un
bateau, ne sera admis en Belgique, à la
transcription ou à l’inscription dans les
registres de la publicité hypothécaire en ce
qui concerne les immeubles, ou dans le
Registre naval belge, en ce qui concerne les
bateaux, s’il n’est pas accompagné d’un
certificat du receveur visé à l’article 433.
Ce certificat doit attester que le propriétaire
ou le titulaire du droit réel n’est pas
redevable d’impôts ou que l’hypothèque
légale
garantissant
les
impôts
et
les
accessoires dus a été inscrite.
Sous-section 3. Loi-programme (I) du 29 mars 2012
Art. 157, Loi-programme du 29 mars 2012
§1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou
certificat d'hérédité visé à l'article 1240bis du Code
civil,
sont
personnellement
responsables
du
paiement des dettes dont la débition est susceptible
d'être notifiée conformément à l'article 158, qui sont
dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont
l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat,
ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle
consentie par le de cujus […] s'ils n'en avisent pas:
§ 1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou
certificat d'hérédité visé à l'article 1240bis du
Code civil, sont personnellement responsables
du paiement des dettes dont la débition est
susceptible d'être notifiée conformément à
l'article 158, qui sont dues par le de cujus, ses
héritiers
et
légataires
dont
l'identité
est
mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les
bénéficiaires
d'une
institution
contractuelle
consentie par le de cujus s'ils n'en avisent pas :
1°
par voie électronique, le service désigné à
cette fin par le Roi;
1° le service en charge de la technologie de
l’information et de la communication du Service
public fédéral Finances, par voie électronique ;
2°
le fonctionnaire désigné par le Roi lorsque la
communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas
de force majeure ou d'un dysfonctionnement
technique, être effectuée conformément au 1°. Dans
ce cas, l'avis doit être établi en double exemplaire et
adressé par lettre recommandée avec accusé de
réception.
2° les
fonctionnaires
ci-après,
lorsque
la
communication de l'avis ne peut, en raison d'un
cas
de
force
majeure
ou
d'un
dysfonctionnement technique, être effectuée
conformément au 1° :
- les receveurs dont relèvent le de cujus et les
ayants droit dont l’identité est mentionnée dans
l’acte ou le certificat d’hérédité, ainsi que le
receveur du service désigné à cette fin par le
Roi lorsque le de cujus et/ou l'un de ses ayants
droit ont leur résidence à l'étranger ;
- le fonctionnaire de l'Administration générale de
la documentation patrimoniale, désigné par le
Roi.
Dans ce cas, l'avis est adressé par lettre
recommandée.
S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
290
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
25
valeur de la succession.
valeur de la succession.
S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur des avoirs qui échoient à l’ayant droit dont
l’identité est mentionnée dans l’acte ou le certificat
et à propos duquel la responsabilité du notaire est
engagée.
S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
§ 2. Si l'acte ou le certificat dont question n'est pas
passé dans les trois mois à compter de l'expédition
de l'avis, celui-ci est considéré comme non-avenu.
§ 2. Si l'acte ou le certificat dont question n'est
pas passé dans les trois mois à compter de
l'envoi de l'avis, celui-ci est considéré comme
non-avenu.
§ 3.
Lorsqu’un
même
avis
est
adressé
successivement selon les procédures visées au
§1er, 1° et 2°, l’avis établi conformément au §1er, 2°,
ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est
antérieure à la date d’expédition de l’avis établi
conformément au §1er, 1°.
§
3.
Lorsqu'un
même
avis
est
adressé
successivement selon les procédures visées au
paragraphe 1er , alinéa 1er, 1° et 2°, l'avis établi
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°,
ne prévaut que lorsque sa date d'envoi est
antérieure à la date d'envoi de l'avis établi
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°.
§ 4. Lorsque l'avis est communiqué conformément
au § 1er, 1°, la date d'expédition de l'avis s'entend
de la date de l'accusé de réception communiqué par
le service désigné à cette fin par le Roi.
§
4.
Lorsque
l'avis
est
communiqué
conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°,
la date d'envoi de l'avis s'entend de la date de
l'accusé de réception communiqué par le
service
en
charge de
la
technologie de
l’information et de la communication du Service
public fédéral Finances.
§ 5. L'avis mentionne l'identité du de cujus, de ses
héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire
éventuel d'une institution contractuelle.
§ 5. L'avis mentionne l'identité du de cujus, de
ses héritiers ou légataires, ainsi que du
bénéficiaire
éventuel
d'une
institution
contractuelle.
Pour l'application de cette disposition, l'identité
comprend :
Pour l'application de cette disposition, l'identité
comprend :
a)
pour les personnes physiques, le nom, le
prénom, et, le cas échéant, le numéro national ou le
numéro du Registre-bis des intéressés, ou, à défaut
de ce numéro, leur date de naissance;
a)
pour les personnes physiques, le nom, le
prénom
et,
le
cas
échéant,
le
numéro
d'identification du Registre national ou, à défaut,
le numéro d’identification à la Banque-Carrefour
de la Sécurité sociale des intéressés, ou, à
défaut de tels numéros, leur date de naissance ;
b)
pour les personnes morales, les trusts, les
fiducies et les constructions juridiques similaires, la
dénomination sociale, le siège social et, le cas
échéant, le numéro d'entreprise.
b)
pour les personnes morales, les trusts, les
fiducies
et
les
constructions
juridiques
similaires, la dénomination sociale, le siège
social
et,
le
cas
échéant,
le
numéro
d'identification
à
la
Banque-Carrefour
des
entreprises.
A la demande du notaire requis, visé au paragraphe
1er, lui-même tenu d'interroger les requérants à ce
sujet, tout assujetti ou membre d'une unité T.V.A. au
sens de l'article 4, § 2, du Code de la taxe sur la
valeur ajoutée est tenu de faire connaître sa qualité
d'assujetti ou de membre d'une unité T.V.A., ainsi
que son numéro de T.V.A.
291
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
26
L'assujetti ou membre d'une unité T.V.A., auteur
d'une déclaration inexacte encourt une amende
administrative de 500 euros.
§ 6. Le Roi détermine les autres conditions et les
modalités d'application du présent article.
§
6.
Le
Roi
détermine
les
conditions
d'application pratiques du présent article.
Art. 158, Loi-programme du 29 mars 2012
Avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui suit
la date d’expédition de l’avis visé par l’article 157, le
fonctionnaire désigné par le Roi peut notifier au
notaire
ayant
expédié
l’avis,
par
lettre
recommandée
avec
accusé
de
réception,
l’existence dans le chef du de cujus ou d’une autre
personne mentionnée dans l’avis, d’une dette
fiscale consistant en impôts ou accessoires, ainsi
que le montant, dans le chef de chaque débiteur, de
la dette susvisée.
Avant l’expiration du douzième jour ouvrable qui
suit la date d’envoi de l’avis visé par l’article
157, le receveur ou service compétent pour le
recouvrement de la dette fiscale peut notifier au
notaire ayant envoyé l’avis, l’existence dans le
chef du de cujus ou d’une autre personne
mentionnée dans l’avis, d’une dette fiscale
consistant
en
impôts
et
accessoires,
accroissements et amendes, ainsi que le
montant, dans le chef de chaque débiteur, de la
dette susvisée :
1° par voie électronique, selon une procédure
déterminée par le Roi ;
2°
par
lettre
recommandée,
lorsque
la
communication de la notification ne peut, en
raison d’un cas de force majeure ou d’un
dysfonctionnement technique, être effectuée
conformément au 1°, ou lorsque le notaire a
adressé l’avis visé à l’article 157, § 1er, par lettre
recommandée.
Lorsque la même notification est adressée
successivement selon les procédures prévues
respectivement à l’alinéa 1er, 1° et 2°, la
notification établie conformément à l’alinéa 1er,
2°, ne prévaut que lorsque sa date d’envoi est
antérieure à la date d'envoi de la notification
établie conformément à l’alinéa 1er, 1°.
L’alinéa 1er s’applique seulement dans la mesure où
ces impôts et accessoires constituent une dette
certaine et liquide.
L’alinéa 1er s’applique seulement dans la mesure
où cette dette fiscale constitue une dette
certaine et liquide.
Pour l'application de cette disposition, sont réputées
certaines et liquides :
Lorsque la communication de la notification est
effectuée conformément à l’alinéa 1er, 1°, la date
d'envoi de la notification s'entend de la date de
l'accusé de réception communiqué par le
service Technologie de l’information et de la
communication de l’expéditeur de l’avis visé à
l’article 157, § 1er.
1°
les dettes et les accessoires ayant donné lieu
à une contrainte visée à l'article 1421 du Code des
droits de succession ou à l'article 220 du Code des
droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe et
dont l'exécution n'est pas interrompue par l'action
en justice visée à l'article 221 du Code des droits
d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe;
292
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
27
2°
les dettes certaines et liquides au sens de
l'article 410 du Code des impôts sur les revenus
1992;
3°
la taxe sur la valeur ajoutée et les accessoires
ayant donné lieu à une contrainte visée à l'article 85
du Code de la taxe sur la valeur ajoutée et dont
l'exécution n'est pas interrompue par l'action en
justice prévue à l'article 89 du même Code.
Le Roi détermine les autres conditions et les
modalités d’application du présent article.
Art. 159, Loi-programme du 29 mars 2012
Dans le certificat d'hérédité ou au pied de
l'expédition de l'acte d'hérédité délivrée, il est fait
mention soit de l'absence de notification de dettes
en vertu de l'article 158, tant dans le chef du de
cujus que dans le chef d'une ou plusieurs
personnes mentionnées dans l'avis et destinataires
du certificat ou de l'expédition, soit du paiement des
dettes notifiées en vertu de l'article 158, le cas
échéant à intervenir au moyen des fonds détenus
auprès du débiteur.
Dans le certificat d'hérédité ou au pied de
l'expédition de l'acte d'hérédité délivrée, il est fait
mention soit de l'absence de notification de dettes
en vertu de l'article 158, tant dans le chef du de
cujus que dans le chef d'une ou plusieurs
personnes mentionnées dans l'avis et destinataires
du certificat ou de l'expédition, soit du paiement des
dettes notifiées en vertu de l'article 158, le cas
échéant à intervenir au moyen des fonds détenus
auprès de leur débiteur.
La mention du paiement intervenu ou à intervenir
est ajoutée ou complétée, au pied du certificat, par
le fonctionnaire désigné par le Roi.
La mention du paiement intervenu ou à intervenir
est ajoutée ou complétée, au pied du certificat, par
le fonctionnaire désigné par le Roi.
Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou une
expédition de l'acte d'hérédité portant des mentions
inexactes relatives à l'absence de notification ou au
paiement des dettes dont l'existence a été notifiée
en vertu de l'article 158, encourt la même
responsabilité que celui qui contrevient à l'obligation
visée à l'article 157, § 1er. Cette responsabilité est
toutefois limitée au montant non recouvré du fait de
ces inexactitudes.
Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou une
expédition de l'acte d'hérédité portant des mentions
inexactes relatives à l'absence de notification ou au
paiement des dettes dont l'existence a été notifiée
en vertu de l'article 158, encourt la même
responsabilité que celui qui contrevient à l'obligation
visée à l'article 157, § 1er. Cette responsabilité est
toutefois limitée au montant non recouvré du fait de
ces inexactitudes.
Art. 160, Loi-programme du 29 mars 2012
§ 1. Sous peine d'être personnellement responsable
du paiement des impôts et accessoires notifiés en
vertu de l'article 158, celui qui libère des avoirs d'un
défunt conformément à l'article 1240bis du Code
civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à
condition qu'il résulte clairement du certificat
d’hérédité ou de l’expédition de l’acte d’hérédité
qu'aucune notification au sens de l'article 158 n'a
été faite.
§ 1. Sous peine d'être personnellement responsable
du paiement des dettes notifiées en vertu de
l'article 158, celui qui libère des avoirs d'un défunt
conformément à l'article 1240bis du Code civil ne
peut le faire de manière libératoire qu'à condition
qu'il résulte clairement du certificat d’hérédité ou de
l’expédition
de
l’acte
d’hérédité
qu'aucune
notification au sens de l'article 158 n'a été faite.
§ 2. Par dérogation au § 1er, la libération des avoirs
du défunt conformément à l'article 1240bis du Code
civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier,
au légataire ou au bénéficiaire d'une institution
contractuelle qui présente un certificat ou une
§ 2. Par dérogation au § 1er, la libération des avoirs
du défunt conformément à l'article 1240bis du Code
civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier,
au légataire, au bénéficiaire d'une institution
contractuelle ou à un mandataire judiciaire qui
293
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
28
expédition de l'acte d'hérédité mentionnant :
présente un certificat ou une expédition de l'acte
d'hérédité mentionnant :
a)
que toutes les dettes éventuellement notifiées
conformément à l’article 158 au nom du défunt et au
nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d’une
institution contractuelle ont été payées;
a)
que toutes les dettes éventuellement notifiées
conformément à l’article 158 au nom du défunt et au
nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d’une
institution contractuelle ont été payées;
b)
ou que la libération des avoirs peut avoir lieu
au profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire
d’une institution contractuelle, après paiement de
ses dettes notifiées et de sa part dans les dettes
notifiées au nom du de cujus, au moyen des fonds
détenus auprès du débiteur.
b) que la libération des avoirs peut avoir lieu au
profit de cet héritier, légataire, bénéficiaire d’une
institution
contractuelle
ou
mandataire
judiciaire, après paiement des dettes notifiées
au nom de l’ayant droit et de sa part dans les
dettes notifiées au nom du de cujus, au moyen
des fonds détenus auprès du débiteur de ces
fonds.
§ 3. La responsabilité visée au § 1er est limitée à
la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs
mentionnés dans la notification visée à l’article 158.
§ 3. La responsabilité visée au § 1er est limitée à
la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs
mentionnés dans la notification visée à l’article 158.
Art. 161, Loi-programme du 29 mars 2012
Les avis et informations visés aux articles 157 et
158 doivent être établis conformément aux modèles
arrêtés par le Roi.
L'avis
visé
à
l'article
157
est
établi
conformément au modèle arrêté par le Roi.
Sous-section 4. Code Civil
Art. 1240bis, Code civil
§ 1er. Sauf disposition légale contraire, un débiteur
de bonne foi libère les avoirs d'un défunt de
manière libératoire à condition d'avoir été fait aux ou
sur instruction des personnes désignées par un
certificat d'hérédité rédigé par le bureau compétent
de l'Administration générale de la Documentation
patrimoniale ou par un certificat ou un acte
d'hérédité rédigé par un notaire.
§ 1er. Sauf disposition légale contraire, un
débiteur de bonne foi libère les avoirs d'un
défunt de manière libératoire à condition d'avoir
été fait, soit aux ou sur instruction des
personnes désignées par un certificat ou un
acte d’hérédité, soit à ou sur instruction d’un
mandataire judiciaire, après présentation :
Le certificat ou l'acte d'hérédité est délivré sur
demande d'une partie intéressée en vue de la
libération des avoirs visée à l'alinéa 1er.
- d’un certificat d’hérédité rédigé par le bureau
compétent de l’Administration générale de la
documentation patrimoniale ; ou
- d’un certificat ou d’un acte d’hérédité rédigé
par un notaire.
§ 2. L'acte ou le certificat délivré n'exempte en
aucun cas le débiteur visé au paragraphe 1er,
d'éventuelles autres obligations légales prescrites
pour le déblocage de ces avoirs.
§ 2. L'acte ou le certificat délivré n'exempte en
aucun cas le débiteur visé au paragraphe 1er,
d'éventuelles autres obligations légales prescrites
pour le déblocage de ces avoirs.
§ 3. La partie intéressée est libre de s'adresser au
bureau visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou au
notaire. Dans les cas où la succession du défunt
§ 3. La partie intéressée est libre de s'adresser au
bureau visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou au
notaire. Dans les cas où la succession du défunt
294
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
29
n'est pas exclusivement dévolue conformément aux
dispositions des articles 718 à 755, en cas de
présence de successeurs incapables ou s'il est
question de dispositions de dernière volonté, d'une
institution contractuelle ou d'un contrat de mariage
dans le chef du défunt, seul le notaire est autorisé à
délivrer un acte ou un certificat d'hérédité.
n'est pas exclusivement dévolue conformément aux
dispositions des articles 718 à 755, en cas de
présence de successeurs incapables ou s'il est
question de dispositions de dernière volonté, d’un
pacte successoral, d'une institution contractuelle
ou d'un contrat de mariage dans le chef du défunt,
seul le notaire est autorisé à délivrer un acte ou un
certificat d'hérédité.
§ 4. Tant l'acte que le certificat d'hérédité
mentionnent clairement qui sont les successibles
qui peuvent prétendre aux avoirs du défunt, avec
mention des données d'identification suivantes :
nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse
et éventuellement date de décès.
§ 4. Tant l'acte que le certificat d'hérédité
mentionnent clairement qui sont les successibles
qui peuvent prétendre aux avoirs du défunt, avec
mention des données d'identification suivantes :
nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse
et éventuellement date de décès.
Le cas échéant, il mentionne le numéro de Registre
national, du Registre bis ou le numéro d'entreprise
des parties intéressées.
Le cas échéant, il mentionne le numéro
d’identification du Registre national, le numéro
d’identification à la Banque-Carrefour de la
Sécurité sociale ou le numéro d’identification à
la Banque-Carrefour des entreprises.
§ 5. Le notaire ou le bureau de l'Administration
générale de la Documentation patrimoniale visé au
paragraphe 1er, alinéa 1er, peuvent refuser toute
remise de certificat ou d'acte d'hérédité si les pièces
présentées par la partie intéressée requérante, les
déclarations faites et les recherches effectuées ne
leur permettent pas de désigner les héritiers avec
certitude.
§ 5. Le notaire ou le bureau de l'Administration
générale de la Documentation patrimoniale visé au
paragraphe 1er, alinéa 1er, peuvent refuser toute
remise de certificat ou d'acte d'hérédité si les pièces
présentées par la partie intéressée requérante, les
déclarations faites et les recherches effectuées ne
leur permettent pas de désigner les héritiers avec
certitude.
Section 3 - Dispositions réparatrices des articles
418 et 419 du Code des impôts sur les revenus
1992
Art. 418, CIR 92
En cas de remboursement d'impôts, de précomptes,
de versements anticipés, d'intérêts de retard,
d'accroissements
d'impôts
ou
d'amendes
administratives, un intérêt moratoire est alloué au
taux (1) tel que déterminé conformément à l'alinéa
2, à compter du premier jour du mois qui suit celui
au cours duquel l'administration a été mise en
demeure par sommation ou par autre acte
équivalent.
En cas de remboursement d'impôts, de précomptes,
de versements anticipés, d'intérêts de retard,
d'accroissements
d'impôts
ou
d'amendes
administratives, un intérêt moratoire est alloué au
taux (1) tel que déterminé conformément à l'alinéa
2, à compter du premier jour du mois qui suit celui
au cours duquel l'administration a été mise en
demeure par sommation ou par autre acte
équivalent. Lorsque le paiement des impôts,
précomptes, versements anticipés, intérêts de
retard, accroissements d’impôts ou amendes
administratives intervient postérieurement à la
mise en demeure adressée à l’administration,
l’intérêt moratoire est alloué à compter du
premier jour du mois qui suit le paiement
295
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
30
effectif.
Ce taux est égal au taux calculé conformément à
l'article 414, § 1er, alinéa 2, diminué de 2 points de
pourcentage.
Ce taux est égal au taux calculé conformément à
l'article 414, § 1er, alinéa 2, diminué de 2 points de
pourcentage.
Cet intérêt est calculé par mois civil sur le montant
de chaque paiement arrondi au multiple inférieur de
10 euros; le mois pendant lequel le remboursement
est liquidé est négligé.
Cet intérêt est calculé par mois civil sur le montant
de chaque paiement arrondi au multiple inférieur de
10 euros; le mois pendant lequel le remboursement
est liquidé est négligé.
Art. 86, loi du 25 décembre 2017 portant réforme
de l'impôt des sociétés
A. Les articles 5, 1°, 6, 1°, 11, 1°, 3° et 4°, 13 à
15, 17, 1°, 21, 1°, 24 à 26, 28, 29, 30, 1°, 3°, et
5°, 31, 1°, 32, 37, 39, 1° et 3°, 41, 1° à 4°, 43,
1°, 44, 1°, 45, 46, 49, 50, 52, 2° à 6°, 53, 1° et
3° à 6°, 54, 1°, 2° et 4°, 55, 1°, 3° et 5°, 56, 57,
59, 66, 67, 1°, 74, 78, 82 et 85 entrent en
vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables à
partir de l'exercice d'imposition 2019 se
rattachant à une période imposable qui débute
au plus tôt le 1er janvier 2018.
A. Les articles 5, 1°, 6, 1°, 11, 1°, 3° et 4°, 13 à
15, 17, 1°, 21, 1°, 24 à 26, 28, 29, 30, 1°, 3°, et
5°, 31, 1°, 32, 37, 39, 1° et 3°, 41, 1° à 4°, 43,
1°, 44, 1°, 45, 46, 49, 50, 52, 2° à 6°, 53, 1° et
3° à 6°, 54, 1°, 2° et 4°, 55, 1°, 3° et 5°, 56, 57,
59, 66, 67, 1°, 74, 78, 82 et 85 entrent en
vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables à
partir de l'exercice d'imposition 2019 se
rattachant à une période imposable qui débute
au plus tôt le 1er janvier 2018.
B1. Les articles 3, [1 18, 1°, 2° et 4°]1, 20, 33,
35, 39, 5° et 9°, [1 44, 2° et 3°]1, 47, 48, [1 53,
2°, 53/1, 73 et 73/1]1 entrent en vigueur le 1er
janvier 2019 et sont applicables à partir de
l'exercice d'imposition 2020 se rattachant à une
période imposable qui débute au plus tôt le 1er
janvier 2019.
B1. Les articles 3, [1 18, 1°, 2° et 4°]1, 20, 33,
35, 39, 5° et 9°, [1 44, 2° et 3°]1, 47, 48, [1 53,
2°, 53/1, 73 et 73/1]1 entrent en vigueur le 1er
janvier 2019 et sont applicables à partir de
l'exercice d'imposition 2020 se rattachant à une
période imposable qui débute au plus tôt le 1er
janvier 2019.
B2. Les articles 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18,
3°, [1 20/1,]1 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° et 6°,
31, 2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° à 8° et 10° à 15°,
40, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, [1 55, 4°]1, 58,
[1 ...]1 61, 1°, 62 à 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83
et 84 entrent en vigueur le 1er janvier 2020 et
sont
applicables
à
partir
de
l'exercice
d'imposition 2021 se rattachant à une période
imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier
2020.
B2. Les articles 5, 2°, 6, 2°, 7, 8, 10, 11, 2°, 18,
3°, [1 20/1,]1 21, 2°, 22, 23, 27, 30, 2°, 4° et 6°,
31, 2°, 34, 36, 39, 2°, 4°, 6° à 8° et 10° à 15°,
40, 41, 5°, 42, 51, 52, 1°, 54, 3°, [1 55, 4°]1, 58,
[1 ...]1 61, 1°, 62 à 65, 67, 2°, 72, 75, 1°, 81, 83
et 84 entrent en vigueur le 1er janvier 2020 et
sont
applicables
à
partir
de
l'exercice
d'imposition 2021 se rattachant à une période
imposable qui débute au plus tôt le 1er janvier
2020.
C. Les articles 4, 1° et 2°, 16 et 68 entrent en
vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables
aux opérations de réduction de capital et de
remboursement de primes d'émission ou de
parts bénéficiaires assimilées à du capital libéré
qui sont décidées par l'assemblée générale à
partir du 1er janvier 2018.
C. Les articles 4, 1° et 2°, 16 et 68 entrent en
vigueur le 1er janvier 2018 et sont applicables
aux opérations de réduction de capital et de
remboursement de primes d'émission ou de
parts bénéficiaires assimilées à du capital libéré
qui sont décidées par l'assemblée générale à
partir du 1er janvier 2018.
Les articles 4, 3°, et 9 entrent en vigueur le 1er
janvier 2020 et sont applicables aux intérêts qui
se rapportent aux périodes après le 31
décembre 2019.
Les articles 4, 3°, et 9 entrent en vigueur le 1er
janvier 2020 et sont applicables aux intérêts qui
se rapportent aux périodes après le 31
décembre 2019.
Les articles 17, 2° à 5°, 19, 61, 2°, et 76 entrent
Les articles 17, 2° à 5°, 19, 61, 2°, et 76 entrent
296
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
31
en vigueur le 1er janvier 2019 et sont
applicables aux transferts qui ont lieu à partir du
1er janvier 2019.
en vigueur le 1er janvier 2019 et sont
applicables aux transferts qui ont lieu à partir du
1er janvier 2019.
L'article 29 entre en vigueur le 1er janvier 2018
et n'est pas applicable aux provisions ou
dotations aux provisions qui ont été constituées
pendant des périodes imposables qui ont
commencé avant le 1er janvier 2018.
L'article 29 entre en vigueur le 1er janvier 2018
et n'est pas applicable aux provisions ou
dotations aux provisions qui ont été constituées
pendant des périodes imposables qui ont
commencé avant le 1er janvier 2018.
L'article 38 entre en vigueur le 1er janvier 2020
et est applicable aux immobilisations acquises
ou constituées à partir du 1er janvier 2020.
L'article 38 entre en vigueur le 1er janvier 2020
et est applicable aux immobilisations acquises
ou constituées à partir du 1er janvier 2020.
Les articles 69 et 70 entrent en vigueur le 1er
janvier 2018 et sont applicables aux dividendes
payés ou attribués à partir du 1er janvier 2018.
Les articles 69 et 70 entrent en vigueur le 1er
janvier 2018 et sont applicables aux dividendes
payés ou attribués à partir du 1er janvier 2018.
L'article 71, 1°, 4° et 5°, entre en vigueur le 1er
janvier
2018
et
est
applicable
aux
rémunérations payées ou attribuées à partir du
1er janvier 2018 et jusqu'au 31 décembre 2019.
L'article 71, 1°, 4° et 5°, entre en vigueur le 1er
janvier
2018
et
est
applicable
aux
rémunérations payées ou attribuées à partir du
1er janvier 2018 et jusqu'au 31 décembre 2019.
L'article 71, 2° et 6° à 8°, entre en vigueur le 1er
janvier
2018
et
est
applicable
aux
rémunérations payées ou attribuées à partir du
1er janvier 2018.
L'article 71, 2° et 6° à 8°, entre en vigueur le 1er
janvier
2018
et
est
applicable
aux
rémunérations payées ou attribuées à partir du
1er janvier 2018.
L'article 71, 3°, entre en vigueur le 1er janvier
2020 et est applicable aux rémunérations
payées ou attribuées à partir du 1er janvier
2020.
L'article 71, 3°, entre en vigueur le 1er janvier
2020 et est applicable aux rémunérations
payées ou attribuées à partir du 1er janvier
2020.
L'article 75, 2°, entre en vigueur à partir de
l'exercice d'imposition 2022.
L'article 75, 2°, entre en vigueur à partir de
l'exercice d'imposition 2022.
Les articles 77, 79 et 80 entrent en vigueur le
1er janvier 2018 et sont applicables à partir du
1er janvier 2018. Les modifications, par les
articles 79 et 80, de la date de départ pour
l'application
de
l'intérêt
moratoire
visée
respectivement aux articles 418, alinéa 1er, et
419, alinéa 1er, 6°, et alinéa 2, du Code des
impôts sur les revenus 1992 sont applicables
aux enrôlements effectués à partir du 1er
janvier 2018.
Les articles 77, 79 et 80 sont applicables à
partir du 1er janvier 2018. Les articles 79 et
80, en tant qu’ils modifient la date de départ
des intérêts moratoires visés aux articles
418, alinéa 1er, et 419, alinéa 1er, 6°, du Code
des impôts sur les revenus 1992, sont
applicables aux enrôlements effectués à
partir du 1er janvier 2018. En cas de
cotisations
subséquentes,
la
date
d’enrôlement de la cotisation primitive est
prise en considération pour l’application des
présentes dispositions. L’article 79, en tant
qu’il modifie la date de départ des intérêts
moratoires pour l’application de l’article 418,
alinéa 1er, du même Code, est applicable aux
précompte
professionnel
et
précompte
mobilier
rattachés
aux
exercices
d’imposition 2018 et suivants.
L’article 80, en tant qu’il modifie la date de
départ
des
intérêts
moratoires
pour
297
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
32
l’application de l’article 419, alinéa 2, du
même Code, est applicable aux précompte
professionnel,
précompte
mobilier
et
versements
anticipés
rattachés
aux
exercices d’imposition 2018 et suivants.
D. Toute modification apportée à la date de
clôture de l'exercice comptable à partir du 26
juillet 2017, reste sans effet pour l'application
des dispositions du présent chapitre.
D. Toute modification apportée à la date de
clôture de l'exercice comptable à partir du 26
juillet 2017, reste sans effet pour l'application
des dispositions du présent chapitre.
TITRE IV – DISPOSITIONS FINANCIERES
Chapitre 1er - Modifications de la loi du 31 juillet
2017 portant des dispositions financières et
fiscales diverses et portant des mesures en
matière de contrats de concession
Loi du 31 juillet 2017 portant des dispositions
financières et fiscales diverses et portant des
mesures en matière de contrats de concession
…
…
TITRE II. - Dispositions financières
TITRE II. - Dispositions financières
CHAPITRE 1er. - Fonds monétaire, Monnaie
royale de Belgique et frappe des pièces de
monnaie
CHAPITRE 1er. - Fonds monétaire, Monnaie
royale de Belgique et frappe des pièces de
monnaie
…
…
Section 3. - Transformation de la Monnaie royale
de Belgique en service administratif à comptabilité
autonome
Section 3. - Transformation de la Monnaie royale
de Belgique en service administratif
Art. 7, loi du 31 juillet 2017
L'entreprise d'Etat "Monnaie royale de Belgique"
est
transformée
en
service
administratif
à
comptabilité autonome.
Le
service
administratif
à
comptabilité
autonome "Monnaie royale de Belgique" est
transformé en service administratif, intégré au
sein
de
l’Administration
générale
de
la
Trésorerie du Service public fédéral Finances.
Ce service administratif est dénommé "Monnaie
royale de Belgique" et est appelé ci-après
"Monnaie".
Ce service administratif est dénommé "Monnaie
royale de Belgique" et est appelé ci-après
"Monnaie".
Le Roi fixe les modalités d'exécution de cette
transformation, ainsi que de l'organisation et du
fonctionnement de la Monnaie.
Art. 8, loi du 31 juillet 2017
Les missions de la Monnaie comprennent :
(abrogé)
a) les missions exercées directement par la
Monnaie, à savoir :
298
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
33
1° la commande de pièces de circulation;
2° le contrôle de qualité des pièces de monnaie en
circulation et l'aide au dépistage des fausses
pièces de monnaie;
3° la représentation de l'Etat belge au niveau
international;
4° l'exécution de toutes les activités imposées par
la loi, autres que celles mentionnées sous 1° à 3° ;
b) les autres missions de la Monnaie qui peuvent
faire l'objet d'une cession, d'une concession ou
d'une sous-traitance, notamment la fabrication des
pièces de circulation, l'exercice des activités
commerciales, le design des pièces de monnaie et
la vente de métaux provenant de pièces de
monnaie définitivement retirées de la circulation.
De plus, la Monnaie peut vendre pour son propre
compte tous les biens qui ne sont plus utilisés pour
l'exécution de ses missions.
Art. 9, loi du 31 juillet 2017
La Monnaie est placée sous l'autorité du ministre
des Finances.
(abrogé)
Art. 10, loi du 31 juillet 2017
La Monnaie perçoit :
La Monnaie perçoit :
1° la rétribution pour l'exécution des activités
visées à l'article 8, alinéa 1er, a), 4° ;
1° la rétribution pour l'exécution des activités
visées à l'article 8, alinéa 1er, a), 4° ;
2° la rétribution, la redevance ou toute autre
contrepartie en cas de cession, concession ou
sous-traitance des missions reprises à l'article 8,
alinéa 1er, b);
2° la rétribution, la redevance ou toute autre
contrepartie en cas de cession, concession ou
sous-traitance des missions reprises à l'article 8,
alinéa 1er, b);
3° le produit de toute vente de biens effectuée en
vertu de l'article 8, alinéa 2;
(abrogé)
4° une dotation provenant du budget général des
dépenses.
(abrogé)
Art. 12, loi du 31 juillet 2017
Les
membres
du
personnel
statutaires
et
contractuels de la Monnaie sont transférés au
Service public fédéral Finances.
(abrogé)
Le Roi fixe les modalités des transferts.
Chapitre 2 - Création d’un fonds budgétaire
relatif aux opérations de monétisation et de
démonétisation de la Monnaie royale de
299
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
34
Belgique de l’Administration générale de la
Trésorerie du Service public fédéral Finances et
modification de la loi organique du 27
décembre 1990 créant des fonds budgétaires
Section
première
-
Création
du
fonds
budgétaire
relatif
aux
opérations
de
monétisation et de démonétisation de la
Monnaie royale de Belgique
Section 2 - Modification de la loi organique du
27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires
Chapitre 3 – Abrogation
Art. 4, § 5, arrêté royal du 18 janvier 1990
§ 5. Mensuellement l'essayeur du Gouvernement
remet au comptable de la Monnaie Royale de
Belgique les recettes du Bureau de la Garantie
issues des frais et droits prévus aux § 2, § 3 et § 4
du présent article.
§ 5. Mensuellement l'essayeur du Gouvernement
remet au comptable de la Monnaie Royale de
Belgique les recettes du Bureau de la Garantie
issues des frais et droits prévus aux § 2, § 3 et § 4
du présent article.
L'ensemble de ces recettes est versé par le
comptable au compte de recettes du Trésor public.
(abrogé)
TITRE V – DISPOSITIONS DIVERSES
Chapitre 1er – Modifications au Code des impôts
sur les revenus 1992
Section
première
–
Revenus
issus
de
l'économie collaborative, du travail associatif
ou des services occasionnels entre citoyens
Art. 90, alinéa 3, CIR 92
Sans préjudice de l'application des précomptes,
les revenus des biens immobiliers, les revenus
des capitaux et biens mobiliers ainsi que les
revenus de sous-location d'immeubles visés à
l'alinéa 1er, 5°, sont considérés comme des
revenus visés, selon le cas, à l'alinéa 1er, 1° bis,
1° ter ou 1° quater, dans la mesure où ces
biens et capitaux sont utilisés par le bénéficiaire
de ces revenus pour recueillir les revenus
susvisés.
Les revenus des biens immobiliers, les
revenus des biens mobiliers visés à l'article
17, § 1er, 3° et 5°, ainsi que les revenus de
sous-location d'immeubles visés à l'alinéa
1er, 5°, sont considérés comme des revenus
visés, selon le cas, à l'alinéa 1er, 1° bis, 1° ter
ou 1° quater, dans la mesure où ces biens sont
utilisés par le bénéficiaire de ces revenus pour
recueillir les revenus susvisés.
Art. 97/1, CIR 92 (rétabli)
Art. 97/1. Les revenus visés à l'article 90,
alinéa 1er, 1°bis à 1°quater, s'entendent de
leur montant net, c'est-à-dire le montant brut
diminué des frais dont le contribuable
apporte la preuve qu'ils ont été exposés ou
supportés durant la période imposable afin
300
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
35
d'acquérir ou de conserver ces revenus.
Le montant brut des revenus est déterminé
conformément à l'article 90/1, alinéas 2 et 3.
Art. 102ter, CIR 92 (nouveau)
Art. 102ter. Les pertes éprouvées pendant la
période
imposable
dans
l'exercice
d'activités visées à l'article 90, alinéa 1er,
1°bis, 1°ter ou 1°quater sont déduites
proportionnellement des autres revenus
résultant de telles activités.
Section 2 – Simplification en matière d'IPP
Art. 38, § 1er, CIR 92
§ 1er. Sont exonérées :
§ 1er. Sont exonérées :
(…)
(…)
Lorsque les avantages visés à l'alinéa 1er,
24°,
comprennent
à
la
fois
des
rémunérations visées à l'article 31 et à
l'article
32,
le
montant
maximum
de
l'exonération
est
imputé
proportionnellement sur chacune de ces
rémunérations.".
L'exonération visée à l'alinéa 1er, 9°, ne peut
être cumulée pour le même déplacement ou
partie de celui-ci avec celle visée à l'alinéa 1er,
14°.
L'exonération visée à l'alinéa 1er, 9°, ne peut
être cumulée pour le même déplacement ou
partie de celui-ci avec celle visée à l'alinéa 1er,
14°.
Les rémunérations payées ou attribuées en
exécution d'un contrat de travail flexi-job, visées
à l'alinéa 1er, 29°, sont mentionnées sur la note
de calcul qui est jointe à l'avertissement-extrait
de rôle en matière d'impôt des personnes
physiques du travailleur.
Les rémunérations payées ou attribuées en
exécution d'un contrat de travail flexi-job, visées
à l'alinéa 1er, 29°, sont mentionnées sur la note
de calcul qui est jointe à l'avertissement-extrait
de rôle en matière d'impôt des personnes
physiques du travailleur.
Les exonérations visées à l'alinéa 1er, 9°, a) et
b), et 14°, ne sont pas applicables lorsque le
contribuable
perçoit
simultanément
une
allocation de mobilité en application de la loi du
30 mars 2018 concernant l'instauration d'une
allocation de mobilité, sauf le cas visé à l'article
9, § 3, de la même loi.
Les exonérations visées à l'alinéa 1er, 9°, a) et
b), et 14°, ne sont pas applicables lorsque le
contribuable
perçoit
simultanément
une
allocation de mobilité en application de la loi du
30 mars 2018 concernant l'instauration d'une
allocation de mobilité, sauf le cas visé à l'article
9, § 3, de la même loi.
Art. 538, CIR 92
L'article 38, § 1er, alinéa 1er, 27°, et § 5, tel qu'il
existait avant d'être abrogé par l'article 100, 1°
et 2°, de la loi du 26 décembre 2013 concernant
l'introduction d'un statut unique entre ouvriers et
(abrogé)
301
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
36
employés en ce qui concerne les délais de
préavis et le jour de carence ainsi que de
mesures
d'accompagnement
reste
aussi
applicable après le 1er janvier 2014 pour autant
que le licenciement est porté à la connaissance
du travailleur avant le 1er janvier 2014.
La
même
disposition
reste
également
applicable après le 1er janvier 2014 lorsque le
licenciement est donné par l'employeur à partir
du 1er janvier 2014 au travailleur réunissant les
conditions cumulatives suivantes :
- il est concerné par un projet de licenciement
collectif notifié, conformément à l'article 66, § 2,
alinéa 1er, de la loi du 13 février 1998 portant
des dispositions en faveur de l'emploi, au plus
tard le 31 décembre 2013;
- il se voit appliquer les dispositions d'une
convention collective de travail encadrant les
conséquences du licenciement collectif et ayant
été déposée, au plus tard le 31 décembre 2013,
au greffe de la Direction générale Relations
collectives de travail du Service public fédéral
Emploi, Travail et Concertation sociale.
Chapitre 2 – Modification au Code des droits
et taxes divers
Art. 10, C.D.T.D.
Sont assujettis à un droit de 2 euros les actes
de refus de transcription de saisie, ainsi que les
certificats, copies ou extraits, délivrés par
l'Administration générale de la Documentation
patrimoniale.
Sont assujettis à un droit de 2 euros les actes
de refus de transcription de saisie, ainsi que les
certificats, copies ou extraits, délivrés par
l'Administration générale de la Documentation
patrimoniale, dans le cadre de la publicité
hypothécaire.
Chapitre 3 – Modification au Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Art. 921, C.D.E.
Sans préjudice de l’article 91, le droit visé aux
articles 87 et 88 couvre toute constitution
d’hypothèque qui serait consentie dans la suite
pour sûreté d’une même créance et du même
montant garanti.
Le droit visé à l’article 88 et à l’article 3,
alinéa 1er, 7°, a) de la loi spéciale du 16
janvier 1989 relative au financement des
Communautés et des Régions couvre toute
constitution ultérieure d‘hypothèque sur un
navire qui serait consentie dans la suite
pour sûreté d’une même créance et du
même montant garanti.
302
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
37
TITRE
VI
–
RÉTRO-IMPUTATION
DES
PERTES
EN
COMPENSATION
DE
DOMMAGE
CAUSÉ
AUX
CULTURES
AGRICOLES,
PROVOQUÉ
PAR
DES
CONDITIONS
MÉTÉOROLOGIQUES
DÉFAVORABLES
Art. 2, CIR 92
§ 1er. Pour l'application du présent Code, des
dispositions légales particulières relatives aux
impôts sur les revenus et des arrêtés pris pour
leur exécution, les termes suivants ont le sens
défini dans le présent article.
§ 1er. Pour l'application du présent Code, des
dispositions légales particulières relatives aux
impôts sur les revenus et des arrêtés pris pour
leur exécution, les termes suivants ont le sens
défini dans le présent article.
1° Habitants du Royaume
1° Habitants du Royaume
…
…
4° Enfants
4° Enfants
Par enfants, on entend les descendants du
contribuable et ceux de son conjoint ainsi que
les enfants dont il assume la charge exclusive
ou principale.
Par enfants, on entend les descendants du
contribuable et ceux de son conjoint ainsi que
les enfants dont il assume la charge exclusive
ou principale.
4°/1 Moyenne entreprise
Par moyenne entreprise on entend une
personne physique ou morale exerçant une
activité économique, qui occupe pour au
moins deux des trois dernières périodes
imposables clôturées une moyenne de
personnel de moins de 250 personnes en
équivalents temps plein et dont :
- le chiffre d'affaires à l'exclusion de la taxe
sur la valeur ajoutée n'excède pas le
montant de 50 millions d'euros ; ou
- le total du bilan n'excède pas le montant de
43 millions d'euros.
Lorsque la période imposable a une durée
inférieure ou supérieure à douze mois, le
montant du chiffre d'affaires à l'exclusion de
la taxe sur la valeur ajoutée, visé à l’alinéa
1er, est multiplié par une fraction dont le
dénominateur est douze et le numérateur le
nombre de mois compris dans la période
imposable considérée, tout mois commencé
étant compté pour un mois complet.
Si l’entreprise est une entreprise liée, les
critères en matière de chiffre d’affaires et de
total du bilan sont calculés sur une base
consolidée. Pour déterminer la moyenne de
personnel d’une entreprise liée, la moyenne
303
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
38
de personnel de chacune des sociétés liées
au cours de la période imposable est
additionnée.
Le chiffre d'affaires, le total du bilan et la
moyenne de personnel visés à l'alinéa 1er
sont augmentés du chiffre d'affaires, du total
du bilan et de la moyenne de personnel de
chaque entreprise partenaire, à concurrence
du pourcentage le plus élevé des quatre
pourcentages suivants :
- soit le pourcentage de participation, visé
au paragraphe 4, alinéa 1er, de l'entreprise
citée en premier lieu dans les droits de
l'autre entreprise ;
- soit le pourcentage de participation, visé
au paragraphe 4, alinéa 1er, de l'autre
entreprise dans les droits de vote de
l'entreprise citée en premier lieu ;
- soit le pourcentage de participation, visé
au paragraphe 4, alinéa 1er, de l'entreprise
citée en premier lieu dans le capital de
l'autre entreprise ;
- soit le pourcentage de participation, visé
au paragraphe 4, alinéa 1er, de l'autre
entreprise dans le capital de l'entreprise
citée en premier lieu.
Dans le cas d'une entreprise nouvelle dont
la première, deuxième ou troisième période
imposable n’est pas encore clôturée, les
données à prendre en considération sont
déterminés au moyen d'une estimation
effectuée de bonne foi au cours de la
période imposable.
Une entreprise ne peut pas être une
moyenne entreprise si le contrôle sur le
capital ou sur les droits de vote de
l'entreprise est exercé, directement ou
indirectement,
à
titre
individuel
ou
conjointement, pour 25 p.c. ou plus par un
ou plusieurs pouvoirs adjudicateurs visés à
l'article 2 de la loi de 17 juin 2016 relative
aux marchés publics. Les cas visés au
paragraphe 4, alinéa 2, qui ne sont pas liés à
l'entreprise précitée ne sont pas considérés
comme
pouvoirs
adjudicateurs
pour
l’application du présent alinéa.
4°/2 Entreprise en difficulté
Par entreprise en difficulté on entend une
304
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
39
entreprise:
- pour laquelle une demande de faillite est
introduite ou dont à ce moment la gestion de
tout ou partie de l'actif lui est retirée comme
cela est prévu aux articles 7 et 8 de la loi sur
les faillites ;
-
pour
laquelle
une
procédure
de
réorganisation
judiciaire
est
entamée
comme cela est prévu à l'article 23 de la loi
relative à la continuité des entreprises ;
- qui est une société dissoute et se trouve en
liquidation ;
- dont à la suite de pertes, l'actif net est
réduit à un montant inférieur à la moitié de la
part fixe du capital social ;
- qui a reçu des aides qui ont été
considérées comme compatibles par la
Commission européenne avec des lignes
directrices concernant les aides d'Etat au
sauvetage
et
à
la
restructuration
d'entreprises en difficulté autres que les
établissements financiers du 31 juillet 2014
(JO C 249) ou avec l'article 107, alinéa 3, b,
du Traité sur le fonctionnement de l'Union
européenne et qui en cas d'aide au
sauvetage n’a pas encore remboursé le prêt
ou mis fin à la garantie ou en cas d’aide à la
restructuration est toujours soumis au plan
de restructuration.
5° Sociétés
5° Sociétés
…
…
§ 4. Pour l’application du paragraphe 1er,
4°/1, une entreprise est considérée comme
entreprise partenaire si l'entreprise citée en
premier lieu n’est pas liée à cette autre
entreprise, et si :
- l'entreprise citée en premier lieu ne
rassemble pas avec ces entreprises liées à
cette entreprise une participation de 25 p.c.
ou plus du capital ou des droits de vote de
l'autre entreprise ; ou
- l'autre entreprise ne rassemble pas avec
ces entreprises liées à cette entreprise une
participation de 25 p.c. ou plus du capital ou
des droits de vote de l'entreprise citée en
premier lieu.
305
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
40
Les sociétés publiques de participation,
sociétés de capital à risque, business
angels, universités, centres de recherche à
but
non
lucratif,
investisseurs
institutionnels, fonds de développement
régional et autorités autonomes locales, tels
que visés à l’article 3, alinéa 2, de l’annexe I,
du
règlement
(UE)
651/2014
de
la
Commission du 17 juin 2014 déclarant
certaines catégories d'aides compatibles
avec le marché intérieur en application des
articles 107 et 108 du traité, ne sont, par
dérogation à l’alinéa 5, pas considérés
comme une entreprise partenaire pour
l’application du paragraphe 1er, 4°/1.
Pour l’application de l'alinéa 1er et du
paragraphe 1er, 4°/1, une entreprise est
considérée comme entreprise liée à une
autre entreprise si :
- l'entreprise citée en premier lieu a,
directement ou au moyen d'entreprises
tierces, la majorité des droits de vote des
actionnaires
ou
associés
de
l'autre
entreprise ;
- l'autre entreprise a, directement ou au
moyen d'entreprises tierces, la majorité des
droits de vote des actionnaires ou associés
de l'entreprise citée en premier lieu ;
- l'entreprise citée en premier lieu a,
directement ou au moyen d'entreprises
tierces, le droit de nommer ou de révoquer
la
majorité
des
membres
de
l'organe
d'administration,
de
direction
ou
de
surveillance de l'autre entreprise ;
- l'autre entreprise a, directement ou au
moyen d'entreprises tierces, le droit de
nommer ou de révoquer la majorité des
membres de l'organe d'administration, de
direction ou de surveillance de l'entreprise
citée en premier lieu ;
- l'entreprise citée en premier lieu a,
directement ou au moyen d'entreprises
tierces, le droit d'exercer une influence
dominante sur une autre entreprise en vertu
d'un contrat conclu avec cette entreprise ou
en vertu d'une clause contenue dans les
statuts de cette entreprise citée en dernier
lieu, sauf dans le cas où l'entreprise citée en
premier lieu se trouve dans le champ
d'application de l'alinéa 2 et que les faits
n'établissent
pas
que
ce
droit
est
306
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
41
effectivement exercé ;
- l'autre entreprise a, directement ou au
moyen
d'entreprises
tierces,
le
droit
d'exercer une influence dominante sur une
autre entreprise en vertu d'un contrat conclu
avec cette entreprise ou en vertu d'une
clause contenue dans les statuts de cette
entreprise citée en dernier lieu, sauf dans le
cas où l'autre entreprise se trouve dans le
champ d'application de l'alinéa 2 et que les
faits n'établissent pas que ce droit est
effectivement exercé ;
- l'entreprise citée en premier lieu est,
directement ou au moyen d'entreprises
tierces, l’actionnaire ou associée d'une autre
entreprise et contrôle seule, en vertu d'un
accord conclu avec d'autres actionnaires ou
associés de cette autre entreprise, la
majorité des droits de vote des actionnaires
ou associés de cette autre entreprise ;
- l'autre entreprise est, directement ou au
moyen d'entreprises tierces, l'actionnaire ou
associé de l'entreprise citée en premier lieu
et contrôle seule, en vertu d'un accord
conclu
avec
d'autres
actionnaires
ou
associés de cette entreprise citée en premier
lieu, la majorité des droits de vote des
actionnaires ou associés de cette entreprise
citée en premier lieu.
Pour l’application du paragraphe 1er, 4°/1, la
moyenne de personnel est le nombre moyen
des travailleurs exprimé en équivalents à
temps plein inscrits à la banque de données
DIMONA conformément à l'arrêté royal du 5
novembre 2002 instaurant une déclaration
immédiate de l'emploi, en application de
l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant
modernisation de la sécurité sociale et
assurant la viabilité des régimes légaux des
pensions, à la fin de chaque mois de la
période imposable, ou lorsque l'emploi ne
relève pas du champ d'application de cet
arrêté
royal,
le
nombre
moyen
des
travailleurs occupés à temps plein inscrits
au registre général du personnel ou dans un
document équivalent à la fin de chaque mois
de la période imposable considérée.
Ce nombre moyen des travailleurs est
augmenté, le cas échéant, du nombre des
personnes physiques qui exercent dans
l’entreprise une fonction dirigeante ou une
activité dirigeante de gestion journalière,
307
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
42
d'ordre commercial, financier ou technique
et qui ne sont pas enregistrées à la banque
de données DIMONA ni inscrites au registre
général du personnel précité ou dans le
document équivalent précité.
Le nombre des travailleurs exprimé en
équivalents à temps plein est égal au
volume de travail exprimé en équivalents
occupés à temps plein, à calculer pour les
travailleurs occupés à temps partiel sur la
base du nombre conventionnel d'heures à
prester par rapport à la durée normale de
travail
d'un
travailleur
à
temps
plein
comparable.
Art. 23, § 2, CIR 92
§ 2. Le montant net des revenus professionnels
s'entend du montant total de ces revenus, à
l'exception
des
revenus
exonérés
et
après
exécution des opérations suivantes :
§ 2. Le montant net des revenus professionnels
s'entend du montant total de ces revenus, à
l'exception
des
revenus
exonérés
et
après
exécution des opérations suivantes :
1° le montant brut des revenus de chacune des
activités professionnelles est diminué des frais
professionnels qui grèvent ces revenus ;
1° le montant brut des revenus de chacune des
activités professionnelles est diminué des frais
professionnels qui grèvent ces revenus ;
2° les pertes professionnelles éprouvées pendant
la période imposable, en raison d'une activité
professionnelle quelconque, sont déduites des
revenus des autres activités professionnelles ;
2° les pertes professionnelles éprouvées pendant
la période imposable, en raison d'une activité
professionnelle quelconque, sont déduites des
revenus des autres activités professionnelles ;
3°
des
revenus
professionnels
déterminés
conformément aux 1° et 2°, sont déduites les
pertes professionnelles des périodes imposables
antérieures.
3°
des
revenus
professionnels
déterminés
conformément aux 1° et 2°, sont déduites les
pertes professionnelles des périodes imposables
antérieures, ou, dans le cas mentionné à
l'article 78, § 2, des périodes imposables
ultérieures.
4° …
4° …
Art. 78, CIR 92
Les pertes professionnelles antérieures sont
successivement
déduites
des
revenus
professionnels
de
chacune
des
périodes
imposables suivantes.
§ 1er. Les pertes professionnelles antérieures
sont successivement déduites des revenus
professionnels
de
chacune
des
périodes
imposables suivantes.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, à la
demande du contribuable qui répond aux
conditions visées à l’alinéa 4, la partie des
pertes professionnelles qui est imputable au
dommage aux cultures agricoles, provoqué
par
des
conditions
météorologiques
défavorables et encouru dans une région
avec laquelle un accord de coopération visé
à l'alinéa 3 a été conclu, est déduite
consécutivement
des
revenus
308
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
43
professionnels
des
trois
périodes
imposables précédant la période imposable
dans
laquelle
ce
dommage
a
été
définitivement constaté, à commencer par la
plus ancienne. La partie de ces pertes
professionnelles qui ne peut pas être
déduite de ces revenus professionnels, est
déductible conformément au paragraphe 1er.
La partie des pertes professionnelles qui est
imputable au dommage défini à l'alinéa 1er
correspond
au
montant
des
pertes
professionnelles, limité successivement au
montant de la perte professionnelle de
l’activité professionnelle du contribuable
visée à l’article 23, § 1er, 1°, et au montant de
ce dommage qui a été définitivement
constaté dans la période imposable selon
les modalités prévues par l'accord de
coopération visé à l'alinéa 3.
La rétro-déduction de perte définie à l'alinéa
1er est applicable uniquement si le dommage
défini à l'alinéa 1er a été encouru sur le
territoire d'une région qui a conclu avec
l'autorité fédérale un accord de coopération
visant le respect conjoint des règles de
cumul telles que visées à l'article 8 du
règlement
(UE)
n°
702/2014
de
la
Commission du 25 juin 2014 déclarant
certaines
catégories
d'aides,
dans
les
secteurs agricole et forestier et dans les
zones rurales, compatibles avec le marché
intérieur, en application des articles 107 et
108 du traité sur le fonctionnement de
l'Union européenne. L'autorité fédérale et la
région définissent dans cet accord de
coopération,
en
complément
aux
dispositions de l'article 7 du règlement
précité, la manière dont l'intensité d'aide de
la
mesure
d'aide
visée
au
présent
paragraphe
doit
être
calculée.
Elles
établissent également dans cet accord de
coopération la façon dont la reconnaissance
des conditions météorologiques pouvant
être assimilées à une calamité naturelle a
lieu, la méthode selon laquelle, sur base des
dispositions de l'article 25 du règlement
précité, le dommage ayant été causé par des
circonstances
météorologiques
défavorables est constaté. Il est enfin
spécifié dans l'accord de coopération de
quelle façon des clarifications concernant le
moment où le dommage est définitivement
contaté peuvent être apportées.
309
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
44
Le présent paragraphe n'est applicable que
si le contribuable:
- est une moyenne entreprise ; et
- exploite une entreprise ayant pour but la
production des produits agricoles énumérés
à l’annexe I du Traité sur le fonctionnement
de l'Union européenne sans exercer d’autre
opération
modifiant
la
nature
de
ces
produits ;
- n'était pas une entreprise en difficulté au
moment où les dégâts ont été encourus ; et
- n'a pas supporté un ordre de récupération
suite à une décision de la Commission
déclarant une aide octroyée par la Belgique
illégale et incompatible avec le marché
intérieur.
La rétro-imputation des pertes ne peut
s'appliquer lorsque la somme de l'intensité
de
l'aide
déterminée
conformément
à
l'alinéa 2 et de l'intensité de l'aide octroyée
par la région pour indemniser le même
dommage que celui visé à l'alinéa 1er est
supérieure à l'intensité de l'aide maximale
définie à l'article 25, alinéas 9 et 10, du
règlement
(UE)
n°702/2014,
de
la
Commission, du 25 juin 2014 déclarant
certaines
catégories
d'aides,
dans
les
secteurs agricole et forestier et dans les
zones rurales, compatibles avec le marché
intérieur, en application des articles 107 et
108 du traité sur le fonctionnement de
l'Union européenne.
Pour l'application du présent paragraphe et
de l'article 206, § 4, on entend par
circonstances
météorologiques
défavorables,
les
circonstances
météorologiques
qui
peuvent
être
assimilées à une calamité naturelle, telles
que définies à l'article 2, alinéa 16, du
règlement
(UE)
n°702/2014,
de
la
Commission, du 25 juin 2014 déclarant
certaines
catégories
d'aides,
dans
les
secteurs agricole et forestier et dans les
zones rurales, compatibles avec le marché
intérieur, en application des articles 107 et
108 du traité sur le fonctionnement de
l'Union
européenne,
et
qui
sont
formellement reconnues selon la procédure
décrite dans l'accord de coopération visé à
l'alinéa 3.
310
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
45
Les pertes professionnelles pour lesquelles
l'application
de la rétro-déduction
des
pertes est demandée sont déduites après
déduction des pertes professionnelles de
périodes
imposables
antérieures
en
application du paragraphe 1er.
Le contribuable demande l’application de la
rétro-déduction
des
pertes
dans
la
déclaration se rapportant à la période
imposable au cours de laquelle le dommage
visé à l'alinéa 1er a été définitivement
constaté. Cette demande est définitive et
irrévocable. Le Roi peut fixer les modalités
de la demande.
Art. 206, CIR 92
…
§ 3. Dans l'éventualité où une société étrangère
transfère en Belgique son siège social, son
principal établissement ou son siège de
direction ou d'administration, la disposition du §
1er, alinéa 1er, est d'application pour ce qui
concerne les pertes professionnelles éprouvées
par cette société dans un établissement belge
dont cette société disposait avant ce transfert.
§ 3. Dans l'éventualité où une société étrangère
transfère en Belgique son siège social, son
principal établissement ou son siège de
direction ou d'administration, la disposition du §
1er, alinéa 1er, est d'application pour ce qui
concerne les pertes professionnelles éprouvées
par cette société dans un établissement belge
dont cette société disposait avant ce transfert.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, la
partie des pertes professionnelles qui, à la
demande du contribuable qui remplit les
critères visés à l'article 78, § 2, alinéa 4, est
imputable au dommage causé aux cultures
agricoles, provoqué par des conditions
météorologiques défavorables et encouru
dans une région avec laquelle un accord de
coopération visé à l'article 78, § 2, alinéa 3, a
été conclu, est déduite consécutivement des
revenus professionnels des trois périodes
imposables précédant la période imposable
dans
laquelle
ce
dommage
a
été
définitivement constaté, à commencer par la
plus ancienne. La partie de ces pertes
professionnelles qui ne peut pas être
déduite de ces revenus professionnels, est
déductible conformément au paragraphe 1er.
La partie des pertes professionnelles qui est
imputable au dommage défini à l'alinéa 1er
correspond
au
montant
des
pertes
professionnelles, limité au montant de ce
dommage qui a été définitivement constaté
dans
la
période
imposable
selon
les
modalités
prévues
par
l'accord
de
311
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
46
coopération visé à l'article 78, § 2, alinéa 3.
La rétro-imputation des pertes n'est pas
applicable si la somme de l'intensité de
l'aide déterminé conformément à l'article 78,
§ 2, alinéa 5, excède l'intensité maximale de
l'aide définie dans ce même alinéa.
Les pertes professionnelles pour lesquelles
l'application de la rétro-déduction de pertes
est
demandée
sont
déduites
après
déduction des pertes professionnelles de
périodes
imposables
antérieures
en
application du paragraphe 1er.
Le contribuable demande l’application de la
rétro-déduction
des
pertes
dans
la
déclaration se rapportant à la période
imposable au cours de laquelle le dommage
visé à l'alinéa 1er a été définitivement
constaté. Cette demande est définitive et
irrévocable. Le Roi peut fixer les modalités
de la demande.
Art. 2758, § 2, CIR 92
§ 2. La dispense de versement du précompte
professionnel visée dans le présent article est
applicable uniquement si l'employeur et le cas
échéant, la société visée au paragraphe 1er,
alinéa 4, qui a effectué l'investissement, occupe
pour au moins deux des trois dernières
périodes imposables clôturées antérieures à la
période imposable durant laquelle le formulaire
tel que visé au § 5 était valablement remis une
moyenne annuelle de personnel de moins de
250 personnes en équivalents temps plein et
dont :
§
2.
La
dispense
de
versement
du
précompte professionnel visée dans le
présent article est applicable uniquement si
l’employeur et le cas échéant, la société
visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a
effectué l’investissement, est une moyenne
entreprise.
- le chiffre d'affaires annuel hors taxe sur la
valeur ajoutée n'excède pas le montant de 50
millions d'EUR, ou
- le total bilan annuel n'excède pas le montant
de 43 millions d'EUR.
Sauf si l'employeur n'est pas une société, les
dispositions de l'article 15, §§ 3 à 5, du Code
des sociétés sont applicables pour l'examen du
respect des critères visés à l'alinéa 1er.
(abrogé)
Si l'employeur, ou la société visé à l'alinéa 1er
est liée au sens de l'article 11, du Code des
sociétés, les critères en matière de chiffre
d'affaires et de total du bilan sont calculés sur
une base consolidée. Quant au personnel
occupé, le nombre de travailleurs occupés en
moyenne annuelle par chacune des sociétés
312
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
47
liées est additionné.
Le chiffre d'affaires, le total du bilan et la
moyenne annuelle du personnel visés à l'alinéa
1er sont augmentés du chiffre d'affaires, du
total du bilan et de la moyenne annuelle du
personnel de chaque entreprise partenaire, à
concurrence du pourcentage le plus élevé des
deux pourcentages suivants :
- soit le pourcentage des droits de votes qui est
liée à la participation visée à l'alinéa 5;
- soit le pourcentage du capital qui représente
la participation visée à l'alinéa 5.
Pour l'application de l'alinéa 4, il y a lieu
d'entendre
par
entreprise
partenaire
une
personne physique ou morale qui n'est pas liée,
respectivement, à l'employeur visé à l'alinéa
1er, ou à la société visée au même alinéa, et :
- qui a une participation de 25 p.c. ou plus du
capital ou des droits de vote de, respectivement
cet employeur, ou cette société, ou;
- dont au moins 25 p.c. du capital ou des droits
de vote sont détenus par, respectivement, cet
employeur, ou cette société.
Les
sociétés
publiques
de
participation,
sociétés de capital à risque, business angels,
universités, centres de recherche à but non
lucratif, investisseurs institutionnels, fonds de
développement régional et autorités autonomes
locales, tels que visés à l'article 3, alinéa 2, de
l'annexe I, du règlement (UE) 651/2014 de la
Commission
du
17
juin
2014
déclarant
certaines catégories d'aides compatibles avec
le marché intérieur en application des articles
107 et 108 du traité, ne sont, par dérogation à
l'alinéa 5, pas considérées comme une
entreprise partenaire pour l'application de
l'alinéa 4.
En outre, dispense de versement du précompte
professionnel visée dans le présent article est
applicable uniquement si le contrôle sur le
capital ou sur les droits de vote de l'employeur,
ou le cas échéant de la société ayant effectué
l'investissement visée au paragraphe 1er,
alinéa 4, est exercé au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5 directement ou
indirectement à titre individuel ou conjointement
pour moins de 25 p.c. par un ou plusieurs
pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 2 de la
loi de 15 juin 2006 relative aux marchés publics
et à certains marchés de travaux, de fournitures
313
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
48
et de services. Les cas visés à l'alinéa 6 ne
sont
pas
considérés
comme
pouvoirs
adjudicateurs pour l'application du présent
alinéa.
La dispense de versement du précompte
professionnel ne peut pas être appliquée par un
employeur :
La dispense de versement du précompte
professionnel visée dans le présent article
ne
peut
pas
être
appliquée
par
un
employeur qui, au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5, est une
entreprise en difficulté.
- pour lequel, au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5, ou une demande
de faillite est introduite ou dont à ce moment la
gestion de tout ou partie de l'actif lui est retirée
comme cela est prévu aux articles 7 et 8 de la
loi sur les faillites;
- pour lequel, au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5, une procédure de
réorganisation judiciaire est entamée comme
cela est prévu à l'article 23 de la loi relative à la
continuité des entreprises;
- qui est, au moment de la remise du formulaire
tel que visé au § 5, une société dissoute et se
trouve en liquidation;
- dont, au moment de la remise du formulaire
tel que visé au § 5, à la suite de pertes, l'actif
net est réduit à un montant inférieur à la moitié
de la part fixe du capital social;
- qui, au moment de la remise du formulaire tel
que visé au § 5, a reçu des aides qui ont été
considérées
comme
compatibles
par
la
Commission européenne avec des lignes
directrices concernant les aides d'Etat au
sauvetage et à la restructuration d'entreprises
en difficulté autres que les établissements
financiers du 31 juillet 2014 (JO C 249) ou avec
l'article 107, alinéa 3, b, du Traité sur le
fonctionnement de l'Union européenne et qui
en cas d'aide au sauvetage n’a pas encore
remboursé le prêt ou mis fin à la garantie ou en
cas d’aide à la restructuration est toujours
soumis au plan de restructuration.
Art. 2759, § 2, CIR 92
§ 2. La dispense de versement du précompte
professionnel est applicable uniquement à un
employeur qui ne remplit pas au moins un des
critères déterminés à l'article 2758, § 2, alinéas
1er à 7.
§
2.
La
dispense
de
versement
du
précompte professionnel visée dans le
présent article est applicable uniquement si
l’employeur ou le cas échéant, la société
visée au paragraphe 1er, alinéa 4, qui a
effectué l’investissement n’est pas une
314
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
49
moyenne entreprise.
La dispense de versement du précompte
professionnel ne peut pas être appliquée par un
employeur visé à l'article 2758, § 2, alinéa 8 ou
par un employeur:
La dispense de versement du précompte
professionnel visée dans le présent article
ne
peut
pas
être
appliquée
par
un
employeur qui, au moment de la remise du
formulaire tel que visé au § 5, est une
entreprise en difficulté ou par un employeur:
- dont pour les deux dernières périodes
imposables antérieures au moment de la
remise du formulaire tel que visé à l'article 2758,
§ 5:
- dont pour les deux dernières périodes
imposables antérieures au moment de la
remise du formulaire tel que visé à l'article 2758,
§ 5:
1) le montant total des dettes, visées à l’article
88 de l’arrêté royal du 30 janvier 2001 portant
exécution du Code des sociétés a dépassé 7,5
fois le montant total des capitaux propres visés
au même article, et;
1) le montant total des dettes, visées à l’article
88 de l’arrêté royal du 30 janvier 2001 portant
exécution du Code des sociétés a dépassé 7,5
fois le montant total des capitaux propres visés
au même article, et;
2) le montant mentionné au poste "Charges
des dettes" visé à l'article 89 du même arrêté,
diminué avec le montant mentionné au poste
"produits des immobilisations financières" visé
au même article est supérieur à l’EBITDA.
2) le montant mentionné au poste "Charges
des dettes" visé à l'article 89 du même arrêté,
diminué avec le montant mentionné au poste
"produits des immobilisations financières" visé
au même article est supérieur à l’EBITDA.
L’EBITDA est déterminé par le poste "Bénéfice
(Perte) de l'exercice avant impôts" visé à
l'article 89 du même arrêté, augmenté ou
diminué selon que ce sont des charges ou des
produits avec les postes suivants visés au
même article:
L’EBITDA est déterminé par le poste "Bénéfice
(Perte) de l'exercice avant impôts" visé à
l'article 89 du même arrêté, augmenté ou
diminué selon que ce sont des charges ou des
produits avec les postes suivants visés au
même article:
- charges des dettes;
- charges des dettes;
- autres charges financières;
- autres charges financières;
- produits des actifs circulants;
- produits des actifs circulants;
- autres produits financiers;
- autres produits financiers;
- amortissements et réductions de valeur sur
frais
d’établissement,
sur
immobilisations
incorporelles et corporelles;
- amortissements et réductions de valeur sur
frais
d’établissement,
sur
immobilisations
incorporelles et corporelles;
- réductions de valeur sur stocks, sur
commandes en cours d’exécution et sur
créances commerciales: dotations (reprises);
- réductions de valeur sur stocks, sur
commandes en cours d’exécution et sur
créances commerciales: dotations (reprises);
- amortissements et réductions de valeur
exceptionnels sur frais d’établissement, sur
immobilisations incorporelles et corporelles;
- amortissements et réductions de valeur
exceptionnels sur frais d’établissement, sur
immobilisations incorporelles et corporelles;
- reprises d'amortissements et de réductions
de valeur sur immobilisations incorporelles et
corporelles.
- reprises d'amortissements et de réductions
de valeur sur immobilisations incorporelles et
corporelles.
315
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
50
Art. 358/1, CIR 92 (nouveau)
Art. 358/1. Lorsqu'il est constaté que les
pertes
professionnelles
d'une
période
imposable
ont
été,
entièrement
ou
partiellement,
indûment
déduites
en
application de l'article 78, § 2, ou de l'article
206, § 4, des revenus professionnels des
périodes imposables antérieures et que
l'impôt pour ces périodes a été, entièrement
ou partiellement, indûment dégrevée en
application de l'article 375/1, cette déduction
indûment
accordée
peut
être
corrigée
durant le délai d'imposition applicable qui
est relatif à la période imposable au cours
de laquelle ces pertes professionnelles ont
eu lieu.
Art. 375/1, CIR 92 (nouveau)
Art.
375/1.
Le
conseiller
général
de
l'administration
en
charge
de
l’établissement des impôts sur les revenus
ou le fonctionnaire délégué par lui accorde
de plein droit le dégrèvement de l'impôt
excédentaire établi suite à l'arriéré de
déduction des pertes professionnelles en
application de l'article 78, § 2, ou de l'article
206, § 4.
Art. 409, CIR 92
En cas de réclamation, de demande de
dégrèvement visée à l'article 376 ou d'action en
justice, l'imposition contestée, en principal,
additionnels et accroissements, augmentée des
intérêts et des frais y afférents, peut faire l'objet
pour le tout de saisies conservatoires, de voies
d'exécution ou de toutes autres mesures
destinées à en garantir le recouvrement.
En cas de réclamation, de demande de
dégrèvement visée aux articles 375/1 et 376
ou d'action en justice, l'imposition contestée, en
principal,
additionnels
et
accroissements,
augmentée des intérêts et des frais y afférents,
peut faire l'objet pour le tout de saisies
conservatoires, de voies d'exécution ou de
toutes autres mesures destinées à en garantir
le recouvrement.
Art. 410, alinéa 1er, CIR 92
Toutefois, en cas de réclamation, de demande
de dégrèvement visée à l'article 376 ou d'action
en justice, l'imposition contestée en principal,
additionnels et accroissements, augmentée des
intérêts y afférents, est considérée comme une
dette liquide et certaine et peut être recouvrée
par voies d'exécution, ainsi que les frais de
toute nature, dans la mesure où elle correspond
au montant des revenus déclarés ou lorsqu'elle
a été établie d'office à défaut de déclaration,
dans la mesure où elle n'excède pas la dernière
imposition définitivement établie à charge du
redevable
pour
un
exercice
d'imposition
Toutefois, en cas de réclamation, de demande
de dégrèvement visée aux articles 375/1 et
376
ou
d'action
en
justice,
l'imposition
contestée
en
principal,
additionnels
et
accroissements, augmentée des intérêts y
afférents, est considérée comme une dette
liquide et certaine et peut être recouvrée par
voies d'exécution, ainsi que les frais de toute
nature, dans la mesure où elle correspond au
montant des revenus déclarés ou lorsqu'elle a
été établie d'office à défaut de déclaration, dans
la mesure où elle n'excède pas la dernière
imposition définitivement établie à charge du
316
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
51
antérieur.
redevable
pour
un
exercice
d'imposition
antérieur.
Art. 415/1, CIR 92 (nouveau)
Art. 415/1. Lorsqu'en application de l'article
375/1, un dégrèvement est accordé et que le
montant des pertes professionnelles qui
entre en considération pour la déduction
des pertes antérieures en application de
l’article 78, § 2, ou de l’article 206, § 4, est
modifié, un intérêt de retard est dû, par
dérogation aux articles 414 et 415, sur la
partie
de
l'impôt
qui
est
liée
à
la
modification
du
montant
des
pertes
professionnelles
portées
en
déduction,
calculé conformément à l'article 414, § 1er, à
compter du premier jour du mois qui suit le
mois durant lequel le dégrèvement a été
accordé.
Art. 419, alinéa 1er, CIR 92
Aucun intérêt moratoire n'est alloué :
Aucun intérêt moratoire n'est alloué :
1° lorsque son montant n'atteint pas 5 EUR par
mois, par cotisation, pour un même exercice
d'imposition ;
1° lorsque son montant n'atteint pas 5 EUR par
mois, par cotisation, pour un même exercice
d'imposition ;
2° lorsque le remboursement résulte de la
remise ou de la modération d'une amende ou
d'un accroissement, accordée à titre de grâce ;
2° lorsque le remboursement résulte de la
remise ou de la modération d'une amende ou
d'un accroissement, accordée à titre de grâce ;
3° en cas de remboursement d'excédent de
précompte
professionnel,
de
précompte
mobilier ou de versements anticipés, au
bénéficiaire des revenus, au plus tard à
l'expiration du deuxième mois qui suit le mois
au cours duquel le délai d'imposition visé à
l'article 359 ou à l'article 353, a expiré ;
3° en cas de remboursement d'excédent de
précompte
professionnel,
de
précompte
mobilier ou de versements anticipés, au
bénéficiaire des revenus, au plus tard à
l'expiration du deuxième mois qui suit le mois
au cours duquel le délai d'imposition visé à
l'article 359 ou à l'article 353, a expiré ;
4° en cas de remboursement de sommes
versées à titre de précompte mobilier ou à titre
de précompte professionnel, à leurs redevables
visés aux articles 261 et 270 ;
4° en cas de remboursement de sommes
versées à titre de précompte mobilier ou à titre
de précompte professionnel, à leurs redevables
visés aux articles 261 et 270 ;
4°/1 dans le cas d'un remboursement
d'impôt en application de l'article 375/1;
5° en cas de remboursement de versements
anticipés, en application de l'article 376, § 4 ;
5° en cas de remboursement de versements
anticipés, en application de l'article 376, § 4 ;
6°
lorsque
l'administration
a
été
raisonnablement dans l'impossibilité de liquider
le remboursement, en raison entre autres de
l'absence d'informations sur l'identité ou sur les
coordonnées bancaires du ou des bénéficiaires,
pendant la période s'étendant entre le premier
6°
lorsque
l'administration
a
été
raisonnablement dans l'impossibilité de liquider
le remboursement, en raison entre autres de
l'absence d'informations sur l'identité ou sur les
coordonnées bancaires du ou des bénéficiaires,
pendant la période s'étendant entre le premier
317
3424/001
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
52
jour du mois suivant celui pendant lequel le
remboursement aurait dû être liquidé si
l'administration
avait
eu
les
données
nécessaires, et la fin du deuxième mois suivant
le mois au cours duquel une mise en demeure
a été adressée à l'administration, et à la
condition que cette impossibilité ait cessé.
jour du mois suivant celui pendant lequel le
remboursement aurait dû être liquidé si
l'administration
avait
eu
les
données
nécessaires, et la fin du deuxième mois suivant
le mois au cours duquel une mise en demeure
a été adressée à l'administration, et à la
condition que cette impossibilité ait cessé.
Art. 443ter, CIR 92
§ 1er. Toute instance en justice relative à
l'établissement,
à
la
perception
ou
au
recouvrement des impôts et des précomptes
qui est introduite par l'Etat belge, par le
redevable de ces impôts ou précomptes ou par
toute autre personne tenue au paiement de la
dette en vertu du présent Code, des arrêtés pris
pour son exécution ou du droit commun,
suspend le cours de la prescription.
§ 1er. Toute instance en justice relative à
l'établissement,
à
la
perception
ou
au
recouvrement des impôts et des précomptes
qui est introduite par l'Etat belge, par le
redevable de ces impôts ou précomptes ou par
toute autre personne tenue au paiement de la
dette en vertu du présent Code, des arrêtés pris
pour son exécution ou du droit commun,
suspend le cours de la prescription.
La réclamation et la demande de dégrèvement
visée à l'article 376 suspendent également le
cours de la prescription.
La réclamation et la demande de dégrèvement
visée aux articles 375/1 et 376 suspendent
également le cours de la prescription.
§ 2. La suspension débute avec l'acte
introductif d'instance et se termine lorsque la
décision judiciaire est coulée en force de chose
jugée.
§ 2. La suspension débute avec l'acte
introductif d'instance et se termine lorsque la
décision judiciaire est coulée en force de chose
jugée.
Toutefois, en cas de réclamation ou de
demande de dégrèvement d'office visée à
l'article 376, la suspension débute avec la
demande introductive du recours administratif.
Elle se termine :
Toutefois, en cas de réclamation ou de
demande de dégrèvement visée aux articles
375/1 et 376, la suspension débute avec la
demande introductive du recours administratif.
Elle se termine :
- lorsque le contribuable a introduit une action
en justice, au jour où la décision judiciaire est
coulée en force de chose jugée ;
- lorsque le contribuable a introduit une action
en justice, au jour où la décision judiciaire est
coulée en force de chose jugée ;
- dans les autres cas, à l'expiration du délai
ouvert au contribuable pour introduire un
recours contre la décision administrative.
- dans les autres cas, à l'expiration du délai
ouvert au contribuable pour introduire un
recours contre la décision administrative.
§ 3. Tout acte d'instruction ou de poursuite visé
à l'article 22 du Titre préliminaire du Code de
procédure pénale relative aux infractions visées
aux articles 449 à 452 suspend le cours de la
prescription des impôts et des précomptes y
afférents.
§ 3. Tout acte d'instruction ou de poursuite visé
à l'article 22 du Titre préliminaire du Code de
procédure pénale relative aux infractions visées
aux articles 449 à 452 suspend le cours de la
prescription des impôts et des précomptes y
afférents.
La suspension débute dès que l'action publique
est mise en mouvement et se termine par
l'abandon des poursuites pénales, l'extinction
de l'action publique ou lorsque le jugement ou
l'arrêt est coulé en force de chose jugée pour
les infractions visées à l'alinéa 1er.
La suspension débute dès que l'action publique
est mise en mouvement et se termine par
l'abandon des poursuites pénales, l'extinction
de l'action publique ou lorsque le jugement ou
l'arrêt est coulé en force de chose jugée pour
les infractions visées à l'alinéa 1er.
Centrale drukkerij – Imprimerie centrale