Inhoud
INHOUD
SOMMAIRE
Blz.
Pages
I. Procedure ......................................................................3
II. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Leen Dierick,
mede-indiener ...............................................................3
III. Algemene bespreking ....................................................5
IV. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen ................12
Bijlagen..............................................................................19
I. Procédure ......................................................................3
II. Exposé introductif de Mme Leen Dierick,
coauteure .......................................................................3
III. Discussion générale ......................................................5
IV. Discussion des articles et votes ..................................12
Annexes ............................................................................19
VERSLAG
RAPPORT
10459
DOC 54 3522/003
DOC 54 3522/003
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
25 februari 2019
25 février 2019
NAMENS DE COMMISSIE
VOOR HET BEDRIJFSLEVEN,
HET WETENSCHAPSBELEID, HET ONDERWIJS,
DE NATIONALE WETENSCHAPPELIJKE EN
CULTURELE INSTELLINGEN, DE MIDDENSTAND
EN DE LANDBOUW
UITGEBRACHT DOOR
MEVROUW Karine LALIEUX
FAIT AU NOM DE LA COMMISSION
DE L’ÉCONOMIE,
DE LA POLITIQUE SCIENTIFIQUE, DE L’ÉDUCATION,
DES INSTITUTIONS SCIENTIFIQUES ET CULTURELLES
NATIONALES, DES CLASSES MOYENNES
ET DE L’AGRICULTURE
PAR
MME Karine LALIEUX
Voir:
Doc 54 3522/ (2018/2019):
001:
Proposition de loi de Mmes Dierick et De Coninck, M. Wilrycx,
Mmes Cassart-Mailleux et Smaers et M. Van Biesen.
002:
Modifi cation auteur.
Zie:
Doc 54 3522/ (2018/2019):
001:
Wetsvoorstel van de dames Dierick en De Coninck, de heer Wilrycx,
de dames Cassart-Mailleux en Smaers en de heer Van Biesen.
002:
Wijziging indiener.
PROPOSITION DE LOI
WETSVOORSTEL
betreffende de beroepen van accountant
en belastingadviseur
relative aux professions d’expert-comptable et
de conseiller fiscal
2
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA:
Questions et Réponses écrites
CRIV:
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
CRABV:
Compte Rendu Analytique
CRIV:
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le
compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu
analy tique traduit des interventions (avec les an-
nexes)
PLEN:
Séance plénière
COM:
Réunion de commission
MOT:
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes:
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.lachambre.be
courriel : publications@lachambre.be
Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen:
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.dekamer.be
e-mail : publicaties@dekamer.be
De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier
Afkortingen bij de nummering van de publicaties:
DOC 54 0000/000:
Parlementair document van de 54e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV:
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV:
Beknopt Verslag
CRIV:
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag
en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken
(met de bijlagen)
PLEN:
Plenum
COM:
Commissievergadering
MOT:
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti Socialiste
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
sp.a
:
socialistische partij anders
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
cdH
:
centre démocrate Humaniste
VB
:
Vlaams Belang
PTB-GO!
:
Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
PP
:
Parti Populaire
Vuye&Wouters
:
Vuye&Wouters
Samenstelling van de commissie op de datum van indiening van het verslag/
Composition de la commission à la date de dépôt du rapport
Voorzitter/Président: Jean-Marc Delizée
A. — Vaste leden / Titulaires:
B. — Plaatsvervangers / Suppléants:
N-VA
Rita Bellens, Rita Gantois, Werner Janssen, Bert
Wollants
Christoph D'Haese, Inez De Coninck, Peter Dedecker, Jan Jambon,
Koen Metsu
PS
Paul-Olivier Delannois, Jean-Marc Delizée, Fabienne
Winckel
Nawal Ben Hamou, Jacques Chabot, Michel Corthouts, Laurent Devin,
Karine Lalieux
MR
Caroline Cassart-Mailleux, Benoît Friart, Isabelle
Galant
Emmanuel Burton, Gautier Calomne, David Clarinval, Damien Thiéry
CD&V
Leen Dierick, Griet Smaers
Nathalie Muylle, Jef Van den Bergh, Vincent Van Peteghem
Open Vld
Nele Lijnen, Frank Wilrycx
Egbert Lachaert, Vincent Van Quickenborne, Tim Vandenput
sp.a
Youro Casier
Maya Detiège, Karin Temmerman
Ecolo-Groen
Gilles Vanden Burre
Kristof Calvo, Jean-Marc Nollet
cdH
Michel de Lamotte
Benoît Dispa, Vanessa Matz
C. — Niet-stemgerechtigd lid / Membre sans voix délibérative:
PP
Aldo Carcaci
3
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
DAMES EN HEREN,
Uw commissie heeft dit wetsontwerp besproken tij-
dens haar vergadering van 19 februari 2019.
I. — PROCEDURE
Het wetsvoorstel DOC 54 3522/001 is een herne-
ming van een voorontwerp van wet dat door de vice-
eersteminister en de minister van Werk, Economie
en Consumenten, belast met buitenlandse Handel,
Armoedebestrijding, werd voorbereid. Bij de opmaak van
de tekst werden verscheidene actoren geraadpleegd en
de tekst van het voorontwerp van wet werd aangepast
aan de adviezen van de Afdeling Wetgeving van de
Raad van State en de Gegevensbeschermingsautoriteit
en er werd een Geïntegreerde Impactanalyse opgesteld.
Deze drie documenten werden opgenomen in bijlage
bij dit verslag.
II. — INLEIDENDE UITEENZETTING VAN
MEVROUW LEEN DIERICK, MEDE-INDIENER
VAN HET WETSVOORSTEL
Het wetsvoorstel voorziet in de fusie van het Instituut
van de Accountants en Belastingconsulenten (IAB) en
van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en
Fiscalisten (BIBF). Het nieuw instituut zal het “Instituut
van de Belastingadviseurs en de Accountants (IBA)”
heten.
Het wetsvoorstel is gebaseerd op het gelijknamig
voorontwerp van wet, dat werd opgesteld in samen-
spraak met de twee betrokken instituten. De fusie kadert
ook in maatregel 37 van het Federaal KMO-plan ter
verbetering van het wettelijk kader voor de uitoefening
van de vrije beroepen. De fusie beoogt een kwaliteits-
verhoging van het beroep zodat de kwaliteit ook in de
toekomst gegarandeerd blijft en waar nodig naar een
hoger niveau wordt getild door de beroepsbeoefenaars
nog beter op te leiden zodat ze optimaal kunnen inspelen
op de noden van ondernemingen en de digitalisering.
Met de fusie willen de twee fusionerende instituten
genieten van schaalvoordelen, met een gunstige impact
op het budget en zonder de bijdragen voor de beroeps-
beoefenaars te moeten verhogen. De plafonds die nu
bij KB werden vastgelegd, worden door de fusie niet
verhoogd maar behouden.
Dankzij de fusie zullen ondernemingen en particu-
lieren een duidelijker beeld krijgen van de organisatie
en de reglementering van het beroep. In het verleden
MESDAMES, MESSIEURS,
Votre commission a examiné cette proposition de loi
au cours de sa réunion du 19 février 2019.
I. — PROCÉDURE
La proposition de loi DOC 54 3522/001 reprend
un avant-projet de loi concocté par le Vice-premier
ministre et ministre de l’Emploi, de l’Économie et des
Consommateurs, chargé du Commerce extérieur, de la
Lutte contre la pauvreté. Lors de l’élaboration du texte,
divers acteurs ont été consultés et le texte de l’avant-
projet de loi a été modifi é en fonction des avis de la
Section de législation du Conseil d’État et de l’Autorité
de protection des données, et il a été procédé à une
analyse d’impact intégrée. Ces trois documents sont
annexés au présent rapport.
II. — EXPOSÉ INTRODUCTIF
DE MME LEEN DIERICK, COAUTEURE
DE LA PROPOSITION DE LOI
La proposition de loi à l’examen prévoit la fusion de
l’Institut des Experts-comptables et des Conseils fi s-
caux (IEC) et de l’Institut professionnel des Comptables
et Fiscalistes agréés (IPCF). Le nouvel institut s’appel-
lera “l’Institut des Conseillers fi scaux et des Experts-
comptables” (ICE).
La proposition de loi à l’examen se fonde sur un
avant-projet de loi du même nom, établi en concertation
avec les deux instituts concernés. Cette fusion cadre
dans la mesure 37 du Plan fédéral pour les PME et
indépendants, visant notamment l’amélioration du cadre
légal d’exercice des professions libérales. Cette fusion
vise à améliorer la qualité de la profession, de manière
à en garantir le niveau à l’avenir et à le relever là où
c’est nécessaire en améliorant encore la formation des
professionnels, de telle sorte qu’ils puissent répondre
de façon optimale aux besoins des entreprises et à la
numérisation.
En fusionnant, les instituts entendent réaliser des
économies d’échelle dont l’impact sur le budget sera
favorable et ce sans devoir augmenter les contribu-
tions des professionnels. Les plafonds déjà fi xés par
arrêté royal ne sont pas majorés par la fusion, ils sont
maintenus.
Grâce à la fusion des deux instituts, les entreprises
et particuliers qui font appel aux services de ces profes-
sionnels obtiennent une image claire de l’organisation
4
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
heerste verwarring over de titels en de beschermde
beroepsactiviteiten.
Als gevolg van de fusie zullen de professionele titels
worden aangepast:
— De erkende boekhouder (-fi scalist) wordt de (fi s-
caal) accountant.
In de praktijk blijkt namelijk dat de titels van boek-
houder onvoldoende hun werkelijke rol omvatten. Zij
leveren namelijk ook analyses en verstrekken advies
aan ondernemingen en handelen dus als expert meer
nog dan enkel technische hulp bieden bij de boekhou-
ding. Bovendien zijn ten gevolge van de fusie de taken
van erkend boekhouder geherdefi nieerd om nog meer
de rol van raadgever te benadrukken.
— Accountant wordt de gecertificeerd accoun-
tant en belastingconsulent wordt gecertificeerd
belastingadviseur.
De gecertificeerd accountant voert dezelfde ac-
tiviteiten uit als een accountant (die nu de titel van
erkende boekhouder heeft) maar mag daarenboven
ook bijzondere opdrachten uitvoeren zoals zowel privé
als gerechtelijke expertise m.b.t. de boekhouding van
ondernemingen.
Vlottere toegang tot het beroep
De economische beroepsbeoefenaars zullen voort-
aan allemaal lid zijn van hetzelfde nieuw instituut.
Een student met diploma in een boekhoudkundige,
fi scale of algemeen economische richting krijgt een
unieke toegang tot het beroep geboden en zal dus niet
meer moeten kiezen tussen het beroep van boekhouder,
accountant of belastingconsulent. De kwaliteitsvolle
beroepsbeoefening wordt bij de start verzekerd door
een toelatingsexamen, een stage van minstens drie
jaar en een bekwaamheidsexamen dat de stage afsluit.
Het wetsvoorstel bevat ook vereiste bepalingen en
voorwaarden om te verzekeren dat personen uit een
andere lidstaat van de EER deze beroepsactiviteiten in
België kunnen uitoefenen.
Kwaliteit blijven garanderen
De fusie zorgt er ook voor dat er meer duidelijkheid
komt over welk beroep welke opdrachten kan uitvoeren.
et de la règlementation de la profession. Dans le passé,
la confusion régnait autour des titres et des activités
professionnelles protégées.
À la suite de la fusion, les titres professionnels seront
adaptés:
— Le comptable (-fi scaliste) agréé devient l’expert-
comptable (fi scaliste).
Il est apparu de la pratique que les titres actuels de
comptable (-fi scaliste) traduisent insuffisamment le véri-
table rôle de ces professionnels en droit belge, qui, plus
que de l’aide technique à la comptabilité, fournissent de
véritables analyses et des conseils aux entreprises et
doivent dans ce cadre agir comme un expert. En outre, à
la faveur de cette fusion, les tâches du comptable agréé
sont redéfi nies afi n de davantage encore développer ce
rôle de conseiller.
— L’expert-comptable devient l’expert-comptable
certifi é et le conseil fi scal devient le conseiller fi scal
certifi é.
L’expert-comptable certifi é exerce les mêmes activi-
tés qu’un expert-comptable (qui port maintenant le titre
du “comptable agréé”) mais peut également exécuter
des missions particulières telles que l’expertise, tant
privée que judiciaire, dans le domaine de la comptabilité
des entreprises.
Un accès plus aisé à la profession
Les titulaires de professions économiques seront
dorénavant tous membres du même institut nouvelle-
ment créé.
Un accès unique à la profession sera offert aux étu-
diants ayant obtenu un diplôme dans une orientation
comptable, fi scale ou économique générale. L’étudiant
ne devra donc plus choisir entre la profession de
comptable, d’expert-comptable ou de conseil fi scal. La
qualité de l’exercice de la profession sera assurée dès
le départ par un examen d’admission, un stage d’au
moins trois ans et un examen pratique d’aptitude qui
clôture le stage.
La proposition de loi à l’examen contient également
les dispositions et conditions requises pour permettre
aux ressortissants d’un autre État membre de l’EEE
d’exercer ces activités professionnelles en Belgique.
Le maintien d’une garantie de qualité
La fusion permettra également de faire la clarté
sur les missions relevant de chacune des professions
5
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Zo worden de taken duidelijker omschreven in het
voorstel.
Er komt ook een openbaar register waardoor bij-
voorbeeld ondernemingen de lijst kunnen raadplegen
van personen die het beroep mogen uitoefenen of de
beroepstitel mogen dragen. De Koning kan de nadere
regels inzake het openbaar register vastleggen, alsook
aanvullen met bijkomende gegevens.
Het deontologisch kader wordt behouden. De kwa-
liteitstoetsing die vandaag enkel voor accountants en
belastingconsulenten van toepassing is, zal worden
uitgebreid tot alle beroepsbeoefenaars. Hierdoor krijgen
ondernemingen de garantie dat er kwaliteitscontrole is
van de beroepsbeoefenaar op wie zij een beroep doen.
Ook de regels voor de handhaving van de tucht zijn
gelijkaardig aan de huidige tuchtregeling die van toepas-
sing is bij het BIBF. De nadere regels van de procedure
voor de tuchtcommissie en commissie van beroep zullen
bij koninklijk besluit worden bepaald.
Ten slotte zullen er nog uitvoeringsbesluiten ge-
nomen moeten worden m.b.t. de nadere regels over
de deontologie, de toepassing van opdrachtbrief, de
verzekeringscontracten, de onverenigbaarheden met
het beroep, de maximale bijdragen van de leden en de
kwaliteitstoetsing, met inbegrip van de oprichting van
een commissie de kwaliteitstoetsing.
De Koning zal ook een huishoudelijk reglement voor
het Instituut vastleggen.
In kader van de overgangsbepalingen wordt voor een
periode van vier jaar een overgangsraad opgericht die
alle voorbereidende taken uitoefent die noodzakelijk zijn
voor de oprichting en werking van het nieuw Instituut.
Dit zal van start gaan op 1 juni 2019.
De datum van inwerkingtreding van deze wet zal dan
ook door de Koning worden bepaald.
III. — ALGEMENE BESPREKING
De heer Ahmed Laaouej (PS) wenst namens zijn
fractie zijn steun uit te drukken voor het voorliggende
wetsvoorstel, waarover in de sector een heel grote con-
sensus blijkt te bestaan. Hij benadrukt het belang van de
economische beroepen voor de vitaliteit van ons econo-
misch weefsel: hierbij gaat het om begrippen als goed
beheer, geïnformeerd advies, regulariteit, enzovoort.
visées. La proposition décrit ainsi les tâches de façon
plus précise.
La création d’un registre public est par ailleurs prévue
pour permettre par exemple aux entreprises de consulter
la liste des personnes autorisées à exercer la profession
ou à porter le titre professionnel. Le Roi pourra fi xer les
modalités de ce registre public et les compléter par des
données supplémentaires.
Le cadre déontologique est maintenu. La revue qua-
lité qui s’applique aujourd’hui uniquement aux experts-
comptables et conseils fi scaux sera étendue à tous les
professionnels, de façon à garantir aux entreprises que
le professionnel auquel elles font appel est bien soumis
à une revue qualité.
Les règles régissant le respect de la discipline sont
similaires au régime disciplinaire qui s’applique actuel-
lement à l’IPCF. Les modalités de la procédure devant
la commission de discipline et la commission d’appel
seront déterminées par arrêté royal.
Enfi n, des arrêtés d’exécution devront encore être
pris pour déterminer les modalités de la déontolo-
gie, l’application de la lettre de mission, les contrats
d’assurance, les incompatibilités avec la profession, la
cotisation maximale des membres et la revue qualité, y
compris la création d’une commission de revue qualité.
Le Roi établira par ailleurs un règlement d’ordre
intérieur de l’Institut.
Il a été décidé dans le cadre des mesures transitoires
de créer pour une période de quatre ans un conseil de
transition chargé d’effectuer toutes les tâches prépa-
ratoires nécessaires à la mise en place et au fonction-
nement du nouvel Institut. Ce conseil entamera ses
travaux le 1er juin 2019.
La date d’entrée en vigueur de la future loi sera dès
lors fi xée par le Roi.
III. — DISCUSSION GÉNÉRALE
M. Ahmed Laaouej (PS) souhaite, au nom de son
groupe, exprimer son soutien à la proposition de loi à
l’examen, proposition qui semble bénéfi cier d’un très
large consensus dans le secteur. Il souligne l’impor-
tance des professions économiques pour la vitalité de
notre tissu économique. Il évoque des concepts tels
que ceux de la bonne gestion, du conseil éclairé, de la
régularité, etc.
6
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Onze ondernemingen worden immers geconfronteerd
met steeds complexere juridische situaties en met
steeds verdergaande fi scale en parafi scale verplichtin-
gen. De steun van de georganiseerde dienstverlenende
economische beroepen laat toe het economisch weef-
sel te versterken en de kwaliteit ervan te verbeteren. Al
deze dienstverleners oefenen eigenlijk hetzelfde beroep
uit, met name bijdragen aan het goed beheer van onze
ondernemingen.
Spreker is van mening dat men deze transformatie
moet aangrijpen om van de nieuwe instelling een ge-
waardeerde partner te maken van de overheid die im-
mers vaak wordt geconfronteerd met ondernemingen
in moeilijkheden. Ten eerste gaat het hierbij vaak om
beginnende ondernemingen: hoewel het opstarten van
een onderneming een kritische fase vormt in het onder-
nemingsleven, wordt door deze jonge ondernemingen
vaak geen beroep gedaan op een externe boekhouder.
In deze context wenst de spreker de idee te lanceren
van een zogenaamde pro-Deoboekhouder.
Ten tweede worden ondernemingen vaak geconfron-
teerd met moeilijkheden tijdens hun verdere bestaan:
hierbij stelt men vast dat vaak de voorkeur wordt gege-
ven aan het betalen van de facturen van BTW, RSZ,
enzovoort en zulks dikwijls ten nadele van de honoraria
van de boekhouder. Spreker pleit in deze voor creativi-
teit en denkt aan de oprichting van een fonds voor de
gevallen waarbij de onderneming niet in staat is om zelf
een boekhoudkundig advies te betalen.
Ten slotte pleit spreker voor een verdere toenadering
met het instituut voor de bedrijfsrevisoren: hoewel men
beroepsorganisaties niet kan verplichten om samen te
werken, kan de wetgever wel een samenwerkingskader
aanbieden.
De heer Luk Van Biesen (Open Vld) verwelkomt, als
medeauteur van het wetsvoorstel, de fusie van het IAB
en het BIBF. Het is ondertussen 10 jaar geleden dat
deze anomalie in de Belgische wetgeving voor het eerst
werd aangekaart. In de meeste andere landen heeft men
slechts één enkel instituut voor de accountants en de
boekhouders. Spreker is verheugd dat de twee instel-
lingen eruit zijn geraakt en dat dit wetsvoorstel voorligt
in de bevoegde commissie. Het belangrijkste element
hierbij is de erkenning van het beroep van accountant
en van belastingadviseur.
Tot nu toe hoorde men vaak de kritiek dat deze eco-
nomische beroepen te weinig optraden in het kader
van de witwaswetgeving en de bestrijding van de fi s-
cale fraude. Welnu, er was dringend behoefte aan een
Nos entreprises sont en effet confrontées à des
situations juridiques de plus en plus complexes et à
des obligations fi scales et parafi scales de plus en plus
étendues. Le soutien des professions économiques
organisées du secteur des services permet de renforcer
le tissu économique et d’en améliorer la qualité. Tous
ces prestataires de services exercent en fait le même
métier: contribuer à la bonne gestion de nos entreprises.
L’intervenant estime que cette transformation doit
être l’occasion de faire de cette nouvelle institution un
partenaire apprécié des pouvoirs publics, qui sont en
effet souvent confrontés à des entreprises en difficulté.
Tout d’abord, il s’agit souvent de jeunes entreprises:
bien que la création de l’entreprise soit une étape cri-
tique de son existence, souvent, les jeunes entreprises
ne font pas appel aux services d’un comptable externe.
Concernant ce point, l’intervenant souhaite évoquer
l’idée d’un comptable Pro Deo.
Deuxièmement, les entreprises sont souvent confron-
tées à des difficultés au cours de leur existence. On
constate que, souvent, l’option privilégiée est le paie-
ment des factures de TVA, d’ONSS, etc., au détriment
des honoraires du comptable. L’intervenant plaide, à cet
égard, pour plus de créativité et évoque la création d’un
fonds pour les cas où l’entreprise n’est pas en mesure
de payer elle-même une consultation comptable.
Enfi n, l’orateur appelle à un rapprochement plus
poussé avec l’Institut des réviseurs d’entreprises: les
organisations professionnelles ne peuvent pas être
obligées de coopérer mais le législateur peut néanmoins
mettre un cadre de coopération à leur disposition.
En tant que coauteur de la proposition de loi, M. Luk
Van Biesen (Open Vld) salue la fusion de l’IEC et de
l’IPCF. Cela fait maintenant dix ans que cette anomalie
dans la législation belge a été dénoncée pour la pre-
mière fois. Dans la plupart des autres pays, il n’existe
qu’un seul institut des comptables et experts-comp-
tables. L’intervenant se réjouit que les deux institutions
soient parvenues à trouver un compromis et que cette
proposition de loi soit examinée par la commission
compétente. L’élément principal est, à cet égard, la
reconnaissance de la profession d’expert-comptable
et de conseiller fi scal.
Jusqu’à présent, on a souvent reproché à ces profes-
sions économiques d’intervenir trop peu dans le cadre
de la législation antiblanchiment et de la lutte contre la
fraude fi scale. Cette profession avait d’urgence besoin
7
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
beetje meer respect voor het beroep en dit gebeurt in
het wetsvoorstel.
Spreker onderstreept het belang van deze beroepen
voor een goede en billijke inning van de noodzakelijke
belastingen: op deze manier vormt deze fusie een er-
kenning van beide beroepen.
Tot slot ziet spreker een belangrijke opdracht voor het
nieuwe instituut, met name bijzondere aandacht voor de
kleine kantoren, die moeten worden gerustgesteld over
de impact van de hervorming.
De heer Youro Casier (sp.a) is niet overtuigd van de
eensgezindheid in de sector, zeker niet wat betreft de fu-
sie van de twee instellingen, getuige de vele mails die hij
zelf en andere parlementsleden de vorige dagen hebben
ontvangen. Hieruit bleek dat onder meer gevreesd wordt
voor een verdringing van de kleine kantoren en voor een
kans op een verhoging van de kostprijs. Bijgevolg pleit
spreker voor de organisatie van hoorzittingen teneinde
de draagwijdte van dit wetsvoorstel beter te begrijpen.
De heer Benoit Piedboeuf (MR) stelt vast dat twee
eminente specialisten hun lofuitingen over het wets-
voorstel niet sparen: bijgevolg zal ook zijn fractie de
volledige tekst steunen.
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) merkt op dat wanneer
men in het parlement spreekt over boekhouders of ac-
countants, men het al eens gemakkelijk houdt bij de term
“cijferberoepers”. Zeg immers geen boekhouder tegen
een accountant of andersom. Het gebruik van de juiste
beroepstitel ligt gevoelig.
Nochtans, vanuit wetgevend oogpunt houden
boekhouders en accountants zich bezig met dezelfde
materie. Terwijl de boekhouder de boeken van een on-
derneming bijhoudt en de jaarrekening opstelt, houdt de
accountant zich daarnaast bezig met het controleren van
de boekhouding en de jaarrekening. Daarnaast kennen
we nog de bedrijfsrevisoren die de betrouwbaarheid
van de jaarrekening waarborgen van ondernemingen
waar het publiek belang op een correct beeld van het
vermogen, de fi nanciële toestand en de resultaten van
een onderneming groter is door hun omvang en/of hun
beursnotering.
Waar wij goed zijn in dit land is voor elke afzonderlijke
belangengroep regels te maken en organen of advies-
raden op te richten.
Van de drie genoemde beroepen, zijn de bedrijfs-
revisoren de oudst gereglementeerde groep. In 1953
d’un peu plus de respect, et la proposition de loi à
l’examen permet de répondre à cette attente.
L’intervenant souligne l’importance de ces profes-
sions pour une perception correcte et équitable des
impôts dus: cette fusion consacre ainsi une reconnais-
sance des deux professions.
L’intervenant ajoute, pour conclure, qu’une mission
importante incombe au nouvel institut: consacrer une
attention particulière aux petits bureaux et les rassurer
quant à l’incidence de la réforme.
M. Youro Casier (sp.a) n’est pas convaincu de l’unani-
mité du secteur, surtout en ce qui concerne la fusion des
deux institutions, comme en témoignent les nombreux
courriels que lui-même et d’autres parlementaires ont
reçus au cours des derniers jours. Ceux-ci exprimaient
notamment la crainte d’une éviction des petits bureaux
et un risque de hausse des coûts. L’intervenant prône
par conséquent l’organisation d’auditions afi n de mieux
cerner la portée de la proposition de loi à l’examen.
M. Benoit Piedboeuf (MR) constate que deux émi-
nents spécialistes ne tarissent pas d’éloges à l’égard
de la proposition de loi à l’examen: par conséquent,
son groupe soutiendra également l’intégralité du texte
à l’examen.
Mme Rita Bellens (N-VA) souligne que lors des
débats parlementaires sur les comptables et les experts-
comptables, on utilise souvent par facilité la dénomi-
nation “professionnels du chiffre”. En effet, il ne faut
jamais dire à un expert-comptable qu’il est comptable,
ou inversement. L’emploi du titre professionnel exact
est un sujet sensible.
Cependant, d’un point de vue législatif, les profes-
sions de comptable et d’expert-comptable ont le même
objet. Le comptable tient à jour la comptabilité d’une
entreprise et établit les comptes annuels, tandis que
l’expert-comptable procède en plus à la vérifi cation
de la comptabilité et des comptes annuels. En outre,
nous connaissons aussi les réviseurs d’entreprises, qui
garantissent la fi abilité des comptes annuels d’entre-
prises. Pour l’intérêt public, disposer des chiffres exacts
du patrimoine, de la situation fi nancière et des résultats
d’une entreprise revêt une plus grande importance que
sa taille et/ou sa cotation en bourse.
Le législateur belge excelle dans l’art de créer des
règles pour chaque groupe d’intérêt spécifi que, de
même que des organismes ou des conseils consultatifs.
Des trois professions mentionnées, les réviseurs
d’entreprises constituent le groupe réglementé le plus
8
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
werd voor het eerst hun taak gereglementeerd en het
Instituut voor Bedrijfsrevisoren (IBR) opgericht. Het is de
kleinste groep van de drie en telt een duizendtal leden.
In 1985 wordt de titel van accountant in België erkend
en wordt het Instituut der Accountants (IDAC) opgericht.
Zij tellen nu een 8 400 leden, waarvan 2 200 stagairs.
In 1992 werd de beroepstitel en het uitoefenen van
het beroep van boekhouder beschermd. Een jaar la-
ter werd het Beroepsinstituut van boekhouders (BIB)
opgericht. Zij tellen momenteel 6 200 leden, waarvan
1 200 stagairs.
In 1999 werden tot slot ook de beroepstitels van be-
lastingconsulent en boekhouder-fi scalist beschermd.
Voor hen werd gelukkig geen nieuw instituut opge-
richt. Zij vinden respectievelijk onderdak bij het IDAC,
hernoemd tot het Instituut van de Accountants en
Belastingconsulenten (IAB), en het BIB dat het Beroeps-
instituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF)
wordt.
In 2017 werd zowel door de Raad van het IAB (14
leden) als de Raad van het BIBF (18 leden) beslist om
gesprekken op te starten met het oog op een fusie van
het IAB en het BIBF. Het wetsvoorstel respecteert het
protocolakkoord van september 2017 dat werd gesloten
tussen beide instituten. Ondanks het feit dat het beroep
van boekhouder/accountant al jaren een knelpuntberoep
is, zijn er heel wat uitdagingen.
De invoering van de elektronische facturatie kan een
grote administratieve kostenbesparing voor onderne-
mingen opleveren. Het laat ook toe om het voeren van
een boekhouding zeer sterk te digitaliseren. Repetitieve
taken, zoals het ordenen en klasseren van facturen,
het verwerken van de facturen in de boekhouding zul-
len sterk aan belang inboeten. Daarentegen zal advies
en controle aan belang winnen. De uitdaging voor alle
boekhoud- en accountant-kantoren zal erin bestaan om
deze digitale omslag mee te maken. Dit is zeker voor
kleinere kantoren een fi nanciële uitdaging. Het vraagt
een ernstige aanpassing van de werkwijze en opleiding
van boekhouders, accountants en hun medewerkers.
Ook de naleving van de steeds strengere witwasre-
gelgeving waar de externe leden van de drie instituten
(IBR, IAB en BIBF) aan onderworpen zijn, vormt een
uitdaging aan middelen.
ancien. C’est en 1953 que leur mission a été réglemen-
tée pour la première fois et que l’Institut des Réviseurs
d’Entreprises (IRE) a été créé. Avec un millier de
membres, ce groupe est le plus petit des trois en taille.
En Belgique, le titre d’expert-comptable a été reconnu
et l’Institut des Experts-Comptables (IEC) a été créé en
1985. Il compte à l’heure actuelle 8 400 membres, dont
2 200 stagiaires.
Le titre professionnel et l’exercice de la profession
de comptable ont été protégés en 1992 et l’Institut
professionnel des Comptables (IPC) a été fondé un an
plus tard. Il compte à l’heure actuelle 6 200 membres,
dont 1 200 stagiaires.
Enfi n, en 1999, les titres professionnels de conseil-
ler fi scal et de comptable-fi scaliste ont également été
protégés. Il n’a heureusement été créé aucun nouvel
institut pour ces professions. Les conseillers fi scaux et
les comptables-fi scalistes ont respectivement rejoint
les rangs de l’IEC, qui a été rebaptisé l’Institut des
Experts-comptables et des Conseils fi scaux (IECCF),
et de l’IPC, qui est devenu l’Institut professionnel des
Comptables et Fiscalistes agréés (IPCF).
En 2017, tant le conseil de l’IEC (14 membres) que
celui de l’IPCF (18 membres) ont décidé d’entamer des
discussions en vue d’une fusion de l’IEC et de l’IPCF.
La proposition de loi respecte le protocole d’accord
conclu en septembre 2017 entre les deux instituts.
Bien que la profession de comptable/expert-comptable
soit un métier en pénurie depuis plusieurs années, de
nombreux défi s se présentent.
L’introduction de la facturation électronique peut
représenter une importante économie de frais admi-
nistratifs pour les entreprises. Elle permet de même de
numériser considérablement la comptabilité. Les tâches
répétitives telles que le classement de factures, l’enre-
gistrement de factures dans la comptabilité perdront
beaucoup d’importance. En revanche, le conseil et le
contrôle gagneront en importance. Pour les bureaux
comptables et d’expertise comptable, le défi consistera
à participer à la transition numérique. Cela représente
plus particulièrement un défi fi nancier pour les petits
bureaux. Cela implique une sérieuse adaptation de la
méthode de travail et de la formation des comptables,
des experts-comptables et de leurs collaborateurs.
Le respect de la réglementation de plus en plus stricte
en matière de blanchiment à laquelle les membres
externes des trois instituts (IRE, IEC et IPCF) sont sou-
mis représente, lui aussi, un défi en termes de moyens.
9
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Daarnaast is de materiële wetgeving die de cijferbe-
roepers dagelijks toepassen op zich een uitdaging en
blijft zij steeds evolueren.
De fusie is het resultaat van de fusiegesprekken tus-
sen het IAB en het BIBF. De voorzitters van het BIBF en
het IAB hebben ook de NV-A-fractie aangeschreven met
de uitdrukkelijke vraag om het wetsvoorstel te steunen.
Ondanks het feit dat de fusie het gevolg is van heel
lange en constructieve onderhandelingen tussen het
IAB en het BIBF ontvangt de fractie ook reacties die
hun bezorgdheid uitdrukken over de veranderingen die
de fusie tot gevolg zullen hebben.
Die bezorgdheden gaan over het lidgeld, de orga-
nisatie van de verkiezingen en de samenstelling van
de nieuwe Raad en de toegang tot het beroep van
accountant.
Sommige leden van het BIBF vrezen dat het lidgeld
dat voor het BIBF veel lager is dan bij het IAB fors zou
stijgen. Spreker denkt dat deze bezorgdheid nog ge-
baseerd is op oudere teksten want in artikel 54 van het
wetsvoorstel wordt expliciet voorzien dat het lidgeld voor
de leden die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn
ingeschreven bij het BIBF niet hoger mag zijn dan het
bedrag dat van kracht was bij het BIBF.
Door de fusie van beide instituten zijn sommige leden
van het BIBF van mening dat er een ongelijkheid zou
ontstaan tussen de boekhouders (accountants) en de
accountants (gecertifi ceerd accountants). Men neemt de
titels over uit het Engelstalige landen. Zij zijn van mening
dat de beroepstitel van “certifi ed accountant” enkel zou
mogen worden voorbehouden aan accountants die ook
effectief bijzondere mandaten uitoefenen. Kunnen de
auteurs hun standpunt toelichten?
Er zijn ook vragen over hoe de verkiezingen van
de Raad van het Instituut van de Belastingadviseurs
en Accountants (IBA) zullen georganiseerd worden.
Tevens vraagt men zich af hoe de 16 zetels in de Raad
van het Instituut zullen verdeeld worden over de drie
kieslijsten. Beschikt de minister reeds over een ontwerp
van koninklijk besluit? Zo ja zou hij dit willen overmaken
aan de commissie zodat de fractie kan antwoorden op
deze vraag?
Wat de toegang tot het beroep betreft, begrijpt het
lid dat alle boekhouders en boekhouders-fi scalisten de
nieuwe titel van accountant en fi scaal accountant zullen
dragen. Zij zullen zoals nu dezelfde taken mogen uitvoe-
ren, met uitzondering van de bijzondere opdrachten. Als
zij de titel van gecertifi ceerd accountant willen bekomen
Par ailleurs, la législation matérielle appliquée au
quotidien par les professions du chiffre constitue un défi
et elle ne cesse d’évoluer.
La fusion est le résultat des discussions qui ont eu
lieu à ce propos entre l’IEC et l’IPCF. Les présidents de
l’IPCF et de l’IEC ont également écrit au groupe N-VA en
demandant expressément de soutenir la proposition de
loi. Bien que la fusion résulte de très longues négocia-
tions constructives entre l’IEC et l’IPCF, le groupe reçoit
également des réactions traduisant une inquiétude au
sujet des changements qui découleront de la fusion.
Cette inquiétude porte sur la cotisation, l’organisation
des élections et la composition du nouveau Conseil et
l’accès à la profession d’expert-comptable.
Certains membres craignent une augmentation sen-
sible de la cotisation de l’IPCF, nettement inférieure à
la cotisation de l’IEC. Selon l’intervenant, cette préoc-
cupation se fonde sur d’anciens textes, dès lors que
l’article 54 de la proposition de loi prévoit explicitement
que la cotisation des membres inscrits à l’IPCF avant
l’entrée en vigueur de la loi proposée ne peut dépasser
le montant qui était en vigueur à l’IPCF.
Certains membres de l’IPFC estiment que la fusion
des deux instituts créerait une inégalité entre les
comptables (accountants, experts-comptables) et les
certifi ed accoutants (experts-comptables certifi és). Les
titres professionnels ont été empruntés aux pays anglo-
phones. Ils estiment que le titre d’expert-comptable
certifi é (certifi ed accountant) devrait être réservé aux
seuls experts-comptables qui exercent effectivement
aussi des mandats spéciaux. Les auteurs peuvent-ils
expliquer leur point de vue?
L’organisation des élections du Conseil de l’Institut
des Conseillers fi scaux et des Experts-comptables (ICE)
soulève également des questions. On s’interroge aussi
sur la manière dont les 16 sièges du Conseil de l’Ins-
titut seront répartis entre les trois listes électorales. Le
ministre dispose-t-il déjà d’un projet d’arrêté royal? Dans
l’affirmative, pourrait-il le communiquer à la commission
afi n que le groupe puisse répondre à cette question?
En ce qui concerne l’accès à la profession, le membre
comprend que tous les comptables et comptables
fi scalistes porteront le nouveau titre d’expert-comp-
table et d’expert-comptable fi scal. Ils pourront exercer
les mêmes tâches qu’aujourd’hui, à l’exception des
missions spéciales. S’ils souhaitent obtenir le titre
10
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
dienen zij slagen voor het bekwaamheidsexamen over
de vakken opgesomd in artikel 22, tweede lid.
Vanaf artikel 10 van het wetsvoorstel vindt men de
bepalingen terug voor het verkrijgen van de beroepsti-
tel van gecertifi ceerd accountant of van gecertifi ceerd
belastingadviseur. Behoudens vergissing, vindt spreker
geen toegang tot de titel van accountant of fi scaal ac-
countant. Verdwijnen deze titels dan op termijn? Wat
is daar de bedoeling van? Aangezien de job van boek-
houder of boekhouder-fi scalist een knelpuntberoep is
dat weliswaar wordt uitgedaagd door de digitalisering,
is er een noodzaak dat iedere accountant bijzondere
opdrachten moet kunnen uitvoeren? Enkel voor het
uitvoeren van de bijzondere opdrachten heeft men in
feite de titel van gecertifi ceerd accountant nodig. Maar
spreker begrijpt dat dit niet het gros van het werk is.
Waarom wordt deze keuze gemaakt?
Is het juist dat mits het juiste diploma iedereen
vandaag aan de stage van boekhouder mag beginnen
zonder toelatingsproef maar dat in de toekomst voor het
verkrijgen van nieuwe titels altijd een toelatingsexamen
moet worden afgelegd? Mevrouw Bellens begrijpt dat
men voor bepaalde beroepen kwaliteitsvereisten oplegt,
maar waarom studeert iemand drie of vijf jaar of volgt
jaren avondonderwijs om vervolgens weer examens te
moeten afl eggen om tot het beroep dat erop aansluit te
worden toegelaten? Dat de wetgever in een stage voor-
ziet om praktijkervaring op te leggen, is begrijpelijk. Maar
dat men examens na examens moet afl eggen om een
beroep te beginnen, wijst op ofwel een onderwijsniveau
dat niet deugt of op corporatisme.
Daarnaast verwondert het spreker dat een persoon
die vandaag de hoedanigheid van accountant-belas-
tingconsulent heeft, mag kiezen tussen de beroepstitel
van gecertifi ceerd tax accountant of gecertifi ceerd be-
lastingadviseur. Als hij kiest voor de hoedanigheid van
gecertifi ceerd belastingadviseur mag hij niet meer de
activiteiten van de gecertifi ceerd accountant uitoefenen
(art. 22, vierde lid). Welke gecertifi ceerd accountant-
belastingconsulent zal onder deze voorwaarde de titel
van gecertifi ceerd belastingadviseur opteren? Het lid
hoopt dat de leden van de Raad de accountant-belas-
tingconsulenten wijzen op deze consequentie.
De heer Michel de Lamotte (cdH) stelt vast dat de
verschillende dienstverlenende economische beroepen
in dit wetsvoorstel hun activiteiten trachten samen te
voegen en op die manier meer geloofwaardige partners
d’expert-comptable certifi é, ils devront réussir l’examen
d’aptitude pour les branches énumérées à l’article 22,
alinéa 2.
À partir de son article 10, la proposition de loi prévoit
des dispositions relatives à l’obtention du titre profes-
sionnel d’expert-comptable certifi é ou de conseiller
fi scal certifi é. Sauf erreur de la part de l’intervenant,
le texte est muet au sujet de l’accès au titre d’expert-
comptable ou d’expert-comptable fi scal. Ces titres
sont-ils appelés à disparaître à terme? Quel est l’objectif
poursuivi? Dès lors que le métier de comptable ou de
comptable-fi scaliste est un métier en pénurie, qui fait
certes face au défi de la numérisation, est-il nécessaire
que chaque expert-comptable doive pouvoir remplir
des missions spéciales? Le titre d’expert-comptable
certifi é n’est en fait requis que pour remplir des mis-
sions spéciales. L’intervenante comprend que cela ne
constitue pas la majeure partie du travail. Pourquoi ce
choix est-il opéré?
Est-il exact qu’aujourd’hui, chacun qui possède le
diplôme requis peut entamer le stage de comptable
sans examen d’admission, mais qu’à l’avenir, l’obten-
tion de nouveaux titres sera toujours subordonnée à la
présentation d’un examen d’admission? Mme Bellens
comprend que des exigences de qualité soient impo-
sées pour certaines professions, mais pourquoi une
personne poursuit-elle trois ou cinq années d’études
ou suit-elle les cours du soir pendant plusieurs années
pour ensuite devoir à nouveau présenter des examens
pour être admise à la profession à laquelle conduisaient
ces études? Il est compréhensible que le législateur
prévoie un stage en vue de l’acquisition d’une expé-
rience pratique. Mais qu’il faille présenter des examens
après des examens pour embrasser une profession
témoigne soit d’un niveau d’enseignement insuffisant
soit de corporatisme.
L’intervenante s’étonne par ailleurs que la personne
ayant aujourd’hui la qualité d’expert-comptable-
conseil fi scal puisse choisir entre le titre professionnel
d’expert-comptable certifié ou de conseiller fiscal
certifi é. Si l’intéressé opte pour la qualité de conseiller
fi scal certifi é, il ne peut plus exercer les activités de
l’expert-comptable certifi é (article 22, alinéa 4). Quel
expert-comptable-conseil fi scal certifi é optera, dans ces
conditions, pour le titre de conseiller fi scal certifi é? La
membre espère que les membres du Conseil attireront
l’attention des experts-comptables-conseils fi scaux sur
cette conséquence.
M. Michel de Lamotte (cdH) constate que les dif-
férentes professions économiques prestataires de
services tentent, dans le cadre de la proposition de
loi à l’examen, de regrouper leurs activités en vue de
11
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
te worden. Hierbij worden in het wetsvoorstel de titels
en de kwalifi caties van elkeen verduidelijkt.
Het gaat over beroepen die aan een sterke verande-
ring onderhevig zijn en die belangrijke actoren vormen
in de evolutie van de sector en van de maatschappij.
Ze hebben onderling overlegd en op die manier is men
tot deze tekst gekomen. Vroeg of laat heeft elke onder-
neming deze beroepen nodig: het wetsvoorstel is dan
ook belangrijk omdat er wordt gezorgd voor betrouwbare
partners die het wettelijk kader respecteren.
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) wenst alle sprekers
te bedanken voor hun positieve opmerkingen over de
voorgestelde fusie. De mails waarnaar wordt verwezen
betreffen vooral een mail van de BWB maar eigenlijk
heeft deze organisatie slechts 19 leden.
Het wetsvoorstel is het resultaat van zeer intensieve
onderhandelingen en werkzaamheden van de twee
beroepsinstituten, die graag hun interne verkiezingen,
die binnenkort moeten plaatsvinden, volgens het nieuwe
systeem zouden willen laten verlopen.
Verder verduidelijkt spreker dat, luidens artikel 54 van
het wetsvoorstel, zowel de natuurlijke als de rechtsper-
sonen een jaarlijks lidgeld betalen; luidens datzelfde
artikel 54, zal de huidige bijdrage niet worden verhoogd.
Wat verder de verkiezingen van de Raad van het
instituut van de belastingadviseurs en de accountants
betreft, zullen de zetels verhoudingsgewijs worden
verdeeld over de drie kieslijsten.
Daarnaast is het correct dat de term boekhouder
inderdaad uitdooft en dat de nieuwe leden zullen de
nieuwe titel dragen.
Ten slotte antwoordt mevrouw Dierick, wat de vragen
over de examens betreft, dat de betrokkenen een vrijstel-
ling zullen kunnen krijgen als ze bepaalde opleidingen
zullen hebben gevolgd.
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) vraagt volgens welke
verhouding de toewijzing van de zetels aan de drie
kieslijsten zal gebeuren.
De heer Luk Van Biesen (Open Vld) verduidelijkt dat
deze toewijzing zal gebaseerd zijn op de pariteit in de
Overgangsraad; na deze periode van vier jaar, beslis-
sen de betrokken instellingen zelf hoe de toewijzing zal
gebeuren.
devenir des partenaires plus crédibles. À cet égard, la
proposition de loi précise les titres et qualifi cations de
chacune de ces professions.
Il s’agit de professions qui sont soumises à un
changement important et qui sont des acteurs impor-
tants dans l’évolution du secteur et de la société. Leur
concertation a donné naissance à ce texte. Tôt ou tard,
chaque entreprise aura besoin de ces professions: la
proposition de loi est dès lors importante, car elle veille
à garantir la présence de partenaires fi ables qui res-
pectent le cadre légal.
Mme Leen Dierick (CD&V) souhaite remercier tous
les intervenants pour leurs observations positives
concernant la fusion proposée. Les mails auxquels il
est renvoyé concernent surtout un mail du BWB, mais
cette organisation ne compte que 19 membres.
La proposition de loi est le résultat de négociations
et de travaux très intensifs des deux instituts profes-
sionnels, qui aimeraient que leurs prochaines élections
internes, qui doivent avoir lieu bientôt, se déroulent selon
le nouveau système.
L’intervenante précise ensuite qu’en vertu de
l’article 54 de la proposition de loi, tant les personnes
physiques que morales paient une cotisation annuelle;
en vertu de ce même article 54, la cotisation actuelle
ne sera pas augmentée.
En ce qui concerne les élections du Conseil de l’Ins-
titut des Conseillers fi scaux et des Experts-comptables,
les sièges seront répartis proportionnellement sur les
trois listes électorales.
Par ailleurs, il est exact que le terme de comptable
est en train de disparaître et les nouveaux membres
porteront le nouveau titre.
Enfi n, Mme Dierick répond, en ce qui concerne les
questions relatives aux examens, que les intéressés
pourront obtenir une dispense s’ils ont suivi certaines
formations.
Mme Rita Bellens (N-VA) demande selon quelle
proportion l’attribution des sièges aux trois listes élec-
torales aura lieu.
M. Luk Van Biesen (Open Vld) précise que cette
attribution se basera sur la parité au sein du Conseil
transitoire; après cette période de quatre ans, les insti-
tutions concernées décideront elles-mêmes comment
l’attribution aura lieu.
12
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
IV. — ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
EN STEMMINGEN
Artikelen 1 tot 18
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
Art. 19
Mevouw Rita Bellens (N)-VA) merkt op dat artikel 19
voorziet dat een natuurlijk persoon slechts kan worden
ingeschreven in het openbaar register van het Instituut
na het afl eggen van de eed. De eed wordt normaal
afgelegd door personen die bekleed worden met enig
openbaar ambt of enige openbare dienst (art. 2 Decreet
van 20 juli 1831 betreffende de eedafl egging).
Het artikel vermeldt ook dat intern gecertifi ceerde
accountants of intern gecertifi ceerde belastingadvi-
seurs de eed moeten afl eggen. Volgens de defi nitie
in artikel 2, 6°, en artikel 5 , tweede lid, mogen intern
gecertifi ceerde accountants enkel de taken doen, zoals
vermeld in artikel 3, 1° tot 5°. Zij mogen geen bijzondere
opdrachten invullen zoals opgesomd in artikel 3, 6° tot
8°, noch dragen zij enig staatsgezag.
Naar haar mening, moeten interne bedrijfsjuristen
geen eed afl eggen (art. 4, Wet van 1 maart 2000 tot
oprichting van een instituut van bedrijfsjuristen). Waarom
zouden interne gecertifi ceerde accountants of interne
gecertificeerde belastingadviseurs de eed moeten
afl eggen voor de voorzitter of de ondervoorzitter van
het Instituut?
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) verduidelijkt dat het
de wens was van het instituut om aan de eedafl egging
een bepaalde morele waarde te koppelen. De eed wordt
afgelegd bij de voorzitter van het Instituut.
Artikel 19 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 20 tot 25
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
IV. — DISCUSSION DES ARTICLES
ET VOTES
Articles 1er à 18
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
Art. 19
Mme Rita Bellens (N-VA) fait remarquer que
l’article 19 prévoit qu’une personne physique peut uni-
quement être inscrite dans le registre public de l’Institut
après avoir prêté serment. Ce sont normalement les per-
sonnes chargées d’un ministère ou d’un service public
quelconque qui prêtent serment (article 2 du décret du
20 juillet 1831 concernant le serment).
L’article mentionne également que les experts-
comptables certifi és internes ou les conseillers fi scaux
certifiés internes doivent prêter serment. Selon la
défi nition de l’article 2, 6°, et de l’article 5, alinéa 2, les
experts-comptables certifi és internes peuvent unique-
ment effectuer les tâches mentionnées à l’article 3, 1°
à 5°. Ils ne peuvent exercer de missions particulières
tels qu’énumérés à l’article 3, 6° à 8° ni exercer une
quelconque puissance publique.
Selon elle, les juristes d’entreprise internes ne doivent
pas prêter serment (article 4 de la loi du 1er mars 2000
créant un Institut des juristes d’entreprise). Pourquoi les
experts-comptables certifi és internes ou les conseillers
fi scaux certifi és internes devraient-ils prêter serment
devant le président ou le vice-président de l’Institut?
Mme Leen Dierick (CD&V) précise que l’institut sou-
haitait associer une certaine valeur morale au serment.
Le serment est prêté devant le président de l’Institut.
L’article 19 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 20 à 25
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
13
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Art. 26
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) merkt op dat de toeken-
ning van de hoedanigheid van gecertifi ceerd accoun-
tant of gecertifi ceerd belastingadviseur kan geweigerd
worden. Welke situatie wordt voor ogen gehouden met
het 1°? Wanneer hij niet voldoet aan de toelatingsvoor-
waarden als bepaald in artikel 10, is het een mogelijkheid
maar vloeit het voort uit de wet dat de persoon niet in
het openbaar register kan worden ingeschreven. Als
hij niet meer voldoet aan de toelatingsvoorwaarden, is
artikel 115, 2°, van toepassing en wordt zijn hoedanig-
heid ingetrokken.
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) verduidelijkt het
onderscheid tussen de intrekking en de weigering van
de hoedanigheid. “Intrekking” betekent dat eerst de
titel wel werd verkregen, die daarna wordt ingetrokken.
“Weigering” betekent dat voorafgaandelijk wordt nage-
gaan of de voorwaarden zijn vervuld op het moment dat
de titel nog niet werd verkregen.
Mevrouw Bellens (N-VA) stelt vast dat luidens ar-
tikel 26, 1°, de hoedanigheid kan worden geweigerd
wanneer de natuurlijke persoon niet of niet meer aan
de toelatingsvoorwaarden voldoet: welnu als nog geen
hoedanigheid werd toegekend , hoe kan ze dan worden
ingetrokken?
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) verduidelijkt dat wan-
neer men overgaat van intern naar extern lid, men nog
eens de eed moet afl eggen. Aan iemand die intern de
titel heeft verkregen, kan men nog weigeren om de titel
van externe te verlenen.
Artikel 26 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 27 tot 49
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
Art. 50
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) leest voor:
“Onverminderd zijn verplichtingen inzake beroepsge-
heim, is de persoon ingeschreven in het openbaar re-
gister gehouden tot de verplichting van geheimhouding
… ”. Wat wil de steller van deze tekst uitdrukken met
“onverminderd”?
Art. 26
Mme Rita Bellens (N-VA) fait remarquer que l’octroi
de la qualité d’expert-comptable certifi é ou de conseiller
fi scal certifi é peut être refusé. Quelle situation vise-t-on
au 1°? Une possibilité est que la personne ne remplisse
pas les conditions d’admission prévues à l’article 10,
mais il découle de la loi que, dans ce cas, elle ne peut
être inscrite au registre public. Si elle ne remplit plus les
conditions d’admission, l’article 115, 2°, est d’application
et sa qualité est retirée.
Mme Leen Dierick (CD&V) donne des précisions sur
la distinction entre le retrait et le refus de la qualité. Un
“retrait” signifi e que le titre a d’abord été d’abord délivré,
puis retiré. Un “refus” signifi e que l’on vérifi e préalable-
ment si les conditions sont remplies au moment où le
titre n’a pas encore été obtenu.
Mme Bellens (N-VA) constate qu’en vertu de
l’article 26, 1°, la qualité peut être refusée lorsque la
personne physique ne remplit pas ou plus les condi-
tions d’admission; l’intervenante se demande dès lors
comment une qualité peut être retirée si elle n’a pas
encore été délivrée.
Mme Leen Dierick (CD&V) précise que lorsqu’un
membre interne devient externe, il doit à nouveau prê-
ter serment. Il est donc possible de refuser d’octroyer
le titre de membre externe à quelqu’un qui a obtenu
précédemment le titre en interne.
L’article 26 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 27 à 49
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
Art. 50
Mme Rita Bellens (N-VA) lit l’extrait suivant à voix
haute: “Sans préjudice de ses obligations en matière
de secret professionnel, la personne inscrite au registre
public est tenue à un devoir de confi dentialité (…)”.
Qu’entend l’auteure de ce texte par “sans préjudice”?
14
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) verduidelijkt dat de
externe gecertifi ceerde accountant onderworpen is aan
de verplichtingen met betrekking tot het beroepsgeheim
zoals opgenomen in artikel 458 van het Strafwetboek. In
artikel 50 echter worden zowel de interne als de externe
gecertifi ceerde accountant geviseerd: welnu, de interne
gecertifi ceerde accountant is enkel onderworpen aan
een interne discretieplicht en niet aan artikel 458 van
het Strafwetboek.
Artikel 50 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 51 tot 53
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
Art. 54
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) stelt vast dat de bijdrage
in dit artikel jaarlijks kan geïndexeerd worden. Slaat het
derde lid ook op de vastgestelde bijdrage die niet hoger
mag zijn dan het bedrag van bij het Beroepsinstituut van
Erkende Boekhouders en Fiscalisten van kracht was?
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) antwoordt bevestigend.
Artikel 54 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 55 en 56
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
Art. 57
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) stelt vast dat de toet-
sers van de kwaliteit worden geselecteerd volgens een
objectieve procedure. Wie bepaalt die procedure en wie
selecteert uiteindelijk een toetser?
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) antwoordt dat dit bij
koninklijk besluit zal worden geregeld.
Artikel 57 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Mme Leen Dierick (CD&V) précise que l’expert-
comptable certifi é externe est soumis aux obligations
en matière de secret professionnel qui fi gurent à l’ar-
ticle 458 du Code pénal. L’article 50 vise toutefois les
experts-comptables certifi és tant internes qu’externes.
Or l’expert-comptable certifi é interne est uniquement
soumis à un devoir de discrétion et pas aux dispositions
de l’article 458 du Code pénal.
L’article 50 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 51 à 53
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
Art. 54
Mme Rita Bellens (N-VA) constate que l’article pré-
voit que la cotisation peut être indexée annuellement.
L’alinéa 3 s’applique-t-il également à la cotisation fi xée,
dont le montant ne peut être supérieur à celui qui était
en vigueur à l’Institut professionnel des Comptables et
Fiscalistes agréés?
Mme Leen Dierick (CD&V) répond par l’affirmative
à cette question.
L’article 54 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 55 et 56
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
Art. 57
Mme Rita Bellens (N-VA) constate que les rappor-
teurs chargés de la revue qualité seront sélectionnés
selon une procédure objective. Qui fi xe cette procédure
et qui, en fi n de compte, sélectionne un rapporteur?
Mme Leen Dierick (CD&V) répond que ces modalités
seront réglées par voie d’arrêté royal.
L’article 57 est ensuite adopté à l’unanimité.
15
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Art. 58
Bij dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Het wordt eenparig genomen.
Art. 59
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) stelt vast dat wanneer
een beroepsbeoefenaar inbreuken pleegt op het wet-
telijk en reglementair kader, de Raad van het Instituut
een verbeterplan kan opleggen of de beroepsbeoefe-
naar verwijzen naar de rechtskundig assessor (art. 90).
Is dit wel de taak van de Raad? Waarom heeft men
nog een tuchtcommissie nodig? Ware het niet beter
het uitvoeren van verbeterplan mee op te nemen in de
tuchtsancties (art. 93)?
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) antwoordt dat het
verbeterplan deel uitmaakt van de kwaliteitstoetsing.
Het is niet de bedoeling om iedereen onmiddellijk een
tuchtsanctie op te leggen, dit zou trouwens veel te be-
lastend zijn. Bij zware inbreuken op bepaalde wetgeving
is het natuurlijk wel mogelijk.
Artikel 59 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 60 tot 63
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
Art. 64
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) vraagt wat wordt be-
doelt met “de aanwezige en vertegenwoordigde stem-
men”. Normaal worden deze woorden gebruikt indien
een quorum wordt voorgeschreven. Is er een minimum
van de aanwezigheid of via volmacht vertegenwoor-
digde stemgerechtigde leden vereist op een algemene
vergadering?
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) verduidelijkt dat
het begrip vertegenwoordigde stemmen slaat op via
volmacht vertegenwoordigde stemgerechtigde leden.
Wanneer men beide categorieën optelt, komt men aan
het rechtsgeldige aantal aanwezigen en daarvan is een
meerderheid vereist.
Art. 58
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
Il est adopté à l’unanimité.
Art. 59
Mme Rita Bellens (N-VA) observe que si un pro-
fessionnel enfreint le cadre légal et réglementaire,
le Conseil de l’Institut pourra lui soumettre un plan
d’amélioration ou le renvoyer vers l’assesseur juridique
(art. 90).
Est-ce bien la tâche dudit Conseil? Pourquoi a-t-
on encore besoin d’une commission de discipline?
N’aurait-il pas été préférable d’inclure la mise en œuvre
du plan d’amélioration dans les sanctions disciplinaires
(art. 93)?
Mme Leen Dierick (CD&V) répond que le plan d’amé-
lioration fait partie de la revue qualité. L’intention n’est
pas d’infl iger immédiatement une sanction disciplinaire
à tout le monde, ce qui serait d’ailleurs beaucoup trop
lourd. En cas d’infractions graves à certaines disposi-
tions, cela sera cependant évidemment possible.
L’article 59 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 60 à 63
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
Art. 64
Mme Rita Bellens (N-VA) s’enquiert de la signi-
fi cation des mots “voix présentes et représentées”.
Habituellement, ces mots sont utilisés lorsqu’un quorum
est prescrit. Un minimum de présences ou de membres
ayant une voix délibérative représentés par procuration
est-il requis à l’assemblée générale?
Mme Leen Dierick (CD&V) précise que les mots “voix
représentées” visent les membres ayant une voix déli-
bérative représentés par procuration. Le nombre valable
de personnes présentes est obtenu en additionnant
les deux catégories, et la majorité de ces membres est
requise.
16
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Artikel 64 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 65
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) merkt op dat artikel 65,
7°, de bevoegdheid geeft om te beslissen over de
vervreemding en de verpanding van de onroerende
goederen van het Instituut bij de algemene vergadering.
Welk orgaan beslist over de aankoop van een onroerend
goed? Daarnaast, welk orgaan beslist over het aangaan
van leningen?
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) verduidelijkt dat het
antwoord in beide gevallen de Raad is, die jaarlijks
verantwoording afl egt aan de algemene vergadering.
Artikel 65 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 66 tot 68
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
Art. 69
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) stelt vast dat In arti-
kel 69, vierde lid, er sprake is van “het aantal verkiesbare
leden”. Als binnen elke taalgroep het aantal leden van
de Raad proportioneel wordt verkozen, moet hier dan
geen sprake zijn van “het aantal kiesgerechtigde leden”?
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) wijst erop dat elk lid
kiesgerechtigd is maar om verkozen te kunnen worden,
moet je je eerst wel verkiesbaar stellen. Rechtspersonen
kunnen ook leden zijn maar zijn niet verkiesbaar.
Artikel 69 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 70 tot 77
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
L’article 64 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 65
Mme Rita Bellens (N-VA) souligne que l’article 65, 7°,
habilite l’assemblée générale à statuer sur l’aliénation
et la mise en gage de l’immobilier de l’Institut. Quel est
l’organe compétent pour l’achat d’un immeuble et quel
est celui qui décide de la conclusion d’un emprunt?
Mme Leen Dierick (CD&V) précise qu’il s’agit dans
les deux cas du Conseil, qui rend des comptes chaque
année à l’assemblée générale.
L’article 65 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 66 à 68
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
Art. 69
Mme Rita Bellens (N-VA) constate que l’article 69,
alinéa 4, évoque le “nombre de membres éligibles”. Si
le nombre de membres du Conseil est choisi propor-
tionnellement au sein de chaque groupe linguistique,
ne faut-il pas plutôt parler en l’espèce du “nombre de
membres ayant droit de vote”?
Mme Leen Dierick (CD&V) souligne que chaque
membre a le droit de vote, mais que pour pouvoir être
élu, il faut d’abord se présenter aux élections. Les per-
sonnes morales peuvent, elles aussi, être membres,
mais elles ne sont pas éligibles.
L’article 69 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 70 à 77
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
17
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Art. 78
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) stelt vast dat artikel 78
voorziet in de oprichting van een interinstitutencomité
tussen het IBA en het IBR. Als men de taakomschrijving
van dit comité leest en rekening houdt met het feit dat het
IAB en IBR al gevestigd zijn op dezelfde locatie, hoopt
zij dat als de fusie van het BIBF met het IAB is verteerd,
de geesten rijpen om ook met het IBR te fuseren.
Artikel 78 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 79 tot 89
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
Art. 90
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) verwijst naar wat zij
eerder heeft gevraagd bij artikel 59. Volgens haar moet
de taak en bevoegdheid van de rechtskundig asses-
sor worden opgenomen in de wet en niet alleen in de
Memorie van Toelichting (p. 37-38).
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) verduidelijkt dat de
taak van de rechtskundig assessor erin bestaat om een
dossier aanhangig te maken bij de tuchtcommissie. Het
gaat om een onafhankelijke functie: er werd geopteerd
voor het scheiden van enerzijds het onderzoek van het
dossier en anderzijds het doorverwijzen ervan: eigenlijk
speelt assessor de rol van een procureur.
Artikel 90 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 91 tot 106
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
Art. 107
Mevrouw Rita Bellens (N-VA) leest dat de Raad
van het Instituut in geval van schending van de wet,
een beroep kan instellen tegen een beslissing van de
tuchtcommissie.
Art. 78
Mme Rita Bellens (N-VA) constate que l’article 78
prévoit la création d’un comité inter-instituts entre l’IEC
et l’IRE. Compte tenu de la description des tâches de
ce comité et du fait que l’IEC et l’IRE occupent déjà les
mêmes locaux, elle espère que, lorsque la fusion entre
l’IEC et l’IPCF sera bien assimilée, les esprits seront
mûrs pour une fusion avec l’IRE également.
L’article 78 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 79 à 89
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
Art. 90
Mme Rita Bellens (N-VA) renvoie à la question qu’elle
a déjà posée concernant l’article 59. À son estime,
la mission et la compétence de l’assesseur juridique
doivent fi gurer dans la loi et pas seulement dans les
développements (p. 37-38).
Mme Leen Dierick (CD&V) explique que la mission de
l’assesseur juridique consiste à saisir la commission de
discipline d’un dossier. Il s’agit d’une fonction indépen-
dante. Il a été décidé de scinder, d’une part, l’examen du
dossier et, d’autre part, le renvoi de celui-ci: l’assesseur
joue en fait le rôle du procureur.
L’article 90 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 91 à 106
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
Art. 107
Mme Rita Bellens (N-VA) lit que le Conseil de l’Institut
en cas de violation de la loi, peut introduire un appel
contre une décision de la commission de discipline.
18
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Zij neemt aan dat met “wet” hier bedoeld wordt de
wet in normatieve zin en niet in formele zin?
De Raad kan ook beroep aantekenen tegen een
beslissing van de Raad. Spreker vermoedt dat het gaat
over het verbeterplan en de aanstelling van een rechts-
kundig assessor. Zij verwijst naar haar tussenkomst bij
artikel 59. Het is onlogisch dat de Raad sancties oplegt
en dan nog eens een beroep kan instellen tegen haar
eigen beslissing.
Mevrouw Leen Dierick (CD&V) verduidelijkt dat het
begrip “wet” hier moet worden opgevat in de ruimst
mogelijke zin. De Raad kan in beroep gaan tegen een
beslissing van de tuchtcommissie.
Artikel 107 wordt vervolgens eenparig aangenomen.
Art. 108 tot 130
Bij deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
Ze worden eenparig aangenomen.
*
* *
Het gehele wetsontwerp wordt vervolgens, mits en-
kele tekstcorrecties, eenparig aangenomen.
De rapporteur,
De voorzitter,
Karine LALIEUX
Jean-Marc DELIZÉE
Bepalingen die een uitvoeringsmaatregel vereisen
(artikel 78.2 van het Reglement van de Kamer):
— met toepassing van artikel 105 van de Grondwet:
— met toepassing van artikel 108 van de Grondwet:
niet meegedeeld.
Elle imagine que par les mots “la loi”, il y a lieu
d’entendre la loi au sens normatif et non au sens formel?
Le conseil peut également introduire un appel contre
une décision du Conseil. L’intervenante suppose qu’il
s’agit du plan d’amélioration et de la désignation d’un
assesseur juridique. Elle renvoie à son intervention
concernant l’article 59. Il est illogique que le Conseil
infl ige des sanctions et puisse après encore introduire
un appel contre sa propre décision.
Mme Leen Dierick (CD&V) précise que le mot “loi” doit
être pris ici dans son acception la plus large possible.
Le Conseil peut introduire un appel contre une décision
de la commission de discipline.
L’article 107 est ensuite adopté à l’unanimité.
Art. 108 à 103
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont adoptés à l’unanimité.
*
* *
L’ensemble du projet de loi est ensuite adopté à l’una-
nimité, moyennant quelques corrections techniques.
La rapporteuse,
Le président,
Karine LALIEUX
Jean-Marc DELIZÉE
Dispositions qui nécessitent une mesure d’exécution
(art. 78.2 du Règlement de la Chambre):
— en application de l’article 105 de la Constitution:
— en application de l’article 108 de la Constitution:
non communiqué.
19
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
RAAD VAN STATE
afdeling Wetgeving
advies 64.068/1
van 4 oktober 2018
over
een voorontwerp van wet
‘betreffende de beroepen van
accountant en
belastingadviseur’
CONSEIL D’ÉTAT
section de législation
avis 64.068/1
du 4 octobre 2018
sur
un avant-projet de loi ‘relatif
aux professions d’expert-
comptable et de conseiller
fiscal’
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
BIJLAGE 1
ANNEXE 1
20
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
2/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
Op 25 juli 2018 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van
Economie verzocht binnen een termijn van dertig dagen, van rechtswege verlengd tot
10 september 2018,(*) een advies te verstrekken over een voorontwerp van wet ‘betreffende de
beroepen van accountant en belastingadviseur’.
Het voorontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 25 september 2018. De
kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH
en Chantal BAMPS, staatsraden, Michel TISON, assessor, en Wim GEURTS, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Wouter DE COCK, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is
nagezien onder toezicht van Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 4 oktober 2018.
*
Le 25 juillet 2018, le Conseil d’État, section de législation, a été invité par le
Ministre de l’Économie à communiquer un avis, dans un délai de trente jours, prorogé de plein
droit jusqu’au 10 septembre 2018 (**), sur un avant-projet de loi ‘relatif aux professions d’expert-
comptable et de conseiller fiscal’.
L’avant-projet a été examiné par la première chambre le 25 septembre 2018. La
chambre
était
composée
de
Marnix VAN DAMME,
président
de
chambre,
Wilfried VAN VAERENBERGH et Chantal BAMPS, conseillers d’État, Michel TISON, assesseur, et
Wim GEURTS, greffier.
Le rapport a été présenté par Wouter DE COCK, auditeur.
La concordance entre la version française et la version néerlandaise de l’avis a été
vérifiée sous le contrôle de Marnix VAN DAMME, président de chambre.
L’avis, dont le texte suit, a été donné le 4 octobre 2018.
*
_______________
(*) Deze verlenging vloeit voort uit artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, in fine, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973, waarin wordt bepaald dat deze termijn van rechtswege wordt verlengd met vijftien
dagen wanneer hij begint te lopen tussen 15 juli en 31 juli of wanneer hij verstrijkt tussen 15 juli en 15 augustus.
(**) Ce délai résulte de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, in fine, des lois sur le Conseil d’État, coordonnées le
12 janvier 1973, qui précise que ce délai est prolongé de plein droit de quinze jours lorsqu’il prend cours du 15 juillet
au 31 juillet ou lorsqu’il expire entre le 15 juillet et le 15 août.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
21
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
3/35
1.
Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek
van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond,1 alsmede van de vraag
of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
*
STREKKING VAN HET VOORONTWERP VAN WET
2.
Het om advies voorgelegde voorontwerp van wet heeft in essentie een dubbele
finaliteit.
Enerzijds strekt het ertoe om de fusie te regelen van het Instituut van de
Accountants en de Belastingconsulenten, zoals dit is opgericht bij artikel 2 van de wet van
22 april 1999 ‘betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen’ en het Beroepsinstituut van
Erkende Boekhouders en Fiscalisten, zoals dat is opgericht bij artikel 43 van de voornoemde wet
van 22 april 1999. De nieuwe instelling die uit de fusie voortspruit, het “Instituut van de
Belastingadviseurs en de Accountants” genoemd, neemt de rechten en verplichtingen over van de
twee voornoemde gefusioneerde instituten. Aan de fusie liggen onder meer het streven naar
procedurele vereenvoudiging en een kwaliteitsverbetering van de te leveren prestaties ten
grondslag.
Anderzijds bevat het voorontwerp van wet regels met betrekking tot de toegang tot
en de uitoefening van de activiteiten van accountant en belastingadviseur. Daarbij worden de
nieuwe beroepstitels en hoedanigheden van (intern) gecertificeerd accountant, (intern)
accountant, (intern) fiscaal accountant en (intern) gecertificeerd belastingadviseur ingevoerd en
geregeld. De beroepstitels van “erkend boekhouder” en “erkend boekhouder fiscalist”, van
“accountant”, van “belastingconsulent” en van “accountant-belastingconsulent”, die thans vallen
onder de toepassing van de wet van 22 april 1999 ‘betreffende de boekhoudkundige en fiscale
beroepen’ en de wet van 22 april 1999 ‘betreffende de beroepstucht voor accountants en
belastingconsulenten’, worden vervangen.
VORMVEREISTEN
3.
Artikel 36, lid 4, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en
de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met
de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot
intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)’, gelezen in
samenhang met artikel 57, lid 1, c), en overweging 96 van die verordening, voorziet in een
verplichting om de toezichthoudende autoriteit, in dit geval de Gegevensbeschermingsautoriteit
bedoeld in de wet van 3 december 2017 ‘tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit’,
te raadplegen bij het opstellen van een voorstel voor een door een nationaal parlement vast te
1 Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere
normen verstaan.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
22
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
4/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
stellen wetgevingsmaatregel, of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel in verband met
verwerking.
Het voorontwerp van wet bevat bepalingen die op het verwerken van
persoonsgegevens betrekking hebben. Te denken valt in dit verband onder meer aan de
bepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het voorontwerp die het openbaar register
betreffen of aan de opdracht die in artikel 62, 8°, van het voorontwerp aan het Instituut van de
Belastingadviseurs en de Accountants (hierna: het Instituut) wordt toegekend om gegevens uit te
wisselen met de instanties in andere lidstaten met betrekking tot onder meer de
beroepsbeoefenaars. De Gegevensbeschermingsautoriteit dient bijgevolg alsnog over het
voorontwerp van wet te worden geraadpleegd.2 Indien die raadpleging zou nopen tot een
aanpassing van de tekst van het voorontwerp zoals die om advies werd voorgelegd aan de Raad
van State, zal de aldus aangepaste tekst ter inachtneming van het voorschrift van artikel 3, § 1,
van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, opnieuw om advies aan deze laatste moeten
worden voorgelegd.
ONDERZOEK VAN DE TEKST
Artikel 2
4.
In artikel 2, 1°, van het voorontwerp, wordt het begrip “gecertificeerd accountant”
omschreven als de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van
hoofdstuk 4 van het voorontwerp beantwoordt om, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep,
voor rekening van derden, “de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, uit te oefenen”.
Aan de gemachtigde werd gevraagd of de draagwijdte van de verwijzing naar “de
beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3” voldoende afgebakend en duidelijk is, ermee rekening
houdend dat de opsomming van beroepsactiviteiten in artikel 3 van het voorontwerp blijkbaar
niet exhaustief is.3 De gemachtigde antwoordde:
“Door een te limitatieve opsomming van beroepsactiviteiten zou de lezer van het
wetsontwerp ten onrechte kunnen besluiten dat de gecertificeerd accountant geen enkele
andere activiteit zou mogen uitoefenen, terwijl hij dat wel mag. Hij mag bijvoorbeeld ook
juridisch en financieel advies verstrekken of administratie voor zijn cliënt verrichten.
Een gecertificeerd accountant mag al de activiteiten die opgesomd zijn in artikel 3
uitoefenen. Deze activiteiten zijn beschermd.
Een interne gecertificeerd accountant mag niet alle activiteiten die opgesomd zijn
in artikel 3 uitoefenen. De activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8, mag hij niet
uitoefenen. De lijst is niet exhaustief.
2 Naar het zeggen van de gemachtigde is dergelijke raadpleging tot dusver niet gebeurd.
3 In de inleidende zin van artikel 3 van het voorontwerp wordt vermeld dat een gecertificeerd accountant
“hoofdzakelijk” de in die bepaling opgesomde beroepsactiviteiten uitvoert.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
23
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
5/35
Voor de lijst van verenigbare activiteiten
IAB, zie
https://www.iec-
iab.be/nl/diensten/deontologie/Pages/commerciele-activiteiten.aspx
Voor de lijst van verenigbare activiteiten (niet exhaustief) BIBF, zie
http://www.bibf.be/Index.asp?Idx=1848.”
In het door de gemachtigde verstrekte antwoord wordt, enerzijds, gerefereerd aan
het streven om een limitatieve omschrijving van beroepsactiviteiten te vermijden en, anderzijds,
aan het gegeven dat een gecertificeerd accountant alle activiteiten die worden opgesomd in
artikel 3 van het voorontwerp mag uitoefenen en dat deze activiteiten zijn beschermd.
Het komt de Raad van State, afdeling Wetgeving, voor dat het van tweeën één is:
ofwel worden de beroepsactiviteiten beoogd die zijn vervat in de opsomming van activiteiten in
artikel 3 van het voorontwerp, naast andere beroepsactiviteiten die niet in die opsomming zijn
vervat, ofwel worden uitsluitend de beroepsactiviteiten beoogd die expliciet zijn opgenomen in
de opsomming van activiteiten in artikel 3 van het voorontwerp, ook al is die opsomming niet
exhaustief. In dit laatste geval wordt, omwille van de rechtszekerheid, in artikel 2, 1°, van het
voorontwerp, dan het best melding gemaakt van “de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1°
tot en met 11°”.
De omschrijving van het begrip “gecertificeerd belastingadviseur”, in artikel 2, 2°,
van het voorontwerp, waarin aan het einde wordt verwezen naar “de beroepsactiviteiten bedoeld
in artikel 6”,4 noopt tot een gelijkaardige opmerking.
5.
In artikel 2, 4°, van het voorontwerp wordt het begrip “(intern) accountant”
omschreven; in artikel 2, 6°, van het voorontwerp wordt een omschrijving opgenomen van
“intern (gecertificeerd) accountant”. Dit komt erop neer dat in beide definities een omschrijving
is vervat van het begrip “intern accountant”. Vraag is of dit de duidelijkheid van de ontworpen
tekst ten goede komt en of dergelijke handelwijze noodzakelijk is. Naar het zeggen van de
gemachtigde hoeven beide definities niet in het voorontwerp te worden behouden.
Omdat de beroepsactiviteiten die een intern gecertificeerd accountant mag
uitoefenen beperkter zijn dan de beroepsactiviteiten die een gecertificeerd accountant mag
uitoefenen (zie artikel 2, 1°, van het voorontwerp), is het aangewezen om de in artikel 2, 6°,
vervatte definitie voor te behouden voor de “intern gecertificeerd accountant”. In de omschrijving
die voorkomt in artikel 2, 4°, van het voorontwerp, kan het woord “(intern)” dan worden
geschrapt.5 Artikel 2, 4°, van het voorontwerp, zou dan kunnen luiden:
4 In de Nederlandse tekst van de inleidende zin van artikel 6 van het voorontwerp wordt – anders dan wat het geval is
in artikel 2, 2°, maar bijvoorbeeld ook in artikel 2, 12° – van “beroepswerkzaamheden” melding gemaakt. Het
verdient aanbeveling dat de tekst van het voorontwerp op dit punt meer eenvormig wordt gemaakt, zoals trouwens in
de Franse tekst van de voornoemde bepalingen van het voorontwerp al het geval is.
5 Vraag is trouwens of het gebruik van het woord “(intern)”, in artikel 2, 4°, van het voorontwerp, niet incoherent is
in de mate dat de ontworpen omschrijving beroepsbeoefenaren beoogt die beroepsactiviteiten als zelfstandige in
hoofdberoep of bijberoep uitoefenen, terwijl uit de artikelen 2, 6°, en 9, zesde lid, van het voorontwerp, valt af te
leiden dat interne accountants activiteiten binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde
betrekking uitoefenen.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
24
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
6/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
“accountant: de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet
ingeschreven was als ‘erkend boekhouder’ bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en
Fiscalisten, zoals opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de
boekhoudkundige en fiscale beroepen;”.
Om gelijkaardige redenen als die vermeld onder dit randnummer volstaat het om
de definitie in artikel 2, 5°, van het voorontwerp, aan te passen als volgt:
“fiscaal accountant: de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze
wet ingeschreven was als ‘boekhouder(-fiscalist)’ bij het voornoemde beroepsinstituut;”.
6.
Er kan worden overwogen om de lijst met definities aan te vullen met een
omschrijving van het begrip “erkend rechtspersoon”. In die definitie kan dan in voorkomend
geval worden verwezen naar het bepaalde in artikel 24 van het voorontwerp.
Artikel 3
7.
In artikel 3, 7°, van het voorontwerp, wordt als een mogelijke beroepsactiviteit van
een gecertificeerd accountant omschreven elke opdracht bedoeld in artikel 3, 4° tot en met 6°, van
het voorontwerp, die wordt uitgevoerd “door een gecertificeerd accountant, andere dan de
gebruikelijke beroepsbeoefenaar”. De gemachtigde werd om verduidelijking verzocht van de
draagwijdte van de aangehaalde zinsnede. De gemachtigde antwoordde in dat verband als volgt:
“Enkel de gecertificeerd accountant mag de attestering doen van opdrachten
bedoeld in artikel 3, 4° tot en met 6°. Deze gecertificeerde accountant moet een andere
beroepsbeoefenaar zijn dan diegene die de opdrachten bedoeld in artikel 3, 4° tot en
met 6° heeft uitgevoerd.
Een controleopdracht mag slechts uitgevoerd worden door een zelfstandig (extern)
beroepsbeoefenaar voor zover hij niet de gebruikelijke beroepsbeoefenaar is van de
betreffende cliënt (principe van onafhankelijkheid bij elke controleopdracht: controleur en
gecontroleerde kunnen niet dezelfde persoon zijn). Dus zelfs als de gebruikelijke
beroepsbeoefenaar een gecertificeerd accountant is , moet voor dergelijke opdrachten een
beroep gedaan worden op een andere zelfstandige beroepsbeoefenaar die gerechtigd is
controleopdrachten uit te voeren.”
Ter wille van een goed begrip van artikel 3, 7°, van het voorontwerp, zou deze
verduidelijking het best in de commentaar bij die bepaling in de memorie van toelichting worden
geïntegreerd.
Artikel 4
8.
Artikel 4, eerste lid, van het voorontwerp, luidt:
“Enkel de natuurlijke personen ingeschreven in het openbaar register van het
Instituut met de hoedanigheid van gecertificeerd accountant dragen de titel van
gecertificeerd accountant, alsook desgevallend het Engelse equivalent ervan.”
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
25
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
7/35
Teneinde de verwarring te vermijden die luidens artikel 4, vierde lid, van het
voorontwerp, moet worden tegengegaan,6 zou in de tekst van de ontworpen bepaling duidelijker
moeten worden aangegeven om welk “Engelse equivalent” het precies gaat. De gemachtigde
heeft wat dat betreft meegedeeld dat het begrip “certified accountant” kan worden gebruikt als
Engelse equivalent. Het verdient aanbeveling om hiervan uitdrukkelijk melding te maken in
artikel 4, eerste lid, van het voorontwerp.
Om een gelijkaardige reden zou ook in artikel 7, eerste lid, van het voorontwerp,
het best uitdrukkelijk melding worden gemaakt van het concrete Engelse equivalent dat wordt
beoogd. In dat verband deelde de gemachtigde mee dat voor de toepassing van artikel 7, eerste
lid, van het voorontwerp, als Engels equivalent gebruik kan worden gemaakt van het begrip
“certified tax advisor”.
9.
Ter wille van de duidelijkheid late men artikel 4, tweede lid, van het voorontwerp
aanvangen als volgt: “Personen die de hoedanigheid van gecertificeerd accountant hebben …” (in
plaats van: “Personen die de hoedanigheid hebben …”).
10.
Het zou een goed begrip van de ontworpen regeling bevorderen indien artikel 4,
derde lid, van het voorontwerp, zou aanvangen als volgt: “De erkende rechtspersonen bedoeld in
artikel 24 mogen …”. Indien evenwel zou worden ingegaan op de in dit advies gedane suggestie
om artikel 2 van het voorontwerp aan te vullen met een omschrijving van het begrip “erkend
rechtspersoon” (zie randnummer 6) kan de tekst van artikel 4, derde lid, ongewijzigd blijven.
Artikel 5
11.
In artikel 5, vierde lid, van het voorontwerp zou duidelijker moeten worden
aangegeven dat, wanneer de activiteiten door een rechtspersoon worden uitgeoefend, de
natuurlijke personen die deze activiteiten uitoefenen de hoedanigheid van gecertificeerd
accountant of bedrijfsrevisor moeten hebben. Zoals de bepaling nu is geredigeerd zou deze
immers zo kunnen worden gelezen dat de betrokken natuurlijke personen de hoedanigheid
verkrijgen doordat de rechtspersoon is erkend.
Artikel 6
12.
In artikel 6 van het voorontwerp worden de beroepswerkzaamheden (lees:
beroepsactiviteiten) opgesomd die “hoofdzakelijk” (principalement) worden uitgevoerd door een
gecertificeerd belastingadviseur. In de commentaar die in de memorie van toelichting bij artikel 6
van het voorontwerp wordt gegeven, wordt melding gemaakt van activiteiten die “gewoonlijk”
(habituellement) door een gecertificeerd belastingadviseur worden uitgevoerd. De termen
“hoofdzakelijk” (principalement) en “gewoonlijk” (habituellement) hebben een verschillende
6 Artikel 4, vierde lid, van het voorontwerp luidt: “Onverminderd artikel 9 mag niemand een andere titel dragen die
verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van gecertificeerd accountant”.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
26
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
8/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
inhoudelijke connotatie. De memorie van toelichting en de tekst van het voorontwerp zouden op
dit punt met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.
Artikel 9
13.
In artikel 9, vierde lid, van het voorontwerp, wordt bepaald dat de accountant en de
fiscaal accountant de activiteiten bedoeld in artikel 3 mogen uitoefenen, “met uitzondering van de
activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°”. De betrokken personen mogen met andere
woorden de activiteiten vermeld in artikel 3, 1° tot en met 5° en 9° tot en met 11° van het
voorontwerp uitoefenen. Uit de memorie van toelichting zou evenwel kunnen worden afgeleid
dat de accountant en de fiscaal accountant uitsluitend de activiteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en
met 5°, van het voorontwerp, mogen uitoefenen. Ook op dit punt zouden bijgevolg de tekst van
het voorontwerp en de tekst van de memorie van toelichting met elkaar in overeenstemming
moeten worden gebracht.
14.
Indien met de woorden “die personen”, in artikel 9, zesde lid, van het
voorontwerp, “de personen bedoeld in het eerste of tweede lid” worden bedoeld, wordt dit ter
wille van de duidelijkheid van de ontworpen bepaling het best op die wijze geëxpliciteerd in de
tekst van de ontworpen bepaling.7
Artikel 10
15.
In artikel 10, §§ 2 en 3, van het voorontwerp moet melding worden gemaakt van
respectievelijk de “voorwaarde bedoeld onder paragraaf 1, 3°” en de “voorwaarde bedoeld onder
paragraaf 1, 4°”.
16.
In artikel 10, § 4, van het voorontwerp wordt de Koning opgedragen om, na advies
van de Raad van het Instituut, de voorwaarden en de procedure vast te leggen voor een natuurlijk
persoon, onderdaan van een derde land gevestigd in België die de hoedanigheid van
gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingadviseur wenst te bekomen. Aan de
gemachtigde werd gevraagd of aan de ontworpen bepaling de bedoeling ten grondslag ligt om uit
te sluiten dat een onderdaan van een derde land de hoedanigheid van intern gecertificeerd
accountant of intern gecertificeerd belastingadviseur zou kunnen verkrijgen. In dat verband heeft
de gemachtigde het volgende geantwoord:
“Onderdanen van een derde land kunnen wel degelijk de hoedanigheid krijgen. Zij
kunnen echter geen gebruik maken van de voordelen die de richtlijn 2005/36 inzake de
wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties, gewijzigd door de richtlijn 2013/55
(beide omgezet door de wet van 12 februari 2008) biedt. Daarom werd ervoor geopteerd
om de voorwaarden en procedure voor hen te regelen bij koninklijk besluit. De delegatie
aan de Koning om de voorwaarden en de procedure vast te leggen voor het toekennen van
de hoedanigheid aan onderdanen van een derde land houdt dus eveneens de hoedanigheid
van intern gecertificeerd accountant/belastingadviseur in.”
7 Vgl. met artikel 9, vierde lid, van het voorontwerp.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
27
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
9/35
Teneinde te voorkomen dat onzekerheid ontstaat omtrent de precieze bevoegdheid
die in artikel 10, § 4, van het voorontwerp, aan de Koning wordt verleend, verdient het
aanbeveling om er in die bepaling uitdrukkelijk melding van te maken dat zij ook geldt ten
aanzien van onderdanen van een derde land, gevestigd in België, die de hoedanigheid van intern
gecertificeerd accountant of intern gecertificeerd belastingadviseur wensen te verkrijgen.
17.
Nog in artikel 10, § 4, van het voorontwerp wordt aan de Raad van het Instituut
een termijn van drie maanden gegeven om het in die paragraaf bedoelde advies uit te brengen,
“zo niet wordt het advies geacht gunstig te zijn”.
Aan de stellers van het voorontwerp wordt ter overweging gegeven om, ter wille
van een meer rechtszekere aanwijzing van het startpunt van de betrokken vervaltermijn van drie
maanden, in de tekst van de ontworpen bepaling uitdrukkelijk aan te geven vanaf welk ogenblik
de termijn van drie maanden begint te lopen. Tevens rijst de vraag of de omschrijving van het
gevolg van het uitblijven van een advies binnen de termijn van drie maanden, namelijk dat het
advies wordt geacht gunstig te zijn, wel passend is, rekening houdend met de aangelegenheid
waarover moet worden geadviseerd, zijnde in casu het vastleggen van de voorwaarden en de
procedure voor een natuurlijk persoon, onderdaan van een derde land, gevestigd in België die de
hoedanigheid van gecertificeerd accountant of van gecertificeerd belastingadviseur wenst te
bekomen. Er zou bijvoorbeeld kunnen worden bepaald dat, indien het advies niet binnen de
voorgeschreven termijn wordt uitgebracht, het advies geacht wordt zonder opmerkingen te zijn of
dat het advies dan niet langer meer moet worden afgewacht.
Dezelfde opmerkingen kunnen worden gemaakt bij diverse andere, vergelijkbare
bepalingen van het voorontwerp waarin telkens een advies van de Raad van het Instituut wordt
voorgeschreven binnen een termijn van drie maanden.8
Artikel 11
18.
Naar analogie van de Nederlandse tekst lijkt in de Franse tekst van artikel 11, § 1,
van het voorontwerp, de zinsnede “une personne physique, ressortissant d’un Etat membre,” te
moeten worden vervangen door de zinsnede “une personne physique, ressortissant d’un autre Etat
membre,”
19.
Ter wille van de terminologische eenvormigheid moeten in de Nederlandse tekst
van artikel 11, § 2, vierde lid, van het voorontwerp de woorden “de lijst van de leerstof” worden
vervangen door de woorden “de lijst van de vakgebieden”. Bedoeld wordt immers de lijst van de
“vakgebieden” die als dusdanig al wordt vermeld in artikel 11, § 2, derde lid. In de Franse tekst
wordt op een uniforme wijze van “la liste des matières” melding gemaakt.
8 Zie de artikelen 12, 7°, 16, tweede lid, 17, § 2, eerste lid, 25, 32, tweede lid, 34, derde lid, 36, § 2, eerste lid, 41,
tweede lid, 44, vierde lid, 49, tweede lid, 60, tweede lid, 78, derde lid, en 114, van het voorontwerp.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
28
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
10/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
20.
In overeenstemming met de Franse tekst dient artikel 11, § 4, van het
voorontwerp9 in de Nederlandse tekst aan te vangen als volgt: “Het verlenen van de hoedanigheid
en de titel aan de onderdanen van een lidstaat …”. Voorts ontbreken in de Nederlandse tekst van
dezelfde paragraaf de woorden die overeenstemmen met de woorden “dans la langue de cet
[É]tat” in de Franse tekst. Dit moet worden verholpen.
Artikel 12
21.
In de inleidende zin van artikel 12 van het voorontwerp dient te worden verwezen
naar de diploma’s of titels bedoeld in “artikel 10, § 1, 5°” (niet: artikel 10, eerste lid, 5°). Ook in
artikel 27, 1° en 2°, d), van het voorontwerp moet de verwijzing naar onderdelen van artikel 10
van het voorontwerp op een gelijkaardige wijze worden aangepast.
Artikel 14
22.
In artikel 14 van het voorontwerp stemmen de Nederlandse (“ten minste zeven
jaar”) en de Franse tekst (“sept ans”) niet met elkaar overeen. Deze discordantie moet worden
weggewerkt.
Artikel 16
23.
Aan de gemachtigde werd een verduidelijking gevraagd in verband met de
onderlinge verhouding tussen het bepaalde in het eerste en het tweede lid van artikel 16 van het
voorontwerp. De gemachtigde verstrekte in dat verband de volgende toelichting:
“Niet alle stagemeesters laten de stagiair toe om naast de opgelegde
stagewerkzaamheden vermeld in de stageovereenkomst, ook nog eigen beroepsactiviteiten
uit te oefenen, om te vermijden dat de stagiair eventueel cliënten overneemt en daardoor
in concurrentie treedt met zijn stagemeester.
Andere stagemeesters laten het in beperkte mate wel toe. Om conflicten tussen
stagiair en stagemeester te vermijden, bepaalt het wetsontwerp dat de stageovereenkomst
een duidelijke afspraak hieromtrent moet vastleggen.
De stagiair mag in ieder geval de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°
van het ontwerp niet uitvoeren. Hij mag ook geen activiteiten ontplooien die de
commerciële belangen van de stagemeester kunnen schaden. De mogelijkheid voor de
stagemeester om de stagiair te verbieden bepaalde activiteiten uit te oefenen, moet blijven
bestaan, bijvoorbeeld wanneer de stagiair tijdens zijn stage negatief wordt geëvalueerd
voor bepaalde activiteiten.
Dergelijke mogelijkheid kan in een uitvoeringsbesluit worden geregeld.”
9 De nummering van de paragrafen in artikel 11 van het voorontwerp moet worden gecorrigeerd: nu zijn er immers
twee paragrafen 3.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
29
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
11/35
Gelet op deze verduidelijking verdient het aanbeveling om artikel 16, tweede lid,
van het voorontwerp, duidelijkheidshalve te laten aanvangen als volgt: “Onverminderd het eerste
lid kan de Koning, na advies …”.10
Artikel 20
24.
In de Franse tekst van artikel 20, vierde lid, van het voorontwerp, lijken de
woorden “devant le tribunal de première instance” logischerwijze te moeten worden vervangen
door de woorden “devant le tribunal de l’entreprise”. Op die wijze wordt niet enkel de
terminologie gebruikt die al wordt gehanteerd in de overige leden van artikel 20 van het
voorontwerp, maar wordt tevens aangesloten op de Nederlandse tekst van artikel 20, vierde lid,
waarin van de ondernemingsrechtbank melding wordt gemaakt.
25.
De verhouding tussen het vijfde en het eerste lid van artikel 20 van het
voorontwerp is niet duidelijk aangezien het eerste lid ook de intern gecertificeerde accountant en
de intern gecertificeerde belastingadviseur lijkt te omvatten. Mochten de stellers van het
voorontwerp een onderscheid willen maken tussen de eedaflegging door de interne en de
zelfstandige beroepsbeoefenaar rijst de vraag of dan opnieuw een eed moet worden afgelegd.
Artikel 21
26.
In de Nederlandse tekst van artikel 21, tweede lid, 3°, van het voorontwerp, lijken
de woorden “boekhoudkundig onderzoek” (révision comptable) de voorkeur te verdienen boven
het woord “accountantsonderzoek”. In de Nederlandse tekst van artikel 21, tweede lid, 4°, lijkt
beter melding te worden gemaakt van “opdrachten” (missions) in plaats van “mandaten”.
Dezelfde opmerkingen gelden ten aanzien van respectievelijk artikel 22, tweede lid, 3° en 4°, van
het voorontwerp.
Artikel 22
27.
In de Nederlandse tekst van artikel 22, tweede lid, 5°, van het voorontwerp, moet
uiteraard worden geschreven “… voorbehouden aan de gecertificeerde accountants”.
Artikel 26
28.
In de inleidende zin van artikel 26, eerste lid, maar ook in de inleidende zin van
artikel 27 van het voorontwerp, stemmen met de woorden “de onafhankelijkheid en de
betrouwbaarheid”, in de Nederlandse tekst, de woorden “l’indépendance et la compétence”
overeen in de Franse tekst. Vraag is evenwel of de term “betrouwbaarheid”, in de Nederlandse
10 Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten,
aanbeveling 3.2, Raad van State, 2008, te raadplegen op de internetsite van de Raad van State
(www.raadvst-consetat.be), hierna “Handleiding wetgevingstechniek” genoemd.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
30
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
12/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
tekst, eenzelfde inhoudelijke connotatie heeft als de term “compétence” die in de Franse tekst
wordt gebruikt en of op dat punt niet naar een meer gelijklopende terminologie moet worden
gestreefd.
29.
In artikel 26, tweede lid, van het voorontwerp, wordt bepaald dat er een beroep bij
de commissie van beroep kan worden ingesteld tegen de in die bepaling bedoelde beslissing van
de Raad van het Instituut. Deze bepaling lijkt evenwel overbodig te zijn in het licht van artikel 28
van het voorontwerp dat volgens de gemachtigde zo moet worden begrepen dat in een
beroepsmogelijkheid bij de commissie van beroep wordt voorzien tegen alle beslissingen van de
Raad van het Instituut, bedoeld in de artikelen 26 en 27 van het voorontwerp. Artikel 26, tweede
lid, zou derhalve uit het voorontwerp kunnen worden weggelaten. In artikel 28 van het
voorontwerp wordt dan duidelijkheidshalve het best geschreven “Beroep tegen de in deze
afdeling bedoelde beslissingen van …”. In de huidige redactie van artikel 28 wordt immers
melding gemaakt van een “[b]eroep tegen de beslissing van de Raad van het Instituut”, hetgeen
de indruk zou kunnen wekken dat daarmee enkel wordt gedoeld op beslissingen in de zin van
artikel 27 van het voorontwerp.
Artikel 30
30.
De begrippen “contactgegevens” en “données d’identification”, die voorkomen
aan het einde van respectievelijk de Nederlandse en de Franse tekst van artikel 30, 1°, van het
voorontwerp, zijn inhoudelijk niet identiek. Gelet op de bedoeling van de stellers van het
voorontwerp lijkt het dat in de Franse tekst het best een ander begrip wordt ingeschreven dat
meer overeenstemt met het begrip dat in de Nederlandse tekst wordt gebruikt.
Artikel 32
31.
In artikel 32, tweede lid, van het voorontwerp, wordt onder meer bepaald dat de
Koning, na advies van de Raad van het Instituut, het openbaar register kan aanvullen met
bijkomende gegevens “relevant voor de beroepsuitoefening”. De aldus door de Koning vast te
stellen bijkomende gegevens zullen in voorkomend geval persoonsgegevens zijn. Wat dat betreft
dient erop te worden gewezen dat het recht op eerbiediging van het privé-leven niet enkel wordt
gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet en door onder meer artikel 8 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 17
van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, maar dat de verwerking
van persoonsgegevens bovendien het voorwerp uitmaakt van specifieke regelingen, zoals met
name die welke is vervat in de reeds in dit advies genoemde algemene verordening
gegevensbescherming. Zo valt uit artikel 5, lid 1, b), van deze laatste af te leiden dat
persoonsgegevens voor welbepaalde uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden
moeten worden verkregen en niet mogen worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met
die doeleinden.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
31
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
13/35
Toegepast op het voorontwerp van wet dient het, mede gelet op het
legaliteitsbeginsel dat voortvloeit uit artikel 22 van de Grondwet, de wetgever zelf te zijn die de
essentiële elementen met betrekking tot het in artikel 32 van het voorontwerp bedoelde openbaar
register vaststelt. Er moet met betrekking tot deze vaststelling door de wetgever worden nagegaan
of de door hem vooropgestelde regeling terzake dienend is en niet overmatig of disproportioneel
is. Eén van de toetsingscriteria daarbij is of een aan de Koning op het vlak van
gegevensverwerking verleende delegatie door de wetgever niet te algemeen of te weinig
afgebakend is. Dit laatste lijkt het geval te zijn in artikel 32, tweede lid, van het voorontwerp,
doordat het aan de Koning wordt gelaten om erover te oordelen welke bijkomende gegevens als
zijnde “relevant voor de beroepsuitoefening” moeten worden beschouwd en welke gegevens
aldus voor opname in het openbaar register in aanmerking komen. Daarom zou het criterium van
de “relevantie voor de beroepsuitoefening” het best worden vervangen door een meer afgebakend
en nauwkeuriger omschreven criterium dat ten aanzien van de Koning een meer omlijnde
bevoegdheidsdelegatie zou inhouden (bijvoorbeeld door te vereisen dat de betrokken gegevens
niet zozeer “relevant” moeten zijn voor de beroepsuitoefening, maar wel ermee een rechtstreeks
verband moeten vertonen).
Artikel 53
32.
De Nederlandse en de Franse tekst van de laatste zin van artikel 53, eerste lid, van
het voorontwerp, verschillen inhoudelijk van elkaar. Waar in de Nederlandse tekst wordt
uitgegaan van een mededeling aan de Raad van het Instituut van alle vereiste gegevens, wordt in
de Franse tekst vermeld dat de Raad van het Instituut bepaalde gegevens vereist die vervolgens
moeten worden meegedeeld. Het verdient ter wille van de duidelijkheid aanbeveling om beide
teksten beter op elkaar af te stemmen.
Artikel 54
33.
Uit de commentaar die in de memorie van toelichting bij artikel 54 van het
voorontwerp wordt gegeven, valt af te leiden dat de fusie niet moet leiden tot een verhoging van
de kosten en dat de bij koninklijk besluit vastgelegde maximumbedragen “in geen geval de
huidige bedragen van de bijdrage van de fusionerende Instituten mogen overschrijden”. Deze
bedoeling blijkt niet uit de tekst van artikel 54 van het voorontwerp. Op basis van deze laatste
lijkt de bevoegdheid van de Koning en de algemene vergadering om (maximum)bedragen vast te
stellen niet aan een specifieke begrenzing te zijn onderworpen. Het is aangewezen de ontworpen
bepaling op dit punt aan te passen in het licht van de bedoeling van de wetgever zoals die uit de
memorie van toelichting valt af te leiden.
Artikel 63
34.
Omwille van de duidelijkheid van de ontworpen regeling schrijve men aan het
einde van artikel 63, zesde lid, van het voorontwerp, “… die de leden van de eerste Raad na de
overgangsraad, bedoeld in artikel 128, verkiest”.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
32
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
14/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
Artikel 65
35.
Naar analogie van de terminologie die voorkomt in artikel 77, eerste lid, 4°, van
het voorontwerp, vervange men in artikel 65, 8°, de woorden “legaten of giften” en “de legs ou
de cadeaux” door respectievelijk de woorden “legaten of schenkingen” en “de legs ou de dons”.
Artikel 72
36.
Luidens artikel 72, eerste lid, 2°, van het voorontwerp, is de Raad van het Instituut
bevoegd voor “het uitvaardigen en openbaar maken op de website van het Instituut van
technische normen en aanbevelingen, specifiek voor de uitoefening van het beroep”.
Op zich hoeft er geen bezwaar te bestaan tegen het publiceren van technische
normen en aanbevelingen op een website, op voorwaarde dat er geen onzekerheid ontstaat over
de versie van de normen en aanbevelingen die op een bepaald moment van toepassing zijn. De
stellers van het voorontwerp moeten dan ook voorzien in een wijze van bekendmaking die geen
twijfel laat ontstaan over de op een bepaald moment na te leven regels. Evenzeer moet er op
worden toegezien dat deze bekendmaking beantwoordt aan de essentiële randvoorwaarden op het
gebied van toegankelijkheid en kenbaarheid van een officiële bekendmaking. Essentieel hierbij is
de beschikbaarheid van een Nederlandse, Franse en, zo mogelijk, Duitstalige versie van de
betrokken normen.
37.
Naar analogie van de Nederlandse tekst schrijve men in de Franse tekst van
artikel 72, eerste lid, 12°, van het voorontwerp, “les autres compétences attribuées au Conseil par
ou en vertu de la loi”.
Artikel 75
38.
Uit artikel 75 van het voorontwerp moet worden afgeleid dat de commissie
kwaliteitstoetsing door de Raad van het Instituut wordt opgericht. In artikel 60, eerste lid, van het
voorontwerp, wordt evenwel vermeld dat het de Koning is die de commissie kwaliteitstoetsing
opricht. Naar het zeggen van de gemachtigde is het wel degelijk de bedoeling dat de Koning
zowel de commissie kwaliteitstoetsing als de stagecommissie opricht. De redactie van artikel 75
van het voorontwerp dient rekening houdend hiermee te worden aangepast.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
33
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
15/35
Artikel 79
39.
Indien met “het College”, vermeld in artikel 79, derde lid, van het voorontwerp,
het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, zoals opgericht bij artikel 32 van de wet van
7 december 201611, wordt bedoeld, wordt dit duidelijkheidshalve het best geëxpliciteerd in het
voornoemde artikel 79, derde lid.
Artikel 80
40.
In artikel 80, tweede lid, van het voorontwerp, moet worden verwezen naar
“artikel 72, eerste lid, 2°”, van het voorontwerp (niet: artikel 72, 2°).
Artikel 85
41.
In artikel 85, 3°, van het voorontwerp wordt verwezen naar “de norm goedgekeurd
door de Raad van het Instituut”. Indien hiermee wordt gedoeld op de normen met betrekking tot
de inhoud en het minimum aantal uren permanente vorming, zoals die met toepassing van
artikel 39, derde lid, van het voorontwerp, door de Raad van het Instituut worden
“uitgevaardigd”, zou die bedoeling duidelijker tot uitdrukking moeten worden gebracht in de
tekst van artikel 85, 3°, van het voorontwerp. Tevens zou dan beter moeten worden toegezien op
de terminologische eenvormigheid in die zin dat nu in artikel 85, 3°, melding wordt gemaakt van
een “goedkeuring” van normen door de Raad van het Instituut, terwijl de in artikel 39, derde lid,
bedoelde normen blijkens die bepaling worden “uitgevaardigd” door de betrokken Raad.
Artikel 87
42.
In artikel 87, eerste lid, van het voorontwerp, is er een gebrek aan
overeenstemming tussen de Nederlandse (“geen gevolg geeft”) en de Franse tekst (“n’a pas
donné suite de manière satisfaisante”). Ook deze discordantie moet worden weggewerkt.
Artikel 88
43.
In de Nederlandse tekst dient de vermelding van het nummer van het artikel te
worden gecorrigeerd. Nu wordt de betrokken bepaling immers verkeerdelijk als artikel 85
aangeduid, terwijl het om artikel 88 gaat. In de Franse tekst is de vermelding van het
artikelnummer wel correct.
11 Wet van 7 december 2016 ‘tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren’.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
34
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
16/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
Artikel 89
44.
Naar analogie van de Nederlandse tekst vervange men in de Franse tekst van
artikel 89, eerste lid, van het voorontwerp, het woord “discipline” door de woorden “discipline
professionnelle”.
Artikel 93
45.
In artikel 93, § 1, tweede lid, van het voorontwerp wordt bepaald dat de
tuchtcommissie de bekendmaking van de tuchtbeslissing of van een samenvatting ervan op de
website kan bevelen. De gemachtigde deelde in dat verband het volgende mee:
“Het is inderdaad de bedoeling dat de beslissingen van de tuchtinstanties openbaar
worden gemaakt op een website die publiek toegankelijk is. De openbaarmaking gebeurt
echter geanonimiseerd, zonder bekendmaking van de betrokken persoon die door de
tuchtinstantie werd gesanctioneerd. Zo kunnen andere leden van het Instituut volgen hoe
de tuchtorganen bepaalde voorschriften in concreto toepassen en interpreteren.”
Het gegeven dat de bekendmaking op de website op een geanonimiseerde wijze
zal gebeuren zou, met het oog op een voldoende privacybescherming, in de tekst van de
ontworpen bepaling moeten worden vermeld.
46.
In de Franse tekst van artikel 93, § 2, eerste lid, van het voorontwerp ontbreekt de
vermelding van het verbod om de titel te dragen in België, welke vermelding wel voorkomt in de
Nederlandse tekst. De Franse tekst lijkt op dit punt te moeten worden aangevuld.
Artikel 96
47.
Opdat de persoon die wordt uitgenodigd om voor de tuchtcommissie te verschijnen
zich ten volle zou kunnen verdedigen, wordt hem het best op voorhand ook mededeling gedaan
van de overwogen (tucht)maatregel en de juridische grondslag daarvan.12 Het verdient
aanbeveling om de opsomming van elementen die de aangetekende zending moet bevatten en die
wordt weergegeven in artikel 96, tweede lid, van het voorontwerp, daartoe op dat punt aan te
vullen.
Artikel 107
48.
In artikel 107, eerste lid, van het voorontwerp, wordt voorzien in een
beroepstermijn van “dertig dagen” te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing van de
tuchtcommissie wordt betekend. In artikel 88 van het voorontwerp wordt bepaald dat de
betrokkene tegen de beslissing van de Raad van het Instituut beroep kan instellen bij de
commissie van beroep “binnen één maand na de betekening van de terechtwijzing”. Het verdient
12 Zie in dat verband o.m. I. OPDEBEEK en S. DE SOMER, Algemeen bestuursrecht. Grondslagen en beginselen,
Intersentia, Antwerpen-Cambridge, 2017, nr. 816.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
35
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
17/35
aanbeveling om in een meer eenduidige omschrijving van de beroepstermijn te voorzien en om de
bepalingen van artikel 107 en artikel 88 op dit punt beter op elkaar af te stemmen in die zin dat
ofwel wordt geopteerd voor een beroepstermijn van dertig dagen dan wel van één maand.
Tevens valt op te merken dat uit artikel 104, tweede lid, van het voorontwerp,
voortvloeit dat een beroep bij de commissie van beroep kan worden ingesteld tegen zowel een
beslissing van de tuchtcommissie als tegen een beslissing van de Raad van het Instituut. Vraag is
derhalve of aan het einde van artikel 107, eerste lid, van het voorontwerp, de zinsnede “vanaf de
dag waarop de beslissing van de tuchtcommissie hen werd betekend” niet logischerwijze moet
worden vervangen door de zinsnede “vanaf de dag waarop de beslissing van de tuchtcommissie
of van de Raad van het Instituut hen werd betekend”.
Artikel 115
49.
In het voorontwerp lijkt geen regeling te zijn opgenomen voor de intrekking van
de hoedanigheid van accountant, bedoeld in artikel 21, noch voor de intrekking van de
hoedanigheid van fiscaal accountant, bedoeld in artikel 22. Hieromtrent om nadere toelichting
verzocht, deelde de gemachtigde het volgende mee:
“We kunnen ons akkoord verklaren met uw opmerking. Artikel 115 zou inderdaad
ook moeten verwijzen naar de intrekking van de hoedanigheid van (intern) accountant en
van (intern) fiscaal accountant. De Raad van het Instituut zal immers ook de hoedanigheid
moeten kunnen intrekken van de leden die deze hoedanigheden automatisch krijgen bij de
inwerkingtreding van de wet maar niet doorstromen naar het niveau van gecertificeerd
accountant of gecertificeerd belastingadviseur. Het aantal leden in dat geval zal
stelselmatig verminderen maar de mogelijkheid tot intrekking moet voorzien worden
(zoals er ook strafbepalingen voor die gevallen voorzien zijn in artikel 17).”
Artikel 115 van het voorontwerp dient te worden aangevuld in de door de
gemachtigde aangegeven zin.
Artikel 117
50.
In de Nederlandse tekst van artikel 117, eerste lid, 2°, van het voorontwerp,
ontbreekt een werkwoord dat overeenstemt met de woorden “contrevient aux” in de Franse tekst.
Voorts moet, ter wille van de leesbaarheid, in de Franse tekst van artikel 117, eerste lid, 3°,
worden geschreven “ou porte les titres” (niet: ou porte ces titres).
Artikel 118
51.
In artikel 118 van het voorontwerp wordt onder meer bepaald dat de
processen-verbaal waarin de betrokken inbreuken worden vastgesteld, “bewijskracht tot
tegenbewijs” hebben.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
36
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
18/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
Het Grondwettelijk Hof heeft erop gewezen dat een regel waarin een bijzondere
bewijswaarde wordt toegekend aan de inhoud van een proces-verbaal een uitzondering vormt op
de algemene regel dat een proces-verbaal geldt als een loutere inlichting en derhalve ook op de
regel van de vrije bewijslevering in strafzaken, waarbij de rechter, naar eigen overtuiging, de
bewijswaarde beoordeelt van een bepaald element. Voor het verschil in behandeling dat eruit
voortvloeit dient dan ook een redelijke verantwoording te bestaan en het mag de rechten van de
beklaagde niet op een onevenredige wijze beperken.13 Het Hof heeft er eveneens op gewezen dat
het zeer technische karakter van de regelgeving en de daarmee samenhangende moeilijkheid om
de inbreuken op die regelgeving vast te stellen, van aard kunnen zijn om het niet onredelijk te
maken dat aan processen-verbaal die door de aangestelde ambtenaren worden opgesteld, een
bijzondere wettelijke bewijswaarde wordt toegekend.14
Het staat aan de stellers van het voorontwerp om zich ervan te vergewissen dat de
ontworpen regeling als dermate technisch kan worden beschouwd dat kan worden gebillijkt dat
aan de betrokken processen-verbaal bewijswaarde wordt verleend tot het tegendeel is bewezen. In
bevestigend geval verdient het aanbeveling dat zij de verantwoording voor deze beoordeling
opnemen in de memorie van toelichting. Dit geldt ook al is de bepaling, zoals de memorie van
toelichting aangeeft, geïnspireerd op artikel 58 van de wet van 22 april 1999 ‘betreffende de
boekhoudkundige en fiscale beroepen’.
Artikel 122
52.
In artikel 122 van het voorontwerp wordt in de Nederlandse tekst meer specifiek
verwezen naar de toepassing van “dezelfde procedureregels”; in de Franse tekst wordt, op een
meer algemene wijze, gerefereerd aan “les mêmes règles”. De betrokken verwijzing dient
uiteraard dezelfde draagwijdte te hebben in de Nederlandse en de Franse tekst.
Artikel 128
53.
Ter wille van de leesbaarheid dient de redactie van artikel 128, § 3, eerste lid, van
het voorontwerp, te worden herzien.15 Daarenboven dient de procedure van benoeming van de
regeringscommissarissen duidelijker te worden geregeld. Nu wordt immers melding gemaakt van,
eensdeels, een “aanduiding” (désignation) door de betrokken ministers en, anderdeels, een
“benoeming” (nomination) door de Koning. Indien het de bedoeling is dat de
regeringscommissarissen zouden worden benoemd door de Koning op voordracht van de
betrokken ministers zou die bedoeling duidelijker tot uitdrukking moeten worden gebracht in de
tekst van de ontworpen bepaling.
13 Zie bijvoorbeeld GwH 6 april 2000, nr. 40/2000, B.14.1; GwH 14 februari 2001, nr. 16/2001, B.12.1;
GwH 19 december 2013, nr. 178/2013, B.8; GwH 17 maart 2016, nr. 45/2016, B.4.
14 GwH 14 oktober 2010, nr. 111/2010, B.12.3.
15 De zinsnede die in de Nederlandse tekst aanvangt met de woorden “en benoemd door de Koning” sluit niet aan op
het daaraan voorafgaande zinsdeel; hetzelfde kan worden opgemerkt met betrekking tot de zinsnede die in de Franse
tekst aanvangt met de woorden “et nommé par le Roi”.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
37
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
19/35
54.
In tegenstelling tot wat het geval is in de Nederlandse tekst van artikel 128, § 3,
derde lid, van het voorontwerp, wordt in de Franse tekst van die bepaling niet voorgeschreven dat
het om een “gezamenlijk” beroep van de regeringscommissarissen dient te gaan. Deze
discordantie moet worden weggewerkt.
Artikel 129
55.
Er dient melding te worden gemaakt van alle nog geldende wijzigingen die in het
verleden werden aangebracht in de twee op te heffen wetten van 22 april 1999.16 Ingeval het
aantal van dergelijke wijzigingen te omvangrijk is, kan worden gebillijkt dat enkel van de meest
recente van dergelijke wijzigingen melding wordt gemaakt (“…, laatst gewijzigd bij …,”).
Slotopmerking
56.
Het voorontwerp van wet bevat diverse bepalingen waarin interne verwijzingen
voorkomen die niet correct zijn en die moeten worden aangepast. Zo dient in artikel 2, 14°, b), te
worden verwezen naar “de normen en aanbevelingen als bedoeld in artikel 72” (niet: als bedoeld
in artikel 74); in artikel 59, eerste lid, 2°, gaat het om “de rechtskundig assessor bedoeld in
artikel 90” (niet: bedoeld in artikel 89); de overgangsraad wordt geregeld in artikel 128 van het
voorontwerp; het is derhalve naar onderdelen van deze laatste bepaling – en niet naar onderdelen
van artikel 129 dat een opheffingsbepaling bevat – dat telkens moet worden verwezen in
artikel 127 van het voorontwerp.
*
16 Handleiding wetgevingstechniek, aanbeveling 138, formules F 4-3-2 en F 4-3-3.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
38
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
20/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
1.
En application de l’article 84, § 3, alinéa 1er, des lois sur le Conseil d’État,
coordonnées le 12 janvier 1973, la section de législation a fait porter son examen essentiellement
sur la compétence de l’auteur de l’acte, le fondement juridique 1 et l’accomplissement des
formalités prescrites.
*
PORTÉE DE L’AVANT-PROJET DE LOI
2.
L’avant-projet de loi soumis pour avis poursuit essentiellement un double objectif.
D’une part, il entend régler la fusion de l’Institut des experts-comptables et des
conseils fiscaux, créé par l’article 2 de la loi du 22 avril 1999 ‘relative aux professions
comptables et fiscales’ et de l’Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés, créé par
l’article 43 de la loi précitée du 22 avril 1999. Le nouvel organisme résultant de la fusion,
dénommé l’« Institut des conseillers fiscaux et experts-comptables », reprend les droits et
obligations desdits instituts fusionnés. La fusion est dictée, entre autres, par le souci de
simplification procédurale et d’amélioration de la qualité des prestations à fournir.
D’autre part, l’avant-projet de loi contient des règles relatives à l’accès aux
activités d’expert-comptable et de conseiller fiscal, ainsi qu’à leur exercice. À cet égard, il
instaure et règle les nouveaux titres professionnels et qualités d’expert-comptable certifié
(interne), d’expert-comptable (interne), d’expert-comptable fiscaliste (interne) et de conseiller
fiscal certifié (interne). Les titres professionnels de « comptable agréé » et « comptable-fiscaliste
agréé », d’« expert-comptable », de « conseiller fiscal » et d’« expert-comptable–conseiller
fiscal », qui relèvent actuellement du champ d’application de la loi du 22 avril 1999 ‘relative aux
professions comptables et fiscales’ et de la loi du 22 avril 1999 ‘relative à la discipline
professionnelle des experts-comptables et des conseils fiscaux’, sont remplacés.
FORMALITÉS
3.
L’article 36, paragraphe 4, du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et
du Conseil du 27 avril 2016 ‘relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du
traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant
la directive 95/46/CE’ (règlement général sur la protection des données), combiné avec
l’article 57, paragraphe 1, c), et le considérant 96 de ce règlement, prévoit une obligation de
consulter l’autorité de contrôle, en l’occurrence l’Autorité de protection des données visée dans la
loi du 3 décembre 2017 ‘portant création de l’Autorité de protection des données’, dans le cadre
de l’élaboration d’une proposition de mesure législative devant être adoptée par un parlement
national, ou d’une mesure réglementaire fondée sur une telle mesure législative, qui se rapporte
au traitement.
1 S’agissant d’un avant-projet de loi, on entend par « fondement juridique » la conformité avec les normes
supérieures.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
39
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
21/35
L’avant-projet de loi contient des dispositions concernant le traitement des
données à caractère personnel. Songeons à ce propos notamment aux dispositions, inscrites dans
le chapitre 5 de l’avant-projet, relatives au registre public, ou à la mission confiée à l’Institut des
conseillers fiscaux et experts-comptables (ci-après : l’Institut) par l’article 62, 8°, de
l’avant-projet, visant à échanger des données avec les instances d’autres États membres en ce qui
concerne, notamment, les professionnels. Par conséquent, il y a lieu de consulter encore
l’Autorité de protection des données à propos de l’avant-projet de loi 2. Si, consécutivement à
cette consultation, le texte de l’avant-projet tel qu’il a été soumis pour avis au Conseil d’État
devait être adapté, le texte ainsi adapté devrait à nouveau être soumis pour avis à celui-ci,
conformément à la règle prescrite à l’article 3, § 1er, des lois coordonnées sur le Conseil d’État.
EXAMEN DU TEXTE
Article 2
4.
L’article 2, 1°, de l’avant-projet définit la notion d’« expert-comptable certifié »
comme étant la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 de
l’avant-projet en vue d’exercer, comme indépendant, à titre accessoire ou principal, pour le
compte de tiers, « les activités professionnelles, visées à l’article 3 ».
Il a été demandé au délégué si la portée de la référence aux « activités
professionnelles, visées à l’article 3 » est suffisamment délimitée et claire, compte tenu du fait
que l’énumération d’activités professionnelles dans cet article n’est manifestement pas
exhaustive 3. Il a répondu comme suit :
« Door een te limitatieve opsomming van beroepsactiviteiten zou de lezer van het
wetsontwerp ten onrechte kunnen besluiten dat de gecertificeerd accountant geen enkele
andere activiteit zou mogen uitoefenen, terwijl hij dat wel mag. Hij mag bijvoorbeeld ook
juridisch en financieel advies verstrekken of administratie voor zijn cliënt verrichten.
Een gecertificeerd accountant mag al de activiteiten die opgesomd zijn in artikel 3
uitoefenen. Deze activiteiten zijn beschermd.
Een interne gecertificeerd accountant mag niet alle activiteiten die opgesomd zijn
in artikel 3 uitoefenen. De activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8, mag hij niet
uitoefenen. De lijst is niet exhaustief.
Voor de lijst van verenigbare activiteiten
IAB, zie
https://www.iec-
iab.be/nl/diensten/deontologie/Pages/commerciele-activiteiten.aspx
Voor de lijst van verenigbare activiteiten (niet exhaustief) BIBF, zie
http://www.bibf.be/Index.asp?Idx=1848 ».
Dans sa réponse, le délégué fait référence, d’une part au souci d’éviter une
définition limitative d’activités professionnelles et, d’autre part, au fait qu’un expert-comptable
2 Selon le délégué, cette consultation n’a pas encore eu lieu.
3 La phrase introductive de l’article 3 de l’avant-projet indique qu’un expert-comptable certifié effectue
« principalement » les activités professionnelles énumérées dans cette disposition.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
40
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
22/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
certifié peut exercer toutes les activités énumérées à l’article 3 de l’avant-projet et que ces
activités sont protégées.
Le Conseil d’État, section de législation, estime que de deux choses l’une : soit on
vise les activités professionnelles qui sont contenues dans les activités énumérées à l’article 3 de
l’avant-projet, outre d’autres activités professionnelles qui ne figurent pas dans cette
énumération, soit on vise exclusivement les activités professionnelles qui sont explicitement
inscrites dans l’énumération d’activités à l’article 3 de l’avant-projet, bien que cette énumération
ne soit pas exhaustive. Dans ce dernier cas, il serait préférable, dans un souci de sécurité
juridique, de faire mention, à l’article 2, 1°, de l’avant-projet, des « activités professionnelles
visées à l’article 3, 1° à 11° ».
La définition de la notion de « conseiller fiscal certifié », à l’article 2, 2°, de
l’avant-projet, qui fait référence in fine aux « activités professionnelles visées à l’article 6 » 4,
appelle une observation similaire.
5.
L’article 2, 4°, de l’avant-projet définit la notion d’« expert-comptable (interne) »;
l’article 2, 6°, de l’avant-projet donne une définition d’« expert-comptable (certifié) interne ».
Ces définitions contiennent dès lors toutes les deux une définition de la notion
d’« expert-comptable interne ». La question se pose de savoir si cette méthode favorise la clarté
du texte en projet et si elle est nécessaire. Selon le délégué, il n’est pas nécessaire de maintenir les
deux définitions dans l’avant-projet.
Dès lors que les activités professionnelles qu’un expert-comptable certifié interne
peut exercer sont plus limitées que celles qu’un expert-comptable certifié peut exercer (voir
l’article 2, 1°, de l’avant-projet), il est recommandé réserver la définition donnée à l’article 2, 6°,
à l’« expert-comptable certifié interne ». Dans la définition figurant à l’article 2, 4°, de l’avant-
projet, le mot « (interne) » peut alors être supprimé 5. L’article 2, 4°, de l’avant-projet pourrait
dès lors s’énoncer comme suit :
« expert-comptable : le professionnel qui, avant l’entrée en vigueur de la présente
loi, était inscrit comme ‘comptable agréé’ à l’Institut professionnel des comptables et fiscalistes
agréés, créé par l’article 43 de la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et
fiscales; ».
Pour les mêmes motifs que ceux mentionnés sous ce point, il suffit d’adapter la
définition inscrite à l’article 2, 5°, de l’avant-projet comme suit :
4 Contrairement à l’article 2, 2° ou encore, par exemple, à l’article 2, 12°, le texte néerlandais de la phrase
introductive de l’article 6 de l’avant-projet mentionne des « beroepswerkzaamheden ». Il est recommandé de mieux
harmoniser le texte de l’avant-projet sur ce point, comme c’est d’ailleurs déjà le cas dans le texte français des
dispositions précitées de l’avant-projet.
5 La question se pose d’ailleurs de savoir si l’utilisation du mot « (interne) », à l’article 2, 4°, de l’avant-projet, n’est
pas incohérente dans la mesure où la définition en projet vise des professionnels qui exercent ces activités
professionnelles en tant qu’indépendant à titre accessoire ou principal, alors qu’il se déduit des articles 2, 6°, et 9,
alinéa 6, de l’avant-projet, que les experts-comptables internes exercent des activités dans le cadre d’un contrat de
travail ou d’une fonction rémunérée par les pouvoirs publics.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
41
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
23/35
« expert-comptable fiscaliste : le professionnel qui, avant l’entrée en vigueur de la
présente loi, était inscrit comme ‘comptable(-fiscaliste)’ à l’Institut professionnel précité; »
6.
On pourrait envisager de compléter la liste des définitions par une définition de la
notion de « personne morale reconnue ». La définition peut, le cas échéant, viser la disposition
énoncée à l’article 24 de l’avant-projet.
Article 3
7.
L’article 3, 7°, de l’avant-projet définit comme activité professionnelle possible
d’un expert-comptable certifié toute mission visée à l’article 3, 4° à 6°, de l’avant-projet, qui est
exercée « par un expert-comptable certifié autre que le professionnel habituel ». Le délégué a été
invité à apporter des éclaircissements quant à la portée du segment de phrase précité. À ce sujet,
il a répondu ce qui suit :
« Enkel de gecertificeerd accountant mag de attestering doen van opdrachten
bedoeld in artikel 3, 4° tot en met 6°. Deze gecertificeerde accountant moet een andere
beroepsbeoefenaar zijn dan diegene die de opdrachten bedoeld in artikel 3, 4° tot en
met 6° heeft uitgevoerd.
Een controleopdracht mag slechts uitgevoerd worden door een zelfstandig (extern)
beroepsbeoefenaar voor zover hij niet de gebruikelijke beroepsbeoefenaar is van de
betreffende cliënt (principe van onafhankelijkheid bij elke controleopdracht: controleur en
gecontroleerde kunnen niet dezelfde persoon zijn). Dus zelfs als de gebruikelijke
beroepsbeoefenaar een gecertificeerd accountant is , moet voor dergelijke opdrachten een
beroep gedaan worden op een andere zelfstandige beroepsbeoefenaar die gerechtigd is
controleopdrachten uit te voeren ».
Pour une bonne compréhension de l’article 3, 7°, de l’avant-projet, mieux vaudrait
intégrer cette précision dans le commentaire que l’exposé des motifs consacre à cette disposition.
Article 4
8.
L’article 4, alinéa 1er, de l’avant-projet dispose ce qui suit :
« Seules les personnes physiques inscrites au registre public de l’Institut en qualité
d’expert-comptable certifié portent le titre d’expert-comptable certifié, ainsi que, le cas
échéant, son équivalent en langue anglaise ».
Afin d’éviter la confusion à laquelle, selon l’article 4, alinéa 4, de l’avant-projet, il
faut obvier 6, le texte de la disposition en projet devrait indiquer plus clairement « l’équivalent en
langue anglaise » dont il s’agit précisément. À ce sujet, le délégué a communiqué que la notion
de « certified accountant » peut être utilisée comme équivalent en langue anglaise. Il est
recommandé de le mentionner expressément dans l’article 4, alinéa 1er, de l’avant-projet.
6 L’article 4, alinéa 4, de l’avant-projet, s’énonce comme suit : « Sans préjudice de l’article 9, personne ne peut
porter un autre titre susceptible de créer une confusion avec celui d’expert-comptable certifié ».
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
42
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
24/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
Pour un motif analogue, mieux vaudrait que l’article 7, alinéa 1er, de l’avant-projet
mentionne lui aussi expressément l’équivalent concret en langue anglaise qui est visé. À cet
égard, le délégué a indiqué que pour l’application de l’article 7, alinéa 1er, de l’avant-projet, la
notion de « certified tax advisor » peut être utilisée comme équivalent en langue anglaise.
9.
Par souci de clarté, on rédigera le début de l’article 4, alinéa 2, de l’avant-projet
comme suit : « Les personnes qui ont la qualité d’expert-comptable certifié mais… » (au lieu de :
« Les personnes qui ont la qualité mais… »).
10.
La bonne compréhension de la réglementation en projet gagnerait à ce qui le début
de l’article 4, alinéa 3, de l’avant-projet soit rédigé comme suit : « Les personnes morales
reconnues visées à l’article 24 peuvent… ». Si la suggestion, faite dans le présent avis, de
compléter l’article 2 de l’avant-projet par une définition de la notion de « personne morale
reconnue », est retenue (voir le point 6), le texte de l’article 4, alinéa 3, peut rester en l’état.
Article 5
11.
L’article 5, alinéa 4, de l’avant-projet devrait indiquer plus clairement que, lorsque
les activités sont exercées par une personne morale, les personnes physiques qui exercent ces
activités doivent avoir la qualité d’expert-comptable certifié ou de réviseur d’entreprises. En
effet, dans sa rédaction actuelle, la disposition pourrait s’interpréter en ce sens que les personnes
physiques concernées obtiennent cette qualité du fait que la personne morale est reconnue.
Article 6
12.
L’article 6 de l’avant-projet énumère les activités professionnelles qui sont
« principalement » (« hoofdzakelijk ») exercées par un conseiller fiscal certifié. Le commentaire
que l’exposé des motifs consacre à l’article 6 de l’avant-projet fait mention d’activités
« habituellement » (« gewoonlijk ») exercées par un conseiller fiscal certifié. Les termes
« principalement » (« hoofdzakelijk ») et « habituellement » (« gewoonlijk ») ont une connotation
différente sur le fond. Il convient d’harmoniser l’exposé des motifs et le texte de l’avant-projet
sur ce point.
Article 9
13.
L’article 9, alinéa 4, de l’avant-projet prévoit que l’expert-comptable et
l’expert-comptable fiscaliste peuvent exercer les activités visées à l’article 3, « à l’exception des
activités visées à l’article 3, 6° à 8° ». En d’autres termes, les personnes concernées peuvent
exercer les activités mentionnées à l’article 3, 1° à 5° et 9° à 11°, de l’avant-projet. Or, il pourrait
se déduire de l’exposé des motifs que l’expert-comptable et l’expert-comptable fiscaliste peuvent
uniquement exercer les activités visées à l’article 3, 1° à 5°, de l’avant-projet. Par conséquent, le
texte de l’avant-projet et celui de l’exposé des motifs doivent être harmonisés sur ce point
également.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
43
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
25/35
14.
Si par les mots « ces personnes », à l’article 9, alinéa 6, de l’avant-projet, l’on
entend « les personnes visées à l’alinéa 1er ou à l’alinéa 2 », mieux vaudrait, par souci de clarté de
la disposition en projet, le préciser en ce sens dans le texte de celle-ci 7.
Article 10
15.
L’article 10, §§ 2 et 3, de l’avant-projet doivent mentionner respectivement la
« condition visée au paragraphe 1er, 3° » et la « condition visée au paragraphe 1er, 4° ».
16.
L’article 10, § 4, de l’avant-projet charge le Roi d’établir, après avis du Conseil de
l’Institut, les conditions et la procédure pour une personne physique, ressortissante d’un pays tiers
établie en Belgique qui souhaite obtenir la qualité d’expert-comptable certifié ou de conseiller
fiscal certifié. Il a été demandé au délégué si l’objectif de la disposition en projet est d’exclure
qu’un ressortissant d’un pays tiers puisse obtenir la qualité d’expert-comptable certifié interne ou
de conseiller fiscal certifié interne. À cet égard, le délégué a fourni la réponse suivante :
« Onderdanen van een derde land kunnen wel degelijk de hoedanigheid krijgen.
Zij kunnen echter geen gebruik maken van de voordelen die de richtlijn 2005/36 inzake de
wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties, gewijzigd door de richtlijn 2013/55
(beide omgezet door de wet van 12 februari 2008) biedt. Daarom werd ervoor geopteerd
om de voorwaarden en procedure voor hen te regelen bij koninklijk besluit. De delegatie
aan de Koning om de voorwaarden en de procedure vast te leggen voor het toekennen van
de hoedanigheid aan onderdanen van een derde land houdt dus eveneens de hoedanigheid
van intern gecertificeerd accountant/belastingadviseur in ».
Afin d’éviter de créer des incertitudes quant au pouvoir précis que l’article 10, § 4,
de l’avant-projet confère au Roi, il est recommandé de mentionner expressément dans cette
disposition qu’elle s’applique également aux ressortissants d’un pays tiers établis en Belgique,
qui souhaitent obtenir la qualité d’expert-comptable certifié interne ou de conseiller fiscal certifié
interne.
17.
L’article 10, § 4, de l’avant-projet accorde également au Conseil de l’Institut un
délai de trois mois pour rendre l’avis visé dans ce paragraphe, « à défaut de quoi l’avis est réputé
favorable ».
Afin de désigner le point de départ de l’échéance de trois mois en question d’une
manière qui garantisse une meilleure sécurité juridique, il est suggéré aux auteurs de
l’avant-projet d’indiquer expressément dans le texte de la disposition en projet à partir de quel
moment le délai de trois mois commence à courir. En outre, la question se pose de savoir si le fait
de préciser la conséquence du défaut d’avis dans le délai de trois mois, à savoir que l’avis est
réputé favorable, est bien adéquat, compte tenu de la matière sur laquelle doit être rendu cet avis,
c’est-à-dire en l’espèce la fixation des conditions et de la procédure pour une personne physique,
ressortissante d’un pays tiers établie en Belgique qui souhaite obtenir la qualité d’expert-
comptable certifié ou de conseiller fiscal certifié. Il pourrait par exemple être prévu que, si l’avis
7 Comp. avec l’article 9, alinéa 4, de l’avant-projet.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
44
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
26/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
n’est pas rendu dans le délai prescrit, l’avis est réputé ne comporter aucune observation, ou qu’il
ne faut plus l’attendre.
Les mêmes observations peuvent être formulées concernant diverses autres
dispositions comparables de l’avant-projet qui prescrivent chaque fois un avis du Conseil de
l’Institut dans un délai de trois mois 8.
Article 11
18.
Par analogie avec le texte néerlandais, il semble qu’il faille remplacer le membre
de phrase « une personne physique, ressortissant d’un Etat membre, » par le membre de phrase
« une personne physique, ressortissant d’un autre Etat membre, » dans le texte français de
l’article 11, § 1er, de l’avant-projet.
19.
Par souci d’uniformité terminologique, on remplacera les mots « de lijst van de
leerstof » par les mots « de lijst van de vakgebieden » dans le texte néerlandais de l’article 11,
§ 2, alinéa 4, de l’avant-projet. C’est en effet la liste des « vakgebieden », qui est mentionnée en
tant que telle à l’article 11, § 2, alinéa 3, qui est visée. Le texte français indique uniformément
« la liste des matières ».
20.
Conformément au texte français, le début du texte néerlandais de l’article 11, § 4,
de l’avant-projet 9 sera rédigé comme suit : « Het verlenen van de hoedanigheid en de titel aan de
onderdanen van een lidstaat … ». Par ailleurs, il manque, dans le texte néerlandais du même
paragraphe, l’équivalent des mots « dans la langue de cet [É]tat » dans le texte français. Il y a lieu
d’y remédier.
Article 12
21.
Dans la phrase introductive de l’article 12 de l’avant-projet, il convient de faire
référence aux diplômes et titres visés à « l’article 10, § 1er, 5° » (et non : l’article 10, alinéa 1er,
5°). À l’article 27, 1° et 2°, d), de l’avant-projet, la référence aux subdivisions de l’article 10 de
l’avant-projet devra également être adaptée de manière analogue.
Article 14
22.
À l’article 14 de l’avant-projet, le texte néerlandais (« ten minste zeven jaar ») et le
texte français (« sept ans ») ne concordent pas. Cette discordance doit être éliminée.
8 Voir les articles 12, 7°, 16, alinéa 2, 17, § 2, alinéa 1er, 25, 32, alinéa 2, 34, alinéa 3, 36, § 2, alinéa 1er, 41, alinéa 2,
44, alinéa 4, 49, alinéa 2, 60, alinéa 2, 78, alinéa 3, et 114, de l’avant-projet.
9 Il y a lieu de corriger la numérotation des paragraphes de l’article 11 de l’avant-projet : en effet, il y a actuellement
deux paragraphes 3.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
45
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
27/35
Article 16
23.
Le délégué a été invité à apporter des éclaircissements sur l’articulation entre
l’alinéa 1er et l’alinéa 2 de l’article 16 de l’avant-projet. À ce propos, le délégué a fourni les
précisions suivantes :
« Niet alle stagemeesters laten de stagiair toe om naast de opgelegde
stagewerkzaamheden vermeld in de stageovereenkomst, ook nog eigen beroepsactiviteiten
uit te oefenen, om te vermijden dat de stagiair eventueel cliënten overneemt en daardoor
in concurrentie treedt met zijn stagemeester.
Andere stagemeesters laten het in beperkte mate wel toe. Om conflicten tussen
stagiair en stagemeester te vermijden, bepaalt het wetsontwerp dat de stageovereenkomst
een duidelijke afspraak hieromtrent moet vastleggen.
De stagiair mag in ieder geval de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°
van het ontwerp niet uitvoeren. Hij mag ook geen activiteiten ontplooien die de
commerciële belangen van de stagemeester kunnen schaden. De mogelijkheid voor de
stagemeester om de stagiair te verbieden bepaalde activiteiten uit te oefenen, moet blijven
bestaan, bijvoorbeeld wanneer de stagiair tijdens zijn stage negatief wordt geëvalueerd
voor bepaalde activiteiten.
Dergelijke mogelijkheid kan in een uitvoeringsbesluit worden geregeld ».
Compte tenu de cette précision, il est recommandé, dans un souci de clarté, de
rédiger le début de l’article 16, alinéa 2, de l’avant-projet comme suit : « Sans préjudice de
l’alinéa 1er, le Roi peut, après avis... » 10.
Article 20
24.
Dans le texte français de l’article 20, alinéa 4, de l’avant-projet, il semble que les
mots « devant le tribunal de première instance » doivent logiquement être remplacés par les mots
« devant le tribunal de l’entreprise ». Ce faisant, on utilise non seulement la terminologie
employée dans les autres alinéas de l’article 20 de l’avant-projet, mais on se conforme aussi au
texte néerlandais de l’article 20, alinéa 4, qui fait mention de « ondernemingsrechtbank ».
25.
On n’aperçoit pas clairement l’articulation entre l’alinéa 5 et l’alinéa 1er de
l’article 20 de l’avant-projet, étant donné que l’alinéa 1er semble également viser
l’expert-comptable certifié interne et le conseiller fiscal certifié interne. Si les auteurs du projet
entendent faire une distinction entre la prestation de serment par le professionnel interne et le
professionnel indépendant, la question se pose de savoir s’il y a lieu de prêter à nouveau serment
dans ce cas.
10 Principes de technique législative. Guide de rédaction des textes législatifs et réglementaires,
recommandation 3.2, Conseil d’État, 2008, à consulter sur le site Internet du Conseil d’État (www.raadvst-
consetat.be), dénommé ci-après « Guide de légistique ».
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
46
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
28/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
Article 21
26.
Il semble qu’il faille préférer les mots « boekhoudkundig onderzoek » (révision
comptable) au mot « accountantsonderzoek » dans le texte néerlandais de l’article 21, alinéa 2,
3°, de l’avant-projet. Dans le texte néerlandais de l’article 21, alinéa 2, 4°, il paraît préférable de
faire état de « opdrachten » (missions) au lieu de « mandaten ». Les mêmes observations
s’appliquent respectivement à l’article 22, alinéa 2, 3° et 4°, de l’avant-projet.
Article 22
27.
Dans le texte néerlandais de l’article 22, alinéa 2, 5°, de l’avant-projet, il faut
évidemment écrire « ... voorbehouden aan de gecertificeerde accountants ».
Article 26
28.
Dans la phrase introductive de l’article 26, alinéa 1er, mais aussi dans la
phrase introductive de l’article 27 de l’avant-projet, les mots « de onafhankelijkheid en de
betrouwbaarheid » dans le texte néerlandais correspondent aux mots « l’indépendance et la
compétence » dans le texte français. La question se pose cependant de savoir si le terme
« betrouwbaarheid » dans le texte néerlandais a la même connotation sur le fond que le terme
« compétence » dans le texte français et s’il ne faudrait pas mieux uniformiser la terminologie sur
ce point.
29.
L’article 26, alinéa 2, de l’avant-projet dispose qu’un recours contre la décision du
Conseil de l’Institut visée dans cette disposition peut être introduit devant la commission d’appel.
Cette disposition paraît toutefois superflue à la lumière de l’article 28 de l’avant-projet qui, selon
le délégué, doit s’interpréter en ce sens qu’une possibilité de recours est prévue devant la
commission d’appel contre toutes les décisions du Conseil de l’Institut, visées aux articles 26 et
27 de l’avant-projet. L’on pourrait dès lors omettre l’article 26, alinéa 2, de l’avant-projet. Dans
un souci de clarté, mieux vaut donc écrire à l’article 28 de l’avant-projet « Un recours contre les
décisions du Conseil de l’Institut visées dans la présente section... ». Dans sa rédaction actuelle,
l’article 28 fait en effet état d’un « recours contre la décision du Conseil de l’Institut », ce qui
pourrait donner l’impression que seules sont ainsi visées les décisions au sens de l’article 27 de
l’avant-projet.
Article 30
30.
Les notions de « données d’identification » et « contactgegevens », qui figurent
respectivement à la fin du texte français et du texte néerlandais de l’article 30, 1°, de
l’avant-projet, ne sont pas identiques sur le fond. Compte tenu de l’intention des auteurs de
l’avant-projet, il est préférable, semble-t-il, d’employer une autre notion dans le texte français qui
se rapprocherait davantage de la notion utilisée dans le texte néerlandais.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
47
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
29/35
Article 32
31.
L’article 32, alinéa 2, de l’avant-projet dispose notamment que le Roi peut, après
avis du Conseil de l’Institut, compléter le registre public de données supplémentaires « relevantes
pour l’exercice de la profession ». Les données supplémentaires à fixer par le Roi seront le cas
échéant des données à caractère personnel. À cet égard, il y a lieu de souligner que le droit au
respect de la vie privée n’est pas seulement garanti par l’article 22 de la Constitution et, entre
autres, par l’article 8 de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l’homme et des
libertés fondamentales et l’article 17 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques,
mais que le traitement de données à caractère personnel fait en outre l’objet de régimes
spécifiques, comme notamment celui qui est inscrit dans le règlement général sur la protection
des données déjà cité dans le présent avis. Il découle ainsi de l’article 5, § 1, b), de ce règlement
que les données à caractère personnel doivent être collectées pour des finalités déterminées,
explicites et légitimes et ne peuvent pas être traitées de manière incompatible avec ces finalités.
Si l’on applique cette règle à l’avant-projet de loi, et en tenant compte notamment
du principe de légalité qui découle de l’article 22 de la Constitution, c’est au législateur lui-même
qu’il revient de fixer les éléments essentiels relatifs au registre public visé à l’article 32 de
l’avant-projet. Au vu de ce constat, le législateur devra vérifier si le régime qu’il envisage
d’instaurer est pertinent et s’il n’est pas excessif ou disproportionné. L’un des critères de
vérification à cet égard est de savoir si la délégation conférée par le législateur au Roi en matière
de traitement des données n’est pas trop générale ou est insuffisamment circonscrite. Tel semble
être le cas à l’article 32, alinéa 2, de l’avant-projet, en ce qu’il laisse au Roi le soin de juger
quelles données supplémentaires doivent être considérées comme « relevantes pour l’exercice de
la profession » et quelles données sont donc susceptibles de figurer dans le registre public. Dès
lors, mieux vaudrait remplacer le critère de « relevantes pour l’exercice de la profession » par un
critère plus circonscrit et mieux défini qui contiendrait une délégation de compétences au Roi
mieux délimitée (en exigeant par exemple que les données en question ne soient pas tant «
relevantes » pour l’exercice de la profession, mais bien qu’elles aient un lien direct avec celui-ci).
Article 53
32.
Le texte néerlandais et le texte français de la dernière phrase de l’article 53,
alinéa 1er, de l’avant-projet diffèrent l’un de l’autre sur le fond. Si le texte néerlandais se base sur
une communication au Conseil de l’Institut de toutes les données requises, le texte français
mentionne toutefois que le Conseil de l’Institut requiert certaines données qui doivent ensuite être
communiquées. Par souci de clarté, il est recommandé de mieux harmoniser les deux textes.
Article 54
33.
Il peut se déduire du commentaire que l’exposé des motifs consacre à l’article 54
de l’avant-projet que la fusion ne doit pas aboutir à une augmentation des coûts et que les
montants maximaux fixés par arrêté royal ne pourront « en aucun cas dépasser les montants
actuels des cotisations des membres des Instituts qui fusionnent ». Cette intention ne ressort pas
du texte de l’article 54 de l’avant-projet. Ce dernier semble indiquer que la compétence du Roi et
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
48
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
30/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
de l’assemblée générale de fixer des montants (maximaux) n’est pas soumise à une limite
spécifique. Il est conseillé d’adapter, sur ce point, la disposition en projet à la lumière de
l’intention du législateur telle qu’elle se déduit de l’exposé des motifs.
Article 63
34.
Dans un souci de clarté du régime en projet, on écrira à la fin de l’article 63,
alinéa 6, de l’avant-projet, « ... qui élit les membres du premier Conseil suivant le conseil
transitoire, visé à l’article 128 ».
Article 65
35.
Par analogie avec la terminologie utilisée à l’article 77, alinéa 1er, 4°, de
l’avant-projet, on remplacera à l’article 65, 8°, les mots « de legs ou de cadeaux » et « legaten of
giften » respectivement par les mots « de legs ou de dons » et « legaten of schenkingen ».
Article 72
36.
Selon l’article 72, alinéa 1er, 2°, de l’avant-projet, le Conseil de l’Institut est
compétent pour « l’émission et la publication sur le site internet de l’Institut de normes
techniques et de recommandations spécifiques à l’exercice de la profession ».
Rien ne s’oppose en soi à la publication sur un site internet de normes techniques
et de recommandations à condition qu’il n’y ait pas d’incertitude quant à la version des normes et
recommandations en vigueur à un moment donné. Les auteurs de l’avant-projet doivent dès lors
prévoir un mode de publicité qui écarte toute ambiguïté en ce qui concerne les règles à respecter à
un moment déterminé. Par ailleurs, il faudra veiller à ce que cette publication réponde aux
conditions essentielles d’accessibilité et d’identification d’une publication officielle. À cet égard,
il est essentiel de pouvoir disposer d’une version française, néerlandaise et, si possible, allemande
des normes concernées.
37.
Par analogie avec le texte néerlandais, on écrira dans le texte français de
l’article 72, alinéa 1er, 12°, de l’avant-projet, « les autres compétences attribuées au Conseil par
ou en vertu de la loi ».
Article 75
38.
Il se déduit de l’article 75 de l’avant-projet que la commission revue qualité est
créée par le Conseil de l’Institut. Toutefois, l’article 60, alinéa 1er, de l’avant-projet énonce que
c’est le Roi qui crée la commission revue qualité. Selon les dires du délégué, l’intention est bel et
bien de confier au Roi le soin de créer tant la commission revue qualité que la commission de
stage. Compte tenu de cette précision, il y a lieu d’adapter la rédaction de l’article 75 de l’avant-
projet.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
49
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
31/35
Article 79
39.
Si par « Collège » mentionné à l’article 79, alinéa 3, de l’avant-projet, on entend le
Collège de supervision des réviseurs d’entreprises, institué par l’article 32 de la loi du 7 décembre
2016 11, il serait préférable, dans un souci de clarté, de l’expliciter dans l’article 79, alinéa 3,
précité.
Article 80
40.
À
l’article 80,
alinéa
2,
de
l’avant-projet,
il
convient
de
viser
« l’article 72, alinéa 1er, 2° » de l’avant-projet (et non : l’article 72, 2°).
Article 85
41.
L’article 85, 3°, de l’avant-projet fait référence à « la norme approuvée par le
Conseil de l’Institut ». Si l’on entend par là les normes concernant le contenu et le nombre
d’heures minimum de formation permanente, telles qu’elles sont « édictées » en application de
l’article 39, alinéa 3, de l’avant-projet, par le Conseil de l’Institut, cette intention devrait être
exprimée plus clairement dans le texte de l’article 85, 3°, de l’avant-projet. En outre, mieux
vaudrait, dans ce cas, veiller à l’uniformité terminologique, en ce sens que l’article 85, 3°
mentionne une « approbation » des normes par le Conseil de l’Institut, alors que les normes
visées à l’article 39, alinéa 3, sont, selon cette disposition, « édictées » par le Conseil concerné.
Article 87
42.
L’article 87, alinéa 1er, de l’avant-projet, présente une discordance entre les
textes français (« n’a pas donné suite de manière satisfaisante ») et néerlandais (« geen gevolg
geeft »). Cette discordance doit également être éliminée.
Article 88
43.
Dans le texte néerlandais, il y a lieu de corriger la mention du numéro de l’article.
En effet, la disposition concernée est pour l’heure erronément désignée comme étant l’article 85,
alors qu’il s’agit de l’article 88. La mention du numéro d’article est toutefois correcte dans le
texte français.
11 Loi du 7 décembre 2016 ‘portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs
d’entreprises’.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
50
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
32/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
Article 89
44.
Par analogie avec le texte néerlandais, on remplacera dans le texte français de
l’article 89,
alinéa
1er,
de
l’avant-projet
le
mot
« discipline »
par
les
mots
« discipline professionnelle ».
Article 93
45.
L’article 93, § 1er, alinéa 2, de l’avant-projet prévoit que la commission de
discipline peut ordonner la publication de la décision de discipline ou d’un résumé de celle-ci sur
le site internet. À cet égard, le délégué a déclaré ce qui suit :
« Het is inderdaad de bedoeling dat de beslissingen van de tuchtinstanties
openbaar worden gemaakt op een website die publiek toegankelijk is. De openbaarmaking
gebeurt echter geanonimiseerd, zonder bekendmaking van de betrokken persoon die door
de tuchtinstantie werd gesanctioneerd. Zo kunnen andere leden van het Instituut volgen
hoe de tuchtorganen bepaalde voorschriften in concreto toepassen en interpreteren ».
Le fait que la publication sur le site internet s’effectuera de manière
dépersonnalisée, vue d’une protection suffisante de la vie privée, devrait être mentionné dans le
texte de la disposition en projet.
46.
Dans le texte français de l’article 93, § 2, alinéa 1er, de l’avant-projet, la mention
de l’interdiction de porter le titre en Belgique fait défaut, alors que cette mention figure dans le
texte néerlandais. Le texte français paraît devoir être complété sur ce point.
Article 96
47.
Pour que la personne invitée à comparaître devant la commission de discipline
puisse pleinement se défendre, il serait également préférable de lui communiquer au préalable la
mesure (disciplinaire) envisagée ainsi que son fondement juridique 12. À cet effet, il est
recommandé de compléter sur ce point l’énumération des éléments que doit comporter l’envoi
recommandé et que reproduit l’article 96, alinéa 2, de l’avant-projet.
Article 107
48.
L’article 107, alinéa 1er, de l’avant-projet prévoit un délai d’appel de
« trente jours » à compter du jour où la décision de la commission de discipline est notifiée.
L’article 88 de l’avant-projet dispose que l’intéressé peut interjeter appel contre la décision du
Conseil de l’Institut devant la commission d’appel « dans un délai d’un mois qui suit la
notification du rappel à l’ordre ». Il est recommandé de définir de manière plus univoque le délai
12 Voir à ce sujet notamment I. OPDEBEEK et S. DE SOMER, Algemeen bestuursrecht. Grondslagen en beginselen,
Intersentia, Anvers-Cambridge, 2017, n° 816.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
51
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
33/35
d’appel et d’harmoniser davantage les dispositions des articles 107 et 88 sur ce point, en ce sens
que l’on optera soit pour un délai d’appel de trente jours soit d’un mois.
Il convient en outre de relever qu’il découle de l’article 104, alinéa 2, de
l’avant-projet que l’appel peut être interjeté devant la commission d’appel aussi bien contre une
décision de la commission de discipline que contre une décision du Conseil de l’Institut. La
question se pose dès lors de savoir si à la fin de l’article 107, alinéa 1er, de l’avant-projet, le
membre de phrase « à compter du jour où la décision de la commission de discipline leur a été
notifiée » ne doit logiquement pas être remplacé par le segment de phrase « à compter du jour où
la décision de la commission de discipline ou du Conseil de l’Institut leur a été notifiée ».
Article 115
49.
L’avant-projet ne semble pas régler le retrait de la qualité d’expert-comptable, visé
à l’article 21, ni celui de la qualité d’expert-comptable fiscaliste, visé à l’article 22. Invité à
donner des précisions à cet égard, le délégué a déclaré ce qui suit :
« We kunnen ons akkoord verklaren met uw opmerking. Artikel 115 zou inderdaad
ook moeten verwijzen naar de intrekking van de hoedanigheid van (intern) accountant en
van (intern) fiscaal accountant. De Raad van het Instituut zal immers ook de hoedanigheid
moeten kunnen intrekken van de leden die deze hoedanigheden automatisch krijgen bij de
inwerkingtreding van de wet maar niet doorstromen naar het niveau van gecertificeerd
accountant of gecertificeerd belastingadviseur. Het aantal leden in dat geval zal
stelselmatig verminderen maar de mogelijkheid tot intrekking moet voorzien worden
(zoals er ook strafbepalingen voor die gevallen voorzien zijn in artikel 17) ».
L’article 115 de l’avant-projet doit être complété dans le sens indiqué par le
délégué.
Article 117
50.
Dans le texte néerlandais de l’article 117, alinéa 1er, 2°, de l’avant-projet, il
manque un verbe qui correspond aux mots « contrevient aux » inscrits dans le texte français.
En outre, dans un souci de lisibilité, on écrira dans le texte français de l’article 117, alinéa 1er, 3°,
« ou porte les titres » (et non : ou porte ces titres).
Article 118
51.
L’article 118 de l’avant-projet dispose notamment que les procès-verbaux
constatant les infractions concernées, « font foi jusqu’à preuve du contraire ».
La Cour constitutionnelle a souligné qu’une règle, qui accorde une valeur probante
spéciale au contenu d’un procès-verbal, constitue une exception à la règle générale selon laquelle
un procès-verbal vaut comme simple renseignement et, par conséquent, également au régime de
la libre administration de la preuve en matière répressive, selon lequel le juge apprécie, en
fonction de sa propre conviction, la valeur probante d’un élément déterminé. La différence de
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
52
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
34/35
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
64.068/1
traitement qui en résulte doit dès lors être raisonnablement justifiée et ne peut restreindre les
droits du prévenu d’une manière disproportionnée 13. La Cour a également observé que le
caractère très technique de la réglementation et la difficulté corrélative de constater les infractions
à celle-ci peuvent faire en sorte qu’il n’est pas déraisonnable d’attribuer aux procès-verbaux
rédigés par les agents commissionnés une force probante particulière 14.
Il revient aux auteurs de l’avant-projet de s’assurer que les dispositions en projet
peuvent être considérées comme étant d’une technicité telle qu’il peut se justifier d’attribuer aux
procès-verbaux concernés force probante jusqu’à preuve du contraire. Le cas échéant, il est
recommandé qu’ils intègrent la justification de cette appréciation dans l’exposé des motifs. Il en
va ainsi même si, ainsi que l’indique l’exposé des motifs, la disposition s’inspire de l’article 58 de
la loi du 22 avril 1999 ‘relative aux professions comptables et fiscales’.
Article 122
52.
À l’article 122 de l’avant-projet, le texte néerlandais vise plus spécifiquement
l’application des « dezelfde procedureregels »; le texte français se réfère plus généralement aux
« mêmes règles ». Il va de soi que la référence concernée doit avoir la même portée dans les
textes néerlandais et français.
Article 128
53.
Par souci de lisibilité, la rédaction de l’article 128, § 3, alinéa 1er, de l’avant-projet,
doit être revue 15. De surcroît, la procédure de nomination des commissaires du gouvernement
doit être réglée avec davantage de clarté. En effet, il est actuellement fait mention, d’une part,
d’une « désignation » (aanduiding) par les ministres concernés et, d’autre part, d’une
« nomination » (benoeming) par le Roi. Si l’objectif poursuivi est que les commissaires du
gouvernement soient nommés par le Roi sur la proposition des ministres concernés, le texte de la
disposition en projet devrait traduire cette intention plus explicitement.
54.
Contrairement au texte néerlandais de l’article 128, § 3, alinéa 3, de l’avant-projet,
le texte français de cette disposition ne prescrit pas qu’il doit s’agir d’un recours introduit
« gezamenlijk » par les commissaires du gouvernement. Cette discordance doit être éliminée.
13 Voir par exemple C.C., 6 avril 2000, n° 40/2000, B.14.1 ; C.C., 14 février 2001, n° 16/2001, B.12.1 ;
C.C., 19 décembre 2013, n° 178/2013, B.8 ; C.C., 17 mars 2016, n° 45/2016, B.4.
14 C.C., 14 octobre 2010, n° 111/2010, B.12.3.
15 Le membre de phrase qui, dans le texte français, commence par les mots « et nommé par le Roi » ne s’accorde pas
avec le segment qui le précède ; la même observation peut être formulée à l’égard du membre de phrase qui, dans le
texte néerlandais, débute par les mots « en benoemd door de Koning ».
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
53
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
64.068/1
advies Raad van State/avis du Conseil d’État
35/35
Article 129
55.
Il convient de mentionner l’ensemble des modifications encore en vigueur qui ont,
dans le passé, été apportées aux deux lois à abroger du 22 avril 1999 16. Au cas où le nombre de
telles modifications serait trop important, il peut se justifier de ne mentionner, que la plus récente
de celles-ci (« …, modifié en dernier lieu par …, »).
Observation finale
56.
L’avant-projet de loi comporte diverses dispositions contenant des références
internes qui ne sont pas correctes et qui doivent être adaptées. Ainsi, l’article 2, 14°, b), doit viser
les « normes et recommandations visées à l’article 72 » (et non : visées à l’article 74); dans
l’article 59, alinéa 1er, 2°, il s’agit de « l’assesseur juridique visé à l’article 90 » (et non : visé à
l’article 89); le conseil de transition est réglé à l’article 128 de l’avant-projet; l’article 127 de
l’avant-projet visera dès lors chaque fois les subdivisions de cette dernière disposition – et non les
subdivisions de l’article 129 qui comporte une disposition abrogatoire.
DE GRIFFIER - LE GREFFIER
Wim GEURTS
DE VOORZITTER - LE PRÉSIDENT
Marnix VAN DAMME
16 Guide de légistique, recommandation n° 138, formules F 4-3-2 et F 4-3-3.
‡LW-BGKSNFBEE-GEAGIUQ‡
54
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
1 / 9
Regelgevingsimpactanalyse
RiA-AiR
:: Vul het formulier bij voorkeur online in ria-air.fed.be
:: Contacteer de helpdesk indien nodig ria-air@premier.fed.be
:: Raadpleeg de handleiding, de FAQ, enz. www.vereenvoudiging.be
Beschrijvende fiche
Auteur .a.
Bevoegd regeringslid
Kris Peeters, Minister van Economie en Denis Ducarme, Minister van
Middenstand
Contactpersoon beleidscel (Naam, E-mail, Tel. Nr.)
Karel Marchand
karel.marchans@peeters.fed.be
Tom Dalemans
tom.dalemans@economie.fgov.be
02/277.85.99
Overheidsdienst
FOD Economie, Middenstand en Energie
Algemene Directie Economische Reglementering
Algemene Directie K.M.O.-Beleid
Contactpersoon overheidsdienst (Naam, E-mail, Tel. Nr.)
Karen Hofmans
karen.hofmans@economie.fgov.be
02/277.88.50
Muriel Vossen
muriel.vossen@economie.fgov.be
02/277.85.39
Ontwerp .b.
Titel van het ontwerp van regelgeving
Voorontwerp van wet betreffende de beroepnen van accountant en
belastingadviseur
Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met
vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn,
samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde
doelen van uitvoering.
Dit wetsvoorstel beoogt regels voor de toegang tot en de uitoefening
van de activiteit van accountant en van belastingadviseur en de fusie
van het Institut van de Accountants (IAB) en van het Beroepsinstituut
van de Erkende Boekhouders en Belastingconsulenten (BIBF) te
regelen. Het nieuwe Instituut neemt de rechten en plichten van de
twee fusionerende Instituten over en zal het “Instituut van de
Belastingadviseurs en de Accountants” (IBA) heten. Dit voorontwerp
van wet kadert in maatregel 37 van het Federaal Plan voor de KMO’s
en de Zelfstandigen, namelijk de verbetering van het wettelijjk kader
van vrije beroepen.
Impactanalyses reeds uitgevoerd
܆ Ja
܈ Nee
Indien ja, gelieve een kopie bij te voegen of de referentie
van het document te vermelden: _ _
Raadpleging over het ontwerp van regelgeving .c.
Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen:
De sector (beide fusionerende Instituten) werd tijdens verschillende
werkvergaderingen geraadpleegd over het project. De laatste
BIJLAGE 2
55
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
2 / 9
vergadering vond plaats op 28 juni 2018.
Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren .d.
Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en
contactpersonen:
Cijfers verstrekt door de Instituten op basis van het aantal
ingeschreven personen bij de fusionerende Instituten.
Datum van beëindiging van de impactanalyse .e.
03.07.2018
56
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
3 / 9
Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s?
>
Een ontwerp van regelgeving zal meestal slechts impact hebben op enkele thema’s.
Een niet-exhaustieve lijst van trefwoorden is gegeven om de inschatting van elk thema te vergemakkelijken.
Indien er een positieve en/of negatieve impact is, leg deze uit (gebruik indien nodig trefwoorden) en
vermeld welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve effecten te verlichten/te
compenseren.
Voor de thema’s 3, 10, 11 en 21, worden meer gedetailleerde vragen gesteld.
Raadpleeg de handleiding of contacteer de helpdesk ria-air@premier.fed.be indien u vragen heeft.
Kansarmoedebestrijding .1.
Menswaardig minimuminkomen, toegang tot kwaliteitsvolle diensten, schuldenoverlast, risico op armoede of sociale uitsluiting (ook bij
minderjarigen), ongeletterdheid, digitale kloof.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Gelijke Kansen en sociale cohesie .2.
Non-discriminatie, gelijke behandeling, toegang tot goederen en diensten, toegang tot informatie, tot onderwijs en tot opleiding, loonkloof,
effectiviteit van burgerlijke, politieke en sociale rechten (in het bijzonder voor kwetsbare bevolkingsgroepen, kinderen, ouderen, personen met
een handicap en minderheden).
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Gelijkheid van vrouwen en mannen .3.
Toegang van vrouwen en mannen tot bestaansmiddelen: inkomen, werk, verantwoordelijkheden, gezondheid/zorg/welzijn, veiligheid,
opleiding/kennis/vorming, mobiliteit, tijd, vrije tijd, etc.
Uitoefening door vrouwen en mannen van hun fundamentele rechten: burgerlijke, sociale en politieke rechten.
1.
Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste
samenstelling van deze groep(en) van personen?
Indien geen enkele persoon betrokken is, leg uit waarom.
Het voorontwerp van wet maakt geen onderscheid tussen mannen en vrouwen en maakt gebruik van een neutrale
terminologie zoals bvb. “accountant” of “beroepsbeoefenaar”.
љ
Indien er personen betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2.
2.
Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop het
ontwerp van regelgeving betrekking heeft.
_ _
љ
Indien er verschillen zijn, beantwoord dan vragen 3 en 4.
3.
Beperken bepaalde van deze verschillen de toegang tot bestaansmiddelen of de uitoefening van fundamentele
rechten van vrouwen of mannen (problematische verschillen)? [J/N] > Leg uit
_ _
4.
Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de gelijkheid van vrouwen en mannen, rekening
houdend met de voorgaande antwoorden?
_ _
љ
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 5.
5.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
57
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
4 / 9
Gezondheid .4.
Toegang tot kwaliteitsvolle gezondheidszorg, efficiëntie van het zorgaanbod, levensverwachting in goede gezondheid, behandelingen van
chronische ziekten (bloedvatenziekten, kankers, diabetes en chronische ademhalingsziekten), gezondheidsdeterminanten (sociaaleconomisch
niveau, voeding, verontreiniging), levenskwaliteit.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Werkgelegenheid .5.
Toegang tot de arbeidsmarkt, kwaliteitsvolle banen, werkloosheid, zwartwerk, arbeids- en ontslagomstandigheden, loopbaan, arbeidstijd, welzijn
op het werk, arbeidsongevallen, beroepsziekten, evenwicht privé- en beroepsleven, gepaste verloning, mogelijkheid tot beroepsopleiding,
collectieve arbeidsverhoudingen.
܈ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܆ Geen impact
Het voorontwerp van wet voorziet in een unieke opleiding voor alle personen die hun stage beginnen bij
het nieuwe Instituut, gecreëerd door de wet. Een student die een diploma heeft behaald in een
boekhoudkundige, fiscale of algemeen economische richting, krijgt een unieke toegang tot het beroep. De
student hoeft niet langer te kiezen tudden het beroep van boekhouder (-fiscalist), van accountant of van
belastingconsulent. Door zijn diploma en stage zal hij dus toegang hebben tot een groter aantal
beroepsactiviteiten.
Consumptie- en productiepatronen .6.
Prijsstabiliteit of -voorzienbaarheid, inlichting en bescherming van de consumenten, doeltreffend gebruik van hulpbronnen, evaluatie en integratie
van (sociale- en milieu-) externaliteiten gedurende de hele levenscyclus van de producten en diensten, beheerpatronen van organisaties.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Economische ontwikkeling .7.
Oprichting van bedrijven, productie van goederen en diensten, arbeidsproductiviteit en productiviteit van hulpbronnen/grondstoffen,
competitiviteitsfactoren, toegang tot de markt en tot het beroep, markttransparantie, toegang tot overheidsopdrachten, internationale handels-
en financiële relaties, balans import/export, ondergrondse economie, bevoorradingszekerheid van zowel energiebronnen als minerale en
organische hulpbronnen.
܈ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܆ Geen impact
Het voorontwerp van wet voorziet een unieke opleiding voor alle personen die hun stage beginnen bij het
nieuwe Instituut, gecreëerd door de wet. Een student die een diploma heeft behaald in een
boekhoudkundige, fiscale of algemeen economische richting krijgt een unieke toegang tot het beroep. De
student hoeft niet langer te kiezen tussen het beroep van boekhouder (-fiscalist), van accountant of van
belastingconsulent. Door zijn diploma en stage zal de student dus toegang hebben tot een groter aantal
beroepsactiviteiten. Rechtspersonen kunnen de hoedanigheid van erkend rechtspersoon krijgen. Door de
fusie zal het gemakkelijker zijn om multidisciplinaire activiteiten te ontwikkelen tussen de verschillende
beroepen binnen het Instituut. Dit laat toe om deels te antwoorden op de opmerkingen die de Europese
Commissie regelmatig formuleert. Het voorontwerp van wet bepaalt inderdaad alleen dat de meerderheid
van de stemrechten in handen moeten zijn van en dat de meerderheid van de leden van het
bestuursorgaan beroepsbeoefenaars moeten zijn of personen met een gelijkwaardige erkende
hoedanigheid in een andere lidstaat, zonder onderscheid te maken tussen de beroepen die in het nieuwe
Instituut verenigd zijn. Dit zou een gunstig effect op de economische ontwikkeling moeten hebben.
Investeringen .8.
Investeringen in fysiek (machines, voertuigen, infrastructuren), technologisch, intellectueel (software, onderzoek en ontwikkeling) en menselijk
kapitaal, nettoinvesteringscijfer in procent van het bbp.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
58
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
5 / 9
Onderzoek en ontwikkeling .9.
Mogelijkheden betreffende onderzoek en ontwikkeling, innovatie door de invoering en de verspreiding van nieuwe productiemethodes, nieuwe
ondernemingspraktijken of nieuwe producten en diensten, onderzoeks- en ontwikkelingsuitgaven.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Kmo’s .10.
Impact op de ontwikkeling van de kmo’s.
1.
Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken?
Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (< 50 werknemers), waaronder het % micro-ondernemingen
(< 10 werknemers).
Indien geen enkele onderneming betrokken is, leg uit waarom.
De fusionerende Instituten tellen in totaal 22.275 leden.
Het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten telt:
- 6.207 leden natuurlijke persoon;
- 3.867 erkende rechtspersonen;
- 2.011 stagiaires.
Het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten telt:
- 4.967 leden natuurlijke persoon;
- 3.948 erkende rechtspersonen;
- 1.275 stagiaires.
Bij deze leden moeten de toekomstige studenten en de beroepsbeoefenaars uit andere lidstaten worden geteld, die het
beroep in Belgie occasioneel en tijdelijk willen uitoefenen. De overgrote meerderheid van deze personen zijn kmo’s.
љ
Indien er kmo’s betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2.
2.
Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s.
N.B. De impact op de administratieve lasten moet bij thema 11 gedetailleerd worden.
Positieve impact: naast de voordelen die hierboven al werden beschreven op het vlak van toegang tot het beroep, zal
de fusie van de Instituten toelaten het werk te vereenvoudigen, de procedures en de interne organisatie van het
nieuwe Instituut te herdenken en zo schaalvoordelen te realiseren. De verschillende beroepen onder een vlag
verzamelen zal zo een betere dienstverlening toelaten voor de bedrijven die beroep doen op deze beroepsbeoefenaars.
Een negatief gevolg is dat de stage nu langer duurt dan de stage voor de leden van het BIBF. Bovendien voorziet het
voorontwerp van wet ook dat alle beroepsbeoefenaars onderworpen zullen worden aan een kwaliteitstoetsing.
љ
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vragen 3 tot 5.
3.
Is deze impact verhoudingsgewijs zwaarder voor de kmo’s dan voor de grote ondernemingen? [J/N] > Leg uit
N
4.
Staat deze impact in verhouding tot het beoogde doel? [J/N] > Leg uit
Zie de impact van de administratieve lasten in verband met de kwaliteitstoetsing en de stage. De
kwaliteitstoetsing heeft tot doel het niveau van de kennis en competenties van de beroepsbeoefenaars te
waarborgen in het voordeel van de bedrijven en het algemeen belang. Door hun advies en expertise nemen de
cijferberoepers deel aan een betere werking van de bedrijven. Het is daarom essentieel om de bekwaamheid en
de kennis van deze beroepsbeoefenaars te verzekeren. De driejaarige stage voor iedereen beoogt de
verschillende beroepen te harmoniseren en heeft tot doel een betere praktische opleiding te verzekeren voor alle
personen ingeschreven bij het Instituut met een hoedanigheid en die beroepsactiviteiten uitoefenen. Bovendien
hebben de studenten dankzij deze harmonisatie toegang tot meer beroepsactiviteiten.
5.
Welke maatregelen worden genomen om deze negatieve impact te verlichten / te compenseren?
/
Administratieve lasten .11.
59
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
6 / 9
Verlaging van de formaliteiten en administratieve verplichtingen die direct of indirect verbonden zijn met de uitvoering, de naleving en/of de
instandhouding van een recht, een verbod of een verplichting.
љ
Indien burgers (zie thema 3) en/of ondernemingen (zie thema 10) betrokken zijn, beantwoord dan volgende vragen.
1.
Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving.
Indien er geen enkele formaliteiten of verplichtingen zijn, leg uit waarom.
a.
huidige regelgeving*.
A. Elke natuurlijke persoon die bepaalde
boekhoudkundige activiteiten wil uitoefenen en/of de
titel met betrekking tot de fiscale activiteiten bedoeld
in de wet wil dragen, moet voldoen aan de
voorwaarden inzake beroepskwalificaties vastgelegd in
de wet (diploma of titel, stage, eedaflegging). Hij moet
ook een permanente vorming volgen tijdens de
uitoefening van zijn beroep.
B. Een rechtspersoon die erkend wil worden, moet ook
aan een aantal voorwaarden voldoen. Deze
voorwaarden verschilden lichtjes tussen het IAB en het
BIBF. Onder die voorwaarden bevindt zich het feit dat
1. de activiteiten en het maatschappelijk doel beperkt
zijn tot het leveren van diensten met betrekking tot
het geviseerde beroep;
2. de meerderheid van de stemrechten en van de
leden van het bestuursorgaan moeten
beroepsbeoefenaars zijn (accountant of
belastingconsulent voor de IAB-vennootschappen en
boekhouders (-fiscalisten) of met een gelijkwaardige
hoedanigheid voor de BIBF-vennootschappen).
3. de deelnemingen in andere vennootschappen zijn
beperkt.
C. Alle personen ingeschreven bij een van beide
Instituten moeten tijdens de uitoefening van hun
activiteiten een beroepsdeontologie respecteren en
(voor de personen die als zelfstandige uitoefenen) een
verzekering burgerlijke aansprakelijkheid hebben.
D. Op te merken valt dat niet alle verplichtingen van
toepassing zijn op de beroepsbeoefenaars die
wettelijk gevestigd zijn in een andere lidstaat en die
het beroep tijdelijk en occasioneel uitoefenen in
België. Deze beroepsbeoefenaars moeten enkel een
voorafgaande verklaring afleggen volgens de nadere
regels beschreven in de wet en worden pro forma
ingeschreven in het Instituut. Op dat vlak herneemt de
huidige wet letterlijk de voorwaarden die aan die
beroepsbeoefenaars opgelegd kunnen worden
krachtens de richtlijn 2005/36/EC met betrekking tot
de beroepskwalificaties.
b.
ontwerp van regelgeving
A. De verplichtingen voor de natuurlijke personen (een
diploma of titel hebben, een stage volgen en de eed
afleggen) op het vlak van de toegang tot het beroep
blijven onveranderd. De stage werd echter
opgetrokken tot drie jaar voor alle personen die
ingeschreven willen worden bij het Instituut met een
bepaalde hoedanigheid. De stage voor de leden van
het BIBF bedroeg voordien een jaar terwijl het om drie
jaar ging voor de leden van het IAB.
B. Voor de rechtspersonen worden de voorwaarden
versoepeld aangezien de nieuwe wet voortaan enkel
zal eisen dat de meerderheid van de stemrechten bij
de algemene vergadering in handen zijn van en dat de
meerderheid van de leden van het bestuursorgaan
beroepsbeoefenaars zijn zonder onderscheid. Het
verbod om deelnemingen te hebben, is beperkt tot
deelnemingen in ondernemingen die niet verenigbare
activiteiten uitoefenen.
C. De voorwaarden met betrekking tot de uitoefening
van het beroep blijven onveranderd onder voorbehoud
van het feit dat de gecertificeerde accountants en
gecertificeerde belastingadviseurs en de erkende
rechtspersonen met die beroepsbeoefenaars in hun
midden, onderworpen zullen zijn aan een
kwaliteitstoetsing. Er was al voorzien om dergelijke
kwaliteitstoetsing op te leggen aan de
beroepsbeoefenaars van het IAB. Het is nu de
bedoeling om dergelijke kwaliteitstoetsing te voorzien
voor alle beroepsbeoefenaars binnen het Instituut en
dus ook voor de huidige leden van het BIBF. Dat zal
geleidelijk aan gebeuren om de beroepsbeoefenaars
toe te laten hun werkwijze dienovereenkomstig aan te
passen en om het nieuwe Instituut toe te laten die
kwaliteitstoetsing uit te breiden tot alle
beroepsbeoefenaars.
D. Het systeem dat van toepassing is op
beroepsbeoefenaars uit andere lidstaten die wettelijk
gevestigd zijn in een andere lidstaat, blijft ongewijzigd.
љ
Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de
huidige* regelgeving, beantwoord dan vragen 2a tot
4a.
љ
Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het
ontwerp van regelgeving**, beantwoord dan vragen 2b
tot 4b.
2.
Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen?
a.
A. Voor de natuurlijke personen voor wat betreft
de toegang tot het beroep: een kopie van de titel
of het diploma, een bewijs dat ze voldoen aan de
andere voorwaarden inzake de toegang, een
bewijs van slagen voor de stage en de
eedaflegging.
Voor de rechtsperonen, het bewijs dat ze
voldoen aan de voorwaarden voorzien in de wet.
Voor de personen uit een andere lidstaat
gevestigd in een andere lidstaat, de
voorafgaande verklaring vergezeld van de
vereiste documenten.
B. Tijdens de uitoefening van het beroep voor
b.
Geen wijziging
60
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
7 / 9
elke ingeschreven natuurlijke persoon, het
bewijs dat hij een permanente vorming heeft
gevolgd.
Voor de personen die als zelfstandige werken,
het bewijs van verzekering.
3.
Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld?
a.
A. Voor de toegang tot het beroep, informatie
bezorgd door de betrokken persoon bij de
aanvraag tot inschrijving.
B. Voor de voorafgaande verklaring en de
bijhorende documenten, voor de permanente
vorming en het attest van verzekering,
informatie bezorgd door de betrokken persoon
die de inlichtingen bezorgt aan het bevoegde
Instituut.
b.
Ongewijzigd: de informatie wordt voortaan bezorgd
aan het nieuwe Instituut.
4.
Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep?
a.
A. Voor de toegang tot het beroep, een keer
naar aanleiding van de aanvraag
B. Voor de voorafgaande verklaring, eenmaal per
jaar te hernieuwen en voor de bijgevoegde
documenten, bij wijziging van de situatie
B. Voor de uitoefening voor de betrokken
personen, bewijs van de permanente vorming en
attest van verzekering: elk jaar
b.
Ongewijzigd
5.
Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
Energie .12.
Energiemix (koolstofarm, hernieuwbaar, fossiel), gebruik van biomassa (hout, biobrandstoffen), energie-efficiëntie, energieverbruik van de
industrie, de dienstensector, de transportsector en de huishoudens, bevoorradingszekerheid, toegang tot energiediensten en -goederen.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Mobiliteit .13.
Transportvolume (aantal afgelegde kilometers en aantal voertuigen), aanbod van gemeenschappelijk personenvervoer, aanbod van wegen, sporen
en zee- en binnenvaart voor goederenvervoer, verdeling van de vervoerswijzen (modal shift), veiligheid, verkeersdichtheid.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Voeding .14.
Toegang tot veilige voeding (kwaliteitscontrole), gezonde en voedzame voeding, verspilling, eerlijke handel.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Klimaatverandering .15.
61
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
8 / 9
Uitstoot van broeikasgassen, aanpassingsvermogen aan de gevolgen van de klimaatverandering, veerkracht, energie overgang, hernieuwbare
energiebronnen, rationeel energiegebruik, energie-efficiëntie, energieprestaties van gebouwen, winnen van koolstof.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Natuurlijke hulpbronnen .16.
Efficiënt beheer van de hulpbronnen, recyclage, hergebruik, waterkwaliteit en -consumptie (oppervlakte- en grondwater, zeeën en oceanen),
bodemkwaliteit en -gebruik (verontreiniging, organisch stofgehalte, erosie, drooglegging, overstromingen, verdichting, fragmentatie), ontbossing.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Buiten- en binnenlucht .17.
Luchtkwaliteit (met inbegrip van de binnenlucht), uitstoot van verontreinigende stoffen (chemische of biologische agentia: methaan,
koolwaterstoffen, oplosmiddelen, SOX, NOX, NH3), fijn stof.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Biodiversiteit .18.
Graad van biodiversiteit, stand van de ecosystemen (herstelling, behoud, valorisatie, beschermde zones), verandering en fragmentatie van de
habitatten, biotechnologieën, uitvindingsoctrooien in het domein van de biologie, gebruik van genetische hulpbronnen, diensten die de
ecosystemen leveren (water- en luchtzuivering, enz.), gedomesticeerde of gecultiveerde soorten, invasieve uitheemse soorten, bedreigde soorten.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Hinder .19.
Geluids-, geur- of visuele hinder, trillingen, ioniserende, niet-ioniserende en elektromagnetische stralingen, lichtoverlast.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Overheid .20.
Democratische werking van de organen voor overleg en beraadslaging, dienstverlening aan gebruikers, klachten, beroep, protestbewegingen, wijze
van uitvoering, overheidsinvesteringen.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܆ Geen impact
_ _
Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling .21.
Inachtneming van de onbedoelde neveneffecten van de Belgische beleidsmaatregelen op de belangen van de ontwikkelingslanden.
62
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
9 / 9
1.
Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak
van:
ӑ voedselveiligheid
ӑ gezondheid en toegang tot
geneesmiddelen
ӑ waardig werk
ӑ lokale en internationale handel
ӑ inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie)
ӑ mobiliteit van personen
ӑ leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling)
ӑ vrede en veiligheid
Indien er geen enkelen ontwikkelingsland betrokken is, leg uit waarom.
_ _
љ
Indien er een positieve en/of negatieve impact is, beantwoord dan vraag 2.
2.
Verduidelijk de impact per regionale groepen of economische categorieën (eventueel landen oplijsten). Zie bijlage
_ _
љ
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 3.
3.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
63
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
1 / 9
Analyse d'impact de la réglementation
RiA-AiR
:: Remplissez de préférence le formulaire en ligne ria-air.fed.be
:: Contactez le Helpdesk si nécessaire ria-air@premier.fed.be
:: Consultez le manuel, les FAQ, etc. www.simplification.be
Fiche signalétique
Auteur .a.
Membre du Gouvernement compétent
Monsieur Kris Peeters, Ministre de l’Economie et Monsieur Denis Ducarme,
Ministre des Classes moyennes
Contact cellule stratégique (nom, email, tél.)
Monsieur KareL Marchand,
karel.marchand@peeters.fed.be
Monsieur Tom Dalemans
tom.dalemans@economie.fgov.be
02/277.85.99
Administration compétente
SPF Economie P.M.E., Classes Moyennes et Energie
Direction générale de la Réglementation économique
Direction générale de la Politique des PME
Contact administration (nom, email, tél.)
Madame Karen Hofmans,
karen.hofmans@economie.fgov.be
02/277.88.50
Madame Muriel Vossen
muriel.vossen@economie.fgov.be
02/277.85.39
Projet .b.
Titre du projet de réglementation
Avant-projet de loi relatif aux professions d’expert-comptable et de
conseiller fiscal
Description succincte du projet de
réglementation en mentionnant l'origine
réglementaire (traités, directive, accord de
coopération, actualité, …), les objectifs
poursuivis et la mise en œuvre.
Le présent avant-projet de loi vise à prévoir les règles d’accès et
d’exercice des professions d’expert-comptable et de conseiller fiscal et
met en œuvre la fusion de l’Institut des experts-comptables et des
conseils fiscaux (IEC) et de l’Institut professionnel des comptables et
fiscalistes agréés (IPCF). Le nouvel Institut reprend les droits et
obligations des deux Instituts qui fusionnent et sera dénommé l’ «
Institut des Conseillers fiscaux et des Experts-comptables » (ICE). Cet
avant-projet cadre dans la mesure 37 du Plan fédéral pour les PME et
indépendants, visant notamment à l’amélioration du cadre légal
d’exercice des professions libérales.
Analyses d'impact déjà réalisées
܆ Oui
܈ Non
Si oui, veuillez joindre une copie ou indiquer la référence du
document : _ _
Consultations sur le projet de réglementation .c.
Consultations obligatoires, facultatives ou
Le secteur (les deux Instituts qui fusionnent) a été consulté sur le projet via
ANNEXE 2
64
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
2 / 9
informelles :
diverses réunions de travail, la dernière étant celle du 28 juin 2018.
Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact .d.
Statistiques, documents de référence,
organisations et personnes de référence :
chiffres communiqués par les Instituts sur base de nombres de personnes inscrites
aux Instituts qui fusionnent.
Date de finalisation de l’analyse d’impact .e.
03.07.2018
65
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
3 / 9
Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ?
>
Un projet de réglementation aura généralement des impacts sur un nombre limité de thèmes.
Une liste non-exhaustive de mots-clés est présentée pour faciliter l’appréciation de chaque thème.
S’il y a des impacts positifs et / ou négatifs, expliquez-les (sur base des mots-clés si nécessaire) et
indiquez les mesures prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs.
Pour les thèmes 3, 10, 11 et 21, des questions plus approfondies sont posées.
Consultez le manuel ou contactez le helpdesk ria-air@premier.fed.be pour toute question.
Lutte contre la pauvreté .1.
Revenu minimum conforme à la dignité humaine, accès à des services de qualité, surendettement, risque de pauvreté ou d’exclusion sociale (y
compris chez les mineurs), illettrisme, fracture numérique.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Égalité des chances et cohésion sociale .2.
Non-discrimination, égalité de traitement, accès aux biens et services, accès à l’information, à l’éducation et à la formation, écart de revenu,
effectivité des droits civils, politiques et sociaux (en particulier pour les populations fragilisées, les enfants, les personnes âgées, les personnes
handicapées et les minorités).
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Égalité entre les femmes et les hommes .3.
Accès des femmes et des hommes aux ressources : revenus, travail, responsabilités, santé/soins/bien-être, sécurité, éducation/savoir/formation,
mobilité, temps, loisirs, etc.
Exercice des droits fondamentaux par les femmes et les hommes : droits civils, sociaux et politiques.
1.
Quelles personnes sont directement et indirectement concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de ce(s)
groupe(s) de personnes ?
Si aucune personne n’est concernée, expliquez pourquoi.
L’avant-projet de loi n’établit aucune distinction entre les hommes et les femmes et utilise une terminologie neutre telle
que « expert-comptable » par exemple ou « le professionnel ».
љ
Si des personnes sont concernées, répondez à la question 2.
2.
Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière relative
au projet de réglementation.
_ _
љ
S’il existe des différences, répondez aux questions 3 et 4.
3.
Certaines de ces différences limitent-elles l’accès aux ressources ou l’exercice des droits fondamentaux des
femmes ou des hommes (différences problématiques) ? [O/N] > expliquez
_ _
4.
Compte tenu des réponses aux questions précédentes, identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur
l’égalité des femmes et les hommes ?
_ _
љ
S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 5.
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
66
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
4 / 9
Santé .4.
Accès aux soins de santé de qualité, efficacité de l’offre de soins, espérance de vie en bonne santé, traitements des maladies chroniques
(maladies cardiovasculaires, cancers, diabètes et maladies respiratoires chroniques), déterminants de la santé (niveau socio-économique,
alimentation, pollution), qualité de la vie.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Emploi .5.
Accès au marché de l’emploi, emplois de qualité, chômage, travail au noir, conditions de travail et de licenciement, carrière, temps de travail,
bien-être au travail, accidents de travail, maladies professionnelles, équilibre vie privée - vie professionnelle, rémunération convenable,
possibilités de formation professionnelle, relations collectives de travail.
܈ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܆ Pas d’impact
L’avant-projet de loi prévoit une formation unique pour toutes les personnes qui commencent leur stage
au nouvel Institut créé par la loi. Pour un étudiant qui a obtenu un diplôme dans une orientation
comptable, fiscale ou économique générale, un accès unique à la profession est offert. L’étudiant ne devra
plus choisir entre la profession de comptable (-fiscaliste), d’expert-comptable ou de conseil fiscal. Via son
diplôme et stage, il aura donc accès à un nombre plus élevé d’activités professionnelles.
Modes de consommation et production .6.
Stabilité/prévisibilité des prix, information et protection du consommateur, utilisation efficace des ressources, évaluation et intégration des
externalités (environnementales et sociales) tout au long du cycle de vie des produits et services, modes de gestion des organisations.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Développement économique .7.
Création d’entreprises, production de biens et de services, productivité du travail et des ressources/matières premières, facteurs de compétitivité,
accès au marché et à la profession, transparence du marché, accès aux marchés publics, relations commerciales et financières internationales,
balance des importations/exportations, économie souterraine, sécurité d’approvisionnement des ressources énergétiques, minérales et
organiques.
܈ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܆ Pas d’impact
L’avant-projet de loi prévoit une formation unique pour toutes les personnes qui commencent leur stage
au nouvel Institut créé par la loi. Pour un étudiant qui a obtenu un diplôme dans une orientation
comptable, fiscale ou économique générale, un accès unique à la profession est offert. L’étudiant ne devra
plus choisir entre la profession de comptable (-fiscaliste), d’expert-comptable ou de conseil fiscal. Via son
diplôme et stage, il aura donc accès à un nombre plus élevé d’activités professionnelles. Les personnes
morales pourront quant à elles obtenir la qualité de personne reconnue. Suite à la fusion, il sera désormais
plus facile de développer des activités pluridisciplinaires entre les différentes professions réunies au sein
de l’Institut. Ceci permet donc de répondre en partie aux remarques émises régulièrement par la
Commission européenne. L’avant-projet de loi prévoit en effet uniquement que la majorité des droits de
vote doivent être détenus par et que la majorité des membres de l’organe de gestion doivent être des
professionnels ou des personnes ayant une qualité équivalente reconnue dans un autre Etat membre, sans
établir de distinction entre les professions réunies au sein du nouvel Institut. Ceci devrait avoir un impact
favorable sur le développement économique.
Investissements .8.
Investissements en capital physique (machines, véhicules, infrastructures), technologique, intellectuel (logiciel, recherche et développement) et
humain, niveau d’investissement net en pourcentage du PIB.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
67
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
5 / 9
Recherche et développement .9.
Opportunités de recherche et développement, innovation par l’introduction et la diffusion de nouveaux modes de production, de nouvelles
pratiques d’entreprises ou de nouveaux produits et services, dépenses de recherche et de développement.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
PME .10.
Impact sur le développement des PME.
1.
Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées par le projet ?
Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (< 50 travailleurs) dont le % de micro-entreprise (< 10
travailleurs).
Si aucune entreprise n’est concernée, expliquez pourquoi.
Au total, le nombre de membres actuels des Instituts qui fusionnent est de 22.275 membres.
L’Institut des Experts-comptables et des conseils fiscaux compte :
- 6.207 membres personnes physiques ;
- 3.867 personnes morales reconnues ;
- 2.011 stagiaires.
L’Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés compte :
- 4.967 membres ;
- 3.948 personnes morales reconnues ;
- 1.275 stagiaires.
A ces membres, il convient d’ajouter les futurs étudiants ou professionnels d’autres Etats membres qui désirent exercer la
profession en Belgique à titre occasionnel et temporaire. La grande majorité de ces personnes sont des PME.
љ
Si des PME sont concernées, répondez à la question 2.
2.
Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME.
N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11
Impact postitif : outre les avantages déjà décrits ci-dessus en terme d’accès à la profession, la fusion des Instituts
permettra de simplifier le travail et de repenser les procédures et l’organisation interne du nouvel Institut et de réaliser
ainsi des économies d’échelle. Rassembler les différentes professions sous une même bannière, permettra aussi d’offrir
un meilleur service aux entreprises qui font appel à ces professionnels. Pour ce qui concerne l’impact négatif, le stage
est désormais plus long que le stage des membres de l’IPCF. En outre, l’avant-projet de loi prévoit également que tous
les professionnels seront soumis à une revue qualité.
љ
S’il y a un impact négatif, répondez aux questions 3 à 5.
3.
Ces impacts sont-ils proportionnellement plus lourds sur les PME que sur les grandes entreprises ? [O/N] >
expliquez
N
4.
Ces impacts sont-ils proportionnels à l'objectif poursuivi ? [O/N] > expliquez
Voir impact charges administratives liées à la revue qualité et au stage. La revue qualité a pour objectif de
maintenir à niveau les connaissances et compétences des professionnels au profit des entreprises et de l’intérêt
général. De par leurs conseils et expertises, les professionnels du chiffre participent à un meilleur fonctionnement
des entreprises. Il est donc essentiel de s’assurer de la compétence et des connaissances de ces professionnels.
Le fait d’avoir un stage de trois ans pour tous vise à une harmonisation entre les différentes professions et a pour
objectif d’assurer une meilleure formation pratique de toutes les personnes inscrites à l’Institut avec une qualité
et qui exercent les activités professionnelles. En outre, grâce à cette harmonisation, les étudiants auront accès à
plus d’activités professionnelles.
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _/
Charges administratives .11.
68
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
6 / 9
Réduction des formalités et des obligations administratives liées directement ou indirectement à l’exécution, au respect et/ou au maintien d’un
droit, d’une interdiction ou d’une obligation.
љ
Si des citoyens (cf. thème 3) et/ou des entreprises (cf. thème 10) sont concernés, répondez aux questions suivantes.
1.
Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation.
S’il n’y a aucune formalité ou obligation, expliquez pourquoi.
a.
réglementation actuelle*
A.Toute personne physique qui veut exercer certaines
activités comptables et/ou veut porter le titre
professionnel ou toute personne qui veut porter le
titre lié aux activités fiscales prévues dans la loi, doit
satisfaire aux conditions de qualifications
professionnelles décrites dans la loi (diplôme ou titre,
stage, prestation de serment). Elle doit également
veiller à suivre une formation permanente lors de
l’exercice de la profession.
B.Une personne morale qui veut être reconnue doit
également respecter diverses conditions. Ces
conditions étaient légèrement différentes à l’IEC et à
l’IPCF. Parmi les conditions figuraient toutefois le fait
que :
1.les activités et l’objet social étaient limités à la
prestation de services relevant de la profession visée ;
2.la majorité des droits de vote et des membres de
l’organe de gestion devaient être des professionnels
(experts-comptables ou conseils fiscaux pour les
sociétés IEC et comptables(-fiscalistes) ou ayant une
qualité équivalente pour les sociétés IPCF) .
3.Les participations dans d’autres sociétés étaient
limitées.
C.Toutes les personnes inscrites à l‘un des Instituts
doivent au cours de l’exercice de leurs activités
respecter une déontologie professionnelle et pour les
personnes qui exercent à titre d’indépendant disposer
d’une assurance responsabilité civile.
D. A noter que toutes ces obligations ne sont pas
applicables aux professionnels établis légalement dans
un autre Etat membre et qui exercent temporairement
et occasionnellement la profession en Belgique. Ces
professionnels doivent uniquement effectuer une
déclaration préalable selon les modalités décrites dans
la loi et sont inscrits pro forma à l’Institut. A ce niveau,
la loi actuelle reprend littéralement les exigences qui
peuvent être imposées à ces professionnels en vertu
de la directive 2005/36/CE concernant les
qualifications professionnelles.
b.
réglementation en projet*
A.Les obligations pour les personnes physiques (avoir
un diplôme ou titre, suivre un stage et prêter serment)
en matière d’accès à la profession demeurent
inchangées. Le stage a toutefois été porté, pour toutes
les personnes physiques désirant être inscrites à
l’Institut avec une qualIté particulière, à trois ans. Le
stage pour les membres de l’IPCF était auparavant d’un
an alors qu’il était de trois ans pour les membres de
l’IEC.
B.Pour les personnes morales, les conditions sont
assouplies puisque la nouvelle loi exigera désormais
uniquement que la majorité des droits de vote à
l’assemblée générale soient détenus par et la majorité
des membres de l’organe de gestion soient des
professionnels sans distinction. Les interdictions
d’avoir des participations sont limitées aux
participations dans des entreprises exerçant des
activités incompatibles.
C.Les exigences imposées en matière d’exercice de la
profession demeurent inchangées sous réserve du fait
que les experts-comptables certifiés et les conseillers
fiscaux certifiés ainsi que les personnes morales
reconnues ayant en leur sein ces professionnels, seront
soumis à une revue qualité. Il avait déjà été prévu de
soumettre les professionnels de l’IEC à une revue
qualité. L’objectif est désormais de prévoir une telle
revue de qualité pour tous les professionnels réunis au
sein de l’Institut, donc également pour les membres
actuels de l’IPCF. Ceci se fera de manière progressive,
de façon à permettre aux professionnels d’adapter leur
manière de travailler en conséquence et au nouvel
Institut d’étendre cette revue qualité à tous les
professionnels.
D.Le système applicable aux professionnels d’autres
Etats membres établi légalement dans un autre Etat
membre, demeure inchangé.
љ
S’il y a des formalités et des obligations dans la
réglementation actuelle*, répondez aux
questions 2a à 4a.
љ
S’il y a des formalités et des obligations dans la
réglementation en projet**, répondez aux
questions 2b à 4b.
2.
Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ?
a.
A.Pour les personnes physiques, pour l’accès à la
profession, une copie du titre ou diplôme, une
preuve qu’elles respectent les autres conditions
d’accès, une preuve de la réussite du stage et de
la prestation de serment.
Pour les personnes morales, la preuve qu’elles
remplissent les conditions prévues par la loi.
Pour les personnes d’un autre Etat membre
établies dans un autre Etat membre, la
déclaration préalable accompagnée des
documents requis.
B.Lors de l’exercice de la profession, pour toute
personne physique inscrite, la preuve qu’elle a
suivi la formation permanente.
b.
pas de changement
69
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
7 / 9
Pour les personnes exerçant à titre
d’indépendant, l’attestation d’assurance.
3.
Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ?
a.
A.Pour l’accès à la profession, information
communiquée par la personne concernée lors de
la demande d’inscription
B.Pour la déclaration préalable et les documents
qui l’accompagnent, pour la formation
permanente et l’attestation d’assurance ,
information communiquée par la personne
concernée qui transmet les informations à
l’Institut concerné.
b.
Inchangé : les informations seront désormais
communiquées au nouvel Institut
4.
Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ?
a.
A. Pour l’accès à la profession, une fois lors de la
demande.
B. Pour la déclaration préalable, à renouveler
une fois par an et pour les documents qui
l’accompagnent, en cas de changement de
situation
B. Pour l’exercice, pour les personnes
concernées, preuve de la formation permanente
et l’attestation de l’assurance : tous les ans.
b.
Inchangé
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ?
_ _
Énergie .12.
Mix énergétique (bas carbone, renouvelable, fossile), utilisation de la biomasse (bois, biocarburants), efficacité énergétique, consommation
d’énergie de l’industrie, des services, des transports et des ménages, sécurité d’approvisionnement, accès aux biens et services énergétiques.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Mobilité .13.
Volume de transport (nombre de kilomètres parcourus et nombre de véhicules), offre de transports collectifs, offre routière, ferroviaire, maritime
et fluviale pour les transports de marchandises, répartitions des modes de transport (modal shift), sécurité, densité du trafic.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Alimentation .14.
Accès à une alimentation sûre (contrôle de qualité), alimentation saine et à haute valeur nutritionnelle, gaspillages, commerce équitable.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Changements climatiques .15.
70
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
8 / 9
Émissions de gaz à effet de serre, capacité d’adaptation aux effets des changements climatiques, résilience, transition énergétique, sources
d’énergies renouvelables, utilisation rationnelle de l’énergie, efficacité énergétique, performance énergétique des bâtiments, piégeage du carbone.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Ressources naturelles .16.
Gestion efficiente des ressources, recyclage, réutilisation, qualité et consommation de l’eau (eaux de surface et souterraines, mers et océans),
qualité et utilisation du sol (pollution, teneur en matières organiques, érosion, assèchement, inondations, densification, fragmentation),
déforestation.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Air intérieur et extérieur .17.
Qualité de l’air (y compris l’air intérieur), émissions de polluants (agents chimiques ou biologiques : méthane, hydrocarbures, solvants, SOx, NOx,
NH3), particules fines.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Biodiversité .18.
Niveaux de la diversité biologique, état des écosystèmes (restauration, conservation, valorisation, zones protégées) , altération et fragmentation
des habitats, biotechnologies, brevets d’invention sur la matière biologique, utilisation des ressources génétiques, services rendus par les
écosystèmes (purification de l’eau et de l’air, …), espèces domestiquées ou cultivées, espèces exotiques envahissantes, espèces menacées.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Nuisances .19.
Nuisances sonores, visuelles ou olfactives, vibrations, rayonnements ionisants, non ionisants et électromagnétiques, nuisances lumineuses.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Autorités publiques .20.
Fonctionnement démocratique des organes de concertation et consultation, services publics aux usagers, plaintes, recours, contestations, mesures
d’exécution, investissements publics.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Cohérence des politiques en faveur du développement .21.
Prise en considération des impacts involontaires des mesures politiques belges sur les intérêts des pays en développement.
71
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
9 / 9
1.
Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants :
ӑ sécurité alimentaire
ӑ santé et accès aux
médicaments
ӑ travail décent
ӑ commerce local et international
ӑ revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation)
ӑ mobilité des personnes
ӑ environnement et changements climatiques (mécanismes de développement
propre)
ӑ paix et sécurité
Expliquez si aucun pays en développement n’est concerné.
_ _
љ
S’il y a des impacts positifs et/ou négatifs, répondez à la question 2.
2.
Précisez les impacts par groupement régional ou économique (lister éventuellement les pays). Cf. manuel
_ _
љ
S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 3.
3.
Quelles mesures sont prises pour les alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
72
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
BIJLAGE 3
73
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
74
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
75
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
76
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
77
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
78
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
79
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
80
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
81
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
82
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
83
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
ANNEXE 3
84
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
85
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
86
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
87
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
88
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
89
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
90
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
91
3522/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
92
3522/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Centrale drukkerij – Imprimerie centrale