Document 54K3522/005

🏛️ KAMER Legislatuur 54 📁 3522 Verslag 🌐 NL

Inhoud

10549 3522/005 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G V A N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS DOC 54 DOC 54 28 februari 2019 28 février 2019 TEKST AANGENOMEN IN PLENAIRE VERGADERING EN AAN DE KONING TER BEKRACHTIGING VOORGELEGD TEXTE ADOPTÉ EN SÉANCE PLÉNIÈRE ET SOUMIS À LA SANCTION ROYALE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS Stukken: Doc 54 3522/ (2018/2019): 001: Wetsvoorstel van de dames Dierick en De Coninck, de heer Wilrycx, de dames Cassart-Mailleux en Smaers en de heer Van Biesen. 002: Wijziging indiener. 003: Verslag. 004: Tekst aangenomen door de commissie. 005: Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd. Zie ook: Integraal verslag: 28 februari 2019 CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS Documents: Doc 54 3522/ (2018/2019): 001: Proposition de loi de Mmes Dierick et De Coninck, M. Wilrycx, Mmes Cassart-Mailleux et Smaers et M. Van Biesen. 002: Modifi cation auteur. 003: Rapport. 004: Texte adopté par la commission. 005: Texte adopté en séance plénière et soumis à la sanction royale. Voir aussi: Compte rendu intégral: 28 février 2019 PROJET DE LOI WETSONTWERP betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur relative aux professions d’expert-comptable et de conseiller fiscal 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 2 HOOFDSTUK 1 Algemene bepaling Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2 Defi nities Art. 2 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: 1° gecertificeerd accountant: de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 12°, uit te oefenen; 2° gecertifi ceerd belastingadviseur: de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 6, 1° tot en met 3°; 3° beroepsbeoefenaar: de gecertifi ceerd accountant, de gecertifi ceerd belastingadviseur, de accountant, de fi scaal accountant en de stagiairs die de beroepsacti- viteiten uitoefenen als zelfstandige in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, alsook de erkende rechtspersonen; 4° accountant: de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven was als “erkend boekhouder” bij het Beroepsinstituut van Er- kende Boekhouders en Fiscalisten, als opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fi scale beroepen; 5° fi scaal accountant: de beroepsbeoefenaar die voor de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven was als “boekhouder(-fi scalist)” bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, als opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fi scale beroepen; 6° intern gecertifi ceerd accountant: de hoedanigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaarden van CHAPITRE 1ER Disposition générale Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’ar- ticle 74 de la Constitution. CHAPITRE 2 Défi nitions Art. 2 Pour l’application de la présente loi, on entend par: 1° l’expert-comptable certifi é: la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue d’exercer, comme indépendant, à titre accessoire ou principal, pour compte de tiers, les activités profes- sionnelles, visées à l’article 3, 1° à 12°; 2° le conseiller fi scal certifi é: la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue de porter le titre lors de l’exercice, comme indépendant, à titre accessoire ou principal, pour compte de tiers, des activités professionnelles visées à l’article 6, 1° à 3°; 3° professionnel: l’expert-comptable certifié, le conseiller fi scal certifi é, l’expert-comptable, l’expert- comptable fi scaliste et les stagiaires qui exercent les activités professionnelles comme indépendant, à titre principal ou titre accessoire, pour compte de tiers, ainsi que les personnes morales reconnues; 4° expert-comptable: le professionnel qui, avant l’entrée en vigueur de la présente loi, était inscrit comme “comptable agréé” à l’Institut professionnel des Comp- tables et Fiscalistes agréés, créé par l’article 43 de la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fi scales; 5° expert-comptable fi scaliste: le professionnel qui, avant l’entrée en vigueur de la présente loi, était inscrit comme “comptable(-fi scaliste)” à l’Institut profession- nel des Comptables et Fiscalistes agréés, créé par l’article 43 de la loi du 22 avril 1999 relative aux profes- sions comptables et fi scales; 6° l’expert-comptable certifié interne: la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 3 hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de be- roepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5°; 7° intern gecertifi ceerd belastingadviseur: de hoeda- nigheid verleend aan de persoon die aan de voorwaar- den van hoofdstuk 4 beantwoordt om de titel te dragen bij de uitoefening, binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, van de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 6; 8° bedrijfsrevisor: de bedrijfsrevisor als bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 7 december 2016 tot orga- nisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren; 9° openbaar register: het register bedoeld in hoofd- stuk 5; 10° European Credits Transfer System (ECTS): het Europees systeem voor de overdracht van studiepunten; 11° studiepunt: de eenheid waarmee op grond van de studietijd van de student de omvang van elk opleidings- onderdeel in een opleidingsprogramma of studiejaar wordt uitgedrukt, in het bijzonder: a) de studiepunten als bepaald in het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies en het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie; b) het studiepunt als bepaald in het artikel 1.3., 67°, van Codex Hoger Onderwijs van de Vlaamse Gemeen- schap; c) het studiepunt als bepaald in het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 27 juni 2005 houdende oprichting van een autonome hogeschool; 12° kantoor: de organisatorische eenheid a) waarbinnen één of meer beroepsbeoefenaars voor een cliënt beroepsactiviteiten uitoefenen, als bedoeld in de artikelen 3 en 6; b) en die bestaat uit ofwel uitsluitend één vestiging ofwel meerdere vestigingen waarbinnen dezelfde werk- methodes van toepassing zijn. chapitre 4 en vue de porter le titre lors de l’exercice, dans le cadre d’un contrat de travail ou d’une fonction rémunérée par les pouvoirs publics, des activités pro- fessionnelles, visées à l’article 3, 1° à 5°; 7° le conseiller fi scal certifi é interne: la qualité donnée à la personne qui répond aux conditions du chapitre 4 en vue de porter le titre lors de l’exercice, dans le cadre d’un contrat de travail ou d’une fonction rémunérée par les pouvoirs publics, des activités professionnelles visées à l’article 6; 8° réviseur d’entreprises: le réviseur d’entreprises visé à l’article 3, 3°, de la loi du 7 décembre 2016 por- tant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d’entreprises; 9° registre public: le registre visé au chapitre 5; 10° European Credits Transfer System (ECTS): sys- tème européen de transfert et d’accumulation de crédits; 11° crédit: moyen de quantifi cation du volume d’ap- prentissage reposant sur la charge de travail requise de l’étudiant afi n d’atteindre les résultats attendus pour un processus d’apprentissage donné et un niveau spéci- fi que, notamment: a) les crédits tels que défi nis par le décret de la Com- munauté française du 7 novembre 2013 défi nissant le paysage de l’enseignement supérieur et l’organisation académique des études et par le décret de la Commu- nauté française du 16 avril 1991 organisant l’enseigne- ment de promotion sociale; b) l’unité d’étude telle que défi nie par l’article 1er.3., 67°, du Code de l’Enseignement Supérieur de la Com- munauté fl amande; c) l’unité de valeur telle que défi nie par le décret de la Communauté germanophone du 27 juin 2005 portant création d’une haute école autonome; 12° cabinet: l’unité organisationnelle a) au sein de laquelle un ou plusieurs professionnels exercent pour un client des activités professionnelles telles que visées aux articles 3 et 6; b) et qui compte soit un seul établissement, soit plusieurs établissements dans lesquels les mêmes méthodes de travail sont appliquées. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 4 13° netwerk: de grotere structuur die op samenwer- king is gericht en waartoe een beroepsbeoefenaar behoort en die duidelijk gericht is op: a) winst- of kostendeling, of b) het delen van gemeenschappelijke eigendom, zeggenschap of bestuur, een gemeenschappelijk be- leid en procedures inzake kwaliteitsbeheersing, een gemeenschappelijke bedrijfsstrategie, het gebruik van een gemeenschappelijke merknaam of een aanzienlijk deel van de bedrijfsmiddelen; 14° het wettelijk, reglementair en normatief kader: a) deze wet; b) de uitvoeringsbesluiten van deze wet, de normen en aanbevelingen als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 2°, van het Instituut die van toepassing zijn op de uitoe- fening van de beroepsactiviteit; c) andere wetgeving en reglementering die op de beroepsbeoefenaar van toepassing zijn, met inbegrip van onder andere: i) de bepalingen inzake marktpraktijken en de con- sumentenbescherming die op hem van toepassing zijn zoals vermeld in boek VI van het Wetboek van econo- misch recht; ii) de bepalingen van het insolventierecht zoals vermeld in boek XX van het Wetboek van economisch recht; iii) de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de fi nanciering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en haar uitvoeringsbesluiten; 15° wet van 22 april 1999: de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fi scale beroepen; 16° auditwet: de wet van 7 december 2016 tot orga- nisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren; 17° Instituut: het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants, als bedoeld in artikel 61; 18° Raad van het Instituut: de Raad van het Instituut als bedoeld in artikel 68; 19° Hoge Raad: de Hoge Raad voor de Economische Beroepen als bedoeld in artikel 79; 13° réseau: la structure plus vaste destinée à un but de coopération, à laquelle appartient un professionnel et dont le but manifeste est: a) le partage de résultats ou de coûts, ou b) qui partage un actionnariat, un contrôle ou une direction commun(e), des politiques et des procédures communes en matière de contrôle de qualité, une stra- tégie commerciale commune, l’utilisation d’une même marque ou d’une partie importante des ressources professionnelles; 14° le cadre légal, réglementaire et normatif: a) la présente loi; b) les arrêtés d’exécution de la présente loi, les normes et recommandations visées à l’article 72, ali- néa 1er, 2°, de l’Institut applicables en vue d’exercer la profession; c) d’autres législations et réglementations applicables au professionnel, en ce compris notamment: i) les dispositions relatives aux pratiques du marché et à la protection du consommateur lui applicable telles que reprises dans le livre VI du Code de droit économique; ii) les dispositions du droit de l’insolvabilité telles que reprises dans le livre XX du Code de droit économique; iii) la loi du 18 septembre 2017 relative à la préven- tion du blanchiment de capitaux et du fi nancement du terrorisme et à la limitation de l’utilisation des espèces et ses arrêtés d’exécution; 15° loi du 22 avril 1999: la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fi scales; 16° loi audit: la loi du 7 décembre 2016 portant orga- nisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d’entreprises; 17° Institut: l’Institut des Conseillers fi scaux et des Experts-comptables, visé à l’article 61; 18° Conseil de l’Institut: le Conseil de l’Institut, visé à l’article 68; 19° Conseil supérieur: le Conseil supérieur des Pro- fessions économiques visé à l’article 79; DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 5 20° commissie van beroep: de commissie van beroep als bedoeld in artikel 104; 21° Instituut van de Bedrijfsrevisoren: het Instituut van de Bedrijfsrevisoren als bedoeld in artikel 64 van de auditwet; 22° fusionerende instituten: het Instituut van de Ac- countants en de Belastingconsulenten, opgericht bij artikel 2 van de wet van 22 april 1999 en het Beroeps- instituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, opgericht bij artikel 43 van de wet van 22 april 1999; 23° lidstaat: een lidstaat van de Europese Economi- sche Ruimte, als bedoeld in artikel 2, § 1, l), van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalifi caties; 24° derde land: een land dat geen lidstaat is. HOOFDSTUK 3 Beroepsactiviteiten, dragen van de titel en recht om deze werkzaamheden uit te oefenen Afdeling 1 De beroepsactiviteiten van de gecertifi ceerd accountant Art. 3 Een gecertifi ceerd accountant voert hoofdzakelijk de volgende beroepsactiviteiten uit: 1° de boekhouding en de boekhoudkundige diensten organiseren en advies verstrekken inzake de boekhoud- kundige organisatie bij ondernemingen; 2° het bepalen van de resultaten en het opmaken van de jaarrekening conform de wettelijke bepalingen ter zake; 3° het openen, het houden, het centraliseren en het sluiten van boekingen, geschikt voor het opmaken van de rekeningen; 4° alle boekhoudstukken nazien en corrigeren die niet leiden tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven; 5° de analyse met boekhoudtechnische procedés van de positie en werking van ondernemingen vanuit het oogpunt van hun kredietwaardigheid, rentabiliteit en 20° commission d’appel: la commission d’appel visée à l’article 104; 21° Institut des Réviseurs d’Entreprises: l’Institut des Réviseurs d’Entreprises visé à l’article 64 de la loi audit; 22° instituts qui fusionnent: l’Institut des Experts- comptables et des Conseils fiscaux, créé par l’ar- ticle 2 de la loi du 22 avril 1999, et l’Institut profession- nel des Comptables et Fiscalistes agréés, créé par l’article 43 de la loi du 22 avril 1999; 23° État membre: un État membre de l’Espace éco- nomique européen visé à l’article 2, § 1er, l), de la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifi cations professionnelles UE; 24° pays tiers: un pays qui n’est pas un État membre. CHAPITRE 3 Activités professionnelles, port du titre et droit d’exercer ces activités Section 1re Les activités professionnelles de l’expert-comptable certifi é Art. 3 Un expert-comptable certifi é effectue principalement les activités professionnelles suivantes: 1° l’organisation de la comptabilité et des services comptables et les activités de conseil en matière d’orga- nisation comptable des entreprises; 2° la détermination des résultats et l’établissement des comptes annuels conformément aux dispositions légales en la matière; 3° l’ouverture, la tenue, la centralisation et la clôture des écritures comptables propres à l’établissement des comptes; 4° la vérifi cation et le redressement de tous les documents comptables qui ne conduisent pas à une attestation ou un rapport d’expertise destinés à être remis à des tiers; 5° l’analyse par les procédés de la technique comp- table de la situation et du fonctionnement des entre- prises du point de vue de leur crédit, de leur rendement DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 6 risico’s die niet leidt tot een attestering of een expertise- verslag bestemd om aan derden te worden afgegeven; 6° zowel privé- als gerechtelijke expertise met betrek- king tot de boekhouding van ondernemingen; 7° elke opdracht bedoeld in 4° tot en met 6° uitge- voerd door een gecertifi ceerd accountant, andere dan de gebruikelijke beroepsbeoefenaar, die leidt tot een attestering of een expertiseverslag bestemd om aan derden te worden afgegeven; 8° andere opdrachten waarvan de uitvoering bij of krachtens de wet zijn voorbehouden aan de gecertifi - ceerde accountant; 9° het verstrekken van advies in alle fi scale aange- legenheden; 10° het bijstaan van de belastingplichtige bij het na- komen van zijn fi scale verplichtingen; 11° het vertegenwoordigen van de belastingplichtige bij de belastingdiensten; 12° het organiseren van administratieve diensten en advies verstrekken over de administratieve organisatie van ondernemingen. Afdeling 2 Dragen van de titel van gecertifi ceerd accountant Art. 4 Enkel de natuurlijke personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van gecertifi ceerd accountant dragen de titel van gecer- tifi ceerd accountant, alsook desgevallend het Engelse equivalent “certifi ed accountant” ervan. Personen die hun activiteiten uitoefenen binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking in de hoedanigheid van intern gecertifi ceerd accountant, mogen de titel van intern gecertifi ceerd accountant dragen. De erkende rechtspersonen bedoeld in artikel 24 mo- gen de titel van gecertifi ceerd accountant gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming indien de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan de hoedanigheid van gecertifi ceerd accountant heeft of een gelijkwaardige erkende hoedanigheid in een andere lidstaat. et de leurs risques qui ne conduit pas à une attestation ou un rapport d’expertise destinés à être remis à des tiers; 6° l’expertise, tant privée que judiciaire, dans le domaine de la comptabilité des entreprises; 7° toute mission visée aux 4° à 6° exercée par un expert-comptable certifi é autre que le professionnel habituel qui conduit à une attestation ou un rapport d’expertise destinés à être remis à des tiers; 8° les autres missions dont l’accomplissement est réservé par la loi ou en vertu de la loi à l’expert-comp- table certifi é; 9° la délivrance d’avis se rapportant à toutes matières fi scales; 10° l’assistance du contribuable dans l’accomplisse- ment de ses obligations fi scales; 11° la représentation du contribuable auprès de l’administration fi scale; 12° l’organisation des services administratifs et le conseil sur l’organisation administrative des entreprises. Section 2 Port du titre d’expert-comptable certifi é Art. 4 Seules les personnes physiques inscrites au registre public de l’Institut en qualité d’expert-comptable certifi é portent le titre d’expert-comptable certifi é, ainsi que, le cas échéant, son équivalent en langue anglaise “certi- fi ed accountant”. Les personnes qui exercent leurs activités dans le cadre d’un contrat de travail ou d’une fonction rémuné- rée par les pouvoirs publics en qualité d’expert-comp- table certifi é interne, peuvent porter le titre d’expert- comptable certifi é interne. Les personnes morales reconnues, visées à l’ar- ticle  24, peuvent utiliser le titre d’expert-comptable certifi é ou le reprendre dans leur dénomination sociale si la majorité des membres de l’organe de gestion ont la qualité d’expert-comptable certifi é ou une qualité reconnue équivalente dans un autre État membre. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 7 Onverminderd artikel 9 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van gecertifi ceerd accountant. Afdeling 3 Recht om de beroepsactiviteiten van gecertifi ceerd accountant uit te oefenen Art. 5 Enkel de volgende personen, natuurlijke of rechts- personen, mogen, als zelfstandige, in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactivi- teiten als bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5°, uitoefenen: 1° de personen die in het openbaar register van het Instituut ingeschreven zijn met de hoedanigheid van gecertifi ceerd accountant; 2° de bedrijfsrevisoren; 3° de accountants en fi scaal accountants ingeschre- ven in het openbaar register bedoeld in artikel 9; 4° de stagiairs, gecertifi ceerde accountants of (fi s- caal) accountants, die activiteiten mogen uitoefenen voor rekening van derden; 5° de erkende rechtspersonen voor zover de natuur- lijke personen die deze activiteiten uitoefenen voor de erkende rechtspersoon accountants, fi scale accoun- tants of gecertifi ceerde accountants zijn. De beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 5°, mogen bovendien ook uitgeoefend worden binnen een arbeidsovereenkomst of een door de over- heid bezoldigde betrekking door een werknemer of ambtenaar. Enkel de natuurlijke of rechtspersonen met de hoeda- nigheid van gecertifi ceerd accountant, erkende rechts- persoon of de bedrijfsrevisoren mogen, als zelfstandige, in hoofdberoep of bijberoep, voor rekening van derden, de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8° uitoefenen, met uitzondering van de activiteiten die door de wet voorbehouden zijn aan de gecertifi ceerde accountants. Wanneer de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°, worden uitgeoefend door erkende rechts- personen, moeten de natuurlijke personen die deze Sans préjudice de l’article 9, personne ne peut porter un autre titre susceptible de créer une confusion avec celui d’expert-comptable certifi é. Section 3 Autorisation d’exercer les activités professionnelles d’expert-comptable certifi é Art. 5 Seules les personnes suivantes, physiques ou morales, peuvent exercer, comme indépendant, à titre principal ou accessoire, pour compte de tiers, les acti- vités professionnelles visées à l’article 3, 1° à 5°: 1° les personnes qui sont inscrites au registre public de l’Institut en qualité d’expert-comptable certifi é; 2° les réviseurs d’entreprises; 3° les experts-comptables et les experts- comptables fi scalistes inscrits au registre public visé à l’article 9; 4° les stagiaires, experts-comptables certifi és et experts-comptables (fi scalistes) autorisés à exercer des activités pour compte de tiers; 5° les personnes morales reconnues pour autant que les personnes physiques qui exercent ces activités pour la personne morale reconnue soient des experts- comptables, des experts-comptables-fi scalistes ou des experts-comptables certifi és. Par ailleurs, les activités visées à l’article 3, 1° à 5°, peuvent être également exercées dans le cadre d’un contrat de travail ou d’une fonction rémunérée par les pouvoirs publics par un travailleur ou un fonctionnaire. Seules les personnes physiques ou morales qui ont la qualité d’expert-comptable certifi é, de personne morale reconnue ou les réviseurs d’entreprises peuvent, comme indépendant, à titre accessoire ou principal, pour compte de tiers, exercer les activités professionnelles visées à l’article 3, 6° à 8, à l’exception de celles réser- vées exclusivement par la loi aux experts comptables certifi és. Lorsque les activités visées à l’article 3, 6° à 8°, sont exercées par des personnes morales reconnues, dans ce cas les personnes physiques qui exercent ces activi- DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 8 activiteiten uitoefenen voor de rechtspersonen de hoedanigheid van gecertifi ceerde accountant of be- drijfsrevisor hebben. Afdeling 4 De beroepsactiviteiten van de gecertifi ceerd belastingadviseur Art. 6 Een gecertifi ceerd belastingadviseur voert hoofdza- kelijk de volgende beroepsactiviteiten uit: 1° advies verstrekken in alle fi scale aangelegenhe- den; 2° de belastingplichtige bijstaan bij het nakomen van zijn fi scale verplichtingen; 3° de belastingplichtige vertegenwoordigen bij de belastingdiensten. Afdeling 5 Het dragen van de titel van gecertifi ceerd belastingadviseur Art. 7 Enkel de natuurlijke personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut met de hoedanig- heid van gecertifi ceerd belastingadviseur mogen de titel van gecertifi ceerd belastingadviseur dragen, alsook het Engelse equivalent “certifi ed tax advisor” ervan. De erkende rechtspersonen mogen de titel van ge- certifi ceerd belastingadviseur gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming indien de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan de hoedanigheid van gecertifi ceerd belastingadviseur heeft of een gelijk- waardige erkende hoedanigheid in een andere lidstaat. Art. 8 Een gecertifi ceerd accountant mag ook de titel van (intern) gecertifi ceerd fi scaal accountant dragen. Een (gecertifi ceerd) accountant of een bedrijfsrevisor mag de titel van gecertifi ceerd belastingadviseur echter niet dragen. Personen die hun activiteiten uitoefenen binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking in de hoedanigheid van intern tés pour les personnes morales doivent avoir la qualité d’expert-comptable certifi é ou de réviseur d’entreprises. Section 4 Les activités professionnelles du conseiller fi scal certifi é Art. 6 Un conseiller fi scal certifi é exerce principalement les activités professionnelles suivantes: 1° donner des avis se rapportant à toutes matières fi scales; 2° assister le contribuable dans l’accomplissement de ses obligations fi scales; 3° représenter le contribuable auprès de l’adminis- tration fi scale. Section 5 Port du titre de conseiller fi scal certifi é Art. 7 Seules les personnes physiques inscrites au registre public de l’Institut en qualité de conseiller fi scal certifi é peuvent porter le titre de conseiller fi scal certifi é, ainsi que son équivalent en langue anglaise “certifi ed tax advisor”. Les personnes morales reconnues peuvent utiliser le titre de conseiller-fi scal certifi é ou le reprendre dans leur dénomination sociale si la majorité des membres de l’organe de gestion ont la qualité de conseiller fi scal certifi é ou une qualité reconnue équivalente dans un autre État membre. Art. 8 Un expert-comptable certifi é peut aussi porter le titre d’expert-comptable et fi scal certifi é (interne). Un expert-comptable (certifi é) ou un réviseur d’entreprises ne peuvent toutefois pas porter le titre de conseiller fi scal certifi é. Les personnes qui exercent leurs activités dans le cadre d’un contrat de travail ou d’une fonction rému- nérée par les pouvoirs publics, en qualité de conseiller DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 9 gecertifi ceerd belastingadviseur, mogen de titel van intern gecertifi ceerd belastingadviseur dragen. Onverminderd artikel 9 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van gecertifi ceerd belastingadviseur. Afdeling 6 De accountant en de fi scaal accountant Art. 9 De personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut als accountant mogen de titel van ac- countant dragen. De personen ingeschreven in het openbaar register van het Instituut als fi scaal accountant mogen de titel van fi scaal accountant dragen. De bedrijfsrevisoren mogen de titel van fi scaal accountant echter niet dragen. De erkende rechtspersonen mogen de titel van ac- countant of fi scaal accountant gebruiken of opnemen in hun maatschappelijke benaming indien de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan de hoedanigheid van accountant of fi scaal accountant heeft of een gelijk- waardige erkende hoedanigheid in een andere lidstaat. De personen bedoeld in het eerste of tweede lid mogen de activiteiten bedoeld in artikel 3 uitoefenen, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°. Onverminderd de artikelen 4 en 7 mag niemand een andere titel dragen die verwarring kan scheppen of zou kunnen scheppen met die van accountant of fi scaal accountant. Indien de personen bedoeld in het eerste of het tweede lid de activiteiten van accountant of fi scaal ac- countant binnen een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking uitoefenen, mogen ze de titel van intern accountant of intern fi scaal ac- countant dragen. fi scal certifi é interne, peuvent porter le titre de conseiller fi scal certifi é interne. Sans préjudice de l’article 9, personne ne peut porter un autre titre susceptible de créer une confusion avec celui de conseiller fi scal certifi é. Section 6 L’expert-comptable et l’expert-comptable fi scaliste Art. 9 Les personnes inscrites dans le registre public de l’Institut comme expert-comptable peuvent porter le titre d’expert-comptable. Les personnes inscrites dans le registre public de l’Institut comme expert-comptable fi scaliste peuvent porter le titre d’expert-comptable fi scaliste. Les révi- seurs d’entreprises ne peuvent toutefois pas porter le titre d’expert-comptable fi scaliste. Les personnes morales reconnues peuvent utiliser le titre d’expert-comptable ou d’expert-comptable fi s- caliste ou le reprendre dans leur dénomination sociale si la majorité des membres de l’organe de gestion ont la qualité d’expert-comptable (fi scaliste) ou une qualité reconnue équivalente dans un autre État membre. Les personnes visées à l’alinéa 1er ou 2 peuvent exercer les activités visées à l’article 3, à l’exception des activités visées à l’article 3, 6° à 8°. Sans préjudice des articles 4 et 7, personne ne peut porter un autre titre susceptible de créer une confusion avec celui d’expert-comptable ou d’expert-comptable fi scaliste. Si les personnes visées aux alinéas 1er ou 2 exercent les activités d’expert-comptable ou d’expert-comptable fi scaliste dans le cadre d’un contrat de travail ou d’une profession rémunérée par les pouvoirs publics, elles peuvent porter le titre d’expert-comptable interne ou d’expert-comptable fi scaliste interne. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 10 HOOFDSTUK 4 Beroepskwalifi caties voor het verlenen van de hoedanigheid Afdeling 1 Het verlenen van de hoedanigheid van gecertifi ceerd accountant of van gecertifi ceerd belastingadviseur aan een natuurlijk persoon Art. 10 § 1. Een natuurlijk persoon die aan de volgende voor- waarden voldoet, wordt op zijn verzoek in het openbaar register van het Instituut ingeschreven met de hoeda- nigheid van (intern) gecertifi ceerd accountant of (intern) gecertifi ceerd belastingadviseur: 1° onderdaan zijn van een lidstaat; 2° niet beroofd zijn geweest van zijn politieke en burgerlijke rechten; 3° niet, zelfs gedeeltelijk, de schuldkwijtschelding ge- weigerd zijn geweest met toepassing van artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht, niet per- soonlijk aansprakelijk zijn gesteld geweest voor het geheel of een deel van de schulden van de onderne- ming met toepassing van artikel XX.225 of XX.227 van hetzelfde wetboek, niet het verbod opgelegd zijn geweest een onderneming uit te baten met toepassing van artikel XX.229 van hetzelfde wetboek en niet een eerherstel geweigerd zijn geweest met toepassing van artikel XX.237 van hetzelfde wetboek; 4° geen zelfs voorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste drie maanden hebben opgelopen voor een van de misdrijven vermeld in artikel  1  van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de onder- nemingsrechtbanken de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod op te leggen, voor een inbreuk op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, voor een inbreuk op het Wetboek van vennootschappen, het Wetboek van economisch recht, boek III, titel 3, hoofdstuk 2 en zijn uitvoeringsbesluiten, of op de fi scale wetgeving; 5° in het bezit zijn van een diploma of een titel, be- doeld in artikel 12; 6° na het slagen voor het toelatingsexamen, als stagi- air een stageperiode van minstens drie jaar volbrengen; CHAPITRE 4 Qualifi cations professionnelles pour l’octroi de la qualité Section 1re L’octroi de la qualité d’expert-comptable certifi é ou de conseiller fi scal certifi é à une personne physique Art. 10 § 1er. Une personne physique qui répond aux condi- tions suivantes est inscrite, à sa demande, dans le registre public de l’Institut avec la qualité d’expert- comptable certifi é (interne) ou de conseiller fi scal certifi é (interne): 1° être ressortissant d’un État membre; 2° ne pas avoir été privé de ses droits civils et poli- tiques; 3° ne pas s’être vu refuser, même partiellement, l’effa- cement des dettes en application de l’article XX.173, § 3, du Code de droit économique, ne pas s’être vu déclarer personnellement obligé de tout ou partie des dettes so- ciales, en application des articles XX.225 ou XX.227 du même code, ne pas s’être vu interdire l’exploitation d’une entreprise, en application de l’article XX.229 du même code et ne pas s’être vu refuser la réhabilitation en application de l’article XX.237 du même code; 4° ne pas avoir encouru une peine d’emprisonne- ment, même conditionnelle, de trois mois au moins pour l’une des infractions mentionnées à l’article 1er de l’arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 portant inter- diction à certains condamnés et aux faillis d’exercer certaines fonctions, professions ou activités et conférant aux tribunaux d’entreprise la faculté de prononcer de telles interdictions, pour une infraction à la loi du 20 sep- tembre 1948 portant organisation de l’économie, pour une infraction au Code des sociétés, au Code de droit économique, livre III, titre 3, chapitre 2 et à ses arrêtés d’exécution ou à la législation fi scale; 5° être porteur d’un diplôme ou d’un titre, visé à l’article 12; 6° après la réussite de l’examen d’admission, avoir accompli le stage d’une période de minimum 3 ans en tant que stagiaire; DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 11 7° slagen voor het bekwaamheidsexamen dat volgt na de stage; 8° de eed afl eggen. § 2. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, 3°, heeft eveneens betrekking op gelijkaardige insolventiemaat- regelen opgelopen in een andere lidstaat of een derde land. § 3. De voorwaarde bedoeld in paragraaf 1, 4°, heeft eveneens betrekking op gelijkaardige strafmaatregelen opgelopen in een andere lidstaat of een derde land. § 4. De Koning legt, na advies van de Raad van het Instituut, de voorwaarden en de procedure vast voor een natuurlijk persoon, onderdaan van een derde land, gevestigd in België die de hoedanigheid van (intern) gecertifi ceerd accountant of van (intern) gecertifi ceerd belastingadviseur wenst te bekomen. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. § 5. Een bedrijfsrevisor mag niet om de hoedanigheid van gecertifi ceerd belastingadviseur verzoeken. Art. 11 § 1. Ter ondersteuning van zijn verzoek om ingeschre- ven te worden in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van gecertifi ceerd (intern) ac- countant of van (intern) gecertifi ceerd belastingadviseur kan een natuurlijk persoon, onderdaan van een lidstaat, een bekwaamheidstest of een opleidingstitel bedoeld in titel III, hoofdstuk I, van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalifi caties, afgeleverd door een andere lidstaat doen gelden die beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in hetzelfde hoofdstuk van die wet of een opleidingstitel gelijkgesteld aan een dergelijke titel in toepassing van artikel  2, §  3, van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroeps- kwalifi caties. De onderdanen van een lidstaat die een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel bedoeld in deze paragraaf hebben verworven, zijn onderworpen aan alle voorwaarden en genieten van alle rechten voorzien in de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalifi caties, onverminderd de bepalingen voorzien in of op basis van deze wet. § 2. De houders van een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel bedoeld in paragraaf 1 zijn vrijgesteld van de stage. Zij moeten zich evenwel, in toepassing van artikel 16, § 3, van de wet van 12 februari 2008 betref- 7° avoir réussi un examen pratique, qui suit le stage; 8° prêter serment. § 2. La condition visée au paragraphe 1er, 3°, concerne aussi les mesures d’insolvabilité équivalentes encou- rues dans un autre État membre ou dans un pays tiers. § 3. La condition visée au paragraphe 1er, 4°, concerne aussi les mesures pénales équivalentes encourues dans un autre État membre ou dans un pays tiers. § 4. Le Roi établit, après avis du Conseil de l’Institut, les conditions et la procédure pour une personne phy- sique, ressortissante d’un pays tiers établie en Belgique qui souhaite obtenir la qualité d’expert-comptable cer- tifi é (interne) ou de conseiller fi scal certifi é (interne). Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. § 5. Un réviseur d’entreprises ne peut pas demander la qualité de conseiller fi scal certifi é. Art. 11 § 1er. À l’appui de sa demande d’être inscrit au registre public de l’Institut avec la qualité d’expert- comptable certifi é (interne) ou de conseiller fi scal certifi é (interne), une personne physique, ressortissant d’un État membre, peut également faire valoir une attes- tation de compétence ou un titre de formation visé au titre III, chapitre Ier, de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifi cations professionnelles, délivré par un autre État membre et répondant aux conditions fi xées dans ce même chapitre de cette loi ou un titre de formation assimilé à un tel titre en application de l’article 2, § 3, de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifi cations professionnelles. Les ressortissants d’un État membre qui ont acquis une attestation de compétence ou un titre de formation visé au présent paragraphe sont soumis à l’ensemble des conditions et bénéfi cient de l’ensemble des droits prévus dans la loi du 12 février 2008 relative aux qualifi cations professionnelles, sans préjudice des dispositions prévues par ou en vertu de la présente loi. § 2. Les porteurs d’une attestation de compétence ou d’un titre de formation visés au paragraphe 1er sont dispensés du stage. Toutefois, ils doivent, en application de l’article 16, § 3, de la loi du 12 février 2008 relative DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 12 fende de beroepskwalifi caties, onderwerpen aan een bekwaamheidsproef, georganiseerd door het Instituut wanneer hun opleiding op het vlak van boekhouding, ac- countancy, fi scaliteit, vennootschapsrecht, deontologie en andere vakken waarvan de kennis noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van gecertifi ceerd accountant of van gecertifi ceerd belastingconsulent in België, belangrijke verschillen vertoont inzake inhoud ten aanzien van de opleiding die bestreken is door de in België vereiste opleidingstitel. De bekwaamheidsproef bestaat uit een controle van de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties van de aanvrager, die tot doel heeft te beoordelen of hij de bekwaamheid heeft om het beroep van gecertifi ceerd accountant of van gecertifi ceerd belastingadviseur uit te oefenen. Bij deze bekwaamheidsproef moet in aanmerking worden genomen dat de aanvrager in de Staat van oorsprong of herkomst een gekwalifi ceerd beroeps- beoefenaar is. De proef heeft betrekking op de vakge- bieden die moeten worden gekozen uit die op de lijst van de vakgebieden, die, op basis van een vergelijking tussen de vereiste opleiding en de opleiding die de aanvrager heeft ontvangen, niet bestreken worden door het diploma of de titel(s) die de aanvrager overlegt. De kennis van deze vakgebieden moet een noodzakelijke voorwaarde zijn om het beroep van gecertifi ceerd ac- countant of gecertifi ceerd belastingadviseur te kunnen uitoefenen. Deze proef kan ook betrekking hebben op de kennis van de deontologie die op deze beroepen van toepassing zijn. De voorschriften betreffende de bekwaamheidsproef, de opstelling van de lijst van de vakgebieden en het sta- tuut van de aanvrager die zich daarop wil voorbereiden, worden vastgelegd door de Raad van het Instituut met inachtneming van de regels inzake gemeenschapsrecht en de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroeps- kwalifi caties. Indien overwogen wordt om de aanvrager een bekwaamheidsproef te laten afleggen, wordt eerst nagegaan of de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties die de aanvrager tijdens zijn beroepser- varing als gecertifi ceerd accountant of als gecertifi ceerd belastingadviseur in een lidstaat of een derde land heeft verworven, van dien aard zijn dat het wezenlijk verschil in de opleiding daardoor geheel of gedeeltelijk wordt ondervangen. Het Instituut informeert de aanvrager over de beslis- sing om hem aan een bekwaamheidsproef te onder- werpen door vermelding van: aux qualifi cations professionnelles, se soumettre à une épreuve d’aptitude organisée par l’Institut, lorsque leur formation dans les domaines comptable, d’expertise comptable, fi scal, du droit des sociétés, de la déon- tologie et dans les matières dont la connaissance est essentielle à l’exercice de la profession d’expert-comp- table certifi é ou de conseiller fi scal certifi é en Belgique, présente des différences importantes en matière de contenu par rapport à la formation couverte par le titre de formation requis en Belgique. L’épreuve d’aptitude consiste en un contrôle des connaissances, aptitudes et compétences profession- nelles du demandeur, qui a pour but d’apprécier son aptitude à exercer la profession d’expert-comptable certifi é ou de conseiller fi scal certifi é. L’épreuve d’aptitude doit prendre en considération le fait que le demandeur est un professionnel qualifi é dans l’État d’origine ou de provenance. Elle porte sur des matières à choisir parmi celles fi gurant sur la liste des matières qui, sur la base d’une comparaison entre la formation requise et celle reçue par le demandeur, ne sont pas couvertes par le diplôme ou le ou les titres dont il fait état. La connaissance de ces matières doit être une condition essentielle pour pouvoir exercer la profession d’expert-comptable certifi é ou de conseiller fiscal certifié. Cette épreuve peut également com- prendre la connaissance de la déontologie applicable à ces professions. Les modalités de l’épreuve d’aptitude, de l’établis- sement de la liste des matières et le statut du deman- deur qui souhaite s’y préparer, sont déterminées par le Conseil de l’Institut, dans le respect des règles du droit communautaire et de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifi cations professionnelles. S’il est envisagé d’exiger du demandeur qu’il passe une épreuve d’aptitude, il est préalablement vérifi é si les connaissances, aptitudes et compétences profes- sionnelles acquises comme expert-comptable certifi é ou comme conseiller fi scal certifi é dans un État membre ou dans un pays tiers, sont de nature à couvrir, en tout ou en partie, la différence substantielle de la formation. L’Institut informe le demandeur de la décision de le soumettre à une épreuve d’aptitude en mentionnant: DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 13 1° het vereiste kwalifi catieniveau en het niveau vol- gens de onderverdeling in artikel 13 van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalifi caties waarover de aanvrager beschikt; 2° de wezenlijke verschillen die de bekwaamheids- proef rechtvaardigen en de redenen waarom zij niet ge- compenseerd kunnen worden door de beroepskennis, -vaardigheden en -competenties, welke zijn verworven door de aanvrager door beroepservaring of levenslang leren, en die met dat doel door een bevoegde instantie formeel zijn gevalideerd. De bekwaamheidsproef wordt afgelegd binnen een termijn van zes maanden na het initiële besluit waarbij hem een bekwaamheidsproef is opgelegd. § 3. Het Instituut stuurt een ontvangstbevestiging binnen één maand na de ontvangst van het dossier van de aanvrager en deelt in voorkomend geval mee welk document of documenten ontbreken. De procedure voor het onderzoek van een in toepas- sing van dit artikel ingediende aanvraag moet zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk vier maanden na de in- diening van het volledige dossier van de aanvrager door een met redenen omkleed besluit worden afgesloten. Tegen dit besluit, of tegen het uitblijven ervan, kan beroep ingesteld worden bij de commissie van beroep. § 4. Het verlenen van de hoedanigheid en de titel aan de onderdanen van een lidstaat op basis van de artikelen 10 en 11 doet geen afbreuk aan hun recht om gebruik te maken van hun opleidingstitel die hen ver- leend is in hun lidstaat van oorsprong, alsook eventueel de afkorting ervan in de taal van die lidstaat. Deze titel moet gevolgd worden door de naam en plaats van de instelling of van de examencommissie die de titel heeft verleend. Afdeling 2 Diplomavereisten Art. 12 De diploma’s of titels bedoeld in artikel 10, § 1, 5°, die toegang geven tot het toelatingsexamen voor de stage en tot de hoedanigheid van gecertifi ceerd accountant en gecertifi ceerd belastingadviseur zijn: 1° de volgende diploma’s erkend door de Franse Gemeenschap: 1° le niveau de qualifi cation requis et le niveau fi gurant à l’article 13 de la loi du 12 février 2008 relative aux qua- lifi cations professionnelles dont dispose le demandeur; 2° les différences substantielles qui justifi ent l’épreuve d’aptitude et les raisons pour lesquelles elles ne peuvent pas être compensées par les connaissances, aptitudes et compétences professionnelles acquises par le demandeur au cours de son expérience professionnelle ou de son apprentissage toute au long de la vie, et ayant fait l’objet d’une validation en bonne et due forme par un organisme compétent. L’épreuve d’aptitude est passée dans un délai de six mois après la décision initiale qui lui impose une épreuve d’aptitude. § 3. L’Institut accuse réception du dossier du deman- deur dans un délai d’un mois à dater de sa réception et l’informe, le cas échéant, de tout document manquant. La procédure d’examen d’une demande introduite en application du présent article est sanctionnée par une décision dûment motivée et a lieu dans les plus brefs délais et au plus tard dans les quatre mois à compter de la présentation d’un dossier complet par le demandeur. Cette décision, ou l’absence de décision, est sus- ceptible d’un recours devant la commission d’appel. § 4. L’octroi de la qualité et du titre aux ressortissants d’un État membre sur base des articles 10 et 11, ne porte pas préjudice à leur droit de porter le titre de formation de leur État membre d’origine, et éventuellement de son abréviation dans la langue de cet État membre. Ce titre doit être suivi des nom et lieu de l’établissement ou du jury qui l’a délivré. Section 2 Exigences de diplômes Art. 12 Les diplômes et titres visés à l’article 10, § 1er, 5°, qui donnent accès à l’examen d’admission au stage et à la qualité d’expert-comptable certifi é et de conseiller fi scal certifi é sont: 1° les diplômes suivants reconnus par la Commu- nauté française: DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 14 a) een masterdiploma; b) een diploma van “Bachelor in de boekhouding”; c) een diploma van opleiding tot ondernemingshoofd met betrekking tot de activiteit van boekhouder of ac- countant afgeleverd door het “Institut wallon de forma- tion en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises” in uitvoering van het “décret du 17 juillet 2003 portant constitution d’un Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises” of door de Dienst opleiding KMO van de Franse Gemeenschapscommissie in uit- voering van het samenwerkingsakkoord, gesloten op 20 februari 1995 door de Franse Gemeenschapscom- missie, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest betreffende de Permanente Vorming van de Midden- stand en de kleine en middelgrote ondernemingen en het toezicht op het Instituut voor Permanente Vorming van de Middenstand en de kleine en middelgrote on- dernemingen, zoals gewijzigd door het aanhangsel van 4 juni 2003; 2° de volgende diploma’s erkend door de Vlaamse Gemeenschap: a) een masterdiploma; b) een bachelordiploma in bedrijfsmanagement af- studeerrichting “accountancy-fi scaliteit”; c) een diploma van gegradueerde van het hoger be- roepsonderwijs, studiegebied “handelswetenschappen en bedrijfskunde”, opleidingen “boekhouden” of “fi scale wetenschappen”; d) een titel met een erkende onderwijskwalifi catie van kwalifi catieniveau 5 van economisch of juridisch type overeenkomstig het decreet van 30  april  2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs; e) een titel met betrekking tot het beroep van boek- houder of accountancy behaald in het kader van een ondernemerschapstraject als bedoeld in het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechte- lijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap “Vlaams Agentschap voor Ondernemingsvorming – Syntra Vlaanderen”; 3° de volgende diploma’s erkend door de Duitstalige gemeenschap: a) een bachelordiploma in de fi nanciële en bestuurs- wetenschappen in het domein “boekhouding”; a) un diplôme de master; b) un diplôme de “Bachelier en comptabilité”; c) un diplôme de formation de chef d’entreprise concernant l’activité de comptable ou expert-comptable délivré par l’Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises en exécution du décret du 17 juillet 2003 portant consti- tution d’un Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises ou par le Service formation PME de la Commission communautaire française en exécution de l’accord de coopération conclu le 20 février 1995 par la Commission communautaire française, la Communauté française et la Région wallonne relatif à la formation permanente pour les Classes moyennes et les petites et moyennes entreprises et à la tutelle de l’Institut de Formation permanente pour les Classes moyennes et les petites et moyennes entreprises, tel que modifi é par l’avenant du 4 juin 2003; 2° Les diplômes suivants reconnus par la Commu- nauté fl amande: a) un diplôme de master; b) un diplôme de bachelier en gestion d’entreprise orientation “expertise comptable-fi scalité”; c) un diplôme de gradué de l’enseignement profes- sionnel supérieur, études en “sciences commerciales et gestion d’entreprise”, formations “comptabilité” ou “sciences fi scales”; d) un titre avec un niveau d’enseignement reconnu de niveau 5 de type juridique ou économique, confor- mément au décret du 30 avril 2009 relatif à l’enseigne- ment secondaire après secondaire et l’enseignement supérieur professionnel; e) un titre concernant la profession de comptable ou d’expertise comptable obtenu dans le cadre d’un trajet de formation de chef d’entreprise tel que visé par le décret du 7 mai 2004 portant création de l’agence auto- nomisée externe de droit public “Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen” (Agence fl amande pour la formation d’entrepreneurs – Syntra Flandre); 3° les diplômes suivants reconnus par la Commu- nauté germanophone: a) un diplôme de bachelier en sciences fi nancières et administratives dans le domaine “comptabilité”; DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 15 b) een titel met betrekking tot het beroep van boek- houder of accountant afgeleverd in het kader van het “Dekret von 16 Dezember 1991 über die Aus- und Wei- terbildung im Mittelstand und in kleinen und mittleren Unternehmen”; 4° een ander bachelordiploma van het economisch of juridisch type van het hoger economisch onderwijs dat voldoet aan de volgende voorwaarden: a) voor het toelatingsexamen van gecertifi ceerd ac- countant bevat het programma van de opleiding(en) in totaal minstens 45 ECTS voor wat betreft boekhoudkun- dige, fi scale of andere opleidingsonderdelen opgeno- men in het toelatingsexamen tot de stage; de andere dan de boekhoudkundige en fi scale opleidingsonderdelen echter worden opgenomen voor de berekening van de vereiste 45 ECTS, met een maximum van 3 ECTS per opleidingsonderdeel; b) voor het toelatingsexamen van belastingadviseur bevat het programma van de opleiding(en) in totaal minstens 35 ECTS voor wat betreft boekhoudkundige, fi scale of andere opleidingsonderdelen opgenomen in het toelatingsexamen; de andere dan de boekhoudkun- dige en fi scale opleidingsonderdelen echter worden op- genomen voor de berekening van de vereiste 35 ECTS, met een maximum van 3 ECTS per opleidingsonderdeel; c) de opleiding of opleidingen die in rekening worden gebracht voor de berekening van de ECTS bedoeld in a) zijn erkend door de Franse, Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap; 5° de diploma’s die op het einde van een opleidings- cyclus uitgereikt worden, waarvoor de student zich vóór de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven heeft en die op de dag van inschrijving toegang gaven tot de stage van accountant, van belastingconsulent of van boekhouder(-fi scalist) in toepassing van de wet van 22 april 1999; 6° de in het buitenland uitgereikte diploma’s mits de erkenning vooraf van hun gelijkwaardigheid door de Franse, Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap aan de diploma’s bedoeld onder 1° tot en met 5° en die in voor- komend geval de voorwaarden bedoeld in 4° naleven; 7° andere door de Koning vastgestelde diploma’s en titels, na advies van de Raad van het Instituut. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. b) un titre concernant la profession de comptable ou d’expert-comptable délivré dans le cadre du “Dekret von 16 Dezember 1991 über die Aus- und Weiterbildung im Mittelstand und in kleinen und mittleren Unternehmen”; 4° un autre diplôme de bachelier de type économique ou juridique de l’enseignement supérieur économique et remplissant les conditions suivantes: a) pour l’examen d’admission d’expert-comptable certifi é, le programme de la ou des formations com- prennent au total au moins 45 ECTS dans les matières comptables, fi scales ou autres matières reprises dans l’examen d’admission au stage; toutefois les matières autres que comptables et fi scales ne sont reprises pour le calcul des 45 ECTS requis qu’à concurrence de maximum 3 ECTS par matière; b) pour l’examen d’admission de conseiller fi scal, le programme de la ou des formations comprennent au total au moins 35 ECTS dans les matières comptables, fi scales ou autres matières reprises dans l’examen d’admission au stage; toutefois les matières autres que comptables et fi scales ne sont reprises pour le calcul des 35 ECTS requis qu’à concurrence de maximum 3 ECTS par matière; c) la ou les formations prises en compte pour le calcul des ECTS visés au point a) sont reconnus par la Communauté française, fl amande ou germanophone; 5° les diplômes délivrés à la fi n d’un cycle de forma- tion, pour lequel l’étudiant s’est inscrit avant l’entrée en vigueur de la présente loi et qui à la date d’inscription donnaient accès au stage d’expert-comptable, de conseil fi scal ou de comptable(-fi scaliste), en application de la loi du 22 avril 1999; 6° les diplômes délivrés à l’étranger moyennant la reconnaissance préalable de leur équivalence aux diplômes visés aux points 1° à 5° par la Communauté française, fl amande ou germanophone et qui respectent le cas échéant les conditions visées au point 4°; 7° d’autres diplômes et titres, fi xés par le Roi, après avis du Conseil de l’Institut. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 16 Afdeling 3 De stage Onderafdeling 1 De stageperiode Art. 13 § 1. De stageperiode voor de toekenning van de hoedanigheid als bedoeld in artikel 10 duurt minstens drie jaar. Zij kan worden verlengd met de duur van de schorsing die de stagecommissie om gegronde reden goedkeurt. Tijdens de stageperiode voert de stagiair minstens duizend uur per jaar activiteiten uit, met als doel vol- doende beroepservaring te verwerven voor het uit- oefenen van het beroep. De activiteiten van de stage worden vastgelegd in een stageovereenkomst met een beroepsbeoefenaar die al gedurende minstens vijf jaar het beroep uitoefent na het slagen in zijn stage. De stage wordt afgesloten met een bekwaam heids - examen. Slaagt de stagiair niet in het bekwaamheidsexamen binnen de acht jaar te rekenen vanaf de datum van zijn inschrijving in het openbaar register, dan wordt hij uit het openbaar register weggelaten. De stagiair kan slechts na een termijn van drie jaar de stage hervatten en na opnieuw geslaagd te zijn voor het toelatingsexamen. § 2. De bepalingen bedoeld in hoofdstuk 11, afde- ling 2, zijn van toepassing op de personen bedoeld onder paragraaf 1. Art. 14 De stagecommissie kan, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de stage inkorten of een vrij- stelling van de stage toestaan wanneer de persoon ten minste zeven jaar relevante ervaring met de uitoefening van het beroep kan aantonen. Art. 15 De stagecommissie kan een tussentijdse proef of meerdere tussentijdse proeven gedurende de stage organiseren om de verworven kennis en bekwaamheid voor het beroep te evalueren. Section 3 Le stage Sous-section 1re La période de stage Art. 13 § 1er. La durée du stage pour l’octroi de la qualité visée à l’article 10 dure au moins trois ans. Elle peut être prolongée de la durée de la suspension que la commission de stage approuve pour raisons légitimes. Pendant la période de stage, le stagiaire accomplit au moins mille heures par an d’activités, avec comme objectif d’acquérir suffisamment d’expérience pour l’exercice de la profession. Les activités du stage sont établies dans une convention de stage avec un profes- sionnel qui exerce la profession depuis déjà au moins cinq ans après la réussite de son stage. Le stage se clôture par un examen d’aptitude. Si le stagiaire ne réussit pas l’examen d’aptitude dans les huit ans à partir de la date de son inscription dans le registre public, il est dans ce cas omis du registre public. Le stagiaire ne peut recommencer le stage qu’après un délai de trois ans et après avoir à nouveau réussi l’examen d’admission. § 2. Les dispositions visées dans le chapitre  11, section 2, sont applicables aux personnes visées au paragraphe 1er. Art. 14 La commission de stage peut, sous les conditions fi xées par le Roi, raccourcir le stage ou accorder une dispense de stage lorsque la personne peut démontrer une expérience pertinente de sept ans au moins dans l’exercice de la profession. Art. 15 La commission de stage peut organiser une épreuve intermédiaire ou plusieurs épreuves intermédiaires pendant le stage en vue d’évaluer la connaissance et la compétence acquise pour la profession. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 17 Art. 16 De stagiair die ingeschreven is voor de stage van “gecertifi ceerd accountant” mag, mits de uitdrukkelijke toestemming vermeld in de stageovereenkomst, de activiteiten van gecertifi ceerd accountant uitoefenen bedoeld in artikel 3, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in artikel 3, 6° tot en met 8°, in opdracht en voor rekening van derden. Hij draagt in dit geval de titel van “stagiair gecertifi ceerd accountant”. Onverminderd het eerste lid, kan de Koning, na advies van de Raad van het Instituut, bepalen welke activiteiten de stagiair mag uitoefenen. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. Onderafdeling 2 De stagecommissie Art. 17 § 1. De Koning richt bij het Instituut een stagecom- missie in die belast is met de stage en het toekennen van de hoedanigheid van gecertifi ceerd accountant en van gecertifi ceerd belastingadviseur aan natuurlijke personen. De commissie staat onder toezicht van de Raad van het Instituut en heeft als opdracht advies uit te brengen aan de Raad van het Instituut over de volgende zaken: 1° de organisatie van het toelatingsexamen; 2° het verlenen van vrijstellingen voor opleidingson- derdelen van het toelatingsexamen; 3° het goedkeuren van stageovereenkomsten en het toezicht op de stage; 4° de organisatie van het bekwaamheidsexamen; 5° het organiseren van tussentijdse proeven; 6° de organisatie van de bekwaamheidsproef voor onderdanen van een andere lidstaat; 7° het verlenen van een vrijstelling van de stage of een inkorting van de stageduur voor de natuurlijke personen die een relevante beroepservaring van zeven jaar kunnen voorleggen; Art. 16 Le stagiaire qui est inscrit pour le stage d’“expert- comptable certifi é” peut, avec l’accord exprès men- tionné dans la convention de stage, exercer les acti- vités d’expert-comptable certifi é visées à l’article 3, à l’exception des activités visées à l’article 3, 6° à 8°, sur demande et pour compte de tiers. Il porte dans ce cas le titre d’“expert-comptable certifi é stagiaire”. Sans préjudice de l’alinéa 1er, le Roi peut, après avis du Conseil de l’Institut, déterminer quelles activités le stagiaire peut exercer. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. Sous-section 2 La commission de stage Art. 17 § 1er. Le Roi crée auprès de l’Institut une commission de stage chargée du stage et de l’octroi aux personnes physiques de la qualité d’expert-comptable certifi é et de conseiller fi scal certifi é. La commission est sous le contrôle du Conseil de l’Institut et a pour mission de rendre des avis au Conseil de l’Institut sur les affaires suivantes: 1° l’organisation de l’examen d’admission; 2° l’octroi de dispenses pour les parties de formation de l’examen d’admission; 3° l’approbation des conventions de stage et le contrôle du stage; 4° l’organisation de l’examen d’aptitude; 5° l’organisation d’épreuves intermédiaires; 6° l’organisation de l’épreuve d’aptitude pour les ressortissants d’un autre État membre; 7° l’octroi d’une dispense de stage ou de réduction de la durée du stage pour les personnes physiques qui peuvent établir une expérience professionnelle perti- nente de sept ans; DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 18 8° het selecteren van personen die de examenvragen voor het toelatingsexamen en het bekwaamheidsexa- men opstellen en verbeteren; 9° een voorstel van een examenreglement voor respectievelijk het toelatingsexamen en het bekwaam- heidsexamen ter goedkeuring voorleggen aan de Raad van het Instituut. § 2. Na advies van de Raad van het Instituut stelt de Koning het stagereglement vast. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. Het stagereglement houdt ten minste in: 1° de samenstelling, de werking, de opdracht en de procedures van de stagecommissie; 2° de inhoud en de nadere regels voor het toelatings- examen en de vrijstellingen; 3° de nadere regels van de stage, met inbegrip van de stageovereenkomst, de rechten en de verplichtingen gedurende de stage van zowel de stagemeester als de stagiair; 4° de inhoud en de nadere regels van het bekwaam- heidsexamen, met inbegrip van de samenstelling en de werking van de examenjury; 5° de procedure voor het toekennen van de vrijstelling van de stage na zeven jaar relevante beroepservaring; 6° de inhoud en de nadere regels van de bekwaam- heidsproef; 7° de procedure voor het instellen van hoger beroep. § 3. De stagecommissie maakt elk jaar een jaarver- slag op. Het verslag wordt aan de Raad van het Instituut ter goedkeuring voorgelegd. Art. 18 Tegen de volgende beslissingen van de Raad geno- men op voorstel van de stagecommissie kan beroep bij de commissie van beroep worden ingesteld: 1° beslissingen met betrekking tot het toelatingsexa- men, met name de vrijstellingen en het resultaat van het toelatingsexamen; 8° la sélection des personnes rédigeant et corrigeant les questions d’examen pour l’examen d’admission et l’examen d’aptitude; 9° soumettre à l’approbation du Conseil de l’Institut une proposition d’un règlement d’examen pour respec- tivement l’examen d’admission et l’examen d’aptitude. § 2. Après avis du Conseil de l’Institut, le Roi établit le règlement de stage. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. Le règlement de stage contient au moins: 1° la composition, le fonctionnement, la mission et les procédures de la commission de stage; 2° le contenu et les modalités de l’examen d’admis- sion et des dispenses; 3° les modalités de stage, y inclus la convention de stage, les droits et obligations tant du maître de stage que du stagiaire durant le stage; 4° le contenu et les modalités de l’examen d’aptitude, y compris la composition et le fonctionnement du jury d’examen; 5° la procédure pour l’octroi de la dispense de stage après sept ans d’expérience professionnelle pertinente; 6° le contenu et les modalités de l’épreuve d’aptitude; 7° la procédure pour l’introduction d’un recours. § 3. La commission de stage établit chaque année un rapport annuel. Le rapport est soumis à l’approbation du Conseil de l’Institut. Art. 18 Un recours peut être formé auprès de la commission d’appel contre les décisions suivantes du Conseil prises sur proposition de la commission de stage: 1° les décisions concernant l’examen d’admission, à savoir les dispenses et le résultat de l’examen d’admis- sion; DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 19 2° beslissingen met betrekking tot de stage, met name de stageovereenkomst en het verloop van de stage; 3° beslissingen met betrekking tot het bekwaam- heidsexamen; 4° beslissingen met betrekking tot de bekwaam- heidsproef. Afdeling 4 Eedafl egging Art. 19 Een natuurlijk persoon kan slechts ingeschreven worden in het openbaar register van het Instituut met de hoedanigheid van (intern) gecertifi ceerd accountant of van (intern) gecertifi ceerd belastingadviseur na het afl eggen van de eed na het slagen voor het bekwaam- heidsexamen. Art. 20 § 1. De persoon met de Belgische nationaliteit die in het openbaar register van het Instituut wenst ingeschre- ven te worden met de hoedanigheid van gecertifi ceerd accountant of gecertifi ceerd belastingadviseur legt de volgende eed af: “Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaam- heid aan de Grondwet en aan de wetten van het Bel- gische volk en ik zweer de opdrachten die mij worden toevertrouwd in eer en geweten te vervullen.”. De persoon die niet de Belgische nationaliteit heeft, legt de volgende eed af: “Ik zweer de opdrachten die mij worden toevertrouwd, in eer en geweten te vervullen volgens de voorschriften van de Belgische wet.”. De persoon die zijn woonplaats in België heeft, legt de eed af voor de ondernemingsrechtsbank van zijn woonplaats. De persoon die geen woonplaats in België heeft, legt de eed af voor de ondernemingsrechtsbank van zijn keuze. § 2. De persoon die in het openbaar register van het Instituut wenst ingeschreven te worden met de hoeda- nigheid van intern gecertifi ceerd accountant of intern gecertifi ceerd belastingadviseur, legt de eed af, bedoeld in paragraaf 1, eerste of tweede lid, voor de voorzitter of de ondervoorzitter van het Instituut. 2° les décisions concernant le stage, à savoir la convention de stage et le déroulement du stage; 3° les décisions concernant l’examen d’aptitude; 4° les décisions concernant l’épreuve d’aptitude. Section 4 Prestation de serment Art. 19 Une personne physique peut uniquement être ins- crite dans le registre public de l’Institut avec la qualité d’expert-comptable certifi é (interne) ou de conseiller fi scal certifi é (interne) qu’après avoir prêté serment après la réussite de l’examen d’aptitude. Art. 20 § 1er. La personne de nationalité belge qui désire être inscrite dans le registre public de l’Institut avec la qualité d’expert-comptable certifi é ou de conseiller fi scal certifi é prête le serment suivant: “Je jure fi délité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et je jure de remplir fi dèle- ment les missions qui me seront confi ées en honneur et conscience.”. La personne de nationalité étrangère prête serment dans les termes suivants:“Je jure de remplir fi dèlement, en honneur et conscience, selon les prescriptions de la loi belge, les missions qui me seront confi ées.”. La personne qui est domiciliée en Belgique prête ser- ment devant le tribunal de l’entreprise de son domicile. La personne qui n’a pas de domicile en Belgique prête serment devant le tribunal de l’entreprise de son choix. § 2. La personne qui désire être inscrite dans le registre de l’Institut avec la qualité d’expert-comptable certifi é interne ou de conseiller fi scal interne, prête le serment visé au paragraphe 1er, alinéa 1er ou 2 devant le président ou le vice-président de l’Institut. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 20 Afdeling 5 Inschrijving als accountant en fi scaal accountant en de overgang naar de hoedanigheid van gecertifi ceerd accountant en van gecertifi ceerd belastingadviseur Art. 21 De personen die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet ingeschreven waren op het tableau van “boekhouders” als bedoeld in artikel 46, § 1, tweede lid, van de wet van 22 april 1999, worden als (intern) accountant ingeschreven in het openbaar register van het Instituut. Wensen deze personen de hoedanigheid van “(intern) gecertifi ceerd accountant” te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken: 1° consolidatie; 2° interne controle; 3° accountantsonderzoek; 4° bijzondere opdrachten in het vennootschaps- en verenigingsrecht; 5° juridische beroepsnormen betreffende wettelijke en contractuele opdrachten voorhouden aan de gecer- tifi ceerde accountants. Wensen deze personen de hoedanigheid van “(in- tern) gecertifi ceerd belastingadviseur” te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken: 1° personenbelasting; 2° vennootschapsbelasting; 3° belasting over de toegevoegde waarde; 4° beginselen van de registratie- en successierech- ten; 5° fi scale procedure; 6° beginselen van het Europees en internationaal fi scaal recht. Section 5 Inscription comme expert-comptable et expert- comptable fi scaliste et passage vers la qualité d’expert- comptable certifi é et de conseiller fi scal certifi é Art. 21 Les personnes qui, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, étaient inscrites sur le tableau des “comptables” comme visé à l’article 46, § 1er, alinéa 2, de la loi du 22 avril 1999, sont inscrites comme expert- comptable (interne) dans le registre public de l’Institut. Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité d’ “expert-comptable certifi é (interne)”, elles doivent dans ce cas réussir l’examen d’aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les matières suivantes: 1° comptes consolidés; 2° contrôle interne; 3° révision comptable; 4° missions spéciales du droit des sociétés et des associations; 5° normes juridiques et professionnelles relatives aux missions légales et contractuelles réservées aux experts-comptables certifi és. Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité de “conseiller fi scal certifi é (interne)”, elles doivent dans ce cas réussir l’examen d’aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les matières suivantes: 1° impôt des personnes physiques; 2° impôt des sociétés; 3° taxe sur la valeur ajoutée; 4° principes des droits d’enregistrement et de suc- cession; 5° procédure fi scale; 6° les principes de droit fi scal européen et interna- tional. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 21 Art. 22 De personen die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, ingeschreven waren op het tableau van “boekhouders-fi scalisten” als bedoeld in artikel 46, § 1, tweede lid van de wet van 22 april 1999, worden als (intern) fi scaal accountant ingeschreven in het openbaar register van het Instituut. Wensen deze personen de hoedanigheid van “(intern) gecertifi ceerd accountant” te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de volgende vakken: 1° consolidatie; 2° interne controle; 3° accountantsonderzoek; 4° bijzondere opdrachten in het vennootschaps- en verenigingsrecht; 5° juridische beroepsnormen betreffende wettelijke en contractuele opdrachten voorbehouden aan de ge- certifi ceerde accountants. Wensen deze personen de hoedanigheid van “gecer- tifi ceerd belastingadviseur” te bekomen, dan moeten zij slagen voor het bekwaamheidsexamen, bestaande uit een schriftelijke en mondelinge proef over de beginselen van het Europees en internationaal fi scaal recht. De persoon die kiest voor de hoedanigheid van gecer- tifi ceerd belastingadviseur mag de activiteiten bedoeld in artikel 3, 1° tot en met 8°, niet meer uitoefenen. Afdeling 6 De tijdelijke en occasionele beroepsuitoefening Art. 23 § 1. De natuurlijke personen, onderdanen van een lid- staat, zijn gemachtigd om tijdelijk en occasioneel de ac- tiviteiten van gecertifi ceerd accountant of gecertifi ceerd belastingadviseur uit te oefenen zonder de voorwaarden te moeten vervullen als bedoeld in artikel 10 van deze wet volgens de nadere regels voorzien in de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalifi caties indien zij: 1° op wettige wijze zijn gevestigd in een andere lid- staat om er hetzelfde beroep uit te oefenen en Art. 22 Les personnes qui, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, étaient inscrites sur le tableau des “comptables-fi scalistes” comme visé à l’article 46, § 1er, alinéa 2, de la loi du 22 avril 1999, sont inscrites comme expert-comptable fi scaliste (interne) dans le registre public de l’Institut. Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité d’“expert-comptable certifi é  (interne)”, elles doivent dans ce cas réussir l’examen d’aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les matières suivantes: 1° comptes consolidés; 2° contrôle interne; 3° révision comptable; 4° missions spéciales du droit des sociétés et des associations; 5° normes juridiques et professionnelles relatives aux missions légales et contractuelles réservées aux experts-comptables certifi és. Si ces personnes souhaitent obtenir la qualité de “conseiller fi scal certifi é”, elles doivent dans ce cas réussir l’examen d’aptitude consistant en une épreuve orale et une épreuve écrite sur les principes de droit fi scal européen et international. La personne qui choisit la qualité de conseiller fi s- cal certifi é ne peut plus exercer les activités visées à l’article 3, 1° à 8°. Section 6 L’exercice temporaire et occasionnel Art. 23 § 1er. Les personnes physiques ressortissantes d’un État membre sont autorisées à exercer temporairement et occasionnellement les activités d’expert-comptable certifi é ou de conseiller fi scal certifi é, sans devoir remplir les conditions visées à l’article 10 de cette loi selon les modalités prévues dans la loi du 12 février 2008 relative aux qualifi cations professionnelles si: 1° elles sont légalement établies dans un autre État membre pour y exercer la même profession et DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 22 2° het beroep van gecertifi ceerd accountant of ge- certifi ceerd belastingadviseur gedurende de tien jaar die voorafgaan aan de dienstverrichting gedurende tenminste een jaar hebben uitgeoefend in één of meer lidstaten, indien het beroep niet gereglementeerd is in de lidstaat van vestiging. Het tijdelijk en occasioneel karakter van de dienst- verrichting wordt door de Raad van het Instituut per geval beoordeeld, met name in functie van de duur, de frequentie, de regelmaat en de continuïteit. §  2. In toepassing van artikel  9  van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroepskwalifi catie stellen de personen bedoeld in paragraaf 1 die zich voor het eerst naar België begeven om er tijdelijk en occasioneel het beroep van gecertifi ceerd accountant of gecertifi ceerd belastingadviseur uit te oefenen, de Raad van het Instituut hiervan vooraf in kennis door middel van een schriftelijke verklaring, met daarin de gegevens betreffende verzekeringsdekking of andere middelen van persoonlijke of collectieve bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid. Deze verklaring wordt eenmaal per jaar hernieuwd indien de dienstverrichter voornemens is om diensten te verrichten in België op een tijdelijke en occasionele manier tijdens het desbetreffende jaar. Bovendien, bij de eerste dienstverrichting of indien zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan in de door de documen- ten gestaafde situatie, bezorgt de dienstverrichter ook de documenten voorzien in artikel 9, § 2, a) tot d), van de wet van 12 februari 2008 betreffende de beroeps- kwalifi caties. De dienstverrichter kan die verklaring met alle mid- delen aanleveren. § 3. De personen die occasioneel en tijdelijk het beroep in België uitoefenen, voeren de activiteiten in België uit met naleving van het wettelijk, reglementair en normatief kader. De bepalingen bedoeld in hoofdstuk 11, afdeling 2 zijn op hen van toepassing. Afdeling 7 De toekenning van de hoedanigheid aan rechtspersonen Art. 24 Een rechtspersoon wordt op zijn verzoek in het openbaar register van het Instituut ingeschreven met de hoedanigheid van erkend rechtspersoon, indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet: 2° lorsque la profession d’expert-comptable certifi é ou de conseiller fi scal certifi é n’est pas réglementée dans l’État membre d’établissement, elles l’ont exercée dans un ou plusieurs États membres pendant au moins une année au cours des dix années qui précèdent leur prestation de services. Le caractère temporaire et occasionnel de la pres- tation de services est apprécié au cas par cas par le Conseil de l’Institut, notamment en fonction de sa durée, de sa fréquence, de sa périodicité et de sa continuité. § 2. En application de l’article 9 de la loi du 12 fé- vrier 2008 relative aux qualifi cations professionnelles, lorsque les personnes visées au paragraphe 1er se dé- placent vers le territoire de la Belgique pour la première fois pour exercer, de façon temporaire et occasionnelle, la profession d’expert-comptable certifi é ou de conseil- ler fi scal certifi é, elles en informent préalablement le Conseil de l’Institut par une déclaration écrite compre- nant les informations relatives aux couvertures d’assu- rance ou autres moyens de protection personnelle ou collective concernant la responsabilité professionnelle. Cette déclaration est renouvelée une fois par an si le prestataire de services compte fournir des services d’une manière temporaire ou occasionnelle en Bel- gique au cours de l’année concernée. En outre, lors de la première prestation de services ou en cas de changement matériel relatif à la situation établie par les documents, le prestataire de services fournit éga- lement les documents prévus à l’article 9, § 2, a) à d), de la loi du 12 février 2008 relative aux qualifi cations professionnelles. Le prestataire de services peut apporter cette décla- ration par tous les moyens. § 3. Les personnes qui exercent occasionnellement et temporairement la profession exercent les activités en Belgique dans le respect du cadre légal, réglementaire et normatif. Les dispositions prévues au chapitre 11, section 2 leur sont applicables. Section 7 Délivrance de la qualité aux personnes morales Art. 24 Une personne morale est inscrite dans le registre public de l’Institut, à sa demande, avec la qualité de personne morale reconnue, si cette personne morale répond aux conditions suivantes: DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 23 1° de rechtspersoon is opgericht met rechtspersoon- lijkheid naar Belgisch recht of naar het recht van een andere lidstaat; 2° het voorwerp en de activiteiten van de rechtsper- soon zijn beperkt tot de activiteiten bedoeld in artikel 3 of 6  of tot het uitoefenen van de hiermee verenigbare beroepsactiviteiten; 3° de rechtspersoon bezit enkel deelnemingen in an- dere vennootschappen of rechtspersonen, waarvan het maatschappelijk doel en de activiteiten niet onverenig- baar zijn met de uitoefening van de beroepsactiviteiten bedoeld in de artikelen 3 of 6; 4° de beroepsbeoefenaars en/of de personen die in een andere lidstaat een hoedanigheid bezitten die gelijkwaardig is aan één van de hoedanigheden gege- ven door het Instituut aan de beroepsbeoefenaars in België, hebben de meerderheid van het stemrecht in de algemene vergadering; 5° de meerderheid van de leden van het bestuursor- gaan bestaat uit beroepsbeoefenaars en/of personen die in een andere lidstaat een hoedanigheid bezitten die gelijkwaardig is aan één van de hoedanigheden gegeven door het Instituut aan de beroepsbeoefenaars in België. Wanneer de meerderheid van de leden van het bestuursorgaan (fi scale) accountants, gecertifi ceerde accountants of gecertifi ceerde belastingadviseurs zijn, wordt de melding “(fi scaal) accountant”, “gecertifi ceerd accountant” of “gecertifi ceerd belastingadviseur” opge- nomen in het openbaar register. Art. 25 De Koning kan, na advies van de Raad van het In- stituut, nadere regels vastleggen over de toekenning van de hoedanigheid aan rechtspersonen, alsook de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de hoedanigheid aan rechtspersonen van stagiairs en rechtspersonen uit derde landen. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. 1° la personne morale est constituée sous l’empire du droit belge ou du droit d’un autre État membre et dispose de la personnalité juridique; 2° l’objet et les activités de la personne morale sont limités aux activités professionnelles visées à l’ar- ticle 3 ou 6 ou à l’exercice d’activités professionnelles compatibles avec celles-ci; 3° la personne morale ne détient des participations que dans d’autres sociétés ou personnes morales dont l’objet social et les activités ne sont pas incompatibles avec l’exercice des activités professionnelles visées aux articles 3 ou 6; 4° les professionnels et/ou les personnes qui, dans un autre État membre, ont une qualité équivalente à l’une de celles délivrées par l’Institut aux professionnels en Belgique, ont la majorité des droits de vote à l’assem- blée générale; 5° la majorité des membres de l’organe de gestion est composée de professionnels et/ou de personnes qui ont dans un autre État membre une qualité équivalente à l’une de celles délivrées par l’Institut aux professionnels en Belgique. Lorsque la majorité des membres de l’organe de ges- tion sont soit des experts-comptables (fi scalistes), soit des experts-comptables certifi és, soit des conseillers fi scaux certifi és, la mention “expert-comptable (fi sca- liste)”, “expert-comptable certifi é” ou “conseiller fi scal certifi é” est reprise dans le registre public. Art. 25 Le Roi peut, après avis du Conseil de l’Institut, pré- ciser les modalités d’octroi de la qualité aux personnes morales, ainsi que les conditions et la procédure pour la reconnaissance de la qualité à des personnes morales de stagiaires et personnes morales de pays tiers. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 24 Afdeling 8 De weigering van de hoedanigheid aan natuurlijke personen en rechtspersonen Art. 26 De Raad van het Instituut kan de toekenning van de hoedanigheid van (intern) gecertifi ceerd accountant of (intern) gecertifi ceerd belastingadviseur aan een natuurlijk persoon weigeren, wanneer hij van oordeel is dat de onafhankelijkheid, de betrouwbaarheid en de bekwaamheid van de persoon in kwestie in het gedrang wordt gebracht of kan worden gebracht, meer bepaald in één van de volgende gevallen: 1° wanneer hij niet of niet meer aan de toelatingsvoor- waarden voldoet, als bepaald in artikel 10; 2° wanneer de persoon een beroepsactiviteit uitoefent die onverenigbaar is met de beroepsactiviteiten bedoeld in de artikelen 3 en 6. Art. 27 De Raad van het Instituut kan de toekenning van de hoedanigheid aan een rechtspersoon weigeren wanneer hij bij de beoordeling van de individuele aanvraag voor een toekenning van oordeel is dat de onafhankelijkheid, de betrouwbaarheid en de bekwaamheid van de rechts- persoon in het gedrang wordt gebracht of kan worden, meer bepaald in één van de volgende gevallen: 1° wanneer een beroepsbeoefenaar als vennoot, een zaakvoerder, een bestuurder of een lid van het directie- comité dat optreedt in naam en voor rekening van de rechtspersoon, niet of niet meer voldoet aan een van de voorwaarden vermeld in artikel 10, § 1, 2°, 3° en 4°; 2° wanneer de rechtspersoon of, in voorkomend geval, de rechtspersonen als vennoot of als lid van het bestuursorgaan en die beroepsbeoefenaar zijn : a) failliet werd verklaard; b) het voorwerp is van een vonnis tot opening van procedure van een gerechtelijke reorganisatie; c) gerechtelijk ontbonden werd; d) het voorwerp uitmaakt of heeft uitgemaakt van een gelijkaardige of administratieve maatregel in België, in een lidstaat of in een derde land of een strafrechtelijke veroordeling opgelopen heeft die in kracht van gewijsde Section 8 Le refus de la qualité aux personnes physiques et morales Art. 26 Le Conseil de l’Institut peut refuser l’octroi de la qua- lité d’expert-comptable certifi é (interne) ou de conseiller fi scal certifi é (interne) à une personne physique lorsqu’il est d’avis que l’indépendance, l’honorabilité et la com- pétence de la personne peuvent être ou sont mises en danger, en particulier dans les situations suivantes: 1° lorsqu’elle ne remplit pas ou plus les conditions d’admission, telles que prévues à l’article 10; 2° lorsque la personne exerce une activité profession- nelle qui est incompatible avec les activités profession- nelles visées aux articles 3 et 6. Art. 27 Le Conseil de l’Institut peut refuser à une personne morale l’octroi de la qualité lorsque, lors de l’appré- ciation de la demande individuelle, il est d’avis que l’indépendance, l’honorabilité et la compétence de la personne morale peuvent être ou sont mises en danger, en particulier dans l’une des situations suivantes: 1° lorsqu’un professionnel en tant qu’associé, un gérant, un administrateur ou un membre du comité de direction qui intervient au nom et pour le compte d’une personne morale, ne répond pas ou plus à l’une des conditions visées à l’article 10, § 1er, 2°, 3°, et 4°; 2° lorsque la personne morale ou, le cas échéant, les personnes morales comme associé ou comme membre de l’organe d’administration et qui sont des professionnels: a) a été déclarée en faillite; b) a fait l’objet d’un jugement d’ouverture de procé- dure de réorganisation judiciaire; c) a été judiciairement liquidé; d) fait ou a fait l’objet d’une mesure similaire ou d’une mesure administrative en Belgique, dans un État membre ou dans un pays tiers ou a fait l’objet d’une condamnation pénale coulée en force de chose jugée DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 25 is getreden voor een misdrijf als bedoeld in artikel 10, 4°, zelfs met uitstel, tot een geldboete van ten minste 1 500 euro, in voorkomend geval, te verhogen met de wettelijke opdeciemen, of een gelijkaardige veroordeling in een lidstaat of een derde land; 3° wanneer een vennoot, een zaakvoerder, een bestuurder of een lid van het directiecomité en die beroepsbeoefenaar is en optreedt in naam en voor rekening van de rechtspersoon, een beroepsactiviteit uitoefent die onverenigbaar is met de beroepsactiviteiten bedoeld in artikelen 3 en 6. Art. 28 Beroep tegen de in deze afdeling bedoelde beslis- singen van de Raad van het Instituut is mogelijk bij de commissie van beroep. HOOFDSTUK 5 Het openbaar register Afdeling 1 Inschrijving in het openbaar register Art. 29 Het Instituut houdt een openbaar register bij om toe te laten de lijst van personen die het beroep mogen uit- oefenen of de beroepstitel mogen dragen, te raadplegen en na te kijken. Elke beroepsbeoefenaar, zowel een natuurlijk als een rechtspersoon, wordt ingeschreven in het openbaar register, met de toevoeging van zijn hoedanigheid. De stagiairs worden eveneens ingeschreven in het openbaar register, met de vermelding van stagiair. De personen die het beroep binnen een arbeids- overeenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking uitoefenen en die aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 beantwoorden, worden ingeschreven met hun hoedanigheid. Het Instituut wijst bij de inschrijving aan elke inge- schreven persoon een inschrijvingsnummer toe. pour un délit visé à l’article 10, 4°, même avec sursis, à une amende de minimum 1 500 euros, à augmenter le cas échéant des décimes additionnels, ou d’une condamnation équivalente dans un État membre ou un pays tiers; 3° lorsqu’un associé, un gérant, un administrateur ou un membre du comité de direction et qui est un pro- fessionnel et intervient au nom et pour le compte d’une personne morale, exerce une activité professionnelle qui est incompatible avec les activités professionnelles visées aux articles 3 et 6. Art. 28 Un recours contre les décisions du Conseil de l’Ins- titut visées à la présente section est possible devant la commission d’appel. CHAPITRE 5 Le registre public Section 1re Inscription dans le registre public Art. 29 Un registre public est tenu au sein de l’Institut en vue de permettre de consulter et de vérifi er la liste des personnes autorisées à exercer la profession ou porter le titre professionnel. Chaque professionnel, tant la personne physique que la personne morale, est inscrite dans le registre public, avec l’ajout de sa qualité. Les stagiaires sont également inscrits au registre public, avec la mention de stagiaire. Les personnes qui exercent la profession dans le cadre d’un contrat de travail ou d’une profession rému- nérée par les pouvoirs publics et qui répondent aux conditions du chapitre 4, sont inscrites avec leur qualité. Lors de l’inscription, l’Institut attribue à chaque per- sonne inscrite un numéro d’inscription. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 26 Art. 30 Het openbaar register bevat de volgende gegevens: 1° de naam van de beroepsbeoefenaar of in voorko- mend geval van de stagiair of van de persoon bedoeld in artikel 29, vierde lid, het inschrijvingsnummer en de contactgegevens; 2° het adres waar de beroepsbeoefenaar kantoor houdt; 3° de hoedanigheid van de beroepsbeoefenaar of, in voorkomend geval, de vermelding van stagiair, (intern) (gecertifi ceerd) accountant, (intern) (gecertifi ceerd) belastingadviseur of (intern) fi scaal accountant; 4° in voorkomend geval, het netwerk waartoe de beroepsbeoefenaar behoort; 5° in voorkomend geval, het ondernemingsnummer; 6° in voorkomend geval, de melding bedoeld in arti- kel 24, tweede lid; 7° de taal, Nederlands of Frans, gekozen door de aan- vrager, zoals hernomen in zijn aanvraag tot inschrijving; 8° de datum van de eedafl egging. Art. 31 De Raad van het Instituut is belast met het houden en het bijwerken van de gegevens van het openbaar register. De beroepsbeoefenaar brengt de Raad van het In- stituut binnen de vijftien dagen na de wijziging op de hoogte van elke wijziging van de gegevens opgenomen in het openbaar register. Hij is verantwoordelijk voor de juistheid van de aan het Instituut meegedeelde gegevens. Art. 32 Het openbaar register bevat ook de gegevens van: 1° de personen die het beroep tijdelijk en occasioneel mogen uitoefenen, uit hoofde van artikel 23; 2° de natuurlijke personen en rechtspersonen uit derde landen die de beroepsactiviteit in België mogen uitoefenen, in uitvoering van artikel 25. Art. 30 Le registre public contient les informations suivantes: 1° le nom du professionnel ou, le cas échéant, du stagiaire ou de la personne visée à l’article  29, alinéa 4, le numéro d’inscription et les données de contact; 2° l’adresse où le professionnel a son cabinet; 3° la qualité du professionnel ou, le cas échéant, la mention de stagiaire, expert-comptable (certifi é) (interne), conseiller fi scal (certifi é) (interne) ou expert- comptable fi scaliste (interne); 4° le cas échéant, le réseau dont fait partie le pro- fessionnel; 5° le cas échéant, le numéro d’entreprise; 6° le cas échéant, la mention visée à l’article 24, alinéa 2; 7° la langue, le français ou le néerlandais, choisie par le demandeur, telle que reprise dans sa demande d’inscription; 8° la date de la prestation de serment. Art. 31 Le Conseil de l’Institut est chargé de la tenue et du traitement des données du registre public. Le professionnel informe le Conseil de l’Institut dans les quinze jours suivant la modifi cation, de toute modi- fi cation des données reprises dans le registre public. Il est responsable de l’exactitude des données commu- niquées à l’Institut. Art. 32 Le registre public contient également les données: 1° des personnes qui peuvent exercer temporaire- ment et occasionnellement la profession, sur la base de l’article 23; 2° des personnes physiques et morales de pays tiers qui peuvent exercer les activités professionnelles en Belgique en vertu de l’article 25. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 27 De Koning kan, na advies van de Raad van het Insti- tuut, het openbaar register aanvullen met bijkomende gegevens die rechtstreeks verband houden met de beroepsuitoefening, alsook de nadere regels van het openbaar register vaststellen. Die bijkomende gege- vens zijn beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van het openbaar register. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. Afdeling 2 Uitschrijving uit het openbaar register Art. 33 Wanneer de beroepsbeoefenaar of in voorkomend geval de stagiair of een (intern) gecertifi ceerd accoun- tant of een (intern) gecertifi ceerd belastingadviseur, een (intern) accountant of een (intern) fi scaal accountant hierom verzoekt, wordt hij uit het openbaar register uitgeschreven. Wanneer de persoon om de uitschrijving van het openbaar register verzoekt, nadat hij binnen de gestelde termijn is terechtgewezen als bepaald in artikel 86 of wanneer de betrokken persoon naar de tuchtinstanties wordt doorverwezen, kan hij slechts uitgeschreven worden na de beslissing van de tuchtcommissie of in voorkomend geval na de beslissing van de commissie van beroep. De uitschrijving heeft tot gevolg dat de betrokken persoon zijn hoedanigheid verliest. De persoonsgegevens behandeld door het Instituut worden bijgehouden zolang dat nodig is om de doelein- den door of krachtens deze wet te behalen en maximaal gedurende tien jaar te rekenen vanaf de uitschrijving. Afdeling 3 De herinschrijving in het openbaar register Art. 34 Elke beroepsbeoefenaar of in voorkomend geval de stagiair of een (intern) gecertifi ceerd accountant of een (intern) gecertifi ceerd belastingadviseur, een (intern) accountant of een (intern) fi scaal accountant die op zijn verzoek is uitgeschreven, kan na de uitschrijving om zijn herinschrijving verzoeken. Le Roi peut, après avis du Conseil de l’Institut, com- pléter le registre public de données supplémentaires directement liées à l’exercice de la profession ainsi que fi xer les modalités du registre public. Ces données supplémentaires sont limitées à ce qui est strictement nécessaire pour les objectifs du registre public. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. Section 2 Désinscription du registre public Art. 33 Lorsque le professionnel ou, le cas échéant, le sta- giaire ou l’expert-comptable certifi é (interne), le conseil- ler fi scal certifi é (interne), l’expert-comptable (interne) ou l’expert-comptable-fi scaliste (interne) le demande, il est désinscrit du registre public. Lorsque la personne demande sa désinscription du registre public, lorsqu’elle a été rappelée à l’ordre dans le délai fi xé, comme fi xé à l’article 86, ou lorsque la personne concernée est renvoyée devant les instances disciplinaires, elle ne peut être désinscrite qu’après la décision de la commission de discipline ou, le cas échéant, qu’après la décision de la commission d’appel. La désinscription a pour conséquence que la per- sonne perde sa qualité. Les données à caractère personnel traitées par l’Institut sont conservées le temps nécessaire à la réalisation des fi nalités par ou en vertu de la présente loi et au maximum dix ans à partir de la désinscription. Section 3 La réinscription dans le registre public Art. 34 Tout professionnel ou, le cas échéant, le stagiaire ou l’expert-comptable certifi é (interne), le conseiller fi scal certifi é (interne), l’expert-comptable (interne) ou l’expert-comptable-fi scaliste (interne) qui est désinscrit à sa demande peut, après la désinscription, demander sa réinscription. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 28 Een herinschrijving is pas mogelijk wanneer hij de voorwaarden voor de toelating tot het beroep opnieuw vervult. De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de herinschrijving in het openbaar register. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. Art. 35 Beroep tegen de weigering van herinschrijving kan door de uitgeschrevene worden ingesteld bij de com- missie van beroep. HOOFDSTUK 6 Uitoefening van het beroep Afdeling 1 Principe Art. 36 § 1. Alle beroepsbeoefenaars, stagiairs, interne ge- certifi ceerde accountants, interne gecertifi ceerde be- lastingadviseurs, interne accountants of interne fi scaal accountants en personen bedoeld in artikel 23 oefenen hun beroepsactiviteit uit met toepassing van het wet- telijk, reglementair en normatief kader dat op hen van toepassing is. § 2. De Koning legt na advies van de Raad van het Instituut de specifi eke maatregelen vast met betrekking tot de deontologie en de maatregelen om de onafhan- kelijkheid te verzekeren. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. Deze regels zijn in voorkomend geval verschillend naargelang de persoon zijn activiteiten uitoefent als zelfstandige of onder een ander statuut en voor de personen bedoeld in artikel 23. § 3. Wanneer in dit hoofdstuk wordt verwezen naar de persoon ingeschreven in het openbaar register, is elke La réinscription est uniquement possible lorsque les conditions d’accès à la profession sont à nouveau remplies. Le Roi détermine, après avis du Conseil de l’Institut, les modalités de la réinscription dans le registre public. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. Art. 35 Un appel peut être interjeté par la personne désins- crite auprès la commission d’appel contre le refus de réinscription. CHAPITRE 6 Exercice de la profession Section 1re Principe Art. 36 § 1er. Tous les professionnels, stagiaires, experts- comptables certifi és internes, conseillers fi scaux certi- fi és internes, experts-comptables internes ou experts- comptables fi scalistes internes et les personnes visées à l’article 23 exercent leurs activités professionnelles dans le respect du cadre légal, réglementaire et normatif qui leur est applicable. § 2. Le Roi détermine, après avis du Conseil de l’Ins- titut, les mesures spécifi ques relatives à la déontologie ainsi que les mesures visant à assurer l’indépendance. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. Ces règles sont, le cas échéant, différentes selon que la personne exerce ses activités sous le statut d’indé- pendant ou sous un autre statut, et pour les personnes visées à l’article 23. § 3. Lorsque dans le présent chapitre, il est fait réfé- rence à la personne inscrite dans le registre public, toute DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 29 persoon vermeld in paragraaf 1 aan die bepaling on- derworpen. Wanneer wordt verwezen naar de beroeps- beoefenaar is enkel hij aan die bepaling onderworpen. Afdeling 2 Onafhankelijkheid Art. 37 Elke persoon ingeschreven in het openbaar register handelt bij het vervullen van de hem toevertrouwde ac- tiviteiten of opdrachten in volledige onafhankelijkheid, met respect voor de beginselen van de deontologie. Voor een beroepsbeoefenaar hebben deze minstens betrekking op de verantwoordelijkheid voor het open- baar belang van de beroepsbeoefenaar, zijn integriteit en objectiviteit, alsmede op zijn vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, zijn respect voor de vertrouwelijkheid en zijn professionaliteit. Afdeling 3 Organisatie van de beroepsactiviteiten Art. 38 De beroepsbeoefenaar organiseert zijn beroepsac- tiviteiten in functie van de aard en de omvang van zijn cliëntenbestand en evenredig met de complexiteit van de opdrachten die hij uitvoert. Hij voorziet de gepaste organisatorische en fi nanciële middelen. Hij zet per- soneel met gepaste beroepskwalifi caties adequaat in. Afdeling 4 Bekwaamheid Art. 39 Elke persoon ingeschreven in het openbaar register beschikt over de nodige beroepsbekwaamheid om de activiteiten of opdrachten te vervullen die hem kan worden toegewezen of wordt toegewezen. Hij zet daartoe op regelmatige basis en op continue wijze een permanente vorming voort om zijn beroeps- kennis en -bekwaamheid en zijn beroepsethiek op voldoende peil te houden. De Raad van het Instituut is belast met het toezicht op de permanente vorming van de beroepsbeoefenaar, met uitzondering van de stagiairs. personne mentionnée au paragraphe 1er est visée par la disposition. Lorsqu’il est fait référence au professionnel, seul celui-ci est concerné par la disposition. Section 2 Indépendance Art. 37 Toute personne inscrite au registre public s’acquitte en toute indépendance des activités ou des missions qui lui sont confi ées, dans le respect des principes déon- tologiques. Pour un professionnel, ceux-ci portent au moins sur la fonction d’intérêt public du professionnel, son intégrité et son objectivité, ainsi que sur sa compé- tence et sa diligence, son respect de la confi dentialité et son professionnalisme. Section 3 Organisation des activités professionnelles Art. 38 Le professionnel organise ses activités profession- nelles en fonction de la nature et de l’étendue de sa clientèle et de manière équilibrée à la complexité des missions exécutées. Il prévoit des moyens organisation- nels et fi nanciers appropriés. Il engage du personnel avec des qualifi cations professionnelles appropriées. Section 4 Compétence Art. 39 Toute personne inscrite au registre public dispose de la compétence professionnelle nécessaire pour remplir les activités ou les missions qui peuvent lui être ou lui sont confi ées. Elle poursuit à cet effet de manière régulière et continue une formation permanente pour maintenir à un niveau suffisant sa connaissance, son éthique et ses compétences professionnelles. Le Conseil de l’Institut est chargé du contrôle sur la formation permanente du professionnel, à l’exclusion des stagiaires. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 30 De inhoud en het minimum aantal uren permanente vorming worden vastgelegd in een norm, als bedoeld in artikel 72, eerste lid, 2°. Afdeling 5 Cliënten Art. 40 Voor het aanvaarden van een opdracht beschikt de beroepsbeoefenaar over de nodige bekwaamheid, medewerking en tijd om de opdracht behoorlijk uit te voeren. Art. 41 De beroepsbeoefenaar maakt, in overleg met zijn cliënt, een opdrachtbrief op, die de uitvoering van iedere opdracht voorafgaat. Deze opdrachtbrief omschrijft op een evenwichtige wijze de wederzijdse rechten en plichten van de cliënt en de beroepsbeoefenaar. De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de toepassing van de opdrachtbrief. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. Art. 42 Bij een opdracht die de cliënt aan een beroepsbe- oefenaar als rechtspersoon heeft gegeven, moet die rechtspersoon onder zijn vennoten, zaakvoerders of bestuurders een vertegenwoordiger aanduiden die een natuurlijk persoon is en die de hoedanigheid heeft om deze opdracht uit te voeren. Deze vertegenwoordiger staat in voor de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechts- persoon. Voor deze vertegenwoordiger gelden dezelfde voorwaarden en dezelfde aansprakelijkheid als wanneer hij die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen. De betrokken vennootschap kan haar vertegenwoordiger enkel ontslaan als zij tegelijkertijd een opvolger aanduidt. Le contenu et le nombre d’heures minimum de for- mation sont fi xés dans une norme, visée à l’article 72, alinéa 1er, 2°. Section 5 Clients Art. 40 Le professionnel dispose, avant d’accepter une mis- sion, de la compétence, de la collaboration et du temps nécessaires pour mener à bien la mission. Art. 41 Le professionnel établit, en concertation avec son client, une lettre de mission, précédant l’ exécution de toute mission. Cette lettre de mission décrit d’une manière équilibrée les droits et obligations respectives du client et du professionnel. Le Roi détermine, après avis du Conseil de l’Institut, les modalités d’application de la lettre de mission. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. Art. 42 Lors d’une mission confi ée par un client à un profes- sionnel agissant en tant que personne morale, cette per- sonne morale est tenue de désigner parmi ses associés, gérants ou administrateurs un représentant personne physique qui a la qualité pour exercer cette mission. Ce représentant est chargé de l’exécution de la mis- sion au nom et pour le compte de la personne morale. Ce représentant est soumis aux mêmes conditions et encourt la même responsabilité disciplinaire que s’il exerçait cette mission en son nom et pour son compte. La personne morale concernée ne peut révoquer son représentant qu’en désignant simultanément son suc- cesseur. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 31 Art. 43 De beroepsbeoefenaar is ertoe gehouden om alle boeken, documenten en elektronische of andere gege- vens die toebehoren aan de cliënt onverwijld uit handen te geven, wanneer deze erom verzoekt. Afdeling 6 Aansprakelijkheid Art. 44 De beroepsbeoefenaar is aansprakelijk, overeen- komstig het gemeen recht, voor de uitvoering van de opdrachten die hem zijn toevertrouwd. Het is de beroepsbeoefenaar verboden om zich, zelfs gedeeltelijk, aan zijn aansprakelijkheid te onttrek- ken door een bijzondere overeenkomst in de volgende gevallen: 1° in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden; 2° bij de uitoefening door een gecertifi ceerd ac- countant van een opdracht die door of krachtens de wet wordt toevertrouwd aan de commissaris of, bij gebrek aan een commissaris, aan een bedrijfsrevisor of aan een gecertifi ceerd accountant overeenkomstig artikel 24, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren. De beroepsbeoefenaar is verplicht om zich voor zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid te verzekeren met een verzekeringscontract. De beroepsbeoefenaar bezorgt een bevestiging van zijn verzekeringscontract ter goedkeuring aan het Insti- tuut. De verzekeringsovereenkomst beantwoordt aan de minimale verzekeringsvoorwaarden bepaald door de Koning na advies van de Raad van het Instituut. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. Art. 43 Le professionnel doit immédiatement remettre tous les livres et documents et informations électroniques ou autres appartenant au client, à la demande de ce dernier. Section 6 Responsabilité Art. 44 Le professionnel est responsable, conformément au droit commun, de l’exécution des missions qui lui sont confi ées. Il est interdit au professionnel de s’exonérer, même partiellement, par un contrat particulier, de sa respon- sabilité, dans les cas suivants: 1° en cas de faute commise avec une intention frau- duleuse ou aux fi ns de nuire; 2° lors de l’accomplissement d’une mission exécutée par un expert-comptable certifi é dont l’accomplissement est réservé par ou en vertu de la loi au commissaire ou, en l’absence de commissaire, à un réviseur ou à un expert-comptable certifi é conformément à l’article 24, § 1er, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des révi- seurs d’entreprises. Le professionnel est tenu de faire couvrir sa respon- sabilité civile professionnelle par un contrat d’assurance. Le professionnel soumet une attestation de son contrat d’assurance à l’approbation de l’Institut. Le contrat d’assurance répond aux conditions minimales fi xées par le Roi, après avis du Conseil de l’Institut. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 32 Afdeling 7 Erelonen Art. 45 De beroepsbeoefenaar mag, zowel tegenover een cliënt als tegenover een andere beroepsbeoefenaar, alleen aanspraak maken op het ereloon en de vergoe- ding van de kosten voor de door hem uitgevoerde op- drachten, met uitsluiting van elke andere rechtstreekse of onrechtstreekse vergoeding, tenzij het gaat om een vergoeding voor het verbreken van de overeenkomst. Art. 46 Het bedrag van het ereloon van de beroepsbeoefe- naar moet vastgesteld worden in functie van de aard, het belang, de complexiteit, de omvang en de reikwijdte van de opdracht, rekening houdend met de verantwoor- delijkheid die de beroepsbeoefenaar op zich neemt en met zijn bijzondere kwalifi caties. Art. 47 Het is de beroepsbeoefenaar verboden om op eniger- lei wijze commissie- of makelaarslonen of welk voordeel dan ook toe te kennen of te ontvangen dat verband houdt met zijn opdrachten. Afdeling 8 Onverenigbaarheden en belangenconfl icten Art. 48 Het is de persoon die in het openbaar register is ingeschreven met een hoedanigheid niet toegestaan om activiteiten uit te oefenen of daden te stellen die onverenigbaar zijn met de onafhankelijkheid van zijn hoedanigheid. Het is hem niet toegestaan om opdrachten te aan- vaarden onder voorwaarden die een objectieve uitvoe- ring daarvan in het gedrang zouden brengen of een belangenconfl ict zouden teweegbrengen. Art. 49 De Koning kan, na advies van de Raad van het In- stituut, de nadere regels vaststellen met betrekking tot de onverenigbaarheden met het beroep en de uitzon- deringen hierop. Section 7 Honoraires Art. 45 Le professionnel ne peut, tant à l’égard d’un client que d’un autre professionnel, recevoir des honoraires et des remboursements de frais que pour les missions qu’il a exécutées, à l’exclusion de toute autre rémuné- ration, qu’elle soit directe ou indirecte, sauf s’il s’agit d’une indemnité pour rupture du contrat. Art. 46 Le montant des honoraires du professionnel doit être fi xé en fonction de la nature, de l’importance, de la com- plex ité, du volume et de la portée de la mission, compte tenu de la responsabilité assumée par le professionnel et de ses compétences particulières. Art. 47 Il est interdit au profe ssionnel de se voir attribuer ou de percevoir de quelque façon que ce soit, des commis- sions, des courtages ou d’autres avantages en rapport avec ses missions. Section 8 Incompatibilités et confl its d’intérêt Art. 48 Il est interdit à toute personne inscrite au registre public avec une qualité d’exercer des activités ou de poser des actes qui sont incompatibles avec l’indépen- dance de sa qualité. Il lui est interdit d’accepter des missions sous des conditions qui mettraient leur exécution objective en danger ou qui mèneraient à un confl it d’intérêt. Art. 49 Le Roi peut, après avis du Conseil de l’Institut, pré- ciser les règles concernant les incompatibilités avec la profession et les exceptions à celles-ci. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 33 De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. Afdeling 9 Geheimhouding Art. 50 Onverminderd zijn verplichtingen inzake beroeps- geheim, is de persoon ingeschreven in het openbaar register gehouden tot de verplichting van geheimhou- ding van gegevens die hem uitdrukkelijk of stilzwijgend in de uitoefening van zijn beroep zijn toevertrouwd en van de feiten met een vertrouwelijk karakter die hij in de uitoefening van zijn beroep zelf heeft vastgesteld. Art. 51 Er kan de persoon ingeschreven in het openbaar register geen inbreuk op de verplichting van geheim- houding ten laste worden gelegd: 1° wanneer hij geroepen wordt om in rechte getuige- nis af te leggen; 2° wanneer de wet hem tot mededeling van gegevens verplicht; 3° in de uitoefening van zijn recht van verdediging in tuchtaangelegenheden; 4° wanneer en in de mate waarin hij, betreffende aangelegenheden die zijn opdrachtgever persoonlijk aanbelangen, door deze laatste uitdrukkelijk van zijn plicht tot geheimhouding is ontslaan. Art. 52 Indien de persoon ingeschreven in het openbaar register vertrouwelijke informatie deelt met zijn per- soneelsleden, stagiairs, of met andere beroepsbeoe- fenaars, moet hij erop toezien dat zij het vertrouwelijk karakter daarvan eerbiedigen. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. Section 9 Confi dentialité Art. 50 Sans préjudice de ses obligations en matière de secret professionnel, la personne inscrite au registre public est tenue à un devoir de confidentialité à l’égard des données qui lui sont expressément ou tacitement confi ées dans le cadre de l’exercice de sa profession et des faits qui ont un caractère confi dentiel qu’elle a elle-même constatés dans le cadre de l’exer- cice de sa profession. Art. 51 Une atteinte au devoir de confi dentialité ne peut pas être imputée à la personne inscrite au registre public: 1° lorsqu’elle est appelée à témoigner en justice; 2° lorsque la loi l’oblige à la communication de don- nées; 3° dans l’exercice de son droit de défense en matière disciplinaire; 4° lorsque et dans la mesure où elle a été déchargée expressément de son devoir de confi dentialité par son mandataire pour les matières qui le concernent. Art. 52 Si la personne inscrite au registre public communique des informations confi dentielles à son personnel, à ses stagiaires ou à d’autres professionnels, elle doit veiller à ce qu’ils respectent leur caractère confi dentiel. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 34 Afdeling 10 Relaties met het Instituut Art. 53 Om zijn werkzaamheden uit te oefenen of zijn over- eenkomstige beroepstitel te dragen, moet elke persoon ingeschreven zijn in het openbaar register van het Insti- tuut. Die persoon deelt daartoe alle vereiste gegevens mee aan de Raad van het Instituut. De beroepsbeoefenaar verleent zijn medewerking aan het Instituut ter vervulling van de opdracht van het Instituut. De beroepsbeoefenaar waartegen een gerechtelijke of een bestuursrechtelijke procedure omtrent zijn hoe- danigheid of de uitoefening van zijn beroepsactiviteit loopt, moet de Raad van het Instituut hiervan onverwijld in kennis stellen. Afdeling 11 Bijdragen Art. 54 De personen, natuurlijke of rechtspersonen, inge- schreven met een hoedanigheid en de stagiairs betalen jaarlijks een bijdrage aan het Instituut. De Koning bepaalt het maximumbedrag van de bijdragen voor de verschillende groepen personen bedoeld in het eerste lid. Het bedrag van de bijdrage wordt door de algemene vergadering vastgesteld naar- gelang de hoedanigheid. Voor de personen die voor de inwerkingtreding van deze wet als erkend boekhouder (-fi scalist) waren ingeschreven bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten mag het be- drag van de vastgelegde bijdrage niet hoger zijn dan het bedrag dat bij dat Beroepsinstituut van kracht was. De bijdrage kan jaarlijks geïndexeerd worden. HOOFDSTUK 7 Kwaliteitstoetsing Art. 55 Om de zeven jaar worden de beroepsactiviteiten van een beroepsbeoefenaar door middel van een kwaliteit- stoetsing beoordeeld. Section 10 Relations avec l’Institut Art. 53 Pour accomplir ses activités ou porter le titre profes- sionnel correspondant, toute personne doit être inscrite dans le registre public de l’Institut. Cette personne communique à cet effet toutes les données requises au Conseil de l’Institut. Le professionnel apporte sa collaboration à l’Institut pour l’accomplissement de la mission de l’Institut. Le professionnel à l’encontre duquel une procédure judiciaire ou administrative portant sur sa qualité ou l’exercice de son activité professionnelle est en cours, doit en informer sans délai le Conseil de l’Institut. Section 11 Cotisations Art. 54 Les personnes, physiques ou morale inscrites avec une qualité et les stagiaires paient annuellement une cotisation à l’Institut. Le Roi détermine le montant maximum des coti- sations pour les différentes catégories de personnes visées à l’alinéa 1er. Le montant de la cotisation est fi xé par l’assemblée générale en fonction de la qualité. Pour les personnes qui avant l’entrée en vigueur de la présente loi étaient inscrites comme comptables (- fi sca- listes) agréés à l’Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés, le montant de la cotisation fi xée ne peut être supérieur au montant qui était en vigueur dans cet Institut professionnel. La cotisation peut être annuellement indexée. CHAPITRE 7 Revue qualité Art. 55 Les activités professionnelles d’un professionnel sont évaluées tous les sept ans au moyen d’une revue qualité. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 35 Art. 56 De kwaliteitstoetsing heeft in het bijzonder tot doel na te gaan of de beroepsbeoefenaar over een organisatie beschikt die aangepast is aan de aard en de omvang van zijn beroepsactiviteiten en of de beroepsbeoefenaar de beroepsactiviteiten verricht overeenkomstig het wet- telijk, reglementair en normatief kader. Het Instituut wijst voldoende middelen voor de kwa- liteitstoetsing toe, zodat de onafhankelijkheid en de autonomie van de kwaliteitstoetsing van de beroeps- beoefenaars verzekerd zijn. De methodologie, de uitvoering van de kwaliteitstoet- sing en de beoordeling zijn passend en evenredig met de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beroepsbeoefenaar waarvoor een toetsingsopdracht wordt uitgevoerd. Art. 57 De kwaliteitstoetsing wordt door toetsers op een onafhankelijke en autonome wijze uitgevoerd. Deze toetsers beschikken over passende beroepskwalifi caties en relevante beroepservaring en hebben een specifi eke opleiding genoten op het vlak van de kwaliteitstoetsing. De toetsers worden geselecteerd volgens een objectieve procedure die is opgezet om belangencon- fl icten tussen de toetser en de beroepsbeoefenaar te voorkomen. Art. 58 De beroepsbeoefenaar verschaft in het kader van de kwaliteitstoetsing toegang tot zijn kantoor aan de toetser, wanneer de commissie kwaliteitstoetsing, be- doeld in artikel 60, eerste lid, hem de kwaliteitstoetsing minstens twee maanden vooraf heeft aangekondigd of, in voorkomend geval na het toestaan van een eventu- eel uitstel, op de datum die tussen het Instituut en de beroepsbeoefenaar is overeengekomen. De beroepsbeoefenaar geeft in het kader van de kwa- liteitstoetsing aan de toetser inzage in alle informatie die betrekking heeft op de beroepsuitoefening en bezorgt, indien de toetser dit nodig acht voor het uitvoeren van zijn opdracht, een afschrift aan de toetser. Art. 56 La revue qualité a notamment pour objectif de véri- fi er que le professionnel est doté d’une organisation appropriée par rapport à la nature et à l’étendue de ses activités professionnelles et que le professionnel effectue ses activités professionnelles conformément au cadre légal, réglementaire et normatif. L’Institut accorde des moyens suffisants pour la revue qualité, de sorte que l’indépendance et l’autonomie de la revue qualité des professionnels soient assurées. La méthodologie, l’exécution de la revue qualité et l’évaluation sont appropriées et proportionnées à l’ampleur et à la complexité des activités menées par le professionnel soumis à cette revue qualité. Art. 57 La revue qualité est exécutée par des rapporteurs de manière indépendante et autonome. Ces rapporteurs disposent de la formation et de l’expérience profession- nelles appropriées et ont suivi une formation spécifi que à la revue qualité. La sélection des rapporteurs est effectuée selon une procédure objective conçue pour éviter tout confl it d’intérêt entre le rapporteur et le professionnel. Art. 58 Dans le cadre de la revue qualité, le professionnel donne accès à son cabinet au rapporteur, lorsque la commission revue qualité, visée à l’article 60, alinéa 1er, lui a annoncé la revue qualité au moins deux mois à l’avance ou, le cas échéant, après l’octroi d’un éventuel report, à la date convenue entre la commission revue qualité et le professionnel. Dans le cadre de la revue qualité, le professionnel donne l’accès au rapporteur à toutes les informations relatives à l’exercice de la profession et, si le rapporteur le juge nécessaire pour accomplir sa mission, en fournit copie au rapporteur. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 36 Art. 59 Wanneer blijkt dat de beroepsbeoefenaar inbreuken heeft gepleegd met betrekking tot de toepassing van het wettelijk en reglementair kader, kan de Raad van het Instituut: 1° een verbeterplan aan de beroepsbeoefenaar opleggen; 2° de beroepsbeoefenaar verwijzen naar de rechts- kundig assessor bedoeld in artikel 90. Wanneer de Raad van het Instituut de beroepsbeoe- fenaar naar de rechtskundig assessor verwijst, brengt hij de Procureur des Konings op de hoogte. Art. 60 De Koning stelt een reglement van kwaliteitstoetsing op, na advies van de Raad van het Instituut, en richt bij het Instituut een commissie kwaliteitstoetsing op, belast met de organisatie van de kwaliteitstoetsing. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. De commissie kwaliteitstoetsing maakt elk jaar een jaarverslag op. Het verslag wordt ter goedkeuring aan de Raad van het Instituut voorgelegd en ter informatie aan de algemene vergadering voorgelegd. HOOFDSTUK 8 Het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants Afdeling 1 Oprichting Art. 61 Er wordt een Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants (IBA) opgericht. Het Instituut bezit rechtspersoonlijkheid. Het Instituut treedt in de rechten en verplichtingen van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten en van het Instituut van de Accountants en de Art. 59 Lorsqu’il est constaté que des infractions en ce qui concerne l’application du cadre légal, réglementaire et normatif ont été commises par le professionnel, le Conseil de l’Institut peut: 1° soumettre un plan d’amélioration au professionnel; 2° renvoyer le professionnel vers l’assesseur juridique visé à l’article 90. Dans le cas où le Conseil de l’Institut renvoie le professionnel vers l’assesseur juridique, il en informe le Procureur du Roi. Art. 60 Le Roi établit un règlement de la revue qualité, après avis du Conseil de l’Institut, et crée auprès de l’Institut une commission revue qualité, chargée de l’organisation de la revue qualité. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. La commission revue qualité établit annuellement un rapport de gestion. Le rapport est soumis au Conseil de l’Institut pour approbation et transmis à l’assemblée générale pour information. CHAPITRE 8 L’Institut des Conseillers fi scaux et des Experts-comptables Section 1re Création Art. 61 Il est créé un Institut des Conseillers fi scaux et des Experts-comptables (ICE). L’Institut jouit de la personnalité civile. L’Institut dispose des droits et des obligations de l’Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés et de l’Institut des Experts-comptables et des DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 37 Belastingconsulenten. De Koning stelt, na advies van de Raad van het Instituut, een huishoudelijk reglement vast. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. De maatschappelijke zetel is gevestigd in het Brus- selse Hoofdstedelijke Gewest. In zijn communicatie mag het Instituut ook de bena- ming “Belgian Institute for tax advisors and accountants” gebruiken. Afdeling 2 Opdracht Art. 62 § 1. Het Instituut heeft als opdracht: 1° het beschermen van de rechten en de gemeen- schappelijke beroepsbelangen van de personen inge- schreven in het openbaar register; 2° het toezien op de toegang tot het beroep van gecertifi ceerd accountant en gecertifi ceerd belasting- adviseur door het voorzien van een toelatingsexamen en een stage, alsook van een bekwaamheidsexamen; 3° het beheer van een openbaar register; 4° het toezien op de permanente vorming; 5° het toezicht op de beroepsuitoefening, met alle noodzakelijke waarborgen op het vlak van bekwaam- heid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapen- heid door het voorzien van een tuchtregeling; 6° het verschaffen van de toegang tot het beroep voor beroepsbeoefenaars uit een andere lidstaat die in België de activiteiten als bedoeld in de artikelen 3 en 6 wensen uit te voeren; 7° het toezien op de naleving van de modaliteiten en voorwaarden door de personen die tijdelijk en oc- casioneel de beroepsactiviteiten in België, als bedoeld in artikel 23, uitoefenen; 8° in het kader van de administratieve samenwer- king tussen lidstaten teneinde de goede werking van de interne markt te waarborgen, de beveiligde uitwis- seling van informatie en gegevens met de bevoegde Conseils fi scaux. Le Roi établit, après avis du Conseil de l’Institut, un règlement d’ordre intérieur. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. Le siège social est établi dans la Région de Bruxelles- Capitale. Dans sa communication, l’Institut peut également utiliser la dénomination “Belgian Institute for tax advisors and accountants”. Section 2 Mission Art. 62 § 1er. L’Institut a pour mission: 1° la protection des droits et intérêts professionnels communs des personnes inscrites au registre public; 2° la supervision de l’accès à la profession d’expert- comptable certifi é et de conseiller fi scal certifi é, par l’organisation d’un examen d’admission et d’un stage, ainsi que d’un examen d’aptitude; 3° la tenue d’un registre public; 4° la supervision de la formation permanente; 5° la supervision de l’exercice de la profession, en prenant toutes les garanties nécessaires en termes de compétence, d’indépendance et d’intégrité profession- nelle par la mise en place d’un règlement disciplinaire; 6° l’octroi de l’accès à la profession à des profes- sionnels d’un autre État membre souhaitant exercer les activités visées aux articles 3 et 6 en Belgique; 7° la supervision du respect des modalités et des conditions par les personnes qui exercent temporai- rement et occasionnellement en Belgique les activités professionnelles visées à l’article 23; 8° dans le cadre de la coopération administrative organisée entre États membres pour assurer le bon fonctionnement du marché intérieur, l’échange sécu- risé d’information et de données avec les autorités DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 38 autoriteiten van andere lidstaten, in het bijzonder via het Informatiesysteem voor de Interne Markt (IMI) met betrekking tot het beroep en de beroepsbeoefenaars, overeenkomstig de artikelen XV.49 en XV.52 van het Wetboek van economisch recht en de artikelen 27 en 27/1  van de wet van 12  februari  2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU- beroepskwalifi caties. § 2. Het Instituut verwerkt de persoonsgegevens die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten in overeenstemming met verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Het Instituut is de verwerkings- verantwoordelijke bedoeld in die verordening. De persoonsgegevens worden door het Instituut behandeld met het oog op: 1° de toepassing van het wettelijk, reglementair en normatief kader; 2° de samenwerking tussen bevoegde autoriteiten in België of in andere landen; 3° de opmaak van verslagen en statistieken die het Instituut toelaten zijn activiteiten te optimaliseren. Het Instituut duidt een functionaris voor gegevens- bescherming aan die belast is met de functie en de opdrachten bedoeld in de algemene verordening ge- gevensbescherming. Afdeling 3 De algemene vergadering Onderafdeling 1 Stemrecht Art. 63 De algemene vergadering van het Instituut bestaat uit alle natuurlijke personen die in het openbaar register ingeschreven zijn, met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 23. Elke persoon bedoeld in het eerste lid heeft één stem. compétentes d’autres États membres, en particulier via le système d’information du marché intérieur (IMI) en ce qui concerne la profession et les professionnels, conformément aux articles XV.49 et XV.52 du Code de droit économique et aux articles 27 et 27/1 de la loi du 12 février 2008 instaurant un cadre général pour la reconnaissance des qualifi cations professionnelles UE. § 2. L’Institut traite les données à caractère personnel nécessaires à l’exercice de ses missions conformément au règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des don- nées à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données). L’Institut est le responsable du traitement prévu dans ce règlement. Les données à caractère personnel sont traitées par l’Institut aux fi ns de: 1° l’application du cadre légal, réglementaire et normatif; 2° la coopération entre les autorités compétentes belges ou d’autres États; 3° l’établissement de rapports et de statistiques per- mettant à l’Institut d’optimiser ses activités. L’Institut désigne un délégué à la protection des don- nées chargé de la fonction et des missions visées dans le règlement général sur la protection des données. Section 3 L’assemblée générale Sous-section 1re Droit de vote Art. 63 L’assemblée générale de l’Institut est composée de toutes les personnes physiques qui sont inscrites dans le registre public, à l’exception des personnes visées à l’article 23. Chaque personne visée à l’alinéa 1er dispose d’une voix. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 39 Hij kan aan een ander lid van de algemene vergade- ring schriftelijk volmacht geven om in zijn plaats op de algemene vergadering te stemmen. Hij mag ten hoogste twee volmachten houden. De stagiair heeft enkel een raadgevende stem. De persoon bedoeld in het eerste lid stemt op ver- zoek via simultane elektronische weg op de algemene vergadering. Deze mogelijkheid is voorzien vanaf de algemene vergadering die de leden van de eerste Raad na de overgangsraad, bedoeld in artikel 128, verkiest. Art. 64 De beslissingen van de algemene vergadering wor- den genomen bij meerderheid van de aanwezige en vertegenwoordigde stemmen. Onderafdeling 2 Bevoegdheden Art. 65 De algemene vergadering heeft de volgende be- voegdheden: 1° de verkiezing van de voorzitter, de ondervoorzitter en de andere leden van de Raad van het Instituut; 2° de verkiezing van de commissarissen; 3° de goedkeuring van de jaarrekening van het vorige boekjaar; 4° de goedkeuring van de begroting van het nieuwe boekjaar van het Instituut; 5° het verlenen van de kwijting van de Raad voor het bestuur van het Instituut; 6° het verlenen van de kwijting van de commissaris- sen; 7° de vervreemding en de verpanding van de onroe- rende goederen van het Instituut; 8° het aanvaarden of het weigeren van legaten of schenkingen; Elle peut donner une procuration écrite à un autre membre de l’assemblée générale pour voter à sa place à l’assemblée générale. Elle ne peut être porteur que de deux procurations au maximum. Le stagiaire ne dispose que d’une voix consultative. La personne visée à l’alinéa 1er vote, à sa demande, par voie électronique simultanée à l’assemblée géné- rale. Cette possibilité est prévue dès l’assemblée géné- rale qui élit les membres du premier Conseil suivant le conseil transitoire, visé à l’article 128. Art. 64 Les décisions de l’assemblée générale sont prises à la majorité des voix présentes et représentées. Sous-section 2 Compétences Art. 65 L’assemblée générale dispose des compétences suivantes: 1° l’élection du président, du vice-président et des autres membres du Conseil de l’Institut; 2° l’élection des commissaires; 3° l’approbation des comptes annuels de l’exercice précédent; 4° l’approbation du budget du nouvel exercice de l’Institut; 5° la prononciation sur la décharge du Conseil pour la gestion de l’Institut; 6° la prononciation sur la décharge des commis- saires; 7° l’aliénation et la mise en gage de l’immobilier de l’Institut; 8° l’acceptation ou le refus de legs ou de dons; DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 40 9° het vaststellen van de bijdragen, binnen de grenzen die de Koning heeft bepaald; 10° het vaststellen van het bedrag van de procedu- rekosten bij een tuchtprocedure; 11° andere door de wet aan de algemene vergadering toegewezen bevoegdheden. Onderafdeling 3 Modaliteiten Art. 66 De algemene vergadering komt eenmaal per jaar samen. De datum en de nadere regels worden in het huishoudelijk reglement vastgesteld. Op de jaarlijkse algemene vergadering legt de Raad van het Instituut ter goedkeuring voor: 1° de jaarrekening van het vorige boekjaar, afgesloten op 31 december; 2° de begroting voor het nieuwe boekjaar. De Raad van het Instituut stelt tevens een activitei- tenverslag met betrekking tot het vorige boekjaar voor. De commissarissen stellen op de jaarlijkse algemene vergadering hun verslag voor. Art. 67 Wanneer één vijfde van de leden van de algemene vergadering, natuurlijke personen, hierom verzoeken, kan de Raad van het Instituut een bijzondere algemene vergadering samenroepen. De Raad van het Instituut kan ook een bijzondere algemene vergadering samenroepen wanneer hij dit nodig acht. 9° la détermination des cotisations, dans les limites fi xées par le Roi; 10° la fi xation du montant des frais de procédure lors d’une procédure disciplinaire; 11° les autres pouvoirs attribués à l’assemblée géné- rale par la loi. Sous-section 3 Modalités Art. 66 L’assemblée générale se réunit une fois par an. La date et les modalités sont fi xées par le règlement d’ordre intérieur. Lors de l’assemblée générale annuelle, le Conseil de l’Institut soumet pour approbation: 1° les comptes annuels de l’exercice précédent, clôturé au 31 décembre; 2° le budget pour le nouvel exercice. Le Conseil de l’Institut présente également un rapport d’activité relatif à l’exercice précédent. Les commissaires présentent leur rapport lors de l’assemblée générale annuelle. Art. 67 Lorsqu’un cinquième des membres de l’assemblée générale personnes physiques, en font la demande, le Conseil de l’Institut peut convoquer une assemblée générale extraordinaire. Le Conseil de l’Institut peut également convoquer une assemblée générale extraordinaire lorsqu’il le juge nécessaire. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 41 Afdeling 4 De Raad van het Instituut Onderafdeling 1 Samenstelling Art. 68 De Raad van het Instituut bestaat uit: 1° een voorzitter en een ondervoorzitter; 2° zestien leden, van wie acht Nederlandstaligen en acht Franstaligen. Indien de voorzitter Nederlandstalig is, is de onder- voorzitter Franstalig, en omgekeerd. Art. 69 De voorzitter, de ondervoorzitter en de zestien leden van de Raad van het Instituut worden voor drie jaar bij afzonderlijke geheime stemming door de algemene vergadering onder de leden van de algemene vergade- ring van het Instituut, met uitzondering van de stagiairs, gekozen. De verkozen voorzitter behoort tot de andere taalrol dan die van de uittredende voorzitter. Onverminderd het tweede lid, kan het mandaat van voorzitter en van ondervoorzitter, dat op de dag zelf van de jaarlijkse algemene vergadering verstrijkt, eenmaal vernieuwd worden. Het mandaat van de zestien leden van de Raad van het Instituut is vernieuwbaar. Binnen elke taalgroep wordt het aantal leden proportioneel verkozen, rekening houdend met het aantal verkiesbare leden ingeschreven in het openbaar register op 1 januari van het verkiezings- jaar. Er zijn drie kieslijsten: 1° een kieslijst van en voor de natuurlijke personen bedoeld in artikel 9; 2° een kieslijst van en voor (intern) gecertifi ceerde accountants; 3° een kieslijst van en voor (intern) gecertifi ceerde belastingadviseurs. Per taalgroep moet ten minste één lid van de Raad van het Instituut zijn gekozen: Section 4 Le Conseil de l’Institut Sous-section 1re Composition Art. 68 Le Conseil de l’Institut est composé: 1° d’un président et d’un vice-président; 2° de seize membres, dont huit sont d’expression française et huit sont d’expression néerlandaise. Si le président est d’expression néerlandaise, le vice- président est d’expression française, et inversement. Art. 69 Le président, le vice-président et les seize membres du Conseil de l’Institut sont élus par l’assemblée géné- rale au scrutin secret séparé, pour trois ans, parmi les membres de l’assemblée générale de l’Institut, à l’exclusion des stagiaires. Le président élu appartient à l’autre rôle linguistique que celui du président sortant. Sans préjudice de l’alinéa 2, le mandat de président et de vice-président, qui expire le même jour que celui de l’assemblée générale annuelle, peut être renouvelé une fois. Le mandat des seize membres du Conseil de l’Institut est renouvelable. Au sein de chaque groupe linguistique, le nombre de membres est choisi proportionnellement, en tenant compte du nombre de membres éligibles, inscrits au registre public le 1er janvier de l’année de l’élection. Il y a trois listes d’élection: 1° une liste d’élection des personnes physiques visées à l’article 9 et pour celles-ci; 2° une liste d’élection des experts-comptables certi- fi és (interne) et pour ceux-ci; 3° une liste d’élection des conseillers fi scaux certifi és (interne) et pour ceux-ci. Au moins un membre du Conseil de l’Institut doit être élu par groupe linguistique: DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 42 1° die de hoedanigheid heeft bedoeld in artikel 9; 2° die de hoedanigheid heeft van (intern) gecertifi - ceerd accountant; 3° die de hoedanigheid heeft van (intern) gecertifi - ceerd belastingadviseur. Art. 70 Onder zijn leden benoemt de Raad van het Instituut een secretaris en een penningmeester. De secretaris en de penningmeester behoren tot een verschillende taalgroep. Het uitvoerend comité bestaat uit: 1° de voorzitter en de ondervoorzitter; 2° de secretaris; 3° de penningmeester; 4° ten hoogste twee andere leden benoemd door de Raad van het Instituut, die niet tot dezelfde taalrol behoren. Art. 71 De beslissingen van de Raad van het Instituut en van het uitvoerend comité worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Onderafdeling 2 Bevoegdheden van de Raad van het Instituut Art. 72 In overeenstemming met het artikel 62, is de Raad van het Instituut bevoegd voor: 1° het houden en het bijwerken van een openbaar register; 2° het uitvaardigen en openbaar maken op de website van het Instituut van technische normen en aanbeve- lingen, specifi ek voor de uitoefening van het beroep; 3° het toezicht op de stagecommissie; 4° het benoemen van de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de stagecommissie; 1° qui a la qualité visée à l’article 9; 2° qui a la qualité d’expert-comptable certifi é (interne); 3° qui a la qualité de conseiller fi scal certifi é (interne). Art. 70 Le Conseil de l’Institut nomme parmi ses membres un secrétaire et un trésorier. Le secrétaire et le trésorier appartiennent à un groupe linguistique différent. Le comité exécutif est composé: 1° du président et vice-président; 2° du secrétaire; 3° du trésorier; 4° de maximum deux autres membres nommés par le Conseil de l’Institut qui n’appartiennent pas au même rôle linguistique. Art. 71 Les décisions du Conseil de l’Institut et du comité exécutif sont prises à la majorité des voix. En cas d’égalité de voix, la voix du président est prépondérante. Sous-section 2 Compétences du Conseil de l’Institut Art. 72 Conformément à l’article 62, le Conseil de l’Institut est compétent pour: 1° la tenue et la mise à jour du registre public; 2° l’émission et la publication sur le site internet de l’Institut de normes techniques et de recommandations spécifi ques à l’exercice de la profession; 3° la supervision de la commission de stage; 4° la nomination du président, du vice-président et des membres de la commission de stage; DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 43 5° het toezicht op de permanente vorming; 6° het toezicht op de commissie kwaliteitstoetsing; 7° het benoemen van de voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de commissie kwaliteitstoetsing onder de personen ingeschreven in het openbaar register en die niet zijn terechtgewezen, volgens de nadere regels bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 60; 8° het uitwisselen van informatie en gegevens met de instanties in andere lidstaten met betrekking tot het beroep; 9° de beroepsbeoefenaars terechtwijzen en, in voor- komend geval, doorverwijzen naar de rechtskundig assessor; 10° het vertegenwoordigen van het Instituut, als eiser en als verweerder, bij de gerechtelijke overheden; 11° erop toezien dat de voorwaarden inzake de toe- gang tot het beroep worden nageleefd en met dat doel in rechte op te treden, met name door elke inbreuk op de wetten en verordeningen tot bescherming van de beroepstitels en tot organisatie van het beroep bij de gerechtelijke overheden aan te klagen en door aan deze overheden iedere maatregel te vragen om dergelijke inbreuk te stoppen en desgevallend schadevergoeding te eisen; 12° andere door of krachtens de wet aan de Raad toegewezen bevoegdheden. Een norm als bedoeld in het eerste lid, 2°, is bindend. Een aanbeveling als bedoeld in het eerste lid, 2°, is eveneens bindend, tenzij in bijzondere omstandigheden gemotiveerd kan worden dat de afwijking ten aanzien van de aanbeveling geen afbreuk doet aan de criteria vastgesteld in hoofdstuk 4. De normen en aanbevelingen worden in het Neder- lands, het Frans en zo mogelijk in het Duits openbaar gemaakt op de website van het Instituut, met vermelding van de datum van de inwerkingtreding van de normen en aanbevelingen. Art. 73 De Raad van het Instituut maakt, na goedkeuring door de algemene vergadering, aan de minister bevoegd voor Economie, aan de minister bevoegd voor Middenstand en aan de Hoge Raad de volgende documenten over: 5° la supervision de la formation permanente; 6° la supervision de la commission revue qualité; 7° la nomination du président, du vice-président et des membres de la commission revue qualité, parmi les personnes inscrites dans le registre public et qui n’ont pas été rappelées à l’ordre, selon les modalités fi xées par le Roi conformément à l’article 60; 8° l’échange d’informations et de données avec les instances d’autres États membres en ce qui concerne la profession; 9° le rappel à l’ordre des professionnels et, le cas échéant, leur renvoi vers l’assesseur juridique; 10° la représentation de l’Institut, en tant que deman- deur et défendeur, auprès des autorités judiciaires; 11° veiller au respect des conditions d’accès à la profession et, à cet effet, d’ester en justice, notamment en dénonçant aux autorités judiciaires toute infraction aux lois et règlements protégeant le titre professionnel et organisant la profession et en requérant de ces autorités toute mesure de nature à faire cesser une telle infraction voire à obtenir des dédommagements; 12° les autres compétences attribuées au Conseil par ou en vertu de la loi. Une norme visée à l’alinéa 1er, 2°, est obligatoire. Une recommandation, visée à l’alinéa 1er, 2°, est éga- lement obligatoire, à moins que dans des circonstances particulières il soit motivé que la dérogation opérée par rapport à la recommandation ne porte pas atteinte aux critères fi xés au chapitre 4. Les normes et recommandations sont rendues pu- bliques sur le site Internet de l’Institut, en néerlandais, français et dans la mesure du possible en allemand, avec mention de la date d’entrée en vigueur des normes et recommandations. Art. 73 Le Conseil de l’Institut transmet, après approbation de l’assemblée générale, au ministre qui a l’Economie dans ses attributions, au ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions et au Conseil supérieur les documents suivants: DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 44 1° de jaarrekening en het activiteitenverslag; 2° het jaarverslag van de stagecommissie; 3° het jaarverslag van de commissie kwaliteitstoet- sing. Onderafdeling 3 Bevoegdheden van het uitvoerend comité Art. 74 Het uitvoerend comité als bedoeld in artikel 70 is belast met het dagelijks bestuur van het Instituut. Het dagelijks bestuur omvat: 1° het afhandelen van de lopende zaken; 2° het toezicht op het fi nancieel beheer van het Instituut; 3° het voorbereiden van de vergaderingen van de Raad van het Instituut; 4° het aanwerven en het leiden van het personeel van het Instituut; 5° andere taken toegewezen door de Raad van het Instituut. Afdeling 5 De commissies Art. 75 Behoudens de stagecommissie en de commissie kwaliteitstoetsing, die door de Koning worden opgericht, kan de Raad van het Instituut nog andere commissies oprichten om hem bij te staan in de uitvoering van zijn opdrachten. Afdeling 6 De commissarissen Art. 76 De algemene vergadering duidt één of meer commis- sarissen aan onder de personen ingeschreven in het openbaar register met een hoedanigheid. Het mandaat van commissaris is tweemaal hernieuwbaar. 1° les comptes annuels et le rapport d’activité; 2° le rapport annuel de la commission de stage; 3° le rapport annuel de la commission revue qualité. Sous-section 3 Compétences du comité exécutif Art. 74 Le comité exécutif visé à l’article 70 est chargé de la gestion journalière de l’Institut. La gestion journalière comprend: 1° le traitement des affaires courantes; 2° la supervision de la gestion fi nancière de l’Institut; 3° la préparation des réunions du Conseil de l’Institut; 4° le recrutement et la gestion du personnel de l’Institut; 5° les autres tâches assignées par le Conseil de l’Institut. Section 5 Les commissions Art. 75 Hormis la commission de stage et la commission revue qualité, qui sont créées par le Roi, le Conseil de l’Institut peut créer d’autres commissions pour l’assister dans l’exécution de ses missions. Section 6 Les commissaires Art. 76 L’assemblée générale nomme un ou plusieurs com- missaires parmi les personnes inscrites au registre public avec une qualité. Le mandat du commissaire est renouvelable deux fois. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 45 Het mandaat van commissaris is onverenigbaar met het mandaat van voorzitter, ondervoorzitter of lid van de Raad van het Instituut, alsook enige commissie of werkgroep opgericht door het Instituut. De commissaris controleert de jaarrekening van het Instituut. Hij stelt een verslag op en maakt dat over aan de jaarlijkse algemene vergadering. De algemene vergadering stelt de bezoldiging van de commissaris vast. Afdeling 7 Inkomsten Art. 77 De inkomsten van het Instituut bestaan uit: 1° de bijdragen bedoeld in artikel 54 en, in voor- komend geval, de geïnde interesten aangerekend bij laattijdige betaling van de bijdragen; 2° de opbrengsten uit het vermogen van het Instituut; 3° de inkomsten door het organiseren van vorming, examens, de kwaliteitstoetsing, opleidingen en de uit- gifte van brochures en publicaties; 4° de toelagen, legaten en schenkingen; 5° de kosten aangerekend aan de persoon inge- schreven in het openbaar register in het kader van de tuchtprocedure als bedoeld in artikel 101, vierde lid, en artikel 112, vierde lid; 6° de door de algemene vergadering vastgestelde for- faitaire kosten aangerekend aan de personen ingeschre- ven in het openbaar register bij het verzenden van al dan niet aangetekende herinneringen en aanmaningen; 7° de administratieve kosten die worden aangerekend voor de behandeling van dossiers, als vastgesteld door de Raad van het Instituut; 8° alle andere inkomsten die rechtstreeks worden bestemd voor de opdrachten van het Instituut en ten dienste van de beroepsbeoefenaars. Het Instituut mag zijn beschikbare gelden enkel besteden aan de aankoop van effecten waarvan het kapitaal en rente gewaarborgd zijn. In geen geval mag het Instituut ten kosteloze titel over zijn vermogen Le mandat du commissaire est incompatible avec le mandat de président, de vice-président ou de membre du Conseil de l’Institut, ainsi qu’avec toute commission ou groupe de travail constitué par l’Institut. Le commissaire vérifi e les comptes annuels de l’Ins- titut. Il rédige un rapport et le soumet à l’assemblée générale annuelle. L’assemblée générale détermine la rémunération du commissaire. Section 7 Recettes Art. 77 Les recettes de l’Institut se composent: 1° des cotisations visées à l’article  54  et, le cas échéant, des intérêts perçus en cas de paiement tardif des cotisations; 2° du produit des actifs de l’Institut; 3° des revenus issus de l’organisation des formations, des examens, des revues qualité, des cours et de l’édi- tion de brochures et de publications; 4° des indemnités, legs et dons; 5° des frais imputés à la personne inscrite au registre public dans le cadre de la procédure disciplinaire visée à l’article 101, alinéa 4, et l’article 112, alinéa 4; 6° les frais forfaitaires, fi xés par l’assemblée géné- rale, qui sont facturés à la personne inscrite au registre public lors de l’envoi de rappels et de mises en demeure envoyés ou non par courrier recommandé; 7° les frais administratifs, inhérents au traitement des dossiers, qui sont déterminés par le Conseil de l’Institut; 8° tous les autres revenus qui sont directement affectés aux missions de l’Institut et au profi t des pro- fessionnels. L’Institut ne peut affecter ses disponibilités qu’à l’achat de valeurs mobilières dont le capital et les intérêts sont garantis. L’Institut ne peut, en aucun cas, disposer à titre gratuit de son patrimoine ou le répartir DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 46 beschikken noch zijn vermogen geheel of gedeeltelijk verdelen onder zijn leden of hun rechthebbenden. HOOFDSTUK 9 Het Interinstitutencomité Art. 78 Er wordt een interinstitutencomité opgericht, samen- gesteld uit de voorzitter en de ondervoorzitter van het Instituut en de voorzitter en de ondervoorzitter van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. Het interinstitutencomité heeft als doel overleg te organiseren over aangelegenheden die beide Instituten aanbelangen. Dit comité vergadert minstens tweemaal per jaar. Telkens wanneer een Instituut erom verzoekt, vergadert het comité volgens de verzoeningsprocedure, waarvan de nadere regels door de Koning worden bepaald. Het advies van het interinstitutencomité is vereist over elk ontwerp van wet of van koninklijk besluit dat raakt aan de specifi eke opdrachten van de bedrijfsrevisoren, de gecertificeerde accountants, de gecertificeerde belastingadviseurs, de accountants en de fi scale ac- countants. HOOFDSTUK 10 De Hoge Raad voor de Economische Beroepen Art. 79 Er wordt een Hoge Raad voor de Economische Be- roepen opgericht. De Hoge Raad is een zelfstandig organisme met zetel in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De Hoge Raad heeft tot taak via adviezen of aan- bevelingen, op eigen initiatief of op verzoek, aan het Parlement, de regering, het Instituut, het Instituut van de bedrijfsrevisoren en het College van Toezicht op de Bedrijfsrevisoren, opgericht bij artikel 32 van de auditwet, ertoe bij te dragen dat bij de uitoefening van de opdrachten die de wet aan de bedrijfsrevisoren en aan de gecertifi ceerde accountants toevertrouwt even- als van de activiteiten van gecertifi ceerd accountant, gecertifi ceerd belastingadviseur, accountant, fi scaal en tout ou en partie entre ses membres ou leurs ayants- droits. CHAPITRE 9 Du comité inter-instituts Art. 78 Un comité inter-instituts est créé, composé du pré- sident et du vice-président de l’Institut et du président et du vice-président de l’Institut des Réviseurs d’Entre- prises. Le comité inter-instituts a pour objet d’organiser une concertation concernant toute question qui intéresse les deux Instituts. Ce comité se réunit au moins deux fois par an. À la demande de l’un des Instituts, le comité se réunit selon la procédure de conciliation, dont les modalités sont déterminées par le Roi. L’avis du comité inter-instituts est requis sur tout projet de loi ou d’arrêté royal qui touche aux missions spécifi ques des réviseurs d’entreprises, des experts- comptables certifi és, des conseillers fi scaux certifi és, des experts-comptables et des experts-comptables fi scalistes. CHAPITRE 10 Le Conseil supérieur des Professions économiques Art. 79 Il est créé un Conseil supérieur des Professions économiques. Le Conseil supérieur est un organisme autonome dont le siège est établi dans la Région de Bruxelles- Capitale. Le Conseil supérieur a pour mission de contribuer, par la voie d’avis ou de recommandations adressées, d’initiative ou sur demande, au Parlement, au gouverne- ment, à l’Institut, à l’Institut des Réviseurs d’Entreprises et au Collège de supervision des Réviseurs d’entre- prises, créé par l’article 32 de la loi audit, à ce que les missions que la loi confi e aux réviseurs d’entreprises et aux experts-comptables certifi és ainsi que les acti- vités d’expert-comptable certifi é, de conseiller fi scal, d’expert-comptable, d’expert-comptable-fi scaliste et DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 47 accountant en bedrijfsrevisor het algemeen belang en de vereisten van het maatschappelijk verkeer in acht worden genomen. Deze adviezen of aanbevelingen hebben onder meer betrekking op de uitoefening van de opdrachten omschreven in artikel 15bis van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven. Art. 80 De Hoge Raad moet worden geraadpleegd voor elk besluit met betrekking tot de beroepen bedoeld in deze wet en met betrekking tot het beroep van de bedrijfsre- visor en voor elk besluit dat wordt genomen in uitvoe- ring van deze wet of wetten betreffende de beroepen bedoeld in deze wet en het beroep van bedrijfsrevisor. Elke afwijking van een eensluidend advies van de Hoge Raad over een besluit moet uitdrukkelijk met redenen omkleed worden. Bovendien moet de Hoge Raad worden geraadpleegd over elke beslissing met een algemene draagwijdte die door de Raad van het Instituut wordt genomen in toepas- sing van artikel 72, eerste lid, 2°, en door de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren in toepassing van artikel 31 van de auditwet. De Raad van het Instituut of de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren mogen enkel afwijken van een advies dat door de meer- derheid van de leden van de Hoge Raad is goedgekeurd indien het advies betrekking heeft op een aangelegen- heid die betrekking heeft op meer dan één beroep of hoedanigheid. De betrokken Raad kan enkel afwijken van adviezen over een aangelegenheid die slechts be- trekking heeft op één beroep of hoedanigheid wanneer dit uitdrukkelijk met redenen is omkleed. De Hoge Raad moet de hem gevraagde adviezen bin- nen drie maanden uitbrengen. Zo niet wordt hij geacht een gunstig advies uit te brengen. Uitzonderlijk kan in hoogdringende gevallen, die met redenen zijn omkleed, de Hoge Raad verzocht worden om binnen één maand een advies uit te brengen. Art. 81 De Hoge Raad organiseert permanent overleg met het Instituut en het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. Hij kan daartoe met elk van deze Instituten werkgroepen oprichten. de réviseur soient exercées dans le respect de l’intérêt général et des exigences de la vie sociale. Ces avis ou recommandations ont trait notamment à l’exercice des missions visées à l’article 15bis de la loi du 20 sep- tembre 1948 portant organisation de l’économie. Art. 80 Le Conseil supérieur doit être consulté sur tout arrêté à prendre relatif aux professions visées par la présente loi et à la profession de réviseur d’entreprises et sur tout arrêté en exécution de la présente loi ou des lois relatives aux professions visées par la présente loi et de réviseur d’entreprises. Toute dérogation à un avis unanime du Conseil supérieur doit être motivée de façon explicite. Le Conseil supérieur doit en outre être consulté sur toute décision de portée générale à prendre, en appli- cation de l’article 72, alinéa 1er, 2°, par le Conseil de l’Institut ou par le Conseil de l’Institut des Réviseurs d’Entreprises, en application de l’article 31 de la loi audit. Le Conseil de l’Institut ou le Conseil de l’Institut des Réviseurs d’Entreprises ne peuvent déroger à un avis approuvé par la majorité des membres du Conseil supérieur si l’avis est relatif à une matière se rapportant à plus d’une profession ou qualité. Le Conseil concerné ne peut déroger aux avis relatifs à une matière ne se rapportant qu’à une seule profession ou qualité que moyennant motivation expresse. Le Conseil supérieur doit émettre les avis qui lui sont demandés dans les trois mois. À défaut, il est supposé avoir émis un avis favorable. Exceptionnellement, dans des cas urgents et motivés, il peut être demandé au Conseil supérieur d’émettre un avis dans un délai d’un mois. Art. 81 Le Conseil supérieur organise une concertation permanente avec l’Institut et l’Institut des Réviseurs d’Entreprises. Il peut constituer à cet effet des groupes de travail avec chacun de ces Instituts. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 48 Art. 82 De Hoge Raad kan bij de tuchtcommissie van het In- stituut en bij de sanctiecommissie van de FSMA bedoeld in artikel 47 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en de fi nanciële dien- sten, klacht neerleggen tegen, naar gelang het geval, een of meer bedrijfsrevisoren, gecertifi ceerde accoun- tants, gecertifi ceerde belastingadviseurs, accountants of fi scaal accountants. De betrokken commissie stelt de Hoge Raad in kennis van het gevolg dat aan deze klacht is gegeven. Art. 83 De Hoge Raad bestaat uit zeven leden benoemd door de Koning. Vier onder hen, van wie één de kleine en middelgrote ondernemingen vertegenwoordigt, worden door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven op een dubbele lijst voorgedragen. Drie leden worden voorge- dragen door de minister bevoegd voor Economie, de minister bevoegd voor Financiën en de minister bevoegd voor Middenstand. Hun vergoeding wordt door de Koning vastgesteld. Art. 84 De Koning stelt het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad vast, op diens voorstel. De Federale Over- heidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie wordt ermee belast het secretariaat en de infrastructuur van de Hoge Raad waar te nemen. De overige wer- kingskosten worden gedragen door het Instituut en het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, op de wijze en binnen de grenzen die de Koning bepaalt. HOOFDSTUK 11 Handhaving Afdeling 1 De terechtwijzing Onderafdeling 1 Redenen voor een terechtwijzing Art. 85 De Raad van het Instituut kan elke persoon inge- schreven in het openbaar register, met uitzondering van Art. 82 Le Conseil supérieur peut déposer plainte auprès de la commission de discipline de l’Institut et auprès de la commission des sanctions de la FSMA, visée à l’article 47 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveil- lance du secteur fi nancier et aux services fi nanciers, selon le cas, contre un ou plusieurs réviseurs d’entre- prises, experts-comptables certifi és, conseillers fi scaux certifi és, experts-comptables ou experts-comptables fi scalistes. La commission concernée informe le Conseil supérieur de la suite réservée à cette plainte. Art. 83 Le Conseil supérieur est composé de sept membres nommés par le Roi. Quatre d’entre eux, dont un doit être représentant des petites et moyennes entreprises, sont présentés sur une liste double proposée par le Conseil central de l’Economie. Trois membres sont présentés par le ministre qui a l’Economie dans ses attributions, le ministre qui a les Finances dans ses attributions et le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions. Leurs émoluments sont fi xés par le Roi. Art. 84 Le Roi arrête le règlement d’ordre intérieur du Conseil supérieur sur proposition de celui-ci. Le Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie est chargé d’assurer le secrétariat et l’infrastructure du Conseil supérieur. Les autres frais de fonctionnement du Conseil supérieur sont supportés par l’Institut et par l’Institut des Réviseurs d’Entreprises selon les modali- tés et dans les limites déterminées par le Roi. CHAPITRE 11 Contrôle Section 1re Le rappel à l’ordre Sous-section 1re Raisons pour un rappel à l’ordre Art. 85 Le Conseil de l’Institut peut rappeler à l’ordre chaque personne inscrite au registre public, à l’exception des DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 49 de personen bedoeld in artikel 23, terechtwijzen bij de volgende inbreuken: 1° wanneer de betrokkene in gebreke blijft om, binnen een termijn bepaald door de Raad van het Instituut, alle of een gedeelte van de bijdragen, bedoeld in artikel 54 te betalen; 2° wanneer de beroepsbeoefenaar verzuimd heeft om zich te verzekeren voor zijn burgerlijke beroeps- aansprakelijkheid met een verzekeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 44, of die te laten goedkeuren door de Raad van het Instituut; 3° wanneer de betrokkene gedurende drie opeenvol- gende jaren niet heeft deelgenomen aan de verplichte permanente vorming overeenkomstig artikel 39, tweede lid en overeenkomstig de norm, als bedoeld in artikel 39, vierde lid; 4° wanneer, overeenkomstig artikel 58, de beroeps- beoefenaar de datum van de kwaliteitstoetsing niet heeft bevestigd binnen de termijn die de commissie kwaliteitstoetsing heeft aangekondigd of wanneer de beroepsbeoefenaar, na uitstel te hebben verkregen, heeft verzuimd om binnen de aangekondigde termijn een nieuwe datum voor toetsing aan de commissie kwaliteitstoetsing voor te stellen. Onderafdeling 2 Procedure van de terechtwijzing Art. 86 Na vaststelling van de inbreuken richt de Raad van het Instituut een terechtwijzing aan de betrokkene met vermelding van de reden van de terechtwijzing, de termijn en modaliteiten waarbinnen de betrokkene zich moet in regel stellen. Art. 87 Wanneer de Raad van het Instituut vaststelt dat de betrokkene binnen drie maanden na de terechtwijzing geen gevolg geeft aan de terechtwijzing, kan de Raad van het Instituut de hoedanigheid van de betrokkene intrekken. Iedere defi nitief geworden terechtwijzing wordt gedu- rende vijf jaar vermeld in het dossier van de betrokkene. Op het einde van deze periode van vijf jaar wordt de terechtwijzing automatisch uitgewist. personnes visées à l’article 23, pour les infractions suivantes: 1° lorsque l’intéressé reste en défaut, dans le délai déterminé par le Conseil de l’Institut, de payer tout ou partie des cotisations visées à l’article 54; 2° lorsque le professionnel a omis de faire couvrir sa responsabilité civile professionnelle par un contrat d’assurance visé à l’article 44 ou de le faire approuver par le Conseil de l’Institut; 3° lorsque l’intéressé n’a pas, pendant trois années civiles consécutives, participé à la formation perma- nente obligatoire conformément à l’article 39, alinéa 2 et conformément à la norme visée à l’article 39, alinéa 4; 4° lorsque, conformément à l’article 58, le profession- nel n’a pas confi rmé la date de la revue qualité dans le délai annoncé par la commission revue qualité ou lorsque le professionnel, après avoir obtenu un délai, a omis de proposer à la commission revue qualité, dans le délai que la commission a annoncé, une nouvelle date de revue qualité. Sous-section 2 Procédure du rappel à l’ordre Art. 86 Après constatation des infractions, le Conseil de l’Institut adresse un rappel à l’ordre à l’intéressé, en précisant le motif du rappel à l’ordre, le délai dans lequel et les modalités selon lesquelles l’intéressé doit se conformer. Art. 87 Lorsque le Conseil de l’Institut constate que l’inté- ressé n’a pas donné suite au rappel à l’ordre pendant trois mois après le rappel à l’ordre, le Conseil de l’Institut peut retirer la qualité de l’intéressé. Tout rappel à l’ordre devenu défi nitif est mentionné dans le dossier de l’intéressé pendant cinq ans. À l’issue de cette période de cinq ans, le rappel à l’ordre est effacé automatiquement. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 50 Art. 88 Tegen de beslissing van de Raad van het Instituut om hem terecht te wijzen als bedoeld in deze afdeling, kan de betrokkene, binnen dertig dagen na de betekening van de terechtwijzing, beroep instellen bij de commissie van beroep. Dit beroep is opschortend. Afdeling 2 De beroepstucht Onderafdeling 1 De tuchtcommissie Art. 89 De beroepstucht wordt in eerste aanleg gehandhaafd door een tuchtcommissie. De tuchtcommissie bestaat uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer. Elke kamer is samengesteld uit: 1° een voorzitter die rechter of eremagistraat is of een advocaat die gedurende minstens tien jaar ingeschreven is op het tableau van een orde van advocaten; 2° twee leden die door de Raad van het Instituut aan- gewezen worden, gekozen uit de personen ingeschre- ven in het openbaar register met een hoedanigheid. De voorzitter alsook een plaatsvervangend voorzitter worden benoemd door de Koning op voorstel van de minister bevoegd voor Justitie. Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervangend lid aangeduid. Zowel de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de effectieve als de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar. De leden mogen geen lid zijn van de Raad van het Instituut noch van een andere commissie of werkgroep van het Instituut Art. 90 Elke kamer van de tuchtcommissie wordt bijgestaan door een rechtskundig assessor en een plaatsver- Art. 88 L’intéressé peut interjeter appel contre la décision du Conseil de l’Institut de le rappeler à l’ordre confor- mément à la présente section dans un délai de trente jours qui suit la notifi cation du rappel à l’ordre auprès de la commission d’appel. Cet appel est suspensif. Section 2 La discipline professionnelle Sous-section 1re La commission de discipline Art. 89 La discipline professionnelle est exercée en premier ressort par une commission de discipline. La commission de discipline comprend une chambre néerlandophone et une chambre francophone. Chaque chambre est composée: 1° d’un président qui est juge ou juge honoraire ou qui est un avocat inscrit depuis au moins dix ans sur le tableau d’un ordre des avocats; 2° de deux membres, désignés par le Conseil de l’Institut, qui sont choisis parmi les personnes inscrites au registre public avec une qualité. Le président ainsi qu’un président suppléant sont nommés par le Roi sur proposition du ministre qui a la Justice dans ses attributions. Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant. Le président, le président suppléant, les membres effectifs et les suppléants sont nommés pour une période renouvelable de six ans. Les membres ne peuvent être ni membre du Conseil de l’Institut ni membre d’une autre commission ou groupe de travail de l’Institut. Art. 90 Chaque chambre de la commission de discipline est assistée par un assesseur juridique et un assesseur DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 51 vangend rechtskundig assessor, die door de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Middenstand voor een hernieuwbare termijn van zes jaar benoemd worden. De rechtskundig assessor en zijn plaatsvervanger worden gekozen uit de advocaten die gedurende minstens tien jaar ingeschreven zijn op het tableau van een orde van advocaten. Elke kamer beschikt ook over een griffie die waarge- nomen wordt door de personeelsleden van het Instituut. Art. 91 De bevoegdheid van de kamers wordt bepaald door de taal waarin de persoon in het openbaar register is ingeschreven. Onderafdeling 2 De tuchtstraffen Art. 92 Een of meerdere tuchtstraffen worden opgelegd aan personen ingeschreven in het openbaar register wanneer inbreuken zijn vastgesteld tegen het wettelijk, reglementair en normatief kader waarbinnen de be- roepsactiviteiten worden uitgeoefend. Art. 93 §  1. De volgende tuchtstraffen kunnen worden opgelegd aan een beroepsbeoefenaar, natuurlijk of rechtspersoon, die de hoedanigheid heeft om één of meerdere activiteiten bedoeld in artikel 3, als zelfstan- dige uit te oefenen: 1° de waarschuwing; 2° de berisping; 3° de geldboete; 4° het verbod om bepaalde opdrachten te aanvaarden of voort te zetten; 5° de schorsing; 6° de schrapping. De tuchtcommissie kan de bekendmaking van de beslissing bevelen of van een samenvatting ervan op juridique suppléant, nommés par le ministre ayant l’Economie dans ses attributions et le ministre ayant les Classes moyennes dans ses attributions pour une période de six ans renouvelable. L’assesseur juridique et son suppléant sont désignés parmi les avocats qui sont inscrits depuis au moins dix ans sur le tableau d’un ordre des avocats. Chaque chambre dispose également d’un greffe qui est assuré par des membres du personnel de l’Institut. Art. 91 La compétence des chambres est déterminée par la langue dans laquelle la personne est inscrite au registre public. Sous-section 2 Les peines disciplinaires Art. 92 Une ou plusieurs peines disciplinaires sont imposées aux personnes inscrites au registre public lorsque des infractions sont constatées au cadre légal, réglementaire et normatif dans lequel les activités professionnelles sont exercées. Art. 93 § 1er. Les peines disciplinaires suivantes peuvent être infl igées au professionnel, personne physique ou personne morale, ayant la qualité pour exercer en tant qu’indépendant une ou plusieurs des activités visées à l’article 3: 1° l’avertissement; 2° la réprimande; 3° une amende; 4° l’interdiction d’accepter ou de poursuivre certaines missions; 5° la suspension; 6° la radiation. La commission de discipline peut également ordon- ner la publication de la décision ou un résumé de celle-ci DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 52 de website van het Instituut. De bekendmaking gebeurt op een geanonimiseerde wijze. § 2. De schorsing houdt het verbod in om voor een welbepaalde periode de beroepsactiviteiten uit te oefe- nen en de beroepstitel te dragen in België. De schorsing mag niet langer dan twee jaar duren. De schorsing houdt tevens het verbod in om deel te nemen aan de algemene vergadering en alle andere organen van het Instituut, zolang de tuchtstraf uitwer- king heeft. De geschorste wordt weggelaten uit het openbaar register gedurende de periode van de schorsing maar blijft gehouden aan zijn verplichtingen ten aanzien van het Instituut. § 3. De schrapping houdt het verbod in om de be- roepsactiviteiten in België uit te oefenen en de beroeps- titel te dragen, evenals de automatische intrekking van de hoedanigheid zoals bedoeld in artikel 115. § 4. De tuchtstraffen voorzien in paragraaf 1 zijn ook toepasselijk op de beroepsbeoefenaars of andere personen die de hoedanigheid enkel verkregen hebben om de beroepstitel te mogen dragen, met het volgende voorbehoud: het verbod om bepaalde opdrachten te aanvaarden of uit te oefenen, de schorsing of de schrap- ping houdt voor de persoon die de straf oploopt enkel het verbod in om de beroepstitel te dragen tijdens de uitoefening van die opdrachten of activiteiten. Onderafdeling 3 De tuchtprocedure Art. 94 Een klacht kan bij de rechtskundig assessor van de betrokken kamer van de tuchtcommissie worden ingediend door de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep of door elke belanghebbende. De rechtskundig assessor die op de hoogte is ge- bracht van een mogelijke tekortkoming of zelf een mo- gelijke tekortkoming vaststelt op basis van een klacht of op elke andere manier, onderzoekt het dossier. De Raad van het Instituut benoemt voor elke kamer van de tuchtcommissie één of meer referendarissen onder de personeelsleden van het Instituut. sur le site Internet de l’Institut. La publication s’effectue de manière anonymisée. § 2. La suspension emporte interdiction d’exercer des activités professionnelles et de porter le titre pro- fessionnel en Belgique pour une période déterminée. Le terme de la suspension ne peut excéder deux années. La suspension emporte interdiction de participer à l’assemblée générale et à tous les autres organes de l’Institut, pendant la durée de l’exécution de cette peine disciplinaire. La personne suspendue est omise du registre public pendant la période de suspension mais reste tenue à ses obligations vis-à-vis de l’Institut. § 3. La radiation emporte interdiction d’exercer des activités professionnelles en Belgique, ainsi que de porter le titre professionnel et le retrait automatique de la qualité comme visé à l’article 115. § 4. Les sanctions prévues au paragraphe 1er sont aussi applicables aux professionnels ou autres per- sonnes qui ont obtenu la qualité uniquement afi n de pouvoir porter le titre professionnel, sous la réserve suivante: l’interdiction d’accepter ou d’exercer certaines missions, la suspension ou la radiation empêchent uniquement la personne, qui fait l’objet d’une sanction, de porter le titre professionnel lors de l’exercice de ces missions ou activités. Sous-section 3 La procédure disciplinaire Art. 94 Une plainte peut être déposée par le procureur général près la Cour d’appel ou par toute personne inté- ressée auprès de l’assesseur juridique de la chambre concernée de la commission de discipline. L’assesseur juridique qui est informé d’un possible manquement ou qui constate lui-même un manque- ment possible sur base d’une plainte ou de toute autre manière, examine le dossier. Le Conseil de l’Institut nomme pour chaque chambre de la commission de discipline un ou plusieurs référen- daires parmi les membres du personnel de l’Institut. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 53 De referendarissen staan de rechtskundig assessor bij in het uitvoeren van zijn taken. Zij bereiden de tucht- dossiers voor wat betreft de feiten en zij adviseren de rechtskundig assessor over de tuchtprocedure. Nadat de rechtskundig assessor de informatie die hij noodzakelijk acht heeft verzameld of heeft laten verzamelen, beslist hij om het dossier aan de tuchtcom- missie over te maken wanneer hij van oordeel is dat er voldoende bezwaren bestaan. In het andere geval klasseert hij het dossier zonder gevolg. In voorkomend geval brengt hij de klager hiervan op de hoogte. Hij kan deze klassering zonder gevolg afhankelijk maken van het respecteren van bepaalde voorwaarden. Art. 95 Een dossier tot verwijzing naar de tuchtcommissie bestaat uit: 1° een nauwkeurige omschrijving van de feiten die betrokkene ten laste worden gelegd; 2° een vermelding van de bepalingen van het wet- telijk, reglementair en normatief kader waarop de ten- lastelegging steunt. Art. 96 Ten minste dertig dagen voor de zitting van de tuchtcommissie verzoekt de griffie de betrokkene per aangetekende zending om op de zitting van de tucht- commissie te verschijnen. De aangetekende zending bevat: 1° de nauwkeurige omschrijving van de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd; 2° de rechtsgrondslag waarop de tenlastelegging steunt; 3° de overwogen tuchtmaatregel ; 4° de mogelijkheid tot inzage in het dossier; 5° de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen, waarbij de betrokkene alle stukken voor zijn verweer voegt. Les référendaires assistent l’assesseur juridique dans l’exercice de ses fonctions. Ils préparent les dossiers disciplinaires pour ce qui concerne les faits et conseillent l’assesseur juridique au niveau de la procédure disci- plinaire. Après que l’assesseur juridique ait recueilli ou fait re- cueillir les informations qu’il juge nécessaires, il décide de transmettre le dossier à la commission de discipline lorsqu’il est d’avis qu’il y a suffisamment d’éléments. Dans le cas contraire, il classe le dossier sans suite. Il en informe le cas échéant le plaignant. Il peut sou- mettre ce classement sans suite au respect de certaines conditions. Art. 95 Un dossier renvoyé vers la commission de discipline contient: 1° une description précise des faits reprochés à la personne concernée; 2° une mention des dispositions du cadre législatif, réglementaire et normatif sur lesquelles se fondent les reproches. Art. 96 Au moins trente jours avant l’audience de la com- mission de discipline, le greffe convoque l’intéressé par envoi recommandé pour comparaître à l’audience de la commission de discipline. L’envoi recommandé contient: 1° la description précise des faits reprochés à l’inté- ressé; 2° la base juridique sur laquelle se fonde les re- proches; 3° la mesure disciplinaire envisagée; 4° la possibilité de prendre connaissance du dossier; 5° la possibilité de présenter un mémoire en défense auquel l’intéressé joint tous les documents à l’appui de sa défense. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 54 Art. 97 De betrokkene heeft het recht van wraking in de gevallen bepaald bij artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Over de wraking beslist de commissie van beroep. Art. 98 De betrokkene mag tijdens de zitting zijn verweer mondeling of schriftelijk doen gelden. Hij mag zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of een andere persoon ingeschreven in het openbaar register met een hoedanigheid. De rechtskundig assessor wordt uitgenodigd. Hij neemt niet deel aan de beraadslagingen. Art. 99 De zitting is openbaar. De betrokkene kan echter een behandeling achter gesloten deuren vragen: 1° wanneer een openbare zitting gevaar zou opleve- ren voor de goede zeden, de goede orde of de nationale veiligheid; 2° wanneer het minderjarigen betreft; 3° voor de bescherming van de privacy van de be- trokkenen; 4° wanneer een openbare zitting schade kan be- rokkenen aan het belang van de rechtspleging of het beroepgeheim. Art. 100 De beslissing van de tuchtcommissie is met redenen omkleed. Bij de overweging tot het uitspreken van een tuchtstraf houdt de tuchtcommissie rekening met de volgende omstandigheden: 1° de ernst en de duur van de inbreuk; 2° de mate van verantwoordelijkheid van de persoon verantwoordelijk voor de inbreuk; Art. 97 La personne concernée a un droit de récusation dans les cas visés à l’article 828 du Code judiciaire. Une décision au sujet de cette récusation est prise par la commission d’appel. Art. 98 L’intéressé peut présenter sa défense verbalement ou par écrit pendant l’audience. Il peut être assisté ou représenté par un avocat ou une autre personne inscrite au registre public avec une qualité. L’assesseur juridique est invité. Il ne participe pas aux délibérations. Art. 99 La séance est publique. L’ intéressé peut néanmoins demander le huis clos: 1° lorsque la séance publique porte atteinte à la moralité, à l’ordre public ou la sécurité nationale; 2° lorsque des mineurs sont concernés; 3° pour la protection de la vie privée des intéressés; 4° lorsque une séance publique porte atteinte à l’inté- rêt de la justice ou au secret professionnel. Art. 100 La décision de la commission de discipline est moti- vée. Lors de l’examen de l’opportunité de prononcer une peine disciplinaire, la commission de discipline tient compte des circonstances suivantes: 1° la gravité et la durée de l’infraction; 2° le degré de responsabilité de la personne respon- sable de l’infraction; DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 55 3° de fi nanciële draagkracht van de persoon verant- woordelijk voor de inbreuk; 4° de omvang van de winsten of verliezen die door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon zijn behaald, respectievelijk vermeden, voor zover deze kunnen wor- den bepaald; 5° de mate waarin de verantwoordelijke persoon met het Instituut of de tuchtcommissie meewerkt; 6° eerdere overtredingen van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon. Art. 101 De griffie stelt de beslissing van de tuchtcommis- sie per aangetekende zending aan de betrokkene ter kennis. De zending bevat de procedure van hoger beroep. Een kopie van de zending wordt eveneens verzonden aan: 1° de Raad van het Instituut en de rechtskundig as- sessor; 2° de procureur-generaal van het Hof van Beroep. Iedere beslissing van de tuchtcommissie verwijst de betrokken persoon aan wie een tuchtstraf opgelegd werd, in de procedurekosten. Het bedrag van de pro- cedurekosten wordt jaarlijks forfaitair bepaald door de algemene vergadering. Onderafdeling 4 Uitwissing van de tuchtstraf en eerherstel Art. 102 Behoudens de schorsing en de schrapping worden de uitgesproken tuchtstraffen na het verstrijken van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de defi nitieve beslissing waarbij een tuchtstraf wordt uitgesproken, uitgewist. De uitwissing kan slechts gebeuren als tegen de betrokkene gedurende de periode bedoeld in het eerste lid geen nieuwe tuchtstraf werd uitgesproken. 3° l’assise fi nancière de la personne responsable de l’infraction; 4° les montants des gains obtenus ou des pertes évitées par la personne responsable de l’infraction, dans la mesure où ils peuvent être déterminés; 5° le degré de coopération de la personne respon- sable avec l’Institut ou la commission de discipline; 6° les infractions précédemment commises par la personne responsable de l’infraction. Art. 101 Le greffe notifi e la décision de la commission de discipline sous envoi recommandé à l’intéressé. L’envoi contient la procédure d’appel. Une copie de l’envoi est également envoyée: 1° au Conseil de l’Institut et à l’assesseur juridique; 2° au procureur général près la Cour d’appel. Toute décision de la commission de discipline condamne l’intéressé à l’égard de laquelle une sanction disciplinaire a été prononcée aux frais de procédure. Le montant des frais de procédure est fi xé chaque année de manière forfaitaire par l’assemblée générale. Sous-section 4 L’effacement de la peine disciplinaire et la réhabilitation Art. 102 À l’exception de la suspension et de la radiation, les sanctions disciplinaires sont effacées après un délai de cinq ans, à compter de la date de la décision défi nitive prononçant une peine disciplinaire. L’effacement ne peut être effectué qu’à condition que l’intéressé n’ait pas encouru une nouvelle peine disciplinaire pendant la période visée à l’alinéa 1er. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 56 Art. 103 Een betrokkene tegen wie een tuchtstraf is uitgespro- ken en die niet is uitgewist, kan bij de commissie van beroep een verzoek tot eerherstel indienen. Deze aanvraag is slechts ontvankelijk op voorwaarde dat: 1° een termijn van vijf jaar is verstreken sinds de datum van de defi nitieve beslissing waarbij de laatste tuchtstraf is uitgesproken; 2° de betrokkene strafrechtelijk eerherstel heeft ge- kregen indien hij een tuchtstraf heeft opgelopen voor een feit dat tot een strafrechtelijk veroordeling aanleiding heeft gegeven. Onderafdeling 5 Beroep Art. 104 Beroep wordt ingesteld bij de commissie van beroep. Beroep is mogelijk tegen: 1° een beslissing van de tuchtcommissie; 2° een beslissing van de Raad van het Instituut. De commissie van beroep bestaat uit een Neder- landstalige kamer en een Franstalige kamer. Elke kamer is samengesteld uit: 1° een voorzitter die magistraat is bij het Hof van Beroep of een eremagistraat die magistraat was bij het Hof van Beroep; 2° een rechter die magistraat is bij de ondernemings- rechtbank of een eremagistraat die rechter was bij een ondernemingsrechtbank; 3° een rechter die magistraat is bij de arbeidsrecht- bank of een eremagistraat die rechter was bij een arbeidsrechtbank; 4° twee leden die door de Raad van het Instituut aangewezen worden, gekozen uit het openbaar register. Art. 103 L’intéressé qui a encouru une sanction disciplinaire n’ayant pas été effacée, peut introduire une demande en réhabilitation auprès de la commission d’appel. Cette demande n’est recevable que si: 1° un délai de cinq ans s’est écoulé depuis la date de la décision défi nitive prononçant la dernière peine disciplinaire; 2° l’intéressé a obtenu la réhabilitation en matière pénale au cas où une des sanctions disciplinaires a été prise pour un fait qui a donné lieu à une condamnation pénale. Sous-section 5 Appel Art. 104 L’appel est introduit auprès de la commission d’appel. L’appel est possible contre: 1° une décision de la commission de discipline; 2° une décision du Conseil de l’Institut. La commission d’appel comprend une chambre d’expression néerlandaise et une chambre d’expression française. Chaque chambre est composée: 1° d’un président qui est magistrat auprès de la Cour d’appel ou magistrat honoraire qui était magistrat auprès de la Cour d’appel; 2° d’un juge qui est magistrat auprès du tribunal de l’entreprise ou un magistrat honoraire qui était magistrat auprès du tribunal de l’entreprise; 3° d’un juge qui est magistrat auprès du tribunal du travail ou un magistrat honoraire qui était magistrat auprès du tribunal du travail; 4° de deux membres, désignés par le Conseil de l’Institut, choisis du registre public. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 57 De voorzitter en de twee rechters of eremagistraten worden benoemd door de Koning op voordracht van de minister bevoegd voor Justitie. Voor elk effectief lid wordt een plaatsvervangend lid aangeduid. De effectieve en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar. De leden mogen geen lid zijn van de Raad van het Instituut noch van een andere commissie of werkgroep van het Instituut. Art. 105 Elke kamer beschikt ook over een griffie die waarge- nomen wordt door de personeelsleden van het Instituut. Art. 106 De Franstalige kamer neemt kennis van de beslissin- gen van de Franstalige kamer van de tuchtcommissie. De Nederlandstalige kamer neemt kennis van de beslissingen van de Nederlandstalige kamer van tucht- commissie. Art. 107 De betrokkene, de Raad van het Instituut in geval van schending van de wet, de rechtskundig assessor of zijn plaatsvervanger kunnen beroep instellen binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing van de tuchtcommissie of van de Raad van het Instituut hen werd betekend. Om ontvankelijk te zijn, moet het beroep ingesteld worden bij een aangetekende zending gericht aan de griffie van de bevoegde kamer van de commissie van beroep binnen de gestelde termijn. Art. 108 Ten minste vijftien dagen voor de zitting van de com- missie van beroep, verzoekt de griffie de betrokkene per aangetekende zending om op de zitting van de commissie van beroep te verschijnen. De betrokkene heeft de mogelijkheid tot inzage van het dossier. Le président et les deux juges ou magistrats hono- raires sont nommés par le Roi, sur proposition du ministre qui a la Justice dans ses attributions. Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant. Les membres effectifs et suppléants sont nommés pour une période renouvelable de six ans. Les membres ne peuvent être ni membre du Conseil de l’Institut ni membre d’une autre commission ou groupe de travail de l’Institut. Art. 105 Chaque chambre dispose également d’un greffe qui est assuré par des membres du personnel de l’Institut. Art. 106 La chambre francophone prend connaissance des décisions de la chambre francophone de la commission de discipline. La chambre néerlandophone prend connaissance des décisions de la chambre néerlandophone de la commission de discipline. Art. 107 L’intéressé, le Conseil de l’Institut en cas de violation de la loi, l’assesseur juridique ou son suppléant, peuvent introduire un appel dans les trente jours à compter du jour où la décision de la commission de discipline ou du Conseil de l’Institut leur a été notifi ée. Pour être recevable, l’appel doit être introduit par envoi recommandé adressé au greffe de la chambre compétente de la commission d’appel dans le délai fi xé. Art. 108 Au moins quinze jours avant la séance de la commis- sion d’appel, le greffe convoque par envoi recommandé l’intéressé à comparaître à la séance de la commission d’appel. L’intéressé a la possibilité de consulter le dossier. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 58 Art. 109 De betrokkene heeft het recht van wraking in de gevallen bepaald bij artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Over de wraking beslist de commissie van beroep in een andere samenstelling. Art. 110 De zitting is openbaar. De betrokkene kan echter een behandeling achter gesloten deuren vragen in de gevallen vermeld in arti- kel 99, tweede lid. Art. 111 De beslissing van de commissie van beroep is met redenen omkleed. Bij haar beslissing houdt de commissie van beroep rekening met de omstandigheden vermeld in artikel 100, tweede lid. Art. 112 De griffie stelt de beslissing van de commissie van beroep per aangetekende zending aan de betrokkene ter kennis. De zending bevat eveneens de procedure van cas- satieberoep. Een kopie van de zending wordt eveneens verzonden aan: 1° de Raad van het Instituut en de rechtskundig as- sessor; 2° de procureur-generaal van het Hof van Beroep. Iedere beslissing van de commissie van beroep verwijst de betrokken persoon aan wie een tuchtstraf opgelegd werd, in de procedurekosten. Het bedrag van de procedurekosten wordt jaarlijks forfaitair bepaald door de algemene vergadering. Art. 109 L’intéressé a le droit de récuser dans les cas fi xés à l’article 828 du Code judiciaire. La commission d’appel autrement composée décide concernant la récusation. Art. 110 La séance est publique. L’intéressé peut néanmoins demander le huis clos dans les cas mentionnés à l’article 99, alinéa 2. Art. 111 La décision de la commission d’appel est motivée. Dans sa décision, la commission d’appel tient compte des circonstances mentionnées dans l’article  100, alinéa 2. Art. 112 Le greffe porte la décision de la commission d’appel par envoi recommandé à la connaissance de l’intéressé. L’envoi contient également la procédure de pourvoi en cassation. Une copie de l’envoi est également transmise: 1° au Conseil de l’Institut et à l’assesseur juridique; 2° au procureur général de la Cour d’appel. Toute décision de la commission d’appel condamne l’intéressé à l’égard de laquelle une sanction discipli- naire a été prononcée aux frais de procédure. Le mon- tant des frais de procédure est fi xé chaque année de manière forfaitaire par l’assemblée générale. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 59 Art. 113 Tegen de beslissing van de commissie van beroep kan cassatieberoep worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van het vierde deel, boek III, titel IVbis van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 114 De Koning kan de nadere regels van de procedure voor de commissies bepalen na advies van de Raad van het Instituut. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. Afdeling 3 De intrekking van de hoedanigheid en de andere administratieve straffen Art. 115 § 1. De Raad van het Instituut trekt de hoedanigheid van (intern) accountant, (interne) fi scaal accountant, (interne) gecertifi ceerd accountant en van (interne) gecertifi ceerd belastingadviseur in: 1° automatisch, na de beslissing tot schrapping van de tuchtcommissie of, in voorkomend geval, van de commis- sie van beroep nadat ze in kracht van gewijsde is gegaan; 2° wanneer niet meer voldaan is aan de voorwaarden voor toelating tot het beroep vermeld in artikel 10, § 1, 1° tot en met 4°; 3° wanneer de betrokkene in gebreke blijft binnen een periode van drie maanden na een defi nitief geworden terechtwijzing voor een van de inbreuken bedoeld in artikel 85. § 2. De betrokkene kan vijf jaar na de beslissing tot intrekking verzoeken tot het opnieuw verkrijgen van de hoedanigheid, wanneer hij opnieuw voldoet aan de voorwaarden tot toelating van het beroep vermeld in artikel 10. Art. 116 De Raad van het Instituut is bevoegd om administra- tieve sancties uit te spreken zoals voorzien in de wet Art. 113 Un pourvoi en cassation peut être formé contre la décision de la commission d’appel, conformément aux dispositions de la partie quatre, livre III, titre IVbis du Code judiciaire. Art. 114 Le Roi peut fi xer les modalités de la procédure pour les commissions après avis du Conseil de l’Institut. Le Conseil de l’Institut rend son avis dans les trois mois après la réception de la demande d’avis sur le projet, à défaut de quoi le Conseil de l’Institut est réputé n’avoir aucune observation sur le projet. Section 3 Le retrait de la qualité et les autres sanctions administratives Art. 115 § 1er. Le Conseil de l’Institut retire la qualité d’expert- comptable (interne), d’expert-comptable fi scaliste (in- terne) d’expert-comptable certifi é (interne) et conseiller fi scal certifi é (interne): 1° automatiquement, après la décision de radiation de la commission disciplinaire, ou, le cas échéant, de la commission d’appel, coulée en force jugée; 2° lorsque les conditions d’admission à la profession mentionnées à l’article 10, § 1er 1° à 4°, ne sont plus respectées; 3° lorsque l’intéressé reste en défaut de s’exécu- ter pendant un délai de trois mois après un rappel à l’ordre devenu défi nitif pour une des infractions visées à l’article 85. § 2. Cinq ans après la décision de retrait, le profes- sionnel peut demander à obtenir de nouveau la qualité, lorsqu’il satisfait de nouveau aux conditions d’admission à la profession mentionnées à l’article 10. Art. 116 Le Conseil de l’Institut est compétent pour prononcer des sanctions administratives telles que prévues dans DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 60 van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwas- sen van geld en de fi nanciering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. Afdeling 4 Strafbepalingen Art. 117 Met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van tweehonderd tot tweeduizend euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft: 1° hij die zich publiekelijk en onrechtmatig de hoeda- nigheid of de titel toe-eigent van de volgende beroepen: a) (intern) accountant of (intern) fi scaal accountant; b) (intern) accountant of (intern) gecertifi ceerd ac- countant; c) (intern) gecertifi ceerd belastingadviseur; 2° hij die de artikelen 4, 5, 7, 8, en 9 overtreedt; 3° hij die de beroepsactiviteiten bedoeld in arti- kel 3 uitoefent of de titels bedoeld in de artikelen 4, 7, 8 en 9 voert, terwijl hij het voorwerp is van een uitvoer- bare schorsingsmaatregel. De rechtbank kan bovendien bevelen: 1° de defi nitieve of tijdelijke sluiting van een deel van de lokalen of van alle lokalen die worden gebruikt door degene die zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer van de hierboven bedoelde overtredingen; 2° de bekendmaking van het vonnis of van een sa- menvatting ervan in een of meer dagbladen of enige andere wijze, dit alles op kosten van de veroordeelde. Art. 118 Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van de gerechtelijke politie worden de ambtenaren die hier- toe door de Koning zijn aangesteld op voorstel van de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Middenstand, belast met het opsporen en vaststel- len in processen-verbaal van de inbreuken bedoeld in artikel 117, eerste lid. Deze processen-verbaal hebben bewijskracht tot tegenbewijs. Zij worden onverwijld la loi du 18 septembre 2017 à la prévention du blanchi- ment de capitaux et du fi nancement du terrorisme et à la limitation de l’utilisation des espèces. Section 4 Dispositions pénales Art. 117 Sont punis d’une peine d’emprisonnement de huit jours à trois mois et d’une amende de deux cent à deux milles euros ou d’une de ces peines seulement: 1° celui qui s’attribue publiquement et sans titre la qualifi cation ou le titre des professions suivantes: a) expert-comptable (interne) ou expert-comptable fi scaliste (interne); b) expert-comptable (interne) ou expert-comptable certifi é (interne); c) conseiller fi scal certifi é (interne); 2° celui qui contrevient aux articles 4, 5, 7, 8 et 9; 3° celui qui exerce l’activité professionnelle visée à l’article 3 ou porte les titres visés aux articles 4, 7, 8 et 9 alors qu’il fait l’objet d’une mesure de suspension exécutoire. Le tribunal peut en outre ordonner: 1° la fermeture défi nitive ou provisoire de tout ou par- tie des locaux utilisés par celui qui s’est rendu coupable d’une ou plusieurs infractions susvisées; 2° la publication du jugement ou d’un résumé de celui-ci dans un ou plusieurs quotidiens ou par un quel- conque autre biais, aux frais du condamné. Art. 118 Sans préjudice des compétences incombant aux officiers de police judiciaire, les fonctionnaires, com- missionnés à cet effet par le Roi sur la proposition du ministre qui a l’Economie dans ses attributions et du ministre qui a les Classes moyennes dans ses attribu- tions, sont chargés de rechercher et de constater par des procès-verbaux les infractions visées à l’ article 117, alinéa 1er. Ces procès-verbaux font foi jusqu’à preuve DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 61 toegezonden aan de Raad van het Instituut en aan de bevoegde ambtenaren van het Openbaar Ministerie. Een afschrift ervan wordt gezonden aan de inbreukpleger, alsook aan de hierboven vermelde ministers binnen zeven werkdagen te rekenen vanaf de vaststelling van de inbreuken, op straffe van nietigheid. De personen die onder de toepassing van deze wet vallen, zijn er- toe gehouden alle inlichtingen en alle bescheiden te verstrekken die nodig zijn om de toepassing ervan na te gaan. Elke persoon die weigert de bedoelde inlich- tingen en bescheiden te verstrekken of zich tegen de onderzoeksmaatregelen verzet, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht tot vijftien dagen en met een geldboete van 26 tot 1 000 euro of met een van deze straffen alleen. Art. 119 Bij elke inbreuk, vastgesteld in een proces-verbaal, met betrekking tot artikel 117, eerste lid, 1°, kan het Instituut in rechte optreden om de rechten en de ge- meenschappelijke beroepsbelangen van zijn leden te beschermen en desgevallend schadevergoeding te eisen. Art. 120 Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de beroepsbeoefenaars en stagiairs en op de personen voor wie zij instaan, alsook op de personen die tijdelijk en occasioneel het beroep uitoefenen. Artikel 458 van het Strafwetboek is eveneens van toepassing op het Instituut, op de organen, op de leden van die organen, met inbegrip van de commissies, op de toetsers, op de rechtskundig assessor en op de personeelsleden van het Instituut. In afwijking van het tweede lid mogen de organen, de leden van die organen, met inbegrip van de com- missies, de toetsers, de rechtskundig assessor en de personeelsleden van het Instituut gegevens die hen werden bezorgd voor de uitoefening van hun functie of wettelijke of reglementaire opdracht uitwisselen met andere organen, met andere leden van die organen, de commissies en de toetsers, de rechtskundig assessor en met andere personeelsleden van het Instituut voor zover die uitwisseling van gegevens noodzakelijk is voor hun wettelijke of reglementaire opdrachten. du contraire. Ils sont transmis sans délai au Conseil de l’Institut et aux officiers compétents du Ministère public. Une copie en est adressée à l’auteur de l’infraction, ainsi qu’aux ministres précités dans les sept jours ouvrables de la constatation des infractions, le tout à peine de nullité. Les personnes auxquelles la présente loi s’ap- plique, sont tenues de fournir tous renseignements et documents nécessaires pour en vérifi er l’application. Sera puni d’un emprisonnement de huit à quinze jours et d’une amende de 26 à 1 000 euros ou d’une de ces peines seulement, celui qui refusera de fournir les renseignements et documents visés ou qui s’opposera aux mesures de investigation. Art. 119 Pour toute infraction, constatée par un procès-verbal, conformément à l’article 117, alinéa 1er, 1°, l’Institut peut ester en justice afi n de veiller aux droits et aux intérêts professionnels communs de ses membres, ainsi que, le cas échéant, de réclamer une indemnisation. Art. 120 L’article 458 du Code pénal est d’application aux professionnels et stagiaires et aux personnes dont ils sont responsables ainsi qu’aux personnes qui exercent temporairement et occasionnellement la profession. L’article 458 du Code pénal est également d’appli- cation à l’Institut, aux organes, aux membres de ces organes, y compris les commissions, les rapporteurs, à l’assesseur juridique et aux membres du personnel de l’Institut. Par dérogation à l’alinéa 2, les organes, les membres de ces organes, y compris les commissions, les rap- porteurs, l’assesseur juridique et les membres du personnel de l’Institut peuvent échanger des informa- tions qui leur ont été communiquées pour l’exercice de leur fonction ou mission légale ou réglementaire avec d’autres organes, d’autres membres de ces organes, les commissions et les rapporteurs, l’assesseur juridique et d’autres membres du personnel de l’Institut pour autant que cet échange soit nécessaire à l’accomplissement de leurs missions légales ou réglementaires. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 62 Rechtspersonen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe hun organen en aangestelden krachtens dit hoofdstuk zijn veroordeeld. HOOFDSTUK 12 Overgangsbepalingen Art. 121 De rechten van het personeel van de fusionerende instituten blijven verworven ten aanzien van het Instituut dat door deze wet opgericht wordt. Art. 122 De tuchtdossiers die aanhangig zijn bij de tuchtin- stanties van beide fusionerende instituten op de dag van de inwerkingtreding van deze wet, blijven behan- deld door de tuchtorganen van beide fusionerende instituten in dezelfde samenstelling en volgens dezelfde procedureregels van toepassing op deze tuchtorganen voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze wet. Elk hoger beroep dat ingesteld wordt na de inwerkingtreding van deze wet, wordt behandeld door de commissie van beroep overeenkomstig deze wet. Art. 123 Elke persoon ingeschreven op de lijst van stagiairs van de fusionerende instituten op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, wordt automatisch in- geschreven in het openbaar register van het Instituut. De gepresteerde stageduur binnen elk van de fusio- nerende instituten blijft verworven. Art. 124 § 1. Elke persoon ingeschreven op de lijst van de stagiairs van het Instituut van de Accountants en de Be- lastingconsulenten voorzien in de wet van 22 april 1999 op de datum van de inwerkingtreding van deze wet kan na die datum: 1° deelnemen aan het volgende bekwaamheidsexa- men tot het bekomen van de hoedanigheid van (intern) gecertifi ceerd accountant, voor zover de stagiair drie jaar stage heeft volbracht als stagiair accountant bij het Instituut van de Accountants en de Belastingcon- sulenten, uit hoofde van de wet van 22 april 1999. Dit bekwaamheidsexamen wordt georganiseerd door het Les personnes morales sont civilement responsables du paiement des amendes auxquelles leurs organes ou préposés sont condamnés en vertu du présent chapitre. CHAPITRE 12 Dispositions transitoires Art. 121 Les droits du personnel des instituts qui fusionnent leur restent acquis à l’égard de l’Institut créé par la présente loi. Art. 122 Les dossiers disciplinaires pendants devant les ins- tances disciplinaires des deux instituts qui fusionnent à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, sont traités par les organes disciplinaires des deux instituts qui fusionnent en conservant la même composition et selon les mêmes règles de procédure applicables aux- dits organes avant l’entrée en vigueur de la présente loi. Tout appel introduit après l’entrée en vigueur de la présente loi est traité par la commission d’appel confor- mément à la présente loi. Art. 123 Toute personne inscrite, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, sur la liste des stagiaires des instituts qui fusionnent est inscrite automatiquement au registre public de l’Institut. La durée du stage presté au sein de chacun des instituts qui fusionnent reste acquise. Art. 124 § 1er. Toute personne inscrite à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, sur la liste des stagiaires de l’Institut des experts-comptables et des conseils fi scaux prévue par la loi du 22 avril 1999 peut après la date d’entrée en vigueur: 1° participer à l’examen d’aptitude suivant pour obte- nir la qualité d’expert-comptable certifi é (interne), pour autant qu’elle ait accompli un stage de trois ans en tant que stagiaire expert-comptable au sein de l’Institut des experts-comptables et des conseils fi scaux en vertu de la loi du 22 avril 1999. Cet examen d’aptitude est organisé par l’Institut qui est créé par la présente loi, DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 63 Instituut, opgericht door deze wet, volgens de nadere regels bepaald in deze wet en in haar uitvoeringsbe- sluiten, of 2° deelnemen aan het volgende bekwaamheids- examen tot het bekomen van de hoedanigheid van (intern) gecertifi ceerd belastingadviseur, voor zover de stagiair drie jaar stage heeft volbracht als stagiair belastingconsulent bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. Dit bekwaamheidsexamen wordt georganiseerd door het Instituut en volgens de nadere regels bepaald in deze wet en in haar uitvoe- ringsbesluiten. §  2. Elke persoon ingeschreven op de lijst van de stagiairs van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten bedoeld in de wet van 22 april 1999 op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, kan na die datum zijn stage verderzetten on- der de voorwaarden en nadere regels voorzien door of in uitvoering van de wet van 22 april 1999. Indien deze persoon aan het einde van de zes jaar te rekenen vanaf de datum van zijn inschrijving als stagiair niet slaagt in het bekwaamheidsexamen op het einde van de stage, kan hij overeenkomstig artikel 13 slechts een nieuwe stage aanvatten na een periode van drie jaar jaar en na het slagen voor het toelatingsexamen. De nieuwe stage is onderworpen aan de voorwaarden bepaald door of in uitvoering van deze wet. De persoon bedoeld in het eerste lid die slaagt voor de stage, wordt in het openbaar register ingeschreven als “accountant” indien hij voor de inwerkingtreding van deze wet als “boekhouder” zou ingeschreven zijn geweest of als “fi scaal accountant” indien hij als “boekhouder(-fi scalist)” zou ingeschreven zijn geweest in uitvoering van de wet van 22 april 1999. Art. 125 De persoon, natuurlijke of rechtspersoon, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet vermeld staat op de deellijst van de accountants met toepassing van de wet van 22 april 1999, wordt na die datum in het openbaar register ingeschreven met de hoedanigheid “(intern) gecertifi ceerd accountant”. De persoon, natuurlijke of rechtspersoon, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet vermeld staat op de deellijst van de belastingconsulent met toepassing van de wet van 22 april 1999, wordt na die datum in het openbaar register ingeschreven met de hoedanigheid “(intern) gecertifi ceerd belastingadviseur”. selon les modalités défi nies dans la présente loi et ses arrêtés d’exécution, ou 2° participer à l’examen d’aptitude suivant pour obtenir la qualité de conseiller fi scal certifi é (interne), pour autant qu’elle ait accompli un stage de trois ans en tant que stagiaire conseil fi scal au sein de l’Institut des experts-comptables et des conseils fi scaux. Cet examen d’aptitude est organisé par l’Institut, selon les modalités défi nies dans la présente loi et ses arrêtés d’exécution. § 2. Toute personne inscrite à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, sur la liste des stagiaires de l’Institut professionnel des comptables et fi scalistes agréés visée dans la loi du 22 avril 1999 peut pour- suivre son stage sous les conditions et les autres règles prévues par la loi du 22 avril 1999 ou en exécution de celle-ci. Si cette personne ne réussit pas l’examen d’aptitude pratique au bout des six ans, à compter de la date d’inscription en tant que stagiaire, elle ne peut entamer un nouveau stage, conformément à l’article 13, qu’après une période de trois ans et après avoir réussi l’examen d’admission. Le nouveau stage est soumis aux conditions défi nies par ou en exécution de la pré- sente loi. La personne visée à l’alinéa 1er qui réussit le stage et qui, avant l’entrée en vigueur de la présente loi, aurait été inscrite en tant que “comptable”, est inscrite au registre public en tant qu’“expert-comptable” ou, si elle aurait être inscrite en tant que “comptable(-fi scaliste)” en exécution de la loi du 22 avril 1999, en tant que “expert- comptable fi scaliste”. Art. 125 La personne, physique ou morale, qui, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, fi gure sur la sous-liste des experts-comptables en application de la loi du 22 avril 1999, est inscrite après cette date au registre public avec la qualité d’“expert-comptable certifi é (interne)”. La personne, physique ou morale, qui, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, fi gure sur la sous-liste des conseils fi scaux en application de la loi du 22 avril 1999, est inscrite après cette date au registre public avec la qualité de “conseiller fi scal certifi é (interne)”. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 64 De personen, natuurlijke of rechtspersonen, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet de titel “accountant-belastingconsulent” voeren uit hoofde van de wet van 22 april 1999, worden na die datum ingeschreven met de hoedanigheid van “(intern) gecer- tifi ceerd accountant”. Van de personen bedoeld in het derde lid van dit ar- tikel mogen enkel de personen, natuurlijke of rechtsper- sonen, die de titel van “accountant-belastingconsulent” droegen, na de inwerkingtreding van deze wet de titel van “(intern) gecertifi ceerd fi scaal accountant” dragen in uitvoering van artikel 8. De personen, natuurlijke of rechtspersonen, die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet de titel “accountant-belastingconsulent” voeren uit hoofde van de wet van 22 april 1999, kunnen ook op hun verzoek de hoedanigheid van “(intern) gecertifi ceerd belasting- adviseur” verkrijgen en de titel dragen in de plaats van de hoedanigheid en titel van “gecertifi ceerd accountant”. De personen, natuurlijke of rechtspersonen, inge- schreven als “accountant” of “fi scaal accountant” zijn slechts onderworpen aan hoofdstuk 7 na een periode van vier jaar die aanvangt op de eerste dag van de maand die volgt op de datum van inwerkingtreding van deze wet. Art. 126 In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden “Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten” alsook de woorden “Insti- tuut van de Accountants en de Belastingconsulenten” telkens gelezen worden als “Instituut van de Belasting- adviseurs en de Accountants”. In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord “accountant” telkens gelezen worden als “gecertifi ceerd accountant”. In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord “belastingconsulent” telkens gelezen worden als “gecertifi ceerd belastingadviseur”. In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moet het woord “boekhouder” en moeten de woorden “erkend boekhouder” telkens gelezen worden als “ac- countant”. In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden “erkend boekhouder-fi scalist” tel- kens gelezen worden als “fi scaal accountant”. Les personnes, physiques ou morales, qui, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, portent le titre d’“expert-comptable – conseil fi scal” en vertu de la loi du 22 avril 1999, sont inscrites après cette date avec la qualité d’“expert-comptable certifi é (interne)”. Parmi les personnes visées à l’alinéa trois du présent article, seules les personnes, physiques ou morales, qui portaient le titre d’“expert-comptable – conseil fi s- cal” peuvent après l’entrée en vigueur de la présente loi porter le titre d’“expert-comptable et fi scal certifi é (interne)” en application de l’article 8. Les personnes, physiques ou morales, qui, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, portent le titre d’“expert-comptable – conseil fi scal” en vertu de la loi du 22 avril 1999, peuvent également obtenir à leur demande la qualité de “conseiller fi scal certifi é (interne)” et porter le titre en lieu et place de la qualité et du titre d’“expert-comptable certifi é”. Les personnes, physiques ou morales, inscrites comme “expert-comptable” ou “expert-comptable fi s- caliste” ne sont soumises au chapitre 7 qu’après une période de quatre ans commençant à courir le 1er jour du mois suivant le jour de l’entrée en vigueur de la présente loi. Art. 126 Dans toute autre disposition légale et réglementaire, les mots “Institut professionnel des comptables et fi sca- listes agréés” ainsi que les mots “Institut des experts- comptables et des conseils fi scaux” doivent être lus à chaque fois comme “Institut des Conseillers fi scaux et des Experts-comptables”. Dans toute autre disposition légale et réglementaire, le mot “expert-comptable” doit être lu à chaque fois comme “expert-comptable certifi é”. Dans toute autre disposition légale et réglementaire, les mots “conseil fi scal” doivent être lus à chaque fois comme “conseiller fi scal certifi é”. Dans toute autre disposition légale et réglementaire, le mot “comptable” et les mots “comptable agréé” doivent être lus à chaque fois comme “expert-comp- table”. Dans toute autre disposition légale et réglementaire, les mots “comptable-fi scaliste agréé” doivent être lus à chaque fois comme “expert-comptable fi scaliste”. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 65 In alle andere wettelijke en reglementaire bepalingen moeten de woorden “boekhouder(-fi scalist)” telkens gelezen worden als “(fi scaal) accountant”. Art. 127 § 1. In afwijking van de artikelen 68 en 69, wordt voor een periode van vier jaar na de inwerkingtreding van dit artikel een overgangsraad opgericht die bestaat uit: 1° een voorzitter die de voorzitter is van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, ver- kozen door de laatste algemene vergadering gehouden voor de inwerkingtreding van dit artikel; 2° een ondervoorzitter die de voorzitter is van het Be- roepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten, verkozen door en onder de leden van de Nationale Raad van dat Instituut na de laatste verkiezingen die voor de inwerkingtreding van dit artikel georganiseerd werden; 3° dertien leden die tot lid van de Raad van het In- stituut van de Accountants en de Belastingconsulenten verkozen zijn tijdens de laatste algemene vergadering van dat Instituut vóór de inwerkingtreding van dit artikel; 4° zes Franstalige en zeven Nederlandstalige leden die tot lid van de Nationale Raad van het Beroepsin- stituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten met het meest aantal stemmen verkozen zijn bij de laatste verkiezingen die binnen het Beroepsinstituut werden georganiseerd vóór de inwerkingtreding van dit artikel. De voorzitter en ondervoorzitter behoren tot een ver- schillende taalgroep. Als de voorzitter en ondervoorzitter van de overgangsraad die op die manier aangeduid werden, tot dezelfde taalgroep behoren, wordt voorzit- ter van de overgangsraad de ondervoorzitter verkozen binnen het Instituut van de Accountants en de Belas- tingconsulenten door de laatste algemene vergadering gehouden vóór de inwerkingtreding van dit artikel. § 2. De overgangsraad oefent alle voorbereidende taken uit die noodzakelijk zijn voor de oprichting en wer- king van het Instituut bedoeld in artikel 2, 17°, en van zijn organen tot op de datum van inwerkingtreding van alle bepalingen van deze wet. Na de inwerkingtreding van alle bepalingen van deze wet oefent hij zijn mandaat uit door alle opdrachten bedoeld in artikel 72 uit te oefenen. Dans toute autre disposition légale et réglemen- taire, les mots “comptable(-fi scaliste)” doivent être lus à chaque fois comme “expert-comptable (fi scaliste)”. Art. 127 § 1er. Par dérogation aux articles  68  et 69, il est constitué pour une période de quatre ans à compter de l’entrée en vigueur du présent article, un conseil de transition composé: 1° d’un président qui est le président de l’Institut des Experts-Comptables et des Conseils Fiscaux élu par sa dernière assemblée générale tenue avant l’entrée en vigueur du présent article; 2° d’un vice-président qui est le président de l’Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés élu par et au sein des membres du Conseil national de cet Institut suite aux dernières élections organisées au sein de cet Institut avant l’entrée en vigueur du présent article; 3° de treize membres élus comme membres du Conseil de l’Institut des Experts-Comptables et des Conseils Fiscaux lors de la dernière assemblée géné- rale de cet Institut tenue avant l’entrée en vigueur du présent article; 4° de six membres francophones et de sept membres néerlandophones élus avec le plus grand nombre de voix comme membres du Conseil National de l’Institut professionnel des Comptables et Fiscalistes agréés lors des dernières élections organisées au sein de cet Institut avant l’entrée en vigueur du présent article. Le président et le vice-président appartiennent à un rôle linguistique différent. Si le président et le vice- président du conseil de transition désignés sont du même rôle linguistique, devient président du conseil de transition le vice-président élu au sein de l’Institut des Experts-Comptables et des Conseil Fiscaux par sa dernière assemblée générale avant l’entrée en vigueur du présent article. § 2. Le conseil transitoire effectue toutes les tâches préparatoires nécessaires à la mise en place et au fonctionnement de l’Institut visé à l’article 2, 17°, et de ses organes jusqu’à la date de l’entrée en vigueur de l’ensemble des dispositions de la présente loi. Dès l’entrée en vigueur de l’ensemble des dispositions de la présente loi, il poursuit son mandat en exécutant toutes les missions visées à l’article 72. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 66 § 3. Het uitvoerend comité van de overgangsraad bestaat uit: 1° de voorzitter en de ondervoorzitter; 2° twee Nederlandstalige en twee Franstalige leden verkozen door de overgangsraad onder de leden van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1, 3°; 3° twee Nederlandstalige en twee Franstalige leden verkozen door de overgangsraad onder de leden van de overgangsraad bedoeld in paragraaf 1, 4°. Art. 128 De minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Middenstand dragen elk een regerings- commissaris, ambtenaar bij de Federale Overheids- dienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie bij het Instituut voor. De regeringscommissarissen worden door de Koning benoemd voor een periode van drie jaar na de inwerkingtreding van dit artikel. De regeringscommissarissen hebben het recht om elke vergadering van de overgangsraad van het Instituut bij te wonen, alsook de algemene vergadering van het Instituut. Zij hebben toegang tot alle stukken die nodig zijn voor de uitoefening van hun opdracht. Zij kunnen een vergadering van de Raad van het Instituut of een bijzondere algemene vergadering bijeenroepen. De regeringscommissarissen beschikken over een termijn van vijftien dagen om gezamenlijk bij de minis- ters beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de Raad van het Instituut, die strijdig is met het wettelijk, reglementair en normatief kader, die de solvabiliteit van het Instituut in gevaar kan brengen of die strijdig is met de goedgekeurde begroting van het Instituut bedoeld in artikel 65. Deze termijn gaat in op de dag waarop de rege- ringscommissarissen in kennis gesteld worden van het proces-verbaal van de beslissing. Het beroep heeft schorsende werking. Indien de ministers de nietigverklaring niet hebben uitgesproken binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing defi nitief. § 3. Le comité exécutif du conseil de transition est composé: 1° du président et du vice-président; 2° de deux membres néerlandophones et de deux membres francophones élus par le conseil de transition parmi les membres du conseil de transition visés au § 1er, 3°; 3° de deux membres néerlandophones et de deux membres francophones élus par le conseil de transition parmi les membres du conseil de transition visé au § 1er, 4°. Art. 128 Le ministre qui a l’Economie dans ses attributions et le ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions proposent chacun un commissaire du gou- vernement, fonctionnaire du Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie. Les commissaires de gouvernement sont nommés par le Roi pour une période de trois ans à compter de l’entrée en vigueur du présent article. Les commissaires du gouvernement ont le droit d’assister à toute réunion du Conseil transitoire de l’Institut, ainsi que de l’assemblée générale de l’Ins- titut. Ils ont accès à tous les documents nécessaires à l’exécution de leur mission. Ils peuvent convoquer une réunion du Conseil de l’Institut ou une assemblée générale extraordinaire. Les commissaires du gouvernement disposent d’un délai de quinze jours pour introduire un recours conjoint auprès des ministres contre l’exécution de toute déci- sion du Conseil de l’Institut qui est contraire au cadre légal, règlementaire et normatif, qui est de nature à com- promettre la solvabilité de l’Institut ou qui est contraire au budget approuvé de l’Institut visé à l’article 65. Ce délai court à partir du jour où les commissaires du gouvernement ont eu connaissance du procès-verbal de la décision. Le recours est suspensif. Si les ministres n’ont pas prononcé l’annulation dans un délai de quinze jours à partir de la réception du recours, la décision devient défi nitive. DOC 54 3522/005 C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2018 2019 67 Jaarlijks maken de regeringscommissarissen een uitvoerig verslag van hun werkzaamheden aan de ministers over. Het mandaat van de regeringscommissarissen wordt kosteloos uitgeoefend. HOOFDSTUK 13 Slotbepalingen Art. 129 De volgende wetten worden opgeheven op de datum vastgesteld door de Koning: 1° de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoud- kundige en fi scale beroepen, laatst gewijzigd bij de wet van 18 september 2017; 2° de wet van 22 april 1999 betreffende de beroeps- tucht voor accountants en belastingconsulenten, laatst gewijzigd bij de wet van 10 april 2014. Art. 130 Deze wet treedt in werking op de datum bepaald door de Koning, met uitzondering van de artikelen 127 tot en met 129 die in werking treden op 1 juni 2019. Chaque année, les commissaires du gouvernement transmettent un compte rendu détaillé de leurs activités aux ministres. Le mandat des commissaires du gouvernement est exercé à titre gratuit. CHAPITRE 13 Dispositions fi nales Art. 129 Les lois suivantes sont abrogées à la date fi xée par le Roi: 1° la loi du 22 avril 1999 relative au professions comp- tables et fi scales, modifi ée en dernier lieu par la loi du 18 septembre 2017; 2° la loi du 22 avril 1999 relative à la discipline pro- fessionnelle des experts-comptables et des conseils fi s- caux, modifi ée en dernier lieu par la loi du 10 avril 2014. Art. 130 La présente loi entre en vigueur à la date fi xée par le Roi, à l’exception des articles 127 à 129 qui entrent en vigueur le 1er juin 2019. DOC 54 Bruxelles, le 28 février 2019 Le président de la Chambre des représentants, Le greffier de la Chambre des représentants, Brussel, 28 februari 2019 De voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, De griffier van de Kamer van volksvertegenwoordigers, Siegfried BRACKE Marc VAN der HULST Centrale drukkerij – Imprimerie centrale

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot