Inhoud
INHOUD
SOMMAIRE
Blz.
Pages
I. Procedure ......................................................................3
II. Inleidende uiteenzettingen ............................................3
III. Bespreking .....................................................................4
IV. Stemmingen ..................................................................7
Bijlage 1: verslag van de hoorzitting van 19 juni 2018 .........8
Bijlage 2: verslag van de hoorzitting van 19 februari 2019 .41
I. Procédure ......................................................................3
II. Exposés introductifs ......................................................3
III. Discussion .....................................................................4
IV. Votes ..............................................................................7
Annexe 1: Rapport de l’audition du 19 juin 2018 ..................8
Annexe 2: Rapport de l’audition du 19 février 2019 ...........41
VERSLAG
RAPPORT
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet
van 25 april 2014 op het statuut van en
het toezicht op kredietinstellingen en
beursvennootschappen, wat betreft de
invoering van een bankierseed
Proposition de loi modifiant la loi
du 25 avril 2014 relative au statut et au
contrôle des établissements de crédit et
des sociétés de bourse en ce qui concerne
l’instauration d’un serment bancaire
11065
DOC 54 3650/003
DOC 54 3650/003
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
1 april 2019
1er avril 2019
NAMENS DE COMMISSIE
VOOR DE FINANCIËN EN DE BEGROTING
UITGEBRACHT DOOR
DE HEER Roel DESEYN
FAIT AU NOM DE LA COMMISSION
DES FINANCES ET DU BUDGET
PAR
M. Roel DESEYN
Voir:
Doc 54 3650/ (2018/2019):
001:
Proposition de loi de Mme Almaci et consorts.
002:
Modifi cation auteur.
Voir aussi:
004:
Texte adopté par la commission.
Doc 54 2748/ (2017/2018):
001:
Proposition de loi de Mme Almaci et M. Gilkinet.
Zie:
Doc 54 3650/ (2018/2019):
001:
Wetsvoorstel van mevrouw Almaci c.s.
002:
Wijziging indiener.
Zie ook:
004:
Tekst aangenomen door de commissie.
Doc 54 2748/ (2017/2018):
001:
Wetsvoorstel van mevrouw Almaci en de heer Gilkinet.
PROPOSITION DE LOI
WETSVOORSTEL
tot wijziging van de wet van 25 april 2014
op het statuut van en het toezicht op
kredietinstellingen, betreffende de invoering
van een bankierseed en een tuchtrechtelijke
regeling
modifiant la loi du 25 avril 2014 relative
au statut et au contrôle des établissements
de crédit et des sociétés de bourse en vue
d’instaurer un serment bancaire et un régime
disciplinaire
2
3650/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA:
Questions et Réponses écrites
CRIV:
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
CRABV:
Compte Rendu Analytique
CRIV:
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le
compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu
analy tique traduit des interventions (avec les an-
nexes)
PLEN:
Séance plénière
COM:
Réunion de commission
MOT:
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes:
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.lachambre.be
courriel : publications@lachambre.be
Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen:
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.dekamer.be
e-mail : publicaties@dekamer.be
De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier
Afkortingen bij de nummering van de publicaties:
DOC 54 0000/000:
Parlementair document van de 54e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV:
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV:
Beknopt Verslag
CRIV:
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag
en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken
(met de bijlagen)
PLEN:
Plenum
COM:
Commissievergadering
MOT:
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti Socialiste
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
sp.a
:
socialistische partij anders
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
cdH
:
centre démocrate Humaniste
VB
:
Vlaams Belang
PTB-GO!
:
Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
PP
:
Parti Populaire
Vuye&Wouters
:
Vuye&Wouters
Samenstelling van de commissie op de datum van indiening van het verslag/
Composition de la commission à la date de dépôt du rapport
Voorzitter/Président: Eric Van Rompuy
A. — Vaste leden / Titulaires:
B. — Plaatsvervangers / Suppléants:
N-VA
Peter Dedecker, Rita Gantois, Jan Jambon, Steven
Vandeput
Peter Buysrogge, Inez De Coninck, Peter De Roover, Bart De Wever,
Zuhal Demir
PS
Michel Corthouts, Frédéric Daerden, Ahmed Laaouej
Olivier Henry, Emir Kir, Laurette Onkelinx, Sébastian Pirlot
MR
Gautier Calomne, Benoît Piedboeuf, Vincent
Scourneau
Olivier Chastel, Philippe Goffin, Kattrin Jadin, Damien Thiéry
CD&V
Roel Deseyn, Eric Van Rompuy
Hendrik Bogaert, Griet Smaers, Vincent Van Peteghem
Open Vld
Luk Van Biesen, Dirk Van Mechelen
Patricia Ceysens, Ine Somers, Carina Van Cauter
sp.a
Peter Vanvelthoven
Karin Temmerman, Dirk Van der Maelen
Ecolo-Groen
Georges Gilkinet
Meyrem Almaci, Jean-Marc Nollet
cdH
Benoît Dispa
Michel de Lamotte, Catherine Fonck
C. — Niet-stemgerechtigde leden / Membres sans voix délibérative:
VB
Barbara Pas
PTB-GO!
Marco Van Hees
DéFI
Olivier Maingain
Vuye&Wouters
Veerle Wouters
3
3650/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
DAMES EN HEREN,
I. — PROCEDURE
Met betrekking tot het wetsvoorstel nr. 2748 heeft
de commissie heeft hoorzittingen georganiseerd op
19 juni 2018 en op 19 februari 2019.
Op 16 juni werden de volgende personen gehoord:
— de heer Hubert Schokker, vertegenwoordiger van
de Nederlandse Vereniging van Banken;
— mevrouw Nicolet Jager, penningmeester van de
Stichting Tuchtrecht Banken;
— de heer Geert Noels, vice-voorzitter van de
High Level Expert Group on the Future of the Belgian
Financial Sector;
— de heer Albert Verlinden, voorzitter en gedelegeerd
bestuurder van BZB-Fedafi n;
— de heer Karel Van Eetvelt, CEO van Febelfi n, en
de heer Tom Boedts, general counsel van Febelfi n
Op 19 februari 2019 werden de heer Karel Van
Eetvelt, CEO van Febelfi n, en de heer Tom Boedts,
general counsel van Febelfi n opnieuw gehoord.
Het verslag van beide hoorzittingen wordt in bijlage
bij dit verslag gevoegd (zie bijlagen 1 en 2.
Op basis van de hoorzittingen hebben de auteurs
beslist om een nieuw wetsvoorstel nr. 3650 in te dienen
dat het wetsvoorstel nr. 2748 herneemt en aanvult.
De commissie heeft op de vergadering van
19 maart 2019 beslist het wetsvoorstel nr. 3650 als
basis te nemen van de bespreking.
II. — INLEIDENDE UITEENZETTINGEN
A. Wetsvoorstel nr. 2748
Mevrouw Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) licht toe
dat het wetsvoorstel nr. 2748 ertoe strekt alle mede-
werkers van kredietinstellingen te onderwerpen aan
een deontologische code opgesteld door de fi nanciële
sector zelf en waarvan de naleving gewaarborgd wordt
in een tuchtrechtelijke regeling. Deze medewerkers
moeten bij de aanvang van hun werkzaamheden een
MESDAMES, MESSIEURS,
I. — PROCÉDURE
Votre commission a déjà organisé des auditions
concernant la proposition de loi n° 2748 lors de ses
réunions du 19 juin 2018 et du 19 février 2019.
Le 16 juin 2018, les personnes suivantes ont été
auditionnées:
— M. Hubert Schokker, représentant de l’Association
néerlandaise des Banques;
— Mme Nicolet Jager, trésorière de la fondation
“Stichting Tuchtrecht Banken”;
— M. Geert Noels, vice-président du Groupe d’ex-
perts de haut niveau sur l’avenir du secteur fi nancier
belge;
— M. Albert Verlinden, président et administrateur
délégué de BZB-Fedafi n;
— M. Karel Van Eetvelt, directeur général de Febelfi n,
et M. Tom Boedts, conseiller général de Febelfi n.
Le 19 février 2019, M. Karel Van Eetvelt, directeur
général de Febelfi n, et M. Tom Boedts, conseiller géné-
ral de Febelfi n, ont de nouveau été auditionnés.
Le rapport de ces auditions est annexé au présent
rapport (voir annexes 1 et 2).
Sur la base de ces auditions, les auteurs ont décidé
de déposer une proposition de loi n° 3650 qui reprend
les dispositions de la proposition de loi n° 2748 tout en
les complétant.
Lors de sa réunion du 19 mars 2019, la commission
a décidé de prendre comme base de discussion la
proposition de loi n° 3650.
II. — EXPOSÉS INTRODUCTIFS
A. Proposition de loi n° 2748
Mme Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) explique que la
proposition de loi n° 2748 à l’examen vise à soumettre
tous les collaborateurs d’établissements de crédit à
un code de déontologie rédigé par le secteur fi nancier
lui-même et dont le respect est garanti par un régime
disciplinaire. Ces collaborateurs sont tenus de prêter
serment au début de leurs activités: une déclaration par
4
3650/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
eed afl eggen: een persoonlijke engagementsverklaring
om de heersende deontologische normen na te leven
B. Wetsvoorstel nr. 3650
De heer Georges Gilkinet (Ecolo-Groen) legt uit dat
het wetsvoorstel nr. 2748 op basis van de hoorzittingen
werd herwerkt tot een nieuw wetsvoorstel nr. 3650. Dit
wetsvoorstel werd naast de heer Georges Gilkinet zelf
en mevrouw Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) nog mee
ondertekend door de heer Luk Van Biesen (Open Vld),
de heer Benoît Dispa (cdH), de heer Eric Van Rompuy
(CD&V), de heer Peter Vanvelthoven (sp.a) en de heer
Ahmed Laaouej (PS). Het wetsvoorstel nr. 3650 kan
dus bogen op de steun van heel wat politieke fracties.
III. — BESPREKING
Mevrouw Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) wijst erop
dat het wetsvoorstel nr. 3650 een belangrijke aanbeve-
ling van de bijzondere commissie “Internationale fi scale
fraude / Panama Papers” (DOC 54 2749/001) en van de
onderzoekscommissie Optima (DOC 54 1938/004) con-
cretiseert, namelijk het invoeren van een bankierseed.
De spreekster benadrukt dat het wetsvoorstel
nr. 3650 voort bouwt op het wetsvoorstel nr. 2748.
Tegelijkertijd werden een aantal bekommernissen die
aan het licht kwamen bij de hoorzittingen verwerkt in
de tekst. Het wetsvoorstel nr. 3650 werd samen uitge-
werkt met de heer Van Biesen en de heer Dispa en
werd nadien medeondertekend door de heer Eric Van
Rompuy (CD&V), de heer Peter Vanvelthoven (sp.a) en
de heer Ahmed Laaouej (PS) en is dus gesteund door
een ruime meerderheid.
Mevrouw Almaci geeft aan dat het wetsvoorstel
voorziet in de invoering van een deontologische code
die door de banksector zelf wordt opgesteld naar
Nederlands model. Zij benadrukt dat de bekommernis-
sen van banksector ook verwerkt zijn in de tekst van
het wetsvoorstel.
Vervolgens gaat de spreekster in op een aantal be-
merkingen die Febelfi n heeft geuit op het wetsvoorstel
nr. 3650.
Zij ontkent dat de kritiek van Febelfi n dat de ban-
kierseed een discriminatie zou inhouden van de
werknemers van de kredietinstellingen ten opzichte
laquelle ils s’engagent personnellement à respecter les
normes déontologiques en vigueur.
B. Proposition de loi n° 3650
M. Georges Gilkinet (Ecolo-Groen) explique que, sur
la base des auditions, il a été procédé à la refonte de
la proposition de loi n° 2748, ce qui a débouché sur le
dépôt de la proposition de loi n° 3650, qui a été signée
non seulement par M. Georges Gilkinet et Mme Meyrem
Almaci (Ecolo-Groen), mais également par M. Luk Van
Biesen (Open Vld), M. Benoît Dispa (cdH), M. Eric
Van Rompuy (CD&V), M. Peter Vanvelthoven (sp.a) et
M. Ahmed Laaouej (PS). La proposition de loi n° 3650
à l’examen bénéfi cie par conséquent du soutien de
nombreux groupes politiques.
III. — DISCUSSION
Mme Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) indique que la
proposition de loi n° 3650 à l’examen vise à mettre en
œuvre une recommandation importante de la commis-
sion spéciale “Fraude fi scale internationale / Panama
papers” (DOC 54 2749/001) et de la commission d’en-
quête parlementaire chargée d’examiner les causes de
la faillite de la banque Optima (DOC 54 1938/004), à
savoir l’instauration d’un serment bancaire.
L’intervenante souligne que le texte de la proposition
de loi n° 3650 à l’examen se base sur la proposition de
loi n° 2748, mais que, dans le même temps, il y a été
tenu compte de plusieurs inquiétudes mises en lumière
durant les auditions. La proposition de loi n° 3650
à l’examen a été rédigée de concert avec MM. Van
Biesen et Dispa et a ensuite été cosignée par M. Eric
Van Rompuy (CD&V), M. Peter Vanvelthoven (sp.a) et
M. Ahmed Laaouej (PS), ce qui signifi e qu’elle bénéfi cie
du soutien d’une large majorité des groupes politiques.
Mme Almaci indique que la proposition de loi à
l’examen prévoit l’instauration d’un code de déonto-
logie élaboré par le secteur bancaire lui-même, selon
le modèle néerlandais. Elle souligne que le texte de la
proposition de loi à l’examen tient également compte
des inquiétudes du secteur bancaire.
L’intervenante examine ensuite plusieurs observa-
tions formulées par Febelfi n à propos de la proposition
de loi n° 3650 à l’examen.
Elle réfute la critique de Febelfi n selon laquelle le
serment bancaire discriminerait les employés des éta-
blissements de crédit par rapport aux employés d’autres
5
3650/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
van de werknemers van andere fi nanciële instellingen
omdat de bankierseed enkel van toepassing is op
kredietinstellingen.
Zij ontkent ook dat de bankierseed zoals voorzien in
het wetsvoorstel nr. 3650 een beperkter toepassingsge-
bied zou hebben dan in Nederland. Ook in Nederland
geldt de bankierseed met de daaraan verbonden sanctie
enkel voor de banken.
De bankierseed doorstaat dus wel degelijk de toets
met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
De spreekster vindt ook de bezorgdheid van Febelfi n
dat de bankierseed een bijzonder logge en omslachtige
organisatorische en administratieve omkadering zou
te weeg brengen onterecht. Het voorstel van Febelfi n
voor de invoering van een Raad voor Goede praktijken
veronderstelt ook een hele administratieve omkadering
en heeft ook een kostprijs.
Mevrouw Almaci ontkent ook de kritiek van Febelfi n
dat de bankierseed in strijd zou zijn met het Europees
recht en met het grondwettelijk en Europeesrechtelijk
verbod op dubbele bestraffing voor dezelfde feiten. De
eed die geneesheren afl eggen doorstaat deze toets
wel, dus zal dat voor de bankierseed ook het geval zijn.
Tot slot betreurt de spreekster de kritiek van Febelfi n
dat de bankierseed wordt ingevoerd zonder grondige
studie en inhoudelijke debat. Mevrouw Almaci wijst erop
dat er heel wat werk is gestoken in het wetsvoorstel. Er
werden maar liefst twee hoorzittingen georganiseerd
met Febelfi n en daarnaast werd er ook nog veel be-
sprekingen gevoerd achter de schermen.
De spreekster drukt haar appreciatie uit voor het
voorstel van Febelfi n om een Raad voor Goede praktij-
ken in te voeren gebaseerd op het Engelse model van
de Banking Standards Board. Echter is zij van mening
dat het voorstel van Febelfi n niet ver genoeg gaat en
nog dient te worden aangevuld met een bankierseed.
Tot slot dankt de spreekster nogmaals de onder-
tekenaars van de andere fracties. Het verheugt haar
dat het parlement consequent is in zijn houding: één
van de aanbevelingen van de bijzondere commissie
“Internationale fi scale fraude / Panama Papers” (DOC
54 2749/001) en van de onderzoekscommissie Optima
(DOC 54 1938/004) die gedragen werden door een ka-
merbrede meerderheid wordt vandaag gesteund door
een meerderheid van de partijen.
institutions fi nancières compte tenu de son application
aux seuls établissements de crédit.
Elle réfute également le fait que le serment bancaire,
tel qu’il est prévu dans la proposition de loi n° 3650 à
l’examen, aurait un champ d’application plus restreint
que le serment instauré aux Pays-Bas. Aux Pays-Bas
aussi, le serment bancaire, et les sanctions dont il est
assorti, ne s’appliquent qu’aux banques.
Le serment bancaire résiste dès lors bel et bien au
test du principe constitutionnel d’égalité.
L’intervenante estime également injustifi ée la crainte
exprimée par Febelfi n selon laquelle le serment bancaire
créera un cadre organisationnel et administratif particu-
lièrement lourd et complexe. La proposition de Febelfi n
de créer un Conseil de bonnes pratiques suppose
également la mise en place d’un cadre administratif
complet, ce qui aurait également un coût.
Mme Almaci réfute également la critique de Febelfi n
selon laquelle le serment bancaire serait contraire
au droit européen et à l’interdiction prévue dans la
Constitution et dans le droit européen de sanctionner
deux fois les mêmes faits. Si le serment prêté par les
médecins passe cette épreuve, il en sera de même pour
le serment bancaire.
Enfi n, l’intervenante déplore la critique de Febelfi n
selon laquelle le serment bancaire est instauré sans
avoir mené d’étude approfondie et sans avoir organisé
de débat de fond. Mme Almaci souligne que la propo-
sition de loi à l’examen est le fruit d’un très long travail.
Pas moins de deux auditions ont été organisées avec
Febelfi n et de nombreuses discussions ont également
eu lieu en coulisses.
L’intervenante accueille favorablement la proposition
de Febelfi n de créer un Conseil de bonnes pratiques
reposant sur le modèle anglais du Banking Standards
Board. Elle estime cependant que la proposition de
Febelfi n ne va pas assez loin et doit encore être com-
plétée par l’instauration d’un serment bancaire.
Enfi n, l’intervenante remercie une fois encore les
signataires des autres groupes. Elle se réjouit que le
Parlement adopte une attitude cohérente: l’une des
recommandations formulées par la commission spéciale
“Fraude fi scale internationale / Panama Papers” (DOC
54 2749/001) et la commission d’enquête parlementaire
Optima (DOC 54 1938/004) qui ont été soutenues par
une large majorité à la Chambre reçoit aujourd’hui le
soutien d’une majorité des partis.
6
3650/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
De heer Eric Van Rompuy (CD&V) merkt op dat het
wetsvoorstel nr. 3650 het wetsvoorstel nr. 2748 her-
neemt. Hij wijst erop dat hij het wetsvoorstel nr. 3650
mee heeft ondertekend.
De spreker vestigt de aandacht op artikel 15 van het
wetsvoorstel nr. 3650 dat de inwerkingtreding regelt. Het
artikel krijgt dat de Koning de opdracht krijgt overleg te
plegen met de kredietinstellingen over de uitvoering van
de wet. Nadat het overleg heeft plaatsgevonden bepaalt
de Koning de datum van de inwerkingtreding van deze
wet bij een in Ministerraad overlegd besluit.
Het wetsvoorstel nr. 3650 moet gezien worden als
een stok achter de deur om druk te zetten op Febelfi n
om een bankierseed in te voeren. Als het overleg tot
niets leidt, kan de bevoegde minister beslissen om het
wetsvoorstel in werking te laten treden. De commissie
heeft vastgesteld dat Febelfi n toch wat heeft getalmd
met het uitwerken van een voorstel. Vandaar dat een
stok achter de deur nodig bleek.
De heer Steven Vandeput (N-VA) beklemtoont dat zijn
fractie ook voorstander is van een bankierseed maar
dan wel in overleg met de banksector. In tegenstelling
tot mevrouw Almaci vindt de spreker de bekommernis-
sen van Febelfi n wel terecht: voornamelijk de opmerking
over de grondwettelijkheid en de niet te onderschatten
kostprijs die er is aan verbonden. Daarom vraagt hij dat
de commissie het advies zou vragen aan de Raad van
State en het Rekenhof.
Als men een maatschappelijk draagvlak wil creëren
lijkt het volgens de spreker beter om de bankierseed in
te voeren in overleg met de sector in plaats van die eed
bij wet te gaan opdringen.
De heer Luk Van Biesen (Open Vld) wijst erop dat er
wel degelijk overleg is gepleegd met Febelfi n, zowel bui-
ten als binnen de commissie. Hij stelt tevreden vast dat
één van de aanbevelingen van de de bijzondere com-
missie “Internationale fi scale fraude / Panama Papers”)
en van de onderzoekscommissie Optima kan steunen
op een grote meerderheid.
Het is niet meer dan logisch dat ook de bankmede-
werkers onderworpen worden aan een deontologische
code zoals die reeds bestaat voor vele andere beroeps-
categorieën. De fi nanciële crisis heeft de noodzaak van
dergelijke bankierseed aangetoond. De bankierseed
kan er toe bijdragen dat nieuwe fi nanciële crisissen in
de toekomst vermeden kunnen worden. Daarom heeft
hij het wetsvoorstel nr. 3650 mee ondertekend.
De spreker benadrukt dat het wetsvoorstel nr. 3650
moet worden gezien als een stok achter de deur.
M. Eric Van Rompuy (CD&V) fait observer que la
proposition de loi n° 3650 reprend la proposition de loi
n° 2748. Il souligne qu’il a cosigné la première.
L’intervenant attire l’attention sur l’article 15 de la
proposition de loi 3650, qui règle l’entrée en vigueur.
Cet article charge le Roi de mener une concertation
avec les institutions de crédit quant à l’exécution de la
loi. Après que la concertation a eu lieu, le Roi fi xe la
date d’entrée en vigueur de la loi en question par arrêté
délibéré en Conseil des ministres
La proposition de loi n° 3650 doit être considérée
comme un moyen de pression pour inciter Febelfi n à
instaurer un serment bancaire. Si la concertation ne
donne rien, le ministre compétent pourra décider de faire
entrer en vigueur la proposition de loi. La commission a
constaté que Febelfi n a beaucoup tardé à élaborer une
proposition. Il devenait donc nécessaire de trouver un
moyen de pression.
M. Steven Vandeput (N-VA) souligne que son groupe
est également favorable à un serment bancaire, mais en
concertation avec le secteur bancaire. Contrairement à
Mme Almaci, il estime que les inquiétudes de Febelfi n
sont justifi ées: principalement l’observation relative à
la constitutionnalité et au coût y afférent, qu’il ne faut
pas sous-estimer. Il demande dès lors à la commission
de solliciter l’avis du Conseil d’État et de la Cour des
comptes.
Si l’on veut créer un consensus social, l’interve-
nant estime qu’il est préférable d’instaurer le serment
bancaire en concertation avec le secteur plutôt que de
l’imposer par la loi.
M. Luk Van Biesen (Open Vld) fait observer qu’une
concertation a effectivement été menée avec Febelfi n,
tant au sein de la commission qu’en dehors de celle-ci.
Il constate avec satisfaction que l’une des recommanda-
tions de la commission spéciale “Internationale fi scale
fraude / Panama Papers” et de la commission d’enquête
Optima est soutenue par une large majorité.
Il est tout à fait logique que les collaborateurs ban-
caires soient également soumis à un code de déontolo-
gie, à l’instar de nombreuses autres catégories profes-
sionnelles. La crise fi nancière a souligné la nécessité
d’instaurer ce type de serment. Un serment bancaire
peut contribuer à éviter de nouvelles crises. C’est pour
cette raison qu’il a cosigné la proposition de loi n° 3650.
L’intervenant souligne, lui aussi, que cette proposi-
tion de loi doit être considérée comme un moyen de
7
3650/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Febelfi n heeft 8 maanden tijd gehad om met een voor-
stel van bankierseed te komen, maar heeft zijn belofte
niet kunnen waarmaken. Het alternatief van Febelfi n is
onvoldoende. Dit is het signaal dat het parlement wil ge-
ven aan Febelfi n. De spreker benadrukt dat het overleg
met Febelfi n zal worden verdergezet. Het wetsvoorstel
dient om extra druk te zetten op Febelfi n om eindelijk
werk te maken van de bankierseed.
De heer Benoît Dispa (cdH) en de heer Benoît
Piedboeuf (MR) onderschrijven volledig de stelling van
de heer Van Biesen en zullen dan ook het wetsvoorstel
steunen.
De heer Peter Dedecker (N-VA) verklaart dat zijn
fractie achter het principe van een bankierseed staat.
Zijn fractie kan echter niet van mening dat Febelfi n meer
tijd moet krijgen om zelf een regeling uit te werken.
Het voorstel van Febelfi n om een Raad voor Goede
Praktijken in te voeren laat als zien dat Febelfi n bereid
is om mee te werken en is te beschouwen als een eerste
verdienstelijke poging. Bijgevolg zal zijn fractie zich bij
het wetsvoorstel onthouden.
IV. — STEMMINGEN
Artikel 1 wordt eenparig aangenomen.
De artikelen 1 tot 15 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 10 stemmen en 3 onthoudingen.
Het gehele wetsvoorstel wordt met inbegrip van een
aantal wetgevingstechnische correcties eveneens aan-
genomen met 10 stemmen en 3 onthoudingen. Bijgevolg
vervalt het toegevoegde wetsvoorstel nr. 2748.
De rapporteur,
De voorzitter,
Roel DESEYN
Eric VAN ROMPUY
Bepalingen die uitvoeringsmaatregelen ver-
gen (art. 78,2 van het Reglement van de Kamer):
de artikelen 6, 8, 10, 11, 12 en 15.
pression. Febelfi n a eu huit mois pour formuler une
proposition de serment bancaire, mais n’a pas pu tenir
ses promesses. L’alternative qu’elle propose est insuffi-
sante. Voilà le signal que le Parlement veut lui adresser.
L’intervenant souligne que la concertation avec Febelfi n
se poursuivra. La proposition de loi vise à accentuer la
pression sur la fédération pour qu’elle s’attelle enfi n au
serment bancaire.
M. Benoît Dispa (cdH) et M. Benoît Piedboeuf (MR)
souscrivent totalement à la position défendue par M. Van
Biesen et soutiendront donc la proposition de loi.
M. Peter Dedecker (N-VA) explique que son groupe
soutient le principe d’un serment bancaire, mais qu’il
estime que Febelfi n doit disposer de plus de temps pour
élaborer un régime. La proposition de Febelfi n visant
à instaurer un Conseil de bonnes pratiques doit être
considérée comme une première tentative méritoire et
laisse entrevoir que la fédération est disposée à colla-
borer. Par conséquent, son groupe s’abstiendra de voter
la proposition de loi.
IV. — VOTES
L’article 1er est adopté à l’unanimité.
Les articles 1er à 15 sont successivement adoptés par
10 voix et 3 abstentions.
L’ensemble de la proposition de loi, y compris plu-
sieurs corrections d’ordre légistique, est également
adopté par 10 voix et 3 abstentions. Par conséquent,
la proposition de loi jointe n° 2748 tombe.
Le rapporteur,
Le président,
Roel DESEYN
Eric VAN ROMPUY
Dispositions qui nécessitent des mesures d’exé-
cution (art. 78, 2, du Règlement de la Chambre):
les articles 6, 8, 10, 11, 12 et 15.
8
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
BIJLAGE 1
Hoorzitting van 19 juni 2018 met:
— de heer Hubert Schokker, vertegenwoordiger van
de Nederlandse Vereniging van Banken;
— mevrouw Nicolet Jager, penningmeester van de
Stichting Tuchtrecht Banken;
— de heer Geert Noels, vice-voorzitter van de
High Level Expert Group on the Future of the Belgian
Financial Sector;
— de heer Albert Verlinden, voorzitter en gedelegeerd
bestuurder van BZB-Fedafin;
— de heer Karel Van Eetvelt, CEO van Febelfin, en
de heer Tom Boedts, general counsel van Febelfin.
A. Hoorzitting met de heer Hubert Schokker en
mevrouw Nicolet Jager
I. — INLEIDENDE UITEENZETTINGEN
a) Uiteenzetting van de heer Hubert Schokker,
vertegenwoordiger van de Nederlandse Vereniging
van Banken
De heer Hubert Schokker, vertegenwoordiger van
de Nederlandse Vereniging van Banken, legt uit dat
er de afgelopen jaren in Nederland veel gedaan is om
te zorgen voor een stabiele, veilige en integere ban-
kensector. Naast de aanscherpingen op het gebied
van kapitaal, gaat het hierbij nadrukkelijk ook om een
beoogde cultuurverandering. Dit is vandaag het onder-
werp van gesprek.
Mevrouw Meyrem Almaci en de heer Georges
Gilkinet stellen in hun wetsvoorstel voor om een de-
ontologische code in voeren. De spreker benadrukt
dat de Nederlandse ervaringen met zo’n code en de
bijbehorende bankierseed en het tuchtrecht positief zijn.
Hij verduidelijkt wel bij dat dit oordeel uiteraard alleen
gebaseerd is op de Nederlandse situatie. Hij kan niet
beoordelen in hoeverre deze ervaring zich laat vertalen
naar de Belgische situatie .
De banken in Nederland zijn al geruime tijd bezig met
een cultuurverandering. Zij werd in gang gezet met de
eerste Code Banken in 2010, die een reactie was op de
kredietcrisis uit 2009. De Code Banken is een vorm van
zelfregulering door de bankensector. Banken spraken
hier onder andere in af dat de zorgplicht voor de klant
dient te worden verankerd in de cultuur van de bank. Op
ANNEXE 1
Auditions du 19 juin 2018 de:
— M. Hubert Schokker, représentant de l’Union
néerlandaise des Banques;
— Mme Nicolet Jager, trésorière de la “Stichting
Tuchtrecht Banken”;
— M. Geert Noels, vice-président du High Level
Expert Group on the Future of the Belgian Financial
Sector;
— M. Albert Verlinden, président et administrateur
délégué de BZB-Fedafin;
— M. Karel Van Eetvelt, CEO de Febelfin, et M. Tom
Boedts, general counsel de Febelfin.
A. Audition de M. Hubert Schokker et de
Mme Nicolet Jager
I. — EXPOSÉS INTRODUCTIFS
a) Exposé de M. Hubert Schokker, représentant
de l’Union néerlandaise des Banques
M. Hubert Schokker, représentant de l’Union
néerlandaise des Banques, explique que beaucoup
de choses ont été faites aux Pays-Bas, ces dernières
années, pour assurer la stabilité, la sûreté et l’intégrité
du secteur bancaire. Outre le resserrement opéré en
matière de capital, il évoque avec insistance une muta-
tion culturelle attendue qu’il examinera au cours de son
audition.
Mme Meyrem Almaci et M. Georges Gilkinet pro-
posent, dans leur proposition de loi, d’introduire un code
d’éthique. L’orateur souligne que l’expérience acquise
aux Pays-Bas après l’adoption d’un code de cette
nature, du serment bancaire et du droit disciplinaire y
afférents a été positive. Il précise cependant que son
avis ne se fonde que sur l’expérience néerlandaise et
qu’il ne peut pas déterminer dans quelle mesure cette
expérience est transposable dans le contexte belge.
Aux Pays-Bas, les banques ont entamé une mutation
culturelle depuis quelque temps déjà. Cette mutation a
été initiée en 2010 par le premier code bancaire (Code
Banken), en réponse à la crise du crédit de 2009. Ce
code constitue une forme d’autorégulation du secteur
bancaire. Les banques ont notamment convenu d’ins-
crire le devoir de diligence à l’égard du client dans la
9
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
grond van de code tekende ieder lid van de Raad van
Bestuur van een bank een moreel-ethische verklaring.
Deze verklaringen werden vertaald in principes die
gelden als leidraad voor alle medewerkers van de bank.
De heer Schokker beklemtoont dat de Code Banken
uit de sector zelf is voortgekomen. Er werd uitsluitend
een beroep gedaan op de wetgever om het eed- en
tuchtrecht algemeen verbindend te maken. Regels vor-
men een hulpmiddel. Zoals de filosoof Plato destijds al
zei (vrij citaat): “Goede mensen hebben geen wet nodig
om hen te vertellen dat ze verantwoordelijk moeten
handelen, terwijl slechte mensen een manier vinden
om wetten te omzeilen”.
In 2015 heeft de Nederlandse Vereniging van Banken
(NVB) de Code Banken grondig herzien en aange-
past aan de destijds, ingevoerde wet- en regelgeving.
Naast de Code Banken introduceerde de NVB ook een
Maatschappelijk Statuut waarin de gedeelde waarden
van de sector zijn beschreven. Als derde onderdeel
voerde men een set individuele gedragsregels in waar-
aan iedere bankmedewerker zich dient te houden. De
gedragsregels zijn afgeleid van de onderdelen van de
bankierseed.
Alle circa 70 000 medewerkers in Nederland moesten
de bankierseed afleggen en werden daarmee gebonden
aan het tuchtrecht. Uniek in de wereld en dat leverde
veel internationale belangstelling op. Zo kopte de New
York Times: “Dutch banks find words to live by”.
De spreker was aanwezig bij eedafleggingen bij
verschillende banken. Daarbij werd intensief gediscus-
sieerd over wat de eed voor alle betrokkenen betekent.
Eerlijke gesprekken, ook over dilemma’s zoals: Kan
ik in het geval van bijzonder beheer wel altijd in het
belang van de klant handelen? Spreken wij elkaar aan
als morele grenzen dreigen te worden overschreden?
Hoewel veel medewerkers de eed eigenlijk in de
begindagen als overbodig beschouwden “omdat zij
toch al zo werkten” leidde deze ook tot hernieuwde be-
roepstrots. Bankmedewerkers maakten er zelf op social
media melding van. Een jonge bankmedewerker kreeg
op Twitter als reactie: “mooie woorden, jullie houden je
er toch niet aan”. Hij reageerde: “Maar het is niet vrijblij-
vend. De eed is gekoppeld aan tuchtrecht”. En zo is het.
culture de la banque. En vertu de ce code, chaque
membre du conseil d’administration de la banque a
signé une déclaration déontologique et ces déclarations
ont ensuite été traduites en principes qui font office de
fil conducteur pour tous les employés de banque.
M. Schokker souligne que le code bancaire émane du
secteur lui-même et qu’il n’a été fait appel au législateur
que pour rendre contraignante les règles concernant le
serment et le droit disciplinaire. Ces règles constituent
un outil. Comme le disait déjà Platon en son temps
(citation libre): “Les personnes bien intentionnées n’ont
pas besoin de lois pour agir de façon responsable tandis
que les personnes mal intentionnées trouvent toujours
une façon de contourner les lois”.
En 2015, l’Association néerlandaise des banques
(NVB) a refondu le code bancaire et l’a adapté à la
législation et à la réglementation adoptées à cette date.
Outre le “Code Banken”, la NVB a introduit un statut
social qui définit les valeurs partagées par le secteur. En
troisième lieu, la NVB a établi un ensemble de règles de
conduite individuelles que tout employé de banque est
tenu de respecter. Ces règles découlent des différents
points du serment bancaire.
L’obligation de prêter le serment bancaire a été impo-
sée à l’ensemble du secteur bancaire aux Pays-Bas, soit
à près de 70 000 employés, qui sont dès lors soumis à
ce droit disciplinaire. Cet événement unique au monde
a suscité un grand intérêt au niveau international. Par
exemple, le New York Times a titré: “Dutch banks find
words to live by”.
L’orateur a assisté aux prestations de serment dans
plusieurs banques. À cette occasion, il a beaucoup
été question de la portée du serment pour tous les
intéressés. Des discussions franches, même à propos
de certains dilemmes, ont été menées à propos des
questions suivantes: Peut-on toujours agir dans l’intérêt
du client en cas de gestion particulière? Devons-nous
nous interpeller lorsque des limites morales risquent
d’être franchies?
Bien qu’il ait été jugé superflu par de nombreux
employés dans un premier temps “parce qu’ils s’y
conformaient déjà”, ce serment a néanmoins suscité un
regain de fierté professionnelle. Certains employés de
banque en ont même fait état sur les réseaux sociaux.
Un jeune employé a reçu la réaction suivante sur Twitter:
“belles promesses mais vous ne les tiendrez pas”. Il y
a répondu comme suit: “Mais, on n’a pas le choix. Ce
serment est assorti de sanctions”. Et c’est vrai.
10
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Dit ziet de spreker met name ook bij de jongere
generatie medewerkers ontstaan. Zij stellen er eer in
financiële diensten te verlenen aan hun klanten alsof
het hun moeder betreft. En zo hoort het!
Het grote belang van de bankierseed en het tucht-
recht is dat de sector hiermee een zelfreinigend vermo-
gen laat zien. De uitspraken van de Tuchtcommissie in
de eerste drie jaar van haar bestaan liegen er niet om.
In 12 gevallen is een beroepsverbod opgelegd.
Op de website van de Stichting Tuchtrecht Banken
staan inmiddels zo’n 20 uitspraken vermeld. De
Commissie van beroep heeft ook al meerdere uitspraken
gedaan en er waren ruim 40 zogeheten herzienings-
uitspraken: beslissingen over verzoeken om opnieuw
naar een melding te kijken. Die vielen veelal uit in het
voordeel van de aanklager die eerder had besloten een
melding niet in behandeling te nemen. Het ging daarbij
om diverse onderwerpen, zoals het bekijken van klant-
gegevens zonder zakelijke aanleiding, het vervalsen van
een accountantsverklaring, het zonder toestemming van
de klant geld opnemen voor eigen gebruik.
Ook heeft de Tuchtcommissie in beroep een uitspraak
gedaan over het privégedrag van een medewerker.
Deze ontving geld van een klant waarvan hij wist dat dit
niet voor hem bestemd was en gaf dit niet terug, maar
sluisde het weg.
In veel gevallen meldt de bank de zaken zelf aan. Bij
serieuze overtredingen blijft het daar niet bij. De bank
zelf neemt dan ook arbeidsrechtelijke stappen tegen
de medewerker en soms komt zelfs het strafrecht er-
aan te pas.
Het Tuchtrecht Banken in Nederland staat open voor
meldingen door zowel banken als klanten. Het zou
goed zijn als van beide kanten nog meer zaken zouden
worden aangemeld. Ook zaken die niet zo zwart/wit
zijn. Uitspraken van de tuchtcommissie helpen bank-
medewerkers én banken de grenzen tussen goed en
fout scherp af te bakenen. Het blijft een voortdurende
opgave voor de banken en vooral de bankmedewerkers
zelf om samen de waarden van hun instellingen hoog
te houden.
Het echte belang van de eed is dat daarmee een cul-
tuur tot stand wordt gebracht waarin het vanzelfsprekend
is dat je elkaar aanspreekt, niet zwijgt of de andere
kant op kijkt. Vertrouwen win je hier niet direct mee.
Goed gedrag moet zich bewijzen in goede producten
L’orateur observe également cette tendance dans
la jeune génération d’employés, qui mettent un point
d’honneur à fournir des services financiers à leurs
clients comme s’il s’agissait de leurs propres parents.
Et il doit en être ainsi!
Le grand intérêt du serment bancaire et du droit dis-
ciplinaire est que ce secteur démontre ainsi sa capacité
à s’assainir. Les décisions prises par la commission
disciplinaire durant les trois premières années de son
existence sont claires: dans douze cas, une interdiction
professionnelle a été infligée.
Sur le site web de la Fondation Tuchtrecht Banken,
une vingtaine de décisions ont été publiées à ce jour.
La Commission d’appel a également rendu plusieurs
décisions, dont plus de quarante concernent une révi-
sion. Il s’agit de décisions portant sur des demandes de
révision d’un signalement. Celles-ci sont généralement
à l’avantage de l’autorité ayant préalablement décidé
de classer le signalement sans suite. Les motifs invo-
qués sont divers: consultation des données du client
sans justification professionnelle, falsification d’une
expertise comptable, ou encore prélèvement d’argent
du compte d’un client, à des fins personnelles, sans
son autorisation.
La Commission disciplinaire a également rendu en
appel une décision portant sur le comportement privé
d’un employé. Celui-ci avait reçu de la part d’un client
une somme d’argent dont il savait qu’elle ne lui était
pas destinée et qu’il avait fait disparaître au lieu de la
rembourser.
Dans de nombreux cas, le signalement émane de la
banque elle-même. Quand les infractions sont graves,
les choses n’en restent pas là. La banque prend alors
des mesures contre son employé sur le plan du droit du
travail, voire sur le plan pénal.
Aux Pays-Bas, la Fondation Tuchtrecht Banken
accepte les signalements des banques comme des
clients. Il serait positif que davantage de cas soient
signalés des deux côtés, y compris à propos de situa-
tions qui appellent des nuances. Les décisions rendues
par la commission disciplinaire aident les employés et
les banques à fixer clairement les limites entre ce qui
est bien et ce qui mal. Pour les banques, surtout pour
leurs employés, défendre collectivement les valeurs de
leurs institutions est une mission constante.
Le véritable intérêt du serment est qu’il fait naître une
culture dans laquelle se parler, refuser de se taire ou
refuser de détourner le regard devient une évidence.
Cela ne crée pas un climat de confiance. La bonne
conduite doit se traduire dans des produits et sous la
11
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
en adviezen en behandeling van de klant. Díe moet het
merken in de dienstverlening.
De eed vormt inmiddels een belangrijk onderdeel
van de interne introductie- en opleidingsprogramma’s
bij banken. De eed is ingebed in de eigen cultuur van
de instelling. De Nederlandse Toezichthouders DNB en
AFM hebben vastgesteld dat banken in Nederland hier
serieus werk van maken.
De toezichthouders geven ook aan dat een meerder-
heid van de onderzochte banken ervan overtuigd is dat
de eed en het investeren in versterking van de bedrijfs-
cultuur bijdragen aan verdere bewustwording van wat
integer handelen is; zowel intern als naar de klanten toe.
Voor nu en in de toekomst blijft voor iedereen in de
Nederlandse bankensector gelden: laat je zien, wees
aanspreekbaar, leg uit wat je doet, stel je kwetsbaar
op, sta open voor feedback, bespreek dilemma’s, geef
fouten toe en herstel ze. Wees open en eerlijk. Dat is wat
ons betreft de weg naar verder herstel van vertrouwen.
b) Uiteenzetting van mevrouw Nicolet Jager,
penningmeester van de Stichting Tuchtrecht Banken
Mevrouw Nicolet Jager, penningmeester van de
Stichting Tuchtrecht Banken, legt uit dat het tuchtrech-
telijk systeem voor de bankensector in Nederland in het
leven is geroepen per 1 april 2015. Op dat moment werd
de bankierseed en het bancaire tuchtrecht in Nederland
wettelijk van kracht door opname in artikel 3.17 van de
Wet op het Financieel Toezicht. Dit tuchtrecht geldt
voor alle individuele in Nederland werkzame bankme-
dewerkers. Dit zijn er ongeveer 80 000. Voor inzicht in
de beweegredenen en de motivatie voor het instellen
van het bancaire tuchtrecht verwijst de spreekster naar
de vorige spreker, de heer Hubert Schokker van de
Nederlandse Vereniging van Banken.
De spreekster gaat verder in op de vorm en beteke-
nis van het tuchtrecht, de opdracht van de Stichting
Tuchtrecht Banken en hoe de stichting functioneert en
wat dit tot dusver voor resultaten heeft opgeleverd. Het
tuchtrecht voor de bancaire sector is nieuw en uniek in
de wereld. Nederland kende al wel een eed, maar die
gold alleen voor bestuurders van banken.
De bankierseed zoals die werd ingevoerd op
1 april 2015 op basis van de Wet op het Financieel
forme de conseils de qualité, ainsi que dans l’attention
accordée au client, qui doit l’observer dans le service
qui lui est fourni.
Le serment est aujourd’hui devenu un élément majeur
des programmes internes d’introduction et de formation
dans les banques. Le serment est ancré dans la culture
de l’institution. Les autorités de surveillance néerlan-
daises, la DNB et l’AFM, ont constaté que les banques
néerlandaises prennent cette mission très à cœur.
Les autorités de surveillance indiquent également que
la plupart des banques examinées sont convaincues
que prêter serment et investir dans le renforcement de la
culture d’entreprise contribuent à la prise de conscience
de la notion de conduite intègre, tant au niveau interne
que vis-à-vis des clients.
Les valeurs en vigueur aujourd’hui et demain dans
le secteur bancaire néerlandais sont les suivantes:
montre-toi, sois disponible, explique ce que tu fais,
montre-toi vulnérable, sois ouvert au feed-back, parle
des dilemmes, reconnais tes erreurs et corrige-les. Être
ouvert et honnête, telle est, selon nous, la voie à suivre
pour restaurer la confiance.
b) Exposé de Mme Nicolet Jager, trésorière de la
Stichting Tuchtrecht Banken
Mme Nicolet Jager, trésorière de la Stichting
Tuchtrecht Banken, explique que le régime discipli-
naire applicable au secteur bancaire aux Pays-Bas a
été adopté le 1er avril 2015. Le serment bancaire et le
droit disciplinaire bancaire sont entrés légalement en
vigueur à cette date à la suite de leur inscription dans
l’article 3.17 de la loi sur le contrôle financier (Wet op
het Financieel Toezicht). Ce droit disciplinaire s’applique
à titre individuel à tous les employés des banques
qui exercent leurs activités aux Pays-Bas. Ils sont au
nombre de 80 000 environ. Pour comprendre les motifs
et les arguments qui ont présidé à l’instauration du droit
disciplinaire bancaire, l’oratrice renvoie à l’orateur pré-
cédent, M. Hubert Schokker, de l’Union néerlandaise
des Banques.
L’oratrice évoque ensuite la question de la forme
et de la portée du droit disciplinaire, la mission de la
Stichting Tuchtrecht Banken, ainsi que le mode de fonc-
tionnement de cette fondation et les résultats engran-
gés jusqu’à présent. Le droit disciplinaire applicable
au secteur bancaire est nouveau et unique au monde.
Aux Pays-Bas, il existait déjà un serment mais celui-ci
ne s’appliquait qu’aux administrateurs des banques.
Le serment bancaire instauré le 1er avril 2015 en
vertu de la loi sur le contrôle financier s’applique
12
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Toezicht is verplicht voor alle bankmedewerkers. De
tekst van de bankierseed is aan de commissieleden
uitgereikt. Banken werden verplicht de eed af te nemen
bij hun personeel in zogenaamde “betekenisvolle cere-
monies”, om het gewicht en het belang van de eed te
onderstrepen. De banken hebben een jaar de tijd gehad,
dus tot 1 april 2016, om al hun medewerkers de eed te
laten afleggen. Ook wie nu gaat werken bij een bank
moet binnen 3 maanden na indiensttreding de eed afleg-
gen. Op naleving van de eedaflegging wordt toegezien
door De Nederlandsche Bank. Inmiddels hebben zo’n
87 000 tot 90 000 medewerkers sinds 1 april 2015 de
eed afgelegd.
De eedaflegging gebeurt niet alleen door uit te
spreken dat de medewerker zich houdt aan de voor
de sector geldende gedragscode, maar ook het per-
soonlijk onderschrijven van de bankierseed op papier.
Deze bevestiging wordt door de bank vastgelegd in het
personeelsdossier van de medewerker. Hiermee maakt
deze deel uit van de contractuele (arbeids-)relatie tussen
medewerker en bank, waarmee de medewerker onder-
worpen is aan tuchtrechtelijke beoordeling in geval van
schending van de bij de eed aanvaarde verplichtingen.
Het tuchtrecht is een aanvulling op andere juridische
systemen op grond waarvan een medewerker, of een
financiële instelling, kan worden aangesproken. Hierbij
kan worden gedacht aan arbeidsrecht (een medewer-
ker kan worden ontslagen), strafrecht (wanneer sprake
is van een strafbaar feit) of burgerlijk recht (wanneer
er sprake is van onrechtmatig handelen of wanneer
overeengekomen afspraken niet worden nagekomen).
Het tuchtrecht is niet gericht op het vergoeden van
schade. Het richt zich op het handhaven en bevorderen
van de kwaliteit van de activiteiten in de sector. Met het
tuchtrecht banken wordt naast handhaving van gedrag
in lijn met de normen van de sector ook beoogd het ver-
trouwen in de sector te bevorderen. De maatschappe-
lijke positie van banken speelt hierbij een belangrijke rol.
1. Normen
Tuchtrecht richt zich op de normen die gelden voor
een specifieke doelgroep of sector. Voor het bancaire
tuchtrecht zijn dit de aan de bankierseed verbonden
gedragsregels. Belangrijk is dat de normen die zijn
geformuleerd een evenwichtige en heldere basis vor-
men voor de afweging ten aanzien van het individuele
gedrag en de individuele besluitvorming daaromtrent.
Tegelijkertijd is het cruciaal dat de normen voldoende
ruimte geven voor interpretatie, gezien de diversiteit aan
functies en verantwoordelijkheden binnen de bancaire
obligatoirement à tous les employés des banques. Le
texte de ce serment a été transmis aux membres de la
commission. Les banques ont été contraintes de faire
prêter serment à leur personnel au cours de “cérémonies
solennelles” afin de souligner le poids et l’importance du
serment bancaire. Les banques ont disposé d’un délai
d’un an, donc jusqu’au 1er avril 2016, pour faire prêter
ce serment à tous leurs collaborateurs. Toute nouvelle
personne engagée par une banque doit désormais
également prêter serment dans les trois mois suivant
son entrée en fonction. C’est la Nederlandse Bank
qui contrôle le respect de cette prestation de serment.
À ce jour, depuis le 1er avril 2015, quelque 87 000 à
90 000 collaborateurs ont prêté ce serment.
Le serment est prêté non seulement en déclarant
que l’employé se conformera au code de conduite
applicable au secteur, mais aussi en souscrivant person-
nellement au serment bancaire sur papier. La banque
enregistre cette confirmation dans le dossier personnel
de l’employé, qui constitue dès lors un élément de la
relation (professionnelle) contractuelle entre l’employé
et la banque, l’employé faisant l’objet d’une évaluation
disciplinaire en cas de manquement aux obligations
acceptées en vertu de ce serment.
Le droit disciplinaire complète d’autres systèmes
juridiques qui permettent de demander des comptes
à l’employé ou à l’institution financière. Il s’agit par
exemple du droit du travail (qui permet de licencier un
employé), du droit pénal (applicable en cas d’infraction
pénale) ou du droit civil (applicable en cas d’action
illégale ou lorsque les accords convenus ne sont pas
honorés).
Le droit disciplinaire ne vise pas la réparation des
dommages mais bien le maintien et la promotion de la
qualité des activités du secteur. Outre un comportement
conforme aux normes de ce secteur, le droit discipli-
naire des banques vise à promouvoir la confiance dans
ce secteur. Le statut social des banques joue un rôle
important à cet égard.
1. Normes
Le droit disciplinaire vise les normes applicables à
un groupe cible ou à un secteur spécifique. Dans le
cas du droit disciplinaire bancaire, il s’agit des règles
de conduite associées au serment bancaire. Il est
important que les normes formulées constituent une
base équilibrée et claire pour évaluer le comportement
individuel et la prise de décision individuelle à cet égard.
En même temps, il est essentiel que les normes offrent
une marge d’interprétation suffisante, compte tenu de
la diversité des fonctions et des responsabilités dans
13
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
sector. Dit is eens te meer belangrijk, gelet op de huidige
tijd van verandering in de financiële sector als geheel.
Uitspraken die in het kader van het tuchtrecht worden
gedaan zullen concrete invulling geven aan de gedrags-
regels die als open normen zijn geformuleerd. Daarmee
is het tuchtrecht een soort “levend document”, zoals het
medisch tuchtrecht en het tuchtrecht voor advocaten dat
ook zijn. Een voorbeeld: Eerder deze maand nog deed
de Commissie van Beroep uitspraak in een zaak die
al eerder door de Tuchtcommissie behandeld was. De
algemeen directeur, dus de hoofdaanklager, vond dat de
melding niet onder het tuchtrecht viel. De melder eiste
een herziening. De voorzitter van de Tuchtcommissie
wees de herziening toe. Het aanklagersbureau ging
met de zaak aan de slag. Na een uitspraak van de
Tuchtcommissie, en later dus de Commissie van
Beroep, weten we nu dat het soort kwestie waar de
melding betrekking op had nu ook onder het bancaire
tuchtrecht valt.
2. Toezichthouders en andere loketten
Zoals aangegeven is het tuchtrecht een aanvulling
op andere juridische maatregelen. Ook is het tuchtrecht
als systeem een aanvulling op andere, voor de finan-
ciële sector relevante, instanties. Zo zien de Europese
Centrale Bank (ECB), De Nederlandsche Bank (DNB)
en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) toe op de
handhaving van de toezichtsnormen. Consumenten die
een klacht hebben over een financieel product of een
financiële dienst, kunnen terecht bij het Klachteninstituut
Financiële Dienstverlening (Kifid).
3. Hoe werkt de Stichting Tuchtrecht Banken?
De uitvoering van het tuchtrecht is opgedragen aan de
Stichting Tuchtrecht Banken. Dit is een onafhankelijke
stichting. De verantwoordelijkheid ervoor berust bij een
bestuur dat bestaat uit mensen die niet verbonden zijn
met de bancaire sector. De inrichting van het tuchtrecht
is geregeld in het Tuchtreglement Bancaire Sector.
4. Meldingen
Het tuchtreglement bepaalt dat meldingen in het ka-
der van het bancaire tuchtrecht moeten worden gedaan
aan de Algemeen directeur van de Stichting. Een mel-
ding kan door iedereen worden gedaan. Men hoeft dus
niet een bepaald belang bij de desbetreffende gedraging
le secteur bancaire. C’est d’autant plus important que
le secteur financier dans son ensemble est aujourd’hui
en pleine mutation.
Les décisions rendues dans le cadre du droit disci-
plinaire permettront de donner un contenu concret aux
règles de conduite formulées sous la forme de normes
ouvertes. Ce droit disciplinaire est donc “évolutif”,
comme le droit disciplinaire médical et le droit discipli-
naire des avocats. Exemple: Au début de ce mois-ci, la
Commission d’appel s’est prononcée dans une affaire
qui avait déjà été examinée précédemment par la
Commission disciplinaire. Le directeur général, donc le
procureur général, estimait que le signalement ne rele-
vait pas du droit disciplinaire. L’auteur du signalement a
demandé la révision de cette décision. Le président de
la Commission disciplinaire a fait droit à cette demande,
puis le bureau du procureur a examiné cette affaire. À
l’issue d’une décision de la Commission disciplinaire,
puis de la Commission d’appel, on sait aujourd’hui que
le point sur lequel portait le signalement relève désor-
mais également du droit disciplinaire bancaire.
2. Instances de contrôle et autres intervenants
Ainsi qu’il a été indiqué, le droit disciplinaire complète
d’autres mesures juridiques. En tant que système,
le droit disciplinaire complète en outre le contrôle
exercé par d’autres instances compétentes à l’égard
du secteur financier. Par exemple, la Banque centrale
européenne (BCE), la Nederlandse Bank (DNB) et
l’Autoriteit Financiële Markten (AFM) contrôlent le res-
pect des normes de surveillance. Les consommateurs
qui ont une plainte à formuler à propos d’un produit ou
d’un service financier peuvent en outre s’adresser au
Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).
3. Comment fonctionne la Stichting Tuchtrecht
Banken?
La mise en œuvre du droit disciplinaire est confiée à
la Stichting Tuchtrecht Banken. Il s’agit d’une fondation
indépendante dont la responsabilité est assumée par
une direction composée de personnes étrangères au
secteur bancaire. L’organisation du droit disciplinaire est
réglée par le règlement disciplinaire du secteur bancaire
(Tuchtregelement Bancaire Sector).
4. Signalements
Le règlement disciplinaire prévoit que les signale-
ments effectués dans le cadre du droit disciplinaire ban-
caire doivent être adressés au Directeur général de la
fondation. Tout le monde peut effectuer un signalement.
Il ne faut donc pas faire valoir un intérêt particulier dans
14
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
aan te voeren om die te mogen melden. Ook de bank
waarbij de betrokkene werkt kan een melding doen.
Melding kan op uiteenlopende manieren worden
gedaan en daaraan worden geen hoge eisen gesteld,
al moet een melding natuurlijk wel duidelijk maken op
wie en op welke gedraging deze betrekking heeft. De
meeste meldingen worden gedaan via de website van
de Stichting: tuchtrechtbanken.nl. De website heeft
daarvoor een beveiligd en afgesloten gedeelte. Om te
voorkomen dat er meldingen binnenkomen die niets
van doen hebben met het tuchtrecht, moeten melders
eerst informatie tot zich nemen over de bankierseed
en een online check-formulier invullen met een aantal
vragen. Geeft de melder op één van de vragen een
“nee” als antwoord, dan krijgt hij of zij de mededeling
dat de melding niet voldoet aan de eisen. De melder
kan dan alsnog de melding indienen. Maar de melder
weet dan wel dat er een zeer grote kans is dat de zaak
niet in behandeling zal worden genomen.
Bezoekers van de website worden uitgebreid geïn-
formeerd over welk soort meldingen wel, en welk soort
meldingen niet door de Stichting behandeld kunnen
worden. De reden hiervoor is dat men teleurstelling bij
melders wil voorkomen, wanneer hun melding niet in
behandeling wordt genomen.
De Algemeen directeur kan ook zelfstandig vanuit
eigen initiatief, dus zonder dat er een melding is ge-
daan, een kwestie onderzoeken. Dit kan bijvoorbeeld
naar aanleiding van berichten in de media. Onlangs is
precies op deze wijze aan een onderzoek gestart, wat
resulteerde in tientallen meldingen in een en dezelfde
zaak.
5. Proces
Wanneer een melding is gedaan, komt deze binnen
bij de front office en wordt allereerst getoetst of deze
voldoet aan minimale formele voorwaarden om deze
in behandeling te nemen. Als dat niet het geval is, dan
wordt de melding niet in behandeling genomen en wordt
de melder daarvan op de hoogte gesteld. Als wel aan
de minimale vereisten wordt voldaan, dan beoordeelt de
Algemeen directeur de melding inhoudelijk om te bepa-
len of er voldoende grond is om deze als tuchtrechtelijke
klacht voor te leggen aan de Tuchtcommissie. Basis voor
de beoordeling is dat (1) het gedrag waarop de melding
betrekking heeft ten minste één van de genoemde ge-
dragsregels dient te betreffen, (2) dat dit moet hebben
plaatsgevonden ná 1 april 2015 en (3) dat het moet
gaan om een gedraging van een medewerker die de
eed heeft afgelegd. Als de Algemeen directeur tot het
oordeel komt om geen klacht aan de Tuchtcommissie
le comportement incriminé pour pouvoir signaler celui-ci.
La banque au sein de laquelle l’intéressé travaille peut
également procéder au signalement.
Le signalement peut être effectué de différentes
manières et n’est pas soumis à des exigences strictes
quoiqu’il doive naturellement indiquer clairement l’iden-
tité de la personne et le comportement en cause. La
plupart des signalements sont effectués sur le site web
de la fondation: tuchtrechtbanken.nl. Ce site dispose à
cet effet d’un espace sécurisé et étanche. Afin d’éviter
l’introduction de signalements sans rapport avec le
droit disciplinaire, les auteurs des signalements doivent
d’abord prendre connaissance d’informations relatives
au serment bancaire et compléter un formulaire en ligne
qui comporte une série de questions. Si l’auteur du
signalement répond “non” à l’une de ces questions, il
se voit notifier que le signalement n’est pas conforme
aux exigences prévues. L’auteur peut néanmoins encore
introduire son signalement, étant entendu qu’il est alors
très probable que l’affaire en cause ne sera pas traitée.
Les visiteurs du site web sont largement informés du
type de signalements qui peuvent ou ne peuvent pas
être traités par la fondation, le but étant d’éviter que les
auteurs soient déçus si leur signalement n’est pas traité.
Le Directeur général peut également lui-même exa-
miner une question de sa propre initiative, en l’absence
de signalement, par exemple à la suite d’informations
diffusées dans les médias. C’est précisément ainsi qu’a
été récemment ouverte une enquête qui a donné lieu
à des dizaines de signalements concernant une seule
et même affaire.
5. Processus
Lorsqu’un signalement est effectué, celui-ci est
réceptionné par le “front office”, qui vérifie d’abord s’il
est conforme aux conditions formelles minimales pour
pouvoir être traité. Dans le cas contraire, le signalement
n’est pas traité et l’auteur du signalement en est informé.
En revanche, si les exigences minimales sont remplies,
le Directeur général apprécie le signalement sur le fond,
afin de déterminer s’il existe un motif suffisant pour
soumettre une plainte disciplinaire à la commission
disciplinaire. Son appréciation se fonde sur les éléments
suivants: (1) le comportement sur lequel porte le signa-
lement doit concerner au moins l’une des règles de
conduite citées, (2) ce comportement doit avoir eu lieu
après le 1er avril 2015 et (3) il doit s’agir d’un comporte-
ment d’un employé qui a prêté serment. Si le Directeur
général estime qu’il ne doit pas soumettre la plainte à
la commission disciplinaire, l’auteur du signalement est
15
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
voor te leggen, dan wordt de melder daarover schriftelijk
geïnformeerd, met een toelichting waarom. De melder
kan een herzieningsverzoek indienen bij de voorzitter
van de Tuchtcommissie om die beslissing te toetsen.
Tot nu toe zijn er 43 herzieningsverzoeken ingediend.
In 34 van de gevallen is de Algemeen directeur in het
gelijk gesteld.
De Algemeen directeur wordt ondersteund door een
aanklagersbureu. Dit wordt bemand door medewerkers
met een juridische achtergrond en ervaring, o.m. bij het
Openbaar Ministerie of in het disciplinair (straf)recht.
Klachten worden in eerste aanleg inhoudelijk beoor-
deeld door de Tuchtcommissie, met de mogelijkheid van
hoger beroep bij de Commissie van Beroep. De leden
van beide instanties zijn benoemd door het bestuur van
de Stichting. De leden zijn vooral rechters uit verschil-
lende gerechtshoven en daarnaast gedragswetenschap-
pers en deskundigen uit de bancaire sector.
Als een klacht gegrond wordt bevonden, kan de
Tuchtcommissie de volgende sancties opleggen:
— oplegging van een verplichting om een opleiding
te volgen of een behandeling te ondergaan;
— berisping;
— een boete van maximaal € 25 000; en
— de aanwijzing om ten hoogste drie jaar niet meer
in een bepaalde functie in de bancaire sector werkzaam
te zijn (“beroepsverbod”).
Zowel de bankmedewerker (beklaagde) als de aan-
klager kan in beroep gaan tegen de beslissing van de
Tuchtcommissie.
6. Register en publicatie
Onherroepelijk geworden sancties worden opgeno-
men in een register. Uitspraken, en dus sancties, zijn
onherroepelijk, als hoger beroep niet meer mogelijk
is of de zaak niet meer aanhangig is. Het register is
niet openbaar. Alleen aan een beperkte groep, vooraf
kenbaar bij de Stichting gemaakte bankfunctionarissen
kan, wanneer zij daarom vragen, worden meegedeeld
dát er een veroordeling in het register staat. In het ge-
val van een “beroepsverbod” wordt medegedeeld hoe
lang dat nog geldig is. Veroordelingen worden, met het
oog op de bescherming van de privacy, na 3 jaar uit
het register verwijderd. Met dit register wordt beoogd
dat bankmedewerkers van wie is bepaald dat zij één
of meerdere gedragsregels hebben geschonden niet
informé, par écrit, de cette décision et de sa motivation.
L’auteur du signalement peut introduire une demande
de révision auprès du président de la commission dis-
ciplinaire afin de faire évaluer cette décision. Jusqu’à
présent, 43 demandes de révision ont été introduites.
Dans 34 procédures sur 43, le Directeur général a
obtenu gain de cause.
Le Directeur général est assisté par un bureau,
composé de collaborateurs ayant une formation et une
expérience juridiques, notamment auprès du ministère
public ou en droit (pénal) disciplinaire.
Les plaintes sont examinées, en première instance,
sur le fond, par la commission disciplinaire et une pos-
sibilité de recours est prévue auprès de la Commission
d’appel. Les membres des deux instances sont nommés
par la direction de la fondation. Il s’agit principalement
de juges issus de différentes juridictions et, accessoi-
rement, de spécialistes des sciences du comportement
et d’experts issus du secteur bancaire.
Si une plainte est jugée fondée, la commission disci-
plinaire peut imposer les sanctions suivantes:
— l’obligation de suivre une formation ou de suivre
un traitement;
— une réprimande;
— une amende de 25 000 euros maximum; et
— l’interdiction d’exercer certaines fonctions dans le
secteur bancaire durant une période maximale de trois
ans (“interdiction professionnelle”).
Tant l’employé de la banque (le prévenu) que le
procureur peuvent interjeter appel de la décision de la
commission disciplinaire.
6. Registre et publication
Les sanctions devenues irrévocables sont inscrites
dans un registre. Les décisions, et donc les sanctions,
sont irrévocables lorsqu’aucun recours n’est plus pos-
sible ou que l’affaire en cause n’est plus pendante. Le
registre n’est pas public. L’existence d’une condam-
nation dans le registre ne peut être communiquée, à
leur demande, qu’à un groupe limité de fonctionnaires
bancaires qui se sont fait connaître au préalable auprès
de la fondation. En cas d’“interdiction professionnelle”,
la durée de validité de l’interdiction est communiquée.
Dans un souci de protection de la vie privée, les
condamnations sont effacées du registre après trois ans.
Le but de ce registre est d’empêcher que des employés
de banque dont il est établi qu’ils ont enfreint une ou
16
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
vrijelijk bij andere banken aan de slag kunnen. Hiermee
wordt het “zelfreinigend” vermogen van de bancaire
sector bevorderd.
Alle uitspraken, zowel veroordelende als vrijspre-
kende, worden geanonimiseerd op de website van
de Stichting gepubliceerd. Het doel van het systeem
is immers onder andere de inhoud van de normen uit
de gedragscode te verduidelijken. De bankierseed
bevat brede, voor verschillende uitleg vatbare normen.
Concretisering van die normen is van groot belang voor
de bancaire sector en ook voor de samenleving als ge-
heel. Daarvoor zal de rechtspraak van de tuchtrechter
zeer waarschijnlijk de belangrijkste “motor” zijn.
7. Uitspraken en ervaringen tot nu toe
Tot nu toe zijn er 385 meldingen geweest. Daarvan
zijn er 244 gedaan door consumenten en 141 door
banken. Een aantal van de ingediende meldingen,
vooral die van banken, verkeren in diverse stadia van
onderzoek en behandeling. Het overgrote deel van de
meldingen heeft niet geleid tot behandelde zaken. Van
het merendeel daarvan werd geoordeeld dat zij niet
vielen onder het tuchtrecht.
Tot nu toe zijn 20 uitspraken gepubliceerd op de
website van de Stichting Tuchtrecht banken. Gezien
het grote aantal meldingen dat nu in behandeling is,
verwacht de spreekster dat dit aantal uitspraken de
komende periode flink zal toenemen.
De uitspraken van de Tuchtcommissie en de
Commissie van Beroep mogen zich verheugen in
een warme belangstelling vanuit de media. Over de
uitspraken wordt doorgaans uitgebreid bericht in na-
tionale media en bereiken zo een miljoenenpubliek in
Nederland. Daarmee dragen de uitspraken mogelijk bij
aan het herstel van vertrouwen in de financiële sector.
8. Lessons learned
De belangrijkste les die de Stichting heeft geleerd
is dat de Stichting vanaf de eerste dag waarschijnlijk
nóg duidelijker had moeten maken dat tuchtrecht niet
hetzelfde is als het consumentenklachtrecht.
Ondanks alle externe communicatie hierover, kreeg
de Stichting vooral in het begin veel meldingen van con-
sumenten waar geen gevolg aan kon worden geven. En
het gebeurt nog steeds, zij het in veel mindere mate. Dit
kan gaan over klachten over de lengte van een wachtrij
in een bankfiliaal, of bijvoorbeeld de hoogte van de
plusieurs règles de conduite puissent librement officier
au sein d’autres banques. Cette mesure favorise la
capacité d’ “autoépuration” du secteur bancaire.
Toutes les décisions, de condamnation comme
d’acquittement, sont publiées anonymement sur le
site web de la fondation. En effet, ce système vise
notamment à préciser la teneur des normes du code
de conduite. Le serment bancaire porte sur des normes
générales, susceptibles d’être interprétées diversement.
La concrétisation de ces normes est essentielle pour
le secteur bancaire, mais aussi pour la société dans
son ensemble. La jurisprudence du juge disciplinaire
constituera très probablement le principal “moteur” de
cette concrétisation.
7. Décisions et expériences à ce jour
Jusqu’à présent, 385 signalements ont été enre-
gistrés, dont 244 effectués par des consommateurs et
141 par les banques. Certains de ces signalements,
principalement ceux des banques, sont à différents
stades d’examen et de traitement. La majeure partie
des signalements n’ont pas entraîné le traitement
des affaires en cause, la plupart d’entre eux ayant été
considérés comme ne relevant pas du droit disciplinaire.
Jusqu’à présent, vingt décisions ont été publiées sur
le site web de la fondation Stichting Tuchtrecht Banken.
Compte tenu du grand nombre de signalements actuel-
lement en cours de traitement, l’oratrice s’attend à ce
que ce nombre augmente fortement à l’avenir.
Les décisions de la commission disciplinaire et de la
commission d’appel bénéficient d’un vif intérêt de la part
des médias. Ces décisions trouvent généralement un
large écho dans les médias nationaux et touchent ainsi
des millions de citoyens aux Pays-Bas. Elles contribuent
ainsi probablement à restaurer la confiance dans le
secteur financier.
8. Enseignements
Le principal enseignement tiré par la fondation est
qu’elle aurait probablement dû indiquer encore plus
clairement, dès le début, que le droit disciplinaire ne
s’assimile pas au droit de plainte des consommateurs.
En dépit de toute la communication externe diffusée
à ce sujet, la fondation a reçu, surtout au début, de
nombreux signalements de consommateurs auxquels
aucune suite n’a pu être donnée. Et cela arrive encore,
quoique dans une mesure beaucoup plus limitée. Il
peut s’agir de plaintes concernant la longueur d’une file
17
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
spaarrente. Dit zijn meldingen die niet vallen onder het
tuchtrecht voor bankmedewerkers.
Ook blijkt dat, vooral in het begin, voor veel men-
sen niet geheel duidelijk was wat “tuchtrecht” precies
inhoudt. Dit is dan ook een belangrijke reden geweest
voor een groot aantal afwijzingen van meldingen.
Om deze reden heeft de Stichting extra aandacht
besteed aan de communicatie richting consumenten en
media en aan het extra verduidelijken van de informatie
op haar website. Ook in de toekomst zal de Stichting
hiervoor aandacht hebben. Mocht in België worden
besloten tot het invoeren van een bankierseed zoals in
Nederland, en met een uitvoering langs de lijnen van
de Stichting Tuchtrecht Banken, dan beveelt mevrouw
Jager aan om voldoende aandacht te besteden aan
een brede publiekscampagne om vooral consumenten
duidelijk te maken wat wel kan onder het tuchtrecht,
en wat niet.
II. — VRAGEN VAN DE LEDEN
De heer Roel Deseyn (CD&V) vraagt of de consu-
menten die bij de Stichting Tuchtrecht Banken terecht
komen met klachten over consumentenrecht naar de
juiste instanties worden doorverwezen. Worden deze
consumenten dan rechtstreeks doorverwezen naar de
consumentenorganisaties?
Met betrekking tot de bankierseed wenst de spreker
te vernemen of alle bankmedewerkers deze eed moeten
afleggen. Geldt de eed bijvoorbeeld ook voor onthaal-
bedienden? Was er sprake van enige weerstand bij het
personeel bij deze eedaflegging?
Hoe wordt er in de praktijk toegekeken op de be-
scherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy)?
Hoe gebeurt de controle van wie welke informatie in de
databanken heeft geconsulteerd?
Tot slot merkt de heer Deseyn op dat ook in de ver-
zekeringssector beleggingsinstrumenten worden aan-
geboden waardoor financiële keuzes moeten worden
gemaakt. De Europese regelgeving legt heel strikte
regels op aan de medewerkers van de verzekerings-
sector: aan de consumenten mag alleen een verzeke-
ringsproduct worden aangeboden dat aansluiting vindt
bij zijn kennis en bij zijn risicoprofiel. Waarom werd
deze eed ook niet ingevoerd in de verzekeringssector?
d’attente dans une agence bancaire ou, par exemple,
le niveau des taux d’épargne. Ces signalements ne
relèvent pas du droit disciplinaire applicable aux em-
ployés de banque.
Il s’avère également que, surtout au début, de nom-
breuses personnes n’avaient pas une idée très claire
de la notion de “droit disciplinaire”, ce qui explique,
dans une large mesure, le rejet d’un grand nombre de
signalements.
Pour cette raison, la fondation a accordé plus
d’attention à la communication à l’égard des citoyens
et des médias et s’est employée à clarifier davantage
les informations figurant sur son site web. La fondation
sera également attentive à cette question à l’avenir. Si la
Belgique devait décider d’instaurer un serment bancaire
semblable à celui qui existe aux Pays-Bas, en s’inspirant
des modalités d’application mises en place par la fonda-
tion Stichting Tuchtrecht Banken, Mme Jager préconise
d’accorder une attention suffisante à l’organisation
d’une large campagne de sensibilisation du public, afin
d’informer clairement, en particulier les citoyens, sur ce
qui est permis et ce qui n’est pas permis dans le cadre
du droit disciplinaire.
II. — QUESTIONS DES MEMBRES
M. Roel Deseyn (CD&V) demande si les consom-
mateurs sont réorientés vers les instances appropriées
lorsqu’ils soumettent à la fondation Stichting Tuchtrecht
Banken des plaintes visant le droit de la consommation.
Ces consommateurs sont-ils directement renvoyés vers
les organisations de consommateurs?
L’intervenant demande si tous les employés de
banque doivent prêter le serment bancaire. Ce serment
s’applique-t-il également, par exemple, aux préposés
à l’accueil? Le personnel a-t-il manifesté une certaine
réticence à l’égard de cette prestation de serment?
Comment veille-t-on, en pratique, à la protection de
la vie privée (privacy)? Comment sait-on qui a consulté
quelles informations dans les banques de données?
Enfin, M. Deseyn souligne que le secteur des assu-
rances propose également des instruments de place-
ment, ce qui implique la nécessité d’opérer des choix
financiers. La réglementation européenne impose des
règles très strictes aux employés du secteur des assu-
rances: ils ne peuvent proposer aux consommateurs
un produit d’assurances que si celui-ci est conforme
à leurs connaissances en la matière et à leur profil de
risques. Pourquoi ce serment n’a-t-il pas été étendu
18
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Ondervindt de verzekeringssector hierdoor geen con-
currentieel nadeel ten opzichte van de banksector voor
vrij analoge producten?
Mevrouw Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) stelt vast dat
in Nederland 87 000 personeelsleden de bankierseed
hebben afgelegd. Omvat dit ook de verzekeringssector
en zelfstandige bankagenten? Wat is de verhouding
tussen de grootbanken en kleine banken in Nederland?
Beroepsverboden die worden opgelegd door de
Tuchtcommissie worden omwille van de bescherming
van de privacy na 3 jaar uit het register verwijderd.
Waarom werd er geopteerd voor een termijn van 3 jaar?
Is deze termijn wel lang genoeg? Wat gebeurt er in het
geval van recidive?
De spreekster stelt vast dat de Stichting Tuchtrecht
Banken een onafhankelijke stichting is waarvan het
bestuur bestaat uit mensen die niet verbonden zijn met
de bancaire sector. De leden van de Tuchtcommissie en
de Commissie van Beroep worden benoemd door het
bestuur van de Stichting. De leden zijn vooral rechters
uit verschillende gerechtshoven en daarnaast gedrags-
wetenschappers en deskundigen uit de bancaire sector.
Over welke gedragswetenschappers gaat het dan? Hoe
wordt de onafhankelijkheid en de ongebondenheid van
de deskundigen uit de bancaire sector gegarandeerd?
Vervolgens staat mevrouw Almaci stil bij het span-
ningsveld tussen het tuchtrecht en het strafrecht.
Waar trekt de Tuchtcommissie de grens? Beslist de
Tuchtcommissie soms dat zij onbevoegd is en het dos-
sier eigenlijk strafrechtelijk dient te worden behandeld?
Staat in Nederland een tuchtrechtelijke uitspraak een
strafrechtelijke veroordeling in de weg?
Het aantal meldingen aan de Stichting Tuchtrecht
Banken is in 2017 verdubbeld ten aanzien van 2016.
Heeft dit te maken met het bekender worden van de
Stichting of met een kwalijke evolutie in de banksector?
Tot slot vraagt de spreekster of de heer Schokker en
mevrouw Jager de Belgische wetgever zouden aanbe-
velen om de bankierseed in te voeren rekening houdend
met de ervaringen in Nederland.
De heer Johan Klaps (N-VA) vraagt hoe de Stichting
Tuchtrecht Banken zich verhoudt ten opzichte van de
financiële toezichthouders in Nederland. Maakt de
Stichting deel uit van de Nederlandse Vereniging van
Banken of staat zij er los van?
au secteur des assurances? Ce secteur ne subit-il pas
ainsi un handicap concurrentiel par rapport au secteur
bancaire pour des produits relativement analogues?
Mme Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) constate que
87 000 employés ont prêté le serment bancaire aux
Pays-Bas. Ce chiffre inclut-il également le secteur des
assurances et les agents bancaires indépendants?
Quelle est la proportion de grandes banques et de
petites banques aux Pays-Bas?
Les interdictions professionnelles imposées par la
commission disciplinaire sont effacées du registre après
trois ans dans un souci de protection de la vie privée.
Pour quelle raison a-t-on opté pour un délai de trois
ans? Ce délai est-il suffisamment long? Qu’advient-il
en cas de récidive?
L’intervenante constate que la fondation Stichting
Tuchtrecht Banken est une fondation indépendante dont
la direction est composée de personnes étrangères au
secteur bancaire. Les membres de la commission disci-
plinaire et de la commission d’appel sont nommés par la
direction de la fondation. Il s’agit principalement de juges
issus de différentes juridictions et, accessoirement, de
spécialistes des sciences du comportement et d’experts
issus du secteur bancaire. De quels spécialistes des
sciences du comportement s’agit-il? Comment garantit-
on l’indépendance et l’impartialité des experts issus du
secteur bancaire?
Mme Almaci évoque ensuite la zone de tension entre
le droit disciplinaire et le droit pénal. Où la commission
disciplinaire situe-t-elle la limite entre les deux? La
commission disciplinaire décide-t-elle parfois qu’elle est
incompétente et que le dossier doit en fait être traité par
la voie pénale? Aux Pays-Bas, une décision disciplinaire
empêche-t-elle une condamnation pénale?
En 2017, le nombre de signalements adressés à la
fondation Stichting Tuchtrecht Banken a doublé par
rapport à 2016. Cette augmentation est-elle liée à la
notoriété accrue de la fondation ou à une évolution
négative dans le secteur bancaire?
Enfin, l’intervenante demande si M. Schokker et
Mme Jager recommanderaient au législateur belge
d’instaurer le serment bancaire compte tenu des expé-
riences néerlandaises?
M. Johan Klaps (N-VA) s’interroge sur le lien qu’entre-
tient la fondation Stichting Tuchtrecht Banken avec les
autorités de surveillance financière aux Pays-Bas. La
fondation est-elle affiliée à la Nederlandse Vereniging
van Banken ou en est-elle indépendante?
19
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Verder wenst de spreker te vernemen of er sinds
de invoering van de bankierseed reeds een effect
merkbaar is op de houding van de bankier ten aanzien
van de klant. Worden er andere beleggingsproducten
aanbevolen dan vroeger?
De spreker staat vervolgens stil bij de toegevoegde
waarde van de bankierseed. Het groot aantal regels
dat opgelegd wordt aan de financiële sector voorkomt
niet dat er nog steeds foutief beleggingsadvies wordt
gegeven. Een bankierseed zal niet voorkomen dat een
bankier die de regels wil omzeilen dat niet zal doen. Is
de invoering van een bankierseed wel proportioneel
ten opzichte van het beoogde doel? De bankencrisis
is niet gecreëerd door de onthaal- of loketbediende
maar door de toplui van de banken. Men kan zich dan
ook afvragen of het zinvol is om elke werknemer van
een bank dergelijke eed te laten afleggen. De spreker
wijst er bovendien op dat artsen ook een eed (eed van
Hippocrates) moeten afleggen. Nochtans voorkomt die
eed niet dat er nog steeds artsen zijn die te dure ge-
neesmiddelen en onnodige onderzoeken voorschrijven.
Tot slot wenst de spreker informatie over het soort
meldingen dat de Stichting ontvangt.
De heer Luk Van Biesen (Open Vld) wijst erop dat de
invoering van een bankierseed een van de aanbevelin-
gen was van de commissie belast met het onderzoek
naar de oorzaken van het faillissement van Optima Bank
en de eventuele belangenvermenging tussen de Optima
Groep en haar componenten enerzijds en openbare
besturen anderzijds (DOC 54 1938/007).
Echter merkt hij op dat de banksector in België van-
daag reeds heel wat deontologische regels kent met
een zelfreinigend effect. Uit zijn ervaring als zelfstandig
bankagent weet de spreker dat een agent die de regels
overtreedt snel wordt geschorst en niet meer voor een
bank kan werken. Welke meerwaarde kan de bankier-
seed in België bieden ten opzichte van de bestaande
controle-instrumenten? In Nederland hebben 12 geval-
len geleid tot een beroepsverbod: over welke gevallen
gaat het concreet?
Tot slot stelt ook de heer Van Biesen de vraag naar
de situering van de Stichting Tuchtrecht Banken. Hoe
verhoudt deze Stichting zich ten opzichte van de andere
toezichtsorganen?
De heer Georges Gilkinet (Ecolo-Groen) wenst een
aantal specifieke vragen te stellen:
En outre, l’intervenant demande si, depuis l’instau-
ration du serment bancaire, on observe déjà un effet
perceptible sur l’attitude des banques à l’égard des
clients. Propose-t-on d’autres produits d’investissement
qu’auparavant?
L’intervenant se penche ensuite sur la valeur ajou-
tée du serment bancaire. Le grand nombre de règles
imposées au secteur financier n’empêche pas que l’on
continue à prodiguer de mauvais conseils en matière
d’investissements. Le serment bancaire n’empêchera
pas l’employé de banque qui le souhaite de contourner
les règles. L’instauration d’un serment bancaire consti-
tue-t-elle une mesure proportionnelle à l’objectif visé?
La crise bancaire n’a pas été créée par le préposé à
l’accueil ou au guichet, mais bien par les dirigeants des
banques. On peut dès lors se demander s’il est utile de
faire prêter ce serment à chaque employé de la banque.
L’intervenant souligne en outre que les médecins sont
également tenus de prêter serment (le serment d’Hippo-
crate) mais que cela n’empêche toutefois pas certains
médecins de continuer à prescrire des médicaments
trop coûteux et des examens inutiles.
Enfin, l’intervenant s’interroge sur le type de signa-
lements que la fondation reçoit.
M. Luk Van Biesen (Open Vld) fait observer que
l’instauration d’un serment bancaire constituait l’une
des recommandations de la commission d’enquête
parlementaire chargée d’examiner les causes de la
faillite de la banque Optima et l’éventuelle confusion
d’intérêts entre le Groupe Optima et ses composantes,
d’une part, et des administrations publiques, d’autre
part (DOC 54 1938/007).
Il souligne toutefois qu’en Belgique, le secteur ban-
caire est actuellement déjà soumis à un grand nombre
de règles déontologiques qui ont un effet d’autoépura-
tion. Sur la base de son expérience en tant qu’agent
bancaire indépendant, il sait que tout employé qui
enfreint ces règles est rapidement mis à pied et ne peut
plus travailler pour une banque. Quelle plus-value le
serment bancaire peut-il offrir en Belgique par rapport
aux instruments de contrôle existants? Aux Pays-Bas,
douze signalements ont abouti à une interdiction pro-
fessionnelle: de quels cas s’agit-il concrètement?
Enfin, M. Van Biesen s’interroge également sur le
statut de la fondation Stichting Tuchtrecht Banken.
Quel lien cette fondation entretient-elle avec les autres
instances de contrôle?
M. Georges Gilkinet (Ecolo-Groen) souhaite poser
une série de questions spécifiques:
20
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
— Welke instelling heeft de bankierseed geschreven?
Werd daarbij een bepaalde procedure gevolgd?
— Wat is de impact van de bankierseed in Nederland
op het gedrag van de bankiers? Worden er sindsdien
minder risico’s genomen?
— Kan een bankbediende in Nederland zelf een
melding doen bij de Stichting Tuchtrecht Banken over
het gedrag van collega’s/oversten die indruisen tegen
deontologische code?
— Hoe wordt de Stichting Tuchtrecht Banken gefinan-
cierd? Staat de Stichting volledig los van de banksector?
— Hoe kan worden gegarandeerd dat de Stichting
niet leidt tot doofpotoperaties waarbij bepaalde dossiers
uit de handen van het gerecht blijven?
De heer Eric Van Rompuy (CD&V) vraagt naar voor-
beelden van de gevallen waarin de Tuchtcommissie
een beroepsverbod heeft opgelegd. Over welke
gevallen gaat het concreet? Wat is de meerwaarde
van de Stichting ten opzichte de reeds bestaande
toezichtsorganen?
III. — ANTWOORDEN EN REPLIEKEN
Mevrouw Nicolet Jager antwoordt dat de meldingen
die niet onder het tuchtrecht vallen worden afgewezen.
De Stichting Tuchtrecht Banken behandelt enkel meldin-
gen van individuele gedragingen waarmee de deontolo-
gische code word overschreden. De melder wordt van
de afwijzing op de hoogte gebracht en doorverwezen
naar het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening
(Kifid). Ook de Stichting krijgt soms omgekeerd door-
verwijzingen van het Kifid.
Wat de samenstelling van de Tuchtcommissie en de
Commissie van Beroep betreft wijst de spreekster erop
dat alle leden onafhankelijk zijn van de banksector en
er ook geen enkele functie vervullen. De meeste leden
van de Tuchtcommissie zijn juristen of gedragswe-
tenschappers. Deze laatsten bestuderen de groeps-
dynamiek of bepaalde culturele aspecten. Daarnaast
bestaat de Tuchtcommissie ook uit een aantal bancaire
deskundigen.
De stijging van het aantal meldingen in de afgelopen
jaren is voornamelijk te wijten aan de toenemende be-
kendheid van de Stichting Tuchtrecht Banken en niet
— Par quelle institution le serment bancaire a-t-il été
rédigé? Une procédure particulière a-t-elle été suivie à
cet égard?
— Quel est l’impact du serment bancaire sur l’attitude
des banques aux Pays-Bas? Font-elles courir moins de
risques à leurs clients depuis lors?
— Aux Pays-Bas, un employé de banque peut-il effec-
tuer lui-même un signalement auprès de la fondation
Stichting Tuchtrecht Banken à propos du comporte-
ment de collègues/supérieurs qui enfreignent le code
déontologique?
— Quel est le mode de financement de la fondation
Stichting Tuchtrecht Banken? Cette fondation est-elle
totalement indépendante du secteur bancaire?
— Comment peut-on garantir que la fondation
n’étouffe pas certains dossiers en les soustrayant à la
justice?
M. Eric Van Rompuy (CD&V) demande des exemples
de cas où la commission disciplinaire a imposé une
interdiction professionnelle. De quels cas s’agit-il
concrètement? Quelle est la plus-value de la fondation
par rapport aux autorités de surveillance existantes?
III. — RÉPONSES ET RÉPLIQUES
Mme Nicolet Jager répond que les signalements qui
ne concernent pas le droit disciplinaire sont rejetés. La
Stichting Tuchtrecht Banken ne traite que les signale-
ments de comportements individuels qui enfreignent le
code déontologique. L’auteur du signalement est informé
de ce rejet et renvoyé au Klachteninstituut Financiële
Dienstverlening (Kifid). La fondation reçoit parfois aussi,
à l’inverse, des renvois de la part du Kifid.
En ce qui concerne la composition de la commission
disciplinaire et de la commission d’appel, l’intervenant
indique que tous les membres sont indépendants du
secteur bancaire et qu’ils n’y exercent aucune fonction.
La plupart des membres de la commission disciplinaire
sont des avocats ou des spécialistes des sciences du
comportement. Ces derniers étudient la dynamique
de groupe ou certains aspects culturels. En outre, la
commission disciplinaire inclut également plusieurs
experts bancaires.
L’augmentation du nombre de signalements de ces
dernières années est principalement lié à la notoriété
croissante de la Stichting Tuchtrecht Banken et non à
21
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
door een toename van het aantal wantoestanden. De
Stichting besteedt veel aandacht aan informatiecampag-
nes en heeft bij elke bank een tuchtrechtloket opgericht
zodat steeds meer consumenten en bankbedienden de
weg vinden naar de Stichting.
De spreekster benadrukt dat de Stichting Tuchtrecht
Banken een volledig nieuw orgaan is dat losstaat van
de bestaande toezichthouders ECB, Nederlandse bank
en AFM.
De invoering van de bankierseed heeft volgens
mevrouw Jager zeker zin omdat het een bewustwor-
dingsproces op gang brengt. Door het feit dat elke bank-
bediende de eed moet afleggen, is elke bankbediende
zich bewust van het bestaan van die regels en van zijn
of haar verantwoordelijkheid.
De heer Hubert Schokker antwoordt dat er in het be-
gin veel scepsis heerste bij het bankpersoneel omtrent
het afleggen van de bankierseed. Geleidelijk is deze
scepsis afgenomen. De eedaflegging tijdens betekenis-
volle ceremonies heeft de problematiek bespreekbaar
gemaakt en heeft een bewustwordingsproces op gang
gebracht.
Alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de tuchtzaken
vallen onder de privacywetgeving die in Nederland wordt
gecontroleerd door de Autoriteit Persoonsgegevens.
Binnen de Stichting Tuchtrecht Banken bestaan strenge
protocollen voor de omgang met persoonsgegevens.
De spreker wijst erop dat de bankierseed in Nederland
enkel geldt voor de banksector. Het tuchtrecht in de ver-
zekeringssector in Nederland wordt georganiseerd op
het niveau van de instelling.
De heer Schokker benadrukt dat alle bankmedewer-
kers van laag tot hoog de bankierseed moeten afleggen.
De eedaflegging geldt ook voor externe consultants die
gedurende een bepaalde periode voor een bank werken.
De eed moet opnieuw worden afgelegd als een perso-
neelslid van een bank overstapt naar een andere bank.
Bij de aanwerving van een personeelslid wordt het
register van de Tuchtcommissie steeds geraadpleegd.
Een vermelding in het register zal dus steeds ter sprake
komen. Momenteel verdwijnt de vermelding van een
tuchtsanctie na 3 jaar, eventueel kan deze termijn later
worden geëvalueerd.
De spreker beklemtoont dat het tuchtrecht losstaat
van het strafrecht. Feiten die tuchtrechtelijk worden
une augmentation du nombre de mauvaises pratiques.
Cette fondation accorde une grande attention aux
campagnes d’information et a mis en place un point de
contact pour le droit disciplinaire dans chaque banque
afin que de plus en plus de consommateurs et d’em-
ployés de banque puissent s’adresser à la fondation.
L’orateur souligne que la Stichting Tuchtrecht Banken
est un organisme totalement nouveau, distinct des
organes de surveillance existants que sont la BCE, la
Nederlandse bank et l’AFM.
Selon Mme Jager, l’introduction du serment bancaire
a certainement un sens parce que ce serment sen-
sibilise la population. Le fait que chaque employé de
banque doive prêter serment fait prendre conscience à
chaque employé de l’existence de ces règles et de sa
responsabilité personnelle.
M. Hubert Schokker répond qu’au début, le personnel
des banques était très sceptique à l’égard de la pres-
tation du serment bancaire mais que ce scepticisme a
progressivement diminué. La prestation de serment lors
de cérémonies importantes a fait de cette problématique
un sujet de discussion et déclenché un processus de
prise de conscience.
Toutes les informations nécessaires pour les affaires
disciplinaires sont soumises à la législation sur la pro-
tection de la vie privée, contrôlée aux Pays-Bas par
l’Autorité néerlandaise pour les données personnelles.
La Stichting Tuchtrecht Banken dispose de protocoles
stricts pour le traitement des données personnelles.
L’orateur souligne que le serment bancaire ne
s’applique qu’au secteur bancaire aux Pays-Bas, où le
droit disciplinaire applicable au secteur de l’assurance
est organisé au niveau de l’institution.
M. Schokker souligne que tous les employés de
banque de tous les niveaux doivent prêter le serment
bancaire. La prestation de serment s’applique égale-
ment aux consultants externes qui travaillent pour une
banque pendant un certain temps. Le serment doit être
à nouveau prêté lorsqu’un membre du personnel passe
d’une banque à une autre.
Lorsqu’un membre du personnel est recruté, le
registre de la commission disciplinaire est toujours
consulté. L’inscription au registre a donc toujours lieu.
Actuellement, la mention de la sanction disciplinaire
disparaît après trois ans, une révision étant possible à
une date ultérieure.
L’orateur souligne que le droit disciplinaire est indé-
pendant du droit pénal. En outre, les infractions qui font
22
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
gesanctioneerd, kunnen ook nog aanleiding geven tot
een strafrechtelijke veroordeling. Tuchtdossiers zijn
zeker geen doofpotoperaties. Soms wordt informatie
uit tuchtzaken aangewend in strafzaken.
De spreker is ervan overtuigd dat de invoering van
de bankierseed een goede zaak is en in andere landen
navolging verdient. De bankierseed heeft alvast gezorgd
voor een zelfreinigende werking in de banksector in
Nederland.
De heer Schokker bevestigt dat de Stichting
Tuchtrecht Banken is opgericht op initiatief van de
Nederlandse Vereniging van Banken dat ook het tucht-
reglement van de Stichting heeft opgesteld. De Stichting
is in zijn werking volledig onafhankelijk maar wordt wel
door de banken gefinancierd.
Aangezien de bankierseed nog maar 3 jaar in voege
is, is het nog te vroeg om echt uitspraak te doen over het
effect ervan. De spreker wijst erop dat er wel veel aan-
dacht voor is vanuit de academische wereld. Alleszins
heeft de bankierseed een heel bewustwordingsproces
op gang gebracht. Het valt op dat deze eed leeft onder
de bankbestuurders en directieleden. Alleszins draagt
de eed bij tot meer veiligheid in de sector.
De spreker wijst erop dat een externe beleggingsadvi-
seur niet onder de bankierseed valt. Dit is wel het geval
als een beleggingsadviseur in dienst is bij een bank.
De inhoud van de bankierseed is ontworpen in sa-
menwerking met het ministerie van Financiën en in over-
leg met de banksector. Sinds 2011 is de eed verplicht
voor alle bankbestuurders, sinds 2015 is de eed uitge-
breid en veralgemeend naar alle bankmedewerkers.
Tot slot geeft de heer Schokker aan dat de meldin-
gen heel uiteenlopend zijn. Zij kunnen slaan op het
professionele gedrag van een bankmedewerker maar
ook over het gedrag in de privésfeer. Voor de invoering
van de bankierseed werden bepaalde wantoestanden
vooral binnenskamers behandeld op arbeidsrechtelijk
niveau. De Tuchtcommissie heeft er voor gezorgd dat
meldingen aanleiding kunnen geven tot tuchtsancties
die worden gepubliceerd, zij het anoniem. Dit draagt
alleszins bij tot een grotere bewustwording en meer
verantwoordelijkheidszin.
l’objet de sanctions disciplinaires peuvent également
donner lieu à une condamnation pénale. Les dossiers
disciplinaires ne permettent certainement pas d’étouffer
certaines opérations. Les informations provenant des
affaires disciplinaires sont parfois utilisées dans des
procédures pénales.
L’orateur est convaincu que l’instauration d’un ser-
ment bancaire est une bonne chose et que cet exemple
mérite d’être suivi dans d’autres pays. Le serment ban-
caire a déjà permis au secteur bancaire de s’assainir
aux Pays-Bas.
M. Schokker confirme que la Stichting Tuchtrecht
Banken a été créée à l’initiative de l’Union néerlandaise
des Banques, qui a également élaboré le règlement
disciplinaire de cette fondation, laquelle fonctionne de
manière totalement indépendante mais est toutefois
financée par les banques.
Étant donné que le serment bancaire n’est appliqué
que depuis trois ans, il est encore trop tôt pour vrai-
ment se prononcer sur son effet. L’orateur souligne
qu’il bénéficie toutefois d’un grand intérêt de la part du
monde académique et indique qu’en tout état de cause,
il a engagé un processus de prise de conscience. Il est
frappant de constater que ce serment est soutenu par
les dirigeants des banques et les membres de la direc-
tion. Il contribue certainement à renforcer la sécurité
dans ce secteur.
L’orateur fait observer que le serment bancaire ne
s’applique pas aux conseillers externes en placement,
mais bien aux conseillers en placement employés par
une banque.
Les dispositions du serment bancaire ont été élabo-
rées en collaboration avec le ministère des Finances et
en concertation avec le secteur bancaire. Obligatoire
pour tous les dirigeants des banques depuis 2011, le
serment bancaire a été étendu et généralisé à tous les
employés de banque depuis 2015.
Enfin, M. Schokker évoque la grande diversité des
signalements. Ceux-ci peuvent porter sur le compor-
tement professionnel d’un employé de banque, mais
aussi sur son comportement en privé. Avant l’instau-
ration du serment bancaire, certains comportements
abusifs étaient principalement réglés en interne, sur le
plan du droit du travail. La commission disciplinaire a
permis que les signalements puissent déboucher sur
des sanctions disciplinaires publiées, fût-ce de façon
anonyme, ce qui contribue naturellement à renforcer
la prise de conscience et le sens des responsabilités
des intéressés.
23
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
B. Hoorzitting met Geert Noels, Albert Verlinden
en Karel Van Eetvelt
I. — INLEIDENDE UITEENZETTINGEN
a) Uiteenzetting van de heer Geert Noels, vice-
voorzitter van de High Level Expertgroup on the
Future of the Belgian Financial Sector
De heer Geert Noels, vice-voorzitter van de High
Level Expertgroup on the Future of the Belgian Financial
Sector, herneemt een aantal passages uit het rapport1
van de High Level Group on the Future of the Belgian
Financial Sector die specifiek handelen over gedrags-
wijzigingen. Hij verwijst hierbij naar de 4de aanbeve-
ling die expliciet gaat over het matigen van excessief
risicogedrag. Deze aanbeveling benadrukt het belang
van maatregelen ter ondersteuning van een verbetering
van de bedrijfscultuur en ter versterking van de indivi-
duele aansprakelijkheid van de werknemers binnen de
financiële sector. Bovendien bevat deze aanbeveling
de uitdrukkelijke intentie om de toegang tot beroepen
in de financiële sector restrictiever te maken aan de
hand van de installatie van een certificatieregime. De
spreker verwijst hierbij naar het Verenigd Koninkrijk waar
een specifieke organisatie werd opgericht met name de
Banking Standards Board (BSB).
Daarnaast verwijst de spreker naar het Nederlandse
voorbeeld van een bankierseed waarbij hij opnieuw
verwijst naar het rapport van de High Level Group
on the Future of the Belgian Financial Sector waarin
eveneens een oproep is opgenomen voor een wettelijke
basis voor een bankierseed teneinde de individuele
aansprakelijkheid van de werknemers binnen de sector
van de banken én de verzekeringen aan te scherpen.
Het rapport bevatte tevens een oproep om een
nieuw, onafhankelijk orgaan op te richten teneinde de
institutionele aansprakelijkheid aan de kaak te stellen.
Het doel van dit onafhankelijk orgaan bestaat erin om
de sector te disciplineren aan de hand van peer pres-
sure en publiciteit. Haar taak bestaat uit het monitoren
van de naleving van de algemene gedragscode en op
te treden als een tuchtinstelling om de naleving bindend
te maken aan de hand van een bankierseed.
De spreker gaat kort nog even in op de invoering van
de bankierseed in Nederland. Ongeveer 90 000 bank-
medewerkers hebben de eed sinds 1 april 2015 afgelegd,
de datum waarop de bankierseed van kracht werd. Deze
eed moet ook afgelegd worden door ICT-medewerkers
die actief zijn binnen de banksector. De tussenkomst
1
The future of the Belgian financial sector. Report of the High Level
Group established on the initiative of the minister of Finance,
Brussels, 13 january 2016.
B. Auditions de M. Geert Noels, M. Albert
Verlinden et M. Karel Van Eetvelt
I. — EXPOSÉS INTRODUCTIFS
a) Exposé de M. Geert Noels, vice-président du
High Level Expertgroup on the Future of the Belgian
Financial Sector
M. Geert Noels, vice-président du High Level
Expertgroup on the Future of the Belgian Financial
Sector, évoque plusieurs passages du rapport1 du High
Level Group on the Future of the Belgian Financial
Sector portant, en particulier, sur les changements de
comportement. Il renvoie à cet égard à la quatrième
recommandation qui préconise explicitement l’atté-
nuation des attitudes en matière de prise de risque
excessive. Cette recommandation souligne l’importance
des mesures d’appui destinées à améliorer la culture
d’entreprise et à renforcer la responsabilité individuelle
des travailleurs dans le secteur financier. Par ailleurs,
cette recommandation exprime la volonté explicite de
restreindre davantage l’accès aux professions du sec-
teur financier au travers de la mise en place d’un régime
de certification. L’orateur cite à cet égard l’exemple du
Royaume-Uni, qui a créé une organisation spécifique à
cet effet, la Banking Standards Board (BSB).
Ensuite, l’orateur cite l’exemple néerlandais du
serment bancaire et renvoie à nouveau au rapport du
High Level Group on the Future of the Belgian Financial
Sector, qui préconise également de conférer un fonde-
ment légal au serment bancaire de manière à définir plus
clairement la responsabilité individuelle des travailleurs
dans le secteur des banques et des assurances.
Ce rapport lance aussi un appel en vue de la création
d’un nouvel organe indépendant permettant de pointer
la responsabilité institutionnelle. L’objectif de cet organe
indépendant serait de discipliner le secteur au travers
d’une pression exercée par les pairs et de la publicité.
Sa mission consisterait à contrôler le respect du code
de conduite général et à intervenir en qualité d’instance
disciplinaire chargée d’imposer le respect du code au
moyen d’un serment bancaire.
L’orateur évoque aussi brièvement l’introduction du
serment bancaire aux Pays-Bas. Près de 90 000 em-
ployés de banque ont prêté ce serment depuis le
1er avril 2015, date à laquelle il a pris effet. Ce serment
doit également être prêté par le personnel des TIC dans
le secteur bancaire. Les intervenants néerlandais ont
1
Le futur du secteur financier belge. Rapport du high level expert
group établi sur l’initiative du ministre des Finances de la
Belgique, Bruxelles, le 13 janvier 2016.
24
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
van de Nederlandse sprekers is een lang pleidooi om
de bankierseed ernstig te nemen. Bovendien is hun
ervaring bijzonder positief en heeft de bankierseed
een zelfreinigend effect binnen de financiële sector
bovenop de preventieve en repressieve aspecten. Deze
bankierseed kan met andere woorden een eerste laag
van bescherming bieden ten aanzien van een aantal
uitdagingen binnen de financiële sector met name
onder andere op het gebied van de cyberveiligheid en
het respect voor de privacywetgeving. Tot slot merkt de
spreker op dat de formulering van de bankierseed niet
overdreven ingewikkeld is en gemakkelijk te kopiëren
is naar andere landen.
De spreker stelt vast dat er reeds een aantal uit-
spraken van de Tuchtcommissie in Nederland geleid
hebben tot een beroepsverbod voor vergrijpen zoals
het raadplegen en delen van gegevens van bankklanten
aan derden of het vervalsen van handtekeningen van
klanten. Hij vindt het hoogst opmerkelijk dat er überhaupt
een Tuchtcommissie moet bestaan om een aantal on-
regelmatigheden aan de kaak te stellen.
In het Verenigd Koninkrijk heeft het BSB drie doelstel-
lingen, met name, het versterken van de standaarden
inzake gedrag en competentie binnen de financiële
sector, het organiseren van studies en opleidingen met
medewerking van actoren afkomstig uit de betrokken
sector en het herstellen van het vertrouwen.
De spreker herhaalt tot slot dat de aanmoediging tot
de creatie van een wettelijke basis voor een bankierseed
opgenomen werd in een rapport dat door de High Level
Group on the Future of the Belgian Financial Sector
in de loop van 2015 werd opgesteld. Hij meent dat de
eed zeker geen wondermiddel is waardoor de financi-
ele sector van alle kwalen zou verlost worden maar de
bankierseed kan evenwel een beschermende laag leg-
gen rondom een sector die grote verantwoordelijkheden
draagt met systemische gevolgen. De financiële crisis
van 2008 heeft aangetoond dat bepaalde personen
uit deze sectoren zouden moeten kunnen verwijderd
worden en dat personen met kwade bedoelingen door
deze bankierseed afgeschrikt kunnen worden maar
dat medewerkers werkzaam in de sector een gemeen-
schappelijke band krijgen via de bankierseed om de
collega’s die overtredingen begaan hierop te wijzen
zonder dat er noodzakelijkerwijze tussenkomst nodig
is van een hiërarchische overste. De spreker hoopt dat
er ook in België, in navolging van het Nederlands voor-
beeld, een bankierseed kan ingevoerd worden zonder
dat dit veel bijkomende administratieve rompslomp met
zich meebrengt voor de betrokken sector.
longuement plaidé pour que le serment bancaire soit
pris au sérieux. De plus, leur expérience est très posi-
tive et le serment bancaire a eu un effet autonettoyant
dans le secteur financier, outre ses aspects préventifs
et répressifs. En d’autres termes, le serment bancaire
peut constituer un premier niveau de protection à l’égard
de certains défis dans le secteur financier, en particulier
dans le domaine de la cybersécurité et à l’égard du res-
pect de la législation sur la protection de la vie privée.
Enfin, l’orateur observe que la formulation du serment
bancaire n’est pas excessivement compliquée et pour-
rait facilement être transposée dans d’autres pays.
L’orateur constate que certaines décisions de la com-
mission disciplinaire des Pays-Bas ont déjà entraîné des
interdictions professionnelles dues à des d’infractions
telles que la consultation et le partage de données
bancaires avec des tiers ou la falsification de signature
de clients. Il juge tout à fait remarquable qu’un comité
disciplinaire doive exister pour que certaines irrégulari-
tés soient dénoncées.
Au Royaume-Uni, le BSB a trois objectifs: renforcer
les normes de comportement et de compétence dans le
secteur financier, organiser des études et des formations
avec la participation d’intervenants issus du secteur
concerné et restaurer la confiance.
Enfin, l’orateur répète que l’encouragement à créer
une base légale pour le serment bancaire a été inscrit
dans un rapport rédigé par le Groupe de haut niveau sur
l’avenir du secteur financier belge au cours de l’année
2015. Il estime que le serment n’est certainement pas
une panacée qui soignera le secteur financier de tous
ses maux mais ajoute que ce serment peut fournir
une protection à l’égard d’un secteur qui porte des
responsabilités majeures qui ont des conséquences
systémiques. La crise financière de 2008 a montré que
certaines personnes devraient pouvoir être écartées
de ce secteur et que les personnes mal intentionnées
peuvent être dissuadées par le serment bancaire mais
aussi que les employés travaillant dans ce secteur
tissent des liens communs, au travers du serment ban-
caire, qui les invitent à alerter ceux de leurs collègues
qui commettent des infractions sans que cela nécessite
obligatoirement l’intervention d’un supérieur hiérar-
chique. L’orateur espère qu’il sera également possible
d’introduire un serment bancaire en Belgique, comme
aux Pays-Bas, sans que cette innovation n’entraîne
beaucoup de formalités administratives supplémentaires
pour ce secteur.
25
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
b) Uiteenzetting van de heer Albert Verlinden,
voorzitter en gedelegeerd bestuurder van BZB-
Fedafi n
De heer Albert Verlinden, voorzitter en gedelegeerd
bestuurder van BZB-Fedafin, wenst vooreerst de orga-
nisatie BZB-Fedafin voor te stellen. Deze organisatie is
thans de grootste beroepsvereniging voor zelfstandige
bemiddelaars in bank- en beleggingsdiensten, verze-
keringen en kredieten. BZB-Fedafin heeft meer dan
2 500 leden die 5 000 zelfstandige tussenpersonen
vertegenwoordigen, met onder meer 10 000 personeels-
leden. Deze leden zijn verspreid tussen de grootbanken,
de middelgrote en kleine banken. Een deel van de leden
zijn ook onafhankelijke makelaars.
BZB-Fedafin verzorgt de individuele en collectieve
belangenverdediging van haar leden op federaal en
Europees vlak. Bovendien levert BZB-Fedafin juridische
ondersteuning aan haar leden en is zij tevens een bron
van informatie voor hun leden. Dat is een heel belang-
rijke opdracht gezien heel wat zelfstandige financiële
bemiddelaars zich thans bewegen in een wereld waar
recentelijk heel veel nieuwe regelgeving van kracht
is geworden. Tot slot biedt BZB-Fedafin de nodige
opleidingen aan hun leden om de nieuwe regelgeving
adequaat te kunnen toepassen.
Sinds 2010 is er heel wat bijkomende regelgeving
op het niveau van de financiële bemiddelaar of tus-
senpersoon gecreëerd meer bepaald met betrekking
tot de informatieplicht, Mifid II-richtlijn, compliance, etc.
De spreker wenst te benadrukken dat de zelfstandige
financiële tussenpersonen de financiële crisis niet heb-
ben veroorzaakt. De zelfstandige financiële tussenper-
sonen hebben in het verleden sporadisch een kleine fout
gemaakt en zullen dit wellicht in de toekomst ook doen
maar de echte crisis is veroorzaakt op het niveau van
het directiecomité in de ivoren toren en niet bij de tus-
senpersonen op de werkvloer. Heden ten dage worden
de zelfstandige financiële tussenpersonen geconfron-
teerd met heel wat goldplating en zware, administratieve
overlast waarbij noch de financiële tussenpersoon, noch
de consument, het bos nog door de bomen ziet.
Inzake het wetsvoorstel wenst de spreker te bena-
drukken dat er een groot verschil is tussen de medewer-
kers van de bank-, krediet- en verzekeringsinstellingen
enerzijds, en de zelfstandige tussenpersonen en hun
personeel anderzijds. De zelfstandige tussenpersonen
staan voor een langetermijnrelatie met de klant. Bij
de zelfstandige financiële tussenpersonen staat de
klant effectief centraal. Tijdens de financiële crisis is
b) Exposé de M. Albert Verlinden, président et
administrateur délégué de BZB-Fedafi n
M. Albert Verlinden, président et administrateur
délégué de BZB-Fedafin, entame son exposé en
présentant l’organisation BZB-Fedafin. Cette orga-
nisation est actuellement la plus grande association
professionnelle des intermédiaires indépendants dans
le domaine des services bancaires et d’investissement,
de l’assurance et du crédit. BZB-Fedafin compte plus
de 2 500 membres représentant 5 000 intermédiaires
indépendants qui emploient 10 000 personnes. Ces
membres sont répartis entre les grandes banques, les
banques moyennes et les petites banques. Certains
de ses membres sont également des courtiers
indépendants.
La BZB-Fedafin est responsable de la défense indi-
viduelle et collective des intérêts de ses membres aux
niveaux fédéral et européen. En outre, BZB-Fedafin
fournit un appui juridique à ses membres, pour qui elle
constitue également une source d’information. Il s’agit
d’une mission très importante dès lors que de nom-
breux intermédiaires financiers indépendants travaillent
aujourd’hui dans un monde où beaucoup de nouvelles
règles sont récemment entrées en vigueur. Enfin, BZB-
Fedafin propose les formations nécessaires à leurs
membres afin qu’ils puissent appliquer adéquatement
la nouvelle réglementation.
Depuis 2010, de nombreuses règles supplémentaires
ont été créées au niveau de l’intermédiaire financier, no-
tamment en ce qui concerne l’obligation d’information,
la directive MIFID II, la conformité, etc. L’orateur tient à
souligner que les intermédiaires financiers indépendants
n’ont pas causé la crise financière. Ils ont sporadique-
ment commis quelques petites erreurs dans le passé, et
pourraient refaire les mêmes erreurs à l’avenir, mais la
véritable crise a été provoquée au niveau des comités
de direction, de la tour d’ivoire, et non au niveau des
intermédiaires financiers sur le terrain. Aujourd’hui, les
intermédiaires financiers indépendants sont confron-
tés à une forme de surréglementation et à de lourdes
procédures administratives qui ont pour conséquence
que ni l’intermédiaire financier ni le consommateur n’y
voient plus clair actuellement.
En ce qui concerne la proposition de loi, l’orateur
tient à souligner qu’il existe une grande différence entre
les employés des établissements bancaires, des éta-
blissements de crédit et des compagnies d’assurance,
d’une part, et les intermédiaires indépendants et leur
personnel, d’autre part. Les intermédiaires indépen-
dants recherchent une relation à long terme avec le
client. Ils mettent l’accent sur le client. Lors de la crise
26
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
trouwens gebleken dat het vertrouwen bij de klant voor
de financiële tussenpersonen hoger was dan voor de
statutaire kantoren. Meerdere onderzoeken van tijdens
en na de financiële crisis staven deze vaststelling.
Omwille van deze redenen meent de spreker dat er
niet direct een noodzaak is om een bankierseed in te
voeren bij de zelfstandige, financiële tussenpersonen.
Bovendien wenst de spreker aan te geven dat het voor
zijn organisatie onmogelijk is om de bankierseed vanuit
de kredietinstellingen op te leggen aan de zelfstandige
tussenpersonen.
Bovendien verwijst de spreker naar een onderzoek
van de gedragseconoom Dan Ariely, een economiepro-
fessor verbonden aan het MIT, waarin de onderzoeker
erkent dat een gelofte of een eed wel degelijk effect
heeft op de wijze waarop de mensen handelen. Het
onderzoek wijst er echter ook op dat deze eedafleg-
ging een jaarlijks ritueel moet zijn om dat zonder deze
herhaling het effect van de eed maar van korte duur is.
BZB-Fedafin is bereid om mee te werken aan een
deontologische code voor zelfstandige tussenpersonen.
Het is echter wel de taak voor de beroepsverenigingen
om de organisatie hiervan zelf in handen te nemen en dit
op jaarlijkse basis te laten plaatsvinden en te hernieuwen
in plaats van een eenmalige eedaflegging. De spreker
meent tevens dat ook de verzekeringsmaatschappijen
en de kredietinstellingen betrokken moeten worden bij
een eventuele bankierseed teneinde een level playing
field te creëren tussen de verschillende sectoren.
c) Uiteenzetting van de heer Karel Van Eetvelt,
CEO van Febelfi n,
De heer Karel Van Eetvelt, CEO van Febelfin, merkt
op dat de bankierseed, zoals deze ontwikkeld is in
Nederland, gericht is op het individu en niet op de sector.
De spreker heeft trouwens in de afgelopen maanden een
bezoek aan de Nederlandse Vereniging van Banken en
de Stichting Tuchtrecht Banken gebracht om zich beter
te vergewissen over de verschillende aspecten van de
bankierseed. De spreker stelt vast dat 80 % van de
zaken behandeld voor de Tuchtcommissie gebaseerd
zijn op klachten die door de bank zelf zijn aangebracht
tegen de desbetreffende medewerker. In 12 gevallen
heeft de Tuchtcommissie de beslissing genomen om
de betrokken personeelsleden te schorsen. Dit initiatief
heeft in hoofdzaak een zelfreinigend effect. Tot slot stelt
de spreker vast dat de impact van de bankierseed op
het imago van de banksector echter heel beperkt is.
De financiële sector heeft de afgelopen 10 jaar heel
turbulente tijden achter de rug en heeft in de toekomst
nog heel wat turbulente jaren in het vooruitzicht gezien
financière, il est d’ailleurs apparu que la confiance des
clients était plus élevée à l’égard des intermédiaires fi-
nanciers qu’à l’égard des agences statutaires. Plusieurs
études menées durant et après la crise financière ont
confirmé ce constat. Pour toutes ces raisons, l’orateur
estime qu’il n’est pas vraiment nécessaire de prévoir
un serment bancaire pour les intermédiaires financiers
indépendants. L’orateur tient également à souligner
qu’il serait impossible pour son organisation d’imposer
le serment bancaire des établissements de crédit aux
intermédiaires indépendants.
L’orateur évoque en outre une étude de l’économiste
spécialiste du comportement Dan Ariely, professeur
d’économie au MIT, dans laquelle ce chercheur recon-
naît qu’un vœu ou un serment a bien un effet sur la façon
dont les gens se comportent. Toutefois, cette étude
souligne également que cette prestation de serment doit
être un rituel annuel car, sans cette répétition, l’effet du
serment n’est que de courte durée.
BZB-Fedafin est prête à participer à la rédaction
d’un code déontologique pour les intermédiaires indé-
pendants. Il incombera toutefois aux associations pro-
fessionnelles de se charger de son organisation et de
veiller à ce que cette opération ait lieu et soit renouvelée
sur une base annuelle plutôt que ponctuelle. L’orateur
estime en outre que les compagnies d’assurance et
les établissements de crédit devraient également être
associés à un éventuel serment bancaire afin de créer
des conditions de travail équitables entre les différents
secteurs.
c) Exposé de M. Karel Van Eetvelt, CEO de Febelfi n,
M. Karel Van Eetvelt, CEO de Febelfin, fait observer
que le serment bancaire élaboré aux Pays-Bas est axé
sur l’individu et non sur le secteur. Ces derniers mois,
l’orateur a d’ailleurs rendu visite à l’Union néerlandaise
des banques et à la Stichting Tuchtrecht Banken pour
mieux comprendre les différents aspects du serment
bancaire. L’orateur constate que 80 % des dossiers trai-
tés par la commission disciplinaire sont fondés sur des
plaintes déposées par la banque elle-même contre les
employés incriminés. Dans douze cas, la commission
disciplinaire a décidé de suspendre les collaborateurs
concernés. Cette initiative a principalement eu pour
effet d’assainir le secteur. Enfin, l’orateur constate que
les effets du serment bancaire sur l’image du secteur
bancaire sont cependant très limités.
Ces dix dernières années, le secteur financier a
traversé des périodes d’extrême turbulence et c’est
loin d’être fini dès lors que la révolution numérique va
27
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
de toekomstige transformatie van het bankwezen door
de digitale revolutie. Bovendien kan de sector onmoge-
lijk tevreden zijn over het vertrouwen dat zij thans geniet
bij het grote publiek. Ondanks de vele inspanningen die
de afgelopen jaren geleverd zijn, zowel door de wetge-
ver, als door de sector zelf, blijft het vertrouwen in de
sector op een bodemkoers. De gekende Edelman Trust
Barometer meet elk jaar het vertrouwen van de maat-
schappij in bedrijven en sectoren. De financiële sector
blijft daarin onderaan bengelen. Zelfs na Dieselgate
geniet de automobielsector nog steeds 20 % meer
vertrouwen dan de financiële sector. Dit terwijl in weinig
sectoren vertrouwen zo belangrijk is.
De spreker stelt tot zijn grote teleurstelling vast dat
alle inspanningen van de afgelopen jaren niet volstaan
om de perceptie van de financiële sector te keren. De
Europese en Belgische regelgevers hebben in antwoord
op de financiële crisis nochtans – en terecht – een
indrukwekkend pakket aan zeer diepgaande hervor-
mingen doorgevoerd. Er is onder meer een nieuwe
Bankenwet, betere consumentenbescherming (MiFID
II), hogere kapitaalvereisten, een beter kader voor ban-
kenreddingen, beperkingen op handelsactiviteiten en
bonussen, en een moratorium op complexe producten.
Toezichthouders beschikken over een arsenaal aan
toezichtinstrumenten en sanctiemogelijkheden dat
afschrikwekkender is dan ooit te tevoren. Er zijn stren-
gere sancties, hogere boetes, toezichthouders mogen
inbreuken (en overtreders) met naam en toenaam be-
kend te maken (naming and shaming) en kunnen aan
mystery shopping doen. Recent voegde de regering
nog een klokkenluidersbescherming in bij inbreuken op
financiële regels (50 meldingen na 1 jaar volgens het
jaarverslag van de FSMA) en striktere fit and proper
vereisten, in opvolging van de aanbevelingen van de
High Level Expert Group en van de Optima en Panama
Commissie, en de class action wetgeving is uitgebreid.
Ook financiële instellingen zelf hebben inspannin-
gen geleverd om goed gedrag in hun instellingen te
stimuleren. Jaarlijks volgen 5 000 bankmedewerkers
een verplichte opleiding bankbemiddeling bij Febelfin
Academy, waarbij een kwart van de opleiding gewijd
is aan compliance en integriteit. Op 5 jaar tijd hebben
120 compliance officers na een streng examen onder
FSMA toezicht (slaagkans: 66 %) het statuut van erkend
compliance officer gehaald. Zij genieten een beschermd
statuut, en kunnen niet ontslagen worden zonder tus-
senkomst van de toezichthouder. Alle banken onder-
schrijven de gedragscodes van Febelfin, waaronder de
transformer l’activité bancaire. Qui plus est, ce secteur
ne peut pas se réjouir du niveau de confiance dont
il bénéficie aujourd’hui dans le grand public. Malgré
les nombreux efforts consentis ces dernières années,
tant par le législateur que par le secteur lui- même, la
confiance dont il jouit reste à un niveau plancher. Le
célèbre baromètre Edelman de la confiance mesure
chaque année le niveau de confiance des citoyens
vis-à-vis des entreprises et des secteurs. À cet égard,
le secteur financier reste à la traîne. Même après le
Dieselgate, le secteur automobile bénéficie encore
d’un niveau de confiance de 20 % supérieur à celui du
secteur financier alors qu’il existe peu de secteurs où
la confiance a autant d’importance.
À son grand regret, l’orateur constate que tous les
efforts déployés ces dernières années n’ont pas suffi
pour inverser la perception du secteur financier. En ré-
ponse à la crise financière, les autorités réglementaires
belges et européennes ont pourtant mis en œuvre – à
juste titre – un impressionnant train de réformes très
profondes. Citons notamment la nouvelle loi bancaire,
la meilleure protection du consommateur (MiFID II),
les exigences accrues en matière de fonds propres,
un meilleur encadrement des sauvetages bancaires,
les limites imposées aux activités commerciales et aux
bonus ainsi qu’un moratoire sur les produits complexes.
Les autorités de surveillance disposent d’une gamme
d’instruments de surveillance et de sanctions plus dis-
suasives que jamais auparavant. Il existe des sanctions
plus strictes et des amendes plus élevées. Les autorités
de surveillance peuvent dénoncer les infractions (et les
contrevenants) (naming and shaming) et réaliser des
évaluations mystérieuses. Récemment, le gouverne-
ment a prévu la protection des dénonciateurs en cas
de violation des règles financières (50 signalements
après un an selon le rapport annuel de la FSMA) et
des exigences plus strictes en matière d’adéquation (fit
and proper), conformément aux recommandations du
groupe d’experts de haut niveau et des commissions
Optima et Panama. De plus, la législation sur les recours
collectifs a été étendue.
Les institutions financières elles-mêmes ont égale-
ment fait des efforts pour promouvoir les bons compor-
tements au sein de leurs institutions. Chaque année,
5 000 employés de banque suivent une formation obli-
gatoire en médiation bancaire à l’Académie Febelfin,
un quart de cette formation étant consacré à la confor-
mité et à l’intégrité. En cinq ans, 120 personnes ont
obtenu le statut de responsable de la conformité agréé
(compliance officer) à l’issue d’un examen rigoureux
supervisé par la FSMA (taux de réussite: 66 %). Ces
responsables de la conformité ont un statut protégé et
ne peuvent pas être licenciés sans l’intervention de
28
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Gedragscode Goede Bankrelatie. Die stemt trouwens in
hoge mate overeen met de gedragsregels van de ban-
kierseed. Banken hebben daar bovenop gedetailleerd
uitgewerkte gedragscodes, die een stuk verder gaan
dan wat de bankierseed voorschrijft. Inbreuken daarop
geven wel degelijk aanleiding tot sancties, soms zelfs
ontslag. Er zijn banken die over de opgelegde sancties
zeer actief communiceren naar hun werknemers, er
zijn ook banken die “dilemmadiscussies” houden met
hun werknemers over ethische uitdagingen, zoals dat
in Nederland gebeurt.
Maar de vaststelling blijft dat de financiële sector
ondanks al deze maatregelen grote moeite heeft om
het vertrouwen van de maatschappij terug te winnen.
Febelfin is daar oprecht bekommerd om. Er zijn weinig
ondernemingen waarvoor vertrouwen zo belangrijk is als
financiële dienstverleners. Klanten hebben heel hoge
verwachtingen ten aanzien van banken, en terecht.
Febelfin beseft dat de financiële sector daar nog harder
moet aan werken, maar ook dat dit een werk van lange
adem is.
Financiële instellingen zullen slechts het vertrouwen
van de samenleving genieten als ze doen wat de sa-
menleving van hen verwacht. Febelfin gelooft niet dat
er eenvoudige oplossingen bestaan om vertrouwen
terug te winnen. De invoering van de bankierseed in
Nederland, de debatten binnen de High Level Expert
Group en het Permanent Overlegplatform voor de toe-
komst van Brussel als financieel centrum hebben veel
aandacht genoten binnen Febelfin.
Er zijn heel wat benaderingen om integriteit, cultuur
en vertrouwen te versterken, maar quick wins liggen
hier niet voor het rapen. Alle alternatieven verdienen
onderzoek en reflectie. Financiële instellingen zullen
slechts het vertrouwen van de samenleving genieten
als ze doen wat de samenleving van hen verwacht. Zij
mogen zich niet enkel laten leiden door wat moet van
de wetgever of de toezichthouder, maar moeten ook en
vooral de belangen van de klant en de burger voorop
stellen in al hun beslissingen.
Een bankierseed en tuchtrecht kan daar mogelijk bij
helpen. Wel moet men er zeker van zijn dat men een
bankierseed en tuchtrecht niet gaat ervaren als een
zoveelste bijkomende sanctie of boxticking oefening. De
spreker vraagt zich af of de bankierseed, zoals men die
in Nederland kent, niet te zeer focust op het individuele
gedrag van bankmedewerkers. Het tuchtrecht kan zeker
een instrument zijn om de bank te beschermen tegen
extreem wangedrag. Maar deontologie moet er zijn om
l’autorité de contrôle. Toutes les banques souscrivent
aux codes de conduite de Febelfin, notamment au code
“Bonne relation bancaire”, conforme, dans une large
mesure, aux règles de conduite du serment bancaire.
De plus, les banques disposent de codes de conduite
détaillés, qui vont bien au-delà de ce que prévoit le
serment bancaire. Les violations de cette réglemen-
tation donnent lieu à des sanctions, parfois même au
licenciement. Certaines banques communiquent très
activement, vis-à-vis de leurs employés, sur les sanc-
tions infligées. Certaines banques débattent également
des “situations de dilemme” avec leurs employés, au
cours de discussions concernant les défis éthiques,
comme aux Pays-Bas.
Mais il demeure que, malgré toutes ces mesures,
le secteur financier peine à regagner la confiance de
la société. Febelfin s’en préoccupe vraiment. Il existe
peu d’entreprises pour lesquelles la confiance est aussi
importante que pour les prestataires de services finan-
ciers. Les clients attendent beaucoup des banques, et à
juste titre. Febelfin se rend compte que le secteur finan-
cier doit y travailler avec encore plus d’acharnement,
mais aussi que ce sera un travail de longue haleine.
Les établissements financiers ne jouiront de la
confiance de la société que s’ils font ce que la société
attend d’eux. Febelfin ne croit pas à l’existence de
solutions simples permettant de regagner la confiance.
L’introduction du serment bancaire aux Pays-Bas, les
débats au sein du High Level Expert Group et de la
Plate-forme de concertation permanente pour l’avenir
de Bruxelles en tant que centre financier ont bénéficié
d’une attention soutenue au sein de Febelfin.
Il existe de nombreuses approches pour renforcer
l’intégrité, la culture et la confiance, mais les solutions
rapides ne sont pas légion. Toutes les alternatives
méritent d’être étudiées et réfléchies. Les établisse-
ments financiers ne bénéficieront de la confiance de la
société que s’ils font ce que la société attend d’eux. Ils
ne peuvent pas seulement se laisser guider par ce qui
est exigé par le législateur ou par les autorités de surveil-
lance mais doivent aussi et surtout faire primer l’intérêt
du client et du citoyen dans toutes leurs décisions.
Le serment bancaire et le droit disciplinaire peuvent
être utiles à cet égard. Toutefois, il faut veiller à ce que
ce serment et ce droit ne soient pas vécus comme une
énième sanction ou formalité supplémentaire. L’orateur
se demande si le serment bancaire instauré aux Pays-
Bas ne met pas trop l’accent sur le comportement indi-
viduel des employés de banque. Le droit disciplinaire
peut certainement être un instrument permettant de
protéger la banque contre l’inconduite extrême, mais la
29
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
de klant te beschermen, niet de bank. Het valt op dat
bijna 4 op 5 zaken die in Nederland tot een veroorde-
ling hebben geleid het gevolg waren van klachten van
banken zelf, tegen hun eigen medewerkers.
De spreker benadrukt dat het belangrijk is om realisti-
sche verwachtingen te koesteren over een bankierseed
en tuchtrecht. Ook het tuchtrecht zal niet verhinderen
dat zaken fout lopen. Dokters, advocaten, architecten
zijn aan tuchtrecht onderworpen, maar begaan nog
steeds beroepsfouten. Bankiers aan wie Febelfin de
casussen uit Nederland voorlegt, geven ook aan dat
dergelijk gedrag nu reeds aanleiding zou geven tot
sancties, vaak zelfs ontslag, al was het maar uit eigen-
belang. Een bankierseed of tuchtrecht hebben zij daar
echt niet voor nodig.
Febelfin meent dat men ook de vraag moet durven
stellen om nog een stap verder te gaan. Er is meer dan
bankierseed alleen: in het Verenigd Koninkrijk verricht
een onafhankelijk en divers samengesteld expertenpa-
nel in de Banking Standards Board erg interessant werk
om banken te helpen om goede praktijken op het vlak
van cultuur en gedrag in kaart te brengen, zichzelf te
vergelijken en te rangschikken met andere instellingen.
Onder invloed van onafhankelijke bestuurders en peer
pressure gaan banken zich aanpassen aan elkaars
beste praktijken. Deze benadering is complementair
aan de bankierseed die zich hoofdzakelijk richt op het
niveau van het gedrag van de individuele werknemer
die niet op directieniveau actief is. De BSB gaat echter
veel verder en probeert een ingrijpende cultuuromslag
en gedragsverandering binnen de sector teweeg te
brengen.
Die benadering is eerder gericht op de promotie van
goede praktijken en standaarden voor alle aspecten
van integriteit en cultuur binnen banken, vertrekt van
een concrete meting van het vertrouwen, en verplicht
banken om daar rekenschap over af te leggen, aan hun
bestuurders, aan peers, aan het expertenpanel. Ook
de High Level Expert Group heeft daarvoor gepleit.
Mogelijk biedt die benadering meer garanties dat de
samenleving erop kan vertrouwen dat banken de hoog-
ste standaarden op het vlak van cultuur, deontologie en
gedrag nastreven en de klant centraal stellen bij hun
dienstverlening.
Voor Febelfin is het cruciaal dat het vertrouwen in de
sector geleidelijk aan toeneemt. De medewerkers bin-
nen de financiële sector vervullen hierbij een bijzonder
belangrijke rol en hun medewerking is dan ook nood-
zakelijk. De bankmedewerkers hebben de afgelopen
déontologie doit être là pour protéger le client et non la
banque. Il est frappant de constater que près de 4 cas
sur 5 ayant abouti à une condamnation aux Pays-Bas
ont découlé de plaintes déposées par des banques
elles-mêmes contre leurs propres employés.
L’orateur souligne l’importance de nourrir des
attentes réalistes à l’égard du serment bancaire et du
droit disciplinaire. Le droit disciplinaire n’empêchera
pas non plus que des problèmes puissent se poser. Les
médecins, les avocats et les architectes sont soumis au
droit disciplinaire, ce qui ne les empêche pas d’encore
commettre des fautes professionnelles. Les employés
de banque auxquels Febelfin a soumis les cas enre-
gistrés aux Pays-Bas ont également indiqué que ces
comportements donnaient déjà lieu à des sanctions,
souvent même à un licenciement, ne serait-ce que dans
l’intérêt de la banque. Ils n’ont vraiment pas besoin d’un
serment bancaire ou d’une loi disciplinaire à cette fin.
Febelfin estime qu’il faut aussi oser s’interroger sur
l’opportunité d’aller plus loin. Le serment bancaire n’est
pas la seule solution: au Royaume-Uni, un panel d’ex-
perts indépendant et diversifié du Banking Standards
Board a réalisé un travail très intéressant pour aider les
banques à identifier les bonnes pratiques en matière
de culture et de comportement, à se comparer avec
d’autres établissements et à se classer par rapport à
eux. Les banques s’adaptent à leurs bonnes pratiques
mutuelles sous l’influence d’administrateurs indépen-
dants et de la pression entre pairs. Cette approche
complète le serment bancaire, qui se concentre princi-
palement sur le comportement individuel des travailleurs
qui n’opèrent pas au niveau de la direction. Cependant,
le BSB va beaucoup plus loin et tente d’induire une
mutation culturelle radicale et un changement de com-
portement au sein du secteur.
Cette approche vise plutôt à promouvoir les bonnes
pratiques et les normes pour tous les aspects de l’inté-
grité et de la culture au sein des banques. Elle se fonde
sur une mesure concrète de la confiance et oblige les
banques à en rendre compte à leurs administrateurs, à
leurs pairs et au panel d’experts. Le groupe d’experts
de haut niveau a également plaidé pour cette approche,
qui peut offrir à la société de meilleures garanties que
les banques poursuivront les normes les plus élevées
en matière de culture, de conduite et de comportement
éthique et qu’elles placeront le client au cœur de leurs
services.
Pour Febelfin, il est crucial que la confiance dans le
secteur augmente progressivement. Les collaborateurs
du secteur financier jouent un rôle particulièrement
important à cet égard, et leur coopération est dès lors
nécessaire. Ces dix dernières années, les collaborateurs
30
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
10 jaar vaak spitsroeden moeten lopen in een zwaar
gehavende sector. Vandaar dat het voor Febelfin be-
langrijk is dat elke maatregel die erop gericht is om
het vertrouwen van de publieke opinie te herstellen in
de financiële sector inclusief is waarbij er tevens een
positief effect is voor de medewerkers van de financiële
sector. De verhoopte gedrags- en cultuurwijziging bin-
nen de financiële sector zal door deze medewerkers
gerealiseerd worden en niet door wetten of instellingen.
Febelfin probeert daarom zoveel mogelijk de bankme-
dewerkers te betrekken bij de initiatieven die zij als
sectororganisatie ter zake neemt.
In de schoot van Febelfin is een taskforce opgericht
in de nasleep van het rapport van de High Level Expert
Group met het doel om het vertrouwen in de financiële
sector te versterken. Deze taskforce heeft sinds kort
een eerste intern rapport opgemaakt met tot doel om
tegen eind 2018 met finale conclusies en voorstellen
te komen vanuit de financiële sector zelf. De spreker
merkt op dat de indieners van het wetsvoorstel zelf
aangeven dat zij een wettelijke kader willen aanbieden
maar dat het aan de financiële sector zelf toekomt om
de concrete invulling hiervan te bepalen. Febelfin deelt
deze verwachting en deelt mee dat zij ingaat op deze
uitnodiging met concrete voorstellen aan het eind van
2018. Tot slot herhaalt de spreker dat de input vanuit
de financiële sector een conditio sine qua non is voor
de praktische uitwerking van dit wetgevend initiatief.
II. — VRAGEN VAN DE LEDEN
De heer Luk Van Biesen (Open Vld) merkt op dat er
eensgezindheid bestaat over het principe dat schuil-
gaat achter het wetsvoorstel. Hij wijst hiervoor naar de
aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscom-
missie belast met het onderzoek over de oorzaken
van het faillissement van Optimabank en de eventu-
ele belangenvermenging tussen de Optima Groep en
haar componenten enerzijds en openbare besturen
anderzijds (DOC 54 1938/007), en de bijzondere com-
missie internationale fiscale fraude / Panama Papers
(DOC 54 2749/001).
Op basis van de tussenkomsten van de uitgenodigde
sprekers meent de spreker dat de 12 uitgesproken be-
roepsverboden in Nederland in België via de bestaande
en geijkte procedures zouden behandeld zijn. Het grote
verschil bestaat erin dat dergelijke tussenkomsten in
Nederland gebeuren door middel van een derde, onaf-
hankelijke partij of instelling, terwijl dit in België intern
binnen dezelfde organisatie wordt aangekaart. De
meerwaarde van de bankierseed ligt vervat in het feit dat
de consument bij een derde partij klacht kan indienen,
bancaires ont souvent été montrés du doigt dans un sec-
teur très malmené. C’est pourquoi il est important pour
Febelfin que toute mesure visant à restaurer la confiance
du public dans le secteur financier soit inclusive et ait
un effet positif pour les employés du secteur financier.
Le changement de comportement et de culture attendu
dans le secteur financier sera concrétisé par le person-
nel et non par des lois ou des institutions. C’est pourquoi
Febelfin s’efforce d’associer autant que possible les
employés de banque aux initiatives qu’elle prend en
tant qu’organisation sectorielle à cet égard.
Au sein de Febelfin, un groupe de travail a été créé
dans le prolongement de la publication du rapport du
groupe d’experts de haut niveau dans le but de renforcer
la confiance dans le secteur financier. Ce groupe de
travail a récemment rédigé un premier rapport interne
dans le but de présenter, d’ici la fin 2018, les conclusions
et les propositions finales du secteur financier lui-même.
L’orateur fait observer que les auteurs de la proposition
de loi indiquent eux-mêmes qu’ils souhaitent offrir un
cadre juridique mais que c’est au secteur financier lui-
même qu’il appartient d’en définir la teneur. Febelfin est
du même avis et indique qu’elle accepte cette invitation
et présentera des propositions concrètes d’ici fin 2018.
Enfin, l’orateur rappelle que la contribution du secteur
financier est une condition sine qua non pour l’élabo-
ration pratique de cette initiative législative.
II. — QUESTIONS DES MEMBRES
M. Luk Van Biesen (Open Vld) fait observer que le
principe qui sous-tend la proposition de loi à l’examen
fait l’unanimité. Il renvoie à cet égard aux recomman-
dations de la commission d’enquête parlementaire
chargée d’examiner les causes de la faillite de la
banque Optima et l’éventuelle confusion d’intérêts
entre le Groupe Optima et ses composantes, d’une
part, et des administrations publiques, d’autre part
(DOC 54 1938/007), et de la commission spéciale sur
la fraude fiscale internationale et les Panama Papers
(DOC 54 2749/001).
Compte tenu des interventions des orateurs invités,
le membre estime que les douze interdictions pro-
fessionnelles prononcées aux Pays-Bas auraient été
traitées selon les procédures existantes et consacrées
en Belgique. La principale différence est que ces inter-
ventions sont effectuées par une partie ou une insti-
tution tierce indépendante aux Pays-Bas alors qu’en
Belgique, cette question est soulevée en interne au sein
de la même organisation. La valeur ajoutée du serment
bancaire réside dans le fait que le consommateur peut
31
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
met name de Tuchtcommissie, die op haar beurt een
onderzoek kan instellen binnen de desbetreffende bank.
De spreker verwijst naar de opmerking van de heer
Verlinden die stelt dat de bankierseed hoofdzakelijk het
lagere en middenkader van de financiële sector treft. De
spreker begrijpt de meerwaarde van de bankierseed
maar wijst erop dat de cultuuromslag in de financiële
sector vooral geviseerd wordt binnen de toplaag van
deze sector. Omwille van deze reden is de spreker
verheugd met het initiatief dat thans in het Verenigd
Koninkrijk werd ontwikkeld, met name de BSB. Een
combinatie van de bankierseed enerzijds, en een orgaan
zoals de BSB anderzijds, lijkt een goede formule te zijn
om binnen deze commissie op door te werken.
Tot slot merkt de spreker op dat het wetsvoorstel in
hoofdzaak een wettelijk kader schept en dat er nog zeer
veel praktische regels en structuren moeten uitgewerkt
worden. Op basis van de uiteenzettingen tijdens deze
vergadering heeft hij reeds heel wat extra informatie
gekregen om het voorliggend wetsvoorstel verder uit
te werken waarbij er een verdieping kan plaatsvinden
gericht om het zelfreinigend vermogen van de financiële
sector, ongeacht het bestuursniveau, te versterken.
Mevrouw Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) stemt in met
de vaststelling van de heer Verlinden met betrekking tot
de alsmaar toenemende administratieve rompslomp in
de nasleep van de financiële crisis die de zelfstandige
financiële tussenpersonen niet veroorzaakt hebben. De
spreekster merkt trouwens op dat eenzelfde geluid te
horen is bij de kleine banken. Zij vraagt zich evenwel af
in welke mate de invoering van een bankierseed voor
de zelfstandige financiële tussenpersonen een boven-
matige administratieve last zou betekenen ten opzichte
van de reeds bestaande administratieve verplichtingen.
Bovendien erkent de spreekster dat de financi-
ele zelfstandige tussenpersonen nog veel meer en
op rechtstreekse wijze met de extra administratieve
lasten geconfronteerd worden dan hun collega’s kan-
toorbedienden die door hun inbedding binnen de grote
bankstructuren meer afgeschermd worden van de vele
administratieve verplichtingen. BZB-Fedafin geeft eigen-
lijk aan dat haar leden reeds in de feiten vanuit de basis-
filosofie van een zelfstandige financiële tussenpersoon
de verplichtingen die voortvloeien uit een bankierseed
toepassen. De spreekster vindt het echter vreemd
dat bankierseed als overbodig of als een bijkomende
last wordt beschouwd. Wat is met andere woorden de
visie van BZB-Fedafin op de veruitwendiging van een
bestaande praktijk? Welke bijkomende administratieve
déposer une plainte auprès d’un tiers, de la Commission
disciplinaire, qui peut à son tour mener une enquête au
sein de la banque concernée.
L’intervenant renvoie à l’observation de M. Verlinden
selon laquelle le serment bancaire concerne principale-
ment le cadre des fonctions inférieures et intermédiaires
du secteur financier. Il comprend la valeur ajoutée du
serment bancaire mais souligne que la mutation cultu-
relle visée dans le secteur financier concerne principale-
ment le niveau supérieur de ce secteur. C’est pourquoi il
se félicite de l’initiative actuellement élaborée par le BSB
au Royaume-Uni. Allier le serment bancaire, d’une part,
et un organisme comme le BSB, d’autre part, semble
constituer une bonne base de travail à approfondir au
sein de cette commission.
Enfin, le membre observe que la proposition de loi
à l’examen crée essentiellement un cadre juridique et
qu’un grand nombre de règles et de structures pratiques
devront encore être élaborées. Au cours des exposés
présentés lors de cette réunion, il a cependant déjà
obtenu de nombreuses informations supplémentaires
qui permettront d’affiner la proposition à l’examen,
laquelle pourrait être approfondie en vue de renforcer
la capacité d’auto-assainissement du secteur financier
indépendamment du niveau des fonctions concernées.
Mme Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) partage le
constat de M. Verlinden concernant la bureaucratie
croissante induite par la crise financière, crise que les
intermédiaires financiers indépendants n’ont pas pro-
voquée. La membre observe d’ailleurs que les petites
banques ne disent pas autre chose. Elle se demande
toutefois dans quelle mesure l’introduction d’un serment
bancaire imposerait une charge administrative exces-
sive aux intermédiaires financiers indépendants par
rapport aux obligations administratives déjà en place.
En outre, l’intervenante reconnaît que les intermé-
diaires financiers indépendants sont confrontés direc-
tement et bien davantage au problème de la charge
administrative supplémentaire que leurs collègues
employés de bureau qui, dès lors qu’ils sont intégrés
dans les grandes structures bancaires, sont plus à
l’abri des nombreuses obligations administratives. BZB-
Fedafin indique, au fond, que ses membres appliquent
déjà, en fait, les obligations découlant du serment
bancaire selon la philosophie de base d’un intermé-
diaire financier indépendant. L’intervenante s’étonne
cependant que le serment bancaire soit jugé superflu ou
considéré comme une charge supplémentaire. Quel est,
en d’autres termes, le point de vue de BZB-Fedafin sur
la manière dont une pratique existante est organisée?
32
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
rompslomp zal een bankierseed überhaupt met zich
meebrengen?
Inzake compliance en de toepassing van de fit and
proper-regels, wil de spreekster graag van de panel-
leden vernemen of de invoering van een bankierseed
een meerwaarde kan betekenen en een gedragscultuur
kan scheppen waarbinnen individuele bankmedewer-
kers actief de professionele integriteit van hun oversten
durven in vraag stellen indien zij wangedrag vertonen.
Met betrekking tot de BSB zoals die ontwikkeld is in
het Verenigd Koninkrijk, vraagt de spreekster zich af of
hier geen sprake kan zijn van een en-enverhaal waarbij
de implementatie van de bankierseed en de creatie van
een soortgelijk orgaan zoals de BSB elkaar versterken
in plaats van elkaar uit te sluiten.
Tot slot wil de spreekster de visie van de panelleden
over de mogelijke versterking van het zelfreinigende
karakter van de bankensector door de invoering van de
bankierseed. De spreekster verwijst hierbij naar het feit
dat 80 % van de klachten die in Nederland behandeld
worden niet door de klanten maar wél door de banken
worden aangebracht bij de tuchtcommissie.
De heer Johan Klaps (N-VA) merkt op dat jaarlijks
enkele bankagenten hun mandaat wordt ontnomen door
de bank waarvoor zij werken. Deze maatregel kan door
de bank getroffen worden omwille van twee redenen,
met name, dat de desbetreffende bankagent niet voldoet
aan de commerciële vereisten verbonden aan de functie
van bankagent of omdat de desbetreffende bankagent
buiten de lijntjes heeft gekleurd. Zijn er heden ten dage
cijfers beschikbaar over de frequentie van deze stop-
zettingen van de samenwerking? In principe kunnen
de betrokken bankagenten niet meer voor een andere
bank aan de slag gaan.
De heer Georges Gilkinet (Ecolo-Groen) drukt de
hoop uit de er een ruime politieke consensus kan
ontstaan ter ondersteuning van dit wetsvoorstel dat de
uitloper is van een aanbeveling die reeds in de Optima-
en Panamacommissie werd aangenomen. De spreker
stelt vast dat de vertegenwoordiger van de zelfstandige
financiële tussenpersonen niet bijster warmloopt voor de
invoering van een bankierseed maar hij hoopt dat het
standpunt nog zal bijgesteld worden. Kan de invoering
van een bankierseed die zich richt op het geheel van
de schakels binnen het bestel van de bankwereld niet
de noodzakelijke verhoging van het vertrouwen van de
burger teweegbrengen?
De spreker beseft dat de oorzaak van de financiële
crisis zich veeleer situeert in de bestuurskamers van de
Quel fardeau administratif supplémentaire le serment
bancaire entraînera-t-il véritablement?
S’agissant de la compliance et des règles de fit and
proper, l’intervenante demande aux membres du panel
si l’instauration d’un serment bancaire peut représenter
une plus-value et créer une culture comportementale
dans laquelle les collaborateurs bancaires individuels
osent activement mettre en cause l’intégrité profession-
nelle de leur hiérarchie si celle-ci présente un compor-
tement inapproprié.
S’agissant de la BSB telle qu’elle est mise en place
au Royaume-Uni, l’intervenante se demande si l’on ne
peut envisager simultanément l’instauration du secret
bancaire et la création d’un organe similaire à la BSB,
lesquels se renforcent plutôt qu’ils s’excluent.
Enfin, l’intervenante demande aux membres du
panel ce qu’ils pensent de l’éventuel renforcement du
caractère “autonettoyant” du secteur bancaire grâce à
l’instauration du serment bancaire. La membre renvoie
à cet égard au fait que 80 % des plaintes traitées aux
Pays-Bas sont déposées devant la commission discipli-
naire non par les clients mais par les banques.
M. Johan Klaps (N-VA) observe que, chaque année,
plusieurs employés de banque sont privés de leurs man-
dats par les banques qui les emploient. Cette mesure
peut être prise par la banque pour deux raisons: parce
que l’employé de banque visé ne satisfait pas aux exi-
gences commerciales de la fonction d’agent bancaire ou
parce que l’agent en question a pris certaines libertés.
Dispose-t-on actuellement de chiffres sur la fréquence
de ces arrêts de coopération? En principe, les employés
de banque concernés ne peuvent plus travailler pour
une autre banque.
M. Georges Gilkinet (Ecolo-Groen) exprime l’espoir
qu’un large consensus politique puisse être atteint en
faveur de cette proposition de loi, proposition qui traduit
une recommandation déjà adoptée par les commis-
sions Optima et Panama. L’intervenant constate que le
représentant des intermédiaires financiers indépendants
n’était pas particulièrement enthousiaste à l’idée d’intro-
duire un serment bancaire mais espère qu’il pourra
changer d’avis. L’introduction d’un serment bancaire
visant tous les maillons du système bancaire ne pour-
rait-elle pas améliorer, comme il se doit, le niveau de
confiance des citoyens dans ce secteur?
L’intervenant est conscient que la cause de la crise
financière réside plutôt dans les salles des conseils
33
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
grote banken maar hij meent dat een responsabilisering
door middel van de bankierseed van alle bankmede-
werkers het noodzakelijke zelfreinigende effect zal
veroorzaken waardoor bankmedewerkers zich gerug-
gesteund zullen voelen om twijfelachtige beslissingen
van het management in vraag te stellen. Hierdoor zal er
een veel adequatere en meer voorzichtige beleidscul-
tuur ontstaan binnen de banksector.
Thans zijn er heel wat banken actief in België die
afhangen van een Nederlandse moedergroep zoals bij-
voorbeeld ING. Hij vraagt zich af of men binnen Febelfin
weet heeft van extra moeilijkheden sinds de invoering
van de bankierseed in Nederland. Hebben Belgische
werknemers die werken voor een Nederlandse moeder-
bank reeds de eed moeten afleggen? Hoe werd deze
eedaflegging onthaald? Heeft deze eedaflegging voor
overdreven administratieve overlast gezorgd en een
hinderpaal gevormd voor het dagelijkse functioneren
binnen de bankinstelling?
De heer Benoît Dispa (cdH) merkt op dat er mis-
schien geen unanimiteit bestaat tussen de verschillende
sprekers over de verschillende aspecten van het voorlig-
gend wetsvoorstel maar hij stelt evenwel een hele sterke
bewustwording vast in hoofde van de mensen actief in
de bankwereld ten aanzien van het nijpende tekort aan
vertrouwen van de burger in de financiële sector. De
nota van Febelfin is op dit gebied uitermate interessant
aangezien deze nota op geen enkele manier de huidige
pijnpunten probeert te verbergen en bijkomende voor-
stellen formuleert om het vertrouwen in de banksector
opnieuw te herstellen.
De spreker meent dat de bankierseed één van de
vele elementen is die kan bijdragen tot een betere
bancaire wereld die het vertrouwen van de burgers kan
heroveren. Hij meent dat de eed een nuttig instrument
kan zijn maar het is geen mirakeloplossing as such.
Het is niet aan de politici om eenzijdig nieuwe initia-
tieven op te leggen. Hij pleit ervoor om in de nabije
toekomst op regelmatige basis af te stemmen met de
vertegenwoordigers van de bankwereld om de interne
reflectieoefening die thans plaatsvindt in de taskforce
van Febelfin mee op te volgen.
Tot slot hoopt de spreker dat er op basis van de ver-
schillende ideeën die tijdens de bespreking aan bod
kwamen een veel breder wetgevend initiatief kan geno-
men worden dan louter de invoering van de bankierseed.
Het is hierbij belangrijk dat het betrokken bankpersoneel
niet het gevoel krijgt om voor de zoveelste keer gepest
te worden met allerhande administratieve formaliteiten
maar net wel vanuit haar vrije wil streeft naar een voor-
beeldige gedragsstandaard. Hij kijkt alvast uit naar een
d’administration des grandes banques mais estime que
la responsabilisation de tous les employés de banque
au travers du serment bancaire aura l’effet d’assainis-
sement nécessaire et aura pour conséquence que les
employés de banque se sentiront soutenus dans la
remise en question des décisions discutables du mana-
gement. Cela créera une culture politique beaucoup plus
adéquate et plus prudente au sein du secteur bancaire.
Il existe aujourd’hui en Belgique de nombreuses
banques qui dépendent d’un groupe néerlandais
comme ING, par exemple. L’intervenant se demande si
Febelfin a connaissance de difficultés supplémentaires
survenues depuis l’introduction du serment bancaire
aux Pays-Bas. Les employés belges qui travaillent pour
une maison mère néerlandaise ont-ils déjà dû prêter
le serment bancaire? Comment cette prestation de
serment a-t-elle été reçue? A-t-elle causé des désagré-
ments administratifs excessifs et entravé le fonctionne-
ment quotidien de l’institution bancaire?
M. Benoît Dispa (cdH) fait observer que les diffé-
rents intervenants ne sont peut-être pas unanimes à
propos des différents aspects de la proposition de loi
à l’examen mais constate cependant une très forte
prise de conscience de la part des acteurs du monde
bancaire à l’égard d’un manque de confiance aigu de
la part du public dans le secteur financier. La note de
Febelfin est extrêmement intéressante à cet égard car
elle ne cherche aucunement à dissimuler les difficultés
actuelles et formule de nouvelles propositions pour
rétablir la confiance dans le secteur bancaire.
L’intervenant estime que le serment bancaire est
l’un des nombreux éléments qui peuvent contribuer à
l’amélioration du secteur bancaire, secteur qui pourrait
ainsi regagner la confiance des citoyens. Il estime que
ce serment peut être un instrument utile mais que ce
n’est pas une panacée. Il n’appartient pas aux respon-
sables politiques d’imposer unilatéralement de nou-
velles initiatives. Il recommande que, dans un proche
avenir, des réunions régulières soient organisées avec
des représentants du monde bancaire pour assurer le
suivi de l’exercice de réflexion interne actuellement en
cours au sein du groupe de travail de Febelfin.
Enfin, l’intervenant espère que, partant des diffé-
rentes idées exprimées au cours de la discussion, une
initiative législative beaucoup plus large que la simple
introduction du serment bancaire pourra être prise. Il
est important, à cet égard, que les employés de banque
concernés ne se sentent pas assaillis pour la énième
fois par toutes sortes de formalités administratives mais
qu’ils s’efforcent, au contraire, d’adopter une norme de
conduite exemplaire de leur propre initiative. Il attend
34
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
nieuwe gedachtewisseling van zodra er nieuwe voorstel-
len zullen geformuleerd worden vanuit de taskforce.
De heer Roel Deseyn (CD&V) stelt vast dat er geen
grote tegenstand is jegens het idee van een bankierseed
waarbij sommige sprekers pleiten om het in te bedden in
een resem begeleidende maatregelen. De spreker stipt
wel het pijnpunt aan van het gebrek en/of afwezigheid
van persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de
verschillende directiecomités van de banken tijdens en
na de financiële crisis. De bankierseed lijkt onvoldoende
antwoord te kunnen bieden aan de noodzaak om bij het
falen van een bank de leidinggevenden aansprakelijk te
kunnen stellen voor eventuele beleidsfouten.
Daarnaast wijst de spreker op het opvallende gebrek
aan fundamentele kennis over de verschillende speci-
fieke beleggingsproducten binnen de directiecomités
van de banken waardoor er in het verleden niet steeds
een adequate inschatting van de risico’s kon gemaakt
worden. Ook op dit punt schiet de loutere invoering van
een bankierseed tekort. Het vertrouwen in de financiële
en bancaire sector zal slechts toenemen wanneer de
publieke opinie overtuigd is van de deskundigheid van
de leidinggevenden en hun directiecomités die aan het
roer van de verschillende banken staan.
De spreker pleit ervoor om de invoering van een
bankierseed uit te breiden naar de verzekeringssector
omdat er ook via dat kanaal gelijkaardige beleggingspro-
ducten aangeboden worden binnen een vergelijkbare
vertrouwensrelatie met de klant.
De spreker merkt op dat er vraagtekens geplaatst
worden bij de impact van een dergelijke bankierseed op
het imago van de financiële sector. Hij wijst erop dat de
ervaringen in Nederland toch wijzen op een mentaliteits-
en gedragsverandering in positieve zin. Bovendien is de
bankierseed een tastbare maatregel die bovenop haar
symbolische waarde een rol van betekenis kan spelen
in het herstel van het vertrouwen in de bancaire wereld.
Tot slot ondersteunt de spreker het idee om het
Engelse model van de BSB verder te verkennen en toe
te passen binnen de huidige structuur van de Belgische
financiële sector.
avec intérêt l’organisation d’un nouvel échange de vues
dès que de nouvelles propositions auront été formulées
par le groupe de travail.
M. Roel Deseyn (CD&V) constate qu’il n’existe pas
de forte opposition à l’idée d’un serment bancaire, étant
entendu que certains orateurs préconisent de l’inté-
grer dans une série de mesures d’accompagnement.
L’intervenant pointe toutefois le problème du manque
et/ou de l’absence de responsabilité personnelle des
membres des différents comités de direction des
banques pendant et après la crise financière. Le serment
bancaire ne semble pas susceptible d’offrir une réponse
suffisante à la nécessité de pouvoir rendre les dirigeants
responsables d’éventuelles erreurs de stratégie en cas
de défaillance d’une banque.
En outre, l’intervenant souligne le manque frappant
de connaissances fondamentales concernant les diffé-
rents produits d’investissement spécifiques au sein des
comités de direction, si bien que les risques n’ont pas
toujours pu être correctement évalués dans le passé.
Sur ce point également, l’introduction pure et simple
d’un serment bancaire est insuffisante. La confiance
dans le secteur bancaire et financier ne se renforcera
que si l’opinion publique est convaincue de l’expertise
des dirigeants et des comités de direction aux com-
mandes des banques.
L’intervenant recommande d’étendre l’introduction
d’un serment bancaire au secteur des assurances, étant
donné que des produits d’investissement similaires sont
également proposés, par le biais de ce canal, dans le
cadre d’une relation de confiance comparable avec le
client.
L’intervenant fait observer que l’on peut s’interroger
sur l’impact de ce serment bancaire sur l’image du sec-
teur financier. Il souligne que les expériences menées
aux Pays-Bas indiquent toutefois un changement positif
de mentalité et de comportement. En outre, le serment
bancaire est une mesure tangible qui, en plus de sa
valeur symbolique, peut jouer un rôle significatif dans le
rétablissement de la confiance dans le monde bancaire.
Enfin, l’intervenant soutient l’idée d’examiner plus
avant le modèle anglais du BSB et de l’appliquer au
sein de la structure actuelle du secteur financier belge.
35
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
III. — ANTWOORDEN EN REPLIEKEN
De heer Albert Verlinden, voorzitter en gedelegeerd
bestuurder van BZB-Fedafin, wenst vooreerst te be-
nadrukken dat BZB-Fedafin niet tegen het idee van
de invoering van een bankierseed gekant is. Hij merkt
echter wel op dat het belangrijk is om een aantal ele-
menten te nuanceren. De ervaring van de bankierseed
is tot op heden bijzonder positief, getuige hiervan de
verklaringen van de Nederlandse sprekers, maar deze
bankierseed is nog maar drie jaar geleden ingevoerd.
Dit is vrij recent en waarschijnlijk is het nog te vroeg om
daarover definitieve conclusies te trekken.
Gedragseconomen hebben gedurende jaren onder-
zoeken gedaan en zij menen dat de effecten van der-
gelijke maatregelen veel minder sterk zijn dan datgene
wat de spreker zopas heeft vernomen. De tuchtzaken
die door de Nederlandse spreker zijn aangehaald zoals
het onrechtmatig bekijken van klantgegevens luidt de
onmiddellijke stopzetting van de activiteit in voor een
zelfstandige bankier. De zelfstandige financiële tus-
senpersonen zijn sowieso onderworpen aan een aantal
gedragsregels vanuit de bank of verzekeringsmaat-
schappij waarvoor zij werken. Vandaar dat de spreker
enig voorbehoud aan de dag legt jegens voorstellen
zoals de invoering van een bankierseed.
De spreker stipt echter wel aan dat BZB-Fedafin be-
reid is om mee te werken aan dergelijke initiatieven maar
dan wel vanuit de eigen inzichten. De spreker meent
dat dergelijke maatregelen niet van buitenaf moeten
opgelegd worden maar door de leden van de organi-
satie zelf moeten gedragen worden. Het is dan ook de
verantwoordelijkheid van de beroepsverenigingen om
dergelijke initiatieven te organiseren en te realiseren.
Met betrekking tot de vraag over de aantallen zelf-
standige bankagenten wiens mandaat ontnomen wordt,
merkt de spreker op dat in sommige gevallen er vanuit
de bank sancties worden genomen tegen de betrok-
ken bankagent. De spreker beschikt niet over concrete
cijfers maar merkt op dat het om een relatief bepekt
aantal gevallen gaat. Het aantal stopzettingen omwille
van dringende redenen zijn zeer beperkt en worden
vaak niet gecommuniceerd aan de beroepsvereniging
omdat er bij dringende redenen geen discussie is over
de beroepsfout van de zelfstandige bankagent die geleid
heeft tot de stopzetting van de samenwerking met de
betrokken bank- of kredietinstelling.
Het scepticisme van de spreker ten aanzien van
de bankierseed situeert zich vooral op de eenzijdige
dimensie van de eed die zich louter richt op de indivi-
duele bankmedewerker. De spreker meent dat er een
III. — RÉPONSES ET RÉPLIQUES
M. Albert Verlinden, président et administrateur délé-
gué de BZB-Fedafin, tient à souligner avant d’aller plus
loin que BZB-Fedafin n’est pas opposé à l’idée d’intro-
duire un serment bancaire. Il observe cependant qu’il
importe de nuancer certains éléments. L’expérience
acquise jusqu’à présent à l’égard du serment bancaire
a été très positive, selon ce qu’indiquent les déclara-
tions des orateurs néerlandais, mais ce serment n’a été
introduit qu’il y a trois ans. C’est assez récent et il est
probablement encore trop tôt pour tirer des conclusions
définitives à ce sujet.
Les économistes du comportement ont mené des
recherches durant de nombreuses années et estiment
que les effets de ces mesures sont beaucoup moins
puissants que ce que le conférencier vient d’entendre.
Les affaires disciplinaires citées par l’orateur néerlan-
dais, par exemple la consultation irrégulière de données
de clients, entraînent la cessation immédiate des acti-
vités d’un banquier indépendant. Les intermédiaires
financiers indépendants sont de toute façon soumis
à des règles de conduite établies par la banque ou la
compagnie d’assurance pour laquelle ils travaillent.
C’est pourquoi l’orateur émet des réserves à propos
des propositions telles que celle visant l’introduction
d’un serment bancaire.
L’orateur souligne cependant que BZB-Fedafin est
prêt à coopérer avec ces initiatives mais sur la base
de ses propres analyses. L’orateur est d’avis que ces
mesures ne devraient pas être imposées de l’extérieur
mais qu’elles devraient être soutenues par les membres
de l’organisation eux-mêmes. Il incombe dès lors aux
associations professionnelles d’organiser et de mettre
en œuvre de telles initiatives.
En ce qui concerne le nombre d’agents bancaires
indépendants dont le mandat a été retiré, l’orateur
observe que, dans certains cas, des sanctions sont
prises par la banque à l’encontre de l’agent bancaire
concerné. L’orateur ne dispose pas de chiffres précis
mais note que le nombre de cas est relativement peu
élevé. Le nombre de fermetures dues à des motifs
impérieux est très limité. Souvent, ces dossiers ne sont
pas communiqués à l’association professionnelle, parce
que les motifs impérieux ne donnent pas matière à dis-
cussion sur la faute professionnelle de l’agent bancaire
indépendant qui a entraîné l’arrêt de sa collaboration
avec la banque ou l’établissement de crédit concerné.
Si l’orateur se montre sceptique à l’égard du serment
bancaire, c’est principalement en raison de la dimension
unilatérale de ce serment, qui concerne uniquement le
collaborateur bancaire à titre individuel. L’orateur estime
36
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
gedragsverandering moet plaatsvinden bij elke mede-
werker van de bank maar vooral op het niveau van de
directies. De financiële tussenpersonen worden thans
gestuurd door directies, met name regiomanagers, of
door haar principaal. De spreker stipt hierbij aan dat
het net de zelfstandigheid van de financiële tussen-
persoon ervoor zorgt dat niet altijd enkel en alleen de
strategie van de bank wordt gevolgd maar dat er ook
in eerste instantie wordt gekeken naar het belang van
de cliënt. De spreker spreekt zich dan ook uit tegen
een bankierseed die zich louter richt op individuele
bankmedewerkers. Een bankierseed moet er komen op
basis van een voorbereidende samenwerking tussen
de beroepsverenigingen waarbij alle segmenten van
de bank betrokken worden.
Tot slot meent de spreker dat de invoering van een
bankierseed geen overdreven administratieve last zal
creëren. Hij herhaalt echter wel dat het idee van een
bankierseed moet gedragen worden door de betrokken
beroepsverenigingen en hun leden.
De heer Karel Van Eetvelt, CEO van Febelfin, haakt
in op de vraag over de Nederlandse grootbank ING
die haar Belgische bankmedewerkers die actief zijn in
Nederland ook verplicht om de eed af te leggen. De
spreker merkt op dat deze verplichting niet tot noemens-
waardige discussies binnen Febelfin aanleiding heeft
gegeven. De CEO van ING België, met name Erik Van
Den Eynden, is onder andere één van de Belgische
ING-medewerkers die deze eed heeft moeten afleggen.
Hij heeft binnen de organen van Febelfin meer toelich-
ting verschaft zowel over de mogelijke vraagtekens die
men bij een bankierseed kan plaatsen alsook over de
toegevoegde waarde.
Daarnaast merkt de spreker op dat de professionele,
persoonlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van
bankmedewerkers opgenomen is in de fit and proper-
regelgeving. De spreker wijst erop dat de persoonlijke
aansprakelijkheid aan de hand van de nieuwe wetgeving
zeer ver gaat met bijvoorbeeld boetes die kunnen oplo-
pen tot 5 miljoen euro. Tot slot benadrukt de spreker dat
de bankensector er anno 2018, door de invoering van
veel striktere regelgeving, helemaal anders voorstaat
dan tijdens de financiële crisis van 2008.
Met betrekking tot het idee om ook de verzekerings-
sector te betrekken bij de invoering van een bankiers-
eed, meent de spreker dat het meer opportuun is om een
initiatief te nemen met de volledige financiële sector dan
met een deel van de financiële sector. Inzake de meer-
waarde van de bankierseed, verwijst de spreker naar
een verandering in het gedrag van individuele bank-
medewerkers maar ook naar een betere perceptie van
qu’un changement de comportement doit intervenir au
niveau de chaque collaborateur bancaire, mais aussi
au niveau des directions. Les intermédiaires financiers
sont actuellement supervisés par des directions, à
savoir des managers régionaux, ou par leurs supérieurs
hiérarchiques. À cet égard, l’orateur précise que c’est
précisément l’indépendance de l’intermédiaire financier
qui lui permet de ne pas toujours suivre exclusivement
la stratégie de la banque, mais de prendre d’abord éga-
lement en compte l’intérêt du client. L’orateur s’oppose
dès lors à l’instauration d’un serment bancaire qui
concernerait uniquement les collaborateurs bancaires
à titre individuel. Le serment bancaire doit être élaboré
dans le cadre d’une concertation préparatoire entre
les associations professionnelles impliquant tous les
segments de la banque.
Enfin, l’orateur estime que l’introduction d’un ser-
ment bancaire n’imposera pas de charge administrative
excessive. Il répète toutefois que l’idée d’un serment
bancaire doit être soutenue par les associations profes-
sionnelles concernées et par leurs membres.
M. Karel Van Eetvelt, CEO de Febelfin, enchaîne sur
la question concernant la grande banque néerlandaise
ING, qui oblige également ses collaborateurs belges offi-
ciant aux Pays-Bas à prêter serment. L’orateur souligne
que cette obligation n’a pas suscité de débats majeurs
au sein de Febelfin. Le CEO d’ING Belgique, à savoir
M. Erik Van Den Eynden, fait partie des collaborateurs
belges d’ING qui ont dû prêter ce serment. Il a fourni
des précisions, au sein des organes de Febelfin, tant
sur les interrogations que soulève le serment bancaire
que sur sa valeur ajoutée.
En outre, l’orateur fait observer que la responsabilité
personnelle, professionnelle et pénale des employés
de banque est inscrite dans la réglementation dite fit
and proper. L’orateur indique que la nouvelle législation
prévoit une responsabilité très étendue, donnant par
exemple lieu à des amendes pouvant atteindre 5 millions
d’euros. Enfin, l’orateur souligne que grâce à l’instau-
ration d’une réglementation beaucoup plus stricte, le
secteur bancaire se trouve en 2018 dans une toute
autre situation que lors de la crise financière de 2008.
Concernant l’idée d’associer également le secteur
des assurances à l’instauration d’un serment bancaire,
l’orateur estime qu’il est plus opportun de prendre une
initiative en y associant l’ensemble du secteur finan-
cier plutôt qu’une partie de ce secteur. Concernant la
plus-value du serment bancaire, l’orateur évoque un
changement de comportement des collaborateurs ban-
caires individuels mais aussi une meilleure perception
37
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
de financiële sector in de samenleving en een stijging
van het vertrouwen van de publieke opinie in de sector.
De bankierseed is echter slechts een zeer klein ele-
ment in het globale opzet om het vertrouwen in de finan-
ciële en bancaire sector te herstellen en te vergroten.
Deze ambitie vereist meer maatregelen dan enkel de
invoering van een bankierseed. De spreker stipt aan dat
de TaskForce die binnen Febelfin werd opgericht haar
werkzaamheden zal afronden in de loop van dit jaar.
Met betrekking tot het voorliggend wetsvoorstel,
meent de spreker dat dit voorstel nog onvoldoende uit-
gewerkt is. Volgens Febelfin slaat het wetsvoorstel een
belangrijke stap over. De bankierseed zal echter niet de
creatie van een Belgische variant van de BSB versnel-
len maar de creatie van een soortgelijk orgaan kan wel
de invoering van een bankierseed bespoedigen als het
laatste stukje van een hele grote puzzel. De spreker
roept dan ook de beleidsmakers op om zich niet louter
op één element te focussen en de overige uitdagingen
en knelpunten onaangeroerd te laten.
Het is belangrijk om de invoering van een BSB bin-
nen de Belgische financiële sector en de verbreding
van het debat mee te nemen in het politieke debat dat
zich over dit wetsvoorstel zal ontspinnen. Hij herhaalt
tevens dat de bankensector een zeer koele minnaar
is van de invoering van een bankierseed as such. De
modale medewerkers binnen de banken percipiëren
een dergelijke maatregel als een persoonlijke aanval.
De belangenverenigingen proberen daarom het debat
open te trekken om die bankierseed een plaats te kun-
nen geven binnen een groter geheel aan maatregelen.
Dat is dan ook de kern van de boodschap van Febelfin:
bekijk de invoering van een bankierseed vanuit een veel
ruimer kader want anders zal de maatregel enkel en
alleen weerstand oproepen.
Tot slot merkt de spreker op dat in Nederland de
Nederlandse Vereniging van Banken zelf om een wet-
gevend initiatief heeft gevraagd zodat er niet op bancair
niveau met de vakbonden moest onderhandeld worden
over hoe een bankierseed zou moeten ingevoerd wor-
den. Het wetgevend initiatief in Nederland diende er
vooral toe om ervoor te zorgen dat iedereen verplicht
was om het in te voeren zonder een voorafgaande
onderhandelingsronde.
Febelfin is vragende partij om werk te maken van een
bankierseed maar de spreker stipt aan dat hij meent, op
basis van de feedback vanuit het terrein, dat het beter
is om een fundamentele gedrags- en cultuurwijziging
na te streven. Om dit doel te bereiken, zullen er echter
du secteur financier au sein de la société et un renfor-
cement de la confiance de l’opinion publique dans le
secteur.
Le serment bancaire n’est toutefois qu’un élément
mineur dans l’ambition globale de restaurer et de ren-
forcer la confiance dans le secteur financier et bancaire.
Cette ambition nécessite d’autres mesures que la simple
instauration d’un serment bancaire. L’orateur indique
que la Task Force créée au sein de Febelfin terminera
ses travaux dans le courant de l’année.
L’orateur estime que la proposition de loi à l’examen
n’est pas encore suffisamment développée. Selon
Febelfin, la proposition de loi saute une étape impor-
tante. Le serment bancaire n’accélérera pas la création
d’une variante belge du BSB, alors que la création de
cet organe pourrait accélérer l’instauration d’un serment
bancaire comme dernière pièce d’un grand puzzle.
L’orateur appelle dès lors les décideurs politiques à ne
pas se focaliser sur un seul élément, en négligeant les
autres défis et problèmes.
Il est important d’examiner également la création
d’un BSB au sein du secteur financier belge et d’élar-
gir la discussion dans le cadre du débat politique que
déclenchera la proposition de loi à l’examen. Il répète
également que le secteur bancaire est très réticent à
l’idée d’instaurer un serment bancaire en tant que tel.
Les collaborateurs modaux au sein des banques per-
çoivent cette mesure comme une attaque personnelle.
Les groupements d’intérêts tentent dès lors d’élargir
le débat afin d’intégrer ce serment bancaire dans un
ensemble plus important de mesures. C’est le cœur
du message de Febelfin: il faut examiner l’instauration
d’un serment bancaire dans un cadre plus large, sinon
la mesure ne fera que susciter de la résistance.
Enfin, l’orateur souligne que l’Union néerlandaise
des banques a elle-même demandé qu’une initiative
législative soit prise aux Pays-Bas, afin d’éviter que les
banques doivent négocier les modalités d’introduction
d’un serment bancaire avec les syndicats. L’initiative
législative néerlandaise visait surtout à prévoir l’obli-
gation, pour chaque banque, d’instaurer le serment
bancaire sans négociation préalable.
Febelbin est favorable à l’introduction d’un serment
bancaire, mais l’orateur estime, sur la base des réac-
tions du terrain, qu’il serait préférable de tendre vers un
changement fondamental de culture et de comporte-
ment. Pour atteindre cet objectif, il conviendra toutefois
38
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
meer maatregelen moeten genomen worden dan louter
de invoering van een bankierseed.
De heer Johan Klaps (N-VA) stelt vast dat er sinds
de financiële crisis reeds heel wat maatregelen geno-
men zijn zoals het fit and proper-mechanisme en de
versterking van de compliance-functie. Deze terreinen
moeten dan ook het voorwerp zijn van de focus van de
beleidsmakers met speciale aandacht voor de directie-
comités. De focus moet echter niet liggen op de indi-
viduele bankmedewerkers die de financiële producten,
die buiten hen om ontwikkeld worden, moeten verkopen.
De spreker stelt zich daarom vragen bij de meerwaarde
van de bankierseed die zich vooral richt op het niveau
van de individuele bankmedewerker.
Bovendien plaatst de spreker voorbehoud bij de
eventuele administratieve overlast die de invoering van
een bankierseed kan veroorzaken. Het Nederlandse
voorbeeld lijkt op dat punt behoorlijk efficiënt maar
de spreker vreest dat de invoering van een dergelijke
bankierseed in België jammer genoeg wel zal gepaard
gaan met veel extra administratieve lasten en de creatie
van complexe organen.
Tot slot verwijst de spreker naar de recente evolu-
ties binnen Febelfin waarbij deze belangenvereniging
volop bezig is met de ontwikkeling van voorstellen om
het vertrouwen in de bankwereld te herstellen door
een reële gedragswijziging te veroorzaken binnen de
financiële sector. Hij hoopt dat de invoering van deze
maatregelen niet lang op zich zal laten wachten en
stelt voor om de verzekeringssector aan de hand van
de belangenvereniging Assuralia te betrekken bij deze
werkzaamheden. De verzekeringsmaatschappijen
bieden ook beleggingsproducten aan en moeten dus
ook betrokken worden bij de ontwikkeling van een re-
gelgevend kader ter versterking van het vertrouwen in
de financiële sector.
Mevrouw Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) is blij om te
horen dat BZB-Fedafin niet tegen de invoering van een
bankierseed is. De spreekster wijst er trouwens op dat
de zelfstandige financiële tussenpersonen niet vallen
binnen de scope van het voorliggend wetsvoorstel. De
scope van het wetsvoorstel kan echter altijd uitgebreid
worden en de heer Verlinden heeft zelf aangegeven
dat hij daar niet volledig afkerig tegenover staat en het
idee verder wil uitwerken in de schoot van de betrokken
belangenverenigingen.
Daarnaast wijst de spreekster erop dat de invoering
van een bankierseed geen symboolpolitiek is. De sanc-
ties die thans in Nederland kunnen getroffen worden
bij ernstige inbreuken kunnen aanleiding geven tot een
de prendre d’autres mesures que la simple introduction
d’un serment bancaire.
M. Johan Klaps (N-VA) constate que de nombreuses
mesures ont déjà été prises depuis la crise financière,
comme le mécanisme dit fit and proper et le renfor-
cement de la fonction de compliance. Ces domaines
doivent dès lors être au centre des préoccupations des
décideurs politiques, avec une attention particulière
pour les comités de direction. Il convient toutefois de
ne pas mettre l’accent sur les collaborateurs bancaires
individuels, chargés de vendre les produits financiers
qui sont développés sans leur concours. L’intervenant
s’interroge dès lors sur la plus-value du serment ban-
caire, qui concerne surtout le niveau du collaborateur
bancaire individuel.
En outre, l’intervenant émet des réserves quant à
l’éventuelle surcharge administrative que peut entraî-
ner l’introduction d’un serment bancaire. L’exemple
néerlandais semble assez efficace sur ce point, mais
l’intervenant craint que l’introduction d’un tel serment
bancaire en Belgique n’induise malheureusement une
lourde surcharge administrative et la création d’organes
complexes.
Enfin, l’intervenant évoque les récentes évolutions
observées au sein du groupement d’intérêts Febelfin,
qui est en train de développer des propositions afin
de restaurer la confiance dans le monde bancaire en
provoquant un véritable changement de comportement
au sein du secteur financier. Il espère que la mise en
œuvre de ces mesures ne prendra pas trop de temps et
propose d’associer à ces travaux le secteur des assu-
rances, par l’intermédiaire du groupement d’intérêts
Assuralia. Les sociétés d’assurances proposent éga-
lement des produits d’investissement et doivent donc
également être associées à l’élaboration d’un cadre
réglementaire visant à renforcer la confiance dans le
secteur financier.
Mme Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) se réjouit que
BZB-Fedafin ne s’oppose pas à l’instauration d’un
serment bancaire. L’intervenante souligne d’ailleurs que
les intermédiaires financiers indépendants ne relèvent
pas du champ d’application de la proposition de loi à
l’examen. Il est toutefois toujours possible d’étendre ce
champ d’application et M. Verlinden a lui-même indiqué
qu’il n’était pas totalement défavorable à cette idée et
qu’il souhaitait continuer à la développer au sein des
groupements d’intérêts concernés.
En outre, l’intervenante fait observer que l’instaura-
tion d’un serment bancaire ne constitue pas une mesure
politique symbolique. Les sanctions qui peuvent actuel-
lement être imposées aux Pays-Bas en cas d’infraction
39
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
beroepsverbod van maar liefst drie jaar. Het afleggen
van de eed gaat immers gepaard met heel wat profes-
sionele verplichtingen en deontologische regels die
afdwingbaar zijn omwille van adequate sancties bij een
eventuele overtreding van het regelgevend kader.
Bovendien stipt de spreekster aan dat het wetsvoor-
stel bewust ruimte laat voor een meer gedetailleerde
invulling op basis van de inbreng van belangenver-
enigingen zoals Febelfin of BZB-Fedafin. De verdere
uitwerking van dit wetsvoorstel kan trouwens gebeuren
aan de hand van een koninklijk besluit en na uitvoerig
overleg met de betrokken sector. Dit wetsvoorstel geeft
een duidelijke opdracht mee aan de betrokken belan-
genverenigingen om hiermee verder aan de slag te
gaan en de modaliteiten van een eventuele invoering
te bepalen.
Daarentegen zal de samenstelling van de tuchtcom-
missie en de verantwoordelijkheid van het bepalen van
de sancties worden toebedeeld aan een onafhankelijk
orgaan dat losstaat van de belangenverenigingen van
de banken. Dit onafhankelijk orgaan zal vooral bestaan
uit personen vanuit de academische wereld en experten
afkomstig uit de financiële sector.
De ambitie van BZB-Fedafin om mee te werken aan
de invoering van een bankierseed overtreft de ambities
van de N-VA-fractie met betrekking tot dit onderwerp.
De spreekster benadrukt dat het idee van de invoering
van een bankierseed reeds werd gestemd in de aanbe-
velingen van de bijzondere commissie Panama Papers
en de onderzoekscommissie naar de oorzaken van het
faillissement van Optimabank en roept haar collega’s
dan ook op om concreet werk te maken van de invoering
van de bankierseed.
De spreekster stipt aan dat in Nederland maar liefst
80 % van de klachten door de banken zelf worden
aangebracht. Dit is bijzonder relevant omdat de bank
het belang van de klant centraal moet stellen en het
maatschappelijk belang moet dienen. De essentie van
deze vaststelling is dat de bankierseed een cultuurom-
slag mogelijk maakt binnen de bankwereld waarbij de
bankmedewerkers zelf aan de alarmbel trekken nog voor
de klant erbij betrokken raakt. De bankierseed heeft
dus met andere woorden een potentieel belangrijke
preventieve werking ten aanzien van laakbaar gedrag
binnen de bankwereld. De spreekster verwijst hierbij
naar de strengere regelgeving inzake compliance die
beter afdwingbaar zal zijn door de creatie van een
onafhankelijk sanctionerend kader waarbij bankmede-
werkers zich gesterkt zullen voelen om wangedrag van
leidinggevende collega’s aan de kaak te stellen.
grave peuvent aboutir à une interdiction professionnelle
de pas moins de trois ans. La prestation de serment
implique en effet le respect de nombreuses obligations
professionnelles et règles déontologiques rendues
contraignantes grâce aux sanctions adéquates prévues
en cas d’infraction éventuelle au cadre réglementaire.
En outre, l’intervenante indique que la proposition
de loi peut délibérément être affinée sur la base de la
contribution de groupements d’intérêts tels que Febelfin
et BZB-Fedafin. Cette proposition de loi peut d’ailleurs
être précisée au moyen d’un arrêté royal, à l’issue d’une
large consultation du secteur concerné. La proposition
de loi à l’examen confie aux groupements d’intérêts
concernés la mission bien définie de poursuivre sa
mise en œuvre et de déterminer les modalités d’une
éventuelle application.
En revanche, la responsabilité de déterminer la com-
position de la commission disciplinaire et de définir les
sanctions est confiée à un organe indépendant, sans
lien avec les groupements d’intérêts des banques. Cet
organe indépendant sera principalement composé de
personnes issues du monde académique et d’experts
issus du secteur financier.
L’ambition de BZB-Fedafin de contribuer à l’instaura-
tion d’un serment bancaire dépasse les ambitions de la
N-VA dans ce même domaine. L’intervenante souligne
que l’idée d’instaurer un serment bancaire a déjà été
adoptée dans le cadre des recommandations de la
commission spéciale “Fraude fiscale internationale/
Panama Papers” et de la commission d’enquête parle-
mentaire chargée d’examiner les causes de la faillite de
la banque Optima et elle appelle dès lors ses collègues
à concrétiser l’instauration du serment bancaire.
L’intervenante fait observer qu’aux Pays-Bas, pas
moins de 80 % des plaintes sont formulées par les
banques mêmes. Il s’agit d’un élément particulière-
ment pertinent, dès lors que la banque doit s’intéresser
par priorité à l’intérêt du client et servir l’intérêt de la
société. On constate ainsi, par essence, que le serment
bancaire permet un changement de culture au sein du
monde bancaire, les collaborateurs bancaires action-
nant eux-mêmes la sonnette d’alarme avant que le
client ne soit impliqué. En d’autres termes, le serment
bancaire a un effet préventif potentiellement important
par rapport au comportement répréhensible au sein du
monde bancaire. L’intervenante renvoie à cet égard à la
réglementation renforcée en matière de compliance, qui
sera plus contraignante grâce à la création d’un cadre
indépendant établissant des sanctions, les collabora-
teurs bancaires se sentant plus soutenus pour dénoncer
le comportement fautif de collègues dirigeants.
40
3650/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
De kritiek dat de bankierseed zich louter richt naar in-
dividuele bankmedewerkers is dan ook onterecht indien
het regelgevend kader van de bankierseed deze indivi-
duele medewerkers de ruimte geeft om foute praktijken
en wangedrag van hogergeplaatste collega’s effectief
aan te kaarten. Vandaar dat de bankierseed een heel
belangrijk element is in de creatie van de broodnodige
cultuuromslag binnen de financiële sector. De initiatie-
ven die thans genomen worden in de schoot van de
betrokken belangenverenigingen, zoals de creatie van
een TaskForce in de schoot van Febelfin, vormen dan
ook een belangrijk aanvulling op de bankierseed en
versterken elkaar in plaats van elkaar uit te sluiten. De
bankierseed kan eveneens een doeltreffende tool zijn
om de weinige rotte appels binnen de bankensector,
die jammer genoeg heel veel imagoschade aanrichten,
preventief aan te pakken.
De spreekster is verheugd dat Febelfin nog dit jaar
haar werkzaamheden in de schoot van de TaskForce
zal voltooien. De invoering van de bankierseed kan dan
deel uitmaken van een groter pakket aan maatregelen
ingebed binnen een globale visie en geruggesteund
door de betrokken sector zelf. De spreekster drukt dan
ook de verwachting uit dat de stemming van de invoe-
ring van een bankierseed aan de hand van een breed
gedragen wetsvoorstel nog in de loop van 2018 kan
plaatsvinden. De spreekster nodigt Febelfin en andere
belangenverenigingen dan ook uit om samen werk te
maken van de verdere, concrete invulling van de invoe-
ring van een bankierseed.
Les critiques selon lesquelles le serment bancaire
viserait uniquement les collaborateurs individuels ne
se justifient dès lors pas si le cadre réglementaire du
serment bancaire offre aux collaborateurs individuels
la possibilité d’aborder effectivement les pratiques et
comportements fautifs de collègues plus haut placés.
Aussi le serment bancaire est-il un élément essentiel
dans le cadre de l’indispensable changement de culture
au sein du secteur financier. Les initiatives actuellement
prises par les associations représentatives concernées,
telles que la création du Task Force sous l’égide de
Febelfin, constituent dès lors un complément important
du serment bancaire et se renforcent mutuellement
plutôt que de s’exclure. Le serment bancaire peut éga-
lement être un instrument efficace pour s’en prendre
préventivement aux rares brebis galeuses au sein du
secteur bancaire, qui ternissent malheureusement très
fortement l’image du secteur.
L’intervenante se réjouit que Febelfin finalise encore
cette année ses travaux au sein de la Task Force.
L’instauration d’un serment bancaire pourra dès lors
faire partie d’un ensemble de mesures s’inscrivant dans
une vision globale et soutenues par le secteur concerné
même. L’intervenante compte donc que l’instauration
d’un serment bancaire pourra encore être votée dans
le courant de 2018 à la faveur d’une proposition de
loi largement soutenue. L’intervenante invite dès lors
Febelfin et les autres organisations représentatives du
secteur à œuvrer ensemble en vue de la concrétisation
de l’instauration d’un serment bancaire.
41
3650/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
BIJLAGE 2
Hoorzitting van 19 februari 2019 met de heer Karel
Van Eetvelt, CEO van Febelfin, en de heer Tom Boedts,
general counsel van Febelfin.
I. — INLEIDENDE UITEENZETTING
De heer Karel Van Eetvelt, CEO van Febelfin, herin-
nert eraan dat hij op de hoorzitting van 19 juni 2018 heeft
aangekondigd dat Febelfin bedenkingen had bij het
wetsvoorstel nr. 2748 dat teveel op Nederlandse leest is
geschoeid. Febelfin heeft toen voorgesteld om zelf een
alternatief uit te werken dat beter past bij de specifieke
kenmerken van de Belgische banksector.
Het vertrekpunt daarbij is dat de financiële sector zelf
proactief maatregelen neemt om een gedragswijziging
tot stand te brengen zodat de integriteit, de ethiek en de
cultuur binnen de sector worden versterkt.
Op basis van een vergelijkende studie van buiten-
landse voorbeelden en een evaluatie van alle voordelen
en nadelen ervan heeft Febelfin een concreet voorstel
uitgewerkt. Daarbij werden een aantal Engelse voor-
beelden onderzocht zoals: Banking Standards Board,
de certificering van bepaalde bankberoepen en de fit &
proper-regeling. Ook de Nederlandse bankierseed werd
onder de loep genomen.
Het voorstel van de bankierseed werd door Febelfin
niet weerhouden omdat het een individuele benade-
ring is die zich richt naar de individuele medewerkers.
Febelfin is voorstander van een collectieve benadering.
Daarenboven is er geen nood aan bijkomende sancties
omdat er de laatste jaren al veel sanctiemogelijkheden
zijn ingevoerd voor bankmedewerkers (administratieve
boetes tot 5 miljoen euro, naming and shaming, klokken-
luidersregeling, …). De bankierseed levert dus weinig
toegevoegde waarde ten opzichte van het bestaand
sanctiearsenaal. Bovendien stemmen de bestaande
bancaire gedragscodes reeds voor 80 % overeen met
het Nederlandse tuchtrecht dat gekoppeld is aan de
bankierseed. Febelfin is ervan overtuigd dat de invoering
van een bankierseed de individuele bankmedewerkers
enkel maar zou stigmatiseren. De maatregel dient erop
gericht te zijn het vertrouwen van de medewerkers
te herstellen zodat ze terug trots kunnen zijn op hun
beroep.
Als alternatief stelt Febelfin voor om een Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector op te richten
ANNEXE 2
Audition du 19 février 2019 de MM. Karel Van Eetvelt,
CEO de Febelfin, et Tom Boedts, general counsel de
Febelfin.
I. — EXPOSÉ INTRODUCTIF
M. Karel Van Eetvelt, CEO de Febelfin, rappelle
que, lors de l’audition du 19 juni 2018, il a annoncé que
Febelfin avait des réserves à propos de la proposition
de loi n° 2748, trop calquée sur le modèle néerlandais.
Febelfin a alors proposé d’élaborer une alternative
correspondant mieux aux caractéristiques spécifiques
du secteur bancaire belge.
Le point de départ était que le secteur financier devait
lui-même prendre des mesures de manière proactive
afin d’induire un changement de comportement de
manière à renforcer l’intégrité, l’éthique et la culture
en son sein.
Sur la base d’une étude comparative d’exemples
étrangers et d’une évaluation de tous leurs avantages
et inconvénients, Febelfin a élaboré une proposition
concrète. Dans ce cadre, une série d’exemples anglais
ont été examinés, comme le Banking Standards Board,
la certification de certains métiers bancaires et le régime
fit & proper. Le serment bancaire néerlandais a égale-
ment été examiné.
La proposition de serment bancaire n’a pas été
retenue par Febelfin car il s’agit d’une solution indivi-
duelle qui vise les collaborateurs individuels alors que
Febelfin est plutôt favorable à une solution collective. En
outre, il n’est pas nécessaire de prévoir des sanctions
supplémentaires car de nombreuses possibilités de
sanctions ont déjà été prévues ces dernières années
pour les collaborateurs bancaires (amendes adminis-
tratives pouvant atteindre 5 millions d’euros, naming
and shaming, réglementation sur les lanceurs d’alerte,
…). Le serment bancaire n’offrirait donc pas beaucoup
de valeur ajoutée par rapport à l’arsenal de sanctions
existant. En outre, les codes de conduite existants
dans le secteur bancaire correspondent déjà à 80 % au
droit disciplinaire néerlandais lié au serment bancaire.
Febelfin est convaincu que l’instauration du serment
bancaire ne fera que stigmatiser les employés des
banques à titre individuel. Or, cette mesure doit viser à
rétablir la confiance des employés afin qu’ils puissent
à nouveau être fiers de leur métier.
À titre d’alternative, Febelfin propose de créer un
Conseil de bonnes pratiques dans le secteur financier
42
3650/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
gebaseerd op het Engelse voorbeeld van de Banking
Standards Board. Het model van de Banking Standards
Board gaat uit van de oprichting van een onafhankelijke
instantie die op periodieke basis het integriteitsbeleid
van de verschillende banken doorlicht en rangschikt.
Op basis van deze doorlichting maakt deze Raad rap-
porten op die de goede praktijken op het vlak van inte-
griteitsbeleid identificeren en promoten. Deze rapporten
zullen worden bezorgd aan de raden van bestuur van
de verschillende banken zodat zij hun integriteitsbeleid
kunnen opvolgen en eventueel bijsturen. Dit zal een
externe druk creëren op de banken om hun integriteits-
beleid voortdurend te versterken. Door de evaluaties te
herhalen, wordt een aanzet gegeven tot een concrete
gedragswijziging.
De heer Tom Boedts, general counsel van Febelfin,
geeft meer uitleg over de werking van de Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector. De werking
van de Raad is volledig gebaseerd op het Engelse
model van de Banking Standards Board dat vertrekt
van periodieke enquêtes bij bankmedewerkers. Deze
enquêtes bevatten 38 vragen die inspelen op het inte-
griteitsbeleid: openheid, eerlijkheid, verantwoordelijk-
heidszin, transparantie,…. Deze enquêtes geven dan
een beeld van hoe de bankmedewerkers denken over
het integriteitsbeleid van hun eigen instelling. Per vraag
wordt voor elke bank een rangschikking opgemaakt. Een
van de vragen handelt bijvoorbeeld over de mate waarin
een bankmedewerker zich geremd voelt om ongepast
gedrag binnen een bank te rapporteren aan een hië-
rarchisch overste. De rangschikking en het individueel
rapport zal worden besproken in de directiecomités en
de raden van bestuur van de verschillende banken die
een opvolgingsplan zullen opstellen. Een speciale rol
daarin is weggelegd voor de onafhankelijke bestuurders
binnen de raad van bestuur die verantwoordelijk zijn
voor de opvolging van het integriteitsbeleid binnen de
financiële instelling. Daarnaast hebben de financiële
toezichthouders, de FSMA, ECB en NBB, rechtstreeks
toegang tot de rapporten en de opvolgingsverslagen.
Daarnaast heeft het model van de Banking Standards
Board ook een collectieve dimensie. De Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector zal een glo-
baal geanonimiseerd rapport opstellen voor de hele
banksector waarin de vaststellingen van de enquêtes
worden opgesomd. Dit globaal rapport zal ook publiek
bekend worden gemaakt. Uit het laatste globaal rapport
van de Banking Standard Board kwam onder meer naar
voor dat er bij verschillende banken een geremdheid
was bij het personeel om ongepast gedrag te melden uit
vrees voor represailles. Het jaarverslag van de Banking
Standard Board bevat een globale score voor de vol-
ledige sector voor elk van de 38 vragen. Het globaal
verslag identificeert de slechte en goede praktijken
à l’exemple anglais du Banking Standards Board. Le
modèle du Banking Standards Board se fonde sur
la création d’un organisme indépendant qui contrôle
et classe périodiquement la politique d’intégrité des
différentes banques. Sur la base de cette évaluation,
le Conseil établit des rapports qui identifient et encou-
ragent les bonnes pratiques en matière de politique
d’intégrité. Ces rapports seront remis aux conseils
d’administration des différentes banques afin que leur
politique d’intégrité puisse faire l’objet d’un suivi et
éventuellement être adaptée. Le Conseil exercera ainsi
une pression externe sur les banques pour qu’elles
renforcent leur politique d’intégrité en permanence. La
répétition des évaluations incite à un changement de
comportement concret.
M. Tom Boedts, general counsel de Febelfin, fournit
davantage d’explications quant au fonctionnement du
Conseil de bonnes pratiques dans le secteur financier.
Celui-ci est entièrement basé sur le modèle anglais
du Banking Standards Board, lui-même fondé sur un
système d’enquêtes périodiques menées auprès des
collaborateurs bancaires. Ces enquêtes comportent 38
questions qui ont trait à la politique d’intégrité: ouverture,
honnêteté, sens des responsabilités, transparence, etc.
Elles révèlent dès lors ce que les banquiers pensent
de la politique d’intégrité de leur propre organisme.
Un classement est établi pour chaque question et pour
chaque banque. L’une des questions par exemle porte
sur la mesure dans laquelle un collaborateur bancaire
hésite à signaler un comportement inapproprié dans
une banque à un supérieur hiérarchique. Le classe-
ment et le rapport individuel seront discutés au sein
des comités de direction et des conseils d’administra-
tion des différentes banques, qui établiront un plan de
suivi. Un rôle particulier est réservé aux administrateurs
indépendants au sein du conseil d’administration qui
sont responsables du suivi de la politique d’intégrité au
sein de l’organisme financier. Par ailleurs, les autorités
de surveillance financière, la FSMA, BCE et BNE, ont
directement accès aux rapports et aux rapports de suivi.
Le modèle du Banking Standards Board revêt en
outre une dimension collective. Le Conseil de bonnes
pratiques dans le secteur financier rédigera un rapport
anonymisé global pour l’ensemble du secteur bancaire
énumérant les constats des enquêtes. Ce rapport global
sera également accessible au public. Le dernier rapport
global publié par le Banking Standards Board a notam-
ment mis en avant une réticence du personnel, dans
les différentes banques, à signaler des comportements
inappropriés par crainte de représailles. Le rapport
annuel du Banking Standard Board comporte un score
global pour l’ensemble du secteur pour chacune des 38
questions. Le rapport global identifie les bonnes et les
mauvaises pratiques et les rend publiques. Les bonnes
43
3650/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
en maakt ze ook publiek. De goede praktijken worden
opgenomen in een reeks aanbevelingen die aanleiding
geven tot een echte gedragswijziging. Na 2 jaar werd
bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk op basis van deze
procedure een daling van 10 % vastgesteld wat betreft
de geremdheid van personeel om ongepast gedrag aan
te klagen. Deze verbetering was dan te wijten aan het
beter bekend maken van beschermingsprocedures en
escalatieprocedures.
De bekendmaking van het globaal rapport zal een
externe maatschappelijke druk creëren op de gehele
banksector om het beleid af te stemmen op de goede
praktijken die de Raad voor Goede Praktijken in de
Financiële Sector heeft geïdentificeerd.
België zou zich met de creatie van een Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector bij de koplo-
pers bevinden. Enkel het Verenigd Koninkrijk heeft der-
gelijke raad reeds opgericht en Ierland is er mee bezig.
Om de onafhankelijkheid te waarborgen, zal de Raad
voor Goede Praktijken in de Financiële Sector worden
opgericht als een aparte juridische entiteit onder de
vorm van een vereniging zonder winstoogmerk die los-
staat van de sector en de toezichthouders. De Raad
zal een raad van bestuur hebben die samengesteld is
uit experten op het vlak van integriteitsbeleid en waarin
onafhankelijke bestuurders de meerderheid uitmaken.
Het toepassingsgebied van de Raad voor Goede
Praktijken in de Financiële Sector zal zich uitstrekken tot
alle financiële instellingen die actief zijn op de Belgische
markt en beperkt zich niet alleen tot banken (dus ook
beursvennootschappen, leasingmaatschappijen, etc).
Voor bepaalde kleine instellingen kunnen eventueel
uitzonderingen worden voorzien.
De Raad voor Goede Praktijken in de Financiële
Sector moet vooral gepercipieerd worden als een klank-
bord voor de sector. Het zal ook meer transparantie
creëren voor burgers en de politieke wereld over het
integriteitsbeleid in de banksector. De spreker benadrukt
dat de Raad geen toezichthouder en ook geen tuchtor-
gaan is, zoals het geval is met de Stichting Tuchtrecht
Banken in Nederland. De Raad voor Goede Praktijken
in de Financiële Sector mag ook niet beschouwd worden
als een ombudsdienst of een belangenorganisatie van
de financiële sector.
Tot slot geeft de heer Karel Van Eetvelt nog een stand
van zaken van de oprichting van de Raad voor Goede
praktijken in de Financiële Sector. Het discussiedocu-
ment daaromtrent wordt momenteel gefinaliseerd door
Febelfin en zal binnen de sector en met de toezicht-
houders (FSMA en NBB) worden afgetoetst. Om het
pratiques sont intégrées dans une série de recomman-
dations qui induisent un véritable changement de com-
portement. Après deux ans, cette procédure a permis de
constater, par exemple au Royaume-Uni, une baisse de
10 % en termes de réticence du personnel à dénoncer
des comportements inappropriés. Cette amélioration
est à mettre sur le compte d’une meilleure publicité des
procédures de protection et d’escalade.
La publication du rapport global va soumettre
l’ensemble du secteur bancaire à une pression sociale
externe afin de mettre la politique en adéquation avec
les bonnes pratiques identifiées par le Conseil de
bonnes pratiques dans le secteur financier.
En créant un Conseil de bonnes pratiques dans le
secteur financier, la Belgique se placerait dans le pelo-
ton de tête. Seul le Royaume-Uni en a déjà créé un,
tandis que l’Irlande s’apprête à le faire.
Pour garantir son indépendance, le Conseil de
bonnes pratiques dans le secteur financier sera une
entité juridique distincte, revêtant la forme d’une asso-
ciation sans but lucratif indépendante du secteur et
des instances de contrôle. Le Conseil sera doté d’un
conseil d’administration composé d’experts en matière
de politique d’intégrité, dans lequel les administrateurs
indépendants seront majoritaires.
Le champ d’application du Conseil de bonnes pra-
tiques dans le secteur financier s’étendra à l’ensemble
des établissements actifs sur le marché belge et ne se
limitera pas seulement aux banques (il concernera donc
également les sociétés de bourse, les sociétés de lea-
sing, etc.). Pour certains établissements de petite taille,
des exceptions pourront éventuellement être prévues.
Le Conseil de bonnes pratiques dans le secteur
financier doit surtout être perçu comme une caisse de
résonance pour le secteur. Il créera également plus de
transparence en direction des citoyens et du monde
politique concernant la politique d’intégrité du secteur
bancaire. L’orateur souligne que le Conseil n’est ni une
autorité de contrôle, ni un organe disciplinaire à l’instar
de la Stichting Tuchtrecht Banken aux Pays-Bas. Le
Conseil ne peut pas non plus être considéré comme
un service de médiation, ni comme une organisation
de défense des intérêts du secteur financier.
Enfin, M. Karel Van Eetvelt fait encore le point sur la
création du Conseil de bonnes pratiques dans le secteur
financier. Le document de réflexion y relatif est en cours
de finalisation par Febelfin et fera l’objet d’un contrôle
au sein du secteur et par les autorités de contrôle (la
FSMA et la BNB). Pour recueillir le soutien nécessaire,
44
3650/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
nodige draagvlak te creëren, zal in het tweede kwartaal
van 2019 een publieke consultatieronde worden geor-
ganiseerd. In de tweede helft van 2019 zal de concrete
uitwerking plaatsvinden.
II. — VRAGEN VAN DE LEDEN
Mevrouw Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) herinnert
eraan dat één van de aanbevelingen van de onderzoeks-
commissie OPTIMA (DOC 54 1938/007) en de bijzon-
dere commissie Panama Papers (DOC 54 2749/001)
was om een bankierseed in te voeren. Zij is dan ook
verbaasd dat Febelfin nu met een alternatief komt op-
draven dat gebaseerd is op het model van het Banking
Standards Board. Het gaat om een model waarbij men
door middel van een rangschikking tracht peer pres-
sure uit te oefenen op elkaar om beter te doen en een
cultuurwijziging tot stand te brengen. Echter begrijpt de
spreekster niet hoe je peer pressure kan krijgen als de
individuele rapporten niet worden bekend gemaakt en
het globaal rapport wordt geanonimiseerd. Hoe zal de
Raad voor Goede Praktijken in de Financiële Sector de
banken die niet willen meewerken in de praktijk aan-
spreken? De Raad beschikt namelijk over geen enkel
instrument om een gedragswijziging af te dwingen.
Het feit dat toezichthouders toegang hebben tot de
rapporten zal volgens de spreekster niet veel zoden aan
de dijk brengen. Tijdens de bankencrisis is gebleken
dat toezichthouders geen rapporten opvragen tenzij er
externe signalen komen dat er zich bij een bepaalde
bank een probleem stelt.
Mevrouw Almaci betwijfelt of de een geanonimiseerd
globaal rapport zal volstaan om voldoende externe druk
op de banken zal leggen. Zij wijst erop dat de bankier-
seed juist is bedacht omdat er tijdens de bankencrisis
is gebleken dat er te weinig externe druk op de banken
was om een gedragswijziging tot stand te brengen. Zij
is ervan overtuigd dat de Raad voor Goede Praktijken
in de Financiële Sector niet zal volstaan bij gebrek aan
sanctiemogelijkheden. Hoe kan Febelfin garanderen
dat de Raad voor Goede Praktijken in de Financiële
Sector kan ingrijpen als het bij een bepaald bank grondig
misloopt? De spreekster pleit er dan ook voor om de
bankierseed te behouden omdat een individueel enga-
gement van het bankpersoneel nodig blijft om echt een
gedragswijziging te kunnen bewerkstelligen.
Tot slot geeft de spreekster aan dat het wel positief
is dat het toepassingsgebied van de Raad voor Goede
Praktijken in de Financiële Sector wordt uitgebreid tot
de hele financiële sector in brede zin.
un cycle de consultation publique sera organisé durant
le deuxième trimestre de 2019, tandis que la mise en
œuvre concrète interviendra durant la seconde moitié
de 2019.
II. — QUESTIONS DES MEMBRES
Mme Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) rappelle
que l’une des recommandations de la commission
d’enquête OPTIMA (DOC 54 1938/007) et de la com-
mission spéciale Panama Papers (DOC 54 2749/001)
consistait à instaurer un serment pour les banquiers.
L’intervenante s’étonne dès lors que Febelfin débarque
aujourd’hui avec une alternative basée sur le modèle
proposé par le Banking Standards Board. Il s’agit d’un
modèle où l’on tente, par le biais d’un classement,
d’exercer une pression des pairs afin de mieux faire
et de réaliser un changement culturel. Pour autant,
l’intervenante ne comprend pas comment obtenir cette
pression des pairs si les rapports individuels ne sont pas
publiés et si le rapport global est anonymisé. Comment
le Conseil de bonnes pratiques dans le secteur financier
va-t-il interpeller, en pratique, les banques qui ne veulent
pas coopérer? Le Conseil ne dispose en effet d’aucun
instrument lui permettant d’imposer un changement de
comportement.
Le fait que les organes de contrôle aient accès aux
rapports ne va pas faire avancer les choses, selon l’in-
tervenante. La crise bancaire a montré que les organes
de contrôle ne réclament pas de rapports, sauf lorsque
des signaux externes indiquent qu’un problème se pose
au sein d’une banque spécifique.
Mme Almaci doute qu’un rapport global anonymisé
suffise à exercer une pression externe suffisante sur
les banques. Elle souligne que le serment bancaire a
précisément été imaginé parce qu’il est apparu, durant la
crise bancaire, que la pression externe sur les banques
ne suffisait pas à entraîner un changement de compor-
tement. Elle est convaincue que le Conseil de bonnes
pratiques dans le secteur financier ne suffira pas, faute
de possibilités de sanctions. Comment Febelfin peut-
elle garantir que le Conseil de bonnes pratiques dans
le secteur financier sera capable d’intervenir en cas
de dérapage grave au sein d’une certaine banque?
L’intervenante plaide par conséquent en faveur du main-
tien du serment bancaire, étant donné qu’un engage-
ment personnel du personnel bancaire reste nécessaire
pour induire un réel changement de comportement.
Enfin, l’intervenante se réjouit que le champ d’appli-
cation du Conseil de bonnes pratiques dans le secteur
financier soit étendu à l’ensemble du secteur financier
au sens large.
45
3650/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
III. — ANTWOORDEN EN REPLIEKEN
De heer Karel Van Eetvelt, CEO van Febelfin,
benadrukt dat de Raad voor Goede Praktijken in de
Financiële Sector wel degelijk “tanden” heeft. Deze
Raad bestaat op dit ogenblik nog niet en is dus een
nieuw element waardoor het in se een verschil betekent
met het verleden. Daarnaast zijn er twee elementen
verbonden aan deze Raad die “tanden” bevatten met
name de aansprakelijkheid en de rol van de raad van
bestuur. De spreker verzoekt de commissieleden om
met de huidige bestuurders van banken te praten over
hun rol en hun aansprakelijkheid die ze hebben en aan
hen te vragen of de bepalingen inzake de Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector wel degelijk zo
vrijblijvend zijn. Hij vermoedt dat het antwoord daarop
neen zal zijn.
De rol van de toezichthouder is bijzonder helder en
duidelijk. De toezichthouder heeft een rol te spelen
aangezien hij toegang heeft tot de rapporten en de op-
volgingsverslagen van de Raad voor Goede Praktijken
in de Financiële Sector. De toezichthouder zal deze
documenten ook opvragen. De toezichthouder zal op
basis van de rangschikkingen de banken gaan bevra-
gen en onder druk zetten om een gedragswijziging te
initiëren. Dus die “tanden” zijn wel degelijk aanwezig in
de voorgestelde regeling.
Het parlement heeft de voorbije jaren vooral gewerkt
aan bijkomende sancties en straffen die zeer verregaand
zijn. De spreker benadrukt dat de huidige regelgeving
volstaat. Inzetten op nog meer wetgevende initiatieven
die straffen en sanctioneren zal niet leiden tot meer
integriteit binnen de financiële sector. Indien men van-
daag vaststelt dat er nog steeds zaken fout lopen in
de sector dan vormt dat het bewijs dat wetgeving die
louter bestraft, niet werkt. Hij pleit er dan ook voor om
er een andere dimensie aan toe te voegen zodat er wél
een gedragsverandering kan plaatsvinden binnen de
financiële sector.
Tot slot vraagt de spreker zich af welke tanden men
eigenlijk wil? Indien men opteert voor blaming en sha-
ming dan zet men eigenlijk de aanval in op de bancaire
medewerkers. Deze bancaire medewerkers, inclusief
de directieleden, hebben de sector uit de rampspoed
van de financiële crisis van 2008 gehaald. Het is bij-
zonder ongepast en contraproductief om de bancaire
medewerkers aan te vallen met een regeling zoals de
bankierseed die eigenlijk overbodig is omdat er reeds
heel veel regelgeving ter zake bestaat.
Mevrouw Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) vindt het
stuitend dat de financiële sector elke poging tot de
III. — RÉPONSES ET RÉPLIQUES
M. Karel Van Eetvelt, CEO de Febelfin, souligne que
le Conseil de bonnes pratiques dans le secteur financier
est bel et bien “armé”. Pour l’heure, ce conseil n’existe
pas encore et il constitue donc un nouveau facteur qui
constitue, comme tel, une différence avec le passé. Il
existe par ailleurs deux éléments, liés à ce conseil, qui
sont des “armes”, à savoir la responsabilité et le rôle du
conseil d’administration. L’orateur invite les membres
de la commission à discuter, avec les administrateurs
actuels des banques, de leur rôle et des responsabilités
qu’ils assument, et à leur demander si les dispositions
relatives au Conseil de bonnes pratiques dans le secteur
financier sont vraiment aussi facultatives qu’on le dit. Il
présume que leur réponse sera négative.
L’autorité de contrôle a un rôle particulièrement clair
à jouer, étant donné qu’elle a accès aux rapports et aux
rapports de suivi du Conseil de bonnes pratiques dans
le secteur financier. Elle pourra en outre réclamer ces
documents. En fonction de leur classement, l’autorité
de contrôle interrogera les banques et exercera une
pression pour initier un changement de comportement.
Ces “armes” sont donc bel et bien présentes dans la
réglementation proposée.
Au cours des dernières années, le parlement s’est
principalement attelé à l’élaboration de sanctions et
de peines complémentaires très radicales. L’orateur
souligne que la réglementation actuelle est suffisante.
Miser sur davantage d’initiatives visant à punir et
sanctionner n’augmentera pas l’intégrité au sein du
secteur financier. Si l’on constate encore aujourd’hui
certains dysfonctionnements dans le secteur, c’est la
preuve qu’une législation purement punitive n’est pas
efficace. Il recommande dès lors d’y ajouter une autre
dimension afin qu’un changement de comportement
puisse réellement se produire dans le secteur financier.
Enfin, l’orateur s’interroge sur les armes que l’on
souhaite. Opter pour le principe de blaming and sha-
ming revient en fait à s’en prendre aux collaborateurs
bancaires. Ces collaborateurs bancaires, y compris les
membres des directions, ont sorti le secteur du désastre
de la crise financière de 2008. Il est particulièrement
inconvenant et contreproductif de s’en prendre aux col-
laborateurs bancaires en imposant une réglementation
telle que le serment bancaire, qui est en fait superflu,
compte tenu des nombreuses règles qui existent déjà
en la matière.
Mme Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) trouve cho-
quant que le secteur financier conçoive toute tentative
46
3650/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
invoering van een bankierseed concipieert als naming
and shaming. Die naming en shaming heeft de finan-
ciële sector in de afwikkeling van de financiële crisis
van 2008, omwille van een aantal schandalen, aan
zichzelf te danken. Dat is inderdaad niet de schuld van
de volledige sector. De spreekster heeft er de afgelopen
jaren in haar talloze tussenkomsten met betrekking tot
de financiële sector steevast op gelet om niet te veral-
gemenen en niet alle bankmedewerkers over dezelfde
kam te scheren.
Zij benadrukt dat niemand de bedoeling heeft om na
de bankencrisis tot in de treure met de vinger te blijven
wijzen naar de financiële sector om op die manier deze
sector te blijven geselen. Zij merkt op dat zij dezelfde
bekommernis deelt en betreurt het dan ook dat net dit
argument wordt aangehaald om de invoering van een
bankierseed niet te steunen. Bovendien getuigt het
van weinig respect ten aanzien van het parlementaire
werk aangezien de invoering van een bankierseed
opgenomen stond in de lijst van aanbevelingen van
zowel de bijzondere commissie Panama Papers en de
onderzoekscommissie Optima.
De spreekster heeft in de nasleep van de financiële
crisis van 2008 vastgesteld dat er een gebrek aan ver-
antwoordelijkheidszin was bij de directieleden van de
banken die “too big to fail” waren. Het waren net de
lagere bankbedienden die toen in de frontlinie hebben
gestaan gezien het rechtstreekse contact met de klant.
Vandaar dat het bijzonder belangrijk is om de notie
“trots” opnieuw in de banksector te integreren en dan
vooral bij die modale bankmedewerkers. De invoering
van een bankierseed zal daartoe bijdragen. Bovendien
wijst onderzoek uit Nederland erop dat heel veel klach-
ten door de banken zelf worden aangebracht. Alhoewel
dit voor sommigen een reden is om de de bankierseed
tegen te houden, wijst dit element er vooral op dat er
binnen de banken voldoende zelfvertrouwen is bij de
medewerkers om de discussie over deontologie aan
te gaan. Het zelfreinigende aspect van de bankierseed
kan en mag niet onderschat worden.
Zij benadrukt dat zij zich niet verzet tegen de invoering
van een BSB maar op voorwaarde dat het bovenop de
bankierseed komt. Beide concepten kunnen perfect
naast elkaar bestaan en elkaar versterken. De bankier-
seed, samen met de ontwikkeling van een BSB, kan het
zelfreinigend vermogen van de sector versterken én kan
het vertrouwen bij de burgers in de straat terugwinnen.
De spreekster gelooft echter niet dat het negatieve beeld
dat thans bestaat over de financiële sector kan bijgesteld
d’instauration d’un serment bancaire comme une pra-
tique de naming and shaming. C’est à lui-même que le
secteur bancaire doit cette pratique de naming and sha-
ming dans le cadre du règlement de la crise financière
de 2008, en raison d’un certain nombre de scandales.
Ce n’est effectivement pas la faute de l’ensemble du
secteur. Au cours des dernières années, lors de ses
innombrables interventions relatives au secteur finan-
cier, l’intervenante a systématiquement veillé à ne pas
généraliser et à ne pas mettre tous les collaborateurs
bancaires dans le même sac.
Elle souligne que personne n’a l’intention d’incriminer
sans fin le secteur financier après la crise bancaire afin
de continuer ainsi à stigmatiser ce secteur. Faisant ob-
server qu’elle partage cette préoccupation, elle regrette
dès lors que c’est précisément l’argument avancé pour
ne pas soutenir l’instauration d’un serment bancaire.
En outre, cela témoigne de peu de respect par rapport
au travail parlementaire, étant donné que l’instauration
d’un serment bancaire figurait dans la liste des recom-
mandations formulées tant par la commission Panama
Papers que par la commission d’enquête Optima.
Au lendemain de la crise financière de 2008, l’interve-
nante a relevé un manque de sens des responsabilités
chez les dirigeants des banques “too big to fail”. Ce
sont précisément les employés de banque, au bas de
la hiérarchie, qui ont été aux avant-postes, en raison de
leurs contacts directs avec les clients. C’est pourquoi
il est particulièrement important de réinjecter la notion
de “fierté” dans le secteur bancaire, surtout auprès
des employés de banque ordinaires. L’instauration
d’un serment bancaire y contribuera. Par ailleurs, des
recherches menées aux Pays-Bas montrent que de
très nombreuses plaintes émanent de l’intérieur même
des banques. Si certains pourront y voir une raison de
s’opposer au serment bancaire, cet élément indique
surtout qu’il existe au sein du personnel des banques
une confiance suffisante pour prendre l’initiative d’enga-
ger la discussion sur des questions de déontologie.
L’aspect “autonettoyant” du serment bancaire ne peut
être sous-estimé.
Mme Almaci souligne qu’elle ne s’oppose pas à la
création d’un Banking Standards Board (BSB), à condi-
tion qu’un tel organe vienne en complément du serment
bancaire. Les deux concepts peuvent parfaitement se
côtoyer et se renforcer l’un l’autre. Ensemble, le ser-
ment bancaire et la mise en place d’un BSB peuvent
renforcer la capacité du secteur à s’assainir lui-même
et permettre de regagner la confiance des citoyens
ordinaires. L’intervenante ne croit pas, en revanche,
47
3650/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
worden aan de hand van anonieme rapporten waartoe
alleen de toezichthouder toegang heeft.
Bovendien is de ontwikkeling van een BSB onvol-
doende en mag dit concept niet gebruikt worden als een
vehikel om het debat over hoe het algemene vertrouwen
in de sector kan hersteld worden, inclusief het herstel
van de trots van de individuele financiële dienstverle-
ners, in de kiem te smoren. De bankierseed zal trouwens
niet enkel door de modale bankmedewerkers maar ook
door de directieleden moeten worden afgelegd. Dankzij
deze eed zal de modale bankmedewerker zich gesterkt
voelen om deontologisch laakbare praktijken binnen de
bank aan te kaarten. Het voorstel van de invoering van
de Raad voor Goede Praktijken Financiële Sector schiet
ook hierop tekort. Het voorstel is een stap vooruit maar
heeft evenwel onvoldoende “tanden” om structurele
wijzigingen aan te brengen en hangt bovendien teveel
af van peer pressure.
Tot slot begrijpt de spreekster ook niet waarom het
werk van de toezichthouder bemoeilijkt wordt door de
invoering van een geanonimiseerde lijst waarbij de
toezichthouder enkel een bank op individueel niveau
kan vergelijken. Zij had gehoopt dat de vele voordelen
verbonden aan de bankierseed die in Nederland sinds
haar invoering worden vastgesteld, zoals het versterken
van de trots van de bankmedewerker en het ontwikkelen
van een cultuur van zelfkritiek binnen de sector, zouden
meegenomen worden in de ontwikkeling van een verge-
lijkbaar initiatief in België. Zij is het dan ook fundamen-
teel oneens met de wijze waarop de financiële sector
aan de hand van de invoering van de Raad voor Goede
Praktijken in de Financiële Sector de bankierseed van
tafel wil vegen. Beide initiatieven zijn waardevol en kun-
nen perfect naast elkaar bestaan en elkaar versterken.
Bovendien is het voorstel tot invoering van de Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector als een BSB
veel te vrijblijvend ondanks de tevredenheid ten aanzien
van de ruime scope van dit orgaan.
Het voorstel tot invoering van de Raad voor Goede
Praktijken in de Financiële Sector is echter geen af-
doend antwoord op de vele vragen die aanleiding heb-
ben gegeven tot de ontwikkeling van een bankierseed.
Het is een zeer relevante aanvulling waarvan zij hoopt
dat het voorstel nog verder wordt aangescherpt. De
spreekster meent echter dat beide concepten zowel de
Raad voor Goede Praktijken Financiële Sector als de
bankierseed effectief tegemoetkomen aan de bekom-
mernissen die vanuit de bijzondere commissie Panama
en de onderzoekscommissie Optima naar voren zijn
qu’il pourra être remédié à l’image négative actuelle
du secteur financier par le biais de rapports anonymes
auxquels seule l’organe de contrôle a accès.
L’intervenante estime par ailleurs que la mise en
place d’un BSB est insuffisante et qu’il faut éviter que
ce concept soit utilisé comme un moyen d’étouffer
dans l’œuf la discussion sur les moyens de restaurer
globalement la confiance dans le secteur, y compris
la restauration de la fierté des prestataires individuels
de services financiers. D’ailleurs, le serment bancaire
devra être prêté non seulement pas les employés de
banque ordinaires, mais aussi par les membres de
la direction. Grâce à ce serment, le simple employé
de banque se sentira plus fort pour, le cas échéant,
dénoncer certaines pratiques déloyales sur le plan
déontologique au sein de la banque. La proposition
visant à créer un Conseil de bonnes pratiques dans le
secteur financier est également insuffisante à cet égard.
Ce serait certes un pas dans la bonne direction, mais un
tel organe n’aurait pas le poids nécessaire pour induire
des changements structurels, outre le fait que trop
dépendrait, dans ce scénario, de la pression des pairs.
Enfin, l’intervenante ne comprend pas non plus pour-
quoi le travail des autorités de contrôle est compliqué
par l’instauration d’une liste anonymisée, qui leur permet
uniquement de comparer une banque au niveau indivi-
duel. Elle avait espéré que les nombreux avantages liés
au serment bancaire qui ont été constatés aux Pays-Bas
depuis son instauration, comme le renforcement de la
fierté du collaborateur bancaire et le développement
d’une culture de l’autocritique dans le secteur, soient
pris en compte lors du développement d’une initiative
comparable en Belgique. Elle n’apprécie donc absolu-
ment pas la manière dont le secteur financier essaie
de balayer la proposition relative au serment bancaire
en instaurant le Conseil de bonnes pratiques dans le
secteur financier. Les deux initiatives sont valables et
peuvent parfaitement coexister et se renforcer mutuelle-
ment. En outre, la proposition d’instauration du Conseil
de bonnes pratiques dans le secteur financier en tant
que BSB est beaucoup trop peu contraignante, malgré
la satisfaction qu’apporte la large portée de cet organe.
La proposition d’instauration du Conseil de bonnes
pratiques dans le secteur financier n’offre cependant
pas une réponse suffisante aux nombreuses questions
qui ont donné lieu au développement d’un serment
bancaire. Il s’agit d’un complément très pertinent et
elle espère que la proposition y afférent sera encore
améliorée. L’intervenante estime cependant que les
deux concepts, tant le Conseil de bonnes pratiques
dans le secteur financier que le serment bancaire,
répondent effectivement aux préoccupations formulées
par la commission spéciale Panama et la commission
48
3650/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
gebracht. Zij drukt dan ook de hoop uit dat haar colle-
ga-commissieleden zich hier ook bij aansluiten en de
aanbevelingen van deze commissies nog eens onder de
loep nemen alsook de veelbelovende resultaten van de
invoering van de bankierseed in Nederland waarbij op
het vlak van beleidscultuur, deontologie en beroepstrots,
enorme stappen vooruit werden gezet.
De heer Peter Vanvelthoven (sp.a) stelt vast dat de
reactie van financiële sector opvallende gelijkenissen
vertoont met de reactie van de voetbalwereld toen zij
geconfronteerd werd met het misbruik van de makelaars
en de praktijken van match-fixing of de reactie van de
gokwereld ten aanzien van de pogingen om de toegang
tot gokken te bemoeilijken. Al deze sectoren willen zelf
hun zaakjes regelen zonder tussenkomst van buitenaf
met de duidelijke intentie om de wetgever op afstand
te houden.
Daarnaast vraagt de spreker zich af waarom het zo-
lang geduurd heeft. De aanbevelingen van de bijzondere
commissie Panama Papers en de onderzoekscommis-
sie OPTIMA zijn ondertussen reeds bijna 2 jaar oud. Hij
vraagt zich af in welke mate dit initiatief oprecht is en
niet louter een reactie is op het wetsvoorstel dat thans
op tafel ligt. Spruit dit initiatief voort uit een oprechte
bekommernis voor een aantal wantoestanden binnen
de financiële sector of is dit voorstel het product van
angst ten aanzien van een bepaald wetgevend initiatief?
Tot slot wil de spreker graag vernemen of de
Belgische financiële sector bereid is om mee te wer-
ken aan de invoering van deze Raad voor Goede
Praktijken in Financiële Sector. Heeft Febelfin reeds
een interne bevraging georganiseerd? Kan Febelfin
aangeven in welke mate haar plannen gesteund
worden door de spelers van de financiële sector?
De heer Eric Van Rompuy (CD&V) merkt op dat de
hoorzitting in het kader van de invoering van de ban-
kierseed heeft plaatsgevonden op dinsdag 19 juni 2018.
De spreker is het niet eens met de heer Vanvelthoven
aangezien Febelfin een dik half jaar na de hoorzitting
haar plannen nu reeds toelicht in het kader van deze
vergadering.
De heer Benoît Dispa (cdH) wil graag van de spre-
kers vernemen waarom het principe van bankierseed
zoveel weerstand opwekt. Het voorstel tot invoering van
de Raad voor Goede Praktijken in de Financiële Sector
beschouwt hij als een vorm van zelfregulering vanuit de
sector. Hij juicht dit initiatief toe en hij twijfelt niet aan
de oprechte bewustwording binnen de financiële sector
teneinde hun aangetaste blazoen op te poetsen.
d’enquête Optima. Elle espère dès lors que ses col-
lègues membres de la commission se rallieront à son
point de vue et examineront une nouvelle fois les recom-
mandations de ces commissions ainsi que les résultats
prometteurs de l’instauration du serment bancaire aux
Pays-Bas, qui a permis de réaliser d’énormes avancées
sur le plan de la culture politique, de la déontologie et
de la fierté professionnelle.
M. Peter Vanvelthoven (sp.a) constate que la réaction
du secteur financier présente des similitudes frappantes
avec la réaction du monde footballistique quand il a
été confronté aux abus des agents et aux pratiques de
matchs truqués ou avec la réaction du monde des paris
aux tentatives de rendre l’accès aux jeux de hasard
moins facile. Tous ces secteurs souhaitent régler eux-
mêmes leurs affaires sans intervention de l’extérieur,
avec l’intention claire de tenir le législateur à distance.
Par ailleurs, l’intervenant se demande pourquoi les
choses ont pris tellement de temps. Les recommanda-
tions de la commission spéciale Panama Papers et de
la commission d’enquête OPTIMA ont été adoptées il y
a près de deux ans. Il se demande dans quelle mesure
cette initiative est sincère et si elle ne constitue pas sim-
plement une réaction à la proposition de loi à l’examen.
Cette initiative se base-t-elle sur une préoccupation sin-
cère à l’égard de situations intolérables dans le secteur
financier, ou cette proposition est-elle le produit de la
crainte d’une initiative législative particulière?
Enfin, l’intervenant souhaiterait savoir si le secteur
financier belge est disposé à coopérer à l’instauration
de ce Conseil de bonnes pratiques dans le secteur finan-
cier. Febelfin a-t-elle déjà organisé une enquête interne?
Febelfin peut-elle indiquer dans quelle mesure ses plans
sont soutenus par les acteurs du secteur financier?
M. Eric Van Rompuy (CD&V) fait observer que
l’audition relative à l’instauration du serment bancaire
a eu lieu le mardi 19 juin 2018. L’intervenant n’est pas
d’accord avec M. Vanvelthoven car Febelfin expose déjà
ses plans dans le cadre de cette réunion un peu plus
de six mois après l’audition.
M. Benoît Dispa (cdH) demande aux orateurs pour-
quoi le principe du serment bancaire est l’objet de tant
de résistance. Il considère la proposition d’instaurer un
Conseil de bonnes pratiques dans le secteur financier
comme une forme d’autorégulation du secteur. Il se
réjouit de cette initiative et ne doute pas de la sincérité
de la prise de conscience au sein du secteur financier,
qui souhaite redorer son blason.
49
3650/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Desalniettemin meent hij dat het voorstel van Febelfin
bijzonder ver verwijderd staat van het principe van de
bankierseed. Dit principe heeft volgens de spreker meer
symbolische waarde en is een instrument dat wel in
staat zal zijn om het vertrouwen in de financiële sector
te herstellen. Bovendien zal dit principe niet enkel heil-
zaam zijn ten aanzien van de gebruikers/cliënten van de
financiële sector maar ook voor alle bankmedewerkers,
ongeacht hun rang of stand.
De heer Karel Van Eetvelt, CEO van Febelfin, merkt
op dat er binnen de Belgische financiële sector eind
2017 een denkoefening werd opgestart op basis van
de vaststelling dat het vertrouwen in de sector zich op
een dieptepunt bevond. Er werd toen vastgesteld dat er
een duidelijke nood was om bijkomende initiatieven te
nemen boven op de bestaande initiatieven. De financiële
sector heeft dus eventuele parlementaire initiatieven niet
afgewacht om zelf stappen te zetten. Het klopt echter
wel dat wetgevende initiatieven voor een versnelling
zorgen in het ontwikkelingsproces en zij verhogen de
druk binnen de financiële sector om concrete maatre-
gelen te nemen.
Daarnaast wijst de spreker erop dat er reeds een
individuele gedragscode bestaat. De gedragscode die
verbonden is aan de bankierseed in Nederland verschilt
bijzonder weinig van de reeds bestaande gedragscode
binnen de Belgische financiële sector. Vandaar dat de
spreker meent dat de invoering van de bankierseed
niet meer is dan nog eens een extra, symbolische laag
bovenop de reeds bestaande regels en gedragscode.
Bijgevolg is de toegevoegde waarde van de bankierseed
eerder beperkt.
De financiële sector is vervolgens op zoek gegaan
naar een concept dat een veel grotere toegevoegde
waarde heeft en heeft geopteerd voor de invoering
van de Belgische variant van een BSB met name de
Raad voor Goede Praktijken in de Financiële Sector.
Het wetsvoorstel van mevrouw Almaci tot invoering
van een bankierseed bevat trouwens de uitnodiging ten
aanzien van de financiële sector om zelf een vorm van
autoregulering te ontwikkelen.
Hij benadrukt dat de extra reglementering die er in de
nasleep van de financiële crisis van 2008 ontwikkeld is
een bijzonder indrukwekkend arsenaal aan regels be-
vat. Thans heeft de sector geen nood aan bijkomende
regels.
Met betrekking tot de weerstand binnen de financiële
sector ten aanzien van de invoering van de bankierseed,
merkt de spreker op dat er binnen deze sector helemaal
geen draagvlak bestaat om deze symbolische daad toe
te voegen aan de bestaande reglementering inzake
Néanmoins, il estime que la proposition de Febelfin
est particulièrement éloignée du principe du serment
bancaire. Selon l’intervenant, ce principe a davantage
de valeur symbolique et constitue un instrument qui sera
bel et bien en mesure de rétablir la confiance dans le
secteur financier. En outre, ce principe ne sera pas seu-
lement bénéfique pour les utilisateurs/clients du secteur
financier, mais aussi pour tous les collaborateurs ban-
caires, indépendamment de leur rang ou de leur statut.
M. Karel Van Eetvelt, directeur général de Febelfin,
souligne qu’après avoir constaté que la confiance à son
égard était au plus bas, le secteur financier belge a initié
une réflexion à la fin de l’année 2017. À l’époque, le
secteur avait constaté qu’il était clairement nécessaire
de prendre des initiatives supplémentaires en plus des
initiatives existantes. Le secteur financier n’a donc pas
attendu la prise d’éventuelles initiatives parlementaires
pour agir. Il est toutefois exact que les initiatives législa-
tives accélèrent le processus et accroissent la pression
qui pèse sur le secteur financier pour qu’il prenne des
mesures concrètes.
L’orateur souligne par ailleurs qu’il existe déjà un
code de conduite applicable à titre individuel. Le code
de conduite sur lequel repose le serment bancaire
aux Pays-Bas diffère très peu du code de conduite en
vigueur dans le secteur financier belge. C’est pourquoi
l’orateur estime que l’instauration du serment bancaire
ne constituerait rien de plus qu’une nouvelle mesure
symbolique qui s’ajouterait aux règles et au code de
conduite qui existent déjà. La valeur ajoutée dudit ser-
ment serait dès lors plutôt limitée.
Le secteur financier a ensuite recherché un concept
à plus forte valeur ajoutée et a opté pour la création
d’un BSB belge: le Conseil de bonnes pratiques dans le
secteur financier. La proposition de loi de Mme Almaci
visant à instaurer un serment bancaire invite d’ail-
leurs le secteur financier à développer une forme
d’autorégulation.
Il souligne que les règles additionnelles élaborées
à la suite de la crise financière de 2008 constituent
un arsenal réglementaire assez impressionnant. À
l’heure actuelle, le secteur n’a pas besoin de règles
supplémentaires.
S’agissant de la résistance opposée par le secteur
financier à l’instauration du serment bancaire, l’orateur
souligne que ce secteur n’est absolument pas favorable
à l’ajout de cet acte symbolique dans la réglementation
existant en matière bancaire et financière. Il estime
50
3650/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
bank- en financiële zaken. Hij meent dat het bijgevolg
geen goed idee is om dit initiatief koste wat het kost te
willen invoeren zelfs zonder de nodige steun vanuit de
financiële sector zelf. Bovendien is hij ervan overtuigd
dat de toegevoegde waarde van de invoering van de
bankierseed bijzonder klein is ten aanzien van de be-
staande gedragscode. Hij meent oprecht dat het voorstel
van Febelfin, met name de invoering van de Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector, een veel
grotere positieve impact zal hebben op de integriteit
binnen de sector dan de bankierseed.
Mevrouw Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) wil voor-
eerst duidelijk aangeven wat er precies in de memorie
van toelichting staat van het wetsvoorstel tot invoering
van een bankierseed. Daarin wordt gevraagd aan de
banksector om initiatieven te nemen met betrekking tot
de deontologische code (hoe en aan wie er een eed
wordt gezworen) in het kader van de invoering van de
bankierseed. Dat is echter een heel andere insteek dan
aan de financiële sector te vragen om een bankierseed
in te voeren.
Bovendien onderstreept de spreekster dat het ver-
keerd is om de huidige patstelling voor te stellen als
een meningsverschil en te verwarren met het debat over
draagvlak. Er was trouwens ook geen draagvlak voor de
invoering van een BSB totdat haar fractie de discussie
over de invoering van een bankierseed heeft geopend.
Zij stelt ook vast dat voor de financiële crisis van 2008
er noch in het Verenigd Koninkrijk, waar de BSB werd
ingevoerd, noch in Nederland, waar de bankierseed
werd ingevoerd, enige discussie leefde omtrent deze
concepten. In het Belgische parlement zijn er ook pas
wetgevende initiatieven inzake gedragscode genomen
op het ogenblik dat het overduidelijk was dat er een
laakbare afwezigheid was van deontologie binnen de
sector. Zij meent dan ook dat de bankierseed en de de-
ontologische aspecten die daarbij gepaard gaan thans
nog niet geïntegreerd zijn in het bestaande arsenaal
aan regels dat van toepassing is op de financiële sector.
Daarnaast stipt de spreekster aan dat er binnen de
Belgische financiële sector wel degelijk een aantal ban-
ken bestaan die wel voorstander zijn van de invoering
van de bankierseed omdat zij deze eed reeds zelf toe-
passen. Zij willen dan ook dat deze eed voor de gehele
bancaire sector geldt.
De spreekster verzet zich tegen de staartredenering
waarbij Febelfin opwerpt dat dergelijke initiatieven reeds
bestaan en daarom niet ingevoerd moeten worden. Zij
meent net dat het belangrijk is om goede, bestaande
voorbeelden structureel te verankeren binnen de gehele
donc qu’il ne serait pas judicieux de vouloir à tout prix
instaurer cette mesure, quitte à se passer du soutien
nécessaire du secteur financier lui-même. De plus,
il est convaincu que la valeur ajoutée de ce serment
bancaire est très faible par rapport à celle du code de
conduite existant. Il croit sincèrement que la proposition
de Febelfin, à savoir la création du Conseil de bonnes
pratiques dans le secteur financier, aura un effet positif
beaucoup plus important que le serment bancaire sur
l’intégrité du secteur.
Mme Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) tient avant tout
à préciser la teneur exacte des développements de
la proposition de loi instaurant un serment bancaire.
Celle-ci demande au secteur bancaire de prendre des
initiatives en ce qui concerne le code de déontologie
(comment et devant qui le serment est prêté) dans
le cadre de l’instauration du serment bancaire. C’est
toutefois une toute autre approche que de demander
au secteur financier d’instaurer un serment bancaire.
L’intervenante souligne par ailleurs qu’il est inexact de
présenter l’impasse actuelle comme une divergence de
vues et de la confondre avec le débat relatif à l’adhésion
dont bénéficie la mesure. L’instauration d’une BSB ne
bénéficiait, elle non plus, d’aucune adhésion jusqu’à ce
que son groupe lance la discussion relative à l’instau-
ration d’un serment bancaire. Elle constate également
qu’avant la crise financière de 2008, il n’existait aucune
discussion, ni au Royaume-Uni, où la BSB a été ins-
taurée, ni aux Pays-Bas où le serment bancaire a été
instauré, concernant ces concepts. Le Parlement belge
n’a commencé à prendre des initiatives législatives en
termes de code de conduite qu’au moment où il était
plus que manifeste que toute forme de déontologie fai-
sait cruellement défaut dans le secteur. Elle considère
par conséquent que le serment bancaire et les aspects
déontologiques qui y sont associés n’ont pas encore
été intégrés à l’arsenal existant des règles applicables
au secteur financier.
L’intervenante ajoute qu’il existe bien, au sein du
secteur financier belge, une série de banques qui sont
favorables à l’instauration d’un serment bancaire, étant
donné qu’elles-mêmes appliquent d’ores et déjà ce sys-
tème. Elles souhaitent par conséquent que le système
soit étendu à l’ensemble du secteur bancaire.
L’intervenante conteste le raisonnement absurde par
lequel Febelfin prétend que ce type d’initiative existe
déjà et ne doit dès lors pas être instauré. Elle considère
précisément qu’il importe d’ancrer structurellement les
bons exemples existants dans l’ensemble du secteur
51
3650/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
financiële sector en de invoering van de bankierseed
kan hierbij een belangrijk rol vervullen.
Tot slot wijst zij erop dat het voorstel tot invoering van
een bankierseed kamerbreed wordt gedragen binnen
het parlement. Zij vindt het bijgevolg ontstellend om te
moeten vaststellen dat de financiële sector dit voorstel
simpelweg van tafel veegt met het argument dat de
sector het idee niet genegen is. Bijgevolg gaat de sec-
tor niet akkoord en kan de bankierseed niet ingevoerd
worden. De spreekster gaat helemaal niet akkoord met
deze redenering.
De heer Karel Van Eetvelt, CEO van Febelfin, wijst
erop dat elke bank een gedragscode heeft. Dat is op
dit ogenblik een gegeven in de bankwereld. Het klopt
elke bank daar een andere invulling aan geeft maar elke
bank heeft wel degelijk een gedragscode.
Daarnaast ergert de spreker zich aan de opmerkingen
van sommige commissieleden die wijzen op het totale
gebrek aan deontologie binnen de financiële sector. Hij
stelt dit gebrek echter niet vast. Het klopt dat er individu-
ele gevallen bekend zijn van misbruik die ongetwijfeld
in de toekomst nog zullen plaatsvinden, ook in sectoren
waar vandaag ook een eed wordt gezworen.
Febelfin probeert een antwoord te formuleren op
de zaken die leven in de samenleving en bij de klant
maar op een manier waarbij de volledige sector zich
aangesproken voelt en vrijwillig meestapt in dat nieuwe
verhaal. Hij blijft ervan overtuigd dat de creatie van een
cultuur gekenmerkt door meer openheid en transpa-
rantie binnen de financiële sector op een adequatere
manier zal bereikt worden aan de hand van een collec-
tieve benadering zoals de invoering van de Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector dan door de
invoering van een individuele bankierseed.
Hij erkent dat het idee van een BSB er pas gekomen
is in het voorjaar van 2018 maar niet als een alternatief
voor de bankierseed. Hij vindt het tevens opvallend
dat het voorstel van Febelfin wordt afgeschilderd als
een misprijzen van het parlementair initiatief inzake de
bankierseed. Het is absoluut niet de bedoeling om aan
de hand van het voorstel tot invoering van de Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector de huidige
problemen onder de mat te vegen en te doen alsof er
niets aan de hand is.
Hij merkt op dat er inderdaad meer nood is aan een
meer gedetailleerde uitleg en invulling van de bestaande
gedragscode. Hij is ervan overtuigd dat het rapport dat
door de Raad voor Goede Praktijken in de Financiële
financier, et que l’instauration du serment bancaire peut
y contribuer de manière significative.
Elle souligne enfin que la proposition visant l’instau-
ration d’un serment bancaire bénéficie d’un soutien
unanime au Parlement. Elle trouve donc effarant que le
secteur financier balaye cette proposition d’un simple
revers de la main, au motif que le secteur n’est pas
favorable à l’idée. Il s’ensuit que le secteur n’est pas
d’accord et que le serment bancaire n’est pas instauré.
L’intervenante conteste vivement ce raisonnement.
M. Karel Van Eetvelt, CEO de Febelfin, signale
que chaque banque dispose d’un code de conduite.
C’est une réalité dans le monde bancaire à l’heure
actuelle. Il est exact que le contenu peut varier selon la
banque, mais chaque banque dispose bien d’un code
de conduite.
L’orateur est en outre irrité par les remarques émises
par certains membres de la commission qui pointent
l’absence totale de déontologie au sein du secteur
financier. Il ne partage toutefois pas ce constat. Il est
exact que l’on connaît des cas individuels d’abus qui ne
manqueront pas de se reproduire à l’avenir, y compris
dans des secteurs où il y a également une prestation
de serment.
Febelfin tente de formuler une réponse aux questions
qui interpellent la société et les clients, mais d’une
manière qui permette à l’ensemble du secteur de se
sentir concerné et s’engager volontairement dans cette
nouvelle démarche. Il reste convaincu qu’une culture
caractérisée par une ouverture et une transparence
accrues dans le secteur financier pourra être mise en
place d’une manière plus adéquate au moyen d’une
approche collective, telle que l’instauration d’un Conseil
des bonnes pratiques dans le secteur financier, plutôt
qu’en instaurant un serment bancaire individuel.
Il reconnaît que l’idée d’un BSB n’est apparue qu’au
printemps 2018 mais pas comme alternative au serment
bancaire. Il estime également qu’il est frappant que la
proposition de Febelfin soit considérée comme un signe
de mépris envers l’initiative parlementaire en matière de
serment bancaire. En proposant d’instaurer un Conseil
de bonnes pratiques dans le secteur financier, le but
n’est absolument pas d’occulter les problèmes et de
faire comme si de rien n’était.
Il fait observer que le besoin d’expliquer le code de
conduite existant et de lui donner forme de manière
plus détaillée se fait en effet davantage ressentir. Il est
convaincu que le rapport qui sera rédigé par le Conseil
52
3650/003
DOC 54
KA M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
Sector zal opgesteld worden aan de hand van 38 vragen
niet werkloos in de schuif zal blijven liggen maar door
de stakeholders binnen een bank zal opgepikt worden
om verder mee aan de slag te gaan.
Febelfin zal in de loop van de komende weken
haar plannen met betrekking tot de Raad voor Goede
Praktijken in de Financiële Sector verder uitwerken en
finaliseren. Daarna zal Febelfin alle uitleg en details
verschaffen ten aanzien van de buitenwereld, in casu
de leden van deze commissie en aan de samenleving
in haar geheel. Op die manier kan men zich een beter
beeld vormen van de potentiële impact die de invoering
van de Raad voor Goede Praktijken in de Financiële
Sector kan teweegbrengen.
Mevrouw Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) stelt vast
dat de standpunten duidelijk zijn en geeft aan dat het
voor haar een en-enverhaal is en geen of-verhaal. Zij
is niet van plan om af te dingen op haar wetsvoorstel
betreffende de invoering van een bankierseed. Deze
bankierseed kan perfect bestaan naast de Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector. Beide con-
cepten kunnen elkaar versterken en aanvullen.
Daarnaast vraagt de spreekster zich af of er thans
een consensus bestaat binnen de financiële sector
over het document zoals het in zijn huidige vorm op
tafel ligt. Zij gaat ervan uit dat dit wel het geval is maar
merkt op dat het document als een discussiedocument
wordt betiteld. Hoe moet de spreekster de status van
dit document inschatten? Wat is de timing van zodra dit
werkdocument gefinaliseerd wordt?
De spreekster meent dat op basis van de timing die
aan de commissie wordt voorgelegd, deze Raad voor
Goede Praktijken in de Financiële Sector niet voor de
verkiezingen van eind mei zal worden ingevoerd. Dat
is jammer aangezien deze commissie wel degelijk de
bedoeling had om te landen voor de verkiezingen van
eind mei. De spreekster benadrukt dan ook dat zij haar
wetsvoorstel zal behouden en actief op zoek zal gaan
naar een meerderheid om het wetsvoorstel nog tijdens
deze legislatuur aan te nemen.
Tot slot heeft de spreekster nog een zeer punctuele
vraag met betrekking tot de rol van de toezichthouder
binnen de Raad voor Goede Praktijkenin de Financiële
Sector. In het voorstel van Febelfin zal de toezichthou-
der, in casu de Nationale Bank van België (NBB) of de
Europese Centrale Bank (ECB), toegang hebben tot
de rapporten en opvolgingsverslagen. Zij vraagt zich
echter af of deze toezichthouders thans al niet over
deze toegang beschikken. Wat is met andere woorden
de bonnes pratiques dans le secteur financier au moyen
de 38 questions ne restera pas rangé dans un tiroir
mais sera repris par les parties prenantes au sein des
banques afin de les guider dans la suite de leurs travaux.
Dans le courant des prochaines semaines, Febelfin
continuera à développer ses plans concernant le Conseil
de bonnes pratiques dans le secteur financier et les fina-
lisera. Ensuite, Febelfin fournira toutes les explications
et tous les détails au monde extérieur, en l’occurrence
les membres de la commission et la société en général.
Cela permettra de mieux comprendre l’impact potentiel
que peut avoir l’instauration d’un Conseil de bonnes
pratiques dans le secteur financier.
Mme Meyrem Almaci (Ecolo-Groen) constate que les
points de vue sont clairs et indique que, pour elle, l’un
n’exclut pas l’autre. Elle n’a pas l’intention de sacrifier
sa proposition relative à l’instauration d’un serment
bancaire. Le serment bancaire et le Conseil de bonnes
pratiques dans le secteur financier peuvent parfaitement
coexister. Les deux concepts peuvent se renforcer et se
compléter mutuellement.
Par ailleurs, l’intervenante se demande s’il existe,
pour le moment, un consensus dans le secteur financier
concernant le document dans sa forme actuelle. Elle
part du principe que c’est le cas, mais fait remarquer
que le document est qualifié de document de discus-
sion. L’intervenante demande quel est le statut de ce
document? Quel sera le calendrier prévu dès que ce
document de travail sera finalisé?
L’intervenante estime que, sur la base du calendrier
présenté à la commission, ce Conseil de bonnes pra-
tiques dans le secteur financier ne sera pas instauré
avant les élections de la fin du mois de mai. C’est
dommage, étant donné que la commission avait bel et
bien l’intention d’aboutir avant les élections de fin mai.
L’intervenante souligne dès lors qu’elle maintiendra sa
proposition de loi et qu’elle recherchera activement une
majorité en vue d’une adoption au cours de l’actuelle
législature.
Enfin, l’intervenante souhaite poser une question très
précise concernant le rôle de l’autorité de contrôle au
sein du Conseil de bonnes pratiques dans le secteur
financier. Dans la proposition de Febelfin, l’autorité
de contrôle, en l’occurrence la Banque nationale de
Belgique (BNB) ou la Banque centrale européenne
(BCE), aura accès aux rapports et aux rapports de
suivi. Elle se demande toutefois si ces autorités de
contrôle ne disposent pas déjà de cet accès. En d’autres
53
3650/003
DOC 54
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
het nieuwe element aan dit aspect met betrekking tot de
Raad voor Goede Praktijken in de Financiële Sector?
De heer Tom Boedts, general counsel van Febelfin,
merkt op dat de notulen van een vergadering van een
raad van bestuur vaak proactief worden opgestuurd
naar de toezichthouder. Indien er een verslag wordt
opgemaakt door de Raad voor Goede Praktijken in de
Financiële Sector waarin een bank volledig uit de toon
valt op alle criteria ten opzichte van de overige spelers
van de financiële sector, zal een raad van bestuur hier-
over een vergadering organiseren en zullen deze no-
tulen van deze vergadering overgezonden worden aan
de toezichthouder, hetzij de NBB of de ECB. De graad
van intrusie door de toezichthouder is bijzonder hoog.
termes, quelle est la nouveauté en l’occurrence en ce
qui concerne le Conseil de bonnes pratiques dans le
secteur financier?
M. Tom Boedts, general counsel de Febelfin, fait
observer que le procès-verbal d’une réunion du conseil
d’administration est régulièrement envoyé de manière
proactive à l’autorité de contrôle. Si le Conseil de bonnes
pratiques dans le secteur financier rédige un rapport
dans lequel une banque détonne complètement pour
tous les critères par rapport aux autres acteurs du sec-
teur financier, un conseil d’administration organisera une
réunion à ce sujet et le procès-verbal de cette réunion
sera transmis à l’autorité de contrôle, la BNB ou la
BCE. Le degré d’intrusion de l’autorité de contrôle est
particulièrement élevé.
Centrale drukkerij – Imprimerie centrale