Inhoud
AMENDEMENTS
AMENDEMENTEN
9538
DOC 54 3355/002
DOC 54 3355/002
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
7 november 2018
7 novembre 2018
Voir:
Doc 54 3355/ (2018/2019):
001:
Projet de loi.
Zie:
Doc 54 3355/ (2018/2019):
001:
Wetsontwerp..
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
houdende diverse bepalingen
inzake sociale zaken
portant des dispositions diverses
en matière sociale
2
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 1 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 72
Na artikel 72 een Hoofdstuk 14 invoegen,
luidende:
“Hoofdstuk 14 – elektronisch platform kunstenaars”
VERANTWOORDING
Dit amendement heeft tot doel een nieuw hoofdstuk in te
voegen in het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen
in sociale zaken betreffende het elektronisch platform voor
artiesten.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 1 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 72
Après l’article 72, insérer un Chapitre 14, rédigé
comme suit:
“Chapitre 14 – plateforme électronique artiste
JUSTIFICATION
Cet amendement vise à insérer dans le projet de loi por-
tant des dispositions diverses en matière sociale un nouveau
chapitre concernant plateforme électronique artiste.
3
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 2 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 73 (nouveau)
In het voornoemde Hoofdstuk 14 een artikel 73 in-
voegen, luidende:
“A r t. 73 . In de programmawet (I) van
24 december 2002, laatst gewijzigd bij de wet van
18 februari 2018, wordt een artikel 172bis ingevoegd,
luidende:
“172bis. Een elektronisch platform wordt gecreëerd
voor de aanvraag en de afl evering van de verschillende
documenten betreffende het kunstenaarsstatuut: de
kunstenaarskaart bedoeld in artikel 17sexies van het
koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoe-
ring van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van
de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de
maatschappelijke zekerheid der arbeiders, het visum
bedoeld in artikel 1bis, § 1, tweede lid, van de wet
van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van
28 december 1944 betreffende de maatschappelijke
zekerheid der arbeiders, de zelfstandigheidsverklaring
bedoeld in artikel 172, § 2, 3°.
Het elektronisch platform ontvangt de aangifte van
de kunstactiviteiten in het kader van de kleine vergoe-
dingsregeling bedoeld in artikel 17sexies van voormeld
koninklijk besluit van 28 november 1969 en zal een
informatieluik voor de kunstenaars bevatten.
Dit platform biedt onder andere de mogelijkheid:
aan kunstenaars om de gegevens te raadplegen
over prestaties geleverd in het kader van de kleine
vergoedingsregeling bedoeld in artikel 17sexies van
het voormeld koninklijk besluit van 28 november 1969;
aan de kunstenaars om, in het kader van de kleine
vergoedingsregeling, aan de opdrachtgever, op zijn
verzoek, een attest te verstrekken met het aantal uitge-
voerde prestaties en de ontvangen bedragen door de
kunstenaar op het tijdstip van de aanvraag;
N° 2 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 73 (nieuw)
Dans le Chapitre 14 précité, insérer un article 73,
rédigé comme suit:
“Ar t. 73. Dans la loi-programme (I) du
24 décembre 2002, modifi ée en dernier lieu par la loi
du 18 février 2018, il est inséré un article 172bis rédigé
comme suit:
“172bis. Il est créé une plateforme électronique pour
la demande et la délivrance des différents documents
relatifs au statut d’artiste: la carte artiste visée à l’article
17sexies de l’arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en
exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi
du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale
des travailleurs, le visa visé à l’article 1bis, § 1er, ali-
néa 2, de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi
du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale
des travailleurs, la déclaration d’indépendant visée à
l’article 172, § 2, 3°.
La plateforme électronique reçoit la déclaration
des activités artistiques dans le cadre du régime des
petites indemnités visé à l’article 17sexies de l’arrêté
royal du 28 novembre 1969 précité et comprendra un
volet informatif pour les artistes.
La plateforme permet notamment:
aux artistes de consulter les données relatives aux
prestations effectuées dans le cadre du régime des
petites indemnités visé à l’article 17sexies de l’arrêté
royal du 28 novembre 1969 précité;
aux artistes de fournir au donneur d’ordre dans le
cadre du régime des petites indemnités, à sa demande,
une attestation reprenant le nombre de prestations
effectuées et les montants perçus par l’artiste au
moment de la demande;
4
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— aan de controle-instanties om te bepalen of de
kunstenaar in het bezit is van een kaart, een visum en/
of een zelfstandigheidsverklaring;
— aan de controle-instanties om na te gaan of de
kunstenaar zich houdt aan de quota met betrekking
met de kleine vergoedingsregeling als bedoeld in
artikel 17sexies van voormeld koninklijk besluit van
28 november 1969.
De Koning bepaalt de modaliteiten voor de aanvraag
en de afl evering van de kaart, van het visum en van de
zelfstandigheidsverklaring evenals de inhoud van het
informatieluik; Hij bepaalt ook de modaliteiten voor de
aangifte van de kunstactiviteit bedoeld in voormeld
artikel 17sexies.”
VERANTWOORDING
Dit amendement heeft tot doel een nieuw artikel 73 in te
voegen in het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen
in sociale zaken.
Art.73
Dit artikel voorziet in de oprichting van een elektronisch
platform voor de kunstenaars. Het elektronisch platform
heeft tot doel de verschillende documenten betreffende het
kunstenaarsstatuut af te leveren: de kunstenaarskaart, het
kunstenaarsvisum en de zelfstandigheidsverklaring.
Het platform zal de kunstenaars de mogelijkheid bieden
om een aanvraag voor een kunstenaarskaart, een kunste-
naarsvisum en/of een zelfstandigheidsverklaring in te dienen.
Het zal de kunstenaars de mogelijkheid bieden om hun
artistieke prestaties in het kader van de kleine vergoedings-
regeling in te voeren.
Het zal de kunstenaar in het kader van de kleine vergoe-
dingsregeling, de mogelijkheid geven de opdrachtgever op
zijn verzoek het aantal prestaties uitgevoerd en de bedragen
ontvangen door de kunstenaar op het tijdstip van zijn aanvraag
mede te delen.
Het zal het secretariaat van de commissie Kunstenaars
de mogelijkheid geven de aanvragen voor een kaart, een
visum en een zelfstandigheidsverklaring op een doeltreffende
manier te beheren en de termijn tussen de aanvraag en de
— aux organes de contrôle de déterminer si l’artiste
est en possession d’une carte, d’un visa et/ou d’une
déclaration d’activité indépendante;
— aux organes de contrôle de déterminer si l’artiste
respecte la réglementation relative au régime des
petites indemnités visé à l’article 17sexies de l’arrêté
royal du 28 novembre 1969 précité.
Le Roi fi xe les modalités de demande et de déli-
vrance de la carte, du visa et de la déclaration d’indé-
pendant ainsi que le contenu du volet informatif; Il fi xe
aussi les modalités de déclaration de l’activité artistique
visée à l’article 17sexies précité.”
JUSTIFICATION
Cet amendement vise à insérer dans le projet de loi por-
tant des dispositions diverses en matière sociale un nouvel
article 73.
Art 73
Cet article prévoit la création d’une plateforme électronique
pour les artistes. La plateforme électronique a pour objet de
délivrer les différents documents relatifs au statut d’artiste:
la carte artiste, le visa artiste, la déclaration d’indépendant.
La plateforme permettra aux artistes d’introduire une
demande de carte artiste, de visa artiste et/ou d’ une décla-
ration d’indépendant.
Elle permettra aux artistes d’encoder leurs prestations
artistiques dans le cadre du régime des petites indemnités.
Elle permettra à l’artiste de fournir au donneur d’ordre à
sa demande dans le cadre du régime des petites indemnités,
le nombre de prestations effectuées et les montants perçus
par l’artiste au moment de la demande
Elle permettra au secrétariat de la Commission Artistes
de gérer les demandes de carte, de visa et de déclaration
d’indépendant des artistes de manière efficace et de diminuer
le délai entre la demande et la délivrance des documents
5
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
afl evering van voormelde documenten in te korten. Het zal de
controleorganen de mogelijkheid geven om na te gaan of de
kunstenaar de reglementering betreffende zijn statuut naleeft.
Dit artikel bepaalt dat de Koning de nadere regels voor
de aanvraag en de afl evering van de kaart, van het visum en
van de zelfstandigheidsverklaring, evenals de inhoud van het
informatief luik van het platform vaststelt; Hij bepaalt eveneens
de nadere regels voor de aangifte van de artistieke activiteit
bedoeld in voormeld artikel 17sexies.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
susvisés. Elle permettra aux organes de contrôle de détermi-
ner si l’artiste respecte la réglementation relative à son statut.
Cet article prévoit que le Roi fi xe les modalités de demande
et de délivrance de la carte, du visa et de la déclaration
d’indépendant ainsi que le contenu du volet informatif de
la plateforme; Il fi xe aussi les modalités de déclaration de
l’activité artistique visée à l’article 17sexies précité.
6
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 3 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 3/1 (nieuw)
In het Hoofdstuk 2, afdeling 1, onderafdeling 1,
een artikel 3/1 invoegen, luidende:
“Art. 3/1. In artikel 20 van dezelfde wet wordt het
tweede lid opgeheven”
VERANTWOORDING
Dit amendement heeft tot doel een nieuw artikel in hoofd-
stuk 2 in te voegen in het ontwerp van wet houdende diverse
bepalingen in sociale zaken betreffende arbeidsongevallen.
Het toepassingsgebied van de arbeidsongevallenwet van
10 april 1971 is afgestemd op dat van de wet van 27 juni 1969
tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944,
betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
(RSZ-Wet)
Per 1 juli 2015 is een nieuwe regeling in voege getreden
waarbij de Koning bepaalt wie als “leerling” wordt beschouwd
voor de toepassing van de RSZ-Wet.
Het nieuwe artikel 1bis van het RSZ-besluit van
28 november 1969, dat eveneens in werking is getreden op
1 juli 2015, bepaalt de minimale drempels voor de onderwer-
ping van de personen verbonden door een leerovereenkomst
aan de sociale zekerheid van de werknemers: onder leerling
wordt verstaan, elke persoon die in het kader van een alter-
nerende opleiding door een overeenkomst verbonden is met
een werkgever.
Het tweede lid van artikel 1bis van het koninklijk besluit van
28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969
tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betref-
fende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt:
“Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder
alternerende opleiding, elke situatie die beantwoordt aan alle
volgende voorwaarden samen: 6°- de overeenkomst voorziet
in een fi nanciële bezoldiging ten laste van de werkgever, die
moet worden beschouwd als loon.”
Bijgevolg zijn de personen in een alternerende opleiding
waarbij geen loon wordt uitbetaald door de werkgever geen
N° 3 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 3/1 (nouveau)
Dans le Chapitre 2, section 1re, sous-section 1er,
insérer un article 3/1, rédigé comme suit:
“Art. 3/1. Dans l’article 20 de la même loi, l’alinéa 2 est
abrogé.”
JUSTIFICATION
Cet amendement vise à insérer dans le chapitre 2 du projet
de loi portant des dispositions diverses en matière sociale un
nouveau article concernant les accidents de travail.
Le champ d’application de la loi du 10 avril 1971 sur les
accidents du travail est calqué sur celui de la loi du 27.06 1969
révisant l’arrêté-loi du 28.12 1944 concernant la sécurité
sociale des travailleurs (loi ONSS).
Une nouvelle réglementation est entrée en vigueur au
1er juillet 2015 selon laquelle le Roi détermine qui est considéré
comme “apprenti” pour l’application de la loi ONSS.
Le nouvel article 1erbis de l ’arrêté ONSS du
28 novembre 1969, également entré en vigueur au 1er juil-
let 2015, détermine les seuils minimaux pour l’assujettissement
de personnes liées par un contrat d’apprentissage à la sé-
curité sociale des travailleurs: on entend par apprenti, toute
personne qui, dans le cadre d’une formation en alternance,
est liée à un employeur par un contrat.
Le 2e alinéa de l’art. 1erbis de l’arrêté royal du 27.04 2004
modifi ant l’AR du 28.11 1969 pris en exécution de la loi du
27.06 1969 révisant l’arrêté-loi du 28.12 1944 concernant
la sécurité sociale des travailleurs dispose que: “Pour
l’application de l’alinéa 1er, on entend par formation en alter-
nance, toute situation qui répond à l’ensemble des conditions
suivantes: 6° – le contrat prévoit une rétribution fi nancière du
jeune qui est à charge de l’employeur et qui est à considérer
comme une rémunération.”
Par conséquent, les personnes suivant une formation
en alternance mais qui ne perçoivent aucune rémunération
7
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“leerlingen” noch in de zin van de RSZ-wet, noch in de zin
van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Evenwel ressorteren ze onder de bij dit wetsontwerp nieuw
ingevoerde categorie van de personen die arbeid verrichten
in het kader van een opleiding tot betaalde arbeid, zodat bij
een dodelijk arbeidsongeval de schadeloosstelling van de
rechthebbenden overeenkomstig de arbeidsongevallenwet
kan gebeuren hetzij zoals voor de leerlingen, hetzij conform
de bijzondere regeling van het artikel 86bis.
In het eerste geval wordt het basisloon voor de berekening
van de vergoedingen vastgesteld op 18 x het gewaarborgd
gemiddeld minimum maandinkomen; in het tweede geval op
12 x het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen.
Overeenkomstig artikel 7 van dit wetsontwerp zijn in de
beide hypothesen door de verzekeringsondernemingen geen
kapitaalstortingen verschuldigd in geval de rechthebbende
ascendenten niet slagen in het bewijs dat de getroffene voor
hen de belangrijkste kostwinner was.
Door de verwijzingen naar deze schadeloosstellingsregels
in art. 33 van de bij koninklijk besluit van 3 juni 1970 gecoör-
dineerde Beroepsziektewetten en in artikel 10 van de wet van
3 juli 1967 voor arbeidsongevallen en voor beroepsziekten in
de overheidssector kunnen deze toepassing vinden voor de
rechthebbenden van slachtoffers van een arbeidsongeval
of een beroepsziekte met dodelijke afl oop, zowel in de privé
als in de openbare sector. De rechthebbenden die onder
hetzelfde dak woonden worden dan krachtens de wet geacht
rechtstreeks voordeel te hebben gehaald uit het loon van de
getroffene.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
payée par l’employeur ne sont pas considérées comme des
“apprentis”, ni au sens de la loi ONSS, ni au sens de la loi du
10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Ils ressortissent toutefois à la nouvelle catégorie de person-
nes qui effectuent un travail dans le cadre d’une formation
pour un travail rémunéré introduite par ce projet de loi, de
sorte qu’en cas d’accident mortel du travail, les ayants-droit
puissent être indemnisés conformément à la loi sur les ac-
cidents du travail, soit comme pour les apprentis, soit selon
le régime particulier de l’article 86bis.
Dans le premier cas, la rémunération de base pour le calcul
des indemnités est fi xée à 18 fois le revenu minimum mensuel
moyen garanti, et à 12 fois le revenu minimum mensuel moyen
garanti dans le second.
Conformément à l’art. 7 de ce projet de loi, aucun verse-
ment de capital n’est dû par les entreprises d’assurances dans
les deux hypothèses au cas où les ascendants ayants-droit
ne parviennent pas à prouver que la victime constituait leur
principale source de revenus.
Grâce aux références à ces régimes d’indemnisation à
l’art. 33 des lois relatives aux maladies professionnelles
coordonnées par l’AR du 3 juin 1970 et à l’art. 10 de la loi du
3 juillet 1967 sur les accidents du travail et les maladies profes-
sionnelles dans le secteur public, ceux-ci peuvent s’appliquer
aux ayants-droit de victimes d’un accident du travail ou d’une
maladie professionnelle à l’issue fatale, tant dans le secteur
privé que public. La loi suppose donc que les ayants-droit
qui vivaient sous le même toit profi taient directement de la
rémunération de la victime.
8
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 4 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 30
Na artikel 30, in Hoofdstuk 2, een afdeling 5 invoe-
gen, luidende:
“Afdeling 5. Verzwaard risico’s”
VERANTWOORDING
Dit amendement heeft tot doel een nieuwe afdeling in te
voegen betreffende wijzigingen aan de artikelen 49bis et 49ter
van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 betreffende
de verzwaarde risico’s.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 4 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 30
Après l’article 30, dans le chapitre 2, insérer une
section 5, rédigée comme suit:
“Section 5. Risques aggravés”
JUSTIFICATION
Cet amendement vise à insérer une nouvelle section
concernant des modifi cations aux articles 49bis et 49ter de
la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail en matière
de risques aggravés.
9
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 5 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 30/1 (nieuw)
In de voornoemde afdeling 5, een artikel 30/1 in-
voegen, luidende:
“Art. 30/1. In artikel 49bis, van de arbeidsonge-
vallenwet van 10 april 1971worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Fedris stelt het verzwaarde risico vast en brengt
dit ter kennis van de betrokken preventiedienst. De
betrokken preventiedienst is de preventiedienst van de
betrokken verzekeringsonderneming, tenzij, na akkoord
van het beheerscomité voor de arbeidsongevallen,
een preventie-instituut hiermee belast werd voor de
werkgevers op grond van hun hoofdactiviteit behoren
tot het ressort van een zelfde paritair comité, zoals
bedoeld in de wet van 5 december 1968 betreffende
de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire
comités. De preventiedienst brengt dit ter kennis van
de werkgever en int onmiddellijk en zonder tussen-
persoon ten laste van deze werkgever een forfaitaire
preventiecontributie.”;
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
“De werkgever die de forfaitaire preventiecontributie
niet gestort heeft voor 1 februari van het jaar dat volgt
op de vaststelling, is een opslag, die niet meer dan
10 % van het verschuldigd bedrag mag bedragen, en
een verwijlintrest, gelijk aan de wettelijke rentevoet,
verschuldigd.”
3° in het vierde en vijfde lid wordt het woord “verze-
keringsonderneming” telkens vervangen door het woord
“preventiedienst”;
4° in het zesde lid, 1°, worden de woorden “die
niet minder mag bedragen dan driemaal” vervangen
door de woorden “die niet minder mag bedragen dan
tweemaal”.
N° 5 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 30/1 (nouveau)
Dans la section 5 précitée, insérer un article 30/1,
rédigé comme suit:
“Art. 30/1. Dans l’article 49bis, de la loi du 10 avril 1971
sur les accidents du travail, les modifi cations suivantes
sont apportées:
1° l’alinéa 2 est remplacé comme suit:
“Fedris constate le risque aggravé et le notifi e au ser-
vice de prévention concerné. Le service de prévention
concerné est le service de prévention de l’entreprise
d’assurances concernée sauf si, après accord du co-
mité de gestion des accidents du travail, un institut de
prévention est chargé de cette tâche pour les employ-
eurs sur base de leur activité principale relèvent d’une
même commission paritaire, comme visé dans la loi du
05.12 1968 sur les conventions collectives de travail et
les commissions paritaires. Le service de prévention le
notifi e à l’employeur et perçoit d’office à la charge de
cet employeur, sans délai et sans intermédiaire, une
contribution forfaitaire de prévention.”;
2° l’alinéa 3 est remplacé comme suit:
“L’employeur qui n’a pas versé la contribution for-
faitaire de prévention avant le 1er février de l’année qui
suit la constatation est redevable d’une majoration,
qui ne peut pas dépasser 10 % du montant dû, ainsi
que d’un intérêt de retard égal au taux d’intérêt légal.”;
3° dans les alinéas 4 et 5, les mots “l’entreprise
d’assurances” sont à chaque fois remplacés par les
mots “le service de prévention”.
4° dans l’alinéa 6, 1°, les mots “qui ne peut pas être
inférieur à trois fois” sont remplacés par les mots “qui
ne peut pas être inférieur à deux fois”.
10
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
5° in het zesde lid, 4°, wordt het woord “verze-
keringsonderneming” vervangen door het woord
“preventiedienst”
6° het zesde lid wordt aangevuld met een 10°
luidende:
“10° de voorwaarden waaronder een preventie-
instituut kan aangesteld worden voor de werkgevers
behorend tot het ressort van een zelfde paritair comité.”
VERANTWOORDING
In dit project, dat van start gegaan is in 2008, wordt de
nadruk gelegd op het belang van preventie om het aantal
arbeidsongevallen terug te dringen. Ondernemingen met
een onevenredig verzwaard risico in vergelijking met andere
ondernemingen van dezelfde sector zullen een forfaitaire
bijdrage moeten betalen aan hun verzekeraar, die het bedrag
zal aanwenden voor preventie in de betrokken onderneming.
Het onevenredig verzwaard risico wordt gedefi nieerd in
artikel 49 bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
De manier waarop de verzwaarde risico’s worden bepaald et
de gevolgen die eruit voortvloeien worden geregeld door het
koninklijk besluit van 23 december 2008.
Deze wijzigingen hebben verschillende doelstellingen:
— De eerste wijziging heeft als doel het veelvoud ten op-
zichte van de eigen activiteitensector in art. 49bis te verlagen
om jaarlijks terug effectief 200 ondernemingen te kunnen
selecteren. Aangezien werkgevers, werknemers en experten
akkoord waren dat meer geselecteerde ondernemingen meer
inspanningen voor de preventie van arbeidsongevallen in-
houdt, en aangezien het gaat over een minimaal cijfer was er
een akkoord over een verlaging in de wet (art.49bis) van “drie-
voud” naar “tweevoud”. Daarna zal het artikel 2 van het KB
van 23/12/2008 die de risico-index van de activiteitensector
waartoe de onderneming behoort mogen aangepast worden.
— De tweede wijziging maakt de opvolging van de onder-
nemingen met een verzwaard risico ook mogelijk voor instellin-
gen die daarvoor aangewezen worden door het paritair comité.
5° dans l’alinéa 6, 4°, les mots “l’entreprise
d’assurances” sont remplacés par les mots “le service
de prévention”
6° l’alinéa 6 est complété par un 10° rédigé comme
suit:
“10° les conditions auxquelles un institut de préven-
tion peut être désigné pour les employeurs qui relèvent
d’une même commission paritaire.”
JUSTIFICATION
Ce projet, lancé en 2008, a pour objectif la réduction des
accidents du travail en mettant l’accent sur l’importance de la
prévention. Les entreprises qui présentent un risque aggravé
de manière disproportionnée par rapport aux autres entre-
prises du même secteur seront redevables d’une contribution
forfaitaire à verser à leur assureur et celui-ci affectera cette
somme à la prévention dans l’entreprise en question.
Le risque aggravé de manière disproportionnée est défi ni
à l’article 49bis de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents
du travail. Les modalités de la détermination et les consé-
quences qui en découlent sont réglées par l’arrêté royal du
23 décembre 2008.
Ces modifi cations poursuivent différents buts:
— La première modifi cation vise à réduire le multiple par
rapport au propre secteur afi n de revenir chaque année à une
sélection de 200 entreprises. Étant donné que les employeurs,
les travailleurs et les experts s’accordent à dire que davantage
d’entreprises sélectionnées représentent davantage d’efforts
pour la prévention des accidents du travail, et vu qu’il s’agit
d’un chiffre minimum, un accord a été obtenu pour remplacer
le seuil qui ne peut pas être inférieur à “trois fois” par “deux
fois” à l’article 49bis de la loi. Ceci permettra d’adapter par la
suite l’article 2 de l’arrêté royal du 23/12/2008 qui défi nit l’in-
dice de risque du secteur d’activités dont l’entreprise relève.
— La deuxième modifi cation permet de rendre le suivi
des entreprises avec un risque aggravé également possible
par des institutions désignées à cet effet par la commission
paritaire.
11
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— de derde wijziging voegt in het derde lid van het artikel
49bis een preciese datum voor de betaling van de contributie.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
— La troisième modifi cation insère dans le 3ème alinéa de
l’article 49bis une date fi xe pour le paiement de la contribution.
12
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 6 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 30/2 (nieuw)
In de voornoemde afdeling 5, een artikel 30/2 in-
voegen, luidende:
“Art. 30/2. In artikel 49ter van dezelfde wet worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden “artikelen
30, eerste lid, en 31, § 1er, van de wet van 25 juni 1992
op de landverzekeringsovereenkomst” vervangen door
de woorden “artikelen 85, § & en 86, § 1er van de wet
van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen”;
2° in het derde lid worden de woorden “de artikelen
29 en 30 van de wet van 25 juni 1992 op de landverze-
keringsovereenkomst” vervangen door de woorden
“de artikelen 84 en 85 van de wet van 4 april 2014
betreffende de verzekeringen”.
VERANTWOORDING
Het gaat om een aanpassing van de wettelijke referenties
aangezien de bepalingen betreffende de wet van 25 juni 1992
op de landverzekeringsovereenkomst werden afgeschaft door
de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 6 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 30/2 (nouveau)
Dans la section 5 précitée, insérer un article 30/2,
rédigé comme suit:
“Art. 30/2. Dans l’article 49ter de la même loi, les
modifi cations suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 2, les mots “articles 30, alinéa pre-
mier et 3, § 1er, de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat
d’assurance terrestre” sont remplacés par les mots
“articles 85, § 1er et 86, § 1er de la loi du 4 avril 2014
relative aux assurances”;
2° à l’alinéa 3, les mots “articles 29 et 30 de la loi du
25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre” sont
remplacés par les mots “articles 84 et 85 de la loi du
4 avril 2014 relative aux assurances”.
JUSTIFICATION
Il s’agit d’adapter les références légales, les dispositions
concernant la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance
terrestre ayant été abrogées par la loi du 4 avril 2014 relative
aux assurances.
13
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 7 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 73
Na het voornoemde artikel 73, een hoofd-
stuk 15 invoegen, luidende:
“Hoofdstuk 15. Sociaal akkoord – Federale
gezondheidssectoren”
Verantwoording
Dit amendement heeft tot doel een nieuw hoofdstuk in te
voegen in het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen
in sociale zaken betreffende het sociaal akkoord – Federale
gezondheidssectoren.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 7 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 73
Après l’article 73 précité, insérer un Chapitre 15,
rédigé comme suit:
“Chapitre 15. Accord social – Secteurs fédéraux de
la santé»
JUSTIFICATION
Cet amendement vise à insérer dans le projet de loi por-
tant des dispositions diverses en matière sociale un nouveau
chapitre concernant l’accord social – Secteurs fédéraux de
la santé.
14
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 8 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 74 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 15 een artikel 74 in-
voegen, luidende:
“Art. 74. In artikel 55 van de program-
mawet van 20 juli 2006, gewijzigd bij de wet-
ten van 27 december 2006, 22 december 2008,
29 december 2010, 19 maart 2013, 10 april 2014,
18 maart 2016 en 25 december 2017, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° in het zesde lid worden de woorden “tot en met
2018” ingevoegd tussen de woorden “Vanaf 2012”
en de woorden “wordt een bedrag van 904 653 euro
overgedragen”;
2° in het zevende lid worden de woorden “tot en
met 2018” ingevoegd tussen de woorden “Vanaf 2013”
en de woorden “wordt een bedrag van 1 427 000 euro
overgedragen”;
3° in het negende lid worden de woorden “Vanaf
2018” vervangen door de woorden “In 2018”.
4° het artikel wordt aangevuld met twee leden,
luidende:
In 2018 wordt een bedrag van 25 000 000 euro van
het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering
overgedragen naar het Sectoraal Spaarfonds van de
federale sectoren, ten gunste van zowel de werknemers
met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van
de private sector als bij een werkgever van de publieke
sector; de Koning bepaalt de verdeling van dit bedrag
tussen beide sectoren op basis van de loonkost van
deze werknemers. Deze bedragen worden door het
Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ten
laste gelegd van de begroting van de verzekering voor
geneeskundige verzorging van 2018
Vanaf 2019 wordt een bedrag van 1 169 812 euro
overgedragen van het Rijksinstituut voor ziekte- en
invaliditeitsverzekering naar het Sectoraal Spaarfonds
N° 8 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 74 (nouveau)
Dans le Chapitre 15 précité, insérer un article 74,
rédigé comme suit:
“Art. 74. À l’article 55 de la loi-programme du
20 juillet 2006, modifi é par les lois des 27 décembre 2006,
22 décembre 2008, 29 décembre 2010, 19 mars 2013,
10 avril 2014, 18 mars 2016 et 25 décembre 2017, sont
apportées les modifi cations suivantes:
1° à l’alinéa 6, les termes “jusque 2017 inclus” sont
insérés entre les termes “À partir de 2012” et les termes
“un montant de 904 653 EUR est transféré”;
2° à l’alinéa 7, les termes “jusque 2018 inclus” sont
insérés entre les termes “À partir de 2013” et les termes
“un montant de 1 427 000 EUR est transféré”;
3° à l’alinéa 9, les mots “A partir de 2018” seront
remplacés par les mots “En 2018”.
4° l’article est complété par trois alinéas, libellés
comme suit:
En 2018, un montant de 25 000 000 EUR est transféré
de l’Institut national d’assurance maladie-invalidité au
Fonds d’épargne sectoriel des secteurs fédéraux, en
faveur des travailleurs salariés liés par un contrat de
travail tant auprès d’un employeur du secteur privé
qu’auprès d’un employeur du secteur public; le Roi
détermine la répartition de ce montant entre les deux
secteurs sur la base du coût salarial de ces travailleurs
salariés. Ces montants sont imputés par l’Institut natio-
nal d’assurance maladie-invalidité à charge du budget
de l’assurance soins de santé de 2018.
À partir de 2019, un montant de 1 169 812 EUR est
transféré de l’Institut national d’assurance maladie-
invalidité au Fonds d’épargne sectoriel des secteurs
15
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
van de federale sectoren ten gunste van de werknemers
met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de
publieke sector. Een bedrag van 6 369 172 euro wordt
door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverze-
kering overgedragen naar het Sectoraal Spaarfonds van
de federale sectoren, ten gunste van de werknemers
met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van
de private sector. Een bedrag van 12 000 000 euro
wordt door het Rijksinstituut voor ziekte- en invali-
diteitsverzekering overgedragen naar het Sectoraal
Spaarfonds van de federale sectoren, ten gunste van
zowel de werknemers met een arbeidsovereenkomst
bij een werkgever van de private sector als bij een
werkgever van de publieke sector; de Koning bepaalt
de verdeling van dit bedrag tussen beide sectoren op
basis van de loonkost van deze werknemers. Deze
overdrachten gebeuren in de maand juni van elk jaar.
Deze bedragen worden vanaf 2019 elk jaar aangepast
aan de evolutie van het rekenkundig gemiddelde van
het gezondheidsindexcijfer van de maand juni en de
indexcijfers van de drie voorafgaande maanden tussen
30 juni van het voorlaatste jaar en 30 juni van het vorige
jaar. De verhouding die deze evolutie uitdrukt wordt tot
op vier cijfers na de komma afgerond, naar boven indien
het vijfde cijfer minstens 5 is, zo niet naar beneden.
Deze bedragen worden door het Rijksinstituut voor
ziekte- en invaliditeitsverzekering ten laste gelegd van
de begroting van de verzekering voor geneeskundige
verzorging.”
VERANTWOORDING
Dit amendement heeft tot doel een nieuw artikel 74 in te
voegen in het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen
in sociale zaken.
Artikel 74
Het artikel 55 van de programmawet van 20 juli 2006 re-
gelt in het kader van de uitvoering van de sociale akkoorden
voor de federale gezondheidszorgsectoren de storting van
bedragen voor de tweede pensioenpijler.
Gelet op de beslissing van de Algemene Raad van het
Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering om
vanaf 2017 bijkomende middelen vrij te maken voor de
tweede pensioenpijler en gelet op het sociaal akkoord dat op
fédéraux en faveur des travailleurs salariés liés par un
contrat de travail auprès d’un employeur du secteur
public. Un montant de 6 369 172 EUR est transféré
de l’Institut national d’assurance maladie-invalidité
au Fonds d’épargne sectoriel des secteurs fédéraux,
en faveur des travailleurs salariés liés par un contrat
de travail auprès d’un employeur du secteur privé. Un
montant de 12 000 000 EUR est transféré de l’Institut
national d’assurance maladie-invalidité au Fonds
d’épargne sectoriel des secteurs fédéraux, en faveur
des travailleurs salariés liés par un contrat de travail
tant auprès d’un employeur du secteur privé qu’auprès
d’un employeur du secteur public; le Roi détermine la
répartition de ce montant entre les deux secteurs sur
la base du coût salarial de ces travailleurs salariés.
Ces transferts ont lieu chaque année au mois de juin.
À partir de 2019, ces montants sont adaptés chaque
année à l’évolution de la moyenne arithmétique de
l’indice santé du mois de juin et des chiffres de l’index
des trois mois précédents entre le 30 juin de l’avant-
dernière année et le 30 juin de l’année qui a précédé.
Le rapport exprimé par cette évolution est arrondi
jusqu’à quatre décimales, vers le haut si le cinquième
chiffre est au moins un 5 et vers le bas pour les autres
cas. Ces montants sont imputés par l’Institut national
d’assurance maladie-invalidité à charge du budget de
l’assurance soins de santé.”
JUSTIFICATION
Cet amendement vise à insérer dans le projet de loi por-
tant des dispositions diverses en matière sociale un nouvel
article 74.
Article 74
L’article 55 de la loi-programme du 20 juillet 2006 règle
le versement des montants pour le deuxième pilier pension
dans le cadre de l’exécution des accords sociaux pour les
secteurs fédéraux de la santé.
Vu la décision du Conseil général de libérer des moyens
supplémentaires à partir de 2017 pour le deuxième pilier
pension et vu l’accord social conclu le 25 octobre 2017 entre
les organisations représentatives des travailleurs et des
16
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
25 oktober 2017 is gesloten tussen de representatieve organi-
saties van werknemers en werkgevers en de federale regering
wordt in artikel 55 van de programmawet de bijkomende stor-
tingen toegevoegd voor de fi nanciering van de pensioenpijler.
In 2018 gaat dit om een bedrag van 25 mio euro. Vanaf 2019
gaat dit jaarlijks om een bedrag van 12 mio euro.
Deze bedragen worden gestort aan het Sectoraal
Spaarfonds van de federale sectoren en hebben zowel be-
trekking op de werknemers met een arbeidsovereenkomst
bij de werkgevers van de private sector als bij werkgevers
van de publieke sector. De Koning zal de verdeling van deze
bedragen vastleggen over beide sectoren op basis van de
loonkost van enerzijds de loontrekkende werknemers in de
private sector en anderzijds de contractuele werknemers in
de publieke sector.
De bedragen die vanaf 2019 zullen worden gestort houden
geen rekening meer met de bedragen die betrekking hebben
op de werknemers die zijn tewerkgesteld in de gezondheids-
zorgsectoren die in het kader van de zesde staatshervorming
zijn overgedragen naar de deelstaten. Aan de index van 2018
gaat dit voor de contractuele werknemers bij de openbare
werkgevers en voor de loontrekkende werknemers bij de
private werkgevers respectievelijk om 1 349 409 euro en
2 510 740 euro.
De bedragen vanaf 2019 worden elk jaar aangepast aan
de evolutie van het rekenkundig gemiddelde van het gezond-
heidsindexcijfer van de maand juni en de indexcijfers van de
drie voorafgaande maanden tussen 30 juni van het voorlaatste
jaar en 30 juni van het vorige jaar.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
employeurs et le gouvernement fédéral, les versements sup-
plémentaires sont ajoutés à l’article 55 de la loi-programme
pour le fi nancement du pilier pension. En 2018, il s’agit d’un
montant de 25 millions EUR. À partir de 2019, il s’agit d’un
montant annuel de 12 millions EUR.
Ces montants sont versés au Fonds d’épargne sectoriel
des secteurs fédéraux et concernent les travailleurs salariés
liés par un contrat de travail aussi bien auprès d’un employeur
du secteur privé qu’auprès d’un employeur du secteur public.
Le Roi déterminera la répartition de ces montants entre les
deux secteurs sur la base du coût salarial des travailleurs
salariés du secteur privé, d’une part, et des travailleurs
contractuels du secteur public, d’autre part.
Les montants qui seront versés à partir de 2019 ne tiennent
plus compte des montants qui concernent les travailleurs
salariés occupés dans les secteurs de la santé et qui sont
transférés aux entités fédérées dans le cadre de la sixième
réforme de l’État. À l’indice de 2018, il s’agit respectivement
de montants de 1 349 409 EUR et 2 510 740 EUR pour les
travailleurs salariés contractuels auprès d’un employeur du
secteur public et pour les travailleurs salariés auprès d’un
employeur du secteur privé.
À partir de 2019, les montants sont adaptés chaque année
à l’évolution de la moyenne arithmétique de l’indice santé du
mois de juin et des chiffres de l’indice des trois mois précé-
dents entre le 30 juin de l’avant-dernière année et le 30 juin
de l’année qui a précédé.
17
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 9 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 74
Na artikel 74, een Hoofdstuk 16 invoegen,
luidende:
“Hoofdstuk 16 – Wijzigingen aan artikel 191 van de
wet betreffende de verplichte verzekering voor genees-
kundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op
14 juli 1994”
VERANTWOORDING
Dit amendement heeft tot doel een nieuw hoofdstuk 16 in te
voegen in het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen
in sociale zaken betreffende aanpassingen aan het artikel
191 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor
geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd
op 14 juli 1994.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 9 DE LACHAERT ET CONSORTS
Art. 74
Après l’article 74, insérer un Chapitre 16, rédigé
comme suit:
“Chapitre 16 – Modifi cations à l’article 191 de la
loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et
indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994”
JUSTIFICATION
Cet amendement vise à insérer dans le projet de loi por-
tant des dispositions diverses en matière sociale un nouveau
chapitre 16 concernant les modifi cations à article 191 de la loi
relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités,
coordonnée le 14 juillet 1994.
18
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 10 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 75 tot 78 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 16 en onder de vol-
gende nieuwe afdelingen 1 en 2, de artikelen 75 tot
78 invoegen, luidende:
“Afdeling 1. Heffingen op de omzet
“Art. 75. In artikel 191, eerste lid, 15°novies,
van de wet betreffende de verplichte verzekering
voor geneeskundige verzorging en uitkeringen,
gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij de
wet van 27 december 2005 en gewijzigd bij de
wetten van 27 december 2006, 21 december 2007,
8 juni 2008, 19 december 2008, 22 december 2008,
23 december 20 0 9, 29 december 2010,
28 december 2 011, 27 december 2 012,
26 december 2 013 , 19 december 2 014 ,
26 december 2015, 25 december 2016 en van
25 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin:
“Voor 2019 wordt het bedrag van die heffing vas-
tgesteld op 6,73 pct. van de omzet die in 2019 is
verwezenlijkt.”;
2° in het vijfde lid, laatste zin, wordt het woord “en”
vervangen door de vermelding “,” en wordt de zin
aangevuld als volgt:
“en voor 1 mei 2020 voor de omzet die in 2019 is
verwezenlijkt.”;
3° in het zevende lid, eerste zin, wordt het woord “en”
vervangen door de vermelding “,” en worden de woor-
den “en de heffing op de omzet 2019” ingevoegd tussen
de woorden “omzet 2018” en de woorden “worden via”;
4° het achtste lid wordt aangevuld met de volgende
zin:
N° 10 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 75 à 78 (nouveaux)
Dans le chapitre 16 précité et sous les nouveaux
sections 1er et 2, insérer les articles 75 à 78, rédigés
comme suit:
“Section 1. Cotisations sur le chiffre d’affaires
“Art. 75. A l’article 191, alinéa 1er, 15°novies, de la
loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé et
indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inséré par
la loi du 27 décembre 2005 et modifi é par les lois du
27 décembre 2006, du 21 décembre 2007, du 8 juin 2008,
du 19 décembre 2008, du 22 décembre 2008,
du 23 décembre 2009, du 29 décembre 2010,
du 28 décembre 2011, du 27 décembre 2012, du
26 décembre 2013, du 19 décembre 2014, du
26 décembre 2015, du 25 décembre 2016 et du
25 décembre 2017, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° le troisième alinéa est complété par la phrase
suivante:
“Pour 2019, le montant de cette cotisation est fi xé à
6,73 p.c. du chiffre d’affaires qui a été réalisé en 2019.”;
2° au cinquième alinéa, dernière phrase, le mot “et”
est remplacé par la mention “,” et la phrase est com-
plétée comme suit:
“et avant le 1er mai 2020 pour le chiffre d’affaires qui
a été réalisé en 2019.”;
3° au septième alinéa, dans la première phrase, le
mot “et” est remplacé par la mention “,” et les mots “et
la cotisation sur le chiffre d’affaires 2019” sont insérés
entre les mots “chiffre d’affaires 2018” et les mots “sont
versées”;
4° le huitième alinéa est complété par la phrase
suivante:
19
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Voor 2019 dienen het in het vorige lid bedoelde
voorschot en saldo respectievelijk gestort te worden
voor 1 juni 2019 en 1 juni 2020 op rekening van het
Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering,
met vermelding van respectievelijk “voorschot heffing
omzet 2019 “en “saldo heffing omzet 2019”.”;
5° het tiende lid wordt aangevuld met de volgende
zin:
“Voor 2019 wordt het voornoemde voorschot be-
paald op 6,73 pct. van de omzet die in het jaar 2018 is
verwezenlijkt.”;
6° het laatste lid wordt aangevuld met de volgende
zin:
“De ontvangsten die voortvloeien uit de heffing op de
omzet 2019 zullen in de rekeningen van de verplichte
verzekering voor geneeskundige verzorging worden
opgenomen in het boekjaar 2019.”.
Art. 76. In artikel 191, eerste lid, 15°duodecies, van de-
zelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 december 2009
en gewijzigd bij de wetten van 29 december 2010,
van 28 december 2011, van 27 december 2012, van
26 december 2013, van 19 december 2014, van
26 december 2015, van 25 december 2016 en van
25 december 2017, wordt het vijfde lid aangevuld met
de volgende zin:
“Voor 2019 wordt het bedrag van die heffing
vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2019 is
verwezenlijkt en het ermee samenhangende voorschot
wordt vastgesteld op 1 pct. van de omzet die in 2018
is verwezenlijkt.”.
Art. 77. In artikel 191, eerste lid, 15°terdecies, van
dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 2013
en gewijzigd bij de wetten van 19 december 2014,
26 december 2015, 25 december 2016 en
25 december 2017, wordt het vijfde lid aangevuld als
volgt:
“Pour 2019, l’avance et le solde visés au précédent
alinéa doivent être versés respectivement avant le
1er juin 2019 et le 1er juin 2020 sur le compte de l’Institut
national d’assurance maladie-invalidité en indiquant
respectivement la mention “avance cotisation chiffre
d’affaires 2019” et “solde cotisation chiffre d’affaires
2019”.”;
5° le dixième alinéa est complété par la phrase
suivante:
“Pour 2019 l’avance précitée est fi xée à 6,73 p.c. du
chiffre d’affaires qui a été réalisé dans l’année 2018.”;
6° le dernier alinéa est complété par la phrase
suivante:
“Les recettes qui résultent de la cotisation sur le chif-
fre d’affaires 2019 seront inscrites dans les comptes
de l’assurance obligatoire soins de santé de l’exercice
2019.”.
Art. 76. A l’article 191, alinéa 1er, 15°duodecies, de
la même loi, inséré par la loi du 23 décembre 2009
et modifié par les lois du 29 décembre 2010, du
28 décembre 2011, du 27 décembre 2012, du
26 décembre 2013, du 19 décembre 2014, du
26 décembre 2015, du 25 décembre 2016 et du
25 décembre 2017le cinquième alinéa est complété
par la phrase suivante:
“Pour 2019 , le montant de cette cotisation est fi xé
à 1 p.c. du chiffre d’affaires qui a été réalisé en 2019
et l’avance concernée est fi xée à 1 p.c. du chiffre
d’affaires réalisé en 2018.”.
Art. 77. A l’article 191, alinéa 1er, 15°terdecies, de la
même loi, inséré par la loi du 28 juin 2013 et modifi é par
les lois du 19 décembre 2014, du 26 décembre 2015,
du 25 décembre 2016 et du 25 décembre 2017, le cin-
quième alinéa est complété comme suit:
20
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
“Voor het jaar 2019 worden de percentages van deze
weesheffing vastgesteld op 0 pct. voor het deel van
de omzet van 0 tot en met 1,5 miljoen euro, op 3 pct.
voor het deel van de omzet van 1,5 tot en met 3 miljoen
euro en op 5 pct. voor het deel van de omzet groter dan
3 miljoen euro. De percentages, die op de verschillende
omzetniveaus toegepast worden om het voorschot 2019
vast te stellen, zijn gelijk aan de percentages die vast-
gesteld worden voor de weesheffing 2019.”.
Afdeling 2. Bijdrage op marketing
Art. 78. In artikel 191, eerste lid, 31°, van dezelfde wet,
ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en gewijzigd
bij de wetten van 26 december 2013, 19 december 2014,
26 december 2015, 25 december 2016 en van
25 december 2017 worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende
zin:
“Voor 2019 wordt de compensatoire bijdrage
gehandhaafd.”;
2° in het tweede lid worden de woorden “en verwe-
zenlijkt in 2018, voor het jaar 2018” vervangen door de
woorden “verwezenlijkt in 2018, voor het jaar 2018, en
verwezenlijkt in 2019, voor het jaar 2019”;
3° het derde lid wordt aangevuld als volgt:
“Het voorschot 2019, vastgesteld op 0,13 pct. van
het in 2018 verwezenlijkte omzetcijfer, wordt vóór
1 juni 2019 gestort op rekening van het Rijkinstituut
voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermel-
ding van “Voorschot compensatoire bijdrage 2019” en
het saldo wordt vóór 1 juni 2020 gestort op dezelfde
rekening met de vermelding “Saldo compensatoire
bijdrage 2019”.”;
4° in het vijfde lid wordt het woord “en” opgeheven
en wordt de zin aangevuld als volgt:
“, en in het boekjaar 2019, voor de bijdrage 2019.””
“Pour l’année 2019, les pourcentages de cette
cotisation orpheline s’élèvent à 0 % pour la tranche
du chiffre d’affaires allant de 0 à 1,5 millions d’euros,
3 % pour la tranche du chiffre d’affaires allant de 1,5 à
3 millions d’euros et à 5 % pour la tranche du chiffre
d’affaires qui est supérieure à 3 millions d’euros. Les
pourcentages, appliqués aux différents paliers pour
constituer l’avance 2019 sont identiques à ceux fi xés
pour la cotisation orpheline 2019.”.
Section 2. Contribution sur le marketing
Art. 78. A l’article 191, alinéa 1er, 31°, de la même loi,
inséré par la loi du 27 décembre 2012 et modifi é par
les lois du 26 décembre 2013, du 19 décembre 2014,
du 26 décembre 2015, du 25 décembre 2016 et du
25 décembre 2017, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° le premier alinéa est complété par la phrase
suivante:
“Pour 2019, la contribution compensatoire est
maintenue.”;
2° au deuxième alinéa, les mots “et réalisé en 2018,
pour l’année 2018” sont remplacés par les mots “réalisé
en 2018, pour l’année 2018, et réalisé en 2019, pour
l’année 2019”;
3° le troisième alinéa est complété comme suit:
“L’acompte 2019, fi xé à 0,13 % du chiffre d’affaires
réalisé en 2018, est versé avant le 1er juin 2019 sur le
compte de l’Institut national d’assurance maladie-
invalidité, en indiquant la mention “Acompte contribu-
tion compensatoire 2019” et le solde est versé avant
le 1er juin 2020 sur ce même compte avec la mention
“Solde contribution compensatoire 2019” .”;
4° au cinquième alinéa, le mot “et” est supprimé et
la phrase est complétée comme suit:
“, et pour l’année comptable 2019, pour ce qui con-
cerne la contribution 2019.””
21
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
VERANTWOORDING
Afdeling 1 – Heffingen op de omzet
Deze afdeling heeft tot doel de inning van de heffingen op
het zakencijfer van de vergoedbare farmaceutische speciali-
teiten voor het jaar 2019 te regelen.
De basisheffing die sinds 2006 voorzien is in artikel 191,
eerste lid, 15°novies, van de gecoördineerde wet betreffende
de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en
uitkeringen wordt verdergezet in 2019, met een percentage
van 6,73 %.
De verderzetting van deze heffing in 2019 laat toe een
continuïteit te handhaven op budgettair niveau in vergelijking
met het in vorige jaren gevoerde beleid. Het percentage van
de heffing voorzien in artikel 191, eerste lid, 15°novies, van
de wet wordt sinds 2010 vastgelegd op 6,73 %.
De heffing die voorzien is in artikel 191, eerste lid, 15°duo-
decies, van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte
verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen
heeft als doel de farmaceutische bedrijven te laten bijdragen
aan het behoud van de budgettaire situatie.
Gezien de huidige budgettaire conjunctuur, wordt deze
bijdrageheffing van 1 % eveneens verdergezet.
De weesheffing die beschreven wordt in artikel 191, eerste
lid, 15°terdecies van de gecoördineerde wet betreffende de
verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en
uitkeringen, bedoeld om de weesgeneesmiddelen met een
omzet hoger dan 1,5 miljoen te laten deelnemen aan de uit-
gaven van de solidariteit, wordt verdergezet.
De uitgaven van de sociale zekerheid voor dit soort van ge-
neesmiddelen zijn niet verminderd. Als gevolg hiervan, maar
eveneens rekening houdend met het nut van deze producten,
wordt de weesheffing verdergezet onder de vorm van een
deelname, maar in een beperktere mate, aan de solidariteit.
Artikel 75 voorziet de verderzetting van de “standaardhef-
fi ng” en zijn uitvoeringsmodaliteiten voor het jaar 2019.
Artikel 76 voorziet de verderzetting van de “bijdrageheffing”
voor het jaar 2019.
Artikel 77 voorziet de verderzetting van de “weesheffing”
voor het jaar 2019.
JUSTIFICATION
Section 1 – Cotisations sur le chiffres d’affaires
La présente section vise à régler la perception des cotisa-
tions sur le chiffre d’affaires des spécialités pharmaceutiques
remboursables pour l’année 2019.
La cotisation de base qui est prévue depuis 2006 à l’article
191, alinéa 1er, 15°novies, de la loi coordonnée relative à
l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités est
reconduite en 2019. Le pourcentage appliqué est de 6,73 %.
La reconduction de cette cotisation en 2019 permet de
maintenir une continuité au niveau budgétaire par rapport à la
politique menée à cet égard au cours des années antérieures.
En effet, le pourcentage de la cotisation prévue à l’article 191,
alinéa 1er, 15°novies, de la loi, est depuis 2010 de 6,73 %.
La contribution décrite à l’article 191, alinéa 1er, 15°duode-
cies, de la loi coordonnée relative à l’assurance obligatoire
soins de santé et indemnités, vise à faire participer les fi rmes
pharmaceutiques au maintien de la situation budgétaire.
Vu la conjoncture budgétaire actuelle, cette cotisation
contributive de 1 % est également maintenue.
La cotisation orpheline décrite à l’article 191, alinéa 1er,
15°terdecies de la loi coordonnée relative à l’assurance
obligatoire maladie-invalidité, visant à faire participer aux
dépenses de la solidarité, les médicaments orphelins dont
les chiffres d’affaires sont supérieurs à 1,5 millions d’euros
est reconduite.
Les dépenses de la sécurité sociale pour cette gamme de
médicaments n’ont pas diminué, par conséquent vu ces der-
nières mais tenant compte aussi de l’utilité de ces produits, la
cotisation orpheline est maintenue comme une participation,
mais moindre, à la solidarité.
L’article 75 prévoit la reconduction de la “cotisation stan-
dard” et ses modalités d’exécution pour l’année 2019.
L’article 76 maintient la “cotisation contributive” pour
l’année 2019.
L’article 77 maintient la “cotisation orpheline” pour l’année
2019.
22
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Afdeling 2. Bijdrage op marketing
De bijdrage die voorzien is in artikel 191, eerste lid, 31°,
van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verze-
kering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen werd
ingevoerd om het effect van de promotie op de verhoging van
het aantal voorschriften van de vergoedbare geneesmiddelen
te compenseren.
De publicaties in verband met farmaceutische marketing
onderlijnen een allocatie aan deze sector die ongeveer 10 %
van het omzetcijfer vertegenwoordigt. Deze hebben eveneens
de invoering van deze bijdrage ondersteund. Deze bijdrage
wordt verdergezet in het jaar 2019.
Artikel 78 bepaalt de verderzetting van de “compensatoire
bijdrage” voor het jaar 2019.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
Section 2. Contribution sur le marketing
La contribution prévue à l’article 191, alinéa 1er, 31°, de la loi
coordonnée relative à l’assurance obligatoire soins de santé
et indemnité, a été instaurée pour contrebalancer l’effet de la
promotion sur l’augmentation du volume de prescription des
médicaments remboursables.
Les publications en matière de marketing pharmaceutique
soulignent une allocation à ce secteur représentant près de
10 % du chiffre d’affaires. Ces publications ont aussi soutenu
l’instauration de cette contribution. Cette contribution est
maintenue pour l’année 2019.
Art. 78. L’article 78 maintient la “contribution compensa-
toire” pour l’année 2019.
23
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 11 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 78
Na het voornoemde artikel 78, een Hoofdstuk
17 invoegen, luidende:
“Hoofdstuk 17 – Wijzigingen aan het artikel 40 van
de wet betreffende de verplichte verzekering voor ge-
neeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd
op 14 juli 1994”
VERANTWOORDING
Dit amendement heeft tot doel een nieuw hoofdstuk 17 in te
voegen in het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen
in sociale zaken betreffende aanpassingen aan het artikel
40 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor
geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd
op 14 juli 1994.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 11 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 78
Après l’article 78 précité, insérer un chapitre 17,
rédigé comme suit:
“Chapitre 17 – modifi cations à l’article 40 de la loi
relative à l’assurance obligatoire soins de santé et
indemnités coordonnée le 14 juillet 1994”
JUSTIFICATION
Cet amendement vise à insérer dans le projet de loi por-
tant des dispositions diverses en matière sociale un nouveau
chapitre 17 concernant les modifi cations à article 40 de la loi
relative à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités,
coordonnée le 14 juillet 1994,
24
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 12 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 79 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 17 een artikel 79
invoegen, luidende:
”Art. 79. In artikel 40, § 1er, vierde lid, van de wet
betreffende de verplichte verzekering voor genees-
kundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd
op 14 juli 1994, laatstelijk gewijzigd bij de wet van
25 december 2017, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden “86 788 duizend euro” worden ver-
vangen door de woorden “117 413 duizend euro”;
2° de woorden “63 788 duizend euro” worden ver-
vangen door de woorden “114 921 duizend euro”.
3° wordt een zin toegevoegd luidende:
“Voor het jaar 2020 wordt het bedrag van de globale
jaarlijkse begrotingsdoelstelling bijkomend verhoogd
met 25 000 duizend euro. Deze bijkomende verhoging
maakt integraal deel uit van de globale jaarlijkse be-
grotingsdoelstelling voor het jaar 2020.”
VERANTWOORDING
De globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling dient aange-
past te worden om rekening te houden met de vergoeding
van de psychologische zorg in de eerste lijn. Daartoe werd
een bedrag op jaarbasis voorzien van 22 500 duizend euro. In
functie van de toepassingsdatum (1 oktober 2018) wordt een
bedrag van 5 625 duizend euro toegevoegd aan de globale
begrotingsdoelstelling 2018 en het saldo (22 500 duizend
euro – 5 625 duizend euro = 16 875 duizend euro) wordt toe-
gevoegd aan de globale begrotingsdoelstelling 2019.
In het kader van het sociaal akkoord dat werd afgesloten
op 25 oktober 2017 met de federale gezondheidssector is het
noodzakelijk om een bedrag van 25 000 duizend euro toe te
voegen aan de globale begrotingsdoelstelling 2018 en om
een bedrag van 25 000 duizend euro toe te voegen aan de
globale begrotingsdoelstelling 2019 en 2020.
N° 12 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 79 (nouveau)
Dans le Chapitre 17 précité, insérer un article 79,
rédigé comme suit:
“Art. 79. A l’article 40, § 1er, alinéa 4, de la loi relative
à l’assurance obligatoire soins de santé et indemnités
coordonnée le 14 juillet 1994, modifi é en dernier lieu par
la loi du 25 décembre 2017, les modifi cations suivantes
sont apportées:
1° les mots “86 788 milliers d’euros” sont remplacés
par les mots “117 413 milliers d’euros”;
2° les mots “63 788 milliers d’euros” sont remplacés
par les mots “114 921 milliers d’euros”.
3° une phrase est ajoutée, rédigée comme suit:
“Pour l’année 2020, le montant de l’objectif bud-
gétaire annuel global est augmenté de 25 000 milliers
d’euros supplémentaires. Cette augmentation supplé-
mentaire fait partie intégrante de l’objectif budgétaire
annuel global pour l’année 2020.”
JUSTIFICATION
L’objectif budgétaire annuel global doit être adapté en vue
de tenir compte du remboursement des soins psychologiques
de première ligne. A cette fi n, il a été prévu un montant sur
une base annuelle de 22 500 milliers d’euros. En fonction
de la date d’application (1er octobre 2018), un montant de
5 625 milliers d’euros est ajouté à l’objectif budgétaire glo-
bal 2018 et le solde (22 500 milliers d’euros – 5 625 milliers
d’euros = 16 875 milliers d’euros) est ajouté à l’objectif bud-
gétaire global 2019.
Dans le cadre de l’accord social conclu le 25 octobre 2017
avec le secteur fédéral de la santé, il est nécessaire d’ajouter
un montant de 25 000 milliers d’euros à l’objectif budgétaire
global 2018 et d’ajouter un montant de 25 000 milliers d’euros
à l’objectif budgétaire global 2019 et 2020.
25
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Wegens de integratie van een gedeelte van de
Overzeese Sociale Zekerheid -gepensioneerden in de ZIV
op 1 januari 2019 dient een bedrag van 4 258 duizend euro
toegevoegd te worden aan de jaarlijkse globale begrotings-
doelstelling 2019.
Wegens de terugbetaling vanaf 1 januari 2019 van maxi-
maal 6 dieetverstrekkingen bij de diëtist voor kinderen met
obesitas dient een bedrag van 5 000 duizend euro toegevoegd
te worden aan de jaarlijkse globale begrotingsdoelstelling
2019.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
En raison de l’intégration d’une partie de la Sécurité sociale
d’Outre-Mer-pensionnés dans l’assurance obligatoire au
1er janvier 2019, un montant de 4 258 milliers d’euros doit être
ajouté à l’objectif budgétaire annuel global 2019.
En raison du remboursement dès le 1er janvier 2019 de
maximum 6 prestations de diététique auprès d’un diététi-
cien pour des enfants souffrant d’obésité, un montant de
5 000 milliers d’euros doit être ajouté à l’objectif budgétaire
annuel global 2019.
26
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 13 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 79
Na het voornoemde artikel 79, een Hoofdstuk 18
invoegen, luidende:
“Hoofdstuk 18. Intrekking van de artikelen 22 tot en
met 25 van de programmawet van 27 december 2012”
VERANTWOORDING
Dit amendement heeft tot doel een nieuw hoofdstuk betref-
fende de strijd tegen het misbruik van A1 documenten in te
voegen in het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen
inzake sociale zaken.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 13 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 79
Après l’article 79 insérer un Chapitre 18, rédigé
comme suit:
“Chapitre 18. Retrait des articles 22 jusqu’à 25 de
la loi-programme du 27 décembre 2012”
JUSTIFICATION
Cet amendement vise à insérer un nouveau chapitre
concernant la lutte contre l’abus des documents A1 dans la
loi portant des dispositions diverses en matière sociale.
27
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 14 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 80 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 18, een artikel
80 invoegen, luidende:
“Art. 80. In titel 3, hoofdstuk 1, van de programmawet
van 27 december 2012 wordt afdeling 2, die de artikelen
22 tot 25 bevat, ingetrokken.”
VERANTWOORDING
Ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van 11 juli 2018
in de zaak C-356/15 voorziet dit amendement in de intrekking
van de regeling over het rechtsmisbruik van A1 verklaringen
vervat in de artikelen 22 tot 25 van de programmawet van
27 december 2012.
De Europese Commissie had op 13 juli 2015 een beroep
wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU ingesteld
tegen deze regeling.
In zijn arrest heeft het Hof van Justitie de Europese
Commissie in het gelijk gesteld en geoordeeld dat het
Koninkrijk België, door de artikelen 23 en 24 van de pro-
grammawet van 27 december 2012 aan te nemen, zijn
verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krach-
tens artikel 11, lid 1, artikel 12, lid 1, en artikel 76, lid 6, van
verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement
en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van
de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening
(EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad
van 22 mei 2012, en krachtens artikel 5 van verordening (EG)
nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van
16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepas-
sing van verordening nr. 883/2004.
In de punten 93 tot 95 bevestigt het Hof zijn rechtspraak
over het naleven van de dialoog- en bemiddelingsprocedure
zoals het die doorheen de jaren ontwikkeld en, in het arrest
Altun e.a. van 6 februari 2018, recent verfi jnd heeft:
“93. Derhalve dient, wanneer sprake is van een – zelfs ken-
nelijke – onjuiste beoordeling van de toepassingsvoorwaarden
van verordening nr. 883/2004, de verplichte procedure voor
de beslechting van eventuele geschillen tussen de organen
van de betrokken lidstaten over de geldigheid of juistheid van
een A1-verklaring te worden gevolgd, zelfs al zou zijn gebleken
N° 14 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 80 (nouveau)
Dans le Chapitre 18 précité, insérer un article 80,
rédigé comme suit:
“Art. 80. Dans le titre 3, chapitre 1er, de la loi-program-
me du 27 décembre 2012, la section 2, comportant les
articles 22 jusqu’à 25, est retirée.”
JUSTIFICATION
Suite à l’arrêt de la Cour de Justice du 11 juillet 2018 dans
l’affaire C-356/15, le présent amendement prévoit le retrait
de la mesure de l’abus de droit des déclaration A1 reprise
dans les articles 22 à 25 inclus de la loi-programme du
27 décembre 2012.
Le 13 juillet 2015, la Commission européenne a introduit
un recours en manquement au titre de l’article 258 TFUE
contre cette mesure.
Dans son arrêt la Cour de Justice a jugé en faveur
de la Commission et dit pour droit que le Royaume de
Belgique, en adoptant les articles 23 et 24 de la loi-pro-
gramme du 27 décembre 2012, a manqué aux obligations
qui lui incombent en vertu de l’article 11, paragraphe 1, de
l’article 12, paragraphe 1, et de l’article 76, paragraphe 6,
du règlement (CE) no 883/2004 du Parlement européen
et du Conseil, du 29 avril 2004, portant sur la coordination
des systèmes de sécurité sociale, tel que modifi é par le
règlement (UE) no 465/2012 du Parlement européen et du
Conseil, du 22 mai 2012, ainsi que de l’article 5 du règlement
(CE) no 987/2009 du Parlement européen et du Conseil, du
16 septembre 2009, fi xant les modalités d’application du
règlement no 883/2004.
Dans les points 93 jusqu’à 95 la Cour a confi rmé sa juris-
prudence relatif au respect de la procédure de dialogue et de
conciliation comme elle l’a développé au cours des années
et, dans l’arrêt Altun du 6 février 2018, récemment affiné:
“93. Ainsi, en cas d’erreur, même manifeste, d’appréciation
des conditions d’application du règlement no 883/2004, et
quand bien même il serait avéré que les conditions de l’acti-
vité des travailleurs concernés n’entrent manifestement pas
dans le champ d’application matériel de la disposition sur la
base de laquelle le certifi cat A 1 a été délivré, la procédure à
28
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
dat de arbeidsvoorwaarden van de betrokken werknemers
kennelijk niet binnen de materiële werkingssfeer vallen van de
bepaling op grond waarvan de A1-verklaring werd afgegeven.
94. Indien zou worden aanvaard dat de lidstaat waar de
werknemer is gedetacheerd, een wettelijke regeling zou
kunnen vaststellen op grond waarvan zijn eigen organen
eenzijdig een A1-verklaring ongeldig kunnen laten verklaren
door een rechterlijke instantie van die lidstaat, kan het op de
loyale samenwerking tussen de bevoegde organen van de
lidstaten gebaseerde stelsel in gevaar komen. Zolang de A1-
verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard, geldt zij in
beginsel dus in de interne rechtsorde van de lidstaat waarin
de betrokken werknemers zijn gedetacheerd en bindt zij dan
ook de organen ervan.
95. Dientengevolge druist een wettelijke regeling zoals de
artikelen 23 en 24 van de programmawet, op grond waarvan
de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk België een werk-
nemer unilateraal kunnen onderwerpen aan de Belgische
socialezekerheidswetgeving, in tegen het in artikel 11, lid 1,
van verordening nr. 883/2004 neergelegde beginsel dat werk-
nemers in loondienst slechts bij één socialezekerheidsrege-
ling zijn aangesloten, alsmede tegen het rechtszekerheidsbe-
ginsel dat met name vereist dat de rechtsregels duidelijk en
nauwkeurig zijn en dat de effecten ervan voorzienbaar zijn,
inzonderheid wanneer zij nadelige gevolgen voor particulieren
en ondernemingen kunnen hebben.”
Het Hof verduidelijkt in de punten 99 tot 102 tevens hoe
gevallen van fraude en misbruik met respect voor het toepas-
selijke Unierecht voortaan benadert moeten worden en het
bevestigt daarmee zijn rechtspraak van de zaak Altun:
“99. Het is inderdaad zo dat volgens vaste rechtspraak van
het Hof justitiabelen zich door middel van fraude of misbruik
niet kunnen beroepen op het Unierecht daar het beginsel dat
fraude en misbruik van recht verboden zijn een algemeen
beginsel van Unierecht vormt dat justitiabelen dienen na te
leven. De Unieregelgeving mag immers niet zo ruim worden
toegepast dat zij handelingen zou dekken die zijn verricht met
het doel om door fraude of misbruik te profi teren van de door
het Unierecht toegekende voordelen.
100. In die context heeft het Hof vastgesteld dat wanneer
het orgaan van de lidstaat waar de werknemers zijn gedeta-
cheerd, zich in het kader van de in artikel 76, lid 6, van verorde-
ning nr. 883/2004 voorziene dialoog tot het orgaan wendt dat
de A1-verklaringen heeft afgegeven en het concrete gegevens
verstrekt die de aanname staven dat deze verklaringen door
fraude zijn verkregen, is in die context dit tweede orgaan op
suivre pour résoudre les éventuels différends entre les insti-
tutions des États membres concernés portant sur la validité
ou l’exactitude d’un certifi cat A1 doit être respectée.
94. S’il était admis que l’État membre dans lequel le travail-
leur est détaché puisse adopter une législation autorisant ses
propres institutions à faire déclarer invalide unilatéralement
un certifi cat A 1 en saisissant une juridiction de ce même État
membre, le système fondé sur la coopération loyale entre les
institutions compétentes des États membres risquerait d’être
compromis. Dès lors, aussi longtemps qu’il n’est pas retiré
ou déclaré invalide, le certifi cat A1 s’impose, en principe,
dans l’ordre juridique interne de l’État membre dans lequel
sont détachés les travailleurs concernés et, partant, lie ses
institutions.
95. Par voie de conséquence, une législation, telle que
les articles 23 et 24 de la loi-programme, qui autorise les
autorités compétentes du Royaume de Belgique à soumettre
unilatéralement un travailleur à la législation belge en matière
de sécurité sociale s’oppose au principe de l’affiliation des
travailleurs salariés à un seul régime de sécurité sociale, établi
à l’article 11, paragraphe 1, du règlement no 883/2004, ainsi
qu’au principe de sécurité juridique qui exige, notamment, que
les règles de droit soient claires, précises et prévisibles dans
leurs effets, en particulier lorsqu’elles peuvent avoir sur les
individus et les entreprises des conséquences défavorables.”
En outre, la Cour clarifie dans les points 99 jusqu’à
102 comment les cas de fraude et d’abus devront dorénavant
être appréhendés en respectant le droit de l’Union applicable
et, en faisant cela, elle confi rme sa jurisprudence de l’affaire
Altun:
“99. Certes, conformément à la jurisprudence de la Cour,
les justiciables ne sauraient frauduleusement ou abusivement
se prévaloir des normes de l’Union, le principe d’interdiction
de la fraude et de l’abus de droit constituant un principe
général du droit de l’Union dont le respect s’impose aux
justiciables. En effet, l’application de la réglementation de
l’Union ne saurait être étendue jusqu’à couvrir les opérations
qui sont réalisées dans le but de bénéfi cier frauduleusement
ou abusivement des avantages prévus par le droit de l’Union.
100. Dans ce contexte, la Cour a constaté que, lorsque
dans le cadre du dialogue prévu à l’article 76, paragraphe 6,
du règlement no 883/2004, l’institution de l’État membre
dans lequel des travailleurs ont été détachés saisit l’institution
émettrice des certifi cats A 1 d’éléments concrets qui donnent
à penser que ces certifi cats ont été obtenus frauduleusement,
il appartient à la seconde institution, en vertu du principe de
29
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
grond van het beginsel van loyale samenwerking gehouden
om in het licht van deze gegevens opnieuw te onderzoeken of
die verklaringen terecht zijn afgegeven en deze in voorkomend
geval in te trekken.
101. Indien dit laatste orgaan niet binnen een redelijke
termijn overgaat tot een dergelijke heroverweging kunnen de
voornoemde gegevens worden aangevoerd in het kader van
een gerechtelijke procedure ertoe strekkende dat de rechter
van de lidstaat waar de werknemers zijn gedetacheerd de
betrokken verklaringen niet in aanmerking neemt.
102. In een dergelijke situatie kan de nationale rechter de
betrokken A1-verklaringen buiten beschouwing laten en dient
hij te bepalen of de personen die ervan worden verdacht
onder de dekmantel van frauduleus verkregen verklaringen
een beroep te hebben gedaan op gedetacheerde werkne-
mers, aansprakelijk kunnen worden gesteld op grond van het
toepasselijke nationale recht.”
In punt 104 stelt het Hof vast dat de artikelen 23 en
24 van de programmawet van 27 december 2012 hieraan
niet voldoen.
Aangezien de betwiste regeling van in den beginne niet
werd toegepast ingevolge het onderzoek van de Europese
Commissie ernaar, wordt er voor gekozen om de regeling in
te trekken in plaats van ze op te heffen. Dit betekent dat de
bepalingen met terugwerkende kracht volledig worden afge-
schaft, zodat ze geacht worden nooit te hebben bestaan en
nooit uitwerking te hebben gehad.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
coopération loyale, de réexaminer, à la lumière de ces élé-
ments, le bien-fondé de la délivrance desdits certifi cats et, le
cas échéant, de retirer ceux-ci.
101. Si cette dernière institution s’abstient de procéder à
un tel réexamen dans un délai raisonnable, lesdits éléments
doivent pouvoir être invoqués dans le cadre d’une procédure
judiciaire, aux fi ns d’obtenir du juge de l’État membre dans
lequel les travailleurs ont été détachés qu’il écarte les certi-
fi cats en cause.
102. Dans un tel cas, le juge national peut écarter les cer-
tifi cats A 1 concernés et il lui appartient de déterminer si les
personnes soupçonnées d’avoir eu recours à des travailleurs
détachés sous le couvert de certifi cats obtenus de manière
frauduleuse sont susceptibles de voir leur responsabilité
engagée sur la base du droit national applicable.”
Dans le point 104 la Cour constate que les articles 23 et
24 de la loi-programme du 27 décembre 2012 ne satisfont
pas à ces conditions.
Vu que la mesure litigieuse n’a pas été appliquée depuis
son adoption suite à la requête de la Commission européenne,
il est choisi de la retirer au lieu de l’abroger. Cela signifi e que
les dispositions sont complètement supprimées avec effet
rétroactif, de telle sorte qu’elles sont censés n’avoir jamais
existé et n’avoir jamais produit d’effet.
30
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 15 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 80
Na het voornoemde artikel 80, een hoofdstuk
19 invoegen, met als opschrift:
“Hoofdstuk 19. Wijzigingen van de wet van
6 september 2018 tot wijziging van de regelgeving
met het oog op de versterking van het adoptieverlof en
tot invoering van het pleegouderverlof”
VERANTWOORDING
De wet van 6 september 2018 tot wijziging van de regel-
geving met het oog op de versterking van het adoptieverlof
en tot invoering van het pleegouderverlof wijzigt de wet van
3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten enerzijds,
alsook het koninklijk besluit van 20 december 2006 tot in-
voering van de toekenningsvoorwaarden van een adoptie-
uitkering ten gunste van de zelfstandigen.
Wat de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsover-
eenkomsten betreft, wordt meer bepaald artikel 30ter met
betrekking tot het adoptieverlof hervormd, terwijl in artikel
30quater een nieuwe paragraaf wordt ingevoegd teneinde
een pleegouderverlof ingeval van langdurige pleegzorg in
te voeren.
De voorgenomen wijzigingen beogen bepaalde verduidelij-
kingen en aanvullingen aan te brengen om de doeltreffendheid
van deze maatregelen te verhogen en het door de auteurs
van de wet van 6 september 2018 nagestreefde doel bijgevolg
haalbaar te maken.
Voor wat het adoptieverlof betreft, hebben de voorge-
stelde verbeteringen onder andere betrekking op de volgende
punten:
— Het tot stand brengen van een recht op verlof voor de
werknemer ingeval van interlandelijke adoptie;
— Voorzien in de uitvoering van sommige bepalingen door
middel van een koninklijk besluit;
— Het verbeteren van de leesbaarheid van de tekst en
waarborgen van het parallellisme tussen het stelsel voor de
werknemer en de zelfstandige;
N° 15 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 80
Après l’article 80 précité, insérer un chapitre 19,
intitulé
“Chapitre 19. Modifications de la loi du
6 septembre 2018 modifi ant la réglementation en vue
de renforcer le congé d’adoption et d’instaurer le congé
parental d’accueil”
JUSTIFICATION
La loi du 6 septembre 2018 modifi ant la réglementation
en vue de renforcer le congé d’adoption et d’instaurer le
congé parental d’accueil modifi e la loi du 3 juillet 1978 relative
aux contrats de travail d’une part ainsi que l’arrêté royal du
20 décembre 2006 instaurant les conditions d’octroi d’une
allocation d’adoption en faveur des travailleurs indépendants
d’autre part.
Plus particulièrement, en ce qui concerne la loi du
3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, l’article 30ter
concernant le congé d’adoption est réformé tandis qu’un
nouveau paragraphe est inséré dans l’article 30quater afi n
d’instaurer un congé parental d’accueil en cas de placement
de longue durée.
Les modifi cations envisagées ont pour but d’apporter
certaines précisions et ajouts afi n d’augmenter l’effectivité de
ces mesures et donc de rendre réalisable l’objectif poursuivi
par les auteurs de la loi du 6 septembre 2018.
En ce qui concerne le congé d’adoption, les améliorations
proposées concernent entre autres les thèmes suivants:
— Créer un droit au congé pour le travailleur salarié en cas
d’adoption internationale;
— Prévoir l’exécution de certaines dispositions via arrêté
royal;
— Améliorer la lisibilité du texte et assurer le parallélisme
entre les systèmes du travailleur salarié et indépendant;
31
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
— Voorzien in overgangsbepalingen omwille van de
rechtszekerheid.
Voor wat het nieuwe pleegouderverlof betreft, hebben de
beoogde wijzigingen onder andere betrekking op de volgende
punten:
— Het verbeteren van de leesbaarheid van de tekst;
— Omwille van de rechtszekerheid, in de wet uitdrukkelijke
bepalingen opnemen met betrekking tot de nadere regels
van uitoefening- en uitkering, identiek aan het adoptieverlof
en de begrippen verfi jnen om van het pleegouderverlof te
kunnen genieten;
— Voorzien in de uitvoering van sommige bepalingen door
middel van een koninklijk besluit;
— Voorzien in overgangsbepalingen omwille van de
rechtszekerheid.
— Het creëren van een gelijkaardig recht in het stelsel
voor zelfstandigen.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
— Prévoir des dispositions transitoires afi n d’assurer la
sécurité juridique.
En ce qui concerne le nouveau congé parental d’accueil,
les modifi cations envisagées concernent entre autres les
thèmes suivants:
— Améliorer la lisibilité du texte;
— Afi n de garantir la sécurité juridique, prévoir des disposi-
tions expresses dans la loi quant aux modalités d’exercice et
d’indemnisation, identiques au congé d’adoption et affiner les
notions pour pouvoir bénéfi cier du congé parental d’accueil;
— Prévoir l’exécution de certaines dispositions via arrêté
royal;
— Prévoir des dispositions transitoires afi n d’assurer la
sécurité juridique;
— Créer un droit similaire dans le régime des travailleurs
indépendants.
32
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 16 VAN DE HEER LACHAERT c.s
Art. 81 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 81 in-
voegen, luidende:
“Art. 81. In artikel 2 van de wet van 6 september 2018
tot wijziging van de regelgeving met het oog op de
versterking van het adoptieverlof en tot invoering van
het pleegouderverlof worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
a) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt:
“3° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Het adoptieverlof van zes weken per adoptieouder
wordt als volgt opgetrokken voor de adoptieouder of
voor beide adoptieouders samen:
1° met één week vanaf 1 januari 2019
2° met twee weken vanaf 1 januari 2021;
3° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
4° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
5° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.”;”;
b) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt:
“4° tussen het tweede en het derde lid, dat het zesde
lid wordt, worden drie leden ingevoegd, luidende:
“De Koning kan een vroegere datum van inwerking-
treding vastleggen voor het recht op de bijkomende
weken als bedoeld in het tweede lid, 2° tot en met 5°.
Het tweede lid is enkel van toepassing op aanvragen
gebeurd overeenkomstig § 3 vanaf de inwerkingtreding
van de betrokken optrekking en voor zover het adop-
tieverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum
van inwerkingtreding.
N° 16 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 81 (nouveau)
Dans le chapitre 19 précité, insérer un article 81,
rédigé comme suit:
“Art. 81. Dans l’article 2 de la loi du 6 septembre 2018
modifi ant la réglementation en vue de renforcer le congé
d’adoption et d’instaurer le congé parental d’accueil,
les modifi cations suivantes sont apportées:
a) le 3° est remplacé comme suit:
“3° le deuxième alinéa est remplacé comme suit:
“Le congé d’adoption de six semaines par parent
adoptif est allongé de la manière suivante pour le parent
adoptif ou pour les deux parents adoptifs ensemble:
1° d’une semaine à partir du 1er janvier 2019;
2° de deux semaines à partir du 1er janvier 2021;
3° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023;
4° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025;
5° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.”;”;
b) le 4° est remplacé comme suit:
“4° entre le deuxième et le troisième alinéa, qui
devient l’alinéa 6, sont insérés trois alinéas, rédigés
comme suit:
“Le Roi peut fi xer une date antérieure d’entrée en
vigueur pour le droit aux semaines supplémentaires
visées au deuxième alinéa, 2° à 5° inclus.
Le deuxième alinéa ne s’applique qu’aux demandes
introduites conformément au § 3 à partir de l’entrée en
vigueur de l’allongement concerné et pour autant que
le congé d’adoption prenne cours au plus tôt à partir
de la même date d’entrée en vigueur.
33
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
In geval van twee adoptieouders worden de bij-
komende weken bedoeld in het tweede lid onderling
tussen hen verdeeld, waarbij er, in voorkomend geval,
rekening wordt gehouden met het recht op adoptieverlof
van de andere adoptieouder bedoeld in artikel 18bis,
§ 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967
houdende inrichting van het sociaal statuut der zelf-
standigen. De Koning kan bepalen op welke wijze de
werknemer hiervan het bewijs levert.”;”.”
VERANTWOORDING
Artikel 2, 3° van de wet van 6 september 2018 is opge-
steld onder de vorm van één enkel lid, terwijl het er twee telt.
Omwille van de rechtszekerheid worden de onderscheiden
leden opnieuw opgesplitst.
Daarnaast worden de woorden “uiterlijk” geschrapt en
wordt tegelijkertijd voorzien in de bevoegdheid voor de
Koning om, overeenkomstig de wil van de auteurs van de
wet van 6 september 2018 (Doc. 54, 2240/003) de optrek-
king van het verlof sneller door te voeren, wanneer de nodige
middelen beschikbaar zijn. Het artikel 2, 4° van de wet van
6 september 2018 is in die zin herwerkt.
De huidige bepalingen van de wet van 6 september 2018,
bevatten geen specifi eke regel met betrekking tot de toepas-
sing in de tijd van de bijkomende weken adoptieverlof.
Intussen blijkt dat het gebrek aan duidelijke regel, aanlei-
ding zou kunnen geven tot verwarring en rechtsonzekerheid.
Vandaar dat er in het vierde lid een overgangsregeling wordt
opgenomen.
Concreet zullen de betrokken bijkomende weken telkens
slechts van toepassing zijn wanneer er cumulatief is voldaan
aan twee voorwaarden. Er moet ten eerste sprake zijn van een
aanvraag die de werknemer ten vroegste vanaf de bedoelde
datum (zijnde 1 januari 2019, 1 januari 2023, 1 januari 2025
en 1 januari 2027, of desgevallend vanaf de vroegere datum
van inwerkingtreding vastgelegd bij koninklijk besluit) indient
bij de werkgever. Ten tweede zal het aangevraagde adop-
tieverlof ten vroegste een aanvang kunnen nemen vanaf
diezelfde datum.
S’il y a deux parents adoptifs, ceux-ci se répartissent
entre eux les semaines supplémentaires visées au
deuxième alinéa, pour lesquelles, le cas échéant, il est
tenu compte du droit au congé d’adoption de l’autre
parent adoptif visé à l’article 18bis, § 2, de l’arrêté royal
n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des
travailleurs indépendants. Le Roi peut déterminer de
quelle manière le travailleur en apporte la preuve.”;” .”
JUSTIFICATION
L’article 2, 3° de la loi du 6 septembre 2018 est rédigé
sous la forme d’un alinéa unique alors qu’il en compte deux.
Afi n de garantir la sécurité juridique, les différents alinéas
sont rescindés.
D’autre part, les termes “au plus tard” sont supprimés tout
en instaurant une habilitation au Roi lui permettant, conformé-
ment à la volonté des auteurs de la loi du 6 septembre 2018
(Doc. 54, 2240/003), d’accélérer l’application de l’allongement
lorsque les moyens nécessaires sont disponibles. L’article 2,
4° de la loi du 6 septembre 2018 est retravaillé en ce sens.
Les dispositions actuelles de la loi du 6 septembre 2018
ne comportent aucune règle spécifi que à propos de l’appli-
cation dans le temps des semaines supplémentaires pour le
congé d’adoption.
Cependant, à défaut de règle claire, cela pourrait occasion-
ner une certaine confusion et insécurité juridique. C’est pour-
quoi il est inséré une disposition transitoire dans l’alinéa 4.
Concrètement, les semaines supplémentaires concernées
ne sont à chaque fois d’application que lorsqu’il est satisfait
de manière cumulative à deux conditions. Il doit tout d’abord
être question d’une demande que le travailleur introduit auprès
de l’employeur au plus tôt à partir de la date visée (à savoir
le 1er janvier 2019, 1er janvier 2023, 1er janvier 2025 et 1er jan-
vier 2027, ou le cas échéant, à partir d’une date antérieure
d’entrée en vigueur fi xée par arrêté royal). Deuxièmement,
le congé d’adoption demandé pourra prendre cours au plus
tôt à partir de cette même date.
34
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Bovendien maakt dit artikel het mogelijk voor de Koning
om het bewijsmiddel vast te stellen waarmee de personen
die samen adopteren kunnen aantonen op welke manier de
bijkomende weken onder hen worden verdeeld.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
En outre, cet article prévoit la possibilité pour le Roi de fi xer
le mode de preuve permettant aux personnes qui adoptent
ensemble de justifi er la répartition des semaines supplémen-
taires entre eux.
35
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 17 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 82 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 82 in-
voegen, luidende:
“Art. 82. In dezelfde wet wordt een artikel 2/1 inge-
voegd, luidende:
“Art. 2/1. In artikel 30ter, van dezelfde wet, inge-
voegd bij de wet van 9 juli 2004 en gewijzigd bij de
wet van 1 maart 2007, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
“§ 1/1. Om het recht op adoptieverlof te kunnen uitoe-
fenen moet dit verlof een aanvang nemen binnen twee
maanden volgend op de inschrijving van het kind als
deel uitmakend van het gezin van de werknemer in het
bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van
de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
Niettemin, in geval van een interlandelijke adoptie,
kan het adoptieverlof al een aanvang nemen vanaf de
dag na de goedkeuring van de beslissing door de be-
voegde centrale autoriteit van de gemeenschap om het
kind aan de adoptant toe te vertrouwen overeenkomstig
artikel 361-3, 5° of artikel 361-5, 4° van het Burgerlijk
Wetboek, teneinde het kind op te halen in de Staat van
herkomst met het oog op zijn daadwerkelijke onthaal
in het gezin.
Met betrekking tot de interlandelijke adoptie kan de
Koning bepalen in welke gevallen en onder welke voor-
waarden en nadere regels er kan worden afgeweken
van het aaneengesloten karakter van het adoptieverlof
zoals voorzien in § 1, eerste lid.”;”;
2° paragraaf 3, eerste lid wordt aangevuld met de vol-
gende zin: “Deze termijn kan in overeenstemming tus-
sen de werkgever en de werknemer worden ingekort.”
N° 17 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 82 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 82,
rédigé comme suit:
“Art. 82. Dans la même loi, il est inséré un article 2/1,
rédigé comme suit:
“Art. 2/1. Dans l’article 30ter, de la même loi,
inséré par la loi du 9 juillet 2004 et modifi é par la loi
du 1er mars 2007, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° un paragraphe 1er/1 est inséré, rédigé comme suit:
“§ 1er/1. Pour pouvoir exercer le droit au congé
d’adoption ce congé doit prendre cours dans les deux
mois qui suivent l’inscription de l’enfant comme faisant
partie du ménage du travailleur dans le registre de la
population ou dans le registre des étrangers de sa
commune de résidence.
Toutefois, en cas d’adoption internationale, le congé
d’adoption peut déjà prendre cours dès le lendemain
de l’approbation, par l’autorité centrale communau-
taire compétente, de la décision de confi er l’enfant à
l’adoptant conformément à l’article 361-3, 5° ou l’article
361-5, 4° du Code civil, afi n d’aller chercher l’enfant
dans l’État d’origine en vue de son accueil effectif
dans la famille.
En cas d’adoption internationale, le Roi peut déter-
miner dans quels cas et sous quelles conditions et
modalités il peut être dérogé au caractère ininterrompu
du congé d’adoption tel que prévu au § 1er, alinéa 1er.”;”;
2° le paragraphe 3, alinéa 1er est complété de la
phrase suivante: “Ce délai peut être réduit d’un com-
mun accord entre l’employeur et le travailleur.”
36
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
VERANTWOORDING
De bepaling die voorziet in de aanvang van het adoptiever-
lof binnen twee maanden volgend op de inschrijving van het
kind wordt ondergebracht onder een nieuwe paragraaf 1/1,
eerste lid. De tekst van deze bepaling werd niet gewijzigd.
Enkel zijn plaats werd herzien, om de tekst leesbaarder te
maken.
In paragraaf 1/1, tweede lid wordt voorzien in een bijzon-
dere regel met betrekking tot de interlandelijke adoptie.
De auteurs van de wet van 6 september 2018 hebben voor
adoptieouders immers de mogelijkheid willen creëren om,
ingeval van interlandelijke adoptie, vier weken adoptieverlof
op te nemen voorafgaand aan het daadwerkelijk onthaal van
het kind, hetgeen hen moet toelaten om het kind op te halen
in het herkomstland.
De aangenomen tekst heeft op heden slechts betrekking
op de vergoeding van dit verlof en voorziet niet uitdrukkelijk
in een recht op verlof. Hoewel het basisidee om het voor de
adoptieouders mogelijk te maken om hun adoptieverlof aan
te wenden om hun kind op te halen in het herkomstland zeker
legitiem is, is het uiterst moeilijk om een termijn te laten ingaan
voorafgaand aan een toekomstige gebeurtenis waarvan de
datum onzeker is. Het adoptieproces in het kader van een
interlandelijke adoptie is immers geen evident parcours,
waarbij de adoptieouders zelden eigenmachtig over hun
agenda beslissen.
Om nauwkeurig vast te stellen wanneer het adoptieverlof
kan aanvangen, moet men zich kunnen baseren op een ge-
beurtenis met vaststaande datum. De beoogde wijziging laat
voortaan toe dat de adoptieouder zijn verlof aanvat vanaf de
dag na de goedkeuring van de beslissing tot kindtoewijzing
door de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap,
overeenkomstig artikel 361-3, 5° of 361-5, 4° van het Burgerlijk
Wetboek.
Deze goedkeuring heeft een zekere datum en het is een
officieel document. Het maakt dus een passend vertrekpunt
uit om te bepalen vanaf wanneer het verlof kan beginnen.
Al naargelang de procedures in het herkomstland, kan
deze goedkeuring van de kindtoewijzing worden verleend
lang voordat de ouder het kind daadwerkelijk kan ophalen. Er
zullen dan soms verscheidene maanden verstrijken vooraleer
de adoptieouder zijn verlof aanvraagt.
Bovendien zou de adoptieouder zelfs in het kader van een
interlandelijke adoptie zijn adoptieverlof kunnen wensen op
JUSTIFICATION
La disposition relative à la prise de cours du congé d’adop-
tion endéans les deux mois de l’inscription de l’enfant fait
l’objet d’un nouveau paragraphe 1er/1, alinéa 1er. Le texte de
cette disposition n’est pas modifi é. Seul son emplacement a
été revu, afi n de rendre le texte plus lisible.
Dans le paragraphe 1er/1, alinéa 2, il est prévu une règle
spécifi que en cas d’adoption internationale.
En effet, les auteurs de la loi du 6 septembre 2018 ont
voulu créer la possibilité pour les parents adoptifs, en cas
d’adoption internationale, de prendre quatre semaines de
congé d’adoption préalablement à l’accueil effectif de l’enfant,
ce congé devant ainsi leur permettre d’aller chercher l’enfant
dans le pays d’origine.
Actuellement, le texte adopté ne porte que sur l’indemnisa-
tion de ce congé et ne prévoit pas expressément un droit au
congé. En outre, si la philosophie de permettre aux parents
adoptifs d’utiliser leur congé d’adoption pour aller chercher
leur enfant dans le pays d’origine est louable, il est particu-
lièrement difficile de faire courir un délai antérieurement à
un évènement futur dont la date est incertaine. En effet, le
processus d’adoption dans le cadre d’une adoption interna-
tionale, reste un parcours semé d’embuches, où les parents
adoptifs ne sont que rarement maîtres de leur agenda.
Afin de déterminer précisément quand peut prendre
cours le congé d’adoption, il convient de s’appuyer sur un
évènement ayant date certaine. La modifi cation envisagée
permet dès lors au parent adoptif d’entamer son congé dès
le lendemain de l’approbation par l’autorité centrale commu-
nautaire compétente de la décision d’attribution de l’enfant,
conformément à l’article 361-3, 5° ou 361-5, 4° du Code civil.
Cette approbation a date certaine et fait l’objet d’un docu-
ment officiel. Il est donc le point de départ adéquat pour savoir
quand peut commencer le congé.
Selon les procédures en vigueur dans le pays d’origine de
l’enfant, cette approbation sur la proposition de l’enfant peut
être rendue bien avant que le parent ne puisse effectivement
aller chercher l’enfant. Il se passera alors parfois plusieurs
mois avant que le parent adoptif ne demande son congé.
Par ailleurs, même dans le cadre d’une adoption interna-
tionale, le parent adoptif pourrait souhaiter exercer son congé
37
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
te nemen eens het kind daadwerkelijk bij zijn nieuw gezin in
België verblijft. Dit is mogelijk. De werknemer moet er dan
rekening mee houden dat zijn verlof uiterlijk binnen de twee
maanden volgend op de inschrijving van het kind in het register
moet aanvangen.
Krachtens artikel 30ter, § 1, eerste lid, van de wet van
3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, moet het
adoptieverlof in een aaneengesloten periode worden opge-
nomen. Het verlof kan in principe niet worden onderbroken.
De nieuwe paragraaf 1/1 voorziet voortaan in zijn derde lid
dat de Koning kan afwijken van het aaneengesloten karakter
van het verlof. Op die manier zal de adoptieouder die zich, in
het kader van een interlandelijke adoptie, genoodzaakt ziet
om zijn verlof te onderbreken om redenen onafhankelijk van
zijn wil, in voorkomend geval het saldo van zijn verlof nog
kunnen gebruiken.
Artikel 2/1, 2° maakt het voor de partijen mogelijk om de
verwittigingstermijn, die in principe een maand bedraagt, in
te korten. Het artikel voegt dan ook een nieuwe zin toe aan
artikel 30ter, § 3, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betref-
fende de arbeidsovereenkomsten.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
une fois que l’enfant réside effectivement au sein de son
nouveau foyer, en Belgique. Cela est possible. Le travailleur
doit alors être attentif à débuter son congé au plus tard dans
les deux mois qui suivent l’inscription de l’enfant au registre.
En vertu de l’article 30ter, § 1er, alinéa 1er, de la loi du
3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, le congé d’adop-
tion doit être pris d’un seul tenant. Il ne peut en principe être
interrompu. Le nouveau paragraphe 1er/1 prévoit dès lors en
son alinéa 3 que le Roi puisse fi xer des dérogations au carac-
tère ininterrompu du congé. De la sorte, dans le cadre d’une
adoption internationale, le parent adoptif qui est contraint
d’interrompre son congé pour des raisons indépendantes
de sa volonté pourra, le cas échéant, utiliser le solde de son
congé.
L’article 2/1, 2° permet aux parties de réduire de commun
accord le délai d’avertissement qui est en principe d’un mois.
Il insère donc une nouvelle phrase à l’article 30ter, § 3, alinéa
1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
38
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 18 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 83 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 83 in-
voegen, luidende:
“Art. 83. In dezelfde wet wordt een artikel 2/2 inge-
voegd, luidende:
“Art. 2/2. In Titel VIII van de wet van 1 maart 2007
houdende diverse bepalingen (III) wordt opgeheven,
hoofdstuk 2, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, dat
de artikelen 88, 90 en 91 bevat.”
VERANTWOORDING
Bij gebrek aan een koninklijk besluit dat hun inwerking-
treding regelt, zijn deze bepalingen dode letter gebleven.
Omwille van een grotere rechtszekerheid, is het wenselijk
om ze op te heffen.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 18 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 83 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 83,
rédigé comme suit:
“Art. 83. Dans la même loi, il est inséré un article 2/2,
rédigé comme suit:
“Art. 2/2. Dans le Titre VIII de la loi du 1er mars 2007
contenant des dispositions diverses (III), est abrogé
le chapitre 2, modifi é par la loi du 30 juillet 2013, qui
contient les articles 88, 90 et 91.”
JUSTIFICATION
A défaut d’arrêté royal fi xant l’entrée en vigueur de ces
dispositions, celles-ci sont restées lettre morte. Pour une plus
grande sécurité juridique, il est souhaitable de les abroger.
39
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 19 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 84 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 84 in-
voegen, luidende:
“Art. 84. Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen
als volgt:
“Art. 3. In de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten wordt een artikel 30sexies
ingevoegd, luidende:
“Art. 30sexies. § 1. Onverminderd artikel 30quater,
heeft de werknemer die is aangesteld als pleegouder
door de rechtbank, door een door de gemeenschap
erkende dienst voor pleegzorg, door de diensten van
l’Aide à la Jeunesse of door het Comité Bijzondere
Jeugdbijstand en die naar aanleiding van een plaatsing
in het kader van een langdurige pleegzorg een minder-
jarig kind in zijn gezin onthaalt, met het oog op de zorg
voor dit kind, eenmalig recht op pleegouderverlof gedu-
rende een aaneengesloten periode van maximum zes
weken. Indien de werknemer ervoor kiest om niet het
toegestane maximum aantal weken pleegouderverlof
op te nemen, dient het verlof ten minste een week of
een veelvoud van een week te bedragen.
Het pleegouderverlof van zes weken per ouder wordt
als volgt opgetrokken voor de pleegouder of voor beide
pleegouders samen:
1° met één week vanaf 1 januari 2019;
2° met twee weken vanaf 1 januari 2021;
3° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
4° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
5° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
De Koning kan een vroegere datum van inwerking-
treding vastleggen voor het recht op de bijkomende
weken als bedoeld in het tweede lid, 2° tot en met 5°.
N° 19 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 84 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 84,
rédigé comme suit:
“Art. 84. L’article 3 de la même loi est remplacé
comme suit:
“Art. 3. Dans la loi du 3 juillet 1978 relative aux
contrats de travail, est inséré un article 30sexies, rédigé
comme suit:
“Art. 30sexies. § 1er. Sans préjudice de l’article
30quater, le travailleur qui est désigné comme parent
d’accueil par le tribunal, par un service de placement
agréé par la communauté compétente, par les services
de l’Aide à la Jeunesse ou par le Comité pour l’aide spé-
ciale à la Jeunesse et qui dans le cadre d’un placement
familial de longue durée, accueille un enfant mineur
dans sa famille, a droit une seule fois, pour prendre soin
de cet enfant, à un congé parental d’accueil pendant
une période ininterrompue de maximum six semaines.
Dans le cas où le travailleur choisit de ne pas prendre
le nombre maximal de semaines prévues dans le cadre
du congé parental d’accueil, le congé doit être au moins
d’une semaine ou d’un multiple d’une semaine.
Le congé parental d’accueil de six semaines par
parent est allongé de la manière suivante pour le parent
d’accueil ou pour les deux parents d’accueil ensemble:
1° d’une semaine à partir du 1er janvier 2019;
2° de deux semaines à partir du 1er janvier 2021;
3° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023;
4° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025;
5° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.
Le Roi peut fi xer une date antérieure d’entrée en
vigueur pour les semaines supplémentaires visées au
deuxième alinéa, 2° à 5° inclus.
40
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Het tweede lid is enkel van toepassing op aanvragen
gebeurd overeenkomstig § 4 vanaf de inwerkingtreding
van de betrokken optrekking en voor zover het pleeg-
ouderverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde
datum van inwerkingtreding.
Indien het pleeggezin bestaat uit twee personen, die
beiden zijn aangesteld als pleegouder van het kind,
worden de bijkomende weken bedoeld in het tweede
lid onderling tussen hen verdeeld, waarbij er, in voor-
komend geval, rekening wordt gehouden met het recht
op pleegouderverlof van de andere pleegouder als
bedoeld in artikel 18bis, § 4, van het koninklijk besluit
nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het so-
ciaal statuut der zelfstandigen. De Koning kan bepalen
op welke wijze de werknemer hiervan het bewijs levert.
De maximumduur van het pleegouderverlof wordt
verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een li-
chamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste
66 pct of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat
ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van
de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving
betreffende de kinderbijslag of dat tenminste 9 punten
toegekend worden in de drie pijlers samen van de
medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving
betreffende de kinderbijslag.
De maximumduur van het pleegouderverlof wordt
met twee weken per pleegouder verlengd ingeval van
gelijktijdig onthaal van meerdere minderjarige kinderen
naar aanleiding van een plaatsing in het kader van
langdurige pleegzorg.
§ 2. Om het recht op pleegouderverlof te kunnen
uitoefenen moet dit verlof een aanvang nemen binnen
twee maanden volgend op de inschrijving van het kind
als deel uitmakend van het gezin van de werknemer in
het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister
van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
De Koning kan een ander aanknopingspunt bepalen
voor de aanvang van de termijn van twee maanden als
bedoeld in het eerste lid.
Le deuxième alinéa ne s’applique qu’aux demandes
introduites conformément au § 4 à partir de l’entrée en
vigueur de l’allongement concerné et pour autant que
le congé parental d’accueil prenne cours au plus tôt à
partir de la même date d’entrée en vigueur.
Si la famille d’accueil comprend deux personnes, qui
sont désignées ensemble comme parent d’accueil de
l’enfant, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines
supplémentaires visées au deuxième alinéa, pour les-
quelles, le cas échéant, il est tenu compte du droit au
congé parental d’accueil de l’autre parent d’accueil
visé à l’article 18bis, § 4, de l’ arrêté royal n° 38 du
27 juillet 1967 organisant le statut social des travail-
leurs indépendants. Le Roi peut déterminer de quelle
manière le travailleur en apporte la preuve.
La durée maximale du congé parental d’accueil est
doublée lorsque l’enfant est atteint d’une incapacité
physique ou mentale de 66 % au moins ou d’une affec-
tion qui a pour conséquence qu’au moins 4 points sont
octroyés dans le pilier 1 de l’échelle médico-sociale,
au sens de la réglementation relative aux allocations
familiales ou d’au moins 9 points dans l’ensemble des
trois piliers de l’échelle médico-sociale au sens de la
réglementation relative aux allocations familiales.
La durée maximale du congé parental d’accueil est
allongée de deux semaines par parent d’accueil en cas
d’accueil simultané de plusieurs enfants mineurs dans
le cadre d’un placement de longue durée.
§ 2. Pour pouvoir exercer le droit au congé parental
d’accueil, ce congé doit prendre cours dans les deux
mois qui suivent l’inscription de l’enfant comme faisant
partie du ménage du travailleur dans le registre de la
population ou dans le registre des étrangers de sa
commune de résidence.
Le Roi peut fi xer un autre point de départ pour la
prise de cours du délai de deux mois visé à l’alinéa 1er.
41
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
§ 3. Tijdens het pleegouderverlof geniet de werkne-
mer een uitkering, waarvan het bedrag wordt bepaald
door de Koning, en die de werknemer wordt uitbetaald
in het raam van de verzekering voor geneeskundige
verzorging en uitkeringen.
De Koning kan evenwel bepalen dat de werknemer
voor een gedeelte van het pleegouderverlof zijn recht
op loon blijft behouden ten laste van de werkgever.
§ 4. De werknemer die gebruik wenst te maken van
het recht op pleegouderverlof dient zijn werkgever ten
minste één maand vóór de opname van het verlof hier-
van schriftelijk op de hoogte te brengen. Deze termijn
kan in overeenstemming tussen de werkgever en de
werknemer worden ingekort.
De kennisgeving gebeurt door middel van een
aangetekend schrijven of door overhandiging van een
geschrift, waarvan het duplicaat voor ontvangst wordt
ondertekend door de werkgever. De kennisgeving dient
de begin- en einddatum van het pleegouderverlof te
vermelden.
De werknemer dient uiterlijk op het ogenblik waarop
het pleegouderverlof ingaat, aan de werkgever de do-
cumenten te verstrekken ter staving van de gebeurtenis
die het recht op pleegouderverlof doet ontstaan.
§ 5. De werkgever mag geen handeling stellen die
tot ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de
arbeidsovereenkomst van de werknemer die gebruik
maakt van zijn recht op pleegouderverlof gedurende
een periode die ingaat twee maanden vóór de opname
van dit verlof en eindigt één maand na het einde ervan,
behalve om redenen die vreemd zijn aan de opname
van het pleegouderverlof.
De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen
voorhanden zijn.
Zo de ingeroepen reden tot staving van het ontslag
niet beantwoordt aan het bepaalde in het eerste lid of
bij ontstentenis van reden, moet de werkgever aan de
werknemer een forfaitaire vergoeding betalen gelijk
§ 3. Durant le congé parental d’accueil, le travailleur
bénéfi cie d’une indemnité dont le montant est déter-
miné par le Roi et qui lui est payée dans le cadre de
l’assurance soins de santé et indemnités.
Le Roi peut également déterminer que le travailleur
maintient, pour une partie du congé parental d’accueil,
son droit à la rémunération à charge de l’employeur.
§ 4. Le travailleur qui souhaite faire usage du droit au
congé parental d’accueil doit en avertir par écrit son
employeur au moins un mois à l’avance. Ce délai peut
être réduit d’un commun accord entre l’employeur et
le travailleur.
La notifi cation de l’avertissement se fait par lettre
recommandée ou par la remise d’un écrit dont le
double est signé par l’employeur au titre d’accusé de
réception. L’avertissement mentionne la date de début
et de fi n du congé parental d’accueil.
Le travailleur fournit à l’employeur, au plus tard au
moment où le congé parental d’accueil prend cours,
les documents attestant l’évènement qui ouvre le droit
au congé parental d’accueil.
§ 5. L’employeur ne peut faire un acte tendant à
mettre fi n unilatéralement au contrat de travail du tra-
vailleur qui a fait usage de son droit au congé parental
d’accueil pendant une période qui commence deux
mois avant la prise de cours de ce congé et qui fi nit
un mois après la fi n de celui-ci, sauf pour des motifs
étrangers à la prise de ce congé parental d’accueil.
La charge de la preuve de ces motifs incombe à
l’employeur.
Si le motif invoqué à l’appui du licenciement ne
répond pas aux prescriptions de l’alinéa 1er ou à défaut
de motif, l’employeur est tenu de payer une indemnité
forfaitaire égale à la rémunération de trois mois, sans
42
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
aan het loon voor drie maanden, onverminderd de ver-
goedingen verschuldigd in geval van verbreking van
de arbeidsovereenkomst.
Deze vergoeding mag evenwel niet worden samen
genoten met andere vergoedingen die zijn bepaald in
het kader van een bijzondere beschermingsprocedure
tegen ontslag.
§ 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
langdurige pleegzorg verstaan: pleegzorg waarvan
bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes
maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegou-
der of dezelfde pleegouders zal verblijven.
De Koning kan voor de toepassing van dit artikel
de begrippen onthaal en langdurige pleegzorg verder
verduidelijken.”.”.”
VERANTWOORDING
Sinds 2007 heeft de werknemer die is aangesteld als
pleegouder het recht om van het werk afwezig te zijn voor de
vervulling van verplichtingen en opdrachten of om het hoofd
te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing van
één of meerdere personen die in het kader van pleegzorg aan
hem zijn toevertrouwd (het klassieke pleegzorgverlof zoals
geregeld door artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 be-
treffende de arbeidsovereenkomsten). De auteurs van de wet
van 6 september 2018 hebben nu een nieuw type van verlof
willen tot stand brengen in geval van langdurige pleegzorg.
Hiertoe hebben ze in artikel 30quater een paragraaf 3 inge-
voegd waarin het nieuwe pleegouderverlof wordt geregeld.
Met betrekking tot de duur van dit nieuwe pleegouderverlof,
enten de auteurs van de wet van 6 september 2018 zich op
het nieuwe regime van het adoptieverlof.
De huidige bepalingen van de wet van 6 september 2018,
bevatten geen specifi eke regel met betrekking tot de toepas-
sing in de tijd van de bijkomende weken pleegouderverlof.
Intussen blijkt dat het gebrek hieraan, aanleiding zou kunnen
geven tot verwarring en rechtsonzekerheid. Vandaar dat er
een overgangsregeling wordt opgenomen. Concreet zullen de
betrokken bijkomende weken telkens slechts van toepassing
zijn wanneer er cumulatief is voldaan aan twee voorwaarden.
Er moet ten eerste sprake zijn van een aanvraag die de
werknemer ten vroegste vanaf de bedoelde datum (zijnde
préjudice des indemnités dues au travailleur en cas de
rupture du contrat de travail.
Cette indemnité ne peut être cumulée avec d’autres
indemnités qui sont prévues dans le cadre d’une procé-
dure de protection particulière contre le licenciement.
§ 6. Pour l’application de cet article, on entend par
placement familial de longue durée: le placement à
propos duquel il est clair dès le début que l’enfant
séjournera au minimum six mois au sein de la même
famille d’accueil auprès des mêmes parents d’accueil.
Pour l’application de cet article, le Roi peut encore
préciser les notions d’accueil et de placement familial
de longue durée.”.”.”
JUSTIFICATION
Depuis 2007, le travailleur qui est désigné comme parent
d’accueil a déjà le droit de s’absenter de son travail afi n
d’accomplir certaines obligations ou missions ou de faire
face à des situations liées au placement dans sa famille
d’une ou plusieurs personnes qui lui ont été confi ées (congé
d’accueil classique tel que prévu par l’art. 30quater de la loi
du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail). Néanmoins,
les auteurs de la loi du 6 septembre 2018 ont voulu instaurer
un nouveau type de congé en cas de placement familial de
longue durée. Ils ont dès lors inséré un paragraphe 3 régissant
le nouveau congé parental d’accueil dans l’article 30 quater
de la loi précitée.
Quant à la durée de ce nouveau congé parental d’accueil,
les auteurs de la loi du 6 septembre 2018 se calquent sur le
nouveau régime du congé d’adoption.
Les dispositions actuelles de la loi du 6 septembre 2018 ne
comportent aucune règle spécifi que à propos de l’application
dans le temps des semaines supplémentaires pour le congé
parental d’accueil. Cependant, à défaut de telles règles, cela
pourrait occasionner une certaine confusion et insécurité juri-
dique. C’est pourquoi il est adopté une disposition transitoire.
Concrètement, les semaines supplémentaires concernées ne
sont à chaque fois d’application que lorsqu’il est satisfait de
manière cumulative à deux conditions. Il doit tout d’abord être
question d’une demande que le travailleur introduit auprès
43
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
1 januari 2019, 1 januari 2023, 1 januari 2025 en 1 januari
2027, of desgevallend vanaf de vroegere datum van inwer-
kingtreding vastgelegd bij KB) indient bij de werkgever. Ten
tweede zal het aangevraagde pleegouderverlof ten vroegste
een aanvang kunnen nemen vanaf diezelfde datum.
Voor het overige verklaren de auteurs van de wet van
6 september 2018 eenvoudigweg dat de nadere regels van
uitoefening en de uitkeringen identiek zijn aan die van het
adoptieverlof zoals geregeld door het gewijzigde artikel
30ter. Deze wetgeving via verwijzing zou kunnen leiden tot
een bepaalde rechtsonzekerheid. Om daaraan tegemoet te
komen en met het oog op een betere leesbaarheid van de
tekst, vervangt artikel 84 het volledige artikel 3 van de wet van
6 september 2018. Het recht op pleegouderverlof zal bijgevolg
het voorwerp uitmaken van een nieuw artikel 30sexies in de
wet van 3 juli 1978 en het klassieke pleegzorgverlof geregeld
door artikel 30quater van zijn kant blijft ongewijzigd.
Meer specifi ek defi nieert artikel 30sexies het soort pleeg-
zorg dat het recht op pleegouderverlof doet ontstaan alsook
het doel van dit verlof. Aangezien het gaat om een verlof dat
volledig verschillend is van het verlof bedoeld in artikel 30qua-
ter, is het inderdaad van belang om de contouren ervan te
preciseren. Zo zal de werknemer, om zich te kunnen beroepen
op dit recht, moeten aangesteld zijn als pleegouder door de
bevoegde instantie. Het verlof beoogt de werknemer in staat
te stellen om een kind dat het voorwerp is van een langdurige
pleegzorg, te onthalen en ervoor te zorgen.
De werknemer kan het pleegouderverlof slechts één keer
uitoefenen voor eenzelfde kind, zelfs wanneer dit kind het
voorwerp uitmaakt van verschillende plaatsingen in het kader
van langdurige pleegzorg binnen het gezin van de werknemer.
De auteurs van de wet van 6 september 2018 hebben het
pleegouderverlof ingevoerd om te zorgen voor “een kind”,
zonder nadere precisering van dit begrip. Welnu, teneinde
hier enige rechtszekerheid te garanderen, wordt in artikel
30sexies gepreciseerd dat het een verlof betreft dat bedoeld
is om te zorgen voor “een minderjarig kind”.
Van belang is dat het moet gaan om een situatie van lang-
durige pleegzorg. De auteurs omschrijven dit als pleegzorg
waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes
maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouders zal
verblijven. Voor de toepassing van dit artikel wordt de Koning
ertoe gemachtigd om de begrippen onthaal en langdurige
pleegzorg verder te verduidelijken.
de l’employeur au plus tôt à partir de la date visée (à savoir
le 1er janvier 2019, 1er janvier 2023, 1er janvier 2025 et 1er jan-
vier 2027, ou le cas échéant, à partir d’une date antérieure
d’entrée en vigueur fi xée par AR). Deuxièmement, le congé
parental d’accueil demandé pourra prendre cours au plus tôt
à partir de cette même date.
Pour le surplus, les auteurs de la loi du 6 septembre 2018
énoncent simplement que les modalités d’exercice et les
indemnités du congé parental d’accueil seront identiques
à celles applicables au congé d’adoption prévu par l’article
30ter modifi é. Cette législation par référence pourrait conduire
à une certaine insécurité juridique. Afi n d’y remédier et
d’assurer une meilleure lisibilité du texte, l’article 84 remplace
complètement l’article 3 de la loi du 6 septembre 2018. Le
droit au congé parental d’accueil fera donc l’objet d’un nou-
vel article 30sexies dans la loi du 3 juillet 1978 tandis que le
congé d’accueil classique prévu par l’article 30quater reste
quant à lui inchangé.
Dans l’article 30sexies, on défi nit plus précisément le type
de placement qui ouvre le droit au congé parental d’accueil
ainsi que le but de ce congé. S’agissant d’un congé complè-
tement distinct de celui reconnu par l’article 30quater, il est
en effet important de pouvoir en défi nir les contours. Ainsi,
pour pouvoir prétendre au congé, le travailleur doit avoir été
désigné comme parent d’accueil par l’organisme compétent.
Le congé a pour but de permettre au travailleur d’accueillir
et de prendre soin de l’enfant qui fait l’objet d’un placement
de longue durée.
Le travailleur ne peut exercer qu’une seule fois le congé
parental d’accueil pour un même enfant, même si celui-ci fait
l’objet de plusieurs placements de longue durée au sein de
la famille du travailleur.
Les auteurs de la loi du 6 septembre 2018 ont prévu le
congé parental d’accueil pour prendre soin “d’un enfant”, sans
préciser autrement cette notion. Afi n de garantir une certaine
sécurité juridique, il est encore précisé dans l’article 30sexies
qu’il s’agit d’un congé pour s’occuper “d’un enfant mineur”.
Il est important de souligner qu’il doit s’agir d’un placement
familial de longue durée. Celui-ci a été défi ni par les auteurs
du texte comme étant le placement à propos duquel il est clair
dès le début que l’enfant séjournera au minimum six mois au
sein de la même famille d’accueil auprès des mêmes parents
d’accueil. Pour l’application de cet article, le Roi est habilité
à préciser plus avant ces notions d’accueil et de placement
familial de longue durée.
44
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Anderzijds, zoals reeds gezegd, herneemt het nieuwe arti-
kel 30sexies expliciet hetzelfde regime dat van toepassing is
ingeval van adoptie. Meer specifi ek bepaalt artikel 30sexies
dat het pleegouderverlof moet worden genomen in weken
of veelvouden van weken; dat dit verlof wordt verdubbeld
ingeval van een gehandicapt kind en wordt verlengd ingeval
van een gelijktijdig onthaal van meerdere kinderen; dat het
verlof moet aanvangen tijdens de twee maanden volgend
op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het
gezin; dat de werknemer recht heeft op een uitkering in het
kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging
en uitkeringen, met de mogelijkheid voor de Koning om een
gewaarborgd loon te voorzien ten laste van de werkgever; dat
de werknemer zijn aanvraag moet indienen volgens dezelfde
regels die gelden voor het adoptieverlof en dat hij eenzelfde
ontslagbescherming geniet.
Voor bepaalde punten is een parallellisme tussen de twee
systemen evenwel niet aangewezen. Inderdaad, het pleeg-
ouderverlof vertoont bepaalde specifi eke kenmerken. Zo is
bepaald dat wanneer het pleeggezin waarin het kind wordt
onthaald, uit twee personen bestaat, zij de bijkomende weken
enkel onder elkaar kunnen verdelen wanneer zij allebei zijn
aangesteld als pleegouder van het kind. De bedoeling van de
maatregel bestaat er inderdaad in om dit verlof enkel open
te stellen voor de persoon die effectief als pleegouder werd
aangesteld.
Zoals voor het adoptieverlof, wordt de maximale duur van
het pleegouderverlof verlengd met twee weken per pleegou-
der ingeval van gelijktijdig onthaal van meerdere kinderen.
De wet preciseert evenwel dat dit gelijktijdig onthaal slaat op
meerdere kinderen die elk het voorwerp zijn van langdurige
pleegzorg. Zo is het bijvoorbeeld niet mogelijk om het verlof
te verlengen wanneer twee kinderen in eenzelfde gezin zijn
geplaatst maar waarbij slechts één daarvan een situatie van
langdurige pleegzorg betreft. Net zoals bij het adoptieverlof,
geldt de verdubbeling van het maximaal aantal weken wan-
neer het een kind met een handicap betreft niet voor deze
verlenging ingeval van een gelijktijdig onthaal van meerdere
kinderen.
D’autre part, comme déjà souligné, le nouvel article
30sexies reproduit expressément le même régime que celui
applicable en cas d’adoption. Plus précisément, l’article
30sexies prévoit que le congé parental d’accueil doit se
prendre en semaines ou multiples de semaines; qu’il est
doublé en cas de handicap de l’enfant et prolongé en cas
d’accueil simultané de plusieurs enfants; qu’il doit prendre
cours dans les deux mois de l’inscription de l’enfant comme
faisant partie du ménage; qu’il est indemnisé dans le cadre
de l’assurance soins de santé, avec la possibilité pour le Roi
de prévoir un salaire garanti à charge de l’employeur; que
le travailleur doit introduire sa demande suivant les mêmes
règles que pour un congé d’adoption et qu’il bénéfi cie de la
même protection contre le licenciement.
Toutefois, le parallélisme entre les deux systèmes n’est
pas toujours adéquat. En effet, le congé d’accueil présente
certaines spécifi cités. Ainsi, il est prévu que si la famille dans
laquelle l’enfant est accueilli comprend plusieurs personnes,
ceux-ci ne peuvent se répartir les semaines supplémentaires
entre eux que s’ils ont été désignés ensemble comme parent
d’accueil. Le but de la mesure est en effet de n’ouvrir le congé
qu’au travailleur qui a été effectivement désigné comme
parent d’accueil. La personne qui n’aurait pas été désignée
comme parent d’accueil pour l’enfant en question n’a pas
droit au congé.
En outre, tout comme pour le congé d’adoption, la durée
maximale du congé parental d’accueil est allongée de deux
semaines par parent d’accueil en cas d’accueil simultané
de plusieurs enfants. Toutefois, la loi précise que cet accueil
simultané vise plusieurs enfants qui font chacun l’objet d’un
placement de longue durée. Il n’est ainsi par exemple pas
possible de prolonger le congé lorsque deux enfants sont
placés dans la même famille mais que l’un deux fait l’objet
d’un placement de courte durée. Tout comme pour le congé
d’adoption, le doublement du nombre maximal de semaines
en cas de handicap de l’enfant ne vaut pas pour cette pro-
longation en cas d’accueil simultané de plusieurs enfants.
45
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Tot slot moet het pleegouderverlof, net zoals het adop-
tieverlof, een aanvang nemen binnen de twee maanden die
volgen op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van
het gezin van de werknemer. Gelet op de specifi citeit van de
pleegzorg, wordt de Koning gemachtigd om een ander aan-
knopingspunt voor de aanvang van dit verlof vast te stellen.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
Enfi n, conformément au congé d’adoption, le droit au
congé parental d’accueil doit prendre cours dans les deux
mois qui suivent l’inscription de l’enfant comme faisant partie
du ménage du travailleur. Cependant, vu les spécifi cités de
l’accueil, le Roi est habilité à fi xer un autre point de départ
pour la prise de cours de ce congé.
46
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 20 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 85 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 85 in-
voegen, luidende:
“Art. 85. In dezelfde wet wordt een artikel 3/1 inge-
voegd, luidende:
“Art. 3/1. In artikel 56, eerste lid, van dezelfde wet,
gewijzigd bij de wet van 9 juli 2004, wordt het woord
“30sexies,” ingevoegd tussen het woord “30ter,” en
het woord “49”.”.”
VERANTWOORDING
Aangezien het nieuwe artikel 30sexies, § 3, tweede lid, de
Koning de bevoegdheid geeft om te voorzien in een gewaar-
borgd loon ten laste van de werkgever, is het noodzakelijk
om het nieuwe artikel 30sexies toe te voegen aan de opsom-
ming in artikel 56 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 20 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 85 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 85,
rédigé comme suit:
“Art. 85. Dans la même loi, il est inséré un article 3/1,
rédigé comme suit:
“Art. 3/1. Dans l’article 56, premier alinéa, de la
même loi, modifi é par la loi du 9 juillet 2004, le mot
“30sexies,” est inséré entre le mot “30ter,” et le mot
“49”.”.”
JUSTIFICATION
Etant donné que le nouvel article 30sexies, § 3, alinéa
2 habilite le Roi à prévoir un salaire garanti à charge de l’em-
ployeur, il est nécessaire d’ajouter le nouvel article 30sexies à
l’énumération de l’article 56 de la loi du 3 juillet 1978 relative
aux contrats de travail.
47
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 21 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 86 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 86 in-
voegen, luidende:
“Art. 86. In dezelfde wet wordt een artikel 3/2 inge-
voegd, luidende:
“Art. 3/2. Artikel 148 van het Sociaal Strafwetboek
wordt vervangen als volgt:
“Art. 148. Het adoptieverlof, de afwezigheid met
het oog op het verstrekken van pleegzorgen en het
pleegouderverlof
Met een sanctie van niveau 2 wordt bestraft,
de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber die,
in strijd met de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten:
1° het adoptieverlof niet toegekend heeft aan de
werknemer die er recht op heeft;
2° aan de werknemer die aangesteld is als pleegou-
der, het recht om van het werk afwezig te zijn met het
oog op het verstrekken van pleegzorgen niet toegekend
heeft;
3° het pleegouderverlof niet toegekend heeft aan de
werknemer die er recht op heeft.
Voor de in het eerste lid bedoelde inbreuken wordt
de geldboete vermenigvuldigd met het aantal betrokken
werknemers.”.”.”
VERANTWOORDING
Dit amendement beoogt meerdere wijzigingen aan te
brengen in artikel 148 van het Sociaal Strafwetboek.
1) het wijzigt het opschrift om het in overeenstemming te
brengen met de nieuwe inhoud;
N° 21 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 86 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 86,
rédigé comme suit:
“Art. 86. Dans la même loi, il est inséré un article 3/2,
rédigé comme suit:
“Art. 3/2. L’article 148 du Code pénal social est rem-
placé par ce qui suit:
“Art. 148. Le congé d’adoption, l’absence en vue
de fournir des soins d’accueil et le congé parental
d’accueil
Est puni d’une sanction de niveau 2, l’employeur,
son préposé ou son mandataire qui, en contravention
à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail:
1° n’a pas accordé au travailleur qui y a droit le
congé d’adoption;
2° n’a pas accordé au travailleur désigné comme
parent d’accueil le droit de s’absenter du travail en vue
de fournir des soins d’accueil;
3° n’a pas accordé au travailleur qui y a droit le congé
parental d’accueil.
En ce qui concerne les infractions visées à l’alinéa
1er, l’amende est multipliée par le nombre de travailleurs
concernés.”.”.”
JUSTIFICATION
Cet amendement vise à apporter plusieurs modifi cations
à l’article 148 du Code pénal social:
1) il modifi e son titre afi n de le mettre en conformité avec
son nouveau contenu;
48
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
2) het voegt een 1° in artikel 148 van het Sociaal
Strafwetboek in om het niet-toekennen van het adoptieverlof
aan de werknemer die er recht op heeft, overeenkomstig
artikel 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de ar-
beidsovereenkomsten, te bestraffen.
3) het neemt de inhoud van het huidige artikel 148 van het
Sociaal Strafwetboek over in een 2° en verbetert een foutieve
wettelijke verwijzing in deze bepaling: artikel 148 van het voor-
melde Wetboek verwijst verkeerdelijk naar de programmawet
van 27 april 2007, die artikel 30quater ingevoegd heeft in de
wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in
plaats van te verwijzen naar de voormelde wet van 3 juli 1978.
Het is immers de wet van 3 juli 1978 die de verplichting
bevat waarvan het niet-naleven bestraft wordt door artikel
148 van het Sociaal Strafwetboek. Artikel 57 van de wet van
27 april 2007 heeft, zoals elke wijzigingsbepaling van een
wet, slechts een kortstondig bestaan in de rechtsorde: zodra
deze bepaling in werking treedt, wordt zij opgenomen in de
gewijzigde wet.
4) tenslotte voegt het een 3° in artikel 148 van het Sociaal
Strafwetboek om het niet-toekennen van pleegouderverlof
aan de werknemer die er recht op heeft, overeenkomstig
artikel 30sexies van de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten, te bestraffen.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
2) il insère un 1° dans l’article 148 du Code pénal social
afi n de punir l’absence d’octroi du congé d’adoption au tra-
vailleur qui y a droit, conformément à l’article 30ter de la loi
du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
3) il reprend le contenu de l’actuel article 148 du Code
pénal social dans un 2° tout en y corrigeant une erreur de
référence légale: l’article 148 du Code précité fait erronément
référence à la loi-programme du 27 avril 2007 qui a inséré
l’article 30quater dans la loi du 3 juillet 1978 relative aux
contrats de travail au lieu de faire référence à la loi précitée du
3 juillet 1978. C’est en effet la loi du 3 juillet 1978 qui contient
l’obligation dont le non-respect est puni par l’article 148 du
Code pénal social. L’article 57 de la loi du 27 avril 2007,
comme toute disposition modifi cative d’une loi, a seulement
une existence éphémère dans l’ordre juridique: dès qu’elle
entre en vigueur, elle s’incorpore à l’acte modifi é.
4) enfi n, il insère un 3° dans l’article 148 du Code pénal
social afi n de punir l’absence d’octroi du congé parental
d’accueil au travailleur qui y a droit, conformément à l’article
30sexies de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de
travail.
49
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 22 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 87 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 87 in-
voegen, luidende:
“Art. 87. In dezelfde wet wordt een artikel 3/3 inge-
voegd, luidende:
“Art. 3/3. In de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten wordt een artikel 138 inge-
voegd, luidende:
“Art. 138. De inbreuken op de bepalingen van de
artikelen 30ter, 30quater en 30sexies van deze wet en
van de uitvoeringsbesluiten ervan worden opgespoord,
vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal
Strafwetboek.
De sociaal inspecteurs beschikken over de in de arti-
kelen 23 tot 39 van het Sociaal Strafwetboek bedoelde
bevoegdheden wanneer zij, ambtshalve of op verzoek,
optreden in het kader van hun opdracht tot informatie,
bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de voor-
melde bepalingen en de uitvoeringsbesluiten ervan.”.”.”
VERANTWOORDING
Dit amendement heeft als bedoeling om in de wet van
3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten te verdui-
delijken dat de inbreuken op de artikelen 30ter, 30quater en
30sexies en op de uitvoeringsbesluiten ervan worden opge-
spoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal
Strafwetboek.
N° 22 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 87 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 87,
rédigé comme suit:
“Art. 87. Dans la même loi, il est inséré un article 3/3,
rédigé comme suit:
“Art. 3/3. Dans la loi du 3 juillet 1978 relative aux
contrats de travail, il est inséré un article 138 rédigé
comme suit:
“Art. 138. Les infractions aux dispositions des articles
30ter, 30quater et 30sexies de la présente loi et à leurs
arrêtés d’exécution sont recherchées, constatées et
sanctionnées conformément au Code pénal social.
Les inspecteurs sociaux disposent des pouvoirs vi-
sés aux articles 23 à 39 du Code pénal social lorsqu’ils
agissent d’initiative ou sur demande dans le cadre de
leur mission d’information, de conseil et de surveillance
relative au respect des dispositions précitées et de leurs
arrêtés d’exécution.”.”.”
JUSTIFICATION
Cet amendement a pour but de préciser dans la loi du
3 juillet 1978 relative aux contrats de travail que les infractions
à ses articles 30ter, 30quater et 30sexies et à leurs arrêtés
d’exécution sont recherchées, constatées et sanctionnées
conformément au Code pénal social.
50
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Deze toezichtsbepaling werd verkeerdelijk in artikel 60 van
de programmawet van 27 april 2007 in plaats van in de voor-
melde wet van 3 juli 1978 ingevoegd.
Dit amendement heeft als bedoeling om deze fout te
verbeteren.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
Cette disposition de surveillance a été insérée erronément
dans l’article 60 de la loi-programme du 27 avril 2007 au lieu
d’être insérée dans la loi précitée du 3 juillet 1978.
Cet amendement vise à corriger cette erreur.
51
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 23 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 88 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 88 in-
voegen, luidende:
“Art. 88. In dezelfde wet wordt een artikel 3/4 inge-
voegd, luidende:
“Art. 3/4. Artikel 60 van de programmawet van
27 april 2007 wordt opgeheven.”.”
VERANTWOORDING
Dit amendement hangt samen met het voorgestelde amen-
dement dat een artikel 138 in voornoemde wet van 3 juli 1978
invoegt, dat een toezichtsbepaling bevat.
Omdat de inhoud van het huidige artikel 60 van de program-
mawet van 27 april 2007 niet moet staan in de voormelde wet
van 27 april 2007 maar wel in de wet van 3 juli 1978 betreffende
de arbeidsovereenkomsten, is het dan ook passend om artikel
60 van de programmawet van 27 april 2007 op te heffen.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 23 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 88 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 88,
rédigé comme suit:
“Art. 88. Dans la même loi, il est inséré un article 3/4,
rédigé comme suit:
“Art. 3/4. L’article 60 de la loi-programme du
27 avril 2007 est abrogé.”.”
JUSTIFICATION
Cet amendement est lié à l’amendement proposé qui insère
un article 138 dans la loi précitée du 3 juillet 1978 contenant
une disposition de surveillance.
Vu que le contenu de l’actuel article 60 de la loi-programme
du 27 avril 2007 ne doit pas se trouver dans la loi précitée du
27 avril 2007 mais bien dans la loi du 3 juillet 1978 relative
aux contrats de travail, il convient dès lors d’abroger l’article
60 de la loi-programme du 27 avril 2007.
52
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 24 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 89 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 19, een artikel
89 invoegen, luidende:
“Art. 89. In dezelfde wet wordt een artikel 3/5 inge-
voegd, luidende:
“Art. 3/5. In het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot
eenvormige defi niëring van begrippen met betrekking
tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale
zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet
van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale ze-
kerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de
wettelijke pensioenstelsels, wordt een artikel 34quater
ingevoegd, luidende:
“Art. 34quater. Onder “pleegouderverlof” wordt
verstaan de periode waarin de werknemer het recht
heeft om van zijn werk afwezig te zijn omwille van
het onthaal van een kind in zijn gezin in het kader van
een langdurige pleegzorg, met toepassing van artikel
30sexies van de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten.”.”.”
VERANTWOORDING
In het kader van de harmonisatie van de basisbegrippen
met betrekking tot de arbeidstijdgegevens voor de toepas-
sing van de sociale zekerheid, beoogt dit amendement een
uniforme omschrijving voor het pleegouderverlof te voorzien.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 24 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 89 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 89,
rédigé comme suit:
“Art. 89. Dans la même loi, il est inséré un article 3/5,
rédigé comme suit:
“Art. 3/5. Dans l’arrêté royal du 10 juin 2001 portant
défi nition uniforme de notions relatives au temps de
travail à l’usage de la sécurité sociale, en application
de l’article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant moder-
nisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des
régimes légaux des pensions, il est inséré un article
34quater, rédigé comme suit:
“Art. 34quater. Par “congé parental d’accueil” on
entend la période pendant laquelle le travailleur a le
droit de s’absenter de son travail pour accueillir un
enfant dans sa famille dans le cadre d’un placement
familial de longue durée, en application de l’article
30sexies de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats
de travail.”.”.”
JUSTIFICATION
Dans le cadre de l’harmonisation des notions de base
relatives au temps de travail pour l’application de la sécurité
sociale, cet amendement envisage de prévoir une défi nition
uniforme pour le congé parental d’accueil.
53
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
N° 25 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 90 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 90 in-
voegen, luidende:
“Art. 90. Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen
als volgt:
“Art. 4. Artikel 3 van het koninklijk besluit van
20 december 2006 tot invoering van de toekennings-
voorwaarden van een adoptie-uitkering ten gunste van
de zelfstandigen wordt vervangen als volgt:
“Art. 3. § 1. Het bedrag van de adoptie-uitkering als
gevolg van de adoptie van een minderjarig kind wordt
vastgesteld in functie van een periode van maximaal
zes weken ongeacht de leeftijd van het kind.
Het adoptieverlof van zes weken per adoptieouder
wordt als volgt opgetrokken voor de adoptieouder of
voor beide adoptieouders samen:
1° met één week vanaf 1 januari 2019;
2° met twee weken vanaf 1 januari 2021;
3° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
4° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
5° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
Het recht op deze bijkomende week of weken gaat
telkens in voor de adoptieverloven die ten vroegste
vanaf de inwerkingtreding van de betrokken verlenging
aanvangen. In geval van twee adoptieouders worden
deze bijkomende weken onderling tussen hen verdeeld
waarbij er, in voorkomend geval, rekening wordt ge-
houden met het recht op adoptieverlof van de andere
adoptieouder bedoeld in artikel 30ter van de wet van
3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
De maximumduur van het adoptieverlof wordt ver-
dubbeld wanneer het minderjarige kind getroffen is
N° 25 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 90 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 90,
rédigé comme suit:
“Art. 90. Article 4 de la même loi, est remplacé par
ce qui suit:
“Art. 4. Article 3 de l’arrêté royal du 20 décembre 2006
instaurant les conditions d’octroi d’une allocation
d’adoption en faveur des travailleurs indépendants,
est remplacé par ce qui suit:
“Art. 3. § 1er. Le montant de l’allocation d’adoption
à la suite de l’adoption d’un enfant mineur est établi
en fonction d’une période de maximum six semaines
indépendamment de l’âge de l’enfant.
Le congé d’adoption de six semaines par parent
adoptif est allongé de la manière suivante pour le parent
adoptif ou pour les deux parents adoptifs ensemble:
1° d’une semaine à partir du 1er janvier 2019;
2° de deux semaines à partir du 1er janvier 2021;
3° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023;
4° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025;
5° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.
Le droit à cette semaine supplémentaire ou à ces
semaines supplémentaires s’ouvre chaque fois pour
les congés d’adoption qui débutent au plus tôt à partir
de l’entrée en vigueur de l’allongement concerné. S’il
y a deux parents adoptifs, ceux-ci se répartissent ces
semaines supplémentaires entre eux, pour lesquelles,
le cas échéant, il est tenu compte du droit au congé
d’adoption de l’autre parent adoptif visé à l’article 30ter
de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
La durée maximale du congé d’adoption est doublée
lorsque l’enfant mineur est atteint d’une incapacité
54
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid
van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot
gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend wor-
den in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin
van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat
tenminste 9 punten toegekend worden in de drie pijlers
samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de
regelgeving betreffende de kinderbijslag.
De maximumduur van het adoptieverlof wordt met
twee weken per adoptieouder verlengd bij de gelijk-
tijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.
§ 2. De periode van adoptieverlof bedoeld in
§ 1 vangt aan op de dag die door de zelfstandige
wordt gekozen, maar ten vroegste op de dag van de
inschrijving van het kind in de hoofdverblijfplaats van de
adoptant en uiterlijk twee maanden na deze inschrijving.
Niettemin, in geval van een interlandelijke adoptie,
kan het adoptieverlof al een aanvang nemen vanaf de
dag na de goedkeuring van de beslissing door de be-
voegde centrale autoriteit van de gemeenschap om het
kind aan de adoptant toe te vertrouwen overeenkomstig
artikel 361-3, 5° of artikel 361-5, 4° van het Burgerlijk
Wetboek, teneinde het kind op te halen in de Staat van
herkomst met het oog op zijn daadwerkelijke onthaal
in het gezin.
§ 3. Tijdens de periode van adoptieverlof bedoeld
in § 1 mag de zelfstandige, ten persoonlijke titel, geen
enkele beroepsactiviteit uitoefenen. Indien de zelfstan-
dige ervoor kiest om niet het toegestane maximum
aantal weken van deze periode op te nemen, dient deze
ten minste een week of een veelvoud van een week te
bedragen.”.”.”
VERANTWOORDING
Dit amendement beoogt vooreerst om – rekening houdend
met de wijzigingen voorzien door de wet van 6 september 2018
tot wijziging van de regelgeving met het oog op de versterking
van het adoptieverlof en tot invoering van het pleegouderver-
lof – de structuur van artikel 3 van het koninklijk besluit van
20 december 2006 tot invoering van een adoptie-uitkering ten
gunste van de zelfstandigen te herzien opdat de belangrijke
physique ou mentale de 66 % au moins ou d’une affec-
tion qui a pour conséquence qu’au moins 4 points sont
octroyés dans le pilier 1 de l’échelle médico-sociale,
au sens de la réglementation relative aux allocations
familiales ou qu’au moins 9 points sont octroyés dans
l’ensemble des trois piliers de l’échelle médico-sociale,
au sens de la réglementation relative aux allocations
familiales.
La durée maximale du congé d’adoption est allongée
de deux semaines par parent adoptif en cas d’adoption
simultanée de plusieurs enfants mineurs.
§ 2. La période de congé d’adoption visée au § 1er
prend cours à la date choisie par le travailleur indépen-
dant, mais au plus tôt le jour de l’inscription de l’enfant
à la résidence principale de l’adoptant et au plus tard
deux mois après cette inscription.
Toutefois, en cas d’adoption internationale, le congé
d’adoption peut déjà prendre cours dès le lendemain
de l’approbation, par l’autorité centrale communau-
taire compétente, de la décision de confi er l’enfant à
l’adoptant conformément à l’article 361-3, 5° ou l’article
361-5, 4° du Code civil, afi n d’aller chercher l’enfant
dans l’État d’origine en vue de son accueil effectif
dans la famille.
§ 3. Pendant la période de congé d’adoption visée
au § 1er, le travailleur indépendant ne peut exercer, à
titre personnel, aucune activité professionnelle. Dans
le cas où le travailleur indépendant choisit de ne pas
prendre le nombre maximal de semaines prévues dans
le cadre de cette période, celle-ci doit être au moins
d’une semaine ou un multiple d’une semaine.”.”.”
JUSTIFICATION
Cet amendement envisage d’abord – tenant compte des
modifi cations prévues par la loi du 6 septembre 2018 modifi ant
la réglementation en vue de renforcer le congé d’adoption
et d’instaurer le congé parental – de revoir la structure de
l’article 3 de l’arrêté royal du 20 décembre 2006 instaurant les
conditions d’octroi d’une allocation d’adoption en faveur des
travailleurs indépendants afi n que le renforcement important
55
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
versterking van het adoptieverlof voor de zelfstandigen en
meewerkende echtgenoten aangebracht door deze wet van
6 september 2018 ten volle tot uiting komt.
De eerste paragraaf bepaalt de duur van het versterkte
adoptieverlof (basistijdvak van zes weken in geval van de
adoptie van een minderjarig kind, progressieve verlenging
vanaf 1 januari 2019 tot en met 1 januari 2027, verdubbe-
ling van het adoptieverlof in geval van de adoptie van een
minderjarig kind met een handicap, verlenging met twee
weken in geval van een gelijktijdige adoptie van meerdere
minderjarige kinderen).
De tweede paragraaf bepaalt wanneer het adoptieverlof
moet aanvatten. In afwijking van de algemene regel (de aan-
vang bevindt zich ten vroegste op de dag van de inschrijving
van het kind in de hoofdverblijfplaats van de adoptant en ten
laatste twee maanden na deze inschrijving aangezien de
doelstelling van het adoptieverlof is om het kind in het gezin te
onthalen), kan het adoptieverlof in geval van een interlandelijke
adoptie al vroeger aanvatten teneinde het kind op te halen
in de staat van herkomst met het oog op het daadwerkelijke
onthaal in het gezin. Deze afwijking, zoals ook in amende-
ment 17 bepaald voor werknemers, stelt de adoptieouder in
staat om het adoptieverlof aan te vatten vanaf de dag na de
goedkeuring van de beslissing door de bevoegde centrale
autoriteit van de gemeenschap om het kind aan de adoptant
toe te vertrouwen overeenkomstig artikel 361-3, 5° of artikel
361-5, 4° van het Burgerlijk Wetboek.
De derde paragraaf bepaalt – zoals vandaag al het geval is
– dat tijdens het adoptieverlof de zelfstandige, ten persoonlijke
titel, geen enkele beroepsactiviteit mag uitoefenen en dat hij
het adoptieverlof altijd per week dient op te nemen.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
du congé d’adoption pour les travailleurs indépendants et les
conjoints aidants apporté par cette loi du 6 septembre 2018
se refl ète pleinement.
Le premier paragraphe fi xe la durée du congé d’adoption
renforcé (période de base de six semaines en cas d’adoption
d’un enfant mineur, allongement progressif à partir du 1er jan-
vier 2019 jusqu’au 1er janvier 2027, doublement du congé
d’adoption en cas d’adoption d’un enfant mineur présentant
un handicap, prolongation de deux semaines en cas d’adop-
tion simultanée de plusieurs enfants mineurs).
Le deuxième paragraphe détermine quand le congé
d’adoption doit débuter. Par dérogation à la règle générale
(point de départ se situant au plus tôt le jour de l’inscription
de l’enfant à la résidence principale de l’adoptant et au
plus tard deux mois après cette inscription étant donné que
l’objectif poursuivi par le congé d’adoption est d’accueillir
l’enfant dans la famille), le congé d’adoption peut déjà débu-
ter plus tôt en cas d’adoption internationale et ce, afi n d’aller
chercher l’enfant dans l’État d’origine en vue de son accueil
effectif dans la famille. Cette dérogation, également prévue
par l’amendement 17 pour les travailleurs salariés, permet au
parent adoptif d’entamer son congé d’adoption dès le lende-
main de l’approbation, par l’autorité centrale communautaire
compétente, de la décision de confi er l’enfant à l’adoptant
conformément à l’article 361-3, 5° ou l’article 361-5, 4° du
Code civil.
Le troisième paragraphe prévoit – comme c’est déjà le cas
aujourd’hui – que le travailleur indépendant ne peut exercer,
à titre personnel, aucune activité professionnelle durant
le congé d’adoption et qu’il doit toujours prendre le congé
d’adoption par semaine.
56
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 26 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 91 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 91 in-
voegen, luidende:
“Art. 91. In dezelfde wet wordt een artikel 4/1 inge-
voegd, luidende:
“Art. 4/1. Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt aan-
gevuld met een paragraaf 3, luidende:
“§ 3. In afwijking van artikel 25 van het koninklijk
besluit van 20 juli 1971 wordt de uitkering bedoeld in
§ 1 toegekend wanneer de zelfstandige zich buiten het
Belgische grondgebied bevindt overeenkomstig artikel
3, § 2, tweede lid.”.”.”
VERANTWOORDING
In afwijking van het territorialiteitsbeginsel dat principieel
bepaalt dat de gerechtigde zich op het Belgische grondgebied
moet bevinden om aanspraak te kunnen maken op de uitke-
ring voor adoptieverlof, beoogt dit amendement de toeken-
ning van de adoptie-uitkering wanneer de betrokkene zich in
geval van een interlandelijke adoptie in het buitenland bevindt
om het kind op te halen met het oog op zijn daadwerkelijke
onthaal in het gezin.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 26 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 91 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 91,
rédigé comme suit:
“Art. 91. Dans la même loi, il est inséré un article 4/1,
rédigé comme suit:
“Art. 4/1. L’article 4 du même arrêté, est complété
par le paragraphe 3 rédigé comme suit:
“§ 3. Par dérogation à l’article 25 de l’arrêté royal du
20 juillet 1971, l’indemnité visée au § 1er est accordée
lorsque le travailleur indépendant se trouve en dehors
du territoire belge conformément à l’article 3, § 2,
alinéa 2.”.”.”
JUSTIFICATION
Par dérogation au principe de territorialité qui prévoit qu’en
principe, le titulaire doit se trouver sur le territoire belge afi n
de pouvoir prétendre à l’allocation pour le congé d’adoption,
cet amendement envisage l’octroi de l’allocation d’adoption
lorsque l’intéressé se trouve, en cas d’adoption internationale,
à l’étranger afi n d’aller chercher l’enfant en vue de son accueil
effectif dans la famille.
57
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 27 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 92 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 92
invoegen, luidende:
“Art. 92. In dezelfde wet wordt een artikel 4/2 inge-
voegd, luidende:
“Art. 4/2. In artikel 6, § 2, van hetzelfde besluit, wor-
den de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het tweede streepje wordt vervangen als volgt:
“- indien het een interlandelijke adoptie betreft, een
kopie van het bewijs van registratie van een buitenland-
se beslissing houdende een adoptie overeenkomstig
artikel 367-2 van het Burgerlijk Wetboek, afgeleverd
door de Dienst internationale adoptie van de FOD
Justitie, voor te leggen, of een kopie van het document
voor te leggen dat de goedkeuring van de beslissing
door de bevoegde centrale autoriteit van de gemeen-
schap om het kind aan de adoptant toe te vertrouwen
overeenkomstig artikel 361-3, 5° of artikel 361-5, 4° van
het Burgerlijk Wetboek bewijst als de zelfstandige het
adoptieverlof overeenkomstig artikel 3, § 2, tweede lid
opneemt;”;
2° het wordt aangevuld met een derde streepje,
luidende:
“- indien de zelfstandige gebruik maakt van het recht
bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, en er twee adoptie-
ouders zijn, een verklaring op eer voor te leggen die, al
naargelang van het geval, de verdeling van deze weken
tussen de twee adoptieouders vastlegt of de toewijzing
van deze week of weken aan de enige adoptieouder
vastlegt die van dit recht gebruik maakt.”.”
VERANTWOORDING
Dit amendement beoogt om de nadere regels van de te
volgen aanvraagprocedure tot het verkrijgen van de adoptie-
uitkering te bepalen, enerzijds wanneer de gerechtigde
adoptieverlof opneemt om in geval van een interlandelijke
N° 27 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 92 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 92,
rédigé comme suit:
“Art. 92. Dans la même loi, il est inséré un article 4/2,
rédigé comme suit:
“Art. 4/2. Dans l’article 6, § 2, du même arrêté, les
modifi cations suivantes sont apportées:
1° le deuxième tiret est remplacé par ce qui suit:
“- présenter, en cas d’adoption internationale, une
copie de l’attestation d’enregistrement d’une décision
étrangère établissant une adoption conformément à
l’article 367-2 du Code civil, délivrée par le Service
adoption internationale du SPF Justice, ou une copie
du document qui montre l’approbation, par l’autorité
centrale communautaire compétente, de la décision de
confi er l’enfant à l’adoptant conformément à l’article
361-3, 5° ou l’article 361-5, 4° du Code civil lorsque
le travailleur indépendant prend le congé d’adoption
conformément à l’article 3, § 2, alinéa 2;”;
2° il est complété par un troisième tiret, rédigé comme
suit:
“- présenter, lorsque le travailleur indépendant utilise
le droit visé à l’article 3, § 1er, alinéa 2, et qu’il y a deux
parents adoptifs, une déclaration sur l’honneur attes-
tant, selon le cas, de la répartition de ces semaines
entre les deux parents adoptifs ou de l’attribution de
cette semaine ou de ces semaines au seul parent
adoptif qui utilise ce droit.”.”
JUSTIFICATION
Cet amendement envisage de déterminer les modalités
de la procédure de demande à suivre pour la perception de
l’allocation d’adoption, d’une part, lorsque le titulaire prend
le congé d’adoption afi n d’aller chercher l’enfant à l’étranger
58
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
adoptie het kind in het buitenland op te halen met het oog op
zijn daadwerkelijke onthaal in het gezin en anderzijds wan-
neer de gerechtigde één of meerdere bijkomende weken van
adoptieverlof opneemt.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
en vue de son accueil effectif dans la famille en cas d’adop-
tion internationale, et d’autre part, lorsque le titulaire prend
plusieurs semaines supplémentaires de congé d’adoption.
59
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 28 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 93 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19, een artikel 93
invoegen, luidende:
“Art. 93. In dezelfde wet wordt een artikel 4/3 inge-
voegd, luidende:
“Art. 4/3. Artikel 18bis van het koninklijk besluit
nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het
sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij de wet
van 16 juli 2015, wordt aangevuld met een paragraaf
4, luidende:
“§ 4. Een uitkering wegens pleegouderverlof wordt
toegekend ten gunste van zelfstandigen die een min-
derjarig kind in hun gezin onthalen naar aanleiding van
langdurige pleegzorg.
Worden beoogd door deze uitkering wegens pleeg-
ouderverlof, de zelfstandigen die de hoedanigheid van
gerechtigde hebben in de uitkeringsverzekering voor-
zien voor de zelfstandigen, helpers en meewerkende
echtgenoten.
De vordering tot uitbetaling of tot terugbetaling van
de uitkering wegens pleegouderverlof verjaart na twee
jaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 174 van
de wet betreffende de verplichte verzekering voor ge-
neeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd
op 14 juli 1994.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na over-
leg in de Ministerraad, de toekenningsregels van deze
uitkering wegens pleegouderverlof bepalen:
1) de toekenningsvoorwaarden;
2) de instellingen en organen bevoegd voor de toe-
kenning en het beheer;
3) de aanvraagprocedure;
N° 28 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 93 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 93,
rédigé comme suit:
“Art. 93. Dans la même loi, il est inséré un article 4/3,
rédigé comme suit:
“Art. 4/3. L’article 18bis de l’arrêté royal n° 38 du
27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs
indépendants, inséré par la loi du 16 juillet 2015, est
complété par le paragraphe 4 rédigé comme suit:
“§ 4. Une allocation de congé parental d’accueil est
accordée en faveur des travailleurs indépendants qui
accueillent un enfant mineur dans leur famille à l’occa-
sion d’un placement de longue durée.
Sont visés par cette allocation de congé parental
d’accueil, les travailleurs indépendants qui ont la qua-
lité de titulaire en matière d’assurance indemnités telle
que prévue pour les travailleurs indépendants, aidants
et conjoints aidants.
L’action en paiement ou en récupération de l’alloca-
tion de congé parental d’accueil se prescrit par deux
ans conformément aux dispositions de l’article 174 de
la loi relative à l’assurance obligatoire soins de santé
et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.
Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil
des ministres, les modalités d’octroi de cette allocation
de congé parental d’accueil:
1) les conditions d’octroi;
2) les institutions et organismes compétents pour
l’octroi et la gestion;
3) la procédure de demande;
60
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
4) de toekenningsperiode, het bedrag en de
betalingswijze.”.”
VERANTWOORDING
De wet van 6 september 2018 tot wijziging van de regelge-
ving met het oog op de versterking van het adoptieverlof en
tot invoering van het pleegouderverlof opent slechts een recht
op pleegouderverlof, en op een vergoeding gedurende de
weken waarin dit verlof wordt opgenomen, voor de personen
verbonden door een arbeidsovereenkomst. Er moet echter
worden opgemerkt dat de zelfstandigen en de meewerkende
echtgenoten ook ertoe kunnen worden gebracht om in het
kader van pleegzorg belangrijke zorgtaken te verrichten. Om
de verzoening tussen het professionele leven en het privéle-
ven van de zelfstandigen (en de meewerkende echtgenoten)
te bevorderen en om een onderscheiden behandeling t.o.v.
de werknemers te vermijden, past het om dit recht op pleeg-
ouderverlof ook voor de zelfstandigen en de meewerkende
echtgenoten te openen.
Deze bepaling beoogt om de essentiële elementen van de
uitkering wegens pleegouderverlof ten gunste van zelfstan-
digen en de meewerkende echtgenoten te bepalen die een
minderjarig kind in hun gezin onthalen naar aanleiding van
langdurige pleegzorg. Het personeel toepassingsgebied en
de toepasselijke verjaringstermijnen worden in het koninklijk
besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het
sociaal statuut der zelfstandigen bepaald. De Koning wordt
gemachtigd om de toekenningsregels van deze maatregel
te bepalen.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
4) la période d’octroi, le montant et les modalités de
paiement.”.”
JUSTIFICATION
La loi du 6 septembre 2018 modifi ant la réglementation en
vue de renforcer le congé d’adoption et d’instaurer le congé
parental d’accueil n’ouvre un droit au congé parental d’ac-
cueil, et à l’indemnisation des semaines au cours desquelles
ce congé est pris, qu’aux personnes liées par un contrat de
travail. Or, il y a lieu de souligner que les travailleurs indépen-
dants et les conjoints aidants peuvent également être amenés
à effectuer des tâches de soins importantes dans le cadre d’un
placement familial. Dès lors, afi n de favoriser la conciliation
entre la vie professionnelle et la vie privée des travailleurs
indépendants (et des conjoints aidants) et d’éviter un traite-
ment différent vis-à-vis des travailleurs salariés, il convient
d’également ouvrir ce droit au congé parental d’accueil aux
travailleurs indépendants et aux conjoints aidants.
Cette disposition envisage de déterminer les éléments
essentiels de l’allocation de congé parental d’accueil en
faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants
qui accueillent un enfant mineur dans leur famille à l’occasion
d’un placement familial de longue durée. Le champ d’appli-
cation personnel et les délais de prescription applicables sont
repris dans l’arrêté royal n° 38 organisant le statut social des
travailleurs indépendants. Le Roi est autorisé à déterminer
les modalités d’octroi de cette mesure.
61
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 29 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 94 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 94
invoegen, luidende:
“Art. 94. In artikel 5 van dezelfde wet worden de
woorden “artikel 4” vervangen door de woorden “de
artikelen 4, 4/1 en 4/2”.”
VERANTWOORDING
Aangezien de amendementen 26 en 27 ook het koninklijk
besluit van 20 december 2006 tot invoering van de toeken-
ningsvoorwaarden van een adoptie-uitkering ten gunste van
de zelfstandigen wijzigen, past het om de aan de Koning
verstrekte delegatie uit te breiden tot de bepalingen die het
voorwerp van deze amendementen vormen.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 29 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 94 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 94,
rédigé comme suit:
“Art. 94. Dans l’article 5 de la même loi, les mots
“l’article 4” sont remplacés par les mots “les articles
4, 4/1 et 4/2”.”
JUSTIFICATION
Etant donné que les amendements 26 et 27 modifi ent
également l’arrêté royal du 20 décembre 2006 instaurant
les conditions d’octroi d’une allocation d’adoption en faveur
des travailleurs indépendants, il convient d’élargir la déléga-
tion donnée au Roi aux dispositions qui font l’objet de ces
amendements.
62
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 30 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 95 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 95
invoegen, luidende:
“Art. 95. Artikel 6 van de wet van 6 september 2018
tot wijziging van de regelgeving met het oog op de
versterking van het adoptieverlof en tot invoering van
het pleegouderverlof wordt aangevuld met twee leden,
luidende:
“De artikelen 2, 2/1 en 3 zijn enkel van toepassing
op aanvragen die bij de werkgever worden ingediend
vanaf 1 januari 2019 en voor zover het verlof ten vroegste
aanvangt vanaf 1 januari 2019.
De artikelen 4, 4/1 en 4/2 zijn enkel van toepas-
sing op de adoptieverloven die ten vroegste vanaf
1 januari 2019 aanvatten.”.”
VERANTWOORDING
De huidige bepaling van artikel 6 van de wet van
6 september 2018, bepaalt op algemene wijze dat deze wet in
werking treedt op 1 januari 2019. Er worden geen overgangs-
bepalingen opgenomen.
Intussen blijkt dat het gebrek aan duidelijke regels met
betrekking tot de werking in de tijd van de nieuwe bepa-
lingen, aanleiding zal geven tot verwarring en rechtson-
zekerheid. Vandaar dat artikel 6 wordt aangevuld met een
overgangsregeling.
Voor de toepassing in de tijd van de door de artikelen
2 en 2/1 beoogde nieuwigheden voor het adoptieverlof en
het nieuwe, door artikel 3 ingevoerde pleegouderverlof, zul-
len werknemers en werkgevers de volgende regel in acht
moeten nemen.
Het nieuwe, uitgebreidere regime van adoptieverlof zal van
toepassing zijn wanneer er cumulatief aan twee voorwaarden
is voldaan. Er moet ten eerste sprake zijn van een aanvraag
die de werknemer ten vroegste vanaf 1 januari 2019 indient
bij de werkgever. Ten tweede mag het aangevraagde verlof
ten vroegste een aanvang nemen vanaf diezelfde datum.
N° 30 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Article 95 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 95,
rédigé comme suit:
“Art. 95. L’article 6 de la loi du 6 septembre 2018
modifi ant la réglementation en vue de renforcer le congé
d’adoption et d’instaurer le congé parental d’accueil
est complété par deux alinéas, rédigés comme suit:
“Les articles 2, 2/1 et 3 ne s’appliquent qu’aux
demandes qui sont introduites auprès de l’employeur
à partir du 1er janvier 2019 et pour autant que le congé
prenne cours au plus tôt à partir du 1er janvier 2019.
Les articles 4, 4/1 et 4/2 sont uniquement applicables
aux congés d’adoption qui débutent au plus tôt à partir
du 1er janvier 2019.”.”
JUSTIFICATION
Les dispositions actuelles de l’article 6 de la loi du
6 septembre 2018 déterminent de manière générale que cette
loi entre en vigueur le 1er janvier 2019. Aucune disposition
transitoire n’a été prise.
Cependant, à défaut de règle claire concernant l’applica-
tion dans le temps des nouvelles dispositions, cela pourrait
occasionner une certaine confusion et insécurité juridique.
C’est pourquoi l’article 6 est complété avec une disposition
transitoire.
Pour l’application dans le temps des nouveautés visées
aux articles 2 et 2/1 pour le congé d’adoption et le nouveau
congé parental d’accueil introduit par l’article 3, les travailleurs
et employeurs doivent prendre en compte la règle suivante.
Le nouveau régime élargi du congé d’adoption sera d’appli-
cation lorsqu’il est satisfait de manière cumulative à deux
conditions. Il doit tout d’abord être question d’une demande
que le travailleur introduit auprès de l’employeur au plus tôt
à partir de la date du 1er janvier 2019. Deuxièmement, il faut
que le congé demandé prenne cours au plus tôt à partir de
cette même date.
63
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Het nieuwe pleegouderverlof zal van toepassing zijn wan-
neer er cumulatief aan twee voorwaarden is voldaan. Er moet
ten eerste sprake zijn van een aanvraag die de werknemer
ten vroegste vanaf 1 januari 2019 indient bij de werkgever.
Ten tweede mag het aangevraagde verlof ten vroegste een
aanvang nemen vanaf diezelfde datum.
Wat ten slotte het adoptieverlof voor de zelfstandigen en
meewerkende echtgenoten betreft, wordt bepaald dat het
nieuwe, uitgebreidere regime slechts van toepassing zal zijn
op de adoptieverloven die ten vroegste een aanvang nemen
vanaf 1 januari 2019.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
Le nouveau congé parental d’accueil sera d’application
lorsqu’il est satisfait de manière cumulative à deux conditions.
Il doit tout d’abord être question d’une demande que le travail-
leur introduit auprès de l’employeur au plus tôt à partir de la
date du 1er janvier 2019. Deuxièmement, il faut que le congé
demandé prenne cours au plus tôt à partir de cette même date.
Enfi n, en ce qui concerne le congé d’adoption pour les
travailleurs indépendants et les conjoints aidants, il est
prévu que le nouveau régime élargi ne sera d’application
qu’aux congés d’adoption qui débutent, au plus tôt, à partir
du 1er janvier 2019.
64
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 31 VAN DE HEER LACHAERT c.s.
Art. 96 (nieuw)
In het voornoemde Hoofdstuk 19 een artikel 96 in-
voegen, luidende:
“Art. 96. Dit hoofdstuk treedt in werking op
31 december 2018.”
VERANTWOORDING
Dit artikel regelt inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Wim VAN der DONCKT (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
Nahima LANJRI (CD&V)
N° 31 DE M. LACHAERT ET CONSORTS
Art. 96 (nouveau)
Dans le Chapitre 19 précité, insérer un article 96,
rédigé comme suit:
“Art. 96. Ce chapitre entre en vigueur le
31 décembre 2018.”
JUSTIFICATION
Cet article règle l’entrée en vigueur de ce chapitre.
65
3355/002
DOC 54
C H A M B R E 6 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 6 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2018
2019
Nr. 32 VAN MEVROUW LANJRI c.s.
(subamendement op amendement nr. 19)
In het voorgestelde artikel 30sexies, § 2, de vol-
gende wijzigingen aanbrengen:
1° in het eerste lid, het woord “twee” vervangen
door het woord “twaalf”;
2° in het tweede lid, het woord “twee” vervangen
door het woord “twaalf”.
VERANTWOORDING
De nadere regels voor de uitoefening van het pleegzorg-
verlof kunnen niet volledig worden gelijkgeschakeld met deze
van het adoptieverlof, door het eigene van het pleegzorgverlof.
Dit is het geval met betrekking tot het moment waarop het
verlof moet beginnen binnen de twee maanden die volgen op
de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin
van de werknemer in het bevolkingsregister of in het vreem-
delingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats
heeft. De redenering is dat adoptieverlof de tegenhanger is
van moederschapsrust en vaderschapsverlof bij de geboorte
van een kind en dus moet worden opgenomen binnen een
periode die nauw aansluit bij het onthaal van het kind in het
gezin. Daarnaast kunnen adoptieouders ook gebruik maken
van ouderschapsverlof voor de zorg van hun kind. Dezelfde
regeling inzake de aanvang van het verlof binnen de twee
maanden kan niet worden aangehouden voor het pleeg-
zorgverlof. Pleegouders hebben immers, in tegenstelling tot
adoptieouders, geen recht op ouderschapsverlof. Daarom is
het opportuun dat pleegouders wat extra tijd krijgen vooraleer
zij het pleegzorgverlof aanvatten. Dit amendement stelt dat
het pleegzorgverlof moet aanvangen binnen twaalf maanden
die volgen op de inschrijving van het kind als deel uitmakend
van het gezin van de werknemer in het bevolkingsregister of
in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn
verblijfplaats heeft.
Nahima LANJRI (CD&V)
Egbert LACHAERT (Open Vld)
Jan SPOOREN (N-VA)
Stéphanie THORON (MR)
N° 32 DE MME LANJRI ET CONSORTS
(sous-amendement à l’amendement n° 19)
Dans l’article 30sexies, § 2, proposé, apporter les
modifi cations suivantes:
1° dans l’alinéa 1er, remplacer le mot “deux” par
le mot “douze”;
2° dans l’alinéa 2, remplacé le mot “deux” par le
mot “douze”.
JUSTIFICATION
En raison de la particularité du congé d’accueil, les moda-
lités qui règlent son exercice ne peuvent être totalement
alignées sur celles qui s’appliquent au congé d’adoption. Par
exemple, le fait que le congé doit prendre cours dans les deux
mois qui suivent l’inscription de l’enfant comme faisant partie
du ménage du travailleur dans le registre de la population ou
dans le registre des étrangers de sa commune de résidence,
le raisonnement étant que le congé d’adoption est considéré
comme le pendant du congé de maternité et de paternité
lors de la naissance de l’enfant et qu’il doit par conséquent
être pris dans une période proche de l’accueil de l’enfant au
sein de la famille. En outre, les parents adoptants peuvent
également mettre le congé parental à profi t pour s’occuper de
leur enfant. Il n’est pas possible de conserver telles quelles
les règles relatives à la prise de cours du congé dans les
deux mois en ce qui concerne le congé d’accueil. En effet,
contrairement aux parents adoptifs, les parents d’accueil n’ont
pas droit au congé parental. C’est pourquoi il est opportun
d’accorder davantage de temps à ces derniers avant qu’ils
n’entament leur congé d’accueil. Le présent amendement dis-
pose que le congé d’accueil doit prendre cours dans les douze
mois qui suivent l’inscription de l’enfant comme faisant partie
du ménage du travailleur dans le registre de la population ou
dans le registre des étrangers de sa commune de résidence.
Centrale drukkerij – Imprimerie centrale