Inhoud
DOOR DE COMMISSIE
VOOR DE FINANCIËN EN DE BEGROTING
PAR LA COMMISSION
DES FINANCES ET DU BUDGET
ARTIKELEN AANGENOMEN
IN EERSTE LEZING
ARTICLES ADOPTÉS
EN PREMIÈRE LECTURE
8026
DOC 54 2922/008
DOC 54 2922/008
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
28 februari 2018
28 février 2018
PROPOSITION DE LOI
WETSVOORSTEL
betreffende de economische relance en de
versterking van de sociale cohesie
(art. 19 tot 21 en 28 tot 137)
relative à la relance économique et au
renforcement de la cohésion sociale
(art. 19 à 21 et 28 à 137)
Voir:
Doc 54 2922/ (2017/2018):
001:
Proposition de loi de MM. Clarinval, Van Quickenborne, Vercamer et
Spooren.
002 et 003: Amendements.
004:
Rapport de la première lecture (Affaires sociales).
005:
Articles adoptés en première lecture (Affaires sociales).
006:
Rapport (Infrastructure).
007:
Rapport de la première lecture (Finances).
Zie:
Doc 54 2922/ (2017/2018):
001:
Wetsvoorstel van de heren Clarinval, Van Quickenborne, Vercamer en
Spooren.
002 en 003: Amendementen.
004:
Verslag van de eerste lezing (Sociale zaken).
005:
Artikelen aangenomen in eerste lezing (Sociale zaken).
006:
Verslag (Infrastructuur).
007:
Verslag van de eerste lezing (Financiën).
2
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA:
Questions et Réponses écrites
CRIV:
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
CRABV:
Compte Rendu Analytique
CRIV:
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le
compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu
analy tique traduit des interventions (avec les an-
nexes)
PLEN:
Séance plénière
COM:
Réunion de commission
MOT:
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes:
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.lachambre.be
courriel : publications@lachambre.be
Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen:
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.dekamer.be
e-mail : publicaties@dekamer.be
De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier
Afkortingen bij de nummering van de publicaties:
DOC 54 0000/000:
Parlementair document van de 54e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV:
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV:
Beknopt Verslag
CRIV:
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag
en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken
(met de bijlagen)
PLEN:
Plenum
COM:
Commissievergadering
MOT:
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti Socialiste
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
sp.a
:
socialistische partij anders
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
cdH
:
centre démocrate Humaniste
VB
:
Vlaams Belang
PTB-GO!
:
Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
PP
:
Parti Populaire
Vuye&Wouters
:
Vuye&Wouters
3
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Afdeling 2
Fiscale compensatie voor de werkgever
Art. 19
Artikel 38, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de
wet van 25 december 2017, wordt aangevuld met een
bepaling onder 32°, luidende:
“32° de forfaitaire toeslag als bedoeld in artikel 33bis,
§ 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering
van de werkgelegenheid.”.
Art. 20
Artikel 53 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 december 2017, wordt aangevuld met
een bepaling onder 26°, luidende:
“26° de forfaitaire toeslag als bedoeld in artikel 33bis,
§ 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering
van de werkgelegenheid die bij toepassing van artikel
27511 in mindering wordt gebracht van de verschuldigde
bedrijfsvoorheffing.”.
Art. 21
In titel VI, hoofdstuk I, afdeling IV, van hetzelfde
Wetboek wordt een artikel 27511 ingevoegd, luidende:
“Art. 27511. De werkgevers die aan jonge werknemers
forfaitaire toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van
de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de
werkgelegenheid betalen of toekennen, en die krachtens
artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorhef-
fi ng op de bezoldigingen die ze aan de betrokken jonge
werknemers betalen of toekennen, worden ervan vrij-
gesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die ze na
toepassing van de artikelen 2751 tot 27510 verschuldigd
zijn, in de Schatkist te storten.
De niet te storten bedrijfsvoorheffing is gelijk aan het
bedrag van de forfaitaire toeslagen die de werkgever
bij toepassing van artikel 33bis, § 4, van de wet van
24 december 1999 ter bevordering van de werkgele-
genheid heeft betaald of toegekend aan de hiervoor
bedoelde jonge werknemers in de periode waarvoor
de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is.
Het gedeelte van het overeenkomstig het tweede
lid bepaalde bedrag dat bij toepassing van het eer-
ste lid niet in mindering kan worden gebracht van
Section 2
Compensation fi scale pour l’employeur
Art. 19
L’article 38, § 1er, alinéa 1er, du Code des impôts sur
les revenus 1992, modifi é en dernier lieu par la loi du
25 décembre 2017, est complété par un 32°, rédigé
comme suit:
“32° le supplément forfaitaire tel que visé à l’article
33bis, § 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la
promotion de l’emploi.”.
Art. 20
L’article 53 du même Code, modifi é en dernier lieu
par la loi du 25 décembre 2017, est complété d’un 26°,
rédigé comme suit:
“26° le supplément forfaitaire tel que visé à l’article
33bis, § 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la
promotion de l’emploi, porté en diminution du précompte
professionnel dû en application de l’article 27511.”.
Art. 21
Dans le titre VI, chapitre Ier, section IV, du même
Code, un article 27511 est inséré, rédigé comme suit:
“Art. 27511. Les employeurs qui paient ou attribuent à
de jeunes travailleurs un supplément forfaitaire visé à
l’article 33bis, § 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue
de la promotion de l’emploi, et qui, en vertu de l’article
270, 1°, sont redevables du précompte professionnel
sur les rémunérations qu’ils paient ou attribuent à de
jeunes travailleurs, sont dispensés de verser au Trésor
une partie du précompte professionnel dont ils sont
redevables après application des articles 2751 à 27510.
Le précompte professionnel qui ne doit pas être
versé est égal au montant des suppléments forfaitaires
que l’employeur, en application de l’article 33bis, § 4,
de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion
de l’emploi, a payé ou attribué à de jeunes travailleurs
susvisés durant la période pour laquelle le précompte
professionnel est dû.
La partie du montant déterminé conformément à
l’alinéa 2 qui, en application de l’alinéa 1er, ne peut être
portée en déduction du précompte professionnel dû
4
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
de bedrijfsvoorheffing die voor de betrokken periode
verschuldigd is, kan achtereenvolgens in mindering
worden gebracht van de bedrijfsvoorheffing die na
toepassing van de artikelen 2751 tot 27510 verschul-
digd is voor elk van de volgende periodes waarvoor
bedrijfsvoorheffing verschuldigd is en die tot hetzelfde
kalenderjaar behoren.
De Koning bepaalt de formaliteiten die moeten wor-
den vervuld voor de toepassing van dit artikel.”.
TITEL V
Fiscale en fi nanciële bepalingen
HOOFDSTUK 1
Groeibedrijven
Art. 28
In artikel 14526, van het Wetboek van de inkomstenbe-
lastingen 1992, hersteld bij de wet van 10 augustus 2015
en gewijzigd bij de wetten van 18 december 2015,
18 december 2016 en 17 december 2017, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de bepaling onder
8° vervangen als volgt:
“8° de vennootschap heeft nog geen kapitaal-
vermindering doorgevoerd, behoudens de kapitaalver-
minderingen ter aanzuivering van een geleden verlies
of om een reserve te vormen tot dekking van een voor-
zienbaar verlies, of dividenden uitgekeerd;”;
2° in paragraaf 3, derde lid, wordt de bepaling onder
2° vervangen als volgt:
“2° betalingen voor het verwerven van aandelen,
rechtstreeks of via een crowdfundingplatform als be-
doeld in § 1, eerste lid, a, via een fi nancieringsvehikel
als bedoeld in § 1, eerste lid, b, of via een openbaar
startersfonds of een private startersprivak als bedoeld
in § 1, eerste lid, c, in een vennootschap:
a) waarin de belastingplichtige, rechtstreeks of on-
rechtstreeks, op het ogenblik van de kapitaalinbreng,
een in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleider is;
b) waarin de belastingplichtige, rechtstreeks of
onrechtstreeks, een in artikel 32, eerste lid, bedoelde
bedrijfsleider is, tenzij hij daarvoor geen vergoeding
verkrijgt;
pour la période concernée, peut être successivement
portée en déduction du précompte professionnel dû
après application des articles 2751 à 27510 pour chacune
des périodes suivantes durant lesquelles du précompte
professionnel est dû et qui appartiennent à la même
année civile.
Le Roi détermine les formalités qui doivent être rem-
plies pour l’application du présent article.”.
TITRE V
Dispositions fi scales et fi nancières
CHAPITRE 1ER
Entreprises en croissance
Art. 28
À l’article 14526, du Code des impôts sur les revenus
1992, rétabli par la loi du 10 août 2015, et modifi é par
les lois des 18 décembre 2015, 18 décembre 2016 et
17 décembre 2017, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, le 8° est remplacé
comme suit:
“8° la société n’a pas encore opéré de réduction de
capital, sauf les réductions de capital en vue de com-
penser une perte subie ou en vue de constituer une
réserve pour couvrir une perte prévisible, ou distribué
des dividendes;”;
2° dans le paragraphe 3, alinéa 3, le 2° est remplacé
comme suit:
“2° aux sommes affectées à l’acquisition, directement
ou par le biais d’une plateforme de crowdfunding visée
au § 1er, alinéa 1er, a, par le biais d’un véhicule de fi nan-
cement visé au § 1er, alinéa 1er, b, ou par le biais d’un
fonds starter public ou d’une pricaf privée starter visé
au § 1er, alinéa 1er, c, d’actions ou parts d’une société:
a) dans laquelle le contribuable est, directement ou
indirectement, au moment de l’apport en capital, un
dirigeant d’entreprise visé à l’article 32, alinéa 1er;
b) dans laquelle le contribuable est, directement ou
indirectement, un dirigeant d’entreprise visé à l’article
32, alinéa 1er, sauf s’il ne perçoit aucune indemnité
pour cela;
5
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
c) waarin de belastingplichtige, op het ogenblik van
de kapitaalinbreng, als vaste vertegenwoordiger van
een andere vennootschap een opdracht als bestuurder,
zaakvoerder, vereffenaar of een gelijksoortige functie
uitoefent;
d) die een aannemings- of lastgevingsovereenkomst
heeft gesloten met een andere vennootschap waarvan
de belastingplichtige aandeelhouder is, op het ogenblik
van de kapitaalinbreng, en waarbij die andere vennoot-
schap er zich toe heeft verbonden om tegen vergoeding
een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van
commerciële, fi nanciële of technische aard op zich te
nemen in de eerste vennootschap;”;
3° in paragraaf 3, wordt het vierde lid vervangen als
volgt:
“De betalingen voor in § 1, eerste lid, a, bedoelde
aandelen, in § 1, eerste lid, b, bedoelde beleggings-
instrumenten en in § 1, eerste lid, c, bedoelde rechten
van deelneming komen voor de belastingvermindering
in aanmerking tot een bedrag van 100 000 euro per
belastbaar tijdperk. Dit bedrag van 100 000 euro per
belastbaar tijdperk wordt desgevallend verminderd met
het bedrag van de in aanmerking genomen betalingen
voor het betreffende belastbaar tijdperk voor de toepas-
sing van artikel 14527.”;
4° in paragraaf 5, wordt het achtste lid vervangen
als volgt:
“De in § 1 vermelde belastingvermindering wordt
slechts behouden op voorwaarde dat de in § 3, tweede
lid en derde lid, 2°, b, gestelde voorwaarden worden
nageleefd.”;
5° in paragraaf 5, wordt een tiende lid ingevoegd,
luidende:
“Wanneer de in § 3, derde lid, 2°, b, vermelde voor-
waarde niet wordt nageleefd gedurende de 48 maanden
volgend op de volstorting van de aandelen van de ven-
nootschap, wordt de totale belasting met betrekking tot
de inkomsten van het belastbare tijdperk waarin wordt
vastgesteld dat die voorwaarde niet wordt nageleefd,
vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel
maal één achtenveertigste van de overeenkomstig
§ 1 voor die aandelen, beleggingsinstrumenten of
rechten van deelneming werkelijk verkregen belasting-
vermindering, als er volle maanden overblijven vanaf de
datum waarop de voorwaarde niet wordt nageleefd tot
het einde van de termijn van 48 maanden.”.
c) dans laquelle le contribuable exerce, au moment de
l’apport en capital, en tant que représentant permanent
d’une autre société, un mandat d’administrateur, de
gérant, de liquidateur ou une fonction analogue;
d) qui a conclu un contrat d’entreprise ou de man-
dat avec une autre société dont le contribuable est
actionnaire, au moment de l’apport en capital, et par
laquelle cette autre société s’est engagée à assumer,
moyennant une indemnité, une activité dirigeante de
gestion journalière, de nature commerciale, fi nancière
ou technique, dans la première société;”;
3° dans le paragraphe 3, l’alinéa 4 est remplacé
comme suit:
“Les paiements pour actions visées au § 1er, alinéa 1er,
a, instruments de placement visés au § 1er, alinéa 1er, b,
et parts visées au § 1er, alinéa 1er, c, ne sont pris en consi-
dération pour la réduction d’impôt qu’à concurrence
d’un montant de 100 000 euros par période imposable.
Ce montant de 100 000 euros par période imposable est
diminué, le cas échéant, du montant des paiements pris
en considération pour la période imposable concernée
pour l’application de l’article 14527.”;
4° dans le paragraphe 5, l’alinéa 8 est remplacé
comme suit:
“Le maintien de la réduction d’impôt visée au § 1er est
subordonné au respect des conditions visées au § 3,
alinéas 2 et 3, 2°, b.”;
5° dans le paragraphe 5, un alinéa 10 est inséré,
rédigé comme suit:
“Lorsque la condition visée au § 3, alinéa 3, 2°, b,
n’est pas respectée durant les 48 mois qui suivent la
libération des actions ou parts de la société, l’impôt total,
relatif aux revenus de la période imposable au cours
de laquelle il est constaté que la condition n’a pas été
respectée est majoré d’un montant égal à autant de fois
un quarante-huitième de la réduction d’impôt effective-
ment obtenue conformément au § 1er pour ces actions ou
parts, ou instruments de placement, qu’il reste de mois
entiers à partir de la date à laquelle la condition n’est
pas remplie jusqu’à l’expiration du délai de 48 mois.”.
6
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 29
In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde
Wetboek, wordt de onderafdeling IIocties, opgeheven
bij de wet van 8 mei 2014, hersteld als volgt:
“Onderafdeling IIocties. Vermindering voor de ver-
werving van nieuwe aandelen van groeibedrijven –
Terugname van de vermindering”.
Art. 30
Artikel 14527 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij
de wet van 8 mei 2014, wordt hersteld als volgt:
“Art. 14527 § 1. Er wordt een belastingvermindering
verleend voor de betalingen voor:
a) nieuwe aandelen op naam verworven met inbren-
gen in geld die een fractie vertegenwoordigen van het
maatschappelijk kapitaal van een in § 2, eerste lid, be-
doelde vennootschap en waarop de belastingplichtige,
hetzij rechtstreeks, hetzij via een crowdfundingplatform,
heeft ingeschreven naar aanleiding van een kapitaal-
verhoging tijdens het vijfde, het zesde, het zevende, het
achtste, het negende of het tiende jaar na de oprichting
ervan en die hij volledig heeft volstort;
b) nieuwe beleggingsinstrumenten die zijn uitgegeven
door een fi nancieringsvehikel als bedoeld in de wet van
18 december 2016 tot regeling van de erkenning en de
afbakening van crowdfunding en houdende diverse be-
palingen inzake fi nanciën, en waarop de belastingplichti-
ge via een crowdfundingplatform heeft ingeschreven, op
voorwaarde dat het fi nancieringsvehikel de betalingen
van de belastingplichtigen, desgevallend na aftrek van
een vergoeding voor zijn intermediaire rol, rechtstreeks
investeert in nieuwe aandelen op naam die een fractie
vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal
van een in § 2, eerste lid, bedoelde vennootschap, naar
aanleiding van een kapitaalverhoging tijdens het vijfde,
het zesde, het zevende, het achtste, het negende of het
tiende jaar na de oprichting ervan en die het volledig
heeft volstort. Emittenten van certifi caten van aandelen
worden gelijkgesteld met fi nancieringsvehikels.
Het in het eerste lid bedoelde crowdfundingplatform
is een Belgisch platform of een platform naar het recht
van een andere lidstaat van de Europese Economische
Ruimte, bedoeld in artikel 14526, § 1, tweede lid.
Voor de toepassing van dit artikel wordt een ven-
nootschap geacht te zijn opgericht op datum van de
neerlegging van de oprichtingsakte ter griffie van
Art. 29
Au titre II, chapitre III, section Ire, du même Code, la
sous-section IIocties, abrogée par la loi du 8 mai 2014,
est rétablie comme suit:
“Sous-section IIocties. Réduction pour l’acquisition
de nouvelles actions ou parts d’entreprises en crois-
sance – Reprise de la réduction”.
Art. 30
L’article 14527 du même Code, abrogé par la loi du
8 mai 2014, est rétabli comme suit:
“Art. 14527 § 1er. Il est accordé une réduction d’impôt
pour les sommes affectées à:
a) de nouvelles actions ou parts nominatives acquises
avec des apports en argent représentant une fraction
du capital social d’une société visée au § 2, alinéa 1er,
et que le contribuable a souscrites, soit directement,
soit par le biais d’une plateforme de crowdfunding,
à l’occasion d’une augmentation de capital durant
la cinquième, la sixième, la septième, la huitième, la
neuvième ou la dixième année depuis sa constitution
et qu’il a entièrement libérées;
b) de nouveaux instruments de placement émis
par un véhicule de financement visé par la loi
du 18 décembre 2016 organisant la reconnaissance
et l’encadrement du crowdfunding et portant des dis-
positions diverses en matière de fi nances, et que le
contribuable a souscrits par le biais d’une plateforme
de crowdfunding, à condition que le véhicule de fi nan-
cement investisse directement les paiements provenant
des contribuables, déduction faite le cas échéant d’une
indemnité pour son rôle d’intermédiaire, dans de nou-
velles actions ou parts nominatives représentant une
fraction du capital social d’une société visée au § 2,
alinéa 1er, à l’occasion d’une augmentation de capital
durant la cinquième, la sixième, la septième, la huitième,
la neuvième ou la dixième année depuis sa constitution
et qui sont entièrement libérées. Des émetteurs de
certifi cats d’actions sont assimilés à des véhicules de
fi nancement.
La plateforme de crowdfunding visée à l’alinéa 1er est
une plateforme belge ou relevant du droit d’un autre État
membre de l’Espace économique européen, visée à
l’article 14526, § 1er, alinéa 2.
Pour l’application du présent article, une société est
censée être constituée à la date du dépôt de l’acte de
constitution au greffe du tribunal de commerce ou d’une
7
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
de rechtbank van koophandel of van een gelijkaar-
dige registratieformaliteit in een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte.
Wanneer de activiteit van de vennootschap bestaat
uit de voortzetting van een werkzaamheid die voorheen
werd uitgeoefend door een natuurlijke persoon of een
andere rechtspersoon, wordt de vennootschap, in af-
wijking van het derde lid, geacht te zijn opgericht op het
ogenblik van de eerste inschrijving in de Kruispuntbank
van Ondernemingen door die natuurlijke persoon,
respectievelijk van de neerlegging van de oprichtings-
akte van die andere rechtspersoon ter griffie van de
rechtbank van koophandel of van het vervullen van een
gelijkaardige registratieformaliteit door die natuurlijke
persoon of andere rechtspersoon in een andere lidstaat
van de Europese Economische Ruimte.
§ 2. Dit artikel is van toepassing op de aandelen
van een vennootschap die tezelfdertijd aan alle onder-
staande voorwaarden voldoet:
1° de vennootschap is een binnenlandse vennoot-
schap of een vennootschap waarvan de maatschap-
pelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur
of beheer gevestigd is in een andere lidstaat van de
Europese Economische Ruimte en die over een in artikel
229 bedoelde Belgische inrichting beschikt;
2° de vennootschap wordt op grond van arti-
kel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen
als kleine vennootschap aangemerkt voor het aanslag-
jaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin
de kapitaalinbreng werd gedaan;
3° de vennootschap stelt ten minste 10 voltijdse equi-
valenten te werk, krachtens arbeidsovereenkomsten;
4° over de laatste twee aanslagjaren voorafgaand
aan de volstorting van de aandelen:
(i) is de jaaromzet van de vennootschap gemiddeld
ten met minste 10 pct. per aanslagjaar gestegen; of
(ii) is het aantal voltijdse equivalenten die de ven-
nootschap krachtens arbeidsovereenkomsten tewerk-
stelt gemiddeld met ten minste 10 pct. per aanslag-
jaar gestegen;
5° de vennootschap is niet opgericht in het kader van
een fusie of splitsing van vennootschappen;
6° de vennootschap is geen beleggings-, thesaurie- of
fi nancieringsvennootschap;
formalité d’enregistrement similaire dans un autre État
membre de l’Espace économique européen.
Lorsque l’activité de la société consiste en la conti-
nuation d’une activité qui était exercée auparavant par
une personne physique ou une autre personne morale,
la société est, par dérogation à l’alinéa 3, censée être
constituée respectivement au moment de la première
inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises par
cette personne physique ou au moment du dépôt par
cette autre personne morale de l’acte de constitution
au greffe du tribunal de commerce ou de l’accom-
plissement d’une formalité d’enregistrement similaire
dans un autre État membre de l’Espace économique
européen par cette personne physique ou cette autre
personne morale.
§ 2. Le présent article est applicable aux actions ou
parts d’une société qui répond simultanément à toutes
les conditions suivantes:
1° la société est une société résidente ou une société
dont le siège social, le principal établissement ou le
siège de direction ou d’administration est établi dans un
autre État membre de l’Espace économique européen et
qui dispose d’un établissement belge visé à l’article 229;
2° la société est considérée comme petite société sur
la base de l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés,
pour l’exercice d’imposition afférent à la période impo-
sable au cours de laquelle l’apport en capital a lieu;
3° la société occupe, en exécution de contrats de
travail, au moins dix équivalents temps plein;
4° sur les deux derniers exercices d’imposition pré-
cédant la libération des actions:
(i) le chiffre d’affaire annuel de la société a crû d’au
moins 10 p.c. en moyenne par exercice d’imposition; ou
(ii) le nombre d’équivalents temps plein que la société
occupe en exécution de contrats de travail, a crû d’au
moins 10 p.c. en moyenne par exercice d’imposition;
5° la société n’est pas constituée à l’occasion d’une
fusion ou scission de sociétés;
6° la société n’est pas une société d’investissement,
de trésorerie ou de fi nancement;
8
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
7° de vennootschap is geen vennootschap met als
statutair hoofddoel of voornaamste activiteit de oprich-
ting, de verwerving, het beheer, de verbouwing, de
verkoop of de verhuur van vastgoed voor eigen rekening
of het bezit van deelnemingen in vennootschappen met
een soortgelijk doel, noch een vennootschap waarin
onroerende goederen of andere zakelijke rechten met
betrekking tot dergelijke goederen zijn ondergebracht,
waarvan natuurlijke personen die in de vennootschap
een opdracht of functies als bedoeld in artikel 32, eer-
ste lid, 1°, uitoefenen, hun echtgenoot of hun kinderen
wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk
genot van de inkomsten van die kinderen hebben, het
gebruik hebben;
8° de vennootschap is geen vennootschap die is
opgericht met het oog op het afsluiten van een manage-
ment- of bestuurdersovereenkomst of die haar voor-
naamste bron van inkomsten haalt uit management- of
bestuurdersovereenkomsten;
9° de vennootschap is een niet-beursgenoteerde
vennootschap;
10° de vennootschap heeft nog geen kapitaalvermin-
dering doorgevoerd, behoudens de kapitaalverminde-
ringen ter aanzuivering van een geleden verlies of om
een reserve te vormen tot dekking van een voorzienbaar
verlies, of dividenden uitgekeerd;
11° de vennootschap maakt niet het voorwerp uit
van een collectieve insolventieprocedure of bevindt
zich niet in de voorwaarden van een collectieve
insolventieprocedure;
12° de vennootschap gebruikt de ontvangen sommen
niet voor de uitkering van dividenden of de aankoop
van aandelen, noch voor het verstrekken van leningen;
13° de vennootschap heeft na de betaling van de
in § 1, eerste lid, a en b, bedoelde sommen door res-
pectievelijk de belastingplichtige of het fi nancierings-
vehikel niet meer dan 500 000 euro ontvangen via de
toepassing van dit artikel. Dit maximumbedrag wordt
verminderd met het werkelijke ontvangen bedrag via
de toepassing van artikel 14526.
Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, komt een
bedrijfsleider als een voltijds equivalent in aanmerking
voor de berekening van het aantal voltijdse equivalen-
ten, indien er voor deze activiteit sociale bijdragen in
toepassing van artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit
nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het so-
ciaal statuut der zelfstandigen verschuldigd zijn.
7° la société n’est pas une société dont l’objet social
principal ou l’activité principale est la construction,
l’acquisition, la gestion, l’aménagement, la vente, ou la
location de biens immobiliers pour compte propre, ou la
détention de participations dans des sociétés ayant un
objet similaire, ni une société dans laquelle des biens
immobiliers ou autres droits réels sur de tels biens sont
placés, dont des personnes physiques qui exercent un
mandat ou des fonctions visés à l’article 32, alinéa 1er,
1°, leur conjoint ou leurs enfants lorsque ces personnes
ou leur conjoint ont la jouissance légale des revenus de
ceux-ci, ont l’usage;
8° la société n’est pas une société qui a été constituée
afi n de conclure des contrats de gestion ou d’adminis-
tration ou qui obtient la plupart de ses bénéfi ces de
contrats de gestion ou d’administration;
9° la société n’est pas cotée en bourse;
10° la société n’a pas encore opéré de réduction de
capital, sauf les réductions de capital en vue de com-
penser une perte subie ou en vue de constituer une
réserve pour couvrir une perte prévisible, ou distribué
des dividendes;
11° la société ne fait pas l’objet d’une procédure
collective d’insolvabilité ou ne se trouve pas dans les
conditions d’une procédure collective d’insolvabilité;
12° la société n’utilise pas les sommes perçues pour
une distribution de dividendes ou pour l’acquisition
d’actions ou parts ni pour consentir des prêts;
13° la société n’a pas perçu, après le versement des
sommes visées au § 1er, alinéa 1er, a et b, par respecti-
vement le contribuable ou le véhicule de fi nancement,
plus de 500 000 euros par le biais de l’application du
présent article. Ce montant maximum est diminué du
montant effectivement reçu par le biais de l’application
de l’article 14526.
Pour l’application de l’alinéa 1er, 3°, un dirigeant
d’entreprise est pris en compte comme un équivalent
temps plein pour le calcul des équivalents temps plein,
lorsqu’il est redevable pour cette activité de cotisations
sociales en application de l’article 12, § 1er, de l’arrêté
royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social
des travailleurs indépendants.
9
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Aan de in het eerste lid, 3°, vermelde voorwaarde
moet door de vennootschap worden voldaan gedurende
de 12 maanden volgend op de volstorting van de aan-
delen van de vennootschap.
Aan de in het eerste lid, 6° tot 8° en 12°, vermelde
voorwaarden moet door de vennootschap worden
voldaan gedurende de 48 maanden volgend op de vol-
storting van de aandelen van de vennootschap.
De belastingvermindering is niet van toepassing op:
1° uitgaven die in aanmerking zijn genomen voor de
toepassing van artikel 1451, 4°, of 14532;
2° betalingen voor het verwerven van aandelen,
rechtstreeks of via een crowdfundingplatform als be-
doeld in § 1, eerste lid, a, of via een fi nancieringsvehikel
als bedoeld in § 1, eerste lid, b, in een vennootschap:
a) waarin de belastingplichtige, rechtstreeks of on-
rechtstreeks, op het ogenblik van de kapitaalinbreng,
een in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleider is;
b) waarin de belastingplichtige, rechtstreeks of
onrechtstreeks, een in artikel 32, eerste lid, bedoelde
bedrijfsleider is, tenzij hij daarvoor geen vergoeding
verkrijgt;
c) waarin de belastingplichtige, op het ogenblik van
de kapitaalinbreng, als vaste vertegenwoordiger van
een andere vennootschap een opdracht als bestuurder,
zaakvoerder, vereffenaar of een gelijksoortige functie
uitoefent;
d) die een aannemings- of lastgevingsovereenkomst
heeft gesloten met een andere vennootschap waarvan
de belastingplichtige aandeelhouder is, op het ogenblik
van de kapitaalinbreng, en waarbij die andere vennoot-
schap er zich toe heeft verbonden om tegen vergoeding
een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur van
commerciële, fi nanciële of technische aard op zich te
nemen in de eerste vennootschap;
3° betalingen voor het verwerven van aandelen van
een vennootschap, rechtstreeks of via een crowdfun-
dingplatform als bedoeld in § 1, eerste lid, a, of via een
fi nancieringsvehikel als bedoeld in § 1, eerste lid, b, met
betrekking tot het gedeelte van die aandelen waardoor
de belastingplichtige een vertegenwoordiging van meer
dan 30 pct. van het maatschappelijk kapitaal van die
vennootschap bekomt.
La condition visée à l’alinéa 1er, 3°, doit être remplie
par la société au cours des 12 mois suivant la libération
des actions de la société.
Les conditions visées à l’alinéa 1er, 6° à 8° et 12°,
doivent être remplies par la société au cours des 48 mois
suivant la libération des actions de la société.
La réduction d’impôt n’est pas applicable:
1° aux dépenses qui sont prises en compte pour
l’application de l’article 1451, 4°, ou 14532;
2° aux sommes affectées à l’acquisition, directement
ou par le biais d’une plateforme de crowdfunding visée
au § 1er, alinéa 1er, a, ou par le biais d’un véhicule de
fi nancement visé au § 1er, alinéa 1er, b, d’actions ou
parts d’une société:
a) dans laquelle le contribuable est, directement ou
indirectement, au moment de l’apport en capital, un
dirigeant d’entreprise visé à l’article 32, alinéa 1er;
b) dans laquelle le contribuable est, directement ou
indirectement, un dirigeant d’entreprise visé à l’article
32, alinéa 1er, sauf s’il ne perçoit aucune indemnité
pour cela;
c) dans laquelle le contribuable exerce, au moment de
l’apport en capital, en tant que représentant permanent
d’une autre société, un mandat d’administrateur, de
gérant, de liquidateur ou une fonction analogue;
d) qui a conclu un contrat d’entreprise ou de man-
dat avec une autre société dont le contribuable est
actionnaire, au moment de l’apport en capital, et par
laquelle cette autre société s’est engagée à assumer,
moyennant une indemnité, une activité dirigeante de
gestion journalière, de nature commerciale, fi nancière
ou technique, dans la première société;
3° aux sommes affectées à l’acquisition, directement
ou par le biais d’une plateforme de crowdfunding visée
au § 1er, alinéa 1er, a, ou par le biais d’un véhicule de
fi nancement visé au § 1er, alinéa 1er, b, d’actions ou
parts d’une société en ce qui concerne la partie de ces
actions ou parts par laquelle le contribuable obtient une
représentation de plus de 30 p.c. dans le capital social
de cette société.
10
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
De betalingen voor de in § 1, eerste lid, a, bedoelde
aandelen en in de § 1, eerste lid, b, bedoelde beleg-
gingsinstrumenten komen voor de belastingverminde-
ring in aanmerking tot een bedrag van 100 000 euro
per belastbaar tijdperk. Dit bedrag van 100 000 euro
per belastbaar tijdperk wordt desgevallend verminderd
met het bedrag van de in aanmerking genomen beta-
lingen voor het betreffende belastbaar tijdperk voor de
toepassing van artikel 14526.
De belastingvermindering is gelijk aan 25 pct. van
het in aanmerking te nemen bedrag, na aftrek van de in
§ 1, eerste lid, b, bedoelde vergoedingen en eventuele
andere verbonden kosten.
De in euro vermelde bedragen in deze paragraaf
worden niet geïndexeerd overeenkomstig artikel 178.
§ 3. De betalingen voor in § 1, eerste lid, a, bedoelde
aandelen of voor in § 1, eerste lid, b, bedoelde beleg-
gingsinstrumenten, komen voor de belastingverminde-
ring in aanmerking op voorwaarde dat de in § 2, eerste
lid, bedoelde vennootschap of het in § 1, eerste lid, b,
bedoelde fi nancieringsvehikel aan de belastingplichtige
tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting van
het belastbare tijdperk waarin de betaling is gedaan, het
bewijs verstrekt waaruit blijkt dat:
— voldaan is aan de in §§ 1 en 2 gestelde voorwaarden;
— de belastingplichtige de aandelen of de beleg-
gingsinstrumenten in het belastbaar tijdperk heeft
aangeschaft en deze op het einde van dat belastbaar
tijdperk nog in zijn bezit heeft.
§ 4. De in § 1 bedoelde belastingvermindering wordt
slechts behouden op voorwaarde dat de vennootschap
of het fi nancieringsvehikel de belastingplichtige tot
staving van zijn aangiften in de personenbelasting van
de vier belastbare tijdperken volgend op het belastbaar
tijdperk waarvoor de belastingvermindering wordt toe-
gekend, het bewijs verstrekt dat hij de betrokken in § 1,
eerste lid, a, bedoelde aandelen, of de betrokken in § 1,
eerste lid, b, bedoelde beleggingsinstrumenten nog in
zijn bezit heeft. Aan deze voorwaarde moet niet meer
worden voldaan met ingang van het belastbare tijdperk
waarin de belastingplichtige is overleden.
Wanneer de betrokken aandelen bedoeld in § 1, eer-
ste lid, a, of de betrokken beleggingsinstrumenten
bedoeld in § 1, eerste lid, b, anders dan bij overlijden
worden overgedragen binnen de 48 maanden na de
aanschaffing ervan, wordt de totale belasting met be-
trekking tot de inkomsten van het belastbare tijdperk
van de vervreemding vermeerderd met een bedrag dat
gelijk is aan zoveel maal één achtenveertigste van de
Les paiements pour les actions visées au § 1er, ali-
néa 1er, a, et les instruments de placement visés au
§ 1er, alinéa 1er, b, ne sont pris en considération pour la
réduction d’impôt qu’à concurrence d’un montant de
100 000 euros par période imposable. Ce montant de
100 000 euros par période imposable est diminué, le
cas échéant, du montant des paiements pris en consi-
dération pour la période imposable concernée pour
l’application de l’article 14526.
La réduction d’impôt est égale à 25 p.c. du montant à
prendre en considération, après déduction des indem-
nités visées au § 1er, alinéa 1er, b, et des autres frais
éventuels y afférents.
Les montants en euro visés au présent paragraphe
ne sont pas indexés conformément à l’article 178.
§ 3. Les sommes affectées à la libération d’actions
ou parts visées au § 1er, alinéa 1er, a, ou d’instruments
de placement visés au § 1er, alinéa 1er, b, sont éligibles
à la réduction d’impôt à condition que la société visée
au § 2, alinéa 1er, ou le véhicule de fi nancement visé au
§ 1er, alinéa 1er, b, fournisse au contribuable, à l’appui de
sa déclaration à l’impôt des personnes physiques de la
période imposable au cours de laquelle la libération a
été opérée, la preuve faisant apparaître:
— que les conditions prévues au §§ 1er et 2 sont remplies;
— que le contribuable a acquis les actions ou parts
ou les instruments de placement pendant la période
imposable et qu’il est encore en leur possession à la
fi n de cette période imposable.
§ 4. Le maintien de la réduction d’impôt visée au
§ 1er est subordonné à la condition que la société ou
le véhicule de fi nancement fournisse au contribuable
à l’appui de ses déclarations à l’impôt des personnes
physiques des quatre périodes imposables suivant la
période imposable pour laquelle la réduction d’impôt est
accordée, la preuve qu’il est encore en possession des
actions ou parts concernées visées au § 1er, alinéa 1er,
a, ou des instruments de placement concernés visés
au § 1er, alinéa 1er, b. Cette condition ne doit plus être
respectée à partir de la période imposable au cours de
laquelle le contribuable est décédé.
Lorsque les actions ou parts concernées visées
au § 1er, alinéa 1er, a, ou les instruments de placement
concernés visés au § 1er, alinéa 1er, b, font l’objet d’une
cession, autre qu’à l’occasion d’une mutation par décès,
au cours des 48 mois suivant leur acquisition, l’impôt
total afférent aux revenus de la période imposable de
la cession, est majoré d’un montant correspondant à
autant de fois un quarante-huitième de la réduction
11
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
overeenkomstig § 1 voor die aandelen of beleggingsin-
strumenten werkelijk verkregen belastingvermindering,
als er volle maanden overblijven tot het einde van de
periode van 48 maanden.
Onder het in het tweede lid bedoelde woord “overge-
dragen” dient eveneens te worden verstaan, de sluiting
van de vereffening van de vennootschap waarin werd
geïnvesteerd of van het fi nancieringsvehikel.
Wanneer de sluiting van de vereffening het gevolg is
van de faillietverklaring van de vennootschap waarin werd
geïnvesteerd, moet niet meer worden voldaan aan de in
het eerste lid bedoelde voorwaarde met ingang van het
belastbare tijdperk waarin die sluiting van de vereffening
ten gevolge van faillietverklaring heeft plaats gevonden.
De in § 1 vermelde belastingvermindering wordt
slechts behouden op voorwaarde dat de in § 2, derde,
vierde lid en vijfde lid, 2°, b, gestelde voorwaarden
worden nageleefd.
Wanneer de in § 2, derde en vierde lid, vermelde
voorwaarde niet wordt nageleefd gedurende de res-
pectievelijk 12 of 48 maanden volgend op de volstor-
ting van de aandelen van de vennootschap, wordt de
totale belasting met betrekking tot de inkomsten van
het belastbare tijdperk waarin wordt vastgesteld dat die
voorwaarde niet wordt nageleefd, vermeerderd met een
bedrag dat gelijk is aan zoveel maal respectievelijk één
twaalfde of één achtenveertigste van de overeenkom-
stig § 1 voor die aandelen of beleggingsinstrumenten
werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle
maanden overblijven vanaf de datum waarop de voor-
waarde niet wordt nageleefd tot het einde van de termijn
van respectievelijk 12 of 48 maanden.
Wanneer de in § 2, vijfde lid, 2°, b, vermelde voor-
waarde niet wordt nageleefd gedurende de 48 maanden
volgend op de volstorting van de aandelen van de ven-
nootschap, wordt de totale belasting met betrekking tot
de inkomsten van het belastbare tijdperk waarin wordt
vastgesteld dat die voorwaarde niet wordt nageleefd,
vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel
maal één achtenveertigste van de overeenkomstig
§ 1 voor die aandelen, beleggingsinstrumenten of
rechten van deelneming werkelijk verkregen belasting-
vermindering, als er volle maanden overblijven vanaf de
datum waarop de voorwaarde niet wordt nageleefd tot
het einde van de termijn van 48 maanden.
§ 5. De Koning bepaalt de wijze waarop het
in § 3 en § 4, eerste lid, bedoelde bewijs wordt geleverd
evenals het bewijs dat tenminste aan één van de in § 2,
eerste lid, 4°, bedoelde criteria is voldaan.”.
d’impôt effectivement obtenue conformément au § 1er
pour ces actions ou parts ou instruments de placement,
qu’il reste de mois entiers jusqu’à l’expiration du délai
de 48 mois.
Sous le mot “cession” visé à l’alinéa 2, on entend
également la clôture de la liquidation de la société dans
laquelle il a été investi ou du véhicule de fi nancement.
Lorsque la clôture de la liquidation est la consé-
quence de la déclaration de faillite de la société dans
laquelle il a été investi, la condition visée à l’alinéa 1er ne
doit plus être respectée à partir de la période imposable
au cours de laquelle cette clôture de la liquidation pour
cause de déclaration de faillite a eu lieu.
Le maintien de la réduction d’impôt visée au § 1er est
subordonné au respect des conditions visées au § 2,
alinéas 3, 4 et 5, 2°, b,.
Lorsque la condition visée au § 2, alinéas 3 et 4,
n’est pas respectée durant respectivement les 12 ou les
48 mois qui suivent la libération des actions ou parts de
la société, l’impôt total relatif aux revenus de la période
imposable au cours de laquelle il est constaté que la
condition n’a pas été respectée est majoré d’un montant
égal à autant de fois respectivement un douzième ou un
quarante-huitième de la réduction d’impôt effectivement
obtenue conformément au § 1er pour ces actions ou parts
qu’il reste de mois entiers à partir de la date à laquelle
la condition n’est pas remplie jusqu’à l’expiration du
délai de respectivement 12 ou 48 mois.
Lorsque la condition visée au § 2, alinéa 5, 2°, b, n’est
pas respectée durant les 48 mois qui suivent la libération
des actions ou parts de la société, l’impôt total relatif aux
revenus de la période imposable au cours de laquelle il
est constaté que la condition n’a pas été respectée est
majoré d’un montant égal à autant de fois un quarante-
huitième de la réduction d’impôt effectivement obtenue
conformément au § 1er pour ces actions ou parts, ou
instruments de placement, qu’il reste de mois entiers à
partir de la date à laquelle la condition n’est pas remplie
jusqu’à l’expiration du délai de 48 mois.
§ 5. Le Roi détermine la manière d’apporter la preuve
visée aux §§ 3 et 4, alinéa 1er, ainsi que la preuve
qu’au moins un des critères visés au § 2, alinéa 1er, 4°,
est rempli.”.
12
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 31
In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge-
wijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 5° worden de woorden
“14526, 14528,” vervangen door de woorden “14526
tot 14528,”;
2° in de bepaling onder 6° worden de woorden
“14526, 14528,” vervangen door de woorden “14526
tot 14528,”.
Art. 32
In artikel 174/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
hersteld bij de wet van 25 december 2017, worden
de woorden “14528, § 1, derde lid,” vervangen door de
woorden “14527, § 2, zesde lid, 14528, § 1, derde lid,”.
Art. 33
In artikel 175 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
bij de wetten van 20 december 1995, 8 mei 2014 en
10 augustus 2015, worden de woorden “, 14527, § 4”
ingevoegd tussen de woorden “vermeerderd met de in
de artikelen 1457, § 2, 14526, § 5” en de woorden “, en
14532, § 2, bedoelde vermeerderingen”.
Art. 34
In artikel 178/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet-
ten van 10 augustus 2015, 26 december 2015 en
25 december 2016, worden de woorden “14526, 14528”
vervangen door de woorden “14526 tot 14528”.
Art. 35
In artikel 243/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van
10 augustus 2015, 25 december 2016 en 25 december
2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin worden de woorden “14526,
14528,” vervangen door de woorden “14526 tot 14528,”;
2° in de bepaling onder 4° worden de woorden “14532,
§ 2, 157,” vervangen door de woorden “14527, § 4, 14532, § 2,
157,” en worden de woorden “14528, 14532, § 1,” vervangen
door de woorden “14527, §§ 1 tot 3, 14528, 14532, § 1,”.
Art. 31
À l’article 171 du même Code, modifi é en dernier
lieu par la loi du 25 décembre 2017, les modifi cations
suivantes sont apportées:
1° dans le 5°, les mots “14526, 14528,” sont remplacés
par les mots “14526 à 14528,”;
2° dans le 6°, les mots “14526, 14528,” sont remplacés
par les mots “14526 à 14528,”.
Art. 32
Dans l’article 174/1, alinéa 1er, du même Code, rétabli
par la loi du 25 décembre 2017, les mots “14528, § 1er,
alinéa 3,” sont remplacés par les mots “14527, § 2, alinéa
6, 14528, § 1er, alinéa 3,”.
Art. 33
Dans l’article 175 du même Code, modifi é par les lois
des 20 décembre 1995, 8 mai 2014 et 10 août 2015, les
mots “14527, § 4” sont insérés entre les mots “majoré des
augmentations visées aux articles 1457, § 2, 14526, § 5,”
et les mots “et 14532, § 2,”.
Art. 34
Dans l’article 178/1 du même Code, inséré par la loi
du 8 mai 2014 et modifi é par les lois des 10 août 2015,
26 décembre 2015 et 25 décembre 2016, les mots “14526,
14528” sont remplacés par les mots “14526 à 14528”.
Art. 35
Dans l’article 243/1 du même Code, inséré par la loi
du 8 mai 2014 et modifi é par les lois des 10 août 2015,
25 décembre 2016 et 25 décembre 2017, les modifi ca-
tions suivantes sont apportées:
1° dans la phrase liminaire, les mots “14526, 14528,”
sont remplacés par les mots “14526 à 14528,”;
2° dans le 4°, les mots “14532, § 2, 157,” sont rempla-
cés par les mots “14527, § 4, 14532, § 2, 157,” et les mots
“14528, 14532, § 1er,” sont remplacés par les mots “14527,
§§ 1er à 3, 14528, 14532, § 1er,”.
13
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 36
In artikel 245, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij
de wet van 10 augustus 2015, worden in de bepaling
onder het eerste streepje de woorden “artikelen 1457,
§ 2, 14526, § 5,” vervangen door de woorden “artikelen
1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4,”.
Art. 37
In artikel 290, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ver-
vangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet
van 10 augustus 2015, worden de woorden “, 14527, § 4”
ingevoegd tussen de woorden “in de artikelen 1457, § 2,
14526, § 5” en de woorden “,14532, § 2, en 157 bedoelde
vermeerderingen.”.
Art. 38
In artikel 294, tweede lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de
wet van 10 augustus 2015, worden in de bepaling onder
2° de woorden “14532, § 2,” telkens vervangen door de
woorden “14527, § 4, 14532, § 2”.
Art. 39
Dit hoofdstuk heeft uitwerking vanaf aanslagjaar 2019.
HOOFDSTUK 2
Private privaks
Afdeling 1
Wijzigingen van de wet van 19 april 2014
betreffende de alternatieve instellingen voor
collectieve belegging en hun beheerders
Art. 40
In artikel 299, eerste lid, van de wet van 19 april 2014
betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve
belegging en hun beheerders, worden de woorden “,
voor een maximale duur van 12 jaar” opgeheven.
Art. 36
Dans l’article 245, alinéa 1er, 1°, du même Code,
remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par la loi
du 10 août 2015, les mots “articles 1457, § 2, 14526, § 5,”
du premier tiret sont remplacés par les mots “articles
1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4,”.
Art. 37
Dans l’article 290, alinéa 2, du même Code, rem-
placé par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par la loi du
10 août 2015, les mots “14527, § 4,” sont insérés entre
les mots “majoré des augmentations visées aux articles
1457, § 2, 14526, § 5,” et les mots “14532, § 2, et 157.”.
Art. 38
Dans l’article 294, alinéa 2, du même Code, inséré par
la loi du 8 mai 2014 et modifi é par la loi du 10 août 2015,
les mots “14532, § 2,” du 2° sont chaque fois remplacé
par les mots “14527, § 4, 14532, § 2”.
Art. 39
Le présent chapitre produit ses effets à partir de
l’exercice d’imposition 2019.
CHAPITRE 2
Pricafs privées
Section 1re
Modifi cations de la loi du 19 avril 2014 relative
aux organismes de placement collectif
alternatifs et à leurs gestionnaires
Art. 40
Dans l’article 299, alinéa 1er, de la loi du 19 avril 2014
relative aux organismes de placement collectif alterna-
tifs et à leurs gestionnaires, les mots “, pour une durée
maximale de 12 ans” sont abrogés.
14
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 41
In deel III, boek II, titel III, hoofdstuk I, afdeling
III, van dezelfde wet wordt een artikel 299/1 inge-
voegd, luidende:
“Art. 299/1. De private privak wordt opgericht voor
een maximale duur van twaalf jaar.”.
Art. 42
In deel III, boek II, titel III, hoofdstuk I, afdeling
III, van dezelfde wet wordt een artikel 299/2 inge-
voegd, luidende:
“Art. 299/2. De statuten van de private privak kunnen
voorzien dat de duur van twaalf jaar zoals voorzien in
artikel 299/1 kan worden verlengd met maximaal twee
termijnen van maximaal drie jaar, telkens volgens de
procedure bepaald in artikel 299/3.
Indien er geen geldige verlenging plaatsvindt volgens
de procedure voorzien in artikel 299/3, wordt de private
privak bij het einde van zijn termijn van rechtswege
ontbonden.”.
Art. 43
In deel III, boek II, titel III, hoofdstuk I, afdeling
III, van dezelfde wet wordt een artikel 299/3 inge-
voegd, luidende:
“Art. 299/3. § 1. In de veronderstelling dat de statuten
voorzien in een mogelijke verlenging onder toepassing
van artikel 299/2, voorzien de statuten dat de termijn van
de private privak bij besluit van de buitengewone alge-
mene vergadering van aandeelhouders of vennoten van
de private privak kan worden verlengd overeenkomstig
het vereiste aanwezigheids- en meerderheidsquorum
zoals voorzien in paragraaf 2.
§ 2. In de veronderstelling dat de statuten voorzien
in een mogelijke verlenging onder toepassing van ar-
tikel 299/2, voorzien de statuten dat de buitengewone
algemene vergadering slechts geldig over de verlenging
van de termijn van de private privak kan beraadslagen
en besluiten indien de aanwezigen ten minste de helft
van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen.
Het besluit om de duur van de private privak te verlen-
gen wordt geldig aangenomen met een meerderheid van
minstens 90 pct. van de geldig uitgebrachte stemmen
die minstens de helft van het maatschappelijk kapitaal
vertegenwoordigen.”.
Art. 41
Dans la partie III, livre II, titre III, chapitre Ier, section
III, de la même loi, un article 299/1 est inséré, rédigé
comme suit:
“Art. 299/1. La pricaf privée est constituée pour une
durée maximale de douze ans.”.
Art. 42
Dans la partie III, livre II, titre III, chapitre Ier, section
III, de la même loi, un article 299/2 est inséré, rédigé
comme suit:
“Art. 299/2. Les statuts de la pricaf privée peuvent
prévoir que la durée de douze ans telle que prévue à
l’article 299/1 peut être prolongée par maximum deux
périodes de maximum trois ans, chaque fois suivant la
procédure prévue à l’article 299/3.
A défaut de prorogation valablement décidée confor-
mément à la procédure prévue à l’article 299/3, la pricaf
privée est dissoute de plein droit à son terme.”.
Art. 43
Dans la partie III, livre II, titre III, chapitre Ier, section
III, de la même loi, un article 299/3 est inséré, rédigé
comme suit:
“Art. 299/3. § 1er. Dans l’hypothèse où les statuts
prévoient une possible prorogation en application
de l’article 299/2, les statuts prévoient que le terme
de la pricaf privée peut être prorogé sur décision de
l’assemblée générale extraordinaire des actionnaires
ou associés de la pricaf privée conformément aux
quorums de présence et de majorité tels que prévus
au paragraphe 2.
§ 2. Dans l’hypothèse où les statuts prévoient une
possible prorogation en application de l’article 299/2,
les statuts prévoient que l’assemblée générale extraor-
dinaire ne peut valablement délibérer et statuer sur
une prorogation du terme de la pricaf privée que si
ceux qui y assistent représentent au moins la moitié du
capital social.
La décision de proroger la durée de la pricaf privée
est valablement adoptée moyennant une majorité d’au
moins 90 p.c. des voix valablement exprimées qui repré-
sentent au moins la moitié du capital social.”.
15
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 44
In deel III, boek II, titel III, hoofdstuk I, afdeling
III, van dezelfde wet wordt een artikel 299/4 inge-
voegd, luidende:
“Art. 299/4. De private privak behoudt zijn statuut
van private privak tot en met de afsluiting van zijn
vereffening.”.
Art. 45
Artikel 302, § 1, eerste lid, van dezelfde wet wordt
vervangen als volgt:
“Art. 302. § 1. Teneinde het statuut van private privak
te verkrijgen, moet de private privak zich voorafgaande-
lijk en alvorens beleggingen als bedoeld in artikel 183,
eerste lid, 5°, te doen bij de Federale Overheidsdienst
Financiën laten inschrijven op de lijst van de private
privaks.”.
Art. 46
In artikel 304 van dezelfde wet wordt paragraaf
2 opgeheven.
Afdeling 2
Wijzigingen van de Wetboek
van de inkomstenbelastingen 1992
Art. 47
In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling
IIsepties/1 ingevoegd, luidende:
“Onderafdeling IIsepties/1. Vermindering voor min-
derwaarden geleden naar aanleiding van de gehele
verdeling van het maatschappelijk vermogen van een
private privak”.
Art. 48
In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling
IIsepties/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel
47, wordt een artikel 14526/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 14526/1. § 1. Er wordt een belastingvermindering
verleend voor de minderwaarden op aandelen van
een vanaf 1 januari 2018 opgerichte private privak als
Art. 44
Dans la partie III, livre II, titre III, chapitre Ier, section
III, de la même loi, un article 299/4 est inséré, rédigé
comme suit:
“Art. 299/4. La pricaf privée conserve son statut de
pricaf privée jusque et en ce compris la clôture de sa
liquidation.”.
Art. 45
L’article 302, § 1er, alinéa 1er, de la même loi est rem-
placé comme suit:
“Art. 302. § 1er. Afi n d’obtenir le statut de pricaf privée,
la pricaf privée doit préalablement et avant de réaliser
les investissements visés à l’article 183, alinéa 1er, 5°, se
faire inscrire auprès du Service public fédéral Finances
sur la liste des pricafs privées.”.
Art. 46
Dans l’article 304 de la même loi, le paragraphe
2 est abrogé.
Section 2
Modifi cations du Code des impôts
sur les revenus 1992
Art. 47
Au titre II, chapitre III, section Ire, du Code des impôts
sur les revenus 1992, une sous-section IIsepties/1 est
insérée, rédigée comme suit:
“Sous-section IIsepties/1. Réduction pour moins-
values actées à l’occasion du partage total de l’avoir
social d’une pricaf privée”.
Art. 48
Au titre II, chapitre III, section 1re, sous-section
IIsepties/1, du même Code, inséré par l’article 47, un
article 14526/1 est inséré, rédigé comme suit:
“Art. 14526/1. § 1er. Il est accordé une réduction d’impôt
pour les moins-values sur des actions ou parts d’une
pricaf privée visée à l’article 298 de la loi du 19 avril 2014
16
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014
betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve
belegging en hun beheerders die de belastingplichtige
tijdens het belastbare tijdperk heeft geleden naar aan-
leiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk
vermogen van die private privaks.
De geleden minderwaarde is gelijk aan het positieve
verschil tussen, enerzijds, het kapitaal dat door de be-
lastingplichtige op de aandelen van de private privak
werd volgestort en, anderzijds, de naar aanleiding van
de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen
van de private privak door de belastingplichtige ontvan-
gen bedragen, verhoogd met de door de belastingplich-
tige vanwege de private privak voorheen ontvangen
dividenden.
De belastingvermindering is niet van toepassing op
de minderwaarden geleden op aandelen waarvoor een
belastingvermindering als vermeld in artikel 14526 of
14527 werd verleend en evenmin op minderwaarden die
het resultaat zijn van een gedeeltelijke verdeling van het
maatschappelijk vermogen.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde minderwaarden
komen voor de belastingvermindering in aanmerking
tot een bedrag van 25 000 euro per belastbaar tijdperk.
Dit bedrag wordt niet geïndexeerd overeenkomstig
artikel 178.
De belastingvermindering is gelijk aan 25 pct. van de
in aanmerking te nemen minderwaarden.
§ 3. De Koning bepaalt de wijze waarop het bewijs
wordt geleverd dat de minderwaarden voldoen aan de
in paragraaf 1 vermelde voorwaarden.”.
Art. 49
Artikel 171, 3°sexies, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 28 juni 2013, wordt aangevuld
met de woorden “, of, wanneer zij zijn uitgekeerd door
een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van
19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen
voor collectieve belegging en hun beheerders, naarge-
lang en in de mate dat ze voortkomen uit dividenden
die in aanmerking komen om aan het in artikel 269,
§ 2, tweede lid, 1° of 2°, vermelde tarief onderworpen
te worden.”.
Art. 50
In artikel 174/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
hersteld bij de wet van 25 december 2017, en gewijzigd
relative aux organismes de placement collectif alternatifs
et à leurs gestionnaires, constituée à partir du 1er jan-
vier 2018, actées dans le chef du contribuable pendant
la période imposable à l’occasion du partage total de
l’avoir social de la pricaf privée.
La moins-value actée est égale à la différence positive
entre, d’une part, le capital sur les actions ou parts de
la pricaf privée qui a été libéré par le contribuable et,
d’autre part, les sommes perçues par le contribuable à
l’occasion du partage total de l’avoir social de la pricaf
privée, augmentées des dividendes précédemment
perçus de la pricaf privée par le contribuable.
La réduction d’impôt n’est pas applicable aux moins-
values actées sur des actions ou parts pour lesquelles
une réduction d’impôt visée à l’article 14526 ou 14527 a
été accordée, ni aux moins-values qui résultent d’un
partage partiel de l’avoir social.
§ 2. Les moins-values visées au paragraphe 1er ne
sont prises en considération pour la réduction d’impôt
qu’à concurrence d’un montant de 25 000 euros par
période imposable. Ce montant n’est pas indexé confor-
mément à l’article 178.
La réduction d’impôt est égale à 25 p.c. des moins-
values à prendre en considération.
§ 3. Le Roi détermine la manière d’apporter la preuve
que les moins-values répondent aux conditions visées
au paragraphe 1er.”.
Art. 49
L’article 171, 3°sexies, du même Code, inséré par
la loi du 28 juin 2013, est complété par les mots “, ou
lorsqu’ils sont distribués par une pricaf privée visée
à l’article 298 de la loi du 19 avril 2014 relative aux
organismes de placement collectif alternatifs et à leurs
gestionnaires, à condition et dans la mesure où ils pro-
viennent de dividendes qui peuvent bénéfi cier du taux
visé à l’article 269, § 2, alinéa 2, 1° ou 2°.”.
Art. 50
Dans l’article 174/1, alinéa 1er, du même Code, rétabli
par la loi du 25 décembre 2017, et modifi é par l’article
17
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
bij artikel 32, worden de woorden “14526, § 3, vierde
lid,” vervangen door de woorden “14526, § 3, vierde lid,
14526/1, § 2, eerste lid,”.
Art. 51
Artikel 185bis, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 27 december 2006 en gewijzigd bij de
wet van 18 december 2015, wordt aangevuld met een
lid, luidende:
“De paragrafen 1 en 2 zijn opnieuw van toepassing
voor het belastbaar tijdperk waarin een private privak
bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014
betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve
belegging en hun beheerders opnieuw voor het volledige
belastbare tijdperk de volgende bepalingen naleeft:
1° de in het artikel 192, § 3, bedoelde bepaling;
2° de statutaire regels die volgen uit het specifi ek
karakter van deze vennootschap als instelling voor col-
lectieve belegging.”.
Art. 52
Artikel 192, § 3, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, wordt
vervangen als volgt:
“3° mits naleving van de regels bepaald in artikel
304, § 2, van de wet van 19 april 2014 betreffende de
alternatieve instellingen voor collectieve belegging en
hun beheerders en artikel 16 van het koninklijk besluit
van 23 mei 2007 met betrekking tot de private privak.”.
Art. 53
In artikel 243/1, 4°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van
10 augustus 2015 en bij artikel 35, worden de woorden
“de artikelen 1457, § 2, 14526, § 5,” vervangen door de
woorden “de artikelen 1457, § 2, 14526, § 5, 14526/1, § 3,”
en worden de woorden “14526, §§ 1 tot 4,” vervangen
door de woorden “14526, §§ 1 tot 4, 14526/1, §§ 1 en 2,”.
Art. 54
Artikel 269, § 1, 9°, van hetzelfde Wetboek, opgehe-
ven bij de wet van 25 december 2016, wordt hersteld
als volgt:
32, les mots “14526, § 3, alinéa 4,” sont remplacés par
les mots “14526, § 3, alinéa 4, 14526/1, § 2, alinéa 1er,”.
Art. 51
L’article 185bis, § 3, du même Code, inséré par
la loi du 27 décembre 2006 et modifi é par la loi du
18 décembre 2015, est complété par un alinéa, rédigé
comme suit:
“Les paragraphes 1er et 2 sont à nouveau applicables
pour la période imposable lors de laquelle la pricaf pri-
vée visée à l’article 298 de la loi du 19 avril 2014 relative
aux organismes de placement collectif alternatifs et à
leurs gestionnaires, respecte de nouveau les disposi-
tions suivantes durant toute la période imposable:
1° l’article 192, § 3;
2° les règles statutaires qui découlent du caractère
spécifi que de cette société en tant qu’organisme de
placement collectif.”.
Art. 52
L’article 192, § 3, alinéa 1er, 3°, du même Code,
inséré par la loi du 27 décembre 2006, est remplacé
par ce qui suit:
3° sous condition du respect des règles établies à
l’article 304, § 2, de la loi du 19 avril 2014 relative aux
organismes de placement collectif alternatifs et à leurs
gestionnaires, et de l’article 16 de l’arrêté royal du
23 mai 2007 relatif à la pricaf privée.”.
Art. 53
Dans l’article 243/1, 4°, du même Code, inséré par
la loi du 8 mai 2014 et modifé par la loi du 10 août 2015
et par l’article 35, les mots “des articles 1457, § 2, 14526,
§ 5,” sont remplacés par les mots “des articles 1457, § 2,
14526, § 5, 14526/1, § 3,” et les mots “14526, §§ 1er à 4,”
sont remplacés par les mots “14526, §§ 1er à 4, 14526/1,
§§ 1er et 2,”.
Art. 54
L’article 269, § 1er, 9°, du même Code, abrogé par la
loi du 25 décembre 2016, est rétabli comme suit:
18
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
“9° op 20 of 15 pct. voor de dividenden die worden
uitgekeerd door een private privak bedoeld in artikel
298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alter-
natieve instellingen voor collectieve belegging en hun
beheerders, indien en in de mate dat deze inkomsten
voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om
respectievelijk aan het in § 2, tweede lid, 2°, of het in § 2,
tweede lid, 1°, vermelde tarief onderworpen te worden.”.
Art. 55
De artikelen 47, 48 en 50 tot 53 zijn van toepassing
vanaf aanslagjaar 2019.
Artikelen 49 en 54 zijn van toepassing op de inkom-
sten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf
1 januari 2018.
HOOFDSTUK 3
Forfaitaire beroepskosten
Art. 56
In artikel 51 van het Wetboek van de inkomsten-
belastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van
26 december 2015, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Met betrekking tot andere bezoldigingen, winst en
baten dan vergoedingen verkregen tot volledig of ge-
deeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldi-
gingen, winst of baten, worden de beroepskosten, de
in artikel 52, 7° en 8°, bedoelde bijdragen en sommen
en, wat winst betreft, de aankoopprijs van de verkochte
handelsgoederen en van de grondstoffen uitgezonderd,
bij gebrek aan bewijzen forfaitair bepaald op percen-
tages van het brutobedrag van die inkomsten, vooraf
verminderd met de voormelde bijdragen en sommen
en de voormelde aankoopprijs.”;
2° in het tweede lid, wordt een bepaling onder 5°
ingevoegd, luidende:
“5° voor winst: 30 pct.”;
3° in het derde lid, worden de woorden “voor het
geheel van de inkomsten als vermeld in het tweede lid,
1°,” vervangen door de woorden “voor het geheel van
de inkomsten van éénzelfde categorie als vermeld in
het tweede lid, 1° en 5°,”;
“9° à 20 ou 15 p.c., pour les dividendes distribués
par une pricaf privée visée à l’article 298 de la loi du
19 avril 2014 relative aux organismes de placement
collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, à condition
et dans la mesure où ces revenus proviennent de divi-
dendes qui entrent en ligne de compte afi n d’être soumis
respectivement au taux visé au § 2, alinéa 2, 2°, ou au
§ 2, alinéa 2, 1°.”.
Art. 55
Les articles 47, 48 et 50 à 53 sont applicables à partir
de l’exercice d’imposition 2019.
Les articles 49 et 54 sont applicables aux revenus
attribués ou mis en paiement à partir du 1er janvier 2018.
CHAPITRE 3
Frais professionnels forfaitaires
Art. 56
À l’article 51 du Code des impôts sur les revenus 1992,
modifi é en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015,
les modifi cations suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“Pour ce qui concerne les rémunérations, les béné-
fi ces et les profi ts autres que les indemnités obtenues
en réparation totale ou partielle d’une perte temporaire
de rémunérations, de bénéfi ces ou de profi ts, les frais
professionnels autres que les cotisations et sommes
visées à l’article 52, 7° et 8°, et, en ce qui concerne les
bénéfi ces, autres que le prix d’achat des marchandises
vendues et des matières premières, sont, à défaut
de preuves, fi xés forfaitairement en pourcentages du
montant brut de ces revenus préalablement diminués
desdites cotisations et sommes et dudit prix d’achat.”;
2° dans l’alinéa 2, un 5° est ajouté, rédigé comme suit:
“5° pour les bénéfi ces: 30 p.c.”;
3° à l’alinéa 3, les mots “pour l’ensemble des revenus
visé à l’alinéa 2, 1°,” sont remplacés par les mots “pour
l’ensemble des revenus d’une même catégorie visés à
l’alinéa 2, 1° et 5°,”;
19
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
4° het artikel wordt aangevuld met een vijfde
lid, luidende:
“De belastingplichtigen die bij toepassing van artikel
342, § 1, worden belast op grond van forfaitaire grondsla-
gen van aanslag, evenals hun meewerkende echtgenoot
voor het aandeel dat hij uit dergelijke forfaitair vastge-
stelde inkomsten verkrijgt, kunnen geen gebruik maken
van het forfait bepaald in het tweede lid, 3°, 4° en 5°.”.
Art. 57
In titel III, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling I,
van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 194octies
ingevoegd, luidende:
“Art. 194octies. Artikel 51, tweede lid, 5°, is niet van
toepassing.”.
Art. 58
De artikelen 56 en 57 hebben uitwerking met ingang
van 1 januari 2018 en zijn van toepassing vanaf aan-
slagjaar 2019.
HOOFDSTUK 4
Derde pijler
Art. 59
Artikel 1452 van het Wetboek van de inkomstenbelas-
tingen 1992, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992
en vervangen bij de wet van 13 december 2012, wordt
aangevuld met een tweede lid, luidende:
“In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingver-
mindering voor de in artikel 1451, 5°, bedoelde uitgaven
berekend tegen het tarief van 25 pct., voor de bedragen
vermeld in artikel 1458, § 1, derde lid.”.
Art. 60
In artikel 1458, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt het woord “bedragen”
vervangen door het woord “betalingen” en worden de
woorden “worden betaald” vervangen door de woorden
“zijn gedaan”;
4° l’article est complété par un alinéa 5, rédigé
comme suit:
“Les contribuables imposés sur des bases forfaitaires
de taxation en application de l’article 342, § 1er, ainsi que
leur conjoint aidant pour la part qu’il perçoit du revenu
déterminé forfaitairement, ne peuvent faire usage du
forfait prévu à l’alinéa 2, 3°, 4° et 5°.”.
Art. 57
Dans le titre III, chapitre II, section IV, sous-section
1re, du même Code, un article 194octies est inséré,
rédigé comme suit:
“Art. 194octies. L’article 51, alinéa 2, 5°, ne s’ap-
plique pas.”.
Art. 58
Les articles 56 et 57 produisent leurs effets le 1er jan-
vier 2018 et sont applicables à partir de l’exercice
d’imposition 2019.
CHAPITRE 4
Troisième pilier
Art. 59
L’article 1452 du Code des impôts sur les revenus
1992, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et remplacé
par la loi du 13 décembre 2012, est complété par un
alinéa 2, rédigé comme suit:
“Par dérogation à l’alinéa 1er, la réduction d’impôt
pour les dépenses visées à l’article 1451, 5°, est calculée
au taux de 25 p.c. pour les montants visés à l’article
1458, § 1er, alinéa 3.”.
Art. 60
Dans l’article 1458, § 1er, du même Code, inséré par
la loi du 28 décembre 1992 et modifi é en dernier lieu par
la loi du 18 décembre 2015, les modifi cations suivantes
sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, le mot “montants” est remplacé
par le mot “paiements” et le mot “payés” est remplacé
par le mot “faits”;
20
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
2° tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde
lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende:
“In afwijking van het vorige lid, mag de belasting-
plichtige ervoor kiezen om meer dan het in het tweede
lid vermelde bedrag met een maximum van 800 euro
in aanmerking te nemen voor de belastingverminde-
ring. De belastingplichtige deelt zijn defi nitieve keuze
mee aan de instellingen en ondernemingen bedoeld in
artikel 14515 alvorens hij het maximumbedrag bedoeld
in het vorige lid mag overschrijden. De keuze van de
belastingplichtige is onherroepelijk en uitsluitend geldig
voor het betrokken belastbare tijdperk.”.
Art. 61
In artikel 14510, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewij-
zigd bij de wetten van 6 juli 1994 en 18 december 2015,
wordt de zin “Zij mogen geen betalingen in ontvangst
nemen die hoger zijn dan het in artikel 1458, tweede lid,
vastgestelde maximumbedrag.” vervangen als volgt:
“Zij mogen geen betalingen in ontvangst nemen die
hoger zijn dan het in artikel 1458, § 1, tweede lid, vastge-
stelde maximumbedrag, met uitzondering van de boven
dit maximum gestorte bedragen waarvoor jaarlijks een
expliciet akkoord is gesloten en met een maximum van
het in artikel 1458, § 1, derde lid, vastgestelde bedrag.
Bij gebrek aan expliciet akkoord van de belastingplich-
tige zoals bedoeld in artikel 1458, § 1, derde lid, moeten
de bedragen boven het in artikel 1458, § 1, tweede lid,
vastgestelde maximumbedrag kosteloos worden terug-
gestort aan de belastingplichtige.”.
Art. 62
In artikel 174/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
hersteld bij de wet van 25 december 2017, en gewijzigd
bij artikel 32 en artikel 50, worden de woorden “1458,
§ 1, tweede lid,” vervangen door de woorden “1458, § 1,
tweede en derde lid,”.
Art. 63
In artikel 364quater van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 28 juli 2011, worden de woorden
“in afwijking van artikel 1458, derde lid,” vervangen door
de woorden “in afwijking van artikel 1458, § 1, vierde lid,”.
2° entre l’alinéa 2 et l’alinéa 3, qui devient l’alinéa 4,
un alinéa est inséré, rédigé comme suit:
“Par dérogation à l’alinéa précédent, le contribuable
peut choisir de prendre en considération pour la réduc-
tion d’impôt un montant plus élevé que le montant
visé à l’alinéa 2, avec un maximum de 800 euros.
Le contribuable communique son choix défi nitif aux
établissements et entreprises visés à l’article 14515
avant de pouvoir dépasser le montant maximum visé à
l’alinéa précédent. Le choix du contribuable est irrévo-
cable et uniquement valable pour la période imposable
concernée.”.
Art. 61
Dans l’article 14510, alinéa 1er, du même Code, inséré
par la loi du 28 décembre 1992 et modifi é par les lois des
6 juillet 1994 et 18 décembre 2015, la phrase “Elles ne
peuvent accepter des paiements d’un montant supérieur
à celui visé à l’article 1458, alinéa 2.” est remplacée
comme suit:
“Ils ne peuvent accepter des paiements supérieurs
au montant maximum visé à l’article 1458, § 1er, alinéa
2, exception faite des montants versés qui dépassent ce
maximum pour lesquels un accord explicite est conclu
annuellement, et avec un maximum égal au montant
visé à l’article 1458, § 1er, alinéa 3. À défaut d’accord
explicite du contribuable tel que visé à l’article 1458,
§ 1er, alinéa 3, les montants qui dépassent le montant
maximum visé à l’article 1458, § 1er, alinéa 2, doivent
être remboursés sans frais au contribuable.”.
Art. 62
Dans l’article 174/1, alinéa 1er, du même Code, rétabli
par la loi du 25 décembre 2017, et modifi é par l’article
32 et l’article 50, les mots “1458, § 1er, alinéa 2,” sont
remplacés par les mots “1458, § 1er, alinéas 2 et 3,”.
Art. 63
Dans l’article 364quater du même Code, inséré par la
loi du 28 juillet 2011, les mots “par dérogation à l’article
1458, alinéa 3,” sont remplacés par les mots “par déro-
gation à l’article 1458, § 1er, alinéa 4,”.
21
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 64
De artikelen 59 tot 63 hebben uitwerking vanaf aan-
slagjaar 2019.
HOOFDSTUK 5
Voordelen voor alleenstaande ouders
met een laag inkomen
Art. 65
In artikel 133 van het Wetboek van de inkomstenbelas-
tingen 1992, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001
en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006,
22 december 2008 en 26 december 2015, worden tus-
sen het eerste en het tweede lid, dat het vierde lid wordt,
twee leden toegevoegd, luidende:
“Het bedrag van de in het eerste lid, 1°, vermelde
toeslag wordt verhoogd wanneer bijkomend aan alle
onderstaande voorwaarden is voldaan:
— geen andere persoon dan de kinderen, ascen-
denten en zijverwanten tot en met de tweede graad
van de belastingplichtige, en de personen van wie de
belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten
laste is geweest, maakt deel uit van het gezin van de
belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar;
— het belastbare inkomen van de belastingplichtige
bedraagt minder dan 10 700 euro;
— de netto-beroepsinkomsten van de belastingplich-
tige zijn minstens gelijk aan 1 800 euro, waarbij geen
rekening wordt gehouden met de werkloosheidsuitkerin-
gen, pensioenen en afzonderlijk belastbare inkomsten.
De in het vorige lid bedoelde bijkomende toeslag is
gelijk aan:
— wanneer het belastbare inkomen van de belas-
tingplichtige 8 445 euro bedraagt of minder: 565 euro;
— wanneer het belastbaar inkomen van de belas-
tingplichtige meer bedraagt dan 8 445 euro: 565 euro
vermenigvuldigd met een breuk met als teller het ver-
schil tussen 10 700 euro en het belastbare inkomen
en met als noemer het verschil tussen 10 700 euro en
8 445 euro.”.
Art. 66
In artikel 134, § 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 13 december 2012 en gewijzigd bij de
Art. 64
Les articles 59 à 63 produisent leurs effets à partir
de l’exercice d’imposition 2019.
CHAPITRE 5
Avantages pour les parents
isolés à bas revenu
Art. 65
Dans l’article 133 du Code des impôts sur les revenus
1992, remplacé par la loi du 10 août 2001 et modifi é par
les lois des 27 décembre 2006, 22 décembre 2008 et
26 décembre 2015, deux alinéas rédigés comme suit
sont insérés, entre l’alinéa 1er et l’alinéa 2, qui devient
l’alinéa 4,:
“Le montant du supplément visé à l’alinéa 1er, 1°,
est majoré lorsqu’il est de plus satisfait aux conditions
suivantes:
— aucune personne autre que les enfants, ascen-
dants et collatéraux jusqu’au deuxième degré inclusive-
ment du contribuable, et les personnes qui ont assumé
la charge exclusive ou principale du contribuable pen-
dant l’enfance de celui-ci, ne fait partie du ménage du
contribuable au 1er janvier de l’exercice d’imposition;
— le revenu imposable du contribuable est inférieur
à 10 700 euros;
— les revenus professionnels nets du contribuable
sont au moins égaux à 1 800 euros, les allocations
de chômage, les pensions et les revenus imposables
distinctement n’étant pas pris en compte.
Le supplément additionnel visé à l’alinéa précédent
est égal à:
— lorsque le revenu imposable du contribuable
s’élève à 8 445 euros ou moins: 565 euros;
— lorsque le revenu imposable du contribuable
s’élève à plus de 8 445 euros: 565 euros multipliés par
une fraction dont le numérateur est égal à la différence
entre 10 700 euros et le revenu imposable et dont le
dénominateur est égal à la différence entre 10 700 euros
et 8 445 euros.”.
Art. 66
Dans l’article 134, § 3, du même Code, remplacé par
la loi du 13 décembre 2012 et modifi é par les lois des
22
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
wetten van 26 december 2015 en 30 juni 2017, wordt
tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde lid
wordt, een lid ingevoegd, luidende:
”Wanneer de in artikel 133, tweede lid, bedoelde bijko-
mende toeslag aan de belastingplichtige wordt verleend:
1° wordt ook het deel van de overeenkomstig para-
graaf 2, tweede lid, berekende belasting op de belas-
tingvrije som dat niet in mindering kan worden gebracht
van de overeenkomstig artikel 130 berekende belasting,
in de mate dat het betrekking heeft op de in artikel 133,
tweede lid, vermelde bijkomende toeslag, omgezet in
een verrekenbaar en terugbetaalbaar belastingkrediet;
2° gelden de volgende regels om het deel van de be-
lasting op de belastingvrije som, dat betrekking heeft op
de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen
en de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende
toeslag, te bepalen:
a) de belastingvrije som wordt geacht achtereenvol-
gens te bestaan uit:
— het in artikel 131 vermelde basisbedrag van de
belastingvrije som;
— de in de artikelen 132, eerste lid, 7° en 8°, en 133,
eerste lid, vermelde toeslagen;
— de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde
toeslagen;
— de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijko-
mende toeslag;
b) er wordt geen rekening gehouden met het gedeelte
van de belastingvrije som dat het belastbare inkomen
overschrijdt en niet bestaat uit de in artikel 132, eerste
lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen en de in artikel 133,
tweede lid, vermelde bijkomende toeslag;
3° wordt het maximumbedrag van het belastingkrediet
per belastingplichtige verhoogd met het bedrag van de
overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, en het 2° van
dit lid berekende belasting op de in artikel 133, tweede
lid, vermelde bijkomende toeslag dat niet in mindering
kan worden gebracht van de overeenkomstig artikel
130 berekende belasting.”.
Art. 67
In artikel 14535 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 13 december 2012 en gewijzigd bij de
26 décembre 2015 et 30 juin 2017, il est inséré entre
l’alinéa 2 et l’alinéa 3, qui devient l’alinéa 4, un alinéa,
rédigé comme suit:
“Lorsque le supplément additionnel visé à l’article
133, alinéa 2, est accordé au contribuable:
1° la partie de l’impôt sur la quotité du revenu exemp-
tée d’impôt calculée conformément au paragraphe 2,
alinéa 2, qui ne peut être portée en déduction de l’impôt
calculé conformément à l’article 130, dans la mesure
où elle se rapporte au supplément additionnel visé à
l’article 133, alinéa 2, est également convertie en un
crédit d’impôt imputable et remboursable;
2° les règles suivantes sont applicables afin de
déterminer la partie de l’impôt sur la quotité du revenu
exemptée d’impôt qui se rapporte aux suppléments
visés à l’article 132, alinéa 1er, 1° à 6°, et au supplément
additionnel visé à l’article 133, alinéa 2:
a) la quotité du revenu exemptée d’impôt est censée
être successivement composée:
— du montant de base de la quotité du revenu exemp-
tée d’impôt visé à l’article 131;
— des suppléments visés aux articles 132, alinéa 1er,
7° et 8°, et 133, alinéa 1er;
— des suppléments visés à l’article 132, alinéa
1er, 1° à 6°;
— du supplément additionnel visé à l’article
133, alinéa 2;
b) il n’est pas tenu compte de la partie de la quo-
tité du revenu exemptée d’impôt qui excède le revenu
imposable et qui n’est pas composée des suppléments
visés à l’article 132, alinéa 1er, 1° à 6°, et du supplément
additionnel visé à l’article 133, alinéa 2;
3° le montant maximum du crédit d’impôt est aug-
menté par contribuable du montant de l’impôt calculé
conformément au § 2, alinéa 2, et au 2° du présent ali-
néa, sur le supplément additionnel visé à l’article 133,
alinéa 2, qui ne peut être porté en déduction de l’impôt
calculé conformément à l’article 130.”.
Art. 67
Dans l’article 14535 du même Code, inséré par la
loi du 13 décembre 2012 et modifi é par les lois des
23
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
wetten van 8 mei 2014 en 18 december 2015, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
a) tussen het zevende en het achtste lid, dat het
negende lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende:
“Wanneer aan de belastingplichtige de in artikel
133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag wordt
verleend, wordt een bijkomende belastingvermindering
verleend die wordt berekend tegen het tarief van:
1° wanneer het bedrag van de bijkomende toeslag
wordt bepaald overeenkomstig artikel 133, derde lid,
eerste streepje: 30 pct.;
2° wanneer het bedrag van de bijkomende toeslag
wordt bepaald overeenkomstig artikel 133, derde lid,
tweede streepje: 30 pct. vermenigvuldigd met de in
artikel 133, derde lid, tweede streepje vermelde breuk.”;
b) tussen het achtste lid, dat door het 1° het negende
lid is geworden, en het negende lid, dat door het 1° het
tiende lid is geworden, wordt een lid ingevoegd luidende:
“Het gedeelte van de overeenkomstig het achtste lid
verleende bijkomende belastingvermindering dat na
toepassing van artikel 178/1 niet is aangerekend, wordt
omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet.”.
Art. 68
In artikel 245, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij
de programmawet van 10 augustus 2015, worden in
de bepaling onder het tweede streepje de woorden “in
de artikelen 134, § 3, en 14524, § 1, vijfde lid, vermelde
belastingkredieten” vervangen door de woorden “in
de artikelen 134, § 3, en 14535, tiende lid, vermelde
belastingkredieten”.
Art. 69
In artikel 304, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij
de wet van 18 december 2015, worden de woorden “in
de artikelen 134, § 3, en 14524, § 1, vijfde lid, bedoelde
belastingkredieten” vervangen door de woorden “in
de artikelen 134, § 3, en 14535, tiende lid, bedoelde
belastingkredieten”.
Art. 70
In artikel 413/1, § 1, tweede lid, eerste en derde
streepje, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet
8 mai 2014 et 18 décembre 2015, les modifi cations
suivantes sont apportées:
a) entre l’alinéa 7 et l’alinéa 8, qui devient l’alinéa 9,
un alinéa est inséré, rédigé comme suit:
“Lorsque le supplément additionnel visé à l’article
133, alinéa 2, est octroyé au contribuable, une réduction
d’impôt complémentaire est octroyée qui est calculée
au taux de:
1° lorsque le montant du supplément additionnel
est déterminé conformément à l’article 133, alinéa 3,
premier tiret: 30 p.c.;
2° lorsque le montant du supplément additionnel
est déterminé conformément à l’article 133, alinéa 3,
deuxième tiret: 30 p.c. multipliés par la fraction visée à
l’article 133, alinéa 3, deuxième tiret.”;
b) entre l’alinéa 8, devenu l’alinéa 9 suite au 1°, et
l’alinéa 9, devenu l’alinéa 10 suite au 1°, il est inséré un
alinéa, rédigé comme suit:
“La partie de la réduction d’impôt complémentaire
octroyée conformément à l’alinéa 8 qui n’a pas pu être
imputée après application de l’article 178/1, est convertie
en un crédit d’impôt remboursable.”.
Art. 68
Dans l’article 245, alinéa 1er, 1°, du même Code,
remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par la loi-
programme du 10 août 2015, dans le deuxième tiret,
les mots “des crédits d’impôt visés aux articles 134,
§ 3, et 14524, § 1er, alinéa 5,” sont remplacés par les
mots “des crédits d’impôt visés aux articles 134, § 3,
et 14535, alinéa 10,”.
Art. 69
Dans l’article 304, § 2, alinéa 1er, du même Code,
remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par la loi
du 18 décembre 2015, les mots “des crédits d’impôt
visés aux articles 134, § 3, et 14524, § 1er, alinéa 5,” sont
remplacés par les mots “des crédits d’impôt visés aux
articles 134, § 3, et 14535, alinéa 10,”.
Art. 70
Dans l’article 413/1, § 1er, alinéa 2, premier et
troisième tiret, du même Code, inséré par la loi du
24
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
van 1 december 2016, worden de woorden “belasting-
kredieten als bedoeld in de artikelen 134, § 3,” vervan-
gen door de woorden “belastingkredieten als bedoeld
in de artikelen 134, § 3, 14535, tiende lid,”.
Art. 71
De artikelen 65 tot 70 hebben uitwerking vanaf aan-
slagjaar 2018.
HOOFDSTUK 6
Afzonderlijke belasting van bepaalde
vergoedingen
Art. 72
In artikel 171, 5°, b, van het Wetboek van de inkom-
stenbelastingen 1992, worden de woorden “vergoedin-
gen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke
derving van beroepsinkomsten als bedoeld in de arti-
kelen 25, 6°, b, 27, tweede lid, 4°, b, en 32, tweede lid,
2°, en” ingevoegd voor de woorden “bezoldigingen,
pensioenen, renten”.
Art. 73
Artikel 72 treedt in werking op de eerste dag van de
maand die volgt op het verstrijken van een termijn van
tien dagen die ingaat de dag na de bekendmaking ervan
in het Belgisch Staatsblad en is van toepassing op de
vergoedingen die worden betaald of toegekend vanaf
1 januari 2018, met uitzondering van de vergoedingen tot
volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving
van winst of baten die reeds vóór 1 januari 2018 werden
vastgesteld of vermoed en van de vergoedingen tot vol-
ledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van
winst of baten die vanaf 1 januari 2018 werden vastge-
steld of vermoed en verbonden zijn aan een belastbaar
tijdperk dat vóór de datum van inwerkingtreding van het
artikel wordt afgesloten.
HOOFDSTUK 7
Vrijstelling van doorstorting van
bedrijfsvoorheffing
Art. 74
In artikel 2755 van het Wetboek van de inkom-
stenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van
23 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet
van 26 december 2015 worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1er décembre 2016, les mots “des crédits d’impôt visés
aux articles 134, § 3,” sont remplacés par les mots
“des crédits d’impôt visés aux articles 134, § 3, 14535,
alinéa 10,”.
Art. 71
Les articles 65 à 70 produisent leurs effets à partir
de l’exercice d’imposition 2018.
CHAPITRE 6
Taxation distincte de
certaines indemnités
Art. 72
Dans l’article 171, 5°, b, du Code des impôts sur les
revenus 1992, les mots “les indemnités en réparation
totale ou partielle d’une perte temporaire de revenus
professionnels visées aux articles 25, 6°, b, 27, alinéa
2, 4°, b, et 32, alinéa 2, 2°, et” sont insérés avant les
mots “les rémunérations, pensions, rentes”.
Art. 73
L’article 72 entre en vigueur le premier jour du mois
qui suit l’expiration d’un délai de dix jours prenant
cours le jour suivant sa publication au Moniteur belge
et est applicable aux indemnités payées ou attribuées
à partir du 1er janvier 2018, à l’exception des indemnités
en réparation totale ou partielle d’une perte temporaire
de bénéfi ces ou de profi ts constatées ou présumées,
avant le 1er janvier 2018 et des indemnités en réparation
totale ou partielle d’une perte temporaire de béné-
fi ces ou de profi ts constatées ou présumées, après le
1er janvier 2018 liées à une période imposable qui s’est
terminée avant la date de l’entrée en vigueur de l’article.
CHAPITRE 7
Dispense de versement du
précompte professionnel
Art. 74
A l’article 2755 du Code des impôts sur les revenus
1992, inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modi-
fi é en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les
modifi cations suivantes sont apportées:
25
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden
“van de belastbare bezoldigingen” vervangen door de
woorden “van het totaal van de belastbare bezoldigin-
gen van al de werknemers op wie deze paragraaf van
toepassing is samen”;
2° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden “in
hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd” vervan-
gen door de woorden “voor wie de vrijstelling voorzien
in dit artikel wordt gevraagd”;
3° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden “voor
zover het bezoldigingen betreft” ingevoegd tussen de
woorden “wordt enkel toegekend” en de woorden “voor
werknemers die”;
4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf
5 luidende:
“§ 5. In afwijking van de vorige paragrafen worden
voor de toepassing van dit artikel eveneens verstaan on-
der ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht:
— de ondernemingen waar het werk wordt verricht in
één of meerdere ploegen van minstens twee personen,
die hetzelfde of complementair werk doen zowel qua
inhoud als qua omvang;
— en in zover het gaat om werken bedoeld in
artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van
29 december 1992 met betrekking tot de regeling
voor de voldoening van de belasting over de toege-
voegde waarde.
Voor de ondernemingen bedoeld in het eerste lid,
wordt een bruto-uurloon van minstens 13,75 euro. ge-
lijkgesteld met een ploegenpremie als bedoeld in § 1,
eerste lid.
Voor de ondernemingen bedoeld in het eerste lid
wordt de vrijstelling bedoeld in paragraaf 1 bepaald op
3 pct. van het totaal van de belastbare bezoldigingen
van al de betrokken werknemers samen.
In afwijking van paragraaf 1 geldt de vrijstelling van
bedrijfsvoorheffing enkel voor de belastbare bezoldigin-
gen van de werknemers die in ploegverband werken in
onroerende staat verrichten op locatie.
De in het vorige lid bedoelde belastbare bezoldigin-
gen, ploegenpremies inbegrepen, zijn de overeenkom-
stig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belast-
bare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting
van de premies, het vakantiegeld, de eindejaarspremie
en de achterstallige bezoldigingen.
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “des rému-
nérations imposables” sont remplacés par les mots ”de
l’ensemble des rémunérations imposables de tous les
travailleurs concernés par le présent paragraphe”;
2° au paragraphe 1er, alinéa 3, les mots “pour lesquels
la dispense est invoquée” sont remplacés par les mots
“pour lesquels la dispense prévue dans le présent article
est invoquée”;
3° au paragraphe 1er, alinéa 4, les mots “pour autant
qu’il s’agit de rémunérations” sont insérés entre les mots
“n’est accordée que” et les mots “pour les travailleurs”;
4° l’article est complété par un paragraphe 5 rédigé
comme suit:
“§ 5. Par dérogation aux paragraphes précédents,
sont aussi comprises comme entreprises où s’effectue
un travail en équipe pour l’application du présent article:
— les entreprises où le travail est effectué en une
ou plusieurs équipes comprenant deux personnes au
moins, lesquelles font le même travail ou un travail com-
plémentaire tant en ce qui concerne son objet qu’en ce
qui concerne son ampleur;
— et pour autant qu’il s’agisse de travaux visés à l’ar-
ticle 20, § 2, de l’arrêté royal n°1 du 29 décembre 1992
relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la
taxe sur la valeur ajoutée.
Pour les entreprises visées à l’alinéa 1er, un salaire
horaire brut d’au moins 13,75 euros est assimilé à la
prime d’équipe visée au § 1er, alinéa 1er.
Pour les entreprises visées par l’alinéa 1er, la dispense
visée au paragraphe 1er est fi xée à 3 p.c. de l’ensemble
des rémunérations imposables de tous les travailleurs
concernés.
Par dérogation au paragraphe 1er, la dispense de
précompte professionnel ne s’applique que pour les
rémunérations imposables des travailleurs qui exécutent
des travaux immobiliers en équipe sur place.
Les rémunérations imposables, primes d’équipe
comprises, visées à l’alinéa précédent sont les rémuné-
rations imposables des travailleurs déterminées confor-
mément à l’article 31, alinéa 2, 1° et 2°, à l’exclusion
des primes, du pécule de vacances, de la prime de fi n
d’année et des arriérés de rémunérations.
26
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
De ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid
die uitzendkrachten ter beschikking stellen van onder-
nemingen bedoeld in het eerste lid, zijn voor wat betreft
de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op
de belastbare bezoldigingen van deze uitzendkrachten,
gelijkgesteld met die ondernemingen.
Het bedrag bedoeld in het tweede lid wordt jaarlijks
geïndexeerd overeenkomstig artikel 178, § 4.
Vanaf 1 januari 2019 bedraagt het percentage be-
doeld in het derde lid 6 pct. en vanaf 1 januari 2020
bedraagt het percentage 18 pct.”.
Art. 75
Dit hoofdstuk is van toepassing op de bezoldigingen
die vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend.
HOOFDSTUK 8
Financiële bepalingen
Afdeling 1
Wijziging van het koninklijk besluit van 14 november 2008
tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien
in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling
van het organiek statuut van de Nationale Bank
van België, voor wat betreft de oprichting van
het Garantiefonds voor fi nanciële diensten
Art. 76
In artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit
van 14 november 2008 tot uitvoering van de crisismaat-
regelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot
vaststelling van het organiek statuut van de Nationale
Bank van België, voor wat betreft de oprichting van
het Garantiefonds voor fi nanciële diensten, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, wordt de bepaling
onder 1°bis vervangen als volgt:
“1°bis. de jaarlijkse bijdragen van de kredietinstel-
lingen naar Belgisch recht vermeld in artikel 4, § 1, 1°,
aan het Garantiefonds, worden berekend op basis van
de volgende formule:
Ci = CR * ARWi * CDi * μ
waarbij:
Ci = Jaarlijkse bijdrage van aangesloten instelling “i”
CR = Bijdragepercentage
Les entreprises agréées pour le travail intérimaire
qui mettent des intérimaires à disposition d’entreprises
visées à l’alinéa 1er sont, en ce qui concerne la dispense
de versement du précompte professionnel sur les rému-
nérations imposables de ces intérimaires, assimilées à
ces entreprises.
Le montant visé à l’alinéa 2 est indexé annuellement
conformément l’article 178, § 4.
A partir du 1er janvier 2019 le pourcentage visé à
l’alinéa 3 s’élève à 6 p.c. et à partir du 1er janvier 2020
le pourcentage s’élève à 18 p.c.”.
Art. 75
Le présent chapitre est applicable aux rémunérations
payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2018.
CHAPITRE 8
Dispositions fi nancières
Section 1re
Modifi cation de l’arrêté royal du 14 novembre 2008 portant
exécution des mesures anti-crise reprises dans la loi du
22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque
Nationale de Belgique, en ce qui concerne la création du
Fonds de garantie pour les services fi nanciers
Art. 76
Dans l’article 8, § 1er, alinéa 1er, de l’arrêté royal du
14 novembre 2008 portant exécution des mesures anti-
crise reprises dans la loi du 22 février 1998 fi xant le statut
organique de la Banque Nationale de Belgique, en ce
qui concerne la création du Fonds de garantie pour les
services fi nanciers, modifi é en dernier lieu par la loi du
du 31 juillet 2017, le 1°bis est remplacé par ce qui suit:
“1°bis. les contributions annuelles des établisse-
ments de crédits de droit belge visés à l’article 4, § 1er,
1°, au Fonds de garantie sont calculées sur base de la
formule suivante:
Ci = CR * ARWi * CDi * μ
où:
Ci= Contribution annuelle de l’institution affiliée “i”
CR = Pourcentage de contribution
27
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
ARWi = Geaggregeerd risicogewicht voor aangeslo-
ten instelling “i”
CDi = Gedekte deposito’s voor aangesloten in-
stelling “i”
μ = Aanpassingscoëfficiënt.
De hoogte van het bijdragepercentage (CR) bedraagt
0,105 % van de gedekte deposito’s.
Het gemiddelde van de bedragen aan gedekte
deposito’s op 31 maart, 30 juni, 30 september en
31 december van het vorige jaar, vormt de grondslag
voor een aangesloten instelling “i” (CDi).
De aanpassingscoëfficiënt (μ) wordt berekend aan
de hand van volgende formule:
Waarbij:
CD=
De intervallen die het geaggregeerde risicogewicht
(ARWi) van een instelling “i” bepalen op basis van hun
geaggregeerde risicoscore (ARSi) zijn de volgende:
Risiconiveau
Intervallen voor ARS
ARW
Zeer laag risico
x
<12
50%
Laag risico
12≤
x
<37
75%
Gemiddeld risico
37≤
x
≤50
100%
Hoog risico
50<
x
<63
125%
Zeer hoog risico
63
≤
x
150%
De geaggregeerde risicoscore (ARSi) voor instel-
ling “i” wordt voor elke instelling berekend volgens de
volgende formule:
Waarbij:
IWj = Indicatorgewicht van de indicator Aj
IRSj = IRSxj, individuele risicoscore voor sommige
X in {A,B,…,M} (d.w.z. de emmer die overeenkomt met
indicator Aj)
=100 %
ARWi = Coefficient de pondération du risque agrégé
pour l’institution affiliée “i”
CDi = Dépôts couverts pour l’institution affiliée “i”
μ = Coefficient d’adaptation.
La hauteur du pourcentage de contribution (CR)
s’élève à 0,105 % des dépôts couverts.
La moyenne des montants des dépôts couverts au
31 mars, 30 juin, 30 septembre et 31 décembre de
l’année précédente forme la base pour l’institution
affiliée “i” (CDi).
Le coefficient d’adaptation (μ) est calculé à l’aide de
la formule suivante:
Où:
CD=
Les intervalles défi nissant le coefficient de pondé-
ration du risque agrégé (ARWi) d’une institution “i”
sur base de leur score de risque agrégé (ARSi) sont
les suivants:
Niveau de risque
Intervalles pour l'ARS
ARW
Risque très faible
x
<12
50 %
Risque faible
12≤
x
<37
75 %
Risque moyen
37≤
x
≤50
100 %
Risque élevé
50<
x
<63
125 %
Risque très élevé
63
≤
x
150 %
Le score des risques agrégés (ARSi) pour l’institution
“i” est calculé pour chaque institution selon la for-
mule suivante:
Où:
IWj = Coefficient de pondération de l’indicateur Aj
IRSj = IRSxj, score de risque individuel pour certains
X dans {A, B,,…,M} (c.-à-d. le seau correspondant à
l’indicateur Aj)
=100 %
28
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
De indicatoren (Aj) en hun indicatorgewicht (IW) die
moeten worden gebruikt voor de berekening van de op
risico-gebaseerde bijdragen zijn de volgende:
Les indicateurs (Aj) et leurs coefficients de pondé-
ration (IW) qui doivent être utilisés pour le calcul des
contributions basées sur les risques sont les suivants:
29
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Indicator
Formule/Beschrijving
Indicator-gewicht
1. Kapitaal
1.1. Hefboom-ratio
ܶ݅݁ݎ 1 ܿܽ݅ݐ݈ܽ (ݐݎܽ݊ݏ݅ݐ݈݅݊ܽ ݂݀݁݅݊݅ݐ݅݊)
ܶݐ݈ܽ ݈݁ݒ݁ݎܽ݃݁ ݎܽݐ݅ ݁ݔݏݑݎ݁
15%
1.2.
Tier
1-kernkapitaalratio
(CET1-ratio)
Common Equity Tier 1 capital
Risk െweighted assets
9%
2. Liquiditeit en financiering
2.1.
Liquiditeitsdekkingsratio
(Liquidity Coverage Ratio - LCR)
ݏݐܿ݇ ݂ ܪܳܮܣ
ܶݐ݈ܽ ݊݁ݐ ܿܽݏ݄ ݑݐ݂݈ݓݏ ݒ݁ݎ ݐ݄݁ ݊݁ݔݐ
30 ݈ܿܽ݁݊݀ܽݎ ݀ܽݕݏ
24%
2.2.
Nettostabielefinancieringsratio
(net stable funding ratio - NSFR)
available stable funding
required stable funding
0%
3. Kwaliteit van de activa
3.1. Niet-renderende-leningenratio
(Non-performing loans ratio - NPL-
ratio)
Gross non െperforming loans
Gross total loans
18%
4. Bedrijfsmodel en management
4.1. Risico-gewogen activa (RWA)
/ Totale activa
Risk െweighted assets
Total assets
8,5%
4.2. Rendement op activa (RoA)
Net profit or loss
Total assets
8,5%
4.3. Resultaat stresstests
De resultaten van de stresstests,
georganiseerd binnen het kader van
artikel 380, vijfde lid, van de wet van 25
april 2014 op het statuut van en het
toezicht
op
kredietinstellingen
en
beursvennootschappen
dat
zal
uitgevoerd
worden
door
het
Garantiefonds voor financiële diensten.
0%
5. Potentiële verliezen voor het
depositobeschermingsstelsel
5.1.
Niet-bezwaarde
activa
/
gewaarborgde deposito's
Total assets െencumbered assets
Covered deposits
17%
30
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Indicateur
Formule / Description
Coefficient de pondération
1. Capital
1.1. Ratio de levier
ܶ݅݁ݎ 1 ܿܽ݅ݐ݈ܽ (ݐݎܽ݊ݏ݅ݐ݈݅݊ܽ ݂݀݁݅݊݅ݐ݅݊)
ܶݐ݈ܽ ݈݁ݒ݁ݎܽ݃݁ ݎܽݐ݅ ݁ݔݏݑݎ݁
15%
1.2. Ratio des fonds propres de
base - Tier 1 (ratio CET1)
ܥ݉݉݊ ܧݍݑ݅ݐݕ ܶ݅݁ݎ 1 ܿܽ݅ݐ݈ܽ
ܴ݅ݏ݇െݓ݄݁݅݃ݐ݁݀ ܽݏݏ݁ݐݏ
9%
2. Liquidités et financement
2.1. Ratio de couverture des
liquidités
(Liquidity Coverage Ratio - LCR)
ݏݐܿ݇ ݂ ܪܳܮܣ
ܶݐ݈ܽ ݊݁ݐ ܿܽݏ݄ ݑݐ݂݈ݓݏ ݒ݁ݎ ݐ݄݁ ݊݁ݔݐ
30 ݈ܿܽ݁݊݀ܽݎ ݀ܽݕݏ
24%
2.2. Ratio de financement stable
net
(net stable funding ratio - NSFR)
ܽݒ݈ܾ݈ܽ݅ܽ݁ ݏݐܾ݈ܽ݁ ݂ݑ݊݀݅݊݃
ݎ݁ݍݑ݅ݎ݁݀ ݏݐܾ݈ܽ݁ ݂ݑ݊݀݅݊݃
0%
3. Qualité des actifs
3.1. Ratio de prêts non productifs
(Non-performing loans ratio - NPL-
ratio)
ܩݎݏݏ ݊݊െ݁ݎ݂ݎ݉݅݊݃ ݈ܽ݊ݏ
ܩݎݏݏ ݐݐ݈ܽ ݈ܽ݊ݏ
18%
4.
Modèle
d'entreprise
et
management
4.1. Actifs pondérés en fonction
des risques (RWA) / Total des
actifs
ܴ݅ݏ݇െݓ݄݁݅݃ݐ݁݀ ܽݏݏ݁ݐݏ
ܶݐ݈ܽ ܽݏݏ݁ݐݏ
8,5%
4.2. Rendement des actifs (RoA)
ܰ݁ݐ ݎ݂݅ݐ ݎ ݈ݏݏ
ܶݐ݈ܽ ܽݏݏ݁ݐݏ
8,5%
4.3.
Résultat
des
tests
de
résistance
Les résultats des tests de résistance,
organisés dans le cadre de l'article 380,
alinéa 5, de la loi du 25 avril 2014
relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit et des sociétés
de bourse, qui seront exécutés par le
Fonds de garantie pour les services
financiers.
0%
5. Pertes potentielles pour le
système de protection des dépôts
5.1. Actifs non grevés / dépôts
assurés
ܶݐ݈ܽ ܽݏݏ݁ݐݏെ݁݊ܿݑܾ݉݁ݎ݁݀ ܽݏݏ݁ݐݏ
ܥݒ݁ݎ݁݀ ݀݁ݏ݅ݐݏ
17%
31
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Na akkoord van de Nationale Bank van België past
de Koning de indicatorgewichten aan overeenkomstig
de minimumgewichten die de Europese Bankautoriteit
vastlegt, om alle risico-indicatoren te activeren.
De intervallen die de individuele risicoscore (IRS)
bepalen die aan elke risico-indicator (Aj) moet worden
toegekend, in functie van zijn waarde, zijn de volgende:
Risico-indicator
Risiconiveau
Intervallen
Individuele
risicoscore
1.1. Hefboomratio
zeer hoog risico
X
<
1%
100
hoog risico
1% X
<
3%
75
gemiddeld risico
3% X
<
7%
50
laag risico
7% X
<
11%
25
zeer laag risico
11% X
0
1.2.
Tier
1-
kernkapitaalratio
zeer hoog risico
X
<
5%
100
hoog risico
5% X
<
7%
75
gemiddeld risico
7% X
<
13%
50
laag risico
13% X
<
17%
25
zeer laag risico
17% X
0
2.1.
Liquiditeitsdekkingsratio
zeer hoog risico
X
<
80%
100
hoog risico
80% X
<
100%
75
gemiddeld risico
100% X
<
120%
50
laag risico
120% X
<
140%
25
zeer laag risico
140% X
0
2.2.
Nettostabielefinancierings-
ratio
zeer hoog risico
X
<
80%
100
hoog risico
80% X
<
100%
75
gemiddeld risico
100% X
<
120%
50
laag risico
120% X
<
140%
25
zeer laag risico
140% X
0
3.1.Niet-renderende-
leningenratio
zeer laag risico
X
<
2%
0
laag risico
2% X
<
3%
25
Après accord de la Banque Nationale de Belgique, le
Roi adapte les coefficients de pondération, conformé-
ment aux coefficients minimaux que l’Autorité bancaire
européenne fi xe, afi n d’activer tous les indicateurs
de risque.
Les intervalles déterminant le score de risque indivi-
duel (IRS) à attribuer à chaque indicateur de risque (Aj),
en fonction de sa valeur, sont les suivants:
32
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
gemiddeld risico
3% X
<
6%
50
hoog risico
6% X
<
12%
75
zeer hoog risico
12% X
100
4.1. RWA / Totale activa
zeer laag risico
X
<
30%
0
laag risico
30% X
<
45%
25
gemiddeld risico
45% X
<
60%
50
hoog risico
60% X
<
75%
75
zeer hoog risico
75% X
100
4.2. RoA
zeer hoog risico
X
<
0%
100
hoog risico
0% X
<
0,2%
75
gemiddeld risico
0,2% X
<
0,7%
50
laag risico
0,7% X
<
1,2%
25
zeer laag risico
1,2% X
0
4.3. Resultaat stress tests
hoog risico
X
=
-1
100
gemiddeld risico
X
=
0
50
laag risico
X
=
1
0
5.1. Niet-bezwaarde activa
/ Gewaarborgde deposito's
zeer hoog risico
X
<
120%
100
hoog risico
120% X
<
140%
75
gemiddeld risico
140% X
<
160%
50
laag risico
160% X
<
180%
25
zeer laag risico
180% X
0
33
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Indicateur de risque
Niveau de risque
Intervalles
Score de
risque
individuel
1.1. Ratio de levier
risque très élevé
X
<
1 %
100
risque élevé
1 % X
<
3 %
75
risque moyen
3 % X
<
7 %
50
risque faible
7 % X
<
11 %
25
risque très faible
11 % X
0
1.2.
Ratio
des
fonds
propres de base - Tier 1
risque très élevé
X
<
5 %
100
risque élevé
5 % X
<
7 %
75
risque moyen
7 % X
<
13 %
50
risque faible
13 % X
<
17 %
25
risque très faible
17 % X
0
2.1. Ratio de couverture
des liquidités
risque très élevé
X
<
80 %
100
risque élevé
80 % X
<
100 %
75
risque moyen
100% X
<
120 %
50
risque faible
120% X
<
140 %
25
risque très faible
140% X
0
2.2. Ratio de financement
stable net
risque très élevé
X
<
80 %
100
risque élevé
80 % X
<
100 %
75
risque moyen
100% X
<
120 %
50
risque faible
120% X
<
140 %
25
risque très faible
140% X
0
3.1. Ratio de prêts non
productifs
risque très faible
X
<
2 %
0
34
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
risque faible
2 % X
<
3 %
25
risque moyen
3 % X
<
6 %
50
risque élevé
6 % X
<
12 %
75
risque très élevé
12 % X
100
4.1. RWA / Total de l’actif
risque très faible
X
<
30 %
0
risque faible
30 % X
<
45 %
25
risque moyen
45 % X
<
60 %
50
risque élevé
60 % X
<
75 %
75
risque très élevé
75 % X
100
4.2. RoA
risque très élevé
X
<
0 %
100
risque élevé
0 % X
<
0,2 %
75
risque moyen
0,2 % X
<
0,7 %
50
risque faible
0,7 % X
<
1,2 %
25
risque très faible
1,2 % X
0
4.3. Résultat des tests de
résistance
risque élevé
X
=
-1
100
risque moyen
X
=
0
50
risque faible
X
=
1
0
5.1. Actifs non grevés /
Dépôts garantis
risque très élevé
X
<
120 %
100
risque élevé
120% X
<
140 %
75
risque moyen
140% X
<
160 %
50
risque faible
160% X
<
180 %
25
risque très faible
180% X
0
35
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Na akkoord van de Nationale Bank van België kan de
Koning de intervallen die de individuele risicoscore (IRS)
bepalen die aan elke risico-indicator (Aj) moet worden
toegekend, in functie van zijn waarde, aanpassen.
De koninklijke besluiten tot aanpassing van de inter-
vallen die de individuele risicoscore (IRS) bepalen die
aan elke risico-indicator (Aj) moet worden toegekend,
in functie van zijn waarde, hebben geen gevolg meer
indien zij niet worden bekrachtigd door de wet binnen
de twaalf maanden vanaf hun datum van inwerkingtre-
ding. De bekrachtiging werkt terug tot op de datum van
inwerkingtreding van de koninklijke besluiten.
Na akkoord van de Nationale Bank van België, kan
de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit,
bijkomende risico-indicatoren vastleggen die gebruikt
dienen te worden bij de berekening van de op de risico’s
gebaseerde bijdragen.
De Nationale Bank van België deelt jaarlijks aan het
Garantiefonds, op zijn verzoek, de door de Nationale
Bank van België berekende waarde van de indicatoren
mee van de kredietinstellingen naar Belgisch recht die
toelaten hun individuele risicoscore te bepalen;”.
Afdeling 2
Opheffingsbepaling
Art. 77
Het koninklijk besluit van 22 april 2012 tot uitvoering
van artikel 8, § 1, eerste lid, 1°bis, van het koninklijk be-
sluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van
15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering
van de fi nanciële stabiliteit en inzonderheid tot instelling
van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en an-
dere verrichtingen in het kader van de fi nanciële stabili-
teit, voor wat betreft de bescherming van de deposito’s,
de levensverzekeringen en het kapitaal van erkende
coöperatieve vennootschappen, en tot wijziging van de
wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de
fi nanciële sector en de fi nanciële diensten, gewijzigd bij
de wet van 31 juli 2017, wordt opgeheven.
Afdeling 3
Inwerkintreding
Art. 78
Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag waarop deze
wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.”.
Après accord de la Banque Nationale de Belgique, le
Roi peut adapter les intervalles déterminant le score de
risque individuel (IRS) à attribuer à chaque indicateur
de risque (Aj), en fonction de sa valeur.
Les arrêtés royaux adaptant les intervalles déter-
minant le score de risque individuel (IRS) à attribuer
à chaque indicateur de risque (Aj), en fonction de sa
valeur cessent de produire leurs effets s’ils n’ont pas
été confi rmés par la loi dans les douze mois de leur date
d’entrée en vigueur. La confi rmation rétroagit à la date
d’entrée en vigueur des arrêtés royaux.
Après accord de la Banque Nationale de Belgique, le
Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres,
déterminer des indicateurs de risque complémentaires
à utiliser pour le calcul des contributions fondées sur
les risques.
La Banque nationale de Belgique communique
chaque année au Fonds de garantie, à sa demande,
la valeur calculée par la Banque nationale de Belgique
des indicateurs des établissements de crédit de droit
belge permettant de déterminer leur score de risque
individuel;”.
Section 2
Disposition abrogatoire
Art. 77
L’arrêté royal du 22 avril 2012 portant exécution
de l’article 8, § 1er, alinéa 1er, 1°bis, de l’arrêté royal
du 14 novembre 2008 portant exécution de la loi du
15 octobre 2008 portant des mesures visant à promou-
voir la stabilité fi nancière et instituant en particulier une
garantie d’État relative aux crédits octroyés et autres
opérations effectuées dans le cadre de la stabilité fi nan-
cière, en ce qui concerne la protection des dépôts, des
assurances sur la vie et du capital de sociétés coopéra-
tives agréées, et modifi ant la loi du 2 août 2002 relative
à la surveillance du secteur fi nancier et aux services
fi nanciers, modifi é par la loi du 31 juillet 2017, est abrogé.
Section 3
Entrée en vigueur
Art. 78
Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la
publication de la présente loi au Moniteur belge.”.
36
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
TITEL VI
Strijd tegen de fi scale fraude en diverse bepalingen
inzake invordering
HOOFDSTUK 1
Strijd tegen de fi scale fraude
Afdeling 1
Wijzigingen van het Wetboek van
de inkomstenbelastingen 1992
Art. 79
In titel VII, hoofdstuk IX, afdeling IV, van het Wetboek,
van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel
442quinquies ingevoegd, luidende:
“Art. 442quinquies. De bepalingen van dit Wetboek
doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het
herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit
de niet-betaling van de belastingen en de voorheffingen,
interesten, fi scale boeten, belastingverhogingen en bij-
behoren, door een burgerlijke partijstelling of door een
aansprakelijkheidsvordering.”.
Art. 80
In artikel 443ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord “toepas-
sing” vervangen door de woorden “vestiging, de inning”;
2° dit artikel wordt aangevuld met een paragraaf
3, luidende:
“§ 3. Elke daad van onderzoek of van vervolging als
bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het
Wetboek van strafvordering betreffende de misdrijven
bedoeld in de artikelen 449 tot 452 schorst de verjaring
van de belastingen en de voorheffingen die erop betrek-
king hebben.
De schorsing vangt aan met het op gang brengen van
de strafvordering, en eindigt met het staken van de straf-
rechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering
of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde
is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.”.
TITRE VI
Lutte contre la fraude fi scale et dispositions diverses
en matière de recouvrement
CHAPITRE 1ER
Lutte contre la fraude fi scale
Section 1re
Modifi cations du Code des
impôts sur les revenus 1992
Art. 79
Dans le titre VII, chapitre IX, section IV, du Code
des impôts sur les revenus 1992, il est inséré un article
442quinquies, rédigé comme suit:
“Art. 442quinquies. Les dispositions du présent Code
ne font pas obstacle au droit pour l’État de demander
la réparation du dommage pouvant consister dans
le non-paiement des impôts et des précomptes, des
intérêts, des amendes fi scales, des accroissements et
des accessoires, par la constitution de partie civile ou
par l’action en responsabilité.”.
Art. 80
A l’article 443ter du même Code, inséré par la loi du
22 décembre 2003, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “, à la
perception” sont insérés entre les mots “à l’établisse-
ment” et les mots “ou au recouvrement”;
2° cet article est complété par un paragraphe 3,
rédigé comme suit:
“§ 3. Tout acte d’instruction ou de poursuite visé à
l’article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure
pénale relative aux infractions visées aux articles 449 à
452 suspend le cours de la prescription des impôts et
des précomptes y afférents.
La suspension débute dès que l’action publique est
mise en mouvement et se termine par l’abandon des
poursuites pénales, l’extinction de l’action publique
ou lorsque le jugement ou l’arrêt est coulé en force de
chose jugée pour les infractions visées à l’alinéa 1er.”.
37
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 81
Artikel 458 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt vervan-
gen als volgt:
“Art. 458. Personen die als daders of als medeplich-
tigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot
452 werden veroordeeld, zijn hoofdelijk gehouden tot
betaling van de ontdoken belasting en de interesten
verschuldigd door de belastingschuldige op wiens naam
de belasting werd ingekohierd.
De personen beschuldigd als daders of als mede-
plichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot
452 zijn eveneens hoofdelijk gehouden tot betaling van
de ontdoken belasting en de interesten, zoals bedoeld in
het eerste lid, wanneer de feiten die de misdrijven ople-
veren bewezen verklaard zijn, wanneer zij genieten van:
1° een opschorting van de uitspraak van de veroor-
deling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de
straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende
de opschorting, het uitstel en de probatie;
2° een eenvoudig schuldigverklaring voorzien in ar-
tikel 21ter van de Voorafgaande titel van het Wetboek
van Strafvordering;
3° de procedure van voorafgaande erkenning van
schuld bedoeld in artikel 216 van het Wetboek van
Strafvordering;
4° de verjaring van de strafvordering.
De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn
burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboe-
ten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen
welke krachtens de artikelen 449 tot 456 tegen hun
aangestelden of hun bestuurders, zaakvoerders of
vereffenaars, in het kader van de uitoefening van hun
functie, in rechte of in feite, zijn uitgesproken.”.
Afdeling 2
Omzetting van de Richtlijn 2016/2258/EU van de Raad
van 6 december 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/
EU wat betreft toegang tot antiwitwasinlichtingen door
belastingautoriteiten
Art. 82
Deze afdeling voorziet in de omzetting van de Richtlijn
2016/2258/EU van de Raad van 6 december 2016 tot
Art. 81
L’article 458 du même Code, modifi é par l’arrêté royal
du 20 décembre 1996, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 458. Les personnes qui auront été condamnées
comme auteurs ou complices d’infractions visées aux
articles 449 à 452, seront solidairement tenues au
paiement de l’impôt éludé et des intérêts dus par le
redevable au nom duquel l’impôt a été enrôlé.
Les personnes prévenues comme auteurs ou com-
plices d’infractions visées aux articles 449 à 452 seront
également solidairement tenues au paiement de l’impôt
éludé et des intérêts, comme visés à l’alinéa 1er, lorsque
les faits constitutifs de préventions sont déclarés établis,
lorsqu’elles bénéfi cient:
1° d’une suspension du prononcé de la condamnation
ou d’un sursis à l’exécution des peines prévus par la
loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis
et la probation;
2° d’une condamnation par simple déclaration de
culpabilité prévue à l’article 21ter du Titre préliminaire
du Code d’instruction criminelle;
3° de la procédure de déclaration préalable de
culpabilité prévue à l’article 216 du Code d’instruction
criminelle;
4° de la prescription de l’action publique.
Les personnes physiques ou morales seront civile-
ment et solidairement responsables des amendes et des
frais résultant des condamnations prononcées en vertu
des articles 449 à 456 contre leurs préposés ou leurs
administrateurs, gérants ou liquidateurs dans le cadre
de l’exercice de leurs fonctions, en droit ou en fait.”.
Section 2
Transposition de la Directive 2016/2258/UE du Conseil du
6 décembre 2016 modifi ant la Directive 2011/16/UE en ce
qui concerne l’accès des autorités fi scales aux informations
relatives à la lutte contre le blanchiment de capitaux
Art. 82
La présente section prévoit la transposition de la
Directive 2016/2258/UE du Conseil du 6 décembre 2016
38
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft toegang
tot anti-witwasinlichtingen door belastingautoriteiten.
Art. 83
In artikel 322, § 1, van hetzelfde Wetboek, genum-
merd bij de wet van 14 april 2011 en gewijzigd bij de
wet van 27 april 2016, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° een lid wordt tussen het eerste en het tweede lid
ingevoegd, luidende:
“De administratie mag wat een bepaalde belasting-
plichtige betreft, het register van de uiteindelijke begun-
stigden, genaamd UBO-register, gehouden binnen de
Algemene Administratie van de Thesaurie en opgericht
bij artikel 73 van de wet van 18 september 2017 tot
voorkoming van het witwassen van geld en de fi nan-
ciering van terrorisme en tot beperking van het gebruik
van contanten, raadplegen teneinde de juiste heffing
van de belasting te verzekeren. De Koning bepaalt de
voorwaarden en modaliteiten van deze raadpleging.”;
2° in het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt,
worden de woorden “het recht om derden te horen en om
een onderzoek in te stellen” vervangen door de woorden
“het recht om derden te horen, om het UBO-register te
consulteren en om een onderzoek in te stellen”.
Art. 84
In artikel 338 van hetzelfde Wetboek, vervangen
door de wet van 17 augustus 2013 en gewijzigd bij de
wet van 31 juli 2017, wordt een paragraaf 24/1 inge-
voegd, luidende:
“§ 24/1. De Belgische bevoegde autoriteit bezorgt
de buitenlandse belastingautoriteiten op verzoek de
gegevens die worden gehouden in het register van de
uiteindelijke begunstigden, genaamd UBO-register,
gehouden binnen de Algemene Administratie van de
Thesaurie en opgericht bij artikel 73 van de wet van
18 september 2017 tot voorkoming van het witwas-
sen van geld en de fi nanciering van terrorisme en tot
beperking van het gebruik van contanten, evenals
de AML-mechanismen, -procedures, -documenten
en -inlichtingen bedoeld in de artikelen 13, 30, 31 en
40 van de Richtlijn 2015/849/EU van het Europees
Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de
voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel
modifi ant la Directive 2011/16/UE en ce qui concerne
l’accès des autorités fi scales aux informations relatives
à la lutte contre le blanchiment de capitaux.
Art. 83
Dans l’article 322, § 1er, du même Code, numéroté par
la loi du 14 avril 2011 et modifi é par la loi du 27 avril 2016,
les modifi cations suivantes sont apportées:
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l’ali-
néa 1er et 2:
“L’administration peut, en ce qui concerne un contri-
buable déterminé, consulter le registre des bénéfi ciaires
effectifs, dénommé registre UBO, tenu au sein de
l’Administration générale de la Trésorerie et créé par
l’article 73 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la
prévention du blanchiment de capitaux et du fi nance-
ment du terrorisme et à la limitation de l’utilisation des
espèces, afi n d’assurer la juste perception de l’impôt.
Le Roi détermine les conditions et les modalités de
cette consultation.”;
2° dans l’alinéa 2 ancien, devenu l’alinéa 3, les
mots “le droit d’entendre des tiers et de procéder à
des enquêtes” sont remplacés par les mots “le droit
d’entendre des tiers, de consulter le registre UBO et
de procéder à des enquêtes”.
Art. 84
Dans l’article 338 du même Code, remplacé par la loi
du 17 août 2013 et modifi é par la loi du 31 juillet 2017, il
est inséré un paragraphe 24/1 rédigé comme suit:
“§ 24/1. L’autorité compétente belge fournit sur de-
mande aux autorités fi scales étrangères les données
tenues au registre des bénéfi ciaires effectifs dénommé
registre UBO, tenu au sein de l’Administration géné-
rale de la Trésorerie et créé par l’article 73 de la loi du
18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchi-
ment de capitaux et du fi nancement du terrorisme et à
la limitation de l’utilisation des espèces et aux mécanis-
mes, procédures, documents et informations visés aux
articles 13, 30, 31 et 40 de la Directive 2015/849/UE du
Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 rela-
tive à la prévention de l’utilisation du système fi nancier
aux fi ns du blanchiment de capitaux ou du fi nancement
du terrorisme, modifi ant le règlement n° 648/2012/UE du
39
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
voor het witwassen van geld of terrorismefi nanciering,
tot wijziging van Verordening nr. 648/2012/EU van het
Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van
Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en
de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie.”.
Afdeling 3
Wijziging van het Wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde
Art. 85
Artikel 73sexies van het Wetboek van de belasting
over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van
10 februari 1981, wordt vervangen als volgt:
“Art. 73sexies. De personen die als daders of als
medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen
73 en 73bis werden veroordeeld, zijn hoofdelijk gehou-
den tot betaling van de ontdoken belasting en interesten
verschuldigd door de oorspronkelijke schuldenaar van
de belasting.
De personen beschuldigd als daders of als mede-
plichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en
73bis zijn eveneens hoofdelijk gehouden tot betaling van
de ontdoken belasting en de interesten, zoals bedoeld in
het eerste lid, wanneer de bestanddelen van de misdrij-
ven bewezen verklaard zijn, wanneer ze genieten van:
1° een opschorting van de uitspraak van de veroor-
deling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de
straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende
de opschorting, het uitstel en de probatie;
2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring
voorzien in artikel 21ter van de Voorafgaande titel van
het Wetboek van Strafvordering;
3° de procedure van voorafgaande erkenning van
schuld bedoeld in artikel 216 van het Wetboek van
Strafvordering;
4° de verjaring van de strafvordering.
De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn
burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboe-
ten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen
welke krachtens de artikelen 73 tot 73quater tegen hun
aangestelden of hun bestuurders, zaakvoerders of
vereffenaars, in het kader van de uitoefening van hun
functie, in rechte of in feite, zijn uitgesproken.”.
Parlement européen et du Conseil abrogeant la Directive
2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil et la
Directive 2006/70/CE de la Commission.”.
Section 3
Modifi cation du Code de la taxe sur
la valeur ajoutée
Art. 85
L’article 73sexies du Code de la taxe sur la valeur
ajoutée, inséré par la loi du 10 février 1981, est remplacé
par ce qui suit:
“Art. 73sexies. Les personnes qui auront été condam-
nées comme auteurs ou complices d’infractions visées
aux articles 73 et 73bis seront solidairement tenues au
paiement de la taxe éludée et des intérêts dus par le
redevable initial de la taxe.
Les personnes prévenues comme auteurs ou com-
plices d’infractions aux articles 73 et 73bis seront
également solidairement tenues au paiement de la
taxe éludée et des intérêts, comme visés à l’alinéa
1er, lorsque les faits constitutifs des préventions sont
déclarés établis, lorsqu’elles bénéfi cient:
1° d’une suspension du prononcé de la condamnation
ou d’un sursis à l’exécution des peines prévus par la
loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis
et la probation;
2° d’une condamnation par simple déclaration de
culpabilité prévue à l’article 21ter du Titre préliminaire
du Code d’instruction criminelle;
3° de la procédure de déclaration préalable de
culpabilité prévue à l’article 216 du Code d’instruction
criminelle;
4° de la prescription de l’action publique.
Les personnes physiques ou morales seront civile-
ment et solidairement responsables des amendes et des
frais résultant des condamnations prononcées en vertu
des articles 73 à 73quater contre leurs préposés ou leurs
administrateurs, gérants ou liquidateurs dans le cadre
de l’exercice de leurs fonctions, en droit ou en fait.”.
40
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 86
In artikel 83 van het Wetboek van de belasting over
de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de wetten van
8 augustus 1980 en 15 maart 1999, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
a) de eerste zin van het eerste lid wordt aangevuld
met de woorden: “, met uitsluiting van artikel 2244, § 2.”;
b) in het tweede lid worden de woorden “tot de toe-
passing of de invordering van de belasting” vervangen
door de woorden “tot de toepassing, de inning of de
invordering van de belasting, de interesten en de fi scale
geldboeten”;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf
3, luidende:
“§ 3. Elke daad van onderzoek of van vervolging als
bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het
Wetboek van Strafvordering betreffende de misdrijven
bedoeld in artikel 73 en 73bis schorst de verjaring van de
vordering tot voldoening van de belasting, de interesten
en de fi scale geldboeten die erop betrekking hebben.
De schorsing vangt aan met het op gang brengen van
de strafvordering, en eindigt met het staken van de straf-
rechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering
of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde
is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.”.
Art. 87
In hoofdstuk XVI van hetzelfde Wetboek wordt een
artikel 93undeciesE ingevoegd, luidende:
“Art. 93undeciesE. De bepalingen van dit Wetboek
doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het
herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de
niet-betaling van de belasting, interesten, fi scale geld-
boeten en bijbehoren door een burgerlijke partijstelling
of door een aansprakelijkheidsvordering.”.
Art. 86
A l’article 83 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée,
modifi é par les lois du 8 août 1980 et du 15 mars 1999,
les modifi cations suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er les modifi cations suivantes sont
apportées:
a) la première phrase de l’alinéa 1er est complétée par
les mots “, à l’exclusion de l’article 2244, § 2.”;
b) dans l’alinéa 2, les mots “à l’application ou au
recouvrement de la taxe” sont remplacés par les mots
“à l’application, à la perception ou au recouvrement de
la taxe, des intérêts et des amendes fi scales”;
2° l’article est complété par un paragraphe 3 rédigé
comme suit:
“§ 3. Toute acte d’instruction ou de poursuite visé à
l’article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure
pénale relative aux infractions visées aux articles 73 et
73bis suspend le cours de la prescription de l’action en
recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes
fi scales y afférents.
La suspension débute dès que l’action publique est
mise en mouvement et se termine par l’abandon des
poursuites pénales, l’extinction de l’action publique
ou lorsque le jugement ou l’arrêt est coulé en force de
chose jugée pour les infractions visées à l’alinéa 1er.”.
Art. 87
Dans le chapitre XVI, du même Code, il est inséré un
article 93undeciesE rédigé comme suit:
“Art. 93undeciesE. Les dispositions du présent Code
ne font pas obstacle au droit pour l’État de demander
la réparation du dommage pouvant consister dans le
non-paiement de la taxe, des intérêts, des amendes
fi scales et des accessoires, par la constitution de partie
civile ou par l’action en responsabilité.”.
41
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Afdeling 4
Wijzigingen van het Wetboek der Successierechten
Art. 88
Artikel 72 van het Wetboek der successierechten,
vervangen bij de wet van 10 februari 1981 wordt aan-
gevuld met een lid, luidende:
“De personen beschuldigd als daders of als mede-
plichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 133 en
133bis zijn eveneens gehouden tot betaling van de
ontdoken rechten, de interesten en de fi scale boeten
wanneer de bestanddelen van de misdrijven bewezen
verklaard zijn, wanneer ze genieten van:
1° een opschorting van de uitspraak van de veroor-
deling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de
straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende
de opschorting, het uitstel en de probatie;
2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring
voorzien in artikel 21ter van de Voorafgaande titel van
het Wetboek van Strafvordering;
3° de procedure van voorafgaande erkenning van
schuld bedoeld in artikel 216 van het Wetboek van
Strafvordering;
4° de verjaring van de strafvordering.”.
Art. 89
In artikel 133sexies van hetzelfde Wetboek, in-
gevoegd bij de wet van 10 februari 1981, worden de
woorden “beheerders, zaakvoerders of vereffenaars”
vervangen door de woorden “hun bestuurders, zaak-
voerders of vereffenaars, in het kader van de uitoefening
van hun functie, in rechte of in feite”.
Art. 90
In het boek I, hoofdstuk XV van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 1403 ingevoegd, luidende:
“Art. 1403. Elke daad van onderzoek of van vervol-
ging als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande
Titel van het Wetboek van Strafvordering betreffende
de misdrijven bedoeld in artikel 133 en 133bis schorst
de verjaring van de vordering tot voldoening van de
rechten, de interesten en de fi scale geldboeten die erop
betrekking hebben.
Section 4
Modifi cations du Code des droits de succession
Art. 88
L’article 72 du Code des droits de succession, rem-
placé par la loi du 10 février 1981, est complété par un
alinéa rédigé comme suit:
“Les personnes prévenues comme auteurs ou com-
plices d’infractions visées aux articles 133 et 133bis
seront également tenues au paiement des droits élu-
dés, des intérêts et des amendes fi scales, lorsque les
faits constitutifs de préventions sont déclarés établis,
lorsqu’elles bénéfi cient:
1° d’une suspension du prononcé de la condamnation
ou d’un sursis à l’exécution des peines prévus par la
loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis
et la probation;
2° d’une condamnation par simple déclaration de
culpabilité prévue à l’article 21ter du Titre préliminaire
du Code d’instruction criminelle;
3° de la procédure de déclaration préalable de
culpabilité prévue à l’article 216 du Code d’instruction
criminelle;
4° de la prescription de l’action publique.”.
Art. 89
Dans l’article 133sexies du même Code, inséré par
la loi du 10 février 1981, les mots “administrateurs,
gérants ou liquidateurs” sont remplacés par les mots
“administrateurs, gérants ou liquidateurs, dans le cadre
de l’exercice de leurs fonctions, en droit ou en fait”.
Art. 90
Dans le livre 1er, chapitre XV du même Code, il est
inséré un article 1403 rédigé comme suit:
“Art. 1403. Tout acte d’instruction ou de poursuite visé
à l’article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure
pénale relative aux infractions visées aux articles 133 et
133bis suspend le cours de la prescription de l’action en
recouvrement des droits, des intérêts et des amendes
fi scales y afférents.
42
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
De schorsing vangt aan met het op gang brengen van
de strafvordering, en eindigt met het staken van de straf-
rechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering
of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde
is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.”.
Art. 91
In het boek I, hoofdstuk XVIII van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 146quinquies ingevoegd, luidende:
“Art. 146quinquies. De bepalingen van dit Wetboek
doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het
herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit
de niet-betaling van de rechten, interesten, fi scale geld-
boeten en bijbehoren door een burgerlijke partijstelling
of door een aansprakelijkheidsvordering.”.
Afdeling 5
Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen
Art. 92
Artikel 2029 van het Wetboek diverse rechten en
taksen, ingevoegd bij de wet van 12 augustus 1947,
vernummerd bij de wet van 13 juni 1951 en gewijzigd
bij de wet van 19 december 2006, waarvan de huidige
tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met twee
paragrafen, luidende:
“§ 2. Elk rechtsgeding met betrekking tot de vestiging,
de inning of de invordering van de diverse rechten en
taksen dat wordt ingesteld door de Belgische Staat,
door de schuldenaar van deze diverse rechten en tak-
sen of door ieder ander persoon die gehouden is tot de
betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van
de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het
gemeen recht, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang
en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht
van gewijsde is gegaan.
§ 3. Elke daad van onderzoek of van vervolging als
bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het
Wetboek van Strafvordering betreffende de misdrijven
bedoeld in artikel 207 en 207bis schorst de verjaring
van de vordering tot voldoening van de rechten of de
taksen, de interesten en de fi scale geldboeten die erop
betrekking hebben.
De schorsing vangt aan met het op gang brengen
van de strafvordering, en eindigt met het staken van
La suspension débute dès que l’action publique est
mise en mouvement et se termine par l’abandon des
poursuites pénales, l’extinction de l’action publique
ou lorsque le jugement ou l’arrêt est coulé en force de
chose jugée pour les infractions visées à l’alinéa 1er.”.
Art. 91
Dans le livre 1er, chapitre XVIII du même Code, il est
inséré un article 146quinquies rédigé comme suit:
“Art. 146quinquies. Les dispositions du présent Code
ne font pas obstacle au droit pour l’État de demander
la réparation du dommage pouvant consister dans le
non-paiement des droits, des intérêts, des amendes
fi scales et des accessoires, par la constitution de partie
civile ou par l’action en responsabilité.”.
Section 5
Modifi cations du Code des droits et taxes divers
Art. 92
L’article 2029 du Code des droits et taxes divers,
inséré par la loi du 12 août 1947, renuméroté par la loi du
13 juin 1951 et modifi é la loi du 19 décembre 2006, dont
le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété
par deux paragraphes rédigés comme suit:
“§ 2. Toute instance en justice relative à l’établis-
sement, la perception ou au recouvrement des droits
et taxes divers, qui est introduite par l’État belge, par
le redevable de ces droits et taxes divers ou par toute
autre personne tenue au paiement de la dette en vertu
du présent Code, des arrêtés pris pour son exécution ou
du droit commun, suspend le cours de la prescription.
La suspension débute avec l’acte introductif d’ins-
tance et se termine lorsque la décision judiciaire est
coulée en force de chose jugée.
§ 3. Tout acte d’instruction ou de poursuite visé à
l’article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure
pénale, relative aux infractions visées aux articles 207 et
207bis suspend la prescription de l’action en recouvre-
ment du droit, de la taxe, des intérêts et des amendes
fi scales y afférents.
La suspension débute dès que l’action publique est
mise en mouvement et se termine par l’abandon des
43
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
de strafrechtelijke vervolging, het verval van de straf-
vordering of wanneer het vonnis of het arrest in kracht
van gewijsde is gegaan voor de misdrijven bedoeld in
het eerste lid.”.
Art. 93
In artikel 207sexies van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 10 februari 1981, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
(a) het eerste lid wordt aangevuld met de woorden
“en de interesten verschuldigd door de oorspronkelijke
belastingschuldige.”;
(b) tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid
ingevoegd, luidende:
“De personen beschuldigd als daders of als mede-
plichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 207 en
207bis zijn eveneens hoofdelijk gehouden tot betaling
van de ontdoken rechten of taksen en de interesten, zo-
als bedoeld in het eerste lid, wanneer de bestanddelen
van de misdrijven bewezen verklaard zijn, wanneer ze
genieten van:
1° een opschorting van de uitspraak van de veroor-
deling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de
straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende
de opschorting, het uitstel en de probatie;
2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring
voorzien in artikel 21ter van de Voorafgaande titel van
het Wetboek van Strafvordering;
3° de procedure van de voorafgaande erkenning
van schuld bedoeld in artikel 216 van het Wetboek van
Strafvordering;
4° verjaring van de strafvordering.”;
c) in het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt,
worden de woorden “beheerders, zaakvoerders of veref-
fenaars” vervangen door de woorden “hun bestuurders,
zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uit-
oefening van hun functie, in rechte of in feite”.
Art. 94
In Boek III, Titel V, van hetzelfde Wetboek, wordt een
artikel 211ter ingevoegd, luidende:
“Art. 211ter. De bepalingen van dit Wetboek doen
geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel
poursuites pénales, l’extinction de l’action publique
ou lorsque le jugement ou l’arrêt est coulé en force de
chose jugée pour les infractions visées à l’alinéa 1er.”.
Art. 93
A l’article 207sexies du même Code, inséré par la
loi du 10 février 1981, les modifi cations suivantes sont
apportées:
(a) l’alinéa 1er est complété par les mots “et des inté-
rêts dus par le redevable initial.”;
(b) un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les
alinéas 1er et 2:
“Les personnes prévenues comme auteurs ou com-
plices d’infractions visées aux articles 207 et 207bis
seront également solidairement tenues au paiement
des droits éludés ou des taxes éludées et des intérêts,
comme visés à l’alinéa 1er lorsque les faits constitutifs
des préventions sont déclarés établis, lorsqu’elles
bénéfi cient:
1° d’une suspension du prononcé de la condamnation
ou d’un sursis à l’exécution des peines prévus par la
loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis
et la probation;
2° d’une condamnation par simple déclaration de
culpabilité prévue à l’article 21ter du Titre préliminaire
du Code d’instruction criminelle;
3° de la procédure de déclaration préalable de
culpabilité prévue à l’article 216 du Code d’instruction
criminelle;
4° de la prescription de l’action publique.”;
c) dans l’alinéa 2 ancien, devenant l’alinéa 3, les
mots “administrateurs, gérants ou liquidateurs” sont
remplacés par les mots “administrateurs, gérants ou
liquidateurs, dans le cadre de l’exercice de leurs fonc-
tions, en droit ou en fait”.
Art. 94
Dans le livre III, Titre V, du même Code, il est inséré
un article 211ter, rédigé comme suit:
“Art. 211ter. Les dispositions du présent Code ne
font pas obstacle au droit pour l’État de demander
44
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-
betaling van de rechten, de taksen, de interesten, de
fi scale geldboeten en de bijbehoren door een burgerlijke
partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.”.
Afdeling 6
Wijzigingen van het Wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten
Art. 95
In artikel 207quater van het Wetboek der registra-
tie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij de wet
van 10 februari 1981 worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
a) het eerste lid wordt aangevuld met de woorden
“en de interesten verschuldigd door de oorspronkelijke
belastingschuldige.”;
b) tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid
ingevoegd, luidende:
“De personen beschuldigd als daders of als mede-
plichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 206 en
206bis zijn eveneens gehouden tot betaling van de
ontdoken rechten en de interesten zoals bedoeld in het
eerste lid, wanneer de bestanddelen van de misdrijven
bewezen verklaard zijn, wanneer ze genieten van:
1° een opschorting van de uitspraak van de veroor-
deling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de
straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende
de opschorting, het uitstel en de probatie;
2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring
voorzien in artikel 21ter van de Voorafgaande titel van
het Wetboek van Strafvordering;
3° de procedure van voorafgaande erkenning van
schuld bedoeld in artikel 216 van het Wetboek van
Strafvordering;
4° de verjaring van de strafvordering.”;
c) in het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt,
worden de woorden “beheerders, zaakvoerders of veref-
fenaars” vervangen door de woorden “hun bestuurders,
zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uit-
oefening van hun functie, in rechte of in feite”.
la réparation du dommage pouvant consister dans le
non-paiement des droits, des taxes, des intérêts, des
amendes fi scales et des accessoires, par la constitution
de partie civile ou par l’action en responsabilité.”.
Section 6
Modifi cations du Code des droits d’enregistrement,
d’hypothèque et de greffe
Art. 95
A l’article 207quater du Code des droits d’enregis-
trement, d’hypothèque et de greffe, inséré par la loi
du 10 février 1981, les modifi cations suivantes sont
apportées:
a) l’alinéa 1er est complété par les mots “et des intérêts
dus par le redevable initial.”;
b) un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les
alinéas 1er et 2:
“Les personnes prévenues comme auteurs ou com-
plices d’infractions visées aux articles 206 et 206bis
seront également tenues au paiement des droits éludés
et des intérêts comme visés à l’alinéa 1er, lorsque les
faits constitutifs de préventions sont déclarés établis,
lorsqu’elles bénéfi cient:
1° d’une suspension du prononcé de la condamnation
ou d’un sursis à l’exécution des peines prévus par la
loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis
et la probation;
2° d’une condamnation par simple déclaration de
culpabilité prévue à l’article 21ter du Titre préliminaire
du Code d’instruction criminelle;
3° de la procédure de déclaration préalable de
culpabilité prévue à l’article 216 du Code d’instruction
criminelle;
4° de la prescription de l’action publique.”;
c) dans l’alinéa 2 ancien, devenant l’alinéa 3, les
mots “administrateurs, gérants ou liquidateurs” sont
remplacés par les mots “administrateurs, gérants ou
liquidateurs, dans le cadre de l’exercice de leurs fonc-
tions, en droit ou en fait”.
45
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 96
Artikel 218 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen
als volgt:
“Art. 218. Elke daad van onderzoek of van vervolging
als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel
van het Wetboek van Strafvordering betreffende de
misdrijven bedoeld in artikel 206 en 206bis schorst de
verjaring van de vordering tot voldoening van de rech-
ten, de interesten en de fi scale geldboeten die erop
betrekking hebben.
De schorsing vangt aan met het op gang brengen van
de strafvordering, en eindigt met het staken van de straf-
rechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering
of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde
is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.”.
Art. 97
In het hoofdstuk XV, van hetzelfde Wetboek, wordt
een artikel 225quater ingevoegd, luidende:
“Art. 225quater. De bepalingen van dit Wetboek doen
geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel
van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-
betaling van de rechten, interesten, fi scale geldboeten
en bijbehoren door een burgerlijke partijstelling of door
een aansprakelijkheidsvordering.”.
Afdeling 7
Wijziging van het Wetboek van de met de
inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Art. 98
In artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van de met de
inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, voor
het laatst gewijzigd bij de wet van 17 augustus 2013,
wordt het woord “442quinquies,” ingevoegd tussen het
woord “442,” en het woord “443bis”.
Art. 96
L’article 218 du même Code est remplacé par
ce qui suit:
“Art. 218. Tout acte d’instruction ou de poursuite visé
à l’article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure
pénale relative aux infractions visées aux articles 206 et
206bis suspend le cours de la prescription de l’action en
recouvrement des droits, des intérêts et des amendes
fi scales y afférents.
La suspension débute dès que l’action publique est
mise en mouvement et se termine par l’abandon des
poursuites pénales, l’extinction de l’action publique
ou lorsque le jugement ou l’arrêt est coulé en force de
chose jugée pour les infractions visées à l’alinéa 1er.”.
Art. 97
Dans le Chapitre XV, du même Code, il est inséré un
article 225quater, rédigé comme suit:
“Art. 225quater. Les dispositions du présent Code
ne font pas obstacle au droit pour l’État de demander
la réparation du dommage pouvant consister dans le
non-paiement des droits, des intérêts, des amendes
fi scales et des accessoires, par la constitution de partie
civile ou par l’action en responsabilité.”.
Section 7
Modifi cation du Code des taxes assimilées
aux impôts sur les revenus
Art. 98
Dans l’article 2, alinéa 1er, du Code des taxes assi-
milées aux impôts sur les revenus, modifi é en dernier
lieu par la loi du 17 août 2013, le mot “442quinquies,”
est inséré entre le mot “442,” et le mot “443bis”.
46
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van de wet van 21 februari 2003
tot oprichting van een Dienst voor
alimentatievorderingen bij de FOD Financiën
Art. 99
In artikel 2 van de wet van 21 februari 2003 tot op-
richting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij
de FOD Financiën, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt:
“1° Dienst voor alimentatievorderingen: de dienst die
binnen de administratie van de Federale Overheidsdienst
Financiën bevoegd voor de inning en de invordering van
niet-fi scale schuldvorderingen, belast is met de taken
bedoeld in artikel 3, § 1 en § 2, eerste lid;”;
2° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt:
“2° onderhoudsgeld:
a) het onderhoudsgeld dat verschuldigd is aan de
kinderen en dat werd vastgesteld in een uitvoerbare titel;
b) het onderhoudsgeld dat verschuldigd is tussen
echtgenoten of ex-echtgenoten en het onderhouds-
geld dat verschuldigd is tussen samenwonenden of
ex-samenwonenden en dat werd vastgesteld in een
uitvoerbare titel;”;
3° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen
onder 3° tot 6°, luidende:
“3° bestaansmiddelen: de inkomsten bedoeld
in de artikelen 1409, 1409bis en 1410 van het
Gerechtelijk Wetboek;
4° ontvanger: de rekenplichtige van de administratie
van de FOD Financiën belast met de inning en de in-
vordering van niet-fi scale schuldvorderingen;
5° identifi catienummer van de Kruispuntbank van
de Sociale Zekerheid: het identifi catienummer van het
register toegekend in uitvoering van artikel 4, § 2, van de
wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organi-
satie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
6° rekenplichtige: de rekenplichtige van de admi-
nistratie van de FOD Financiën die belast is met de
ontvangst van het onderhoudsgeld en de betaling van
het saldo en de achterstallen.”.
CHAPITRE 2
Modifi cations de la loi du 21 février 2003 créant
un Service des créances alimentaires au sein du
SPF Finances
Art. 99
À l’article 2 de la loi du 21 février 2003 créant
un Service des créances alimentaires au sein du
SPF Finances, les modifications suivantes sont
apportées:
1° le 1° est remplacé comme suit:
“1° Service des créances alimentaires: le service qui,
au sein de l’administration du Service public fédéral
Finances compétente pour la perception et le recouvre-
ment des créances non fi scales, est chargé des tâches
visées à l’article 3, § 1er et § 2, alinéa 1er;”;
2° le 2° est remplacé comme suit:
“2° pension alimentaire:
a) la pension alimentaire due aux enfants et fi xée
dans un titre exécutoire;
b) la pension alimentaire due entre époux ou ex-
époux et la pension alimentaire due entre cohabitants
ou ex-cohabitants et fi xée dans un titre exécutoire;”;
3° l’article est complété par les 3° à 6°, rédigés
comme suit:
“3° ressources: les revenus visés aux articles 1409,
1409bis et 1410 du Code judiciaire;
4° receveur: le comptable de l’administration du
SPF Finances en charge de la perception et du recou-
vrement des créances non fi scales;
5° numéro d’identifi cation de la Banque-Carrefour de
la Sécurité sociale: le numéro d’identifi cation du registre
attribué en exécution de l’article 4, § 2, de la loi du
15 janvier 1990 relative à l’institution et à l’organisation
d’une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale;
6° comptable: le comptable de l’administration du
SPF Finances qui est chargé de la recette de la pension
alimentaire et du paiement du solde et des arriérés.”.
47
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 100
In artikel 3 van dezelfde wet, vervangen bij de wet
van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden “en van de
achterstallen” ingevoegd tussen de woorden “onder-
houdsgeld” en de woorden “ten laste van”;
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “2,
1°, a)” vervangen door de woorden “2, 2°, a)”;
3° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden “2,
1°, b) “vervangen door de woorden “2, 2°, b)”.
Art. 101
In artikel 4 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van
22 december 2003 en gewijzigd bij de wet van 12 mei
2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “2,
1°, a)” vervangen door de woorden “2, 2°, a)”;
2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
“§ 1/1. Voor elk meerderjarig kind wordt het recht op
voorschotten op het onderhoudsgeld bedoeld in artikel
2, 2°, a), enkel toegekend voor zover dit kind nog recht
geeft op kinderbijslag.”.
Art. 102
In artikel 5 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van
22 december 2003 en gewijzigd bij de wet van 12 mei
2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt het woord “dienst” vervangen
door het woord “Dienst”;
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Deze bijdrage is ten laste van de onderhoudsplich-
tige en bedraagt 13 % van het bedrag van de te innen
of in te vorderen hoofdsommen.”.
Art. 103
In artikel 7 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van
22 december 2003 en gewijzigd bij de wet van 12 mei
2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Art. 100
À l’article 3 de la même loi, remplacé par la loi du
22 décembre 2003, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots “et les arriérés”
sont insérés entre les mots “créances alimentaires” et
les mots “à charge du”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots “2, 1°,
a)” sont remplacés par les mots “2, 2°, a)”;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “2, 1°, b)”
sont remplacés par les mots”2, 2°, b)”.
Art. 101
À l’article 4 de la même loi, remplacé par la loi du
22 décembre 2003 et modifi é par la loi du 12 mai 2014,
les modifi cations suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “2, 1°, a)”
sont remplacés par les mots “2, 2°, a)”;
2° un paragraphe 1er/1 est inséré, rédigé comme suit:
“§ 1er/1. Pour chaque enfant majeur, le droit aux
avances sur pension alimentaire mentionné à l’article 2,
2°, a), est attribué pour autant que cet enfant bénéfi cie
encore des allocations familiales.”.
Art. 102
A l’article 5 de la même loi, remplacé par la loi du
22 décembre 2003 et modifi é par la loi du 12 mai 2014,
les modifi cations suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 1er, le mot “service” est remplacé par le
mot “Service”;
2° l’alinéa 2 est remplacé comme suit:
“Cette contribution est à charge du débiteur d’ali-
ments et s’élève à 13 % du montant des sommes à
percevoir ou à recouvrer en principal.”.
Art. 103
À l’article 7 de la même loi, remplacé par la loi du
22 décembre 2003 et modifi é par la loi du 12 mai 2014,
les modifi cations suivantes sont apportées:
48
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “in
twee exemplaren” opgeheven;
2° in paragraaf 1, tweede lid, punt 3°, worden de
woorden “de onderhoudsuitkering” vervangen door
de woorden “het onderhoudsgeld, het bedrag van de
achterstallen” en worden de woorden “waaraan de
onderhoudsplichtige zich geheel of ten dele heeft ont-
trokken” vervangen door de woorden “van de eventuele
uitgevoerde betalingen door de onderhoudsplichtige”;
3° in paragraaf 1, tweede lid, punt 4°, worden de
woorden “de onderhoudsuitkering” vervangen door de
woorden “het onderhoudsgeld” en wordt het woord “om”
tussen de woorden “en” en “de” opgeheven;
4° in paragraaf 1, tweede lid, punt 5°, worden de woor-
den “met betrekking tot een ingebrekestelling of andere
uitvoeringsmaatregelen” vervangen door de woorden
“van tenuitvoerlegging” en in de Franse tekst wordt het
woord “prises” vervangen door het woord “entreprise”;
5° in paragraaf 1, derde lid, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) het woord “minuut” wordt vervangen door het
woord “grosse”;
b) de woorden “de gerechtelijke beslissing of van de
akte bedoeld in artikel 1288, 3° of 4°, van het Gerechtelijk
Wetboek, van de uitvoerbare rechtelijke beslissing of
van de uitvoerbare schikking” worden vervangen door
de woorden “de uitvoerbare titel”;
c) de woorden “de onderhoudsuitkering wordt”
worden vervangen door de woorden “het onderhouds-
geld werd”;
d) de woorden “gewijzigd,” worden vervangen door
“gewijzigd.”;
e) de woorden “de stukken van betekening van de
gerechtelijke beslissing, evenals de stukken van ten-
uitvoerlegging.” worden vervangen door de woorden
“Eveneens worden bij de aanvraag de stukken van
betekening van de gerechtelijke beslissing waarin het
onderhoudsgeld werd vastgesteld gevoegd en in voor-
komend geval de stukken van tenuitvoerlegging.”;
6° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord “, dan”
opgeheven;
7° in paragraaf 2, eerste lid, 2° worden de woorden
“het recht op verhoogde kinderbijslag opent of een uit-
kering voor gehandicapte kinderen geniet” vervangen
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “en deux
exemplaires” sont supprimés;
2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, point 3°, les mots
“créance alimentaire” sont remplacés par les mots “pen-
sion alimentaire, le montant des arriérés” et les mots
“au paiement desquels le débiteur d’aliments s’est
soustrait en tout ou en partie” sont remplacés par les
mots “des paiements éventuels effectués par le débiteur
d’aliments”;
3° au paragraphe 1er, alinéa 2, point 4° du texte
néerlandais, les mots “de onderhoudsuitkering” sont
remplacés par les mots “het onderhoudsgeld” et le mot
“om” entre les mots “en” et “de” est supprimé;
4° au paragraphe 1er, alinéa 2, point 5°, les mots “rela-
tives à une mise en demeure ou à d’autres mesures
d’exécution” sont remplacés par les mots “relatives à
l’exécution” et le mot “prises” est remplacé par le mot
“entreprise”;
5° au paragraphe 1er, alinéa 3, les modifi cations suiv-
antes sont apportées:
a) le mot “minute” est remplacé par le mot “grosse”;
b) les mots “de la décision judiciaire ou de l’acte
visé à l’article 1288, 3° ou 4°, du Code judiciaire, de la
décision judiciaire exécutoire ou de l’accord exécutoire”
sont remplacés par les mots “du titre exécutoire”;
c) les mots “de onderhoudsuitkering wordt” dans
le texte néerlandais sont remplacés par les mots “het
onderhoudsgeld werd”;
d) les mots “alimentaire,” sont remplacés par les mots
“alimentaire.”;
e) les mots “les pièces relatives à la signifi cation de
la décision judiciaire ainsi que les pièces relatives à
l’exécution.” sont remplacés par les mots “Sont éga-
lement jointes à la demande, les pièces relatives à la
signifi cation de la décision judiciaire fi xant la pension
alimentaire et, le cas échéant, les pièces relatives à
l’exécution.”;
6° au paragraphe 2, alinéa 1er, du texte néerlandais,
le mot “, dan” est supprimé;
7° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 2°, les mots
“ouvrant le droit aux allocations familiales majorées ou
bénéfi ciant d’une allocation pour enfants handicapés”
49
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
door de woorden “recht geeft op verhoogde kinderbijslag
of op een uitkering voor gehandicapte kinderen”;
8° in paragraaf 2, eerste lid, 3° worden de woorden
“de materiële bewijsstukken die aantonen dat het kind
recht geeft op kinderbijslag, “ingevoegd tussen de
woorden “voor elk meerderjarig kind, “en de woorden
“een schoolattest”.
Art. 104
In artikel 8 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “bij een ter
post aangetekende brief” vervangen door de woorden
“bij aangetekende brief” en worden de woorden “invor-
dering van de alimentatievorderingen” vervangen door
de woorden “invordering van het onderhoudsgeld en
van de achterstallen”;
2° in het tweede lid worden de woorden “de gerech-
telijke beslissing of de overeenkomst als bedoeld in
artikel 1288, 3° of 4°, van het Gerechtelijk Wetboek”
vervangen door de woorden “de uitvoerbare titel waarin
het onderhoudsgeld werd vastgesteld” en worden de
woorden “van de alimentatievordering” vervangen
door de woorden “waarin het onderhoudsgeld werd
vastgesteld”.
Art. 105
In artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van
22 december 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 2 worden de woorden “bij een ter post
aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij
aangetekende brief”;
2° in paragraaf 3 worden de woorden “, op straffe van
verval” en de woorden “van het aangetekend verzen-
den” opgeheven en worden de woorden “of wanneer
geen beslissing is genomen binnen de bij § 1 bedoelde
termijn” vervangen door de woorden “. De onderhouds-
gerechtigde kan eveneens beroep aantekenen bij de
beslagrechter door middel van een verzoekschrift dat
moet zijn ingediend binnen een termijn van één maand,
te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de bij § 1 be-
doelde termijn wanneer geen beslissing is genomen
binnen de bij § 1 bedoelde termijn”.
sont remplacés par les mots “bénéfi ciant d’allocations
familiales majorées ou d’une allocation pour enfants
handicapés”;
8° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 3°, les mots “les
éléments de preuve matériels attestant que l’enfant bé-
néfi cie des allocations familiales, “sont insérés entre
les mots “pour chaque enfant majeur, “et les mots “une
attestation de scolarité”.
Art. 104
À l’article 8 de la même loi, les modifi cations sui-
vantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “par lettre recommandée
à la poste” sont remplacés par les mots “par lettre re-
commandée” et les mots “recouvrements des créances
alimentaires” sont remplacés par les mots “recouvre-
ments de la pension alimentaire et des arriérés”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “la décision judiciaire ou
la convention visée à l’article 1288, 3° ou 4°, du Code
judiciaire” sont remplacés par les mots “le titre exécu-
toire fi xant la pension alimentaire” et les mots “de la
créance alimentaire” sont remplacés par les mots “fi xant
la pension alimentaire”.
Art. 105
À l’article 9 de la même loi, modifi é par la loi du
22 décembre 2003, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° au paragraphe 2, les mots “par lettre recomman-
dée à la poste” sont remplacés par les mots “par lettre
recommandée”;
2° au paragraphe 3, les mots “, à peine de déchéance,
“et les mots “de la lettre recommandée” sont supprimés
et les mots “ou lorsqu’aucune décision n’a été prise
dans le délai visé au § 1er” sont remplacés par les mots
“. Le créancier d’aliments peut également former un
recours devant le juge des saisies par requête à intro-
duire dans le mois à compter du premier jour qui suit le
délai visé au § 1er, lorsqu’aucune décision n’a été prise
dans le délai visé au § 1er”.
50
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 106
In artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 12 mei 2014, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “bij
een ter post aangetekende brief” vervangen door de
woorden “bij aangetekende brief” en worden de woorden
“de alimentatievordering” vervangen door de woorden
“het onderhoudsgeld”;
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden “van
de alimentatievordering” vervangen door de woorden
“waarin het onderhoudsgeld werd vastgesteld”;
3° in paragraaf 2 worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
a) de zin “In voorkomend geval geldt deze kennis-
geving als ingebrekestelling voor de sommen die ze
aanduidt en doet zij de nalatigheidsintresten lopen.”
wordt vervangen door de zin “Deze kennisgeving geldt
als ingebrekestelling voor de sommen die ze aanduidt
en zij doet in voorkomend geval de nalatigheidsintres-
ten lopen.”;
b) de woorden “ter post” worden telkens vervangen
door de woorden “bij de aanbieder van de universele
postdienst”;
c) de woorden “De verjaring wordt” worden vervangen
door de woorden “Deze verjaring wordt”;
d) de zin “Latere verjaringen worden gestuit bij
kennisgeving aan de onderhoudsplichtige bij een
aangetekende brief.” wordt vervangen door de zin
“Onverminderd de stuiting van de verjaring op de wijze
en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244,
en volgende van het Burgerlijk Wetboek, met uitzon-
dering van artikel 2244, § 2, worden latere verjaringen
gestuit bij kennisgeving aan de onderhoudsplichtige bij
een aangetekende brief.”;
4° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
“§ 4. De onderhoudsplichtige kan binnen een termijn
van één maand, te rekenen vanaf de kennisgeving be-
doeld in § 1, beroep aantekenen bij de beslagrechter.”.
Art. 107
In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een artikel
10/1 ingevoegd, luidende:
Art. 106
À l’article 10 de la même loi, modifi é par la loi du
12 mai 2014, les modifi cations suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “une lettre
recommandée à la poste” sont remplacés par les mots
“une lettre recommandée” et les mots “créance alimen-
taire” sont remplacés par les mots “pension alimentaire”;
2° au paragraphe 1er, alinéa 2, les mots “de la créance
alimentaire” sont remplacés par les mots “fi xant la pen-
sion alimentaire”;
3° dans le paragraphe 2 les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) la phrase “Le cas échéant, cette notifi cation vaut
mise en demeure pour les sommes qu’elle désigne et
fait courir les intérêts de retard” est remplacée par la
phrase “Cette notifi cation vaut mise en demeure pour
les sommes qu’elle désigne et fait courir, le cas échéant,
les intérêts de retard”;
b) les mots “à la poste” sont chaque fois remplacés
par les mots “auprès du prestataire de service postal
universel”;
c) les mots “la prescription sera” sont remplacés par
les mots “cette prescription sera”;
d) la phrase “L’interruption des prescriptions ulté-
rieures interviendra lors de la notifi cation au débiteur
d’aliments par lettre recommandée.” est remplacée
par la phrase “Sans préjudice de l’interruption de la
prescription de la manière et aux conditions stipulées
aux articles 2244 et suivants du Code Civil, à l’exclusion
de l’article 2244, § 2, l’interruption des prescriptions
ultérieures interviendra lors de la notifi cation au débiteur
d’aliments par lettre recommandée.”;
4° le paragraphe 4 est remplacé comme suit:
“§ 4. Le débiteur d’aliments peut former un recours
devant le juge des saisies dans le mois à compter de
la notifi cation visée au § 1er.”.
Art. 107
Dans le chapitre III de la même loi, il est inséré un
article 10/1 rédigé comme suit:
51
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
“Art. 10/1. Ieder nieuw gegeven dat van invloed
kan zijn op het bedrag van de voorschotten, van het
onderhoudsgeld of op de inning en de invordering van
deze sommen, moet door de meest gerede partij of
door een derde worden gemeld aan de Dienst voor
alimentatievorderingen.”.
Art. 108
In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een artikel
10/2 ingevoegd, luidende:
“Art. 10/2. § 1. Het recht op voorschotten op het on-
derhoudsgeld wordt toegekend voor een periode van
zes maanden.
§ 2. De periode van zes maanden bedoeld in para-
graaf 1, kan worden verlengd met een nieuwe periode
van zes maanden voor zover de onderhoudsgerechtigde
nog voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel
4 § 1 en § 1/1.
§ 3. Voor het verstrijken van deze periode van zes
maanden vraagt de Dienst voor alimentatievorderingen
aan de onderhoudsgerechtigde om de nodige materiële
bewijsstukken bedoeld in artikel 7 § 2 in te dienen. De
onderhoudsgerechtigde moet deze materiële bewijs-
stukken binnen een termijn van dertig dagen vanaf dit
verzoek bij de Dienst indienen.
§ 4. De Dienst voor alimentatievorderingen geeft
kennis van zijn beslissing over de al dan niet verlenging
van de voorschotten aan de onderhoudsgerechtigde.
§ 5. Indien de onderhoudsgerechtigde niet binnen de
termijn voorzien in paragraaf 3, de nodige bewijsstukken
bezorgt aan de Dienst, kan het recht op voorschotten
op het onderhoudsgeld geschorst worden.
De Dienst voor alimentatievorderingen geeft ken-
nis van zijn beslissing over de schorsing van het
recht op voorschotten op het onderhoudsgeld aan de
onderhoudsgerechtigde.
De schorsing neemt een einde wanneer de onder-
houdsgerechtigde de nodige materiële bewijsstukken bij
de Dienst voor alimentatievorderingen indient.
§ 6. De onderhoudsgerechtigde kan beroep aante-
kenen bij de beslagrechter door middel van een ver-
zoekschrift dat moet zijn ingediend binnen een termijn
van één maand te rekenen vanaf de datum van de
kennisgevingen bedoeld in dit artikel.”.
“Art. 10/1. Toute nouvelle donnée pouvant avoir une
infl uence sur le montant des avances, de la pension
alimentaire ou sur la perception et le recouvrement de
ces sommes doit être communiquée au Service des
créances alimentaires par la partie la plus diligente ou
par un tiers.”.
Art. 108
Dans le chapitre III de la même loi, il est inséré un
article 10/2 rédigé comme suit:
“Art. 10/2. § 1er. Le droit aux avances sur pension
alimentaire est attribué pour une période de six mois.
§ 2. La période de six mois visée au paragraphe 1er
peut être prolongée d’une période supplémentaire
de six mois pour autant que le créancier d’aliments
réponde encore aux conditions prévues à l’article 4,
§ 1er et § 1er/1.
§ 3. Avant l’expiration de cette période de six mois,
le Service des créances alimentaires demande au
créancier d’aliments de présenter les éléments de
preuve matériels nécessaires visés à l’article 7, § 2. Le
créancier d’aliments doit présenter ces éléments de
preuve matériels dans un délai de trente jours à compter
de cette demande auprès du Service.
§ 4. Le Service des créances alimentaires informe
le créancier d’aliments de sa décision de prolonger ou
non les avances.
§ 5. Si le créancier d’aliments ne fournit pas les élé-
ments de preuve nécessaires au Service dans le délai
prévu au paragraphe 3, le droit aux avances sur pension
alimentaire peut être suspendu.
Le Service des créances alimentaires informe le
créancier d’aliments de sa décision de suspendre le
droit aux avances sur pension alimentaire.
La suspension prend fi n lorsque le créancier d’ali-
ments apporte les éléments de preuve matériels néces-
saires au Service des créances alimentaires.
§ 6. Le créancier d’aliments peut former un recours
devant le juge des saisies par requête à introduire dans
le mois à compter de la date des notifi cations visées au
présent article.”.
52
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 109
In artikel 11 van dezelfde wet, vervangen bij de wet
van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Indien de onderhoudsgerechtigde nadien een
volgende aanvraag indient, verleent de Dienst voor
alimentatievorderingen enkel nog tegemoetkoming voor
de inning of invordering van de niet betaalde vervallen
termijnen, ontstaan na de datum van beëindiging van
de tegemoetkoming bij toepassing van het eerste lid.”;
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden
“vorm van” opgeheven;
3° in paragraaf 2, wordt het tweede lid vervangen
als volgt:
“De Dienst voor alimentatievorderingen vordert niet-
temin de op die datum bestaande achterstallen en de
tussen de datum van de aanvraag en de datum van de
beëindiging van deze tegemoetkoming, bedoeld in het
eerste lid, niet betaalde vervallen termijnen verder in.”;
4° in paragraaf 3 worden de woorden “bij een ter post
aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij
aangetekende brief.”;
5° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 110
In dezelfde wet wordt het opschrift van hoofdstuk IV
vervangen als volgt:
“HOOFDSTUK IV. De inning en de invordering.”.
Art. 111
In artikel 12 van dezelfde wet, vervangen bij de wet
van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “de alimenta-
tievordering” vervangen door de woorden “het onder-
houdsgeld en de achterstallen”;
2° in paragraaf 2 worden de woorden “zijn alimenta-
tievordering” vervangen door de woorden “het onder-
houdsgeld en de achterstallen”.
Art. 109
À l’article 11 de la même loi, remplacé par la loi du
22 décembre 2003, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé
comme suit:
“Si, ultérieurement, le créancier d’aliments introduit
une nouvelle demande, le Service des créances ali-
mentaires n’accordera encore son intervention que pour
la perception ou le recouvrement des termes impayés
échus après la date de fi n de son intervention en appli-
cation de l’alinéa 1er.”;
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, du texte néerlandais,
les mots “vorm van” sont abrogés;
3° dans le paragraphe 2, l’alinéa 2 est remplacé par
ce qui suit:
“Le Service des créances alimentaires recouvre
néanmoins les termes échus et impayés à cette date et
ceux échus entre la date de la demande et la date de la
fi n de cette intervention, visée dans le premier alinéa.“;
4° dans le paragraphe 3 du texte néerlandais, les
mots “bij een ter post aangetekende brief” sont rempla-
cés par les mots “bij aangetekende brief”;
5° le paragraphe 4 est abrogé.
Art. 110
Dans la même loi, l’intitulé du chapitre IV est remplacé
par ce qui suit:
“CHAPITRE IV. La perception et le recouvrement.”.
Art. 111
À l’article 12 de la même loi, remplacé par la loi du
22 décembre 2003, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots “de la créance
alimentaire” sont remplacés par les mots “de la pension
alimentaire et des arriérés”;
2° dans le paragraphe 2, les mots “de sa créance
alimentaire” sont remplacés par les mots “de la pension
alimentaire et des arriérés”.
53
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 112
In artikel 13 van dezelfde wet, vervangen bij de
wet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “Dienst voor
alimentatievorderingen” vervangen door het woord
“ontvanger”;
2° in het tweede lid worden de woorden “Dienst voor
alimentatievorderingen” telkens vervangen door het
woord “ontvanger”;
3° het derde lid wordt aangevuld met de volgende
zin: “De verjaring wordt gestuit op het ogenblik van de
afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst
door deze kennisgeving.”.
Art. 113
Artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van
1 juli 2016, wordt vervangen als volgt:
“Art. 14. De onderhoudsplichtige of de medeschulde-
naar kan de tenuitvoerlegging van het in artikel 13 ver-
melde dwangbevel slechts stuiten door een vordering
in rechte in te stellen bij de beslagrechter.”.
Art. 114
In artikel 15, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij
de wet van 11 juli 2005, worden de woorden “bij een ter
post aangetekende brief” vervangen door de woorden
“bij aangetekende brief” en worden de woorden “de
gerechtelijke beslissingen of de in artikel 1288, 3° of 4°,
van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde overeenkomst”
vervangen door de woorden “de uitvoerbare titel waarin
het onderhoudsgeld werd vastgesteld”.
Art. 115
Artikel 17 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt:
“Art. 17. De ontvanger kan de volledige of de gedeel-
telijke terugbetaling van elke ten onrechte uitbetaalde
som vorderen van de onderhoudsgerechtigde.
Het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende
de verklaringen af te leggen in verband met subsidies,
vergoedingen en toelagen, is van toepassing wanneer
de onderhoudsgerechtigde de Dienst niet in kennis heeft
gesteld van ieder nieuw gegeven dat van invloed kan
Art. 112
À l’article 13 de la même loi, remplacé par la loi
du 1er juillet 2016, les modifi cations suivantes sont
apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “Service des créances
alimentaires” sont remplacés par le mot “receveur”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “Service des créances
alimentaires” sont chaque fois remplacés par le mot
“receveur”;
3° l’alinéa 3 est complété par la phrase suivante: “La
prescription est interrompue par cette notifi cation au
moment de son dépôt auprès du prestataire de service
postal universel.”.
Art. 113
L’article 14 de la même loi, modifi é par la loi du 1er juil-
let 2016, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 14. Le débiteur d’aliments ou le codébiteur ne
peut interrompre l’exécution de la contrainte visée à
l’article 13 qu’en intentant une action en justice auprès
du juge des saisies.”.
Art. 114
À l’article 15, alinéa 1er, de la même loi, modifi é par
la loi du 11 juillet 2005, les mots “par lettre recomman-
dée à la poste” sont remplacés par les mots “par lettre
recommandée” et les mots “les décisions judiciaires ou
la convention visée à l’article 1288, 3° ou 4°, du Code
judiciaire” sont remplacés par les mots “le titre exécu-
toire fi xant la pension alimentaire”.
Art. 115
L’article 17 de la même loi, est remplacé par
ce qui suit:
“Art. 17. Le receveur peut réclamer le remboursement
total ou partiel de toute somme payée indûment au
créancier d’aliments.
L’arrêté royal du 31 mai 1933 concernant les décla-
rations à faire en matière de subventions, indemnités
et allocations est applicable lorsque le créancier d’ali-
ments n’a pas communiqué au Service toute donnée
nouvelle susceptible d’avoir un impact sur le montant
54
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
zijn op het bedrag van de voorschotten of het bedrag
van het onderhoudsgeld en van de achterstallen en
waarvan hij kennis had, wanneer hij wetens en willens
een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd
of wanneer komt vast te staan dat het onderhoudsgeld
op basis van bedrieglijke handelingen of verklaringen
werd bepaald.”.
Art. 116
In artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten
van 12 mei 2014 en van 1 juli 2016, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “Dienst voor alimentatievorderingen”
worden telkens vervangen door het woord “ontvanger”;
2° in het eerste lid worden de woorden “door middel
van een dwangbevel, overeenkomstig de bepalingen
van artikel 13, tweede tot vierde lid” vervangen door
de woorden “overeenkomstig de bepalingen van de
domaniale wet van 22 december 1949”.
Art. 117
Artikel 19 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van
1 juli 2016, wordt vervangen als volgt:
“Art. 19. De Dienst voor alimentatievorderingen
betaalt aan de onderhoudsplichtige of aan de mede-
schuldenaar de sommen terug die hij onverschuldigd
heeft betaald evenals de kosten die daarmee gepaard
zijn gegaan.
Deze terugbetaling geschiedt naargelang de sommen
die werkelijk van de onderhoudsgerechtigde worden
teruggevorderd.”.
Art. 118
In hoofdstuk IV van dezelfde wet, wordt na artikel 19,
het opschrift van een afdeling II/1 ingevoegd, luidende:
“Afdeling II/1. Bepalingen met betrekking tot de inning
en de invordering.”.
Art. 119
In hoofdstuk IV, afdeling II/1, van dezelfde wet, inge-
voegd bij artikel 118, wordt artikel 20 vervangen als volgt:
des avances ou le montant de la pension alimentaire et
des arriérés et dont il avait connaissance, lorsqu’il a fait
délibérément une déclaration inexacte ou incomplète,
ou lorsqu’il est établi que le montant de la pension
alimentaire a été déterminé sur la base d’actes ou de
déclarations frauduleux.”.
Art. 116
À l’article 18 de la même loi, modifi é par les lois du
12 mai 2014 et du 1er juillet 2016, les modifi cations sui-
vantes sont apportées:
1° les mots “Service des créances alimentaires” sont
chaque fois remplacés par le mot “receveur”;
2° les mots “au moyen d’une contrainte, confor-
mément à l’article 13, alinéas 2 à 4” sont remplacés
par les mots “conformément aux dispositions de la loi
domaniale du 22 décembre 1949”.
Art. 117
L’article 19 de la même loi, modifi é par la loi du 1er
juillet 2016, est remplacé comme suit:
“Art. 19. Le Service des créances alimentaires restitue
au débiteur d’aliments ou au codébiteur les sommes
qu’il a payées indûment ainsi que les frais y afférents.
Cette restitution s’effectue en fonction des sommes
réellement récupérées auprès du créancier d’aliments.”.
Art. 118
Au chapitre IV de la même loi, après l’article 19, il est
inséré l’intitulé d’une section II/1, rédigée comme suit:
“Section II/1. Dispositions relatives à la perception et
au recouvrement.”.
Art. 119
Dans le chapitre IV, section II/1, de la même loi,
insérée par l’article 118, l’article 20 est remplacé par
ce qui suit:
55
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
“Art. 20. § 1. Na kennisgeving of betekening van het
in artikel 13 bedoelde dwangbevel kan de ontvanger,
bij aangetekende brief, uitvoerend beslag onder der-
den leggen op de aan de onderhoudsplichtige of aan
de medeschuldenaar verschuldigde of toebehorende
sommen en zaken, tot beloop van het bedrag van de
schuldvordering, geheel of gedeeltelijk, dat door de
onderhoudsplichtige verschuldigd is of tot betaling van
hetgeen waartoe de medeschuldenaar gehouden is.
Dit beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging
van het stuk aan de geadresseerde.
§ 2. Vanaf de datum van de inwerkingtreding van
het akkoord dat hiervoor tussen de derde-beslagene
en de bevoegde diensten van de FOD Financiën wordt
gesloten, kan de ontvanger het in paragraaf 1 bedoelde
derdenbeslag leggen door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken gebruikt worden.
Dit akkoord blijft van toepassing zolang de derde-
beslagene het niet uitdrukkelijk bij aangetekende brief
heeft opgezegd. De opzegging gaat in vanaf de eerste
dag van de derde maand volgend op de ontvangst van
de kennisgeving ervan door de bevoegde dienst van
de FOD Financiën.
In de gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van de
mogelijkheid bedoeld in het eerste lid, heeft het beslag
onder derden uitwerking vanaf de datum van ontvangst-
melding van het beslag door de derde-beslagene.
Wanneer eenzelfde beslag onder derden achter-
eenvolgens wordt gelegd volgens de procedures die
respectievelijk in het eerste lid en paragraaf 1, eerste
lid, zijn beoogd, zal het beslag gelegd overeenkomstig
paragraaf 1, eerste lid, slechts primeren indien de over-
handiging van het stuk aan de geadresseerde zoals
bepaald in paragraaf 1, tweede lid, de datum van ont-
vangstmelding van het beslag door de derde-beslagene
zoals bepaald in het derde lid, voorafgaat.
De informatie opgenomen in deze paragraaf en in
paragraaf 1 bedoelde kennisgeving van het beslag, is
dezelfde, ongeacht of ze wordt meegedeeld door mid-
del van een procedure waarbij informaticatechnieken
worden gebruikt of door een aangetekende brief.
In geval van verzending door middel van een proce-
dure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt,
worden de oorsprong en de integriteit van de inhoud van
de kennisgeving van het beslag verzekerd door middel
van aangepaste beveiligingstechnieken.
“Art. 20. § 1er. Après notifi cation ou signifi cation de
la contrainte visée à l’article 13, le receveur peut faire
procéder, par lettre recommandée, à la saisie-arrêt-exé-
cution sur les sommes et effets dus ou appartenant au
débiteur d’aliments ou au codébiteur, à concurrence de
tout ou partie du montant de la créance dû par le débiteur
d’aliments ou au paiement duquel le codébiteur est tenu.
Cette saisie sort ses effets à compter de la remise
de la pièce au destinataire.
§ 2. À partir de la date d’effet de l’accord conclu à
cette fi n entre le tiers saisi et les services compétents
du SPF Finances, le receveur peut effectuer la saisie-
arrêt visée au paragraphe 1er au moyen d’une procédure
utilisant les techniques de l’informatique.
Cet accord reste d’application tant que le tiers saisi ne
l’a pas expressément dénoncé par lettre recommandée.
La dénonciation prend effet à partir du premier jour du
troisième mois qui suit la réception de sa notifi cation
par le service compétent du SPF Finances.
Dans les cas où il est fait usage de la faculté prévue à
l’alinéa 1er, la saisie-arrêt sort ses effets à compter de la
date de l’accusé de réception de la saisie communiqué
par le tiers saisi.
Lorsqu’une même saisie-arrêt est adressée succes-
sivement selon les procédures prévues respectivement
à l’alinéa 1er et au paragraphe 1er, alinéa 1er, la saisie
adressée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er,
ne prévaut que lorsque la date de remise de la pièce au
destinataire visée au paragraphe 1er, alinéa 2, est anté-
rieure à la date de l’accusé de réception communiqué
par le tiers saisi visée à l’alinéa 3.
Les informations reprises dans la notifi cation de saisie
visée dans ce paragraphe et au paragraphe 1er sont les
mêmes qu’elles soient communiquées au moyen d’une
procédure utilisant les techniques de l’informatique ou
par lettre recommandée.
En cas d’envoi au moyen d’une procédure utilisant
les techniques de l’informatique, l’origine et l’intégrité
du contenu de la notifi cation de saisie sont assurées au
moyen de techniques de protection adaptées.
56
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Opdat de kennisgeving van het beslag op geldige
wijze als beslag onder derden zou gelden, wordt een
digitaal certifi caat gebruikt.
Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er gega-
randeerd dat enkel de gerechtigde personen toegang
hebben tot de middelen waarmee het digitaal certifi caat
wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures laten toe dat de natuurlijke
persoon die verantwoordelijk is voor de verzending
kan worden geïdentifi ceerd en dat het tijdstip van de
verzending kan worden vastgesteld.
Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde
bepalingen uit te voeren, wordt de beslagen onder-
houdsplichtige of de beslagen medeschuldenaar ge-
identifi ceerd ofwel door het identifi catienummer van het
Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identifi catienum-
mer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
§ 3. Het beslag onder derden wordt eveneens bij aan-
getekende brief aan de onderhoudsplichtige of mede-
schuldenaar aangezegd. Indien de onderhoudsplichtige
of medeschuldenaar geen gekende woonplaats heeft,
geschiedt de aanzegging van het beslag bij aangete-
kende brief aan de procureur des Konings te Brussel.
De onderhoudsplichtige of medeschuldenaar kan
tegen het beslag onder derden bij aangetekende brief
verzet aantekenen bij de ontvanger binnen vijftien da-
gen te rekenen vanaf de afgifte bij de aanbieder van
de universele postdienst van de aanzegging van het
beslag. De onderhoudsplichtige of medeschuldenaar
licht binnen dezelfde termijn bij aangetekende brief de
derde-beslagene in.
§ 4. Het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag
onder derden geeft aanleiding tot het opmaken en
het verzenden, door de ontvanger, van een bericht
van beslag zoals bepaald in artikel 1390 van het
Gerechtelijk Wetboek.
§ 5. Onder voorbehoud van het bepaalde in de pa-
ragrafen 1, 2 en 3, zijn op dit beslag onder derden de
bepalingen toepasselijk van de artikelen 1539, 1540,
1542, eerste en tweede lid, en 1543 van het Gerechtelijk
Wetboek, met dien verstande dat:
1° de derde-beslagene zijn verklaring van de sommen
of zaken die het voorwerp zijn van het beslag eveneens
door middel van een procedure waarbij informaticatech-
nieken gebruikt worden aan de ontvanger kan doen
indien het beslag onder derden volgens de procedure
voorzien in paragraaf 2, eerste lid, werd gelegd. In dit
geval is de datum van de verklaring van de sommen of
Pour que la notifi cation de saisie soit valable comme
saisie-arrêt, un certifi cat électronique est utilisé.
Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti
que seules les personnes habilitées ont accès aux
moyens de création du certifi cat électronique.
Les procédures mises en œuvre permettent à la per-
sonne physique responsable de l’envoi d’être identifi ée,
ainsi que d’identifi er le moment de l’envoi.
Dans le seul but d’exécuter les dispositions visées
dans ce paragraphe, le débiteur d’aliments saisi ou
le codébiteur saisi est identifié soit par le numéro
d’identifi cation du Registre national ou, à défaut, le
numéro d’identifi cation de la Banque-Carrefour de la
Sécurité sociale.
§ 3. La saisie-arrêt est également dénoncée au
débiteur d’aliments ou au codébiteur par lettre recom-
mandée. Lorsque le débiteur d’aliments ou le codébiteur
n’a pas de domicile connu, la dénonciation de la saisie
est faite par lettre recommandée au procureur du Roi
à Bruxelles.
Le débiteur d’aliments ou le codébiteur peut faire
opposition à la saisie-arrêt par lettre recommandée
adressée au receveur dans les quinze jours du dépôt
auprès du prestataire de service postal universel de
la dénonciation de la saisie. Le débiteur d’aliments ou
codébiteur en informe le tiers saisi dans le même délai
par lettre recommandée.
§ 4. La saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et
2 donne lieu à l’établissement et à l’envoi, par le rece-
veur, d’un avis de saisie comme prévu à l’article 1390
du Code judiciaire.
§ 5. Sous réserve de ce qui est prévu aux para-
graphes 1er, 2 et 3, les dispositions des articles 1539,
1540, 1542, alinéas 1er et 2, et 1543, du Code judiciaire,
sont applicables à cette saisie-arrêt, étant entendu que:
1° le tiers saisi peut également faire la déclaration
des sommes ou effets, objets de la saisie, au moyen
d’une procédure utilisant les techniques de l’informa-
tique au receveur lorsque la saisie-arrêt est adressée
selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er;
dans ce cas, la date de la déclaration des sommes ou
effets, objets de la saisie, est la date de l’accusé de
57
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
zaken die het voorwerp zijn van het beslag de datum
van ontvangstmelding die door de bevoegde dienst van
de FOD Financiën wordt verzonden;
2° de derde-beslagene is ertoe gehouden, op over-
legging van een afschrift van de aanzegging van het
beslag bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, afgifte te
doen overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk
Wetboek. Indien het beslag onder derden, volgens de
procedure voorzien in paragraaf 2, eerste lid, wordt
gelegd, wordt de overlegging van een afschrift van de
aanzegging van het beslag geacht vervuld te zijn door
de mededeling aan de derde-beslagene, door mid-
del van een procedure waarbij informaticatechnieken
worden gebruikt, van de datum van neerlegging bij de
aanbieder van de universele postdienst van de aanzeg-
ging van het beslag;
3° de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt
in handen van de ontvanger.
Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde be-
palingen uit te voeren, wordt de beslagen onderhouds-
plichtige of medeschuldenaar geïdentifi ceerd ofwel
door het identifi catienummer van het Rijksregister of,
bij gebrek daaraan, het identifi catienummer van de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
§ 6. De kosten voor de aangetekende brieven bedoeld
in de paragrafen 1, 3 en 5 zijn ten laste van de onder-
houdsplichtige of medeschuldenaar.
§ 7. De onderhoudsplichtige of medeschuldenaar
wordt op de hoogte gebracht van de bestemming van
de betalingen en van het saldo na de betalingen.
§ 8. Het uitvoerend beslag onder derden geschiedt
door middel van een deurwaardersexploot op de
wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het
Gerechtelijk Wetboek, wanneer blijkt:
1° dat de onderhoudsplichtige of medeschuldenaar
zich verzet tegen het beslag onder derden bedoeld in
paragrafen 1 en 2;
2° dat de derde-beslagene zijn schuld tegenover de
onderhoudsplichtige of medeschuldenaar betwist;
3° dat de sommen en zaken het voorwerp zijn van
een verzet of beslag onder derden gedaan door andere
schuldeisers voor het in paragrafen 1 en 2 bedoelde
beslag onder derden;
4° dat de zaken te gelde moeten worden gemaakt.
réception communiqué par le service compétent du
SPF Finances;
2° le tiers saisi est tenu de vider ses mains conformé-
ment à l’article 1543 du Code judiciaire, sur production
d’une copie de la dénonciation de la saisie visée au
paragraphe 3, alinéa 1er. Lorsque la saisie-arrêt est
adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2,
alinéa 1er, la production d’une copie de la dénonciation
de la saisie est réputée accomplie par la communication
au tiers saisi de la date de dépôt auprès du prestataire
de service postal universel de la dénonciation de la
saisie, et ce, au moyen d’une procédure utilisant les
techniques de l’informatique;
3° la remise du montant de la saisie se fait entre les
mains du receveur.
Dans le seul but d’exécuter les dispositions visées
au présent paragraphe, le débiteur d’aliments saisi
ou le codébiteur saisi est identifi é soit par le numéro
d’identifi cation du Registre national ou, à défaut, le
numéro d’identifi cation de la Banque-Carrefour de la
Sécurité sociale.
§ 6. Les frais des lettres recommandées visées aux
paragraphes 1er, 3 et 5 sont à charge du débiteur d’ali-
ments ou du codébiteur.
§ 7. Le débiteur d’aliments ou le codébiteur est avisé
de la destination des paiements et du solde après les
paiements.
§ 8. La saisie-arrêt-exécution est pratiquée par exploit
d’huissier, de la manière prévue aux articles 1539 à
1544 du Code judiciaire, lorsqu’il apparaît:
1° que le débiteur d’aliments ou le codébiteur s’op-
pose à la saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2;
2° que le tiers saisi conteste sa dette à l’égard du
débiteur d’aliments ou du codébiteur;
3° que les sommes et effets font l’objet de la part
d’autres créanciers, d’une opposition ou d’une sai-
sie-arrêt antérieure à la saisie-arrêt visée aux para-
graphes 1er et 2;
4° que les effets doivent être réalisés.
58
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
In deze gevallen blijft het door de ontvanger overeen-
komstig paragrafen 1 en 2, gelegde beslag onder derden
zijn bewarend effect behouden wanneer een uitvoerend
beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt
gelegd als bepaald bij artikel 1539 van het Gerechtelijk
Wetboek, binnen een maand na:
1° ofwel de afgifte bij de aanbieder van de universele
postdienst van het verzet van de onderhoudsplichtige of
medeschuldenaar als bepaald bij paragraaf 3, tweede
lid, of van de verklaring als bedoeld in artikel 1452 van
het Gerechtelijk Wetboek;
2° ofwel de ontvangstmelding van deze verklaring
wanneer zij werd verzonden door middel van een pro-
cedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden
als bepaald in paragraaf 5, eerste lid, 1°.”.
Art. 120
In hetzelfde hoofdstuk IV, afdeling II/1, van dezelfde
wet, wordt artikel 21 vervangen als volgt:
“Art. 21. § 1. De schuldvordering wordt gewaarborgd
door een wettelijke hypotheek op alle in België gelegen
en voor hypotheek vatbare goederen van de onder-
houdsplichtige en de medeschuldenaar.
De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald
door de dagtekening van de inschrijving die op verzoek
van de ontvanger is genomen.
§ 2. De ontvanger kan de inschrijving van de wettelijke
hypotheek vorderen vanaf de datum van het uitgevaar-
digd en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel, waarvan
overeenkomstig artikel 13 aan de onderhoudsplichtige
of aan de medeschuldenaar kennisgeving of betekening
is gedaan.
§ 3. De inschrijving van de wettelijke hypotheek heeft
plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep,
op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel
dat eensluidend werd verklaard door de ontvanger
en dat melding maakt van de kennisgeving of beteke-
ning ervan.
§ 4. Onverminderd de toepassing van artikel 87 van
de hypotheekwet van 16 december 1851, kan de in-
schrijving van de wettelijke hypotheek worden gevorderd
voor een door de ontvanger in het borderel te bepalen
bedrag, dat al de bijbehoren, die voor de vereffening
van de schuldvordering in hoofdsom zouden kunnen
verschuldigd zijn, vertegenwoordigt.
Dans ces cas, la saisie-arrêt pratiquée par le receveur
en application des paragraphes 1er et 2 garde son effet
conservatoire si le receveur fait procéder par exploit
d’huissier, comme prévu à l’article 1539 du Code judi-
ciaire, à une saisie-arrêt-exécution dans le mois qui suit:
1° soit le dépôt auprès du prestataire de service pos-
tal universel de l’opposition du débiteur d’aliments ou
du codébiteur visée au paragraphe 3, alinéa 2, ou de
la déclaration visée à l’article 1452 du Code judiciaire;
2° soit l’accusé de réception de cette déclaration
lorsqu’elle a été transmise au moyen d’une procédure
utilisant les techniques de l’informatique comme prévu
au paragraphe 5, alinéa 1er, 1°.”.
Art. 120
Dans le même chapitre IV, section II/1, de la même loi,
l’article 21 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“Art. 21. § 1er. La créance est garantie par une hypo-
thèque légale sur tous les biens appartenant au débi-
teur d’aliments et au codébiteur, situés en Belgique et
susceptibles d’hypothèque.
L’hypothèque légale prend rang à compter du jour
de l’inscription qui en est faite à la requête du receveur.
§ 2. Le receveur peut requérir l’inscription de l’hypo-
thèque légale à compter de la date de la contrainte
décernée et rendue exécutoire, laquelle a été notifi ée
ou signifi ée au débiteur d’aliments ou au codébiteur
conformément à l’article 13.
§ 3. L’inscription de l’hypothèque légale a lieu
nonobstant opposition, contestation ou recours, sur
présentation d’une copie, certifi ée conforme par le
receveur, de la contrainte mentionnant la date de la
notifi cation ou de la signifi cation.
§ 4. Sans préjudice de l’application de l’article 87 de
la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, l’inscription de
l’hypothèque légale peut être requise pour une somme
à arbitrer par le receveur, dans le bordereau, en repré-
sentation de tous les accessoires qui pourraient être dus
avant l’acquittement de la créance en principal.
59
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
§ 5. De kosten van de hypothecaire formaliteiten in
verband met de wettelijke hypotheek zijn ten laste van
de onderhoudsplichtige of de medeschuldenaar.
§ 6. De ontvanger verleent handlichting in de admi-
nistratieve vorm zonder dat hij, tegenover de hypotheek-
bewaarder, gehouden is verantwoording van de betaling
van de verschuldigde sommen te verstrekken.”.
Art. 121
In hetzelfde hoofdstuk IV, afdeling II/1, van dezelfde
wet, wordt een artikel 21/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 21/1. De termijnen van verzet, hoger beroep en
cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de
voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging
van de rechterlijke beslissing, met betrekking tot de
maatregelen welke er, zelfs gedeeltelijk, toe strekken
de invordering van de schuldvordering te verwezenlijken
of te waarborgen.”.
Art. 122
In hetzelfde hoofdstuk IV, afdeling II/1, van dezelfde
wet, wordt een artikel 21/2 ingevoegd, luidende:
“Art. 21/2. Elk rechtsgeding met betrekking tot de
inning of de invordering van de schuldvordering dat
wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de onder-
houdsplichtige of door elke medeschuldenaar, schorst
de verjaring.
De schorsing vangt aan met de inleidende vordering
en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht
van gewijsde is getreden.”.
Art. 123
Het opschrift van hoofdstuk IV, afdeling III, van de-
zelfde wet wordt vervangen als volgt:
“Afdeling III – Inlichtingen die moeten worden ver-
strekt aan de Dienst voor alimentatievorderingen.”.
Art. 124
Artikel 22 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“Art. 22. § 1. De bestuursdiensten van de Staat,
met inbegrip van de parketten en de griffies van de
hoven en van alle rechtscolleges, de besturen van de
§ 5. Les frais de formalités hypothécaires relatives
à l’hypothèque légale sont à charge du débiteur d’ali-
ments ou du codébiteur.
§ 6. Le receveur donne mainlevée dans la forme admi-
nistrative sans qu’il soit tenu, vis-à-vis du conservateur
des hypothèques, de fournir la justifi cation du paiement
des sommes dues.”.
Art. 121
Dans le même chapitre IV, section II/1, de la même
loi, il est inséré un article 21/1, rédigé comme suit:
“Art. 21/1. Les délais d’opposition, d’appel et de cas-
sation, ainsi que l’opposition, l’appel et le pourvoi en
cassation sont suspensifs de l’exécution de la décision
judiciaire afférente à des mesures destinées à effectuer
ou à garantir, même partiellement, le recouvrement de
la créance.”.
Art. 122
Dans le même chapitre IV, section II/1, de la même
loi, il est inséré un article 21/2, rédigé comme suit:
“Art. 21/2. Toute instance en justice relative à la
perception ou au recouvrement de la créance qui est
introduite par l’État belge, par le débiteur d’aliments ou
par tout codébiteur, suspend le cours de la prescription.
La suspension débute avec l’acte introductif d’ins-
tance et se termine lorsque la décision judiciaire est
coulée en force de chose jugée.”.
Art. 123
L’intitulé du chapitre IV, section III, de la même loi,
est remplacé par ce qui suit:
“Section III – Renseignements à fournir au Service
des créances alimentaires.”.
Art. 124
L’article 22 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“Art. 22. § 1er. Les services administratifs de l’État, y
compris les parquets et les greffes des cours et de toutes
les juridictions, les administrations des communautés,
60
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de
agglomeraties, de federaties van gemeenten en de
gemeenten evenals de openbare instellingen en inrich-
tingen, zijn, wanneer zij daartoe worden aangezocht
door de Dienst voor alimentatievorderingen, gehouden
de Dienst, binnen de termijn vermeld in het verzoek,
welke termijn wegens wettige redenen kan worden
verlengd, alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake
dienende en niet overmatige inlichtingen te verstrekken,
de Dienst, zonder verplaatsing, inzage te verlenen in alle
in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het
even welke bescheiden, en de Dienst alle inlichtingen,
afschriften of uittreksels te laten nemen welke de Dienst
voor alimentatievorderingen nodig acht teneinde de
vermogenssituatie van de onderhoudsplichtige of van
een medeschuldenaar te bepalen met het oog op het
invorderen van de schuldvordering lastens hen.
Onder “openbare instellingen of inrichtingen” worden
verstaan de instellingen, maatschappijen, verenigingen,
inrichtingen en diensten welke de Staat, een gemeen-
schap of een gewest mede beheert, waaraan de
Staat, een gemeenschap of een gewest een waarborg
verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de Staat,
een gemeenschap of een gewest toezicht uitoefent of
waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door
de federale regering of een gemeenschaps- of gewest-
regering, op haar voordracht of met haar goedkeuring.
Van de akten, stukken, registers, bescheiden of in-
lichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag
evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zon-
der uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de
Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium van
de Federale Overheidsdienst Economie, noch op de
gemeenschappen en gewesten aangaande de be-
voegdheden die vroeger waren toevertrouwd aan het
Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand
en die overgedragen werden aan de gemeenschappen
en gewesten wat de individueel verkregen inlichtingen
betreft.”.
Art. 125
In hoofdstuk IV, afdeling III, van dezelfde wet wordt
een artikel 22/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 22/1. Alle administraties die ressorteren onder
de FOD Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde
toereikende, ter zake dienende en niet overmatige
inlichtingen ter beschikking te stellen aan de Dienst
voor alimentatievorderingen, voor zover die gegevens
bijdragen tot het bepalen van de vermogenssituatie van
des régions, des provinces, des agglomérations, des
fédérations de communes et des communes, ainsi que
les établissements et organismes publics sont tenus,
lorsqu’ils en sont requis par le Service des créances
alimentaires de lui fournir, dans le délai mentionné
dans la demande, ce délai pouvant être prolongé pour
des motifs légitimes, tous renseignements adéquats,
pertinents et non excessifs en leur possession, de lui
communiquer, sans déplacement, tous actes, pièces,
registres et documents quelconques qu’ils détiennent
et de lui laisser prendre tous renseignements, copies ou
extraits que le Service des créances alimentaires juge
nécessaires en vue d’établir la situation patrimoniale du
débiteur d’aliments ou d’un codébiteur pour assurer le
recouvrement de la créance à leur charge.
Par “établissements ou organismes publics”, on
entend les institutions, sociétés, associations, établisse-
ments et offices à l’administration desquels l’État, une
communauté ou une région participe, auxquels l’État,
une communauté ou une région fournit une garantie,
sur l’activité desquels l’État, une communauté ou une
région exerce une surveillance ou dont le personnel de
direction est désigné par le gouvernement fédéral ou
un gouvernement de communauté ou de région, sur sa
proposition ou moyennant son approbation.
Toutefois, les actes, pièces, registres, documents ou
renseignements relatifs à des procédures judiciaires ne
peuvent être communiqués ou copiés sans l’autorisation
expresse du ministère public.
§ 2. Le paragraphe 1er n’est pas applicable à la
Direction générale Statistique – Statistics Belgium du
Service public fédéral Économie, ni aux communautés
et régions pour les compétences qui autrefois étaient
concédées à l’Institut économique et social des Classes
moyennes et qui ont été transférées aux communautés
et régions pour ce qui concerne les renseignements
individuels recueillis.”.
Art. 125
Dans le chapitre IV, section III, de la même loi, il est
inséré un article 22/1 rédigé comme suit:
“Art. 22/1. Toutes les administrations qui relèvent du
SPF Finances sont tenues de mettre à disposition du
Service des créances alimentaires tous les renseigne-
ments adéquats, pertinents et non excessifs en leur
possession, pour autant que ces données contribuent
à établir la situation patrimoniale du débiteur d’aliments
61
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
de onderhoudsplichtige of van een medeschuldenaar
met het oog op het invorderen van de schuldvordering
lastens hen.”.
Art. 126
In hoofdstuk IV, afdeling III, van dezelfde wet wordt
een artikel 22/2 ingevoegd, luidende:
“Art. 22/2. Onverminderd het recht van de Dienst voor
alimentatievorderingen om mondelinge inlichtingen te
vragen, is iedere natuurlijke of rechtspersoon, alsook
iedere vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, verplicht
deze Dienst op haar verzoek, binnen de termijn vermeld
op de schriftelijke aanvraag, welke termijn wegens
wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle
toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inli-
chtingen te verstrekken in zijn bezit die van hem worden
gevorderd, teneinde zijn vermogenssituatie of die van
derden te bepalen met het oog op het invorderen van de
schuldvordering in zijn hoofde of in hoofde van derden.
Het verzoek bedoeld in het eerste lid, moet worden
gemotiveerd.
De Dienst voor alimentatievorderingen kan, mits
machtiging van een ambtenaar met minimum de graad
van adviseur-generaal, aan het centraal aanspreekpunt
van de Nationale Bank van België de in artikel 322, § 3,
eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastin-
gen 1992 bedoelde beschikbare gegevens betreffende
een onderhoudsplichtige of een medeschuldenaar vra-
gen, zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4,
van hetzelfde Wetboek.”.
Art. 127
In hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt na artikel 22/2,
ingevoegd door artikel 126, een afdeling IV ingevoegd,
luidende “Afdeling IV. Bewijskracht van gegevens en
documenten.”.
Art. 128
In hoofdstuk IV, afdeling IV, van dezelfde wet,
ingevoegd bij artikel 127, wordt een artikel 22/3 inge-
voegd, luidende:
“Art. 22/3. De gegevens en de documenten ont-
vangen, opgesteld of verzonden door de Dienst voor
alimentatievorderingen in het kader van de toepas-
sing van deze wet, en die fotografisch, optisch,
elektronisch of volgens elke andere informatica- of
ou d’un codébiteur pour assurer le recouvrement de la
créance à leur charge.”.
Art. 126
Dans le chapitre IV, section III, de la même loi, il est
inséré un article 22/2 rédigé comme suit:
“Art. 22/2. Sans préjudice du droit du Service des
créances alimentaires de demander des renseigne-
ments verbaux, toute personne physique ou morale,
ainsi que toute association n’ayant pas la personnalité
juridique, a l’obligation, lorsqu’elle en est requise par
ce Service, de lui fournir, par écrit, dans le délai men-
tionné dans la demande écrite, ce délai pouvant être
prolongé pour des motifs légitimes, tous renseignements
adéquats, pertinents et non excessifs en sa possession
qui lui sont réclamés en vue d’établir sa situation patri-
moniale ou celle de tiers pour assurer le recouvrement
de la créance à sa charge ou à la charge de tiers.
La demande visée à l’alinéa 1er doit être motivée.
Après autorisation préalable par un agent doté au
minimum d’un grade de conseiller général, le Service
des créances alimentaires peut demander au point de
contact central de la Banque nationale de Belgique
les données disponibles visées à l’article 322, § 3,
alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992
relatives à un débiteur d’aliments ou codébiteur sans les
limitations de l’article 322, §§ 2 à 4, du même Code.”.
Art. 127
Au chapitre IV de la même loi, après l’article 22/2,
inséré par article 126, il est inséré une section IV inti-
tulée “Section IV. Force probante des données et des
documents.”.
Art. 128
Dans le chapitre IV, section IV, de la même loi, insé-
rée par l’article 127, il est inséré un article 22/3 rédigé
comme suit:
“Art. 22/3. Les données et documents reçus, établis
ou envoyés par le Service des créances alimentaires
dans le cadre de l’application de la présente loi, et qui
sont enregistrés, conservés ou reproduits selon un pro-
cédé photographique, optique, électronique ou par toute
62
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard
of weergegeven, evenals hun weergave op leesbare dra-
ger, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.”.
Art. 129
In hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt na artikel 22/3,
ingevoegd door artikel 128, een Afdeling V ingevoegd,
luidende “Afdeling V. Beroepsgeheim.”.
Art. 130
In hoofdstuk IV, afdeling V, van dezelfde wet, in-
gevoegd bij artikel 129, wordt een artikel 22/4 inge-
voegd, luidende:
“Art. 22/4. Hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij
de toepassing van deze wet of die toegang heeft tot de
ambtsvertrekken van de Dienst voor alimentatievorde-
ringen is, buiten het uitoefenen van zijn ambt, verplicht
tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande
alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn
opdracht kennis heeft.
De ambtenaren van de Dienst voor alimentatievor-
deringen oefenen hun ambt uit wanneer zij aan andere
administratieve diensten van de Staat, daaronder be-
grepen de parketten en de griffies van de hoven en van
alle rechtsmachten, en van de gemeenschappen en de
gewesten evenals aan de in artikel 22 § 1, tweede lid,
bedoelde openbare instellingen of inrichtingen, inlichtin-
gen verstrekken welke voor die administratieve diensten,
administraties, openbare instellingen of inrichtingen
nodig zijn voor de hun opgedragen uitvoering van wet-
telijke of reglementaire bepalingen.
De ambtenaren van de Dienst voor alimentatievorde-
ringen oefenen eveneens hun ambt uit wanneer zij met
betrekking tot de schuldvordering van een onderhouds-
plichtige een vraag om raadpleging, uitleg of mededeling
inwilligen van een medeschuldenaar.
Personen die deel uitmaken van de diensten waaraan
de Dienst voor alimentatievorderingen ingevolge het
tweede lid inlichtingen heeft verstrekt, zijn tot dezelfde
geheimhouding verplicht en mogen de bekomen inlich-
tingen niet gebruiken buiten het kader van de wettelijke
bepalingen voor de uitvoering waaraan zij zijn verstrekt.”.
autre technique de l’informatique ou de la télématique,
ainsi que leur représentation sur un support lisible, ont
force probante, sauf preuve contraire.”.
Art. 129
Au chapitre IV de la même loi, après l’article 22/3,
inséré par article 128, il est inséré une Section V intitulée
“Section V. Secret professionnel.”.
Art. 130
Dans le chapitre IV, section V, de la même loi, insé-
rée par l’article 129, il est inséré un article 22/4 rédigé
comme suit:
“Art. 22/4. Celui qui intervient, à quelque titre que ce
soit, dans l’application de la présente loi ou qui a accès
aux bureaux du Service des créances alimentaires, est
tenu de garder, en dehors de l’exercice de ses fonctions,
le secret le plus absolu au sujet de tout ce dont il a eu
connaissance par suite de l’exécution de sa mission.
Les fonctionnaires du Service des créances alimen-
taires restent dans l’exercice de leurs fonctions lorsqu’ils
communiquent aux autres services administratifs de
l’État, y compris les parquets et les greffes des cours
et de toutes les juridictions, et des communautés et des
régions, ainsi qu’aux établissements ou organismes
publics visés à l’article 22, § 1er, alinéa 2, les rensei-
gnements qui sont nécessaires à ces services adminis-
tratifs, administrations, établissements ou organismes
publics pour assurer l’exécution des dispositions légales
ou réglementaires dont ils sont chargés.
Les fonctionnaires du Service des créances ali-
mentaires restent également dans l’exercice de leurs
fonctions lorsqu’ils accueillent une demande de con-
sultation, d’explication ou de communication relative
à la créance d’un débiteur d’aliments, émanant d’un
codébiteur.
Les personnes appartenant aux services à qui le
Service des créances alimentaires a fourni des rensei-
gnements en application de l’alinéa 2, sont également
tenues au même secret et elles ne peuvent utiliser
les renseignements obtenus en dehors du cadre des
dispositions légales pour l’exécution desquelles ils ont
été fournis.”.
63
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 131
In artikel 23, 5°, van dezelfde wet worden de woorden
“de alimentatievordering” vervangen door de woorden
“het onderhoudsgeld”.
Art. 132
In hoofdstuk V, afdeling I, van dezelfde wet wordt een
artikel 23/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 23/1. De Koning kan de modaliteiten van beta-
ling van de verschuldigde sommen in het kader van de
toepassing van deze wet bepalen.”.
Art. 133
Het opschrift van hoofdstuk V, afdeling II, van dezelfde
wet wordt vervangen als volgt:
“Afdeling II. Opschorting en annulering van de
invorderingsopdracht.”.
Art. 134
Artikel 24 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 135
Artikel 25 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 136
Artikel 26 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“Art. 26. Indien de adviseur-generaal bedoeld in
artikel 13, tweede lid, van oordeel is dat toegekende
voorschotten defi nitief oninvorderbaar zijn, kan hij van
de invordering afzien en de schuldvordering annuleren.
De ontvanger wordt op de hoogte gebracht van de be-
slissing dat de schuldvordering is geannuleerd.”.
Art. 137
In artikel 27 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
Art. 131
À l’article 23, 5° de la même loi, les mots “créance
alimentaire” sont remplacés par les mots “pension
alimentaire”.
Art. 132
Dans le chapitre V, section Ière, de la même loi, il est
inséré un article 23/1 rédigé comme suit:
“Art. 23/1. Le Roi peut déterminer les modalités de
paiement des sommes dues dans le cadre de l’appli-
cation de la présente loi.”.
Art. 133
L’intitulé du chapitre V, section II, de la même loi est
remplacé par ce qui suit:
“Section II. Suspension et annulation de l’ordre de
recouvrement.”.
Art. 134
L’article 24 de la même loi est abrogé.
Art. 135
L’article 25 de la même loi est abrogé.
Art. 136
L’article 26 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“Art. 26. Si le conseiller général visé à l’article 13,
alinéa 2, juge que des avances accordées sont défi niti-
vement irrécouvrables, il peut renoncer au recouvrement
de cette créance et l’annuler. Le receveur est informé
de la décision d’annulation de la créance.”.
Art. 137
À l’article 27 de la même loi, les modifi cations sui-
vantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les modifi cations
suivantes sont apportées:
64
2922/008
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
a) het woord “rekenplichtige” wordt vervangen door
het woord “ontvanger”;
b) de woorden “geeft hij daarvan bij een ter post
aangetekende brief kennis aan de onderhoudsgerech-
tigde.” worden vervangen door de woorden “wordt
de invorderingsopdracht opgeschort. De ontvanger
geeft daarvan bij aangetekende brief kennis aan de
onderhoudsgerechtigde.”;
2° paragraaf 1, tweede lid, wordt opgeheven;
3° in paragraaf 1, wordt in het vroegere derde
lid, dat het tweede lid wordt, het woord “reken-
plichtige” vervangen door de woorden “Dienst voor
alimentatievorderingen”;
4° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
“§ 2. Indien de adviseur-generaal bedoeld in artikel
13, tweede lid, van oordeel is dat het saldo van het
onderhoudsgeld, de achterstallen of de interesten de-
fi nitief oninvorderbaar zijn, kan hij van de invordering
afzien en de schuldvordering annuleren. De ontvanger
wordt op de hoogte gebracht van de beslissing dat de
schuldvordering is geannuleerd.
De Dienst voor alimentatievorderingen geeft bij aan-
getekende brief kennis aan de onderhoudsgerechtigde
van de beslissing van de adviseur-generaal bedoeld in
artikel 13, tweede lid.”.
a) le mot “comptable” est remplacé par le mot
“receveur”;
b) les mots “il en informe le créancier d’aliments par
lettre recommandée à la poste.” sont remplacés par
les mots “l’ordre de recouvrement est suspendu. Le
receveur en informe le créancier d’aliments par lettre
recommandée.”;
2° le paragraphe 1er, alinéa 2, est abrogé;
3° dans le paragraphe 1er, dans l’ancien alinéa 3, qui
devient l’alinéa 2, le mot “comptable” est remplacé par
les mots “Service des créances alimentaires”;
4° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
“§ 2. Si le conseiller général visé à l’article 13, alinéa
2, juge que le solde de la pension alimentaire, les arrié-
rés ou les intérêts sont défi nitivement irrécouvrables,
il peut renoncer au recouvrement de cette créance et
l’annuler. Le receveur est informé de la décision d’annu-
lation de la créance.
Le Service des créances alimentaires informe par
lettre recommandée le créancier d’aliments de la déci-
sion du conseiller général visé à l’article 13, alinéa 2.”.
Centrale drukkerij – Imprimerie centrale