Document 54K2922/008

🏛️ KAMER Legislatuur 54 📁 2922 Other 🌐 NL

Inhoud

DOOR DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN DE BEGROTING PAR LA COMMISSION DES FINANCES ET DU BUDGET ARTIKELEN AANGENOMEN IN EERSTE LEZING ARTICLES ADOPTÉS EN PREMIÈRE LECTURE 8026 DOC 54 2922/008 DOC 54 2922/008 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS 28 februari 2018 28 février 2018 PROPOSITION DE LOI WETSVOORSTEL betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie (art. 19 tot 21 en 28 tot 137) relative à la relance économique et au renforcement de la cohésion sociale (art. 19 à 21 et 28 à 137) Voir: Doc 54 2922/ (2017/2018): 001: Proposition de loi de MM. Clarinval, Van Quickenborne, Vercamer et Spooren. 002 et 003: Amendements. 004: Rapport de la première lecture (Affaires sociales). 005: Articles adoptés en première lecture (Affaires sociales). 006: Rapport (Infrastructure). 007: Rapport de la première lecture (Finances). Zie: Doc 54 2922/ (2017/2018): 001: Wetsvoorstel van de heren Clarinval, Van Quickenborne, Vercamer en Spooren. 002 en 003: Amendementen. 004: Verslag van de eerste lezing (Sociale zaken). 005: Artikelen aangenomen in eerste lezing (Sociale zaken). 006: Verslag (Infrastructuur). 007: Verslag van de eerste lezing (Financiën). 2 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Abréviations dans la numérotation des publications: DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi du n° de base et du n° consécutif QRVA: Questions et Réponses écrites CRIV: Version Provisoire du Compte Rendu intégral CRABV: Compte Rendu Analytique CRIV: Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analy tique traduit des interventions (avec les an- nexes) PLEN: Séance plénière COM: Réunion de commission MOT: Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) Publications officielles éditées par la Chambre des représentants Commandes: Place de la Nation 2 1008 Bruxelles Tél. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.lachambre.be courriel : publications@lachambre.be Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers Bestellingen: Natieplein 2 1008 Brussel Tel. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.dekamer.be e-mail : publicaties@dekamer.be De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier Afkortingen bij de nummering van de publicaties: DOC 54 0000/000: Parlementair document van de 54e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA: Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV: Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV: Beknopt Verslag CRIV: Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN: Plenum COM: Commissievergadering MOT: Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie PS : Parti Socialiste MR : Mouvement Réformateur CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten sp.a : socialistische partij anders Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen cdH : centre démocrate Humaniste VB : Vlaams Belang PTB-GO! : Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant PP : Parti Populaire Vuye&Wouters : Vuye&Wouters 3 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Afdeling 2 Fiscale compensatie voor de werkgever Art. 19 Artikel 38, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, wordt aangevuld met een bepaling onder 32°, luidende:  “32° de forfaitaire toeslag als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid.”. Art. 20 Artikel 53 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, wordt aangevuld met een bepaling onder 26°, luidende: “26° de forfaitaire toeslag als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid die bij toepassing van artikel 27511 in mindering wordt gebracht van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing.”. Art. 21 In titel VI, hoofdstuk I, afdeling IV, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 27511 ingevoegd, luidende: “Art. 27511. De werkgevers die aan jonge werknemers forfaitaire toeslagen als bedoeld in artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorhef- fi ng op de bezoldigingen die ze aan de betrokken jonge werknemers betalen of toekennen, worden ervan vrij- gesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die ze na toepassing van de artikelen 2751 tot 27510 verschuldigd zijn, in de Schatkist te storten. De niet te storten bedrijfsvoorheffing is gelijk aan het bedrag van de forfaitaire toeslagen die de werkgever bij toepassing van artikel 33bis, § 4, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgele- genheid heeft betaald of toegekend aan de hiervoor bedoelde jonge werknemers in de periode waarvoor de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is. Het gedeelte van het overeenkomstig het tweede lid bepaalde bedrag dat bij toepassing van het eer- ste lid niet in mindering kan worden gebracht van Section 2 Compensation fi scale pour l’employeur Art. 19 L’article 38, § 1er, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifi é en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2017, est complété par un 32°, rédigé comme suit: “32° le supplément forfaitaire tel que visé à l’article 33bis, § 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l’emploi.”. Art. 20 L’article 53 du même Code, modifi é en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2017, est complété d’un 26°, rédigé comme suit: “26° le supplément forfaitaire tel que visé à l’article 33bis, § 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l’emploi, porté en diminution du précompte professionnel dû en application de l’article 27511.”. Art. 21 Dans le titre VI, chapitre Ier, section IV, du même Code, un article 27511 est inséré, rédigé comme suit: “Art. 27511. Les employeurs qui paient ou attribuent à de jeunes travailleurs un supplément forfaitaire visé à l’article 33bis, § 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l’emploi, et qui, en vertu de l’article 270, 1°, sont redevables du précompte professionnel sur les rémunérations qu’ils paient ou attribuent à de jeunes travailleurs, sont dispensés de verser au Trésor une partie du précompte professionnel dont ils sont redevables après application des articles 2751 à 27510. Le précompte professionnel qui ne doit pas être versé est égal au montant des suppléments forfaitaires que l’employeur, en application de l’article 33bis, § 4, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l’emploi, a payé ou attribué à de jeunes travailleurs susvisés durant la période pour laquelle le précompte professionnel est dû. La partie du montant déterminé conformément à l’alinéa 2 qui, en application de l’alinéa 1er, ne peut être portée en déduction du précompte professionnel dû 4 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 de bedrijfsvoorheffing die voor de betrokken periode verschuldigd is, kan achtereenvolgens in mindering worden gebracht van de bedrijfsvoorheffing die na toepassing van de artikelen 2751 tot 27510 verschul- digd is voor elk van de volgende periodes waarvoor bedrijfsvoorheffing verschuldigd is en die tot hetzelfde kalenderjaar behoren. De Koning bepaalt de formaliteiten die moeten wor- den vervuld voor de toepassing van dit artikel.”. TITEL V Fiscale en fi nanciële bepalingen HOOFDSTUK 1 Groeibedrijven Art. 28 In artikel 14526, van het Wetboek van de inkomstenbe- lastingen 1992, hersteld bij de wet van 10 augustus 2015 en gewijzigd bij de wetten van  18  december  2015, 18 december 2016 en 17 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de bepaling onder 8° vervangen als volgt: “8° de vennootschap heeft nog geen kapitaal- vermindering doorgevoerd, behoudens de kapitaalver- minderingen ter aanzuivering van een geleden verlies of om een reserve te vormen tot dekking van een voor- zienbaar verlies, of dividenden uitgekeerd;”; 2° in paragraaf 3, derde lid, wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt: “2° betalingen voor het verwerven van aandelen, rechtstreeks of via een crowdfundingplatform als be- doeld in § 1, eerste lid, a, via een fi nancieringsvehikel als bedoeld in § 1, eerste lid, b, of via een openbaar startersfonds of een private startersprivak als bedoeld in § 1, eerste lid, c, in een vennootschap: a) waarin de belastingplichtige, rechtstreeks of on- rechtstreeks, op het ogenblik van de kapitaalinbreng, een in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleider is; b) waarin de belastingplichtige, rechtstreeks of onrechtstreeks, een in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleider is, tenzij hij daarvoor geen vergoeding verkrijgt; pour la période concernée, peut être successivement portée en déduction du précompte professionnel dû après application des articles 2751 à 27510 pour chacune des périodes suivantes durant lesquelles du précompte professionnel est dû et qui appartiennent à la même année civile. Le Roi détermine les formalités qui doivent être rem- plies pour l’application du présent article.”. TITRE V Dispositions fi scales et fi nancières CHAPITRE 1ER Entreprises en croissance Art. 28 À l’article 14526, du Code des impôts sur les revenus 1992, rétabli par la loi du 10 août 2015, et modifi é par les lois des 18 décembre 2015, 18 décembre 2016 et 17 décembre 2017, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, le 8° est remplacé comme suit: “8° la société n’a pas encore opéré de réduction de capital, sauf les réductions de capital en vue de com- penser une perte subie ou en vue de constituer une réserve pour couvrir une perte prévisible, ou distribué des dividendes;”; 2° dans le paragraphe 3, alinéa 3, le 2° est remplacé comme suit: “2° aux sommes affectées à l’acquisition, directement ou par le biais d’une plateforme de crowdfunding visée au § 1er, alinéa 1er, a, par le biais d’un véhicule de fi nan- cement visé au § 1er, alinéa 1er, b, ou par le biais d’un fonds starter public ou d’une pricaf privée starter visé au § 1er, alinéa 1er, c, d’actions ou parts d’une société: a) dans laquelle le contribuable est, directement ou indirectement, au moment de l’apport en capital, un dirigeant d’entreprise visé à l’article 32, alinéa 1er; b) dans laquelle le contribuable est, directement ou indirectement, un dirigeant d’entreprise visé à l’article 32, alinéa 1er, sauf s’il ne perçoit aucune indemnité pour cela; 5 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 c) waarin de belastingplichtige, op het ogenblik van de kapitaalinbreng, als vaste vertegenwoordiger van een andere vennootschap een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of een gelijksoortige functie uitoefent; d) die een aannemings- of lastgevingsovereenkomst heeft gesloten met een andere vennootschap waarvan de belastingplichtige aandeelhouder is, op het ogenblik van de kapitaalinbreng, en waarbij die andere vennoot- schap er zich toe heeft verbonden om tegen vergoeding een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, fi nanciële of technische aard op zich te nemen in de eerste vennootschap;”; 3° in paragraaf 3, wordt het vierde lid vervangen als volgt: “De betalingen voor in § 1, eerste lid, a, bedoelde aandelen, in § 1, eerste lid, b, bedoelde beleggings- instrumenten en in § 1, eerste lid, c, bedoelde rechten van deelneming komen voor de belastingvermindering in aanmerking tot een bedrag van 100 000 euro per belastbaar tijdperk. Dit bedrag van 100 000 euro per belastbaar tijdperk wordt desgevallend verminderd met het bedrag van de in aanmerking genomen betalingen voor het betreffende belastbaar tijdperk voor de toepas- sing van artikel 14527.”; 4° in paragraaf 5, wordt het achtste lid vervangen als volgt: “De in § 1 vermelde belastingvermindering wordt slechts behouden op voorwaarde dat de in § 3, tweede lid en derde lid, 2°, b, gestelde voorwaarden worden nageleefd.”; 5° in paragraaf 5, wordt een tiende lid ingevoegd, luidende: “Wanneer de in § 3, derde lid, 2°, b, vermelde voor- waarde niet wordt nageleefd gedurende de 48 maanden volgend op de volstorting van de aandelen van de ven- nootschap, wordt de totale belasting met betrekking tot de inkomsten van het belastbare tijdperk waarin wordt vastgesteld dat die voorwaarde niet wordt nageleefd, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één achtenveertigste van de overeenkomstig §  1  voor die aandelen, beleggingsinstrumenten of rechten van deelneming werkelijk verkregen belasting- vermindering, als er volle maanden overblijven vanaf de datum waarop de voorwaarde niet wordt nageleefd tot het einde van de termijn van 48 maanden.”. c) dans laquelle le contribuable exerce, au moment de l’apport en capital, en tant que représentant permanent d’une autre société, un mandat d’administrateur, de gérant, de liquidateur ou une fonction analogue; d) qui a conclu un contrat d’entreprise ou de man- dat avec une autre société dont le contribuable est actionnaire, au moment de l’apport en capital, et par laquelle cette autre société s’est engagée à assumer, moyennant une indemnité, une activité dirigeante de gestion journalière, de nature commerciale, fi nancière ou technique, dans la première société;”; 3° dans le paragraphe 3, l’alinéa 4 est remplacé comme suit: “Les paiements pour actions visées au § 1er, alinéa 1er, a, instruments de placement visés au § 1er, alinéa 1er, b, et parts visées au § 1er, alinéa 1er, c, ne sont pris en consi- dération pour la réduction d’impôt qu’à concurrence d’un montant de 100 000 euros par période imposable. Ce montant de 100 000 euros par période imposable est diminué, le cas échéant, du montant des paiements pris en considération pour la période imposable concernée pour l’application de l’article 14527.”; 4° dans le paragraphe 5, l’alinéa 8 est remplacé comme suit: “Le maintien de la réduction d’impôt visée au § 1er est subordonné au respect des conditions visées au § 3, alinéas 2 et 3, 2°, b.”; 5° dans le paragraphe 5, un alinéa 10 est inséré, rédigé comme suit: “Lorsque la condition visée au § 3, alinéa 3, 2°, b, n’est pas respectée durant les 48 mois qui suivent la libération des actions ou parts de la société, l’impôt total, relatif aux revenus de la période imposable au cours de laquelle il est constaté que la condition n’a pas été respectée est majoré d’un montant égal à autant de fois un quarante-huitième de la réduction d’impôt effective- ment obtenue conformément au § 1er pour ces actions ou parts, ou instruments de placement, qu’il reste de mois entiers à partir de la date à laquelle la condition n’est pas remplie jusqu’à l’expiration du délai de 48 mois.”. 6 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 29 In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling IIocties, opgeheven bij de wet van 8 mei 2014, hersteld als volgt: “Onderafdeling IIocties. Vermindering voor de ver- werving van nieuwe aandelen van groeibedrijven – Terugname van de vermindering”. Art. 30 Artikel 14527 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 8 mei 2014, wordt hersteld als volgt: “Art. 14527 § 1. Er wordt een belastingvermindering verleend voor de betalingen voor: a) nieuwe aandelen op naam verworven met inbren- gen in geld die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van een in § 2, eerste lid, be- doelde vennootschap en waarop de belastingplichtige, hetzij rechtstreeks, hetzij via een crowdfundingplatform, heeft ingeschreven naar aanleiding van een kapitaal- verhoging tijdens het vijfde, het zesde, het zevende, het achtste, het negende of het tiende jaar na de oprichting ervan en die hij volledig heeft volstort; b) nieuwe beleggingsinstrumenten die zijn uitgegeven door een fi nancieringsvehikel als bedoeld in de wet van 18 december 2016 tot regeling van de erkenning en de afbakening van crowdfunding en houdende diverse be- palingen inzake fi nanciën, en waarop de belastingplichti- ge via een crowdfundingplatform heeft ingeschreven, op voorwaarde dat het fi nancieringsvehikel de betalingen van de belastingplichtigen, desgevallend na aftrek van een vergoeding voor zijn intermediaire rol, rechtstreeks investeert in nieuwe aandelen op naam die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van een in § 2, eerste lid, bedoelde vennootschap, naar aanleiding van een kapitaalverhoging tijdens het vijfde, het zesde, het zevende, het achtste, het negende of het tiende jaar na de oprichting ervan en die het volledig heeft volstort. Emittenten van certifi caten van aandelen worden gelijkgesteld met fi nancieringsvehikels. Het in het eerste lid bedoelde crowdfundingplatform is een Belgisch platform of een platform naar het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, bedoeld in artikel 14526, § 1, tweede lid. Voor de toepassing van dit artikel wordt een ven- nootschap geacht te zijn opgericht op datum van de neerlegging van de oprichtingsakte ter griffie van Art. 29 Au titre II, chapitre III, section Ire, du même Code, la sous-section IIocties, abrogée par la loi du 8 mai 2014, est rétablie comme suit: “Sous-section IIocties. Réduction pour l’acquisition de nouvelles actions ou parts d’entreprises en crois- sance – Reprise de la réduction”. Art. 30 L’article 14527 du même Code, abrogé par la loi du 8 mai 2014, est rétabli comme suit: “Art. 14527 § 1er. Il est accordé une réduction d’impôt pour les sommes affectées à: a) de nouvelles actions ou parts nominatives acquises avec des apports en argent représentant une fraction du capital social d’une société visée au § 2, alinéa 1er, et que le contribuable a souscrites, soit directement, soit par le biais d’une plateforme de crowdfunding, à l’occasion d’une augmentation de capital durant la cinquième, la sixième, la septième, la huitième, la neuvième ou la dixième année depuis sa constitution et qu’il a entièrement libérées; b) de nouveaux instruments de placement émis par un véhicule de financement visé par la loi du 18 décembre 2016 organisant la reconnaissance et l’encadrement du crowdfunding et portant des dis- positions diverses en matière de fi nances, et que le contribuable a souscrits par le biais d’une plateforme de crowdfunding, à condition que le véhicule de fi nan- cement investisse directement les paiements provenant des contribuables, déduction faite le cas échéant d’une indemnité pour son rôle d’intermédiaire, dans de nou- velles actions ou parts nominatives représentant une fraction du capital social d’une société visée au § 2, alinéa 1er, à l’occasion d’une augmentation de capital durant la cinquième, la sixième, la septième, la huitième, la neuvième ou la dixième année depuis sa constitution et qui sont entièrement libérées. Des émetteurs de certifi cats d’actions sont assimilés à des véhicules de fi nancement. La plateforme de crowdfunding visée à l’alinéa 1er est une plateforme belge ou relevant du droit d’un autre État membre de l’Espace économique européen, visée à l’article 14526, § 1er, alinéa 2. Pour l’application du présent article, une société est censée être constituée à la date du dépôt de l’acte de constitution au greffe du tribunal de commerce ou d’une 7 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 de rechtbank van koophandel of van een gelijkaar- dige registratieformaliteit in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Wanneer de activiteit van de vennootschap bestaat uit de voortzetting van een werkzaamheid die voorheen werd uitgeoefend door een natuurlijke persoon of een andere rechtspersoon, wordt de vennootschap, in af- wijking van het derde lid, geacht te zijn opgericht op het ogenblik van de eerste inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen door die natuurlijke persoon, respectievelijk van de neerlegging van de oprichtings- akte van die andere rechtspersoon ter griffie van de rechtbank van koophandel of van het vervullen van een gelijkaardige registratieformaliteit door die natuurlijke persoon of andere rechtspersoon in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. § 2. Dit artikel is van toepassing op de aandelen van een vennootschap die tezelfdertijd aan alle onder- staande voorwaarden voldoet: 1° de vennootschap is een binnenlandse vennoot- schap of een vennootschap waarvan de maatschap- pelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die over een in artikel 229 bedoelde Belgische inrichting beschikt; 2° de vennootschap wordt op grond van arti- kel 15, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen als kleine vennootschap aangemerkt voor het aanslag- jaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de kapitaalinbreng werd gedaan; 3° de vennootschap stelt ten minste 10 voltijdse equi- valenten te werk, krachtens arbeidsovereenkomsten; 4° over de laatste twee aanslagjaren voorafgaand aan de volstorting van de aandelen: (i) is de jaaromzet van de vennootschap gemiddeld ten met minste 10 pct. per aanslagjaar gestegen; of (ii) is het aantal voltijdse equivalenten die de ven- nootschap krachtens arbeidsovereenkomsten tewerk- stelt gemiddeld met ten minste 10 pct. per aanslag- jaar gestegen; 5° de vennootschap is niet opgericht in het kader van een fusie of splitsing van vennootschappen; 6° de vennootschap is geen beleggings-, thesaurie- of fi nancieringsvennootschap; formalité d’enregistrement similaire dans un autre État membre de l’Espace économique européen. Lorsque l’activité de la société consiste en la conti- nuation d’une activité qui était exercée auparavant par une personne physique ou une autre personne morale, la société est, par dérogation à l’alinéa 3, censée être constituée respectivement au moment de la première inscription à la Banque-Carrefour des Entreprises par cette personne physique ou au moment du dépôt par cette autre personne morale de l’acte de constitution au greffe du tribunal de commerce ou de l’accom- plissement d’une formalité d’enregistrement similaire dans un autre État membre de l’Espace économique européen par cette personne physique ou cette autre personne morale. § 2. Le présent article est applicable aux actions ou parts d’une société qui répond simultanément à toutes les conditions suivantes: 1° la société est une société résidente ou une société dont le siège social, le principal établissement ou le siège de direction ou d’administration est établi dans un autre État membre de l’Espace économique européen et qui dispose d’un établissement belge visé à l’article 229; 2° la société est considérée comme petite société sur la base de l’article 15, §§ 1er à 6, du Code des sociétés, pour l’exercice d’imposition afférent à la période impo- sable au cours de laquelle l’apport en capital a lieu; 3° la société occupe, en exécution de contrats de travail, au moins dix équivalents temps plein; 4° sur les deux derniers exercices d’imposition pré- cédant la libération des actions: (i) le chiffre d’affaire annuel de la société a crû d’au moins 10 p.c. en moyenne par exercice d’imposition; ou (ii) le nombre d’équivalents temps plein que la société occupe en exécution de contrats de travail, a crû d’au moins 10 p.c. en moyenne par exercice d’imposition; 5° la société n’est pas constituée à l’occasion d’une fusion ou scission de sociétés; 6° la société n’est pas une société d’investissement, de trésorerie ou de fi nancement; 8 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 7° de vennootschap is geen vennootschap met als statutair hoofddoel of voornaamste activiteit de oprich- ting, de verwerving, het beheer, de verbouwing, de verkoop of de verhuur van vastgoed voor eigen rekening of het bezit van deelnemingen in vennootschappen met een soortgelijk doel, noch een vennootschap waarin onroerende goederen of andere zakelijke rechten met betrekking tot dergelijke goederen zijn ondergebracht, waarvan natuurlijke personen die in de vennootschap een opdracht of functies als bedoeld in artikel 32, eer- ste lid, 1°, uitoefenen, hun echtgenoot of hun kinderen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, het gebruik hebben; 8° de vennootschap is geen vennootschap die is opgericht met het oog op het afsluiten van een manage- ment- of bestuurdersovereenkomst of die haar voor- naamste bron van inkomsten haalt uit management- of bestuurdersovereenkomsten; 9° de vennootschap is een niet-beursgenoteerde vennootschap; 10° de vennootschap heeft nog geen kapitaalvermin- dering doorgevoerd, behoudens de kapitaalverminde- ringen ter aanzuivering van een geleden verlies of om een reserve te vormen tot dekking van een voorzienbaar verlies, of dividenden uitgekeerd; 11° de vennootschap maakt niet het voorwerp uit van een collectieve insolventieprocedure of bevindt zich niet in de voorwaarden van een collectieve insolventieprocedure; 12° de vennootschap gebruikt de ontvangen sommen niet voor de uitkering van dividenden of de aankoop van aandelen, noch voor het verstrekken van leningen; 13° de vennootschap heeft na de betaling van de in § 1, eerste lid, a en b, bedoelde sommen door res- pectievelijk de belastingplichtige of het fi nancierings- vehikel niet meer dan 500 000 euro ontvangen via de toepassing van dit artikel. Dit maximumbedrag wordt verminderd met het werkelijke ontvangen bedrag via de toepassing van artikel 14526. Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, komt een bedrijfsleider als een voltijds equivalent in aanmerking voor de berekening van het aantal voltijdse equivalen- ten, indien er voor deze activiteit sociale bijdragen in toepassing van artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het so- ciaal statuut der zelfstandigen verschuldigd zijn. 7° la société n’est pas une société dont l’objet social principal ou l’activité principale est la construction, l’acquisition, la gestion, l’aménagement, la vente, ou la location de biens immobiliers pour compte propre, ou la détention de participations dans des sociétés ayant un objet similaire, ni une société dans laquelle des biens immobiliers ou autres droits réels sur de tels biens sont placés, dont des personnes physiques qui exercent un mandat ou des fonctions visés à l’article 32, alinéa 1er, 1°, leur conjoint ou leurs enfants lorsque ces personnes ou leur conjoint ont la jouissance légale des revenus de ceux-ci, ont l’usage; 8° la société n’est pas une société qui a été constituée afi n de conclure des contrats de gestion ou d’adminis- tration ou qui obtient la plupart de ses bénéfi ces de contrats de gestion ou d’administration; 9° la société n’est pas cotée en bourse; 10° la société n’a pas encore opéré de réduction de capital, sauf les réductions de capital en vue de com- penser une perte subie ou en vue de constituer une réserve pour couvrir une perte prévisible, ou distribué des dividendes; 11° la société ne fait pas l’objet d’une procédure collective d’insolvabilité ou ne se trouve pas dans les conditions d’une procédure collective d’insolvabilité; 12° la société n’utilise pas les sommes perçues pour une distribution de dividendes ou pour l’acquisition d’actions ou parts ni pour consentir des prêts; 13° la société n’a pas perçu, après le versement des sommes visées au § 1er, alinéa 1er, a et b, par respecti- vement le contribuable ou le véhicule de fi nancement, plus de 500 000 euros par le biais de l’application du présent article. Ce montant maximum est diminué du montant effectivement reçu par le biais de l’application de l’article 14526. Pour l’application de l’alinéa 1er, 3°, un dirigeant d’entreprise est pris en compte comme un équivalent temps plein pour le calcul des équivalents temps plein, lorsqu’il est redevable pour cette activité de cotisations sociales en application de l’article 12, § 1er, de l’arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants. 9 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Aan de in het eerste lid, 3°, vermelde voorwaarde moet door de vennootschap worden voldaan gedurende de 12 maanden volgend op de volstorting van de aan- delen van de vennootschap. Aan de in het eerste lid, 6° tot 8° en 12°, vermelde voorwaarden moet door de vennootschap worden voldaan gedurende de 48 maanden volgend op de vol- storting van de aandelen van de vennootschap. De belastingvermindering is niet van toepassing op: 1° uitgaven die in aanmerking zijn genomen voor de toepassing van artikel 1451, 4°, of 14532; 2° betalingen voor het verwerven van aandelen, rechtstreeks of via een crowdfundingplatform als be- doeld in § 1, eerste lid, a, of via een fi nancieringsvehikel als bedoeld in § 1, eerste lid, b, in een vennootschap: a) waarin de belastingplichtige, rechtstreeks of on- rechtstreeks, op het ogenblik van de kapitaalinbreng, een in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleider is; b) waarin de belastingplichtige, rechtstreeks of onrechtstreeks, een in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleider is, tenzij hij daarvoor geen vergoeding verkrijgt; c) waarin de belastingplichtige, op het ogenblik van de kapitaalinbreng, als vaste vertegenwoordiger van een andere vennootschap een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of een gelijksoortige functie uitoefent; d) die een aannemings- of lastgevingsovereenkomst heeft gesloten met een andere vennootschap waarvan de belastingplichtige aandeelhouder is, op het ogenblik van de kapitaalinbreng, en waarbij die andere vennoot- schap er zich toe heeft verbonden om tegen vergoeding een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur van commerciële, fi nanciële of technische aard op zich te nemen in de eerste vennootschap; 3° betalingen voor het verwerven van aandelen van een vennootschap, rechtstreeks of via een crowdfun- dingplatform als bedoeld in § 1, eerste lid, a, of via een fi nancieringsvehikel als bedoeld in § 1, eerste lid, b, met betrekking tot het gedeelte van die aandelen waardoor de belastingplichtige een vertegenwoordiging van meer dan 30 pct. van het maatschappelijk kapitaal van die vennootschap bekomt. La condition visée à l’alinéa 1er, 3°, doit être remplie par la société au cours des 12 mois suivant la libération des actions de la société. Les conditions visées à l’alinéa 1er, 6° à 8° et 12°, doivent être remplies par la société au cours des 48 mois suivant la libération des actions de la société. La réduction d’impôt n’est pas applicable: 1° aux dépenses qui sont prises en compte pour l’application de l’article 1451, 4°, ou 14532; 2° aux sommes affectées à l’acquisition, directement ou par le biais d’une plateforme de crowdfunding visée au § 1er, alinéa 1er, a, ou par le biais d’un véhicule de fi nancement visé au § 1er, alinéa 1er, b, d’actions ou parts d’une société: a) dans laquelle le contribuable est, directement ou indirectement, au moment de l’apport en capital, un dirigeant d’entreprise visé à l’article 32, alinéa 1er; b) dans laquelle le contribuable est, directement ou indirectement, un dirigeant d’entreprise visé à l’article 32, alinéa 1er, sauf s’il ne perçoit aucune indemnité pour cela; c) dans laquelle le contribuable exerce, au moment de l’apport en capital, en tant que représentant permanent d’une autre société, un mandat d’administrateur, de gérant, de liquidateur ou une fonction analogue; d) qui a conclu un contrat d’entreprise ou de man- dat avec une autre société dont le contribuable est actionnaire, au moment de l’apport en capital, et par laquelle cette autre société s’est engagée à assumer, moyennant une indemnité, une activité dirigeante de gestion journalière, de nature commerciale, fi nancière ou technique, dans la première société; 3° aux sommes affectées à l’acquisition, directement ou par le biais d’une plateforme de crowdfunding visée au § 1er, alinéa 1er, a, ou par le biais d’un véhicule de fi nancement visé au § 1er, alinéa 1er, b, d’actions ou parts d’une société en ce qui concerne la partie de ces actions ou parts par laquelle le contribuable obtient une représentation de plus de 30 p.c. dans le capital social de cette société. 10 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 De betalingen voor de in § 1, eerste lid, a, bedoelde aandelen en in de § 1, eerste lid, b, bedoelde beleg- gingsinstrumenten komen voor de belastingverminde- ring in aanmerking tot een bedrag van 100 000 euro per belastbaar tijdperk. Dit bedrag van 100 000 euro per belastbaar tijdperk wordt desgevallend verminderd met het bedrag van de in aanmerking genomen beta- lingen voor het betreffende belastbaar tijdperk voor de toepassing van artikel 14526. De belastingvermindering is gelijk aan 25 pct. van het in aanmerking te nemen bedrag, na aftrek van de in § 1, eerste lid, b, bedoelde vergoedingen en eventuele andere verbonden kosten. De in euro vermelde bedragen in deze paragraaf worden niet geïndexeerd overeenkomstig artikel 178. § 3. De betalingen voor in § 1, eerste lid, a, bedoelde aandelen of voor in § 1, eerste lid, b, bedoelde beleg- gingsinstrumenten, komen voor de belastingverminde- ring in aanmerking op voorwaarde dat de in § 2, eerste lid, bedoelde vennootschap of het in § 1, eerste lid, b, bedoelde fi nancieringsvehikel aan de belastingplichtige tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting van het belastbare tijdperk waarin de betaling is gedaan, het bewijs verstrekt waaruit blijkt dat: — voldaan is aan de in §§ 1 en 2 gestelde voorwaarden; — de belastingplichtige de aandelen of de beleg- gingsinstrumenten in het belastbaar tijdperk heeft aangeschaft en deze op het einde van dat belastbaar tijdperk nog in zijn bezit heeft. § 4. De in § 1 bedoelde belastingvermindering wordt slechts behouden op voorwaarde dat de vennootschap of het fi nancieringsvehikel de belastingplichtige tot staving van zijn aangiften in de personenbelasting van de vier belastbare tijdperken volgend op het belastbaar tijdperk waarvoor de belastingvermindering wordt toe- gekend, het bewijs verstrekt dat hij de betrokken in § 1, eerste lid, a, bedoelde aandelen, of de betrokken in § 1, eerste lid, b, bedoelde beleggingsinstrumenten nog in zijn bezit heeft. Aan deze voorwaarde moet niet meer worden voldaan met ingang van het belastbare tijdperk waarin de belastingplichtige is overleden. Wanneer de betrokken aandelen bedoeld in § 1, eer- ste lid, a, of de betrokken beleggingsinstrumenten bedoeld in § 1, eerste lid, b, anders dan bij overlijden worden overgedragen binnen de 48 maanden na de aanschaffing ervan, wordt de totale belasting met be- trekking tot de inkomsten van het belastbare tijdperk van de vervreemding vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één achtenveertigste van de Les paiements pour les actions visées au § 1er, ali- néa 1er, a, et les instruments de placement visés au § 1er, alinéa 1er, b, ne sont pris en considération pour la réduction d’impôt qu’à concurrence d’un montant de 100 000 euros par période imposable. Ce montant de 100 000 euros par période imposable est diminué, le cas échéant, du montant des paiements pris en consi- dération pour la période imposable concernée pour l’application de l’article 14526. La réduction d’impôt est égale à 25 p.c. du montant à prendre en considération, après déduction des indem- nités visées au § 1er, alinéa 1er, b, et des autres frais éventuels y afférents. Les montants en euro visés au présent paragraphe ne sont pas indexés conformément à l’article 178. § 3. Les sommes affectées à la libération d’actions ou parts visées au § 1er, alinéa 1er, a, ou d’instruments de placement visés au § 1er, alinéa 1er, b, sont éligibles à la réduction d’impôt à condition que la société visée au § 2, alinéa 1er, ou le véhicule de fi nancement visé au § 1er, alinéa 1er, b, fournisse au contribuable, à l’appui de sa déclaration à l’impôt des personnes physiques de la période imposable au cours de laquelle la libération a été opérée, la preuve faisant apparaître: — que les conditions prévues au §§ 1er et 2 sont remplies; — que le contribuable a acquis les actions ou parts ou les instruments de placement pendant la période imposable et qu’il est encore en leur possession à la fi n de cette période imposable. § 4. Le maintien de la réduction d’impôt visée au § 1er est subordonné à la condition que la société ou le véhicule de fi nancement fournisse au contribuable à l’appui de ses déclarations à l’impôt des personnes physiques des quatre périodes imposables suivant la période imposable pour laquelle la réduction d’impôt est accordée, la preuve qu’il est encore en possession des actions ou parts concernées visées au § 1er, alinéa 1er, a, ou des instruments de placement concernés visés au § 1er, alinéa 1er, b. Cette condition ne doit plus être respectée à partir de la période imposable au cours de laquelle le contribuable est décédé. Lorsque les actions ou parts concernées visées au § 1er, alinéa 1er, a, ou les instruments de placement concernés visés au § 1er, alinéa 1er, b, font l’objet d’une cession, autre qu’à l’occasion d’une mutation par décès, au cours des 48 mois suivant leur acquisition, l’impôt total afférent aux revenus de la période imposable de la cession, est majoré d’un montant correspondant à autant de fois un quarante-huitième de la réduction 11 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 overeenkomstig § 1 voor die aandelen of beleggingsin- strumenten werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 48 maanden. Onder het in het tweede lid bedoelde woord “overge- dragen” dient eveneens te worden verstaan, de sluiting van de vereffening van de vennootschap waarin werd geïnvesteerd of van het fi nancieringsvehikel. Wanneer de sluiting van de vereffening het gevolg is van de faillietverklaring van de vennootschap waarin werd geïnvesteerd, moet niet meer worden voldaan aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarde met ingang van het belastbare tijdperk waarin die sluiting van de vereffening ten gevolge van faillietverklaring heeft plaats gevonden. De in §  1  vermelde belastingvermindering wordt slechts behouden op voorwaarde dat de in § 2, derde, vierde lid en vijfde lid, 2°, b, gestelde voorwaarden worden nageleefd. Wanneer de in § 2, derde en vierde lid, vermelde voorwaarde niet wordt nageleefd gedurende de res- pectievelijk 12 of 48 maanden volgend op de volstor- ting van de aandelen van de vennootschap, wordt de totale belasting met betrekking tot de inkomsten van het belastbare tijdperk waarin wordt vastgesteld dat die voorwaarde niet wordt nageleefd, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal respectievelijk één twaalfde of één achtenveertigste van de overeenkom- stig § 1 voor die aandelen of beleggingsinstrumenten werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven vanaf de datum waarop de voor- waarde niet wordt nageleefd tot het einde van de termijn van respectievelijk 12 of 48 maanden. Wanneer de in § 2, vijfde lid, 2°, b, vermelde voor- waarde niet wordt nageleefd gedurende de 48 maanden volgend op de volstorting van de aandelen van de ven- nootschap, wordt de totale belasting met betrekking tot de inkomsten van het belastbare tijdperk waarin wordt vastgesteld dat die voorwaarde niet wordt nageleefd, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één achtenveertigste van de overeenkomstig §  1  voor die aandelen, beleggingsinstrumenten of rechten van deelneming werkelijk verkregen belasting- vermindering, als er volle maanden overblijven vanaf de datum waarop de voorwaarde niet wordt nageleefd tot het einde van de termijn van 48 maanden. §  5. De Koning bepaalt de wijze waarop het in § 3 en § 4, eerste lid, bedoelde bewijs wordt geleverd evenals het bewijs dat tenminste aan één van de in § 2, eerste lid, 4°, bedoelde criteria is voldaan.”. d’impôt effectivement obtenue conformément au § 1er pour ces actions ou parts ou instruments de placement, qu’il reste de mois entiers jusqu’à l’expiration du délai de 48 mois. Sous le mot “cession” visé à l’alinéa 2, on entend également la clôture de la liquidation de la société dans laquelle il a été investi ou du véhicule de fi nancement. Lorsque la clôture de la liquidation est la consé- quence de la déclaration de faillite de la société dans laquelle il a été investi, la condition visée à l’alinéa 1er ne doit plus être respectée à partir de la période imposable au cours de laquelle cette clôture de la liquidation pour cause de déclaration de faillite a eu lieu. Le maintien de la réduction d’impôt visée au § 1er est subordonné au respect des conditions visées au § 2, alinéas 3, 4 et 5, 2°, b,. Lorsque la condition visée au § 2, alinéas 3 et 4, n’est pas respectée durant respectivement les 12 ou les 48 mois qui suivent la libération des actions ou parts de la société, l’impôt total relatif aux revenus de la période imposable au cours de laquelle il est constaté que la condition n’a pas été respectée est majoré d’un montant égal à autant de fois respectivement un douzième ou un quarante-huitième de la réduction d’impôt effectivement obtenue conformément au § 1er pour ces actions ou parts qu’il reste de mois entiers à partir de la date à laquelle la condition n’est pas remplie jusqu’à l’expiration du délai de respectivement 12 ou 48 mois. Lorsque la condition visée au § 2, alinéa 5, 2°, b, n’est pas respectée durant les 48 mois qui suivent la libération des actions ou parts de la société, l’impôt total relatif aux revenus de la période imposable au cours de laquelle il est constaté que la condition n’a pas été respectée est majoré d’un montant égal à autant de fois un quarante- huitième de la réduction d’impôt effectivement obtenue conformément au § 1er pour ces actions ou parts, ou instruments de placement, qu’il reste de mois entiers à partir de la date à laquelle la condition n’est pas remplie jusqu’à l’expiration du délai de 48 mois. § 5. Le Roi détermine la manière d’apporter la preuve visée aux §§  3  et 4, alinéa 1er, ainsi que la preuve qu’au moins un des critères visés au § 2, alinéa 1er, 4°, est rempli.”. 12 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 31 In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- wijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 5° worden de woorden “14526,  14528,” vervangen door de woorden “14526 tot 14528,”; 2° in de bepaling onder 6° worden de woorden “14526,  14528,” vervangen door de woorden “14526 tot 14528,”. Art. 32 In artikel 174/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden “14528, § 1, derde lid,” vervangen door de woorden “14527, § 2, zesde lid, 14528, § 1, derde lid,”. Art. 33 In artikel 175  van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 8 mei 2014 en 10 augustus 2015, worden de woorden “, 14527, § 4” ingevoegd tussen de woorden “vermeerderd met de in de artikelen 1457, § 2, 14526, § 5” en de woorden “, en 14532, § 2, bedoelde vermeerderingen”. Art. 34 In artikel 178/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 8  mei  2014 en gewijzigd bij de wet- ten van 10  augustus  2015, 26  december  2015 en 25 december 2016, worden de woorden “14526, 14528” vervangen door de woorden “14526 tot 14528”. Art. 35 In artikel 243/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2015, 25 december 2016 en 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de inleidende zin worden de woorden “14526, 14528,” vervangen door de woorden “14526 tot 14528,”; 2° in de bepaling onder 4° worden de woorden “14532, § 2, 157,” vervangen door de woorden “14527, § 4, 14532, § 2, 157,” en worden de woorden “14528, 14532, § 1,” vervangen door de woorden “14527, §§ 1 tot 3, 14528, 14532, § 1,”. Art. 31 À l’article 171 du même Code, modifi é en dernier lieu par la loi du 25 décembre 2017, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le 5°, les mots “14526, 14528,” sont remplacés par les mots “14526 à 14528,”; 2° dans le 6°, les mots “14526, 14528,” sont remplacés par les mots “14526 à 14528,”. Art. 32 Dans l’article 174/1, alinéa 1er, du même Code, rétabli par la loi du 25 décembre 2017, les mots “14528, § 1er, alinéa 3,” sont remplacés par les mots “14527, § 2, alinéa 6, 14528, § 1er, alinéa 3,”. Art. 33 Dans l’article 175 du même Code, modifi é par les lois des 20 décembre 1995, 8 mai 2014 et 10 août 2015, les mots “14527, § 4” sont insérés entre les mots “majoré des augmentations visées aux articles 1457, § 2, 14526, § 5,” et les mots “et 14532, § 2,”. Art. 34 Dans l’article 178/1 du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par les lois des 10 août 2015, 26 décembre 2015 et 25 décembre 2016, les mots “14526, 14528” sont remplacés par les mots “14526 à 14528”. Art. 35 Dans l’article 243/1 du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par les lois des 10 août 2015, 25 décembre 2016 et 25 décembre 2017, les modifi ca- tions suivantes sont apportées: 1° dans la phrase liminaire, les mots “14526, 14528,” sont remplacés par les mots “14526 à 14528,”; 2° dans le 4°, les mots “14532, § 2, 157,” sont rempla- cés par les mots “14527, § 4, 14532, § 2, 157,” et les mots “14528, 14532, § 1er,” sont remplacés par les mots “14527, §§ 1er à 3, 14528, 14532, § 1er,”. 13 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 36 In artikel 245, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, worden in de bepaling onder het eerste streepje de woorden “artikelen 1457, § 2, 14526, § 5,” vervangen door de woorden “artikelen 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4,”. Art. 37 In artikel 290, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ver- vangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, worden de woorden “, 14527, § 4” ingevoegd tussen de woorden “in de artikelen 1457, § 2, 14526, § 5” en de woorden “,14532, § 2, en 157 bedoelde vermeerderingen.”. Art. 38 In artikel 294, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, worden in de bepaling onder 2° de woorden “14532, § 2,” telkens vervangen door de woorden “14527, § 4, 14532, § 2”. Art. 39 Dit hoofdstuk heeft uitwerking vanaf aanslagjaar 2019. HOOFDSTUK 2 Private privaks Afdeling 1 Wijzigingen van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders Art. 40 In artikel 299, eerste lid, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, worden de woorden “, voor een maximale duur van 12 jaar” opgeheven. Art. 36 Dans l’article 245, alinéa 1er, 1°, du même Code, remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par la loi du 10 août 2015, les mots “articles 1457, § 2, 14526, § 5,” du premier tiret sont remplacés par les mots “articles 1457, § 2, 14526, § 5, 14527, § 4,”. Art. 37 Dans l’article 290, alinéa 2, du même Code, rem- placé par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par la loi du 10 août 2015, les mots “14527, § 4,” sont insérés entre les mots “majoré des augmentations visées aux articles 1457, § 2, 14526, § 5,” et les mots “14532, § 2, et 157.”. Art. 38 Dans l’article 294, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par la loi du 10 août 2015, les mots “14532, § 2,” du 2° sont chaque fois remplacé par les mots “14527, § 4, 14532, § 2”. Art. 39 Le présent chapitre produit ses effets à partir de l’exercice d’imposition 2019. CHAPITRE 2 Pricafs privées Section 1re Modifi cations de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires Art. 40 Dans l’article 299, alinéa 1er, de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alterna- tifs et à leurs gestionnaires, les mots “, pour une durée maximale de 12 ans” sont abrogés. 14 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 41 In deel III, boek II, titel III, hoofdstuk I, afdeling III, van dezelfde wet wordt een artikel 299/1  inge- voegd, luidende: “Art. 299/1. De private privak wordt opgericht voor een maximale duur van twaalf jaar.”. Art. 42 In deel III, boek II, titel III, hoofdstuk I, afdeling III, van dezelfde wet wordt een artikel 299/2  inge- voegd, luidende: “Art. 299/2. De statuten van de private privak kunnen voorzien dat de duur van twaalf jaar zoals voorzien in artikel 299/1 kan worden verlengd met maximaal twee termijnen van maximaal drie jaar, telkens volgens de procedure bepaald in artikel 299/3. Indien er geen geldige verlenging plaatsvindt volgens de procedure voorzien in artikel 299/3, wordt de private privak bij het einde van zijn termijn van rechtswege ontbonden.”. Art. 43 In deel III, boek II, titel III, hoofdstuk I, afdeling III, van dezelfde wet wordt een artikel 299/3  inge- voegd, luidende: “Art. 299/3. § 1. In de veronderstelling dat de statuten voorzien in een mogelijke verlenging onder toepassing van artikel 299/2, voorzien de statuten dat de termijn van de private privak bij besluit van de buitengewone alge- mene vergadering van aandeelhouders of vennoten van de private privak kan worden verlengd overeenkomstig het vereiste aanwezigheids- en meerderheidsquorum zoals voorzien in paragraaf 2. § 2. In de veronderstelling dat de statuten voorzien in een mogelijke verlenging onder toepassing van ar- tikel 299/2, voorzien de statuten dat de buitengewone algemene vergadering slechts geldig over de verlenging van de termijn van de private privak kan beraadslagen en besluiten indien de aanwezigen ten minste de helft van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen. Het besluit om de duur van de private privak te verlen- gen wordt geldig aangenomen met een meerderheid van minstens 90 pct. van de geldig uitgebrachte stemmen die minstens de helft van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen.”. Art. 41 Dans la partie III, livre II, titre III, chapitre Ier, section III, de la même loi, un article 299/1 est inséré, rédigé comme suit: “Art. 299/1. La pricaf privée est constituée pour une durée maximale de douze ans.”. Art. 42 Dans la partie III, livre II, titre III, chapitre Ier, section III, de la même loi, un article 299/2 est inséré, rédigé comme suit: “Art. 299/2. Les statuts de la pricaf privée peuvent prévoir que la durée de douze ans telle que prévue à l’article 299/1 peut être prolongée par maximum deux périodes de maximum trois ans, chaque fois suivant la procédure prévue à l’article 299/3. A défaut de prorogation valablement décidée confor- mément à la procédure prévue à l’article 299/3, la pricaf privée est dissoute de plein droit à son terme.”. Art. 43 Dans la partie III, livre II, titre III, chapitre Ier, section III, de la même loi, un article 299/3 est inséré, rédigé comme suit: “Art. 299/3. § 1er. Dans l’hypothèse où les statuts prévoient une possible prorogation en application de l’article 299/2, les statuts prévoient que le terme de la pricaf privée peut être prorogé sur décision de l’assemblée générale extraordinaire des actionnaires ou associés de la pricaf privée conformément aux quorums de présence et de majorité tels que prévus au paragraphe 2. § 2. Dans l’hypothèse où les statuts prévoient une possible prorogation en application de l’article 299/2, les statuts prévoient que l’assemblée générale extraor- dinaire ne peut valablement délibérer et statuer sur une prorogation du terme de la pricaf privée que si ceux qui y assistent représentent au moins la moitié du capital social. La décision de proroger la durée de la pricaf privée est valablement adoptée moyennant une majorité d’au moins 90 p.c. des voix valablement exprimées qui repré- sentent au moins la moitié du capital social.”. 15 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 44 In deel III, boek II, titel III, hoofdstuk I, afdeling III, van dezelfde wet wordt een artikel 299/4  inge- voegd, luidende: “Art. 299/4. De private privak behoudt zijn statuut van private privak tot en met de afsluiting van zijn vereffening.”. Art. 45 Artikel 302, § 1, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 302. § 1. Teneinde het statuut van private privak te verkrijgen, moet de private privak zich voorafgaande- lijk en alvorens beleggingen als bedoeld in artikel 183, eerste lid, 5°, te doen bij de Federale Overheidsdienst Financiën laten inschrijven op de lijst van de private privaks.”. Art. 46 In artikel 304  van dezelfde wet wordt paragraaf 2 opgeheven. Afdeling 2 Wijzigingen van de Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 47 In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIsepties/1 ingevoegd, luidende: “Onderafdeling IIsepties/1. Vermindering voor min- derwaarden geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van een private privak”. Art. 48 In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling IIsepties/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 47, wordt een artikel 14526/1 ingevoegd, luidende: “Art. 14526/1. § 1. Er wordt een belastingvermindering verleend voor de minderwaarden op aandelen van een vanaf 1 januari 2018 opgerichte private privak als Art. 44 Dans la partie III, livre II, titre III, chapitre Ier, section III, de la même loi, un article 299/4 est inséré, rédigé comme suit: “Art. 299/4. La pricaf privée conserve son statut de pricaf privée jusque et en ce compris la clôture de sa liquidation.”. Art. 45 L’article 302, § 1er, alinéa 1er, de la même loi est rem- placé comme suit: “Art. 302. § 1er. Afi n d’obtenir le statut de pricaf privée, la pricaf privée doit préalablement et avant de réaliser les investissements visés à l’article 183, alinéa 1er, 5°, se faire inscrire auprès du Service public fédéral Finances sur la liste des pricafs privées.”. Art. 46 Dans l’article 304 de la même loi, le paragraphe 2 est abrogé. Section 2 Modifi cations du Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 47 Au titre II, chapitre III, section Ire, du Code des impôts sur les revenus 1992, une sous-section IIsepties/1 est insérée, rédigée comme suit: “Sous-section IIsepties/1. Réduction pour moins- values actées à l’occasion du partage total de l’avoir social d’une pricaf privée”. Art. 48 Au titre II, chapitre III, section 1re, sous-section IIsepties/1, du même Code, inséré par l’article 47, un article 14526/1 est inséré, rédigé comme suit: “Art. 14526/1. § 1er. Il est accordé une réduction d’impôt pour les moins-values sur des actions ou parts d’une pricaf privée visée à l’article 298 de la loi du 19 avril 2014 16 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders die de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk heeft geleden naar aan- leiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van die private privaks. De geleden minderwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen, enerzijds, het kapitaal dat door de be- lastingplichtige op de aandelen van de private privak werd volgestort en, anderzijds, de naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van de private privak door de belastingplichtige ontvan- gen bedragen, verhoogd met de door de belastingplich- tige vanwege de private privak voorheen ontvangen dividenden. De belastingvermindering is niet van toepassing op de minderwaarden geleden op aandelen waarvoor een belastingvermindering als vermeld in artikel 14526 of 14527 werd verleend en evenmin op minderwaarden die het resultaat zijn van een gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen. §  2. De in paragraaf 1  bedoelde minderwaarden komen voor de belastingvermindering in aanmerking tot een bedrag van 25 000 euro per belastbaar tijdperk. Dit bedrag wordt niet geïndexeerd overeenkomstig artikel 178. De belastingvermindering is gelijk aan 25 pct. van de in aanmerking te nemen minderwaarden. § 3. De Koning bepaalt de wijze waarop het bewijs wordt geleverd dat de minderwaarden voldoen aan de in paragraaf 1 vermelde voorwaarden.”. Art. 49 Artikel 171, 3°sexies, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 28 juni 2013, wordt aangevuld met de woorden “, of, wanneer zij zijn uitgekeerd door een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, naarge- lang en in de mate dat ze voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om aan het in artikel 269, § 2, tweede lid, 1° of 2°, vermelde tarief onderworpen te worden.”. Art. 50 In artikel 174/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 25 december 2017, en gewijzigd relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, constituée à partir du 1er jan- vier 2018, actées dans le chef du contribuable pendant la période imposable à l’occasion du partage total de l’avoir social de la pricaf privée. La moins-value actée est égale à la différence positive entre, d’une part, le capital sur les actions ou parts de la pricaf privée qui a été libéré par le contribuable et, d’autre part, les sommes perçues par le contribuable à l’occasion du partage total de l’avoir social de la pricaf privée, augmentées des dividendes précédemment perçus de la pricaf privée par le contribuable. La réduction d’impôt n’est pas applicable aux moins- values actées sur des actions ou parts pour lesquelles une réduction d’impôt visée à l’article 14526 ou 14527 a été accordée, ni aux moins-values qui résultent d’un partage partiel de l’avoir social. § 2. Les moins-values visées au paragraphe 1er ne sont prises en considération pour la réduction d’impôt qu’à concurrence d’un montant de 25 000 euros par période imposable. Ce montant n’est pas indexé confor- mément à l’article 178. La réduction d’impôt est égale à 25 p.c. des moins- values à prendre en considération. § 3. Le Roi détermine la manière d’apporter la preuve que les moins-values répondent aux conditions visées au paragraphe 1er.”. Art. 49 L’article 171, 3°sexies, du même Code, inséré par la loi du 28 juin 2013, est complété par les mots “, ou lorsqu’ils sont distribués par une pricaf privée visée à l’article 298 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, à condition et dans la mesure où ils pro- viennent de dividendes qui peuvent bénéfi cier du taux visé à l’article 269, § 2, alinéa 2, 1° ou 2°.”. Art. 50 Dans l’article 174/1, alinéa 1er, du même Code, rétabli par la loi du 25 décembre 2017, et modifi é par l’article 17 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 bij artikel 32, worden de woorden “14526, § 3, vierde lid,” vervangen door de woorden “14526, § 3, vierde lid, 14526/1, § 2, eerste lid,”. Art. 51 Artikel 185bis, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, wordt aangevuld met een lid, luidende: “De paragrafen 1 en 2 zijn opnieuw van toepassing voor het belastbaar tijdperk waarin een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders opnieuw voor het volledige belastbare tijdperk de volgende bepalingen naleeft: 1° de in het artikel 192, § 3, bedoelde bepaling; 2° de statutaire regels die volgen uit het specifi ek karakter van deze vennootschap als instelling voor col- lectieve belegging.”. Art. 52 Artikel 192, § 3, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen als volgt: “3° mits naleving van de regels bepaald in artikel 304, § 2, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders en artikel 16 van het koninklijk besluit van 23 mei 2007 met betrekking tot de private privak.”. Art. 53 In artikel 243/1, 4°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015 en bij artikel 35, worden de woorden “de artikelen 1457, § 2, 14526, § 5,” vervangen door de woorden “de artikelen 1457, § 2, 14526, § 5, 14526/1, § 3,” en worden de woorden “14526, §§ 1 tot 4,” vervangen door de woorden “14526, §§ 1 tot 4, 14526/1, §§ 1 en 2,”. Art. 54 Artikel 269, § 1, 9°, van hetzelfde Wetboek, opgehe- ven bij de wet van 25 december 2016, wordt hersteld als volgt: 32, les mots “14526, § 3, alinéa 4,” sont remplacés par les mots “14526, § 3, alinéa 4, 14526/1, § 2, alinéa 1er,”. Art. 51 L’article 185bis, §  3, du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2006 et modifi é par la loi du 18 décembre 2015, est complété par un alinéa, rédigé comme suit: “Les paragraphes 1er et 2 sont à nouveau applicables pour la période imposable lors de laquelle la pricaf pri- vée visée à l’article 298 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, respecte de nouveau les disposi- tions suivantes durant toute la période imposable: 1° l’article 192, § 3; 2° les règles statutaires qui découlent du caractère spécifi que de cette société en tant qu’organisme de placement collectif.”. Art. 52 L’article 192, §  3, alinéa  1er, 3°, du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2006, est remplacé par ce qui suit: 3° sous condition du respect des règles établies à l’article 304, § 2, de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, et de l’article 16  de l’arrêté royal du 23 mai 2007 relatif à la pricaf privée.”. Art. 53 Dans l’article 243/1, 4°, du même Code, inséré par la loi du 8 mai 2014 et modifé par la loi du 10 août 2015 et par l’article 35, les mots “des articles 1457, § 2, 14526, § 5,” sont remplacés par les mots “des articles 1457, § 2, 14526, § 5, 14526/1, § 3,” et les mots “14526, §§ 1er à 4,” sont remplacés par les mots “14526, §§ 1er à 4, 14526/1, §§ 1er et 2,”. Art. 54 L’article 269, § 1er, 9°, du même Code, abrogé par la loi du 25 décembre 2016, est rétabli comme suit: 18 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 “9° op 20 of 15 pct. voor de dividenden die worden uitgekeerd door een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alter- natieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, indien en in de mate dat deze inkomsten voortkomen uit dividenden die in aanmerking komen om respectievelijk aan het in § 2, tweede lid, 2°, of het in § 2, tweede lid, 1°, vermelde tarief onderworpen te worden.”. Art. 55 De artikelen 47, 48 en 50 tot 53 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2019. Artikelen 49 en 54 zijn van toepassing op de inkom- sten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2018. HOOFDSTUK 3 Forfaitaire beroepskosten Art. 56 In artikel 51 van het Wetboek van de inkomsten- belastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt: “Met betrekking tot andere bezoldigingen, winst en baten dan vergoedingen verkregen tot volledig of ge- deeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldi- gingen, winst of baten, worden de beroepskosten, de in artikel 52, 7° en 8°, bedoelde bijdragen en sommen en, wat winst betreft, de aankoopprijs van de verkochte handelsgoederen en van de grondstoffen uitgezonderd, bij gebrek aan bewijzen forfaitair bepaald op percen- tages van het brutobedrag van die inkomsten, vooraf verminderd met de voormelde bijdragen en sommen en de voormelde aankoopprijs.”; 2° in het tweede lid, wordt een bepaling onder 5° ingevoegd, luidende: “5° voor winst: 30 pct.”; 3° in het derde lid, worden de woorden “voor het geheel van de inkomsten als vermeld in het tweede lid, 1°,” vervangen door de woorden “voor het geheel van de inkomsten van éénzelfde categorie als vermeld in het tweede lid, 1° en 5°,”; “9° à 20 ou 15 p.c., pour les dividendes distribués par une pricaf privée visée à l’article 298 de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires, à condition et dans la mesure où ces revenus proviennent de divi- dendes qui entrent en ligne de compte afi n d’être soumis respectivement au taux visé au § 2, alinéa 2, 2°, ou au § 2, alinéa 2, 1°.”. Art. 55 Les articles 47, 48 et 50 à 53 sont applicables à partir de l’exercice d’imposition 2019. Les articles 49 et 54 sont applicables aux revenus attribués ou mis en paiement à partir du 1er janvier 2018. CHAPITRE 3 Frais professionnels forfaitaires Art. 56 À l’article 51 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifi é en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “Pour ce qui concerne les rémunérations, les béné- fi ces et les profi ts autres que les indemnités obtenues en réparation totale ou partielle d’une perte temporaire de rémunérations, de bénéfi ces ou de profi ts, les frais professionnels autres que les cotisations et sommes visées à l’article 52, 7° et 8°, et, en ce qui concerne les bénéfi ces, autres que le prix d’achat des marchandises vendues et des matières premières, sont, à défaut de preuves, fi xés forfaitairement en pourcentages du montant brut de ces revenus préalablement diminués desdites cotisations et sommes et dudit prix d’achat.”; 2° dans l’alinéa 2, un 5° est ajouté, rédigé comme suit: “5° pour les bénéfi ces: 30 p.c.”; 3° à l’alinéa 3, les mots “pour l’ensemble des revenus visé à l’alinéa 2, 1°,” sont remplacés par les mots “pour l’ensemble des revenus d’une même catégorie visés à l’alinéa 2, 1° et 5°,”; 19 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 4° het artikel wordt aangevuld met een vijfde lid, luidende: “De belastingplichtigen die bij toepassing van artikel 342, § 1, worden belast op grond van forfaitaire grondsla- gen van aanslag, evenals hun meewerkende echtgenoot voor het aandeel dat hij uit dergelijke forfaitair vastge- stelde inkomsten verkrijgt, kunnen geen gebruik maken van het forfait bepaald in het tweede lid, 3°, 4° en 5°.”. Art. 57 In titel III, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 194octies ingevoegd, luidende: “Art. 194octies. Artikel 51, tweede lid, 5°, is niet van toepassing.”. Art. 58 De artikelen 56 en 57 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2018 en zijn van toepassing vanaf aan- slagjaar 2019. HOOFDSTUK 4 Derde pijler Art. 59 Artikel 1452 van het Wetboek van de inkomstenbelas- tingen 1992, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en vervangen bij de wet van 13 december 2012, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende: “In afwijking van het eerste lid, wordt de belastingver- mindering voor de in artikel 1451, 5°, bedoelde uitgaven berekend tegen het tarief van 25 pct., voor de bedragen vermeld in artikel 1458, § 1, derde lid.”. Art. 60 In artikel 1458, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt het woord “bedragen” vervangen door het woord “betalingen” en worden de woorden “worden betaald” vervangen door de woorden “zijn gedaan”; 4° l’article est complété par un alinéa 5, rédigé comme suit: “Les contribuables imposés sur des bases forfaitaires de taxation en application de l’article 342, § 1er, ainsi que leur conjoint aidant pour la part qu’il perçoit du revenu déterminé forfaitairement, ne peuvent faire usage du forfait prévu à l’alinéa 2, 3°, 4° et 5°.”. Art. 57 Dans le titre III, chapitre II, section IV, sous-section 1re, du même Code, un article 194octies est inséré, rédigé comme suit: “Art. 194octies. L’article 51, alinéa 2, 5°, ne s’ap- plique pas.”. Art. 58 Les articles 56 et 57 produisent leurs effets le 1er jan- vier  2018  et sont applicables à partir de l’exercice d’imposition 2019. CHAPITRE 4 Troisième pilier Art. 59 L’article 1452 du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et remplacé par la loi du 13 décembre 2012, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit: “Par dérogation à l’alinéa 1er, la réduction d’impôt pour les dépenses visées à l’article 1451, 5°, est calculée au taux de 25 p.c. pour les montants visés à l’article 1458, § 1er, alinéa 3.”. Art. 60 Dans l’article 1458, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et modifi é en dernier lieu par la loi du 18 décembre 2015, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, le mot “montants” est remplacé par le mot “paiements” et le mot  “payés” est remplacé par le mot  “faits”; 20 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 2° tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende: “In afwijking van het vorige lid, mag de belasting- plichtige ervoor kiezen om meer dan het in het tweede lid vermelde bedrag met een maximum van 800 euro in aanmerking te nemen voor de belastingverminde- ring. De belastingplichtige deelt zijn defi nitieve keuze mee aan de instellingen en ondernemingen bedoeld in artikel 14515 alvorens hij het maximumbedrag bedoeld in het vorige lid mag overschrijden. De keuze van de belastingplichtige is onherroepelijk en uitsluitend geldig voor het betrokken belastbare tijdperk.”. Art. 61 In artikel 14510, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewij- zigd bij de wetten van 6 juli 1994 en 18 december 2015, wordt de zin “Zij mogen geen betalingen in ontvangst nemen die hoger zijn dan het in artikel 1458, tweede lid, vastgestelde maximumbedrag.” vervangen als volgt: “Zij mogen geen betalingen in ontvangst nemen die hoger zijn dan het in artikel 1458, § 1, tweede lid, vastge- stelde maximumbedrag, met uitzondering van de boven dit maximum gestorte bedragen waarvoor jaarlijks een expliciet akkoord is gesloten en met een maximum van het in artikel 1458, § 1, derde lid, vastgestelde bedrag. Bij gebrek aan expliciet akkoord van de belastingplich- tige zoals bedoeld in artikel 1458, § 1, derde lid, moeten de bedragen boven het in artikel 1458, § 1, tweede lid, vastgestelde maximumbedrag kosteloos worden terug- gestort aan de belastingplichtige.”. Art. 62 In artikel 174/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 25 december 2017, en gewijzigd bij artikel 32 en artikel 50, worden de woorden “1458, § 1, tweede lid,” vervangen door de woorden “1458, § 1, tweede en derde lid,”. Art. 63 In artikel 364quater van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 28 juli 2011, worden de woorden “in afwijking van artikel 1458, derde lid,” vervangen door de woorden “in afwijking van artikel 1458, § 1, vierde lid,”. 2° entre l’alinéa 2 et l’alinéa 3, qui devient l’alinéa 4, un alinéa est inséré, rédigé comme suit: “Par dérogation à l’alinéa précédent, le contribuable peut choisir de prendre en considération pour la réduc- tion d’impôt un montant plus élevé que le montant visé à l’alinéa 2, avec un maximum de 800  euros. Le contribuable communique son choix défi nitif aux établissements et entreprises visés à l’article 14515 avant de pouvoir dépasser le montant maximum visé à l’alinéa précédent. Le choix du contribuable est irrévo- cable et uniquement valable pour la période imposable concernée.”. Art. 61 Dans l’article 14510, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et modifi é par les lois des 6 juillet 1994 et 18 décembre 2015, la phrase “Elles ne peuvent accepter des paiements d’un montant supérieur à celui visé à l’article 1458, alinéa 2.” est remplacée comme suit: “Ils ne peuvent accepter des paiements supérieurs au montant maximum visé à l’article 1458, § 1er, alinéa 2, exception faite des montants versés qui dépassent ce maximum pour lesquels un accord explicite est conclu annuellement, et avec un maximum égal au montant visé à l’article 1458, § 1er, alinéa 3. À défaut d’accord explicite du contribuable tel que visé à l’article 1458, § 1er, alinéa 3, les montants qui dépassent le montant maximum visé à l’article 1458, § 1er, alinéa 2, doivent être remboursés sans frais au contribuable.”. Art. 62 Dans l’article 174/1, alinéa 1er, du même Code, rétabli par la loi du 25 décembre 2017, et modifi é par l’article 32 et l’article 50, les mots “1458, § 1er, alinéa 2,” sont remplacés par les mots “1458, § 1er, alinéas 2 et 3,”. Art. 63 Dans l’article 364quater du même Code, inséré par la loi du 28 juillet 2011, les mots “par dérogation à l’article 1458, alinéa 3,” sont remplacés par les mots “par déro- gation à l’article 1458, § 1er, alinéa 4,”. 21 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 64 De artikelen 59 tot 63 hebben uitwerking vanaf aan- slagjaar 2019. HOOFDSTUK 5 Voordelen voor alleenstaande ouders met een laag inkomen Art. 65 In artikel 133 van het Wetboek van de inkomstenbelas- tingen 1992, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 27  december  2006, 22 december 2008 en 26 december 2015, worden tus- sen het eerste en het tweede lid, dat het vierde lid wordt, twee leden toegevoegd, luidende: “Het bedrag van de in het eerste lid, 1°, vermelde toeslag wordt verhoogd wanneer bijkomend aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: — geen andere persoon dan de kinderen, ascen- denten en zijverwanten tot en met de tweede graad van de belastingplichtige, en de personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest, maakt deel uit van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar; — het belastbare inkomen van de belastingplichtige bedraagt minder dan 10 700 euro; — de netto-beroepsinkomsten van de belastingplich- tige zijn minstens gelijk aan 1 800 euro, waarbij geen rekening wordt gehouden met de werkloosheidsuitkerin- gen, pensioenen en afzonderlijk belastbare inkomsten. De in het vorige lid bedoelde bijkomende toeslag is gelijk aan: — wanneer het belastbare inkomen van de belas- tingplichtige 8 445 euro bedraagt of minder: 565 euro; — wanneer het belastbaar inkomen van de belas- tingplichtige meer bedraagt dan 8 445 euro: 565 euro vermenigvuldigd met een breuk met als teller het ver- schil tussen 10 700 euro en het belastbare inkomen en met als noemer het verschil tussen 10 700 euro en 8 445 euro.”. Art. 66 In artikel 134, § 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 13 december 2012 en gewijzigd bij de Art. 64 Les articles 59 à 63 produisent leurs effets à partir de l’exercice d’imposition 2019. CHAPITRE 5 Avantages pour les parents isolés à bas revenu Art. 65 Dans l’article 133 du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé par la loi du 10 août 2001 et modifi é par les lois des 27 décembre 2006, 22 décembre 2008 et 26 décembre 2015, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés, entre l’alinéa 1er et l’alinéa 2, qui devient l’alinéa 4,: “Le montant du supplément visé à l’alinéa 1er, 1°, est majoré lorsqu’il est de plus satisfait aux conditions suivantes: — aucune personne autre que les enfants, ascen- dants et collatéraux jusqu’au deuxième degré inclusive- ment du contribuable, et les personnes qui ont assumé la charge exclusive ou principale du contribuable pen- dant l’enfance de celui-ci, ne fait partie du ménage du contribuable au 1er janvier de l’exercice d’imposition; — le revenu imposable du contribuable est inférieur à 10 700 euros; — les revenus professionnels nets du contribuable sont au moins égaux à 1 800 euros, les allocations de chômage, les pensions et les revenus imposables distinctement n’étant pas pris en compte. Le supplément additionnel visé à l’alinéa précédent est égal à: — lorsque le revenu imposable du contribuable s’élève à 8 445 euros ou moins: 565 euros; — lorsque le revenu imposable du contribuable s’élève à plus de 8 445 euros: 565 euros multipliés par une fraction dont le numérateur est égal à la différence entre 10 700 euros et le revenu imposable et dont le dénominateur est égal à la différence entre 10 700 euros et 8 445 euros.”. Art. 66 Dans l’article 134, § 3, du même Code, remplacé par la loi du 13 décembre 2012 et modifi é par les lois des 22 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 wetten van 26 december 2015 en 30 juni 2017, wordt tussen het tweede en het derde lid, dat het vierde lid wordt, een lid ingevoegd, luidende: ”Wanneer de in artikel 133, tweede lid, bedoelde bijko- mende toeslag aan de belastingplichtige wordt verleend: 1° wordt ook het deel van de overeenkomstig para- graaf 2, tweede lid, berekende belasting op de belas- tingvrije som dat niet in mindering kan worden gebracht van de overeenkomstig artikel 130 berekende belasting, in de mate dat het betrekking heeft op de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag, omgezet in een verrekenbaar en terugbetaalbaar belastingkrediet; 2° gelden de volgende regels om het deel van de be- lasting op de belastingvrije som, dat betrekking heeft op de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen en de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag, te bepalen: a) de belastingvrije som wordt geacht achtereenvol- gens te bestaan uit: — het in artikel 131 vermelde basisbedrag van de belastingvrije som; — de in de artikelen 132, eerste lid, 7° en 8°, en 133, eerste lid, vermelde toeslagen; — de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen; — de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijko- mende toeslag; b) er wordt geen rekening gehouden met het gedeelte van de belastingvrije som dat het belastbare inkomen overschrijdt en niet bestaat uit de in artikel 132, eerste lid, 1° tot 6°, vermelde toeslagen en de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag; 3° wordt het maximumbedrag van het belastingkrediet per belastingplichtige verhoogd met het bedrag van de overeenkomstig paragraaf 2, tweede lid, en het 2° van dit lid berekende belasting op de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag dat niet in mindering kan worden gebracht van de overeenkomstig artikel 130 berekende belasting.”. Art. 67 In artikel 14535 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2012 en gewijzigd bij de 26 décembre 2015 et 30 juin 2017, il est inséré entre l’alinéa 2 et l’alinéa 3, qui devient l’alinéa 4, un alinéa, rédigé comme suit: “Lorsque le supplément additionnel visé à l’article 133, alinéa 2, est accordé au contribuable: 1° la partie de l’impôt sur la quotité du revenu exemp- tée d’impôt calculée conformément au paragraphe 2, alinéa 2, qui ne peut être portée en déduction de l’impôt calculé conformément à l’article 130, dans la mesure où elle se rapporte au supplément additionnel visé à l’article 133, alinéa 2, est également convertie en un crédit d’impôt imputable et remboursable; 2° les règles suivantes sont applicables afin de déterminer la partie de l’impôt sur la quotité du revenu exemptée d’impôt qui se rapporte aux suppléments visés à l’article 132, alinéa 1er, 1° à 6°, et au supplément additionnel visé à l’article 133, alinéa 2: a) la quotité du revenu exemptée d’impôt est censée être successivement composée: — du montant de base de la quotité du revenu exemp- tée d’impôt visé à l’article 131; — des suppléments visés aux articles 132, alinéa 1er, 7° et 8°, et 133, alinéa 1er; — des suppléments visés à l’article 132, alinéa 1er, 1° à 6°; — du supplément additionnel visé à l’article 133, alinéa 2; b) il n’est pas tenu compte de la partie de la quo- tité du revenu exemptée d’impôt qui excède le revenu imposable et qui n’est pas composée des suppléments visés à l’article 132, alinéa 1er, 1° à 6°, et du supplément additionnel visé à l’article 133, alinéa 2; 3° le montant maximum du crédit d’impôt est aug- menté par contribuable du montant de l’impôt calculé conformément au § 2, alinéa 2, et au 2° du présent ali- néa, sur le supplément additionnel visé à l’article 133, alinéa 2, qui ne peut être porté en déduction de l’impôt calculé conformément à l’article 130.”. Art. 67 Dans l’article 14535 du même Code, inséré par la loi du 13 décembre 2012 et modifi é par les lois des 23 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 wetten van 8 mei 2014 en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) tussen het zevende en het achtste lid, dat het negende lid wordt, wordt een lid ingevoegd, luidende: “Wanneer aan de belastingplichtige de in artikel 133, tweede lid, vermelde bijkomende toeslag wordt verleend, wordt een bijkomende belastingvermindering verleend die wordt berekend tegen het tarief van: 1° wanneer het bedrag van de bijkomende toeslag wordt bepaald overeenkomstig artikel 133, derde lid, eerste streepje: 30 pct.; 2° wanneer het bedrag van de bijkomende toeslag wordt bepaald overeenkomstig artikel 133, derde lid, tweede streepje: 30 pct. vermenigvuldigd met de in artikel 133, derde lid, tweede streepje vermelde breuk.”; b) tussen het achtste lid, dat door het 1° het negende lid is geworden, en het negende lid, dat door het 1° het tiende lid is geworden, wordt een lid ingevoegd luidende: “Het gedeelte van de overeenkomstig het achtste lid verleende bijkomende belastingvermindering dat na toepassing van artikel 178/1 niet is aangerekend, wordt omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet.”. Art. 68 In artikel 245, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de programmawet van 10 augustus 2015, worden in de bepaling onder het tweede streepje de woorden “in de artikelen 134, § 3, en 14524, § 1, vijfde lid, vermelde belastingkredieten” vervangen door de woorden “in de artikelen 134, § 3, en 14535, tiende lid, vermelde belastingkredieten”. Art. 69 In artikel 304, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de woorden “in de artikelen 134, § 3, en 14524, § 1, vijfde lid, bedoelde belastingkredieten” vervangen door de woorden “in de artikelen 134, § 3, en 14535, tiende lid, bedoelde belastingkredieten”. Art. 70 In artikel 413/1, §  1, tweede lid, eerste en derde streepje, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet 8 mai 2014 et 18 décembre 2015, les modifi cations suivantes sont apportées: a) entre l’alinéa 7 et l’alinéa 8, qui devient l’alinéa 9, un alinéa est inséré, rédigé comme suit: “Lorsque le supplément additionnel visé à l’article 133, alinéa 2, est octroyé au contribuable, une réduction d’impôt complémentaire est octroyée qui est calculée au taux de: 1° lorsque le montant du supplément additionnel est déterminé conformément à l’article 133, alinéa 3, premier tiret: 30 p.c.; 2° lorsque le montant du supplément additionnel est déterminé conformément à l’article 133, alinéa 3, deuxième tiret: 30 p.c. multipliés par la fraction visée à l’article 133, alinéa 3, deuxième tiret.”; b) entre l’alinéa 8, devenu l’alinéa 9 suite au 1°, et l’alinéa 9, devenu l’alinéa 10 suite au 1°, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit: “La partie de la réduction d’impôt complémentaire octroyée conformément à l’alinéa 8 qui n’a pas pu être imputée après application de l’article 178/1, est convertie en un crédit d’impôt remboursable.”. Art. 68 Dans l’article 245, alinéa 1er, 1°, du même Code, remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par la loi- programme du 10 août 2015, dans le deuxième tiret, les mots “des crédits d’impôt visés aux articles 134, § 3, et 14524, § 1er, alinéa 5,” sont remplacés par les mots “des crédits d’impôt visés aux articles 134, § 3, et 14535, alinéa 10,”. Art. 69 Dans l’article 304, § 2, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 8 mai 2014 et modifi é par la loi du 18 décembre 2015, les mots “des crédits d’impôt visés aux articles 134, § 3, et 14524, § 1er, alinéa 5,” sont remplacés par les mots “des crédits d’impôt visés aux articles 134, § 3, et 14535, alinéa 10,”. Art. 70 Dans l’article 413/1, §  1er, alinéa  2, premier et troisième tiret, du même Code, inséré par la loi du 24 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 van 1 december 2016, worden de woorden “belasting- kredieten als bedoeld in de artikelen 134, § 3,” vervan- gen door de woorden “belastingkredieten als bedoeld in de artikelen 134, § 3, 14535, tiende lid,”. Art. 71 De artikelen 65 tot 70 hebben uitwerking vanaf aan- slagjaar 2018. HOOFDSTUK 6 Afzonderlijke belasting van bepaalde vergoedingen Art. 72 In artikel 171, 5°, b, van het Wetboek van de inkom- stenbelastingen 1992, worden de woorden “vergoedin- gen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van beroepsinkomsten als bedoeld in de arti- kelen 25, 6°, b, 27, tweede lid, 4°, b, en 32, tweede lid, 2°, en” ingevoegd voor de woorden “bezoldigingen, pensioenen, renten”. Art. 73 Artikel 72 treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen die ingaat de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad en is van toepassing op de vergoedingen die worden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2018, met uitzondering van de vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of baten die reeds vóór 1 januari 2018 werden vastgesteld of vermoed en van de vergoedingen tot vol- ledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of baten die vanaf 1 januari 2018 werden vastge- steld of vermoed en verbonden zijn aan een belastbaar tijdperk dat vóór de datum van inwerkingtreding van het artikel wordt afgesloten. HOOFDSTUK 7 Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing Art. 74 In artikel 2755 van het Wetboek van de inkom- stenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2015 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1er décembre 2016, les mots “des crédits d’impôt visés aux articles 134, § 3,” sont remplacés par les mots “des crédits d’impôt visés aux articles 134, § 3, 14535, alinéa 10,”. Art. 71 Les articles 65 à 70 produisent leurs effets à partir de l’exercice d’imposition 2018. CHAPITRE 6 Taxation distincte de certaines indemnités Art. 72 Dans l’article 171, 5°, b, du Code des impôts sur les revenus 1992, les mots “les indemnités en réparation totale ou partielle d’une perte temporaire de revenus professionnels visées aux articles 25, 6°, b, 27, alinéa 2, 4°, b, et 32, alinéa 2, 2°, et” sont insérés avant les mots “les rémunérations, pensions, rentes”. Art. 73 L’article 72 entre en vigueur le premier jour du mois qui suit l’expiration d’un délai de dix jours prenant cours le jour suivant sa publication au Moniteur belge et est applicable aux indemnités payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2018, à l’exception des indemnités en réparation totale ou partielle d’une perte temporaire de bénéfi ces ou de profi ts constatées ou présumées, avant le 1er janvier 2018 et des indemnités en réparation totale ou partielle d’une perte temporaire de béné- fi ces ou de profi ts constatées ou présumées, après le 1er janvier 2018 liées à une période imposable qui s’est terminée avant la date de l’entrée en vigueur de l’article. CHAPITRE 7 Dispense de versement du précompte professionnel Art. 74 A l’article 2755 du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modi- fi é en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2015, les modifi cations suivantes sont apportées: 25 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “van de belastbare bezoldigingen” vervangen door de woorden “van het totaal van de belastbare bezoldigin- gen van al de werknemers op wie deze paragraaf van toepassing is samen”; 2° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden “in hoofde van wie de vrijstelling wordt gevraagd” vervan- gen door de woorden “voor wie de vrijstelling voorzien in dit artikel wordt gevraagd”; 3° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden “voor zover het bezoldigingen betreft” ingevoegd tussen de woorden “wordt enkel toegekend” en de woorden “voor werknemers die”; 4° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5 luidende: “§ 5. In afwijking van de vorige paragrafen worden voor de toepassing van dit artikel eveneens verstaan on- der ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht: — de ondernemingen waar het werk wordt verricht in één of meerdere ploegen van minstens twee personen, die hetzelfde of complementair werk doen zowel qua inhoud als qua omvang; — en in zover het gaat om werken bedoeld in artikel 20, §  2, van het koninklijk besluit nr. 1  van 29  december  1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toege- voegde waarde. Voor de ondernemingen bedoeld in het eerste lid, wordt een bruto-uurloon van minstens 13,75 euro. ge- lijkgesteld met een ploegenpremie als bedoeld in § 1, eerste lid. Voor de ondernemingen bedoeld in het eerste lid wordt de vrijstelling bedoeld in paragraaf 1 bepaald op 3 pct. van het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de betrokken werknemers samen. In afwijking van paragraaf 1 geldt de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing enkel voor de belastbare bezoldigin- gen van de werknemers die in ploegverband werken in onroerende staat verrichten op locatie. De in het vorige lid bedoelde belastbare bezoldigin- gen, ploegenpremies inbegrepen, zijn de overeenkom- stig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belast- bare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van de premies, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen. 1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “des rému- nérations imposables” sont remplacés par les mots ”de l’ensemble des rémunérations imposables de tous les travailleurs concernés par le présent paragraphe”; 2° au paragraphe 1er, alinéa 3, les mots “pour lesquels la dispense est invoquée” sont remplacés par les mots “pour lesquels la dispense prévue dans le présent article est invoquée”; 3° au paragraphe 1er, alinéa 4, les mots “pour autant qu’il s’agit de rémunérations” sont insérés entre les mots “n’est accordée que” et les mots “pour les travailleurs”; 4° l’article est complété par un paragraphe 5 rédigé comme suit: “§ 5. Par dérogation aux paragraphes précédents, sont aussi comprises comme entreprises où s’effectue un travail en équipe pour l’application du présent article: — les entreprises où le travail est effectué en une ou plusieurs équipes comprenant deux personnes au moins, lesquelles font le même travail ou un travail com- plémentaire tant en ce qui concerne son objet qu’en ce qui concerne son ampleur; — et pour autant qu’il s’agisse de travaux visés à l’ar- ticle 20, § 2, de l’arrêté royal n°1 du 29 décembre 1992 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée. Pour les entreprises visées à l’alinéa 1er, un salaire horaire brut d’au moins 13,75 euros est assimilé à la prime d’équipe visée au § 1er, alinéa 1er. Pour les entreprises visées par l’alinéa 1er, la dispense visée au paragraphe 1er est fi xée à 3 p.c. de l’ensemble des rémunérations imposables de tous les travailleurs concernés. Par dérogation au paragraphe 1er, la dispense de précompte professionnel ne s’applique que pour les rémunérations imposables des travailleurs qui exécutent des travaux immobiliers en équipe sur place. Les rémunérations imposables, primes d’équipe comprises, visées à l’alinéa précédent sont les rémuné- rations imposables des travailleurs déterminées confor- mément à l’article 31, alinéa 2, 1° et 2°, à l’exclusion des primes, du pécule de vacances, de la prime de fi n d’année et des arriérés de rémunérations. 26 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 De ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid die uitzendkrachten ter beschikking stellen van onder- nemingen bedoeld in het eerste lid, zijn voor wat betreft de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen van deze uitzendkrachten, gelijkgesteld met die ondernemingen. Het bedrag bedoeld in het tweede lid wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig artikel 178, § 4. Vanaf 1 januari 2019 bedraagt het percentage be- doeld in het derde lid 6 pct. en vanaf 1 januari 2020 bedraagt het percentage 18 pct.”. Art. 75 Dit hoofdstuk is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2018 worden betaald of toegekend. HOOFDSTUK 8 Financiële bepalingen Afdeling 1 Wijziging van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor fi nanciële diensten Art. 76 In artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de crisismaat- regelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor fi nanciële diensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, wordt de bepaling onder 1°bis vervangen als volgt: “1°bis. de jaarlijkse bijdragen van de kredietinstel- lingen naar Belgisch recht vermeld in artikel 4, § 1, 1°, aan het Garantiefonds, worden berekend op basis van de volgende formule: Ci = CR * ARWi * CDi * μ waarbij: Ci = Jaarlijkse bijdrage van aangesloten instelling “i” CR = Bijdragepercentage Les entreprises agréées pour le travail intérimaire qui mettent des intérimaires à disposition d’entreprises visées à l’alinéa 1er sont, en ce qui concerne la dispense de versement du précompte professionnel sur les rému- nérations imposables de ces intérimaires, assimilées à ces entreprises. Le montant visé à l’alinéa 2 est indexé annuellement conformément l’article 178, § 4. A partir du 1er janvier 2019 le pourcentage visé à l’alinéa 3 s’élève à 6 p.c. et à partir du 1er janvier 2020 le pourcentage s’élève à 18 p.c.”. Art. 75 Le présent chapitre est applicable aux rémunérations payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2018. CHAPITRE 8 Dispositions fi nancières Section 1re Modifi cation de l’arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution des mesures anti-crise reprises dans la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, en ce qui concerne la création du Fonds de garantie pour les services fi nanciers Art. 76 Dans l’article 8, § 1er, alinéa 1er, de l’arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution des mesures anti- crise reprises dans la loi du 22 février 1998 fi xant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, en ce qui concerne la création du Fonds de garantie pour les services fi nanciers, modifi é en dernier lieu par la loi du du 31 juillet 2017, le 1°bis est remplacé par ce qui suit: “1°bis. les contributions annuelles des établisse- ments de crédits de droit belge visés à l’article 4, § 1er, 1°, au Fonds de garantie sont calculées sur base de la formule suivante: Ci = CR * ARWi * CDi * μ où: Ci= Contribution annuelle de l’institution affiliée “i” CR = Pourcentage de contribution 27 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 ARWi = Geaggregeerd risicogewicht voor aangeslo- ten instelling “i” CDi = Gedekte deposito’s voor aangesloten in- stelling “i” μ = Aanpassingscoëfficiënt. De hoogte van het bijdragepercentage (CR) bedraagt 0,105 % van de gedekte deposito’s. Het gemiddelde van de bedragen aan gedekte deposito’s op 31  maart, 30  juni, 30  september en 31 december van het vorige jaar, vormt de grondslag voor een aangesloten instelling “i” (CDi). De aanpassingscoëfficiënt (μ) wordt berekend aan de hand van volgende formule: Waarbij: CD= De intervallen die het geaggregeerde risicogewicht (ARWi) van een instelling “i” bepalen op basis van hun geaggregeerde risicoscore (ARSi) zijn de volgende: Risiconiveau Intervallen voor ARS ARW Zeer laag risico x <12 50% Laag risico 12≤ x <37 75% Gemiddeld risico 37≤ x ≤50 100% Hoog risico 50< x <63 125% Zeer hoog risico 63 ≤ x 150% De geaggregeerde risicoscore (ARSi) voor instel- ling “i” wordt voor elke instelling berekend volgens de volgende formule: Waarbij: IWj = Indicatorgewicht van de indicator Aj IRSj = IRSxj, individuele risicoscore voor sommige X in {A,B,…,M} (d.w.z. de emmer die overeenkomt met indicator Aj) =100 % ARWi = Coefficient de pondération du risque agrégé pour l’institution affiliée “i” CDi = Dépôts couverts pour l’institution affiliée “i” μ = Coefficient d’adaptation. La hauteur du pourcentage de contribution (CR) s’élève à 0,105 % des dépôts couverts. La moyenne des montants des dépôts couverts au 31 mars, 30 juin, 30 septembre et 31 décembre de l’année précédente forme la base pour l’institution affiliée “i” (CDi). Le coefficient d’adaptation (μ) est calculé à l’aide de la formule suivante: Où: CD= Les intervalles défi nissant le coefficient de pondé- ration du risque agrégé (ARWi) d’une institution “i” sur base de leur score de risque agrégé (ARSi) sont les suivants: Niveau de risque Intervalles pour l'ARS ARW Risque très faible x <12 50 % Risque faible 12≤ x <37 75 % Risque moyen 37≤ x ≤50 100 % Risque élevé 50< x <63 125 % Risque très élevé 63 ≤ x 150 % Le score des risques agrégés (ARSi) pour l’institution “i” est calculé pour chaque institution selon la for- mule suivante: Où: IWj = Coefficient de pondération de l’indicateur Aj IRSj = IRSxj, score de risque individuel pour certains X dans {A, B,,…,M} (c.-à-d. le seau correspondant à l’indicateur Aj) =100 % 28 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 De indicatoren (Aj) en hun indicatorgewicht (IW) die moeten worden gebruikt voor de berekening van de op risico-gebaseerde bijdragen zijn de volgende: Les indicateurs (Aj) et leurs coefficients de pondé- ration (IW) qui doivent être utilisés pour le calcul des contributions basées sur les risques sont les suivants: 29 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Indicator Formule/Beschrijving Indicator-gewicht 1. Kapitaal 1.1. Hefboom-ratio ܶ݅݁ݎ 1 ܿܽ݌݅ݐ݈ܽ (ݐݎܽ݊ݏ݅ݐ݅݋݈݊ܽ ݂݀݁݅݊݅ݐ݅݋݊) ܶ݋ݐ݈ܽ ݈݁ݒ݁ݎܽ݃݁ ݎܽݐ݅݋ ݁ݔ݌݋ݏݑݎ݁ 15% 1.2. Tier 1-kernkapitaalratio (CET1-ratio) Common Equity Tier 1 capital Risk െweighted assets 9% 2. Liquiditeit en financiering 2.1. Liquiditeitsdekkingsratio (Liquidity Coverage Ratio - LCR) ݏݐ݋ܿ݇ ݋݂ ܪܳܮܣ ܶ݋ݐ݈ܽ ݊݁ݐ ܿܽݏ݄ ݋ݑݐ݂݈݋ݓݏ ݋ݒ݁ݎ ݐ݄݁ ݊݁ݔݐ 30 ݈ܿܽ݁݊݀ܽݎ ݀ܽݕݏ 24% 2.2. Nettostabielefinancieringsratio (net stable funding ratio - NSFR) available stable funding required stable funding 0% 3. Kwaliteit van de activa 3.1. Niet-renderende-leningenratio (Non-performing loans ratio - NPL- ratio) Gross non െperforming loans Gross total loans 18% 4. Bedrijfsmodel en management 4.1. Risico-gewogen activa (RWA) / Totale activa Risk െweighted assets Total assets 8,5% 4.2. Rendement op activa (RoA) Net profit or loss Total assets 8,5% 4.3. Resultaat stresstests De resultaten van de stresstests, georganiseerd binnen het kader van artikel 380, vijfde lid, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen dat zal uitgevoerd worden door het Garantiefonds voor financiële diensten. 0% 5. Potentiële verliezen voor het depositobeschermingsstelsel 5.1. Niet-bezwaarde activa / gewaarborgde deposito's Total assets െencumbered assets Covered deposits 17% 30 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Indicateur Formule / Description Coefficient de pondération 1. Capital 1.1. Ratio de levier ܶ݅݁ݎ 1 ܿܽ݌݅ݐ݈ܽ (ݐݎܽ݊ݏ݅ݐ݅݋݈݊ܽ ݂݀݁݅݊݅ݐ݅݋݊) ܶ݋ݐ݈ܽ ݈݁ݒ݁ݎܽ݃݁ ݎܽݐ݅݋ ݁ݔ݌݋ݏݑݎ݁ 15% 1.2. Ratio des fonds propres de base - Tier 1 (ratio CET1) ܥ݋݉݉݋݊ ܧݍݑ݅ݐݕ ܶ݅݁ݎ 1 ܿܽ݌݅ݐ݈ܽ ܴ݅ݏ݇െݓ݄݁݅݃ݐ݁݀ ܽݏݏ݁ݐݏ 9% 2. Liquidités et financement 2.1. Ratio de couverture des liquidités (Liquidity Coverage Ratio - LCR) ݏݐ݋ܿ݇ ݋݂ ܪܳܮܣ ܶ݋ݐ݈ܽ ݊݁ݐ ܿܽݏ݄ ݋ݑݐ݂݈݋ݓݏ ݋ݒ݁ݎ ݐ݄݁ ݊݁ݔݐ 30 ݈ܿܽ݁݊݀ܽݎ ݀ܽݕݏ 24% 2.2. Ratio de financement stable net (net stable funding ratio - NSFR) ܽݒ݈ܾ݈ܽ݅ܽ݁ ݏݐܾ݈ܽ݁ ݂ݑ݊݀݅݊݃ ݎ݁ݍݑ݅ݎ݁݀ ݏݐܾ݈ܽ݁ ݂ݑ݊݀݅݊݃ 0% 3. Qualité des actifs 3.1. Ratio de prêts non productifs (Non-performing loans ratio - NPL- ratio) ܩݎ݋ݏݏ ݊݋݊െ݌݁ݎ݂݋ݎ݉݅݊݃ ݈݋ܽ݊ݏ ܩݎ݋ݏݏ ݐ݋ݐ݈ܽ ݈݋ܽ݊ݏ 18% 4. Modèle d'entreprise et management 4.1. Actifs pondérés en fonction des risques (RWA) / Total des actifs ܴ݅ݏ݇െݓ݄݁݅݃ݐ݁݀ ܽݏݏ݁ݐݏ ܶ݋ݐ݈ܽ ܽݏݏ݁ݐݏ 8,5% 4.2. Rendement des actifs (RoA) ܰ݁ݐ ݌ݎ݋݂݅ݐ ݋ݎ ݈݋ݏݏ ܶ݋ݐ݈ܽ ܽݏݏ݁ݐݏ 8,5% 4.3. Résultat des tests de résistance Les résultats des tests de résistance, organisés dans le cadre de l'article 380, alinéa 5, de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse, qui seront exécutés par le Fonds de garantie pour les services financiers. 0% 5. Pertes potentielles pour le système de protection des dépôts 5.1. Actifs non grevés / dépôts assurés ܶ݋ݐ݈ܽ ܽݏݏ݁ݐݏെ݁݊ܿݑܾ݉݁ݎ݁݀ ܽݏݏ݁ݐݏ ܥ݋ݒ݁ݎ݁݀ ݀݁݌݋ݏ݅ݐݏ 17% 31 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Na akkoord van de Nationale Bank van België past de Koning de indicatorgewichten aan overeenkomstig de minimumgewichten die de Europese Bankautoriteit vastlegt, om alle risico-indicatoren te activeren. De intervallen die de individuele risicoscore (IRS) bepalen die aan elke risico-indicator (Aj) moet worden toegekend, in functie van zijn waarde, zijn de volgende: Risico-indicator Risiconiveau Intervallen Individuele risicoscore 1.1. Hefboomratio zeer hoog risico X < 1% 100 hoog risico 1% ” X < 3% 75 gemiddeld risico 3% ” X < 7% 50 laag risico 7% ” X < 11% 25 zeer laag risico 11% ” X 0 1.2. Tier 1- kernkapitaalratio zeer hoog risico X < 5% 100 hoog risico 5% ” X < 7% 75 gemiddeld risico 7% ” X < 13% 50 laag risico 13% ” X < 17% 25 zeer laag risico 17% ” X 0 2.1. Liquiditeitsdekkingsratio zeer hoog risico X < 80% 100 hoog risico 80% ” X < 100% 75 gemiddeld risico 100% ” X < 120% 50 laag risico 120% ” X < 140% 25 zeer laag risico 140% ” X 0 2.2. Nettostabielefinancierings- ratio zeer hoog risico X < 80% 100 hoog risico 80% ” X < 100% 75 gemiddeld risico 100% ” X < 120% 50 laag risico 120% ” X < 140% 25 zeer laag risico 140% ” X 0 3.1.Niet-renderende- leningenratio zeer laag risico X < 2% 0 laag risico 2% ” X < 3% 25 Après accord de la Banque Nationale de Belgique, le Roi adapte les coefficients de pondération, conformé- ment aux coefficients minimaux que l’Autorité bancaire européenne fi xe, afi n d’activer tous les indicateurs de risque. Les intervalles déterminant le score de risque indivi- duel (IRS) à attribuer à chaque indicateur de risque (Aj), en fonction de sa valeur, sont les suivants: 32 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 gemiddeld risico 3% ” X < 6% 50 hoog risico 6% ” X < 12% 75 zeer hoog risico 12% ” X 100 4.1. RWA / Totale activa zeer laag risico X < 30% 0 laag risico 30% ” X < 45% 25 gemiddeld risico 45% ” X < 60% 50 hoog risico 60% ” X < 75% 75 zeer hoog risico 75% ” X 100 4.2. RoA zeer hoog risico X < 0% 100 hoog risico 0% ” X < 0,2% 75 gemiddeld risico 0,2% ” X < 0,7% 50 laag risico 0,7% ” X < 1,2% 25 zeer laag risico 1,2% ” X 0 4.3. Resultaat stress tests hoog risico X = -1 100 gemiddeld risico X = 0 50 laag risico X = 1 0 5.1. Niet-bezwaarde activa / Gewaarborgde deposito's zeer hoog risico X < 120% 100 hoog risico 120% ” X < 140% 75 gemiddeld risico 140% ” X < 160% 50 laag risico 160% ” X < 180% 25 zeer laag risico 180% ” X 0 33 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Indicateur de risque Niveau de risque Intervalles Score de risque individuel 1.1. Ratio de levier risque très élevé X < 1 % 100 risque élevé 1 % ” X < 3 % 75 risque moyen 3 % ” X < 7 % 50 risque faible 7 % ” X < 11 % 25 risque très faible 11 % ” X 0 1.2. Ratio des fonds propres de base - Tier 1 risque très élevé X < 5 % 100 risque élevé 5 % ” X < 7 % 75 risque moyen 7 % ” X < 13 % 50 risque faible 13 % ” X < 17 % 25 risque très faible 17 % ” X 0 2.1. Ratio de couverture des liquidités risque très élevé X < 80 % 100 risque élevé 80 % ” X < 100 % 75 risque moyen 100% ” X < 120 % 50 risque faible 120% ” X < 140 % 25 risque très faible 140% ” X 0 2.2. Ratio de financement stable net risque très élevé X < 80 % 100 risque élevé 80 % ” X < 100 % 75 risque moyen 100% ” X < 120 % 50 risque faible 120% ” X < 140 % 25 risque très faible 140% ” X 0 3.1. Ratio de prêts non productifs risque très faible X < 2 % 0 34 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 risque faible 2 % ” X < 3 % 25 risque moyen 3 % ” X < 6 % 50 risque élevé 6 % ” X < 12 % 75 risque très élevé 12 % ” X 100 4.1. RWA / Total de l’actif risque très faible X < 30 % 0 risque faible 30 % ” X < 45 % 25 risque moyen 45 % ” X < 60 % 50 risque élevé 60 % ” X < 75 % 75 risque très élevé 75 % ” X 100 4.2. RoA risque très élevé X < 0 % 100 risque élevé 0 % ” X < 0,2 % 75 risque moyen 0,2 % ” X < 0,7 % 50 risque faible 0,7 % ” X < 1,2 % 25 risque très faible 1,2 % ” X 0 4.3. Résultat des tests de résistance risque élevé X = -1 100 risque moyen X = 0 50 risque faible X = 1 0 5.1. Actifs non grevés / Dépôts garantis risque très élevé X < 120 % 100 risque élevé 120% ” X < 140 % 75 risque moyen 140% ” X < 160 % 50 risque faible 160% ” X < 180 % 25 risque très faible 180% ” X 0 35 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Na akkoord van de Nationale Bank van België kan de Koning de intervallen die de individuele risicoscore (IRS) bepalen die aan elke risico-indicator (Aj) moet worden toegekend, in functie van zijn waarde, aanpassen. De koninklijke besluiten tot aanpassing van de inter- vallen die de individuele risicoscore (IRS) bepalen die aan elke risico-indicator (Aj) moet worden toegekend, in functie van zijn waarde, hebben geen gevolg meer indien zij niet worden bekrachtigd door de wet binnen de twaalf maanden vanaf hun datum van inwerkingtre- ding. De bekrachtiging werkt terug tot op de datum van inwerkingtreding van de koninklijke besluiten. Na akkoord van de Nationale Bank van België, kan de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, bijkomende risico-indicatoren vastleggen die gebruikt dienen te worden bij de berekening van de op de risico’s gebaseerde bijdragen. De Nationale Bank van België deelt jaarlijks aan het Garantiefonds, op zijn verzoek, de door de Nationale Bank van België berekende waarde van de indicatoren mee van de kredietinstellingen naar Belgisch recht die toelaten hun individuele risicoscore te bepalen;”. Afdeling 2 Opheffingsbepaling Art. 77 Het koninklijk besluit van 22 april 2012 tot uitvoering van artikel 8, § 1, eerste lid, 1°bis, van het koninklijk be- sluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de fi nanciële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en an- dere verrichtingen in het kader van de fi nanciële stabili- teit, voor wat betreft de bescherming van de deposito’s, de levensverzekeringen en het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de fi nanciële sector en de fi nanciële diensten, gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, wordt opgeheven. Afdeling 3 Inwerkintreding Art. 78 Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.”. Après accord de la Banque Nationale de Belgique, le Roi peut adapter les intervalles déterminant le score de risque individuel (IRS) à attribuer à chaque indicateur de risque (Aj), en fonction de sa valeur. Les arrêtés royaux adaptant les intervalles déter- minant le score de risque individuel (IRS) à attribuer à chaque indicateur de risque (Aj), en fonction de sa valeur cessent de produire leurs effets s’ils n’ont pas été confi rmés par la loi dans les douze mois de leur date d’entrée en vigueur. La confi rmation rétroagit à la date d’entrée en vigueur des arrêtés royaux. Après accord de la Banque Nationale de Belgique, le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer des indicateurs de risque complémentaires à utiliser pour le calcul des contributions fondées sur les risques. La Banque nationale de Belgique communique chaque année au Fonds de garantie, à sa demande, la valeur calculée par la Banque nationale de Belgique des indicateurs des établissements de crédit de droit belge permettant de déterminer leur score de risque individuel;”. Section 2 Disposition abrogatoire Art. 77 L’arrêté royal du 22  avril  2012 portant exécution de l’article 8, § 1er, alinéa 1er, 1°bis, de l’arrêté royal du 14 novembre 2008 portant exécution de la loi du 15 octobre 2008 portant des mesures visant à promou- voir la stabilité fi nancière et instituant en particulier une garantie d’État relative aux crédits octroyés et autres opérations effectuées dans le cadre de la stabilité fi nan- cière, en ce qui concerne la protection des dépôts, des assurances sur la vie et du capital de sociétés coopéra- tives agréées, et modifi ant la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur fi nancier et aux services fi nanciers, modifi é par la loi du 31 juillet 2017, est abrogé. Section 3 Entrée en vigueur Art. 78 Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.”. 36 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 TITEL VI Strijd tegen de fi scale fraude en diverse bepalingen inzake invordering HOOFDSTUK 1 Strijd tegen de fi scale fraude Afdeling 1 Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Art. 79 In titel VII, hoofdstuk IX, afdeling IV, van het Wetboek, van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 442quinquies ingevoegd, luidende: “Art. 442quinquies. De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de belastingen en de voorheffingen, interesten, fi scale boeten, belastingverhogingen en bij- behoren, door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.”. Art. 80 In artikel 443ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord “toepas- sing” vervangen door de woorden “vestiging, de inning”; 2° dit artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende: “§ 3. Elke daad van onderzoek of van vervolging als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering betreffende de misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 schorst de verjaring van de belastingen en de voorheffingen die erop betrek- king hebben. De schorsing vangt aan met het op gang brengen van de strafvordering, en eindigt met het staken van de straf- rechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.”. TITRE VI Lutte contre la fraude fi scale et dispositions diverses en matière de recouvrement CHAPITRE 1ER Lutte contre la fraude fi scale Section 1re Modifi cations du Code des impôts sur les revenus 1992 Art. 79 Dans le titre VII, chapitre IX, section IV, du Code des impôts sur les revenus 1992, il est inséré un article 442quinquies, rédigé comme suit: “Art. 442quinquies. Les dispositions du présent Code ne font pas obstacle au droit pour l’État de demander la réparation du dommage pouvant consister dans le non-paiement des impôts et des précomptes, des intérêts, des amendes fi scales, des accroissements et des accessoires, par la constitution de partie civile ou par l’action en responsabilité.”. Art. 80 A l’article 443ter du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 2003, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “, à la perception” sont insérés entre les mots “à l’établisse- ment” et les mots “ou au recouvrement”; 2° cet article est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit: “§ 3. Tout acte d’instruction ou de poursuite visé à l’article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure pénale relative aux infractions visées aux articles 449 à 452 suspend le cours de la prescription des impôts et des précomptes y afférents. La suspension débute dès que l’action publique est mise en mouvement et se termine par l’abandon des poursuites pénales, l’extinction de l’action publique ou lorsque le jugement ou l’arrêt est coulé en force de chose jugée pour les infractions visées à l’alinéa 1er.”. 37 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 81 Artikel 458 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt vervan- gen als volgt: “Art. 458. Personen die als daders of als medeplich- tigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 werden veroordeeld, zijn hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en de interesten verschuldigd door de belastingschuldige op wiens naam de belasting werd ingekohierd. De personen beschuldigd als daders of als mede- plichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 449 tot 452 zijn eveneens hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en de interesten, zoals bedoeld in het eerste lid, wanneer de feiten die de misdrijven ople- veren bewezen verklaard zijn, wanneer zij genieten van: 1° een opschorting van de uitspraak van de veroor- deling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie; 2° een eenvoudig schuldigverklaring voorzien in ar- tikel 21ter van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering; 3° de procedure van voorafgaande erkenning van schuld bedoeld in artikel 216  van het Wetboek van Strafvordering; 4° de verjaring van de strafvordering. De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboe- ten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen welke krachtens de artikelen 449 tot 456 tegen hun aangestelden of hun bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uitoefening van hun functie, in rechte of in feite, zijn uitgesproken.”. Afdeling 2 Omzetting van de Richtlijn 2016/2258/EU van de Raad van 6 december 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/ EU wat betreft toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten Art. 82 Deze afdeling voorziet in de omzetting van de Richtlijn 2016/2258/EU van de Raad van 6 december 2016 tot Art. 81 L’article 458 du même Code, modifi é par l’arrêté royal du 20 décembre 1996, est remplacé par ce qui suit: “Art. 458. Les personnes qui auront été condamnées comme auteurs ou complices d’infractions visées aux articles 449  à 452, seront solidairement tenues au paiement de l’impôt éludé et des intérêts dus par le redevable au nom duquel l’impôt a été enrôlé. Les personnes prévenues comme auteurs ou com- plices d’infractions visées aux articles 449 à 452 seront également solidairement tenues au paiement de l’impôt éludé et des intérêts, comme visés à l’alinéa 1er, lorsque les faits constitutifs de préventions sont déclarés établis, lorsqu’elles bénéfi cient: 1° d’une suspension du prononcé de la condamnation ou d’un sursis à l’exécution des peines prévus par la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation; 2° d’une condamnation par simple déclaration de culpabilité prévue à l’article 21ter du Titre préliminaire du Code d’instruction criminelle; 3° de la procédure de déclaration préalable de culpabilité prévue à l’article 216 du Code d’instruction criminelle; 4° de la prescription de l’action publique. Les personnes physiques ou morales seront civile- ment et solidairement responsables des amendes et des frais résultant des condamnations prononcées en vertu des articles 449 à 456 contre leurs préposés ou leurs administrateurs, gérants ou liquidateurs dans le cadre de l’exercice de leurs fonctions, en droit ou en fait.”. Section 2 Transposition de la Directive 2016/2258/UE du Conseil du 6 décembre 2016 modifi ant la Directive 2011/16/UE en ce qui concerne l’accès des autorités fi scales aux informations relatives à la lutte contre le blanchiment de capitaux Art. 82 La présente section prévoit la transposition de la Directive 2016/2258/UE du Conseil du 6 décembre 2016 38 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft toegang tot anti-witwasinlichtingen door belastingautoriteiten. Art. 83 In artikel 322, § 1, van hetzelfde Wetboek, genum- merd bij de wet van 14 april 2011 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° een lid wordt tussen het eerste en het tweede lid ingevoegd, luidende: “De administratie mag wat een bepaalde belasting- plichtige betreft, het register van de uiteindelijke begun- stigden, genaamd UBO-register, gehouden binnen de Algemene Administratie van de Thesaurie en opgericht bij artikel 73 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de fi nan- ciering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, raadplegen teneinde de juiste heffing van de belasting te verzekeren. De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van deze raadpleging.”; 2° in het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden “het recht om derden te horen en om een onderzoek in te stellen” vervangen door de woorden “het recht om derden te horen, om het UBO-register te consulteren en om een onderzoek in te stellen”. Art. 84 In artikel 338  van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 17 augustus 2013 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, wordt een paragraaf 24/1 inge- voegd, luidende: “§ 24/1. De Belgische bevoegde autoriteit bezorgt de buitenlandse belastingautoriteiten op verzoek de gegevens die worden gehouden in het register van de uiteindelijke begunstigden, genaamd UBO-register, gehouden binnen de Algemene Administratie van de Thesaurie en opgericht bij artikel 73 van de wet van 18  september  2017 tot voorkoming van het witwas- sen van geld en de fi nanciering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, evenals de AML-mechanismen, -procedures, -documenten en -inlichtingen bedoeld in de artikelen 13, 30, 31 en 40  van de Richtlijn 2015/849/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20  mei  2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het fi nanciële stelsel modifi ant la Directive 2011/16/UE en ce qui concerne l’accès des autorités fi scales aux informations relatives à la lutte contre le blanchiment de capitaux. Art. 83 Dans l’article 322, § 1er, du même Code, numéroté par la loi du 14 avril 2011 et modifi é par la loi du 27 avril 2016, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l’ali- néa 1er et 2: “L’administration peut, en ce qui concerne un contri- buable déterminé, consulter le registre des bénéfi ciaires effectifs, dénommé registre UBO, tenu au sein de l’Administration générale de la Trésorerie et créé par l’article 73 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du fi nance- ment du terrorisme et à la limitation de l’utilisation des espèces, afi n d’assurer la juste perception de l’impôt. Le Roi détermine les conditions et les modalités de cette consultation.”; 2° dans l’alinéa 2  ancien, devenu l’alinéa 3, les mots “le droit d’entendre des tiers et de procéder à des enquêtes” sont remplacés par les mots “le droit d’entendre des tiers, de consulter le registre UBO et de procéder à des enquêtes”. Art. 84 Dans l’article 338 du même Code, remplacé par la loi du 17 août 2013 et modifi é par la loi du 31 juillet 2017, il est inséré un paragraphe 24/1 rédigé comme suit: “§ 24/1. L’autorité compétente belge fournit sur de- mande aux autorités fi scales étrangères les données tenues au registre des bénéfi ciaires effectifs dénommé registre UBO, tenu au sein de l’Administration géné- rale de la Trésorerie et créé par l’article 73 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchi- ment de capitaux et du fi nancement du terrorisme et à la limitation de l’utilisation des espèces et aux mécanis- mes, procédures, documents et informations visés aux articles 13, 30, 31 et 40 de la Directive 2015/849/UE du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 rela- tive à la prévention de l’utilisation du système fi nancier aux fi ns du blanchiment de capitaux ou du fi nancement du terrorisme, modifi ant le règlement n° 648/2012/UE du 39 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 voor het witwassen van geld of terrorismefi nanciering, tot wijziging van Verordening nr. 648/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie.”. Afdeling 3 Wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde Art. 85 Artikel 73sexies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981, wordt vervangen als volgt: “Art. 73sexies. De personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, zijn hoofdelijk gehou- den tot betaling van de ontdoken belasting en interesten verschuldigd door de oorspronkelijke schuldenaar van de belasting. De personen beschuldigd als daders of als mede- plichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis zijn eveneens hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken belasting en de interesten, zoals bedoeld in het eerste lid, wanneer de bestanddelen van de misdrij- ven bewezen verklaard zijn, wanneer ze genieten van: 1° een opschorting van de uitspraak van de veroor- deling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie; 2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring voorzien in artikel 21ter van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering; 3° de procedure van voorafgaande erkenning van schuld bedoeld in artikel 216  van het Wetboek van Strafvordering; 4° de verjaring van de strafvordering. De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboe- ten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen welke krachtens de artikelen 73 tot 73quater tegen hun aangestelden of hun bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uitoefening van hun functie, in rechte of in feite, zijn uitgesproken.”. Parlement européen et du Conseil abrogeant la Directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil et la Directive 2006/70/CE de la Commission.”. Section 3 Modifi cation du Code de la taxe sur la valeur ajoutée Art. 85 L’article 73sexies du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, inséré par la loi du 10 février 1981, est remplacé par ce qui suit: “Art. 73sexies. Les personnes qui auront été condam- nées comme auteurs ou complices d’infractions visées aux articles 73 et 73bis seront solidairement tenues au paiement de la taxe éludée et des intérêts dus par le redevable initial de la taxe. Les personnes prévenues comme auteurs ou com- plices d’infractions aux articles 73  et 73bis seront également solidairement tenues au paiement de la taxe éludée et des intérêts, comme visés à l’alinéa 1er, lorsque les faits constitutifs des préventions sont déclarés établis, lorsqu’elles bénéfi cient: 1° d’une suspension du prononcé de la condamnation ou d’un sursis à l’exécution des peines prévus par la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation; 2° d’une condamnation par simple déclaration de culpabilité prévue à l’article 21ter du Titre préliminaire du Code d’instruction criminelle; 3° de la procédure de déclaration préalable de culpabilité prévue à l’article 216 du Code d’instruction criminelle; 4° de la prescription de l’action publique. Les personnes physiques ou morales seront civile- ment et solidairement responsables des amendes et des frais résultant des condamnations prononcées en vertu des articles 73 à 73quater contre leurs préposés ou leurs administrateurs, gérants ou liquidateurs dans le cadre de l’exercice de leurs fonctions, en droit ou en fait.”. 40 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 86 In artikel 83 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de wetten van 8 augustus 1980 en 15 maart 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) de eerste zin van het eerste lid wordt aangevuld met de woorden: “, met uitsluiting van artikel 2244, § 2.”; b) in het tweede lid worden de woorden “tot de toe- passing of de invordering van de belasting” vervangen door de woorden “tot de toepassing, de inning of de invordering van de belasting, de interesten en de fi scale geldboeten”; 2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende: “§ 3. Elke daad van onderzoek of van vervolging als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering betreffende de misdrijven bedoeld in artikel 73 en 73bis schorst de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de fi scale geldboeten die erop betrekking hebben. De schorsing vangt aan met het op gang brengen van de strafvordering, en eindigt met het staken van de straf- rechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.”. Art. 87 In hoofdstuk XVI van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 93undeciesE ingevoegd, luidende: “Art. 93undeciesE. De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de belasting, interesten, fi scale geld- boeten en bijbehoren door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.”. Art. 86 A l’article 83 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, modifi é par les lois du 8 août 1980 et du 15 mars 1999, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er les modifi cations suivantes sont apportées: a) la première phrase de l’alinéa 1er est complétée par les mots “, à l’exclusion de l’article 2244, § 2.”; b) dans l’alinéa 2, les mots “à l’application ou au recouvrement de la taxe” sont remplacés par les mots “à l’application, à la perception ou au recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes fi scales”; 2° l’article est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit: “§ 3. Toute acte d’instruction ou de poursuite visé à l’article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure pénale relative aux infractions visées aux articles 73 et 73bis suspend le cours de la prescription de l’action en recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes fi scales y afférents. La suspension débute dès que l’action publique est mise en mouvement et se termine par l’abandon des poursuites pénales, l’extinction de l’action publique ou lorsque le jugement ou l’arrêt est coulé en force de chose jugée pour les infractions visées à l’alinéa 1er.”. Art. 87 Dans le chapitre XVI, du même Code, il est inséré un article 93undeciesE rédigé comme suit: “Art. 93undeciesE. Les dispositions du présent Code ne font pas obstacle au droit pour l’État de demander la réparation du dommage pouvant consister dans le non-paiement de la taxe, des intérêts, des amendes fi scales et des accessoires, par la constitution de partie civile ou par l’action en responsabilité.”. 41 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Afdeling 4 Wijzigingen van het Wetboek der Successierechten Art. 88 Artikel 72 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij de wet van 10 februari 1981 wordt aan- gevuld met een lid, luidende: “De personen beschuldigd als daders of als mede- plichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 133 en 133bis zijn eveneens gehouden tot betaling van de ontdoken rechten, de interesten en de fi scale boeten wanneer de bestanddelen van de misdrijven bewezen verklaard zijn, wanneer ze genieten van: 1° een opschorting van de uitspraak van de veroor- deling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie; 2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring voorzien in artikel 21ter van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering; 3° de procedure van voorafgaande erkenning van schuld bedoeld in artikel 216  van het Wetboek van Strafvordering; 4° de verjaring van de strafvordering.”. Art. 89 In artikel 133sexies van hetzelfde Wetboek, in- gevoegd bij de wet van 10 februari 1981, worden de woorden “beheerders, zaakvoerders of vereffenaars” vervangen door de woorden “hun bestuurders, zaak- voerders of vereffenaars, in het kader van de uitoefening van hun functie, in rechte of in feite”. Art. 90 In het boek I, hoofdstuk XV van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1403 ingevoegd, luidende: “Art. 1403. Elke daad van onderzoek of van vervol- ging als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering betreffende de misdrijven bedoeld in artikel 133 en 133bis schorst de verjaring van de vordering tot voldoening van de rechten, de interesten en de fi scale geldboeten die erop betrekking hebben. Section 4 Modifi cations du Code des droits de succession Art. 88 L’article 72 du Code des droits de succession, rem- placé par la loi du 10 février 1981, est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Les personnes prévenues comme auteurs ou com- plices d’infractions visées aux articles 133 et 133bis seront également tenues au paiement des droits élu- dés, des intérêts et des amendes fi scales, lorsque les faits constitutifs de préventions sont déclarés établis, lorsqu’elles bénéfi cient: 1° d’une suspension du prononcé de la condamnation ou d’un sursis à l’exécution des peines prévus par la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation; 2° d’une condamnation par simple déclaration de culpabilité prévue à l’article 21ter du Titre préliminaire du Code d’instruction criminelle; 3° de la procédure de déclaration préalable de culpabilité prévue à l’article 216 du Code d’instruction criminelle; 4° de la prescription de l’action publique.”. Art. 89 Dans l’article 133sexies du même Code, inséré par la loi du 10  février  1981, les mots “administrateurs, gérants ou liquidateurs” sont remplacés par les mots “administrateurs, gérants ou liquidateurs, dans le cadre de l’exercice de leurs fonctions, en droit ou en fait”. Art. 90 Dans le livre 1er, chapitre XV du même Code, il est inséré un article 1403 rédigé comme suit: “Art. 1403. Tout acte d’instruction ou de poursuite visé à l’article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure pénale relative aux infractions visées aux articles 133 et 133bis suspend le cours de la prescription de l’action en recouvrement des droits, des intérêts et des amendes fi scales y afférents. 42 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 De schorsing vangt aan met het op gang brengen van de strafvordering, en eindigt met het staken van de straf- rechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.”. Art. 91 In het boek I, hoofdstuk XVIII van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 146quinquies ingevoegd, luidende: “Art. 146quinquies. De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet-betaling van de rechten, interesten, fi scale geld- boeten en bijbehoren door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.”. Afdeling 5 Wijzigingen van het Wetboek diverse rechten en taksen Art. 92 Artikel 2029  van het Wetboek diverse rechten en taksen, ingevoegd bij de wet van 12 augustus 1947, vernummerd bij de wet van 13 juni 1951 en gewijzigd bij de wet van 19 december 2006, waarvan de huidige tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met twee paragrafen, luidende: “§ 2. Elk rechtsgeding met betrekking tot de vestiging, de inning of de invordering van de diverse rechten en taksen dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze diverse rechten en tak- sen of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, schorst de verjaring. De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. § 3. Elke daad van onderzoek of van vervolging als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering betreffende de misdrijven bedoeld in artikel 207 en 207bis schorst de verjaring van de vordering tot voldoening van de rechten of de taksen, de interesten en de fi scale geldboeten die erop betrekking hebben. De schorsing vangt aan met het op gang brengen van de strafvordering, en eindigt met het staken van La suspension débute dès que l’action publique est mise en mouvement et se termine par l’abandon des poursuites pénales, l’extinction de l’action publique ou lorsque le jugement ou l’arrêt est coulé en force de chose jugée pour les infractions visées à l’alinéa 1er.”. Art. 91 Dans le livre 1er, chapitre XVIII du même Code, il est inséré un article 146quinquies rédigé comme suit: “Art. 146quinquies. Les dispositions du présent Code ne font pas obstacle au droit pour l’État de demander la réparation du dommage pouvant consister dans le non-paiement des droits, des intérêts, des amendes fi scales et des accessoires, par la constitution de partie civile ou par l’action en responsabilité.”. Section 5 Modifi cations du Code des droits et taxes divers Art. 92 L’article 2029 du Code des droits et taxes divers, inséré par la loi du 12 août 1947, renuméroté par la loi du 13 juin 1951 et modifi é la loi du 19 décembre 2006, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par deux paragraphes rédigés comme suit: “§ 2. Toute instance en justice relative à l’établis- sement, la perception ou au recouvrement des droits et taxes divers, qui est introduite par l’État belge, par le redevable de ces droits et taxes divers ou par toute autre personne tenue au paiement de la dette en vertu du présent Code, des arrêtés pris pour son exécution ou du droit commun, suspend le cours de la prescription. La suspension débute avec l’acte introductif d’ins- tance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée. § 3. Tout acte d’instruction ou de poursuite visé à l’article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure pénale, relative aux infractions visées aux articles 207 et 207bis suspend la prescription de l’action en recouvre- ment du droit, de la taxe, des intérêts et des amendes fi scales y afférents. La suspension débute dès que l’action publique est mise en mouvement et se termine par l’abandon des 43 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 de strafrechtelijke vervolging, het verval van de straf- vordering of wanneer het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.”. Art. 93 In artikel 207sexies van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 10 februari 1981, worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: (a) het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “en de interesten verschuldigd door de oorspronkelijke belastingschuldige.”; (b) tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende: “De personen beschuldigd als daders of als mede- plichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 207 en 207bis zijn eveneens hoofdelijk gehouden tot betaling van de ontdoken rechten of taksen en de interesten, zo- als bedoeld in het eerste lid, wanneer de bestanddelen van de misdrijven bewezen verklaard zijn, wanneer ze genieten van: 1° een opschorting van de uitspraak van de veroor- deling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie; 2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring voorzien in artikel 21ter van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering; 3° de procedure van de voorafgaande erkenning van schuld bedoeld in artikel 216 van het Wetboek van Strafvordering; 4° verjaring van de strafvordering.”; c) in het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden “beheerders, zaakvoerders of veref- fenaars” vervangen door de woorden “hun bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uit- oefening van hun functie, in rechte of in feite”. Art. 94 In Boek III, Titel V, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 211ter ingevoegd, luidende: “Art. 211ter. De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel poursuites pénales, l’extinction de l’action publique ou lorsque le jugement ou l’arrêt est coulé en force de chose jugée pour les infractions visées à l’alinéa 1er.”. Art. 93 A l’article 207sexies du même Code, inséré par la loi du 10 février 1981, les modifi cations suivantes sont apportées: (a) l’alinéa 1er est complété par les mots “et des inté- rêts dus par le redevable initial.”; (b) un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2: “Les personnes prévenues comme auteurs ou com- plices d’infractions visées aux articles 207 et 207bis seront également solidairement tenues au paiement des droits éludés ou des taxes éludées et des intérêts, comme visés à l’alinéa 1er lorsque les faits constitutifs des préventions sont déclarés établis, lorsqu’elles bénéfi cient: 1° d’une suspension du prononcé de la condamnation ou d’un sursis à l’exécution des peines prévus par la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation; 2° d’une condamnation par simple déclaration de culpabilité prévue à l’article 21ter du Titre préliminaire du Code d’instruction criminelle; 3° de la procédure de déclaration préalable de culpabilité prévue à l’article 216 du Code d’instruction criminelle; 4° de la prescription de l’action publique.”; c) dans l’alinéa 2 ancien, devenant l’alinéa 3, les mots “administrateurs, gérants ou liquidateurs” sont remplacés par les mots “administrateurs, gérants ou liquidateurs, dans le cadre de l’exercice de leurs fonc- tions, en droit ou en fait”. Art. 94 Dans le livre III, Titre V, du même Code, il est inséré un article 211ter, rédigé comme suit: “Art. 211ter. Les dispositions du présent Code ne font pas obstacle au droit pour l’État de demander 44 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet- betaling van de rechten, de taksen, de interesten, de fi scale geldboeten en de bijbehoren door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.”. Afdeling 6 Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten Art. 95 In artikel 207quater van het Wetboek der registra- tie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1981 worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “en de interesten verschuldigd door de oorspronkelijke belastingschuldige.”; b) tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende: “De personen beschuldigd als daders of als mede- plichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 206 en 206bis zijn eveneens gehouden tot betaling van de ontdoken rechten en de interesten zoals bedoeld in het eerste lid, wanneer de bestanddelen van de misdrijven bewezen verklaard zijn, wanneer ze genieten van: 1° een opschorting van de uitspraak van de veroor- deling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen voorzien in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie; 2° een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring voorzien in artikel 21ter van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering; 3° de procedure van voorafgaande erkenning van schuld bedoeld in artikel 216  van het Wetboek van Strafvordering; 4° de verjaring van de strafvordering.”; c) in het vroegere tweede lid, dat het derde lid wordt, worden de woorden “beheerders, zaakvoerders of veref- fenaars” vervangen door de woorden “hun bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uit- oefening van hun functie, in rechte of in feite”. la réparation du dommage pouvant consister dans le non-paiement des droits, des taxes, des intérêts, des amendes fi scales et des accessoires, par la constitution de partie civile ou par l’action en responsabilité.”. Section 6 Modifi cations du Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe Art. 95 A l’article 207quater du Code des droits d’enregis- trement, d’hypothèque et de greffe, inséré par la loi du 10 février 1981, les modifi cations suivantes sont apportées: a) l’alinéa 1er est complété par les mots “et des intérêts dus par le redevable initial.”; b) un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2: “Les personnes prévenues comme auteurs ou com- plices d’infractions visées aux articles 206 et 206bis seront également tenues au paiement des droits éludés et des intérêts comme visés à l’alinéa 1er, lorsque les faits constitutifs de préventions sont déclarés établis, lorsqu’elles bénéfi cient: 1° d’une suspension du prononcé de la condamnation ou d’un sursis à l’exécution des peines prévus par la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation; 2° d’une condamnation par simple déclaration de culpabilité prévue à l’article 21ter du Titre préliminaire du Code d’instruction criminelle; 3° de la procédure de déclaration préalable de culpabilité prévue à l’article 216 du Code d’instruction criminelle; 4° de la prescription de l’action publique.”; c) dans l’alinéa 2 ancien, devenant l’alinéa 3, les mots “administrateurs, gérants ou liquidateurs” sont remplacés par les mots “administrateurs, gérants ou liquidateurs, dans le cadre de l’exercice de leurs fonc- tions, en droit ou en fait”. 45 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 96 Artikel 218 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt: “Art. 218. Elke daad van onderzoek of van vervolging als bedoeld in artikel 22 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering betreffende de misdrijven bedoeld in artikel 206 en 206bis schorst de verjaring van de vordering tot voldoening van de rech- ten, de interesten en de fi scale geldboeten die erop betrekking hebben. De schorsing vangt aan met het op gang brengen van de strafvordering, en eindigt met het staken van de straf- rechtelijke vervolging, het verval van de strafvordering of wanneer het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan voor de misdrijven bedoeld in het eerste lid.”. Art. 97 In het hoofdstuk XV, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 225quater ingevoegd, luidende: “Art. 225quater. De bepalingen van dit Wetboek doen geen afbreuk aan het recht van de Staat om het herstel van de schade te vorderen die kan bestaan uit de niet- betaling van de rechten, interesten, fi scale geldboeten en bijbehoren door een burgerlijke partijstelling of door een aansprakelijkheidsvordering.”. Afdeling 7 Wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen Art. 98 In artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, voor het laatst gewijzigd bij de wet van 17 augustus 2013, wordt het woord “442quinquies,” ingevoegd tussen het woord “442,” en het woord “443bis”. Art. 96 L’article 218  du même Code est remplacé par ce qui suit: “Art. 218. Tout acte d’instruction ou de poursuite visé à l’article 22 du Titre préliminaire du Code de procédure pénale relative aux infractions visées aux articles 206 et 206bis suspend le cours de la prescription de l’action en recouvrement des droits, des intérêts et des amendes fi scales y afférents. La suspension débute dès que l’action publique est mise en mouvement et se termine par l’abandon des poursuites pénales, l’extinction de l’action publique ou lorsque le jugement ou l’arrêt est coulé en force de chose jugée pour les infractions visées à l’alinéa 1er.”. Art. 97 Dans le Chapitre XV, du même Code, il est inséré un article 225quater, rédigé comme suit: “Art. 225quater. Les dispositions du présent Code ne font pas obstacle au droit pour l’État de demander la réparation du dommage pouvant consister dans le non-paiement des droits, des intérêts, des amendes fi scales et des accessoires, par la constitution de partie civile ou par l’action en responsabilité.”. Section 7 Modifi cation du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus Art. 98 Dans l’article 2, alinéa 1er, du Code des taxes assi- milées aux impôts sur les revenus, modifi é en dernier lieu par la loi du 17 août 2013, le mot “442quinquies,” est inséré entre le mot “442,” et le mot “443bis”. 46 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën Art. 99 In artikel 2 van de wet van 21 februari 2003 tot op- richting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt: “1° Dienst voor alimentatievorderingen: de dienst die binnen de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën bevoegd voor de inning en de invordering van niet-fi scale schuldvorderingen, belast is met de taken bedoeld in artikel 3, § 1 en § 2, eerste lid;”; 2° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt: “2° onderhoudsgeld: a) het onderhoudsgeld dat verschuldigd is aan de kinderen en dat werd vastgesteld in een uitvoerbare titel; b) het onderhoudsgeld dat verschuldigd is tussen echtgenoten of ex-echtgenoten en het onderhouds- geld dat verschuldigd is tussen samenwonenden of ex-samenwonenden en dat werd vastgesteld in een uitvoerbare titel;”; 3° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 3° tot 6°, luidende: “3° bestaansmiddelen: de inkomsten bedoeld in de artikelen 1409, 1409bis en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek; 4° ontvanger: de rekenplichtige van de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en de in- vordering van niet-fi scale schuldvorderingen; 5° identifi catienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid: het identifi catienummer van het register toegekend in uitvoering van artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organi- satie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid; 6° rekenplichtige: de rekenplichtige van de admi- nistratie van de FOD Financiën die belast is met de ontvangst van het onderhoudsgeld en de betaling van het saldo en de achterstallen.”. CHAPITRE 2 Modifi cations de la loi du 21 février 2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF Finances Art. 99 À l’article  2  de la loi du 21  février  2003 créant un Service des créances alimentaires au sein du SPF  Finances, les modifications suivantes sont apportées: 1° le 1° est remplacé comme suit: “1° Service des créances alimentaires: le service qui, au sein de l’administration du Service public fédéral Finances compétente pour la perception et le recouvre- ment des créances non fi scales, est chargé des tâches visées à l’article 3, § 1er et § 2, alinéa 1er;”; 2° le 2° est remplacé comme suit: “2° pension alimentaire: a) la pension alimentaire due aux enfants et fi xée dans un titre exécutoire; b) la pension alimentaire due entre époux ou ex- époux et la pension alimentaire due entre cohabitants ou ex-cohabitants et fi xée dans un titre exécutoire;”; 3° l’article est complété par les 3° à 6°, rédigés comme suit: “3° ressources: les revenus visés aux articles 1409, 1409bis et 1410 du Code judiciaire; 4° receveur: le comptable de l’administration du SPF Finances en charge de la perception et du recou- vrement des créances non fi scales; 5° numéro d’identifi cation de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale: le numéro d’identifi cation du registre attribué en exécution de l’article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l’institution et à l’organisation d’une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale; 6° comptable: le comptable de l’administration du SPF Finances qui est chargé de la recette de la pension alimentaire et du paiement du solde et des arriérés.”. 47 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 100 In artikel 3 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, worden de woorden “en van de achterstallen” ingevoegd tussen de woorden “onder- houdsgeld” en de woorden “ten laste van”; 2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “2, 1°, a)” vervangen door de woorden “2, 2°, a)”; 3° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden “2, 1°, b) “vervangen door de woorden “2, 2°, b)”. Art. 101 In artikel 4 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003 en gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “2, 1°, a)” vervangen door de woorden “2, 2°, a)”; 2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende: “§ 1/1. Voor elk meerderjarig kind wordt het recht op voorschotten op het onderhoudsgeld bedoeld in artikel 2, 2°, a), enkel toegekend voor zover dit kind nog recht geeft op kinderbijslag.”. Art. 102 In artikel 5 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003 en gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt het woord “dienst” vervangen door het woord “Dienst”; 2° het tweede lid wordt vervangen als volgt: “Deze bijdrage is ten laste van de onderhoudsplich- tige en bedraagt 13 % van het bedrag van de te innen of in te vorderen hoofdsommen.”. Art. 103 In artikel 7 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003 en gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: Art. 100 À l’article 3 de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, les mots “et les arriérés” sont insérés entre les mots “créances alimentaires” et les mots “à charge du”; 2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots “2, 1°, a)” sont remplacés par les mots “2, 2°, a)”; 3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “2, 1°, b)” sont remplacés par les mots”2, 2°, b)”. Art. 101 À l’article 4 de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003 et modifi é par la loi du 12 mai 2014, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “2, 1°, a)” sont remplacés par les mots “2, 2°, a)”; 2° un paragraphe 1er/1 est inséré, rédigé comme suit: “§  1er/1. Pour chaque enfant majeur, le droit aux avances sur pension alimentaire mentionné à l’article 2, 2°, a), est attribué pour autant que cet enfant bénéfi cie encore des allocations familiales.”. Art. 102 A l’article 5 de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003 et modifi é par la loi du 12 mai 2014, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° à l’alinéa 1er, le mot “service” est remplacé par le mot “Service”; 2° l’alinéa 2 est remplacé comme suit: “Cette contribution est à charge du débiteur d’ali- ments et s’élève à 13 % du montant des sommes à percevoir ou à recouvrer en principal.”. Art. 103 À l’article 7 de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003 et modifi é par la loi du 12 mai 2014, les modifi cations suivantes sont apportées: 48 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “in twee exemplaren” opgeheven; 2° in paragraaf 1, tweede lid, punt 3°, worden de woorden “de onderhoudsuitkering” vervangen door de woorden “het onderhoudsgeld, het bedrag van de achterstallen” en worden de woorden “waaraan de onderhoudsplichtige zich geheel of ten dele heeft ont- trokken” vervangen door de woorden “van de eventuele uitgevoerde betalingen door de onderhoudsplichtige”; 3° in paragraaf 1, tweede lid, punt 4°, worden de woorden “de onderhoudsuitkering” vervangen door de woorden “het onderhoudsgeld” en wordt het woord “om” tussen de woorden “en” en “de” opgeheven; 4° in paragraaf 1, tweede lid, punt 5°, worden de woor- den “met betrekking tot een ingebrekestelling of andere uitvoeringsmaatregelen” vervangen door de woorden “van tenuitvoerlegging” en in de Franse tekst wordt het woord “prises” vervangen door het woord “entreprise”; 5° in paragraaf 1, derde lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) het woord “minuut” wordt vervangen door het woord “grosse”; b) de woorden “de gerechtelijke beslissing of van de akte bedoeld in artikel 1288, 3° of 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, van de uitvoerbare rechtelijke beslissing of van de uitvoerbare schikking” worden vervangen door de woorden “de uitvoerbare titel”; c) de woorden “de onderhoudsuitkering wordt” worden vervangen door de woorden “het onderhouds- geld werd”; d) de woorden “gewijzigd,” worden vervangen door “gewijzigd.”; e) de woorden “de stukken van betekening van de gerechtelijke beslissing, evenals de stukken van ten- uitvoerlegging.” worden vervangen door de woorden “Eveneens worden bij de aanvraag de stukken van betekening van de gerechtelijke beslissing waarin het onderhoudsgeld werd vastgesteld gevoegd en in voor- komend geval de stukken van tenuitvoerlegging.”; 6° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord “, dan” opgeheven; 7° in paragraaf 2, eerste lid, 2° worden de woorden “het recht op verhoogde kinderbijslag opent of een uit- kering voor gehandicapte kinderen geniet” vervangen 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “en deux exemplaires” sont supprimés; 2° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, point 3°, les mots “créance alimentaire” sont remplacés par les mots “pen- sion alimentaire, le montant des arriérés” et les mots “au paiement desquels le débiteur d’aliments s’est soustrait en tout ou en partie” sont remplacés par les mots “des paiements éventuels effectués par le débiteur d’aliments”; 3° au paragraphe  1er, alinéa  2, point  4° du texte néerlandais, les mots “de onderhoudsuitkering” sont remplacés par les mots “het onderhoudsgeld” et le mot “om” entre les mots “en” et “de” est supprimé; 4° au paragraphe 1er, alinéa 2, point 5°, les mots “rela- tives à une mise en demeure ou à d’autres mesures d’exécution” sont remplacés par les mots “relatives à l’exécution” et le mot “prises” est remplacé par le mot “entreprise”; 5° au paragraphe 1er, alinéa 3, les modifi cations suiv- antes sont apportées: a) le mot “minute” est remplacé par le mot “grosse”; b) les mots “de la décision judiciaire ou de l’acte visé à l’article 1288, 3° ou 4°, du Code judiciaire, de la décision judiciaire exécutoire ou de l’accord exécutoire” sont remplacés par les mots “du titre exécutoire”; c) les mots “de onderhoudsuitkering wordt” dans le texte néerlandais sont remplacés par les mots “het onderhoudsgeld werd”; d) les mots “alimentaire,” sont remplacés par les mots “alimentaire.”; e) les mots “les pièces relatives à la signifi cation de la décision judiciaire ainsi que les pièces relatives à l’exécution.” sont remplacés par les mots “Sont éga- lement jointes à la demande, les pièces relatives à la signifi cation de la décision judiciaire fi xant la pension alimentaire et, le cas échéant, les pièces relatives à l’exécution.”; 6° au paragraphe 2, alinéa 1er, du texte néerlandais, le mot “, dan” est supprimé; 7° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 2°, les mots “ouvrant le droit aux allocations familiales majorées ou bénéfi ciant d’une allocation pour enfants handicapés” 49 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 door de woorden “recht geeft op verhoogde kinderbijslag of op een uitkering voor gehandicapte kinderen”; 8° in paragraaf 2, eerste lid, 3° worden de woorden “de materiële bewijsstukken die aantonen dat het kind recht geeft op kinderbijslag, “ingevoegd tussen de woorden “voor elk meerderjarig kind, “en de woorden “een schoolattest”. Art. 104 In artikel 8 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “bij een ter post aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij aangetekende brief” en worden de woorden “invor- dering van de alimentatievorderingen” vervangen door de woorden “invordering van het onderhoudsgeld en van de achterstallen”; 2° in het tweede lid worden de woorden “de gerech- telijke beslissing of de overeenkomst als bedoeld in artikel 1288, 3° of 4°, van het Gerechtelijk Wetboek” vervangen door de woorden “de uitvoerbare titel waarin het onderhoudsgeld werd vastgesteld” en worden de woorden “van de alimentatievordering” vervangen door de woorden “waarin het onderhoudsgeld werd vastgesteld”. Art. 105 In artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2 worden de woorden “bij een ter post aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij aangetekende brief”; 2° in paragraaf 3 worden de woorden “, op straffe van verval” en de woorden “van het aangetekend verzen- den” opgeheven en worden de woorden “of wanneer geen beslissing is genomen binnen de bij § 1 bedoelde termijn” vervangen door de woorden “. De onderhouds- gerechtigde kan eveneens beroep aantekenen bij de beslagrechter door middel van een verzoekschrift dat moet zijn ingediend binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de eerste dag die volgt op de bij § 1 be- doelde termijn wanneer geen beslissing is genomen binnen de bij § 1 bedoelde termijn”. sont remplacés par les mots “bénéfi ciant d’allocations familiales majorées ou d’une allocation pour enfants handicapés”; 8° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 3°, les mots “les éléments de preuve matériels attestant que l’enfant bé- néfi cie des allocations familiales, “sont insérés entre les mots “pour chaque enfant majeur, “et les mots “une attestation de scolarité”. Art. 104 À l’article 8 de la même loi, les modifi cations sui- vantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “par lettre recommandée à la poste” sont remplacés par les mots “par lettre re- commandée” et les mots “recouvrements des créances alimentaires” sont remplacés par les mots “recouvre- ments de la pension alimentaire et des arriérés”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “la décision judiciaire ou la convention visée à l’article 1288, 3° ou 4°, du Code judiciaire” sont remplacés par les mots “le titre exécu- toire fi xant la pension alimentaire” et les mots “de la créance alimentaire” sont remplacés par les mots “fi xant la pension alimentaire”. Art. 105 À l’article 9 de la même loi, modifi é par la loi du 22 décembre 2003, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 2, les mots “par lettre recomman- dée à la poste” sont remplacés par les mots “par lettre recommandée”; 2° au paragraphe 3, les mots “, à peine de déchéance, “et les mots “de la lettre recommandée” sont supprimés et les mots “ou lorsqu’aucune décision n’a été prise dans le délai visé au § 1er” sont remplacés par les mots “. Le créancier d’aliments peut également former un recours devant le juge des saisies par requête à intro- duire dans le mois à compter du premier jour qui suit le délai visé au § 1er, lorsqu’aucune décision n’a été prise dans le délai visé au § 1er”. 50 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 106 In artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “bij een ter post aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij aangetekende brief” en worden de woorden “de alimentatievordering” vervangen door de woorden “het onderhoudsgeld”; 2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden “van de alimentatievordering” vervangen door de woorden “waarin het onderhoudsgeld werd vastgesteld”; 3° in paragraaf 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) de zin “In voorkomend geval geldt deze kennis- geving als ingebrekestelling voor de sommen die ze aanduidt en doet zij de nalatigheidsintresten lopen.” wordt vervangen door de zin “Deze kennisgeving geldt als ingebrekestelling voor de sommen die ze aanduidt en zij doet in voorkomend geval de nalatigheidsintres- ten lopen.”; b) de woorden “ter post” worden telkens vervangen door de woorden “bij de aanbieder van de universele postdienst”; c) de woorden “De verjaring wordt” worden vervangen door de woorden “Deze verjaring wordt”; d) de zin “Latere verjaringen worden gestuit bij kennisgeving aan de onderhoudsplichtige bij een aangetekende brief.” wordt vervangen door de zin “Onverminderd de stuiting van de verjaring op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244, en volgende van het Burgerlijk Wetboek, met uitzon- dering van artikel 2244, § 2, worden latere verjaringen gestuit bij kennisgeving aan de onderhoudsplichtige bij een aangetekende brief.”; 4° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt: “§ 4. De onderhoudsplichtige kan binnen een termijn van één maand, te rekenen vanaf de kennisgeving be- doeld in § 1, beroep aantekenen bij de beslagrechter.”. Art. 107 In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een artikel 10/1 ingevoegd, luidende: Art. 106 À l’article 10 de la même loi, modifi é par la loi du 12 mai 2014, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “une lettre recommandée à la poste” sont remplacés par les mots “une lettre recommandée” et les mots “créance alimen- taire” sont remplacés par les mots “pension alimentaire”; 2° au paragraphe 1er, alinéa 2, les mots “de la créance alimentaire” sont remplacés par les mots “fi xant la pen- sion alimentaire”; 3° dans le paragraphe 2 les modifi cations suivantes sont apportées: a) la phrase “Le cas échéant, cette notifi cation vaut mise en demeure pour les sommes qu’elle désigne et fait courir les intérêts de retard” est remplacée par la phrase “Cette notifi cation vaut mise en demeure pour les sommes qu’elle désigne et fait courir, le cas échéant, les intérêts de retard”; b) les mots “à la poste” sont chaque fois remplacés par les mots “auprès du prestataire de service postal universel”; c) les mots “la prescription sera” sont remplacés par les mots “cette prescription sera”; d) la phrase “L’interruption des prescriptions ulté- rieures interviendra lors de la notifi cation au débiteur d’aliments par lettre recommandée.” est remplacée par la phrase “Sans préjudice de l’interruption de la prescription de la manière et aux conditions stipulées aux articles 2244 et suivants du Code Civil, à l’exclusion de l’article 2244, § 2, l’interruption des prescriptions ultérieures interviendra lors de la notifi cation au débiteur d’aliments par lettre recommandée.”; 4° le paragraphe 4 est remplacé comme suit: “§ 4. Le débiteur d’aliments peut former un recours devant le juge des saisies dans le mois à compter de la notifi cation visée au § 1er.”. Art. 107 Dans le chapitre III de la même loi, il est inséré un article 10/1 rédigé comme suit: 51 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 “Art. 10/1. Ieder nieuw gegeven dat van invloed kan zijn op het bedrag van de voorschotten, van het onderhoudsgeld of op de inning en de invordering van deze sommen, moet door de meest gerede partij of door een derde worden gemeld aan de Dienst voor alimentatievorderingen.”. Art. 108 In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een artikel 10/2 ingevoegd, luidende: “Art. 10/2. § 1. Het recht op voorschotten op het on- derhoudsgeld wordt toegekend voor een periode van zes maanden. § 2. De periode van zes maanden bedoeld in para- graaf 1, kan worden verlengd met een nieuwe periode van zes maanden voor zover de onderhoudsgerechtigde nog voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 4 § 1 en § 1/1. § 3. Voor het verstrijken van deze periode van zes maanden vraagt de Dienst voor alimentatievorderingen aan de onderhoudsgerechtigde om de nodige materiële bewijsstukken bedoeld in artikel 7 § 2 in te dienen. De onderhoudsgerechtigde moet deze materiële bewijs- stukken binnen een termijn van dertig dagen vanaf dit verzoek bij de Dienst indienen. §  4. De Dienst voor alimentatievorderingen geeft kennis van zijn beslissing over de al dan niet verlenging van de voorschotten aan de onderhoudsgerechtigde. § 5. Indien de onderhoudsgerechtigde niet binnen de termijn voorzien in paragraaf 3, de nodige bewijsstukken bezorgt aan de Dienst, kan het recht op voorschotten op het onderhoudsgeld geschorst worden. De Dienst voor alimentatievorderingen geeft ken- nis van zijn beslissing over de schorsing van het recht op voorschotten op het onderhoudsgeld aan de onderhoudsgerechtigde. De schorsing neemt een einde wanneer de onder- houdsgerechtigde de nodige materiële bewijsstukken bij de Dienst voor alimentatievorderingen indient. § 6. De onderhoudsgerechtigde kan beroep aante- kenen bij de beslagrechter door middel van een ver- zoekschrift dat moet zijn ingediend binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van de kennisgevingen bedoeld in dit artikel.”. “Art. 10/1. Toute nouvelle donnée pouvant avoir une infl uence sur le montant des avances, de la pension alimentaire ou sur la perception et le recouvrement de ces sommes doit être communiquée au Service des créances alimentaires par la partie la plus diligente ou par un tiers.”. Art. 108 Dans le chapitre III de la même loi, il est inséré un article 10/2 rédigé comme suit: “Art. 10/2. § 1er. Le droit aux avances sur pension alimentaire est attribué pour une période de six mois. § 2. La période de six mois visée au paragraphe 1er peut être prolongée d’une période supplémentaire de six mois pour autant que le créancier d’aliments réponde encore aux conditions prévues à l’article 4, § 1er et § 1er/1. § 3. Avant l’expiration de cette période de six mois, le Service des créances alimentaires demande au créancier d’aliments de présenter les éléments de preuve matériels nécessaires visés à l’article 7, § 2. Le créancier d’aliments doit présenter ces éléments de preuve matériels dans un délai de trente jours à compter de cette demande auprès du Service. § 4. Le Service des créances alimentaires informe le créancier d’aliments de sa décision de prolonger ou non les avances. § 5. Si le créancier d’aliments ne fournit pas les élé- ments de preuve nécessaires au Service dans le délai prévu au paragraphe 3, le droit aux avances sur pension alimentaire peut être suspendu. Le Service des créances alimentaires informe le créancier d’aliments de sa décision de suspendre le droit aux avances sur pension alimentaire. La suspension prend fi n lorsque le créancier d’ali- ments apporte les éléments de preuve matériels néces- saires au Service des créances alimentaires. § 6. Le créancier d’aliments peut former un recours devant le juge des saisies par requête à introduire dans le mois à compter de la date des notifi cations visées au présent article.”. 52 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 109 In artikel 11 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Indien de onderhoudsgerechtigde nadien een volgende aanvraag indient, verleent de Dienst voor alimentatievorderingen enkel nog tegemoetkoming voor de inning of invordering van de niet betaalde vervallen termijnen, ontstaan na de datum van beëindiging van de tegemoetkoming bij toepassing van het eerste lid.”; 2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “vorm van” opgeheven; 3° in paragraaf 2, wordt het tweede lid vervangen als volgt: “De Dienst voor alimentatievorderingen vordert niet- temin de op die datum bestaande achterstallen en de tussen de datum van de aanvraag en de datum van de beëindiging van deze tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, niet betaalde vervallen termijnen verder in.”; 4° in paragraaf 3 worden de woorden “bij een ter post aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij aangetekende brief.”; 5° paragraaf 4 wordt opgeheven. Art. 110 In dezelfde wet wordt het opschrift van hoofdstuk IV vervangen als volgt: “HOOFDSTUK IV. De inning en de invordering.”. Art. 111 In artikel 12 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 worden de woorden “de alimenta- tievordering” vervangen door de woorden “het onder- houdsgeld en de achterstallen”; 2° in paragraaf 2 worden de woorden “zijn alimenta- tievordering” vervangen door de woorden “het onder- houdsgeld en de achterstallen”. Art. 109 À l’article 11 de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Si, ultérieurement, le créancier d’aliments introduit une nouvelle demande, le Service des créances ali- mentaires n’accordera encore son intervention que pour la perception ou le recouvrement des termes impayés échus après la date de fi n de son intervention en appli- cation de l’alinéa 1er.”; 2° au paragraphe 2, alinéa 1er, du texte néerlandais, les mots “vorm van” sont abrogés; 3° dans le paragraphe 2, l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “Le Service des créances alimentaires recouvre néanmoins les termes échus et impayés à cette date et ceux échus entre la date de la demande et la date de la fi n de cette intervention, visée dans le premier alinéa.“; 4° dans le paragraphe 3 du texte néerlandais, les mots “bij een ter post aangetekende brief” sont rempla- cés par les mots “bij aangetekende brief”; 5° le paragraphe 4 est abrogé. Art. 110 Dans la même loi, l’intitulé du chapitre IV est remplacé par ce qui suit: “CHAPITRE IV. La perception et le recouvrement.”. Art. 111 À l’article 12 de la même loi, remplacé par la loi du 22 décembre 2003, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, les mots “de la créance alimentaire” sont remplacés par les mots “de la pension alimentaire et des arriérés”; 2° dans le paragraphe 2, les mots “de sa créance alimentaire” sont remplacés par les mots “de la pension alimentaire et des arriérés”. 53 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 112 In artikel 13  van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “Dienst voor alimentatievorderingen” vervangen door het woord “ontvanger”; 2° in het tweede lid worden de woorden “Dienst voor alimentatievorderingen” telkens vervangen door het woord “ontvanger”; 3° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin: “De verjaring wordt gestuit op het ogenblik van de afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst door deze kennisgeving.”. Art. 113 Artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 juli 2016, wordt vervangen als volgt: “Art. 14. De onderhoudsplichtige of de medeschulde- naar kan de tenuitvoerlegging van het in artikel 13 ver- melde dwangbevel slechts stuiten door een vordering in rechte in te stellen bij de beslagrechter.”. Art. 114 In artikel 15, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 11 juli 2005, worden de woorden “bij een ter post aangetekende brief” vervangen door de woorden “bij aangetekende brief” en worden de woorden “de gerechtelijke beslissingen of de in artikel 1288, 3° of 4°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde overeenkomst” vervangen door de woorden “de uitvoerbare titel waarin het onderhoudsgeld werd vastgesteld”. Art. 115 Artikel 17 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt: “Art. 17. De ontvanger kan de volledige of de gedeel- telijke terugbetaling van elke ten onrechte uitbetaalde som vorderen van de onderhoudsgerechtigde. Het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, is van toepassing wanneer de onderhoudsgerechtigde de Dienst niet in kennis heeft gesteld van ieder nieuw gegeven dat van invloed kan Art. 112 À l’article 13 de la même loi, remplacé par la loi du 1er  juillet  2016, les modifi cations suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “Service des créances alimentaires” sont remplacés par le mot “receveur”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “Service des créances alimentaires” sont chaque fois remplacés par le mot “receveur”; 3° l’alinéa 3 est complété par la phrase suivante: “La prescription est interrompue par cette notifi cation au moment de son dépôt auprès du prestataire de service postal universel.”. Art. 113 L’article 14 de la même loi, modifi é par la loi du 1er juil- let 2016, est remplacé par ce qui suit: “Art. 14. Le débiteur d’aliments ou le codébiteur ne peut interrompre l’exécution de la contrainte visée à l’article 13 qu’en intentant une action en justice auprès du juge des saisies.”. Art. 114 À l’article 15, alinéa 1er, de la même loi, modifi é par la loi du 11 juillet 2005, les mots “par lettre recomman- dée à la poste” sont remplacés par les mots “par lettre recommandée” et les mots “les décisions judiciaires ou la convention visée à l’article 1288, 3° ou 4°, du Code judiciaire” sont remplacés par les mots “le titre exécu- toire fi xant la pension alimentaire”. Art. 115 L’article 17  de la même loi, est remplacé par ce qui suit: “Art. 17. Le receveur peut réclamer le remboursement total ou partiel de toute somme payée indûment au créancier d’aliments. L’arrêté royal du 31 mai 1933 concernant les décla- rations à faire en matière de subventions, indemnités et allocations est applicable lorsque le créancier d’ali- ments n’a pas communiqué au Service toute donnée nouvelle susceptible d’avoir un impact sur le montant 54 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 zijn op het bedrag van de voorschotten of het bedrag van het onderhoudsgeld en van de achterstallen en waarvan hij kennis had, wanneer hij wetens en willens een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd of wanneer komt vast te staan dat het onderhoudsgeld op basis van bedrieglijke handelingen of verklaringen werd bepaald.”. Art. 116 In artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 12 mei 2014 en van 1 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “Dienst voor alimentatievorderingen” worden telkens vervangen door het woord “ontvanger”; 2° in het eerste lid worden de woorden “door middel van een dwangbevel, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13, tweede tot vierde lid” vervangen door de woorden “overeenkomstig de bepalingen van de domaniale wet van 22 december 1949”. Art. 117 Artikel 19 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 juli 2016, wordt vervangen als volgt: “Art. 19. De Dienst voor alimentatievorderingen betaalt aan de onderhoudsplichtige of aan de mede- schuldenaar de sommen terug die hij onverschuldigd heeft betaald evenals de kosten die daarmee gepaard zijn gegaan. Deze terugbetaling geschiedt naargelang de sommen die werkelijk van de onderhoudsgerechtigde worden teruggevorderd.”. Art. 118 In hoofdstuk IV van dezelfde wet, wordt na artikel 19, het opschrift van een afdeling II/1 ingevoegd, luidende: “Afdeling II/1. Bepalingen met betrekking tot de inning en de invordering.”. Art. 119 In hoofdstuk IV, afdeling II/1, van dezelfde wet, inge- voegd bij artikel 118, wordt artikel 20 vervangen als volgt: des avances ou le montant de la pension alimentaire et des arriérés et dont il avait connaissance, lorsqu’il a fait délibérément une déclaration inexacte ou incomplète, ou lorsqu’il est établi que le montant de la pension alimentaire a été déterminé sur la base d’actes ou de déclarations frauduleux.”. Art. 116 À l’article 18 de la même loi, modifi é par les lois du 12 mai 2014 et du 1er juillet 2016, les modifi cations sui- vantes sont apportées: 1° les mots “Service des créances alimentaires” sont chaque fois remplacés par le mot “receveur”; 2° les mots “au moyen d’une contrainte, confor- mément à l’article 13, alinéas 2 à 4” sont remplacés par les mots “conformément aux dispositions de la loi domaniale du 22 décembre 1949”. Art. 117 L’article 19 de la même loi, modifi é par la loi du 1er juillet 2016, est remplacé comme suit: “Art. 19. Le Service des créances alimentaires restitue au débiteur d’aliments ou au codébiteur les sommes qu’il a payées indûment ainsi que les frais y afférents. Cette restitution s’effectue en fonction des sommes réellement récupérées auprès du créancier d’aliments.”. Art. 118 Au chapitre IV de la même loi, après l’article 19, il est inséré l’intitulé d’une section II/1, rédigée comme suit: “Section II/1. Dispositions relatives à la perception et au recouvrement.”. Art. 119 Dans le chapitre IV, section II/1, de la même loi, insérée par l’article 118, l’article 20 est remplacé par ce qui suit: 55 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 “Art. 20. § 1. Na kennisgeving of betekening van het in artikel 13 bedoelde dwangbevel kan de ontvanger, bij aangetekende brief, uitvoerend beslag onder der- den leggen op de aan de onderhoudsplichtige of aan de medeschuldenaar verschuldigde of toebehorende sommen en zaken, tot beloop van het bedrag van de schuldvordering, geheel of gedeeltelijk, dat door de onderhoudsplichtige verschuldigd is of tot betaling van hetgeen waartoe de medeschuldenaar gehouden is. Dit beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde. § 2. Vanaf de datum van de inwerkingtreding van het akkoord dat hiervoor tussen de derde-beslagene en de bevoegde diensten van de FOD Financiën wordt gesloten, kan de ontvanger het in paragraaf 1 bedoelde derdenbeslag leggen door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden. Dit akkoord blijft van toepassing zolang de derde- beslagene het niet uitdrukkelijk bij aangetekende brief heeft opgezegd. De opzegging gaat in vanaf de eerste dag van de derde maand volgend op de ontvangst van de kennisgeving ervan door de bevoegde dienst van de FOD Financiën. In de gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid bedoeld in het eerste lid, heeft het beslag onder derden uitwerking vanaf de datum van ontvangst- melding van het beslag door de derde-beslagene. Wanneer eenzelfde beslag onder derden achter- eenvolgens wordt gelegd volgens de procedures die respectievelijk in het eerste lid en paragraaf 1, eerste lid, zijn beoogd, zal het beslag gelegd overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, slechts primeren indien de over- handiging van het stuk aan de geadresseerde zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid, de datum van ont- vangstmelding van het beslag door de derde-beslagene zoals bepaald in het derde lid, voorafgaat. De informatie opgenomen in deze paragraaf en in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving van het beslag, is dezelfde, ongeacht of ze wordt meegedeeld door mid- del van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door een aangetekende brief. In geval van verzending door middel van een proce- dure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden de oorsprong en de integriteit van de inhoud van de kennisgeving van het beslag verzekerd door middel van aangepaste beveiligingstechnieken. “Art. 20. § 1er. Après notifi cation ou signifi cation de la contrainte visée à l’article 13, le receveur peut faire procéder, par lettre recommandée, à la saisie-arrêt-exé- cution sur les sommes et effets dus ou appartenant au débiteur d’aliments ou au codébiteur, à concurrence de tout ou partie du montant de la créance dû par le débiteur d’aliments ou au paiement duquel le codébiteur est tenu. Cette saisie sort ses effets à compter de la remise de la pièce au destinataire. § 2. À partir de la date d’effet de l’accord conclu à cette fi n entre le tiers saisi et les services compétents du SPF Finances, le receveur peut effectuer la saisie- arrêt visée au paragraphe 1er au moyen d’une procédure utilisant les techniques de l’informatique. Cet accord reste d’application tant que le tiers saisi ne l’a pas expressément dénoncé par lettre recommandée. La dénonciation prend effet à partir du premier jour du troisième mois qui suit la réception de sa notifi cation par le service compétent du SPF Finances. Dans les cas où il est fait usage de la faculté prévue à l’alinéa 1er, la saisie-arrêt sort ses effets à compter de la date de l’accusé de réception de la saisie communiqué par le tiers saisi. Lorsqu’une même saisie-arrêt est adressée succes- sivement selon les procédures prévues respectivement à l’alinéa 1er et au paragraphe 1er, alinéa 1er, la saisie adressée conformément au paragraphe 1er, alinéa 1er, ne prévaut que lorsque la date de remise de la pièce au destinataire visée au paragraphe 1er, alinéa 2, est anté- rieure à la date de l’accusé de réception communiqué par le tiers saisi visée à l’alinéa 3. Les informations reprises dans la notifi cation de saisie visée dans ce paragraphe et au paragraphe 1er sont les mêmes qu’elles soient communiquées au moyen d’une procédure utilisant les techniques de l’informatique ou par lettre recommandée. En cas d’envoi au moyen d’une procédure utilisant les techniques de l’informatique, l’origine et l’intégrité du contenu de la notifi cation de saisie sont assurées au moyen de techniques de protection adaptées. 56 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Opdat de kennisgeving van het beslag op geldige wijze als beslag onder derden zou gelden, wordt een digitaal certifi caat gebruikt. Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er gega- randeerd dat enkel de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee het digitaal certifi caat wordt gecreëerd. De gevolgde procedures laten toe dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending kan worden geïdentifi ceerd en dat het tijdstip van de verzending kan worden vastgesteld. Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde bepalingen uit te voeren, wordt de beslagen onder- houdsplichtige of de beslagen medeschuldenaar ge- identifi ceerd ofwel door het identifi catienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identifi catienum- mer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. § 3. Het beslag onder derden wordt eveneens bij aan- getekende brief aan de onderhoudsplichtige of mede- schuldenaar aangezegd. Indien de onderhoudsplichtige of medeschuldenaar geen gekende woonplaats heeft, geschiedt de aanzegging van het beslag bij aangete- kende brief aan de procureur des Konings te Brussel. De onderhoudsplichtige of medeschuldenaar kan tegen het beslag onder derden bij aangetekende brief verzet aantekenen bij de ontvanger binnen vijftien da- gen te rekenen vanaf de afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van de aanzegging van het beslag. De onderhoudsplichtige of medeschuldenaar licht binnen dezelfde termijn bij aangetekende brief de derde-beslagene in. § 4. Het in de paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag onder derden geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden, door de ontvanger, van een bericht van beslag zoals bepaald in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek. § 5. Onder voorbehoud van het bepaalde in de pa- ragrafen 1, 2 en 3, zijn op dit beslag onder derden de bepalingen toepasselijk van de artikelen 1539, 1540, 1542, eerste en tweede lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat: 1° de derde-beslagene zijn verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag eveneens door middel van een procedure waarbij informaticatech- nieken gebruikt worden aan de ontvanger kan doen indien het beslag onder derden volgens de procedure voorzien in paragraaf 2, eerste lid, werd gelegd. In dit geval is de datum van de verklaring van de sommen of Pour que la notifi cation de saisie soit valable comme saisie-arrêt, un certifi cat électronique est utilisé. Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens de création du certifi cat électronique. Les procédures mises en œuvre permettent à la per- sonne physique responsable de l’envoi d’être identifi ée, ainsi que d’identifi er le moment de l’envoi. Dans le seul but d’exécuter les dispositions visées dans ce paragraphe, le débiteur d’aliments saisi ou le codébiteur saisi est identifié soit par le numéro d’identifi cation du Registre national ou, à défaut, le numéro d’identifi cation de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale. §  3. La saisie-arrêt est également dénoncée au débiteur d’aliments ou au codébiteur par lettre recom- mandée. Lorsque le débiteur d’aliments ou le codébiteur n’a pas de domicile connu, la dénonciation de la saisie est faite par lettre recommandée au procureur du Roi à Bruxelles. Le débiteur d’aliments ou le codébiteur peut faire opposition à la saisie-arrêt par lettre recommandée adressée au receveur dans les quinze jours du dépôt auprès du prestataire de service postal universel de la dénonciation de la saisie. Le débiteur d’aliments ou codébiteur en informe le tiers saisi dans le même délai par lettre recommandée. §  4. La saisie-arrêt visée aux paragraphes  1er et 2 donne lieu à l’établissement et à l’envoi, par le rece- veur, d’un avis de saisie comme prévu à l’article 1390 du Code judiciaire. § 5. Sous réserve de ce qui est prévu aux para- graphes 1er, 2 et 3, les dispositions des articles 1539, 1540, 1542, alinéas 1er et 2, et 1543, du Code judiciaire, sont applicables à cette saisie-arrêt, étant entendu que: 1° le tiers saisi peut également faire la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie, au moyen d’une procédure utilisant les techniques de l’informa- tique au receveur lorsque la saisie-arrêt est adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er; dans ce cas, la date de la déclaration des sommes ou effets, objets de la saisie, est la date de l’accusé de 57 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 zaken die het voorwerp zijn van het beslag de datum van ontvangstmelding die door de bevoegde dienst van de FOD Financiën wordt verzonden; 2° de derde-beslagene is ertoe gehouden, op over- legging van een afschrift van de aanzegging van het beslag bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, afgifte te doen overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek. Indien het beslag onder derden, volgens de procedure voorzien in paragraaf 2, eerste lid, wordt gelegd, wordt de overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag geacht vervuld te zijn door de mededeling aan de derde-beslagene, door mid- del van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, van de datum van neerlegging bij de aanbieder van de universele postdienst van de aanzeg- ging van het beslag; 3° de afgifte van het bedrag van het beslag geschiedt in handen van de ontvanger. Met als enig doel de in deze paragraaf vermelde be- palingen uit te voeren, wordt de beslagen onderhouds- plichtige of medeschuldenaar geïdentifi ceerd ofwel door het identifi catienummer van het Rijksregister of, bij gebrek daaraan, het identifi catienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. § 6. De kosten voor de aangetekende brieven bedoeld in de paragrafen 1, 3 en 5 zijn ten laste van de onder- houdsplichtige of medeschuldenaar. § 7. De onderhoudsplichtige of medeschuldenaar wordt op de hoogte gebracht van de bestemming van de betalingen en van het saldo na de betalingen. § 8. Het uitvoerend beslag onder derden geschiedt door middel van een deurwaardersexploot op de wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer blijkt: 1° dat de onderhoudsplichtige of medeschuldenaar zich verzet tegen het beslag onder derden bedoeld in paragrafen 1 en 2; 2° dat de derde-beslagene zijn schuld tegenover de onderhoudsplichtige of medeschuldenaar betwist; 3° dat de sommen en zaken het voorwerp zijn van een verzet of beslag onder derden gedaan door andere schuldeisers voor het in paragrafen 1 en 2 bedoelde beslag onder derden; 4° dat de zaken te gelde moeten worden gemaakt. réception communiqué par le service compétent du SPF Finances; 2° le tiers saisi est tenu de vider ses mains conformé- ment à l’article 1543 du Code judiciaire, sur production d’une copie de la dénonciation de la saisie visée au paragraphe 3, alinéa 1er. Lorsque la saisie-arrêt est adressée selon la procédure prévue au paragraphe 2, alinéa 1er, la production d’une copie de la dénonciation de la saisie est réputée accomplie par la communication au tiers saisi de la date de dépôt auprès du prestataire de service postal universel de la dénonciation de la saisie, et ce, au moyen d’une procédure utilisant les techniques de l’informatique; 3° la remise du montant de la saisie se fait entre les mains du receveur. Dans le seul but d’exécuter les dispositions visées au présent paragraphe, le débiteur d’aliments saisi ou le codébiteur saisi est identifi é soit par le numéro d’identifi cation du Registre national ou, à défaut, le numéro d’identifi cation de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale. § 6. Les frais des lettres recommandées visées aux paragraphes 1er, 3 et 5 sont à charge du débiteur d’ali- ments ou du codébiteur. § 7. Le débiteur d’aliments ou le codébiteur est avisé de la destination des paiements et du solde après les paiements. § 8. La saisie-arrêt-exécution est pratiquée par exploit d’huissier, de la manière prévue aux articles 1539 à 1544 du Code judiciaire, lorsqu’il apparaît: 1° que le débiteur d’aliments ou le codébiteur s’op- pose à la saisie-arrêt visée aux paragraphes 1er et 2; 2° que le tiers saisi conteste sa dette à l’égard du débiteur d’aliments ou du codébiteur; 3° que les sommes et effets font l’objet de la part d’autres créanciers, d’une opposition ou d’une sai- sie-arrêt antérieure à la saisie-arrêt visée aux para- graphes 1er et 2; 4° que les effets doivent être réalisés. 58 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 In deze gevallen blijft het door de ontvanger overeen- komstig paragrafen 1 en 2, gelegde beslag onder derden zijn bewarend effect behouden wanneer een uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd als bepaald bij artikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek, binnen een maand na: 1° ofwel de afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van het verzet van de onderhoudsplichtige of medeschuldenaar als bepaald bij paragraaf 3, tweede lid, of van de verklaring als bedoeld in artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek; 2° ofwel de ontvangstmelding van deze verklaring wanneer zij werd verzonden door middel van een pro- cedure waarbij informaticatechnieken gebruikt worden als bepaald in paragraaf 5, eerste lid, 1°.”. Art. 120 In hetzelfde hoofdstuk IV, afdeling II/1, van dezelfde wet, wordt artikel 21 vervangen als volgt: “Art. 21. § 1. De schuldvordering wordt gewaarborgd door een wettelijke hypotheek op alle in België gelegen en voor hypotheek vatbare goederen van de onder- houdsplichtige en de medeschuldenaar. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die op verzoek van de ontvanger is genomen. § 2. De ontvanger kan de inschrijving van de wettelijke hypotheek vorderen vanaf de datum van het uitgevaar- digd en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel, waarvan overeenkomstig artikel 13 aan de onderhoudsplichtige of aan de medeschuldenaar kennisgeving of betekening is gedaan. § 3. De inschrijving van de wettelijke hypotheek heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend werd verklaard door de ontvanger en dat melding maakt van de kennisgeving of beteke- ning ervan. § 4. Onverminderd de toepassing van artikel 87 van de hypotheekwet van 16 december 1851, kan de in- schrijving van de wettelijke hypotheek worden gevorderd voor een door de ontvanger in het borderel te bepalen bedrag, dat al de bijbehoren, die voor de vereffening van de schuldvordering in hoofdsom zouden kunnen verschuldigd zijn, vertegenwoordigt. Dans ces cas, la saisie-arrêt pratiquée par le receveur en application des paragraphes 1er et 2 garde son effet conservatoire si le receveur fait procéder par exploit d’huissier, comme prévu à l’article 1539 du Code judi- ciaire, à une saisie-arrêt-exécution dans le mois qui suit: 1° soit le dépôt auprès du prestataire de service pos- tal universel de l’opposition du débiteur d’aliments ou du codébiteur visée au paragraphe 3, alinéa 2, ou de la déclaration visée à l’article 1452 du Code judiciaire; 2° soit l’accusé de réception de cette déclaration lorsqu’elle a été transmise au moyen d’une procédure utilisant les techniques de l’informatique comme prévu au paragraphe 5, alinéa 1er, 1°.”. Art. 120 Dans le même chapitre IV, section II/1, de la même loi, l’article 21 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Art. 21. § 1er. La créance est garantie par une hypo- thèque légale sur tous les biens appartenant au débi- teur d’aliments et au codébiteur, situés en Belgique et susceptibles d’hypothèque. L’hypothèque légale prend rang à compter du jour de l’inscription qui en est faite à la requête du receveur. § 2. Le receveur peut requérir l’inscription de l’hypo- thèque légale à compter de la date de la contrainte décernée et rendue exécutoire, laquelle a été notifi ée ou signifi ée au débiteur d’aliments ou au codébiteur conformément à l’article 13. §  3. L’inscription de l’hypothèque légale a lieu nonobstant opposition, contestation ou recours, sur présentation d’une copie, certifi ée conforme par le receveur, de la contrainte mentionnant la date de la notifi cation ou de la signifi cation. § 4. Sans préjudice de l’application de l’article 87 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, l’inscription de l’hypothèque légale peut être requise pour une somme à arbitrer par le receveur, dans le bordereau, en repré- sentation de tous les accessoires qui pourraient être dus avant l’acquittement de la créance en principal. 59 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 § 5. De kosten van de hypothecaire formaliteiten in verband met de wettelijke hypotheek zijn ten laste van de onderhoudsplichtige of de medeschuldenaar. § 6. De ontvanger verleent handlichting in de admi- nistratieve vorm zonder dat hij, tegenover de hypotheek- bewaarder, gehouden is verantwoording van de betaling van de verschuldigde sommen te verstrekken.”. Art. 121 In hetzelfde hoofdstuk IV, afdeling II/1, van dezelfde wet, wordt een artikel 21/1 ingevoegd, luidende: “Art. 21/1. De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing, met betrekking tot de maatregelen welke er, zelfs gedeeltelijk, toe strekken de invordering van de schuldvordering te verwezenlijken of te waarborgen.”. Art. 122 In hetzelfde hoofdstuk IV, afdeling II/1, van dezelfde wet, wordt een artikel 21/2 ingevoegd, luidende: “Art. 21/2. Elk rechtsgeding met betrekking tot de inning of de invordering van de schuldvordering dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de onder- houdsplichtige of door elke medeschuldenaar, schorst de verjaring. De schorsing vangt aan met de inleidende vordering en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is getreden.”. Art. 123 Het opschrift van hoofdstuk IV, afdeling III, van de- zelfde wet wordt vervangen als volgt: “Afdeling III – Inlichtingen die moeten worden ver- strekt aan de Dienst voor alimentatievorderingen.”. Art. 124 Artikel 22 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 22. §  1. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, de besturen van de § 5. Les frais de formalités hypothécaires relatives à l’hypothèque légale sont à charge du débiteur d’ali- ments ou du codébiteur. § 6. Le receveur donne mainlevée dans la forme admi- nistrative sans qu’il soit tenu, vis-à-vis du conservateur des hypothèques, de fournir la justifi cation du paiement des sommes dues.”. Art. 121 Dans le même chapitre IV, section II/1, de la même loi, il est inséré un article 21/1, rédigé comme suit: “Art. 21/1. Les délais d’opposition, d’appel et de cas- sation, ainsi que l’opposition, l’appel et le pourvoi en cassation sont suspensifs de l’exécution de la décision judiciaire afférente à des mesures destinées à effectuer ou à garantir, même partiellement, le recouvrement de la créance.”. Art. 122 Dans le même chapitre IV, section II/1, de la même loi, il est inséré un article 21/2, rédigé comme suit: “Art.  21/2. Toute instance en justice relative à la perception ou au recouvrement de la créance qui est introduite par l’État belge, par le débiteur d’aliments ou par tout codébiteur, suspend le cours de la prescription. La suspension débute avec l’acte introductif d’ins- tance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.”. Art. 123 L’intitulé du chapitre IV, section III, de la même loi, est remplacé par ce qui suit: “Section III – Renseignements à fournir au Service des créances alimentaires.”. Art. 124 L’article 22 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Art. 22. § 1er. Les services administratifs de l’État, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, les administrations des communautés, 60 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten evenals de openbare instellingen en inrich- tingen, zijn, wanneer zij daartoe worden aangezocht door de Dienst voor alimentatievorderingen, gehouden de Dienst, binnen de termijn vermeld in het verzoek, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen te verstrekken, de Dienst, zonder verplaatsing, inzage te verlenen in alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden, en de Dienst alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen welke de Dienst voor alimentatievorderingen nodig acht teneinde de vermogenssituatie van de onderhoudsplichtige of van een medeschuldenaar te bepalen met het oog op het invorderen van de schuldvordering lastens hen. Onder “openbare instellingen of inrichtingen” worden verstaan de instellingen, maatschappijen, verenigingen, inrichtingen en diensten welke de Staat, een gemeen- schap of een gewest mede beheert, waaraan de Staat, een gemeenschap of een gewest een waarborg verstrekt, op de werkzaamheden waarvan de Staat, een gemeenschap of een gewest toezicht uitoefent of waarvan het bestuurspersoneel wordt aangewezen door de federale regering of een gemeenschaps- of gewest- regering, op haar voordracht of met haar goedkeuring. Van de akten, stukken, registers, bescheiden of in- lichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zon- der uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie. §  2. Paragraaf 1  is niet van toepassing op de Algemene Directie Statistiek – Statistics Belgium van de Federale Overheidsdienst Economie, noch op de gemeenschappen en gewesten aangaande de be- voegdheden die vroeger waren toevertrouwd aan het Economisch en Sociaal Instituut voor de Middenstand en die overgedragen werden aan de gemeenschappen en gewesten wat de individueel verkregen inlichtingen betreft.”. Art. 125 In hoofdstuk IV, afdeling III, van dezelfde wet wordt een artikel 22/1 ingevoegd, luidende: “Art. 22/1. Alle administraties die ressorteren onder de FOD Financiën zijn gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan de Dienst voor alimentatievorderingen, voor zover die gegevens bijdragen tot het bepalen van de vermogenssituatie van des régions, des provinces, des agglomérations, des fédérations de communes et des communes, ainsi que les établissements et organismes publics sont tenus, lorsqu’ils en sont requis par le Service des créances alimentaires de lui fournir, dans le délai mentionné dans la demande, ce délai pouvant être prolongé pour des motifs légitimes, tous renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, de lui communiquer, sans déplacement, tous actes, pièces, registres et documents quelconques qu’ils détiennent et de lui laisser prendre tous renseignements, copies ou extraits que le Service des créances alimentaires juge nécessaires en vue d’établir la situation patrimoniale du débiteur d’aliments ou d’un codébiteur pour assurer le recouvrement de la créance à leur charge. Par “établissements ou organismes publics”, on entend les institutions, sociétés, associations, établisse- ments et offices à l’administration desquels l’État, une communauté ou une région participe, auxquels l’État, une communauté ou une région fournit une garantie, sur l’activité desquels l’État, une communauté ou une région exerce une surveillance ou dont le personnel de direction est désigné par le gouvernement fédéral ou un gouvernement de communauté ou de région, sur sa proposition ou moyennant son approbation. Toutefois, les actes, pièces, registres, documents ou renseignements relatifs à des procédures judiciaires ne peuvent être communiqués ou copiés sans l’autorisation expresse du ministère public. §  2. Le paragraphe  1er n’est pas applicable à la Direction générale Statistique – Statistics Belgium du Service public fédéral Économie, ni aux communautés et régions pour les compétences qui autrefois étaient concédées à l’Institut économique et social des Classes moyennes et qui ont été transférées aux communautés et régions pour ce qui concerne les renseignements individuels recueillis.”. Art. 125 Dans le chapitre IV, section III, de la même loi, il est inséré un article 22/1 rédigé comme suit: “Art. 22/1. Toutes les administrations qui relèvent du SPF Finances sont tenues de mettre à disposition du Service des créances alimentaires tous les renseigne- ments adéquats, pertinents et non excessifs en leur possession, pour autant que ces données contribuent à établir la situation patrimoniale du débiteur d’aliments 61 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 de onderhoudsplichtige of van een medeschuldenaar met het oog op het invorderen van de schuldvordering lastens hen.”. Art. 126 In hoofdstuk IV, afdeling III, van dezelfde wet wordt een artikel 22/2 ingevoegd, luidende: “Art. 22/2. Onverminderd het recht van de Dienst voor alimentatievorderingen om mondelinge inlichtingen te vragen, is iedere natuurlijke of rechtspersoon, alsook iedere vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, verplicht deze Dienst op haar verzoek, binnen de termijn vermeld op de schriftelijke aanvraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inli- chtingen te verstrekken in zijn bezit die van hem worden gevorderd, teneinde zijn vermogenssituatie of die van derden te bepalen met het oog op het invorderen van de schuldvordering in zijn hoofde of in hoofde van derden. Het verzoek bedoeld in het eerste lid, moet worden gemotiveerd. De Dienst voor alimentatievorderingen kan, mits machtiging van een ambtenaar met minimum de graad van adviseur-generaal, aan het centraal aanspreekpunt van de Nationale Bank van België de in artikel 322, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastin- gen 1992 bedoelde beschikbare gegevens betreffende een onderhoudsplichtige of een medeschuldenaar vra- gen, zonder de beperkingen van artikel 322, §§ 2 tot 4, van hetzelfde Wetboek.”. Art. 127 In hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt na artikel 22/2, ingevoegd door artikel 126, een afdeling IV ingevoegd, luidende “Afdeling IV. Bewijskracht van gegevens en documenten.”. Art. 128 In hoofdstuk IV, afdeling IV, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 127, wordt een artikel 22/3 inge- voegd, luidende: “Art. 22/3. De gegevens en de documenten ont- vangen, opgesteld of verzonden door de Dienst voor alimentatievorderingen in het kader van de toepas- sing van deze wet, en die fotografisch, optisch, elektronisch of volgens elke andere informatica- of ou d’un codébiteur pour assurer le recouvrement de la créance à leur charge.”. Art. 126 Dans le chapitre IV, section III, de la même loi, il est inséré un article 22/2 rédigé comme suit: “Art. 22/2. Sans préjudice du droit du Service des créances alimentaires de demander des renseigne- ments verbaux, toute personne physique ou morale, ainsi que toute association n’ayant pas la personnalité juridique, a l’obligation, lorsqu’elle en est requise par ce Service, de lui fournir, par écrit, dans le délai men- tionné dans la demande écrite, ce délai pouvant être prolongé pour des motifs légitimes, tous renseignements adéquats, pertinents et non excessifs en sa possession qui lui sont réclamés en vue d’établir sa situation patri- moniale ou celle de tiers pour assurer le recouvrement de la créance à sa charge ou à la charge de tiers. La demande visée à l’alinéa 1er doit être motivée. Après autorisation préalable par un agent doté au minimum d’un grade de conseiller général, le Service des créances alimentaires peut demander au point de contact central de la Banque nationale de Belgique les données disponibles visées à l’article 322, § 3, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992 relatives à un débiteur d’aliments ou codébiteur sans les limitations de l’article 322, §§ 2 à 4, du même Code.”. Art. 127 Au chapitre IV de la même loi, après l’article 22/2, inséré par article 126, il est inséré une section IV inti- tulée “Section IV. Force probante des données et des documents.”. Art. 128 Dans le chapitre IV, section IV, de la même loi, insé- rée par l’article 127, il est inséré un article 22/3 rédigé comme suit: “Art. 22/3. Les données et documents reçus, établis ou envoyés par le Service des créances alimentaires dans le cadre de l’application de la présente loi, et qui sont enregistrés, conservés ou reproduits selon un pro- cédé photographique, optique, électronique ou par toute 62 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 telegeleidingstechniek worden geregistreerd, bewaard of weergegeven, evenals hun weergave op leesbare dra- ger, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.”. Art. 129 In hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt na artikel 22/3, ingevoegd door artikel 128, een Afdeling V ingevoegd, luidende “Afdeling V. Beroepsgeheim.”. Art. 130 In hoofdstuk IV, afdeling V, van dezelfde wet, in- gevoegd bij artikel 129, wordt een artikel 22/4 inge- voegd, luidende: “Art. 22/4. Hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de toepassing van deze wet of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de Dienst voor alimentatievorde- ringen is, buiten het uitoefenen van zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft. De ambtenaren van de Dienst voor alimentatievor- deringen oefenen hun ambt uit wanneer zij aan andere administratieve diensten van de Staat, daaronder be- grepen de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtsmachten, en van de gemeenschappen en de gewesten evenals aan de in artikel 22 § 1, tweede lid, bedoelde openbare instellingen of inrichtingen, inlichtin- gen verstrekken welke voor die administratieve diensten, administraties, openbare instellingen of inrichtingen nodig zijn voor de hun opgedragen uitvoering van wet- telijke of reglementaire bepalingen. De ambtenaren van de Dienst voor alimentatievorde- ringen oefenen eveneens hun ambt uit wanneer zij met betrekking tot de schuldvordering van een onderhouds- plichtige een vraag om raadpleging, uitleg of mededeling inwilligen van een medeschuldenaar. Personen die deel uitmaken van de diensten waaraan de Dienst voor alimentatievorderingen ingevolge het tweede lid inlichtingen heeft verstrekt, zijn tot dezelfde geheimhouding verplicht en mogen de bekomen inlich- tingen niet gebruiken buiten het kader van de wettelijke bepalingen voor de uitvoering waaraan zij zijn verstrekt.”. autre technique de l’informatique ou de la télématique, ainsi que leur représentation sur un support lisible, ont force probante, sauf preuve contraire.”. Art. 129 Au chapitre IV de la même loi, après l’article 22/3, inséré par article 128, il est inséré une Section V intitulée “Section V. Secret professionnel.”. Art. 130 Dans le chapitre IV, section V, de la même loi, insé- rée par l’article 129, il est inséré un article 22/4 rédigé comme suit: “Art. 22/4. Celui qui intervient, à quelque titre que ce soit, dans l’application de la présente loi ou qui a accès aux bureaux du Service des créances alimentaires, est tenu de garder, en dehors de l’exercice de ses fonctions, le secret le plus absolu au sujet de tout ce dont il a eu connaissance par suite de l’exécution de sa mission. Les fonctionnaires du Service des créances alimen- taires restent dans l’exercice de leurs fonctions lorsqu’ils communiquent aux autres services administratifs de l’État, y compris les parquets et les greffes des cours et de toutes les juridictions, et des communautés et des régions, ainsi qu’aux établissements ou organismes publics visés à l’article 22, § 1er, alinéa 2, les rensei- gnements qui sont nécessaires à ces services adminis- tratifs, administrations, établissements ou organismes publics pour assurer l’exécution des dispositions légales ou réglementaires dont ils sont chargés. Les fonctionnaires du Service des créances ali- mentaires restent également dans l’exercice de leurs fonctions lorsqu’ils accueillent une demande de con- sultation, d’explication ou de communication relative à la créance d’un débiteur d’aliments, émanant d’un codébiteur. Les personnes appartenant aux services à qui le Service des créances alimentaires a fourni des rensei- gnements en application de l’alinéa 2, sont également tenues au même secret et elles ne peuvent utiliser les renseignements obtenus en dehors du cadre des dispositions légales pour l’exécution desquelles ils ont été fournis.”. 63 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 Art. 131 In artikel 23, 5°, van dezelfde wet worden de woorden “de alimentatievordering” vervangen door de woorden “het onderhoudsgeld”. Art. 132 In hoofdstuk V, afdeling I, van dezelfde wet wordt een artikel 23/1 ingevoegd, luidende: “Art. 23/1. De Koning kan de modaliteiten van beta- ling van de verschuldigde sommen in het kader van de toepassing van deze wet bepalen.”. Art. 133 Het opschrift van hoofdstuk V, afdeling II, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Afdeling II. Opschorting en annulering van de invorderingsopdracht.”. Art. 134 Artikel 24 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 135 Artikel 25 van dezelfde wet wordt opgeheven. Art. 136 Artikel 26 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 26. Indien de adviseur-generaal bedoeld in artikel 13, tweede lid, van oordeel is dat toegekende voorschotten defi nitief oninvorderbaar zijn, kan hij van de invordering afzien en de schuldvordering annuleren. De ontvanger wordt op de hoogte gebracht van de be- slissing dat de schuldvordering is geannuleerd.”. Art. 137 In artikel 27 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht: Art. 131 À l’article 23, 5° de la même loi, les mots “créance alimentaire” sont remplacés par les mots “pension alimentaire”. Art. 132 Dans le chapitre V, section Ière, de la même loi, il est inséré un article 23/1 rédigé comme suit: “Art. 23/1. Le Roi peut déterminer les modalités de paiement des sommes dues dans le cadre de l’appli- cation de la présente loi.”. Art. 133 L’intitulé du chapitre V, section II, de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Section II. Suspension et annulation de l’ordre de recouvrement.”. Art. 134 L’article 24 de la même loi est abrogé. Art. 135 L’article 25 de la même loi est abrogé. Art. 136 L’article 26 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Art. 26. Si le conseiller général visé à l’article 13, alinéa 2, juge que des avances accordées sont défi niti- vement irrécouvrables, il peut renoncer au recouvrement de cette créance et l’annuler. Le receveur est informé de la décision d’annulation de la créance.”. Art. 137 À l’article 27 de la même loi, les modifi cations sui- vantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les modifi cations suivantes sont apportées: 64 2922/008 DOC 54 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E 2017 2018 a) het woord “rekenplichtige” wordt vervangen door het woord “ontvanger”; b) de woorden “geeft hij daarvan bij een ter post aangetekende brief kennis aan de onderhoudsgerech- tigde.” worden vervangen door de woorden “wordt de invorderingsopdracht opgeschort. De ontvanger geeft daarvan bij aangetekende brief kennis aan de onderhoudsgerechtigde.”; 2° paragraaf 1, tweede lid, wordt opgeheven; 3° in paragraaf 1, wordt in het vroegere derde lid, dat het tweede lid wordt, het woord “reken- plichtige” vervangen door de woorden “Dienst voor alimentatievorderingen”; 4° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt: “§ 2. Indien de adviseur-generaal bedoeld in artikel 13, tweede lid, van oordeel is dat het saldo van het onderhoudsgeld, de achterstallen of de interesten de- fi nitief oninvorderbaar zijn, kan hij van de invordering afzien en de schuldvordering annuleren. De ontvanger wordt op de hoogte gebracht van de beslissing dat de schuldvordering is geannuleerd. De Dienst voor alimentatievorderingen geeft bij aan- getekende brief kennis aan de onderhoudsgerechtigde van de beslissing van de adviseur-generaal bedoeld in artikel 13, tweede lid.”. a) le mot “comptable” est remplacé par le mot “receveur”; b) les mots “il en informe le créancier d’aliments par lettre recommandée à la poste.” sont remplacés par les mots “l’ordre de recouvrement est suspendu. Le receveur en informe le créancier d’aliments par lettre recommandée.”; 2° le paragraphe 1er, alinéa 2, est abrogé; 3° dans le paragraphe 1er, dans l’ancien alinéa 3, qui devient l’alinéa 2, le mot “comptable” est remplacé par les mots “Service des créances alimentaires”; 4° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit: “§ 2. Si le conseiller général visé à l’article 13, alinéa 2, juge que le solde de la pension alimentaire, les arrié- rés ou les intérêts sont défi nitivement irrécouvrables, il peut renoncer au recouvrement de cette créance et l’annuler. Le receveur est informé de la décision d’annu- lation de la créance. Le Service des créances alimentaires informe par lettre recommandée le créancier d’aliments de la déci- sion du conseiller général visé à l’article 13, alinéa 2.”. Centrale drukkerij – Imprimerie centrale

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot