Inhoud
INHOUD
SOMMAIRE
Blz.
Pages
I. Inleidende uiteenzet ting van de heer
Denis Ducarme, minister van Middenstand,
Z e l f s t a n d i g e n , K M O ’s , L a n d b o u w e n
Maatschappelijke Integratie...........................................3
II. Algemene bespreking ....................................................7
III. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen ................13
I. Exposé introductif de M. Denis Ducarme,
m i n i s t r e d e s C l a s s e s m o y e n n e s ,
des Indépendants, des PME, de l’Agriculture, et
de l’Intégration sociale ...................................................3
II. Discussion générale ......................................................7
III. Discussion des articles et votes ..................................13
VERSLAG
RAPPORT
7537
DOC 54 2765/003
DOC 54 2765/003
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
6 december 2017
6 décembre 2017
NAMENS DE COMMISSIE
VOOR HET BEDRIJFSLEVEN,
HET WETENSCHAPSBELEID, HET ONDERWIJS,
DE NATIONALE WETENSCHAPPELIJKE EN CULTURELE
INSTELLINGEN, DE MIDDENSTAND EN
DE LANDBOUW
UITGEBRACHT DOOR
DE HEER Gilles VANDEN BURRE
FAIT AU NOM DE LA COMMISSION
DE L’ÉCONOMIE,
DE LA POLITIQUE SCIENTIFIQUE, DE L’ÉDUCATION,
DES INSTITUTIONS SCIENTIFIQUES ET CULTURELLES
NATIONALES, DES CLASSES MOYENNES ET
DE L’AGRICULTURE
PAR
M. Gilles VANDEN BURRE
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
houdende wijziging van de wet van
21 december 2013 betreffende diverse
bepalingen inzake de financiering voor kleine
en middelgrote ondernemingen
portant modification de la loi du
21 décembre 2013 relative à diverses
dispositions concernant le financement des
petites et moyennes entreprises
Voir:
Doc 54 2765/ (2017/2018):
001:
Projet de loi.
002:
Amendement.
Voir aussi:
004:
Texte adopté par la commission.
Zie:
Doc 54 2765/ (2017/2018):
001:
Wetsontwerp.
002:
Amendement.
Zie ook:
004:
Tekst aangenomen door de commissie.
2
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA:
Questions et Réponses écrites
CRIV:
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
CRABV:
Compte Rendu Analytique
CRIV:
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le
compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu
analy tique traduit des interventions (avec les an-
nexes)
PLEN:
Séance plénière
COM:
Réunion de commission
MOT:
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes:
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.lachambre.be
courriel : publications@lachambre.be
Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen:
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.dekamer.be
e-mail : publicaties@dekamer.be
De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier
Afkortingen bij de nummering van de publicaties:
DOC 54 0000/000:
Parlementair document van de 54e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV:
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV:
Beknopt Verslag
CRIV:
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag
en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken
(met de bijlagen)
PLEN:
Plenum
COM:
Commissievergadering
MOT:
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti Socialiste
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
sp.a
:
socialistische partij anders
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
cdH
:
centre démocrate Humaniste
VB
:
Vlaams Belang
PTB-GO!
:
Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
PP
:
Parti Populaire
Vuye&Wouters
:
Vuye&Wouters
Samenstelling van de commissie op de datum van indiening van het verslag/
Composition de la commission à la date de dépôt du rapport
Voorzitter/Président: Jean-Marc Delizée
A. — Vaste leden / Titulaires:
B. — Plaatsvervangers / Suppléants:
N-VA
Rita Gantois, Werner Janssen, Johan Klaps, Bert
Wollants
Rita Bellens, Christoph D'Haese, Inez De Coninck, Peter Dedecker,
Koen Metsu
PS
Paul-Olivier Delannois, Jean-Marc Delizée, Fabienne
Winckel
Nawal Ben Hamou, Jacques Chabot, Laurent Devin, Karine Lalieux,
Alain Mathot
MR
Caroline Cassart-Mailleux, Benoît Friart, Isabelle
Galant
Emmanuel Burton, Gautier Calomne, David Clarinval, Damien Thiéry
CD&V
Leen Dierick, Griet Smaers
Nathalie Muylle, Jef Van den Bergh, Vincent Van Peteghem
Open Vld
Patricia Ceysens, Nele Lijnen
Egbert Lachaert, Vincent Van Quickenborne, Tim Vandenput
sp.a
Ann Vanheste
Maya Detiège, Karin Temmerman
Ecolo-Groen
Gilles Vanden Burre
Kristof Calvo, Jean-Marc Nollet
cdH
Michel de Lamotte
Benoît Dispa, Vanessa Matz
C. — Niet-stemgerechtigd lid / Membre sans voix délibérative:
PP
Aldo Carcaci
3
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
DAMES EN HEREN,
Uw commissie heeft dit wetsontwerp besproken tij-
dens haar vergadering van 28 november 2017.
I. — INLEIDENDE UITEENZETTING VAN
DE HEER DENIS DUCARME, MINISTER
VAN MIDDENSTAND,
ZELFSTANDIGEN, KMO’S, LANDBOUW
EN MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE
Dit wetsontwerp behelst een actualisering van een
wet die uitermate belangrijk is voor onze kmo’s.
Men weet dat 99 % van onze bedrijven kmo’s zijn.
In dit opzicht bevindt ons land zich boven het Europese
gemiddelde. Onze kmo’s en zko’s (zeer kleine onder-
nemingen) zijn de economische motor van ons land.
Daarom wou deze regering hen nieuwe instrumenten
bieden. Deze moeten hun oprichting en ontwikkeling
faciliteren. Daarom wordt ook gezorgd voor een omge-
ving die economisch aantrekkelijker is.
Wat is er nodig om een onderneming succesvol te
maken? Ten eerste: een goed product (of een goede
dienst) aanbieden. Ten tweede, de beoogde markt be-
reiken. Ten derde, de investeringen kunnen fi nancieren.
Deze derde voorwaarde is fundamenteel! We kunnen
een uitstekend concept hebben en genieten van een
concurrentiële markt, maar een project is onmogelijk
zonder fi nanciering!
Het doel van de wet van 21 december 2013 was dus
een kader te voorzien dat aangepast is aan hun bijzon-
derheden om de kmo’s te steunen in hun zoektocht
naar fi nanciering.
Artikel 14 ervan voorzag bovendien dat de wet, en
de gedragscode die ermee gepaard gaat, geëvalueerd
zou worden. De modaliteiten van deze evaluatie wer-
den trouwens gedefi nieerd in een koninklijk besluit van
10 april 2016.
Het is het resultaat van deze evaluatie dat de minister
vandaag voorlegt.
Hoe werd zij uitgevoerd?
Het KMO-Observatorium van de Federale Overheids-
dienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie
moest een bevraging houden bij de ondernemingen.
De adviezen van de verschillende belanghebbende
partijen werden ontvangen. Bijna 10 000 kmo’s namen
vrijwillig deel aan deze bevraging. We moeten de hoge
MESDAMES, MESSIEURS,
Votre commission a examiné ce projet de loi au cours
de sa réunion du 28 novembre 2017.
I. — EXPOSÉ INTRODUCTIF DE
M. DENIS DUCARME, MINISTRE
DES CLASSES MOYENNES, DES
INDÉPENDANTS, DES PME, DE L’AGRICULTURE,
ET DE L’INTÉGRATION SOCIALE
Le projet de loi à l’examen porte sur l’actualisation
d’une loi extrêmement importante pour nos petites et
moyennes entreprises.
Comme on le sait, les PME représentent 99 % de nos
entreprises. Notre pays se situe, à cet égard, au-dessus
de la moyenne européenne. Nos PME et nos TPE (très
petites entreprises) forment le moteur économique de
notre pays. C’est d’ailleurs pour cette raison que ce
gouvernement a veillé à leur offrir de nouveaux outils,
afi n de faciliter leur création et leur développement dans
un environnement économique plus attrayant.
Or, quels sont les ingrédients nécessaires au succès
d’une entreprise? Un: proposer un bon produit (ou un bon
service). Deux: atteindre le marché visé. Trois: pouvoir
fi nancer ses investissements. Cette troisième condition
est fondamentale! On peut avoir un concept excellent et
bénéfi cier d’un marché concurrentiel, un projet ne peut
pas vivre sans opportunité de fi nancement!
L’objectif de la loi du 21 décembre 2013 était donc de
fournir aux PME un cadre adapté à leurs spécifi cités afi n
de les soutenir dans leurs recherches de fi nancement.
Son article 14 prévoyait par ailleurs que la loi, ainsi
que le code de conduite y afférent, feraient l’objet d’une
évaluation. Les modalités de cette évaluation ont d’ail-
leurs été défi nies dans un arrêté royal du 10 avril 2016.
C’est le fruit de cette évaluation que le ministre pré-
sente aujourd’hui.
Comment a-t-elle été menée?
L’Observatoire des PME du Service Public Fédéral
Économie, PME, Classes moyennes et Énergie a été
chargé de l’organisation d’une enquête par sondage
auprès des entreprises. Les avis des différentes par-
ties prenantes ont été recueillis. Ce sont ainsi près de
10 000 PME qui ont contribué volontairement à cette
4
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
participatiegraad benadrukken. Deze bedroeg meer dan
30 %. Een cijfer dat aantoont dat de kmo’s veel belang
hechten aan het thema fi nanciering.
De evaluatie van de wet heeft een aantal verbeter-
punten blootgelegd.
Die hebben vooral te maken met de doelstellingen
en de formulering van de wet.
Voorts moet worden gewaakt over de kwaliteit van
de informatie voor de ondernemingen. Dit is niet al-
leen een opdracht voor de overheid, maar ook voor de
kredietsector.
Zo werd slechts 12 % van de bevraagde ondernemin-
gen door hun bank geïnformeerd over het bestaan van
overheidswaarborgen of andere openbare interventies.
Dat is te weinig.
De bevraging laat ook uitschijnen dat de onderne-
mers zelf de instrumenten onvoldoende kennen die zij
kunnen gebruiken.
Naast deze vaststellingen, is er de vraag over de
wederbeleggingsvergoeding.
Ter herinnering, het gaat om de vergoeding die
gevraagd wordt door kredietinstellingen om een ver-
vroegde terugbetaling van een krediet toe te laten.
Tijdens de bevraging werd vastgesteld dat 31 % van
de respondenten op de hoogte was van het feit dat de
wet de wederbeleggingsvergoedingen beperkte. Dat is
ook een vrij zorgwekkend cijfer.
Zo werd tijdens de evaluatie van de wet bijzondere
aandacht besteed aan de controversen en evoluties uit
de jurisprudentie over de toepassing van artikel 1907bis
van het Burgerlijk Wetboek.
Tot slot wordt ook de aandacht gevestigd op de
bancaire verplichtingen inzake waarborgen en zeker-
heden. De respondenten betreuren het niveau van de
gevraagde waarborgen en zekerheden voor de geleen-
de bedragen. Ook betreuren zij het behoud van deze
waarborgen, ongeacht het al terugbetaalde bedrag.
Zo werd slechts in 10 % van de gevallen het gedekte
bedrag verlaagd in functie van de terugbetalingen.
Dit voorontwerp van wet wil dus een oplossing bieden
voor een paar van de problemen die werden vastgesteld
tijdens de evaluatie van de wet van 2013. Daarbij worden
enquête. Il convient de souligner le taux élevé de par-
ticipation, qui s’élève à plus de 30 %. Un chiffre qui
démontre tout l’intérêt que les PME portent au thème
du fi nancement.
L’évaluation de la loi a mis en lumière certaines pistes
d’amélioration.
Celles-ci ont d’abord trait aux objectifs et aux libellés
de la loi.
Il semble aussi qu’il faille veiller à la qualité de l’infor-
mation délivrée aux entreprises. Une tâche qui incombe
non seulement aux autorités publiques mais également
au secteur du crédit.
Ainsi, seulement 12 % des entreprises interrogées
ont été informées par leur banque de l’existence de
garanties publiques ou d’autres interventions publiques.
C’est trop peu.
L’enquête laisse également apparaître que les entre-
preneurs ne connaissent que de manière insuffisante
les outils mis à leur disposition.
Outre ces observations, il faut ajouter la question de
l’indemnité de remploi.
Pour rappel, il s’agit de l’indemnité réclamée par les
institutions de crédits pour consentir au remboursement
anticipé d’un crédit.
Lors de l’enquête, on a constaté que 31 % des
sondés étaient au courant du fait que la loi limitait les
indemnités de remploi. Il s’agit, là encore, d’un chiffre
assez interpellant.
Une attention particulière a ainsi été prêtée, lors de
l’évaluation de la loi, aux controverses et évolutions
jurisprudentielles entourant l’application de l’article
1907bis du Code civil.
Enfi n, les exigences bancaires en matière de garan-
ties et de sûretés sont également épinglées. Les répon-
dants déplorent notamment les niveaux de garanties
et de sûretés exigées en contrepartie des sommes
empruntées ainsi que le maintien des garanties, quel
que soit le montant déjà remboursé.
Le montant couvert n’a ainsi été revu à la baisse en
fonction de l’état de remboursement que dans 10 %
des cas.
Le projet de loi à l’examen a donc pour objectif
de modifi er la loi de 2013 afi n d’offrir des solutions
concrètes aux problèmes constatés lors de l’évaluation
5
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
de onderliggende doelstellingen die aan de basis van
de wet lagen niet vergeten:
— voldoende transparantie verzekeren wat betreft
het kredietaanbod in de precontractuele fase;
— de contractuele relatie tussen de kredietgever en
de onderneming beter in evenwicht brengen;
— de kredietverlening aan ondernemingen faciliteren.
De minister vestigt de aandacht op het feit dat dit
wetsontwerp het resultaat is van veelvuldig overleg
met alle actoren. Zo werden Febelfi n, de FSMA, de
NBB, UNIZO, UCM, het NSZ, Ombudsfi n en bepaalde
kredietinstellingen geraadpleegd.
Daarnaast wil hij benadrukken dat hij, in het kader
van constructieve gesprekken, de banksector er ge-
leidelijk heeft kunnen toe brengen om samen op zoek
te gaan naar concrete oplossingen voor de praktische
problemen waarmee onze ondernemingen worden
geconfronteerd.
Het wetsontwerp verbetert in eerste instantie de pre-
contractuele informatie en de begeleiding van de kmo’s.
Het gaat met name om de automatisering van de com-
municatie van de beschikbare hulp en subsidies in de
gewesten, de mogelijkheden van overheidswaarborgen,
of nog instrumenten om ondernemingen te helpen hun
kredietdossier beter aan te kleden.
Omdat het gaat om een materie die sterk evolueert
en die veel fl exibiliteit vereist, zullen de nadere regels
voor de praktische implementering vastgelegd worden
in de gedragscode.
Het wetsontwerp verlicht ook de administratieve
rompslomp voor de microkredieten (kredieten lager dan
25 000€) voor zover er geen beding is dat een weder-
beleggingsvergoeding of een zekerheid of waarborg
voorziet.
Zo zal het informatieblad of de ontwerpovereenkomst
in het kader van een vertrouwensrelatie niet meer moe-
ten worden gecommuniceerd voor een lening van 1000€
die zeer snel aan de kmo moet worden toegekend.
De kredietinstelling zal er bovendien op moeten toe-
zien zich te goeder trouw te gedragen en het type van
krediet te zoeken dat het best is voor de onderneming.
Het gebruik van zekerheden en waarborgen zal ook
beter worden omkaderd.
tout en poursuivant les objectifs sous-jacents qui étaient
à l’origine de la loi, à savoir:
— assurer une transparence suffisante en ce qui
concerne l’offre de crédits dans la phase précontractuelle;
— mieux équilibrer la relation contractuelle entre le
prêteur et l’entreprise;
— faciliter l’octroi de crédits aux entreprises.
Le ministre fait observer que le projet de loi à l’exa-
men est le fruit de nombreuses consultations organisées
avec l’ensemble des acteurs. Febelfi n, la FSMA, la BNB,
UNIZO, UCM, SNI, l’Ombudsfi n ainsi que certaines
institutions de crédits ont ainsi été consultés.
Il tient également à souligner le fait que, dans le
cadre de discussions constructives, il a été possible
d’amener progressivement le secteur bancaire à faire
preuve d’ouverture afi n de trouver ensemble des solu-
tions concrètes aux problèmes pratiques rencontrés
par nos entreprises.
Tout d’abord, le projet de loi améliore l’information
précontractuelle et l’accompagnement des PME. Il s’agit
notamment de rendre automatique la communication
des aides et subsides régionaux disponibles, des pos-
sibilités de garanties publiques ou encore des outils mis
en place pour aider les entreprises à mieux fi celer leur
dossier de crédit.
S’agissant d’une matière particulièrement évolutive
et qui requiert une grande souplesse, les modalités de
mise en œuvre de cette mesure seront fi xées dans le
code de conduite.
Le projet de loi diminue également les lourdeurs
administratives pour les microcrédits (crédits de moins
de 25 000 €) pour autant qu’il n’y ait pas de clause pré-
voyant une indemnité de remploi ou de sûreté/garantie.
Ainsi, pour un emprunt de 1 000 € qui doit être
accordé à la PME très rapidement, dans le cadre d’une
relation de confi ance, il ne sera plus requis de commu-
niquer la notice explicative ou le projet de convention.
L’institution de crédit devra par ailleurs toujours veiller
à se comporter de bonne foi et rechercher le type de
crédit le plus adapté à l’entreprise.
Le recours à des sûretés et garanties sera par ailleurs
désormais mieux encadré.
6
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Het hoofddoel bestaat erin de onderneming goed te
informeren inzake de essentiële kenmerken van een
zekerheid of een waarborg en de potentiële impact
daarvan op het gevraagde krediet, zoals een daling van
de intrestvoet of het feit dat het krediet geweigerd zal
worden bij gebrek aan zekerheid of waarborg.
De gedeeltelijke of volledige schrapping van de ze-
kerheid of waarborg wanneer een deel van het krediet
al werd terugbetaald wordt ook voorzien.
Het wetsontwerp past bovendien het systeem aan
van de wederbeleggingsvergoeding.
Vandaag is er in de wet een maximum bepaald van
1 miljoen euro. Voor de kredieten onder dit maximum,
wordt de wederbeleggingsvergoeding beperkt tot
6 maanden intrest. Boven dit maximum wordt de weder-
beleggingsvergoeding contractueel bepaald, conform
de methode vastgelegd in de gedragscode.
Het wetsontwerp verhoogt dit maximum naar 2 mil-
joen euro. Dit betekent, bijvoorbeeld, dat een krediet-
opening van 1 200 000 euro voortaan ook zal vallen
onder de beperking van de wederbeleggingsvergoeding
tot 6 maanden intrest.
Er werden ook bepaalde preciseringen aangebracht
aan het wetsontwerp. Dit om te benadrukken dat het
resultaat van de berekening van de wederbeleggings-
vergoeding in de gedragscode voor de contracten
van meer dan 2 000 000 euro een absoluut maximum
vormt. De mogelijkheid om een lager bedrag overeen te
komen, die vandaag al bestaat, zal natuurlijk behouden
blijven. De tekst die vandaag wordt voorgelegd, voorziet
daarnaast dat geen enkele vergoeding verschuldigd zal
zijn wanneer waarborgen en zekerheden met betrekking
tot een krediet gewijzigd worden. Als een onderneming
de schrapping vraagt en krijgt van een hypotheek die
haar bedrijfsgebouw bezwaart, zal de bank geen weder-
beleggingsvergoeding meer kunnen eisen.
De tekst breidt ook het toezicht uit van de FSMA naar
de wederbeleggingsvergoedingen.
Het wetsontwerp verbetert ook bepaalde technische
onvolmaaktheden van de wet uit 2013.
Het gaat met name om de aanpassing van de begrip-
pen van onderneming of representatieve organisatie
van kmo’s. Hierdoor zal rekening gehouden kunnen
worden met wijzigingen in andere wetgevingen. De
minister vermeldt ook de invoering van een nieuw type
van onrechtmatig beding. Hij heeft het over het beding
L’objectif principal est d’assurer une bonne informa-
tion de l’entreprise sur les caractéristiques essentielles
d’une sûreté ou d’une garantie d’une part et sur l’impact
potentiel de celle-ci sur le crédit demandé, telle qu’une
baisse du taux d’intérêt ou le fait qu’à défaut de sûreté
ou de garantie, le crédit sera refusé.
Il est également prévu de favoriser la levée partielle
ou totale de la sûreté ou de la garantie lorsqu’une partie
du crédit a déjà été remboursé.
Le projet de loi adapte en outre le régime des indem-
nités de remploi.
Aujourd’hui, le plafond prévu par la loi est fi xé à un
million d’euros. Pour les crédits inférieurs à ce plafond,
l’indemnité de remploi est limitée à 6 mois d’intérêts.
Au-delà de ce plafond, l’indemnité de remploi est fi xée
contractuellement, conformément à la méthode déter-
minée dans le code de conduite.
Le projet de loi augmente le plafond à deux millions
d’euros. Cela signifi e, par exemple, qu’une ouverture
de crédit de 1 200 000 euros sera désormais également
visée par la limitation de l’indemnité de remploi à 6 mois
d’intérêts.
Certaines précisions sont également apportées par
le projet de loi afi n de souligner que le résultat de la
méthode de calcul de l’indemnité de remploi prévue
par le code de conduite pour les contrats de plus de
2 000 000 euros constitue un maximum absolu. La
possibilité de convenir d’un montant inférieur, qui existe
déjà aujourd’hui, sera naturellement maintenue. Le texte
à l’examen prévoit par ailleurs qu’aucune indemnité
ne sera plus due en cas de modifi cation des garanties
et sûretés relatives au crédit. Ainsi, si une entreprise
demande et obtient la levée d’une hypothèque grevant
son bâtiment industriel, la banque ne pourra plus lui
réclamer d’indemnité.
Le texte étend également le contrôle de la FSMA aux
indemnités de remploi;
Le projet de loi corrige en outre certaines imperfec-
tions techniques de la loi de 2013.
Il s’agit notamment de l’adaptation des notions
d’entreprise ou d’organisation représentative des
PME. Cette modifi cation permettra de tenir compte des
modifi cations effectuées dans d’autres législations. Le
ministre cite également l’introduction d’un nouveau
type de clause abusive, à savoir la clause permettant
7
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
dat de kredietverstrekker toelaat bepaalde bedingen
uit de kredietovereenkomst unilateraal te wijzigen ten
nadele van de onderneming.
Er zijn ook meerdere wijzigingen voorzien die betrek-
king hebben op het toepassingsgebied van de wet en
andere zuiver technische aanpassingen.
Tot slot wordt een bijzondere aandacht besteed aan
de gedragscode uit artikel 10 van de wet. Ze zal worden
aangepast door de representatieve interprofessionele
organisaties en door de representatieve organisatie van
de kredietsector in functie van de aanpassingen uit het
wetsontwerp. Laten we niet vergeten dat de gedrags-
code een grote fl exibiliteit toelaat, specifi ek aangepast
aan bepaalde mechanismen in de wet. De minister
denkt daarbij aan de begeleiding van de ondernemingen
in hun zoektocht naar steunmaatregelen bij de over-
heid, instrumenten die een verbetering toelaten van de
toegang tot fi nanciering, of nog de verplichting om de
onderneming te informeren over mogelijke alternatieven
voor het stellen van een zekerheid of een waarborg.
Dit wetsontwerp biedt concrete oplossingen waar de
actoren op het terrein naar vragen. De minister hoopt
dan ook dat het de verschillende fracties zal kunnen
verenigen over de traditionele verschillen heen.
II. — ALGEMENE BESPREKING
De heer Johan Klaps (N-VA) dankt de minister voor
zijn duidelijke toelichting. Vlaanderen is een regio die
leeft van de kmo’s en een probleemloze fi nanciering
ervan is essentieel. Er is voor deze evaluatie een breed
overleg geweest, zowel met Febelfi n als met onder-
nemers, het FSMA enzovoort. Alle spelers werden bij
het ontwerp betrokken waardoor een goed compromis
bereikt werd tussen de verzuchtingen van de verschil-
lende partijen.
Er wordt meer aandacht besteed aan de precontrac-
tuele info aan de bedrijven. Vooral bij kleinere kmo’s
bestaan veel misverstanden over kredietcontracten.
Denken we maar aan de vele vragen over de herfi nan-
ciering van oude investeringskredieten waar men plots
geconfronteerd wordt met een zeer hoge wederbeleg-
gingsvergoeding. Veel bedrijven waren hier verrast over,
dit betekent dat men toch niet zo goed op de hoogte was
van wat men destijds ondertekende.
De spreker heeft nog 2 aanvullende vragen. Er is
rechtsleer gebaseerd op rechtspraak van het Europees
Hof van Justitie. Het Hof heeft geoordeeld dat de wet
van 2013 ook van toepassing is op vzw’s en zelfs op
overheidsinstanties, voor zover er een economisch doel
au prêteur de modifi er unilatéralement certaines clauses
du contrat de crédit au détriment de l’entreprise.
Plusieurs modifi cations ayant trait au champ d’appli-
cation de la loi ainsi que d’autres adaptations purement
techniques sont également prévues.
Enfi n, une importance toute particulière est accordée
au code de conduite visé à l’article 10 de la loi. Celui-ci
sera adapté par les organisations interprofessionnelles
représentatives, ainsi que par l’organisation représen-
tative du secteur du crédit en fonction des adaptations
que prévoit le projet de loi. Rappelons que le recours à
un code de conduite permet d’assurer une souplesse
particulièrement adaptée à certains mécanismes insé-
rés par la loi. Le ministre pense ici à l’accompagnement
des entreprises dans le cadre de leurs recherches de
mesures de soutien auprès des autorités, à des outils
permettant d’améliorer l’accès au financement ou
encore à l’obligation d’informer l’entreprise des alterna-
tives possibles à la constitution d’une sûreté ou d’une
garantie. Ce projet de loi offre des solutions concrètes
attendues par les acteurs de terrain. Le ministre espère
dès lors que ce projet pourra réunir les différents
groupes au-delà des traditionnels clivages.
II. — DISCUSSION GÉNÉRALE
M. Johan Klaps (N-VA) remercie le ministre pour
son exposé clair. La Flandre est une région qui vit des
PME et il est essentiel qu’elles puissent être fi nancées
sans difficultés. Cette évaluation a fait l’objet d’une
large concertation, réunissant aussi bien Febelfi n que
les entreprises, la FSMA, etc. Tous les acteurs ont été
associés à ce projet, ce qui a permis d’aboutir à un
bon compromis tenant compte des aspirations des
différentes parties prenantes.
L’information précontractuelle aux entreprises a fait
l’objet d’une attention accrue. Les contrats de crédits
suscitent de nombreux malentendus, surtout au sein des
petites PME. Pensons par exemple aux nombreuses
questions relatives au refi nancement d’anciens crédits
d’investissement où on est subitement confronté à une
indemnité de remploi extrêmement élevée. De nom-
breuses entreprises ont été surprises, ce qui signifi e
qu’elles n’étaient fi nalement pas autant au fait de ce
que l’on a signé à l’époque.
L’intervenant pose encore deux questions complé-
mentaires. Une partie de la doctrine se fonde sur la
jurisprudence de la Cour européenne de justice. La Cour
a considéré que la loi de 2013 s’appliquait également
aux asbl et même aux instances publiques, pour autant
8
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
is. Met economisch doel werd meer bedoeld dan louter
daden van koophandel. Is deze zienswijze nog steeds
geldig? Kunnen bijvoorbeeld ziekenhuizen hieronder
vallen?
In het wetsontwerp is bepaald dat deze wet in wer-
king treedt 10 dagen na de bekendmaking ervan in het
Belgisch Staatsblad. Kredietverlening bij een bank is
een proces dat wat tijd in beslag neemt en dat zelden in
10 dagen wordt afgerond. Is het daarom niet beter voor
de rechtszekerheid van de banken en de bedrijven een
vaste ingangsdatum te bepalen, bijvoorbeeld 1 februari.
De heer Benoît Friart (MR) onderstreept het belang
van de kmo’s in de Belgische economie. De fi nanciering
van de projecten en investeringen van deze kmo’s leidt
tot creatie van tewerkstelling en welvaart. Dit ontwerp
voorziet een kader, aangepast aan kmo’s om hen te
steunen in hun zoektocht naar fi nanciering. De spreker
is verheugd dat bijna 10 000 kmo’s deelnamen aan de
gevoerde bevraging. Het wetsontwerp verlicht ook de
administratieve rompslomp voor de microkredieten, dit
kan toekomstige ondernemers en zelfstandigen helpen
hun onderneming op poten te zetten. Welke maatregelen
neemt de regering om dit soort kredieten meer bekend-
heid te geven?
De bovengrens van de wederbeleggingsvergoedin-
gen wordt opgetrokken naar 2 miljoen euro. Dit is be-
langrijk omdat de wederbeleggingsvergoedingen onze
ondernemingen al te vaak benadelen.
Mevrouw Griet Smaers (CD&V) is van oordeel dat
de wijzigingen van de wet van 2013 tegemoetkomen
aan de vraag naar goede en toegankelijke fi nanciering
van kmo’s. De spreker vraagt of de gedragscode die
bestaat tussen de bankensector en de kmo-organisaties
ook aangepast wordt in functie van de aanpassingen
van dit wetsontwerp? Ze benadrukt verder dat in de wet
van 2013 een tweejaarlijkse evaluatie is voorzien van
de fi nanciering en de toegankelijkheid ervan. Blijft het
voornemen overeind om deze regelgeving tweejaarlijks
te evalueren? Zal er over twee jaar weer een evaluatie
volgen?
De heer Michel de Lamotte (cdH) wenst enkele op-
merkingen te formuleren. Het ontwerp bepaalt dat de
kredietgever en/of kredietbemiddelaar de onderneming
moet informeren over de belangrijkste kenmerken van
deze zekerheid of waarborg. Getuigt het niet van méér
voorzichtigheid een niet limitatieve lijst op te stellen over
de aard van deze belangrijkste kenmerken?
qu’elles poursuivent un but économique. Par “but éco-
nomique”, la Cour entendait davantage que de simples
actes commerciaux. Cette conception est-elle toujours
valable? Les hôpitaux peuvent-ils par exemple relever
de cette défi nition?
Le projet de loi prévoit que la loi à l’examen entre en
vigueur 10 jours après sa publication au Moniteur belge.
L’octroi de crédit auprès d’une banque est un processus
qui prend un certain temps et peut rarement se clôturer
en l’espace de dix jours. N’est-il dès lors pas préférable,
pour la sécurité juridique des banques, de prévoir une
date d’entrée en vigueur fi xe? L’intervenant suggère,
par exemple, le 1er février.
M. Benoît Friart (MR) insiste sur l’importance des
PME dans l’économie belge. Le fi nancement des pro-
jets et des investissements de ces PME est générateur
d’emplois et de bien-être. Le projet de loi à l’examen
prévoit un cadre adapté aux PME, pour les soutenir dans
leur quête de fi nancement. L’intervenant se réjouit que
presque 10 000 PME ont participé à la consultation qui
a été organisée. Le projet de loi diminue en outre les
lourdeurs administratives pour les microcrédits, et peut
ainsi aider de futurs entrepreneurs et indépendants à
lancer leur entreprise. Quelles mesures le gouverne-
ment prend-il pour faire connaître davantage ce type
de crédits?
Le plafond de l’indemnité de remploi est relevé à
deux millions d’euros. C’est une initiative importante
car ces indemnités de remploi pénalisent trop souvent
nos entreprises.
Mme Griet Smaers (CD&V) considère que les modi-
fi cations de la loi de 2013 répondent à la demande des
PME, qui ont besoin d’un fi nancement efficace et acces-
sible. L’intervenante demande si le code de conduite
qui existe entre le secteur bancaire et les organisations
représentatives des PME sera également adapté en
fonction des modifi cations apportées par le projet de
loi à l’examen. Elle souligne par ailleurs que la loi de
2013 prévoit une évaluation biennale du fi nancement et
de son accessibilité. La volonté d’évaluer cette régle-
mentation tous les deux ans est-elle encore présente?
Une évaluation sera-t-elle réalisée dans deux ans?
M. Michel de Lamotte (cdH) souhaite formuler
quelques observations. Le projet prévoit que le prêteur
et, le cas échéant, l’intermédiaire de crédit doivent
communiquer à l’entreprise les caractéristiques les
plus importantes de cette sûreté ou garantie. Le fait de
dresser une liste non limitative quant à l la nature de
ces caractéristiques principales ne témoigne-t-il pas
davantage de prudence?
9
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Het ontwerp verplicht ook de kredietgever en/of
kredietbemiddelaar de onderneming schriftelijk op de
hoogte brengen van de belangrijkste redenen waarop de
weigering tot gedeeltelijke of volledige schrapping van
de zekerheid of waarborg gebaseerd is. Dit komt voor
terwijl het krediet al volledig of gedeeltelijk terugbetaald
was. Waarom niet gewoon de weigering tot schrapping
verbieden wanneer het krediet volledig terugbetaald
werd?
De spreker merkt op dat de wet in werking treedt
10 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch
Staatsblad. Is het niet beter te proberen die datum in
overeenstemming te brengen met de datum van het
afsluiten van de gedragscode, waarom wordt er een
termijn gecreëerd tussen de inwerkingtreding van de wet
en het uiteindelijk tot stand komen van de gedragscode?
Dit leidt tot een periode van onzekerheid.
Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld) is tevreden met het
voorliggend wetsontwerp. Ze constateert dat de evalu-
atie geen enkele onrustwekkende onregelmatigheid
heeft vastgesteld. De gevoerde bevraging kende een
hoge responsgraad. Het grote belang van het wetsont-
werp ligt in de aangebrachte wijzigingen met betrekking
tot de betere informatievoorziening voor ondernemers.
Ook de problematiek van de funding loss vergoeding
werd aangepakt met een verhoging van het plafond van
1 miljoen euro tot 2 miljoen euro.
De heer Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen) onder-
streept het belang van de kmo’s voor het hele land. Die
bedrijven zorgen voor duurzame, lokale werkgelegen-
heid. De spreker merkt op dat toegankelijke kredietver-
lening een absolute vereiste is voor ondernemingen om
te starten en te groeien. De spreker vindt het positief dat
ongeveer 10 000 kmo’s deelnamen aan de gevoerde
bevraging. Toch is het jammer dat slechts 12 % van de
bevraagde ondernemingen op de hoogte is van over-
heidswaarborgen of andere openbare interventies. De
voorstellen over de wederbeleggingsvergoeding gaan
de goede kant uit.
De spreker benadrukt dat ondernemers niet altijd
op de hoogte zijn van de risico’s verbonden met het
stellen van een zekerheid of een waarborg en dat dit
soms een zware impact heeft op hen en hun familie.
Een goede informatieverstrekking is dus noodzakelijk.
Ook bij het segment microkredieten is behoefte aan
duidelijke informatie omdat daar het doelpubliek niet
steeds economisch onderlegd is en soms uitgesloten
is van het klassieke bancaire systeem.
De heer Vanden Burre gaat in op de eventuele rol die
is weggelegd voor Belfi us. In navolging van de voorstel-
len van de ministers Geens, Van Overtveldt en Ducarme
Le projet oblige également le prêteur et, le cas
échéant, l’intermédiaire de crédit à informer par écrit
l’entreprise des éléments essentiels sur lesquels le
refus de lever partiellement ou totalement la sûreté ou
la garantie est basé. Cette situation se présente alors
que le crédit a déjà été totalement ou partiellement
remboursé. Pourquoi ne pas interdire tout simplement
le refus de levée lorsque le crédit a été totalement
remboursé?
L’intervenant relève que la loi entre en vigueur dix
jours après sa publication au Moniteur belge. N’est-il
pas préférable d’essayer d’aligner la date de publication
sur celle de la conclusion du code de conduite, pourquoi
créer un délai entre l’entrée en vigueur de la loi et l’arri-
vée du code de conduite? Cet écart de temps entraîne
une période d’insécurité.
Mme Nele Lijnen (Open Vld) est satisfaite du projet de
loi à l’examen. Elle constate que l’évaluation n’a mis en
évidence aucune irrégularité inquiétante. Le sondage a
enregistré un taux de réponse élevé. Le grand intérêt du
projet de loi réside dans le fait qu’il améliore la communi-
cation d’informations à destination des entrepreneurs. Il
s’attaque également à la problématique des indemnités
de remploi (funding loss) en relevant le plafond d’un à
deux millions d’euros.
M. Gilles Vanden Burre (Ecolo-Groen) insiste sur
l’importance des PME pour l’ensemble de notre pays.
Les PME assurent des emplois durables et locaux.
L’intervenant fait observer que l’accessibilité des crédits
constitue une condition indispensable pour inciter les
entreprises à se lancer et à se développer. L’intervenant
juge positif que près de 10 000 PME aient participé à
l’enquête. Il est tout de même dommage que seuls 12 %
des entreprises interrogées connaissent les garanties
accordées par l’État ou d’autres interventions publiques.
Les propositions relatives aux indemnités de remploi
vont dans le bon sens.
L’intervenant souligne que les entrepreneurs ne sont
pas toujours au courant des risques liés à la constitution
d’une sûreté ou d’une garantie et que les retombées
peuvent parfois être lourdes de conséquences pour eux
et leur famille. Une information correcte est donc indis-
pensable. Dans le segment des microcrédits également,
des informations claires sont nécessaires, dès lors que
le public-cible n’est pas toujours économiquement averti
et est parfois exclu du système bancaire classique.
M. Vanden Burre évoque le rôle dévolu à Belfi us.
Dans le prolongement des propositions des ministres
Geens, Van Overtveldt et Ducarme, l’intervenant pense
10
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
meent de spreker dat Belfi us als publieke bank een meer
actieve rol kan spelen bij de ondersteuning van kmo’s
en zelfstandigen.
Volgens voorzitter Jean-Marc Delizée (PS) gaat de
aanpassing van de wet van 21 december 2013 in de
goede richting. Hij vermeldt met name de versterking
van de informatieplicht van de kredietgever ten bate van
de kmo’s, de omschrijving van een nieuw onrechtmatig
beding of nog de verhoging van 1 naar 2 miljoen euro
van het kredietbedrag waarboven de wederbeleggings-
vergoeding contractueel mag worden vastgelegd tussen
de kredietgever en de ondernemer.
Wel is hij verbaasd niets nieuws te vinden in verband
met de uitleg die de kredietgever moet verstrekken in-
geval een krediet wordt geweigerd (afgezien van artikel
6; dat artikel heeft echter slechts een beperkte wer-
kingssfeer: informeren na de weigering om de gestelde
zekerheden en waarborgen gedeeltelijk of volledig op te
heffen). Dat is echter een aspect in verband waarmee de
kmo’s vragende partij waren voor meer formalisme. De
kmo’s willen op een andere wijze dan louter mondeling
vernemen waarom hun een krediet wordt geweigerd.
Ook artikel 3 werpt vragen op, en het lid wenst een
verduidelijking. Waarom werden de kmo’s die met grote
ondernemingen zaken doen, uitgesloten van het toepas-
singsgebied van de wet van 2013 en dus ook van de
eraan verbonden bescherming? Werden er misbruiken
gepleegd? Het is niet echt duidelijk waarom een kmo
niet langer een specifi eke bescherming zou kunnen
genieten omdat er een grote onderneming in het spel
is. Een gedifferentieerde behandeling was denkbaar
geweest in plaats van een uitsluiting.
Ten slotte doet ook artikel 4 een moeilijkheid rijzen.
Het feit dat de informatieplicht niet voor de kredieten van
minder dan 25 000 euro geldt om de sluiting ervan te
bevorderen, mag dan wel lovenswaardig lijken, maar is
gevaarlijk. Mensen die op een microkrediet een beroep
doen om hun activiteit op te starten, zijn vaak kansar-
mer en “minvermogender”, zeker als het op kennis van
beheer en fi nanciën aankomt. Zij moeten dus beter
worden beschermd, zelfs al kan het risico kleiner lijken
gezien de beperkte bedragen die ermee zijn gemoeid.
Wel klopt het dat een veiligheidsmechanisme werd in-
gebouwd, daar de vrijstelling van informatieplicht niet zal
gelden bij een clausule die een wederbeleggingsvergoe-
ding vaststelt, noch als er sprake is van zekerheden of
waarborgen. Voor mensen die op een microkrediet een
beroep doen, zijn dat toch wel aanzienlijke bedragen.
De minister bestempelt de voorgestelde maatregel als
een vermindering van de administratieve rompslomp ten
gunste van de microkredieten. De spreker beschouwt
qu’en tant que banque publique, Belfi us pourrait jouer
un rôle plus actif dans le soutien accordé aux PME et
aux indépendants.
Pour M. Jean-Marc Delizée (PS), président, l’adap-
tation de la loi du 21 décembre 2013 va dans la bonne
direction. Il cite notamment le renforcement du devoir
d’information du prêteur au bénéfi ce des PME, la défi ni-
tion d’une nouvelle clause abusive ou encore le fait de
porter le montant du crédit au-dessus duquel l’indemnité
de remploi peut être établie contractuellement de 1 à
2 million d’euros.
Cependant il s’étonne de ne rien trouver de nouveau
par rapport aux explications à donner par le prêteur en
cas de refus d’un crédit (hormis l’article 6, mais qui ne
couvre qu’un champ limité: communication suite au
refus de lever partiellement ou totalement des sûretés et
garanties constituées). Or c’est un point pour lesquelles
les PME étaient demandeuses de plus de formalisme.
Les PME souhaitent savoir pourquoi on leur refuse un
crédit, autrement que par un simple refus oral.
L’article 3 pose aussi question et le membre souhai-
terait une clarifi cation. Pourquoi avoir exclu du champ
d’application de la loi de 2013, et donc aussi de la pro-
tection qui lui est attachée les PME qui concluent avec
des grandes entreprises? Y avait-il des abus? On ne voit
pas bien la raison pour laquelle, du fait de la présence
d’une grande entreprise, la PME ne pourrait plus béné-
fi cier d’une protection spécifi que. On aurait pu imaginer
un traitement différencié, au lieu d’une exclusion.
Enfi n, l’article 4 pose également une difficulté. Le fait
que le devoir d’information ne s’applique pas aux crédits
de moins de 25 000€ afi n de favoriser la conclusion de
ceux-ci paraît louable, mais c’est dangereux. En effet,
les personnes qui ont recours à du microcrédit pour
lancer leur activité sont souvent plus précarisées, et
plus “démunies”, notamment en terme de connaissance
de gestion et fi nancière, il y a donc lieu de les protéger
d’avantage, même si le risque peut sembler plus faible
vu les montants limités.
Certes, il y a un garde-fou, puisque l’absence de
devoir d’information ne s’appliquera pas en cas de
clause fi xant une indemnité de remploi ou en cas de
présence de sûretés ou garanties. Néanmoins, pour ces
personnes qui recourent au microcrédit, ces montants
sont tout de même importants. Le ministre voit dans la
mesure proposée une diminution des lourdeurs admi-
nistratives pour les microcrédits. L’orateur y voit une
diminution de la protection des personnes qui cherchent
11
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
zulks als een afzwakking van de bescherming van men-
sen die een zaak willen opstarten en zal dan ook een
amendement indienen dat niet de algemene strekking
van het (positieve) wetsontwerp ter discussie stelt, maar
wel beoogt te bepalen dat de informatieplicht ook geldt
voor kredieten kleiner dan 25 000 euro.
De minister onderstreept het belang van de kmo’s als
economische motor voor heel België. Daarom is het van
belang dat ze makkelijk toegang krijgen tot fi nanciering.
Bovenal is het noodzakelijk dat vooral kleine onderne-
mingen correct geïnformeerd worden in de precontrac-
tuele fase. Het klopt dat vzw’s onder dit wetsontwerp
vallen voor zover ze een duurzaam economisch doel
hebben. Dit wordt geval per geval bekeken.
Er werd veelvuldig rond de tafel gezeten met verte-
genwoordigers van de banksector om te komen tot een
meer toegankelijke kredietverlening voor bedrijven. De
minister deelt echter de bezorgdheid van de leden dat
er op het gebied van het verstrekken van correcte infor-
matie aan bedrijven nog een hele weg af te leggen is.
Het departement van de minister zal zich engageren om
samen met vertegenwoordigers van de kredietsector en
vertegenwoordigers van de kmo’s de bedrijven beter te
informeren over de nieuwe bepalingen van het ontwerp.
De minister bevestigt dat over 2 jaar de bepalingen
van het voorliggend ontwerp zullen geëvalueerd worden.
Het is de bedoeling om te komen tot een voortdurend
monitoren én verbeteren van de bepalingen van de wet
van 2013.
De gedragscode is het resultaat van besprekingen
tussen vertegenwoordigers van de kredietsector en
vertegenwoordigers van de kmo’s. Deze actoren krijgen
3 maand tijd vanaf de inwerkingtreding van de wet om
tot een akkoord te komen. Het is onze keuze om de
actoren zelf vooruit te laten gaan.
Er is goed nagedacht over het verbod op het stel-
len van garanties en zekerheden. Het beperken van
zekerheden en waarborgen zou een negatieve impact
hebben op het kredietaanbod aan bedrijven, een verbod
leidt automatisch tot een toename in het aantal gewei-
gerde kredieten én tot een stijging in de opgelegde
intrestvoeten.
Het motiveren van de weigering tot het verstrek-
ken van krediet door kredietactoren gebeurt veelal
mondeling. Uit de bevraging is niet gebleken dat dit
een probleem vormt voor de respondenten. Er zijn ook
geen gegevens bekend aangaande misbruiken begaan
door grote ondernemingen, het is de bedoeling van dit
à se lancer et l’orateur déposera donc un amendement
qui ne remet pas en cause l’orientation générale du
projet qui est positif mais qui vise à stipuler que le devoir
d’information s’applique également aux crédits de moins
de 25 000 euros.
Le ministre souligne l’importance des PME en tant
que moteur économique pour l’ensemble de la Belgique.
Dès lors, il est capital qu’elles puissent accéder facile-
ment au fi nancement Avant tout, il faut que les petites
entreprises, surtout, soient correctement informées
durant la phase précontractuelle. Il est exact que les
ASBL tombent sous le champ d’application du projet
de loi à l’examen pour autant qu’elles poursuivent une
fi nalité économique durable. La situation est examinée
au cas par cas.
À maintes reprises, des tours de table ont été menés
avec des représentants du secteur bancaire pour rendre
le crédit plus accessible aux entreprises. Le ministre
partage toutefois les préoccupations des membres qui
considèrent qu’en ce qui concerne la diffusion d’infor-
mations correctes aux entreprises, la route est encore
longue. Le département du ministre va s’engager, avec
des représentants du secteur du crédit et des représen-
tants des PME, pour mieux informer les entreprises à
propos des nouvelles dispositions du projet.
Le ministre confi rme que les dispositions du projet de
loi à l’examen seront évaluées dans deux ans. L’objectif
est de parvenir à un contrôle et à une amélioration
constante des dispositions de la loi de 2013.
Le code de conduite est le fruit de discussions entre
les représentants du secteur du crédit et les représen-
tants des PME. Ces acteurs disposeront d’un délai de
trois mois à compter de l’entrée en vigueur de la loi pour
parvenir à un accord. Nous avons choisi de laisser les
acteurs avancer eux-mêmes.
L’interdiction de fournir des garanties et des sûretés a
été soigneusement examinée. Limiter les sûretés et les
garanties aurait un impact négatif sur l’offre de crédit aux
entreprises, car toute interdiction entraîne automatique-
ment une augmentation du nombre de crédits refusés
et une hausse des taux d’intérêt imposés.
Lorsqu’une demande de crédit est refusée par un
prêteur, ce dernier motive généralement sa décision
oralement. L’enquête n’indique pas que cette situation
gêne les personnes interrogées. On ne dispose pas
non plus d’informations sur d’éventuels abus commis
par les grandes entreprises. L’objectif du projet de loi à
12
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
ontwerp de kleine ondernemingen te beschermen, niet
de fi lialen van multinationals.
De minister kan zich vinden in de fi losofi e achter het
amendement van de heer Delizée. De minister vindt de
geboden bescherming voldoende. Hij merkt op dat enkel
artikel 7 van de wet betreffende de informatieplicht van
de kredietgever niet van toepassing zal zijn op kredieten
van een bedrag lager dan 25 000€, voor zover zij geen
clausule bevatten die een wederbeleggingsvergoeding
vaststelt en niet het voorwerp uitmaken van zekerheden
of waarborgen.
Er wordt verduidelijkt dat artikel 4 van de wet betref-
fende de zorgvuldigheidsplicht van toepassing blijft
op de partijen bij de kredietovereenkomst, zodat zij te
goeder trouw en billijk moeten handelen. De informatie
die zij verstrekken moet correct, duidelijk en niet mis-
leidend zijn.
Verder moeten de kredietgever en, in voorkomend
geval, de kredietbemiddelaar op grond van artikel 6 van
de wet het type krediet zoeken dat het meest gepast
is, rekening houdend met de fi nanciële situatie van de
onderneming op het moment van het afsluiten van de
kredietovereenkomst en met het doel van het krediet.
De minister benadrukt dat de sector (dus ook de or-
ganisaties die de bedrijven vertegenwoordigen) akkoord
gaat met de regeling voor kredieten voor een bedrag
lager dan 25 000€.
De heer Michel de Lamotte (cdH) verwijst naar
zijn reeds gestelde vraag. Waarom verbiedt men niet
aan de kredietverstrekker de schrapping van de borg
te weigeren wanneer het krediet in zijn totaliteit werd
terugbetaald? Waarom is er dan geen automatische
schrapping van de zekerheid? Dit vermindert toch het
aantal gevallen waarin wordt overgegaan tot een pro-
cedure om het tegoed terug te vorderen.
De minister stelt dat hij de vraag reeds beantwoordde.
Hij begrijpt de positie van het lid maar stelt dat een der-
gelijk verbod gepaard gaat met aanzienlijke gevolgen.
De heer Michel de Lamotte (cdH) blijft op zijn honger;
hij begrijpt de redenering niet. De zekerheid garandeert
het krediet. Van zodra het krediet wordt terugbetaald,
waarom dan niet automatisch de zekerheid schrappen?
De heer Johan Klaps (N-VA) deelt de positie van de
minister. Als de vraag komt om die waarborg op te hef-
fen, dan moet daar natuurlijk op ingegaan worden. Een
automatische schrapping van de waarborg daarentegen
l’examen est de protéger les petites entreprises, et non
les fi liales des multinationales.
Le ministre est d’accord avec la philosophie qui sous-
tend l’amendement de M. Delizée. Le ministre estime
que la protection offerte est suffisante. Il observe que
seul l’article 7 de la loi sur l’obligation d’information du
créancier ne s’appliquera pas aux crédits inférieurs à
25 000 euros, pour autant qu’ils ne contiennent pas de
clause fi xant une indemnité de remploi et ne fassent
pas l’objet de sûretés ou de garanties.
Il est précisé que l’article 4 de la loi relatif au devoir de
rigueur restera applicable aux parties à la convention de
crédit, de sorte que celles-ci devront agir de bonne foi
et équitablement. Les informations qu’elles fournissent
doivent être correctes, claires et non trompeuses.
De même, en vertu de l’article 6 de la loi, le prêteur et,
le cas échéant l’intermédiaire de crédit doivent recher-
cher le type de crédit le mieux adapté, compte tenu de
la situation fi nancière de l’entreprise au moment de la
conclusion du contrat de crédit et de l’objet du crédit.
Le ministre souligne que le secteur (donc, aussi les
organisations qui représentent les entreprises) sous-
crivent à la réglementation concernant les crédits d’un
montant inférieur à 25 000€.
M. Michel de Lamotte (cdH) renvoie à la question
qu’il a déjà posée. Pourquoi n’interdit-on pas au dis-
pensateur de crédit de refuser la suppression de la
sûreté lorsque le crédit a été remboursé dans sa tota-
lité? Pourquoi ne procède-t-on pas, dans ce cas, à une
suppression automatique de la sûreté? Cela réduirait
tout de même le nombre de cas où l’on doit engager
une procédure de recouvrement du crédit.
Le ministre affirme qu’il a déjà répondu à cette
question. Il comprend le point de vue du membre, mais
estime qu’une telle interdiction aurait des conséquences
considérables.
M. Michel de Lamotte (cdH) ne comprend pas le rai-
sonnement du ministre. La sûreté garantit le crédit. Dès
que le crédit est remboursé, pourquoi ne pas supprimer
automatiquement la sûreté?
M. Johan Klaps (N-VA) partage le point de vue du
ministre. S’il est demandé de supprimer cette garantie, il
faut bien sûr accéder à cette demande. Par contre, une
suppression automatique de la garantie compliquerait
13
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
bemoeilijkt de eventuele toekenning van toekomstige
kredieten of maakt die kredieten juist duurder.
De spreker komt terug op de inwerkingtreding van
wetsontwerp. Hij stelt dat het voor de banken en de
kmo’s wenselijk is uitstel te krijgen qua inwerkingtre-
ding. Hij vindt de inwerkingtreding op een vaste datum,
bijvoorbeeld 1 februari of 1 maart, makkelijker voor alle
partijen.
De heer Michel de Lamotte (cdH) verduidelijkt dat hij
niet aandringt op een automatische schrapping, maar
wel op een schrapping op eenvoudige vraag van de
kredietnemer.
III. — ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
EN STEMMINGEN
Artikelen 1 en 2
De artikelen 1 en 2 worden achtereenvolgens een-
parig aangenomen.
Art. 3
Artikel 3 wordt aangenomen met 12 stemmen en
2 onthoudingen.
Art. 4
Voorzitter Jean-Marc Delizée (PS) dient een amen-
dement nr. 1 (DOC 54 2765/002) in. Hij verwijst naar de
algemene bespreking voor de verantwoording.
Amendement nr.1 wordt verworpen met 10 tegen
4 stemmen.
Artikel 4 wordt aangenomen met 10 stemmen en
4 onthoudingen.
Art. 5 tot 11
De artikelen 5 tot 11 worden achtereenvolgens een-
parig aangenomen.
l’octroi éventuel de crédits futurs ou rendrait justement
ces crédits plus chers.
L’intervenant aborde à nouveau l’entrée en vigueur
du projet de loi. Il affirme qu’il est souhaitable que les
banques et les PME obtiennent un sursis pour ce qui
est de l’entrée en vigueur. Il estime qu’une entrée en
vigueur à une date déterminée, comme le 1er février ou
le 1er mars, est plus facile pour toutes les parties.
M. Michel de Lamotte (cdH) précise qu’il n’insiste
pas pour l’on prévoie une suppression automatique,
mais bien une suppression sur simple demande du
preneur de crédit.
III. — DISCUSSION DES ARTICLES
ET VOTES
Articles 1er et 2
Les articles 1er et 2 sont successivement adoptés à
l’unanimité.
Art. 3
L’article 3 est adopté par 12 voix et 2 abstentions.
Art. 4
M. Jean-Marc Delizée (PS), président, présente
l’amendement n° 1 (DOC 54 2765/002). Il renvoie à la
discussion générale pour la justifi cation.
L’amendement n° 1 est rejeté par 10 voix contre 4.
L’article 4 est adopté par 10 voix et 4 abstentions.
Art. 5 à 11
Les articles 5 à 11 sont adoptés successivement à
l’unanimité.
14
2765/003
DOC 54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
2018
Art. 12
Artikel 12 wordt aangenomen met 10 stemmen en
4 onthoudingen.
Het gehele wetsontwerp wordt vervolgens, mits en-
kele tekstcorrecties, eenparig aangenomen.
De rapporteur,
De voorzitter,
Gilles VANDEN BURRE
Jean-Marc DELIZÉE
Bepalingen die een uitvoeringsmaatregel vereisen
(artikel 78.2 van het Reglement van de Kamer):
— met toepassing van artikel 105 van de Grondwet:
nihil
— met toepassing van artikel 108 van de Grondwet:
nihil.
Art. 12
L’article 12 est adopté par 10 voix et 4 abstentions.
L’ensemble du projet de loi, moyennant quelques
corrections de texte, est ensuite adopté à l’unanimité.
Le rapporteur,
Le président,
Gilles VANDEN BURRE
Jean-Marc DELIZÉE
Dispositions qui nécessitent des mesures d’exécution
(article 78, 2, du Règlement de la Chambre):
— en application de l’article 105 de la Constitution:
nihil;
— en application de l’article 108 de la Constitution:
nihil.
Centrale drukkerij – Imprimerie centrale