Inhoud
5019
2138/001
2138/001
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
DOC 54
DOC 54
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
SOMMAIRE
Résumé .......................................................................
Exposé des motifs .......................................................
Avant-projet .................................................................
Analyse d’impact .........................................................
Avis du Conseil d’État .................................................
Projet de loi .................................................................
Annexe ........................................................................
INHOUD
Samenvatting ..............................................................
Memorie van toelichting ..............................................
Voorontwerp ................................................................
Impactanalyse .............................................................
Advies van de Raad van State ....................................
Wetsontwerp ...............................................................
Bijlage ..........................................................................
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
houdende de wijziging van verscheidene
bepalingen betreffende de zakelijke
zekerheden op roerende goederen
modifiant diverses
dispositions relatives aux
sûretés réelles mobilières
3
4
30
51
65
71
98
Blz.
Pages
7 novembre 2016
7 november 2016
3
4
30
58
65
71
164
2
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
De regering heeft dit wetsontwerp op
4 november 2016 ingediend.
Le gouvernement a déposé ce projet de loi le
4 novembre 2016.
De “goedkeuring tot drukken” werd op
7 november 2016 door de Kamer ontvangen.
Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le
7 novembre 2016.
Abréviations dans la numérotation des publications:
DOC 54 0000/000: Document parlementaire de la 54e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA:
Questions et Réponses écrites
CRIV:
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
CRABV:
Compte Rendu Analytique
CRIV:
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le
compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu
analy tique traduit des interventions (avec les an-
nexes)
PLEN:
Séance plénière
COM:
Réunion de commission
MOT:
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes:
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.lachambre.be
courriel : publications@lachambre.be
Les publications sont imprimées exclusivement sur du papier certifi é FSC
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen:
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.dekamer.be
e-mail : publicaties@dekamer.be
De publicaties worden uitsluitend gedrukt op FSC gecertifi ceerd papier
Afkortingen bij de nummering van de publicaties:
DOC 54 0000/000:
Parlementair document van de 54e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA:
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV:
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV:
Beknopt Verslag
CRIV:
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag
en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken
(met de bijlagen)
PLEN:
Plenum
COM:
Commissievergadering
MOT:
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti Socialiste
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
sp.a
:
socialistische partij anders
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
cdH
:
centre démocrate Humaniste
VB
:
Vlaams Belang
PTB-GO!
:
Parti du Travail de Belgique – Gauche d’Ouverture
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
PP
:
Parti Populaire
Vuye&Wouters
:
Vuye&Wouters
3
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Dit wetsontwerp beoogt:
— het op punt stellen en verfijnen van het pand-
recht en de voorziene werking van het pandregister,
na overleg met de praktijk;
— het actualiseren van de kruisverwijzingen in de
wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk
Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende
goederen betreft en tot opheffing van diverse be-
palingen ter zake, en de aanpassing van een aantal
wetten die rechtstreeks of onrechtstreeks raken aan
deze materie. Dit om een effectieve wisselwerking
tussen deze wetten mogelijk te maken;
— het vaststellen van een nieuwe datum van inwer-
kingtreding van de wet van 11 juli 2013 in afwachting
van een operationeel pandregister.
Ce projet de loi prévoit:
— la mise au point et l’affinage du droit de gage
et du fonctionnement prévu du registre des gages,
après concertation avec les praticiens;
— l’actualisation des renvois dans la loi du
11 juillet 2013 modifiant le Code Civil en ce qui
concerne les sûretés réelles mobilières et abrogeant
diverses dispositions en cette matière, ainsi que la
modification de certaines lois touchant directement
ou indirectement à cette matière. Ceci afin de de
permettre une interaction efficace entre ses lois;
— la fixation d’une nouvelle date d’entrée en
vigueur de la loi du 11 juillet 2013 en l’attente d’un
registre des gages opérationnel.
RÉSUMÉ
SAMENVATTING
4
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMENE INLEIDING
DAMES EN HEREN,
INLEIDING
Met de wet van 11 juli 2013 heeft de wetgever het
pandrecht grondig hervormd door een grondige actu-
alisering van titel XVII van boek III van het Burgerlijk
Wetboek, “Inpandgeving”. De inwerkingtreding van de
wet van 11 juli 2013 was voorzien op 1 december 2014.
Centraal in deze vernieuwing was de invoering van
een nieuw systeem inzake publiciteit. De tegenstelbaar-
heid van het pandrecht wordt in grote mate afhankelijk
van de registratie in een nieuw te ontwerpen pandre-
gister. Aangezien het ontwikkelen van dit pandregister
echter meer tijd in beslag nam dan oorspronkelijk werd
voorzien, kon dit register niet operationeel zijn tegen
1 december 2014. Voornamelijk omwille van deze
reden, opteerde de wetgever voor een uitstel van de
inwerkingtreding. De wet van 26 november 2014 tot
wijziging van de datum van inwerkingtreding van de
wet van 11 juli 2013 voorziet in een inwerkingtreding
op uiterlijk 1 januari 2017. Door verdere vertragingen
bij de ontwikkeling van het register dient de datum van
inwerkingtreding opnieuw te worden gewijzigd. Dit voor-
ontwerp voorziet daarin en bepaalt de nieuwe datum van
inwerkingtreding op uiterlijk 1 januari 2018.
Dit uitstel heeft de mogelijkheid gecreëerd om de
praktijk te consulteren over de nieuwe regeling, waar-
door enkele voor de praktijk belemmerende aspecten
werden vastgesteld. Ook is gebleken dat op bepaalde
punten de doelstellingen van de wetgever onvoldoende
werden bereikt. Deze vaststellingen hebben de regering
ertoe gebracht om opnieuw een wetsontwerp in te die-
nen om het pandrecht en de voorziene werking van het
pandregister verder op punt te stellen en te verfijnen.
Daarnaast blijkt dat een aantal wetten die recht-
streeks of onrechtstreeks raken aan deze materie even-
eens dienen aangepast om een effectieve wisselwerking
tussen de vernieuwde pandwetgeving en die wetten
mogelijk te maken, inclusief wat betreft kruisverwijzingen
en andere aanpassingen aan de nieuwe systematiek.
De doelstelling van dit ontwerp is de tijdige doorvoe-
ring van deze aanpassingen.
EXPOSÉ DES MOTIFS
INTRODUCTION GÉNÉRALE
MESDAMES, MESSIEURS,
INTRODUCTION
Avec la loi du 11 juillet 2013, le législateur a procédé
à une profonde réforme du gage au travers d’une actua-
lisation approfondie du titre XVII du livre III du Code
civil, “Du nantissement”. L’entrée en vigueur de la loi du
11 juillet 2013 était prévue le 1er décembre 2014.
L’introduction d’un nouveau système de publicité
constituait l’élément central de cette modernisation.
L’opposabilité du gage est subordonnée en grande
partie à l’enregistrement dans un nouveau registre
des gages à concevoir. Toutefois, le développement
de ce registre des gages ayant pris plus de temps
que prévu initialement, ce registre n’a pas pu être
opérationnel pour le 1er décembre 2014. C’est princi-
palement la raison pour laquelle le législateur a choisi
de postposer l’entrée en vigueur de la loi. La loi du
26 novembre 2014 modifiant la date d’entrée en vigueur
de la loi du 11 juillet 2013 prévoit une entrée en vigueur
le 1er janvier 2017 au plus tard. A cause des nouveaux
retards lors du développement de ce registre, la date
d’entrée en vigueur doit à nouveau être modifiée. Ceci
est prévu dans le présent avant-projet, qui fixe la nou-
velle date d’entrée en vigueur au 1er janvier 2018 au
plus tard.
Ce report a permis de contacter les praticiens sur la
nouvelle réglementation. De ce fait, quelques aspects
gênants pour la pratique ont été constatés. Il s’est en
outre avéré que sur certains points, les objectifs du
législateur avaient été insuffisamment atteints. Ces
constatations ont amené le gouvernement à déposer
à nouveau un projet de loi afin de mettre au point et
d’affiner le gage et le fonctionnement prévu du registre
des gages.
Il apparaît en outre qu’un certain nombre de lois
touchant directement ou indirectement à cette matière
doivent également être adaptées afin de permettre une
interaction efficace entre la législation modernisée en
matière de gage et ces lois, y compris ce qui concerne
les renvois et autres adaptations au nouveau système.
Le présent projet a pour but d’apporter ces adapta-
tions dans les temps.
5
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Deze tekst houdt rekening met voorstellen die werden
geformuleerd door technische experten in overleg met
professor E. Dirix (KUL).
STRUCTUUR
Daar dit wetsontwerp er toe strekt wijzigingen door te
voeren in verschillende wetgevende teksten, werd geko-
zen het ontwerp op de volgende manier te structureren.
De wijzigingsbepalingen zijn ingedeeld in hoofdstukken
en afdelingen, waarbij zij worden gegroepeerd per wet
die moet worden gewijzigd. De wetgevende teksten
waarin meerdere bepalingen worden gewijzigd, vormen
elk een afzonderlijk hoofdstuk. De overige wijzigingen
worden in één hoofdstuk gegroepeerd.
De structuur kan worden uiteengezet als volgt:
Hoofdstuk 1: Algemene bepaling
Hoofdstuk 2: Wijzigingen aan de wet van 11 juli 2013
tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke
zekerheden op roerende goederen betreft en tot ophef-
fing van diverse bepalingen ter zake
Hoofdstuk 3: Wijzigingen aan de wet van 15 december
2004 betreffende financiële zekerheden en houdende
diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheids-
overeenkomsten en leningen met betrekking tot finan-
ciële instrumenten
Hoofdstuk 4: Wijzigingen aan de wet van 3 augustus
2012 betreffende diverse maatregelen ter vergemak-
kelijking van de mobilisering van schuldvorderingen in
de financiële sector
Hoofdstuk 5: Wijzigingen aan het Wetboek der regis-
tratie-, hypotheek- en griffierechten
Hoofdstuk 6: Andere wijzigingsbepalingen
Afdeling 1: Wijzigingen aan de Hypotheekwet
Afdeling 2: Wijzigingen aan het koninklijk besluit
nr. 62 betreffende de bewaargeving van ver-
vangbare financiële instrumenten en de veref-
fening van transacties op deze instrumenten
Afdeling 3: Wijzigingen aan de wet van 2 januari
1991 betreffende de markt van de effecten
van de overheidsschuld en het monetair
beleidsinstrumentarium
Afdeling 4: Wijzigingen aan het Wetboek van
vennootschappen
Le texte tient compte de propositions formulées par
des experts techniques en concertation avec le profes-
seur E. Dirix (KUL).
STRUCTURE
Puisque ce projet de loi vise à apporter des modifi-
cations dans différents textes législatifs, il a été décidé
de le structurer de la manière suivante. Les dispositions
modificatives sont subdivisées en chapitres et sections
et regroupées par loi à modifier. Les textes législatifs
dans lesquels plusieurs dispositions doivent être modi-
fiées constituent chacun un chapitre distinct. Les autres
modifications sont regroupées dans un seul chapitre.
La structure peut être présentée comme suit:
Chapitre 1er: Disposition générale
Chapitre 2: Modifications de la loi du 11 juillet 2013
modifiant le Code civil en ce qui concerne les sûretés
réelles mobilières et abrogeant diverses dispositions
en cette matière
Chapitre 3: Modifications de la loi du 15 décembre
2004 relative aux sûretés financières et portant des
dispositions fiscales diverses en matière de conventions
constitutives de sûreté réelle et de prêts portant sur des
instruments financiers.
Chapitre 4: Modifications de la loi du 3 août 2012 rela-
tive à des mesures diverses pour faciliter la mobilisation
de créances dans le secteur financier
Chapitre 5: Modifications du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Chapitre 6: Autres dispositions modificatives
Section 1re: Modifications de la loi hypothécaire
Section 2: Modifications de l’arrêté royal n° 62
coordonné relatif au dépôt d’instruments finan-
ciers fongibles et à la liquidation d’opérations
sur ces instruments
Section 3: Modifications de la loi du 2 janvier
1991 relative au marché des titres de la dette
publique et aux instruments de la politique
monétaire
Section 4: Modifications du Code des sociétés
6
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Afdeling 5: Wijzigingen aan de wet van
3 augustus 2012 betreffende de instellingen
voor collectieve belegging die voldoen aan de
voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de in-
stellingen voor belegging in schuldvorderingen
Afdeling 6: Wijzigingen aan de wet van 19 april
2014 betreffende de alternatieve instellingen
voor collectieve belegging en hun beheerders
Hoofdstuk 7: Overgangsbepaling
Hoofdstuk 8: Inwerkingtreding
ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
HOOFDSTUK 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Dit artikel behoeft geen bijzondere commentaar.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen aan de wet van 11 juli 2013
tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek
wat de zakelijke zekerheden op roerende
goederen betreft en tot opheffing
van diverse bepalingen ter zake
Art. 2
Dit artikel voegt een lid toe aan het toekomstig, door
de wet van 11 juli 2013 in te voeren artikel 1 “Doelstelling”
van de door deze wet herschreven titel XVII “Zakelijke
zekerheden op roerende goederen” van boek III van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 20, 3° van de Hypotheekwet luidens welk de
pandhouder beschikt over een “voorrecht” werd opge-
heven door artikel 100, b) van de wet van 11 juli 2013 tot
wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke
zekerheden op roerende goederen betreft en tot de
opheffing van diverse bepalingen ter zake
De reden hiertoe was een theoretische. Het pand-
recht is – zoals immers ook een hypotheek – meer dan
een louter voorrecht. Het verleent immers ook andere
rechten. In talrijke andere wettelijke bepalingen wordt
echter melding gemaakt van “bevoorrechte” schuld-
eisers. Ingevolge het vroegere artikel 20,3° van de
Hypotheekwet vielen hieronder dus steeds, als vanzelf,
Section 5: Modifications de la loi du 3 août 2012
relative aux organismes de placement collectif
qui répondent aux conditions de la Directive
2009/65/CE et aux organismes de placement
en créances
Section 6: Modifications de la loi du 19 avril 2014
relative aux organismes de placement collectif
alternatifs et à leurs gestionnaires
Chapitre 7: Disposition transitoire
Chapitre 8: Entrée en vigueur
COMMENTAIRE DES ARTICLES
CHAPITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
Cet article n’appelle pas de commentaire particulier.
CHAPITRE 2
Modifications de la loi du 11 juillet 2013
modifiant le Code civil en ce qui concerne
les sûretés réelles mobilières et abrogeant
diverses dispositions en cette matière
Art. 2
Cet article ajoute un alinéa au futur article 1er “Finalité”,
à insérer par la loi du 11 juillet 2013, du titre XVII “Des
sûretés réelles mobilières” du livre III du Code civil,
réécrit par cette loi.
L’article 20, 3°, de la loi hypothécaire, aux termes
duquel le créancier gagiste dispose d’un “privilège” a été
abrogé par l’article 100, b), de la loi du 11 juillet 2013 mo-
difiant le Code civil en ce qui concerne les sûretés
réelles mobilières et abrogeant diverses dispositions
en cette matière.
La motivation était d’ordre théorique. Le gage est
– comme l’est d’ailleurs l’hypothèque – plus qu’un
simple privilège. Il confère en effet également d’autres
droits. De nombreuses autres dispositions légales
mentionnent toutefois des créanciers “privilégiés”.
Conformément à l’ancien article 20, 3°, de la loi hypo-
thécaire, cela englobait naturellement toujours les
7
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
de pandhouders. Dit is thans het geval aangezien het
pandrecht aan de schuldeiser eenzelfde preferentieel
recht verleent als een voorrecht en dit recht beantwoordt
aan het begrip “voorrecht” zoals omschreven in artikel
12 van de Hypotheekwet.
De toevoeging aan artikel 1 strekt ertoe om hierover
iedere onzekerheid weg te nemen. Aldus dient men bij
wijze van voorbeeld in artikel 19 Faillissementswet waar
sprake is van “rechten van hypotheek en van voorrecht”
ook de pandrechten te rekenen en moet men in artikel
1627 Gerechtelijk Wetboek onder “schuldeisers met een
voorrecht”, ook de pandhouders verstaan. Hetzelfde
geldt, bij wijze van voorbeeld, voor wat betreft de arti-
kelen 1278 en 1692 Burgerlijk Wetboek waar eveneens
het begrip “voorrechten” wordt vermeld.
Art. 3
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consu-
mentenbescherming dient thans verwezen te worden
naar de definitie van “consument” in artikel I, 1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht.
Art. 4
Artikel 19, titel XVII, boek III van het Burgerlijk
Wetboek zou in zijn huidige vorm bij inwerkingtreding
voorzien in een bescherming van het pandrecht indien
de roerende goederen die verpand werden nadien on-
roerend worden. Ook de goederen die reeds onroerend
door bestemming waren op het ogenblik dat tot pand-
vestiging werd overgegaan, dienen onder het pandrecht
te vallen. Hierover mag geen onduidelijkheid bestaan.
Onder de vroegere wetgeving werd enige onduide-
lijkheid hieromtrent opgevangen door de vestiging van
een pand handelszaak en de rechtspraak omtrent de
draagwijdte van dat pand conform de bepalingen van
het eerste hoofdstuk van de wet van 25 oktober 1919 be-
treffende het in pand geven van de handelszaak, het
disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede
de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks
voor het verbruik gedane leveringen. Deze bepalingen
zullen worden opgeheven bij de inwerkingtreding van
artikel 105 van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van
het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden
op roerende goederen betreft en tot de opheffing van
diverse bepalingen ter zake.
Onder artikel 7, titel XVII, boek III van het Burgerlijk
Wetboek, zoals het zou worden ingevoerd door de wet
van 11 juli 2013, zou op dit punt echter enige twijfel
créanciers gagistes. Tel est le cas actuellement puisque
le gage octroie au créancier un droit préférentiel ana-
logue à un privilège et que ce droit répond à la notion
de “privilège” telle qu’elle est définie à l’article 12 de la
loi hypothécaire.
L’ajout à l’article 1er vise à dissiper tout doute à cet
égard. Ainsi, il convient, à titre d’exemple, de tenir
également compte des gages dans l’article 19 de la loi
sur les faillites, dans laquelle il est question de “droits
d’hypothèque et de privilège”, et à l’article 1627 du
Code judiciaire, d’entendre par “créanciers bénéficiant
d’un privilège” également les créanciers gagistes. Il
en va de même, à titre d’exemple, en ce qui concerne
les articles 1278 et 1692 du Code civil, où l’on trouve
également la notion de “privilèges”.
Art. 3
À la suite de l’abrogation de la loi du 6 avril 2010 re-
lative aux pratiques du marché et à la protection du
consommateur, il convient de renvoyer à présent à la
définition de “consommateur” énoncée à l’article I, 1,
2°, du livre Ier du Code de droit économique.
Art. 4
L’article 19 du titre XVII du livre III du Code civil prévoi-
rait dans sa forme actuelle, lors de l’entrée en vigueur,
une protection du gage lorsque les biens mobiliers
gagés deviennent immeubles ultérieurement. Les biens
qui étaient déjà immeubles par destination au moment
de la constitution du gage doivent également relever du
gage. Il ne peut y avoir aucune imprécision en la matière.
La législation antérieure remédiait déjà quelque peu
au manque de précision en la matière par la constitution
d’un gage de fonds de commerce et la jurisprudence
relative à la portée de ce gage conformément aux dis-
positions du chapitre Ier de la loi du 25 octobre 1919 sur
la mise en gage du fonds de commerce, l’escompte et
le gage de la facture, ainsi que l’agréation et l’expertise
des fournitures faites directement à la consommation.
Ces dispositions seront abrogées par l’entrée en vigueur
de l’article 105 de la loi du 11 juillet 2013 modifiant
le Code civil en ce qui concerne les sûretés réelles
mobilières et abrogeant diverses dispositions en cette
matière.
L’article 7 du titre XVII du livre III du Code civil, tel qu’il
serait inséré par la loi du 11 juillet 2013, pourrait toutefois
susciter quelque doute sur ce point. C’est pourquoi il a
8
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
kunnen ontstaan. Om deze reden werd geopteerd om
expliciet te vermelden dat een pandrecht ook een goed
dat roerend is uit zijn aard, maar onroerend is door
bestemming tot voorwerp kan hebben.
Dit betekent dat een pandrecht gevestigd zou kunnen
worden op een roerend goed nádat het reeds onroerend
is geworden door bestemming.
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consu-
mentenbescherming dient thans verwezen te worden
naar de definitie van “consument” in artikel I, 1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht.
Er wordt overigens verduidelijkt dat een pandrecht
geen zeeschepen of teboekgestelde schepen of vaar-
tuigen tot voorwerp mag hebben. Voor deze zeeschepen
en teboekgestelde schepen en vaartuigen geldt immers
een afzonderlijk regime, dat geen pandrecht maar wel
een scheepshypotheek mogelijk maakt.
De terminologie die hier wordt gebruikt, namelijk “de
zeeschepen en de teboekgestelde schepen en vaar-
tuigen”, is ontleend aan Boek II van het Wetboek van
Koophandel, betreffende de Zeevaart en Binnenvaart,
en verwijst dus naar het toepassingsgebied van dit Boek
II. Op suggestie van de Raad van State wordt dit ook ex-
pliciet vermeld in het artikel. De uitsluiting van “zeesche-
pen en teboekgestelde binnenschepen en vaartuigen”
uit het toepassingsgebied van de wet betreft bijgevolg
niet de goederen die niet worden geviseerd door dit
Boek II en die desondanks het voorwerp zouden kun-
nen uitmaken van een teboekstelling. Dit is bijvoorbeeld
het geval voor vliegtuigen, die dus geenszins worden
uitgesloten uit het toepassingsgebied van de wet.
Art. 5
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consu-
mentenbescherming dient thans verwezen te worden
naar de definitie van “consument” in artikel I, 1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht.
Dit artikel wijzigt de woorden “van de hoofdsom” in
de woorden “van de hoofdsom op het ogenblik van de
verdeling of de toerekening” in artikel 12, tweede lid,
titel XVII, “Zakelijke zekerheden op roerende goederen”
van boek III van het Burgerlijk Wetboek, zoals het zou
worden ingevoerd door de wet van 11 juli 2013. Het
betreft een precisering met betrekking tot de peildatum
voor de vaststelling van het bedrag van de hoofdsom.
été décidé de mentionner explicitement qu’un gage peut
également avoir pour objet un bien qui serait mobilier
par nature, mais immeuble par destination.
Cela signifie qu’un gage pourrait être constitué sur un
bien mobilier après que celui-ci soit devenu immeuble
par destination.
À la suite de l’abrogation de la loi du 6 avril 2010 re-
lative aux pratiques du marché et à la protection du
consommateur, il convient de renvoyer à présent à la
définition de “consommateur” énoncée à l’article I, 1,
2°, du livre Ier du Code de droit économique.
Il est, par ailleurs, précisé que les navires et les ba-
teaux et bâtiments immatriculés ne peuvent faire l’objet
d’un gage. Pour ces navires et bateaux et bâtiments
immatriculés, il existe, en effet, un régime distinct, qui
permet la constitution non pas d’un droit de gage mais
d’une hypothèque maritime.
La terminologie qui est ici utilisée, à savoir “les
navires et les bateaux et bâtiments immatriculés”, est
empruntée au Livre II du Code de commerce, relatif à
la Navigation maritime et à la Navigation intérieure, et
elle renvoie donc au champ d’application de ce Livre II.
Conformément à la suggestion du Conseil d’État, ceci
est mentionné explicitement dans l’article. L’exclusion
des “navires et des bateaux et bâtiments immatriculés”
du champ d’application de la loi ne vise dès lors pas des
biens non visés par ce Livre II et qui seraient néanmoins
susceptibles de faire l’objet d’une immatriculation. Il en
va ainsi, par exemple, des aéronefs, lesquels ne sont
donc nullement exclus du champ d’application de la loi.
Art. 5
À la suite de l’abrogation de la loi du 6 avril 2010 re-
lative aux pratiques du marché et à la protection du
consommateur, il convient de renvoyer à présent à la
définition de “consommateur” énoncée à l’article I, 1,
2°, du livre Ier du Code de droit économique.
Le présent article remplace les mots “du principal”
par les mots “du principal au moment de la distribution
ou de l’imputation” dans l’article 12, alinéa 2, du titre
XVII “Des sûretés réelles mobilières” du livre III du Code
civil, tel qu’il serait inséré par la loi du 11 juillet 2013. Il
s’agit d’une précision portant sur la date de référence
pour l’établissement du montant du principal.
9
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 6
Er bestaat geen bezwaar om een herverpanding door
de pandhouder mogelijk te maken indien de pandgever
hiermee instemt. Deze mogelijkheid bestond ook onder
het vroegere recht.
Art. 7
Antwoordend op de opmerking van de Raad van State
kan worden opgemerkt dat de toekomstige artikelen 15
en 60 wel degelijk dezelfde finaliteit hebben. Het gaat
immers telkens om wijzen waarop de tegenwerpelijkheid
wordt verkregen. Voor vuistpand is dit de buitenbezitstel-
ling, voor schuldvorderingen is dit de ‘controle’. Dat de
buitenbezitstelling (via controle) geen publiciteit oplevert
t.a.v. andere derden dan de verpande schuldenaar (cf.
“cette notification ne permet pas aux tiers …”), klopt,
maar is de bevestiging van de bestaande praktijk voor
de pandvestiging op een schuldvordering en de ze-
kerheidscessie van een schuldvordering. Het kan niet
de bedoeling zijn dat het nieuwe pandrecht aanleiding
geeft tot het verzwaren van bestaande formaliteiten (dit
zou strijdig zijn met de basisidee de kredietverlening te
stimuleren). Momenteel wordt algemeen aanvaard dat
verpanding van een schuldvordering tegenstelbaarheid
verkrijgt conform de regeling geldend voor cessie van
schuldvordering (art. 1690 BW). De formaliteiten kunnen
best niet verzwaard worden. Het behoud van een dub-
bel tegenstelbaarheidsmechanisme dreigt problemen
te creëren.
Het gelijktijdig bestaan van twee mogelijkheden om
de tegenwerpelijkheid van een pandrecht op schuld-
vorderingen te bewerkstelligen, namelijk de registratie
(toekomstig artikel 15, titel XVII, boek III ) en ‘controle’
(toekomstig artikel 60, titel XVII, boek III), leidt inderdaad
tot moeilijkheden. In vele gevallen zal de pandhouder die
tot registratie overgaat reeds de ‘controle’ hebben van
de schuldvordering, zodat derden die het pandregister
consulteren toch geen getrouw beeld hebben van de
ware toedracht. Bovendien bestaat de mogelijkheid
tot registratie niet in hoofde van een cessionaris van
schuldvorderingen (artikel 1690 Burgerlijk Wetboek),
hetgeen tot een scheeftrekking leidt in de tegenwer-
pelijkheids- en voorrangsregeling bij opeenvolgende
verpandingen of cessies. Verder rijzen er interferenties
met de Wet Financiële Zekerheden, die geen vereiste
van publiciteit bevat, ondanks het gegeven dat bijvoor-
beeld “contanten”, zoals gedefinieerd in genoemde wet,
ook kunnen beschouwd worden als schuldvorderingen.
Om deze redenen wordt geopteerd om de mogelijk-
heid van het realiseren van de tegenwerpelijkheid van
het pandrecht door middel van registratie uit te sluiten
Art. 6
Il n’y a aucune objection au fait de permettre le
réengagement par le créancier gagiste si le constituant
du gage y consent. Cette possibilité existait également
dans le droit antérieur.
Art. 7
En réponse à la remarque du Conseil d’état, il peut
être constaté que les futurs articles 15 et 60 ont effec-
tivement la même finalité. Il s’agit en effet à chaque
fois de manières pour obtenir l’opposabilité. Pour le
gage avec dépossession il s’agit de la dépossession
et pour les créances, il s’agit du ‘contrôle’. Certes, la
dépossession (via le contrôle) n’entraîne pas la publi-
cité vis-à-vis d’autres tiers que le débiteur-gagiste (cf.
“cette notification ne permet pas aux tiers…”), mais
elle est la confirmation d’une pratique existante pour
le gage sur créance et la cession de créance à titre de
garantie. Le nouveau droit du gage ne peut pas avoir
pour conséquence que les formalités existantes soient
alourdies (ce qui serait contraire à l’idée de départ
d’encourager l’octroi de crédits). Actuellement, il est
généralement admis qu’un gage sur créance devient
opposable conformément à la réglementation sur la
cession de créance (art. 1690 CC). Il est préférable
que les formalités ne soient pasalourdies. Le maintien
d’un double système d’opposabilité risque de causer
des problèmes.
En effet, l’existence simultanée de deux possibilités
de réaliser l’opposabilité d’un gage sur des créances, à
savoir l’enregistrement (futur article 15 du titre XVII du
livre III) et le ‘contrôle’ (futur article 60 du titre XVII du
livre III), est source de problèmes. Dans de nombreux
cas, le créancier gagiste qui procède à l’enregistrement
aura déjà le ‘contrôle’ sur la créance de sorte que les
tiers qui consultent le registre des gages ne disposent
quand même pas d’une image fidèle à la réalité. En
outre, la possibilité d’enregistrement n’existe pas dans
le chef d’un cessionnaire de créances (article 1690 du
Code civil), ce qui fausse le régime d’opposabilité et
de priorité en cas de mises en gage ou de cessions
successives. De plus, des interférences apparaissent
avec la loi relative aux sûretés financières, laquelle ne
comporte aucune exigence de publicité, en dépit du fait
que notamment les “espèces”, telles que définies dans
la loi précitée, peuvent également être considérées
comme des créances.
Pour ces raisons, il est décidé d’exclure la possi-
bilité de réaliser l’opposabilité du gage au moyen de
l’enregistrement pour ce qui est des créances. On en
10
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
voor schuldvorderingen. Hierdoor wordt teruggekeerd
naar het uniform tegenwerpelijkheidsregime voor over-
dracht en inpandgeving van schuldvorderingen zoals
het geval was onder gelding van het voormalig artikel
2075 Burgerlijk Wetboek, zoals geamendeerd bij wet van
6 juli 1994 en vervolgens bij wet van 12 december 1996.
Dit neemt niet weg dat schuldvorderingen, in lijn met
de bepalingen van het toekomstig artikel 7, wel nog deel
kunnen uitmaken van een registerpand op een univer-
saliteit, zoals een pand op de handelszaak.
Art. 8-10
Deze artikelen voorzien aanpassingen aan de ter-
minologie en om rekening te houden met de diverse
handelingen (d.i. ook registratie eigendomsoverdracht,
overdracht van het pand, rangafstand) die elders in de
wet voorzien zijn.
Art. 11
Het eigendomsvoorbehoud dient voor zijn geldigheid
noch voor zijn tegenwerpelijkheid te worden geregis-
treerd in het pandregister. Het toekomstig artikel 71,
titel XVII, boek III van het Burgerlijk Wetboek maakt
echter wel melding van een facultatieve registratie van
het beding van eigendomsvoorbehoud. Het betreft de
hypothese dat de koop betrekking heeft op roerende
goederen die onroerend worden door incorporatie. In
zo’n geval kan een conflict ontstaan met een hypothe-
caire schuldeiser. Om dit conflict te beslechten bepaalt
dit artikel 71 dat de rechten van de onbetaalde verkoper
behouden blijven indien hij tot registratie van zijn eigen-
domsvoorbehoud is overgegaan.
De bepalingen van het pandregister en de regis-
tratie zijn momenteel toegespitst op de pandrechten.
Dit artikel voegt een lid toe aan het toekomstig artikel
29, titel XVII, boek III van het Burgerlijk Wetboek. De
voorgestelde aanvulling strekt ertoe aan de registratie
van het eigendomsvoorbehoud, een uitdrukkelijke
wettelijke basis te geven die weliswaar reeds impliciet
aanwezig is in het toekomstig artikel 71. Dit omwille van
de rechtszekerheid. Indien de verkoper tot registratie
wenst over te gaan, dan is de regeling van de registratie
van pandrechten dus van overeenkomstige toepassing.
Deze betere wettelijke omkadering maakt het gemak-
kelijker om in de toekomst ook het eigendomsvoorbe-
houd en eventueel leasingovereenkomsten aan een
systeem van registratieplicht te onderwerpen.
revient ainsi au régime uniforme d’opposabilité pour la
cession et la mise en gage de créances comme c’était
le cas lorsque l’ancien article 2075 du Code civil, tel
qu’amendé par la loi du 6 juillet 1994 et ensuite par la
loi du 12 décembre 1996, était en vigueur.
Il n’en demeure pas moins que, dans la ligne des
dispositions du futur article 7, les créances peuvent
toutefois encore faire partie d’un gage de registre sur
une universalité tel un gage sur le fonds de commerce.
Artt. 8-10
Ces articles ont pour objet d’apporter des adaptations
terminologiques et de prendre en considération les
divers actes (à savoir également l’enregistrement de
transfert de propriété, la cession du gage et la cession
de rang) prévus ailleurs dans la loi.
Art. 11
La réserve de propriété ne requiert d’enregistrement
dans le registre des gages ni pour sa validité ni pour son
opposabilité. Le futur article 71 du titre XVII du livre III du
Code civil mentionne toutefois un enregistrement facul-
tatif de la clause de réserve de propriété. Cela concerne
l’hypothèse d’un achat portant sur des biens mobiliers
devenant immeubles par incorporation. Dans un tel cas,
un conflit peut survenir avec un créancier hypothécaire.
Afin de résoudre ce conflit, cet article 71 dispose que
les droits du vendeur impayé restent maintenus s’il a
procédé à l’enregistrement de sa réserve de propriété.
Les dispositions relatives au registre des gages et à
l’enregistrement sont actuellement axées sur les gages.
Le présent article ajoute un alinéa au futur article 29 du
titre XVII du livre III du Code civil. L’ajout proposé vise
à conférer à l’enregistrement de la réserve de propriété
une base légale expresse qui est certes déjà implicite-
ment présente dans le futur article 71. Cela en raison
de la sécurité juridique. Si le vendeur souhaite procéder
à l’enregistrement, le règlement de l’enregistrement de
gages s’applique donc par analogie.
Grâce à ce meilleur encadrement légal, il sera plus
facile à l’avenir de soumettre également la réserve de
propriété et éventuellement les contrats de leasing à un
système d’obligation d’enregistrement.
11
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 12
Dit artikel zorgt er voor dat ook voor het eigendoms-
voorbehoud de registratie daarvan adequaat technisch
wordt geregeld.
Pandhouders of vertegenwoordigers in de zin van
het toekomstig artikel 3, titel XVII, boek III, Burgerlijk
Wetboek, die zelf omwille van de vereisten voor au-
thenticatie geen toegang zouden kunnen krijgen tot het
register kunnen de registratie, raadpleging en andere
handelingen laten doen door een lasthebber.
De inschrijving dient wat betreft de door het pand-
recht bezwaarde goederen en de gewaarborgde
schuldvorderingen een beschrijving te voorzien die het
redelijkerwijze toelaat de goederen in kwestie nader te
bepalen op het ogenblik dat tot uitwinning van het pand
zou moeten overgegaan worden of zich anderszins een
samenloop tussen rechten van de pandhouder en een
derde zou voordoen (zie Aanbeveling van de UNCITRAL
Legislative Guide on Secured Transactions, ook Dirix,
E. “Verpanding van schuldvorderingen”, Comm. Voorr.,
onderdelen V en X). Die goederen moeten dus op basis
van de registratiegegevens in lijn met de bestaande
rechtsleer en rechtspraak voldoende bepaalbaar zijn.
Dezelfde beginselen gelden voor de gewaarborgde
schuldvordering(en).
Art. 13
Dit artikel zorgt er voor dat ook voor het eigendoms-
voorbehoud de raadpleging daarvan adequaat tech-
nisch wordt geregeld.
Pandhouders of vertegenwoordigers in de zin van
het toekomstig artikel 3, titel XVII, boek III, Burgerlijk
Wetboek, die zelf omwille van de vereisten voor au-
thenticatie geen toegang zouden kunnen krijgen tot het
register kunnen de registratie, raadpleging en andere
handelingen laten doen door een lasthebber.
Art. 14
Deze bepaling behoeft geen verdere commentaar.
Art. 15
Het tweede lid van het toekomstig artikel 33, titel XVII,
boek III, Burgerlijk Wetboek, wordt opgeheven omdat
het concrete ontwerp van het pandregister geen actieve
Art. 12
Cet article a pour effet de régler également l’enregis-
trement de la réserve de propriété de manière adéquate
sur le plan technique.
Les créanciers gagistes ou les représentants au sens
du futur article 3 du titre XVII du livre III du Code civil
qui, en raison des exigences d’authentification, ne pour-
raient obtenir eux-mêmes l’accès au registre, peuvent
confier l’enregistrement, la consultation et autres actes
à un mandataire.
En ce qui concerne les biens grevés du gage et les
créances garanties, l’inscription doit prévoir une des-
cription qui permette raisonnablement de déterminer
avec précision les biens en question au moment où il
faudrait procéder à la réalisation du gage ou au cas où
il se produirait autrement un concours entre les droits
du créancier gagiste et un tiers (voir recommandation du
Guide législatif de la CNUDCI sur les opérations garan-
ties et Dirix, E. “Verpanding van schuldvorderingen”,
Comm. Voorr., onderdelen V en X). Ces biens doivent
donc être suffisamment déterminables sur la base des
données d’enregistrement, dans la ligne de la doctrine
et la jurisprudence existantes. Les mêmes principes
s’appliquent à la/aux créance(s) garantie(s).
Art. 13
Cet article a pour effet de régler également la consul-
tation de la réserve de propriété de manière adéquate
sur le plan technique.
Les créanciers gagistes ou les représentants au sens
du futur article 3 du titre XVII du livre III du Code civil
qui, en raison des exigences d’authentification, ne pour-
raient obtenir eux-mêmes l’accès au registre, peuvent
confier l’enregistrement, la consultation et autres actes
à un mandataire.
Art. 14
Cette disposition n’appelle aucun autre commentaire.
Art. 15
L’alinéa 2 du futur article 33 du titre XVII du livre III du
Code civil est abrogé, car le projet concret du registre
des gages ne prévoit aucune intervention active de
12
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
tussenkomst van de Administratie voorziet. In geval
van onenigheid zal het geschil dus door de rechtbank
moeten worden beslecht.
Een essentieel aspect van een modern pandregister
is immers dat het moet kunnen functioneren zonder
actieve tussenkomst van de houder van het register.
Deze vervult een louter passieve rol. In geen geval
mag hij optreden als rechter in een geschil tussen de
partijen. Mogelijke geschillen dienen uitsluitend voor
de rechter gebracht te worden. Enkel dit forum biedt
de nodige garanties voor een tegensprekelijke en doel-
matige behandeling van mogelijke geschillen en van de
beslechting ervan. Bovendien rijst het probleem van de
aansprakelijkheid bij verkeerde beslissingen. Aangezien
de gepubliceerde gegevens ook de posities van de
schuldeiser met derden betreffen, nl. de rangorde tus-
sen schuldeisers, is het in ieder geval uitgesloten dat
de schuldenaar in dit verband eenzijdige stappen zou
kunnen nemen. Het systeem van de wet biedt reeds
voldoende bescherming van de schuldenaar tegen
onjuiste vermelde gegevens.
Art. 16
Het toekomstig artikel 34, titel XVII, boek III van het
Burgerlijk Wetboek, zoals het zou worden ingevoerd
door de wet van 11 juli 2013, beperkt de toegang voor
het consulteren van het pandregister tot bepaalde
categorieën.
Dit strookt evenwel niet met de doelstelling van de
wetgever om een systeem van publiciteit te voorzien dat
efficiënt is en een adequaat alternatief voor de klassieke
vereiste van buitenbezitstelling. De toegankelijkheid voor
iedereen is een absolute voorwaarde voor adequate
publiciteit en daarom een expliciete doelstelling van
deze wetgeving.
Het op te richten pandregister is de hoeksteen van
de nieuwe regeling voor het tegenstelbaar maken van
zakelijke zekerheidsrechten onder de vorm van een
pandrecht of een eigendomsrecht op roerende goeden.
Aangezien zakelijke rechten de roeping hebben om te
werken tegen alle derden (ongeacht of deze derden
professionelen zijn dan wel een gespecifieerd belang
hebben bij het zakelijk recht) gaan dergelijke rechten en
publiciteit hand in hand. Zoals op vandaag geldt voor
andere publiciteitssystemen inzake zakelijke rechten
– zoals bijvoorbeeld m.b.t. onroerend goed en pandrech-
ten op de handelszaak op het hypotheekkantoor – dient
een dergelijke publiciteit noodzakelijk toegankelijk te zijn
voor alle derden zoals hierna wordt toegelicht.
l’Administration. En cas de désaccord, le litige devra
donc être tranché par le tribunal.
En effet, un aspect essentiel d’un registre des gages
moderne est qu’il doit pouvoir fonctionner sans interven-
tion active du dépositaire du registre. Celui-ci joue un
rôle purement passif. Il ne peut en aucun cas intervenir
comme juge dans un litige entre les parties. Il convient
de porter les éventuels litiges exclusivement devant
le juge. Seul ce forum offre les garanties nécessaires
pour un traitement contradictoire et efficace d’éventuels
litiges ainsi que pour leur règlement. Se pose en outre
le problème de la responsabilité en cas de décisions
erronées. Étant donné que les données publiées
concernent également les positions du créancier avec
des tiers, à savoir le rang entre les créanciers, il est en
tout cas exclu que le débiteur puisse entreprendre des
démarches unilatérales à cet égard. Le système de la loi
protège déjà suffisamment le débiteur contre la mention
de données inexactes.
Art. 16
Le futur article 34 du titre XVII du livre III du Code
civil, tel qu’il serait inséré par la loi du 11 juillet 2013,
limite l’accès au registre des gages pour consultation
à certaines catégories.
Cela ne correspond toutefois pas à l’objectif du légis-
lateur visant à prévoir un système de publicité efficace
et à disposer d’une alternative appropriée à l’exigence
traditionnelle de dépossession. L’accessibilité pour tous
est une condition absolue pour une publicité adéquate
et constitue dès lors un objectif explicite de la présente
législation.
Le registre des gages à créer est la pierre angulaire
de la nouvelle réglementation en vue de rendre oppo-
sables des droits de sûreté réelle sous la forme d’un
gage ou d’un droit de propriété sur des biens mobiliers.
Dès lors que des droits réels ont pour vocation d’être
opposables à tous les tiers (que ces tiers soient des
professionnels ou aient un intérêt spécifié concernant
le droit réel), de tels droits et la publicité vont de pair.
Comme c’est le cas aujourd’hui pour d’autres systèmes
de publicité en matière de droits réels, comme en ce qui
concerne le bien immobilier et les gages sur le fonds
de commerce au bureau des hypothèques, une telle
publicité doit nécessairement être accessible pour tous
les tiers ainsi qu’il est exposé ci-après.
13
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
De tegenstelbaarheid van het pand- en eigendoms-
recht op roerende goederen via publicatie in een voor
iedereen toegankelijk pandregister is trouwens de
pendant van de door de wet behouden alternatieve
tegenstelbaarheidstechniek: de buitenbezitstelling.
Net zoals de buitenbezitstelling jegens iedereen werkt,
dient ook het pandregister voor iedereen toegankelijk
te zijn. Het zou in dat opzicht ook getuigen van een
vorm van discriminatie indien het pandregister enkel
toegankelijk zou worden gesteld voor bepaalde derden,
zoals professionelen of “personen die een gerechtvaar-
digd belang kunnen inroepen”, voor zover dit laatste
al controleerbaar is. De professionelen of “personen
met een gerechtvaardigd belang” zouden alsdan beter
geïnformeerd zijn dan andere derden.
Een optimale informatie over het bestaan van za-
kelijke zekerheidsrechten is van belang voor eenieder
die krediet (in welke vorm dan ook, bijv. via uitstel van
betaling) wenst te verschaffen ten einde de kredietwaar-
digheid van zijn schuldenaar na te gaan. Dit belang
strekt ook verder, nl. voor de potentiële schuldeiser
die de omvang van zijn verhaalsrechten moet kunnen
inschatten alvorens bijvoorbeeld beslag te leggen, of
voor potentiële kopers van de bezwaarde goederen.
Al deze categorieën van potentiële belanghebbenden
kunnen niet a priori worden afgelijnd. De toegang voor
derden kan slechts onderworpen worden aan de voor-
waarden dat het verzoek formeel correct gebeurt en dat
de retributie wordt betaald. Het vereisen van andere
voorwaarden zoals het opgeven van een motief en dus
ook van de beoordeling ervan zou een dergelijk systeem
compleet ondermijnen (UNCITRAL Legislative Guide
on Implementation of a Security Rights Registry, New
York, 2013, nr. 103).
De essentie van publiciteit van zakelijke rechten en
zekerheidsrechten is dus dat zij voor iedereen toegan-
kelijk dienen te zijn. Enkel dergelijke publiciteit verant-
woordt dat deze rechten aan derden tegenwerpelijk zijn.
Het opgezette pandregister beantwoordt aan de
internationale standaard waarbij de zekerheid van de
informatie en de gemakkelijke toegankelijkheid ervan
centraal staan. Dergelijke systemen werden in het re-
cente verleden op succesvolle wijze ingevoerd in talrijke
landen overal ter wereld van de Verenigde Staten tot
Nieuw-Zeeland.
Ook in die internationale modellen wordt voorge-
staan dat een pandregister publiek toegankelijk dient
te zijn (zie: Aanbevelingen 4-10 UNCITRAL Legislative
Guide on Implementation of a Security Rights Registry,
New York, 2013). Alleen op deze wijze kan de vereiste
transparantie over het bestaan van zakelijke zekerheids-
rechten worden gewaarborgd. Het beperken van de vrije
L’opposabilité du droit de gage et de propriété sur
des biens mobiliers par la publicité dans un registre des
gages accessible à tous constitue d’ailleurs la contre-
partie de l’autre technique d’opposabilité retenue par
la loi: la dépossession. À l’instar de la dépossession
qui fonctionne à l’égard de tous, il convient également
que le registre des gages soit accessible à tous. À cet
égard, ce serait l’expression d’une forme de discrimi-
nation si l’on rendait le registre des gages uniquement
accessible à certains tiers, comme des professionnels
ou des “personnes ayant un intérêt légitime”, pour autant
que cet élément puisse être contrôlé. Les professionnels
ou “personnes ayant un intérêt légitime” seraient alors
mieux informés que d’autres tiers.
Une information optimale sur l’existence de droits
de sûreté réelle est importante pour toute personne
souhaitant consentir un crédit (sous quelque forme que
ce soit, par le biais d’un report de paiement p. ex.) afin
de vérifier la solvabilité de son débiteur. Cet intérêt va
également plus loin, à savoir pour le créancier poten-
tiel qui doit pouvoir évaluer l’ampleur de ses droits de
recours avant, par exemple, de pratiquer une saisie, ou
pour des acheteurs potentiels des biens grevés. Toutes
ces catégories d’intéressés potentiels ne peuvent être
définies a priori. L’accès pour des tiers peut uniquement
être soumis aux conditions que la demande s’effectue
correctement sur le plan formel et que la redevance
soit payée. Exiger d’autres conditions comme la com-
munication d’un motif et, partant, l’évaluation de celui-
ci également, saperait complètement un tel système
(Guide de la CNUDCI sur la mise en place d’un registre
des sûretés réelles mobilières, New York, 2013, n° 103).
L’essence de la publicité des droits réels et des droits
de sûreté repose donc sur le fait qu’ils doivent être
accessibles à tous. Seule une telle publicité justifie le
fait que ces droits sont opposables aux tiers.
Le registre des gages mis sur pied répond à la norme
internationale dans le cadre de laquelle la sécurité
des informations et l’accessibilité aisée à ces infor-
mations occupent une place centrale. Récemment, de
tels systèmes ont été introduits avec succès dans de
nombreux pays à travers le monde, des États-Unis à la
Nouvelle-Zélande.
Ces modèles internationaux sont également favo-
rables à une accessibilité au public du registre des
gages (voir les recommandations 4 à 10 du Guide de
la CNUDCI sur la mise en place d’un registre des sûre-
tés réelles mobilières, New York, 2013). C’est la seule
manière de garantir la transparence requise quant à
l’existence de droits de sûreté réelle. La limitation de
14
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
toegang tot bepaalde categorieën van schuldeisers leidt
tot een ongelijke behandeling van schuldeisers. Deze
valt moeilijk te verantwoorden en werkt dus concurren-
tieverstorend. Bovendien kunnen we vaststellen dat ook
hypotheekregisters door iedereen raadpleegbaar zijn.
Dit artikel wijzigt deze bepaling en geeft eenieder
toegang tot het pandregister.
De in het pandregister opgeslagen gegevens zijn
trouwens minimaal. Bovendien bewijst de inschrijving
geenszins dat de schuldvordering nog bestaat, noch
dat de bezwaarde goederen effectief voorhanden zijn.
Ook vormt de vereiste van betaling van retributie een
voldoende drempel. De personen die het pandregister
raadplegen zijn traceerbaar. Eventuele misbruiken kun-
nen worden gesanctioneerd. Men moet inderdaad in
herinnering brengen dat, krachtens artikel 34 van de wet
van 11 juli 2013, dat het artikel 28 “Kosten” invoert, de
raadpleging van het pandregister aanleiding kan geven
tot de betaling van een retributie waarvan het bedrag
door de Koning wordt bepaald, behalve voor de pandge-
ver en voor de categorieën van personen of instellingen
die de Koning heeft bepaald na advies van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. In
navolging van de bestaande publiciteitssystemen, waarin
iedere persoon toegang kan hebben tot de gegevens die
erin worden vermeld, aangezien dit precies de functie
van de publiciteit is, maar die de afgifte van een gegeven
afhankelijk stellen van de voorafgaande betaling van
een geldbedrag, lijkt het aangewezen een zelfde wijze
van functioneren toe te passen bij het pandregister. Een
dergelijke verplichting tot voorafgaande betaling alvorens
een bepaald gegeven te ontvangen draagt tevens bij aan
het vermijden van enig misbruik. Hiermee wordt dan ook
tegemoetgekomen aan de opmerking van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in
haar advies nr. 19/2016 dat de “mogelijke raadpleging
door eenieder te ruim is”.
Een dergelijk modern register is een noodzakelijke
voorwaarde voor het bereiken van de economische
doelstellingen van de wet. In het buitenland is gebleken
dat registers die gemakkelijk en tegen een lage kostprijs
toegankelijk zijn, uiteindelijk leiden tot meer transacties
wat bevorderlijk is voor de economische activiteit. Ook
leiden zij tot meer opbrengsten voor de overheid.
Art. 17-18
Het toekomstig artikel 35, titel XII, boek III, Burgerlijk
Wetboek, wordt aangevuld met technische verduidelij-
kingen voor de goede werking van vernieuwingen van
registraties.
l’accès libre à certaines catégories de créanciers aboutit
à une inégalité de traitement entre les créanciers. Elle
est difficilement justifiable et entraîne donc des distor-
sions de concurrence. Nous pouvons en outre constater
que les registres des hypothèques sont également
consultables par tous.
Le présent article modifie cette disposition et permet
à tout un chacun d’accéder au registre des gages.
Les données conservées dans le registre des gages
sont au demeurant minimes. Par ailleurs, l’inscription
ne prouve nullement que la créance existe encore ou
que les biens grevés sont effectivement disponibles.
L’exigence de paiement d’une redevance constitue
également un seuil suffisant. Les personnes qui
consultent le registre des gages sont traçables. Les
éventuels abus peuvent être sanctionnés. Il faut, en
effet, rappeler qu’en vertu de l’article 34 de la loi du
11 juillet 2013, insérant l’article 28 “Frais”, la consultation
du registre des gages peut donner lieu au paiement
d’une redevance dont le montant est fixé par le Roi,
sauf pour le constituant du gage et pour les catégories
de personnes ou d’institutions déterminées par le Roi
après avis de la Commission de la protection de la vie
privée. A l’instar des systèmes de publicité existants,
dans lesquels toute personne peut avoir accès aux
informations qui y sont contenues, puisque tel est
précisément la fonction de la publicité, mais qui subor-
donnent la délivrance d’une information au payement
préalable d’une somme d’argent, il semble approprié
qu’un même fonctionnement puisse être appliqué au
registre des gages. Une telle obligation d’effectuer un
payement avant d’obtenir une information déterminée
contribuera également à prévenir tout abus. De cette
manière, l’on prend également en compte l’observation
de la Commission de la protection de la vie privée dans
son avis n° 19/2016 selon laquelle “une consultation
possible par toute personne est trop large”.
Un tel registre moderne est une condition nécessaire
pour atteindre les objectifs économiques de la loi. À
l’étranger, il s’est avéré que des registres facilement
accessibles, à un prix abordable, aboutissent finalement
à davantage de transactions, ce qui est favorable à l’acti-
vité économique. Ils entraînent également davantage de
recettes pour l’État.
Art. 17-18
Le futur article 35 du titre XII du livre III du Code
civil est complété par des précisions techniques en
vue du bon fonctionnement des renouvellements
d’enregistrements.
15
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Het toekomstig artikel 36, titel XVII, boek III, Burgerlijk
Wetboek, wordt aangepast met technische verduidelij-
kingen voor de goede werking van verwijderingen van
registraties.
Wanneer art. 17 aangeeft dat de vernieuwing “ge-
heel” is, dan wordt de oorspronkelijke registratie in zijn
oorspronkelijke versie (max. bedrag, gewaarborgde
schuldvordering en bezwaarde goederen) onveranderd
“bevestigd” voor een nieuwe termijn van 10 jaar. De ver-
nieuwing is “gedeeltelijk” indien één van de geciteerde
elementen gewijzigd wordt doordat het max. bedrag
verlaagd wordt, de gewaarborgde schuldvordering
gereduceerd wordt en/of de bezwaarde goederen be-
perkter worden. Deze “gedeeltelijke” vernieuwing komt
technisch gesproken dan overeen met een “gedeel-
telijke” verwijdering van de oorspronkelijke registratie
(toekomstig art. 36). Het is dit wat bedoeld werd in
toekomstig art. 35. Wat men wil vermijden is dat men bij
de vernieuwing twee maal zou moeten betalen: éénmaal
voor de vernieuwing en eenmaal voor de gedeeltelijke
‘verwijdering’, bijvoorbeeld doordat het pand ondertus-
sen vrijgegeven werd voor bepaalde goederen.
Wat het voorstel van de Raad van State betreft, om
van de mogelijkheid tot gedeeltelijke verwijdering zoals
bedoeld in het ontworpen artikel 36, § 2, een verplich-
ting te maken, kan worden opgemerkt dat dit praktisch
onhaalbaar is. Niet alleen zou dit leiden tot hogere
kosten, waardoor de doelstellingen van deze wet (het
stimuleren van kredieten) zou worden miskend, maar
dit zou tevens als onrealistisch gevolg hebben dat de
pandhouder wordt verplicht tot een gedeeltelijke ver-
wijdering telkens de gewaarborgde schuld vermindert.
Denk bijvoorbeeld aan een inversteringskrediet of ‘alle
sommen’ pandrecht. Het is trouwens een misvatting te
veronderstellen dat het pandregister op ieder tijdstip
exact de getrouwe weergave dient te zijn van de werke-
lijke toestand. Dit is in de praktijk niet mogelijk, noch wat
de schuldvorderingen betreft, noch wat de bezwaarde
goederen betreft.
Art. 19
Het toekomstig artikel 37, titel XVII, boek III, Burgerlijk
Wetboek, wordt aangevuld om te verduidelijken dat de
identiteit van de overnemer eveneens wordt meegege-
ven bij een raadpleging van de registratie.
Art. 20
Het toekomstig artikel 38, titel XVII, boek III,
Burgerlijk Wetboek, wordt aangevuld met technische
Le futur article 36 du titre XVII du livre III du Code civil
est complété par des précisions techniques en vue du
bon fonctionnement des radiations d’enregistrements.
Quand l’art. 17 précise que le renouvellement est
“total”, cela signifie que l’enregistrement initial est
confirmé dans sa version initiale (montant maximum,
créance garantie et biens donnés en gage) pour un
nouveau délai de 10 ans. Le renouvellement est “partiel”
si un des éléments cités est modifié en raison d’une
diminution du montant maximum, d’une réduction de
la créance garantie, et/ou d’une limitation des biens
données en gage. Ce renouvellement “partiel” corres-
pond techniquement parlant à la radiation “partielle”
de l’enregistrement initial (futur art. 36). C’est ce qui
est prévu dans le futur art. 35. Ce que l’on veut éviter,
c’est que l’on doit soit contraint de payer deux fois lors
du renouvellement: une fois pour le renouvellement, et
une fois pour la radiation “partielle”, par exemple parce
que le gage a entre-temps été levé pour certains biens.
En ce qui concerne la proposition du Conseil d’État
de faire une obligation de la faculté de radiation partielle,
prévue dans l’art. 36, § 2 du projet, force est de constater
qu’elle est impossible à mettre en place dans la pratique.
Cela mènerait non seulement à des coûts plus élevés,
ce qui méconnaitrait les objectifs poursuivis par cette
loi (stimuler les crédits), mais aurait également pour
conséquence irréaliste d’obliger le créancier-gagiste
à procéder à une radiation partielle chaque fois que la
dette garantie diminue. On peut penser, par exemple,
à un crédit d’investissement ou un gage ‘pour toutes
les sommes’. C’est en outre une erreur de considérer
que le registre des gages doit être à chaque instant
le reflet exact de la situation concrète. Cela n’est pas
possible dans la pratique, ni pour les créances, ni pour
les biens gagés.
Art. 19
Le futur article 37 du titre XVII du livre III du Code
civil est complété afin de préciser que l’identité du
cessionnaire est également communiquée lors de la
consultation de l’enregistrement.
Art. 20
Le futur article 38 du titre XVII du livre III du Code
civil est complété par des précisions techniques pour
16
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
verduidelijkingen voor de registratie en raadplegingen
daarvan omtrent een rangafstand.
Art. 21
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consu-
mentenbescherming dient thans verwezen te worden
naar de definitie van “consument” in artikel I, 1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht.
Art. 22
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consu-
mentenbescherming dient thans verwezen te worden
naar de definitie van “consument” in artikel I, 1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht.
Art. 23
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consu-
mentenbescherming dient thans verwezen te worden
naar de definitie van “consument” in artikel I, 1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht.
Art. 24
Het systeem van de wet is gericht op een doeltreffen-
de en economische verantwoorde wijze van uitwinning.
Ter bescherming van de pandgever wordt voorzien in
een rechterlijke controle. Na de voltooiing van de uitwin-
ning kan iedere belanghebbende partij zich wenden tot
de rechter over de wijze van uitwinning of de aanwending
van de opdracht.
Het spreekt voor zich dat een dergelijke betwisting op
korte termijn bij de rechter dient te worden aangebracht.
Een lange periode van onzekerheid is ongewenst en
kan er toe leiden dat de partijen in bewijsmoeilijkheden
geraken. De huidige termijn van een jaar is daarom te
lang. De wet dient de partijen aan te sporen om zonder
verwijl te beslissen of zij een gerechtelijke procedure
wensen op te starten. Een termijn van een maand vol-
staat hiertoe ruimschoots.
Voor de andere belanghebbenden, waaraan de uit-
winning niet zal worden betekend zoals voorzien in het
tweede lid van het toekomstig artikel 56, wordt voorzien
in een termijn van drie maanden vanaf het einde van
de uitwinning.
l’enregistrement et les consultations en ce qui concerne
la cession de rang.
Art. 21
À la suite de l’abrogation de la loi du 6 avril 2010 re-
lative aux pratiques du marché et à la protection du
consommateur, il convient de renvoyer à présent à la
définition de “consommateur” énoncée à l’article I, 1,
2°, du livre Ier du Code de droit économique.
Art. 22
À la suite de l’abrogation de la loi du 6 avril 2010 re-
lative aux pratiques du marché et à la protection du
consommateur, il convient à présent de renvoyer à la
définition de “consommateur” énoncée à l’article I, 1,
2°, du livre Ier du Code de droit économique.
Art. 23
À la suite de l’abrogation de la loi du 6 avril 2010 re-
lative aux pratiques du marché et à la protection du
consommateur, il convient de renvoyer à présent à la
définition de “consommateur” énoncée à l’article I, 1,
2°, du livre Ier du Code de droit économique.
Art. 24
Le système de la loi est axé sur un mode de réalisa-
tion efficace et économiquement justifié. Un contrôle
judiciaire est prévu afin de protéger le constituant du
gage. Au terme de la réalisation, toute partie intéressée
peut saisir le juge sur le mode de réalisation ou sur
l’affectation du produit.
Il va de soi qu’une telle contestation doit être por-
tée devant le juge à court terme. Une longue période
d’incertitude n’est pas souhaitable et peut entraîner
des difficultés pour les parties en matière de preuve.
Le délai actuel d’un an s’avère dès lors trop long. La
loi doit inciter les parties à décider sans délai si elles
souhaitent entamer une procédure judiciaire. À cet effet,
un délai d’un mois suffit amplement.
Pour les autres intéressés, à qui la réalisation n’est
pas notifiée au sens de l’alinéa 2 du futur article 56,
un délai de trois mois à partir de la fin de la réalisation
est prévu.
17
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 25
Art. 5 van het ontwerp definieert het pandrecht reeds
als het recht om bij voorrang boven de andere schuld-
eisers betaald te worden uit de bezwaarde goederen,
zodat de huidige tekst overbodig is. Omgekeerd is de
bepaling ook onjuist, omdat de voorrang gezien het
anterioriteitsbeginsel enkel voorrang boven jongere
rechten betreft. De hier voorgestelde tekst is dan ook
veel correcter. De verwijzing naar art. 23 is verwarrend,
omdat die de indruk geeft dat de pandhouder slechts
voorrang zou kunnen hebben als de pandhouder bezit-
ter is in de zin van art. 2279 B.W. (de vervoerder in art.
23 Hypotheekwet is immers maar bevoorrecht indien
hij bezitter is), wat niet de bedoeling kan zijn, temeer
aangezien daarnaast art. 58 aan de verkoper ‘super-
voorrang” geeft. De verwijzing naar art. 23 en 25 wordt
bovendien zonder voorwerp ingevolge de hieronder
voorgestelde wijzigingen van die bepalingen. Deze zijn
mede het gevolg van het feit dat de cassatierechtspraak
een coherent geheel van regels heeft uitgevaardigd,
waarbij de regel van artikel 2279 BW systematisch en
coherent wordt toegepast op elke bezitter die een zaak
ten titel van zekerheid bezit, ongeacht of het om een
pandrecht, een bijzonder voorrecht of een retentierecht
gaat, zodat het oudere recht op de zaak voorrang heeft
tenzij de jongere gerechtigde te goeder trouw in het
bezit is gekomen.
Art. 26
De bepalingen van de afdeling 7 handelen niet
enkel over tegenwerpelijkheid, maar ook over bewijs
van de pandovereenkomst, conversie van de fiduciaire
cessie, pandrecht op toekomstige schuldvorderingen,
uitwerking van een cessieverbod, voorwerp van hat
pandrecht op schuldvorderingen. Het huidig opschrift
dekt de lading dus niet.
Art. 27
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consu-
mentenbescherming dient thans verwezen te worden
naar de definitie van “consument” in artikel I, 1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht.
Art. 28
In aansluiting met het bestaande recht bepaalt het
toekomstig artikel 62 van titel XVII, boek III, van het
Burgerlijk Wetboek, zoals het zou worden ingevoerd
door de wet van 11 juli 2013, dat een overdracht tot
Art. 25
L’art. 5 du projet définit déjà le droit de gage comme
le droit d’être payé sur les biens qui en font l’objet,
par préférence aux autres créanciers, de sorte que le
texte actuel est superflu. À l’inverse, la disposition est
également inexacte dans la mesure où, vu le principe
d’antériorité, la préférence ne concerne que la préfé-
rence par rapport à des droits postérieurs. Le texte
proposé ici est dès lors bien plus correct. Le renvoi
à l’art. 23 prête à confusion car il donne l’impression
que le créancier gagiste ne pourrait être préféré que
s’il est possesseur au sens de l’art. 2279 du Code civil
(le voiturier visé à l’art. 23 de la loi hypothécaire n’est
en effet privilégié que s’il est possesseur), ce qui ne
saurait être l’intention poursuivie, l’art. 58 accordant
par ailleurs une superpriorité au vendeur. Le renvoi
aux art. 23 et 25 devient en outre sans objet du fait des
modifications à ces dispositions proposées ci-après.
Celles-ci découlent notamment du fait que la jurispru-
dence de cassation a élaboré un ensemble de règles
cohérent, la règle de l’article 2279 du Code civil étant
appliquée de façon systématique et cohérente à tout
possesseur détenant une chose à titre de sûreté, qu’il
s’agisse d’un droit de gage, d’un privilège spécial ou
d’un droit de rétention, de sorte que le droit antérieur
sur la chose prime sauf si l’ayant droit postérieur est
entré en possession de bonne foi.
Art. 26
Les dispositions de la section 7 concernent non
seulement l’opposabilité, mais également la preuve
de la convention de gage, la conversion de la cession
fiduciaire, le droit de gage sur des créances futures, les
effets d’une interdiction de cession, l’objet du droit de
gage sur des créances. L’intitulé actuel ne correspond
donc pas au contenu.
Art. 27
À la suite de l’abrogation de la loi du 6 avril 2010 re-
lative aux pratiques du marché et à la protection du
consommateur, il convient de renvoyer à présent à la
définition de “consommateur” énoncée à l’article I, 1,
2°, du livre Ier du Code de droit économique.
Art. 28
Conformément au droit existant, le futur article 62 du
titre XVII du livre III du Code civil, tel qu’il serait inséré
par la loi du 11 juillet 2013, dispose qu’une cession de
créance à titre de sûreté ne peut jamais conférer plus
18
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
zekerheid van een schuldvordering tegenover derden
nooit meer kan opleveren dan een pandrecht. De vraag
rijst of dergelijke conversie van een cessie in een pand-
recht mogelijk is, indien de overeenkomst niet voldoet
aan de vereisten van de pandovereenkomst, zoals onder
meer bewijsvoorschriften.
Aangezien een cessie van schuldvordering (artikel
1690 van het Burgerlijk Wetboek) niet aan bijzondere
voorschriften is onderworpen en het niet steeds duide-
lijk is of een cessie tot zekerheid dan wel in eigendom
gebeurt (en vaak uiteindelijk door de rechter zal worden
beslist), verdient het de voorkeur om cessies niet aan
de vereisten van de wet te onderwerpen. Hierop wordt
enkel uitzondering gemaakt wanneer de overdrager
een consument is.
Art. 29
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consu-
mentenbescherming dient thans verwezen te worden
naar de definitie van “consument” in artikel I, 1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht.
Art. 30
Art. 23, zoals ingevoegd door artikel 28 van de wet
van 11 juli 2013, bepaalt in lid 1 dat bij overdracht/
overgang van de gewaarborgde schuldvordering het
pandrecht mee overgaat. Een vergelijkbare bepaling
ontbreekt bij eigendomsvoorbehoud en moet daar ook
gelden.
Art. 31
De artikelen 41 en 42 van voorliggende tekst wijzigen
dezelfde bepalingen van de wet van 15 december 2004
betreffende de financiële zekerheden en houdende
diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheids-
overeenkomsten en leningen met betrekking tot finan-
ciële instrumenten, als het artikel 97 van de wet van
11 juli 2013. Daarom wordt het laatstgenoemde artikel
hier opgeheven.
Art. 32
Het artikel 51 van voorliggende tekst wijzigt dezelfde
bepaling van de wet van 3 augustus 2012 betreffende
diverse maatregelen ter vergemakkelijking van de mo-
bilisering van schuldvorderingen in de financiële sector,
qu’un gage à l’égard des tiers. La question se pose de
savoir si une telle conversion d’une cession en un gage
est possible lorsque la convention ne répond pas aux
conditions de la convention de gage, telles notamment
les prescriptions en matière de preuve.
Vu qu’une cession de créance (article 1690 du Code
civil) n’est soumise à aucune prescription particulière
et qu’il n’est pas toujours évident de savoir si une
cession se fait à titre de sûreté ou en propriété (et que
la décision reviendra souvent finalement au juge), il
est préférable de ne pas soumettre les cessions aux
exigences de la loi. Seule exception: lorsque le cédant
est un consommateur.
Art. 29
À la suite de l’abrogation de la loi du 6 avril 2010 re-
lative aux pratiques du marché et à la protection du
consommateur, il convient de renvoyer à présent à la
définition de “consommateur” énoncée à l’article I, 1,
2°, du livre Ier du Code de droit économique.
Art. 30
L’art. 23, tel qu’inséré par l’article 28 de la loi du
11 juillet 2013, dispose en son alinéa 1er qu’en cas de
cession/transmission de la créance garantie, le droit
de gage est également transmis. Une disposition com-
parable fait défaut pour la réserve de propriété et doit
également s’appliquer dans ce cas.
Art. 31
Les articles 41 et 42 du présent texte modifient les
mêmes dispositions de la loi du 15 décembre 2004
relative aux sûretés financières et portant des dispo-
sitions fiscales diverses en matière de conventions
constitutives de sûreté réelle et de prêts portant sur
des instruments financiers, que l’article 97 de la loi du
11 juillet 2013. C’est la raison pour laquelle ce dernier
article est abrogé.
Art. 32
L’article 51 du présent texte modifie la même dispo-
sition de la loi du 3 août 2012 relative à des mesures
diverses pour faciliter la mobilisation de créances dans
le secteur financier, que l’article 98 de la loi du 11 juillet
19
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
als het artikel 98 van de wet van 11 juli 2013. Daarom
wordt het laatstgenoemde artikel hier opgeheven.
Art. 33
Het artikel 99 van de wet van 11 juli 2013 is ondoelma-
tig geworden doordat het artikel waarop het betrekking
heeft, nl. art. 23 van de wet van 3 augustus 2012 be-
treffende de instellingen voor collectieve belegging die
voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG
en de instellingen voor belegging in schuldvorderin-
gen, werd opgeheven door artikel 427 van de wet van
19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen
voor collectieve belegging en hun beheerders. Bijgevolg
wordt dit artikel 99 hier opgeheven.
Art. 34
In de overgangsbepalingen van de wet van 11 juli
2013 is thans voorzien in de mogelijkheid dat bestaande
inschrijvingen van het landbouwvoorrecht, ingeschreven
overeenkomstig de wet van 15 april 1884 betreffende
de landbouwleningen, met behoud van rang kunnen
geregistreerd worden in het pandregister, voor zover
dit gebeurt binnen een periode van twaalf maanden na
inwerkingtreding van de wet.
Voor bestaande inschrijvingen die echter niet of, in
de loop van de overgangsfase, nog niet geregistreerd
werden in het pandregister, moet de mogelijkheid blijven
bestaan om die door te halen in de registers van het
kantoor van registratie waar die werden ingeschreven.
Deze mogelijkheid werd ingeschreven in artikel 107,
nieuwe § 2, tweede lid.
Tevens is in de overgangsbepalingen van de wet
van 11 juli 2013 thans voorzien in de mogelijkheid dat
bestaande pandinschrijvingen op de handelszaak,
genomen krachtens de wet van 25 oktober 1919, met
behoud van rang kunnen geregistreerd worden in het
pandregister, voor zover dit gebeurt binnen een periode
van twaalf maanden na de inwerkingtreding van de wet.
Voor bestaande inschrijvingen die echter niet of, in
de loop van de overgangsfase, nog niet geregistreerd
werden in het pandregister moet de mogelijkheid blij-
ven bestaan om die door te halen in de registers van
de hypotheekkantoren waar die werden ingeschreven.
2013. C’est la raison pour laquelle ce dernier article est
abrogé.
Art. 33
L’article 99 de la loi du 11 juillet 2013 est devenu ineffi-
cient car l’article sur lequel il porte, en l’occurrence l’ar-
ticle 23 de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes
de placement collectif qui répondent aux conditions de
la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement
en créances, a été abrogé par l’article 427 de la loi du
19 avril 2014 relative aux organismes de placement
collectif alternatifs et à leurs gestionnaires. Cet article
99 est par conséquent abrogé.
Art. 34
Les dispositions transitoires de la loi du 11 juillet 2013
prévoient actuellement la possibilité pour les inscriptions
existantes du privilège agricole, inscrites conformément
à la loi du 15 avril 1884 sur les prêts agricoles, d’être
enregistrées dans le registre des gages avec maintien
de rang pour autant que cela ait lieu dans une période
de douze mois après l’entrée en vigueur de la loi.
En ce qui concerne les inscriptions existantes qui
n’ont toutefois pas ou, dans le courant de la phase
transitoire, pas encore été enregistrées dans le registre
des gages, il doit demeurer possible de les radier des
registres du bureau de l’enregistrement où elles avaient
été inscrites.
Cette possibilité a été inscrite dans l’article 107, nou-
veau paragraphe 2, alinéa 2.
En outre, les dispositions transitoires de la loi du
11 juillet 2013 prévoient actuellement la possibilité
d’enregistrer dans le registre des gages, avec main-
tien de rang, les inscriptions existantes de gages sur
le fonds de commerce prises conformément à la loi
du 25 octobre 1919 pour autant que cela ait lieu dans
une période de douze mois après l’entrée en vigueur
de la loi.
En ce qui concerne les inscriptions existantes qui
n’ont toutefois pas ou, dans le courant de la phase
transitoire, pas encore été enregistrées dans le registre
des gages, il doit demeurer possible de les radier des
registres des bureaux de l’enregistrement où elles
avaient été inscrites.
20
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Deze mogelijkheid werd ingeschreven in artikel 107,
nieuwe § 1, tweede lid.
De nieuwe paragraaf 3, eerste en tweede lid, bevat
technische regels voor de adequate registratie van
panden op de handelszaak of landbouwvoorrechten in
het kader van de reeds voorziene overgangsregeling
voor die bestaande zekerheden.
Onder de wet van 11 juli 2013 kan een pandrecht
op onlichamelijke goederen andere dan schuldvor-
deringen enkel worden gevestigd door middel van
registratie. De overgangsbepalingen dienen te worden
aangevuld zodat deze wet geen afbreuk doet aan de
pandrechten die onder het oude regime rechtsgeldig
op dergelijke goederen werden gevestigd. Artikel
107 van de wet van 11 juli 2013 bevat reeds soortgelijke
overgangsregelingen voor andere pandrechten zoals
de warrant. Voor panden op financiële instrumenten,
contanten en bankvorderingen worden pandrechten in
de toekomst uitsluitend gevestigd overeenkomstig de
wet van 15 december 2004 betreffende de financiële
zekerheden. Waardepapieren aan order of aan toonder
dienen te worden behandeld als lichamelijke roerende
goederen.
Art. 35
Deze overgangsbepalingen, die door een vergetel-
heid niet werden voorzien in de wet van 11 juli 2013,
geven een grondslag aan de bevoegdheden van hypo-
theekbewaarders en ontvangers van registratierechten
voor handelingen met betrekking tot de oude inschrij-
vingen op de handelszaak of voor landbouwleningen
tijdens de overgangsperiode van 12 maanden.
Art. 36
Dit artikel wijzigt de datum van inwerkingtreding van
de wet van 11 juli 2013, zoals hoger uiteengezet.
Cette possibilité avait été inscrite dans l’article 107,
nouveau paragraphe 1er, alinéa 2.
Le nouveau paragraphe 3, alinéas 1er et 2, contient
des règles techniques pour l’enregistrement adéquat de
gages sur le fonds de commerce ou sur les privilèges
agricoles dans le cadre du régime transitoire déjà prévu
pour ces sûretés existantes.
Conformément à la loi du 11 juillet 2013, un gage
sur des biens incorporels autres que des créances
peut être constitué uniquement au moyen d’un enre-
gistrement. Les dispositions transitoires doivent être
complétées afin que cette loi ne porte pas atteinte aux
gages qui avaient été valablement constitués sur de
tels biens dans l’ancien régime. L’article 107 de la loi du
11 juillet 2013 contient déjà des dispositions transitoires
analogues pour d’autres gages tels que le warrant. En
ce qui concerne les gages sur des instruments finan-
ciers, des espèces et des créances bancaires, les gages
seront à l’avenir exclusivement constitués conformé-
ment à la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés
financières. Les titres à ordre ou au porteur doivent être
traités comme des biens mobiliers corporels.
Art. 35
Ces dispositions transitoires, qui n’avaient pas été
prévues dans la loi du 11 juillet 2013 en raison d’un oubli,
confèrent une base aux compétences des conserva-
teurs des hypothèques et receveurs de l’enregistrement
pour les actes relatifs aux anciennes inscriptions sur
le fonds de commerce ou les prêts agricoles durant la
période transitoire de 12 mois.
Art. 36
Cet article modifie la date d’entrée en vigueur de la
loi du 11 juillet 2013, comme expliqué plus haut.
21
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen aan de wet van 15 december 2004
betreffende financiële zekerheden en houdende
diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen met
betrekking tot financiële instrumenten
Art. 37
Dit artikel brengt enkele wijzigingen aan, teneinde de
kruisverwijzingen in de wet van 15 december 2004 in
overeenstemming te brengen met nieuwe wetgeving.
Ten eerste dient ten gevolge van de opheffing van
de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het
toezicht op de kredietinstellingen thans verwezen te
worden naar de definitie van “kredietinstelling” in de wet
van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op
de kredietinstellingen.
Ten tweede dient ten gevolge van de opheffing van
de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet
thans verwezen te worden naar de hypotheekonderne-
mingen in de zin van boek VII, titel 4, hoofdstuk 2 van
het Wetboek van economisch recht.
Ten derde dient ten gevolge van de opheffing van de
wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet thans
verwezen te worden naar artikel I.9, 39° van het Wetboek
van economisch recht.
Ten vierde dient ten gevolge van de opheffing van
de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen
van collectief beheer van beleggingsportefeuilles thans
verwezen te worden naar de beheervennootschap van
instellingen voor collectieve belegging in de zin van
Deel 3 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de
instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan
de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instel-
lingen voor belegging in schuldvorderingen.
Art. 38
Dit artikel wijzigt paragraaf 1 van artikel 4 van de wet
van 15 december 2004. Deze wijziging wordt doorge-
voerd ter compensatie van de uitsluiting van de mogelijk-
heid van een registerpand op portefeuilles van financiële
instrumenten, zodanig dat ook voor dergelijke panden
het onderpand dynamisch kan zijn in de mate dat de
pandhouder hiermee akkoord gaat. Zij komt tegemoet
aan de behoeften van de praktijk.
Conform de rechtsleer terzake wordt verduidelijkt dat
voor financiële instrumenten die niet de vorm aannemen
CHAPITRE 3
Modifications de la loi du 15 décembre 2004
relative aux sûretés financières et portant des
dispositions fiscales diverses en matière de
conventions constitutives de sûreté réelle et de
prêts portant sur des instruments financiers
Art. 37
Cet article apporte quelques modifications afin de
mettre les renvois dans la loi du 15 décembre 2004 en
conformité avec la nouvelle législation.
Premièrement, à la suite de l’abrogation de la loi du
22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des éta-
blissements de crédit, il convient à présent de renvoyer
à la définition d’”établissement de crédit” figurant dans
la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle
des établissements de crédit.
Deuxièmement, à la suite de l’abrogation de la loi du
4 août 1992 relative au crédit hypothécaire, il convient
à présent de renvoyer aux entreprises de crédit hypo-
thécaire au sens du livre VII, titre 4, chapitre 2, du Code
de droit économique.
Troisièmement, à la suite de l’abrogation de la loi
du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation,
il convient à présent de renvoyer à l’article I.9, 39°, du
Code de droit économique.
Quatrièmement, à la suite de l’abrogation de la loi
du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de gestion
collective de portefeuilles d’investissement, il convient
à présent de renvoyer à la société de gestion d’orga-
nismes de placement collectif au sens de la partie
3 de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de
placement collectif qui répondent aux conditions de la
Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement
en créances.
Art. 38
Cet article modifie le paragraphe 1er de l’article 4 de
la loi du mercredi 15 décembre 2004. Cette modifica-
tion est apportée afin de compenser l’exclusion de la
possibilité d’un gage de registre sur des portefeuilles
d’instruments financiers, de sorte que pour de tels
gages également le gage puisse être dynamique dans la
mesure où le créancier gagiste y consent. Cela répond
aux besoins de la pratique.
Conformément à la doctrine en la matière, il est précisé
que les instruments financiers qui ne se présentent pas
22
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
van waardepapieren of effecten, dezelfde vereisten
gelden als voor bankvorderingen.
Art. 39
Dit artikel brengt enkele wijzigingen aan, teneinde de
kruisverwijzingen in de wet van 15 december 2004 in
overeenstemming te brengen met nieuwe wetgeving.
Ten eerste dient ten gevolge van de opheffing van de
wet betreffende het hypothecair krediet thans verwezen
te worden naar de Hypotheekwet van 16 december 1851.
Ten tweede dient ten gevolge van de opheffing van
de wet betreffende het consumentenkrediet thans ver-
wezen te worden naar boek VII van het Wetboek van
economisch recht.
Ten derde dient ten gevolge van de opheffing van de
wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en
consumentenbescherming thans verwezen te worden
naar boek VI van het Wetboek van economisch recht.
Art. 40
Dit artikel past de bewoordingen van artikel 5 van
de wet van 15 december 2004 aan aan de wet van
11 juli 2013 betreffende de zakelijke zekerheden op
roerende goederen.
Art. 41
Dit artikel vervangt artikel 7 van de wet van
15 december 2004 op dergelijke wijze dat pandrechten
op financiële instrumenten, contanten en bankvorde-
ringen uitsluitend worden gevestigd overeenkomstig
deze wet met uitsluiting van de bepalingen van titel
XVII, boek III van het Burgerlijk Wetboek, zoals dit zou
worden gewijzigd door de wet van 11 juli 2013, tenzij in
de mate dat dit artikel 7 naar bepalingen van die titel
verwijst. De bedoeling van de wetgever van de wet van
11 juli 2013 inzake roerende zekerheden was immers dat
die wetgeving de wet van 15 december 2004 onverlet
zou laten. Deze bedoeling wordt nu via de aanpassing
van artikel 7 volledig gerealiseerd.
Art. 42
Ten gevolge van de opheffing van artikel 2075,
tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek dient verwezen
te worden naar artikel 60, tweede lid, van titel XVII, boek
III van het Burgerlijk Wetboek.
sous la forme de titres ou de valeurs mobilières sont sou-
mis aux mêmes exigences que les créances bancaires.
Art. 39
Cet article apporte quelques modifications afin de
mettre les renvois dans la loi du 15 décembre 2004 en
conformité avec la nouvelle législation.
Premièrement, à la suite de l’abrogation de la loi
relative au crédit hypothécaire, il convient à présent de
renvoyer à la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.
Deuxièmement, à la suite de l’abrogation de la loi re-
lative au crédit à la consommation, il convient à présent
de renvoyer au livre VII du Code de droit économique.
Troisièmement, à la suite de l’abrogation de la loi
du 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché et à
la protection du consommateur, il convient à présent
de renvoyer au livre VI du Code de droit économique.
Art. 40
Cet article adapte la formulation de l’article 5 de la loi
du 15 décembre 2004 à la loi du 11 juillet 2013 concer-
nant les sûretés réelles mobilières.
Art. 41
Cet article remplace l’article 7 de la loi du 15 décembre
2004 de manière à ce que les gages sur des instruments
financiers, des espèces ou des créances bancaires
soient exclusivement constitués conformément à
cette loi, hormis les dispositions du titre XVII, livre III,
du Code civil, comme modifié par la loi du 11 juillet
2013, sauf si cet article 7 renvoie à des dispositions
de ce titre. En effet, l’intention du législateur de la loi
du 11 juillet 2013 concernant les sûretés réelles mobi-
lières était que cette législation n’affecte pas la loi du
15 décembre 2004. Cet objectif est à présent entière-
ment atteint au travers de l’adaptation de l’article 7.
Art. 42
À la suite de l’abrogation de l’article 2075, alinéa 2,
du Code civil, il convient de renvoyer à l’article 60, alinéa
2, titre XVII, livre III, du Code civil.
23
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 43
Dit artikel behoeft geen verdere commentaar.
Art. 44 en 45
Gelet op de uitsluiting van de bepalingen van boek
III, titel XVII van het Burgerlijk Wetboek voor financiële
instrumenten, contanten en bankvorderingen (zie artikel
42) dient verwezen te worden naar de artikelen 7 tot en
met 10 van deze wet.
Art. 46
Door de invoeging van bijkomende paragrafen in
artikel 7 van de wet van 15 december 2004 wordt pa-
ragraaf 2 hernummerd als paragraaf 5. In plaats van
te verwijzen naar artikel 7, § 2 moet hier dus worden
verwezen naar artikel 7, § 5.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen aan de wet van 3 augustus 2012
betreffende diverse maatregelen ter
vergemakkelijking van de mobilisering van
schuldvorderingen in de financiële sector
Art. 47
Dit artikel voert verschillende wijzigingen door in
artikel 2 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende
diverse maatregelen ter vergemakkelijking van de mo-
bilisering van schuldvorderingen in de financiële sector.
Ten eerste dient ten gevolge van de opheffing van
de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen
van collectief beheer van beleggingsportefeuilles thans
verwezen te worden naar artikel 108 van de wet van
3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor col-
lectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging
in schuldvorderingen.
Ten tweede dient ten gevolge van de opheffing van de
wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht
op de kredietinstellingen thans verwezen te worden naar
de wet van 25 april 2014 inzake het statuut van en het
toezicht op de kredietinstellingen.
Ten derde voegt dit artikel twee bepalingen in in
artikel 2 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende
diverse maatregelen ter vergemakkelijking van de mo-
bilisering van schuldvorderingen in de financiële sector,
Art. 43
Cet article n’appelle pas d’autre commentaire.
Artt. 44 et 45
Compte tenu de l’exclusion des dispositions du
livre III, titre XVII, du Code civil pour les instruments
financiers, les espèces et les créances bancaires (voir
article 42), il convient de renvoyer aux articles 7 à 10 de
cette loi.
Art. 46
En raison de l’ajout de paragraphes supplémentaires
dans l’article 7 de la loi du 15 décembre 2004, le para-
graphe 2 est renuméroté en paragraphe 5. Au lieu de
renvoyer à l’article 7, § 2, il convient donc de renvoyer
à l’article 7, § 5.
CHAPITRE 4
Modifications de la loi du 3 août 2012
relative à des mesures diverses pour
faciliter la mobilisation de créances
dans le secteur financier
Art. 47
Cet article apporte diverses modifications à l’article
2 de la loi du 3 août 2012 relative à des mesures diverses
pour faciliter la mobilisation de créances dans le secteur
financier.
Premièrement, à la suite de l’abrogation de la loi
du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de ges-
tion collective de portefeuilles d’investissement, il
convient à présent de renvoyer à l’article 108 de la loi
du 3 août 2012 relative aux organismes de placement
collectif qui répondent aux conditions de la Directive
2009/65/CE et aux organismes de placement en
créances.
Deuxièmement, à la suite de l’abrogation de la loi du
22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des éta-
blissements de crédit, il convient à présent de renvoyer
à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle
des établissements de crédit.
Troisièmement, cet article insère deux dispositions
dans l’article 2 de la loi du 3 août 2012 relative à des me-
sures diverses pour faciliter la mobilisation de créances
dans le secteur financier, à la suite de la réalisation de la
24
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
ten gevolge van de totstandkoming van de wet van
3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor col-
lectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in
schuldvorderingen en de totstandkoming van de wet van
11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat
de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft.
Art. 48
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
4 augustus 1992 op het hypothecair krediet dient thans
verwezen te worden naar een hypothecair mandaat of
een hypotheekbelofte in de zin van artikel 81ter van de
Hypotheekwet van 16 december 1851.
Art. 49
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
4 augustus 1992 op het hypothecair krediet dient thans
verwezen te worden naar de artikelen 81ter tot 81un-
decies van de Hypotheekwet van 16 december 1851.
Art. 50
Ten eerste dient gevolge de opheffing van de wet
van 22 maart 1993 op het statuut van en toezicht op
de kredietinstellingen thans verwezen te worden naar
artikel 4 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van
en toezicht op de kredietinstellingen.
Ten tweede dient ten gevolge de opheffing van de
wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet thans
verwezen te worden naar artikel VII.104 van het Wetboek
van economisch recht.
Art. 51
In artikel 7 worden paragraaf 1 en paragraaf 2 gewij-
zigd teneinde de kruisverwijzingen aan te passen aan
de nieuwe wetgeving.
Ten eerste dient ten gevolge van de opheffing van de
wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van
collectief beheer van beleggingsportefeuilles verwezen
te worden naar artikel 271/8 van de wet van 3 augustus
2012.
Ten tweede dient ten gevolge de opheffing van de
wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet thans
verwezen te worden naar artikel VII.103 van het Wetboek
van economisch recht.
loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement
collectif qui répondent aux conditions de la Directive
2009/65/CE et aux organismes de placement en
créances et de la loi du 11 juillet 2013 modifiant le Code
civil en ce qui concerne les sûretés réelles mobilières.
Art. 48
À la suite de l’abrogation de la loi du 4 août 1992 rela-
tive au crédit hypothécaire, il convient à présent de
renvoyer à un mandat hypothécaire ou à une promesse
d’hypothèque au sens de l’article 81ter de la loi hypo-
thécaire du 16 décembre 1851.
Art. 49
À la suite de l’abrogation de la loi du 4 août 1992 rela-
tive au crédit hypothécaire, il convient à présent de
renvoyer aux articles 81ter à 81undecies de la loi hypo-
thécaire du 16 décembre 1851.
Art. 50
Premièrement, à la suite de l’abrogation de la loi du
22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des éta-
blissements de crédit, il convient à présent de renvoyer
à l’article 4 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et
au contrôle des établissements de crédit.
Deuxièmement, à la suite de l’abrogation de la loi
du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation,
il convient à présent de renvoyer à l’article VII.104 du
Code de droit économique.
Art. 51
Dans l’article 7, les paragraphes 1er et 2 sont modifiés
afin d’adapter les renvois à la nouvelle législation.
Premièrement, à la suite de l’abrogation de la loi
du mardi 20 juillet 2004 relative à certaines formes de
gestion collective de portefeuilles d’investissement, il
convient de renvoyer à l’article 271/8 de la loi du 3 août
2012.
Deuxièmement, à la suite de l’abrogation de la loi
du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation,
il convient à présent de renvoyer à l’article VII.103 du
Code de droit économique.
25
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Ten derde dient ten gevolge de opheffing van de wet
van 15 april 1884 betreffende de landbouwleningen
thans verwezen te worden naar artikel 23, tweede lid
van de wet van 11 juli 2013.
Ten vierde moet de beperking worden opgeheven
wat betreft de partijen die in aanmerking komen als
pandhouder voor een pand op de handelszaak.
Tenslotte wordt verduidelijkt dat de bijzondere bepa-
lingen inzake een pand op de handelszaak van over-
eenkomstige toepassing zijn op alle registerpanden. De
bepalingen van § 3 van artikel 7 gelden voortaan dan
nog uitsluitend voor die panden op de handelszaak die
werden gevestigd in toepassing van de wetgeving van
1919 en voor zover deze in het kader van de overgangs-
maatregelen tijdelijk nog blijven bestaan.
Art. 52 en 53
Ten gevolge de opheffing van de wet van 22 maart
1993 op het statuut van en toezicht op de kredietinstel-
lingen dient thans verwezen te worden naar artikel 15,
§ 2 van bijlage III de wet van 25 april 2014 op het statuut
van en toezicht op de kredietinstellingen.
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen aan het Wetboek der
registratie-, hypotheek- en griffierechten
Art. 54-61
Deze artikelen passen het Wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten aan als gevolg van de
opheffing van de wet van 15 april 1884 betreffende de
landbouwleningen, en het eerste hoofdstuk, dat de arti-
kelen 1 tot 12 bevat, van de wet van 25 oktober 1919 be-
treffende het in pand geven van de handelszaak, het
disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede
de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor
het verbruik gedane leveringen, door de inwerkingtre-
ding van de artikelen 104 en 105 van de wet van 11 juli
2013. Concreet worden het registratierecht op de in-
pandgeving van een handelszaak en het registratierecht
op de vestiging van een landbouwvoorrecht opgeheven.
Troisièmement, à la suite de l’abrogation de la loi
du 15 avril 1884 sur les prêts agricoles, il convient à
présent de renvoyer à l’article 23, aliéna 2, de la loi du
11 juillet 2013.
Quatrièmement, la restriction doit être supprimée
en ce qui concerne les parties qui entrent en ligne de
compte en tant que créancier gagiste pour un gage sur
fonds de commerce.
Enfin, il est précisé que les dispositions particulières
relatives au gage sur fonds de commerce s’appliquent
par analogie à tous les gages de registre. Les dispo-
sitions du paragraphe 3 de l’article 7 ne s’appliquent
désormais plus qu’aux seuls gages sur fonds de com-
merce constitués en application de la législation de
1919 et pour autant qu’ils subsistent temporairement
dans le cadre des mesures transitoires.
Art. 52 et 53
À la suite de l’abrogation de la loi du 22 mars 1993
relative au statut et au contrôle des établissements de
crédit, il convient à présent de renvoyer à l’article 15,
§ 2, de l’annexe III de la loi du 25 avril 2014 relative au
statut et au contrôle des établissements de crédit.
CHAPITRE 5
Modifications du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Art. 54-61
Ces articles adaptent le Code des droits d’enregis-
trement, d’hypothèque et de greffe à la suite de l’abro-
gation de la loi du 15 avril 1884 sur les prêts agricoles
et du chapitre 1er, comportant les articles 1er à 12, de
la loi du 25 octobre 1919 sur la mise en gage du fonds
de commerce, l’escompte et le gage de la facture,
ainsi que l’agréation et l’expertise des fournitures faites
directement à la consommation par l’entrée en vigueur
des articles 104 et 105 de la loi du 11 juillet 2013.
Concrètement, le droit d’enregistrement sur le gage
sur fonds de commerce et le droit d’enregistrement sur
la constitution d’un privilège agricole sont supprimés.
26
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
HOOFDSTUK 6
Andere wijzigingsbepalingen
Afdeling 1
Wijzigingen aan de Hypotheekwet
Art. 62
Artikel 100, a) van de wet van 11 juli 2013 heeft artikel
20, 2° afgeschaft, het speciaal voorrecht van de verko-
per van landbouwmaterieel. Maar men is vergeten dat
in art. 20, 5° Hypotheekwet het behoud van het voor-
recht voor bedrijfsuitrusting bij onroerendmaking enkel
voorzien is voor andere dan landbouwondernemingen:
“Het voorrecht ingesteld bij de nrs. 4 en 5 houdt op te
gelden wanneer die roerende goederen onroerend zijn
geworden door bestemming of incorporatie, behalve
indien het machines, toestellen, gereedschappen en
ander bedrijfsuitrustingsmaterieel betreft, gebruikt in
nijverheids-, handels- of ambachtsondernemingen.” Om
krediet aan landbouwers te behouden en een ongrond-
wettige discriminatie te vermijden moeten “landbouw-
ondernemingen” worden toegevoegd.
Art. 63
Het toepassingsgebied van artikel 81quater van de
Hypotheekwet is beperkt tot mobiliseringsinstellingen,
financiële instellingen en Belgische kredietinstellingen.
De laatste categorie houdt een discriminatie in voor
kredietinstellingen uit andere lidstaten en uit derde
landen. Om deze reden breidt dit artikel die categorie
uit met kredietinstellingen die onder een andere lidstaat
ressorteren en bijkantoren van kredietinstellingen die
ressorteren onder derde landen in de zin van de wet
van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op
kredietinstellingen.
Afdeling 2
Wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 62 betreffende de
bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten
en de vereffening van transacties op deze instrumenten
Art. 64
Bij inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2013 zal
het complexe stelsel van verschillende regels voor het
burgerlijk pand en het handelspand plaats maken voor
een globaal, eenvormig systeem van conventionele
CHAPITRE 6
Autres dispositions modificatives
Section 1re
Modifications de la loi hypothécaire
Art. 62
L’article 100, a) de la loi du 11 juillet 2013 a abrogé
l’article 20, 2°, le privilège spécial du vendeur de maté-
riel agricole. On a cependant oublié qu’à l’art. 20, 5°,
de la loi hypothécaire, le maintien du privilège pour
l’équipement professionnel en cas d’immobilisation
n’est prévu que pour les entreprises non agricoles: “Le
privilège établi par les nos 4 et 5 cesse d’avoir effet si
ces objets mobiliers sont devenus immeubles par desti-
nation ou par incorporation, sauf s’il s’agit de machines,
appareils, outillage et autre matériel d’équipement pro-
fessionnel, employés dans les entreprises industrielles,
commerciales ou artisanales.” Pour maintenir le crédit
aux agriculteurs et éviter toute discrimination contraire
à la Constitution, il convient d’ajouter les “entreprises
agricoles”.
Art. 63
Le champ d’application de l’article 81quater de la loi
hypothécaire a été limité aux organismes de mobilisa-
tion, aux institutions financières et aux établissements
de crédit belges. La dernière catégorie implique une
discrimination vis-à-vis des établissements de crédit
d’autres États membres et de pays tiers. C’est la
raison pour laquelle cet article étend cette catégorie
aux établissements de crédit qui relèvent d’un autre
État membre et aux succursales d’établissements de
crédit qui relèvent de pays tiers au sens de la loi du
25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des éta-
blissements de crédit.
Section 2
Modifications de l’arrêté royal n° 62 coordonné relatif
au dépôt d’instruments financiers fongibles et à la
liquidation d’opérations sur ces instruments
Art. 64
Lors de l’entrée en vigueur de la loi du 11 juillet 2013,
le système complexe comprenant des règles différentes
pour le gage civil et le gage commercial fera place à un
système global, uniforme de droits de sûreté mobilière
27
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
zekerheidsrechten op roerende goederen. Het onder-
scheid tussen burgerlijk pand en handelspand zal dan
ook achterhaald zijn.
Bovendien dient verduidelijkt dat de pandvestiging
voortaan zal gebeuren in toepassing van de bepalingen
van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële
zekerheden (zie artikel 41 van dit ontwerp).
Afdeling 3
Wijzigingen aan de wet van 2 januari 1991 betreffende
de markt van de effecten van de overheidsschuld
en het monetair beleidsinstrumentarium
Art. 65
Bij inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2013 zal
het complexe stelsel van verschillende regels voor het
burgerlijk pand en het handelspand plaats maken voor
een globaal, eenvormig systeem van conventionele
zekerheidsrechten op roerende goederen. Het onder-
scheid tussen burgerlijk pand en handelspand zal dan
ook achterhaald zijn.
Bovendien dient verduidelijkt dat de pandvestiging
voortaan zal gebeuren in toepassing van de bepalingen
van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële
zekerheden (zie artikel 44 van dit ontwerp).
Afdeling 4
Wijzigingen aan het Wetboek van vennootschappen
Art. 66
Bij inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2013 zal
het complexe stelsel van verschillende regels voor het
burgerlijk pand en het handelspand plaats maken voor
een globaal, eenvormig systeem van conventionele
zekerheidsrechten op roerende goederen. Het onder-
scheid tussen burgerlijk pand en handelspand zal dan
ook achterhaald zijn.
Bovendien dient verduidelijkt te worden dat de pand-
vestiging voortaan zal gebeuren in toepassing van de
bepalingen van de wet van 15 december 2004 betreffen-
de financiële zekerheden (zie artikel 41 van dit ontwerp).
conventionnels. La distinction entre gage civil et gage
commercial sera dès lors dépassée.
En outre, il convient de préciser que la constitution
du gage se fera désormais en application des disposi-
tions de la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés
financières (voir article 41 du présent projet de loi).
Section 3
Modifications de la loi du 2 janvier 1991 relative
au marché des titres de la dette publique et
aux instruments de la politique monétaire
Art. 65
Lors de l’entrée en vigueur de la loi du 11 juillet 2013,
le système complexe comprenant des règles différentes
pour le gage civil et le gage commercial fera place à un
système global, uniforme de droits de sûreté mobilière
conventionnels. La distinction entre gage civil et gage
commercial sera dès lors dépassée.
En outre, il convient de préciser que la constitution du
gage se fera désormais en application des dispositions
de la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés finan-
cières (voir article 44 du présent projet de loi).
Section 4
Modifications du Code des sociétés
Art. 66
Lors de l’entrée en vigueur de la loi du 11 juillet 2013,
le système complexe comprenant des règles différentes
pour le gage civil et le gage commercial fera place à un
système global, uniforme de droits de sûreté mobilière
conventionnels. La distinction entre gage civil et gage
commercial sera dès lors dépassée.
En outre, il convient de préciser que la constitution
du gage se fera désormais en application des disposi-
tions de la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés
financières (voir article 41 du présent projet de loi).
28
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Afdeling 5
Wijzigingen aan de wet van 3 augustus 2012 betreffende
de instellingen voor collectieve belegging die voldoen
aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de
instellingen voor belegging in schuldvorderingen
Art. 67
Ten gevolge van de opheffing van de wet van
12 juni 1991 op het consumentenkrediet dient thans
verwezen te worden naar artikel VII.103 van het Wetboek
van economisch recht.
Gelet op de doelstellingen van de wetgeving inzake
mobilisatie, moet de toepassing van het toekomstig
artikel 23, tweede lid van boek III, titel XVII van het
Burgerlijk Wetboek, zoals het zou worden ingevoerd
door de wet van 11 juli 2013, worden uitgesloten. Binnen
het toepassingsgebied van deze mobilisatiewetgeving
mogen geen bijkomende vormvereisten of formaliteiten
gelden voor de overdracht of verpanding.
Gelet op artikel 41 van dit ontwerp, worden de woor-
den “de voorschriften van boek III, titel XVII van het
Burgerlijk Wetboek of titel VI, boek I van het Wetboek van
koophandel” vervangen door de woorden “de bepalin-
gen van artikel 7 van de wet van 15 december 2004 be-
treffende financiële zekerheden”.
Afdeling 6
Wijzigingen aan de wet van 19 april 2014
betreffende de alternatieve instellingen voor
collectieve belegging en hun beheerders
Art. 68
Artikel 67 van voorliggende tekst wijzigt dezelfde
bepaling van de wet van 3 augustus 2012 betreffende
de instellingen voor collectieve belegging die voldoen
aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de
instellingen voor belegging in schuldvorderingen, als
het artikel 513 van de wet van 19 april 2014 betreffende
de alternatieve instellingen voor collectieve belegging
en hun beheerders. Daarom wordt het laatstgenoemde
artikel hier opgeheven.
Section 5
Modifications de la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui répondent
aux conditions de la Directive 2009/65/CE et
aux organismes de placement en créances
Art. 67
À la suite de l’abrogation de la loi du 12 juin 1991 rela-
tive au crédit à la consommation, il convient à présent de
renvoyer à l’article VII.103 du Code de droit économique.
Compte tenu de la législation en matière de mobi-
lisation, il conviendra d’exclure l’application du futur
article 23, alinéa 2, du livre III, titre XVII, du Code civil,
tel qu’il serait inséré par la loi du 11 juillet 2013. Dans
le champ d’application de cette législation en matière
de mobilisation, aucune exigence formelle ou formalité
supplémentaire ne s’applique à la cession ou à la mise
en gage.
Vu l’article 41 du présent projet, les mots “des for-
malités prescrites par les dispositions du Livre III, Titre
XVII du Code civil ou titre VI, livre Ier du Code de com-
merce” sont remplacés par les mots “des dispositions
de l’article 7 de la loi du 15 décembre 2004 relative aux
sûretés financières”.
Section 6
Modifications de la loi du 19 avril 2014 relative
aux organismes de placement collectif
alternatifs et à leurs gestionnaires
Art. 68
L’article 67 du présent texte modifie la même dispo-
sition de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes
de placement collectif qui répondent aux conditions
de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de
placement en créances, que l’article 513 de la loi du
19 avril 2014 relative aux organismes de placement col-
lectif alternatifs et à leurs gestionnaires. C’est la raison
pour laquelle ce dernier article est abrogé.
29
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
HOOFDSTUK 7
Overgangsbepaling
Art. 69
Dit artikel laat toe de bestaande regel van aanreke-
ning van het registratierecht geheven op de inpandge-
ving van een handelszaak of op de vestiging van een
landbouwvoorrecht, verder toe te passen bij de latere
vestiging van een hypotheek tot waarborg van een
zelfde schuld.
HOOFDSTUK 8
Inwerkingtreding
Art. 70
Dit artikel regelt de inwerkingtreding.
Gelet op de nauwe band tussen de voorliggende
tekst en de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het
Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op
roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse
bepalingen ter zake, wordt ervoor geopteerd beiden op
dezelfde dag in werking te laten treden.
De artikelen 31 tot 33 echter, die enkele wijzigings-
bepalingen uit de wet van 11 juli 2013 willen opheffen,
zodat zij bij de inwerkingtreding van laatstgenoemde wet
geen effect zullen sorteren, en het artikel 68, dat een
wijzigingsbepaling uit de wet van 19 april 2014 betref-
fende de alternatieve instellingen voor collectieve beleg-
ging en hun beheerders met hetzelfde doel wil opheffen
met datzelfde doel, moeten vroeger in werking treden.
Daarom wordt voor deze bepalingen de gemeenrech-
telijke regel m.b.t. de inwerkingtreding geëxpliciteerd,
zodat deze artikelen in werking zullen treden op de
tiende dag na de bekendmaking van voorliggende tekst
in het Belgisch Staatsblad.
De minister van Justitie,
Koen GEENS
De minister van Financiën,
Johan VAN OVERTVELDT
CHAPITRE 7
Disposition transitoire
Art. 69
Cet article permet de continuer à appliquer l’actuelle
règle d’imputation du droit d’enregistrement perçu sur
la mise en gage d’un fonds commercial ou sur la consti-
tution d’un privilège agricole à la constitution ultérieure
d’une hypothèque pour sûreté d’une même dette.
CHAPITRE 8
Entrée en vigueur
Art. 70
Cet article règle l’entrée en vigueur.
Compte tenu de la relation étroite entre le présent
texte et la loi du 11 juillet 2013 modifiant le Code civil
en ce qui concerne les sûretés réelles mobilières et
abrogeant diverses dispositions en cette matière, il a
été décidé de les faire entrer tous les deux le même jour.
Toutefois, les articles 31 à 33, qui ont pour seule fina-
lité d’abroger des dispositions modificatives de la loi du
13 juillet 2013, de manière à ce qu’elles ne produisent
pas leurs effets lors de l’entrée en vigueur de la loi, et
l’article 68, qui veut dans le même but abroger une
disposition modificative de la loi du 19 avril 2014 relative
aux organismes de placement collectif alternatifs et à
leurs gestionnaires, devront entrer en vigueur plus tôt.
D’où l’explicitation de la règle de droit commun relative
à l’entrée en vigueur pour ces deux dispositions, si bien
que ces articles entreront en vigueur le dixième jour sui-
vant la publication du présent texte au Moniteur belge.
Le ministre de la Justice,
Koen GEENS
Le ministre des Finances,
Johan VAN OVERTVELDT
30
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
VOORONTWERP VAN WET
onderworpen aan het advies van de Raad van State
Voorontwerp van wet houdende de wijziging van
verscheidene bepalingen betreffende de zakelijke
zekerheden op roerende goederen
HOOFDSTUK 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel
74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen aan de wet van 11 juli 2013 tot wijziging
van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke
zekerheden op roerende goederen betreft en tot
opheffing van diverse bepalingen ter zake
Art. 2
In artikel 6 van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het
Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende
goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter
zake, wordt het artikel 1 “Doelstelling”, aangevuld met een
lid, luidende:
“Dit recht van voorrang geldt als een voorrecht zoals be-
doeld in artikel 12 Hypotheekwet.”.
Art. 3
In artikel 9 van dezelfde wet, worden in het tweede lid
van artikel 4 “Bewijs”, de woorden “in de zin van artikel 2, 3°,
van de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken
en consumentenbescherming” vervangen door de woorden
“in de zin van artikel I, 1, 2° van boek I van het Wetboek van
economisch recht”.
Art. 4
In artikel 12 van dezelfde wet worden in artikel 7 “Voorwerp”,
de volgende wijzigingen aangebracht:
a) het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Het pandrecht kan een roerend lichamelijk of onlichamelijk
goed, een goed dat roerend is uit zijn aard maar onroerend
is geworden door bestemming of een bepaald geheel van
dergelijke goederen tot voorwerp hebben met uitzondering
van zeeschepen en teboekgestelde schepen en vaartuigen”;
AVANT-PROJET DE LOI
soumis à l’avis du Conseil d’État
Avant-projet de loi modifiant
diverses dispositions relatives
aux sûretés réelles mobilières
CHAPITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la
Constitution.
CHAPITRE 2
Modifications de la loi du 11 juillet 2013
modifiant le Code civil en ce qui concerne
les sûretés réelles mobilières et abrogeant
diverses dispositions en cette matière
Art. 2
Dans l’article 6 de la loi du 11 juillet 2013 modifi ant le
Code civil en ce qui concerne les sûretés réelles mobilières
et abrogeant diverses dispositions en cette matière, l’article
1er “Finalité” est complété par un alinéa rédigé comme suit:
“Ce droit de préférence a la valeur d’un privilège tel que
visé à l’article 12 de la loi hypothécaire.”.
Art. 3
Dans l’article 9 de la même loi, les mots “au sens de l’article
2, 3°, de loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché
et à la protection du consommateur” fi gurant à l’alinéa 2 de
l’article 4 “Preuve” sont remplacés par les mots “au sens de
l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code de droit économique”.
Art. 4
À l’article 12 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées à l’article 7 “Objet”:
a) l’alinéa 1er est remplacé comme suit:
“Le gage peut avoir pour objet un bien mobilier corporel
ou incorporel, un bien meuble par nature qui est devenu
immeuble par destination ou un ensemble déterminé de tels
biens, à l’exception des navires et des bateaux et bâtiments
immatriculés.”;
31
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
b) in het vierde lid worden de woorden “in de zin van artikel
2, 3°, van de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktij-
ken en consumentenbescherming” vervangen door de woor-
den “in de zin van artikel I, 1, 2° van boek I van het Wetboek
van economisch recht”.
Art. 5
In artikel 17 van dezelfde wet worden in het tweede lid van
artikel 12 “Omvang”, de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden “in de zin van artikel 2, 3°, van de wet van
6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consumen-
tenbescherming” worden vervangen door de woorden “in
de zin van artikel I, 1, 2° van boek I van het Wetboek van
economisch recht”;
b) de woorden “van de hoofdsom” worden vervangen door
de woorden “van de hoofdsom op het ogenblik van de verde-
ling of de toerekening”.
Art. 6
In artikel 19 van dezelfde wet wordt artikel 14 “Herverpanding”,
aangevuld met de woorden “, behoudens toestemming van
de pandgever”.
Art. 7
In artikel 20 van dezelfde wet worden in artikel 15
“Tegenwerpelijkheid”, de volgende wijzigingen aangebracht:
a) tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid inge-
voegd, luidende:
“De registratie in het pandregister is uitgesloten voor een
verpanding van schuldvorderingen”;
b) in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt, wor-
den de woorden “zijn vertegenwoordiger” vervangen door
de woorden “zijn vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 3”.
Art. 8
In artikel 32 van dezelfde wet worden in artikel
26 “Pandregister”, volgende wijzigingen aangebracht:
a) het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“De registratie van een pandrecht en van een eigen-
domsvoorbehoud geschiedt in het Nationaal Pandregister,
pandregister genoemd, dat wordt bewaard bij de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de
Federale Overheidsdienst Financiën”;
b) dans l’alinéa 4, les mots “au sens de l’article 2, 3°, de loi
du 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché et à la protec-
tion du consommateur” sont remplacés par les mots “au sens
de l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code de droit économique”.
Art. 5
À l’article 17 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées à l’alinéa 2 de l’article 12 “Étendue”:
a) les mots “au sens de l’article 2, 3°, de loi du 6 avril 2010 re-
lative aux pratiques du marché et à la protection du consom-
mateur” sont remplacés par les mots “au sens de l’article I.1,
2°, du livre Ier du Code de droit économique”;
b) les mots “du principal” sont remplacés par les mots “du
principal au moment de la distribution ou de l’imputation”.
Art. 6
Dans l’article 19 de la même loi, l’article 14 “Réengagement”
est complété par les mots “, sauf avec l’autorisation du consti-
tuant du gage”.
Art. 7
À l’article 20 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées à l’article 15 “Opposabilité”:
a) un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas
1er et 2:
“L’enregistrement dans le registre des gages est exclu pour
une mise en gage de créances”;
b) les mots “son représentant” fi gurant à l’alinéa 3 ancien,
devenant l’alinéa 4, sont remplacés par les mots “son repré-
sentant tel que visé à l’article 3”.
Art. 8
À l’article 32 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées à l’article 26 “Registre des gages”:
a) l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“L’enregistrement d’un gage et d’une réserve de propriété
est effectué dans le Registre national des Gages, appelé
registre des gages, conservé à l’administration générale
de la Documentation patrimoniale du service public fédéral
Finances”;
32
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
b) het tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Het pandregister is een geïnformatiseerd systeem dat be-
stemd is voor het registreren en het raadplegen van pandrech-
ten en eigendomsvoorbehouden, het wijzigen, vernieuwen,
overdragen of verwijderen van de registratie van pandrechten
of eigendomsvoorbehouden en het afstaan van rang van een
geregistreerd pandrecht.”;
c) in het vroegere laatste lid, dat het vierde lid wordt, worden
de woorden “in het eerste lid bedoelde dienst Hypotheken”
vervangen door de woorden “Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst
Financiën”;
d) Het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“De artikelen 27, 28, 32, 33, 34, 35, 36 en 37 zijn van
overeenkomstige toepassing op de registratie van het
eigendomsvoorbehoud.”.
Art. 9
In de Nederlandse versie van artikel 33 van dezelfde wet
worden in artikel 27 “Authentifi catie”, de volgende wijzigingen
aangebracht:
a) in de titel van artikel 27 wordt het woord “Authentifi catie”
vervangen door het woord “Authenticatie”;
b) het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Iedere registratie, raadpleging, wijziging, vernieuwing,
rangafstand of overdracht van een pand of verwijdering van
geregistreerde panden vereist de authenticatie van de ge-
bruiker van het pandregister.”;
c) in het tweede lid wordt het woord “authentifi catie” ver-
vangen door “authenticatie”.
Art. 10
In artikel 34 van dezelfde wet worden in het eerste lid van
artikel 28 “Kosten”, de woorden “hernieuwing en verwijdering
van gegevens” vervangen door de woorden “vernieuwing en
verwijdering van gegevens, en de rangafstand of overdracht
van een pand”.
Art. 11
In artikel 35 van dezelfde wet worden in artikel 29
“Registratie”, volgende wijzigingen aangebracht:
a) het huidige artikel 29 wordt paragraaf 1;
b) in het tweede lid wordt het woord “invoering” vervangen
door het woord “registratie”;
b) l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
“Le registre des gages est un système informatisé destiné
à l’enregistrement et à la consultation de gages et de réserves
de propriété, à la modifi cation, au renouvellement, à la cession
ou à la radiation de l’enregistrement de gages ou de réserves
de propriété et à la cession de rang d’un gage enregistré.”;
c) les mots “Le service des Hypothèques visé à l’alinéa
1er” fi gurant au dernier alinéa ancien, devenant l’alinéa 4,
sont remplacés par les mots “L’administration générale de
la Documentation patrimoniale du service public fédéral
Finances”;
d) l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
“Les articles 27, 28, 32, 33, 34, 35, 36 et 37 s’appliquent
par analogie à l’enregistrement de la réserve de propriété.”.
Art. 9
À l’article 33 de la même loi, dans la version néerlandaise,
les modifi cations suivantes sont apportées à l’article 27
“Authentifi catie”:
a) dans l’intitulé de l’article 27, le mot “Authentifi catie” est
remplacé par le mot “Authenticatie”;
b) l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“Iedere registratie, raadpleging, wijziging, vernieuwing,
rangafstand of overdracht van een pand of verwijdering van
geregistreerde panden vereist de authenticatie van de gebrui-
ker van het pandregister.”;
c) dans l’alinéa 2, le mot “authentifi catie” est remplacé par
le mot “authenticatie”.
Art. 10
Dans l’article 34 de la même loi, les mots “le renouvel-
lement et la radiation de données” fi gurant à l’alinéa 1er de
l’article 28 “Frais” sont remplacés par les mots “le renouvelle-
ment et la radiation de données ainsi que la cession de rang
ou la cession d’un gage”.
Art. 11
À l’article 35 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées à l’article 29 “Enregistrement”:
a) l’article 29 actuel devient le paragraphe 1er;
b) dans l’alinéa 2, le mot “inscription” est remplacé par le
mot “enregistrement”;
33
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
c) het artikel wordt aangevuld met een tweede paragraaf,
luidende:
“§ 2. De verkoper is gerechtigd krachtens de overeenkomst
waarin het beding van eigendomsvoorbehoud is opgenomen,
dit eigendomsvoorbehoud te registeren door de in artikel
30 bedoelde gegevens zoals deze in het in artikel 69 bedoelde
geschrift voorkomen, in overeenstemming met de nadere re-
gels die de Koning heeft bepaald na advies van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in het
pandregister in te voeren.”.
De verkoper is aansprakelijk voor iedere schade ten ge-
volge van de registratie van onjuiste gegevens.
De verkoper brengt de koper schriftelijk op de hoogte van
de registratie.”.
Art. 12
In artikel 36 van dezelfde wet wordt artikel 30 “Te vermelden
gegevens”, vervangen als volgt:
“Art. 30. Te vermelden gegevens
§ 1. De registratie van het pandrecht vermeldt de volgende
gegevens:
1° de identiteit van de pandhouder of van de vertegenwoor-
diger bedoeld in artikel 3;
2° de identiteit van de pandgever;
3° in voorkomend geval, de identiteit van de lasthebber
van de pandhouder of van de vertegenwoordiger bedoeld
in artikel 3;
4° de aanduiding van de door het pandrecht bezwaarde
goederen waarvoor registratie plaatsvindt;
5° de aanduiding van de gewaarborgde schuldvorderingen
waarvoor registratie plaatsvindt;
6° het maximaal bedrag tot beloop waarvan de schuldvor-
deringen gewaarborgd zijn en waarvoor registratie plaatsvindt;
7° de verklaring van de pandhouder, de vertegenwoordiger
als bedoeld in artikel 3 of hun lasthebber dat de pandhouder
of vertegenwoordiger aansprakelijk is voor iedere schade ten
gevolge van de registratie van onjuiste gegevens.
§ 2. De registratie van het eigendomsvoorbehoud vermeldt
de volgende gegevens:
1° de identiteit van de verkoper;
2° de identiteit van de koper;
3° in voorkomend geval de identiteit van de lasthebber
van de verkoper;
c) l’article est complété par un paragraphe 2 rédigé comme
suit:
“§ 2. Le vendeur est habilité en vertu de la convention dans
laquelle fi gure la clause de réserve de propriété à enregistrer
ladite réserve de propriété en inscrivant dans le registre des
gages les données visées à l’article 30 telles que celles-ci
fi gurent dans l’écrit visé à l’article 69, en conformité avec les
modalités fi xées par le Roi après avis de la Commission de
la protection de la vie privée.
Le vendeur est responsable de tout dommage qui résulte-
rait de l’enregistrement de données erronées.
Le vendeur informe l’acheteur par écrit de l’enregistrement.”.
Art. 12
Dans l’article 36 de la même loi, l’article 30 “Données à
mentionner” est remplacé par ce qui suit:
“Art. 30. Données à mentionner
§ 1er. L’enregistrement du gage mentionne les données
suivantes:
1° l’identité du créancier gagiste ou du représentant visé
à l’article 3;
2° l’identité du constituant du gage;
3° le cas échéant, l’identité du mandataire du créancier
gagiste ou du représentant visé à l’article 3;
4° la désignation des biens grevés du gage faisant l’objet
de l’enregistrement;
5° la désignation des créances garanties faisant l’objet de
l’enregistrement;
6° le montant maximum à concurrence duquel les créances
sont garanties et qui fait l’objet de l’enregistrement;
7° la déclaration du créancier gagiste, du représentant tel
que visé à l’article 3 ou de leur mandataire selon laquelle le
créancier gagiste ou représentant est responsable de tout
dommage qui résulterait de l’inscription de données erronées.
§ 2. L’enregistrement de la réserve de propriété mentionne
les données suivantes:
1° l’identité du vendeur;
2° l’identité de l’acheteur;
3° le cas échéant, l’identité du mandataire du vendeur;
34
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
4° de aanduiding van de verkochte goederen waarvoor
registratie plaatsvindt;
5° de aanduiding van de onbetaalde koopprijs waarvoor
registratie plaatsvindt;
6° de verklaring van de verkoper of van diens lasthebber dat
de verkoper aansprakelijk is voor iedere schade ten gevolge
van de registratie van onjuiste gegevens.”
Art. 13
In artikel 37 van dezelfde wet wordt artikel 31 “Raadplegen”,
vervangen als volgt:
“Art. 31. Raadplegen
§ 1. Met betrekking tot een geregistreerd pand zijn de
volgende gegevens raadpleegbaar:
1° het registratienummer;
2° de identiteit van de pandhouder of de vertegenwoordiger
bedoeld in artikel 3;
3° de identiteit van de pandgever;
4° in voorkomend geval, de identiteit van de lasthebber
van de pandhouder of van de vertegenwoordiger bedoeld
in artikel 3;
5° de aanduiding van de door het pandrecht bezwaarde
goederen waarvoor registratie plaatsvond;
6° de aanduiding van de gewaarborgde schuldvorderingen
waarvoor registratie plaatsvond;
7° het maximaal bedrag tot beloop waarvan de schuldvor-
deringen gewaarborgd zijn waarvoor registratie plaatsvond;
8° de verklaring van de pandhouder, de vertegenwoordiger
bedoeld in artikel 3 of hun lasthebber dat de pandhouder of
vertegenwoordiger aansprakelijk is voor iedere schade ten
gevolge van de registratie van onjuiste gegevens;
9° de datum van registratie.
§ 2. Met betrekking tot een geregistreerd eigendomsvoor-
behoud zijn de volgende gegevens raadpleegbaar:
1° het registratienummer;
2° de identiteit van de verkoper;
3° de identiteit van de koper;
4° in voorkomend geval, de identiteit van de lasthebber
van de verkoper;
5° de aanduiding van de verkochte goederen waarvoor
registratie plaatsvond;
4° la désignation des biens vendus faisant l’objet de
l’enregistrement;
5° la désignation du prix d’achat non payé faisant l’objet
de l’enregistrement;
6° la déclaration du vendeur ou de son mandataire selon
laquelle le vendeur est responsable de tout dommage qui
résulterait de l’inscription de données erronées.”
Art. 13
Dans l’article 37 de la même loi, l’article 31 “Consultation”,
est remplacé par ce qui suit:
“Art. 31. Consultation
§ 1er. Les données suivantes sont consultables à propos
d’un gage enregistré:
1° le numéro d’enregistrement;
2° l’identité du créancier gagiste ou du représentant visé
à l’article 3;
3° l’identité du constituant du gage;
4° le cas échéant, l’identité du mandataire du créancier
gagiste ou du représentant visé à l’article 3;
5° la désignation des biens grevés du gage ayant fait l’objet
de l’enregistrement;
6° la désignation des créances garanties ayant fait l’objet
de l’enregistrement;
7° le montant maximum à concurrence duquel les créances
sont garanties et qui a fait l’objet de l’enregistrement;
8° la déclaration du créancier gagiste, du représentant visé
à l’article 3 ou de leur mandataire selon laquelle le créancier
ou représentant est responsable de tout dommage qui résul-
terait de l’inscription de données erronées;
9° la date de l’enregistrement.
§ 2. Les données suivantes sont consultables à propos
d’une réserve de propriété enregistrée:
1° le numéro d’enregistrement;
2° l’identité du vendeur;
3° l’identité de l’acheteur;
4° le cas échéant, l’identité du mandataire du vendeur;
5° la désignation des biens vendus ayant fait l’objet de
l’enregistrement;
35
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
6° de aanduiding van de onbetaalde koopprijs waarvoor
registratie plaatsvond;
7° de verklaring van de verkoper of diens lasthebber dat
de verkoper aansprakelijk is voor iedere schade ten gevolge
van de registratie van onjuiste gegevens;
8° de datum van de registratie.”
Art. 14
In artikel 38 van dezelfde wet wordt in het tweede lid van
artikel 32 “Wijziging”, het woord “invoering” vervangen door
het woord “registratie”.
Art. 15
In artikel 39 van dezelfde wet wordt in artikel 33 “Onjuiste
gegevens”, het tweede lid opgeheven.
Art. 16
In artikel 40 van dezelfde wet wordt artikel 34 “Toegang tot
het register”, vervangen als volgt:
“Art. 34. Toegang tot het register
“Eenieder heeft toegang tot het pandregister volgens de
modaliteiten bepaald door de Koning.”.
Art. 17
In artikel 41 van dezelfde wet worden in artikel 35 “Termijn”,
de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de titel van artikel 35 wordt vervangen als volgt:
“Termijn en vernieuwing”
b) in het derde lid wordt het woord “invoering” vervangen
door het woord “registratie”;
c) in het derde lid en in het laatste lid van de Nederlandse
versie wordt het woord “hernieuwing” vervangen door het
woord “vernieuwing”;
d) tussen het derde en het laatste lid worden leden ge-
voegd, luidende:
“Deze vernieuwing kan geheel of gedeeltelijk zijn, en kan
in voorkomend geval gepaard gaan met een vermindering van
het maximaal gewaarborgd bedrag en/of van de omvang van
de in pand gegeven goederen.
De vernieuwing vermeldt het registratienummer van de te
vernieuwen registratie.
6° la désignation du prix d’achat non payé ayant fait l’objet
de l’enregistrement;
7° la déclaration du vendeur ou de son mandataire que le
vendeur est responsable de tout dommage qui résulterait de
l’inscription de données erronées;
8° la date de l’enregistrement.”
Art. 14
Dans l’article 38 de la même loi, les mots “inscription origi-
nale” fi gurant au deuxième alinéa de l’article 32 “Modifi cation”
sont remplacés par les mots “enregistrement original”.
Art. 15
Dans l’article 39 de la même loi, l’alinéa 2 de l’article 33
“Données erronées” est abrogé.
Art. 16
Dans l’article 40 de la même loi, l’article 34 “Accès au
registre” est remplacé par ce qui suit:
“Art. 34. Accès au registre
Toute personne a accès au registre des gages selon les
modalités fi xées par le Roi.”.
Art. 17
À l’article 41 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées à l’article 35 “Durée”:
a) l’intitulé de l’article 35 est remplacé par ce qui suit:
“Durée et renouvellement”
b) dans l’alinéa 3, les mots “une inscription” sont remplacés
par les mots “un enregistrement”;
c) dans l’alinéa 3 et dans le dernier alinéa, dans la version
néerlandaise, le mot “hernieuwing” est remplacé par le mot
“vernieuwing”;
d) les alinéas rédigés comme suit sont insérés entre l’alinéa
3 et le dernier alinéa:
“Ce renouvellement peut être total ou partiel et peut, le cas
échéant, s’accompagner d’une diminution du montant maxi-
mum garanti et/ou de l’importance des biens donnés en gage”.
Le renouvellement mentionne le numéro d’enregistrement
de l’enregistrement à renouveler.
36
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
De weergave van een vernieuwde registratie vermeldt
eveneens de datum van de oorspronkelijke registratie.”.
Art. 18
In artikel 42 van dezelfde wet wordt artikel 36 “Verwijdering
van de registratie”, vervangen als volgt:
“Art. 36. Gehele of gedeeltelijke verwijdering van de
registratie
§ 1. De pandhouder moet in geval van betaling van de
gewaarborgde schuld ervoor zorgen dat de registratie van
het pandrecht wordt verwijderd.
Zo de pandhouder in gebreke blijft tot deze verwijdering
over te gaan, kan de verwijdering in rechte gevorderd worden,
onverminderd eventuele schadevergoeding.
§ 2. De pandhouder kan de registratie van het pandrecht
gedeeltelijk verwijderen, dit zowel door de vermindering van
het geregistreerde maximaal bedrag tot beloop waarvan de
schuldvorderingen gewaarborgd zijn als door verwijdering
van een deel van de goederen waarop het pandrecht slaat
en waarvoor registratie werd genomen.
In geval van een gedeeltelijke verwijdering geeft het re-
gister bij raadpleging zowel de oorspronkelijke registratie als
deze houdende de gedeeltelijke verwijdering weer.”.
Art. 19
In artikel 43 van dezelfde wet worden in artikel 37
“Overdracht van schuldvordering”, de volgende wijzigingen
aangebracht:
a) in het eerste lid wordt het woord “invoering” vervangen
door het woord “registratie”;
b) het tweede lid wordt aangevuld als volgt:
“De identiteit van de overnemer wordt eveneens bij raad-
pleging weergegeven.”.
Art. 20
In artikel 44 van dezelfde wet wordt artikel 38 “Rangafstand”,
aangevuld met twee leden, luidende:
“De registratie van de rangafstand dient te gebeuren door
diegene die zijn rang afstaat of zijn vertegenwoordiger als
bedoeld in artikel 3 of hun lasthebber.
De raadpleging van het pandregister met betrekking tot
een geregistreerd pandrecht meldt in voorkomend geval een
geregistreerde rangafstand.”.
La mention d’un enregistrement renouvelé indique égale-
ment la date de l’enregistrement initial.”.
Art. 18
Dans l’article 42 de la même loi, l’article 36 “Radiation de
l’enregistrement” est remplacé par ce qui suit:
“Art. 36. Radiation totale ou partielle de l’enregistrement
§ 1er. Le créancier gagiste a l’obligation, en cas de paiement
de la dette garantie, de veiller à ce que l’enregistrement du
gage soit radié.
Si le créancier gagiste reste en défaut de procéder à cette
radiation, la radiation peut être demandée en justice, sans
préjudice de dommages et intérêts éventuels.
§ 2. Le créancier gagiste peut procéder à la radiation
partielle du gage, que ce soit par la diminution du montant
maximum enregistré à concurrence duquel les créances sont
garanties ou par le retrait d’une partie des biens sur lesquels
porte le gage et qui ont fait l’objet de l’enregistrement.
En cas de radiation partielle, le registre indique, lors de la
consultation, à la fois l’enregistrement initial et celui qui porte
sur la radiation partielle.”.
Art. 19
À l’article 43 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées à l’article 37 “Cession de créance”:
a) dans l’alinéa 1er, le mot “inscription” est remplacé par le
mot “enregistrement”;
b) l’alinéa 2 est complété comme suit:
“L’identité du cessionnaire est également indiquée lors de
la consultation.”.
Art. 20
Dans l’article 44 de la même loi, l’article 38 “Cession de
rang”, est complété par deux alinéas rédigés comme suit:
“L’enregistrement de la cession de rang doit être effectué
par celui qui cède son rang ou son représentant tel que visé
à l’article 3 ou leur mandataire.
La consultation d’un gage enregistré dans le registre
des gages mentionne, le cas échéant, une cession de rang
enregistrée.”.
37
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 21
In artikel 47 van dezelfde wet worden in lid 2 van artikel
40 “Bewijs”, de woorden “in de zin van artikel 2, 3°, van
de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en
consumentenbescherming” vervangen door de woorden “in
de zin van artikel I, 1, 2° van boek I van het Wetboek van
economisch recht”.
Art. 22
In artikel 54 van dezelfde wet worden in het eerste lid van
artikel 46 “Pandgever consument”, de woorden “in de zin
van artikel 2, 3°, van de wet van 6 april 2010 betreffende de
marktpraktijken en consumentenbescherming” vervangen
door de woorden “in de zin van artikel I, 1, 2° van boek I van
het Wetboek van economisch recht”.
Art. 23
In artikel 55 van dezelfde wet worden in het eerste lid van
artikel 47 “Pandgever niet-consument”, de woorden “in de zin
van artikel 2, 3°, van de wet van 6 april 2010 betreffende de
marktpraktijken en consumentenbescherming” vervangen
door de woorden “in de zin van artikel I, 1, 2° van boek I van
het Wetboek van economisch recht”.
Art. 24
In artikel 64 van dezelfde wet worden in het tweede lid
van artikel 56 “Rechterlijke controle a posteriori”, de woorden
“een termijn van een jaar” vervangen door de woorden “een
termijn van een maand”.
Art. 25
In artikel 66 van dezelfde wet wordt het eerste lid van artikel
57 “Anterioriteitsregel”, vervangen als volgt:
“Het pandrecht heeft voorrang op alle jongere rechten
op de verpande goederen, onverminderd de artikelen 21 tot
26 van Titel XVIII van Boek III van dit Wetboek.”.
Art. 26
In artikel 70 van dezelfde wet worden de woorden
“tegenwerpelijkheid door buitenbezitstelling van schuld-
vordering” vervangen door de woorden “Pandrecht op
schuldvorderingen”.
Art. 27
In artikel 72 van dezelfde wet worden in het tweede lid van
artikel 61 “Bewijs”, de woorden “in de zin van artikel 2, 3°,
van de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken
Art. 21
Dans l’article 47 de la même loi, les mots “au sens de
l’article 2, 3°, de loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du
marché et à la protection du consommateur” fi gurant à l’alinéa
2 de l’article 40 “Preuve” sont remplacés par les mots “au sens
de l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code de droit économique”.
Art. 22
Dans l’article 54 de la même loi, les mots “au sens de
l’article 2, 3°, de loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du
marché et à la protection du consommateur” fi gurant à l’alinéa
1er de l’article 46 “Constituant consommateur” sont remplacés
par les mots “au sens de l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code
de droit économique”.
Art. 23
Dans l’article 55 de la même loi, les mots “au sens de
l’article 2, 3°, de loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du
marché et à la protection du consommateur” fi gurant à l’ali-
néa 1er de l’article 47 “Constituant non-consommateur” sont
remplacés par les mots “au sens de l’article I.1, 2°, du livre Ier
du Code de droit économique”.
Art. 24
Dans l’article 64 de la même loi, les mots “un délai d’un
an” fi gurant à l’alinéa 2 de l’article 56 “Contrôle judiciaire a
posteriori” sont remplacés par les mots “un délai d’un mois”.
Art 25
Dans l’article 66 de la même loi, l’alinéa 1er de l’article 57
“Règle d’antériorité” est remplacé par ce qui suit:
“Le droit de gage a priorité sur tous les droits plus récents
sur les biens gagés, sans préjudice des articles 21 à 26 du
Titre XVIII du Livre III du présent Code.”.
Art. 26
Dans l’article 70 de la même loi, les mots “Opposabilité
par dépossession de créance” sont remplacés par les mots
“Gage sur créances”.
Art. 27
Dans l’article 72 de la même loi, les mots “au sens de
l’article 2, 3°, de loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du
marché et à la protection du consommateur” fi gurant à l’alinéa
38
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
en consumentenbescherming” vervangen door de woorden
“in de zin van artikel I, 1, 2° van boek I van het Wetboek van
economisch recht”.
Art. 28
In artikel 73 van dezelfde wet worden in artikel 62
“Fiduciaire overdracht tot zekerheid”, de woorden “op de
overgedragen schuldvordering” vervangen door de woorden
“op de overgedragen schuldvordering en zulks ongeacht of
deze overdracht beantwoordt aan het bepaalde in artikel 61,
behoudens wanneer de overdrager een consument is in de
zin van artikel I, 1, 2° van het Wetboek economisch recht”.
Art. 29
In artikel 81 van dezelfde wet worden in het tweede lid van
artikel 69 “Geschrift”, de woorden “in de zin van artikel 2, 3°,
van de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken
en consumentenbescherming” vervangen door de woorden
“in de zin van artikel I, 1, 2° van boek I van het Wetboek van
economisch recht”.
Art. 30
In artikel 82 van dezelfde wet, worden in artikel 70 “Zakelijke
subrogatie, verwerking en vermenging.” de woorden “en 20”
vervangen door de woorden “, 20 en 23, lid 1.”.
Art. 31
Artikel 97 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 32
Artikel 98 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 33
Artikel 99 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 34
Artikel 104 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“De wet van 15 april 1884 betreffende de landbouwleningen
wordt opgeheven.”.
Art. 35
Artikel 105 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“In de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand
geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven
2 de l’article 61 “Preuve” sont remplacés par les mots “au sens
de l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code de droit économique”.
Art. 28
Dans l’article 73 de la même loi, les mots “sur la créance
cédée” fi gurant à l’article 62 “Cession fi duciaire à titre de
sûreté” sont remplacés par les mots “sur la créance cédée et
ce, que cette cession soit ou non conforme aux dispositions
de l’article 61, sauf lorsque le cédant est un consomma-
teur au sens de l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code de droit
économique”.
Art. 29
Dans l’article 81 de la même loi, les mots “au sens de
l’article 2, 3°, de loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du
marché et à la protection du consommateur” fi gurant à l’alinéa
2 de l’article 69 “Écrit” sont remplacés par les mots “au sens
de l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code de droit économique”.
Art. 30
Dans l’article 82 de la même loi, les mots “et 20” fi gurant à
l’article 70 “Subrogation réelle, transformation et confusion.”
sont remplacés par les mots “, 20 et 23, alinéa 1er.”.
Art. 31
L’article 97 de la même loi est abrogé.
Art. 32
L’article 98 de la même loi est abrogé.
Art. 33
L’article 99 de la même loi est abrogé.
Art. 34
L’article 104 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“La loi du 15 avril 1884 sur les prêts agricoles est abrogée.”.
Art. 35
L’article 105 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“Dans la loi du 25 octobre 1919 sur la mise en gage du fonds
de commerce, l’escompte et le gage de la facture, ainsi que
39
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de
rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen, wordt het
eerste hoofdstuk, dat de artikelen 1 tot 12 bevat, opgeheven.”.
Art. 36
Artikel 107 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“Art. 107. § 1. De schuldeiser die vóór de inwerkingtreding
van deze wet een pandakte heeft ingeschreven overeenkom-
stig de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven
van de handelszaak, het disconto en het in pand geven van
de factuur, behoudt zijn rang indien hij binnen twaalf maanden
na de inwerkingtreding van deze wet een pandrecht op de
bezwaarde goederen heeft geregistreerd.
Inschrijvingen die niet of nog niet werden geregistreerd
in het pandregister, overeenkomstig het eerste lid, kunnen
nog worden doorgehaald overeenkomstig artikel 4bis van
de geciteerde wet.
§ 2. De schuldeiser die vóór de inwerkingtreding van deze
wet een voorrecht heeft ingeschreven overeenkomstig de wet
van 15 april 1884 betreffende de landbouwleningen, behoudt
zijn rang indien hij binnen twaalf maanden na de inwerkingtre-
ding van deze wet een pandrecht op de bezwaarde goederen
heeft geregistreerd.
Inschrijvingen die niet of nog niet werden geregistreerd
in het pandregister, overeenkomstig het eerste lid, kunnen
nog worden doorgehaald overeenkomstig de artikelen 19 tot
22 van de geciteerde wet.
§ 3. Bij de registratie in het pandregister in de in paragrafen
1, eerste lid, en 2, eerste lid, bedoelde gevallen, dienen naast
de in artikel 29 vermelde gegevens eveneens de datum en
referte van de bestaande inschrijving te worden vermeld. Zo
de bestaande inschrijving een vernieuwing betreft, dienen
eveneens de datum en referte van de oorspronkelijke inschrij-
ving te worden vermeld.
Deze registratie geldt, in afwijking van artikel 35, enkel
voor de resterende termijn van de lopende tien jaar waarvoor
de inschrijving van de inpandgeving van de handelszaak of
het landbouwvoorrecht geldt. Deze registratie is kosteloos.
§ 4. De schuldeisers die vóór de inwerkingtreding van deze
wet houder zijn geworden van een warrant of ceel als bedoeld
in de wet van 18 november 1862 houdende invoering van het
warrantstelsel, behouden hun rechten na de inwerkingtreding
van deze wet.
§ 5. Een volmacht tot het vestigen van een pandrecht
krachtens de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand
geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven
van de factuur of van een landbouwvoorrecht krachtens de
wet van 15 april 1884 betreffende de landbouwleningen strekt
ook tot het sluiten van een pandovereenkomst krachtens deze
wet binnen de grenzen van de volmacht.
l’agréation et l’expertise des fournitures faites directement à
la consommation, le chapitre 1er comportant les articles 1 à
12 est abrogé.”.
Art. 36
L’article 107 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“Art. 107. § 1er. Le créancier qui, avant l’entrée en vigueur
de la présente loi, a inscrit un gage conformément à la loi du
25 octobre 1919 sur la mise en gage du fonds de commerce,
l’escompte et le gage de la facture, garde son rang si, dans
les douze mois après l’entrée en vigueur de la présente loi,
il a enregistré un gage sur les biens grevés.
Les inscriptions qui n’ont pas ou pas encore été enregis-
trées dans le registre des gages conformément à l’alinéa 1er,
peuvent encore être radiées conformément à l’article 4bis
de la loi précitée.
§ 2. Le créancier qui, avant l’entrée en vigueur de la
présente loi, a inscrit un privilège conformément à la loi du
15 avril 1884 sur les prêts agricoles, garde son rang si, dans
les douze mois après l’entrée en vigueur de la présente loi,
il a enregistré un gage sur les biens grevés.
Les inscriptions qui n’ont pas ou pas encore été enregis-
trées dans le registre des gages conformément à l’alinéa 1er,
peuvent encore être radiées conformément aux articles 19 à
22 de la loi précitée.
§ 3. Lorsque l’enregistrement dans le registre des gages
est effectué dans les cas visés aux paragraphes 1er, alinéa
1er, et 2, alinéa 1er, il convient de mentionner, outre les don-
nées mentionnées à l’article 29, la date et la référence de
l’inscription existante. Si l’inscription existante concerne un
renouvellement, la date et la référence de l’inscription initiale
doivent également être mentionnées.
Par dérogation à l’article 35, cet enregistrement ne vaut
que pour la durée résiduelle de la période courante de dix
ans durant laquelle l’inscription de la mise en gage du fonds
de commerce ou du privilège agricole est valable. Cet enre-
gistrement est gratuit.
§ 4. Les créanciers qui, avant l’entrée en vigueur de la
présente loi, sont devenus détenteurs d’un warrant ou d’une
cédule visés dans la loi du 18 novembre 1862 portant insti-
tution du système des warrants, gardent leurs droits après
l’entrée en vigueur de la présente loi.
§ 5. Une procuration à l’effet de constituer un droit de gage
conformément à la loi du 25 octobre 1919 sur la mise en gage
du fonds de commerce, l’escompte et le gage de la facture ou
un privilège agricole conformément à la loi du 15 avril 1884 sur
les prêts agricoles s’étend également à la conclusion d’une
convention de gage conformément à la présente loi dans les
limites de la procuration.
40
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§ 6. De schuldeisers die vóór de inwerkingtreding van deze
wet houder zijn geworden van een pandrecht op onlichame-
lijke goederen andere dan schuldvorderingen, behouden hun
rechten na de inwerkingtreding van deze wet.”.
Art. 37
In hoofdstuk 5 van dezelfde wet, wordt een artikel 107/1 in-
gevoegd, luidende:
“Art.107/1. Tot en met de laatste dag van de twaalfde maand
na de inwerkingtreding van deze wet is de hypotheekbe-
waarder ertoe gehouden om aan elke verzoeker afschrift te
leveren van de bestaande inschrijvingen van een pandakte
overeenkomstig de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in
pand geven van de handelszaak, het disconto en het in pand
geven van de factuur, ten laste van de in het verzoekschrift
aangeduide personen, of een getuigschrift vaststellend dat
er geen inschrijvingen bestaan.
Tot en met de laatste dag van de twaalfde maand na
de inwerkingtreding van deze wet is de ontvanger van de
registratie ertoe gehouden om aan elke verzoeker afschrift
te leveren van de bestaande inschrijvingen van een voor-
recht overeenkomstig de wet van 15 april 1884 betreffende
de landbouwleningen, ten laste van de in het verzoekschrift
aangeduide personen, of een getuigschrift vaststellend dat er
geen inschrijvingen bestaan. De artikelen 22 en 23 van deze
wet van 15 april 1884 blijven tijdens deze periode van kracht.”.
Art. 38
In artikel 109, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 26 november 2014, worden de woorden “1 januari
2017” vervangen door de woorden “1 januari 2018”.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen aan de wet van 15 december 2004
,betreffende financiële zekerheden en houdende
diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen met
betrekking tot financiële instrumenten
Art. 39
In artikel 3 van de wet van 15 december 2004 betref-
fende de fi nanciële zekerheden en houdende diverse fi scale
bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en
leningen met betrekking tot fi nanciële instrumenten worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 10°, eerste streepje worden de
woorden “de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het
toezicht op de kredietinstellingen” vervangen door de woorden
“de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht
op de kredietinstellingen”, en worden de woorden “in artikel
2, § 1, 1° van dezelfde wet” vervangen door de woorden “in
artikel 2, 1° van dezelfde wet”;
§ 6. Les créanciers qui, avant l’entrée en vigueur de la
présente loi, sont devenus détenteurs d’un gage sur des biens
incorporels autres que des créances conservent leurs droits
après l’entrée en vigueur de la présente loi.”.
Art. 37
Dans le chapitre 5 de la même loi, un article 107/1 rédigé
comme suit est inséré:
“Art.107/1. Jusqu’au dernier jour inclus du douzième mois
suivant l’entrée en vigueur de la présente loi, le conservateur
des hypothèques est tenu de délivrer à tout requérant copie
des inscriptions existantes d’un acte de gage effectuées
conformément à la loi du 25 octobre 1919 sur la mise en gage
du fonds de commerce, l’escompte et le gage de la facture à
charge des personnes désignées dans la réquisition écrite,
ou un certifi cat constatant qu’il n’existe pas d’inscription.
Jusqu’au dernier jour inclus du douzième mois suivant
l’entrée en vigueur de la présente loi, le receveur de l’enre-
gistrement est tenu de délivrer à tout requérant copie des ins-
criptions existantes d’un privilège effectuées conformément
à la loi du 15 avril 1884 sur les prêts agricoles à charge des
personnes désignées dans la réquisition écrite, ou un certifi cat
constatant qu’il n’existe pas d’inscription. Les articles 22 et
23 de cette loi du 15 avril 1884 restent applicables pendant
cette période.”.
Art. 38
Dans l’article 109, alinéa 1er, de la même loi, modifi é par
la loi du 26 novembre 2014, les mots “1er janvier 2017” sont
remplacés par les mots “1er janvier 2018”.
CHAPITRE 3
Modifications de la loi du 15 décembre 2004
relative aux sûretés financières et portant des
dispositions fiscales diverses en matière de
conventions constitutives de sûreté réelle et de
prêts portant sur des instruments financiers.
Art. 39
À l’article 3 de la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûre-
tés fi nancières et portant des dispositions fi scales diverses
en matière de conventions constitutives de sûreté réelle et de
prêts portant sur des instruments fi nanciers, les modifi cations
suivantes sont apportées:
a) dans le 10°, premier tiret, les mots “la loi du 22 mars 1993
relative au statut et au contrôle des établissements de crédit”
sont remplacés par les mots “la loi du 25 avril 2014 relative
au statut et au contrôle des établissements de crédit” et les
mots “à l’article 2, § 1er, 1°, de la même loi” sont remplacés
par les mots “à l’article 2, 1°, de la même loi”;
41
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
b) in de bepaling onder 10°, tweede streepje worden de
woorden “in de zin van de wet van 4 augustus 1992 op het
hypothecair krediet” vervangen door de woorden “in de zin
van boek VII, titel 4, hoofdstuk 2 van het Wetboek van eco-
nomisch recht”;
c) in de bepaling onder 10°, derde streepje worden de
woorden “in artikel 1, 4°, van de wet van 12 juni 1991 op het
consumentenkrediet” vervangen door de woorden “in artikel
I. 9, 39° van het Wetboek van economisch recht”;
d) in de bepaling onder 11°, a) worden de woorden “in de
zin van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het
toezicht op de kredietinstellingen” vervangen door “in de zin
van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht
op de kredietinstellingen”;
e) in de bepaling onder 11°, d) worden de woorden “in
de zin van Deel III van de wet van 20 juli 2004 betreffende
bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingspor-
tefeuilles” vervangen door de woorden “in de zin van Deel
3 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen
voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden
van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging
in schuldvorderingen”;
f) in de bepaling onder 11°, e) worden de woorden “in de zin
van Deel II van de wet van 20 juni 2004 betreffende bepaalde
vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles”
vervangen door de woorden “in de zin van Deel 2 van de
wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor
collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in
schuldvorderingen”;
g) in de bepaling onder 12°, a) worden de woorden “in de
zin van de wet van 4 augustus op het hypothecair krediet”
vervangen door de woorden “in de zin van boek VII, titel 4,
hoofdstuk 2 van het Wetboek van economisch recht”;
h) in de bepaling onder 12°, b) worden de woorden “in de
zin van de wet van 12 juni 1991” vervangen door de woorden
“in de zin van boek VII, titel 4, hoofdstuk 1 van het Wetboek
van economisch recht”.
Art. 40
In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
a) in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen als volgt:
“De inbezitstelling van op rekening geboekte fi nanciële in-
strumenten kan inzonderheid geschieden door de creditering
van die instrumenten op een speciale rekening geopend op
naam van de zekerheidsverschaffer of van de begunstigde
van de zekerheid of van een derde die de zekerheid houdt
voor rekening van de begunstigde. Het feit dat de als zeker-
heid verschafte activa in de boeken van een bemiddelaar
worden ingeschreven belet die bemiddelaar niet om, met
b) dans le 10°, deuxième tiret, les mots “au sens de la loi du
4 août 1992 relative au crédit hypothécaire” sont remplacés
par les mots “au sens du livre VII, titre 4, chapitre 2, du Code
de droit économique”;
c) dans le 10°, troisième tiret, les mots “à l’article 1er, 4°,
de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation”
sont remplacés par les mots “à l’article I. 9, 39°, du Code de
droit économique”;
d) dans le 11°, a), les mots “au sens de la loi du
22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établis-
sements de crédit” sont remplacés par les mots “au sens
de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit”;
e) dans le 11°, d), les mots “au sens de la Partie III de la loi
du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de gestion collec-
tive de portefeuilles d’investissement” sont remplacés par les
mots “au sens de la partie 3 de la loi du 3 août 2012 relative
aux organismes de placement collectif qui répondent aux
conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de
placement en créances”;
f) dans le 11°, e), les mots “au sens de la Partie II de la loi
du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de gestion collec-
tive de portefeuilles d’investissement” sont remplacés par les
mots “au sens de la partie 2 de la loi du 3 août 2012 relative
aux organismes de placement collectif qui répondent aux
conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de
placement en créances”;
g) dans le 12°, a), les mots “au sens de la loi du
4 août 1992 relative au crédit hypothécaire” sont remplacés
par les mots “au sens du livre VII, titre 4, chapitre 2, du Code
de droit économique”;
h) dans le 12°, b), les mots “au sens de la loi du
12 juin 1991 relative au crédit à la consommation” sont rem-
placés par les mots “au sens du livre VII, titre 4, chapitre 1er,
du Code de droit économique”.
Art. 40
À l’article 4 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, l’alinéa 3 est remplacé par ce
qui suit:
“La mise en possession d’instruments fi nanciers inscrits
en compte peut être établie notamment par leur inscription
au crédit d’un compte spécial ouvert au nom du constituant
ou du bénéfi ciaire de la garantie ou encore d’un tiers qui
détient la sûreté pour le compte du bénéfi ciaire. Le fait que
les avoirs donnés en garantie sont enregistrés dans les livres
d’un intermédiaire ne prive pas celui-ci d’agir en qualité de
partie en ce qui concerne ces avoirs. Lorsque les instruments
42
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
betrekking tot die activa, te handelen als een partij. Wanneer
de fi nanciële instrumenten zijn gecrediteerd op een speciale
rekening op naam van de begunstigde of van een derde die
optreedt voor diens rekening, wordt aan de vereiste van bezit
of controle geen afbreuk gedaan indien tot nader bericht van
de begunstigde of de derde die voor zijn rekening optreedt
de zekerheidsverschaffer nog beschikkingsrechten heeft die
in de zakelijke zekerheidsovereenkomst nader zijn bepaald.”;
b) in paragraaf 1 wordt tussen het derde lid en het vierde
lid een lid ingevoegd luidende:
“Voor fi nanciële instrumenten die niet de vorm aannemen
van waardepapieren of effecten, gelden dezelfde vereisten
als voor bankvorderingen.”;
c) in paragraaf 4 worden de woorden “,van artikel 57bis,
§ 1, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het
toezicht op de kredietinstellingen” opgeheven.
Art. 41
In artikel 4/1 van dezelfde wet worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
a) in paragraaf 1 worden de woorden “artikel 51, § 1 van
de wet betreffende hypothecair krediet” vervangen door de
woorden “artikel 81quater van de Hypotheekwet van 16 de-
cember 1851”;
b) in paragraaf 2 worden de woorden “artikel 27 van de wet
van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet” vervangen door
de woorden “artikel VII.104 van het Wetboek van economisch
recht” en worden de woorden “artikel 74 van de wet van
6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumenten-
bescherming” vervangen door de woorden “artikel VI.83 van
het Wetboek van economisch recht”.
Art. 42
In artikel 5 van dezelfde wet wordt het tweede lid vervan-
gen als volgt:
“De vertegenwoordiger kan alle rechten en prerogatieven
uitoefenen die normaliter toekomen aan de begunstigden
voor wier rekening hij optreedt. Deze rechten behoren tot het
vermogen van de begunstigden.”
Art. 43
Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Behoudens de uitzonderingen uitdrukkelijk bepaald
in § § 2 tot 4 zijn artikel 1328 en titel XVII, boek III, van het
Burgerlijk Wetboek niet van toepassing op enig pand op fi nan-
ciële instrumenten, contanten en bankvorderingen .
§ 2. De volgende artikelen van titel XVII, boek III, van
het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op een pand
fi nanciers sont inscrits au crédit d’un compte spécial ouvert au
nom du bénéfi ciaire ou d’un tiers agissant pour le compte de
celui-ci, il n’est pas porté atteinte à l’obligation de possession
ou de contrôle si, jusqu’à nouvel ordre du bénéfi ciaire ou du
tiers agissant pour le compte de celui-ci, le constituant de la
garantie conserve des droits de disposition défi nis dans la
convention constitutive de sûreté réelle.”;
b) dans le paragraphe 1er, un alinéa rédigé comme suit est
inséré entre les alinéas 3 et 4:
“Les instruments fi nanciers qui ne se présentent pas sous
la forme de titres ou de valeurs mobilières sont soumis aux
mêmes exigences que les créances bancaires.”;
c) dans le paragraphe 4, les mots “, de l’article 57bis, § 1er,
de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit” sont abrogés.
Art. 41
À l’article 4/1 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, les mots “l’article 51, § 1er, de
la loi relative au crédit hypothécaire” sont remplacés par les
mots “l’article 81quater de la loi hypothécaire du 16 décembre
1851”;
b) dans le paragraphe 2, les mots “l’article 27 de la loi du
12 juin 1991 relative au crédit à la consommation” sont rem-
placés par les mots “l’article VII.104 du Code de droit écono-
mique” et les mots “l’article 74 de la loi du 6 avril 2010 relative
aux pratiques du marché et à la protection du consommateur”
sont remplacés par les mots “l’article VI.83 du Code de droit
économique”.
Art. 42
Dans l’article 5 de la même loi, l’alinéa 2 est remplacé
par ce qui suit:
“Le représentant peut exercer tous les droits et préroga-
tives qui reviennent normalement aux bénéfi ciaires pour le
compte desquels il agit. Ces droits font partie du patrimoine
des bénéfi ciaires.”
Art. 43
L’article 7 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. Sauf les exceptions expressément prévues aux
§ § 2 à 4, l’article 1328 et le livre III, titre XVII, du Code civil
ne sont pas applicables aux gages sur des instruments fi nan-
ciers, des espèces et des créances bancaires.
§ 2. Les articles suivants du livre III, titre XVII, du Code
civil sont applicables au gage visé à l’article 4: les articles
43
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
als bedoeld in artikel 4: artikelen 1, 5, 6, 8, 9, 10 eerste lid,
11 eerste en derde lid, 13, 23 eerste en derde lid, 57 eerste
lid, 60 tweede en derde lid, 63, 64, 65, 66 en 67.
§ 3. Financiële instrumenten, bankvorderingen of contan-
ten die krachtens de wet of hun aard niet overdraagbaar zijn,
kunnen evenmin in pand worden gegeven.
§ 4. Een pandrecht op fi nanciële instrumenten, bankvor-
deringen of contanten komt tot stand door de overeenkomst
tussen pandgever en pandhouder en is aan derden tegenwer-
pelijk wanneer de toepasselijke vereisten voorzien in artikel
4, § 1 zijn voldaan.
§ 5. Op de marge-opvragingen en op de gelijkwaardige
fi nanciële instrumenten, contanten of bankvorderingen die,
tijdens de duur van de overeenkomst, in de plaats worden
gesteld van de activa die het oorspronkelijke pand vormen, is
dezelfde regeling van toepassing als op de laatstgenoemde
activa. In geval van bankvorderingen, tast het recht van de
pandgever op het innen van de opbrengst de ten gunste van
de begunstigde gestelde zekerheid niet aan.”.
Art. 44
In artikel 10, § 1 van dezelfde wet worden de woorden
“conform artikel 2075, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek”
vervangen door de woorden “conform artikel 60, tweede lid,
van titel XVII, boek III van het Burgerlijk Wetboek”.
Art. 45
In artikel 11, § 1 van dezelfde wet worden de woorden
“Voorzover de partijen” vervangen door de woorden “Voor
zover de partijen”.
Art. 46
In artikel 12, § 1 van dezelfde wet worden de woorden
“Artikel 1328 en de bepalingen van boek III, titel XVII van het
Burgerlijk Wetboek evenals de bepalingen van boek I, titel
VI van het Wetboek van koophandel” vervangen door de
woorden “Artikel 1328, de bepalingen van boek III, titel XVII
van het Burgerlijk Wetboek evenals de bepalingen van artikel
7 tot en met 10 van deze wet”.
Art. 47
In artikel 13 van dezelfde wet worden de woorden “de be-
palingen van boek I, titel VI, van het Wetboek van koophandel”
vervangen door de woorden “de bepalingen van de artikelen
7 tot en met 10 van deze wet”.
1, 5, 6, 8, 9, 10, alinéa 1er, 11, alinéas 1er et 3, 13, 23, alinéas
1er et 3, 57, alinéa 1er, 60, alinéas 2 et 3, 63, 64, 65, 66 et 67.
§ 3. Les instruments fi nanciers, créances bancaires ou
espèces qui ne sont pas transférables en vertu de la loi ou
en raison de leur nature ne peuvent pas davantage être mis
en gage.
§ 4. Un gage sur des instruments fi nanciers, des créances
bancaires ou des espèces est constitué par la convention
conclue entre le constituant du gage et le créancier gagiste
et est opposable aux tiers lorsque les conditions applicables
prévues à l’article 4, § 1er, sont remplies.
§ 5. Les appels de marge ainsi que les instruments fi nan-
ciers équivalents, espèces ou créances bancaires substi-
tués en cours de contrat aux avoirs constituant initialement
l’assiette suivent le même régime que ces avoirs remis initia-
lement à titre de gage. Dans le cas de créances bancaires,
le droit du constituant d’en percevoir le produit ne porte pas
atteinte à la garantie constituée au profi t de son bénéfi ciaire.”.
Art. 44
Dans l’article 10, § 1er, de la même loi, les mots “conformé-
ment à l’article 2075, alinéa 2, du Code civil” sont remplacés
par les mots “conformément à l’article 60, alinéa 2, du livre
III, titre XVII, du Code civil”.
Art. 45
Dans l’article 11, § 1er, de la même loi, dans la version
néerlandaise, les mots “Voorzover de partijen” sont remplacés
par les mots “Voor zover de partijen”.
Art. 46
Dans l’article 12, § 1er, de la même loi, les mots “L’article
1328 et les dispositions du livre III, titre XVII, du Code civil ainsi
que les dispositions du livre Ier, titre VI, du Code de commerce”
sont remplacés par les mots “L’article 1328 et les dispositions
du livre III, titre XVII, du Code civil ainsi que les dispositions
des articles 7 à 10 de la présente loi”.
Art. 47
Dans l’article 13 de la même loi, les mots “du livre Ier, titre
VI, du Code de commerce” sont remplacés par les mots “des
articles 7 à 10 de la présente loi”.
44
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 48
In artikel 15, § 2 worden de woorden “en op de in de arti-
kelen 7, § 2, 12, § 1, tweede lid, 13, § 1, tweede en derde lid,
en 16 bedoelde marge-opvragingen of vervangingen” ver-
vangen door de woorden “en op de in de artikelen 7, § 5, 12,
§ 1, tweede lid, 13, § 1, tweede en derde lid, en 16 bedoelde
marge-opvragingen of vervangingen”.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen aan de wet van 3 augustus 2012
betreffende diverse maatregelen ter
vergemakkelijking van de mobilisering van
schuldvorderingen in de financiële sector
Art. 49
In artikel 2 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende
diverse maatregelen ter vergemakkelijking van de mobilise-
ring van schuldvorderingen in de fi nanciële sector worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 5°, b) worden de woorden “overeen-
komstig artikel 108 van de wet van 20 juli 2004 betreffende
bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsporte-
feuilles” vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel
108 van de wet van 3 augustus 2012”;
b) de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt:
“6° “de wet van 25 april 2014”: de wet van 25 april 2014 op
het statuut en het toezicht op kredietinstellingen”;
c) tussen de bepaling onder 6° en de bepaling onder 7°
worden de bepalingen onder 6°/1 en 6°/2 ingevoegd, luidende:
“6°/1 “de wet van 3 augustus 2012”: de wet van 3 augus-
tus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging
die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en
de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
6°/2 “de wet van 11 juli 2013”: de wet van 11 juli 2013 tot
wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zeker-
heden op roerende goederen betreft; en”.
Art. 50
In artikel 4 van dezelfde wet worden de woorden “in de zin
van artikel 50 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypo-
thecair krediet” vervangen door de woorden “in de zin van
artikel 81ter van de Hypotheekwet van 16 december 1851”.
Art. 51
In artikel 5 van dezelfde wet worden de woorden
“Onverminderd artikelen 51 tot 53 van de wet van 4 augus-
tus 1992 op het hypothecair krediet” vervangen door de
Art. 48
Dans l’article 15, § 2, les mots “et les opérations d’appel de
marge ou de substitution visées aux articles 7, § 2, 12, § 1er,
alinéa 2, 13, § 1er, alinéas 2 et 3, et 16” sont remplacés par les
mots “et les opérations d’appel de marge ou de substitution
visées aux articles 7, § 5, 12, § 1er, alinéa 2, 13, § 1er, alinéas
2 et 3, et 16”.
CHAPITRE 4
Modifications de la loi du 3 août 2012
relative à des mesures diverses pour
faciliter la mobilisation de créances
dans le secteur financier
Art. 49
À l’article 2 de la loi du 3 août 2012 relative à des mesures
diverses pour faciliter la mobilisation de créances dans le
secteur fi nancier, les modifi cations suivantes sont apportées:
a) dans le 5°, b), les mots “conformément à l’article 108 de
la loi du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de gestion
collective de portefeuilles d’investissement” sont rempla-
cés par les mots “conformément à l’article 108 de la loi du
3 août 2012”;
b) le 6° est remplacé par ce qui suit:
“6° “la loi du 25 avril 2014 “: la loi du 25 avril 2014 relative
au statut et au contrôle des établissements de crédit”;
c) les 6°/1 et un 6°/2, rédigés comme suit, sont insérés
entre le 6° et le 7°:
“6°/1 “la loi du 3 août 2012”: la loi du 3 août 2012 relative
aux organismes de placement collectif qui répondent aux
conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de
placement en créances;
6°/2 “la loi du 11 juillet 2013”: la loi du 11 juillet 2013 modi-
fi ant le Code civil en ce qui concerne les sûretés réelles
mobilières; et”.
Art. 50
Dans l’article 4 de la même loi, les mots “au sens de l’article
50 de loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire” sont
remplacés par les mots “au sens de l’article 81ter de la loi
hypothécaire du 16 décembre 1851”.
Art. 51
Dans l’article 5 de la même loi, les mots “Sans préjudice
des articles 51 à 53 de loi du 4 août 1992 relative au crédit
hypothécaire” sont remplacés par les mots “Sans préjudice
45
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
woorden “Onverminderd artikelen 81ter tot 81undecies van
de Hypotheekwet van 16 december 1851”.
Art. 52
In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
a) in paragraaf 1 worden de woorden “aan de in artikel
3, § 2, van de wet van 22 maart 1993 vermelde diensten”
vervangen door de woorden “aan de in artikel 4, van de wet
van 25 april 2014 vermelde diensten”;
b) in paragraaf 4, 2° worden de woorden “artikel 27 van
de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet” vervan-
gen door de woorden “artikel VII. 104 van het Wetboek van
economisch recht”.
Art. 53
In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Onverminderd artikel 271/8, eerste lid, van de wet
van 3 augustus 2012, wanneer een bankvordering wordt
overgedragen aan of door een kredietinstelling, een fi nanciële
instelling of een mobiliseringsinstelling, zijn artikelen 1328 van
het Burgerlijk Wetboek, VII. 103 van het Wetboek van econo-
misch recht, artikel 8 van hoofdstuk II, titel I van boek II van
het Wetboek van koophandel I en artikel 23, tweede lid van
afdeling 1 van titel XVII, boek III van het Burgerlijk Wetboek
niet van toepassing op deze overdracht. Dezelfde bepalingen
zijn niet van toepassing op een inpandgeving van een schuld-
vordering ten gunste van of door een dergelijke instelling.”;
b) paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
“§ 2. Onverminderd artikel 271/8, tweede lid, van de wet
van 3 augustus 2012, wanneer een bankvordering wordt
overgedragen aan of door een kredietinstelling, een fi nan-
ciële instelling of een mobiliseringsinstelling, verwerft de
overnemer, door de loutere naleving van de voorschriften van
boek III, titel VI, hoofdstuk VIII van het Burgerlijk Wetboek,
alle rechten die het gevolg zijn van de verzekeringsovereen-
komsten waarover de overdrager beschikt als waarborg voor
of in verband met de overgedragen schuldvorderingen. Een
inpandgeving van dezelfde rechten ten gunste van of door
een dergelijke instelling of bijzonder vermogen geschiedt door
de loutere naleving van de bepalingen in artikel 7 van de wet
betreffende fi nanciële zekerheden.”
c) in de derde paragraaf, eerste lid, wordt de tweede zin
opgeheven;
d) het artikel wordt aangevuld met een vierde en vijfde
paragraaf, luidende:
des articles 81ter à 81undecies de la loi hypothécaire du
16 décembre 1851”.
Art. 52
À l’article 6 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, les mots “à des services visés
à l’article 3, § 2, de la loi du 22 mars 1993” sont remplacés
par les mots “à des services visés à l’article 4 de la loi du
25 avril 2014”;
b) dans le paragraphe 4, 2°, les mots “l’article 27 de la loi
du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation” sont
remplacés par les mots “l’article VII.104 du Code de droit
économique”.
Art. 53
À l’article 7 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. Sans préjudice de l’article 271/8, alinéa 1er, de la loi
du 3 août 2012, lorsqu’une créance bancaire est cédée à ou
par un établissement de crédit, un établissement fi nancier
ou un organisme de mobilisation, les articles 1328 du Code
civil, VII.103 du Code de droit économique, 8 du chapitre II,
titre Ier du livre II du Code de commerce, ainsi que l’article 23,
alinéa 2, de la section 1re, titre XVII du livre III du Code civil ne
s’appliquent pas à cette cession. Ces mêmes dispositions ne
s’appliquent pas à la mise en gage d’une créance au profi t
de ou par un tel établissement ou organisme.”;
b) le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
“§ 2. Sans préjudice de l’article 271/8, alinéa 2, de la loi du
3 août 2012, lorsqu’une créance bancaire est cédée à ou par
un établissement de crédit, un établissement fi nancier ou un
organisme de mobilisation, le cessionnaire acquiert, par le
simple respect des prescriptions du livre III, titre VI, chapitre
VIII du Code civil, tous les droits découlant des conventions
d’assurance dont le cédant dispose comme garantie pour ou
en relation avec les créances cédées. Une mise en gage de
ces mêmes droits au profi t de ou par un tel établissement,
organisme ou patrimoine spécial résulte du simple respect
des dispositions de l’article 7 de la loi relative aux sûretés
fi nancières.”
c) dans le paragraphe 3, alinéa 1er, la deuxième phrase
est abrogée;
d) l’article est complété par un paragraphe 4 et un para-
graphe 5 rédigés comme suit:
46
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
“§ 4. De bepalingen van artikel 5 en artikel 3 § 3 zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot pandrechten
die geregistreerd zijn of waarvan registratie wordt beoogd
overeenkomstig afdeling 2 van Titel XVII van Boek III van het
Burgerlijk Wetboek en de termen inschrijving of ingeschreven
verwijzen naar de in die afdeling voorziene registratie.
§ 5. Wanneer één of meer gewaarborgde schuldvorde-
ringen voor de registratie zijn overgedragen aan of door een
kredietinstelling, een fi nanciële instelling of een mobiliserings-
instelling, kan een pand of voorrecht dat geregistreerd wordt
overeenkomstig artikel 107 eerste of derde lid van de wet van
11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de
zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot de
opheffing van diverse bepalingen, naar keuze geregistreerd
worden alleen op naam van de overdrager, op naam van
de overdrager en de overnemer, of alleen op naam van de
overnemer. Ongeacht de keuze van de registratiewijze geniet
de overnemer krachtens het pand rechten ten belope van de
schuldvordering(en) die aan hem zijn overgedragen en kan
hij deze rechten uitoefenen ten aanzien van degene die het
pand verleent en ten aanzien van derden.”.
Art. 54
In artikel 8, § 2 van dezelfde wet worden de woorden “ar-
tikel 64/20, § 2, van de wet van 22 maart 1993” vervangen
door de woorden “artikel 15, § 2 van bijlage III bij de wet van
25 april 2014”.
Art. 55
In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigin-
gen aangebracht:
a) in paragraaf 1 worden de woorden “overeenkomstig
artikel 64/20, § 2, van de wet van 22 maart 1993” vervangen
door de woorden “overeenkomstig artikel 15, § 2 van bijlage
III bij de wet van 25 april 2014”;
b) in paragraaf 3 worden de woorden “overeenkom-
stig de bepalingen van artikel 64/20, § 2, van de wet van
22 maart 1993 en de betrokken uitvoeringsbesluiten, genomen
op grond van artikel 64/20, § 3, van de wet van 22 maart 1993”
vervangen door de woorden “overeenkomstig de bepalingen
van artikel 15, § 2 van bijlage III bij de wet van 25 april 2014 en
de betrokken uitvoeringsbesluiten, genomen op grond van
artikel 15, § 2 van bijlage III bij de wet van 25 april 2014”.
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen aan het Wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten
Art. 56
In artikel 29 van het Wetboek der registratie-, hypotheek-
en griffierechten worden de woorden “hetzij in de registers
van de hypotheekbewaarders, hetzij in de registers voor de
“§ 4. Les dispositions de l’article 5 et de l’article 3, § 3,
sont applicables par analogie en ce qui concerne les gages
enregistrés ou dont l’enregistrement est envisagé confor-
mément au livre III, titre XVII, section 2, du Code civil et les
termes “inscription” ou “inscrit” renvoient à l’enregistrement
prévu dans ladite section.
§ 5. Lorsqu’une ou plusieurs créances garanties sont,
préalablement à l’enregistrement, cédées à ou par un
établissement de crédit, un établissement fi nancier ou un
organisme de mobilisation, un gage ou un privilège enregis-
tré conformément à l’article 107, alinéa 1er ou 3, de la loi du
11 juillet 2003 modifi ant le Code civil en ce qui concerne les
sûretés réelles mobilières et abrogeant diverses dispositions
en cette matière peut, au choix, être enregistré soit au seul
nom du cédant, soit au nom du cédant et du cessionnaire,
soit au seul nom du cessionnaire. Quel que soit le choix du
mode d’enregistrement, le cessionnaire jouit des droits en
vertu du gage à concurrence de la (des) créance(s) qui lui est
(sont) cédée(s) et il peut exercer ces droits à l’égard de celui
qui consent le gage et à l’égard des tiers.”.
Art. 54
Dans l’article 8, § 2, de la même loi, les mots “l’article
64/20, § 2, de la loi du 22 mars 1993” sont remplacés par les
mots “l’article 15, § 2, de l’annexe III à la loi du 25 avril 2014”.
Art. 55
À l’article 9 de la même loi, les modifi cations suivantes
sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, les mots “conformément à
l’article 64/20, § 2, de la loi du 22 mars 1993” sont remplacés
par les mots “conformément à l’article 15, § 2, de l’annexe III
à la loi du 25 avril 2014”;
b) dans le paragraphe 3, les mots “conformément aux dis-
positions de l’article 64/20, § 2, de la loi du 22 mars 1993 et
des arrêtés d’exécution concernés, pris sur la base de l’article
64/20, § 3, de la loi du 22 mars 1993” sont remplacés par les
mots “conformément aux dispositions de l’article 15, § 2, de
l’annexe III à la loi du 25 avril 2014 et des arrêtés d’exécution
concernés, pris sur la base de l’article 15, § 2, de l’annexe III
à la loi du 25 avril 2014”.
CHAPITRE 5
Modifications du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Art. 56
Dans l’article 29 du Code des droits d’enregistrement,
d’hypothèque et de greffe, les mots “soit dans les registres
des conservateurs des hypothèques, soit dans les registres
47
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
inschrijvingen van het landbouwvoorrecht” vervangen door
de woorden “in de registers van de hypotheekbewaarders”.
Art. 57
In het opschrift van Titel I, Hoofdstuk IV, Afdeling VI, van
hetzelfde Wetboek worden de woorden “, inpandgevingen
van een handelszaak en vestigingen van een landbouwvoor-
recht” opgeheven.
Art. 58
Artikel 88 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet
van 23 december 1958, gewijzigd bij de programmawet van
2 augustus 2002 en vervangen bij de programmawet van
27 december 2004, wordt vervangen als volgt:
“Art. 88. De vestigingen van een hypotheek op een schip
dat niet naar zijn aard voor het zeevervoer bestemd is, worden
aan een recht van 0,50 pct. onderworpen.”.
Art. 59
In artikel 89 van hetzelfde Wetboek worden de woorden “,
het pand of het voorrecht gevestigd zijn” vervangen door de
woorden “gevestigd is”.
Art. 60
In artikel 91 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden “,
door de verpanding van een handelszaak of door een land-
bouwvoorrecht” opgeheven.
Art. 61
In artikel 921 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden
“, inpandgeving van een handelszaak of vestiging van een
landbouwvoorrecht” opgeheven.
Art. 62
In artikel 922 van hetzelfde Wetboek, wordt het woord
“of” ingevoegd vóór de woorden “van een hypotheek op een
schip” en worden de woorden “, van de verpanding van een
handelszaak of van een landbouwvoorrecht” opgeheven.
Art. 63
In artikel 93 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden “,
het pand of het landbouwvoorrecht” opgeheven.
aux inscriptions du privilège agricole,” sont remplacés par les
mots “dans les registres des conservateurs des hypothèques”.
Art. 57
Dans l’intitulé du Titre I, Chapitre IV, section VI, du même
Code, les mots “, de gage sur fonds de commerce ou de
privilège agricole” sont abrogés.
Art. 58
L’article 88 du même Code, inséré par la loi du 23 dé-
cembre 1958, modifi é par la loi-programme du 2 août 2002 et
remplacé par la loi-programme du 27 décembre 2004, est
remplacé par ce qui suit:
“Art. 88. Les constitutions d’hypothèque sur un navire
qui n’est pas destiné par nature au transport maritime, sont
assujetties à un droit de 0,50 p.c.”.
Art. 59
Dans l’article 89 du même Code, les mots “, le gage ou le
privilège sont constitués” sont remplacés par les mots “est
constituée”.
Art. 60
Dans l’article 91 du même Code, les mots “par un gage sur
fonds de commerce ou par un privilège agricole” sont abrogés.
Art. 61
Dans l’article 921 du même Code, les mots “, de gage ou
de privilège agricole” sont abrogés.
Art. 62
Dans l’article 922 du même Code, le mot “ou” est inséré
devant les mots “d’une hypothèque sur un navire” et les
mots “, d’un gage sur fonds de commerce ou d’un privilège
agricole” sont abrogés.
Art. 63
Dans l’article 93 du même Code, les mots “, le gage ou le
privilège agricole” sont abrogés.
48
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
HOOFDSTUK 6
Andere wijzigingsbepalingen
Afdeling 1
Wijzigingen aan de Hypotheekwet
Art. 64
In artikel 20, 5°, derde lid, van de hypotheekwet, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 14 januari 2013, wordt tussen de
woorden “gebruikt in” en het woord “nijverheids”, het woord
“landbouws-,” ingevoegd.
Art. 65
In artikel 81quater, § 1, 2° van dezelfde wet, gewijzigd bij
de wet van 26 oktober 2015, worden de woorden “in de zin
van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht
op kredietinstellingen” vervangen door de woorden “, een
kredietinstelling die onder een andere lidstaat ressorteert of
een bijkantoor van een kredietinstelling die ressorteert onder
een derde land in de zin van de wet van 25 april 2014 op het
statuut van en het toezicht op kredietinstellingen”.
Afdeling 2
Wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 62 betreffende de
bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten
en de vereffening van transacties op deze instrumenten
Art. 66
Artikel 7, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr.
62 wordt vervangen als volgt:
“Een pand op vervangbare fi nanciële instrumenten wordt
gevestigd overeenkomstig de wet van 15 december 2004 be-
treffende de fi nanciële zekerheden en houdende diverse fi s-
cale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten
en leningen met betrekking tot fi nanciële instrumenten. De in
pand gegeven fi nanciële instrumenten worden geïdentifi ceerd
volgens hun aard zonder opgave van nummer.”
Afdeling 3
Wijzigingen aan de wet van 2 januari 1991 betreffende
de markt van de effecten van de overheidsschuld
en het monetair beleidsinstrumentarium
Art. 67
In artikel 7 van de wet van 2 januari 1991 worden het eerste
en het tweede lid vervangen als volgt:
“Een pand op gedematerialiseerde effecten wordt geves-
tigd overeenkomstig de wet van 15 december 2004 betref-
fende de fi nanciële zekerheden en houdende diverse fi scale
CHAPITRE 6
Autres dispositions modificatives
Section 1re
Modifications de la loi hypothécaire
Art. 64
Dans l’article 20, 5°, alinéa 3, de la loi hypothécaire, modifi é
en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, le mot “agricoles,”
est inséré entre le mot “entreprises” et le mot “industrielles”.
Art. 65
Dans l’article 81quater, § 1er, 2°, de la même loi, modifi é
par la loi du 26 octobre 2015, les mots “au sens de la loi du
25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établisse-
ments de crédit” sont remplacés par les mots “, un établisse-
ment de crédit relevant du droit d’un autre État membre ou
une succursale d’un établissement de crédit relevant du droit
d’un pays tiers au sens de la loi du 25 avril 2014 relative au
statut et au contrôle des établissements de crédit”.
Section 2
Modifications de l’arrêté royal n° 62 coordonné relatif
au dépôt d’instruments financiers fongibles et à la
liquidation d’opérations sur ces instruments
Art. 66
L’article 7, § 1er, alinéa 1er, de l’arrêté royal n° 62 est rem-
placé par ce qui suit:
“Un gage sur instruments fi nanciers fongibles est constitué
conformément à la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûre-
tés fi nancières et portant des dispositions fi scales diverses
en matière de conventions constitutives de sûreté réelle et de
prêts portant sur des instruments fi nanciers. Les instruments
fi nanciers donnés en gage sont identifi és par leur nature sans
spécifi cation de numéro.”
Section 3
Modifications de la loi du 2 janvier 1991 relative
au marché des titres de la dette publique et
aux instruments de la politique monétaire
Art. 67
Dans l’article 7 de la loi du 2 janvier 1991, les alinéas 1er
et 2 sont remplacés par ce qui suit:
“Un gage sur des titres dématérialisés est constitué confor-
mément à la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés
fi nancières et portant des dispositions fi scales diverses en
49
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en
leningen met betrekking tot fi nanciële instrumenten.”
Afdeling 4
Wijzigingen aan het Wetboek van vennootschappen
Art. 68
Artikel 470, eerste lid, van het Wetboek van vennootschap-
pen wordt vervangen als volgt:
“Een pand op gedematerialiseerde effecten wordt geves-
tigd overeenkomstig de wet van 15 december 2004 betref-
fende de fi nanciële zekerheden en houdende diverse fi scale
bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en
leningen met betrekking tot fi nanciële instrumenten.”
Afdeling 5
Wijzigingen aan de wet van 19 april 2014
betreffende de alternatieve instellingen voor
collectieve belegging en hun beheerders
Art. 69
Artikel 513 van de wet van 19 april 2014 betreffende de
alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun
beheerders wordt vervangen als volgt:
“In artikel 271/8, van de wet van 3 augustus 2012 betref-
fende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen
aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellin-
gen voor belegging in schuldvorderingen, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) in het eerste lid wordt de eerste zin die aanvangt met de
woorden “In geval een schuldvordering wordt overgedragen”
en eindigt met de woorden “niet van toepassing op deze
overdracht” vervangen als volgt:
“In geval een schuldvordering wordt overgedragen aan of
door een instelling voor collectieve belegging in schuldvorde-
ringen in de zin van deze wet, zijn de artikelen 1328 van het
Burgerlijk Wetboek en VII. 103 van het Wetboek van econo-
misch recht, artikel 8 van hoofdstuk II, titel I van boek II van
het Wetboek van koophandel en artikel 23, tweede lid van de
wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek
wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft,
niet van toepassing op deze overdracht”;
b) in het tweede lid worden de woorden “de voorschriften
van boek III, titel XVII van het Burgerlijk Wetboek of titel VI,
boek I van het Wetboek van koophandel” vervangen door de
woorden “de bepalingen van artikel 7 van de wet van 15 de-
cember 2004 betreffende fi nanciële zekerheden”.”.
matière de conventions constitutives de sûreté réelle et de
prêts portant sur des instruments fi nanciers.”
Section 4
Modifications du Code des sociétés
Art. 68
L’article 470, alinéa 1er, du Code des sociétés est remplacé
par ce qui suit:
“Un gage sur des titres dématérialisés est constitué confor-
mément à la loi du 15 décembre 2004 relative aux sûretés
fi nancières et portant des dispositions fi scales diverses en
matière de conventions constitutives de sûreté réelle et de
prêts portant sur des instruments fi nanciers.”
Section 5
Modifications de la loi du 19 avril 2014 relative
aux organismes de placement collectif
alternatifs et à leurs gestionnaires
Art. 69
L’article 513 de la loi du 19 avril 2014 relative aux orga-
nismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestion-
naires est remplacé par ce qui suit:
“Dans l’article 271/8 de la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui répondent aux condi-
tions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de place-
ment en créances, les modifi cations suivantes sont apportées:
a) dans l’alinéa 1er, la première phrase commençant par
les mots “Lorsqu’une créance est cédée” et fi nissant par les
mots “ne sont pas applicables à cette cession” est remplacée
par ce qui suit:
“Lorsqu’une créance est cédée par ou à un organisme de
placement collectif en créances au sens de la présente loi,
l’article 1328 du Code civil et l’article VII.103 du Code de droit
économique, l’article 8 du Chapitre II, Titre Ier du Livre II du
Code du commerce et l’article 23, alinéa 2, de la loi du 11 juil-
let 2013 modifi ant le Code civil en ce qui concerne les sûretés
réelles mobilières ne sont pas applicables à cette cession”;
b) dans l’alinéa 2, les mots “des formalités prescrites par les
dispositions du Livre III, Titre XVII du Code civil ou titre VI, livre
Ier du Code de commerce” sont remplacés par les mots “des
dispositions de l’article 7 de la loi du 15 décembre 2004 rela-
tive aux sûretés fi nancières”.”.
50
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
HOOFDSTUK 7
Overgangsbepaling
Art. 70
Het recht van 0,50 pct., geheven overeenkomstig artikel
88 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffie-
rechten vóór de inwerkingtreding van artikel 58 van deze wet,
wordt in mindering gebracht op het krachtens artikel 87 van
hetzelfde Wetboek verschuldigde recht, wanneer later een
hypotheek wordt gevestigd tot zekerheid van dezelfde schuld.
HOOFDSTUK 8
Inwerkingtreding
Art. 71
Deze wet treedt in werking op de dag van inwerkingtreding
van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk
Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen
betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake.
De artikelen 33 tot 35 treden in werking op de tiende dag
na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
CHAPITRE 7
Disposition transitoire
Art. 70
Le droit de 0,5 p.c., perçu conformément à l’article 88 du
Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
avant l’entrée en vigueur de l’article 58 de la présente loi, est
déductible du droit dû en vertu de l’article 87 du même Code
lorsqu’une hypothèque est constituée ultérieurement pour
sûreté de la même dette.
CHAPITRE 8
Entrée en vigueur
Art. 71
La présente loi entre en vigueur le jour de l’entrée en
vigueur de la loi du 11 juillet 2013 modifi ant le Code Civil en
ce qui concerne les sûretés réelles mobilières et abrogeant
diverses dispositions en cette matière.
Les articles 33 à 35 entrent en vigueur le dixième jour qui
suit la publication de la présente loi au Moniteur Belge.
51
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
RIA formulier - v2 - oct. 2014
1 / 7
Regelgevingsimpactanalyse
RiA-AiR
:: Vul het formulier bij voorkeur online in ria-air.fed.be
:: Contacteer de helpdesk indien nodig ria-air@premier.fed.be
:: Raadpleeg de handleiding, de FAQ, enz. www.vereenvoudiging.be
Beschrijvende fiche
Auteur .a.
Bevoegd regeringslid
Koen Geens, Minister van Justitie
Contactpersoon beleidscel (Naam, E-mail, Tel. Nr.)
Overheidsdienst
FOD Justitie
Contactpersoon overheidsdienst (Naam, E-mail, Tel. Nr.)
Ontwerp .b.
Titel van het ontwerp van regelgeving
Ontwerp van wet houdende de wijziging van verscheidene bepalingen
betreffende de zakelijke zekerheden op roerende goederen
Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met
vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn,
samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde
doelen van uitvoering.
Doordat de wet van 26 november 2014 voorzag in het uitstellen van
de inwerkingtreding van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het
Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende
goederen betreft en tot opheffingvan diverse bepalingen ter zake, tot
uiterlijk 1 januari 2017, werd de mogelijkheid gecreëerd om de
praktijk te consulteren over de nieuwe regeling, waardoor enkele voor
de praktijk belemmerende aspecten werden vastgesteld. Deze
vaststelling heeft de regering ertoe gebracht om opnieuw een
wetsontwerp in te dienen om het pandrecht en de voorziene werking
van het pandregister verder op punt te stellen en te verfijnen.
Daarnaast blijkt dat een aantal wetten die rechtstreeks of
onrechtstreeks raken aan deze materie eveneens dienen aangepast
om een effectieve wisselwerking tussen de vernieuwde
pandwetgeving en die wetten mogelijk te maken, inclusief wat betreft
kruisverwijzingen en andere aanpassingen aan de nieuwe
systematiek. De doelstelling van dit ontwerp is de tijdige doorvoering
van deze aanpassingen.
Impactanalyses reeds uitgevoerd
܆ Ja
܈ Nee
Indien ja, gelieve een kopie bij te voegen of de referentie
van het document te vermelden: _ _
Raadpleging over het ontwerp van regelgeving .c.
Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen:
Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren .d.
Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en
Ontwerp van wet houdende de wijziging van verscheidene bepalingen
betreffende de zakelijke zekerheden op roerende goederen
52
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
RIA formulier - v2 - oct. 2014
2 / 7
contactpersonen:
Datum van beëindiging van de impactanalyse .e.
04/04/2016
53
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
RIA formulier - v2 - oct. 2014
3 / 7
Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s?
>
Een ontwerp van regelgeving zal meestal slechts impact hebben op enkele thema’s.
Een niet-exhaustieve lijst van trefwoorden is gegeven om de inschatting van elk thema te vergemakkelijken.
Indien er een positieve en/of negatieve impact is, leg deze uit (gebruik indien nodig trefwoorden) en
vermeld welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve effecten te verlichten/te
compenseren.
Voor de thema’s 3, 10, 11 en 21, worden meer gedetailleerde vragen gesteld.
Raadpleeg de handleiding of contacteer de helpdesk ria-air@premier.fed.be indien u vragen heeft.
Kansarmoedebestrijding .1.
Menswaardig minimuminkomen, toegang tot kwaliteitsvolle diensten, schuldenoverlast, risico op armoede of sociale uitsluiting (ook bij
minderjarigen), ongeletterdheid, digitale kloof.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Gelijke Kansen en sociale cohesie .2.
Non-discriminatie, gelijke behandeling, toegang tot goederen en diensten, toegang tot informatie, tot onderwijs en tot opleiding, loonkloof,
effectiviteit van burgerlijke, politieke en sociale rechten (in het bijzonder voor kwetsbare bevolkingsgroepen, kinderen, ouderen, personen met
een handicap en minderheden).
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Gelijkheid van vrouwen en mannen .3.
Toegang van vrouwen en mannen tot bestaansmiddelen: inkomen, werk, verantwoordelijkheden, gezondheid/zorg/welzijn, veiligheid,
opleiding/kennis/vorming, mobiliteit, tijd, vrije tijd, etc.
Uitoefening door vrouwen en mannen van hun fundamentele rechten: burgerlijke, sociale en politieke rechten.
1.
Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste
samenstelling van deze groep(en) van personen?
Indien geen enkele persoon betrokken is, leg uit waarom.
Dit ontwerp heeft betrekking op de personen die partij zijn bij een pandovereenkomst en op alle daarbij betrokken
instanties. Er is geen reden om aan te nemen dat er een ongelijke samenstelling naar geslacht van deze personen zou
bestaan. Het ontwerp voert geen rechtstreeks noch een onrechtstreeks verschil in behandeling in tussen mannen en
vrouwen.
љ
Indien er personen betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2.
2.
Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop het
ontwerp van regelgeving betrekking heeft.
Geen verschil in behandeling
љ
Indien er verschillen zijn, beantwoord dan vragen 3 en 4.
3.
Beperken bepaalde van deze verschillen de toegang tot bestaansmiddelen of de uitoefening van fundamentele
rechten van vrouwen of mannen (problematische verschillen)? [J/N] > Leg uit
_ _
4.
Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de gelijkheid van vrouwen en mannen, rekening
houdend met de voorgaande antwoorden?
_ _
љ
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 5.
5.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
54
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
RIA formulier - v2 - oct. 2014
4 / 7
_ _
Gezondheid .4.
Toegang tot kwaliteitsvolle gezondheidszorg, efficiëntie van het zorgaanbod, levensverwachting in goede gezondheid, behandelingen van
chronische ziekten (bloedvatenziekten, kankers, diabetes en chronische ademhalingsziekten), gezondheidsdeterminanten (sociaaleconomisch
niveau, voeding, verontreiniging), levenskwaliteit.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Werkgelegenheid .5.
Toegang tot de arbeidsmarkt, kwaliteitsvolle banen, werkloosheid, zwartwerk, arbeids- en ontslagomstandigheden, loopbaan, arbeidstijd, welzijn
op het werk, arbeidsongevallen, beroepsziekten, evenwicht privé- en beroepsleven, gepaste verloning, mogelijkheid tot beroepsopleiding,
collectieve arbeidsverhoudingen.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Consumptie- en productiepatronen .6.
Prijsstabiliteit of -voorzienbaarheid, inlichting en bescherming van de consumenten, doeltreffend gebruik van hulpbronnen, evaluatie en integratie
van (sociale- en milieu-) externaliteiten gedurende de hele levenscyclus van de producten en diensten, beheerpatronen van organisaties.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Economische ontwikkeling .7.
Oprichting van bedrijven, productie van goederen en diensten, arbeidsproductiviteit en productiviteit van hulpbronnen/grondstoffen,
competitiviteitsfactoren, toegang tot de markt en tot het beroep, markttransparantie, toegang tot overheidsopdrachten, internationale handels-
en financiële relaties, balans import/export, ondergrondse economie, bevoorradingszekerheid van zowel energiebronnen als minerale en
organische hulpbronnen.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Investeringen .8.
Investeringen in fysiek (machines, voertuigen, infrastructuren), technologisch, intellectueel (software, onderzoek en ontwikkeling) en menselijk
kapitaal, nettoinvesteringscijfer in procent van het bbp.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Onderzoek en ontwikkeling .9.
Mogelijkheden betreffende onderzoek en ontwikkeling, innovatie door de invoering en de verspreiding van nieuwe productiemethodes, nieuwe
ondernemingspraktijken of nieuwe producten en diensten, onderzoeks- en ontwikkelingsuitgaven.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
55
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
RIA formulier - v2 - oct. 2014
5 / 7
Kmo’s .10.
Impact op de ontwikkeling van de kmo’s.
1.
Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken?
Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (< 50 werknemers), waaronder het % micro-ondernemingen
(< 10 werknemers).
Indien geen enkele onderneming betrokken is, leg uit waarom.
Artikel 94 van de wet van 11 juli 2013 heeft artikel 20, 2° afgeschaft, het speciaal voorrecht van de verkoper van
landbouwmaterieel. Maar men is vergeten dat in art. 20, 5° Hypotheekwet het behoud van het voorrecht voor
bedrijfsuitrusting bij onroerendmaking enkel voorzien is voor andere dan landbouwondernemingen: “Het voorrecht
ingesteld bij de nrs. 4 en 5 houdt op te gelden wanneer die roerende goederen onroerend zijn geworden door bestemming
of incorporatie, behalve indien het machines, toestellen, gereedschappen en ander bedrijfsuitrustingsmaterieel betreft,
gebruikt in nijverheids-, handels- of ambachtsondernemingen.” Om krediet aan landbouwers te behouden en een
ongrondwettige discriminatie te vermijden moeten “landbouwondernemingen” worden toegevoegd, hetgeen wordt
geregeld in art. 32 van dit ontwerp.
љ
Indien er kmo’s betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2.
2.
Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s.
N.B. De impact op de administratieve lasten moet bij thema 11 gedetailleerd worden.
Postitief. Het betreft het voorrecht voor bedrijfsuitoefening bij onroerendmaking.
љ
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vragen 3 tot 5.
3.
Is deze impact verhoudingsgewijs zwaarder voor de kmo’s dan voor de grote ondernemingen? [J/N] > Leg uit
4.
Staat deze impact in verhouding tot het beoogde doel? [J/N] > Leg uit
5.
Welke maatregelen worden genomen om deze negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
Administratieve lasten .11.
Verlaging van de formaliteiten en administratieve verplichtingen die direct of indirect verbonden zijn met de uitvoering, de naleving en/of de
instandhouding van een recht, een verbod of een verplichting.
љ
Indien burgers (zie thema 3) en/of ondernemingen (zie thema 10) betrokken zijn, beantwoord dan volgende vragen.
1.
Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving.
Indien er geen enkele formaliteiten of verplichtingen zijn, leg uit waarom.
a.
_ _huidige regelgeving*
b.
ontwerp van regelgeving: Art. 15 van het ontwerp heft
het tweede lid van het toekomstig artikel 33, titel XVII,
boek III, Burgerlijk Wetboek, op omdat het concrete
ontwerp van het pandregister geen actieve
tussenkomst van de Administratie voorziet. In geval
van onenigheid zal het geschil dus door de rechtbank
moeten worden beslecht.
љ
Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de
huidige* regelgeving, beantwoord dan vragen 2a tot
4a.
љ
Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het
ontwerp van regelgeving**, beantwoord dan vragen 2b
tot 4b.
2.
Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen?
a.
_ _*
b.
_ _**
3.
Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld?
a.
_ _*
b.
_ _**
56
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
RIA formulier - v2 - oct. 2014
6 / 7
4.
Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep?
a.
_ _*
b.
_ _**
5.
Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
Energie .12.
Energiemix (koolstofarm, hernieuwbaar, fossiel), gebruik van biomassa (hout, biobrandstoffen), energie-efficiëntie, energieverbruik van de
industrie, de dienstensector, de transportsector en de huishoudens, bevoorradingszekerheid, toegang tot energiediensten en -goederen.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Mobiliteit .13.
Transportvolume (aantal afgelegde kilometers en aantal voertuigen), aanbod van gemeenschappelijk personenvervoer, aanbod van wegen, sporen
en zee- en binnenvaart voor goederenvervoer, verdeling van de vervoerswijzen (modal shift), veiligheid, verkeersdichtheid.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Voeding .14.
Toegang tot veilige voeding (kwaliteitscontrole), gezonde en voedzame voeding, verspilling, eerlijke handel.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Klimaatverandering .15.
Uitstoot van broeikasgassen, aanpassingsvermogen aan de gevolgen van de klimaatverandering, veerkracht, energie overgang, hernieuwbare
energiebronnen, rationeel energiegebruik, energie-efficiëntie, energieprestaties van gebouwen, winnen van koolstof.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Natuurlijke hulpbronnen .16.
Efficiënt beheer van de hulpbronnen, recyclage, hergebruik, waterkwaliteit en -consumptie (oppervlakte- en grondwater, zeeën en oceanen),
bodemkwaliteit en -gebruik (verontreiniging, organisch stofgehalte, erosie, drooglegging, overstromingen, verdichting, fragmentatie), ontbossing.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Buiten- en binnenlucht .17.
Luchtkwaliteit (met inbegrip van de binnenlucht), uitstoot van verontreinigende stoffen (chemische of biologische agentia: methaan,
koolwaterstoffen, oplosmiddelen, SOX, NOX, NH3), fijn stof.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Biodiversiteit .18.
Graad van biodiversiteit, stand van de ecosystemen (herstelling, behoud, valorisatie, beschermde zones), verandering en fragmentatie van de
habitatten, biotechnologieën, uitvindingsoctrooien in het domein van de biologie, gebruik van genetische hulpbronnen, diensten die de
57
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
RIA formulier - v2 - oct. 2014
7 / 7
ecosystemen leveren (water- en luchtzuivering, enz.), gedomesticeerde of gecultiveerde soorten, invasieve uitheemse soorten, bedreigde soorten.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Hinder .19.
Geluids-, geur- of visuele hinder, trillingen, ioniserende, niet-ioniserende en elektromagnetische stralingen, lichtoverlast.
܆ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܈ Geen impact
_ _
Overheid .20.
Democratische werking van de organen voor overleg en beraadslaging, dienstverlening aan gebruikers, klachten, beroep, protestbewegingen, wijze
van uitvoering, overheidsinvesteringen.
܈ Positieve impact
܆ Negatieve impact
љ
Leg uit.
܆ Geen impact
Art. 15 van het ontwerp vermindert de administratieve en financiële belasting van de overheid (bevoegde
dienst van de FOD Financiën)
Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling .21.
Inachtneming van de onbedoelde neveneffecten van de Belgische beleidsmaatregelen op de belangen van de ontwikkelingslanden.
1.
Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak
van:
ӑ voedselveiligheid
ӑ gezondheid en toegang tot
geneesmiddelen
ӑ waardig werk
ӑ lokale en internationale handel
ӑ inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie)
ӑ mobiliteit van personen
ӑ leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling)
ӑ vrede en veiligheid
Indien er geen enkelen ontwikkelingsland betrokken is, leg uit waarom.
Dit wetsontwerp betreft louter nationale materie en heeft geen betrekking op ontwikkelingslanden.
љ
Indien er een positieve en/of negatieve impact is, beantwoord dan vraag 2.
2.
Verduidelijk de impact per regionale groepen of economische categorieën (eventueel landen oplijsten). Zie bijlage
_ _
љ
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 3.
3.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
58
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
1 / 7
Analyse d'impact de la réglementation
RiA-AiR
:: Remplissez de préférence le formulaire en ligne ria-air.fed.be
:: Contactez le Helpdesk si nécessaire ria-air@premier.fed.be
:: Consultez le manuel, les FAQ, etc. www.simplification.be
Fiche signalétique
Auteur .a.
Membre du Gouvernement compétent
Koen Geens, Ministre de la Justice
Contact cellule stratégique (nom, email, tél.)
Administration compétente
SPF Justice
Contact administration (nom, email, tél.)
Projet .b.
Titre du projet de réglementation
Projet de loi modifiant diverses dispositions relatives aux sûretés réelles mobilières
Description succincte du projet de
réglementation en mentionnant l'origine
réglementaire (traités, directive, accord de
coopération, actualité, …), les objectifs
poursuivis et la mise en œuvre.
La loi du 26 novembre 2014 a postposé l’entrée en vigueur de loi du 11 juillet 2013
modifiant le Code civil en ce qui concerne les sûretés réelles mobilières et
abrogeant diverses dispositions en cette matière, jusqu’au 1er janvier 2017 au plus
tard. Ce report a permis de contacter les praticiens sur la nouvelle réglementation.
De ce fait, quelques aspects gênants pour la pratique ont été constatés. Cette
constatation a amené le gouvernement à déposer à nouveau un projet de loi afin
de mettre au point et d'affiner le gage et le fonctionnement prévu du registre des
gages. Il apparaît en outre qu'un certain nombre de lois touchant directement ou
indirectement à cette matière doivent également être adaptées afin de permettre
une interaction efficace entre la législation modernisée en matière de gage et ces
lois, y compris ce qui concerne les renvois et autres adaptations au nouveau
système. Le présent projet a pour but d'apporter ces adaptations dans les temps
Analyses d'impact déjà réalisées
܆ Oui
܈ Non
Si oui, veuillez joindre une copie ou indiquer la référence du
document : _ _
Consultations sur le projet de réglementation .c.
Consultations obligatoires, facultatives ou
informelles :
Commission de protection de la vie privée
Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact .d.
Statistiques, documents de référence,
organisations et personnes de référence :
Projet de loi modifiant diverses dispositions relatives aux sûretés réelles
mobilières
59
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
2 / 7
Date de finalisation de l’analyse d’impact .e.
04/04/2016
60
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
3 / 7
Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ?
>
Un projet de réglementation aura généralement des impacts sur un nombre limité de thèmes.
Une liste non-exhaustive de mots-clés est présentée pour faciliter l’appréciation de chaque thème.
S’il y a des impacts positifs et / ou négatifs, expliquez-les (sur base des mots-clés si nécessaire) et
indiquez les mesures prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs.
Pour les thèmes 3, 10, 11 et 21, des questions plus approfondies sont posées.
Consultez le manuel ou contactez le helpdesk ria-air@premier.fed.be pour toute question.
Lutte contre la pauvreté .1.
Revenu minimum conforme à la dignité humaine, accès à des services de qualité, surendettement, risque de pauvreté ou d’exclusion sociale (y
compris chez les mineurs), illettrisme, fracture numérique.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Égalité des chances et cohésion sociale .2.
Non-discrimination, égalité de traitement, accès aux biens et services, accès à l’information, à l’éducation et à la formation, écart de revenu,
effectivité des droits civils, politiques et sociaux (en particulier pour les populations fragilisées, les enfants, les personnes âgées, les personnes
handicapées et les minorités).
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Égalité entre les femmes et les hommes .3.
Accès des femmes et des hommes aux ressources : revenus, travail, responsabilités, santé/soins/bien-être, sécurité, éducation/savoir/formation,
mobilité, temps, loisirs, etc.
Exercice des droits fondamentaux par les femmes et les hommes : droits civils, sociaux et politiques.
1.
Quelles personnes sont directement et indirectement concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de ce(s)
groupe(s) de personnes ?
Si aucune personne n’est concernée, expliquez pourquoi.
Ce projet concerne les persones qui sont parties dans un contrat de bail, et les instances concernées par ce contrat. Il n’y a
aucun raison pour estimer qu’il y aurait une composition sexuée inégale de ces personnes. Le présent projet ne crée aucune
différence de traitement directe ou indirecte entre hommes et femmes.
љ
Si des personnes sont concernées, répondez à la question 2.
2.
Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière relative
au projet de réglementation.
Aucun différences de traitement.
љ
S’il existe des différences, répondez aux questions 3 et 4.
3.
Certaines de ces différences limitent-elles l’accès aux ressources ou l’exercice des droits fondamentaux des
femmes ou des hommes (différences problématiques) ? [O/N] > expliquez
_ _
4.
Compte tenu des réponses aux questions précédentes, identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur
l’égalité des femmes et les hommes ?
_ _
љ
S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 5.
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
61
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
4 / 7
Santé .4.
Accès aux soins de santé de qualité, efficacité de l’offre de soins, espérance de vie en bonne santé, traitements des maladies chroniques
(maladies cardiovasculaires, cancers, diabètes et maladies respiratoires chroniques), déterminants de la santé (niveau socio-économique,
alimentation, pollution), qualité de la vie.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Emploi .5.
Accès au marché de l’emploi, emplois de qualité, chômage, travail au noir, conditions de travail et de licenciement, carrière, temps de travail,
bien-être au travail, accidents de travail, maladies professionnelles, équilibre vie privée - vie professionnelle, rémunération convenable,
possibilités de formation professionnelle, relations collectives de travail.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Modes de consommation et production .6.
Stabilité/prévisibilité des prix, information et protection du consommateur, utilisation efficace des ressources, évaluation et intégration des
externalités (environnementales et sociales) tout au long du cycle de vie des produits et services, modes de gestion des organisations.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Développement économique .7.
Création d’entreprises, production de biens et de services, productivité du travail et des ressources/matières premières, facteurs de compétitivité,
accès au marché et à la profession, transparence du marché, accès aux marchés publics, relations commerciales et financières internationales,
balance des importations/exportations, économie souterraine, sécurité d’approvisionnement des ressources énergétiques, minérales et
organiques.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Investissements .8.
Investissements en capital physique (machines, véhicules, infrastructures), technologique, intellectuel (logiciel, recherche et développement) et
humain, niveau d’investissement net en pourcentage du PIB.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Recherche et développement .9.
Opportunités de recherche et développement, innovation par l’introduction et la diffusion de nouveaux modes de production, de nouvelles
pratiques d’entreprises ou de nouveaux produits et services, dépenses de recherche et de développement.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
62
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
5 / 7
PME .10.
Impact sur le développement des PME.
1.
Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées par le projet ?
Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (< 50 travailleurs) dont le % de micro-entreprise (< 10
travailleurs).
Si aucune entreprise n’est concernée, expliquez pourquoi.
L'article 94 de la loi du 11 juillet 2013 a abrogé l'article 20, 2°, le privilège spécial du vendeur de matériel agricole. On a
cependant oublié qu'à l'art. 20, 5°, de la loi hypothécaire, le maintien du privilège pour l'équipement professionnel en cas
d'immobilisation n'est prévu que pour les entreprises non agricoles : "Le privilège établi par les nos 4 et 5 cesse d'avoir effet
si ces objets mobiliers sont devenus immeubles par destination ou par incorporation, sauf s'il s'agit de machines, appareils,
outillage et autre matériel d'équipement professionnel, employés dans les entreprises industrielles, commerciales ou
artisanales." Pour maintenir le crédit aux agriculteurs et éviter toute discrimination contraire à la Constitution, il convient
d'ajouter les "entreprises agricoles", ce qui est réglé dans ce projet dans l’article 32.
љ
Si des PME sont concernées, répondez à la question 2.
2.
Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME.
N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11
Positif. Il s’agit du privilège pour l’équipement professionnel en cas d’immobilisation.
љ
S’il y a un impact négatif, répondez aux questions 3 à 5.
3.
Ces impacts sont-ils proportionnellement plus lourds sur les PME que sur les grandes entreprises ? [O/N] >
expliquez
_ _
4.
Ces impacts sont-ils proportionnels à l'objectif poursuivi ? [O/N] > expliquez
_ _
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
Charges administratives .11.
Réduction des formalités et des obligations administratives liées directement ou indirectement à l’exécution, au respect et/ou au maintien d’un
droit, d’une interdiction ou d’une obligation.
љ
Si des citoyens (cf. thème 3) et/ou des entreprises (cf. thème 10) sont concernés, répondez aux questions suivantes.
1.
Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation.
S’il n’y a aucune formalité ou obligation, expliquez pourquoi.
a.
_ _réglementation actuelle*
b.
réglementation en projet : Article 15 du présent projet
abroge l'alinéa 2 du futur article 33 du titre XVII du
livre III du Code civil, car le projet concret du registre
des gages ne prévoit aucune intervention active de
l'Administration. En cas de désaccord, le litige devra
donc être tranché par le tribunal.
љ
S’il y a des formalités et des obligations dans la
réglementation actuelle*, répondez aux
questions 2a à 4a.
љ
S’il y a des formalités et des obligations dans la
réglementation en projet**, répondez aux
questions 2b à 4b.
2.
Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ?
a.
_ _*
b.
_ _**
3.
Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ?
a.
_ _*
b.
_ _**
63
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
6 / 7
4.
Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ?
a.
_ _*
b.
_ _**
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ?
_ _
Énergie .12.
Mix énergétique (bas carbone, renouvelable, fossile), utilisation de la biomasse (bois, biocarburants), efficacité énergétique, consommation
d’énergie de l’industrie, des services, des transports et des ménages, sécurité d’approvisionnement, accès aux biens et services énergétiques.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Mobilité .13.
Volume de transport (nombre de kilomètres parcourus et nombre de véhicules), offre de transports collectifs, offre routière, ferroviaire, maritime
et fluviale pour les transports de marchandises, répartitions des modes de transport (modal shift), sécurité, densité du trafic.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Alimentation .14.
Accès à une alimentation sûre (contrôle de qualité), alimentation saine et à haute valeur nutritionnelle, gaspillages, commerce équitable.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Changements climatiques .15.
Émissions de gaz à effet de serre, capacité d’adaptation aux effets des changements climatiques, résilience, transition énergétique, sources
d’énergies renouvelables, utilisation rationnelle de l’énergie, efficacité énergétique, performance énergétique des bâtiments, piégeage du carbone.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Ressources naturelles .16.
Gestion efficiente des ressources, recyclage, réutilisation, qualité et consommation de l’eau (eaux de surface et souterraines, mers et océans),
qualité et utilisation du sol (pollution, teneur en matières organiques, érosion, assèchement, inondations, densification, fragmentation),
déforestation.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Air intérieur et extérieur .17.
Qualité de l’air (y compris l’air intérieur), émissions de polluants (agents chimiques ou biologiques : méthane, hydrocarbures, solvants, SOx, NOx,
NH3), particules fines.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Biodiversité .18.
Niveaux de la diversité biologique, état des écosystèmes (restauration, conservation, valorisation, zones protégées) , altération et fragmentation
64
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
7 / 7
des habitats, biotechnologies, brevets d’invention sur la matière biologique, utilisation des ressources génétiques, services rendus par les
écosystèmes (purification de l’eau et de l’air, …), espèces domestiquées ou cultivées, espèces exotiques envahissantes, espèces menacées.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Nuisances .19.
Nuisances sonores, visuelles ou olfactives, vibrations, rayonnements ionisants, non ionisants et électromagnétiques, nuisances lumineuses.
܆ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܈ Pas d’impact
_ _
Autorités publiques .20.
Fonctionnement démocratique des organes de concertation et consultation, services publics aux usagers, plaintes, recours, contestations, mesures
d’exécution, investissements publics.
܈ Impact positif
܆ Impact négatif
љ Expliquez.
܆ Pas d’impact
L’article 15 du présent projet diminue les charges administatives et financières sur les autorités publiques
(service compétent de l’SPF Finances)
Cohérence des politiques en faveur du développement .21.
Prise en considération des impacts involontaires des mesures politiques belges sur les intérêts des pays en développement.
1.
Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants :
ӑ sécurité alimentaire
ӑ santé et accès aux
médicaments
ӑ travail décent
ӑ commerce local et international
ӑ revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation)
ӑ mobilité des personnes
ӑ environnement et changements climatiques (mécanismes de développement
propre)
ӑ paix et sécurité
Expliquez si aucun pays en développement n’est concerné.
Le présent projet ne concerne que des matières nationales, et n’a par conséquent pas d’impact sur des pays en
développement.
љ
S’il y a des impacts positifs et/ou négatifs, répondez à la question 2.
2.
Précisez les impacts par groupement régional ou économique (lister éventuellement les pays). Cf. manuel
_ _
љ
S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 3.
3.
Quelles mesures sont prises pour les alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
65
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
NR. 59.943/2/V
VAN 7 SEPTEMBER 2016
Op 25 juli 2016 is de Raad van State, afdeling Wetgeving,
door de minister van Justitie verzocht binnen een termijn
van dertig dagen, van rechtswege (*) verlengd tot 9 septem-
ber 2016, een advies te verstrekken over een voorontwerp
van wet “houdende de wijziging van verscheidene bepalingen
betreffende de zakelijke zekerheden op roerende goederen”.
Het voorontwerp is door de tweede vakantiekamer onder-
zocht op 7 september 2016. De kamer was samengesteld
uit Pierre Vandernoot, kamervoorzitter, Luc Detroux en
Wanda Vogel, staatsraden, Jacques Englebert, assessor, en
Anne-Catherine Van Geersdaele, griffier.
Het verslag is opgesteld door Jean-Luc Paquet, eerste
auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre
Vandernoot.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op
7 september 2016.
*
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van
artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op
de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeen-
komstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde
wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het vooront-
werp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de
te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat die drie punten betreft, geeft het voorontwerp aanlei-
ding tot de volgende opmerkingen.
ONDERZOEK VAN HET ONTWERP
DISPOSITIEF
Artikel 4
Er wordt voorgesteld om in het ontworpen eerste lid, in fi ne,
van artikel 7 (“Voorwerp”) van boek III, titel XVII, hoofdstuk 1,
van het Burgerlijk Wetboek, na de woorden “met uitzondering
van zeeschepen en teboekgestelde schepen en vaartuigen”
de woorden “in de zin van boek II van het Wetboek van
Koophandel” toe te voegen.
(*) Deze verlenging vloeit voort uit artikel 84, § 1, eerste lid,
2°, in fi ne, van de gecoördineerde wetten op de Raad van
State waarin wordt bepaald dat deze termijn van rechtswege
verlengd wordt met vijftien dagen wanneer hij begint te lopen
tussen 15 juli en 31 juli of wanneer hij verstrijkt tussen 15 juli
en 15 augustus.
AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT
N° 59.943/2/V
DU 7 SEPTEMBRE 2016
Le 25 juillet 2016, le Conseil d’État, section de législation, a
été invité par le ministre de la Justice à communiquer un avis,
dans un délai de trente jours, prorogé de plein droit (*) jusqu’au
9 septembre 2016, sur un avant-projet de loi “modifiant
diverses dispositions relatives aux sûretés réelles mobilières”.
L’avant-projet a été examiné par la deuxième chambre des
vacations le 7 septembre 2016. La chambre était composée
de Pierre Vandernoot, président de chambre, Luc Detroux et
Wanda Vogel, conseillers d’État, Jacques Englebert, asses-
seur, et Anne-Catherine Van Geersdaele, greffier.
Le rapport a été rédigé par Jean-Luc Paquet, premier
auditeur.
La concordance entre la version française et la ver-
sion néerlandaise a été vérifi ée sous le contrôle de Pierre
Vandernoot.
L’avis, dont le texte suit, a été donné le 7 septembre 2016.
*
Comme la demande d’avis est introduite sur la base de
l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, des lois coordonnées sur le
Conseil d’État, la section de législation limite son examen
au fondement juridique de l’avant-projet, à la compétence
de l’auteur de l’acte ainsi qu’à l’accomplissement des for-
malités préalables, conformément à l’article 84, § 3, des lois
coordonnées précitées.
Sur ces trois points, l’avant-projet appelle les observations
suivantes.
EXAMEN DU PROJET
DISPOSITIF
Article 4
À la fi n de l’alinéa 1er de l’article 7 (“Objet”) en projet du
livre III, titre XVII, chapitre 1er, du Code civil, après les mots
“à l’exception des navires et des bateaux et bâtiments imma-
triculés”, il est suggéré d’ajouter les mots “au sens du livre II
du Code de commerce”.
(*) Ce délai résulte de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, in fi ne,
des lois coordonnées sur le Conseil d’État qui précise que
ce délai est prolongé de plein droit de quinze jours lorsqu’il
prend cours du 15 juillet au 31 juillet ou lorsqu’il expire entre
le 15 juillet et le 15 août.
66
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Artikel 7
Deze bepaling strekt ertoe het ontworpen artikel 15
(“Tegenwerpelijkheid”) van hetzelfde hoofdstuk van het
Burgerlijk Wetboek te wijzigen door de mogelijkheid af te
schaffen om de verpanding van schuldvorderingen in het
pandregister te registreren.
In de bespreking van het artikel wordt die wijziging als
volgt verantwoord: “Het gelijktijdig bestaan van twee moge-
lijkheden om de tegenwerpelijkheid van een pandrecht op
schuldvorderingen te bewerkstelligen, namelijk de registratie
(toekomstig artikel 15, titel XVII, boek III) en “controle” (toe-
komstig artikel 60, titel XVII, boek III), leidt tot moeilijkheden.”
De ontworpen artikelen 15 en 60 hebben echter blijkbaar
niet hetzelfde doel.
Het ontworpen artikel 15 voorziet in een regeling waarbij
het pandrecht in een pandregister wordt geregistreerd ten-
einde het pand tegenwerpelijk te maken aan derden in het
algemeen. Die registratie vervangt de buitenbezitstelling.
Het ontworpen artikel 60 heeft betrekking op het bijzonder
geval van de inpandgeving van een schuldvordering die pas
aan de gecedeerde schuldenaar kan worden tegengeworpen
nadat zij hem ter kennis werd gebracht of door hem is erkend.
Door die kennisgeving krijgen derden − bijvoorbeeld andere
schuldeisers van de schuldenaar die zijn schuldvordering
overdraagt – geen kennis van de inpandgeving van die
schuldvordering.
Het staat aan de steller van het ontwerp om na te gaan of
het voor hem niet mogelijk is om de problemen die hij in de
bespreking van het artikel heeft geschetst te ondervangen,
zonder de mogelijkheid te schrappen om de inpandgeving
van schuldvorderingen te registreren, wat zou bijdragen tot de
samenhang van de gehele regeling en ervoor zou zorgen dat
de rechten van derden daadwerkelijk worden gewaarborgd.
Artikelen 8 tot 10
Behoudens wat de laatste alinea betreft, stemt de geza-
menlijke bespreking van de artikelen 8 tot 10 niet overeen
met de inhoud van die bepalingen. De overige alinea’s van
die bespreking komen eveneens op nagenoeg identieke wijze
voor in de bespreking van artikel 16. Ze dienen te worden
geschrapt in de bespreking van de artikelen 8 tot 10.
Artikel 12
Het begrip identiteit, dat in verschillende onderdelen van
het ontworpen artikel 30 voorkomt, moet worden verduidelijkt.1
Dezelfde opmerking geldt voor het vervolg van het
voorontwerp.
1
Zie in die zin de opmerking 14 van advies nr. 19/2016 van
27 april 2016 van de Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer.
Article 7
Cette disposition tend à modifi er l’article 15 (“Opposabilité”)
en projet du même chapitre du Code civil en supprimant
l’enregistrement dans le registre des gages de la mise en
gage de créances.
Le commentaire de l’article justifi e cette modifi cation par le
motif selon lequel “[l’]existence simultanée de deux possibi-
lités de réaliser l’opposabilité d’un gage sur des créances, à
savoir l’enregistrement (futur article 15 du titre XVII du livre III)
et le “contrôle” (futur article 60 du titre XVII du livre III), est
source de problèmes”.
Toutefois, il n’apparaît pas que les articles 15 et 60 en
projet poursuivent la même fi nalité.
L’article 15 en projet prévoit un système d’enregistrement
du gage dans un registre des gages en vue de rendre le gage
opposable aux tiers, en général. Cet enregistrement remplace
la dépossession.
L’article 60 en projet concerne le cas particulier de la mise
en gage d’une créance qui ne sera opposable à l’égard du
débiteur cédé qu’à partir du moment où elle lui a été notifi ée
ou qu’il l’a reconnue. Cette notifi cation ne permet pas aux tiers
– par exemple d’autres créanciers du débiteur qui cède sa
créance – d’avoir connaissance de la mise en gage de celle-ci.
Il appartient à l’auteur du projet d’examiner s’il ne lui est
pas possible de rencontrer les problèmes qu’il évoque dans
le commentaire de l’article tout en maintenant la possibilité
d’un enregistrement des mises en gage de créances, ce qui
contribuerait à la cohérence de l’ensemble du système et à
une garantie effective des droits des tiers.
Articles 8 à 10
Le commentaire commun aux articles 8 à 10 ne corres-
pond pas, mis à part son dernier alinéa, au contenu de ces
dispositions. Les autres alinéas de ce commentaire fi gurent
également, de manière quasi-identique, dans le commentaire
de l’article 16. Il y a lieu de les omettre du commentaire des
articles 8 à 10.
Article 12
La notion d’identité, qui fi gure à l’article 30 en projet dans
plusieurs de ses parties, doit être précisée 1.
La même observation vaut pour la suite de l’avant-projet.
1
Voir en ce sens l’observation 14 de l’avis n° 19/2016 du
27 avril 2016 de la Commission de la protection de la vie privée.
67
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Artikel 15
Krachtens het ontworpen artikel 26 (“Pandregister”) van
boek III, titel XVII, hoofdstuk 1, van het Burgerlijk Wetboek,
ingevoegd bij artikel 32 van de wet van 11 juli 2013 “tot
wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zeker-
heden op roerende goederen betreft en tot opheffing van
diverse bepalingen ter zake” was de verantwoordelijke voor
de verwerking die uitgevoerd wordt door het pandregister de
dienst Hypotheken van de algemene administratie van de
Patrimoniumdocumentatie van de FOD Financiën. Luidens
artikel 8, c), van het voorontwerp wordt die verantwoorde-
lijkheid voor de verwerking voortaan toebedeeld aan de
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie
van de FOD Financiën.
Artikel 15 van het voorontwerp strekt tot opheffing van
het tweede lid van het ontworpen artikel 33 van hetzelfde
hoofdstuk van het Burgerlijk Wetboek, welk artikel, onder het
opschrift “Onjuiste gegevens”, voorzag in de mogelijkheid
voor de pandgever om zich in geval van onjuiste gegevens
tot de houder van het bestand te wenden wanneer door de
pandhouder geen gevolg werd gegeven aan zijn verzoek om
dergelijke gegevens te verwijderen of te wijzigen.
De bepaling strekt ertoe het voor de pandgever volstrekt
onmogelijk te maken om zich tot de houder van het bestand
te wenden, omdat, volgens de bespreking van het artikel, “[e]
en essentieel aspect van een modern pandregister is (...) dat
het moet kunnen functioneren zonder actieve tussenkomst
van de houder van het register”. Aangezien de “houder van
het register” een “louter passieve” rol vervult, mag hij “[i]n
geen geval (...) optreden als rechter in een geschil tussen de
partijen”. De steller van het voorontwerp merkt op dat ieder
geschil ter zake uitsluitend voor de gewone rechter moet
worden gebracht.
Aangezien de pandgever niet betrokken wordt bij de regis-
tratie van de gegevens die op hem betrekking hebben, wijkt
de bepaling zonder aanvaardbare rechtvaardiging af van
artikel 12 van de wet van 8 december 1992 “tot bescherming
van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwer-
king van persoonsgegevens”, dat het recht erkent van iedere
betrokkene om van de verantwoordelijke voor de verwerking
te eisen dat hij de onjuiste gegevens verbetert.2
Dezelfde opmerking geldt voor de registratie van een
eigendomsvoorbehoud.
Artikelen 17 en 18
De vraag rijst:
− enerzijds naar welk op zichzelf staand geval in het ont-
worpen artikel 35 (“Termijn”), vierde lid, van boek III, titel XVII,
hoofdstuk 1, van het Burgerlijk Wetboek wordt verwezen met
de woorden “kan in voorkomend geval gepaard gaan met een
vermindering van het maximaal gewaarborgd bedrag en/of
2
Zie in die zin opmerkingen 24 en 25 van advies nr. 19/2016 van
27 april 2016 van de Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer.
Article 15
En vertu de l’article 26 (“Registre des gages”) en projet
du livre III, titre XVII, chapitre 1er, du Code civil, inséré par
l’article 32 de la loi du 11 juillet 2013 “modifi ant le Code civil
en ce qui concerne les sûretés réelles mobilières et abrogeant
diverses dispositions en cette matière”, le responsable du
traitement effectué par le registre des gages était le ser-
vice des Hypothèques de l’administration générale de la
Documentation patrimoniale du SPF Finances. L’article 8, c),
de l’avant-projet attribue dorénavant cette responsabilité du
traitement à l’administration générale de la Documentation
patrimoniale du SPF Finances.
L’article 15 de l’avant-projet tend à abroger l’alinéa 2 de
l’article 33 en projet du même chapitre du Code civil, qui,
sous l’intitulé “Données erronées”, prévoyait la possibilité
pour le constituant du gage de s’adresser au responsable
du fi chier en cas de données erronées lorsque le créancier
gagiste ne réservait pas de suite à sa demande de radiation
ou de modifi cation d’une telle donnée.
La disposition tend à supprimer toute possibilité pour le
constituant du gage de s’adresser au responsable du fi chier
au motif, selon le commentaire de l’article, qu’“un aspect
essentiel d’un registre des gages moderne est qu’il doit
pouvoir fonctionner sans intervention active du dépositaire
du registre”. Jouant un rôle “purement passif”, le “dépositaire
du registre” ne pourrait “en aucun cas intervenir comme juge
dans un litige entre les parties”. L’auteur de l’avant-projet
expose que tout litige à ce sujet doit être exclusivement porté
devant le juge judiciaire.
Dès lors que le constituant du gage n’est pas associé à
l’enregistrement des données le concernant, la disposition
déroge sans justifi cation admissible à l’article 12 de la loi du
8 décembre 1992 “relative à la protection de la vie privée au
regard des traitements de données à caractère personnel”,
qui reconnaît le droit à toute personne concernée de requé-
rir du responsable de traitement la rectifi cation de données
inexactes 2.
La même observation vaut pour l’enregistrement de la
réserve de propriété.
Articles 17 et 18
La question se pose de savoir:
— d’une part, quelle est à l’article 35 (“Durée”), alinéa 4,
en projet du livre III, titre XVII, chapitre 1er, du Code civil,
l’hypothèse autonome que visent les mots “le cas échéant,
s’accompagner d’une diminution du montant maximum
garanti et/ou de l’importance des biens donnés en gage” par
2
Voir en ce sens les observations 24 et 25 de l’avis n° 19/2016 du
27 avril 2016 de la Commission de la protection de la vie privée.
68
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
van de omvang van de in pand gegeven goederen” en waarin
het verschilt van het geval van een “gedeeltelijke” vernieuwing
van de registratie waarvan sprake is in hetzelfde lid en
− anderzijds of in voorkomend geval de redactie van die
woorden niet behoort te worden afgestemd op de redactie van
het ontworpen artikel 36 (“Verwijdering van de registratie”),
§ 2 (artikel 18 van het voorontwerp), van hetzelfde hoofdstuk
van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 18
Net zoals in de nieuwe paragraaf 1 van artikel 36
(“Verwijdering van de registratie”) van hetzelfde hoofdstuk
van het Burgerlijk Wetboek, welke paragraaf wordt ingevoegd
bij artikel 18, moet aan de pandhouder in de ontworpen pa-
ragraaf 2 van dezelfde bepaling niet louter de mogelijkheid
worden geboden, maar de verplichting worden opgelegd om
het pand gedeeltelijk te verwijderen, wanneer zich één van de
gevallen voordoet waarvan sprake is in die bepaling.
De verplichtingen die vervat zijn in het ontworpen artikel 36,
moeten overigens ook worden opgelegd aan de verkoper die
een eigendomsvoorbehoud heeft laten registreren, wanneer
de koper de prijs van het verkochte goed heeft betaald.3
Artikel 24
De bepaling strekt ertoe de termijn van een jaar die is
vastgesteld in het ontworpen artikel 56 (“Rechterlijke con-
trole a posteriori”) van boek II, titel XVII, hoofdstuk 1, van het
Burgerlijk Wetboek te vervangen door een termijn van een
maand voor het instellen van een vordering om de wijze van
uitwinning van het pand of de aanwending van de opbrengst
te betwisten.
De oorspronkelijke tekst van het ontwerp dat ontstaan
heeft gegeven aan de wet van 11 juli 2013 voorzag in een
“redelijke” termijn. Naar aanleiding van de opmerking van
de Raad van State dat “[d]e precisering in het ontworpen
artikel 56 (artikel 63 van het ontwerp) dat de vordering met
betrekking tot de controle a posteriori moet worden ingeleid
“binnen een redelijke termijn” (…) rechtsonzekerheid [dreigt] te
doen ontstaan, die ondervangen moet worden” is die termijn
vastgesteld op een jaar zonder dat daarvoor een bijzondere
reden is opgegeven.4
Aangezien de regeling die bij de wet van 11 juli 2013 in-
gevoerd is, erin bestaat dat het pand door de schuldeiser
wordt uitgewonnen zonder voorafgaande controle, door dat
3
Zie in die zin opmerking 13 van het advies van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van
27 april 2016.
4
In de bespreking van het artikel wordt het volgende gepreciseerd:
“Overeenkomstig het advies van de Raad van State werd een
vooraf bepaalde termijn vastgesteld na verloop waarvan de vor-
dering niet meer ontvankelijk is. Die termijn bedraagt een jaar te
rekenen vanaf de kennisgeving van het einde van de uitwinning
door de pandhouder aan de in artikel 48, eerste en tweede lid,
bedoelde personen.”, Parl.St. Kamer, nr. 53-2463/001, 62.
rapport à celle, évoquée par le même alinéa, d’un renouvel-
lement “partiel” de l’enregistrement et,
— d’autre part, s’il n’y a pas lieu, le cas échéant,
d’harmoniser la rédaction de ces mots avec celle de
l’article 36 (“Radiation de l’enregistrement”), § 2, en projet
(article 18 de l’avant-projet) du même chapitre du Code civil.
Article 18
À l’instar du nouveau paragraphe 1er de l’article
36 (“Radiation de l’enregistrement”) du même chapitre du
Code civil, inséré par l’article 18, le paragraphe 2 en projet
de la même disposition doit prévoir une obligation à charge
du créancier gagiste, et non une simple faculté, de radiation
partielle du gage lorsque l’un des événements mentionnés
par cette disposition se produit.
Par ailleurs, les mêmes obligations que celles énoncées
par l’article 36 en projet doivent être prévues pour le vendeur
avec réserve de propriété lorsque l’acheteur a payé le prix
de l’objet vendu 3.
Article 24
La disposition tend à remplacer le délai d’un an prévu par
l’article 56 (“Contrôle judiciaire a posteriori”) en projet du
livre II, titre XVII, chapitre 1er, du Code civil par un délai d’un
mois pour l’introduction d’une contestation quant au mode de
réalisation du gage ou sur l’affectation du produit.
Le texte initial du projet devenu la loi du 11 juillet 2013 pré-
voyait un délai “raisonnable”. En réponse à l’observation du
Conseil d’État selon laquelle “[l]a précision, à l’article 56 en
projet à l’article 63, que l’action de contrôle a posteriori doit
être introduite “dans un délai raisonnable” est de nature à créer
une insécurité juridique qu’il convient de rencontrer”, ce délai
a été fi xé à un an, sans justifi cation particulière 4.
Dès lors que le régime mis en place par la loi du 11 juil-
let 2013 est celui d’une réalisation du gage par le créancier
sans contrôle préalable et de la mise en place d’un contrôle
3
Voir en ce sens l’observation 13 de l’avis de la Commission de
la protection de la vie privée du 27 avril 2016.
4
Le commentaire de l’article précise: “Conformément à l’avis du
Conseil d’État, un délai préfix a été établi, au-delà duquel l’action
ne sera plus recevable. Ce délai est d’un an à partir de la noti-
fication de la fin de la réalisation, faite par le créancier gagiste
aux personnes visées à l’article 48, alinéas 1er et 2”, Doc. parl.,
Chambre, n° 53-2463/001, p. 62.
69
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
alleen een rechterlijke controle a posteriori georganiseerd
wordt en gelet op het belang dat die betwistingen voor de
pandgever kunnen hebben, lijkt de vooraf bepaalde termijn
van een maand waarbinnen de vordering op straffe van niet-
ontvankelijkheid moet worden ingesteld al te kort.
Bovendien zou de categorie van de “belanghebbende par-
tijen” in de zin van het ontworpen artikel 56, eerste lid, groter
kunnen uitvallen dan de categorie van de personen aan wie
de kennisgeving waarvan sprake is in artikel 56, tweede lid,
gedaan wordt. Voor die andere personen lijkt de termijn van
een maand a fortiori te kort, aangezien zij op een andere wijze
dan via een kennisgeving op de hoogte moeten raken van het
einde van de uitwinning.
Het wegnemen van de onzekerheid mag niet ten koste gaan
van de rechten van degenen die er belang bij kunnen hebben
de wijze van uitwinning van het pand of de aanwending van
de opbrengst te betwisten.
Artikelen 34 en 35
Bij de artikelen 34 en 35 worden de artikelen 104 en
105 van de wet van 11 juli 2013 vervangen door bepalingen
met precies dezelfde inhoud als de twee bepalingen die wor-
den vervangen. Uit de bespreking van artikel 71 kan worden
opgemaakt dat aldus te werk wordt gegaan om het mogelijk
te maken dat die twee bepalingen vóór de rest van de wet in
werking treden.
Men zou er beter aan doen de artikelen 34 en 35 weg te
laten en, in artikel 38 van het voorontwerp, in artikel 109 van de
wet van 11 juli 2013 te bepalen dat de artikelen 104 en 105 van
diezelfde wet, in afwijking van artikel 109, eerste lid, van
dezelfde wet, zoals gewijzigd, in werking treden tien dagen
na de inwerkingtreding van de wet die uit het voorliggende
voorontwerp zal voortspruiten.
Artikel 36
In het ontworpen artikel 107, § 3, eerste lid, moet blijkbaar
worden verwezen naar de “in artikel 30” vermelde gegevens
(in plaats van naar de “in artikel 29” vermelde gegevens).
Artikel 38
Er wordt verwezen naar de opmerking met betrekking tot
de artikelen 34 en 35.
Artikel 71
Mede gelet op de opmerkingen met betrekking tot de
artikelen 34 en 35, wordt voorgesteld om artikel 71 te stellen
als volgt:
“Art. 71. Deze wet treedt in werking op de dag van inwer-
kingtreding van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het
Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende
judiciaire uniquement a posteriori et vu l’importance que
ces contestations peuvent avoir pour le débiteur gagiste, le
délai préfi x d’un mois, sous peine d’irrecevabilité de l’action,
apparaît exagérément court.
De plus, la catégorie des “parties intéressées” au sens de
l’article 56, alinéa 1er, en projet pourrait s’avérer plus large
que celle des personnes à qui est faite la notifi cation visée
à l’article 56, alinéa 2. Pour ces autres personnes, le délai
d’un mois paraît a fortiori trop court puisqu’il faut qu’elles
obtiennent connaissance de la fi n de la réalisation par d’autres
voies que la notifi cation.
La lutte contre l’incertitude ne peut pas se réaliser au
détriment des droits des personnes pouvant avoir intérêt à
contester le mode de réalisation ou l’affectation du produit.
Articles 34 et 35
Les articles 34 et 35 remplacent les articles 104 et 105 de
la loi du 11 juillet 2013 par des dispositions d’une teneur exac-
tement identique à celle des deux dispositions remplacées. Le
commentaire de l’article 71 permet de comprendre qu’il est
procédé de la sorte pour permettre à ces deux dispositions
d’entrer en vigueur avant le reste de la loi.
Il est préférable d’omettre les articles 34 et 35 et, à l’ar-
ticle 38 d’énoncer à l’article 109 de la loi du 11 juillet 2013 que
les articles 104 et 105 de cette même loi entrent en vigueur,
par dérogation à l’article 109, alinéa 1er, de la même loi, telle
que modifi é, dix jours après l’entrée en vigueur de la loi faisant
l’objet de l’avant-projet examiné.
Article 36
Dans l’article 107, § 3, alinéa 1er, en projet, il semble qu’il
y ait lieu de viser les données mentionnées “à l’article 30” (et
non: “à l’article 29”).
Article 38
Il est renvoyé à l’observation formulée sous les articles
34 et 35.
Article 71
Compte tenu également des observations formulées
sous les articles 34 et 35, il est suggéré de rédiger l’article
71 comme suit:
“Art. 71. La présente loi entre en vigueur le jour de l’entrée
en vigueur de la loi du 11 juillet 2013 modifi ant le Code civil en
ce qui concerne les sûretés réelles mobilières et abrogeant
70
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter
zake, met uitzondering van artikel 33, dat in werking treedt
op de tiende dag na de bekendmaking van deze wet in het
Belgisch Staatsblad.”
SLOTOPMERKINGEN
1. Luidens verschillende bepalingen van het voorontwerp
dient het woord “inschrijving” te worden vervangen door
het woord “registratie” in de bepalingen van de wet van
11 juli 2013 betreffende de gegevens die in het “pandregister”
moeten worden vermeld. De afdeling Wetgeving ziet niet in
hoe die vervanging de wezenlijke inhoud van de bepalingen
zou wijzigen of meer rechtszekerheid zou bieden.
Het is derhalve beter geen dergelijke wijzigingsbepalingen
op te nemen. In sommige bepalingen die bij dit voorontwerp
in die wet worden ingevoegd, wordt trouwens het woord “in-
schrijving” gebruikt.
Het voorontwerp dient dus hoe dan ook te worden herzien
teneinde te zorgen voor eenheid van terminologie.
2. Voor elke wijzigingsbepaling vervat in de artikelen 39
tot 69 behoort in voorkomend geval de wetshistoriek van de
gewijzigde bepalingen te worden vermeld en moet voor elk
gewijzigd artikel of gewijzigd onderdeel van een artikel mel-
ding worden gemaakt van alle vroegere wijzigingen die nog
geldig zijn. Wanneer de nog geldende vroegere wijzigingen
bijzonder talrijk zijn, is het toegestaan alleen de laatste wij-
ziging te vermelden.5
De griffier,
De voorzitter,
Anne-Catherine
Pierre VANDERNOOT
VAN GEERSDAELE
5
Beginselen van de wetgevingstechniek – Handleiding voor
het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.
raadvst-consetat.be, tab “Wetgevingstechniek”, aanbevelin-
gen 113 en 114.
diverses dispositions en cette matière, à l’exception de
l’article 33, qui entre en vigueur le dixième jour qui suit la
publication de la présente loi au Moniteur belge”.
OBSERVATIONS FINALES
1. Plusieurs dispositions de l’avant-projet prévoient de
remplacer le mot “inscription” par “enregistrement” dans les
dispositions de la loi du 11 juillet 2013 relatives aux données
qui fi gureront dans le “Registre des gages”. La section de
législation n’aperçoit pas en quoi ce remplacement modifi erait
le fond des dispositions ou améliorerait la sécurité juridique.
Mieux vaut dès lors éviter de telles dispositions modifi ca-
tives. Au demeurant, certaines dispositions que l’avant-projet
prévoit d’insérer dans cette loi utilisent le mot “inscription”.
L’avant-projet sera donc en tout état de cause revu pour
assurer sa cohérence terminologique.
2. Pour chacune des dispositions modifi catives contenues
aux articles 39 à 69, il y a lieu de mentionner le cas échéant
l’historique des dispositions modifi ées en indiquant, pour
chaque article ou partie d’article modifi é, toutes les modifi -
cations antérieures qui sont encore en vigueur. Lorsque les
modifi cations antérieures encore en vigueur sont particuliè-
rement nombreuses, il peut n’être fait état que de la dernière
de ces modifi cations 5.
Le greffier,
Le président,
Anne-Catherine
Pierre VANDERNOOT
VAN GEERSDAELE
5
Principes de technique législative – Guide de rédaction des
textes législatifs et réglementaires, www.raadvst-consetat.be,
onglet “Technique législative”, recommandations nos 113 et 114.
71
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
WETSONTWERP
FILIP,
KONING DER BELGEN,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.
Op de voordracht van de minister van Justitie en van
de minister van Financiën,
HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ:
De minister van Justitie en de minister van Financiën
zijn ermee belast het ontwerp van wet, waarvan de
tekst hierna volgt, in Onze naam voor te leggen en bij
de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen:
HOOFDSTUK 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen aan de wet van 11 juli 2013 tot wijziging
van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke
zekerheden op roerende goederen betreft en
tot opheffing van diverse bepalingen ter zake
Art. 2
In artikel 6 van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van
het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op
roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse
bepalingen ter zake, wordt het artikel 1 “Doelstelling”,
aangevuld met een lid, luidende:
“Dit recht van voorrang geldt als een voorrecht zoals
bedoeld in artikel 12 Hypotheekwet.”.
Art. 3
In artikel 9 van dezelfde wet, worden in het tweede lid
van artikel 4 “Bewijs”, de woorden “in de zin van artikel
2, 3°, van de wet van 6 april 2010 betreffende de markt-
praktijken en consumentenbescherming” vervangen
PROJET DE LOI
PHILIPPE,
ROI DES BELGES,
À tous, présents et à venir,
SALUT.
Sur la proposition du ministre de la Justice et du
ministre des Finances,
NOUS AVONS ARRÊTÉ ET ARRÊTONS:
Le ministre de la Justice et le ministre des Finances
sont chargés de présenter en Notre nom et de déposer
à la Chambre des représentants le projet de loi dont la
teneur suit:
CHAPITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 74
de la Constitution.
CHAPITRE 2
Modifications de la loi du 11 juillet 2013
modifiant le Code civil en ce qui concerne
les sûretés réelles mobilières et abrogeant
diverses dispositions en cette matière
Art. 2
Dans l’article 6 de la loi du 11 juillet 2013 modifiant
le Code civil en ce qui concerne les sûretés réelles
mobilières et abrogeant diverses dispositions en cette
matière, l’article 1er “Finalité” est complété par un alinéa
rédigé comme suit:
“Ce droit de préférence a la valeur d’un privilège tel
que visé à l’article 12 de la loi hypothécaire.”.
Art. 3
Dans l’article 9 de la même loi, les mots “au sens
de l’article 2, 3°, de la loi du 6 avril 2010 relative aux
pratiques du marché et à la protection du consomma-
teur” figurant à l’alinéa 2 de l’article 4 “Preuve” sont
72
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
door de woorden “in de zin van artikel I, 1, 2° van boek
I van het Wetboek van economisch recht”.
Art. 4
In artikel 12 van dezelfde wet worden in artikel
7 “Voorwerp”, de volgende wijzigingen aangebracht:
a) het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Het pandrecht kan een roerend lichamelijk of onli-
chamelijk goed, een goed dat roerend is uit zijn aard
maar onroerend is geworden door bestemming of een
bepaald geheel van dergelijke goederen tot voorwerp
hebben met uitzondering van zeeschepen en teboek-
gestelde schepen en vaartuigen in de zin van boek II
van het Wetboek van Koophandel.”;
b) in het vierde lid worden de woorden “in de zin van
artikel 2, 3°, van de wet van 6 april 2010 betreffende de
marktpraktijken en consumentenbescherming” vervan-
gen door de woorden “in de zin van artikel I.1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht”.
Art. 5
In artikel 17 van dezelfde wet worden in het tweede
lid van artikel 12 “Omvang”, de volgende wijzigingen
aangebracht:
a) de woorden “in de zin van artikel 2, 3°, van de
wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en
consumentenbescherming” worden vervangen door de
woorden “in de zin van artikel I.1, 2° van boek I van het
Wetboek van economisch recht”;
b) de woorden “van de hoofdsom” worden vervangen
door de woorden “van de hoofdsom op het ogenblik van
de verdeling of de toerekening”.
Art. 6
In artikel 19 van dezelfde wet wordt artikel 14
“Herverpanding”, aangevuld met de woorden “, behou-
dens toestemming van de pandgever”.
Art. 7
In artikel 20 van dezelfde wet worden in artikel
15 “Tegenwerpelijkheid”, de volgende wijzigingen
aangebracht:
remplacés par les mots “au sens de l’article I.1, 2°, du
livre Ier du Code de droit économique”.
Art. 4
À l’article 12 de la même loi, les modifications sui-
vantes sont apportées à l’article 7 “Objet”:
a) l’alinéa 1er est remplacé comme suit:
“Le gage peut avoir pour objet un bien mobilier
corporel ou incorporel, un bien meuble par nature qui
est devenu immeuble par destination ou un ensemble
déterminé de tels biens, à l’exception des navires et des
bateaux et bâtiments immatriculés au sens du livre II du
Code de commerce.”;
b) dans l’alinéa 4, les mots “au sens de l’article 2, 3°,
de la loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché
et à la protection du consommateur” sont remplacés par
les mots “au sens de l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code
de droit économique”.
Art. 5
À l’article 17 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées à l’alinéa 2 de l’article
12 “Étendue”:
a) les mots “au sens de l’article 2, 3°, de la loi du
6 avril 2010 relative aux pratiques du marché et à la
protection du consommateur” sont remplacés par les
mots “au sens de l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code de
droit économique”;
b) les mots “du principal” sont remplacés par les
mots “du principal au moment de la distribution ou de
l’imputation”.
Art. 6
Dans l’article 19 de la même loi, l’article 14
“Réengagement” est complété par les mots “, sauf avec
l’autorisation du constituant du gage”.
Art. 7
À l’article 20 de la même loi, les modifications sui-
vantes sont apportées à l’article 15 “Opposabilité”:
73
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
a) tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid
ingevoegd, luidende:
“De registratie in het pandregister is uitgesloten voor
een verpanding van schuldvorderingen”;
b) in het vroegere derde lid, dat het vierde lid wordt,
worden de woorden “zijn vertegenwoordiger” vervangen
door de woorden “zijn vertegenwoordiger als bedoeld
in artikel 3”.
Art. 8
In artikel 32 van dezelfde wet worden in artikel
26 “Pandregister”, volgende wijzigingen aangebracht:
a) het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“De registratie van een pandrecht en van een
eigendomsvoorbehoud geschiedt in het Nationaal
Pandregister, pandregister genoemd, dat wordt
bewaard bij de Algemene Administratie van
de Patrimoniumdocumentatie van de Federale
Overheidsdienst Financiën”;
b) het tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Het pandregister is een geïnformatiseerd systeem
dat bestemd is voor het registreren en het raadplegen
van pandrechten en eigendomsvoorbehouden, het
wijzigen, vernieuwen, overdragen of verwijderen van
de registratie van pandrechten of eigendomsvoorbe-
houden en het afstaan van rang van een geregistreerd
pandrecht.”;
c) in het vroegere laatste lid, dat het vierde lid wordt,
worden de woorden “in het eerste lid bedoelde dienst
Hypotheken” vervangen door de woorden “Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de
Federale Overheidsdienst Financiën”;
d) Het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“De artikelen 27, 28, 32, 33, 34, 35, 36 en 37 zijn van
overeenkomstige toepassing op de registratie van het
eigendomsvoorbehoud.”.
Art. 9
In de Nederlandse versie van artikel 33 van dezelfde
wet worden in artikel 27 “Authentificatie”, de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les
alinéas 1er et 2:
“L’enregistrement dans le registre des gages est exclu
pour une mise en gage de créances”;
b) les mots “son représentant” figurant à l’alinéa 3
ancien, devenant l’alinéa 4, sont remplacés par les mots
“son représentant tel que visé à l’article 3”.
Art. 8
À l’article 32 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées à l’article 26 “Registre des
gages”:
a) l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“L’enregistrement d’un gage et d’une réserve de pro-
priété est effectué dans le Registre national des Gages,
appelé registre des gages, conservé à l’administration
générale de la Documentation patrimoniale du Service
public fédéral Finances”;
b) l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
“Le registre des gages est un système informatisé
destiné à l’enregistrement et à la consultation de gages
et de réserves de propriété, à la modification, au renou-
vellement, à la cession ou à la radiation de l’enregis-
trement de gages ou de réserves de propriété et à la
cession de rang d’un gage enregistré.”;
c) les mots “Le service des Hypothèques visé à
l’alinéa 1er” figurant au dernier alinéa ancien, devenant
l’alinéa 4, sont remplacés par les mots “L’administration
générale de la Documentation patrimoniale du service
public fédéral Finances”;
d) l’article est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
“Les articles 27, 28, 32, 33, 34, 35, 36 et 37 s’ap-
pliquent par analogie à l’enregistrement de la réserve
de propriété.”.
Art. 9
À l’article 33 de la même loi, dans la version néer-
landaise, les modifications suivantes sont apportées à
l’article 27 “Authentificatie”:
74
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
a) in de titel van artikel 27 wordt het woord
“Authentificatie” vervangen door het woord
“Authenticatie”;
b) het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Iedere registratie, raadpleging, wijziging, vernieu-
wing, rangafstand of overdracht van een pand of
verwijdering van geregistreerde panden vereist de
authenticatie van de gebruiker van het pandregister.”;
c) in het tweede lid wordt het woord “authentificatie”
vervangen door “authenticatie”.
Art. 10
In artikel 34 van dezelfde wet worden in het eerste
lid van artikel 28 “Kosten”, de woorden “hernieuwing en
verwijdering van gegevens” vervangen door de woor-
den “vernieuwing en verwijdering van gegevens, en de
rangafstand of overdracht van een pand”.
Art. 11
In artikel 35 van dezelfde wet worden in artikel
29 “Registratie”, volgende wijzigingen aangebracht:
a) het huidige artikel 29 wordt paragraaf 1;
b) in het tweede lid wordt het woord “invoering” ver-
vangen door het woord “registratie”;
c) het artikel wordt aangevuld meteen tweede para-
graaf, luidende:
“§ 2. De verkoper is gerechtigd krachtens de over-
eenkomst waarin het beding van eigendomsvoorbehoud
is opgenomen, dit eigendomsvoorbehoud te registeren
door de in artikel 30 bedoelde gegevens zoals deze
in het in artikel 69 bedoelde geschrift voorkomen, in
overeenstemming met de nadere regels die de Koning
heeft bepaald na advies van de Commissie voor de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in het
pandregister in te voeren.”.
De verkoper is aansprakelijk voor iedere schade ten
gevolge van de registratie van onjuiste gegevens.
De verkoper brengt de koper schriftelijk op de hoogte
van de registratie.”.
a) dans l’intitulé de l’article 27, le mot “Authentificatie”
est remplacé par le mot “Authenticatie”;
b) l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“Iedere registratie, raadpleging, wijziging, ver-
nieuwing, rangafstand of overdracht van een pand of
verwijdering van geregistreerde panden vereist de
authenticatie van de gebruiker van het pandregister.”;
c) dans l’alinéa 2, le mot “authentificatie” est remplacé
par le mot “authenticatie”.
Art. 10
Dans l’article 34 de la même loi, les mots “le renou-
vellement et la radiation de données” figurant à l’alinéa
1er de l’article 28 “Frais” sont remplacés par les mots “le
renouvellement et la radiation de données ainsi que la
cession de rang ou la cession d’un gage”.
Art. 11
À l’article 35 de la même loi, les modifications sui-
vantes sont apportées à l’article 29 “Enregistrement”:
a) l’article 29 actuel devient le paragraphe 1er;
b) dans l’alinéa 2, le mot “inscription” est remplacé
par le mot “enregistrement”;
c) l’article est complété par un paragraphe 2 rédigé
comme suit:
“§ 2. Le vendeur est habilité en vertu de la convention
dans laquelle figure la clause de réserve de propriété
à enregistrer ladite réserve de propriété en inscrivant
dans le registre des gages les données visées à l’article
30 telles que celles-ci figurent dans l’écrit visé à l’article
69, en conformité avec les modalités fixées par le Roi
après avis de la Commission de la protection de la vie
privée.
Le vendeur est responsable de tout dommage qui
résulterait de l’enregistrement de données erronées.
Le vendeur informe l ’acheteur par écrit de
l’enregistrement.”.
75
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 12
In artikel 36 van dezelfde wet wordt artikel 30 “Te
vermelden gegevens”, vervangen als volgt:
“Art. 30. Te vermelden gegevens
§ 1. De registratie van het pandrecht vermeldt de
volgende gegevens:
1° de identiteit van de pandhouder of van de verte-
genwoordiger bedoeld in artikel 3:
a) indien het een natuurlijke persoon betreft, zijn
naam, de eerste of eerste twee voornamen, land,
postcode en gemeente van zijn hoofdverblijfplaats en,
wanneer hij er een heeft, zijn ondernemingsnummer;
bij gebreke van een ondernemingsnummer zijn rijks-
registernummer, indien de gebruiker gemachtigd is dit
nummer te gebruiken in het kader van dit hoofdstuk, en
zijn geboortedatum;
b) indien het een rechtspersoon betreft, zijn naam,
rechtsvorm, land, postcode en gemeente van zijn
maatschappelijke zetel en, wanneer hij er een heeft,
zijn ondernemingsnummer;
2° de identiteit van de pandgever:
De gegevens opgesomd in de bepaling onder 1°, a)
of b), naargelang het geval;
3° in voorkomend geval, de identiteit van de lastheb-
ber van de pandhouder of van de vertegenwoordiger
bedoeld in artikel 3:
De gegevens opgesomd in de bepaling onder 1°, a)
of b), naargelang het geval;
4° de aanduiding van de door het pandrecht be-
zwaarde goederen waarvoor registratie plaatsvindt;
5° de aanduiding van de gewaarborgde schuldvor-
deringen waarvoor registratie plaatsvindt;
6° het maximaal bedrag tot beloop waarvan de
schuldvorderingen gewaarborgd zijn en waarvoor re-
gistratie plaatsvindt;
7° de verklaring van de pandhouder, de vertegen-
woordiger als bedoeld in artikel 3 of hun lasthebber dat
de pandhouder of vertegenwoordiger aansprakelijk is
voor iedere schade ten gevolge van de registratie van
onjuiste gegevens.
Art. 12
Dans l’article 36 de la même loi, l’article 30 “Données
à mentionner” est remplacé par ce qui suit:
“Art. 30. Données à mentionner
§ 1er. L’enregistrement du gage mentionne les don-
nées suivantes:
1° l’identité du créancier gagiste ou du représentant
visé à l’article 3:
a) s’il s’agit d’une personne physique, son nom,
premier ou deux premiers prénoms, pays, code postal
et commune de sa résidence principale, et, si elle en
dispose, son numéro d’entreprise; faute de numéro
d’entreprise, son numéro de Registre national, si l’uti-
lisateur est autorisé à utiliser ce numéro dans le cadre
du présent chapitre, et sa date de naissance;
b) s’il s’agit d’une personne morale, son nom, forme
juridique, pays, code postal et commune du siège social
et, si elle en dispose, son numéro d’entreprise;
2° l’identité du constituant du gage:
Les données énumérées dans le 1°, a) ou b), selon
le cas;
3° le cas échéant, l’identité du mandataire du créan-
cier gagiste ou du représentant visé à l’article 3:
Les données énumérées dans le 1°, a) ou b), selon
le cas;
4° la désignation des biens grevés du gage faisant
l’objet de l’enregistrement;
5° la désignation des créances garanties faisant
l’objet de l’enregistrement;
6° le montant maximum à concurrence duquel
les créances sont garanties et qui fait l’objet de
l’enregistrement;
7° la déclaration du créancier gagiste, du représen-
tant tel que visé à l’article 3 ou de leur mandataire selon
laquelle le créancier gagiste ou représentant est respon-
sable de tout dommage qui résulterait de l’inscription
de données erronées.
76
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§ 2. De registratie van het eigendomsvoorbehoud
vermeldt de volgende gegevens:
1° de identiteit van de verkoper:
De gegevens opgesomd in § 1, 1°, a) of b), naarge-
lang het geval;
2° de identiteit van de koper:
De gegevens opgesomd in § 1, 1°, a) of b), naarge-
lang het geval;
3° in voorkomend geval de identiteit van de lastheb-
ber van de verkoper:
De gegevens opgesomd in § 1, 1°, a) of b), naarge-
lang het geval;
4° de aanduiding van de verkochte goederen waar-
voor registratie plaatsvindt;
5° de aanduiding van de onbetaalde koopprijs waar-
voor registratie plaatsvindt;
6° de verklaring van de verkoper of van diens lastheb-
ber dat de verkoper aansprakelijk is voor iedere schade
ten gevolge van de registratie van onjuiste gegevens.”
Art. 13
In artikel 37 van dezelfde wet wordt artikel 31
“Raadplegen”, vervangen als volgt:
“Art. 31. Raadplegen
§ 1. Met betrekking tot een geregistreerd pand zijn
de volgende gegevens raadpleegbaar:
1° het registratienummer;
2° de identiteit van de pandhouder of de vertegen-
woordiger bedoeld in artikel 3;
3° de identiteit van de pandgever;
4° in voorkomend geval, de identiteit van de lastheb-
ber van de pandhouder of van de vertegenwoordiger
bedoeld in artikel 3;
5° de aanduiding van de door het pandrecht be-
zwaarde goederen waarvoor registratie plaatsvond;
§ 2. L’enregistrement de la réserve de propriété men-
tionne les données suivantes:
1° l’identité du vendeur:
Les données énumérées dans le § 1er, 1°, a) ou b),
selon le cas;
2° l’identité de l’acheteur:
Les données énumérées dans le § 1er, 1°, a) ou b),
selon le cas;
3° le cas échéant, l’identité du mandataire du
vendeur:
Les données énumérées dans le § 1er, 1°, a) ou b),
selon le cas;
4° la désignation des biens vendus faisant l’objet de
l’enregistrement;
5° la désignation du prix d’achat non payé faisant
l’objet de l’enregistrement;
6° la déclaration du vendeur ou de son mandataire
selon laquelle le vendeur est responsable de tout
dommage qui résulterait de l’inscription de données
erronées.”
Art. 13
Dans l’article 37 de la même loi, l’article 31
“Consultation”, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 31. Consultation
§ 1er. Les données suivantes sont consultables à
propos d’un gage enregistré:
1° le numéro d’enregistrement;
2° l’identité du créancier gagiste ou du représentant
visé à l’article 3;
3° l’identité du constituant du gage;
4° le cas échéant, l’identité du mandataire du créan-
cier gagiste ou du représentant visé à l’article 3;
5° la désignation des biens grevés du gage ayant fait
l’objet de l’enregistrement;
77
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
6° de aanduiding van de gewaarborgde schuldvor-
deringen waarvoor registratie plaatsvond;
7° het maximaal bedrag tot beloop waarvan de
schuldvorderingen gewaarborgd zijn waarvoor regis-
tratie plaatsvond;
8° de verklaring van de pandhouder, de vertegen-
woordiger bedoeld in artikel 3 of hun lasthebber dat
de pandhouder of vertegenwoordiger aansprakelijk is
voor iedere schade ten gevolge van de registratie van
onjuiste gegevens;
9° de datum van registratie.
§ 2. Met betrekking tot een geregistreerd eigendoms-
voorbehoud zijn de volgende gegevens raadpleegbaar:
1° het registratienummer;
2° de identiteit van de verkoper;
3° de identiteit van de koper;
4° in voorkomend geval, de identiteit van de lastheb-
ber van de verkoper;
5° de aanduiding van de verkochte goederen waar-
voor registratie plaatsvond;
6° de aanduiding van de onbetaalde koopprijs waar-
voor registratie plaatsvond;
7° de verklaring van de verkoper of diens lasthebber
dat de verkoper aansprakelijk is voor iedere schade
ten gevolge van de registratie van onjuiste gegevens;
8° de datum van de registratie.”
Art. 14
In artikel 38 van dezelfde wet wordt in het tweede lid
van artikel 32 “Wijziging”, het woord “invoering” vervan-
gen door het woord “registratie”.
Art. 15
In artikel 39 van dezelfde wet wordt in artikel 33
“Onjuiste gegevens”, het tweede lid opgeheven.
6° la désignation des créances garanties ayant fait
l’objet de l’enregistrement;
7° le montant maximum à concurrence duquel
les créances sont garanties et qui a fait l’objet de
l’enregistrement;
8° la déclaration du créancier gagiste, du représentant
visé à l’article 3 ou de leur mandataire selon laquelle
le créancier ou représentant est responsable de tout
dommage qui résulterait de l’inscription de données
erronées;
9° la date de l’enregistrement.
§ 2. Les données suivantes sont consultables à pro-
pos d’une réserve de propriété enregistrée:
1° le numéro d’enregistrement;
2° l’identité du vendeur;
3° l’identité de l’acheteur;
4° le cas échéant, l’identité du mandataire du
vendeur;
5° la désignation des biens vendus ayant fait l’objet
de l’enregistrement;
6° la désignation du prix d’achat non payé ayant fait
l’objet de l’enregistrement;
7° la déclaration du vendeur ou de son mandataire
que le vendeur est responsable de tout dommage qui
résulterait de l’inscription de données erronées;
8° la date de l’enregistrement.”
Art. 14
Dans l’article 38 de la même loi, les mots “inscrip-
tion originale” figurant au deuxième alinéa de l’article
32 “Modification” sont remplacés par les mots “enregis-
trement original”.
Art. 15
Dans l’article 39 de la même loi, l’alinéa 2 de l’article
33 “Données erronées” est abrogé.
78
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 16
In artikel 40 van dezelfde wet wordt artikel 34
“Toegang tot het register”, vervangen als volgt:
“Art. 34. Toegang tot het register
“Eenieder heeft toegang tot het pandregister volgens
de modaliteiten bepaald door de Koning.”.
Art. 17
In artikel 41 van dezelfde wet worden in artikel
35 “Termijn”, de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de titel van artikel 35 wordt vervangen als volgt:
“Termijn en vernieuwing”
b) in het derde lid wordt het woord “invoering” ver-
vangen door het woord “registratie”;
c) in het derde lid en in het laatste lid van de
Nederlandse versie wordt het woord “hernieuwing”
vervangen door het woord “vernieuwing”;
d) tussen het derde en het laatste lid worden leden
gevoegd, luidende:
“Deze vernieuwing kan geheel of gedeeltelijk zijn,
en kan in voorkomend geval gepaard gaan met een
vermindering van het maximaal gewaarborgd bedrag
en/of van de omvang van de in pand gegeven goederen.
De vernieuwing vermeldt het registratienummer van
de te vernieuwen registratie.
De weergave van een vernieuwde registratie vermeldt
eveneens de datum van de oorspronkelijke registratie.”.
Art. 18
In artikel 42 van dezelfde wet wordt artikel 36
“Verwijdering van de registratie”, vervangen als volgt:
“Art. 36. Gehele of gedeeltelijke verwijdering van de
registratie
§ 1. De pandhouder moet in geval van betaling van de
gewaarborgde schuld ervoor zorgen dat de registratie
van het pandrecht wordt verwijderd.
Art. 16
Dans l’article 40 de la même loi, l’article 34 “Accès
au registre” est remplacé par ce qui suit:
“Art. 34. Accès au registre
Toute personne a accès au registre des gages selon
les modalités fixées par le Roi.”.
Art. 17
À l’article 41 de la même loi, les modifications sui-
vantes sont apportées à l’article 35 “Durée”:
a) l’intitulé de l’article 35 est remplacé par ce qui suit:
“Durée et renouvellement”
b) dans l’alinéa 3, les mots “une inscription” sont
remplacés par les mots “un enregistrement”;
c) dans l’alinéa 3 et dans le dernier alinéa, dans la
version néerlandaise, le mot “hernieuwing” est remplacé
par le mot “vernieuwing”;
d) les alinéas rédigés comme suit sont insérés entre
l’alinéa 3 et le dernier alinéa:
“Ce renouvellement peut être total ou partiel et peut,
le cas échéant, s’accompagner d’une diminution du
montant maximum garanti et/ou de l’importance des
biens donnés en gage.
Le renouvellement mentionne le numéro d’enregis-
trement de l’enregistrement à renouveler.
La mention d’un enregistrement renouvelé indique
également la date de l’enregistrement initial.”.
Art. 18
Dans l’article 42 de la même loi, l’article 36 “Radiation
de l’enregistrement” est remplacé par ce qui suit:
“Art. 36. Radiation totale ou partielle de
l’enregistrement
§ 1er. Le créancier gagiste a l’obligation, en cas de
paiement de la dette garantie, de veiller à ce que l’enre-
gistrement du gage soit radié.
79
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Zo de pandhouder in gebreke blijft tot deze verwijde-
ring over te gaan, kan de verwijdering in rechte gevorderd
worden, onverminderd eventuele schadevergoeding.
§ 2. De pandhouder kan de registratie van het
pandrecht gedeeltelijk verwijderen, dit zowel door de
vermindering van het geregistreerde maximaal bedrag
tot beloop waarvan de schuldvorderingen gewaarborgd
zijn als door verwijdering van een deel van de goederen
waarop het pandrecht slaat en waarvoor registratie werd
genomen.
In geval van een gedeeltelijke verwijdering geeft het
register bij raadpleging zowel de oorspronkelijke regis-
tratie als deze houdende de gedeeltelijke verwijdering
weer.”.
Art. 19
In artikel 43 van dezelfde wet worden in artikel
37 “Overdracht van schuldvordering”, de volgende wij-
zigingen aangebracht:
a) in het eerste lid wordt het woord “invoering” ver-
vangen door het woord “registratie”;
b) het tweede lid wordt aangevuld als volgt:
“De identiteit van de overnemer wordt eveneens bij
raadpleging weergegeven.”.
Art. 20
In artikel 44 van dezelfde wet wordt artikel 38
“Rangafstand”, aangevuld met twee leden, luidende:
“De registratie van de rangafstand dient te gebeuren
door diegene die zijn rang afstaat of zijn vertegenwoor-
diger als bedoeld in artikel 3 of hun lasthebber.
De raadpleging van het pandregister met betrekking
tot een geregistreerd pandrecht meldt in voorkomend
geval een geregistreerde rangafstand.”.
Art. 21
In artikel 47 van dezelfde wet worden in lid 2 van
artikel 40 “Bewijs”, de woorden “in de zin van artikel 2,
3°, van de wet van 6 april 2010 betreffende de markt-
praktijken en consumentenbescherming” vervangen
door de woorden “in de zin van artikel I.1, 2° van boek
I van het Wetboek van economisch recht”.
Si le créancier gagiste reste en défaut de procéder à
cette radiation, la radiation peut être demandée en jus-
tice, sans préjudice de dommages et intérêts éventuels.
§ 2. Le créancier gagiste peut procéder à la radia-
tion partielle du gage, que ce soit par la diminution du
montant maximum enregistré à concurrence duquel les
créances sont garanties ou par le retrait d’une partie
des biens sur lesquels porte le gage et qui ont fait l’objet
de l’enregistrement.
En cas de radiation partielle, le registre indique, lors
de la consultation, à la fois l’enregistrement initial et
celui qui porte sur la radiation partielle.”.
Art. 19
À l’article 43 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées à l’article 37 “Cession de
créance”:
a) dans l’alinéa 1er, le mot “inscription” est remplacé
par le mot “enregistrement”;
b) l’alinéa 2 est complété comme suit:
“L’identité du cessionnaire est également indiquée
lors de la consultation.”.
Art. 20
Dans l’article 44 de la même loi, l’article 38 “Cession
de rang”, est complété par deux alinéas rédigés comme
suit:
“L’enregistrement de la cession de rang doit être
effectué par celui qui cède son rang ou son représentant
tel que visé à l’article 3 ou leur mandataire.
La consultation d’un gage enregistré dans le registre
des gages mentionne, le cas échéant, une cession de
rang enregistrée.”.
Art. 21
Dans l’article 47 de la même loi, les mots “au sens
de l’article 2, 3°, de la loi du 6 avril 2010 relative aux
pratiques du marché et à la protection du consomma-
teur” figurant à l’alinéa 2 de l’article 40 “Preuve” sont
remplacés par les mots “au sens de l’article I.1, 2°, du
livre Ier du Code de droit économique”.
80
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 22
In artikel 54 van dezelfde wet worden in het eerste lid
van artikel 46 “Pandgever consument”, de woorden “in de
zin van artikel 2, 3°, van de wet van 6 april 2010 betref-
fende de marktpraktijken en consumentenbescherming”
vervangen door de woorden “in de zin van artikel I.1, 2°
van boek I van het Wetboek van economisch recht”.
Art. 23
In artikel 55 van dezelfde wet worden in het eerste
lid van artikel 47 “Pandgever niet-consument”, de
woorden “in de zin van artikel 2, 3°, van de wet van
6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consu-
mentenbescherming” vervangen door de woorden “in
de zin van artikel I.1, 2° van boek I van het Wetboek van
economisch recht”.
Art. 24
In artikel 64 van dezelfde wet worden in artikel 56
“Rechterlijke controle a posteriori”, de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden “een termijn
van een jaar” vervangen door de woorden “een termijn
van een maand”;
2° tussen het derde en vierde lid wordt een lid inge-
voegd, luidende:
“De belanghebbenden aan wie geen kennis wordt
gegeven in de zin van het tweede lid, stellen hun vor-
dering uiterlijk in binnen een termijn van drie maanden
vanaf het einde van de uitwinning.”.
Art. 25
In artikel 66 van dezelfde wet wordt het eerste lid
van artikel 57 “Anterioriteitsregel”, vervangen als volgt:
“Het pandrecht heeft voorrang op alle jongere rechten
op de verpande goederen, onverminderd de artikelen
21 tot 26 van Titel XVIII van Boek III van dit Wetboek.”.
Art. 26
In artikel 70 van dezelfde wet worden de woorden
“tegenwerpelijkheid door buitenbezitstelling van schuld-
vordering” vervangen door de woorden “Pandrecht op
schuldvorderingen”.
Art. 22
Dans l’article 54 de la même loi, les mots “au sens
de l’article 2, 3°, de la loi du 6 avril 2010 relative aux
pratiques du marché et à la protection du consomma-
teur” figurant à l’alinéa 1er de l’article 46 “Constituant
consommateur” sont remplacés par les mots “au sens de
l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code de droit économique”.
Art. 23
Dans l’article 55 de la même loi, les mots “au sens
de l’article 2, 3°, de la loi du 6 avril 2010 relative aux
pratiques du marché et à la protection du consomma-
teur” figurant à l’alinéa 1er de l’article 47 “Constituant
non-consommateur” sont remplacés par les mots “au
sens de l’article I.1, 2°, du livre Ier du Code de droit
économique”.
Art. 24
À l’article 64 de la même loi, les modifications sui-
vantes sont apportées à l’article 56 “contrôle judiciaire
a posteriori”:
1° dans l’alinéa 2, les mots “un délai d’un an” sont
remplacés par les mots “un délai d’un mois”;
2° entre l’alinéa 3 et 4, il est inséré un alinéa rédigé
comme suit:
“Les intéressés à qu’il n’y est pas notifié au sens de
l’alinéa 2, introduisent leur demande au plus tard dans
un délai de trois mois à partir de la fin de la réalisation.”.
Art. 25
Dans l’article 66 de la même loi, l’alinéa 1er de l’article
57 “Règle d’antériorité” est remplacé par ce qui suit:
“Le droit de gage a priorité sur tous les droits plus
récents sur les biens gagés, sans préjudice des articles
21 à 26 du Titre XVIII du Livre III du présent Code.”.
Art. 26
Dans l’article 70 de la même loi, les mots “Opposabilité
par dépossession de créance” sont remplacés par les
mots “Gage sur créances”.
81
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 27
In artikel 72 van dezelfde wet worden in het tweede
lid van artikel 61 “Bewijs”, de woorden “in de zin van
artikel 2, 3°, van de wet van 6 april 2010 betreffende de
marktpraktijken en consumentenbescherming” vervan-
gen door de woorden “in de zin van artikel I.1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht”.
Art. 28
In artikel 73 van dezelfde wet worden in artikel
62 “Fiduciaire overdracht tot zekerheid”, de woorden “op
de overgedragen schuldvordering” vervangen door de
woorden “op de overgedragen schuldvordering en zulks
ongeacht of deze overdracht beantwoordt aan het be-
paalde in artikel 61, behoudens wanneer de overdrager
een consument is in de zin van artikel I.1, 2° van boek
I van het Wetboek economisch recht”.
Art. 29
In artikel 81 van dezelfde wet worden in het tweede
lid van artikel 69 “Geschrift”, de woorden “in de zin van
artikel 2, 3°, van de wet van 6 april 2010 betreffende de
marktpraktijken en consumentenbescherming” vervan-
gen door de woorden “in de zin van artikel I.1, 2° van
boek I van het Wetboek van economisch recht”.
Art. 30
In artikel 82 van dezelfde wet, worden in artikel
70 “Zakelijke subrogatie, verwerking en vermenging.”
de woorden “en 20” vervangen door de woorden “,
20 en 23, lid 1.”.
Art. 31
Artikel 97 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 32
Artikel 98 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 33
Artikel 99 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 27
Dans l’article 72 de la même loi, les mots “au sens
de l’article 2, 3°, de la loi du 6 avril 2010 relative aux
pratiques du marché et à la protection du consomma-
teur” figurant à l’alinéa 2 de l’article 61 “Preuve” sont
remplacés par les mots “au sens de l’article I.1, 2°, du
livre Ier du Code de droit économique”.
Art. 28
Dans l’article 73 de la même loi, les mots “sur la
créance cédée” figurant à l’article 62 “Cession fiduciaire
à titre de sûreté” sont remplacés par les mots “sur la
créance cédée et ce, que cette cession soit ou non
conforme aux dispositions de l’article 61, sauf lorsque
le cédant est un consommateur au sens de l’article I.1,
2°, du livre Ier du Code de droit économique”.
Art. 29
Dans l’article 81 de la même loi, les mots “au sens de
l’article 2, 3°, de la loi du 6 avril 2010 relative aux pra-
tiques du marché et à la protection du consommateur”
figurant à l’alinéa 2 de l’article 69 “Écrit” sont remplacés
par les mots “au sens de l’article I.1, 2°, du livre Ier du
Code de droit économique”.
Art. 30
Dans l’article 82 de la même loi, les mots “et 20”
figurant à l’article 70 “Subrogation réelle, transformation
et confusion.” sont remplacés par les mots “, 20 et 23,
alinéa 1er.”.
Art. 31
L’article 97 de la même loi est abrogé.
Art. 32
L’article 98 de la même loi est abrogé.
Art. 33
L’article 99 de la même loi est abrogé.
82
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 34
Artikel 107 van dezelfde wet wordt vervangen als
volgt:
“Art. 107. § 1. De schuldeiser die vóór de inwerking-
treding van deze wet een pandakte heeft ingeschreven
overeenkomstig de wet van 25 oktober 1919 betreffende
het in pand geven van de handelszaak, het disconto
en het in pand geven van de factuur, behoudt zijn rang
indien hij binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding
van deze wet een pandrecht op de bezwaarde goederen
heeft geregistreerd.
Inschrijvingen die niet of nog niet werden geregis-
treerd in het pandregister, overeenkomstig het eerste
lid, kunnen nog worden doorgehaald overeenkomstig
artikel 4bis van de geciteerde wet.
§ 2. De schuldeiser die vóór de inwerkingtreding
van deze wet een voorrecht heeft ingeschreven over-
eenkomstig de wet van 15 april 1884 betreffende de
landbouwleningen, behoudt zijn rang indien hij bin-
nen twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze
wet een pandrecht op de bezwaarde goederen heeft
geregistreerd.
Inschrijvingen die niet of nog niet werden geregis-
treerd in het pandregister, overeenkomstig het eerste
lid, kunnen nog worden doorgehaald overeenkomstig
de artikelen 19 tot 22 van de geciteerde wet.
§ 3. Bij de registratie in het pandregister in de in para-
grafen 1, eerste lid, en 2, eerste lid, bedoelde gevallen,
dienen naast de in artikel 30 vermelde gegevens even-
eens de datum en referte van de bestaande inschrijving
te worden vermeld. Zo de bestaande inschrijving een
vernieuwing betreft, dienen eveneens de datum en
referte van de oorspronkelijke inschrijving te worden
vermeld.
Deze registratie geldt, in afwijking van artikel 35,
enkel voor de resterende termijn van de lopende tien
jaar waarvoor de inschrijving van de inpandgeving van
de handelszaak of het landbouwvoorrecht geldt. Deze
registratie is kosteloos.
§ 4. De schuldeisers die vóór de inwerkingtreding van
deze wet houder zijn geworden van een warrant of ceel
als bedoeld in de wet van 18 november 1862 houdende
invoering van het warrantstelsel, behouden hun rechten
na de inwerkingtreding van deze wet.
§ 5. Een volmacht tot het vestigen van een pandrecht
krachtens de wet van 25 oktober 1919 betreffende het
in pand geven van de handelszaak, het disconto en het
Art. 34
L’article 107 de la même loi est remplacé par ce qui
suit:
“Art. 107. § 1er. Le créancier qui, avant l’entrée en
vigueur de la présente loi, a inscrit un gage conformé-
ment à la loi du 25 octobre 1919 sur la mise en gage du
fonds de commerce, l’escompte et le gage de la facture,
garde son rang si, dans les douze mois après l’entrée
en vigueur de la présente loi, il a enregistré un gage sur
les biens grevés.
Les inscriptions qui n’ont pas ou pas encore été
enregistrées dans le registre des gages conformément
à l’alinéa 1er, peuvent encore être radiées conformément
à l’article 4bis de la loi précitée.
§ 2. Le créancier qui, avant l’entrée en vigueur de la
présente loi, a inscrit un privilège conformément à la loi
du 15 avril 1884 sur les prêts agricoles, garde son rang
si, dans les douze mois après l’entrée en vigueur de la
présente loi, il a enregistré un gage sur les biens grevés.
Les inscriptions qui n’ont pas ou pas encore été
enregistrées dans le registre des gages conformément
à l’alinéa 1er, peuvent encore être radiées conformément
aux articles 19 à 22 de la loi précitée.
§ 3. Lorsque l’enregistrement dans le registre des
gages est effectué dans les cas visés aux paragraphes
1er, alinéa 1er, et 2, alinéa 1er, il convient de mentionner,
outre les données mentionnées à l’article 30, la date
et la référence de l’inscription existante. Si l’inscription
existante concerne un renouvellement, la date et la
référence de l’inscription initiale doivent également être
mentionnées.
Par dérogation à l’article 35, cet enregistrement ne
vaut que pour la durée résiduelle de la période courante
de dix ans durant laquelle l’inscription de la mise en
gage du fonds de commerce ou du privilège agricole
est valable. Cet enregistrement est gratuit.
§ 4. Les créanciers qui, avant l’entrée en vigueur de
la présente loi, sont devenus détenteurs d’un warrant ou
d’une cédule visés dans la loi du 18 novembre 1862 por-
tant institution du système des warrants, gardent leurs
droits après l’entrée en vigueur de la présente loi.
§ 5. Une procuration à l’effet de constituer un droit de
gage conformément à la loi du 25 octobre 1919 sur la
mise en gage du fonds de commerce, l’escompte et le
83
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
in pand geven van de factuur of van een landbouwvoor-
recht krachtens de wet van 15 april 1884 betreffende
de landbouwleningen strekt ook tot het sluiten van
een pandovereenkomst krachtens deze wet binnen de
grenzen van de volmacht.
§ 6. De schuldeisers die vóór de inwerkingtreding
van deze wet houder zijn geworden van een pandrecht
op onlichamelijke goederen andere dan schuldvorde-
ringen, behouden hun rechten na de inwerkingtreding
van deze wet.”.
Art. 35
In hoofdstuk 5 van dezelfde wet, wordt een artikel
107/1 ingevoegd, luidende:
“Art.107/1. Tot en met de laatste dag van de twaalfde
maand na de inwerkingtreding van deze wet is de
hypotheekbewaarder ertoe gehouden om aan elke
verzoeker afschrift te leveren van de bestaande inschrij-
vingen van een pandakte overeenkomstig de wet van
25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de
handelszaak, het disconto en het in pand geven van
de factuur, ten laste van de in het verzoekschrift aan-
geduide personen, of een getuigschrift vaststellend dat
er geen inschrijvingen bestaan.
Tot en met de laatste dag van de twaalfde maand
na de inwerkingtreding van deze wet is de ontvanger
van de registratie ertoe gehouden om aan elke ver-
zoeker afschrift te leveren van de bestaande inschrij-
vingen van een voorrecht overeenkomstig de wet van
15 april 1884 betreffende de landbouwleningen, ten laste
van de in het verzoekschrift aangeduide personen, of
een getuigschrift vaststellend dat er geen inschrijvin-
gen bestaan. De artikelen 22 en 23 van deze wet van
15 april 1884 blijven tijdens deze periode van kracht.”.
Art. 36
In artikel 109, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd
bij de wet van 26 november 2014, worden de woorden
“1 januari 2017” vervangen door de woorden “1 januari
2018”.
gage de la facture ou un privilège agricole conformément
à la loi du 15 avril 1884 sur les prêts agricoles s’étend
également à la conclusion d’une convention de gage
conformément à la présente loi dans les limites de la
procuration.
§ 6. Les créanciers qui, avant l’entrée en vigueur de la
présente loi, sont devenus détenteurs d’un gage sur des
biens incorporels autres que des créances conservent
leurs droits après l’entrée en vigueur de la présente loi.”.
Art. 35
Dans le chapitre 5 de la même loi, un article 107/1 ré-
digé comme suit est inséré:
“Art.107/1. Jusqu’au dernier jour inclus du douzième
mois suivant l’entrée en vigueur de la présente loi, le
conservateur des hypothèques est tenu de délivrer à
tout requérant copie des inscriptions existantes d’un
acte de gage effectuées conformément à la loi du
25 octobre 1919 sur la mise en gage du fonds de com-
merce, l’escompte et le gage de la facture à charge
des personnes désignées dans la réquisition écrite, ou
un certificat constatant qu’il n’existe pas d’inscription.
Jusqu’au dernier jour inclus du douzième mois sui-
vant l’entrée en vigueur de la présente loi, le receveur
de l’enregistrement est tenu de délivrer à tout requé-
rant copie des inscriptions existantes d’un privilège
effectuées conformément à la loi du 15 avril 1884 sur
les prêts agricoles à charge des personnes désignées
dans la réquisition écrite, ou un certificat constatant
qu’il n’existe pas d’inscription. Les articles 22 et 23 de
cette loi du 15 avril 1884 restent applicables pendant
cette période.”.
Art. 36
Dans l’article 109, alinéa 1er, de la même loi, modifié
par la loi du 26 novembre 2014, les mots “1er janvier
2017” sont remplacés par les mots “1er janvier 2018”.
84
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen aan de wet van 15 december 2004
betreffende financiële zekerheden en houdende
diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen met
betrekking tot financiële instrumenten
Art. 37
In artikel 3 van de wet van 15 december 2004 betref-
fende de financiële zekerheden en houdende diverse
fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsover-
eenkomsten en leningen met betrekking tot financiële
instrumenten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van
19 december 2010 en bij de wet van 26 september 2011,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 10°, eerste streepje worden
de woorden “de wet van 22 maart 1993 op het statuut
van en het toezicht op de kredietinstellingen” vervan-
gen door de woorden “de wet van 25 april 2014 op het
statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen”, en
worden de woorden “in artikel 2, § 1, 1° van dezelfde
wet” vervangen door de woorden “in artikel 2, 1° van
dezelfde wet”;
b) in de bepaling onder 10°, tweede streepje worden
de woorden “in de zin van de wet van 4 augustus 1992 op
het hypothecair krediet” vervangen door de woorden “in
de zin van boek VII, titel 4, hoofdstuk 2 van het Wetboek
van economisch recht”;
c) in de bepaling onder 10°, derde streepje worden de
woorden “in artikel 1, 4°, van de wet van 12 juni 1991 op
het consumentenkrediet” vervangen door de woorden
“in artikel I.9, 39° van het Wetboek van economisch
recht”;
d) in de bepaling onder 11°, a) worden de woorden “in
de zin van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van
en het toezicht op de kredietinstellingen” vervangen door
“in de zin van de wet van 25 april 2014 op het statuut
van en het toezicht op de kredietinstellingen”;
e) in de bepaling onder 11°, d) worden de woorden
“in de zin van Deel III van de wet van 20 juli 2004 be-
treffende bepaalde vormen van collectief beheer van
beleggingsportefeuilles” vervangen door de woorden “in
de zin van Deel 3 van de wet van 3 augustus 2012 be-
treffende de instellingen voor collectieve belegging die
voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG
en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen”;
f) in de bepaling onder 11°, e) worden de woorden “in
de zin van Deel II van de wet van 20 juli 2004 betreffende
CHAPITRE 3
Modifications de la loi du 15 décembre 2004
relative aux sûretés financières et portant des
dispositions fiscales diverses en matière de
conventions constitutives de sûreté réelle et de
prêts portant sur des instruments financiers.
Art. 37
À l’article 3 de la loi du 15 décembre 2004 relative
aux sûretés financières et portant des dispositions
fiscales diverses en matière de conventions consti-
tutives de sûreté réelle et de prêts portant sur des
instruments financiers, modifié par l’arrêté royal du
19 décembre 2010 et par la loi du 26 septembre 2011,
les modifications suivantes sont apportées:
a) dans le 10°, premier tiret, les mots “la loi du
22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit” sont remplacés par les mots
“la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle
des établissements de crédit” et les mots “à l’article 2,
§ 1er, 1°, de la même loi” sont remplacés par les mots
“à l’article 2, 1°, de la même loi”;
b) dans le 10°, deuxième tiret, les mots “au sens de
la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire”
sont remplacés par les mots “au sens du livre VII, titre
4, chapitre 2, du Code de droit économique”;
c) dans le 10°, troisième tiret, les mots “à l’article
1er, 4°, de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la
consommation” sont remplacés par les mots “à l’article
I.9, 39°, du Code de droit économique”;
d) dans le 11°, a), les mots “au sens de la loi du
22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des éta-
blissements de crédit” sont remplacés par les mots “au
sens de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au
contrôle des établissements de crédit”;
e) dans le 11°, d), les mots “au sens de la Partie III
de la loi du 20 juillet 2004 relative à certaines formes
de gestion collective de portefeuilles d’investissement”
sont remplacés par les mots “au sens de la partie
3 de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de
placement collectif qui répondent aux conditions de la
Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement
en créances”;
f) dans le 11°, e), les mots “au sens de la Partie II de
la loi du 20 juillet 2004 relative à certaines formes de
85
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
bepaalde vormen van collectief beheer van beleggings-
portefeuilles” vervangen door de woorden “in de zin van
Deel 2 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de
instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan
de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instel-
lingen voor belegging in schuldvorderingen”;
g) in de bepaling onder 12°, a) worden de woorden
“in de zin van de wet van 4 augustus 1992 op het hypo-
thecair krediet” vervangen door de woorden “in de zin
van boek VII, titel 4, hoofdstuk 2 van het Wetboek van
economisch recht”;
h) in de bepaling onder 12°, b) worden de woorden
“in de zin van de wet van 12 juni 1991” vervangen door
de woorden “in de zin van boek VII, titel 4, hoofdstuk
1 van het Wetboek van economisch recht”.
Art. 38
In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van
26 september 2011, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
a) in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen als
volgt:
“De inbezitstelling van op rekening geboekte finan-
ciële instrumenten kan inzonderheid geschieden door
de creditering van die instrumenten op een speciale
rekening geopend op naam van de zekerheidsverschaf-
fer of van de begunstigde van de zekerheid of van een
derde die de zekerheid houdt voor rekening van de
begunstigde. Het feit dat de als zekerheid verschafte
activa in de boeken van een bemiddelaar worden in-
geschreven belet die bemiddelaar niet om, met betrek-
king tot die activa, te handelen als een partij. Wanneer
de financiële instrumenten zijn gecrediteerd op een
speciale rekening op naam van de begunstigde of van
een derde die optreedt voor diens rekening, wordt aan
de vereiste van bezit of controle geen afbreuk gedaan
indien tot nader bericht van de begunstigde of de derde
die voor zijn rekening optreedt de zekerheidsverschaf-
fer nog beschikkingsrechten heeft die in de zakelijke
zekerheidsovereenkomst nader zijn bepaald.”;
b) in paragraaf 1 wordt tussen het derde lid en het
vierde lid een lid ingevoegd luidende:
“Voor financiële instrumenten die niet de vorm aan-
nemen van waardepapieren of effecten, gelden dezelfde
vereisten als voor bankvorderingen.”;
gestion collective de portefeuilles d’investissement”
sont remplacés par les mots “au sens de la partie
2 de la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de
placement collectif qui répondent aux conditions de la
Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement
en créances”;
g) dans le 12°, a), les mots “au sens de la loi du
4 août 1992 relative au crédit hypothécaire” sont rem-
placés par les mots “au sens du livre VII, titre 4, chapitre
2, du Code de droit économique”;
h) dans le 12°, b), les mots “au sens de la loi du
12 juin 1991 relative au crédit à la consommation” sont
remplacés par les mots “au sens du livre VII, titre 4,
chapitre 1er, du Code de droit économique”.
Art. 38
À l’article 4 de la même loi, modifié par la loi du
26 septembre 2011, les modifications suivantes sont
apportées:
a) dans le paragraphe 1er, l’alinéa 3 est remplacé par
ce qui suit:
“La mise en possession d’instruments financiers
inscrits en compte peut être établie notamment par
leur inscription au crédit d’un compte spécial ouvert au
nom du constituant ou du bénéficiaire de la garantie ou
encore d’un tiers qui détient la sûreté pour le compte du
bénéficiaire. Le fait que les avoirs donnés en garantie
sont enregistrés dans les livres d’un intermédiaire ne
prive pas celui-ci d’agir en qualité de partie en ce qui
concerne ces avoirs. Lorsque les instruments financiers
sont inscrits au crédit d’un compte spécial ouvert au nom
du bénéficiaire ou d’un tiers agissant pour le compte
de celui-ci, il n’est pas porté atteinte à l’obligation de
possession ou de contrôle si, jusqu’à nouvel ordre du
bénéficiaire ou du tiers agissant pour le compte de celui-
ci, le constituant de la garantie conserve des droits de
disposition définis dans la convention constitutive de
sûreté réelle.”;
b) dans le paragraphe 1er, un alinéa rédigé comme
suit est inséré entre les alinéas 3 et 4:
“Les instruments financiers qui ne se présentent
pas sous la forme de titres ou de valeurs mobilières
sont soumis aux mêmes exigences que les créances
bancaires.”;
86
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
c) in paragraaf 4 worden de woorden “,van arti-
kel 57bis, § 1, van de wet van 22 maart 1993 op het
statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen”
opgeheven.
Art. 39
In artikel 4/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 26 september 2011 en gewijzigd bij de wet
van 3 augustus 2012, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
a) in paragraaf 1 worden de woorden “artikel 51,
§ 1 van de wet betreffende hypothecair krediet” ver-
vangen door de woorden “artikel 81quater van de
Hypotheekwet van 16 december 1851”;
b) in paragraaf 2 worden de woorden “artikel 27 van
de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet”
vervangen door de woorden “artikel VII.104 van het
Wetboek van economisch recht” en worden de woorden
“artikel 74 van de wet van 6 april 2010 betreffende markt-
praktijken en consumentenbescherming” vervangen
door de woorden “artikel VI.83 van het Wetboek van
economisch recht”.
Art. 40
In artikel 5 van dezelfde wet wordt het tweede lid
vervangen als volgt:
“De vertegenwoordiger kan alle rechten en prero-
gatieven uitoefenen die normaliter toekomen aan de
begunstigden voor wier rekening hij optreedt. Deze
rechten behoren tot het vermogen van de begunstigden.”
Art. 41
Artikel 7 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van
26 september 2011, wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Behoudens de uitzonderingen uitdrukkelijk
bepaald in § § 2 tot 4 zijn artikel 1328 en boek III, titel
XVII, van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing
op enig pand op financiële instrumenten, contanten en
bankvorderingen .
§ 2. De volgende artikelen van boek III, titel XVII,
van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op een
pand als bedoeld in artikel 4: artikelen 1, 5, 6, 8, 9,
10 eerste lid, 11 eerste en derde lid, 13, 23 eerste en
derde lid, 57 eerste lid, 60 tweede en derde lid, 63, 64,
65, 66 en 67.
c) dans le paragraphe 4, les mots “, de l’article 57bis,
§ 1er, de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au
contrôle des établissements de crédit” sont abrogés.
Art. 39
À l’article 4/1 de la même loi, inséré par la loi du
26 septembre 2011 et modifié par la loi du 3 août 2012,
les modifications suivantes sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, les mots “l’article 51, § 1er,
de la loi relative au crédit hypothécaire” sont remplacés
par les mots “l’article 81quater de la loi hypothécaire du
16 décembre 1851”;
b) dans le paragraphe 2, les mots “l’article 27 de la
loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation”
sont remplacés par les mots “l’article VII.104 du Code
de droit économique” et les mots “l’article 74 de la loi
du 6 avril 2010 relative aux pratiques du marché et à
la protection du consommateur” sont remplacés par
les mots “l’article VI.83 du Code de droit économique”.
Art. 40
Dans l’article 5 de la même loi, l’alinéa 2 est remplacé
par ce qui suit:
“Le représentant peut exercer tous les droits et pré-
rogatives qui reviennent normalement aux bénéficiaires
pour le compte desquels il agit. Ces droits font partie du
patrimoine des bénéficiaires.”
Art. 41
L’article 7 de la même loi, modifié par la loi du
26 septembre 2011, est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. Sauf les exceptions expressément prévues
aux § § 2 à 4, l’article 1328 et le livre III, titre XVII, du
Code civil ne sont pas applicables aux gages sur des
instruments financiers, des espèces et des créances
bancaires.
§ 2. Les articles suivants du livre III, titre XVII, du
Code civil sont applicables au gage visé à l’article 4:
les articles 1, 5, 6, 8, 9, 10, alinéa 1er, 11, alinéas 1er et
3, 13, 23, alinéas 1er et 3, 57, alinéa 1er, 60, alinéas 2 et
3, 63, 64, 65, 66 et 67.
87
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§ 3. Financiële instrumenten, bankvorderingen of con-
tanten die krachtens de wet of hun aard niet overdraag-
baar zijn, kunnen evenmin in pand worden gegeven.
§ 4. Een pandrecht op financiële instrumenten,
bankvorderingen of contanten komt tot stand door de
overeenkomst tussen pandgever en pandhouder en is
aan derden tegenwerpelijk wanneer de toepasselijke
vereisten voorzien in artikel 4, § 1 zijn voldaan.
§ 5. Op de marge-opvragingen en op de gelijkwaar-
dige financiële instrumenten, contanten of bankvor-
deringen die, tijdens de duur van de overeenkomst,
in de plaats worden gesteld van de activa die het
oorspronkelijke pand vormen, is dezelfde regeling van
toepassing als op de laatstgenoemde activa. In geval
van bankvorderingen, tast het recht van de pandgever
op het innen van de opbrengst de ten gunste van de
begunstigde gestelde zekerheid niet aan.”.
Art. 42
In artikel 10, § 1 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 25 april 2014, worden de woorden “conform artikel
2075, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek” vervangen
door de woorden “conform artikel 60, tweede lid, van
boek III, titel XVII, van het Burgerlijk Wetboek”.
Art. 43
In artikel 11, § 1 van dezelfde wet worden de woorden
“Voorzover de partijen” vervangen door de woorden
“Voor zover de partijen”.
Art. 44
In artikel 12, § 1 van dezelfde wet, vervangen bij de
wet van 26 september 2011, worden de woorden “Artikel
1328 en de bepalingen van boek III, titel XVII van het
Burgerlijk Wetboek evenals de bepalingen van boek I,
titel VI van het Wetboek van koophandel” vervangen
door de woorden “Artikel 1328, de bepalingen van boek
III, titel XVII van het Burgerlijk Wetboek evenals de
bepalingen van artikel 7 tot en met 10 van deze wet”.
§ 3. Les instruments financiers, créances bancaires
ou espèces qui ne sont pas transférables en vertu de la
loi ou en raison de leur nature ne peuvent pas davantage
être mis en gage.
§ 4. Un gage sur des instruments financiers, des
créances bancaires ou des espèces est constitué par
la convention conclue entre le constituant du gage et
le créancier gagiste et est opposable aux tiers lorsque
les conditions applicables prévues à l’article 4, § 1er,
sont remplies.
§ 5. Les appels de marge ainsi que les instruments
financiers équivalents, espèces ou créances bancaires
substitués en cours de contrat aux avoirs constituant
initialement l’assiette suivent le même régime que ces
avoirs remis initialement à titre de gage. Dans le cas
de créances bancaires, le droit du constituant d’en
percevoir le produit ne porte pas atteinte à la garantie
constituée au profit de son bénéficiaire.”.
Art. 42
Dans l’article 10, § 1er, de la même loi, modifié par la
loi du 25 avril 2014, les mots “conformément à l’article
2075, alinéa 2, du Code civil” sont remplacés par les
mots “conformément à l’article 60, alinéa 2, du livre III,
titre XVII, du Code civil”.
Art. 43
Dans l’article 11, § 1er, de la même loi, dans la version
néerlandaise, les mots “Voorzover de partijen” sont
remplacés par les mots “Voor zover de partijen”.
Art. 44
Dans l’article 12, § 1er, de la même loi, remplacé par
la loi du 26 septembre 2011, les mots “L’article 1328 et
les dispositions du livre III, titre XVII, du Code civil ainsi
que les dispositions du livre Ier, titre VI, du Code de com-
merce” sont remplacés par les mots “L’article 1328 et les
dispositions du livre III, titre XVII, du Code civil ainsi que
les dispositions des articles 7 à 10 de la présente loi”.
88
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 45
In artikel 13 van dezelfde wet worden de woorden
“de bepalingen van boek I, titel VI, van het Wetboek
van koophandel” vervangen door de woorden “de be-
palingen van de artikelen 7 tot en met 10 van deze wet”.
Art. 46
In artikel 15, § 2 worden de woorden “en op de in de
artikelen 7, § 2, 12, § 1, tweede lid, 13, § 1, tweede en
derde lid, en 16 bedoelde marge-opvragingen of ver-
vangingen” vervangen door de woorden “en op de in
de artikelen 7, § 5, 12, § 1, tweede lid, 13, § 1, tweede
en derde lid, en 16 bedoelde marge-opvragingen of
vervangingen”.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen aan de wet van 3 augustus 2012
betreffende diverse maatregelen ter
vergemakkelijking van de mobilisering van
schuldvorderingen in de financiële sector
Art. 47
In artikel 2 van de wet van 3 augustus 2012 betref-
fende diverse maatregelen ter vergemakkelijking van
de mobilisering van schuldvorderingen in de financiële
sector worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 5°, b) worden de woor-
den “overeenkomstig artikel 108 van de wet van
20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief
beheer van beleggingsportefeuilles” vervangen door de
woorden “overeenkomstig artikel 108 van de wet van
3 augustus 2012”;
b) de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt:
“6° “de wet van 25 april 2014”: de wet van 25 april 2014
op het statuut en het toezicht op kredietinstellingen”;
c) tussen de bepaling onder 6° en de bepaling onder
7° worden de bepalingen onder 6°/1 en 6°/2 ingevoegd,
luidende:
“6°/1 “de wet van 3 augustus 2012”: de wet van
3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor col-
lectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging
in schuldvorderingen;
Art. 45
Dans l’article 13 de la même loi, les mots “du livre Ier,
titre VI, du Code de commerce” sont remplacés par les
mots “des articles 7 à 10 de la présente loi”.
Art. 46
Dans l’article 15, § 2, les mots “et les opérations
d’appel de marge ou de substitution visées aux articles
7, § 2, 12, § 1er, alinéa 2, 13, § 1er, alinéas 2 et 3, et 16”
sont remplacés par les mots “et les opérations d’appel
de marge ou de substitution visées aux articles 7, § 5,
12, § 1er, alinéa 2, 13, § 1er, alinéas 2 et 3, et 16”.
CHAPITRE 4
Modifications de la loi du 3 août 2012
relative à des mesures diverses pour
faciliter la mobilisation de créances
dans le secteur financier
Art. 47
À l’article 2 de la loi du 3 août 2012 relative à des
mesures diverses pour faciliter la mobilisation de
créances dans le secteur financier, les modifications
suivantes sont apportées:
a) dans le 5°, b), les mots “conformément à l’article
108 de la loi du 20 juillet 2004 relative à certaines formes
de gestion collective de portefeuilles d’investissement”
sont remplacés par les mots “conformément à l’article
108 de la loi du 3 août 2012”;
b) le 6° est remplacé par ce qui suit:
“6° “la loi du 25 avril 2014 “: la loi du 25 avril 2014 re-
lative au statut et au contrôle des établissements de
crédit”;
c) les 6°/1 et un 6°/2, rédigés comme suit, sont insérés
entre le 6° et le 7°:
“6°/1 “la loi du 3 août 2012 “: la loi du 3 août 2012
relative aux organismes de placement collectif qui
répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE
et aux organismes de placement en créances;
89
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
6°/2 “de wet van 11 juli 2013”: de wet van 11 juli 2013
tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke
zekerheden op roerende goederen betreft; en”.
Art. 48
In artikel 4 van dezelfde wet worden de woorden “in
de zin van artikel 50 van de wet van 4 augustus 1992 op
het hypothecair krediet” vervangen door de woorden
“in de zin van artikel 81ter van de Hypotheekwet van
16 december 1851”.
Art. 49
In artikel 5 van dezelfde wet worden de woorden
“Onverminderd artikelen 51 tot 53 van de wet van
4 augustus 1992 op het hypothecair krediet” vervangen
door de woorden “Onverminderd artikelen 81ter tot 81un-
decies van de Hypotheekwet van 16 december 1851”.
Art. 50
In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 1 worden de woorden “aan de in artikel
3, § 2, van de wet van 22 maart 1993 vermelde diensten”
vervangen door de woorden “aan de in artikel 4 van de
wet van 25 april 2014 vermelde diensten”;
b) in paragraaf 4, 2° worden de woorden “artikel
27 van de wet van 12 juni 1991 op het consumenten-
krediet” vervangen door de woorden “artikel VII.104 van
het Wetboek van economisch recht”.
Art. 51
In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Onverminderd artikel 271/8, eerste lid, van de wet
van 3 augustus 2012, wanneer een bankvordering wordt
overgedragen aan of door een kredietinstelling, een
financiële instelling of een mobiliseringsinstelling, zijn
artikelen 1328 van het Burgerlijk Wetboek, VII.103 van
het Wetboek van economisch recht, artikel 8 van boek II,
titel I, hoofdstuk II van het Wetboek van koophandel en
artikel 23, tweede lid van boek III, titel XVII, afdeling 1,
van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing op deze
6°/2 “la loi du 11 juillet 2013 “: la loi du 11 juillet 2013
modifiant le Code civil en ce qui concerne les sûretés
réelles mobilières; et”
Art. 48
Dans l’article 4 de la même loi, les mots “au sens
de l’article 50 de loi du 4 août 1992 relative au crédit
hypothécaire” sont remplacés par les mots “au sens
de l’article 81ter de la loi hypothécaire du 16 décembre
1851”.
Art. 49
Dans l’article 5 de la même loi, les mots “Sans préju-
dice des articles 51 à 53 de loi du 4 août 1992 relative
au crédit hypothécaire” sont remplacés par les mots
“Sans préjudice des articles 81ter à 81undecies de la loi
hypothécaire du 16 décembre 1851”.
Art. 50
À l’article 6 de la même loi, les modifications sui-
vantes sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, les mots “à des services
visés à l’article 3, § 2, de la loi du 22 mars 1993” sont
remplacés par les mots “à des services visés à l’article
4 de la loi du 25 avril 2014”;
b) dans le paragraphe 4, 2°, les mots “l’article 27 de la
loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation”
sont remplacés par les mots “l’article VII.104 du Code
de droit économique”.
Art. 51
À l’article 7 de la même loi, les modifications sui-
vantes sont apportées:
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. Sans préjudice de l’article 271/8, alinéa 1er, de
la loi du 3 août 2012, lorsqu’une créance bancaire est
cédée à ou par un établissement de crédit, un établis-
sement financier ou un organisme de mobilisation, les
articles 1328 du Code civil, VII.103 du Code de droit
économique, 8 du livre II, titre Ier, chapitre II, du Code
de commerce, ainsi que l’article 23, alinéa 2, du livre III,
titre XVII, section 1re, du Code civil ne s’appliquent pas à
cette cession. Ces mêmes dispositions ne s’appliquent
90
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
overdracht. Dezelfde bepalingen zijn niet van toepas-
sing op een inpandgeving van een schuldvordering ten
gunste van of door een dergelijke instelling.”;
b) paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
“§ 2. Onverminderd artikel 271/8, tweede lid, van de
wet van 3 augustus 2012, wanneer een bankvordering
wordt overgedragen aan of door een kredietinstelling,
een financiële instelling of een mobiliseringsinstelling,
verwerft de overnemer, door de loutere naleving van
de voorschriften van boek III, titel VI, hoofdstuk VIII
van het Burgerlijk Wetboek, alle rechten die het gevolg
zijn van de verzekeringsovereenkomsten waarover de
overdrager beschikt als waarborg voor of in verband met
de overgedragen schuldvorderingen. Een inpandgeving
van dezelfde rechten ten gunste van of door een der-
gelijke instelling of bijzonder vermogen geschiedt door
de loutere naleving van de bepalingen in artikel 7 van
de wet betreffende financiële zekerheden.”;
c) in de derde paragraaf, eerste lid, wordt de tweede
zin opgeheven;
d) het artikel wordt aangevuld met een vierde en vijfde
paragraaf, luidende:
“§ 4. De bepalingen van artikel 5 en artikel 3 § 3 zijn
van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
pandrechten die geregistreerd zijn of waarvan regis-
tratie wordt beoogd overeenkomstig boek III, titel XVII,
afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek en de termen
inschrijving of ingeschreven verwijzen naar de in die
afdeling voorziene registratie.
§ 5. Wanneer één of meer gewaarborgde schuldvor-
deringen voor de registratie zijn overgedragen aan of
door een kredietinstelling, een financiële instelling of een
mobiliseringsinstelling, kan een pand of voorrecht dat
geregistreerd wordt overeenkomstig artikel 107 eerste
of derde lid van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van
het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden
op roerende goederen betreft en tot de opheffing van
diverse bepalingen, naar keuze geregistreerd worden
alleen op naam van de overdrager, op naam van de
overdrager en de overnemer, of alleen op naam van de
overnemer. Ongeacht de keuze van de registratiewijze
geniet de overnemer krachtens het pand rechten ten
belope van de schuldvordering(en) die aan hem zijn
overgedragen en kan hij deze rechten uitoefenen ten
aanzien van degene die het pand verleent en ten aan-
zien van derden.”.
pas à la mise en gage d’une créance au profit de ou par
un tel établissement ou organisme.”;
b) le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit:
“§ 2. Sans préjudice de l’article 271/8, alinéa 2, de
la loi du 3 août 2012, lorsqu’une créance bancaire est
cédée à ou par un établissement de crédit, un établis-
sement financier ou un organisme de mobilisation, le
cessionnaire acquiert, par le simple respect des pres-
criptions du livre III, titre VI, chapitre VIII du Code civil,
tous les droits découlant des conventions d’assurance
dont le cédant dispose comme garantie pour ou en
relation avec les créances cédées. Une mise en gage
de ces mêmes droits au profit de ou par un tel établis-
sement, organisme ou patrimoine spécial résulte du
simple respect des dispositions de l’article 7 de la loi
relative aux sûretés financières.”;
c) dans le paragraphe 3, alinéa 1er, la deuxième
phrase est abrogée;
d) l’article est complété par un paragraphe 4 et un
paragraphe 5 rédigés comme suit:
“§ 4. Les dispositions de l’article 5 et de l’article 3,
§ 3, sont applicables par analogie en ce qui concerne les
gages enregistrés ou dont l’enregistrement est envisagé
conformément au livre III, titre XVII, section 2, du Code
civil et les termes “inscription” ou “inscrit” renvoient à
l’enregistrement prévu dans ladite section.
§ 5. Lorsqu’une ou plusieurs créances garanties sont,
préalablement à l’enregistrement, cédées à ou par un
établissement de crédit, un établissement financier ou
un organisme de mobilisation, un gage ou un privilège
enregistré conformément à l’article 107, alinéa 1er ou 3,
de la loi du 11 juillet 2003 modifiant le Code civil en ce
qui concerne les sûretés réelles mobilières et abrogeant
diverses dispositions en cette matière peut, au choix,
être enregistré soit au seul nom du cédant, soit au nom
du cédant et du cessionnaire, soit au seul nom du ces-
sionnaire. Quel que soit le choix du mode d’enregistre-
ment, le cessionnaire jouit des droits en vertu du gage
à concurrence de la (des) créance(s) qui lui est (sont)
cédée(s) et il peut exercer ces droits à l’égard de celui
qui consent le gage et à l’égard des tiers.”.
91
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 52
In artikel 8, § 2 van dezelfde wet worden de woorden
“artikel 64/20, § 2, van de wet van 22 maart 1993” ver-
vangen door de woorden “artikel 15, § 2 van bijlage III
bij de wet van 25 april 2014”.
Art. 53
In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) in paragraaf 1 worden de woorden “overeenkom-
stig artikel 64/20, § 2, van de wet van 22 maart 1993”
vervangen door de woorden “overeenkomstig artikel 15,
§ 2 van bijlage III bij de wet van 25 april 2014”;
b) in paragraaf 3 worden de woorden “overeenkom-
stig de bepalingen van artikel 64/20, § 2, van de wet
van 22 maart 1993 en de betrokken uitvoeringsbeslui-
ten, genomen op grond van artikel 64/20, § 3, van de
wet van 22 maart 1993” vervangen door de woorden
“overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, § 2 van
bijlage III bij de wet van 25 april 2014 en de betrokken
uitvoeringsbesluiten, genomen op grond van artikel 15,
§ 2 van bijlage III bij de wet van 25 april 2014”.
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen aan het Wetboek der
registratie-, hypotheek- en griffierechten
Art. 54
In artikel 29 van het Wetboek der registratie-, hypo-
theek- en griffierechten worden de woorden “hetzij in
de registers van de hypotheekbewaarders, hetzij in de
registers voor de inschrijvingen van het landbouwvoor-
recht” vervangen door de woorden “in de registers van
de hypotheekbewaarders”.
Art. 55
In het opschrift van Titel I, Hoofdstuk IV, Afdeling VI,
van hetzelfde Wetboek worden de woorden “, inpand-
gevingen van een handelszaak en vestigingen van een
landbouwvoorrecht” opgeheven.
Art. 52
Dans l’article 8, § 2, de la même loi, les mots “l’article
64/20, § 2, de la loi du 22 mars 1993” sont remplacés
par les mots “l’article 15, § 2, de l’annexe III à la loi du
25 avril 2014”.
Art. 53
À l’article 9 de la même loi, les modifications sui-
vantes sont apportées:
a) dans le paragraphe 1er, les mots “conformément
à l’article 64/20, § 2, de la loi du 22 mars 1993” sont
remplacés par les mots “conformément à l’article 15,
§ 2, de l’annexe III à la loi du 25 avril 2014”;
b) dans le paragraphe 3, les mots “conformément
aux dispositions de l’article 64/20, § 2, de la loi du
22 mars 1993 et des arrêtés d’exécution concernés, pris
sur la base de l’article 64/20, § 3, de la loi du 22 mars
1993” sont remplacés par les mots “conformément aux
dispositions de l’article 15, § 2, de l’annexe III à la loi
du 25 avril 2014 et des arrêtés d’exécution concernés,
pris sur la base de l’article 15, § 2, de l’annexe III à la
loi du 25 avril 2014”.
CHAPITRE 5
Modifications du Code des droits
d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe
Art. 54
Dans l’article 29 du Code des droits d’enregistre-
ment, d’hypothèque et de greffe, les mots “soit dans
les registres des conservateurs des hypothèques, soit
dans les registres aux inscriptions du privilège agricole,”
sont remplacés par les mots “dans les registres des
conservateurs des hypothèques”.
Art. 55
Dans l’intitulé du Titre I, Chapitre IV, section VI, du
même Code, les mots “, de gage sur fonds de commerce
ou de privilège agricole” sont abrogés.
92
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 56
Artikel 88 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de
programmawet van 27 december 2004, wordt vervan-
gen als volgt:
“Art. 88. De vestigingen van een hypotheek op een
schip dat niet naar zijn aard voor het zeevervoer bestemd
is, worden aan een recht van 0,50 pct. onderworpen.”.
Art. 57
In artikel 89 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de
wet van 23 december 1958, worden de woorden “, het
pand of het voorrecht gevestigd zijn” vervangen door
de woorden “gevestigd is”.
Art. 58
In artikel 91 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 27 december 2004, worden de woorden “,
door de verpanding van een handelszaak of door een
landbouwvoorrecht” opgeheven.
Art. 59
In artikel 921 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 23 december 1958 en vernummerd bij het
koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967, worden de
woorden “, inpandgeving van een handelszaak of ves-
tiging van een landbouwvoorrecht” opgeheven.
Art. 60
In artikel 922 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het
koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 en vervangen
bij de wet van 27 december 2004, wordt het woord “of”
ingevoegd vóór de woorden “van een hypotheek op
een schip” en worden de woorden “, van de verpanding
van een handelszaak of van een landbouwvoorrecht”
opgeheven.
Art. 61
In artikel 93 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967, worden
de woorden “, het pand of het landbouwvoorrecht”
opgeheven.
Art. 56
L’article 88 du même Code, remplacé par la loi-pro-
gramme du 27 décembre 2004, est remplacé par ce
qui suit:
“Art. 88. Les constitutions d’hypothèque sur un navire
qui n’est pas destiné par nature au transport maritime,
sont assujetties à un droit de 0,50 p.c.”.
Art. 57
Dans l’article 89 du même Code, remplacé par la loi
du 23 décembre 1958, les mots “, le gage ou le privi-
lège sont constitués” sont remplacés par les mots “est
constituée”.
Art. 58
Dans l’article 91 du même Code, remplacé par la loi
du 27 décembre 2004, les mots “par un gage sur fonds
de commerce ou par un privilège agricole” sont abrogés.
Art. 59
Dans l’article 921 du même Code, remplacé par la loi
du 23 décembre 1958 et renuméroté par l’arrêté royal
n° 12 du 18 avril 1967, les mots “, de gage ou de privilège
agricole” sont abrogés.
Art. 60
Dans l’article 922 du même Code, inséré par l’arrêté
royal n° 12 du 18 avril 1967 et remplacé par la loi du
27 décembre 2004, le mot “ou” est inséré devant les
mots “d’une hypothèque sur un navire” et les mots “,
d’un gage sur fonds de commerce ou d’un privilège
agricole” sont abrogés.
Art. 61
Dans l’article 93 du même Code, remplacé par
l’arrêté royal n° 12 du 18 avril 1967, les mots “, le gage
ou le privilège agricole” sont abrogés.
93
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
HOOFDSTUK 6
Andere wijzigingsbepalingen
Afdeling 1
Wijzigingen aan de Hypotheekwet
Art. 62
In artikel 20, 5°, derde lid, van de hypotheekwet, wordt
tussen de woorden “gebruikt in” en het woord “nijver-
heids”, het woord “landbouws-,” ingevoegd.
Art. 63
In artikel 81quater, § 1, 2° van dezelfde wet, gewijzigd
bij de wet van 26 oktober 2015, worden de woorden “in
de zin van de wet van 25 april 2014 op het statuut van
en het toezicht op kredietinstellingen” vervangen door
de woorden “, een kredietinstelling die onder een andere
lidstaat ressorteert of een bijkantoor van een kredietin-
stelling die ressorteert onder een derde land in de zin
van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het
toezicht op kredietinstellingen”.
Afdeling 2
Wijzigingen aan het gecoördineerd koninklijk
besluit nr. 62 betreffende de bewaargeving
van vervangbare financiële instrumenten en de
vereffening van transacties op deze instrumenten
Art. 64
Artikel 7, § 1, eerste lid, van het gecoördineerd ko-
ninklijk besluit nr. 62 betreffende de bewaargeving van
vervangbare financiële instrumenten en de vereffening
van transacties op deze instrumenten, wordt vervangen
als volgt:
“Een pand op vervangbare financiële instrumen-
ten wordt gevestigd overeenkomstig de wet van
15 december 2004 betreffende de financiële zekerhe-
den en houdende diverse fiscale bepalingen inzake
zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met
betrekking tot financiële instrumenten. De in pand ge-
geven financiële instrumenten worden geïdentificeerd
volgens hun aard zonder opgave van nummer.”.
CHAPITRE 6
Autres dispositions modificatives
Section 1re
Modifications de la loi hypothécaire
Art. 62
Dans l’article 20, 5°, alinéa 3, de la loi hypothécaire,
le mot “agricoles,” est inséré entre le mot “entreprises”
et le mot “industrielles”.
Art. 63
Dans l’article 81quater, § 1er, 2°, de la même loi, modi-
fié par la loi du 26 octobre 2015, les mots “au sens de la
loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit” sont remplacés par les mots
“, un établissement de crédit relevant du droit d’un autre
État membre ou une succursale d’un établissement de
crédit relevant du droit d’un pays tiers au sens de la
loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit”.
Section 2
Modifications de l’arrêté royal n° 62
coordonné relatif au dépôt d’instruments
financiers fongibles et à la liquidation
d’opérations sur ces instruments
Art. 64
L’article 7, § 1er, alinéa 1er, de l’arrêté royal n° 62 coor-
donné relatif au dépôt d’instruments financiers fongibles
et à la liquidation d’opérations sur ces instruments, est
remplacé par ce qui suit:
“Un gage sur instruments financiers fongibles est
constitué conformément à la loi du 15 décembre 2004 re-
lative aux sûretés financières et portant des dispositions
fiscales diverses en matière de conventions constitutives
de sûreté réelle et de prêts portant sur des instruments
financiers. Les instruments financiers donnés en gage
sont identifiés par leur nature sans spécification de
numéro.”.
94
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Afdeling 3
Wijzigingen aan de wet van 2 januari 1991 betreffende
de markt van de effecten van de overheidsschuld
en het monetair beleidsinstrumentarium
Art. 65
In artikel 7 van de wet van 2 januari 1991 betreffende
de markt van de effecten van de overheidsschuld en
het monetair beleidsinstrumentarium, gewijzigd door de
wet van 15 december 2004, worden het eerste en het
tweede lid vervangen als volgt:
“Een pand op gedematerialiseerde effecten wordt
gevestigd overeenkomstig de wet van 15 december
2004 betreffende de financiële zekerheden en hou-
dende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking
tot financiële instrumenten.”.
Afdeling 4
Wijzigingen aan het Wetboek van vennootschappen
Art. 66
Artikel 470, eerste lid, van het Wetboek van vennoot-
schappen wordt vervangen als volgt:
“Een pand op gedematerialiseerde effecten wordt
gevestigd overeenkomstig de wet van 15 december
2004 betreffende de financiële zekerheden en hou-
dende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking
tot financiële instrumenten.”
Afdeling 5
Wijzigingen aan de wet van 3 augustus 2012 betreffende
de instellingen voor collectieve belegging die voldoen
aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de
instellingen voor belegging in schuldvorderingen
Art. 67
In artikel 271/8, van de wet van 3 augustus 2012 be-
treffende de instellingen voor collectieve belegging die
voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG
en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in het eerste lid wordt de eerste zin die aanvangt
met de woorden “In geval een schuldvordering wordt
Section 3
Modifications de la loi du 2 janvier 1991 relative
au marché des titres de la dette publique et
aux instruments de la politique monétaire
Art. 65
Dans l’article 7 de la loi du 2 janvier 1991 relative
au marché des titres de la dette publique et aux instru-
ments de la politique monétaire, modifié par la loi du
15 décembre 2004, les alinéas 1er et 2 sont remplacés
par ce qui suit:
“Un gage sur des titres dématérialisés est constitué
conformément à la loi du 15 décembre 2004 relative aux
sûretés financières et portant des dispositions fiscales
diverses en matière de conventions constitutives de
sûreté réelle et de prêts portant sur des instruments
financiers.”.
Section 4
Modifications du Code des sociétés
Art. 66
L’article 470, alinéa 1er, du Code des sociétés est
remplacé par ce qui suit:
“Un gage sur des titres dématérialisés est constitué
conformément à la loi du 15 décembre 2004 relative aux
sûretés financières et portant des dispositions fiscales
diverses en matière de conventions constitutives de
sûreté réelle et de prêts portant sur des instruments
financiers.”
Section 5
Modifications de la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui répondent
aux conditions de la Directive 2009/65/CE et
aux organismes de placement en créances
Art. 67
À l’article 271/8 de la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui répondent aux
conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes
de placement en créances, les modifications suivantes
sont apportées:
a) dans l’alinéa 1er, la première phrase commençant
par les mots “Lorsqu’une créance est cédée” et finissant
95
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
overgedragen” en eindigt met de woorden “niet van
toepassing op deze overdracht” vervangen als volgt:
“In geval een schuldvordering wordt overgedragen
aan of door een instelling voor collectieve belegging in
schuldvorderingen in de zin van deze wet, zijn de arti-
kelen 1328 van het Burgerlijk Wetboek en VII.103 van
het Wetboek van economisch recht, artikel 8 van boek
II, titel I, hoofdstuk II, van het Wetboek van koophandel
en artikel 23, tweede lid van de wet van 11 juli 2013 tot
wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke
zekerheden op roerende goederen betreft, niet van
toepassing op deze overdracht”;
b) in het tweede lid worden de woorden “de voorschrif-
ten van boek III, titel XVII van het Burgerlijk Wetboek
of boek I, titel VI, van het Wetboek van koophandel”
vervangen door de woorden “de bepalingen van artikel
7 van de wet van 15 december 2004 betreffende finan-
ciële zekerheden”.
Afdeling 6
Wijzigingen aan de wet van 19 april 2014
betreffende de alternatieve instellingen voor
collectieve belegging en hun beheerders
Art. 68
Artikel 513 van de wet van 19 april 2014 betreffende
de alternatieve instellingen voor collectieve belegging
en hun beheerders wordt opgeheven.
HOOFDSTUK 7
Overgangsbepaling
Art. 69
Het recht van 0,50 pct., geheven overeenkomstig ar-
tikel 88 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en
griffierechten vóór de inwerkingtreding van artikel 56 van
deze wet, wordt in mindering gebracht op het krachtens
artikel 87 van hetzelfde Wetboek verschuldigde recht,
wanneer later een hypotheek wordt gevestigd tot zeker-
heid van dezelfde schuld.
par les mots “ne sont pas applicables à cette cession”
est remplacée par ce qui suit:
“Lorsqu’une créance est cédée par ou à un orga-
nisme de placement collectif en créances au sens de
la présente loi, l’article 1328 du Code civil et l’article
VII.103 du Code de droit économique, l’article 8 du Livre
II, Titre Ier, Chapitre II, du Code du commerce et l’article
23, alinéa 2, de la loi du 11 juillet 2013 modifiant le Code
civil en ce qui concerne les sûretés réelles mobilières
ne sont pas applicables à cette cession”;
b) dans l’alinéa 2, les mots “des formalités prescrites
par les dispositions du Livre III, Titre XVII du Code civil
ou livre Ier, titre VI, du Code de commerce” sont rempla-
cés par les mots “des dispositions de l’article 7 de la loi
du 15 décembre 2004 relative aux sûretés financières”.
Section 6
Modifications de la loi du 19 avril 2014 relative
aux organismes de placement collectif
alternatifs et à leurs gestionnaires
Art. 68
L’article 513 de la loi du 19 avril 2014 relative aux
organismes de placement collectif alternatifs et à leurs
gestionnaires est abrogé.
CHAPITRE 7
Disposition transitoire
Art. 69
Le droit de 0,5 p.c., perçu conformément à l’article
88 du Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque
et de greffe avant l’entrée en vigueur de l’article 56 de
la présente loi, est déductible du droit dû en vertu de
l’article 87 du même Code lorsqu’une hypothèque est
constituée ultérieurement pour sûreté de la même dette.
96
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
HOOFDSTUK 8
Inwerkingtreding
Art. 70
Deze wet treedt in werking op de dag van inwerking-
treding van de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het
Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op
roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse
bepalingen ter zake, met uitzondering van de artikelen
31 tot 33 en artikel 68, die in werking treden op de tiende
dag na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch
Staatsblad.
Gegeven te Brussel, 19 oktober 2016
FILIP
VAN KONINGSWEGE:
De minister van Justitie,
Koen GEENS
De minister van Financiën,
Johan VAN OVERTVELDT
CHAPITRE 8
Entrée en vigueur
Art. 70
La présente loi entre en vigueur le jour de l’entrée
en vigueur de la loi du 11 juillet 2013 modifiant le Code
Civil en ce qui concerne les sûretés réelles mobilières
et abrogeant diverses dispositions en cette matière à
l’exception des articles 31 à 33 et l’article 68, qui entrent
en vigueur le dixième jour qui suit la publication de la
présente loi au Moniteur Belge.
Donné à Bruxelles, le 19 octobre 2016
PHILIPPE
PAR LE ROI:
Le ministre de la Justice,
Koen GEENS
Le ministre des Finances,
Johan VAN OVERTVELDT
97
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
BIJLAGE
ANNEXE
98
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Teksten gewijzigd door het ontwerp van wet tot wijziging van verscheidene bepalingen
betreffende de zakelijke zekerheden op roerende goederen
ORIGINELE VERSIE
GEWIJZIGDE VERSIE
Wet van 11 juli 2013 tot wijziging van
het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke
zekerheden op roerende goederen
betreft en tot opheffing van diverse
bepalingen ter zake
Wet van 11 juli 2013 tot wijziging van
het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke
zekerheden op roerende goederen
betreft en tot opheffing van diverse
bepalingen ter zake
Art. 6
Art. 6
In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 5,
wordt artikel 2073 vervangen door artikel
1, luidende :
In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 5,
wordt artikel 2073 vervangen door artikel
1, luidende :
" Artikel 1. Doelstelling
" Artikel 1. Doelstelling
Het pandrecht verleent aan de pandhouder
het recht om bij voorrang boven de andere
schuldeisers te worden betaald uit de
bezwaarde goederen. "
Het pandrecht verleent aan de pandhouder
het recht om bij voorrang boven de andere
schuldeisers te worden betaald uit de
bezwaarde goederen.
Dit recht van voorrang geldt als een
voorrecht zoals bedoeld in artikel 12
Hypotheekwet. "
Art. 9
Art. 9
In dezelfde afdeling 1 wordt artikel 2076
vervangen door artikel 4, luidende :
In dezelfde afdeling 1 wordt artikel 2076
vervangen door artikel 4, luidende :
" Art. 4. Bewijs
" Art. 4. Bewijs
De inpandgeving wordt bewezen door een
geschrift dat de door het pand bezwaarde
goederen,
de
gewaarborgde
schuldvorderingen en het maximaal bedrag
tot beloop waarvan de schuldvorderingen
gewaarborgd zijn, nauwkeurig aanduidt.
De inpandgeving wordt bewezen door een
geschrift dat de door het pand bezwaarde
goederen,
de
gewaarborgde
schuldvorderingen en het maximaal bedrag
tot beloop waarvan de schuldvorderingen
gewaarborgd zijn, nauwkeurig aanduidt.
Is de pandgever een consument in de zin
van artikel 2, 3°, van de wet van 6 april
2010
betreffende
marktpraktijken
en
consumentenbescherming, dan dient voor
de geldigheid van de overeenkomst een
geschrift
te
worden
opgesteld
dat,
Is de pandgever een consument in de zin
van artikel I, 1, 2° van boek I van het
Wetboek van economisch recht, dan
dient
voor
de
geldigheid
van
de
overeenkomst een geschrift te worden
opgesteld dat, naargelang het geval,
99
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
naargelang het geval, voldoet aan het
vereiste van artikel 1325 of artikel 1326.
voldoet aan het vereiste van artikel 1325 of
artikel 1326.
Het in het tweede lid bedoelde geschrift
vermeldt, voor de toepassing van artikel 7,
vierde lid, de waarde van het verpande
goed of van de verpande goederen. "
Het in het tweede lid bedoelde geschrift
vermeldt, voor de toepassing van artikel 7,
vierde lid, de waarde van het verpande
goed of van de verpande goederen. "
Art. 12
Art. 12
In dezelfde afdeling 1 wordt artikel 2079
vervangen door artikel 7, luidende :
In dezelfde afdeling 1 wordt artikel 2079
vervangen door artikel 7, luidende :
" Art. 7. Voorwerp
" Art. 7. Voorwerp
Het pandrecht kan een roerend lichamelijk
of onlichamelijk goed of een bepaald
geheel
van
dergelijke
goederen
tot
voorwerp hebben.
Het
pandrecht
kan
een
roerend
lichamelijk of onlichamelijk goed, een
goed dat roerend is uit zijn aard maar
onroerend
is
geworden
door
bestemming of een bepaald geheel van
dergelijke
goederen
tot
voorwerp
hebben
met
uitzondering
van
zeeschepen en teboekgestelde schepen
en vaartuigen in de zin van boek II van
het Wetboek van Koophandel.
Behoudens beperkende bepalingen in de
pandovereenkomst, omvat het pandrecht
dat een handelszaak tot voorwerp heeft het
geheel der goederen die de handelszaak
uitmaken.
Behoudens beperkende bepalingen in de
pandovereenkomst, omvat het pandrecht
dat een handelszaak tot voorwerp heeft het
geheel der goederen die de handelszaak
uitmaken.
Behoudens beperkende bepalingen in de
pandovereenkomst, omvat het pandrecht
dat een landbouwexploitatie tot voorwerp
heeft het geheel der goederen die tot de
exploitatie dienen.
Behoudens beperkende bepalingen in de
pandovereenkomst, omvat het pandrecht
dat een landbouwexploitatie tot voorwerp
heeft het geheel der goederen die tot de
exploitatie dienen.
Behoudens beperkende bepalingen in de
pandovereenkomst, omvat het pandrecht
dat een landbouwexploitatie tot voorwerp
heeft het geheel der goederen die tot de
exploitatie dienen.
Is de pandgever een consument in de zin
van artikel I, 1, 2° van boek I van het
Wetboek van economisch recht, dan mag
de waarde van het verpande goed of de
verpande goederen het dubbel van de
omvang van het pandrecht zoals bepaald in
artikel 12, niet overschrijden.
Enkel goederen die krachtens de wet
vatbaar zijn voor overdracht kunnen in
pand worden gegeven.
Enkel goederen die krachtens de wet
vatbaar zijn voor overdracht kunnen in
pand worden gegeven.
100
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn enkel
van
toepassing
op
pandrechten
die
intellectuele
eigendomsrechten
tot
voorwerp hebben voor zover zij niet
onverenigbaar zijn met andere bepalingen
waarin dergelijke pandrechten specifiek
worden geregeld. "
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn enkel
van
toepassing
op
pandrechten
die
intellectuele
eigendomsrechten
tot
voorwerp hebben voor zover zij niet
onverenigbaar zijn met andere bepalingen
waarin dergelijke pandrechten specifiek
worden geregeld. "
Art. 17
Art. 17
In dezelfde afdeling 1 wordt artikel 2084
vervangen door artikel 12, luidende :
In dezelfde afdeling 1 wordt artikel 2084
vervangen door artikel 12, luidende :
" Art. 12. Omvang
" Art. 12. Omvang
Het pandrecht strekt zich, binnen het
overeengekomen
bedrag,
uit
tot
de
hoofdsom
van
de
gewaarborgde
schuldvordering en tot de bijhorigheden
zoals de interest, het schadebeding en de
kosten van uitwinning.
Het pandrecht strekt zich, binnen het
overeengekomen
bedrag,
uit
tot
de
hoofdsom
van
de
gewaarborgde
schuldvordering en tot de bijhorigheden
zoals de interest, het schadebeding en de
kosten van uitwinning.
Is de pandgever een consument in de zin
van artikel 2, 3°, van de wet van 6 april
2010
betreffende
marktpraktijken
en
consumentenbescherming, dan mogen die
bijhorigheden echter niet groter zijn dan
50 % van de hoofdsom. "
Is de pandgever een consument in de zin
van artikel I, 1, 2° van boek I van het
Wetboek van economisch recht, dan
mogen die bijhorigheden echter niet groter
zijn dan 50 % van de hoofdsom op het
ogenblik van de verdeling of de
toerekening. "
Art. 19
Art. 19
In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 14
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 14
ingevoegd, luidende :
" Art. 14. Herverpanding
" Art. 14. Herverpanding
De pandhouder is niet bevoegd tot het
bezwaren van het goed. "
De pandhouder is niet bevoegd tot het
bezwaren
van
het
goed
behoudens
toestemming van de pandgever. "
Art. 20
Art. 20
In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 15
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 15
ingevoegd, luidende :
101
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
" Art. 15. Tegenwerpelijkheid
" Art. 15. Tegenwerpelijkheid
Het pandrecht is tegenwerpelijk aan
derden door een overeenkomstig artikel
29, eerste lid, uitgevoerde registratie in het
pandregister.
Het pandrecht is tegenwerpelijk aan
derden door een overeenkomstig artikel
29, eerste lid, uitgevoerde registratie in het
pandregister.
De registratie in het pandregister is
uitgesloten voor een verpanding van
schuldvorderingen.
De onjuiste identificatie van de pandgever
ontneemt elk gevolg aan de registratie,
behalve indien een opzoeking in het
register aan de hand van het juiste element
van identificatie toelaat de inschrijving
terug te vinden, onverminderd artikel 29,
tweede lid.
De onjuiste identificatie van de pandgever
ontneemt elk gevolg aan de registratie,
behalve indien een opzoeking in het
register aan de hand van het juiste element
van identificatie toelaat de inschrijving
terug te vinden, onverminderd artikel 29,
tweede lid.
De
onjuiste
identificatie
van
de
pandhouder of van zijn vertegenwoordiger
of de onjuiste aanduiding van de door het
pandrecht bezwaarde goederen ontnemen
elk gevolg aan de registratie, behalve
indien zij een redelijke persoon die een
opzoeking doet niet ernstig op een
dwaalspoor brengen, onverminderd artikel
29, tweede lid.
De
onjuiste
identificatie
van
de
pandhouder
of
van
zijn
vertegenwoordiger als bedoeld in artikel
3 of de onjuiste aanduiding van de door
het
pandrecht
bezwaarde
goederen
ontnemen elk gevolg aan de registratie,
behalve indien zij een redelijke persoon
die een opzoeking doet niet ernstig op een
dwaalspoor brengen, onverminderd artikel
29, tweede lid.
De
onjuiste
aanduiding
van
de
gewaarborgde schuldvorderingen of van
het maximaal bedrag tot beloop waarvan
de schuldvorderingen gewaarborgd zijn,
ontneemt geen gevolg aan de registratie,
onverminderd artikel 29, tweede lid.
De
onjuiste
aanduiding
van
de
gewaarborgde schuldvorderingen of van
het maximaal bedrag tot beloop waarvan
de schuldvorderingen gewaarborgd zijn,
ontneemt geen gevolg aan de registratie,
onverminderd artikel 29, tweede lid.
De rang van het pandrecht wordt bepaald
volgens de chronologische volgorde van
de registratie ervan.
De rang van het pandrecht wordt bepaald
volgens de chronologische volgorde van
de registratie ervan.
De
Koning
bepaalt
de
toepassingsmodaliteiten van dit artikel. "
De
Koning
bepaalt
de
toepassingsmodaliteiten van dit artikel. "
Art. 32
Art. 32
In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 31,
wordt een artikel 26 ingevoegd, luidende :
In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 31,
wordt een artikel 26 ingevoegd, luidende :
" Art. 26. Pandregister
" Art. 26. Pandregister
De registratie van een pandrecht geschiedt
in het Nationaal Pandregister, pandregister
De registratie van een pandrecht en van
een eigendomsvoorbehoud geschiedt in
102
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
genoemd, dat wordt bewaard bij de dienst
Hypotheken
van
de
algemene
administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie van de federale
overheidsdienst Financiën.
het
Nationaal
Pandregister,
pandregister
genoemd,
dat
wordt
bewaard bij de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie van
de Federale Overheidsdienst Financiën.
Het pandregister is een geïnformatiseerd
systeem dat bestemd is voor het invoeren
en het raadplegen van pandrechten evenals
het wijzigen, hernieuwen of verwijderen
van de registratie van pandrechten.
Het
pandregister
is
een
geïnformatiseerd systeem dat bestemd is
voor het registreren en het raadplegen
van
pandrechten
en
eigendomsvoorbehouden, het wijzigen,
vernieuwen, overdragen of verwijderen
van de registratie van pandrechten of
eigendomsvoorbehouden en het afstaan
van
rang
van
een
geregistreerd
pandrecht.
De Koning is bevoegd om de werking van
het pandregister te regelen.
De Koning is bevoegd om de werking van
het pandregister te regelen.
De in het eerste lid bedoelde dienst
Hypotheken is de verantwoordelijke voor
de verwerking in de zin van de wet van 8
december 1992 tot bescherming van de
persoonlijke levenssfeer ten opzichte van
de verwerking van persoonsgegevens en
wordt belast met de uitvoering van de
bepalingen van die wet. "
De Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie
van
de
Federale Overheidsdienst Financiën is
de verantwoordelijke voor de verwerking
in de zin van de wet van 8 december 1992
tot bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten opzichte van de verwerking
van persoonsgegevens en wordt belast met
de uitvoering van de bepalingen van die
wet.
De artikelen 27, 28, 32, 33, 34, 35, 36 en
37 zijn van overeenkomstige toepassing
op
de
registratie
van
het
eigendomsvoorbehoud. "
Art. 33
Art. 33
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 27
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 27
ingevoegd, luidende :
" Art. 27. Authentificatie
" Art. 27. Authenticatie
Iedere registratie, raadpleging, wijziging,
hernieuwing
of
verwijdering
van
geregistreerde
panden
vereist
de
authentificatie van de gebruiker van het
pandregister.
Iedere
registratie,
raadpleging,
wijziging, vernieuwing, rangafstand of
overdracht
van
een
pand
of
verwijdering van geregistreerde panden
vereist
de
authenticatie
van
de
gebruiker van het pandregister.
De Koning bepaalt, na advies van de
Commissie voor de bescherming van de
De Koning bepaalt, na advies van de
Commissie voor de bescherming van de
103
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
persoonlijke levenssfeer, de nadere regels
inzake die authentificatie. "
persoonlijke levenssfeer, de nadere regels
inzake die authenticatie. "
Art. 34
Art. 34
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 28
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 28
ingevoegd, luidende :
" Art. 28. Kosten
" Art. 28. Kosten
De registratie, raadpleging, wijziging,
hernieuwing en verwijdering van gegevens
kunnen elk aanleiding geven tot de
betaling van een retributie waarvan het
bedrag door de Koning wordt bepaald.
De registratie, raadpleging, wijziging,
vernieuwing
en
verwijdering
van
gegevens,
en
de
rangafstand
of
overdracht van een pand kunnen elk
aanleiding geven tot de betaling van een
retributie waarvan het bedrag door de
Koning wordt bepaald.
De raadpleging van het pandregister is
kosteloos voor de pandgever en voor de
categorieën van personen of instellingen
die de Koning heeft bepaald na advies van
de Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer. "
De raadpleging van het pandregister is
kosteloos voor de pandgever en voor de
categorieën van personen of instellingen
die de Koning heeft bepaald na advies van
de Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer. "
Art. 35
Art. 35
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 29
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 29
ingevoegd, luidende :
" Art. 29. Registratie
" Art. 29. Registratie
De
pandhouder
is
krachtens
de
pandovereenkomst gerechtigd zijn pand te
registreren door de in artikel 30 bedoelde
gegevens zoals deze in het in artikel 4
bedoelde
geschrift
voorkomen,
in
overeenstemming met de nadere regels die
de Koning heeft bepaald na advies van de
Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke
levenssfeer,
in
het
pandregister in te voeren.
§ 1. De pandhouder is krachtens de
pandovereenkomst gerechtigd zijn pand te
registreren door de in artikel 30 bedoelde
gegevens zoals deze in het in artikel 4
bedoelde
geschrift
voorkomen,
in
overeenstemming met de nadere regels die
de Koning heeft bepaald na advies van de
Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke
levenssfeer,
in
het
pandregister in te voeren.
De pandhouder is tot schadevergoeding
gehouden voor iedere schade ten gevolge
van de invoering van onjuiste gegevens.
De pandhouder is tot schadevergoeding
gehouden voor iedere schade ten gevolge
van de registratie van onjuiste gegevens.
De pandhouder brengt de pandgever
schriftelijk op de hoogte van de registratie.
"
De pandhouder brengt de pandgever
schriftelijk op de hoogte van de registratie.
104
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§ 2. De verkoper is gerechtigd krachtens
de overeenkomst waarin het beding van
eigendomsvoorbehoud is opgenomen,
dit eigendomsvoorbehoud te registreren
door de in artikel 30 bedoelde gegevens
zoals deze in het in artikel 69 bedoelde
geschrift
voorkomen,
in
overeenstemming met de nadere regels
die de Koning heeft bepaald na advies
van de Commissie voor de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer, in het
pandregister in te voeren.
De verkoper is aansprakelijk voor
iedere schade ten gevolge van registratie
van onjuiste gegevens.
De verkoper brengt de koper schriftelijk
op de hoogte van de registratie.”
Art. 36
Art. 36
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 30
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 30
ingevoegd, luidende :
" Art. 30. Te vermelden gegevens
" Art. 30. Te vermelden gegevens
De registratie van het pandrecht vermeldt
de volgende gegevens :
§ 1. De registratie van het pandrecht
vermeldt de volgende gegevens:
1° de identiteit van de pandhouder of van
de vertegenwoordiger;
1° de identiteit van de pandhouder of
van de vertegenwoordiger bedoeld in
artikel 3:
a) indien het een natuurlijke persoon
betreft, zijn naam, de eerste of eerste
twee voornamen, land, postcode en
gemeente van zijn hoofdverblijfplaats
en, wanneer hij er een heeft, zijn
ondernemingsnummer; bij gebreke van
een
ondernemingsnummer
zijn
rijksregisternummer,
indien
de
gebruiker gemachtigd is dit nummer te
gebruiken
in
het
kader
van
dit
hoofdstuk, en zijn geboortedatum;
b) indien het een rechtspersoon
betreft, zijn naam, rechtsvorm, land,
postcode
en
gemeente
van
zijn
maatschappelijke zetel en, wanneer hij
105
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
er
een
heeft,
zijn
ondernemingsnummer;
2° de identiteit van de pandgever;
2° de identiteit van de pandgever:
De gegevens opgesomd in de bepaling
onder 1°, a) of b), naargelang het geval ;
3° de aanduiding van de door het
pandrecht bezwaarde goederen;
3° in voorkomend geval, de identiteit
van de lasthebber van de pandhouder of
van de vertegenwoordiger bedoeld in
artikel 3:
De gegevens opgesomd in de bepaling
onder 1°, a) of b), naargelang het geval ;
4° de aanduiding van de gewaarborgde
schuldvorderingen;
4° de aanduiding van de door het
pandrecht
bezwaarde
goederen
waarvoor registratie plaatsvindt;
5° het maximaal bedrag tot beloop
waarvan
de
schuldvorderingen
gewaarborgd zijn;
5° de aanduiding van de gewaarborgde
schuldvorderingen waarvoor registratie
plaatsvindt;
6° de verklaring van de pandhouder dat hij
aansprakelijk is voor iedere schade ten
gevolge van de invoering van onjuiste
gegevens. "
6° het maximaal bedrag tot beloop
waarvan
de
schuldvorderingen
gewaarborgd
zijn
en
waarvoor
registratie plaatsvindt;
7° de verklaring van de pandhouder, de
vertegenwoordiger als bedoeld in artikel
3 of hun lasthebber dat de pandhouder
of vertegenwoordiger aansprakelijk is
voor iedere schade ten gevolge van de
registratie van onjuiste gegevens.
§
2.
De
registratie
van
het
eigendomsvoorbehoud
vermeldt
de
volgende gegevens:
1° de identiteit van de verkoper:
De gegevens opgesomd in §1, 1°, a) of
b), naargelang het geval ;
2° de identiteit van de koper:
De gegevens opgesomd in §1, 1°, a) of
b), naargelang het geval ;
3° in voorkomend geval de identiteit van
de lasthebber van de verkoper:
De gegevens opgesomd in §1, 1°, a) of
b), naargelang het geval ;
4° de aanduiding van de verkochte
goederen
waarvoor
registratie
plaatsvindt;
106
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
5° de aanduiding van de onbetaalde
koopprijs
waarvoor
registratie
plaatsvindt;
6° de verklaring van de verkoper of van
diens
lasthebber
dat
de
verkoper
aansprakelijk is voor iedere schade ten
gevolge van de registratie van onjuiste
gegevens.”
Art. 37
Art. 37
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 31
ingevoegd, luidende :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 31 rédigé comme suit :
" Art. 31. Raadplegen
« Art. 31. Consultation
Met betrekking tot een geregistreerd pand
zijn de volgende gegevens raadpleegbaar :
§
1.
Met
betrekking
tot
een
geregistreerd pand zijn de volgende
gegevens raadpleegbaar :
1° het registratienummer;
1° het registratienummer;
2° de identiteit van de pandhouder of de
vertegenwoordiger;
2° de identiteit van de pandhouder of de
vertegenwoordiger bedoeld in artikel 3;
3° de identiteit van de pandgever;
3° de identiteit van de pandgever;
4° de aanduiding van de door het
pandrecht bezwaarde goederen;
4° in voorkomend geval, de identiteit
van de lasthebber van de pandhouder of
van de vertegenwoordiger bedoeld in
artikel 3;
5° de aanduiding van de gewaarborgde
schuldvorderingen;
5° de aanduiding van de door het
pandrecht
bezwaarde
goederen
waarvoor registratie plaatsvond;
6° het maximaal bedrag tot beloop
waarvan
de
schuldvorderingen
gewaarborgd zijn;
6° de aanduiding van de gewaarborgde
schuldvorderingen waarvoor registratie
plaatsvond;
7° de verklaring van de pandhouder dat hij
aansprakelijk is voor iedere schade ten
gevolge van de invoering van onjuiste
gegevens;
7° het maximaal bedrag tot beloop
waarvan
de
schuldvorderingen
gewaarborgd zijn waarvoor registratie
plaatsvond;
8° de datum van de registratie. "
8° de verklaring van de pandhouder, de
vertegenwoordiger bedoeld in artikel 3
of hun lasthebber dat de pandhouder of
vertegenwoordiger aansprakelijk is voor
iedere schade ten gevolge van de
registratie van onjuiste gegevens;
9° de datum van registratie.
107
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§2. Met betrekking tot een geregistreerd
eigendomsvoorbehoud zijn de volgende
gegevens raadpleegbaar:
1° het registratienummer;
2° de identiteit van de verkoper;
3° de identiteit van de koper;
4° in voorkomend geval, de identiteit
van de lasthebber van de verkoper;
5° de aanduiding van de verkochte
goederen
waarvoor
registratie
plaatsvond;
6° de aanduiding van de onbetaalde
koopprijs
waarvoor
registratie
plaatsvond;
7° de verklaring van de verkoper of
diens
lasthebber
dat
de
verkoper
aansprakelijk is voor iedere schade ten
gevolge van de registratie van onjuiste
gegevens;
8° de datum van de registratie.”
Art. 38
Art. 38
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 32
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 32
ingevoegd, luidende :
" Art. 32. Wijziging
" Art. 32. Wijziging
In
geval
van
wijziging
van
de
pandovereenkomst of in geval van onjuiste
gegevens is de pandhouder gerechtigd de
geregistreerde
gegevens
te
wijzigen,
overeenkomstig de overeenkomst en de
nadere regels die de Koning heeft bepaald
na advies van de Commissie voor de
bescherming
van
de
persoonlijke
levenssfeer.
In
geval
van
wijziging
van
de
pandovereenkomst of in geval van onjuiste
gegevens is de pandhouder gerechtigd de
geregistreerde
gegevens
te
wijzigen,
overeenkomstig de overeenkomst en de
nadere regels die de Koning heeft bepaald
na advies van de Commissie voor de
bescherming
van
de
persoonlijke
levenssfeer.
In geval van een wijziging, geeft het
register
zowel
de
oorspronkelijke
invoering als de wijziging weer.
In geval van een wijziging, geeft het
register
zowel
de
oorspronkelijke
registratie als de wijziging weer.
De pandhouder brengt schriftelijk de
pandgever op de hoogte van de wijziging
van de registratie. "
De pandhouder brengt schriftelijk de
pandgever op de hoogte van de wijziging
van de registratie. "
108
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 39
Art. 39
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 33
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 33
ingevoegd, luidende :
" Art. 33. Onjuiste gegevens
"Art. 33. Onjuiste gegevens
De pandgever is gerechtigd om van de
pandhouder
de
verwijdering
of
de
wijziging
te
vorderen
van
onjuiste
gegevens.
De pandgever is gerechtigd om van de
pandhouder
de
verwijdering
of
de
wijziging
te
vorderen
van
onjuiste
gegevens."
In
geval
van
onenigheid
richt
de
pandgever zijn verzoek tot de dienst
Hypotheken die de juistheid van de
gegevens kosteloos controleert na het
advies van de pandhouder te hebben
ingewonnen. "
Art. 40
Art. 40
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 34
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 34
ingevoegd, luidende :
" Art. 34. Toegang tot het register
" Art. 34. Toegang tot het register
Hebben toegang tot het register :
Eenieder
heeft
toegang
tot
het
pandregister volgens de modaliteiten
bepaald door de Koning.”.
- de pandgever en de pandhouder;
-
de
categorieën
van
personen
of
instellingen die de Koning heeft bepaald
na advies van de Commissie voor de
bescherming
van
de
persoonlijke
levenssfeer.
De nadere regels inzake die toegang
worden bepaald door de Koning na advies
van de Commissie voor de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer. "
Art. 41
Art. 41
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 35
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 35
ingevoegd, luidende :
" Art. 35. Termijn
" Art. 35. Termijn en vernieuwing
De registratie van het pandrecht vervalt na
De registratie van het pandrecht vervalt na
109
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
verloop van tien jaar. Vanaf dat tijdstip is
het pandrecht niet meer raadpleegbaar in
het pandregister.
verloop van tien jaar. Vanaf dat tijdstip is
het pandrecht niet meer raadpleegbaar in
het pandregister.
Deze termijn is niettemin vatbaar voor
herhaalde vernieuwing voor een nieuwe
termijn van tien jaar.
Deze termijn is niettemin vatbaar voor
herhaalde vernieuwing voor een nieuwe
termijn van tien jaar.
De hernieuwing geschiedt door middel van
een invoering in het register voorafgaand
aan het verstrijken van de termijn van tien
jaar en volgens de nadere regels die de
Koning heeft bepaald na advies van de
Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer.
De vernieuwing geschiedt door middel
van een registratie
in het register
voorafgaand aan het verstrijken van de
termijn van tien jaar en volgens de nadere
regels die de Koning heeft bepaald na
advies van de Commissie voor de
bescherming
van
de
persoonlijke
levenssfeer.
Deze
vernieuwing
kan
geheel
of
gedeeltelijk zijn, en kan in voorkomend
geval
gepaard
gaan
met
een
vermindering
van
het
maximaal
gewaarborgd bedrag en/of van de
omvang van de in pand gegeven
goederen.
De
vernieuwing
vermeldt
het
registratienummer
van
de
te
vernieuwen registratie.
De weergave van
een vernieuwde
registratie vermeldt eveneens de datum
van de oorspronkelijke registratie.
De pandhouder brengt de pandgever
schriftelijk
op
de
hoogte
van
de
hernieuwing van de registratie. "
De pandhouder brengt de pandgever
schriftelijk
op
de
hoogte
van
de
hernieuwing van de registratie. "
Art. 42
Art. 42
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 36
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 36
ingevoegd, luidende :
" Art. 36. Verwijdering van de registratie
“Art. 36. Gehele of gedeeltelijke
De pandhouder moet in geval van betaling
van de schuld ervoor zorgen dat de
registratie
van
het
pandrecht
wordt
verwijderd.
§1. De pandhouder moet in geval van
betaling van de gewaarborgde schuld
ervoor zorgen dat de registratie van het
pandrecht wordt verwijderd.
De pandhouder en de pandgever kunnen
de dienst Hypotheken op ieder tijdstip in
onderling akkoord om de verwijdering van
de registratie van het pandrecht verzoeken.
Zo de pandhouder in gebreke blijft tot
deze verwijdering over te gaan, kan de
verwijdering
in
rechte
gevorderd
worden,
onverminderd
eventuele
110
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
schadevergoeding.
Bij
gebrek
aan
akkoord
wordt
de
verwijdering
via
gerechtelijke
weg
gevraagd,
onverminderd
eventuele
schadevergoeding. "
§ 2. De pandhouder kan de registratie
van
het
pandrecht
gedeeltelijk
verwijderen,
dit
zowel
door
de
vermindering van het geregistreerde
maximaal bedrag tot beloop waarvan de
schuldvorderingen gewaarborgd zijn als
door verwijdering van een deel van de
goederen waarop het pandrecht slaat en
waarvoor registratie werd genomen.
In
geval
van
een
gedeeltelijke
verwijdering geeft het register bij
raadpleging zowel de oorspronkelijke
registratie
als
deze
houdende
de
gedeeltelijke verwijdering weer.”.
Art. 43
Art. 43
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 37
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 37
ingevoegd, luidende :
" Art. 37. Overdracht van schuldvordering
" Art. 37. Overdracht van schuldvordering
De registratie van de overdracht van het
pandrecht
bij
overdracht
van
de
gewaarborgde
schuldvordering
gebeurt
volgens door de Koning nader bepaalde
regels, na advies van de Commissie voor
de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer. Tot dat tijdstip behoudt de
registratie zijn uitwerking krachtens de
invoering van de overdrager.
De registratie van de overdracht van het
pandrecht
bij
overdracht
van
de
gewaarborgde
schuldvordering
gebeurt
volgens door de Koning nader bepaalde
regels, na advies van de Commissie voor
de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer. Tot dat tijdstip behoudt de
registratie zijn uitwerking krachtens de
registratie van de overdrager.
De registratie van de overdracht vermeldt
de identiteit van de overnemer.
De registratie van de overdracht vermeldt
de identiteit van de overnemer.
De
identiteit van de overnemer wordt
eveneens bij raadpleging weergegeven.
De registratie van de overdracht dient te
gebeuren door de overdrager. "
De registratie van de overdracht dient te
gebeuren door de overdrager. "
Art. 44
Art. 44
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 38
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 38
ingevoegd, luidende :
" Art. 38. Rangafstand
" Art. 38. Rangafstand
Een
afstand
van
rang
is
slechts
Een
afstand
van
rang
is
slechts
111
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
tegenwerpelijk
aan
derden
door
de
registratie ervan volgens de nadere regels
die de Koning heeft bepaald na advies van
de Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer. "
tegenwerpelijk
aan
derden
door
de
registratie ervan volgens de nadere regels
die de Koning heeft bepaald na advies van
de Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer. "
De registratie van de rangafstand dient
te gebeuren door diegene die zijn rang
afstaat of zijn vertegenwoordiger als
bedoeld in artikel 3 of hun lasthebber.
De raadpleging van het pandregister
met betrekking tot een geregistreerd
pandrecht meldt in voorkomend geval
een geregistreerde rangafstand.”.
Art. 47
Art. 47
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 40
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 40
ingevoegd, luidende :
" Art. 40. Bewijs
" Art. 40. Bewijs
De
pandovereenkomst
kan
worden
bewezen door alle rechtsmiddelen.
De
pandovereenkomst
kan
worden
bewezen door alle rechtsmiddelen.
Is de pandgever een consument in de zin
van artikel 2, 3°, van de wet van 6 april
2010
betreffende
marktpraktijken
en
consumentenbescherming, dan dient als
bewijs van de overeenkomst een geschrift
te worden opgesteld dat naargelang het
geval voldoet aan het vereiste van artikel
1325 of artikel 1326. "
Is de pandgever een consument in de zin
van artikel I, 1, 2° van boek I van het
Wetboek van economisch recht, dan
dient als bewijs van de overeenkomst een
geschrift
te
worden
opgesteld
dat
naargelang het geval voldoet aan het
vereiste van artikel 1325 of artikel 1326. "
Art. 54
Art. 54
In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 52,
wordt een artikel 46 ingevoegd, luidende :
In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 52,
wordt een artikel 46 ingevoegd, luidende :
" Art. 46. Pandgever consument
" Art. 46. Pandgever consument
Indien de pandgever een consument is in
de zin van artikel 2, 3°, van de wet van 6
april 2010 betreffende marktpraktijken en
consumentenbescherming,
mag
de
pandhouder, bij niet-betaling, niet over het
pand beschikken; maar hij kan door de
rechter doen bevelen dat dit pand aan hem
zal verblijven, in betaling en ten belope
van de schuld, volgens een schatting door
Indien de pandgever een consument is in
de zin van artikel I, 1, 2° van boek I van
het Wetboek van economisch recht, mag
de pandhouder, bij niet-betaling, niet over
het pand beschikken; maar hij kan door de
rechter doen bevelen dat dit pand aan hem
zal verblijven, in betaling en ten belope
van de schuld, volgens een schatting door
deskundigen, of dat het pand in het
112
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
deskundigen, of dat het pand in het
openbaar of per onderhandse akte zal
worden verkocht.
openbaar of per onderhandse akte zal
worden verkocht.
De pandhouder is niet gerechtigd om op te
treden als koper bij een onderhandse
verkoop.
De pandhouder is niet gerechtigd om op te
treden als koper bij een onderhandse
verkoop.
Elk beding waarbij de pandhouder zou
worden gemachtigd zich het pand toe te
eigenen of erover te beschikken zonder
inachtneming van de hiervoor bepaalde
vormen, is nietig.
Elk beding waarbij de pandhouder zou
worden gemachtigd zich het pand toe te
eigenen of erover te beschikken zonder
inachtneming van de hiervoor bepaalde
vormen, is nietig.
De artikelen 50 en 55 zijn van toepassing.
"
De artikelen 50 en 55 zijn van toepassing.
"
Art. 55
Art. 55
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 47
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 47
ingevoegd, luidende :
" Art. 47. Pandgever niet-consument
" Art. 47. Pandgever niet-consument
Indien de pandgever geen consument is in
de zin van artikel 2, 3°, van de wet van 6
april 2010 betreffende marktpraktijken en
consumentenbescherming,
is
de
pandhouder, bij niet-betaling, gerechtigd
om overeenkomstig de artikelen 48 tot 56
zijn pandrecht uit te oefenen door de
verpande goederen geheel of gedeeltelijk
te verkopen of te verhuren ter voldoening
van de gewaarborgde schuldvordering.
Indien de pandgever geen consument in de
zin van artikel I, 1, 2° van boek I van
het Wetboek van economisch recht, is de
pandhouder, bij niet-betaling, gerechtigd
om overeenkomstig de artikelen 48 tot 56
zijn pandrecht uit te oefenen door de
verpande goederen geheel of gedeeltelijk
te verkopen of te verhuren ter voldoening
van de gewaarborgde schuldvordering.
Indien de schuldenaar tekortschiet, heeft
de pandhouder het recht over het door het
pandrecht bezwaarde goed te beschikken.
Indien de pandgever of enige persoon die
over het bezwaarde goed beschikt zich
ertegen verzet, moet de pandhouder zich
tot de rechter wenden overeenkomstig
artikel 54.
Indien de schuldenaar tekortschiet, heeft
de pandhouder het recht over het door het
pandrecht bezwaarde goed te beschikken.
Indien de pandgever of enige persoon die
over het bezwaarde goed beschikt zich
ertegen verzet, moet de pandhouder zich
tot de rechter wenden overeenkomstig
artikel 54.
De uitwinning dient te gebeuren te goeder
trouw en op een economisch verantwoorde
wijze.
De uitwinning dient te gebeuren te goeder
trouw en op een economisch verantwoorde
wijze.
De pandhouder kan zijn aansprakelijkheid
in dit verband niet beperken of uitsluiten.
De pandhouder kan zijn aansprakelijkheid
in dit verband niet beperken of uitsluiten.
De bewijslast van een tekortkoming van de
pandhouder berust bij de pandgever.
De bewijslast van een tekortkoming van de
pandhouder berust bij de pandgever.
113
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
De partijen kunnen bij de totstandkoming
van de pandovereenkomst of op een later
tijdstip overeenkomen over de wijze van
uitwinning. "
De partijen kunnen bij de totstandkoming
van de pandovereenkomst of op een later
tijdstip overeenkomen over de wijze van
uitwinning. "
Art. 64
Art. 64
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 56
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 4 wordt een artikel 56
ingevoegd, luidende :
" Art. 56. Rechterlijke controle a posteriori
" Art. 56. Rechterlijke controle a posteriori
Na de voltooiing van de uitwinning kan
iedere belanghebbende partij zich tot de
rechter wenden bij betwisting over de
wijze van uitwinning of de aanwending
van de opbrengst.
Na de voltooiing van de uitwinning kan
iedere belanghebbende partij zich tot de
rechter wenden bij betwisting over de
wijze van uitwinning of de aanwending
van de opbrengst.
De vordering wordt ingesteld uiterlijk
binnen een termijn van een jaar vanaf de
kennisgeving van het einde van de
uitwinning door de pandhouder aan de in
artikel 48, eerste en tweede lid, bedoelde
personen.
De vordering wordt ingesteld uiterlijk
binnen een termijn van een maand vanaf
de kennisgeving van het einde van de
uitwinning door de pandhouder aan de in
artikel 48, eerste en tweede lid, bedoelde
personen.
De
kennisgeving
geschiedt
bij
een
aangetekende zending.
De
kennisgeving
geschiedt
bij
een
aangetekende zending.
De belanghebbenden aan wie geen
kennis wordt gegeven in de zin van het
tweede
lid,
stellen
hun
vordering
uiterlijk in binnen een termijn van drie
maanden vanaf het einde van de
uitwinning.
De zaak wordt ingeleid bij dagvaarding of
bij
verzoekschrift
op
tegenspraak
overeenkomstig
artikel
1034bis
en
volgende van het Gerechtelijk Wetboek. "
De zaak wordt ingeleid bij dagvaarding of
bij
verzoekschrift
op
tegenspraak
overeenkomstig
artikel
1034bis
en
volgende van het Gerechtelijk Wetboek. "
Art. 66
Art. 66
In afdeling 5, ingevoegd bij artikel 64,
wordt een artikel 57 ingevoegd, luidende :
In afdeling 5, ingevoegd bij artikel 64,
wordt een artikel 57 ingevoegd, luidende :
" Art. 57. Anterioriteitsregel
" Art. 57. Anterioriteitsregel
De pandhouder wordt bij voorrang boven
alle schuldeisers voldaan uit de opbrengst
van de verpande goederen, onverminderd
artikelen 21 tot 26 van titel XVIII van
Het pandrecht heeft voorrang op alle
jongere
rechten
op
de
verpande
goederen, onverminderd de artikelen 21
tot 26 van Titel XVIII van Boek III van
114
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
boek III van dit Wetboek. De pandhouder
geniet hetzelfde recht als dit toegekend aan
de vervoerder door artikelen 23 en 25 van
dezelfde titel.
dit Wetboek.
Zijn er meerdere pandhouders, dan wordt
hun rangorde bepaald naar de datum van
de registratie of van de bezitsverkrijging.
Zijn er meerdere pandhouders, dan wordt
hun rangorde bepaald naar de datum van
de registratie of van de bezitsverkrijging.
Pandhouders die op dezelfde dag hebben
geregistreerd
of
het
bezit
hebben
verkregen, staan in gelijke rang.
Pandhouders die op dezelfde dag hebben
geregistreerd
of
het
bezit
hebben
verkregen, staan in gelijke rang.
Indien de verpande goederen onroerend
zijn geworden, wordt de rangorde tussen
de pandhouder en een hypothecaire of een
op de onroerende goederen bevoorrechte
schuldeiser bepaald volgens de datum van
de registratie en die van de inschrijving
van de hypotheek of het voorrecht. "
Indien de verpande goederen onroerend
zijn geworden, wordt de rangorde tussen
de pandhouder en een hypothecaire of een
op de onroerende goederen bevoorrechte
schuldeiser bepaald volgens de datum van
de registratie en die van de inschrijving
van de hypotheek of het voorrecht. "
Art. 70
Art. 70
In hetzelfde hoofdstuk 1 wordt een
afdeling
7
ingevoegd,
luidende
"Tegenwerpelijkheid
door
buitenbezitstelling van schuldvordering".
In hetzelfde hoofdstuk 1 wordt een
afdeling
7
ingevoegd,
luidende
"
Pandrecht op schuldvorderingen ".
Art. 72
Art. 72
In dezelfde afdeling 7 wordt een artikel 61
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 7 wordt een artikel 61
ingevoegd, luidende :
" Art. 61. Bewijs
" Art. 61. Bewijs
De pandovereenkomst wordt bewezen
door een geschrift dat de door het
pandrecht bezwaarde schuldvorderingen
en de gewaarborgde schuldvorderingen
nauwkeurig aanduidt. De bepalingen uit
afdeling
1
met
betrekking
tot
de
vermelding in het geschrift van het
maximaal bedrag tot beloop waarvan de
schuldvorderingen zijn gewaarborgd, zijn
van toepassing.
De pandovereenkomst wordt bewezen
door een geschrift dat de door het
pandrecht bezwaarde schuldvorderingen
en de gewaarborgde schuldvorderingen
nauwkeurig aanduidt. De bepalingen uit
afdeling
1
met
betrekking
tot
de
vermelding in het geschrift van het
maximaal bedrag tot beloop waarvan de
schuldvorderingen zijn gewaarborgd, zijn
van toepassing.
Is de pandgever een consument in de zin
van artikel 2, 3°, van de wet van 6 april
2010
betreffende
marktpraktijken
en
consumentenbescherming, dan dient het
Is de pandgever een consument in de zin
van artikel I, 1, 2° van boek I van het
Wetboek van economisch recht, dan
dient het geschrift als bewijs van de
115
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
geschrift als bewijs van de overeenkomst
te voldoen aan de vereisten, naar gelang
het geval, van artikel 1325 of artikel 1326
en dient tevens nauwkeurig melding te
worden gemaakt van het maximaal bedrag
tot beloop waarvan de schuldvorderingen
zijn gewaarborgd. "
overeenkomst te voldoen aan de vereisten,
naar gelang het geval, van artikel 1325 of
artikel 1326 en dient tevens nauwkeurig
melding te worden gemaakt van het
maximaal bedrag tot beloop waarvan de
schuldvorderingen zijn gewaarborgd. "
Art. 73
Art. 73
In dezelfde afdeling 7 wordt een artikel 62
ingevoegd, luidende :
In dezelfde afdeling 7 wordt een artikel 62
ingevoegd, luidende :
" Art. 62. Fiduciaire overdracht tot
zekerheid
" Art. 62. Fiduciaire overdracht tot
zekerheid
Een overdracht van een schuldvordering
tot zekerheid verleent aan de overnemer
enkel een pandrecht op de overgedragen
schuldvordering. "
Een overdracht van een schuldvordering
tot zekerheid verleent aan de overnemer
enkel een pandrecht op de overgedragen
schuldvordering en zulks ongeacht of
deze overdracht beantwoordt aan het
bepaalde in artikel 61, behoudens
wanneer de overdrager een consument
is in de zin van artikel I, 1, 2° van boek I
van het Wetboek economisch recht. "
Art. 81
Art. 81
In hetzelfde hoofdstuk 2 wordt artikel
2085 vervangen door artikel 69, luidende :
In hetzelfde hoofdstuk 2 wordt artikel
2085 vervangen door artikel 69, luidende :
" Art. 69. Geschrift
" Art. 69. Geschrift
Roerende goederen, verkocht met een
beding
dat
de
eigendomsoverdracht
opschort tot de volledige betaling van de
prijs,
kunnen
worden
teruggevorderd
wanneer de koper in gebreke blijft de
koopprijs te betalen voor zover dit
schriftelijk is opgesteld uiterlijk op het
ogenblik van de levering van het goed.
Roerende goederen, verkocht met een
beding
dat
de
eigendomsoverdracht
opschort tot de volledige betaling van de
prijs,
kunnen
worden
teruggevorderd
wanneer de koper in gebreke blijft de
koopprijs te betalen voor zover dit
schriftelijk is opgesteld uiterlijk op het
ogenblik van de levering van het goed.
Is de koper een consument in de zin van
artikel 2, 3°, van de wet van 6 april 2010
betreffende
marktpraktijken
en
consumentenbescherming, dan dient de
instemming van de koper uit het geschrift
te blijken.
Is de koper een consument, in de zin van
artikel I, 1, 2° van boek I van het
Wetboek van economisch recht, dan
dient de instemming van de koper uit het
geschrift te blijken.
116
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Het terugvorderingsrecht krachtens een
beding van eigendomsvoorbehoud kan
worden uitgeoefend ongeacht de juridische
aard van de overeenkomst waarin het is
opgenomen. "
Het terugvorderingsrecht krachtens een
beding van eigendomsvoorbehoud kan
worden uitgeoefend ongeacht de juridische
aard van de overeenkomst waarin het is
opgenomen. "
Art. 82
Art. 82
In hetzelfde hoofdstuk 2 wordt artikel
2086 vervangen door artikel 70, luidende :
In hetzelfde hoofdstuk 2 wordt artikel
2086 vervangen door artikel 70, luidende :
" Art. 70. Zakelijke subrogatie, verwerking
en vermenging.
" Art. 70. Zakelijke subrogatie, verwerking
en vermenging.
De artikelen 9, 18 en 20 zijn van
toepassing. "
De artikelen 9, 18, 20 en 23, lid 1 zijn van
toepassing. "
Art. 97
Art. 97
In artikel 7, § 1, van de wet van 15
december 2004 betreffende financiële
zekerheden en houdende diverse fiscale
bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
met betrekking tot financiële instrumenten,
worden de woorden " de artikelen 1328 en
2074 van het Burgerlijk Wetboek "
vervangen door de woorden " artikel 1328
van het Burgerlijk Wetboek en artikel 61
van titel XVII, boek III, van het Burgerlijk
Wetboek ".
[opgeheven]
In artikel 10, § 1, van dezelfde wet,
worden de woorden " conform artikel
2075, tweede lid, van het Burgerlijk
Wetboek " vervangen door de woorden "
conform artikel 60, tweede lid, van titel
XVII, boek III, van het Burgerlijk
Wetboek ".
Art. 98
Art. 98
In artikel 7, § 1, van de wet van 3 augustus
2012 betreffende diverse maatregelen ter
vergemakkelijking van de mobilisering
van schuldvorderingen in de financiële
[opgeheven]
117
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
sector, worden de woorden " en artikelen
18 en 20 van de wet van 15 april 1884
betreffende
de
landbouwleningen
"
opgeheven.
Art. 99
Art. 99
In artikel 23, derde lid, van de wet van 3
augustus
2012
betreffende
bepaalde
vormen
van
collectief
beheer
van
beleggingsportefeuilles,
worden
de
woorden " en de artikelen 18 en 20 van de
wet van 15 april 1884 betreffende de
landbouwleningen " opgeheven.
[opgeheven]
Art. 107
Art. 107
De
schuldeiser
die
vóór
de
inwerkingtreding
van
deze
wet
een
pandakte
heeft
ingeschreven
overeenkomstig de wet van 25 oktober
1919 betreffende het in pand geven van de
handelszaak, het disconto en het in pand
geven van de factuur, behoudt zijn rang
indien hij binnen twaalf maanden na de
inwerkingtreding
van
deze
wet
een
pandrecht op de bezwaarde goederen heeft
geregistreerd.
§ 1. De schuldeiser die vóór de
inwerkingtreding van deze wet een
pandakte
heeft
ingeschreven
overeenkomstig de wet van 25 oktober
1919 betreffende het in pand geven van
de handelszaak, het disconto en het in
pand geven van de factuur, behoudt zijn
rang indien hij binnen twaalf maanden
na de inwerkingtreding van deze wet
een
pandrecht
op
de
bezwaarde
goederen heeft geregistreerd.
De
schuldeiser
die
vóór
de
inwerkingtreding
van
deze
wet
een
voorrecht
heeft
ingeschreven
overeenkomstig de wet van 15 april 1884
betreffende de landbouwleningen, behoudt
zijn rang indien hij binnen twaalf maanden
na de inwerkingtreding van deze wet een
pandrecht op de bezwaarde goederen heeft
geregistreerd.
Inschrijvingen die niet of nog niet
werden
geregistreerd
in
het
pandregister, overeenkomstig het eerste
lid, kunnen nog worden doorgehaald
overeenkomstig artikel 4bis van de
geciteerde wet.
De
schuldeisers
die
vóór
de
inwerkingtreding van deze wet houder zijn
geworden van een warrant of ceel als
bedoeld in de wet van 18 november 1862
houdende invoering van het warrantstelsel,
behouden
hun
rechten
na
de
inwerkingtreding van deze wet.
§ 2. De schuldeiser die vóór de
inwerkingtreding van deze wet een
voorrecht
heeft
ingeschreven
overeenkomstig de wet van 15 april
1884 betreffende de landbouwleningen,
behoudt zijn rang indien hij binnen
twaalf maanden na de inwerkingtreding
van deze wet een pandrecht op de
bezwaarde goederen heeft geregistreerd.
118
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Een volmacht tot het vestigen van een
pandrecht krachtens de wet van 25 oktober
1919 betreffende het in pand geven van de
handelszaak, het disconto en het in pand
geven van de factuur of van een
landbouwvoorrecht krachtens de wet van
15
april
1884
betreffende
de
landbouwleningen strekt ook tot het sluiten
van een pandovereenkomst krachtens deze
wet binnen de grenzen van de volmacht.
Inschrijvingen die niet of nog niet
werden
geregistreerd
in
het
pandregister, overeenkomstig het eerste
lid, kunnen nog worden doorgehaald
overeenkomstig de artikelen 19 tot 22
van de geciteerde wet.
§ 3. Bij de registratie in het pandregister
in de in paragrafen 1, eerste lid, en 2,
eerste lid, bedoelde gevallen, dienen
naast de in artikel 30 vermelde gegevens
eveneens de datum en referte van de
bestaande
inschrijving
te
worden
vermeld. Zo de bestaande inschrijving
een
vernieuwing
betreft,
dienen
eveneens de datum en referte van de
oorspronkelijke inschrijving te worden
vermeld.
Deze registratie geldt, in afwijking van
artikel 35, enkel voor de resterende
termijn van de lopende tien jaar
waarvoor
de
inschrijving
van
de
inpandgeving van de handelszaak of het
landbouwvoorrecht
geldt.
Deze
registratie is kosteloos.
§ 4. De schuldeisers die
vóór de
inwerkingtreding van deze wet houder
zijn geworden van een warrant of ceel
als bedoeld in de wet van 18 november
1862 houdende invoering van het
warrantstelsel, behouden hun rechten
na de inwerkingtreding van deze wet.
§ 5. Een volmacht tot het vestigen van
een pandrecht krachtens de wet van 25
oktober 1919 betreffende het in pand
geven van de handelszaak, het disconto
en het in pand geven van de factuur of
van een landbouwvoorrecht krachtens
de wet van 15 april 1884 betreffende de
landbouwleningen strekt ook tot het
sluiten
van
een
pandovereenkomst
krachtens deze wet binnen de grenzen
van de volmacht.
119
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§ 6. De schuldeisers die vóór de
inwerkingtreding van deze wet houder
zijn geworden van een pandrecht op
onlichamelijke goederen andere dan
schuldvorderingen,
behouden
hun
rechten na de inwerkingtreding van
deze wet.
Art. 107/1
Art. 107/1
Tot en met de laatste dag van de
twaalfde maand na de inwerkingtreding
van deze wet is de hypotheekbewaarder
ertoe gehouden om aan elke verzoeker
afschrift te leveren van de bestaande
inschrijvingen
van
een
pandakte
overeenkomstig de wet van 25 oktober
1919 betreffende het in pand geven van
de handelszaak, het disconto en het in
pand geven van de factuur, ten laste van
de in het verzoekschrift aangeduide
personen,
of
een
getuigschrift
vaststellend dat er geen inschrijvingen
bestaan.
Tot en met de laatste dag van de
twaalfde maand na de inwerkingtreding
van deze wet is de ontvanger van de
registratie ertoe gehouden om aan elke
verzoeker afschrift te leveren van de
bestaande
inschrijvingen
van
een
voorrecht overeenkomstig de wet van 15
april
1884
betreffende
de
landbouwleningen, ten laste van de in
het verzoekschrift aangeduide personen,
of een getuigschrift vaststellend dat er
geen
inschrijvingen
bestaan.
De
artikelen 22 en 23 van deze wet van 15
april 1884 blijven tijdens deze periode
van kracht.
Art. 109
Art. 109
Deze wet treedt in werking op een door de
Koning te bepalen datum doch uiterlijk op
1 januari 2017.
Deze wet treedt in werking op een door de
Koning te bepalen datum doch uiterlijk op
1 januari 2018.
120
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
De Koning kan voor iedere bepaling ervan
een datum van inwerkingtreding bepalen
voorafgaand aan de in het eerste lid
vermelde datum.
De Koning kan voor iedere bepaling ervan
een datum van inwerkingtreding bepalen
voorafgaand aan de in het eerste lid
vermelde datum.
Wet van 15 december 2004 betreffende
financiële zekerheden en houdende
diverse fiscale bepalingen inzake
zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en
leningen met betrekking tot financiële
instrumenten
Wet van 15 december 2004 betreffende
financiële zekerheden en houdende
diverse fiscale bepalingen inzake
zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en
leningen met betrekking tot financiële
instrumenten
Art. 3
Art. 3
Voor de toepassing van deze wet wordt
verstaan onder :
Voor de toepassing van deze wet wordt
verstaan onder :
1° "financieel instrument" : de categorieën
van instrumenten als bedoeld in artikel 2,
1°, van de wet van 2 augustus 2002
betreffende het toezicht op de financiële
sector en de financiële diensten, ongeacht
of
deze
verhandelbaar
zijn
op
de
kapitaalmarkt, een recht op of ten aanzien
van een dergelijk financieel instrument,
met inbegrip van een recht van mede-
eigendom, van onlichamelijke aard, dat
wordt gevestigd op de universaliteit van
financiële instrumenten van dezelfde aard
in de zin van artikel 2, derde lid, van het
gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62
betreffende
de
bewaargeving
van
vervangbare financiële instrumenten en de
vereffening
van
transacties
op deze
instrumenten of van artikel 468, vijfde lid,
van het Wetboek van vennootschappen of
van artikel 3, eerste lid, van de wet van 2
januari 1991 betreffende de markt van de
effecten van de overheidsschuld en het
monetaire beleidsinstrumentarium, of een
vordering ten aanzien van een dergelijk
financieel instrument;
1° "financieel instrument" : de categorieën
van instrumenten als bedoeld in artikel 2,
1°, van de wet van 2 augustus 2002
betreffende het toezicht op de financiële
sector en de financiële diensten, ongeacht
of
deze
verhandelbaar
zijn
op
de
kapitaalmarkt, een recht op of ten aanzien
van een dergelijk financieel instrument,
met inbegrip van een recht van mede-
eigendom, van onlichamelijke aard, dat
wordt gevestigd op de universaliteit van
financiële instrumenten van dezelfde aard
in de zin van artikel 2, derde lid, van het
gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62
betreffende
de
bewaargeving
van
vervangbare financiële instrumenten en de
vereffening van transacties op deze
instrumenten of van artikel 468, vijfde lid,
van het Wetboek van vennootschappen of
van artikel 3, eerste lid, van de wet van 2
januari 1991 betreffende de markt van de
effecten van de overheidsschuld en het
monetaire beleidsinstrumentarium, of een
vordering ten aanzien van een dergelijk
financieel instrument;
2°
"contanten"
:
de
rechten
die
voortvloeien
uit
op
een
rekening
gecrediteerde gelden in ongeacht welke
valuta, met uitzondering van chartaal geld,
2°
"contanten"
:
de
rechten
die
voortvloeien
uit
op
een
rekening
gecrediteerde gelden in ongeacht welke
valuta, met uitzondering van chartaal geld,
121
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
alsook
soortgelijke
vorderingen
tot
restitutie van geld;
alsook
soortgelijke
vorderingen
tot
restitutie van geld;
3° "zakelijke-zekerheidsovereenkomsten" :
de volgende overeenkomsten, alsook naar
buitenlands recht gesloten soortgelijke
overeenkomsten :
3° "zakelijke-zekerheidsovereenkomsten" :
de volgende overeenkomsten, alsook naar
buitenlands recht gesloten soortgelijke
overeenkomsten :
a) de pandovereenkomsten;
a) de pandovereenkomsten;
b) de overeenkomsten die leiden tot
eigendomsoverdracht
ten
titel
van
zekerheid,
inclusief
cessieretrocessieovereenkomsten
("repo's");
b) de overeenkomsten die leiden tot
eigendomsoverdracht
ten
titel
van
zekerheid,
inclusief
cessieretrocessieovereenkomsten
("repo's");
4°
"nettingovereenkomsten"
:
de
overeenkomsten tot schuldvernieuwing of
tot
bilaterale
of
multilaterale
schuldvergelijking;
4°
"nettingovereenkomsten"
:
de
overeenkomsten tot schuldvernieuwing of
tot
bilaterale
of
multilaterale
schuldvergelijking;
5°
"insolventieprocedure"
:
het
faillissement,
de
gerechtelijke
reorganisatie,
de
collectieve
schuldenregeling of elke andere Belgische
of
buitenlandse
rechterlijke,
administratieve of vrijwillige collectieve
procedure die de realisatie van de activa en
de verdeling van de opbrengst van die
realisatie onder, naargelang van het geval,
de schuldeisers, de aandeelhouders, de
vennoten of de leden behelst, alsook elke
saneringsmaatregel die enigerlei optreden
van
Belgische
of
buitenlandse
administratieve of rechterlijke instanties
met zich brengt en die bestemd is om de
financiële positie in stand te houden of te
herstellen, en van dien aard is dat zij de
bestaande rechten van derden aantast,
inclusief onder meer elke maatregel die
een opschorting van de betalingen, een
opschorting van de uitvoeringsmaatregelen
of
een
vermindering
van
de
schuldvorderingen behelst;
5°
"insolventieprocedure"
:
het
faillissement,
de
gerechtelijke
reorganisatie,
de
collectieve
schuldenregeling of elke andere Belgische
of
buitenlandse
rechterlijke,
administratieve of vrijwillige collectieve
procedure die de realisatie van de activa en
de verdeling van de opbrengst van die
realisatie onder, naargelang van het geval,
de schuldeisers, de aandeelhouders, de
vennoten of de leden behelst, alsook elke
saneringsmaatregel die enigerlei optreden
van
Belgische
of
buitenlandse
administratieve of rechterlijke instanties
met zich brengt en die bestemd is om de
financiële positie in stand te houden of te
herstellen, en van dien aard is dat zij de
bestaande rechten van derden aantast,
inclusief onder meer elke maatregel die
een opschorting van de betalingen, een
opschorting van de uitvoeringsmaatregelen
of
een
vermindering
van
de
schuldvorderingen behelst;
6° "partijen" :
6° "partijen" :
a) voor de overeenkomsten bedoeld in
punt 3°, a), de pandhoudende schuldeiser,
de pandgevende schuldenaar, de derde
pandhouder of de derde pandgever;
a) voor de overeenkomsten bedoeld in
punt 3°, a), de pandhoudende schuldeiser,
de pandgevende schuldenaar, de derde
pandhouder of de derde pandgever;
b) voor de overeenkomsten bedoeld in
punt 3°, b), de overdrager en de
overnemer, de koper op termijn en de
b) voor de overeenkomsten bedoeld in
punt 3°, b),
de overdrager en de
overnemer, de koper op termijn en de
122
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
verkoper op termijn.
verkoper op termijn.
7° "wanprestatie" : elke wanprestatie
alsook elke tussen de partijen van de
zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van
de
gewaarborgde
verbintenis
overeengekomen of bij de wet bepaalde
gebeurtenis
op
grond
waarvan
de
begunstigde
van
een
zakelijkezekerheidsovereenkomst
gerechtigd is de zekerheid te realiseren;
7° "wanprestatie" : elke wanprestatie
alsook elke tussen de partijen van de
zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van
de
gewaarborgde
verbintenis
overeengekomen of bij de wet bepaalde
gebeurtenis
op
grond
waarvan
de
begunstigde
van
een
zakelijkezekerheidsovereenkomst
gerechtigd is de zekerheid te realiseren;
8°
"gelijkwaardige
financiële
instrumenten" : financiële instrumenten
met dezelfde kenmerken en ter waarde van
hetzelfde
bedrag
of
financiële
instrumenten die, bij overeenkomst, als
dusdanig worden aanvaard;
8°
"gelijkwaardige
financiële
instrumenten" : financiële instrumenten
met dezelfde kenmerken en ter waarde van
hetzelfde
bedrag
of
financiële
instrumenten die, bij overeenkomst, als
dusdanig worden aanvaard;
9° "marge-opvraging" : de financiële
instrumenten,
bankvorderingen
of
contanten
die
als
zekerheid
worden
verschaft of in het kader van een zakelijke-
zekerheidsovereenkomst
worden
overgedragen, en die bestemd zijn om,
tijdens de duur van de overeenkomst, het
overeengekomen evenwicht tussen de
prestaties van de partijen of van de bij de
gewaarborgde
verbintenis
betrokken
partijen te bewaren, hetzij met betrekking
tot één bepaalde transactie, hetzij met
betrekking tot alle of een deel van hun
transacties.
9° "marge-opvraging" : de financiële
instrumenten,
bankvorderingen
of
contanten die
als zekerheid
worden
verschaft of in het kader van een zakelijke-
zekerheidsovereenkomst
worden
overgedragen, en die bestemd zijn om,
tijdens de duur van de overeenkomst, het
overeengekomen evenwicht tussen de
prestaties van de partijen of van de bij de
gewaarborgde
verbintenis
betrokken
partijen te bewaren, hetzij met betrekking
tot één bepaalde transactie, hetzij met
betrekking tot alle of een deel van hun
transacties.
10° "bankvorderingen" : de geldelijke
vorderingen
voortvloeiend
uit
een
overeenkomst krachtens dewelke :
10° "bankvorderingen" : de geldelijke
vorderingen
voortvloeiend
uit
een
overeenkomst krachtens dewelke :
- een kredietinstelling, zoals gedefinieerd
in de wet van 22 maart 1993 op het statuut
van
en
het
toezicht
op
de
kredietinstellingenof een in artikel 2, § 1,
1°, van dezelfde wet bedoelde entiteit;
- een kredietinstelling, zoals gedefinieerd
in de
wet van 25 april 2014 op het
statuut van en het toezicht op de
kredietinstellingen of een in artikel 2, 1°,
van dezelfde wet bedoelde entiteit;
- een hypotheekonderneming in de zin van
de wet van 4 augustus 1992 op het
hypothecair krediet;
- een hypotheekonderneming in de zin
van boek VII, titel 4, hoofdstuk 2 van
het Wetboek van economisch recht;
- een persoon of een onderneming die
kredieten toestaat bedoeld in artikel 1, 4°,
van de wet van 12 juni 1991 op het
consumentenkrediet;
- een persoon of een onderneming die
kredieten toestaat bedoeld in artikel I. 9,
39° van het Wetboek van economisch
recht;
- iedere andere buitenlandse rechtspersoon
die in zijn land van oorsprong tot één van
- iedere andere buitenlandse rechtspersoon
die in zijn land van oorsprong tot één van
123
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
de
hierboven
bedoelde
categorieën
behoort;
de
hierboven
bedoelde
categorieën
behoort;
een lening of een krediet toestaat;
een lening of een krediet toestaat;
11° publieke of financiële rechtspersoon" :
11° publieke of financiële rechtspersoon" :
a) een kredietinstelling in de zin van de
wet van 22 maart 1993 op het statuut van
en het toezicht op de kredietinstellingen;
a) een kredietinstelling in de zin van de
wet van 25 april 2014 op het statuut van
en het toezicht op de kredietinstellingen;
b) een beleggingsonderneming in de zin
van de wet van 6 april 1995 inzake het
statuut van en het toezicht op de
beleggingsondernemingen;
b) een beleggingsonderneming in de zin
van de wet van 6 april 1995 inzake het
statuut van en het toezicht op de
beleggingsondernemingen;
c) een verzekeringsonderneming in de zin
van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen;
c) een verzekeringsonderneming in de zin
van de wet van 9 juli 1975 betreffende de
controle der verzekeringsondernemingen;
d)
een
beheervennootschap
van
instellingen voor collectieve belegging in
de zin van Deel III van de wet van 20 juli
2004 betreffende bepaalde vormen van
collectief
beheer
van
beleggingsportefeuilles;
d)
een
beheervennootschap
van
instellingen voor collectieve belegging in
de zin van Deel 3 van de wet van 3
augustus
2012
betreffende
de
instellingen voor collectieve belegging
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen;
e) een instelling voor collectieve belegging
in de zin van Deel II van de wet van 20 juli
2004 betreffende bepaalde vormen van
collectief
beheer
van
beleggingsportefeuilles;
e) een instelling voor collectieve belegging
in de zin van Deel 2 van de wet van 3
augustus
2012
betreffende
de
instellingen voor collectieve belegging
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen;
f)
een
centrale
tegenpartij,
een
afwikkelende instantie en een clearing
house in de zin van de wet van 28 april
1999 houdende omzetting van Richtlijn
98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het
definitieve karakter van de afwikkeling
van betalingen en effectentransacties in
betalings- en afwikkelingssystemen;
f)
een
centrale
tegenpartij,
een
afwikkelende instantie en een clearing
house in de zin van de wet van 28 april
1999 houdende omzetting van Richtlijn
98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het
definitieve karakter van de afwikkeling
van betalingen en effectentransacties in
betalings- en afwikkelingssystemen;
g) een financiële instelling in de zin van
deze wet;
g) een financiële instelling in de zin van
deze wet;
h)
een
Belgische
of
buitenlandse
rechtspersoon bedoeld in artikel 5 die in
eigen naam, maar voor rekening van
begunstigden van zekerheden optreedt;
h)
een
Belgische
of
buitenlandse
rechtspersoon bedoeld in artikel 5 die in
eigen naam, maar voor rekening van
begunstigden van zekerheden optreedt;
i)
een
overheidsinstantie
(exclusief
ondernemingen met overheidsgarantie),
i)
een
overheidsinstantie
(exclusief
ondernemingen met overheidsgarantie),
124
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
inclusief instellingen behorend tot de
overheidssector die belast zijn met of een
rol
spelen bij het
beheer van de
overheidsschuld en instellingen behorend
tot de overheidssector die zijn gemachtigd
om voor klanten rekeningen aan te
houden;
inclusief instellingen behorend tot de
overheidssector die belast zijn met of een
rol spelen bij het
beheer van de
overheidsschuld en instellingen behorend
tot de overheidssector die zijn gemachtigd
om voor klanten rekeningen aan te
houden;
j) de Nationale Bank van Belgïe, de
Europese Centrale Bank, de Bank voor
Internationale
Betalingen,
een
multilaterale
ontwikkelingsbank
als
bedoeld in deel 1, afdeling 4, van bijlage
VI bij Richtlijn 2006/48/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 14
juni 2006 betreffende de toegang tot en de
uitoefening van de werkzaamheden van
kredietinstellingen,
het
Internationaal
Monetair
Fonds
en
de
Europese
Investeringsbank;
j) de Nationale Bank van Belgïe, de
Europese Centrale Bank, de Bank voor
Internationale
Betalingen,
een
multilaterale
ontwikkelingsbank
als
bedoeld in deel 1, afdeling 4, van bijlage
VI bij Richtlijn 2006/48/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 14
juni 2006 betreffende de toegang tot en de
uitoefening van de werkzaamheden van
kredietinstellingen,
het
Internationaal
Monetair
Fonds
en
de
Europese
Investeringsbank;
k)
iedere
andere
buitenlandse
rechtspersoon die in
zijn land van
oorsprong tot één van de categorieën
behoort bedoeld in artikel 1.2 a) tot en met
d) van de Richtlijn 2002/47/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 2 juni
2002
betreffende
financiëlezekerheids-
overeenkomsten;
k)
iedere
andere
buitenlandse
rechtspersoon die in zijn land van
oorsprong tot één van de categorieën
behoort bedoeld in artikel 1.2 a) tot en met
d) van de Richtlijn 2002/47/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 2 juni
2002
betreffende
financiëlezekerheids-
overeenkomsten;
12°
"financiële
instelling"
:
een
onderneming die geen kredietinstelling is
en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat
in het verwerven van deelnemingen of de
uitoefening
van
één
of
meer
werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot
en met 12 van paragraaf 2 van artikel 3
van de wet van 22 maart 1993 op het
statuut van en het toezicht op de
kredietinstellingen, waaronder met name :
12°
"financiële
instelling"
:
een
onderneming die geen kredietinstelling is
en waarvan de hoofdbedrijvigheid bestaat
in het verwerven van deelnemingen of de
uitoefening
van
één
of
meer
werkzaamheden bedoeld in de punten 2 tot
en met 12 van paragraaf 2 van artikel 3
van de wet van 22 maart 1993 op het
statuut van en het toezicht op de
kredietinstellingen, waaronder met name :
a) een hypotheekonderneming in de zin
van de wet van 4 augustus 1992 op het
hypothecair krediet;
a) een hypotheekonderneming in de zin
van boek VII, titel 4, hoofdstuk 2 van
het Wetboek van economisch recht;
b)
een
onderneming
die
consumentenkredieten verstrekt in de zin
van de wet van 12 juni 1991 op het
consumentenkrediet;
b)
een
onderneming
die
consumentenkredieten verstrekt in de zin
van boek VII, titel 4, hoofdstuk 1 van
het Wetboek van economisch recht;
c) een onderneming gespecialiseerd in
financieringshuur of "leasing" in de zin
van het koninklijk besluit nr. 55 van 10
c) een onderneming gespecialiseerd in
financieringshuur of "leasing" in de zin
van het koninklijk besluit nr. 55 van 10
125
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
november 1967, tot regeling van het
juridisch
statuut
der
ondernemingen
gespecialiseerd in financieringshuur;
november 1967, tot regeling van het
juridisch
statuut
der
ondernemingen
gespecialiseerd in financieringshuur;
d) een betalingsinstelling of een instelling
voor elektronisch geld in de zin van de wet
van 21 december 2009 betreffende het
statuut van de betalingsinstellingen en de
instellingen voor elektronisch geld, de
toegang
tot
het
bedrijf
van
betalingsdienstaanbieder,
tot
de
beroepsmatige uitgifte van elektronisch
geld en de toegang tot betalingssystemen.
d) een betalingsinstelling of een instelling
voor elektronisch geld in de zin van de wet
van 21 december 2009 betreffende het
statuut van de betalingsinstellingen en de
instellingen voor elektronisch geld, de
toegang
tot
het
bedrijf
van
betalingsdienstaanbieder,
tot
de
beroepsmatige uitgifte van elektronisch
geld en de toegang tot betalingssystemen.
Art. 4
Art. 4
§ 1. Deze wet is van toepassing op de
zakelijke-zekerheidsovereenkomsten :
§ 1. Deze wet is van toepassing op de
zakelijke-zekerheidsovereenkomsten :
1° op financiële instrumenten die zijn
overgemaakt aan de begunstigde van de
zekerheid of aan de persoon die voor zijn
rekening optreedt;
1° op financiële instrumenten die zijn
overgemaakt aan de begunstigde van de
zekerheid of aan de persoon die voor zijn
rekening optreedt;
2° of op contanten die bij overeenkomst in
pand zijn gegeven of zijn overgedragen ten
gunste van de begunstigde van de
zekerheid of aan de persoon die voor zijn
rekening optreedt;
2° of op contanten die bij overeenkomst in
pand zijn gegeven of zijn overgedragen ten
gunste van de begunstigde van de
zekerheid of aan de persoon die voor zijn
rekening optreedt;
3°
of
op
bankvorderingen
die
bij
overeenkomst in pand zijn gegeven of zijn
overgedragen
ten
gunste
van
de
begunstigde van de zekerheid of van de
persoon die voor zijn rekening optreedt.
3°
of
op
bankvorderingen
die
bij
overeenkomst in pand zijn gegeven of zijn
overgedragen
ten
gunste
van
de
begunstigde van de zekerheid of van de
persoon die voor zijn rekening optreedt.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1°,
volstaat het aan te tonen dat de als
zekerheid verschafte activa daadwerkelijk
zijn geleverd, overgedragen, gehouden,
ingeschreven in een register of anderzijds
gekwalificeerd, zodat zij in het bezit of
onder
de
controle
komen
van
de
begunstigde van de zekerheid of de
persoon die voor rekening van die
begunstigde optreedt.
Voor de toepassing van het eerste lid, 1°,
volstaat het aan te tonen dat de als
zekerheid verschafte activa daadwerkelijk
zijn geleverd, overgedragen, gehouden,
ingeschreven in een register of anderzijds
gekwalificeerd, zodat zij in het bezit of
onder
de
controle
komen
van
de
begunstigde van de zekerheid of de
persoon die voor rekening van die
begunstigde optreedt.
De
inbezitstelling
van
op
rekening
geboekte financiële instrumenten kan
inzonderheid
geschieden
door
de
creditering van die instrumenten op een
speciale rekening geopend op naam van de
De inbezitstelling van op rekening
geboekte financiële instrumenten kan
inzonderheid
geschieden
door
de
creditering van die instrumenten op een
speciale rekening geopend op naam van
126
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
zekerheidsverschaffer
of
van
de
begunstigde van de zekerheid of van een
derde pandhouder. Het feit dat de als
zekerheid verschafte activa in de boeken
van een bemiddelaar worden ingeschreven,
belet die bemiddelaar niet om, met
betrekking tot die activa, te handelen als
een partij.
de zekerheidsverschaffer of van de
begunstigde van de zekerheid of van een
derde die de zekerheid houdt voor
rekening van de begunstigde. Het feit
dat de als zekerheid verschafte activa in
de boeken van een bemiddelaar worden
ingeschreven belet die bemiddelaar niet
om, met betrekking tot die activa, te
handelen als een partij. Wanneer de
financiële
instrumenten
zijn
gecrediteerd op een speciale rekening op
naam van de begunstigde of van een
derde die optreedt voor diens rekening,
wordt aan de vereiste van bezit of
controle geen afbreuk gedaan indien tot
nader bericht van de begunstigde of de
derde die voor zijn rekening optreedt de
zekerheidsverschaffer
nog
beschikkingsrechten heeft die in de
zakelijke
zekerheidsovereenkomst
nader zijn bepaald.
Voor financiële instrumenten die niet de
vorm aannemen van waardepapieren of
effecten, gelden dezelfde vereisten als
voor bankvorderingen.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°
en 3°, volstaat het dat de contanten of de
bankvordering
voldoende
bepaald
of
bepaalbaar zijn op grond van de zakelijke-
zekerheidsovereenkomst.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2°
en 3°, volstaat het dat de contanten of de
bankvordering
voldoende
bepaald
of
bepaalbaar zijn op grond van de zakelijke-
zekerheidsovereenkomst.
§ 2. Deze wet is ook van toepassing op
nettingovereenkomsten.
§ 2. Deze wet is ook van toepassing op
nettingovereenkomsten.
§ 3. De artikelen 9, 9/1, 14 en 15 van deze
wet kunnen in de hierna genoemde
gevallen niet ingeroepen worden, tenzij de
schuldeiser zich kan beroepen op een
wanbetaling :
§ 3. De artikelen 9, 9/1, 14 en 15 van deze
wet kunnen in de hierna genoemde
gevallen niet ingeroepen worden, tenzij de
schuldeiser zich kan beroepen op een
wanbetaling :
a) ongeacht de aard van schuldeisers,
vanaf het verzoek tot of de opening van
een
procedure
van
gerechtelijke
reorganisatie van een andere persoon dan
deze bedoeld in artikel 3, 11° van deze
wet, tijdens de duur van die procedure;
a) ongeacht de aard van schuldeisers,
vanaf het verzoek tot of de opening van
een
procedure
van
gerechtelijke
reorganisatie van een andere persoon dan
deze bedoeld in artikel 3, 11° van deze
wet, tijdens de duur van die procedure;
b) door een schuldeiser die een andere
persoon is dan deze bedoeld in artikel 3,
11° van deze wet, vanaf het verzoek tot of
de opening van een procedure van
b) door een schuldeiser die een andere
persoon is dan deze bedoeld in artikel 3,
11° van deze wet, vanaf het verzoek tot of
de opening van een procedure van
127
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
gerechtelijke
reorganisatie
van
een
publieke
of
financiële
rechtspersoon,
tijdens de duur van die procedure.
gerechtelijke
reorganisatie
van
een
publieke
of
financiële
rechtspersoon,
tijdens de duur van die procedure.
Het eerste lid is niet van toepassing :
Het eerste lid is niet van toepassing :
a) wanneer een schuldeiser die zich op
schuldvergelijking of schuldvernieuwing
beroept
op
basis
van
een
nettingovereenkomst zich niet eveneens
beroept op een ontbindend beding, een
ontbindende voorwaarde of de bedingen en
voorwaarden
met
betrekking
tot
de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken;
a) wanneer een schuldeiser die zich op
schuldvergelijking of schuldvernieuwing
beroept
op
basis
van
een
nettingovereenkomst zich niet eveneens
beroept op een ontbindend beding, een
ontbindende voorwaarde of de bedingen en
voorwaarden
met
betrekking
tot
de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken;
b) bij de realisatie van een zakelijke
zekerheidsovereenkomst als bedoeld in de
artikelen 8, 12 en 13 van deze wet en wat
betreft enig beroep in dat kader op een
nettingovereenkomst of de ontbindende
bedingen en voorwaarden of de bedingen
en voorwaarden met betrekking tot de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken;
b) bij de realisatie van een zakelijke
zekerheidsovereenkomst als bedoeld in de
artikelen 8, 12 en 13 van deze wet en wat
betreft enig beroep in dat kader op een
nettingovereenkomst of de ontbindende
bedingen en voorwaarden of de bedingen
en voorwaarden met betrekking tot de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken;
c)
op
zakelijke
zekerheden,
nettingovereenkomsten
en
ontbindende
bedingen en voorwaarden of de bedingen
en voorwaarden met betrekking tot de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken, wanneer
die zijn overeengekomen naar aanleiding
van
derivaten
of
andere
financiële
verrichtingen zoals omschreven door de
Koning bij een met de Nationale Bank van
België
overlegd
besluit.
Bij
de
samenstelling van deze lijst van types van
verrichtingen houdt de Koning rekening
met het belang van de in het eerste lid
geviseerde mechanismes voor de normale
werking van de betrokken verrichtingen en
voor de markten waarin deze worden
aangewend en meer algemeen met de
Belgische
en
internationale
marktpraktijken.
c)
op
zakelijke
zekerheden,
nettingovereenkomsten en ontbindende
bedingen en voorwaarden of de bedingen
en voorwaarden met betrekking tot de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken, wanneer
die zijn overeengekomen naar aanleiding
van
derivaten
of
andere
financiële
verrichtingen zoals omschreven door de
Koning bij een met de Nationale Bank van
België
overlegd
besluit.
Bij
de
samenstelling van deze lijst van types van
verrichtingen houdt de Koning rekening
met het belang van de in het eerste lid
geviseerde mechanismes voor de normale
werking van de betrokken verrichtingen en
voor de markten waarin deze worden
aangewend en meer algemeen met de
Belgische
en
internationale
marktpraktijken.
§ 4. Wanneer de Koning een daad van
beschikking vaststelt in de zin van artikel
26bis, § 1, van de wet van 9 juli 1975
§ 4. Wanneer de Koning een daad van
beschikking vaststelt in de zin van artikel
26bis, § 1, van de wet van 9 juli 1975
128
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
betreffende
de
controle
der
verzekeringsondernemingen, van artikel
57bis, § 1, van wet van 22 maart 1993 op
het statuut van en het toezicht op de
kredietinstellingen of van artikel 23bis, §
1, van de wet van 2 augustus 2002
betreffende het toezicht op de financiële
sector en de financiële diensten, kunnen de
artikelen 9, 9/1, 14 en 15 van deze wet niet
worden
ingeroepen
door
andere
medecontractanten dan deze bedoeld in
artikel 3, 11° van deze wet tenzij de
medecontractanten zich kunnen beroepen
op een wanbetaling.
betreffende
de
controle
der
verzekeringsondernemingen of van artikel
23bis, § 1, van de wet van 2 augustus 2002
betreffende het toezicht op de financiële
sector en de financiële diensten, kunnen de
artikelen 9, 9/1, 14 en 15 van deze wet niet
worden
ingeroepen
door
andere
medecontractanten dan deze bedoeld in
artikel 3, 11° van deze wet tenzij de
medecontractanten zich kunnen beroepen
op een wanbetaling.
Het eerste lid is niet van toepassing :
Het eerste lid is niet van toepassing :
a) wanneer een schuldeiser die zich op
schuldvergelijking of schuldvernieuwing
beroept
op
basis
van
een
nettingovereenkomst zich niet eveneens
beroept op een ontbindend beding, een
ontbindende voorwaarde of de bedingen en
voorwaarden
met
betrekking
tot
de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken;
a) wanneer een schuldeiser die zich op
schuldvergelijking of schuldvernieuwing
beroept
op
basis
van
een
nettingovereenkomst zich niet eveneens
beroept op een ontbindend beding, een
ontbindende voorwaarde of de bedingen en
voorwaarden
met
betrekking
tot
de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken;
b) bij de realisatie van een zakelijke
zekerheidsovereenkomst als bedoeld in de
artikelen 8, 12 en 13 van deze wet en wat
betreft enig beroep in dat kader op een
nettingovereenkomst of de ontbindende
bedingen en voorwaarden of de bedingen
en voorwaarden met betrekking tot de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken;
b) bij de realisatie van een zakelijke
zekerheidsovereenkomst als bedoeld in de
artikelen 8, 12 en 13 van deze wet en wat
betreft enig beroep in dat kader op een
nettingovereenkomst of de ontbindende
bedingen en voorwaarden of de bedingen
en voorwaarden met betrekking tot de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken;
c)
op
zakelijke
zekerheden,
nettingovereenkomsten
en
ontbindende
bedingen en voorwaarden en de bedingen
en voorwaarden met betrekking tot de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken, wanneer
die zijn overeengekomen naar aanleiding
van
derivaten
of
andere
financiële
verrichtingen zoals omschreven door de
Koning bij een met de Nationale Bank van
België
overlegd
besluit.
Bij
de
samenstelling van deze lijst van types van
c)
op
zakelijke
zekerheden,
nettingovereenkomsten en ontbindende
bedingen en voorwaarden en de bedingen
en voorwaarden met betrekking tot de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken, wanneer
die zijn overeengekomen naar aanleiding
van
derivaten
of
andere
financiële
verrichtingen zoals omschreven door de
Koning bij een met de Nationale Bank van
België
overlegd
besluit.
Bij
de
samenstelling van deze lijst van types van
129
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
verrichtingen houdt de Koning rekening
met het belang van de in het eerste lid
geviseerde mechanismes voor de normale
werking van de betrokken verrichtingen en
voor de markten waarin deze worden
aangewend en meer algemeen met de
Belgische
en
internationale
marktpraktijken.
verrichtingen houdt de Koning rekening
met het belang van de in het eerste lid
geviseerde mechanismes voor de normale
werking van de betrokken verrichtingen en
voor de markten waarin deze worden
aangewend en meer algemeen met de
Belgische
en
internationale
marktpraktijken.
Art. 4/1
Art. 4/1
§ 1. Onverminderd titel III van de wet
betreffende het hypothecair krediet, zijn de
artikelen 5 en 92, derde lid, van de
Hypotheekwet van 16 december 1851 niet
van
toepassing
wanneer
een
bankvordering, gewaarborgd door een
hypotheek
of
door
een
onroerend
voorrecht, in pand wordt gegeven of wordt
overgedragen
bij
overeenkomst
overeenkomstig deze wet, en wanneer
artikel 51 § 1 van de wet betreffende
hypothecair krediet niet van toepassing is
op dat pand of die overdracht. De
schuldenaar die de schuldvordering in
pand geeft of de cedent is ertoe gehouden
op verzoek van een derde de nodige
informatie met betrekking tot de identiteit
van de pandhouder of van de overnemer te
verstrekken.
§ 1. Onverminderd titel III van de wet
betreffende het hypothecair krediet, zijn de
artikelen 5 en 92, derde lid, van de
Hypotheekwet van 16 december 1851 niet
van
toepassing
wanneer
een
bankvordering, gewaarborgd door een
hypotheek
of
door
een
onroerend
voorrecht, in pand wordt gegeven of wordt
overgedragen
bij
overeenkomst
overeenkomstig deze wet, en wanneer
artikel 81quater van de Hypotheekwet
van
16
december
1851
niet
van
toepassing is op dat pand of die
overdracht.
De
schuldenaar
die
de
schuldvordering in pand geeft of de cedent
is ertoe gehouden op verzoek van een
derde de nodige informatie met betrekking
tot de identiteit van de pandhouder of van
de overnemer te verstrekken.
§ 2. Onder voorbehoud van artikel 27 van
de wet van 12 juni 1991 op het
consumentenkrediet en artikel 74 van de
wet
van
6
april
2010
betreffende
marktpraktijken
en
consumentenbescherming,
kunnen
de
schuldenaars van een bankvordering die in
pand werd gegeven of werd overgedragen
schriftelijk of via elke andere juridisch
evenwaardige weg verzaken aan :
§ 2. Onder voorbehoud van artikel
VII.104
van
het
Wetboek
van
economisch recht en artikel VI.83 van
het Wetboek van economisch recht,
kunnen
de
schuldenaars
van
een
bankvordering die in pand werd gegeven
of werd overgedragen schriftelijk of via
elke andere juridisch evenwaardige weg
verzaken aan :
- hun rechten op schuldvergelijking ten
aanzien
van
de
houders
van
de
bankvorderingen en ten aanzien van de
personen ten gunste van wie deze houder
een inpandgeving, een overdracht of
eender welke andere mobilisering van de
als zekerheid verstrekte bankvordering
- hun rechten op schuldvergelijking ten
aanzien
van
de
houders
van
de
bankvorderingen en ten aanzien van de
personen ten gunste van wie deze houder
een inpandgeving, een overdracht of
eender welke andere mobilisering van de
als zekerheid verstrekte bankvordering
130
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
heeft verricht;
heeft verricht;
- hun rechten voortspruitend uit eventuele
regels over bankgeheim die, bij gebreke
daaraan, ertoe zouden leiden dat de houder
van de bankvordering verhinderd of
beperkt is in zijn mogelijkheid inlichtingen
te verstrekken met betrekking tot de
bankvordering of de schuldenaar teneinde
de in waarborg gegeven bankvordering te
gebruiken.
- hun rechten voortspruitend uit eventuele
regels over bankgeheim die, bij gebreke
daaraan, ertoe zouden leiden dat de houder
van de bankvordering verhinderd of
beperkt is in zijn mogelijkheid inlichtingen
te verstrekken met betrekking tot de
bankvordering of de schuldenaar teneinde
de in waarborg gegeven bankvordering te
gebruiken.
Art. 5
Art. 5
De
zakelijke-zekerheidsovereenkomsten
die
worden
gesloten
door
een
vertegenwoordiger van begunstigden van
zakelijke zekerheden, die in eigen naam,
maar voor rekening van die begunstigden
optreedt, worden beschouwd als geldig en
tegenstelbaar aan derden, inclusief aan de
betrokken vertegenwoordiger, in zoverre
de identiteit van de begunstigden van
zakelijke
zekerheden
kan
worden
vastgesteld
aan
de
hand
van
die
overeenkomsten. De identiteit van die
begunstigden van zakelijke zekerheden
kan veranderen in de tijd, zonder dat dit de
zakelijke
zekerheid,
inzonderheid
de
geldigheid, de tegenstelbaarheid en de
rang ervan, aantast.
De
zakelijke-zekerheidsovereenkomsten
die
worden
gesloten
door
een
vertegenwoordiger van begunstigden van
zakelijke zekerheden, die in eigen naam,
maar voor rekening van die begunstigden
optreedt, worden beschouwd als geldig en
tegenstelbaar aan derden, inclusief aan de
betrokken vertegenwoordiger, in zoverre
de identiteit van de begunstigden van
zakelijke
zekerheden
kan
worden
vastgesteld
aan
de
hand
van
die
overeenkomsten. De identiteit van die
begunstigden van zakelijke zekerheden
kan veranderen in de tijd, zonder dat dit de
zakelijke
zekerheid,
inzonderheid
de
geldigheid, de tegenstelbaarheid en de
rang ervan, aantast.
De vertegenwoordiger geniet alle rechten
en prerogatieven die normaliter toekomen
aan de begunstigden voor wier rekening
hij optreedt.
De vertegenwoordiger kan alle rechten
en
prerogatieven
uitoefenen
die
normaliter
toekomen
aan
de
begunstigden voor wier rekening hij
optreedt. Deze rechten behoren tot het
vermogen van de begunstigden.
Art. 7
Art. 7
§ 1. De verplichtingen waarvan sprake in
de artikelen 1328 en 2074 van het
Burgerlijk
Wetboek
zijn
niet
van
toepassing op het burgerlijk pand als
bedoeld in artikel 4.
§ 1. Behoudens de uitzonderingen
uitdrukkelijk bepaald in §§ 2 tot 4 zijn
artikel 1328 en boek III, titel XVII, van
het
Burgerlijk
Wetboek
niet
van
toepassing op enig pand op financiële
instrumenten,
contanten
en
bankvorderingen.
131
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§ 2. Op de marge-opvragingen en op de
gelijkwaardige financiële instrumenten,
contanten of bankvorderingen die, tijdens
de duur van de overeenkomst, in de plaats
worden gesteld van de activa die het
oorspronkelijke pand vormen, is dezelfde
regeling
van
toepassing
als
op
de
laatstgenoemde activa. In geval van
bankvorderingen, tast het recht van de
pandgever op het innen van de opbrengst
de ten gunste van de begunstigde gestelde
zekerheid niet aan.
§ 2. De volgende artikelen van boek III,
titel XVII, van het Burgerlijk Wetboek
zijn van toepassing op een pand als
bedoeld in artikel 4: artikelen 1, 5, 6, 8,
9, 10 eerste lid, 11 eerste en derde lid,
13, 23 eerste en derde lid, 57 eerste lid,
60 tweede en derde lid, 63, 64, 65, 66 en
67.
§
3.
Financiële
instrumenten,
bankvorderingen
of
contanten
die
krachtens de wet of hun aard niet
overdraagbaar zijn, kunnen evenmin in
pand worden gegeven.
§ 4. Een pandrecht op financiële
instrumenten,
bankvorderingen
of
contanten komt tot stand door de
overeenkomst
tussen
pandgever
en
pandhouder
en
is
aan
derden
tegenwerpelijk wanneer de toepasselijke
vereisten voorzien in artikel 4, §1 zijn
voldaan.
§ 5. Op de marge-opvragingen en op de
gelijkwaardige financiële instrumenten,
contanten
of
bankvorderingen
die,
tijdens de duur van de overeenkomst, in
de plaats worden gesteld van de activa
die het oorspronkelijke pand vormen, is
dezelfde regeling van toepassing als op
de laatstgenoemde activa. In geval van
bankvorderingen, tast het recht van de
pandgever
op
het
innen
van
de
opbrengst
de
ten
gunste
van
de
begunstigde gestelde zekerheid niet aan.
Art. 10
Art. 10
§
1.
Behoudens
andersluidende
overeenkomst, heeft het voorrecht van de
pandhoudende schuldeiser voorrang op het
wettelijk voorrecht van de gekwalificeerde
tussenpersonen
en
de
vereffeningsinstellingen
als bedoeld in
artikel 31 van de wet van 2 augustus 2002,
§
1.
Behoudens
andersluidende
overeenkomst, heeft het voorrecht van de
pandhoudende schuldeiser voorrang op het
wettelijk voorrecht van de gekwalificeerde
tussenpersonen
en
de
vereffeningsinstellingen als bedoeld in
artikel 31 van de wet van 2 augustus 2002,
132
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
als die tussenpersonen of die instellingen
ermee hebben ingestemd om dat pand op
de financiële instrumenten waarop het
wettelijk voorrecht betrekking heeft, te
crediteren op een speciale rekening in hun
boeken in de zin van artikel 4, § 1, of als
zij de inpandgeving van contanten hebben
erkend conform artikel 2075, tweede lid,
van het Burgerlijk Wetboek.
als die tussenpersonen of die instellingen
ermee hebben ingestemd om dat pand op
de financiële instrumenten waarop het
wettelijk voorrecht betrekking heeft, te
crediteren op een speciale rekening in hun
boeken in de zin van artikel 4, § 1, of als
zij de inpandgeving van contanten hebben
erkend conform artikel 60, tweede lid,
van boek III,
titel XVII, van het
Burgerlijk Wetboek.
§ 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op
het wettelijk voorrecht als bedoeld in
artikel 7 van de wet van 22 februari 1998
tot vaststelling van het organiek statuut
van de Nationale Bank van België.
§ 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op
het wettelijk voorrecht als bedoeld in
artikel 7 van de wet van 22 februari 1998
tot vaststelling van het organiek statuut
van de Nationale Bank van België.
Art. 11
Art. 11
§ 1. Voorzover de partijen daarover
overeenstemming hebben bereikt, mag de
pandhoudende
schuldeiser de in pand
gegeven financiële instrumenten op om het
even welke manier gebruiken, alsof hij er
eigenaar van is, op voorwaarde dat hij die
financiële instrumenten uiterlijk op de
datum
van
opeisbaarheid
van
de
gewaarborgde
schuld,
vervangt
door
financiële instrumenten die gelijkwaardig
zijn aan de oorspronkelijk in pand gegeven
financiële instrumenten.
§ 1. Voor zover de partijen daarover
overeenstemming hebben bereikt, mag de
pandhoudende schuldeiser de in pand
gegeven financiële instrumenten op om het
even welke manier gebruiken, alsof hij er
eigenaar van is, op voorwaarde dat hij die
financiële instrumenten uiterlijk op de
datum
van
opeisbaarheid
van
de
gewaarborgde
schuld,
vervangt
door
financiële instrumenten die gelijkwaardig
zijn aan de oorspronkelijk in pand gegeven
financiële instrumenten.
Het in het vorige lid bedoelde gebruik tast
de
rechten
van
de
pandhoudende
schuldeiser op het pand niet aan.
Het in het vorige lid bedoelde gebruik tast
de
rechten
van
de
pandhoudende
schuldeiser op het pand niet aan.
§
2.
Uiterlijk
op
de
datum
van
opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld
vervangt de pandhoudende schuldeiser de
oorspronkelijk in pand gegeven financiële
instrumenten
door
gelijkwaardige
financiële instrumenten of, voor zover de
partijen daarover overeenstemming hebben
bereikt, rekent hij de waarde van die
financiële
instrumenten
toe
op
de
schuldvordering in hoofdsom, interesten
en
kosten,
van
de
pandhoudende
schuldeiser
met
naleving
van
de
overeengekomen regels met betrekking tot
de waardering van de in pand gegeven
§
2.
Uiterlijk
op
de
datum
van
opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld
vervangt de pandhoudende schuldeiser de
oorspronkelijk in pand gegeven financiële
instrumenten
door
gelijkwaardige
financiële instrumenten of, voor zover de
partijen daarover overeenstemming hebben
bereikt, rekent hij de waarde van die
financiële
instrumenten
toe
op
de
schuldvordering in hoofdsom, interesten
en
kosten,
van
de
pandhoudende
schuldeiser
met
naleving
van
de
overeengekomen regels met betrekking tot
de waardering van de in pand gegeven
133
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
financiële
instrumenten
en
van
de
gewaarborgde schuld. Het eventuele saldo
komt toe aan de pandgevende schuldenaar
of, naargelang van het geval, de derde
pandgever.
financiële
instrumenten
en
van
de
gewaarborgde schuld. Het eventuele saldo
komt toe aan de pandgevende schuldenaar
of, naargelang van het geval, de derde
pandgever.
Op
de
aldus
vervangen
financiële
instrumenten is dezelfde regeling van
toepassing als op de oorspronkelijk in
pand gegeven financiële instrumenten,
zonder dat zij als een nieuwe zekerheid
kunnen worden beschouwd.
Op
de
aldus
vervangen
financiële
instrumenten is dezelfde regeling van
toepassing als op de oorspronkelijk in
pand gegeven financiële instrumenten,
zonder dat zij als een nieuwe zekerheid
kunnen worden beschouwd.
§ 3. Als de pandhoudende schuldeiser zijn
verplichting
niet
nakomt
om
de
oorspronkelijk in pand gegeven financiële
instrumenten
op
de
datum
van
opeisbaarheid
van
de
gewaarborgde
schuldvordering
te
vervangen
door
gelijkwaardige financiële instrumenten,
mag
de
schuldenaar,
overeenkomstig
artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek,
de waarde van de oorspronkelijk in pand
gegeven
financiële
instrumenten
toerekenen op de schuldvordering in
hoofdsom, interesten en kosten, van de
pandhoudende schuldeiser, met naleving
van de overeengekomen regels voor de
waardering van de in pand gegeven
financiële
instrumenten
en
van
de
gewaarborgde schuld. Bij gebrek aan
dergelijke regels worden de in pand
gegeven
financiële
instrumenten
gewaardeerd onder verwijzing naar hun
waarde op de datum van opeisbaarheid van
de gewaarborgde schuld.
§ 3. Als de pandhoudende schuldeiser zijn
verplichting
niet
nakomt
om
de
oorspronkelijk in pand gegeven financiële
instrumenten
op
de
datum
van
opeisbaarheid
van
de
gewaarborgde
schuldvordering
te
vervangen
door
gelijkwaardige financiële instrumenten,
mag
de
schuldenaar,
overeenkomstig
artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek,
de waarde van de oorspronkelijk in pand
gegeven
financiële
instrumenten
toerekenen op de schuldvordering in
hoofdsom, interesten en kosten, van de
pandhoudende schuldeiser, met naleving
van de overeengekomen regels voor de
waardering van de in pand gegeven
financiële
instrumenten
en
van
de
gewaarborgde schuld. Bij gebrek aan
dergelijke regels worden de in pand
gegeven
financiële
instrumenten
gewaardeerd onder verwijzing naar hun
waarde op de datum van opeisbaarheid van
de gewaarborgde schuld.
§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de
mogelijkheid
voor
de
hoven
en
rechtbanken om achteraf de voorwaarden
te controleren voor de waardering van de
als
zekerheid
verschafte
financiële
instrumenten of van het bedrag van de
gewaarborgde schuldvordering.
§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de
mogelijkheid
voor
de
hoven
en
rechtbanken om achteraf de voorwaarden
te controleren voor de waardering van de
als
zekerheid
verschafte
financiële
instrumenten of van het bedrag van de
gewaarborgde schuldvordering.
Art. 12
Art. 12
§ 1. Artikel 1328 en de bepalingen van
boek III, titel XVII van het Burgerlijk
Wetboek evenals de bepalingen van boek
§ 1. Artikel 1328, de bepalingen van
boek III, titel XVII van het Burgerlijk
Wetboek evenals de bepalingen van
134
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
I,
titel
VI
van
het
Wetboek
van
koophandel zijn niet van toepassing op de
eigendomsoverdrachten
van
financiële
instrumenten,
van
contanten
of
van
bankvorderingen die worden verricht om
verbintenissen te waarborgen en die een
verbintenis van de overnemer inhouden
om
de
overgedragen
financiële
instrumenten,
contanten
of
bankvorderingen,
of
gelijkwaardige
instrumenten of waarden, terug over te
dragen, behalve wanneer de gewaarborgde
verbintenis
helemaal
niet
of
slechts
gedeeltelijk wordt uitgevoerd.
artikel 7 tot en met 10 van deze wet zijn
niet
van
toepassing
op
de
eigendomsoverdrachten
van
financiële
instrumenten,
van
contanten
of
van
bankvorderingen die worden verricht om
verbintenissen te waarborgen en die een
verbintenis van de overnemer inhouden
om
de
overgedragen
financiële
instrumenten,
contanten
of
bankvorderingen,
of
gelijkwaardige
instrumenten of waarden, terug over te
dragen, behalve wanneer de gewaarborgde
verbintenis helemaal niet of slechts
gedeeltelijk wordt uitgevoerd.
Hetzelfde
geldt
voor
de
marge-
opvragingen en voor de substitutie, tijdens
de duur van de overeenkomst, van de
oorspronkelijk overgedragen activa door
nieuwe financiële instrumenten, andere
contanten of bankvorderingen.
Hetzelfde
geldt
voor
de
marge-
opvragingen en voor de substitutie, tijdens
de duur van de overeenkomst, van de
oorspronkelijk overgedragen activa door
nieuwe financiële instrumenten, andere
contanten of bankvorderingen.
§
2.
De
in
§
1
bedoelde
eigendomsoverdrachten zijn geldig en aan
derden
tegenstelbaar,
inclusief
de
prerogatieven
die
uit
de
eigendom
voortvloeien en die inzonderheid de
vervreemding van de activa waarop die
overdrachten betrekking hebben, of de
saldering
van
de
desbetreffende
schuldvorderingen
mogelijk
maken,
niettegenstaande een insolventieprocedure,
het beslag of
enig ander geval van
samenloop tussen de schuldeisers van één
van de partijen bij deze overeenkomsten.
§
2.
De
in
§
1
bedoelde
eigendomsoverdrachten zijn geldig en aan
derden
tegenstelbaar,
inclusief
de
prerogatieven
die
uit
de
eigendom
voortvloeien en die inzonderheid de
vervreemding van de activa waarop die
overdrachten betrekking hebben, of de
saldering
van
de
desbetreffende
schuldvorderingen
mogelijk
maken,
niettegenstaande een insolventieprocedure,
het beslag of enig ander geval van
samenloop tussen de schuldeisers van één
van de partijen bij deze overeenkomsten.
§ 3. Wanneer de gewaarborgde verbintenis
helemaal niet of slechts gedeeltelijk wordt
uitgevoerd, wordt het bedrag van de
contanten of van de bankvorderingen of de
waarde van de als zekerheid overgedragen
financiële instrumenten, vastgesteld onder
verwijzing
naar
de
datum
van
opeisbaarheid
van
de
gewaarborgde
schuld, overeenkomstig artikel 1254 van
het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de
schuldvordering in hoofdsom, interesten
en kosten, van de overnemer. Het
eventuele
saldo
komt
toe
aan
de
overdrager.
§ 3. Wanneer de gewaarborgde verbintenis
helemaal niet of slechts gedeeltelijk wordt
uitgevoerd, wordt het bedrag van de
contanten of van de bankvorderingen of de
waarde van de als zekerheid overgedragen
financiële instrumenten, vastgesteld onder
verwijzing
naar
de
datum
van
opeisbaarheid
van
de
gewaarborgde
schuld, overeenkomstig artikel 1254 van
het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de
schuldvordering in hoofdsom, interesten
en kosten, van de overnemer. Het
eventuele
saldo
komt
toe
aan
de
overdrager.
135
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§ 4. Dit artikel is niet van toepassing op de
overeenkomsten die zijn gesloten tussen of
met natuurlijke personen.
§ 4. Dit artikel is niet van toepassing op de
overeenkomsten die zijn gesloten tussen of
met natuurlijke personen.
Art. 13
Art. 13
§ 1. Artikel 1328, de bepalingen van boek
III, titel XVII, van het Burgerlijk Wetboek
en de bepalingen van boek I, titel VI, van
het Wetboek van koophandel zijn niet van
toepassing op de contante verkopen van
financiële
instrumenten,
die
tussen
dezelfde partijen worden gesloten met
gelijktijdige terugkoop op bepaalde of
onbepaalde termijn van gelijkwaardige
financiële
instrumenten,
ongeacht
de
overeengekomen
prijs-,
leverings-
of
looptijdvoorwaarden.
§ 1. Artikel 1328, de bepalingen van boek
III, titel XVII, van het Burgerlijk Wetboek
en de bepalingen van de artikelen 7 tot
en met 10 van deze wet zijn niet van
toepassing op de contante verkopen van
financiële
instrumenten,
die
tussen
dezelfde partijen worden gesloten met
gelijktijdige terugkoop op bepaalde of
onbepaalde termijn van gelijkwaardige
financiële
instrumenten,
ongeacht
de
overeengekomen
prijs-,
leverings-
of
looptijdvoorwaarden.
De marge-opvragingen worden geacht
onder de prijsvoorwaarden te vallen die
betrekking
hebben
op
de
cessie-
retrocessieverrichtingen in de zin van deze
bepaling.
De marge-opvragingen worden geacht
onder de prijsvoorwaarden te vallen die
betrekking
hebben
op
de
cessie-
retrocessieverrichtingen in de zin van deze
bepaling.
De leveringsvoorwaarden in de zin van
deze bepaling omvatten de vervanging,
tijdens de duur van de overeenkomst, van
de
financiële
instrumenten
die
oorspronkelijk ter uitvoering van de
contante verkoop zijn geleverd, door
nieuwe financiële instrumenten.
De leveringsvoorwaarden in de zin van
deze bepaling omvatten de vervanging,
tijdens de duur van de overeenkomst, van
de
financiële
instrumenten
die
oorspronkelijk ter uitvoering van de
contante verkoop zijn geleverd, door
nieuwe financiële instrumenten.
§
2.
Behoudens
andersluidende
overeenkomst, is de verkoper op termijn,
bij niet-betaling op de vervaldag van de
prijs van terugkoop op termijn, verplicht
om de financiële instrumenten te realiseren
tegen de voordeligste prijs en binnen de
kortst
mogelijke
termijn,
rekening
houdend
met
het
volume
van
de
transacties.
§
2.
Behoudens
andersluidende
overeenkomst, is de verkoper op termijn,
bij niet-betaling op de vervaldag van de
prijs van terugkoop op termijn, verplicht
om de financiële instrumenten te realiseren
tegen de voordeligste prijs en binnen de
kortst
mogelijke
termijn,
rekening
houdend
met
het
volume
van
de
transacties.
De opbrengst van de realisatie van die
financiële
instrumenten
wordt,
overeenkomstig artikel 1254 van het
Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de
schuldvordering in hoofdsom, interesten
en kosten, van de verkoper op termijn. Het
eventuele saldo van de opbrengst van deze
De opbrengst van de realisatie van die
financiële
instrumenten
wordt,
overeenkomstig artikel 1254 van het
Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de
schuldvordering in hoofdsom, interesten
en kosten, van de verkoper op termijn. Het
eventuele saldo van de opbrengst van deze
136
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
realisatie komt toe aan de koper op
termijn.
realisatie komt toe aan de koper op
termijn.
De uitoefening van de rechten die deze
paragraaf toekent aan de verkoper op
termijn, wordt noch geschorst door een
insolventieprocedure in hoofde van zijn
tegenpartij, noch door een beslag dat wordt
gelegd
op
één
van
zijn
vermogensbestanddelen, noch door enig
ander geval van samenloop dat plaatsvindt
tussen zijn schuldeisers.
De uitoefening van de rechten die deze
paragraaf toekent aan de verkoper op
termijn, wordt noch geschorst door een
insolventieprocedure in hoofde van zijn
tegenpartij, noch door een beslag dat wordt
gelegd
op
één
van
zijn
vermogensbestanddelen, noch door enig
ander geval van samenloop dat plaatsvindt
tussen zijn schuldeisers.
§
3.
Behoudens
andersluidende
overeenkomst, is de koper op termijn, bij
niet-levering op de vervaldag van de
financiële instrumenten teruggekocht op
termijn, verplicht om op de markt
gelijkwaardige financiële instrumenten te
verwerven tegen de voordeligste prijs en
binnen
de
kortst
mogelijke
termijn,
rekening houdend met het volume van de
transacties.
§
3.
Behoudens
andersluidende
overeenkomst, is de koper op termijn, bij
niet-levering op de vervaldag van de
financiële instrumenten teruggekocht op
termijn, verplicht om op de markt
gelijkwaardige financiële instrumenten te
verwerven tegen de voordeligste prijs en
binnen
de
kortst
mogelijke
termijn,
rekening houdend met het volume van de
transacties.
Indien de verwerving van dergelijke
financiële instrumenten, op de in het eerste
lid bedoelde voorwaarden, tegen een
lagere prijs geschiedt dan de voor de
terugkoop op termijn overeengekomen
prijs, komt het eventuele saldo toe aan de
verkoper op termijn, na aftrek van de
kosten en interesten die desgevallend aan
de koper op termijn verschuldigd zijn.
Indien de verwerving van dergelijke
financiële instrumenten, op de in het eerste
lid bedoelde voorwaarden, tegen een
lagere prijs geschiedt dan de voor de
terugkoop op termijn overeengekomen
prijs, komt het eventuele saldo toe aan de
verkoper op termijn, na aftrek van de
kosten en interesten die desgevallend aan
de koper op termijn verschuldigd zijn.
De uitoefening van de rechten die deze
paragraaf toekent aan de koper op termijn,
wordt
noch
geschorst
door
een
insolventieprocedure in hoofde van zijn
tegenpartij, noch door een beslag dat wordt
gelegd
op
één
van
zijn
vermogensbestanddelen, noch door enig
ander geval van samenloop dat plaatsvindt
tussen zijn schuldeisers.
De uitoefening van de rechten die deze
paragraaf toekent aan de koper op termijn,
wordt
noch
geschorst
door
een
insolventieprocedure in hoofde van zijn
tegenpartij, noch door een beslag dat wordt
gelegd
op
één
van
zijn
vermogensbestanddelen, noch door enig
ander geval van samenloop dat plaatsvindt
tussen zijn schuldeisers.
Art. 15
Art. 15
§
1.
De
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten
en
de
nettingovereenkomsten zijn geldig en aan
derden tegenstelbaar en zij kunnen dus
rechtsgevolg hebben, inclusief in het geval
§
1.
De
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten
en
de
nettingovereenkomsten zijn geldig en aan
derden tegenstelbaar en zij kunnen dus
rechtsgevolg hebben, inclusief in het geval
137
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
van een insolventieprocedure, het beslag
of enig ander geval van samenloop, als die
overeenkomsten zijn gesloten vóór het
tijdstip waarop de insolventieprocedure
wordt geopend of vóór het beslag of de
samenloop plaatsvindt, of, wanneer die
overeenkomsten na dat moment zijn
gesloten, als de tegenpartij kan aantonen
dat hij, op het ogenblik waarop de
betrokken overeenkomst werd gesloten, in
de gewettigde onwetendheid verkeerde
over de opening of het eerder plaatsvinden
van die procedure of die samenloop.
van een insolventieprocedure, het beslag
of enig ander geval van samenloop, als die
overeenkomsten zijn gesloten vóór het
tijdstip waarop de insolventieprocedure
wordt geopend of vóór het beslag of de
samenloop plaatsvindt, of, wanneer die
overeenkomsten na dat moment zijn
gesloten, als de tegenpartij kan aantonen
dat hij, op het ogenblik waarop de
betrokken overeenkomst werd gesloten, in
de gewettigde onwetendheid verkeerde
over de opening of het eerder plaatsvinden
van die procedure of die samenloop.
§ 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op
de betalingen, transacties en handelingen
die worden verricht ter uitvoering van de
in die paragraaf bedoelde overeenkomsten,
en op de in de artikelen 7, § 2, 12, § 1,
tweede lid, 13, § 1, tweede en derde lid, en
16
bedoelde
marge-opvragingen
of
vervangingen.
§ 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op
de betalingen, transacties en handelingen
die worden verricht ter uitvoering van de
in die paragraaf bedoelde overeenkomsten,
en op de in de artikelen 7, § 5, 12, § 1,
tweede lid, 13, § 1, tweede en derde lid,
en 16 bedoelde marge-opvragingen of
vervangingen.
Het
eerste
lid
vindt
toepassing
onverminderd artikel 17, 3°, van de
faillissementswet van 8 augustus 1997.
voor de gevallen waarin een zekerheid
voor het eerst wordt overeengekomen om
een
eerder
aangegane
schuld
te
waarborgen.
Het
eerste
lid
vindt
toepassing
onverminderd artikel 17, 3°, van de
faillissementswet van 8 augustus 1997.
voor de gevallen waarin een zekerheid
voor het eerst wordt overeengekomen om
een
eerder
aangegane
schuld
te
waarborgen.
§ 3. §§ 1 en 2 van dit artikel zij niet van
toepassing op de nettingovereenkomsten,
noch op de ontbindende bedingen en
voorwaarden
of
de
bedingen
en
voorwaarden
met
betrekking
tot
de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken, gesloten
tussen of met natuurlijke personen die
geen kooplieden zijn.
§ 3. §§ 1 en 2 van dit artikel zij niet van
toepassing op de nettingovereenkomsten,
noch op de ontbindende bedingen en
voorwaarden
of
de
bedingen
en
voorwaarden
met
betrekking
tot
de
vroegtijdige
beëindiging
die
zijn
vastgelegd om de schuldvernieuwing of -
vergelijking mogelijk te maken, gesloten
tussen of met natuurlijke personen die
geen kooplieden zijn.
Paragraaf 1 van dit artikel blijft evenwel
van
toepassing
op
de
nettingovereenkomsten
en
op
de
ontbindende bedingen en voorwaarden of
de
bedingen
en
voorwaarden
met
betrekking tot de vroegtijdige beëindiging
die
zijn
vastgelegd
om
de
schuldvernieuwing
of
-vergelijking
mogelijk te maken, die werden gesloten op
een ogenblik dat de natuurlijke persoon de
Paragraaf 1 van dit artikel blijft evenwel
van
toepassing
op
de
nettingovereenkomsten
en
op
de
ontbindende bedingen en voorwaarden of
de
bedingen
en
voorwaarden
met
betrekking tot de vroegtijdige beëindiging
die
zijn
vastgelegd
om
de
schuldvernieuwing
of
-vergelijking
mogelijk te maken, die werden gesloten op
een ogenblik dat de natuurlijke persoon de
138
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
hoedanigheid van koopman had, op
voorwaarde dat de schuldvernieuwing of
schuldvergelijking wordt ingeroepen voor
minstens één verbintenis die is ontstaan op
een ogenblik dat de natuurlijke persoon
koopman was.
hoedanigheid van koopman had, op
voorwaarde dat de schuldvernieuwing of
schuldvergelijking wordt ingeroepen voor
minstens één verbintenis die is ontstaan op
een ogenblik dat de natuurlijke persoon
koopman was.
Het eerste lid van deze paragraaf doet geen
afbreuk aan het recht van toerekening op
de gewaarborgde schuldvordering in het
kader van de realisatie van een zakelijke
zekerheidsovereenkomst.
Het eerste lid van deze paragraaf doet geen
afbreuk aan het recht van toerekening op
de gewaarborgde schuldvordering in het
kader van de realisatie van een zakelijke
zekerheidsovereenkomst.
Wet van 3 augustus 2012 betreffende
diverse maatregelen ter
vergemakkelijking van de mobilisering
van schuldvorderingen in de financiële
sector
Wet van 3 augustus 2012 betreffende
diverse maatregelen ter
vergemakkelijking van de mobilisering
van schuldvorderingen in de financiële
sector
Art. 2
Art. 2
Voor de toepassing van deze wet wordt
verstaan onder :
Voor de toepassing van deze wet wordt
verstaan onder :
1° " de wet betreffende financiële
zekerheden " : de wet van 15 december
2004 betreffende financiële zekerheden en
houdende
diverse
fiscale
bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
met betrekking tot financiële instrumenten;
1° " de wet betreffende financiële
zekerheden " : de wet van 15 december
2004 betreffende financiële zekerheden en
houdende
diverse
fiscale
bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
met betrekking tot financiële instrumenten;
2° " bankvordering " : een bankvordering
in de zin van artikel 3, 10°, van de wet
betreffende
financiële
zekerheden;
2° " bankvordering " : een bankvordering
in de zin van artikel 3, 10°, van de wet
betreffende financiële zekerheden;
3° " publiekrechtelijke of financiële
rechtspersoon " : een instelling in de zin
van artikel 3, 11°, van de wet betreffende
financiële zekerheden en een Belgische of
buitenlandse mobiliseringsinstelling;
3° " publiekrechtelijke of financiële
rechtspersoon " : een instelling in de zin
van artikel 3, 11°, van de wet betreffende
financiële zekerheden en een Belgische of
buitenlandse mobiliseringsinstelling;
4° een " financiële instelling " : een
instelling in de zin van artikel 3, 12°, van
de wet betreffende financiële zekerheden;
4° een " financiële instelling " : een
instelling in de zin van artikel 3, 12°, van
de wet betreffende financiële zekerheden;
5° een " mobiliseringsinstelling " :
5° een " mobiliseringsinstelling " :
139
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
a) een instelling die bij de FSMA is
ingeschreven als openbare instelling voor
collectieve
belegging
in
schuldvorderingen; of
a) een instelling die bij de FSMA is
ingeschreven als openbare instelling voor
collectieve
belegging
in
schuldvorderingen; of
b) een instelling die is ingeschreven op de
lijst van institutionele instellingen voor
collectieve belegging in schuldvorderingen
bij de Federale Overheidsdienst Financiën,
overeenkomstig artikel 108 van de wet van
20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen
van
collectief
beheer
van
beleggingsportefeuilles; of
b) een instelling die is ingeschreven op de
lijst van institutionele instellingen voor
collectieve belegging in schuldvorderingen
bij de Federale Overheidsdienst Financiën,
overeenkomstig artikel 108 van de wet
van 3 augustus 2012; of
c) de andere, Belgische of buitenlandse,
instellingen:
c) de andere, Belgische of buitenlandse,
instellingen :
(i) die autonoom de effectisering vervullen
en verwezenlijken en die welke deelnemen
aan
dergelijke
operaties
door
de
tenlasteneming van alle of van een deel
van
de
geëffectiseerde
risico's
(verwervende instellingen genoemd) of
door de uitgifte van roerende waarden ter
financiering
hiervan
(de
uitgifte-
instellingen genoemd); of
(i) die autonoom de effectisering
vervullen en verwezenlijken en die welke
deelnemen aan dergelijke operaties door
de tenlasteneming van alle of van een deel
van
de
geëffectiseerde
risico's
(verwervende instellingen genoemd) of
door de uitgifte van roerende waarden ter
financiering
hiervan
(de
uitgifte-
instellingen genoemd); of
(ii) die schuldvorderingen of andere
goederen
verwerven
door
roerende
waarden uit te geven waarvan de waarde
of
het
rendement
afhangt
van
die
schuldvorderingen of goederen of die op
basis
van
een
dekking
door
die
schuldvorderingen
of
goederen
een
waarborg uitgeven ten gunste van de
houders van roerende waarden;
(ii) die schuldvorderingen of andere
goederen
verwerven
door
roerende
waarden uit te geven waarvan de waarde
of
het
rendement
afhangt
van
die
schuldvorderingen of goederen of die op
basis
van
een
dekking
door
die
schuldvorderingen
of
goederen
een
waarborg uitgeven ten gunste van de
houders van roerende waarden;
6° " de wet van 22 maart 1993 " : de wet
van 22 maart 1993 op het statuut van en
het toezicht op de kredietinstellingen;
6° “de wet van 25 april 2014”: de wet
van 25 april 2014 op het statuut en het
toezicht op kredietinstellingen
6°/1 “de wet van 3 augustus 2012”: de
wet van 3 augustus 2012 betreffende de
instellingen voor collectieve belegging
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen;
6°/2 “de wet van 11 juli 2013”: de wet
van 11 juli 2013 tot wijziging van het
Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke
zekerheden
op
roerende
goederen
betreft; en
140
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
7° een " effectisering " : de operatie
waardoor
een
mobiliseringsinstelling,
rechtstreeks of door tussenkomst van een
andere instelling, de risico's verwerft of
draagt
die
gekoppeld
zijn
aan
schuldvorderingen, andere goederen of
verbintenissen die worden aangegaan door
derden of die inherent zijn aan alle of een
deel van de activiteiten verricht door
derden door de inzameling van financiële
middelen waarvan het rendement afhangt
van die onderliggende risico's.
7° een " effectisering " : de operatie
waardoor
een
mobiliseringsinstelling,
rechtstreeks of door tussenkomst van een
andere instelling, de risico's verwerft of
draagt
die
gekoppeld
zijn
aan
schuldvorderingen, andere goederen of
verbintenissen die worden aangegaan door
derden of die inherent zijn aan alle of een
deel van de activiteiten verricht door
derden door de inzameling van financiële
middelen waarvan het rendement afhangt
van die onderliggende risico's.
Art. 4
Art. 4
Indien een kredietopening niet wordt
gewaarborgd door een hypotheek, een
voorrecht op een onroerend goed, een
hypothecair
mandaat
of
een
hypotheekbelofte in de zin van artikel 50
van de wet van 4 augustus 1992 op het
hypothecair krediet, zijn de volgende
bepalingen van toepassing :
Indien een kredietopening niet wordt
gewaarborgd door een hypotheek, een
voorrecht op een onroerend goed, een
hypothecair
mandaat
of
een
hypotheekbelofte in de zin van artikel
81ter van de Hypotheekwet van 16
december
1851,
zijn
de
volgende
bepalingen van toepassing :
1° een bankvordering die het gevolg is van
een voorschot dat is toegestaan in het
kader van een kredietopening, kan worden
overgedragen;
1° een bankvordering die het gevolg is van
een voorschot dat is toegestaan in het
kader van een kredietopening, kan worden
overgedragen;
2° in geval van een overdracht zoals
vermeld in punt 1° geniet de overnemer
eveneens, ten belope van de overgedragen
bankvordering,
de
voorrechten
en
zekerheden
die
de
kredietopening
waarborgen, onverminderd het bedrag dat
verschuldigd zal blijven krachtens de
kredietopening;
2° in geval van een overdracht zoals
vermeld in punt 1° geniet de overnemer
eveneens, ten belope van de overgedragen
bankvordering,
de
voorrechten
en
zekerheden
die
de
kredietopening
waarborgen, onverminderd het bedrag dat
verschuldigd zal blijven krachtens de
kredietopening;
3°
behoudens
andersluidende
overeenkomst tussen de overdrager en de
overnemer,
wordt
de
overgedragen
bankvordering waarvan sprake is in punt
1° bij voorrang betaald ten opzichte van de
bankvorderingen
uit
hoofde
van
voorschotten die na deze overdracht
worden toegestaan in het kader van de
kredietopening; de bankvorderingen uit
hoofde van voorschotten die zijn ontstaan
vóór of op de datum van de overdracht,
3°
behoudens
andersluidende
overeenkomst tussen de overdrager en de
overnemer,
wordt
de
overgedragen
bankvordering waarvan sprake is in punt
1° bij voorrang betaald ten opzichte van de
bankvorderingen
uit
hoofde
van
voorschotten die na deze overdracht
worden toegestaan in het kader van de
kredietopening; de bankvorderingen uit
hoofde van voorschotten die zijn ontstaan
vóór of op de datum van de overdracht,
141
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
worden betaald in dezelfde rang als de
overgedragen bankvorderingen, tenzij de
overdrager en de overnemer contractueel
een rangregeling of een achterstelling zijn
overeengekomen;
worden betaald in dezelfde rang als de
overgedragen bankvorderingen, tenzij de
overdrager en de overnemer contractueel
een rangregeling of een achterstelling zijn
overeengekomen;
4°
het
recht
op
gebruik
van
de
kredietopening wordt geschorst ten belope
van het bedrag van het overgedragen
voorschot dat verschuldigd blijft door de
kredietnemer;
4°
het
recht
op
gebruik
van
de
kredietopening wordt geschorst ten belope
van het bedrag van het overgedragen
voorschot dat verschuldigd blijft door de
kredietnemer;
5° de overdrager kan op elk ogenblik eisen
dat de overnemer hem informeert over het
verschuldigde bedrag waarvan sprake is in
punt 4.
5° de overdrager kan op elk ogenblik eisen
dat de overnemer hem informeert over het
verschuldigde bedrag waarvan sprake is in
punt 4.
Art. 5
Art. 5
Wanneer een zelfde voorrecht, pand, pand
op
een
handelszaak
of
persoonlijke
zekerheid
dient
als
waarborg
voor
verscheidene
bankvorderingen,
kan,
behoudens andersluidende overeenkomst,
elke
gewaarborgde
schuldvordering
overgedragen worden en geniet elke
overnemer
het
voordeel
van
de
voorrechten en zekerheden ten belope van
de
overgedragen
schuldvordering.
Onverminderd artikelen 51 tot 53 van de
wet van 4 augustus 1992 op het
hypothecair
krediet,
kunnen
de
rangregelingen
en
achterstellingen
vastgesteld om de volgorde van de
betalingen van die bankvorderingen te
regelen, met inbegrip van dergelijke
regelingen of achterstellingen ten gunste
van een bijzonder vermogen van een
kredietinstelling die Belgische covered
bonds heeft uitgegeven, van rechtswege
worden tegengesteld aan alle andere
derden dan de schuldenaars van de
achtergestelde bankvorderingen of de
schuldenaars
van
de
persoonlijke
zekerheden, en zullen ze kunnen worden
tegengesteld
aan
de
betrokken
schuldenaars, zodra die daarvan op de
hoogte zijn gebracht. Een dergelijke
rangregeling of achterstelling mag geen
Wanneer een zelfde voorrecht, pand, pand
op
een
handelszaak
of
persoonlijke
zekerheid
dient
als
waarborg
voor
verscheidene
bankvorderingen,
kan,
behoudens andersluidende overeenkomst,
elke
gewaarborgde
schuldvordering
overgedragen worden en geniet elke
overnemer
het
voordeel
van
de
voorrechten en zekerheden ten belope van
de
overgedragen
schuldvordering.
Onverminderd
artikelen
81ter
tot
81undecies van de Hypotheekwet van 16
december 1851, kunnen de rangregelingen
en achterstellingen
vastgesteld om de
volgorde van de betalingen van die
bankvorderingen te regelen, met inbegrip
van
dergelijke
regelingen
of
achterstellingen
ten
gunste
van
een
bijzonder
vermogen
van
een
kredietinstelling die Belgische covered
bonds heeft uitgegeven, van rechtswege
worden tegengesteld aan alle andere
derden dan de schuldenaars van de
achtergestelde bankvorderingen of de
schuldenaars
van
de
persoonlijke
zekerheden, en zullen ze kunnen worden
tegengesteld
aan
de
betrokken
schuldenaars, zodra die daarvan op de
hoogte zijn gebracht. Een dergelijke
rangregeling of achterstelling mag geen
142
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
afbreuk doen aan de rechten die derden
hadden verworven vóór de datum van de
overdracht of, in voorkomend geval, vóór
de
datum
van
de
rangregeling
of
achterstelling, tenzij met het uitdrukkelijk
akkoord van die derden.
afbreuk doen aan de rechten die derden
hadden verworven vóór de datum van de
overdracht of, in voorkomend geval, vóór
de
datum
van
de
rangregeling
of
achterstelling, tenzij met het uitdrukkelijk
akkoord van die derden.
Art. 6
Art. 6
§ 1. Wanneer de overdracht of de
inpandgeving van een schuldvordering op
een kredietinstelling of een financiële
instelling gekoppeld aan de in artikel 3, §
2, van de wet van 22 maart 1993 vermelde
diensten ter kennis van deze instelling is
gebracht of door haar is erkend, kan die
instelling zich ten aanzien van de
overnemer
of
de
pandhoudende
schuldeiser,
niettegenstaande
enigerlei
band van samenhang, niet meer beroepen
op :
§ 1. Wanneer de overdracht of de
inpandgeving van een schuldvordering op
een kredietinstelling of een financiële
instelling gekoppeld aan de in artikel 4,
van de wet van 25 april 2014 vermelde
diensten ter kennis van deze instelling is
gebracht of door haar is erkend, kan die
instelling zich ten aanzien van de
overnemer
of
de
pandhoudende
schuldeiser,
niettegenstaande
enigerlei
band van samenhang, niet meer beroepen
op :
1°
de
wettelijke
of
conventionele
schuldvergelijking van de overgedragen of
in pand gegeven schuldvordering, indien
de voorwaarden van de schuldvergelijking
pas na de kennisgeving of de erkenning
zijn vervuld;
1°
de
wettelijke
of
conventionele
schuldvergelijking van de overgedragen of
in pand gegeven schuldvordering, indien
de voorwaarden van de schuldvergelijking
pas na de kennisgeving of de erkenning
zijn vervuld;
2°
de
exceptie
van
niet-uitvoering
waardoor de betaling van de overgedragen
of in pand gegeven schuldvordering zou
zijn geschorst of verminderd, indien de
voorwaarden van de exceptie van niet-
uitvoering pas na de kennisgeving of de
erkenning zijn vervuld.
2°
de
exceptie
van
niet-uitvoering
waardoor de betaling van de overgedragen
of in pand gegeven schuldvordering zou
zijn geschorst of verminderd, indien de
voorwaarden van de exceptie van niet-
uitvoering pas na de kennisgeving of de
erkenning zijn vervuld.
§ 2. Wanneer de overdracht of de
inpandgeving van een bankvordering door
of aan een kredietinstelling, een financiële
instelling of een mobiliseringsinstelling ter
kennis van de schuldenaar is gebracht of
door hem is erkend, kan deze laatste zich,
niettegenstaande
enigerlei
band
van
samenhang, niet meer beroepen op de
wettelijke
of
conventionele
schuldvergelijking van de overgedragen of
in pand gegeven schuldvordering ten
opzichte
van
de
overnemer
of
de
pandhoudende
schuldeiser,
indien
de
§ 2. Wanneer de overdracht of de
inpandgeving van een bankvordering door
of aan een kredietinstelling, een financiële
instelling of een mobiliseringsinstelling ter
kennis van de schuldenaar is gebracht of
door hem is erkend, kan deze laatste zich,
niettegenstaande
enigerlei
band
van
samenhang, niet meer beroepen op de
wettelijke
of
conventionele
schuldvergelijking van de overgedragen of
in pand gegeven schuldvordering ten
opzichte
van
de
overnemer
of
de
pandhoudende
schuldeiser,
indien
de
143
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
voorwaarden van de schuldvergelijking
pas na de kennisgeving of de erkenning
zijn vervuld.
voorwaarden van de schuldvergelijking
pas na de kennisgeving of de erkenning
zijn vervuld.
Na de overdracht of de inpandgeving van
een bankvordering door of aan een
kredietinstelling, een financiële instelling
of een mobiliseringsinstelling, kan de
schuldenaar, ongeacht of hij vooraf al dan
niet in kennis is gesteld van de overdracht
of de inpandgeving of deze al dan niet
heeft erkend, zich niet meer beroepen op
de
wettelijke
of
conventionele
schuldvergelijking,
niettegenstaande
enigerlei band van samenhang, ten aanzien
van de overnemer of van de pandhoudende
schuldeiser, indien de voorwaarden van de
schuldvergelijking pas naar aanleiding van
of
ten
gevolge
van
de
insolvabiliteitsprocedure
of
van
een
samenloop
met
betrekking
tot
de
overdrager of de pandgever zijn vervuld.
Na de overdracht of de inpandgeving van
een bankvordering door of aan een
kredietinstelling, een financiële instelling
of een mobiliseringsinstelling, kan de
schuldenaar, ongeacht of hij vooraf al dan
niet in kennis is gesteld van de overdracht
of de inpandgeving of deze al dan niet
heeft erkend, zich niet meer beroepen op
de
wettelijke
of
conventionele
schuldvergelijking,
niettegenstaande
enigerlei band van samenhang, ten aanzien
van de overnemer of van de pandhoudende
schuldeiser, indien de voorwaarden van de
schuldvergelijking pas naar aanleiding van
of
ten
gevolge
van
de
insolvabiliteitsprocedure
of
van
een
samenloop
met
betrekking
tot
de
overdrager of de pandgever zijn vervuld.
§ 3. Wanneer de overdracht of de
inpandgeving van een bankvordering door
of aan een kredietinstelling, een financiële
instelling of een mobiliseringsinstelling ter
kennis werd gebracht van de schuldenaar
of werd erkend door hem, kan deze laatste
zich ten aanzien van de overdrager of de
pandhoudende
schuldeiser,
niettegenstaande
enigerlei
band
van
samenhang, niet meer beroepen op de
exceptie van niet-uitvoering waardoor de
betaling van de overgedragen of in pand
gegeven
schuldvordering
zou
zijn
geschorst
of
verminderd,
indien
de
voorwaarden van de exceptie van niet-
uitvoering pas na de kennisgeving of de
erkenning zijn vervuld.
§ 3. Wanneer de overdracht of de
inpandgeving van een bankvordering door
of aan een kredietinstelling, een financiële
instelling of een mobiliseringsinstelling ter
kennis werd gebracht van de schuldenaar
of werd erkend door hem, kan deze laatste
zich ten aanzien van de overdrager of de
pandhoudende
schuldeiser,
niettegenstaande
enigerlei
band
van
samenhang, niet meer beroepen op de
exceptie van niet-uitvoering waardoor de
betaling van de overgedragen of in pand
gegeven
schuldvordering
zou
zijn
geschorst
of
verminderd,
indien
de
voorwaarden van de exceptie van niet-
uitvoering pas na de kennisgeving of de
erkenning zijn vervuld.
Na de overdracht of de inpandgeving van
een bankvordering door of aan een
kredietinstelling, een financiële instelling
of een mobiliseringsinstelling, kan de
schuldenaar, ongeacht of hij vooraf al dan
niet in kennis is gesteld van de overdracht
of de inpandgeving of deze al dan niet
heeft erkend, zich niet meer beroepen op
de
exceptie
van
niet-uitvoering,
niettegenstaande
enigerlei
band
van
samenhang, ten aanzien van de overdrager
Na de overdracht of de inpandgeving van
een bankvordering door of aan een
kredietinstelling, een financiële instelling
of een mobiliseringsinstelling, kan de
schuldenaar, ongeacht of hij vooraf al dan
niet in kennis is gesteld van de overdracht
of de inpandgeving of deze al dan niet
heeft erkend, zich niet meer beroepen op
de
exceptie
van
niet-uitvoering,
niettegenstaande
enigerlei
band
van
samenhang, ten aanzien van de overdrager
144
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
of de pandhoudende schuldeiser, indien de
voorwaarden van de exceptie van niet-
uitvoering pas naar aanleiding van of ten
gevolge van de insolvabiliteitsprocedure of
van een samenloop met betrekking tot de
overdrager of de pandgever zijn vervuld.
of de pandhoudende schuldeiser, indien de
voorwaarden van de exceptie van niet-
uitvoering pas naar aanleiding van of ten
gevolge van de insolvabiliteitsprocedure of
van een samenloop met betrekking tot de
overdrager of de pandgever zijn vervuld.
§ 4. Niet van toepassing zijn :
§ 4. Niet van toepassing zijn :
1° § 1, in het geval dat de overdrager of de
pandgever
een
publiekrechtelijke
of
financiële
rechtspersoon
is
en
de
kredietinstelling of de financiële instelling
zich
kan
beroepen
op
een
nettingovereenkomst in de zin van de wet
betreffende financiële zekerheden die deel
uitmaakt
van
een
zakelijke-
zekerheidsovereenkomst in de zin van de
wet betreffende financiële zekerheden of
van een overeenkomst die een zakelijke
zekerheid bevat;
1° § 1, in het geval dat de overdrager of de
pandgever
een
publiekrechtelijke
of
financiële
rechtspersoon
is
en
de
kredietinstelling of de financiële instelling
zich
kan
beroepen
op
een
nettingovereenkomst in de zin van de wet
betreffende financiële zekerheden die deel
uitmaakt
van
een
zakelijke-
zekerheidsovereenkomst in de zin van de
wet betreffende financiële zekerheden of
van een overeenkomst die een zakelijke
zekerheid bevat;
2° §§ 2 en 3 in het geval dat de
schuldenaar van de overgedragen of in
pand gegeven schuldvordering zich kan
beroepen op artikel 27 van de wet van 12
juni 1991 op het consumentenkrediet;
2° §§ 2 en 3 in het geval dat de
schuldenaar van de overgedragen of in
pand gegeven schuldvordering zich kan
beroepen op artikel VII. 104 van het
Wetboek van economisch recht
3°
§
2
wat
de
conventionele
schuldvergelijking betreft, in het geval dat
de schuldenaar een publiekrechtelijke of
financiële rechtspersoon is die zich kan
beroepen op een nettingovereenkomst in
de zin van de wet betreffende financiële
zekerheden die deel uitmaakt van een
zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van
een overeenkomst die een zakelijke
zekerheid bevat.
3°
§
2
wat
de
conventionele
schuldvergelijking betreft, in het geval dat
de schuldenaar een publiekrechtelijke of
financiële rechtspersoon is die zich kan
beroepen op een nettingovereenkomst in
de zin van de wet betreffende financiële
zekerheden die deel uitmaakt van een
zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van
een overeenkomst die een zakelijke
zekerheid bevat.
§ 5. De bepalingen van §§ 1 tot 5 vormen
geen beletsel voor de schuldvergelijking
waarop men zich zou beroepen of die zou
worden verricht met het oog op de
tegeldemaking van een verpanding of van
een andere zakelijke zekerheid die de te
compenseren
schuldvordering
zou
bezwaren.
§ 5. De bepalingen van §§ 1 tot 5 vormen
geen beletsel voor de schuldvergelijking
waarop men zich zou beroepen of die zou
worden verricht met het oog op de
tegeldemaking van een verpanding of van
een andere zakelijke zekerheid die de te
compenseren
schuldvordering
zou
bezwaren.
145
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 7
Art. 7
§ 1. Onverminderd artikel 22, derde lid,
van de wet van 20 juli 2004 betreffende
bepaalde vormen van collectief beheer van
beleggingsportefeuilles,
wanneer
een
bankvordering wordt overgedragen aan of
door een kredietinstelling, een financiële
instelling of een mobiliseringsinstelling,
zijn artikelen 1328 van het Burgerlijk
Wetboek, 26 van de wet van 12 juni 1991
op
het
consumentenkrediet,
8
van
Hoofdstuk II, Titel I van Boek II van het
Wetboek van Koophandel en artikelen 18
en 20 van de wet van 15 april 1884
betreffende de landbouwleningen, niet van
toepassing op deze overdracht. Dezelfde
bepalingen zijn niet van toepassing op een
inpandgeving van een schuldvordering ten
gunste van of door een dergelijke
instelling.
§ 1. Onverminderd artikel 271/8, eerste
lid, van de wet van 3 augustus 2012,
wanneer
een
bankvordering
wordt
overgedragen
aan
of
door
een
kredietinstelling,
een
financiële
instelling of een mobiliseringsinstelling,
zijn artikelen 1328 van het Burgerlijk
Wetboek, VII. 103 van het Wetboek van
economisch recht, artikel 8 van boek II,
titel I, hoofdstuk II van het Wetboek
van koophandel I en artikel 23, tweede
lid van boek III, titel XVII, afdeling 1,
van het Burgerlijk Wetboek niet van
toepassing op deze overdracht. Dezelfde
bepalingen zijn niet van toepassing op
een
inpandgeving
van
een
schuldvordering ten gunste van of door
een dergelijke instelling.
§ 2. Onverminderd artikel 22, vierde lid,
van de wet van 20 juli 2004 betreffende
bepaalde vormen van collectief beheer van
beleggingsportefeuilles,
wanneer
een
bankvordering wordt overgedragen aan of
door een kredietinstelling, een financiële
instelling of een mobiliseringsinstelling,
verwerft de overnemer, door de loutere
naleving van de voorschriften van Boek
III, Titel VI, Hoofdstuk VIII van het
Burgerlijk Wetboek, alle rechten die het
gevolg
zijn
van
de
verzekeringsovereenkomsten waarover de
overdrager beschikt als waarborg voor of
in
verband
met
de
overgedragen
schuldvorderingen. Een inpandgeving van
dezelfde rechten ten gunste van of door
een dergelijke instelling of bijzonder
vermogen geschiedt door de loutere
naleving van de bepalingen in Boek III,
Titel XVII van het Burgerlijk Wetboek of
van Titel VI, Boek I van het Wetboek van
Koophandel.
§ 2. Onverminderd artikel 271/8, tweede
lid, van de wet van 3 augustus 2012,
wanneer
een
bankvordering
wordt
overgedragen
aan
of
door
een
kredietinstelling,
een
financiële
instelling of een mobiliseringsinstelling,
verwerft de overnemer, door de loutere
naleving van de voorschriften van boek
III, titel VI, hoofdstuk VIII van het
Burgerlijk Wetboek, alle rechten die het
gevolg
zijn
van
de
verzekeringsovereenkomsten waarover
de overdrager beschikt als waarborg
voor of in verband met de overgedragen
schuldvorderingen. Een inpandgeving
van dezelfde rechten ten gunste van of
door
een
dergelijke
instelling
of
bijzonder vermogen geschiedt door de
loutere naleving van de bepalingen in
artikel 7 van de
wet betreffende
financiële zekerheden.
§ 3. Een lastgeving tot vestiging van een
pand
op
een
handelszaak
wordt,
behoudens uitdrukkelijke andersluidende
bepaling in de lastgeving, van rechtswege
§ 3. Een lastgeving tot vestiging van een
pand
op
een
handelszaak
wordt,
behoudens uitdrukkelijke andersluidende
bepaling in de lastgeving, van rechtswege
146
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
geacht bedongen te zijn ten gunste van de
erfopvolgers
ten
bijzondere
of
ten
algemene titel van de houder van de
gewaarborgde
bankvordering,
met
inbegrip van de overnemers van de
bankvordering. Op voorwaarde dat de
oorspronkelijke schuldeiser op het moment
van de eerste overdracht voldeed aan de
wettelijke voorwaarden om titularis te
worden van een pand op de handelszaak,
zijn
de
latere
overnemers
van
de
bankvordering en van rechten in verband
met het mandaat, niet onderworpen aan die
wettelijke voorwaarden.
geacht bedongen te zijn ten gunste van de
erfopvolgers
ten
bijzondere
of
ten
algemene titel van de houder van de
gewaarborgde
bankvordering,
met
inbegrip van
de overnemers van de
bankvordering.
Wanneer
een
bankvordering
wordt
overgedragen
aan
of
door
een
kredietinstelling, een financiële instelling
of een mobiliseringsinstelling, verwerft de
overnemer,
behoudens
andersluidende
overeenkomst tussen de overdrager en de
overnemer, de rechten die de overdrager
geniet ten titel van de lastgeving ten
belope
van
de
overgedragen
schuldvordering.
De
overnemer
kan,
behoudens andersluidende overeenkomst
tussen de overdrager en de overnemer,
deze rechten uitoefenen ten aanzien van de
lastgever en ten aanzien van de in de
lastgeving aangewezen lasthebbers. Op
basis van de lastgeving kan het pand op
een handelszaak worden gevestigd ten
gunste van de overnemer voordat de
lastgever(s) en de schuldenaar van de
overgedragen
verbintenissen
kennis
krijgen van de overdracht.
Wanneer
een
bankvordering
wordt
overgedragen
aan
of
door
een
kredietinstelling, een financiële instelling
of een mobiliseringsinstelling, verwerft de
overnemer,
behoudens
andersluidende
overeenkomst tussen de overdrager en de
overnemer, de rechten die de overdrager
geniet ten titel van de lastgeving ten
belope
van
de
overgedragen
schuldvordering.
De
overnemer
kan,
behoudens andersluidende overeenkomst
tussen de overdrager en de overnemer,
deze rechten uitoefenen ten aanzien van de
lastgever en ten aanzien van de in de
lastgeving aangewezen lasthebbers. Op
basis van de lastgeving kan het pand op
een handelszaak worden gevestigd ten
gunste van de overnemer voordat de
lastgever(s) en de schuldenaar van de
overgedragen
verbintenissen
kennis
krijgen van de overdracht.
Wanneer één of meer door een mandaat
gewaarborgde schuldvorderingen, voor de
vestiging van dit pand op de handelszaak,
worden overgedragen aan of door een
kredietinstelling, een financiële instelling
of een mobiliseringsinstelling, waarborgt
het in uitvoering van het mandaat
gevestigde
pand,
behoudens
andersluidende overeenkomst tussen de
overdrager en de overnemer, niet alleen de
in de hypotheekakte beschreven bestaande
en toekomstige schuldvorderingen van de
overdrager, maar ook van rechtswege de
schuldvorderingen
die
eerder
werden
Wanneer één of meer door een mandaat
gewaarborgde schuldvorderingen, voor de
vestiging van dit pand op de handelszaak,
worden overgedragen aan of door een
kredietinstelling, een financiële instelling
of een mobiliseringsinstelling, waarborgt
het in uitvoering van het mandaat
gevestigde
pand,
behoudens
andersluidende overeenkomst tussen de
overdrager en de overnemer, niet alleen de
in de hypotheekakte beschreven bestaande
en toekomstige schuldvorderingen van de
overdrager, maar ook van rechtswege de
schuldvorderingen
die
eerder
werden
147
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
overgedragen door de overdrager aan de
overnemer. Het pand kan naar keuze
worden ingeschreven alleen op naam van
de overdrager, op naam van de overdrager
en de overnemer, of alleen op naam van de
overnemer.
Ongeacht
de
keuze
van
inschrijvingswijze geniet de overnemer
krachtens het pand rechten ten belope van
de schuldvordering(en) die aan hem werd
(of werden) overgedragen en kan hij deze
rechten uitoefenen ten aanzien van degene
die het pand verleent en ten aanzien van
derden.
overgedragen door de overdrager aan de
overnemer. Het pand kan naar keuze
worden ingeschreven alleen op naam van
de overdrager, op naam van de overdrager
en de overnemer, of alleen op naam van de
overnemer.
Ongeacht
de
keuze
van
inschrijvingswijze geniet de overnemer
krachtens het pand rechten ten belope van
de schuldvordering(en) die aan hem werd
(of werden) overgedragen en kan hij deze
rechten uitoefenen ten aanzien van degene
die het pand verleent en ten aanzien van
derden.
§ 4. De bepalingen van artikel 5 en
artikel 3 §3 zijn van overeenkomstige
toepassing
met
betrekking
tot
pandrechten die geregistreerd zijn of
waarvan
registratie
wordt
beoogd
overeenkomstig Boek III, titel XVII,
afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek
en
de
termen
inschrijving
of
ingeschreven verwijzen naar de in die
afdeling voorziene registratie.
§ 5. Wanneer één of meer gewaarborgde
schuldvorderingen voor de registratie
zijn overgedragen aan of door een
kredietinstelling,
een
financiële
instelling of een mobiliseringsinstelling,
kan
een
pand
of
voorrecht
dat
geregistreerd
wordt
overeenkomstig
artikel 107 eerste of derde lid van de wet
van 11 juli 2013 tot wijziging van het
Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke
zekerheden
op
roerende
goederen
betreft en tot de opheffing van diverse
bepalingen, naar keuze geregistreerd
worden
alleen
op
naam
van
de
overdrager, op naam van de overdrager
en de overnemer, of alleen op naam van
de overnemer. Ongeacht de keuze van
de registratiewijze geniet de overnemer
krachtens het pand rechten ten belope
van de schuldvordering(en) die aan hem
zijn overgedragen en kan hij deze
rechten uitoefenen ten aanzien van
degene die het pand verleent en ten
aanzien van derden.
148
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 8
Art. 8
§ 1. De overdracht van bankvorderingen,
financiële instrumenten en hun toebehoren
of andere daarop betrekking hebbende
rechten door of aan een kredietinstelling
die Belgische covered bonds uitgeeft, die
krachtens
een
overeenkomst
van
overdracht
wordt
bepaald
als
een
overdracht tegen een prijs :
§ 1. De overdracht van bankvorderingen,
financiële instrumenten en hun toebehoren
of andere daarop betrekking hebbende
rechten door of aan een kredietinstelling
die Belgische covered bonds uitgeeft, die
krachtens
een
overeenkomst
van
overdracht
wordt
bepaald
als
een
overdracht tegen een prijs :
1° wordt beschouwd als een verkoop van
die activa indien de overdracht geschiedt
in het kader van of met het oog op de
uitgifte van Belgische covered bonds of
van een programma voor uitgifte van
Belgische covered bonds;
1° wordt beschouwd als een verkoop van
die activa indien de overdracht geschiedt
in het kader van of met het oog op de
uitgifte van Belgische covered bonds of
van een programma voor uitgifte van
Belgische covered bonds;
2° is geldig en tegenstelbaar aan derden en
kan dus uitwerking krijgen, zelfs in geval
van een insolvabiliteitsprocedure of van
beslag of in geval van samenloop, indien
de overdracht de opening van een
insolvabiliteitsprocedure, een beslag of een
samenloop voorafgaat of, indien de
overdracht na dit moment is geschied,
indien de tegenpartij zich op het moment
waarop de overeenkomst werd gesloten
kan
beroepen
op
een
gewettigde
onwetendheid over het feit dat een
dergelijke procedure of situatie eerder
heeft plaatsgevonden.
2° is geldig en tegenstelbaar aan derden en
kan dus uitwerking krijgen, zelfs in geval
van een insolvabiliteitsprocedure of van
beslag of in geval van samenloop, indien
de overdracht de opening van een
insolvabiliteitsprocedure, een beslag of een
samenloop voorafgaat of, indien de
overdracht na dit moment is geschied,
indien de tegenpartij zich op het moment
waarop de overeenkomst werd gesloten
kan
beroepen
op
een
gewettigde
onwetendheid over het feit dat een
dergelijke procedure of situatie eerder
heeft plaatsgevonden.
§ 2. Een registratie van een bestanddeel
van de activa zoals vermeld in artikel
64/20, § 2, van de wet van 22 maart 1993
door een kredietinstelling die Belgische
covered bonds uitgeeft, is geldig en
tegenstelbaar aan derden en kan dus
uitwerking krijgen indien de registratie :
§ 2. Een registratie van een bestanddeel
van de activa zoals vermeld in artikel 15,
§2 van bijlage III bij de wet van 25 april
2014door
een
kredietinstelling
die
Belgische covered bonds uitgeeft, is geldig
en tegenstelbaar aan derden en kan dus
uitwerking krijgen indien de registratie :
a)
de
opening
van
een
insolvabiliteitsprocedure, een beslag of een
samenloop voorafgaat; of
a)
de
opening
van
een
insolvabiliteitsprocedure, een beslag of een
samenloop voorafgaat; of
b) werd verricht op de dag van de opening
van
de
insolvabiliteitsprocedure
voor
zover de instelling zich kan beroepen op
een gewettigde onwetendheid over de
opening van de insolvabiliteitsprocedure.
b) werd verricht op de dag van de opening
van
de
insolvabiliteitsprocedure
voor
zover de instelling zich kan beroepen op
een gewettigde onwetendheid over de
opening van de insolvabiliteitsprocedure.
§ 3. Artikelen 8, achtste lid, 17 en 18 van
§ 3. Artikelen 8, achtste lid, 17 en 18 van
149
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
de faillissementswet van 8 augustus 1997
zijn
niet
van
toepassing
op
de
overdrachten waarvan sprake is in § 1
noch op de registraties vermeld in § 2.
de faillissementswet van 8 augustus 1997
zijn
niet
van
toepassing
op
de
overdrachten waarvan sprake is in § 1
noch op de registraties vermeld in § 2.
§ 4. Aan de tegenstelbaarheid van een
overdracht of van een registratie van activa
zoals bedoeld in §§ 1 en 2 kan slechts
afbreuk worden gedaan door toepassing
van artikel 1167 van het Burgerlijk
Wetboek of van artikel 20 van de
faillissementswet van 8 augustus 1997.
§ 4. Aan de tegenstelbaarheid van een
overdracht of van een registratie van activa
zoals bedoeld in §§ 1 en 2 kan slechts
afbreuk worden gedaan door toepassing
van artikel 1167 van het Burgerlijk
Wetboek of van artikel 20 van de
faillissementswet van 8 augustus 1997.
Art. 9
Art. 9
§ 1. De registratie van een bankvordering
overeenkomstig artikel 64/20, § 2, van de
wet van 22 maart 1993 of de verwijdering
van een schuldvordering uit dit register
voor een wederbelegging in het algemene
vermogen van de kredietinstelling die de
Belgische
covered
bonds
uitgeeft
waarvoor het register wordt gehouden,
wordt
voor
de
toepassing
van
de
bepalingen vervat in artikelen 2 tot 7 op
dezelfde
manier
behandeld
als
een
overdracht van deze schuldvorderingen.
Het bijzondere vermogen heeft dan de
hoedanigheid van overnemer in geval van
registratie
en
de
hoedanigheid
van
overdrager in geval van verwijdering uit
het register.
§ 1. De registratie van een bankvordering
overeenkomstig artikel 15, §2 van
bijlage III bij de wet van 25 april 2014
of
de
verwijdering
van
een
schuldvordering uit dit register voor een
wederbelegging in het algemene vermogen
van de kredietinstelling die de Belgische
covered bonds uitgeeft waarvoor het
register wordt gehouden, wordt voor de
toepassing van de bepalingen vervat in
artikelen 2 tot 7 op dezelfde manier
behandeld als een overdracht van deze
schuldvorderingen.
Het
bijzondere
vermogen heeft dan de hoedanigheid van
overnemer in geval van registratie en de
hoedanigheid van overdrager in geval van
verwijdering uit het register.
§ 2. Indien de verwijdering uit het register
plaatsvindt
na
een
overdracht
van
bankvorderingen
aan
een
andere
overnemer dan de kredietinstelling die de
Belgische
covered
bonds
uitgeeft
waarvoor het register wordt gehouden, zijn
de bepalingen van de artikelen 2 tot 7 van
toepassing op de overdracht aan de
overnemer en maakt de verwijdering een
loutere uitvoeringsdaad uit met betrekking
tot deze overdracht.
§ 2. Indien de verwijdering uit het register
plaatsvindt
na
een
overdracht
van
bankvorderingen
aan
een
andere
overnemer dan de kredietinstelling die de
Belgische
covered
bonds
uitgeeft
waarvoor het register wordt gehouden, zijn
de bepalingen van de artikelen 2 tot 7 van
toepassing op de overdracht aan de
overnemer en maakt de verwijdering een
loutere uitvoeringsdaad uit met betrekking
tot deze overdracht.
§ 3. De registratie of de verwijdering van
een actief uit het register maakt op zichzelf
het bewijs uit van de registratie of van de
verwijdering van het betrokken actief uit
het bijzondere vermogen waarop
dit
§ 3. De registratie of de verwijdering van
een actief uit het register maakt op zichzelf
het bewijs uit van de registratie of van de
verwijdering van het betrokken actief uit
het bijzondere vermogen waarop dit
150
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
register betrekking heeft, alsook van de
datum van deze registratie of van deze
verwijdering, indien het register wordt
gehouden overeenkomstig de bepalingen
van artikel 64/20, § 2, van de wet van 22
maart
1993
en
de
betrokken
uitvoeringsbesluiten, genomen op grond
van artikel 64/20, § 3, van de wet van 22
maart 1993.
register betrekking heeft, alsook van de
datum van deze registratie of van deze
verwijdering, indien het register wordt
gehouden overeenkomstig de bepalingen
van artikel 15, §2 van bijlage III bij de
wet van 25 april 2014 en de betrokken
uitvoeringsbesluiten, genomen op grond
van artikel 15, §2 van bijlage III bij de
wet van 25 april 2014.
Wetboek der registratie-, hypotheek- en
griffierechten
Wetboek der registratie-, hypotheek- en
griffierechten
Art. 29
Art. 29
Behoudens het bij artikel 173, 1°,
voorziene geval, mag geen overschrijving,
inschrijving, doorhaling of randvermelding
hetzij
in
de
registers
van
de
hypotheekbewaarders, hetzij in de registers
voor
de
inschrijvingen
van
het
landbouwvoorrecht
plaats
hebben
krachtens niet vooraf geregistreerde akten.
Behoudens het bij artikel 173, 1°,
voorziene geval, mag geen overschrijving,
inschrijving, doorhaling of randvermelding
in
de
registers
van
de
hypotheekbewaarders
plaats
hebben
krachtens niet vooraf geregistreerde akten.
Titel I : Registratierecht
Titel I : Registratierecht
Hoofdstuk IV : Vaststelling van de rechten
Hoofdstuk IV : Vaststelling van de rechten
Afdeling VI : Hypotheekvestigingen,
inpandgevingen van een handelszaak en
vestigingen van een landbouwvoorrecht
Afdeling VI : Hypotheekvestigingen
Art. 88
Art. 88
Worden aan een recht van 0,50 pct.
onderworpen :
De vestigingen van een hypotheek op
een schip dat niet naar zijn aard voor
het zeevervoer bestemd is, worden aan
een recht van 0,50 pct. onderworpen.
- de vestigingen van een hypotheek op een
schip dat niet naar zijn aard voor het
zeevervoer bestemd is;
- de inpandgevingen van een handelszaak;
en
151
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
-
de
vestigingen
van
een
landbouwvoorrecht.
Art. 89
Art. 89
De bij artikelen 87 en 88 bepaalde rechten
zijn van toepassing zelfs wanneer de
hypotheek, het pand of het voorrecht
gevestigd zijn tot zekerheid van een
toekomstige
schuld,
van
een
voorwaardelijke of eventuele schuld of van
een verbintenis om iets te doen.
De bij artikelen 87 en 88 bepaalde rechten
zijn van toepassing zelfs wanneer de
hypotheek gevestigd is tot zekerheid van
een
toekomstige
schuld,
van
een
voorwaardelijke of eventuele schuld of van
een verbintenis om iets te doen.
Art. 91
Art. 91
De vestiging van een hypotheek op een in
België
gelegen
onroerend
goed
tot
zekerheid van een schuld die gewaarborgd
is door een hypotheek op een schip dat niet
naar zijn aard voor het zeevervoer bestemd
is,
door
de
verpanding
van
een
handelszaak
of
door
een
landbouwvoorrecht, wordt aan het recht
van 1 pct. onderworpen onder aftrek, in
voorkomend geval, van het krachtens
artikel 88 geheven recht van 0,50 pct.
De vestiging van een hypotheek op een in
België
gelegen
onroerend
goed
tot
zekerheid van een schuld die gewaarborgd
is door een hypotheek op een schip dat niet
naar zijn aard voor het zeevervoer bestemd
is, wordt aan het recht van 1 pct.
onderworpen onder aftrek, in voorkomend
geval, van het krachtens artikel 88 geheven
recht van 0,50 pct.
Art. 92/1
Art. 92/1
Onverminderd artikel 91, dekt het in
artikelen 87 en 88 bedoeld recht alle
vestiging van hypotheek, inpandgeving
van een handelszaak of vestiging van een
landbouwvoorrecht welke naderhand tot
zekerheid van eenzelfde schuldvordering
van hetzelfde gewaarborgd bedrag mocht
worden toegestaan.
Onverminderd artikel 91, dekt het in
artikelen 87 en 88 bedoeld recht alle
vestiging van hypotheek, welke naderhand
tot
zekerheid
van
eenzelfde
schuldvordering
van
hetzelfde
gewaarborgd
bedrag
mocht
worden
toegestaan.
Art. 92/2
Art. 92/2
De overdracht van een hypotheek op een
in België gelegen onroerend goed met
inbegrip van de voorrechten bedoeld bij
De overdracht van een hypotheek op een
in België gelegen onroerend goed met
inbegrip van de voorrechten bedoeld bij
152
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
artikel 27 van de wet van 16 december
1851, van een hypotheek op een schip dat
niet naar zijn aard voor het zeevervoer
bestemd is, van de verpanding van een
handelszaak
of
van
een
landbouwvoorrecht,
ingevolge
de
overdracht onder bezwarende titel van de
schuldvordering,
de
contractuele
indeplaatsstelling
of
elke
andere
verrichting onder bezwarende titel, wordt
onderworpen aan een recht van 1 pct. of
van 0,50 pct., al naar gelang de overdracht
al dan niet een hypotheek op een
onroerend goed betreft.
artikel 27 van de wet van 16 december
1851, of van een hypotheek op een schip
dat niet naar zijn aard voor het zeevervoer
bestemd is, ingevolge de overdracht onder
bezwarende titel van de schuldvordering,
de contractuele indeplaatsstelling of elke
andere verrichting onder bezwarende titel,
wordt onderworpen aan een recht van 1
pct. of van 0,50 pct., al naar gelang de
overdracht al dan niet een hypotheek op
een onroerend goed betreft.
Art. 93
Art. 93
Het recht van 1 pct. of van 0,50 pct. wordt
vereffend op het bedrag van de sommen
die door de hypotheek, het pand of het
landbouwvoorrecht gewaarborgd zijn, met
uitsluiting
van
de
interesten
of
rentetermijnen
van
drie
jaren,
die
gewaarborgd zijn door artikel 87 van de
wet van 16 december 1851.
Het recht van 1 pct. of van 0,50 pct. wordt
vereffend op het bedrag van de sommen
die door de hypotheek, gewaarborgd
zijn, met uitsluiting van de interesten of
rentetermijnen
van
drie
jaren,
die
gewaarborgd zijn door artikel 87 van de
wet van 16 december 1851.
Loi hypothécaire
Loi hypothécaire
Art. 20
Art. 20
De
schuldvorderingen,
op
bepaalde
roerende goederen bevoorrecht, zijn :
De
schuldvorderingen,
op
bepaalde
roerende goederen bevoorrecht, zijn :
1°
De
huur-
en
pachtgelden
van
onroerende goederen zijn bevoorrecht op
de vruchten van de oogst van het jaar, en
op de waarde van al hetgeen het verhuurde
huis of de hoeve stoffeert en, van al
hetgeen tot de exploitatie van de hoeve
dient, en wel :
1°
De
huur-
en
pachtgelden
van
onroerende goederen zijn bevoorrecht op
de vruchten van de oogst van het jaar, en
op de waarde van al hetgeen het verhuurde
huis of de hoeve stoffeert en, van al
hetgeen tot de exploitatie van de hoeve
dient, en wel :
Indien het een huis betreft, voor twee
vervallen jaren; daarenboven voor het
lopende jaar, alsmede voor het jaar dat
daarop
volgt,
en
zelfs,
indien
de
Indien het een huis betreft, voor twee
vervallen jaren; daarenboven voor het
lopende jaar, alsmede voor het jaar dat
daarop
volgt,
en
zelfs,
indien
de
153
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
huurcontracten authentiek zijn of indien
zij,
onderhands
zijnde,
een
vaste
dagtekening hebben, voor al hetgeen nog
moet vervallen; in dit laatste geval hebben
de overige schuldeisers het recht om het
huis voor het overblijvende gedeelte van
de huurtijd weder te verhuren en de huur te
genieten, echter onder verplichting om aan
de eigenaar te betalen al hetgeen hem nog
mocht zijn verschuldigd;
huurcontracten authentiek zijn of indien
zij,
onderhands
zijnde,
een
vaste
dagtekening hebben, voor al hetgeen nog
moet vervallen; in dit laatste geval hebben
de overige schuldeisers het recht om het
huis voor het overblijvende gedeelte van
de huurtijd weder te verhuren en de huur te
genieten, echter onder verplichting om aan
de eigenaar te betalen al hetgeen hem nog
mocht zijn verschuldigd;
Indien het een hoeve betreft, voor een
vervallen pachtjaar en voor het lopende
jaar.
Indien het een hoeve betreft, voor een
vervallen pachtjaar en voor het lopende
jaar.
Hetzelfde
voorrecht
geldt
voor
de
herstellingen ten laste van de huurder en
voor alles wat de uitvoering van de huur
betreft.
Hetzelfde
voorrecht
geldt
voor
de
herstellingen ten laste van de huurder en
voor alles wat de uitvoering van de huur
betreft.
De eigenaar kan beslag leggen op de
roerende goederen die zijn huis of zijn
hoeve stofferen, wanneer zij buiten zijn
toestemming zijn weggebracht, en hij
behoudt daarop zijn voorrecht, mits hij ze
heeft opgeëist binnen de tijd van veertig
dagen, wanneer het roerende goederen
betreft die een hoeve stoffeerden; en
binnen de tijd van vijftien dagen, wanneer
het roerende goederen betreft die een huis
stoffeerden;
De eigenaar kan beslag leggen op de
roerende goederen die zijn huis of zijn
hoeve stofferen, wanneer zij buiten zijn
toestemming zijn weggebracht, en hij
behoudt daarop zijn voorrecht, mits hij ze
heeft opgeëist binnen de tijd van veertig
dagen, wanneer het roerende goederen
betreft die een hoeve stoffeerden; en
binnen de tijd van vijftien dagen, wanneer
het roerende goederen betreft die een huis
stoffeerden;
2° De bedragen, verschuldigd voor de
zaden of voor de kosten van de oogst van
het jaar, zijn bevoorrecht op de prijs van
die oogst, en de bedragen, verschuldigd
voor
het
gereedschap
dat
voor
de
exploitatie dient, op de prijs van dat
gereedschap;
2° De bedragen, verschuldigd voor de
zaden of voor de kosten van de oogst van
het jaar, zijn bevoorrecht op de prijs van
die oogst, en de bedragen, verschuldigd
voor
het
gereedschap
dat
voor
de
exploitatie dient, op de prijs van dat
gereedschap;
3° De schuldvordering is bevoorrecht op
het pand dat zich in het bezit van de
schuldeiser bevindt;
3° De schuldvordering is bevoorrecht op
het pand dat zich in het bezit van de
schuldeiser bevindt;
4° De kosten tot behoud van de zaak
gemaakt;
4° De kosten tot behoud van de zaak
gemaakt;
5° De prijs van niet betaalde roerende
goederen, indien zij zich nog in het bezit
van de schuldenaar bevinden, onverschillig
of hij ze met of zonder tijdsbepaling
gekocht heeft.
5° De prijs van niet betaalde roerende
goederen, indien zij zich nog in het bezit
van de schuldenaar bevinden, onverschillig
of hij ze met of zonder tijdsbepaling
gekocht heeft.
De schadevergoedingen toegekend aan de
burgerlijke partij op het voertuig dat
De schadevergoedingen toegekend aan de
burgerlijke partij op het voertuig dat
154
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
gediend heeft voor het plegen van de
inbreuk.
gediend heeft voor het plegen van de
inbreuk.
Het voorrecht ingesteld bij de nrs. 4 en 5
houdt op te gelden wanneer die roerende
goederen onroerend zijn geworden door
bestemming
of
incorporatie,
behalve
indien
het
machines,
toestellen,
gereedschappen
en
ander
bedrijfsuitrustingsmaterieel
betreft,
gebruikt in nijverheids-, handels-
of
ambachtsondernemingen.
Het voorrecht ingesteld bij de nrs. 4 en 5
houdt op te gelden wanneer die roerende
goederen onroerend zijn geworden door
bestemming
of
incorporatie,
behalve
indien
het
machines,
toestellen,
gereedschappen
en
ander
bedrijfsuitrustingsmaterieel
betreft,
gebruikt in nijverheids-,
landbouws-,
handels- of ambachtsondernemingen.
In dit geval blijft het voorrecht met
betrekking tot deze goederen bestaan
gedurende vijf jaren te rekenen van de
levering.
In dit geval blijft het voorrecht met
betrekking tot deze goederen bestaan
gedurende vijf jaren te rekenen van de
levering.
De levering wordt bewezen door de
boeken van de verkoper, behoudens
tegenbewijs.
De levering wordt bewezen door de
boeken van de verkoper, behoudens
tegenbewijs.
In geval van onroerend beslag op de
machines, toestellen, gereedschappen en
ander bedrijfsuitrustingsmaterieel, of van
faillietverklaring
van
de
schuldenaar,
voordat vijf jaren zijn verstreken, blijft het
voorrecht bestaan tot na de verdeling van
de penningen of tot na vereffening van het
faillissement.
In geval van onroerend beslag op de
machines, toestellen, gereedschappen en
ander bedrijfsuitrustingsmaterieel, of van
faillietverklaring
van
de
schuldenaar,
voordat vijf jaren zijn verstreken, blijft het
voorrecht bestaan tot na de verdeling van
de penningen of tot na vereffening van het
faillissement.
Indien de verkoop zonder tijdsbepaling
gedaan is, kan de verkoper de verkochte
voorwerpen zelfs terugvorderen zolang zij
zich in het bezit van de koper bevinden, en
de wederverkoop ervan beletten, mits de
terugvordering
geschiedt
binnen
acht
dagen na de levering en de voorwerpen
zich nog in dezelfde staat bevinden als ten
tijde van de levering.
Indien de verkoop zonder tijdsbepaling
gedaan is, kan de verkoper de verkochte
voorwerpen zelfs terugvorderen zolang zij
zich in het bezit van de koper bevinden, en
de wederverkoop ervan beletten, mits de
terugvordering
geschiedt
binnen
acht
dagen na de levering en de voorwerpen
zich nog in dezelfde staat bevinden als ten
tijde van de levering.
Het verval van het recht op terugvordering
brengt tevens mede het verval van de
rechtsvordering tot ontbinding, ten aanzien
van de overige schuldeisers.
Het verval van het recht op terugvordering
brengt tevens mede het verval van de
rechtsvordering tot ontbinding, ten aanzien
van de overige schuldeisers.
In de wetten en gebruiken van de
koophandel betreffende de terugvordering
wordt niets gewijzigd.
In de wetten en gebruiken van de
koophandel betreffende de terugvordering
wordt niets gewijzigd.
6° De leveringen van een (hotelhouder)
zijn bevoorrecht op de goederen van de
reiziger die in zijn (hotel) zijn gebracht;
6° De leveringen van een (hotelhouder)
zijn bevoorrecht op de goederen van de
reiziger die in zijn (hotel) zijn gebracht;
155
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
7° De vrachtkosten en bijkomende kosten,
op
het
vervoerde
goed,
zolang
de
vervoerder dit onder zich heeft, en
gedurende vierentwintig uren die volgen
op de aflevering aan de eigenaar of aan de
geadresseerde, mits dezen in het bezit
ervan gebleven zijn;
7° De vrachtkosten en bijkomende kosten,
op
het
vervoerde
goed,
zolang
de
vervoerder dit onder zich heeft, en
gedurende vierentwintig uren die volgen
op de aflevering aan de eigenaar of aan de
geadresseerde, mits dezen in het bezit
ervan gebleven zijn;
8° De schuldvorderingen, ontstaan uit
misbruik
en
ontrouw
van
openbare
ambtenaren in de uitoefening van hun
bediening, zijn bevoorrecht op de door hen
gestelde zekerheid en op de vervallen
interest daarvan;
8° De schuldvorderingen, ontstaan uit
misbruik
en
ontrouw
van
openbare
ambtenaren in de uitoefening van hun
bediening, zijn bevoorrecht op de door hen
gestelde zekerheid en op de vervallen
interest daarvan;
9° Voor de verzekeringsovereenkomsten
waarop de wet van 25 juni 1992 op de
landverzekeringsovereenkomst niet van
toepassing is, zijn de uit een ongeval
ontstane schuldvorderingen ten bate van
een door dat ongeval benadeelde derde of
diens rechthebbenden, bevoorrecht op de
vergoeding die de verzekeraar van de
burgerrechtelijke
aansprakelijkheid
verschuldigd
is
op
grond
van
de
verzekeringsovereenkomst. Geen betaling
aan de verzekerde zal bevrijdend zijn,
zolang de bevoorrechte schuldeisers niet
schadeloos zijn gesteld.
9° Voor de verzekeringsovereenkomsten
waarop de wet van 25 juni 1992 op de
landverzekeringsovereenkomst niet van
toepassing is, zijn de uit een ongeval
ontstane schuldvorderingen ten bate van
een door dat ongeval benadeelde derde of
diens rechthebbenden, bevoorrecht op de
vergoeding die de verzekeraar van de
burgerrechtelijke
aansprakelijkheid
verschuldigd
is
op
grond
van
de
verzekeringsovereenkomst. Geen betaling
aan de verzekerde zal bevrijdend zijn,
zolang de bevoorrechte schuldeisers niet
schadeloos zijn gesteld.
10° (...)
10° (...)
11° De voorschotten die overeenkomstig
de
wetgeving
betreffende
de
schadeloosstelling
voor
de
schade
veroorzaakt door het winnen en pompen
van grondwater, zijn uitgekeerd voor het
herstel van de schade veroorzaakt aan de
oogst, op de vruchten van de oogst van het
jaar of op de prijs van die oogst.
11° De voorschotten die overeenkomstig
de
wetgeving
betreffende
de
schadeloosstelling
voor
de
schade
veroorzaakt door het winnen en pompen
van grondwater, zijn uitgekeerd voor het
herstel van de schade veroorzaakt aan de
oogst, op de vruchten van de oogst van het
jaar of op de prijs van die oogst.
12° gedurende vijf jaar vanaf de datum
van de factuur, de schuldvordering die de
onderaannemer
tegenover
zijn
medecontractant-aannemer heeft wegens
werken die hij aan het gebouw van de
bouwheer
heeft
uitgevoerd
of
laten
uitvoeren, op de schuldvordering die deze
medecontractant-aannemer
wegens
dezelfde aanneming heeft tegenover de
bouwheer.
12° gedurende vijf jaar vanaf de datum
van de factuur, de schuldvordering die de
onderaannemer
tegenover
zijn
medecontractant-aannemer heeft wegens
werken die hij aan het gebouw van de
bouwheer
heeft
uitgevoerd
of
laten
uitvoeren, op de schuldvordering die deze
medecontractant-aannemer
wegens
dezelfde aanneming heeft tegenover de
bouwheer.
156
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
De onderaannemer wordt als aannemer en
de aannemer als bouwheer beschouwd ten
opzichte van de eigen onderaannemers van
de eerstgenoemde.
De onderaannemer wordt als aannemer en
de aannemer als bouwheer beschouwd ten
opzichte van de eigen onderaannemers van
de eerstgenoemde.
12° De schuldvorderingen van de leden
van een ziekenfonds en van een landsbond
op de reservefondsen door deze gevestigd
volgens de bepalingen van de wetgeving
betreffende de ziekenfondsen en de
landsbonden.
12° De schuldvorderingen van de leden
van een ziekenfonds en van een landsbond
op de reservefondsen door deze gevestigd
volgens de bepalingen van de wetgeving
betreffende de ziekenfondsen en de
landsbonden.
Art. 81quater
Art. 81quater
§
1.
Wanneer
een
schuldvordering
waarvan sprake is in artikel 81ter wordt
overgedragen of in pand gegeven door of
aan een instelling of, in voorkomend
geval, aan of door een bijzonder vermogen
of een compartiment van een instelling dat,
op het ogenblik van de overdracht of van
de inpandgeving :
§
1.
Wanneer
een
schuldvordering
waarvan sprake is in artikel 81ter wordt
overgedragen of in pand gegeven door of
aan een instelling of, in voorkomend
geval, aan of door een bijzonder vermogen
of een compartiment van een instelling dat,
op het ogenblik van de overdracht of van
de inpandgeving :
1° een mobiliseringsinstelling is in de zin
van artikel 2 van de wet van 3 augustus
2012 betreffende diverse maatregelen ter
vergemakkelijking van de mobilisering
van schuldvorderingen in de financiële
sector, of
1° een mobiliseringsinstelling is in de zin
van artikel 2 van de wet van 3 augustus
2012 betreffende diverse maatregelen ter
vergemakkelijking van de mobilisering
van schuldvorderingen in de financiële
sector, of
2° een Belgische kredietinstelling is in de
zin van de wet van 25 april 2014 op het
statuut
van
en
het
toezicht
op
kredietinstellingen, met inbegrip van, in
voorkomend
geval,
een
bijzonder
vermogen van een kredietinstelling die
Belgische covered bonds uitgeeft in de zin
van deze wet, of
2° een Belgische kredietinstelling is een
kredietinstelling die onder een andere
lidstaat ressorteert of een bijkantoor
van een kredietinstelling die ressorteert
onder een derde land in de zin van de
wet van 25 april 2014 op het statuut van
en het toezicht op kredietinstellingen ,
met inbegrip van, in voorkomend geval,
een
bijzonder
vermogen
van
een
kredietinstelling die Belgische covered
bonds uitgeeft in de zin van deze wet, of
3° een financiële instelling in de zin van
artikel 3, 12°, van de wet betreffende de
financiële zekerheden,
3° een financiële instelling in de zin van
artikel 3, 12°, van de wet betreffende de
financiële zekerheden,
zijn artikelen 5 en 92, derde lid, niet van
toepassing op deze overdracht of op deze
inpandgeving.
De
overdrager
of
de
pandgevende
schuldenaar
van
de
zijn artikelen 5 en 92, derde lid, niet van
toepassing op deze overdracht of op deze
inpandgeving.
De
overdrager
of
de
pandgevende
schuldenaar
van
de
157
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
schuldvordering moet, op verzoek van
derden, de nodige informatie verstrekken
betreffende de identiteit van de overnemer
of van de pandhoudende schuldeiser.
schuldvordering moet, op verzoek van
derden, de nodige informatie verstrekken
betreffende de identiteit van de overnemer
of van de pandhoudende schuldeiser.
§ 2. Een voorschot toegestaan in het raam
van een bevoorrechte of hypothecaire
kredietopening of in het kader van een
kredietopening bedongen met het recht om
een hypotheekgarantie te eisen, met
inbegrip van een hypothecair mandaat of
een
hypotheekbelofte
kan
worden
overgedragen.
§ 2. Een voorschot toegestaan in het raam
van een bevoorrechte of hypothecaire
kredietopening of in het kader van een
kredietopening bedongen met het recht om
een hypotheekgarantie te eisen, met
inbegrip van een hypothecair mandaat of
een
hypotheekbelofte
kan
worden
overgedragen.
In het geval bedoeld in de vorige lid geniet
de overnemer eveneens de voorrechten en
zekerheden
die
de
kredietopening
waarborgen en, behoudens andersluidende
overeenkomst tussen de overdrager en de
overnemer,
de
rechten
om
een
hypotheekgarantie te eisen ongeacht het
bedrag dat krachtens de kredietopening zal
verschuldigd blijven. Het overgedragen
voorschot wordt bij voorrang betaald
boven
de
voorschotten
die
na
de
overdracht
in
het
kader
van
de
kredietopening zijn toegestaan.
In het geval bedoeld in de vorige lid geniet
de overnemer eveneens de voorrechten en
zekerheden
die
de
kredietopening
waarborgen en, behoudens andersluidende
overeenkomst tussen de overdrager en de
overnemer,
de
rechten
om
een
hypotheekgarantie te eisen ongeacht het
bedrag dat krachtens de kredietopening zal
verschuldigd blijven. Het overgedragen
voorschot wordt bij voorrang betaald
boven
de
voorschotten
die
na
de
overdracht
in
het
kader
van
de
kredietopening zijn toegestaan.
De voorschotten die vóór of op datum van
de overdracht zijn toegestaan, worden
betaald
in
gelijke
rang
met
de
overgedragen voorschotten, behalve indien
de overdrager en de overnemer een andere
rangregeling
of
achterstelling
zijn
overeengekomen. Artikel 5 is niet van
toepassing op een dergelijke rangregeling
of
achterstelling.
Een
dergelijke
rangregeling of achterstelling mag geen
afbreuk doen aan de rechten die door
derden werden verworven vóór de datum
van de overdracht of, in voorkomend
geval, vóór de datum van de rangregeling
of achterstelling, met inbegrip van de
rechten van de overnemer of van de
pandhoudende schuldeiser van bestaande
schuldvorderingen met betrekking tot
voorschotten
die
vooraf
werden
overgedragen
of
in
pand
gegeven,
behoudens uitdrukkelijk akkoord van deze
derden.
De voorschotten die vóór of op datum van
de overdracht zijn toegestaan, worden
betaald
in
gelijke
rang
met
de
overgedragen voorschotten, behalve indien
de overdrager en de overnemer een andere
rangregeling
of
achterstelling
zijn
overeengekomen. Artikel 5 is niet van
toepassing op een dergelijke rangregeling
of
achterstelling.
Een
dergelijke
rangregeling of achterstelling mag geen
afbreuk doen aan de rechten die door
derden werden verworven vóór de datum
van de overdracht of, in voorkomend
geval, vóór de datum van de rangregeling
of achterstelling, met inbegrip van de
rechten van de overnemer of van de
pandhoudende schuldeiser van bestaande
schuldvorderingen met betrekking tot
voorschotten
die
vooraf
werden
overgedragen
of
in
pand
gegeven,
behoudens uitdrukkelijk akkoord van deze
derden.
158
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Het recht op benuttiging van het krediet
wordt geschorst ten belope van het bedrag
dat de schuldenaar verschuldigd blijft uit
hoofde van het overgedragen voorschot.
De overdrager kan op elk ogenblik eisen
dat de overnemer hem informeert over het
verschuldigde bedrag bedoeld in het vorige
lid.
Het recht op benuttiging van het krediet
wordt geschorst ten belope van het bedrag
dat de schuldenaar verschuldigd blijft uit
hoofde van het overgedragen voorschot.
De overdrager kan op elk ogenblik eisen
dat de overnemer hem informeert over het
verschuldigde bedrag bedoeld in het vorige
lid.
§ 3. Onverminderd artikel 92, tweede lid,
wordt de akte van toestemming tot
doorhaling of vermindering vergezeld van
een voor eensluidend verklaard afschrift of
van een voor eensluidend verklaard
woordelijk uittreksel van de onderhandse
akte van overdracht.
§ 3. Onverminderd artikel 92, tweede lid,
wordt de akte van toestemming tot
doorhaling of vermindering vergezeld van
een voor eensluidend verklaard afschrift of
van een voor eensluidend verklaard
woordelijk uittreksel van de onderhandse
akte van overdracht.
§
4.
Behoudens
andersluidende
overeenkomst, waarborgt een hypotheek
verleend voor bestaande en toekomstige
schulden, die bepaald of bepaalbaar zijn op
grond van de in de hypotheekakte
voorkomende
beschrijving
van
de
gewaarborgde
schuldvorderingen,
eveneens
van
rechtswege
de
schuldvorderingen die overeenstemmen
met deze beschrijving en die eerder door
de
hypothecaire
schuldeiser
werden
overgedragen aan een instelling, aan een
compartiment van een instelling of een
bijzonder vermogen, zoals vermeld in § 1,
op voorwaarde dat de schuldenaar van de
schuldvordering nog niet in kennis werd
gesteld van deze overdracht en evenmin
werd erkend door deze schuldenaar op het
ogenblik van de hypotheekvestiging.
§
4.
Behoudens
andersluidende
overeenkomst, waarborgt een hypotheek
verleend voor bestaande en toekomstige
schulden, die bepaald of bepaalbaar zijn op
grond van de in de hypotheekakte
voorkomende
beschrijving
van
de
gewaarborgde
schuldvorderingen,
eveneens
van
rechtswege
de
schuldvorderingen die overeenstemmen
met deze beschrijving en die eerder door
de
hypothecaire
schuldeiser
werden
overgedragen aan een instelling, aan een
compartiment van een instelling of een
bijzonder vermogen, zoals vermeld in § 1,
op voorwaarde dat de schuldenaar van de
schuldvordering nog niet in kennis werd
gesteld van deze overdracht en evenmin
werd erkend door deze schuldenaar op het
ogenblik van de hypotheekvestiging.
Het eerste lid is eveneens van toepassing
op overgedragen schuldvorderingen die,
op het ogenblik van de overdracht, niet
worden gewaarborgd door een hypotheek,
een voorrecht op een onroerend goed of
een recht om een hypotheekgarantie te
eisen, met inbegrip van een hypothecair
mandaat of een hypotheekbelofte.
Het eerste lid is eveneens van toepassing
op overgedragen schuldvorderingen die,
op het ogenblik van de overdracht, niet
worden gewaarborgd door een hypotheek,
een voorrecht op een onroerend goed of
een recht om een hypotheekgarantie te
eisen, met inbegrip van een hypothecair
mandaat of een hypotheekbelofte.
159
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62
betreffende de bewaargeving van
vervangbare financiële instrumenten en
de vereffening van transacties op deze
instrumenten
Gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62
betreffende de bewaargeving van
vervangbare financiële instrumenten en
de vereffening van transacties op deze
instrumenten
Art. 7
Art. 7
§ 1. Voor het vestigen van een burgerlijk
of handelspand op vervangbare financiële
instrumenten, geschiedt de inbezitstelling
op geldige wijze door de inboeking van
deze financiële instrumenten op een
speciale
rekening
geopend
bij
de
vereffeningsinstelling
of
bij
een
aangesloten
lid
op
naam
van
een
overeengekomen persoon. De in pand
gegeven financiële instrumenten worden
geïdentificeerd volgens hun aard zonder
opgave van nummer. Het aldus gevestigde
pand is rechtsgeldig en kan aan derden
worden tegengeworpen zonder andere
formaliteit.
§ 1. Een pand op vervangbare financiële
instrumenten
wordt
gevestigd
overeenkomstig de wet van 15 december
2004
betreffende
de
financiële
zekerheden en houdende diverse fiscale
bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
met
betrekking
tot
financiële
instrumenten. De in pand gegeven
financiële
instrumenten
worden
geïdentificeerd volgens hun aard zonder
opgave van nummer.
De pandgever wordt geacht eigenaar te
zijn van de in pand gegeven financiële
instrumenten. De geldigheid van het pand
wordt
door
de
afwezigheid
van
eigendomsrecht van de pandgever op de in
pand gegeven financiële instrumenten niet
aangetast,
onverminderd
de
aansprakelijkheid van de pandgever ten
overstaan van de werkelijke eigenaar van
de
in
pand
gegeven
financiële
instrumenten. Indien de pandgever de
pandnemer voorafgaandelijk en schriftelijk
heeft verwittigd dat hij niet de eigenaar is
van de in pand gegeven financiële
instrumenten, dan is de geldigheid van het
pand onderworpen aan de machtiging van
de eigenaar voor de in pandgeving van
deze financiële instrumenten.
De pandgever wordt geacht eigenaar te
zijn van de in pand gegeven financiële
instrumenten. De geldigheid van het pand
wordt
door
de
afwezigheid
van
eigendomsrecht van de pandgever op de in
pand gegeven financiële instrumenten niet
aangetast,
onverminderd
de
aansprakelijkheid van de pandgever ten
overstaan van de werkelijke eigenaar van
de
in
pand
gegeven
financiële
instrumenten. Indien de pandgever de
pandnemer voorafgaandelijk en schriftelijk
heeft verwittigd dat hij niet de eigenaar is
van de in pand gegeven financiële
instrumenten, dan is de geldigheid van het
pand onderworpen aan de machtiging van
de eigenaar voor de in pandgeving van
deze financiële instrumenten.
§ 2. (opgeheven)
§ 2. (opgeheven)
160
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Wet van 2 januari 1991 betreffende de
markt van de effecten van de
overheidsschuld en het monetair
beleidsinstrumentarium
Wet van 2 januari 1991 betreffende de
markt van de effecten van de
overheidsschuld en het monetair
beleidsinstrumentarium
Art. 7
Art. 7
Voor de vestiging van een burgerlijk pand
of
een
pand
in
handelszaken
op
gedematerialiseerde effecten geschiedt de
inbezitstelling op geldige wijze door
inboeking van het bedrag van de in pand
gegeven effecten op een speciale rekening
bij de instelling die de rekening bijhoudt of
bij het effectenclearingstelsel van de
Nationale Bank van België, die optreden
hetzij als pandhoudende schuldeiser, hetzij
als derde houder.
Een
pand
op
gedematerialiseerde
effecten wordt gevestigd overeenkomstig
de
wet
van
15
december
2004
betreffende de financiële zekerheden en
houdende diverse fiscale bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
met
betrekking
tot
financiële
instrumenten.
Het aldus gevestigde pand is rechtsgeldig
en kan aan derden worden tegengeworpen
zonder andere formaliteit.
De pandgever wordt geacht eigenaar te
zijn
van
de
in
pand
gegeven
gedematerialiseerde
effecten.
De
geldigheid van het pand wordt door de
afwezigheid van eigendomsrecht van de
pandgever op de in pand gegeven effecten
niet
aangetast,
onverminderd
de
aansprakelijkheid van de pandgever ten
overstaan van de werkelijke eigenaar van
de in pand gegeven effecten. Indien de
pandgever de pandhoudende schuldeiser
voorafgaandelijk
en
schriftelijk
heeft
verwittigd dat hij niet de eigenaar is van de
in pand gegeven effecten, dan is de
geldigheid van het pand onderworpen aan
de machtiging van de eigenaar voor de
inpandgeving van deze effecten.
De pandgever wordt geacht eigenaar te
zijn
van
de
in
pand
gegeven
gedematerialiseerde
effecten.
De
geldigheid van het pand wordt door de
afwezigheid van eigendomsrecht van de
pandgever op de in pand gegeven effecten
niet
aangetast,
onverminderd
de
aansprakelijkheid van de pandgever ten
overstaan van de werkelijke eigenaar van
de in pand gegeven effecten. Indien de
pandgever de pandhoudende schuldeiser
voorafgaandelijk
en
schriftelijk
heeft
verwittigd dat hij niet de eigenaar is van de
in pand gegeven effecten, dan is de
geldigheid van het pand onderworpen aan
de machtiging van de eigenaar voor de
inpandgeving van deze effecten.
161
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Wetboek van vennootschappen
Wetboek van vennootschappen
Art. 470
Art. 470
Voor de vestiging van een burgerlijk pand
of
een
handelspand
op
de
gedematerialiseerde effecten bedoeld in
artikel 469, geschiedt de inbezitstelling op
geldige wijze door de inboeking van deze
effecten op een bijzondere rekening
geopend bij een instelling die rekeningen
bijhoudt op naam van een overeen te
komen persoon. De in pand gegeven
effecten worden geïdentificeerd volgens
hun aard, zonder opgave van nummer. Het
aldus gevestigde pand is rechtsgeldig en
kan aan derden worden tegengeworpen
zonder andere formaliteit.
Een
pand
op
gedematerialiseerde
effecten wordt gevestigd overeenkomstig
de
wet
van
15
december
2004
betreffende de financiële zekerheden en
houdende diverse fiscale bepalingen
inzake
zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen
met
betrekking
tot
financiële
instrumenten.
De pandgever wordt geacht eigenaar te
zijn
van
de
in
pand
gegeven
gedematerialiseerde
effecten.
De
geldigheid van het pand wordt door de
afwezigheid van eigendomsrecht van de
pandgever op de in pand gegeven
gedematerialiseerde
effecten
niet
aangetast,
onverminderd
de
aansprakelijkheid van de pandgever ten
overstaan van de werkelijke eigenaar van
de in pand gegeven gedematerialiseerde
effecten.
Indien
de
pandgever
de
pandhoudende
schuldeiser
voorafgaandelijk
en
schriftelijk
heeft
verwittigd dat hij niet de eigenaar is van de
in
pand
gegeven
gedematerialiseerde
effecten, dan is de geldigheid van het pand
onderworpen aan de machtiging van de
eigenaar voor de inpandgeving van deze
effecten.
De pandgever wordt geacht eigenaar te
zijn
van
de
in
pand
gegeven
gedematerialiseerde
effecten.
De
geldigheid van het pand wordt door de
afwezigheid van eigendomsrecht van de
pandgever op de in pand gegeven
gedematerialiseerde
effecten
niet
aangetast,
onverminderd
de
aansprakelijkheid van de pandgever ten
overstaan van de werkelijke eigenaar van
de in pand gegeven gedematerialiseerde
effecten.
Indien
de
pandgever
de
pandhoudende
schuldeiser
voorafgaandelijk
en
schriftelijk
heeft
verwittigd dat hij niet de eigenaar is van de
in
pand
gegeven
gedematerialiseerde
effecten, dan is de geldigheid van het pand
onderworpen aan de machtiging van de
eigenaar voor de inpandgeving van deze
effecten.
162
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Wet van 3 augustus 2012 betreffende de
instellingen voor collectieve belegging
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen
Wet van 3 augustus 2012 betreffende de
instellingen voor collectieve belegging
die voldoen aan de voorwaarden van
Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen
voor belegging in schuldvorderingen
Art. 271/8
Art. 271/8
In geval een schuldvordering wordt
overgedragen aan of door een instelling
voor belegging in schuldvorderingen in de
zin van deze wet, zijn de artikelen 1328
van het Burgerlijk Wetboek en 26 van de
wet
van
12
juni
1991
op
het
consumentenkrediet,
artikel
8
van
Hoofdstuk II, Titel I van Boek II van het
Wetboek van Koophandel en artikelen 18
en 20 van de wet van 15 april 1884
betreffende de landbouwleningen, niet van
toepassing op deze overdracht. Dezelfde
bepalingen zijn niet van toepassing op een
inpandgeving van een schuldvordering aan
of door een instelling voor belegging in
schuldvorderingen in de zin van deze wet.
In geval een schuldvordering wordt
overgedragen aan of door een instelling
voor
collectieve
belegging
in
schuldvorderingen in de zin van deze
wet, zijn de artikelen 1328 van het
Burgerlijk Wetboek en VII. 103 van het
Wetboek van economisch recht, artikel
8 van boek II, titel I, hoofdstuk II, van
het Wetboek van koophandel en artikel
23, tweede lid van de wet van 11 juli
2013 tot wijziging van het Burgerlijk
Wetboek wat de zakelijke zekerheden
op roerende goederen betreft, niet van
toepassing op deze overdracht. Dezelfde
bepalingen zijn niet van toepassing op een
inpandgeving van een schuldvordering aan
of door een instelling voor belegging in
schuldvorderingen in de zin van deze wet.
Wanneer
schuldvorderingen
worden
overgedragen aan of door een instelling
voor belegging in schuldvorderingen in de
zin van deze wet, dan verwerft de
overnemer door de loutere naleving van de
voorschriften van Boek III, Titel VI,
Hoofdstuk
VIII
van
het
Burgerlijk
Wetboek
alle
rechten
in
verzekeringsovereenkomsten die de cedent
bezit als waarborg voor de overgedragen
schuldvorderingen. Een inpandgeving van
diezelfde rechten aan of door een instelling
voor
belegging
in
schuldvorderingen
geschiedt door de loutere naleving van de
voorschriften van Boek III, Titel XVII van
het Burgerlijk Wetboek of titel VI, boek I
van het Wetboek van Koophandel.
Wanneer
schuldvorderingen
worden
overgedragen aan of door een instelling
voor belegging in schuldvorderingen in de
zin van deze wet, dan verwerft de
overnemer door de loutere naleving van de
voorschriften van
Boek III, Titel VI,
Hoofdstuk
VIII
van
het
Burgerlijk
Wetboek
alle
rechten
in
verzekeringsovereenkomsten die de cedent
bezit als waarborg voor de overgedragen
schuldvorderingen. Een inpandgeving van
diezelfde rechten aan of door een instelling
voor
belegging
in
schuldvorderingen
geschiedt door de loutere naleving van de
bepalingen van artikel 7 van de wet van
15 december 2004 betreffende financiële
zekerheden.
163
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Wet van 19 april 2014 betreffende de
alternatieve instellingen voor collectieve
belegging en hun beheerders
Wet van 19 april 2014 betreffende de
alternatieve instellingen voor collectieve
belegging en hun beheerders
Art. 513
Art. 513
In artikel 271/8 van de wet van 3 augustus
2012
wordt
het
eerste
lid
op
de
inwerkingtredingsdatum van de artikelen
98 en 99 van de wet van 11 juli 2013 tot
wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat
de zakelijke zekerheden op roerende
goederen betreft en tot opheffing van
diverse bepalingen ter zake vervangen als
volgt :
[Opgeheven]
"In geval een schuldvordering wordt
overgedragen aan of door een instelling
voor belegging in schuldvorderingen in de
zin van deze wet, zijn de artikelen 1328
van het Burgerlijk Wetboek en 26 van de
wet
van
12
juni
1991
op
het
consumentenkrediet en artikel 8 van
Hoofdstuk II, Titel I van Boek II van het
Wetboek van Koophandel betreffende de
landbouwleningen, niet van toepassing op
deze overdracht. Dezelfde bepalingen zijn
niet van toepassing op een inpandgeving
van een schuldvordering aan of door een
instelling
voor
belegging
in
schuldvorderingen in de zin van deze
wet.".
164
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Textes modifiés par le projet de loi modifiant diverses dispositions relatives aux sûretés
réelles mobilières
VERSION ORIGINALE
VERSION MODIFIÉE
Loi du 11 juillet 2013 modifiant le Code
civil en ce qui concerne les sûretés
réelles mobilières et abrogeant diverses
dispositions en cette matière
Loi du 11 juillet 2013 modifiant le Code
civil en ce qui concerne les sûretés
réelles mobilières et abrogeant diverses
dispositions en cette matière
Art. 6
Art. 6
Dans la section 1re insérée par l'article 5,
l'article 2073 est remplacé par l'article 1er
rédigé comme suit :
Dans la section 1re insérée par l'article 5,
l'article 2073 est remplacé par l'article 1er
rédigé comme suit :
" Article 1er. Finalité
« Article 1er. Finalité
Le gage confère au créancier gagiste le
droit d'être payé sur les biens qui en font
l'objet,
par
préférence
aux
autres
créanciers. "
Le gage confère au créancier gagiste le
droit d'être payé sur les biens qui en font
l'objet,
par
préférence
aux
autres
créanciers.
Ce droit de préférence a la valeur d’un
privilège tel que visé à l'article 12 de la
loi hypothécaire. »
Art. 9
Art. 9
Dans la même section 1re, l'article 2076
est remplacé par l'article 4 rédigé comme
suit :
Dans la même section 1re, l'article 2076
est remplacé par l'article 4 rédigé comme
suit :
" Art. 4. Preuve
" Art. 4. Preuve
La mise en gage est prouvée par un écrit
contenant la désignation précise des biens
grevés du gage, des créances garanties et
du montant maximum à concurrence
duquel les créances sont garanties.
La mise en gage est prouvée par un écrit
contenant la désignation précise des biens
grevés du gage, des créances garanties et
du montant maximum à concurrence
duquel les créances sont garanties.
Si
le
constituant
du
gage
est
un
consommateur au sens de l'article 2, 3°, de
loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques
du
marché
et
à
la
protection
du
consommateur, la validité de la convention
requiert qu'un écrit soit rédigé, selon le
cas, conformément au prescrit de l'article
Si
le
constituant
du
gage
est
un
consommateur au sens de l'article I.1, 2°,
du
livre
Ier
du
Code
de
droit
économique, la validité de la convention
requiert qu'un écrit soit rédigé, selon le
cas, conformément au prescrit de l'article
1325 ou de l'article 1326.
165
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
1325 ou de l'article 1326.
L'écrit visé à l'alinéa 2 mentionne, aux fins
de l'application de l'article 7, alinéa 4, la
valeur du bien gagé ou des biens gagés. "
L'écrit visé à l'alinéa 2 mentionne, aux fins
de l'application de l'article 7, alinéa 4, la
valeur du bien gagé ou des biens gagés. "
Art. 12
Art. 12
Dans la même section 1re, l'article 2079
est remplacé par l'article 7 rédigé comme
suit :
Dans la même section 1re, l'article 2079
est remplacé par l'article 7 rédigé comme
suit :
" Art. 7. Objet
" Art. 7. Objet
Le gage peut avoir pour objet un bien
mobilier corporel ou incorporel ou un
ensemble déterminé de biens de ce type.
Le gage peut avoir pour objet un bien
mobilier corporel ou incorporel, un bien
meuble par nature qui est devenu
immeuble
par
destination
ou
un
ensemble déterminé de tels biens, à
l’exception des navires et des bateaux et
bâtiments immatriculés au sens du livre
II du Code de commerce.
Sauf
disposition
restrictive
dans
la
convention de gage, le gage ayant pour
objet un fonds de commerce comprend
l'ensemble des biens qui composent le
fonds de commerce.
Sauf
disposition
restrictive
dans
la
convention de gage, le gage ayant pour
objet un fonds de commerce comprend
l'ensemble des biens qui composent le
fonds de commerce.
Sauf
disposition
restrictive
dans
la
convention de gage, le gage ayant pour
objet une exploitation agricole comprend
l'ensemble des biens qui servent à
l'exploitation.
Sauf
disposition
restrictive
dans
la
convention de gage, le gage ayant pour
objet une exploitation agricole comprend
l'ensemble des biens qui servent à
l'exploitation.
Si
le
constituant
du
gage
est
un
consommateur au sens de l'article 2, 3°, de
la loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques
du
marché
et
à
la
protection
du
consommateur, la valeur du bien gagé ou
des biens gagés ne peut excéder le double
de l'étendue du gage telle que fixée par
l'article 12.
Si
le
constituant
du
gage
est
un
consommateur au sens de l'article I.1, 2°,
du
livre
Ier
du
Code
de
droit
économique, la valeur du bien gagé ou des
biens gagés ne peut excéder le double de
l'étendue du gage telle que fixée par
l'article 12.
Seuls les biens cessibles en vertu de la loi
peuvent être donnés en gage.
Seuls les biens cessibles en vertu de la loi
peuvent être donnés en gage.
Les dispositions du présent Chapitre ne
sont applicables aux gages ayant pour
objet des droits de propriété intellectuelle
que dans la mesure où elles ne sont pas
incompatibles avec d'autres dispositions
régissant spécifiquement de tels gages. "
Les dispositions du présent Chapitre ne
sont applicables aux gages ayant pour
objet des droits de propriété intellectuelle
que dans la mesure où elles ne sont pas
incompatibles avec d'autres dispositions
régissant spécifiquement de tels gages. "
166
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 17
Art. 17
Dans la même section 1re, l'article 2084
est remplacé par l'article 12 rédigé comme
suit :
Dans la même section 1re, l'article 2084
est remplacé par l'article 12 rédigé comme
suit :
" Art. 12. Etendue
" Art. 12. Etendue
Le gage s'étend, dans les limites du
montant convenu, au principal de la
créance garantie et aux accessoires tels les
intérêts, la clause pénale et les coûts de
réalisation.
Le gage s'étend, dans les limites du
montant convenu, au principal de la
créance garantie et aux accessoires tels les
intérêts, la clause pénale et les coûts de
réalisation.
Si le constituant du gage est un
consommateur au sens de l'article 2, 3°, de
la loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques
du
marché
et
à
la
protection
du
consommateur, ces accessoires ne peuvent
toutefois pas être supérieurs à 50 % du
principal. "
Si le constituant du gage est un
consommateur au sens de l'article I.1, 2°,
du
livre
Ier
du
Code
de
droit
économique, ces accessoires ne peuvent
toutefois pas être supérieurs à 50 % du
principal au moment de la distribution
ou de l'imputation. "
Art. 19
Art. 19
Dans la même section 1re, il est inséré un
article 14 rédigé comme suit :
Dans la même section 1re, il est inséré un
article 14 rédigé comme suit :
" Art. 14. Réengagement
" Art. 14. Réengagement
Le créancier gagiste n'a pas le droit
d'engager le bien. "
Le créancier gagiste n'a pas le droit
d'engager le bien, sauf avec l'autorisation
du constituant du gage. "
Art. 20
Art. 20
Dans la même section 1re, il est inséré un
article 15 rédigé comme suit :
Dans la même section 1re, il est inséré un
article 15 rédigé comme suit :
" Art. 15. Opposabilité
" Art. 15. Opposabilité
Le gage est opposable aux tiers par un
enregistrement dans le registre des gages
effectué conformément à l'article 29,
alinéa 1er.
Le gage est opposable aux tiers par un
enregistrement dans le registre des gages
effectué conformément à l'article 29,
alinéa 1er.
L'enregistrement dans le registre des
gages est exclu pour une mise en gage de
créances
167
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
L'identification erronée du constituant du
gage prive d'effet l'enregistrement sauf si
une recherche dans le registre à partir de
l'élément d'identification correct permet de
retrouver l'inscription, sans préjudice de
l'article 29, alinéa 2.
L'identification erronée du constituant du
gage prive d'effet l'enregistrement sauf si
une recherche dans le registre à partir de
l'élément d'identification correct permet de
retrouver l'inscription, sans préjudice de
l'article 29, alinéa 2.
L'identification
erronée
du
créancier
gagiste ou de son représentant ou la
désignation erronée des biens grevés du
gage privent d'effet l'enregistrement sauf si
elles n'induisent pas gravement en erreur
une personne raisonnable effectuant une
recherche, sans préjudice de l'article 29,
alinéa 2.
L'identification
erronée
du
créancier
gagiste ou de son représentant tel que visé
à l'article 3 ou la désignation erronée des
biens grevés du gage privent d'effet
l'enregistrement sauf si elles n'induisent
pas gravement en erreur une personne
raisonnable effectuant une recherche, sans
préjudice de l'article 29, alinéa 2.
La désignation erronée des créances
garanties ou du montant maximal à
concurrence duquel elles sont garanties ne
prive pas d'effet l'enregistrement, sans
préjudice de l'article 29, alinéa 2.
La désignation erronée des créances
garanties ou du montant maximal à
concurrence duquel elles sont garanties ne
prive pas d'effet l'enregistrement, sans
préjudice de l'article 29, alinéa 2.
Le rang du gage est déterminé par l'ordre
chronologique de son enregistrement.
Le rang du gage est déterminé par l'ordre
chronologique de son enregistrement.
Le Roi fixe les modalités d'application du
présent article. "
Le Roi fixe les modalités d'application du
présent article. "
Art. 32
Art. 32
Dans la section 2 insérée par l'article 31, il
est inséré un article 26 rédigé comme suit :
Dans la section 2 insérée par l'article 31, il
est inséré un article 26 rédigé comme suit :
" Art. 26. Registre des gages
" Art. 26. Registre des gages
L'enregistrement d'un gage est effectué
dans le Registre national des Gages, appelé
registre des gages, conservé au service des
Hypothèques de l'administration générale
de la Documentation patrimoniale du
service public fédéral Finances.
L'enregistrement d'un gage et d'une
réserve de propriété est effectué dans le
Registre national des Gages, appelé
registre
des
gages,
conservé
à
l'administration
générale
de
la
Documentation patrimoniale du Service
public fédéral Finances
Le registre des gages est un système
informatisé destiné à l'enregistrement et à
la consultation de gages ainsi qu'à la
modification, au renouvellement ou à la
radiation de l'enregistrement de gages.
Le registre des gages est un système
informatisé destiné à l'enregistrement et
à la consultation de gages et de réserves
de propriété, à la modification, au
renouvellement, à la cession ou à la
radiation de l'enregistrement de gages
ou de réserves de propriété et à la
cession de rang d'un gage enregistré.
168
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Le
Roi
règle
les
modalités
de
fonctionnement du registre des gages.
Le
Roi
règle
les
modalités
de
fonctionnement du registre des gages.
Le service des Hypothèques visé à l'alinéa
1er est le responsable du traitement au sens
de la loi du 8 décembre 1992 relative à la
protection de la vie privée à l'égard des
traitements
de
données
à
caractère
personnel et est chargé de l'application des
dispositions de cette loi. "
L'administration
générale
de
la
Documentation patrimoniale du service
public fédéral Finances visé à l'alinéa 1er
est le responsable du traitement au sens de
la loi du 8 décembre 1992 relative à la
protection de la vie privée à l'égard des
traitements
de
données
à
caractère
personnel et est chargé de l'application des
dispositions de cette loi.
Les articles 27, 28, 32, 33, 34, 35, 36 et
37
s’appliquent
par
analogie
à
l'enregistrement
de
la
réserve
de
propriété. "
Art. 33
Art. 33
Dans la même section 2, il est inséré un
article 27 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 27 rédigé comme suit :
" Art. 27. Authentification
" Art. 27. Authentification
Chaque
enregistrement,
consultation,
modification,
renouvellement
ou
suppression de gages enregistrés requiert
l'authentification de l'utilisateur du registre
des gages.
Chaque
enregistrement,
consultation,
modification,
renouvellement
ou
suppression de gages enregistrés requiert
l'authentification de l'utilisateur du registre
des gages.
Le Roi détermine, après avis de la
Commission de la protection de la vie
privée,
les
modalités
de
cette
authentification. "
Le Roi détermine, après avis de la
Commission de la protection de la vie
privée,
les
modalités
de
cette
authentification. "
Art. 34
Art. 34
Dans la même section 2, il est inséré un
article 28 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 28 rédigé comme suit :
" Art. 28. Frais
" Art. 28. Frais
L'enregistrement,
la
consultation,
la
modification, le renouvellement et la
radiation de données peuvent chacun
donner lieu au paiement d'une redevance
dont le montant est fixé par le Roi.
L'enregistrement,
la
consultation,
la
modification, le renouvellement et la
radiation de données ainsi que la cession
de rang ou la cession d'un gage peuvent
chacun donner lieu au paiement d'une
redevance dont le montant est fixé par le
Roi.
169
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
La consultation du registre des gages est
gratuite pour le constituant du gage et pour
les
catégories
de
personnes
ou
d'institutions déterminées par le Roi après
avis de la Commission de la protection de
la vie privée. "
La consultation du registre des gages est
gratuite pour le constituant du gage et pour
les
catégories
de
personnes
ou
d'institutions déterminées par le Roi après
avis de la Commission de la protection de
la vie privée. "
Art. 35
Art. 35
Dans la même section 2, il est inséré un
article 29 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 29 rédigé comme suit :
" Art. 29. Enregistrement
" Art. 29. Enregistrement
Le créancier gagiste est habilité en vertu
de la convention de gage à enregistrer son
gage en inscrivant dans le registre des
gages les données visées à l'article 30
telles que celles-ci figurent dans l'écrit visé
à l'article 4, en conformité avec les
modalités fixées par le Roi après avis de la
Commission de la protection de la vie
privée.
§ 1er. Le créancier gagiste est habilité en
vertu de la convention de gage à
enregistrer son gage en inscrivant dans le
registre des gages les données visées à
l'article 30 telles que celles-ci figurent
dans l'écrit visé à l'article 4, en conformité
avec les modalités fixées par le Roi après
avis de la Commission de la protection de
la vie privée.
Le créancier gagiste répond de tout
dommage qui résulterait de l'inscription de
données erronées.
Le créancier gagiste répond de tout
dommage
qui
résulterait
de
l’enregistrement de données erronées.
Le créancier gagiste informe par écrit le
constituant du gage de l'enregistrement. "
Le créancier gagiste informe par écrit le
constituant du gage de l'enregistrement.
§ 2. Le vendeur est habilité en vertu de
la convention dans laquelle figure la
clause de réserve de propriété à
enregistrer ladite réserve de propriété
en inscrivant dans le registre des gages
les données visées à l’article 30 telles que
celles-ci figurent dans l’écrit visé à
l’article 69, en conformité avec les
modalités fixées par le Roi après avis de
la Commission de la protection de la vie
privée.
Le vendeur est responsable de tout
dommage
qui
résulterait
de
l’enregistrement de données erronées.
Le vendeur informe l'acheteur par écrit
de l'enregistrement. "
170
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 36
Art. 36
Dans la même section 2, il est inséré un
article 30 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 30 rédigé comme suit :
" Art. 30. Données à mentionner
« Art. 30. Données à mentionner
L'enregistrement d'un gage mentionne les
données suivantes :
§
1er.
L'enregistrement
du
gage
mentionne les données suivantes :
1° l'identité du créancier gagiste ou du
représentant;
1° l'identité du créancier gagiste ou du
représentant visé à l'article 3 :
a)
s’il
s’agit
d’une
personne
physique, son nom, premier ou deux
premiers prénoms, pays, code postal et
commune de sa résidence principale, et,
si
elle
en
dispose,
son
numéro
d’entreprise ;
faute
de
numéro
d’entreprise, son numéro de Registre
national, si l’utilisateur est autorisé à
utiliser ce numéro dans le cadre du
présent
chapitre,
et
sa
date
de
naissance ;
b)
s’il s’agit d’une personne morale,
son nom, forme juridique, pays, code
postal et commune du siège social et, si
elle
en
dispose,
son
numéro
d’entreprise ;
2° l'identité du constituant du gage;
2° l'identité du constituant du gage :
Les données énumérées dans le 1°, a)
ou b), selon le cas ;
3° la désignation des biens grevés du gage;
3°
le
cas
échéant,
l'identité
du
mandataire du créancier gagiste ou du
représentant visé à l'article 3 :
Les données énumérées dans le 1°, a)
ou b), selon le cas ;
4° la désignation des créances garanties;
4° la désignation des biens grevés du
gage faisant l'objet de l'enregistrement ;
5° le montant maximum à concurrence
duquel les créances sont garanties;
5° la désignation des créances garanties
faisant l'objet de l'enregistrement ;
6° la déclaration du créancier garanti selon
laquelle
il
est
responsable
de
tout
dommage qui résulterait de l'inscription de
données erronées. "
6° le montant maximum à concurrence
duquel les créances sont garanties et qui
fait l'objet de l'enregistrement ;
7° la déclaration du créancier gagiste,
du représentant tel que visé à l'article 3
171
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
ou de leur mandataire selon laquelle le
créancier gagiste ou représentant est
responsable de tout dommage qui
résulterait de l'inscription de données
erronées.
§ 2. L'enregistrement de la réserve de
propriété
mentionne
les
données
suivantes :
1° l'identité du vendeur :
Les données énumérées dans le §1er,
1°, a) ou b), selon le cas ;
2° l'identité de l'acheteur :
Les données énumérées dans le §1er,
1°, a) ou b), selon le cas ;
3°
le
cas
échéant,
l'identité
du
mandataire du vendeur :
Les données énumérées dans le §1er,
1°, a) ou b), selon le cas ;
4° la désignation des biens vendus
faisant l'objet de l'enregistrement ;
5° la désignation du prix d'achat non
payé faisant l'objet de l'enregistrement ;
6° la déclaration du vendeur ou de son
mandataire selon laquelle le vendeur est
responsable de tout dommage qui
résulterait de l'inscription de données
erronées. »
Art. 37
Art. 37
Dans la même section 2, il est inséré un
article 31 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 31 rédigé comme suit :
" Art. 31. Consultation
« Art. 31. Consultation
Les données suivantes sont consultables à
propos d'un gage enregistré :
§ 1er. Les données suivantes sont
consultables
à
propos
d'un
gage
enregistré :
1° le numéro d'enregistrement;
1° le numéro d'enregistrement ;
2° l'identité du créancier gagiste ou du
représentant;
2° l'identité du créancier gagiste ou du
représentant visé à l'article 3 ;
3° l'identité du constituant du gage;
3° l'identité du constituant du gage ;
172
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
4° la désignation des biens grevés du gage;
4°
le
cas
échéant,
l'identité
du
mandataire du créancier gagiste ou du
représentant visé à l'article 3 ;
5° la désignation des créances garanties;
5° la désignation des biens grevés du
gage
ayant
fait
l'objet
de
l'enregistrement ;
6° le montant maximum à concurrence
duquel les créances sont garanties;
6° la désignation des créances garanties
ayant fait l'objet de l'enregistrement ;
7° la déclaration du créancier garanti selon
laquelle
il
est
responsable
de
tout
dommage qui résulterait de l'inscription de
données erronées;
7° le montant maximum à concurrence
duquel les créances sont garanties et qui
a fait l'objet de l'enregistrement ;
8° la date de l'enregistrement. "
8° la déclaration du créancier gagiste,
du représentant visé à l'article 3 ou de
leur
mandataire
selon
laquelle
le
créancier
ou
représentant
est
responsable de tout dommage qui
résulterait de l'inscription de données
erronées ;
9° la date de l'enregistrement.
§
2.
Les
données
suivantes
sont
consultables à propos d'une réserve de
propriété enregistrée :
1° le numéro d'enregistrement ;
2° l'identité du vendeur ;
3° l'identité de l'acheteur ;
4°
le
cas
échéant,
l'identité
du
mandataire du vendeur ;
5° la désignation des biens vendus ayant
fait l'objet de l'enregistrement ;
6° la désignation du prix d'achat non
payé
ayant
fait
l'objet
de
l'enregistrement ;
7° la déclaration du vendeur ou de son
mandataire
que
le
vendeur
est
responsable de tout dommage qui
résulterait de l’inscription de données
erronées ;
8° la date de l'enregistrement. »
173
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 38
Art. 38
Dans la même section 2, il est inséré un
article 32 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 32 rédigé comme suit :
" Art. 32. Modification
" Art. 32. Modification
En cas de modification de la convention de
gage ou en cas de données erronées, le
créancier gagiste est habilité à modifier les
données enregistrées, conformément à la
convention et aux modalités fixées par le
Roi après avis de la Commission de la
protection de la vie privée.
En cas de modification de la convention de
gage ou en cas de données erronées, le
créancier gagiste est habilité à modifier les
données enregistrées, conformément à la
convention et aux modalités fixées par le
Roi après avis de la Commission de la
protection de la vie privée.
En cas de modification, le registre
mentionne tant l'inscription originale que
la modification.
En cas de modification, le registre
mentionne tant l'enregistrement original
que la modification.
Le créancier gagiste informe par écrit le
constituant du gage de la modification de
l'enregistrement. "
Le créancier gagiste informe par écrit le
constituant du gage de la modification de
l'enregistrement. "
Art. 39
Art. 39
Dans la même section 2, il est inséré un
article 33 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 33 rédigé comme suit :
" Art. 33. Données erronées
" Art. 33. Données erronées
Le constituant du gage a le droit de
requérir du créancier gagiste la radiation
ou la modification de données erronées.
Le constituant du gage a le droit de
requérir du créancier gagiste la radiation
ou la modification de données erronées. "
En cas de désaccord, le constituant du
gage adresse sa demande au service des
Hypothèques,
qui
vérifie
sans
frais
l'exactitude des données après avoir
recueilli l'avis du créancier gagiste. "
Art. 40
Art. 40
Dans la même section 2, il est inséré un
article 34 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 34 rédigé comme suit :
" Art. 34. Accès au registre
« Art. 34. Accès au registre
Ont accès au registre :
Toute personne a accès au registre des
gages selon les modalités fixées par le
Roi. ».
174
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
- le constituant du gage et le créancier
gagiste;
-
les
catégories
de
personnes
ou
d'institutions déterminées par le Roi après
avis de la Commission de la protection de
la vie privée.
Les
modalités
de
cet
accès
sont
déterminées par le Roi après avis de la
Commission de la protection de la vie
privée. "
Art. 41
Art. 41
Dans la même section 2, il est inséré un
article 35 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 35 rédigé comme suit :
" Art. 35. Durée
" Art. 35. Durée et renouvellement
L'enregistrement du gage expire après dix
ans. Dès ce moment, le gage cesse d'être
consultable dans le registre des gages.
L'enregistrement du gage expire après dix
ans. Dès ce moment, le gage cesse d'être
consultable dans le registre des gages.
Ce délai peut toutefois être renouvelé pour
des périodes successives de dix ans.
Ce délai peut toutefois être renouvelé pour
des périodes successives de dix ans.
Le renouvellement est effectué par une
inscription dans le registre préalablement à
l’expiration du délai de dix ans et selon les
modalités fixées par le Roi après avis de la
Commission de la protection de la vie
privée.
Le renouvellement est effectué par un
enregistrement
dans
le
registre
préalablement à l’expiration du délai de
dix ans et selon les modalités fixées par le
Roi après avis de la Commission de la
protection de la vie privée.
Ce renouvellement peut être total ou
partiel
et
peut,
le
cas
échéant,
s'accompagner d'une diminution du
montant maximum garanti et/ou de
l'importance des biens donnés en gage.
Le renouvellement mentionne le numéro
d'enregistrement de l'enregistrement à
renouveler.
La
mention
d'un
enregistrement
renouvelé indique également la date de
l'enregistrement initial.
Le créancier gagiste informe par écrit le
constituant du gage du renouvellement de
l'enregistrement. "
Le créancier gagiste informe par écrit le
constituant du gage du renouvellement de
l'enregistrement. "
175
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 42
Art. 42
Dans la même section 2, il est inséré un
article 36 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 36 rédigé comme suit :
" Art. 36. Radiation de l'enregistrement
« Art. 36. Radiation totale ou partielle de
l'enregistrement
Le créancier gagiste à l'obligation, en cas
de paiement de la dette, de veiller à ce que
l'enregistrement du gage soit radié.
§ 1er. Le créancier gagiste a l'obligation,
en cas de paiement de la dette garantie,
de veiller à ce que l'enregistrement du
gage soit radié.
Le créancier gagiste et le constituant du
gage
peuvent
de
commun
accord
demander à tout moment la radiation de
l'enregistrement du gage au service des
Hypothèques.
Si le créancier gagiste reste en défaut de
procéder à cette radiation, la radiation
peut être demandée en justice, sans
préjudice de dommages et intérêts
éventuels.
A défaut d'accord, la radiation est
demandée judiciairement, sans préjudice
de dommages et intérêts éventuels. "
§ 2. Le créancier gagiste peut procéder à
la radiation partielle du gage, que ce soit
par
la
diminution
du
montant
maximum enregistré à concurrence
duquel les créances sont garanties ou
par le retrait d'une partie des biens sur
lesquels porte le gage et qui ont fait
l'objet de l'enregistrement.
En cas de radiation partielle, le registre
indique, lors de la consultation, à la fois
l'enregistrement initial et celui qui porte
sur la radiation partielle. ».
Art. 43
Art. 43
Dans la même section 2, il est inséré un
article 37 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 37 rédigé comme suit :
" Art. 37. Cession de créance
" Art. 37. Cession de créance
L'enregistrement de la cession du gage en
cas de cession de la créance garantie
s'opère selon les modalités fixées par le
Roi après avis de la Commission de la
protection de la vie privée. Jusqu'à ce
moment,
l'enregistrement
continue
à
produire ses
effets conformément
à
l'inscription du cédant.
L'enregistrement de la cession du gage en
cas de cession de la créance garantie
s'opère selon les modalités fixées par le
Roi après avis de la Commission de la
protection de la vie privée. Jusqu'à ce
moment,
l'enregistrement
continue
à
produire ses
effets conformément
à
l'enregistrement du cédant.
L'enregistrement de la cession mentionne
l'identité du cessionnaire.
L'enregistrement de la cession mentionne
l'identité du cessionnaire. L'identité du
cessionnaire est également indiquée lors
176
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
de la consultation.
L'enregistrement de la cession doit être
effectué par le cédant. "
L'enregistrement de la cession doit être
effectué par le cédant. "
Art. 44
Art. 44
Dans la même section 2, il est inséré un
article 38 rédigé comme suit :
Dans la même section 2, il est inséré un
article 38 rédigé comme suit :
" Art. 38. Cession de rang
« Art. 38. Cession de rang
Une cession de rang n'est opposable aux
tiers que par son enregistrement selon les
modalités fixées par le Roi après avis de la
Commission de la protection de la vie
privée. "
Une cession de rang n'est opposable aux
tiers que par son enregistrement selon les
modalités fixées par le Roi après avis de la
Commission de la protection de la vie
privée.
L'enregistrement de la cession de rang
doit être effectué par celui qui cède son
rang ou son représentant tel que visé à
l’article 3 ou leur mandataire.
La consultation d'un gage enregistré
dans le registre des gages mentionne, le
cas échéant, une cession de rang
enregistrée. ».
Art. 47
Art. 47
Dans la même section 3, il est inséré un
article 40 rédigé comme suit :
Dans la même section 3, il est inséré un
article 40 rédigé comme suit :
" Art. 40. Preuve
" Art. 40. Preuve
La convention de gage peut être établie par
toutes voies de droit.
La convention de gage peut être établie par
toutes voies de droit.
Si
le
constituant
du
gage
est
un
consommateur au sens de l'article 2, 3°, de
la loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques
du
marché
et
à
la
protection
du
consommateur, il est requis pour que la
convention soit prouvée qu’un écrit soit
rédigé, selon le cas, conformément au
prescrit de l'article 1325 ou de l'article
1326. "
Si
le
constituant
du
gage
est
un
consommateur au sens de l'article I.1, 2°,
du
livre
Ier
du
Code
de
droit
économique, il est requis pour que la
convention soit prouvée qu’un écrit soit
rédigé, selon le cas, conformément au
prescrit de l'article 1325 ou de l'article
1326. "
177
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 54
Art. 54
Dans la section 4 insérée par l'article 52, il
est inséré un article 46 rédigé comme suit :
Dans la section 4 insérée par l'article 52, il
est inséré un article 46 rédigé comme suit :
" Art. 46. Constituant consommateur
" Art. 46. Constituant consommateur
Si
le
constituant
du
gage
est
un
consommateur au sens de l'article 2, 3°, de
la loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques
du
marché
et
à
la
protection
du
consommateur, le créancier gagiste ne
peut, à défaut de payement, disposer du
gage; sauf à lui à faire ordonner en justice
que ce gage lui demeurera en payement et
jusqu'à due concurrence, d'après une
estimation faite par experts, ou qu'il sera
vendu aux enchères ou de gré à gré.
Si
le
constituant
du
gage
est
un
consommateur au sens de l'article I.1, 2°,
du
livre
Ier
du
Code
de
droit
économique, le créancier gagiste ne peut,
à défaut de payement, disposer du gage;
sauf à lui à faire ordonner en justice que ce
gage lui demeurera en payement et jusqu'à
due concurrence, d'après une estimation
faite par experts, ou qu'il sera vendu aux
enchères ou de gré à gré.
Le créancier gagiste n'a pas le droit de se
porter acheteur en cas de vente de gré à
gré.
Le créancier gagiste n'a pas le droit de se
porter acheteur en cas de vente de gré à
gré.
Toute clause qui autoriserait le créancier
gagiste à s'approprier le gage ou à en
disposer sans les formalités ci-dessus, est
nulle.
Toute clause qui autoriserait le créancier
gagiste à s'approprier le gage ou à en
disposer sans les formalités ci-dessus, est
nulle.
Les articles 50 et 55 s'appliquent. "
Les articles 50 et 55 s'appliquent. "
Art. 55
Art. 55
Dans la même section 4, il est inséré un
article 47 rédigé comme suit :
Dans la même section 4, il est inséré un
article 47 rédigé comme suit :
" Art. 47. Constituant non-consommateur
" Art. 47. Constituant non-consommateur
Si le constituant du gage n'est pas un
consommateur au sens de l'article 2, 3°, de
la loi du 6 avril 2010 relative aux pratiques
du
marché
et
à
la
protection
du
consommateur, le créancier gagiste peut, à
défaut de payement, exercer son gage
conformément aux articles 48 à 56, en
vendant ou louant tout ou partie des biens
grevés du gage afin d'apurer la créance
garantie.
Si le constituant du gage n'est pas un
consommateur au sens de l'article I.1, 2°,
du
livre
Ier
du
Code
de
droit
économique, le créancier gagiste peut, à
défaut de payement, exercer son gage
conformément aux articles 48 à 56, en
vendant ou louant tout ou partie des biens
grevés du gage afin d'apurer la créance
garantie.
Après défaillance du débiteur, le créancier
gagiste a droit à la possession du bien
grevé du gage. Si le constituant du gage ou
toute personne en possession du bien grevé
Après défaillance du débiteur, le créancier
gagiste a droit à la possession du bien
grevé du gage. Si le constituant du gage ou
toute personne en possession du bien grevé
178
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
s'y opposent, le créancier gagiste doit
saisir le juge conformément à l'article 54.
s'y opposent, le créancier gagiste doit
saisir le juge conformément à l'article 54.
La réalisation doit être effectuée de bonne
foi et d'une manière économiquement
justifiée.
La réalisation doit être effectuée de bonne
foi et d'une manière économiquement
justifiée.
Le créancier gagiste ne peut restreindre ni
exclure sa responsabilité à cet égard.
Le créancier gagiste ne peut restreindre ni
exclure sa responsabilité à cet égard.
La charge de la preuve d'un manquement
du
créancier
gagiste repose sur le
constituant du gage.
La charge de la preuve d'un manquement
du créancier
gagiste repose sur le
constituant du gage.
Les parties peuvent convenir du mode de
réalisation au moment de la conclusion de
la convention de gage ou ultérieurement. "
Les parties peuvent convenir du mode de
réalisation au moment de la conclusion de
la convention de gage ou ultérieurement. "
Art. 64
Art. 64
Dans la même section 4, il est inséré un
article 56 rédigé comme suit :
Dans la même section 4, il est inséré un
article 56 rédigé comme suit :
" Art. 56. Contrôle judiciaire a posteriori
" Art. 56. Contrôle judiciaire a posteriori
Au terme de la réalisation, toute partie
intéressée peut saisir le juge lorsqu'il y a
contestation sur le mode de réalisation ou
sur l'affectation du produit.
Au terme de la réalisation, toute partie
intéressée peut saisir le juge lorsqu'il y a
contestation sur le mode de réalisation ou
sur l'affectation du produit.
L'action est introduite au plus tard dans un
délai d'un an à partir de la notification de
la fin de la réalisation, faite par le
créancier gagiste aux personnes visées à
l'article 48, alinéas 1er et 2.
L'action est introduite au plus tard dans un
délai d'un mois à partir de la notification
de la fin de la réalisation, faite par le
créancier gagiste aux personnes visées à
l'article 48, alinéas 1er et 2.
La
notification est
faite par envoi
recommandé.
La notification est
faite par envoi
recommandé.
Les intéressés à qu’il n’y est pas notifié
au sens de l’alinéa 2, introduisent leur
demande au plus tard dans un délai de
trois mois à partir de la fin de la
réalisation
La cause est introduite par citation ou par
requête contradictoire conformément aux
articles 1034bis et suivants du Code
judiciaire. "
La cause est introduite par citation ou par
requête contradictoire conformément aux
articles 1034bis et suivants du Code
judiciaire. "
179
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 66
Art. 66
Dans la section 5 insérée par l'article 64, il
est inséré un article 57 rédigé comme suit :
Dans la section 5 insérée par l'article 64, il
est inséré un article 57 rédigé comme suit :
" Art. 57. Règle d'antériorité
" Art. 57. Règle d'antériorité
Le créancier gagiste est payé par priorité à
tous les créanciers sur le produit des biens
grevés du gage, sans préjudice des articles
21 à 26 du titre XVIII du livre III du
présent Code. Le créancier gagiste jouit du
même droit que celui reconnu au voiturier
par les articles 23 et 25 du même titre.
Le droit de gage a priorité sur tous les
droits plus récents sur les biens gagés,
sans préjudice des articles 21 à 26 du
Titre XVIII du Livre III du présent
Code.
S'il y a plusieurs créanciers gagistes, leur
ordre de rang est déterminé selon la date
de l'enregistrement ou de la prise en
possession.
S'il y a plusieurs créanciers gagistes, leur
ordre de rang est déterminé selon la date
de l'enregistrement ou de la prise en
possession.
Les créanciers gagistes qui ont procédé à
l'enregistrement ou ont reçu la possession
le même jour occupent le même rang.
Les créanciers gagistes qui ont procédé à
l'enregistrement ou ont reçu la possession
le même jour occupent le même rang.
Si
les
biens
gagés
sont
devenus
immeubles, l'ordre de rang entre le
créancier
gagiste
et
un
créancier
hypothécaire
ou
privilégié
sur
les
immeubles est déterminé selon la date de
l'enregistrement et celle de l'inscription de
l'hypothèque ou du privilège. "
Si
les
biens
gagés
sont
devenus
immeubles, l'ordre de rang entre le
créancier
gagiste
et
un
créancier
hypothécaire
ou
privilégié
sur
les
immeubles est déterminé selon la date de
l'enregistrement et celle de l'inscription de
l'hypothèque ou du privilège. "
Art. 70
Art. 70
Dans le même chapitre 1er, il est inséré
une section 7 intitulée " Opposabilité par
dépossession de créance ".
Dans le même chapitre 1er, il est inséré
une section 7 intitulée " Gage sur
créances ".
Art. 72
Art. 72
Dans la même section 7, il est inséré un
article 61 rédigé comme suit :
Dans la même section 7, il est inséré un
article 61 rédigé comme suit :
" Art. 61. Preuve
" Art. 61. Preuve
La convention de gage est prouvée par un
écrit contenant la désignation précise des
créances grevées du gage et des créances
garanties. Les dispositions de la section
La convention de gage est prouvée par un
écrit contenant la désignation précise des
créances grevées du gage et des créances
garanties. Les dispositions de la section
180
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
1re relatives à la mention, dans l'écrit, du
montant maximal à concurrence duquel les
créances sont garanties, sont applicables.
1re relatives à la mention, dans l'écrit, du
montant maximal à concurrence duquel les
créances sont garanties, sont applicables.
Si le gageur est un consommateur au sens
de l'article 2, 3°, de la loi du 6 avril 2010
relative aux pratiques du marché et à la
protection du consommateur, il est requis,
pour que la convention soit prouvée, que
l'écrit
soit
rédigé,
selon
le
cas,
conformément au prescrit de l'article 1325
ou de l'article 1326, et qu'il soit clairement
fait mention du montant maximal
à
concurrence duquel les créances sont
garanties. "
Si le gageur est un consommateur au sens
de l'article I.1, 2°, du livre Ier du Code
de droit économique, il est requis, pour
que la convention soit prouvée, que l'écrit
soit rédigé, selon le cas, conformément au
prescrit de l'article 1325 ou de l'article
1326, et qu'il soit clairement fait mention
du montant maximal à concurrence duquel
les créances sont garanties. "
Art. 73
Art. 73
Dans la même section 7, il est inséré un
article 62 rédigé comme suit :
Dans la même section 7, il est inséré un
article 62 rédigé comme suit :
" Art. 62. Cession fiduciaire à titre de
sûreté
" Art. 62. Cession fiduciaire à titre de
sûreté
Une cession de créance à titre de sûreté
confère uniquement au cessionnaire un
gage sur la créance cédée. "
Une cession de créance à titre de sûreté
confère uniquement au cessionnaire un
gage sur la créance cédée et ce, que cette
cession soit ou non conforme aux
dispositions de l'article 61, sauf lorsque
le cédant est un consommateur au sens
de l'article I.1, 2°, du livre Ier du Code
de droit économique. "
Art. 81
Art. 81
Dans le même chapitre 2, l'article 2085 est
remplacé par l'article 69 rédigé comme suit
:
Dans le même chapitre 2, l'article 2085 est
remplacé par l'article 69 rédigé comme suit
:
" Art. 69. Ecrit
" Art. 69. Ecrit
Des biens meubles vendus avec une clause
suspendant
le
transfert
de
propriété
jusqu'au paiement intégral du prix peuvent
être revendiqués lorsque l'acheteur reste en
défaut de payer le prix d'achat, pour autant
que cette clause ait été établie par écrit au
plus tard au moment de la délivrance des
biens.
Des biens meubles vendus avec une clause
suspendant
le
transfert
de
propriété
jusqu'au paiement intégral du prix peuvent
être revendiqués lorsque l'acheteur reste en
défaut de payer le prix d'achat, pour autant
que cette clause ait été établie par écrit au
plus tard au moment de la délivrance des
biens.
181
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Si l'acheteur est un consommateur au sens
de l'article 2, 3°, de la loi du 6 avril 2010
relative aux pratiques du marché et à la
protection du consommateur, l'accord de
l'acheteur doit apparaître de l'écrit.
Si l'acheteur est un consommateur au sens
de l'article I.1, 2°, du livre Ier du Code
de
droit
économique,
l'accord
de
l'acheteur doit apparaître de l'écrit.
Le droit de revendication en vertu d'une
clause de réserve de propriété peut être
exercé quelle que soit la nature du contrat
dans lequel il est repris. "
Le droit de revendication en vertu d'une
clause de réserve de propriété peut être
exercé quelle que soit la nature du contrat
dans lequel il est repris. "
Art. 82
Art. 82
Dans le même chapitre 2, l'article 2086 est
remplacé par l'article 70 rédigé comme suit
:
Dans le même chapitre 2, l'article 2086 est
remplacé par l'article 70 rédigé comme suit
:
"
Art.
70.
Subrogation
réelle,
transformation et confusion.
"
Art.
70.
Subrogation
réelle,
transformation et confusion.
Les articles 9, 18 et 20 s'appliquent. "
Les articles 9, 18, 20 et 23, alinéa 1er.
s'appliquent. "
Art. 97
Art. 97
Dans l'article 7, § 1er, de la loi du 15
décembre 2004 relative aux sûretés
financières et portant des dispositions
fiscales diverses en matière de conventions
constitutives de sûreté réelle et de prêts
portant sur des instruments financiers, les
mots " les articles 1328 et 2074 du Code
civil " sont remplacés par les mots "
l'article 1328 du Code civil et l'article 61
du titre XVII du livre III du Code civil ".
[abrogé]
Dans l'article 10, § 1er, de la même loi, les
mots " conformément à l'article 2075,
alinéa 2, du Code civil " sont remplacés
par les mots " conformément à l'article 60,
alinéa 2, du titre XVII du livre III du Code
civil ".
Art. 98
Art. 98
Dans l'article 7, § 1er, de la loi du 3 août
2012 relative à des mesures diverses pour
[abrogé]
182
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
faciliter la mobilisation de créances dans le
secteur financier, les mots " et les articles
18 et 20 de la loi du 15 avril 1884 sur les
prêts agricoles " sont abrogés.
Art. 99
Art. 99
Dans l'article 23, alinéa 3, de la loi du 3
août 2012 relative à certaines formes de
gestion
collective
de
portefeuilles
d'investissement, les mots " et les articles
18 et 20 de la loi du 15 avril 1884 sur les
prêts agricoles " sont abrogés.
[abrogé]
Art. 107
Art. 107
Le créancier qui, avant l'entrée en vigueur
de la présente loi, a inscrit un gage
conformément à la loi du 25 octobre 1919
sur la mise en gage du fonds de commerce,
l'escompte et le gage de la facture, garde
son rang si, dans les douze mois après
l'entrée en vigueur de la présente loi, il a
enregistré un gage sur les biens grevés.
§ 1er. Le créancier qui, avant l'entrée en
vigueur de la présente loi, a inscrit un
gage conformément à la loi du 25
octobre 1919 sur la mise en gage du
fonds de commerce, l'escompte et le
gage de la facture, garde son rang si,
dans les douze mois après l'entrée en
vigueur de la présente loi, il a enregistré
un gage sur les biens grevés.
Le créancier qui, avant l'entrée en vigueur
de la présente loi, a inscrit un privilège
conformément à la loi du 15 avril 1884 sur
les prêts agricoles, garde son rang si, dans
les douze mois après l'entrée en vigueur de
la présente loi, il a enregistré un gage sur
les biens grevés.
Les inscriptions qui n'ont pas ou pas
encore été enregistrées dans le registre
des gages conformément à l'alinéa 1er,
peuvent
encore
être
radiées
conformément à l'article 4bis de la loi
précitée.
Les créanciers qui, avant l'entrée en
vigueur de la présente loi, sont devenus
détenteurs d'un warrant ou d'une cédule
visés dans la loi du 18 novembre 1862
portant
institution
du
système
des
warrants, gardent leurs droits après l'entrée
en vigueur de la présente loi.
§ 2. Le créancier qui, avant l'entrée en
vigueur de la présente loi, a inscrit un
privilège conformément à la loi du 15
avril 1884 sur les prêts agricoles, garde
son rang si, dans les douze mois après
l'entrée en vigueur de la présente loi, il a
enregistré un gage sur les biens grevés.
Une procuration à l'effet de constituer un
droit de gage conformément à la loi du 25
octobre 1919 sur la mise en gage du fonds
de commerce, l'escompte et le gage de la
facture
ou
un
privilège
agricole
conformément à la loi du 15 avril 1884 sur
Les inscriptions qui n'ont pas ou pas
encore été enregistrées dans le registre
des gages conformément à l’alinéa 1er,
peuvent
encore
être
radiées
conformément aux articles 19 à 22 de la
loi précitée.
183
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
les prêts agricoles s'étend également à la
conclusion d'une convention de gage
conformément à la présente loi dans les
limites de la procuration.
§ 3. Lorsque l’enregistrement dans le
registre des gages est effectué dans les
cas visés aux paragraphes 1er, alinéa 1er,
et
2,
alinéa
1er,
il
convient
de
mentionner,
outre
les
données
mentionnées à l'article 30, la date et la
référence de l'inscription existante. Si
l'inscription
existante
concerne
un
renouvellement, la date et la référence
de
l'inscription
initiale
doivent
également être mentionnées.
Par dérogation à l'article 35, cet
enregistrement ne vaut que pour la
durée résiduelle de la période courante
de dix ans durant laquelle l'inscription
de la mise en gage du fonds de
commerce ou du privilège agricole est
valable. Cet enregistrement est gratuit.
§ 4. Les créanciers qui, avant l'entrée en
vigueur de la présente loi, sont devenus
détenteurs d'un warrant ou d'une
cédule visés dans la loi du 18 novembre
1862 portant institution du système des
warrants, gardent leurs droits après
l'entrée en vigueur de la présente loi.
§ 5. Une procuration à l'effet de
constituer
un
droit
de
gage
conformément à la loi du 25 octobre
1919 sur la mise en gage du fonds de
commerce, l'escompte et le gage de la
facture
ou
un
privilège
agricole
conformément à la loi du 15 avril 1884
sur les prêts agricoles s'étend également
à la conclusion d'une convention de gage
conformément à la présente loi dans les
limites de la procuration.
§ 6. Les créanciers qui, avant l'entrée en
vigueur de la présente loi, sont devenus
détenteurs d'un gage sur des biens
incorporels autres que des créances
conservent leurs droits après l'entrée en
vigueur de la présente loi. ».
184
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 107/1
Art. 107/1
Jusqu'au
dernier
jour
inclus
du
douzième mois suivant l'entrée en
vigueur
de
la
présente
loi,
le
conservateur des hypothèques est tenu
de délivrer à tout requérant copie des
inscriptions existantes d'un acte de gage
effectuées conformément à la loi du 25
octobre 1919 sur la mise en gage du
fonds de commerce, l'escompte et le
gage de la facture à charge des
personnes désignées dans la réquisition
écrite, ou un certificat constatant qu'il
n'existe pas d'inscription.
Jusqu'au
dernier
jour
inclus
du
douzième mois suivant l'entrée en
vigueur de la présente loi, le receveur de
l'enregistrement est tenu de délivrer à
tout requérant copie des inscriptions
existantes
d'un
privilège
effectuées
conformément à la loi du 15 avril 1884
sur les prêts agricoles à charge des
personnes désignées dans la réquisition
écrite, ou un certificat constatant qu'il
n'existe pas d'inscription. Les articles
22 et 23 de cette loi du 15 avril 1884
restent
applicables
pendant
cette
période.
Art. 109
Art. 109
La présente loi entre en vigueur à une date
à fixer par le Roi, mais au plus tard le 1er
janvier 2017.
La présente loi entre en vigueur à une date
à fixer par le Roi, mais au plus tard le 1er
janvier 2018.
Le Roi peut fixer une date d'entrée en
vigueur antérieure à celle mentionnée à
l'alinéa
1er
pour
chacune
de
ses
dispositions de la présente loi.
Le Roi peut fixer une date d'entrée en
vigueur antérieure à celle mentionnée à
l'alinéa
1er
pour
chacune
de
ses
dispositions de la présente loi.
185
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Loi du 15 décembre 2004 relative aux
sûretés financières et portant des
dispositions fiscales diverses en matière
de conventions constitutives de sûreté
réelle et de prêts portant sur des
instruments financiers
Loi du 15 décembre 2004 relative aux
sûretés financières et portant des
dispositions fiscales diverses en matière
de conventions constitutives de sûreté
réelle et de prêts portant sur des
instruments financiers
Art. 3
Art. 3
Pour l'application de la présente loi, il y a
lieu d'entendre par :
Pour l'application de la présente loi, il y a
lieu d'entendre par :
1° "instrument financier" : les catégories
d'instruments visées à l'article 2, 1°, de la
loi du 2 août 2002 relative à la surveillance
du secteur financier et aux services
financiers, qu'ils soient ou non négociables
sur le marché des capitaux, un droit sur ou
relatif à un tel instrument financier, en ce
compris un droit de copropriété, de nature
incorporelle, conféré sur l'universalité
d'instruments financiers de même espèce
au sens de l'article 2, alinéa 3, de l'arrêté
royal n° 62 coordonné relatif au dépôt
d'instruments financiers fongibles et à la
liquidation
d'opérations
sur
ces
instruments ou de l'article 468, alinéa 5, du
Code des sociétés ou de l'article 3, alinéa
1er, de la loi du 2 janvier 1991 relative au
marché des titres de la dette publique et
aux instruments de la politique monétaire,
ou encore une créance relative à un tel
instrument financier;
1° "instrument financier" : les catégories
d'instruments visées à l'article 2, 1°, de la
loi du 2 août 2002 relative à la surveillance
du secteur financier et aux services
financiers, qu'ils soient ou non négociables
sur le marché des capitaux, un droit sur ou
relatif à un tel instrument financier, en ce
compris un droit de copropriété, de nature
incorporelle, conféré sur l'universalité
d'instruments financiers de même espèce
au sens de l'article 2, alinéa 3, de l'arrêté
royal n° 62 coordonné relatif au dépôt
d'instruments financiers fongibles et à la
liquidation
d'opérations
sur
ces
instruments ou de l'article 468, alinéa 5, du
Code des sociétés ou de l'article 3, alinéa
1er, de la loi du 2 janvier 1991 relative au
marché des titres de la dette publique et
aux instruments de la politique monétaire,
ou encore une créance relative à un tel
instrument financier;
2° "espèces" : les droits découlant de fonds
portés en compte quelle qu'en soit la
devise, à l'exclusion de la monnaie
fiduciaire, ainsi que les créances similaires
ouvrant le droit à la restitution d'argent;
2° "espèces" : les droits découlant de fonds
portés en compte quelle qu'en soit la
devise, à l'exclusion de la monnaie
fiduciaire, ainsi que les créances similaires
ouvrant le droit à la restitution d'argent;
3° "conventions constitutives de sûreté
réelle" : les conventions suivantes, ainsi
que les conventions similaires conclues
sous un droit étranger :
3° "conventions constitutives de sûreté
réelle" : les conventions suivantes, ainsi
que les conventions similaires conclues
sous un droit étranger :
a) les conventions de gage;
a) les conventions de gage;
b) les conventions de transfert de propriété
à titre de garantie, en ce compris les
conventions
de
cession
rétrocession
("repos");
b) les conventions de transfert de propriété
à titre de garantie, en ce compris les
conventions
de
cession
rétrocession
("repos");
186
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
4°
"conventions
de
netting"
:
les
conventions
de
novation
ou
de
compensation bilatérale ou multilatérale;
4°
"conventions
de
netting"
:
les
conventions
de
novation
ou
de
compensation bilatérale ou multilatérale;
5°
"procédure
d'insolvabilité"
:
la
faillite, la réorganisation judiciaire, le
règlement collectif de dettes ou toute autre
procédure
collective
judiciaire,
administrative ou volontaire, belge ou
étrangère, comprenant la réalisation des
actifs et la répartition du produit de cette
réalisation
entre
les
créanciers,
les
actionnaires, les associés ou les membres
selon le cas, ainsi que toute mesure
d'assainissement impliquant une autorité
administrative ou judiciaire belge ou
étrangère, destinée à préserver ou rétablir
la situation financière et qui affecte les
droits préexistants de tiers, y compris
notamment toute mesure qui comporte une
suspension des paiements, une suspension
des mesures d'exécution ou une réduction
des créances;
5°
"procédure
d'insolvabilité"
:
la
faillite, la réorganisation judiciaire, le
règlement collectif de dettes ou toute autre
procédure
collective
judiciaire,
administrative ou volontaire, belge ou
étrangère, comprenant la réalisation des
actifs et la répartition du produit de cette
réalisation
entre
les
créanciers,
les
actionnaires, les associés ou les membres
selon le cas, ainsi que toute mesure
d'assainissement impliquant une autorité
administrative ou judiciaire belge ou
étrangère, destinée à préserver ou rétablir
la situation financière et qui affecte les
droits préexistants de tiers, y compris
notamment toute mesure qui comporte une
suspension des paiements, une suspension
des mesures d'exécution ou une réduction
des créances;
6° "parties" :
6° "parties" :
a) pour les conventions visées au point 3°,
a), le créancier gagiste, le débiteur gagiste,
le tiers convenu ou le tiers constituant du
gage;
a) pour les conventions visées au point 3°,
a), le créancier gagiste, le débiteur gagiste,
le tiers convenu ou le tiers constituant du
gage;
b) pour les conventions visées au point 3°,
b), le cédant et le cessionnaire, l'acheteur à
terme et le vendeur à terme.
b) pour les conventions visées au point 3°,
b), le cédant et le cessionnaire, l'acheteur à
terme et le vendeur à terme.
7° "défaut d'exécution" : tout défaut de
paiement
ainsi
que
tout
évènement
convenu entre les parties à la convention
constitutive
de
sûreté
réelle
ou
à
l'engagement garanti ou prévu par la loi,
dont la survenance permet au bénéficiaire
d'une convention constitutive de sûreté
réelle de réaliser la sûreté;
7° "défaut d'exécution" : tout défaut de
paiement
ainsi
que
tout
évènement
convenu entre les parties à la convention
constitutive
de
sûreté
réelle
ou
à
l'engagement garanti ou prévu par la loi,
dont la survenance permet au bénéficiaire
d'une convention constitutive de sûreté
réelle de réaliser la sûreté;
8° "instruments financiers équivalents" :
des instruments financiers présentant les
mêmes caractéristiques pour le même
montant ou acceptés conventionnellement
comme tels;
8° "instruments financiers équivalents" :
des instruments financiers présentant les
mêmes caractéristiques pour le même
montant ou acceptés conventionnellement
comme tels;
9° "appel de marge" : les instruments
financiers, créances bancaires ou espèces
fournis en garantie ou transférés dans le
cadre d'une convention constitutive de
9° "appel de marge" : les instruments
financiers, créances bancaires ou espèces
fournis en garantie ou transférés dans le
cadre d'une convention constitutive de
187
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
sûreté réelle en vue d'assurer en cours de
contrat l'équilibre convenu entre les
prestations des parties ou des parties à
l'engagement
garanti,
soit
pour
une
opération déterminée, soit pour tout ou
partie de leurs opérations;
sûreté réelle en vue d'assurer en cours de
contrat l'équilibre convenu entre les
prestations des parties ou des parties à
l'engagement
garanti,
soit
pour
une
opération déterminée, soit pour tout ou
partie de leurs opérations;
10° "créances bancaires" : les créances
pécuniaires découlant d'un accord au titre
duquel :
10° "créances bancaires" : les créances
pécuniaires découlant d'un accord au titre
duquel :
- un établissement de crédit tel que défini
par la loi du 22 mars 1993 relative au
statut et au contrôle des établissements de
crédit ou une entité visée à l'article 2, §
1er, 1°, de la même loi;
- un établissement de crédit tel que défini
par la loi du 25 avril 2014 relative au
statut et au contrôle des établissements
de crédit ou une entité visée à l'article 2,
1°, de la même loi;
- une entreprise de crédit hypothécaire au
sens de la loi du 4 août 1992 relative au
crédit hypothécaire;
- une entreprise de crédit hypothécaire au
sens du livre VII, titre 4, chapitre 2, du
Code de droit économique;
- une personne ou une entreprise qui
consent des crédits visés à l'article 1er, 4°,
de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit
à la consommation;
- une personne ou une entreprise qui
consent des crédits visés à l'article I. 9,
39°, du Code de droit économique ;
- toute autre personne morale étrangère qui
appartient, dans son pays d'origine, à l'une
des catégories visées ci-dessus;
- toute autre personne morale étrangère qui
appartient, dans son pays d'origine, à l'une
des catégories visées ci-dessus;
consent un prêt ou un crédit;
consent un prêt ou un crédit;
11°
personne
morale
publique
ou
financière" :
11°
personne
morale
publique
ou
financière" :
a) un établissement de crédit au sens de la
loi du 22 mars 1993 relative au statut et au
contrôle des établissements de crédit;
a) un établissement de crédit au sens de la
loi du 25 avril 2014 relative au statut et
au contrôle des établissements de crédit;
b) une entreprise d'investissement au sens
de la loi du 6 avril 1995 relative au statut
et
au
contrôle
des
entreprises
d'investissement;
b) une entreprise d'investissement au sens
de la loi du 6 avril 1995 relative au statut
et
au
contrôle
des
entreprises
d'investissement;
c) une entreprise d'assurances au sens de la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d'assurances;
c) une entreprise d'assurances au sens de la
loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle
des entreprises d'assurances;
d) une société de gestion d'organismes de
placement collectif au sens de la Partie III
de la loi du 20 juillet 2004 relative à
certaines formes de gestion collective de
portefeuilles d'investissement;
d) une société de gestion d'organismes de
placement collectif au sens de la partie 3
de la loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui
répondent aux conditions de la Directive
2009/65/CE
et
aux
organismes
de
placement en créances;
188
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
e) un organisme de placement collectif au
sens de la Partie II de la loi du 20 juillet
2004 relative à certaines formes de gestion
collective
de
portefeuilles
d'investissement;
e) un organisme de placement collectif au
sens de la partie 2 de la loi du 3 août
2012
relative
aux
organismes
de
placement collectif qui répondent aux
conditions de la Directive 2009/65/CE et
aux
organismes
de
placement
en
créances;
f) une contrepartie centrale, un organe de
règlement
et
une
chambre
de
compensation au sens de la loi 28 avril
1999 visant à transposer la Directive
98/26/CE du 19 mai 1998 concernant le
caractère définitif du règlement dans les
systèmes de paiement et de règlement des
opérations sur titres;
f) une contrepartie centrale, un organe de
règlement
et
une
chambre
de
compensation au sens de la loi 28 avril
1999 visant à transposer la Directive
98/26/CE du 19 mai 1998 concernant le
caractère définitif du règlement dans les
systèmes de paiement et de règlement des
opérations sur titres;
g) un établissement financier au sens de la
présente loi;
g) un établissement financier au sens de la
présente loi;
h) une personne morale belge ou étrangère
visée à l'article 5 agissant en nom propre
mais pour le compte des bénéficiaires des
sûretés;
h) une personne morale belge ou étrangère
visée à l'article 5 agissant en nom propre
mais pour le compte des bénéficiaires des
sûretés;
i) une autorité publique (à l'exception des
entreprises bénéficiant d'une garantie de
l'Etat), y compris les organismes du
secteur public chargés de la gestion de la
dette publique ou intervenant dans ce
domaine et les organismes du secteur
public autorisés à détenir des comptes pour
leurs clients;
i) une autorité publique (à l'exception des
entreprises bénéficiant d'une garantie de
l'Etat), y compris les organismes du
secteur public chargés de la gestion de la
dette publique ou intervenant dans ce
domaine et les organismes du secteur
public autorisés à détenir des comptes pour
leurs clients;
j) la Banque Nationale de Belgique, la
Banque centrale européenne, la Banque
des règlements internationaux, une banque
multilatérale de développement telle que
définie à l'annexe VI, partie 1re, section 4,
de la Directive 2006/48/CE du Parlement
européen et du Conseil du 14 juin 2006
concernant
l'accès
à
l'activité
des
établissements de crédit et son exercice, le
Fonds monétaire international et la Banque
européenne d'investissement;
j) la Banque Nationale de Belgique, la
Banque centrale européenne, la Banque
des règlements internationaux, une banque
multilatérale de développement telle que
définie à l'annexe VI, partie 1re, section 4,
de la Directive 2006/48/CE du Parlement
européen et du Conseil du 14 juin 2006
concernant
l'accès
à
l'activité
des
établissements de crédit et son exercice, le
Fonds monétaire international et la Banque
européenne d'investissement;
k) toute autre personne morale étrangère
qui appartient dans son pays d'origine à
l'une des catégories visées à l'article 1.2 a)
à d) inclus de la Directive 2002/47/CE du
Parlement européen et du Conseil du 2 juin
2002 concernant les contrats de garantie
financière;
k) toute autre personne morale étrangère
qui appartient dans son pays d'origine à
l'une des catégories visées à l'article 1.2 a)
à d) inclus de la Directive 2002/47/CE du
Parlement européen et du Conseil du 2 juin
2002 concernant les contrats de garantie
financière;
189
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
12°
"établissement
financier"
:
une
entreprise qui n'est pas un établissement de
crédit et dont l'activité principale consiste
en l'acquisition de participations ou
l'exercice d'une ou plusieurs des activités
mentionnées aux points 2 à 12 inclus du
paragraphe 2 de l'article 3 de la loi du 22
mars 1993 relative au statut et au contrôle
des
établissements
de
crédit,
dont
notamment :
12°
"établissement
financier"
:
une
entreprise qui n'est pas un établissement de
crédit et dont l'activité principale consiste
en l'acquisition de participations ou
l'exercice d'une ou plusieurs des activités
mentionnées aux points 2 à 12 inclus du
paragraphe 2 de l'article 3 de la loi du 22
mars 1993 relative au statut et au contrôle
des
établissements
de
crédit,
dont
notamment :
a) une entreprise de crédit hypothécaire au
sens de la loi du 4 août 1992 relative au
crédit hypothécaire;
a) une entreprise de crédit hypothécaire au
sens du livre VII, titre 4, chapitre 2, du
Code de droit économique;
b)
une
entreprise
de
crédit
à
la
consommation au sens de la loi du 12 juin
1991 relative au crédit à la consommation;
b)
une
entreprise
de
crédit
à
la
consommation au sens du livre VII, titre
4, chapitre 1er, du Code de droit
économique;
c) une entreprise de location-financement
ou "leasing" au sens de l'arrêté royal n° 55
du 10 novembre 1967 organisant le statut
juridique des entreprises pratiquant la
location-financement;
c) une entreprise de location-financement
ou "leasing" au sens de l'arrêté royal n° 55
du 10 novembre 1967 organisant le statut
juridique des entreprises pratiquant la
location-financement;
d) un établissement de paiement ou un
établissement de monnaie électronique au
sens de la loi du 21 décembre 2009
relative au statut des établissements de
paiement et des établissements de monnaie
électronique, à l'accès à l'activité de
prestataire de services de paiement, à
l'activité
d'émission
de
monnaie
électronique et à l'accès aux systèmes de
paiement.
d) un établissement de paiement ou un
établissement de monnaie électronique au
sens de la loi du 21 décembre 2009
relative au statut des établissements de
paiement et des établissements de monnaie
électronique, à l'accès à l'activité de
prestataire de services de paiement, à
l'activité
d'émission
de
monnaie
électronique et à l'accès aux systèmes de
paiement.
Art. 4
Art. 4
§ 1er. La présente loi s'applique aux
conventions constitutives de sûreté réelle
portant :
§ 1er. La présente loi s'applique aux
conventions constitutives de sûreté réelle
portant :
1° sur des instruments financiers remis au
bénéficiaire de la garantie ou à la personne
agissant pour son compte;
1° sur des instruments financiers remis au
bénéficiaire de la garantie ou à la personne
agissant pour son compte;
2° ou sur des espèces mises en gage ou
transférées par contrat au profit du
bénéficiaire de la garantie ou de la
personne agissant pour son compte;
2° ou sur des espèces mises en gage ou
transférées par contrat au profit du
bénéficiaire de la garantie ou de la
personne agissant pour son compte;
190
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
3° ou sur des créances bancaires mises en
gage ou transférées par contrat au profit du
bénéficiaire de la garantie ou de la
personne agissant pour son compte.
3° ou sur des créances bancaires mises en
gage ou transférées par contrat au profit du
bénéficiaire de la garantie ou de la
personne agissant pour son compte.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 1°, il
suffit d'établir la livraison effective, le
transfert, la détention, l'enregistrement ou
tout autre traitement ayant pour effet que
le bénéficiaire de la garantie ou la
personne
agissant
pour
son
compte
acquiert la possession ou le contrôle des
avoirs remis en garantie.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 1°, il
suffit d'établir la livraison effective, le
transfert, la détention, l'enregistrement ou
tout autre traitement ayant pour effet que
le bénéficiaire de la garantie ou la
personne
agissant
pour
son
compte
acquiert la possession ou le contrôle des
avoirs remis en garantie.
La mise en possession d'instruments
financiers inscrits en compte peut être
établie notamment par leur inscription au
crédit d'un compte spécial ouvert au nom
du constituant ou du bénéficiaire de la
garantie ou encore d'un tiers convenu. Le
fait que les avoirs donnés en garantie sont
enregistrés
dans
les
livres
d'un
intermédiaire ne prive pas celui-ci d'agir
en qualité de partie en ce qui concerne ces
avoirs.
La mise en possession d'instruments
financiers inscrits en compte peut être
établie notamment par leur inscription
au crédit d'un compte spécial ouvert au
nom du constituant ou du bénéficiaire
de la garantie ou encore d'un tiers qui
détient la sûreté pour le compte du
bénéficiaire. Le fait que les avoirs
donnés en garantie sont enregistrés dans
les livres d'un intermédiaire ne prive
pas celui-ci d'agir en qualité de partie en
ce qui concerne ces avoirs. Lorsque les
instruments financiers sont inscrits au
crédit d'un compte spécial ouvert au
nom du bénéficiaire ou d'un tiers
agissant pour le compte de celui-ci, il
n'est pas porté atteinte à l'obligation de
possession ou de contrôle si, jusqu'à
nouvel ordre du bénéficiaire ou du tiers
agissant pour le compte de celui-ci, le
constituant de la garantie conserve des
droits de disposition définis dans la
convention constitutive de sûreté réelle.
Les instruments financiers qui ne se
présentent pas sous la forme de titres ou
de valeurs mobilières sont soumis aux
mêmes exigences que les créances
bancaires.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° et 3°,
il suffit que les espèces ou la créance
bancaire soient suffisamment déterminées
ou déterminables en vertu de la convention
constitutive de sûreté réelle.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° et 3°,
il suffit que les espèces ou la créance
bancaire soient suffisamment déterminées
ou déterminables en vertu de la convention
constitutive de sûreté réelle.
§ 2. La présente loi s'applique également
aux conventions de netting.
§ 2. La présente loi s'applique également
aux conventions de netting.
191
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§ 3. Les articles 9, 9/1, 14 et 15 de la
présente loi ne peuvent être invoqués dans
les cas mentionnés ci-après, à moins que le
créancier ne puisse se prévaloir d'un défaut
de paiement :
§ 3. Les articles 9, 9/1, 14 et 15 de la
présente loi ne peuvent être invoqués dans
les cas mentionnés ci-après, à moins que le
créancier ne puisse se prévaloir d'un défaut
de paiement :
a) quelle que soit la nature des créanciers,
dès la demande ou l'ouverture d'une
procédure de réorganisation judiciaire
d'une personne autre que celles visées à
l'article 3, 11° de la présente loi, pendant la
durée de cette procédure;
a) quelle que soit la nature des créanciers,
dès la demande ou l'ouverture d'une
procédure de réorganisation judiciaire
d'une personne autre que celles visées à
l'article 3, 11° de la présente loi, pendant la
durée de cette procédure;
b) par un créancier qui est une personne
autre que celles visées à l'article 3, 11° de
la présente loi, dès la demande ou
l'ouverture
d'une
procédure
de
réorganisation judiciaire d'une personne
morale publique ou financière, pendant la
durée de cette procédure.
b) par un créancier qui est une personne
autre que celles visées à l'article 3, 11° de
la présente loi, dès la demande ou
l'ouverture
d'une
procédure
de
réorganisation judiciaire d'une personne
morale publique ou financière, pendant la
durée de cette procédure.
Le premier alinéa ne s'applique pas :
Le premier alinéa ne s'applique pas :
a) lorsque le créancier qui se prévaut d'une
compensation ou d'une novation sur la
base d'une convention de netting ne se
prévaut
pas
également
d'une
clause
résolutoire, d'une condition résolutoire ou
de clauses et conditions de déchéance du
terme stipulées pour permettre la novation
ou la compensation;
a) lorsque le créancier qui se prévaut d'une
compensation ou d'une novation sur la
base d'une convention de netting ne se
prévaut
pas
également
d'une
clause
résolutoire, d'une condition résolutoire ou
de clauses et conditions de déchéance du
terme stipulées pour permettre la novation
ou la compensation;
b) en cas de réalisation d'une convention
constitutive de sûreté réelle visée aux
articles 8, 12 et 13 de la présente loi et en
ce qui concerne tout recours dans ce cadre
à une convention de netting ou aux clauses
et conditions résolutoires ou de déchéance
du terme stipulées pour permettre la
novation ou la compensation;
b) en cas de réalisation d'une convention
constitutive de sûreté réelle visée aux
articles 8, 12 et 13 de la présente loi et en
ce qui concerne tout recours dans ce cadre
à une convention de netting ou aux clauses
et conditions résolutoires ou de déchéance
du terme stipulées pour permettre la
novation ou la compensation;
c) aux sûretés réelles, conventions de
netting et clauses et conditions résolutoires
ou de déchéance du terme stipulées pour
permettre la novation ou la compensation,
lorsqu'elles sont conclues au sujet de
produits dérivés ou d'autres opérations
financières telles que décrites par le Roi
dans un arrêté concerté avec la Banque
Nationale de Belgique. Lors de la
rédaction
de
cette
liste
de
types
d'opérations, le Roi tient compte de
l'intérêt des mécanismes visés au premier
c) aux sûretés réelles, conventions de
netting et clauses et conditions résolutoires
ou de déchéance du terme stipulées pour
permettre la novation ou la compensation,
lorsqu'elles sont conclues au sujet de
produits dérivés ou d'autres opérations
financières telles que décrites par le Roi
dans un arrêté concerté avec la Banque
Nationale de Belgique. Lors de la
rédaction
de
cette
liste
de
types
d'opérations, le Roi tient compte de
l'intérêt des mécanismes visés au premier
192
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
alinéa pour le fonctionnement normal des
opérations concernées et pour les marchés
dans lesquels ils sont utilisés et de manière
plus générale, des pratiques de marché
belges et internationales.
alinéa pour le fonctionnement normal des
opérations concernées et pour les marchés
dans lesquels ils sont utilisés et de manière
plus générale, des pratiques de marché
belges et internationales.
§ 4. Lorsque le Roi arrête un acte de
disposition au sens de l'article 26bis, § 1er,
de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d'assurances, de
l'article 57bis, § 1er, de la loi du 22 mars
1993 relative au statut et au contrôle des
établissements de crédit ou de l'article
23bis, § 1er, de la loi du 2 août 2002
relative à la surveillance du secteur
financier et aux services financiers, les
articles 9, 9/1, 14 et 15 de la présente loi
ne
peuvent
être
invoqués
par
les
cocontractants autres que ceux visés à
l'article 3, 11° de la présente loi, à moins
que les cocontractants puissent se prévaloir
d'un défaut de paiement.
§ 4. Lorsque le Roi arrête un acte de
disposition au sens de l'article 26bis, § 1er,
de la loi du 9 juillet 1975 relative au
contrôle des entreprises d'assurances ou de
l'article 23bis, § 1er, de la loi du 2 août
2002 relative à la surveillance du secteur
financier et aux services financiers, les
articles 9, 9/1, 14 et 15 de la présente loi
ne
peuvent
être
invoqués
par
les
cocontractants autres que ceux visés à
l'article 3, 11° de la présente loi, à moins
que les cocontractants puissent se prévaloir
d'un défaut de paiement.
Le premier alinéa ne s'applique pas :
Le premier alinéa ne s'applique pas :
a) lorsque le créancier qui se prévaut d'une
compensation ou d'une novation sur la
base d'une convention de netting ne se
prévaut
pas
également
d'une
clause
résolutoire, d'une condition résolutoire ou
de clauses et conditions de déchéance du
terme stipulées pour permettre la novation
ou la compensation;
a) lorsque le créancier qui se prévaut d'une
compensation ou d'une novation sur la
base d'une convention de netting ne se
prévaut
pas
également
d'une
clause
résolutoire, d'une condition résolutoire ou
de clauses et conditions de déchéance du
terme stipulées pour permettre la novation
ou la compensation;
b) en cas de réalisation d'une convention
constitutive de sûreté réelle visée aux
articles 8, 12 et 13 de la présente loi et en
ce qui concerne tout recours dans ce cadre
à une convention de netting ou aux clauses
et conditions résolutoires ou de déchéance
du terme stipulées pour permettre la
novation ou la compensation;
b) en cas de réalisation d'une convention
constitutive de sûreté réelle visée aux
articles 8, 12 et 13 de la présente loi et en
ce qui concerne tout recours dans ce cadre
à une convention de netting ou aux clauses
et conditions résolutoires ou de déchéance
du terme stipulées pour permettre la
novation ou la compensation;
c) aux sûretés réelles, conventions de
netting et clauses et conditions résolutoires
ou de déchéance du terme stipulées pour
permettre la novation ou la compensation,
lorsqu'elles sont conclues au sujet de
produits dérivés ou d'autres opérations
financières telles que décrites par le Roi
dans un arrêté concerté avec la Banque
Nationale de Belgique. Lors de la
rédaction
de
cette
liste
de
types
c) aux sûretés réelles, conventions de
netting et clauses et conditions résolutoires
ou de déchéance du terme stipulées pour
permettre la novation ou la compensation,
lorsqu'elles sont conclues au sujet de
produits dérivés ou d'autres opérations
financières telles que décrites par le Roi
dans un arrêté concerté avec la Banque
Nationale de Belgique. Lors de la
rédaction
de
cette
liste
de
types
193
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
d'opérations, le Roi tient compte de
l'intérêt des mécanismes visés au premier
alinéa pour le fonctionnement normal des
opérations concernées et pour les marchés
dans lesquels ils sont utilisés et de manière
plus générale, des pratiques de marché
belges et internationales.
d'opérations, le Roi tient compte de
l'intérêt des mécanismes visés au premier
alinéa pour le fonctionnement normal des
opérations concernées et pour les marchés
dans lesquels ils sont utilisés et de manière
plus générale, des pratiques de marché
belges et internationales.
Art. 4/1
Art. 4/1
§ 1er. Sans préjudice du Titre III de la loi
relative au crédit hypothécaire, lorsqu'une
créance
bancaire
garantie
par
une
hypothèque ou par un privilège sur
immeuble est mise en gage ou transférée
par contrat conformément à la présente loi
et lorsque l'article 51, § 1er de la loi
relative
au
crédit
hypothécaire
ne
s'applique pas, les articles 5 et 92, alinéa 3,
de la loi hypothécaire du 16 décembre
1851 ne s'appliquent pas à cette mise en
gage ou à cette cession. Le débiteur
gagiste de la créance ou le cédant est tenu
de fournir, à la demande de tiers, les
informations nécessaires quant à l'identité
du détenteur du gage ou du cessionnaire.
§ 1er. Sans préjudice du Titre III de la loi
relative au crédit hypothécaire, lorsqu'une
créance
bancaire
garantie
par
une
hypothèque ou par un privilège sur
immeuble est mise en gage ou transférée
par contrat conformément à la présente loi
et lorsque l'article 81quater de la loi
hypothécaire du 16 décembre 1851 ne
s'applique pas, les articles 5 et 92, alinéa 3,
de la loi hypothécaire du 16 décembre
1851 ne s'appliquent pas à cette mise en
gage ou à cette cession. Le débiteur
gagiste de la créance ou le cédant est tenu
de fournir, à la demande de tiers, les
informations nécessaires quant à l'identité
du détenteur du gage ou du cessionnaire.
§ 2. Sous réserve de l'article 27 de la loi du
12 juin 1991 relative au crédit à la
consommation et de l'article 74 de la loi du
6 avril 2010 relative aux pratiques du
marché
et
à
la
protection
du
consommateur, les débiteurs d'une créance
bancaire faisant l'objet d'une mise en gage
ou d'une cession peuvent valablement
renoncer, par écrit ou par tout moyen
juridiquement équivalent, à :
§ 2. Sous réserve de l'article VII.104 du
Code de droit économique
et de
l'article VI.83
du
Code
de
droit
économique, les débiteurs d'une créance
bancaire faisant l'objet d'une mise en gage
ou d'une cession peuvent valablement
renoncer, par écrit ou par tout moyen
juridiquement équivalent, à :
- leurs droits de compensation à l'égard des
titulaires de créances bancaires et à l'égard
des personnes en faveur desquelles ce
titulaire a effectué un nantissement, une
cession ou toute autre mobilisation de la
créance bancaire donnée en garantie;
- leurs droits de compensation à l'égard des
titulaires de créances bancaires et à l'égard
des personnes en faveur desquelles ce
titulaire a effectué un nantissement, une
cession ou toute autre mobilisation de la
créance bancaire donnée en garantie;
- leurs droits découlant d'éventuelles règles
en matière de secret bancaire qui, à défaut,
auraient pour effet d'empêcher ou de
restreindre la capacité du titulaire de la
créance
bancaire
à
fournir
des
- leurs droits découlant d'éventuelles règles
en matière de secret bancaire qui, à défaut,
auraient pour effet d'empêcher ou de
restreindre la capacité du titulaire de la
créance
bancaire
à
fournir
des
194
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
informations sur la créance bancaire ou sur
le débiteur aux fins d'utiliser la créance
bancaire en garantie.
informations sur la créance bancaire ou sur
le débiteur aux fins d'utiliser la créance
bancaire en garantie.
Art. 5
Art. 5
Les conventions constitutives de sûreté
réelle conclues par un représentant de
bénéficiaires de sûretés réelles, agissant en
son propre nom, mais pour le compte
desdits
bénéficiaires,
sont
reconnues
valables et opposables aux tiers, en ce
compris ce représentant, pour autant que
l'identité des bénéficiaires de sûretés
réelles
soit
déterminable
au
moyen
desdites conventions. L'identité de ces
bénéficiaires de sûretés réelles peut varier
dans le temps sans que cela n'affecte la
sûretés réelles, notamment sa validité, son
opposabilité et son rang.
Les conventions constitutives de sûreté
réelle conclues par un représentant de
bénéficiaires de sûretés réelles, agissant en
son propre nom, mais pour le compte
desdits
bénéficiaires,
sont
reconnues
valables et opposables aux tiers, en ce
compris ce représentant, pour autant que
l'identité des bénéficiaires de sûretés
réelles
soit
déterminable
au
moyen
desdites conventions. L'identité de ces
bénéficiaires de sûretés réelles peut varier
dans le temps sans que cela n'affecte la
sûretés réelles, notamment sa validité, son
opposabilité et son rang.
Le représentant jouit de tous les droits et
prérogatives qui reviennent normalement
aux bénéficiaires pour compte de qui il
agit.
Le représentant peut exercer tous les
droits et prérogatives qui reviennent
normalement aux bénéficiaires pour le
compte desquels il agit. Ces droits font
partie du patrimoine des bénéficiaires.
Art. 7
Art. 7
§ 1er. Le gage civil visé à l'article 4 n'est
pas soumis aux obligations prévues par les
articles 1328 et 2074. du Code civil.
§ 1er. Sauf les exceptions expressément
prévues aux §§ 2 à 4, l'article 1328 et le
livre III, titre XVII, du Code civil ne
sont pas applicables aux gages sur des
instruments financiers, des espèces et
des créances bancaires.
§ 2. Les appels de marge ainsi que les
instruments financiers équivalents, espèces
ou créances bancaires substitués en cours
de
contrat
aux
avoirs
constituant
initialement l'assiette suivent le même
régime que ces avoirs remis initialement à
titre de gage. Dans le cas de créances
bancaires, le droit du constituant d'en
percevoir le produit ne porte pas atteinte à
la garantie constituée au profit de son
bénéficaire.
§ 2. Les articles suivants du livre III,
titre
XVII,
du
Code
civil
sont
applicables au gage visé à l'article 4 : les
articles 1, 5, 6, 8, 9, 10, alinéa 1er, 11,
alinéas 1er et 3, 13, 23, alinéas 1er et 3,
57, alinéa 1er, 60, alinéas 2 et 3, 63, 64,
65, 66 et 67.
195
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§ 3. Les instruments financiers, créances
bancaires ou espèces qui ne sont pas
transférables en vertu de la loi ou en
raison de leur nature ne peuvent pas
davantage être mis en gage.
§ 4. Un gage sur des instruments
financiers, des créances bancaires ou
des
espèces
est
constitué
par
la
convention conclue entre le constituant
du gage et le créancier gagiste et est
opposable
aux
tiers
lorsque
les
conditions applicables prévues à l'article
4, § 1er, sont remplies.
§ 5. Les appels de marge ainsi que les
instruments
financiers
équivalents,
espèces ou créances bancaires substitués
en
cours
de
contrat
aux
avoirs
constituant
initialement
l'assiette
suivent le même régime que ces avoirs
remis initialement à titre de gage. Dans
le cas de créances bancaires, le droit du
constituant d'en percevoir le produit ne
porte
pas
atteinte
à
la
garantie
constituée
au
profit
de
son
bénéficiaire.».
Art. 10
Art. 10
§ 1er. Sauf convention contraire, le
privilège du créancier gagiste prime le
privilège légal des intermédiaires qualifiés
et des organismes de liquidation visé à
l'article 31 de la loi du 2 août 2002 si ces
intermédiaires ou organismes ont accepté
d'inscrire sur un compte spécial dans leurs
livres au sens de l'article 4, § 1er, ledit
gage portant sur des instruments financiers
faisant l'objet du privilège légal ou ont
reconnu la mise en gage d'espèces
conformément à l'article 2075, alinéa 2, du
Code civil.
§ 1er. Sauf convention contraire, le
privilège du créancier gagiste prime le
privilège légal des intermédiaires qualifiés
et des organismes de liquidation visé à
l'article 31 de la loi du 2 août 2002 si ces
intermédiaires ou organismes ont accepté
d'inscrire sur un compte spécial dans leurs
livres au sens de l'article 4, § 1er, ledit
gage portant sur des instruments financiers
faisant l'objet du privilège légal ou ont
reconnu la mise en gage d'espèces
conformément à l’article 60, alinéa 2, du
livre III, titre XVII, du Code civil.
§ 2. Le paragraphe 1er est également
applicable en ce qui concerne le privilège
légal visé à l'article 7 de la loi du 22
février 1998 fixant le statut organique de la
Banque nationale de Belgique.
§ 2. Le paragraphe 1er est également
applicable en ce qui concerne le privilège
légal visé à l'article 7 de la loi du 22
février 1998 fixant le statut organique de la
Banque nationale de Belgique.
196
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 11
Art. 11
§ 1er. Dans la mesure où les parties en
sont convenues, le créancier gagiste peut
utiliser de quelque manière que ce soit,
comme s'il en était propriétaire, les
instruments financiers donnés en gage à
charge pour lui de substituer, au plus tard
pour la date d'exigibilité de la dette
garantie,
des
instruments
financiers
équivalents à ceux originellement donnés
en gage.
§ 1er. Dans la mesure où les parties en
sont convenues, le créancier gagiste peut
utiliser de quelque manière que ce soit,
comme s'il en était propriétaire, les
instruments financiers donnés en gage à
charge pour lui de substituer, au plus tard
pour la date d'exigibilité de la dette
garantie,
des
instruments
financiers
équivalents à ceux originellement donnés
en gage.
L'utilisation visée à l'alinéa précédent ne
porte pas atteinte aux droits du créancier
gagiste sur le gage.
L'utilisation visée à l'alinéa précédent ne
porte pas atteinte aux droits du créancier
gagiste sur le gage.
§ 2. Au plus tard à la date d'exigibilité de
la dette garantie, le créancier gagiste
substitue
aux
instruments
financiers
originellement
donnés
en
gage
des
instruments financiers équivalents ou, dans
la mesure où les parties en sont convenues,
en impute la valeur sur la créance en
principal, intérêts et frais, du créancier
gagiste
dans
le
respect
des
règles
convenues en ce qui concerne l'évaluation
des instruments financiers engagés et de la
dette garantie. Le solde éventuel revient au
débiteur gagiste ou, selon le cas, au tiers
constituant du gage.
§ 2. Au plus tard à la date d'exigibilité de
la dette garantie, le créancier gagiste
substitue
aux
instruments
financiers
originellement
donnés
en
gage
des
instruments financiers équivalents ou, dans
la mesure où les parties en sont convenues,
en impute la valeur sur la créance en
principal, intérêts et frais, du créancier
gagiste
dans
le
respect
des
règles
convenues en ce qui concerne l'évaluation
des instruments financiers engagés et de la
dette garantie. Le solde éventuel revient au
débiteur gagiste ou, selon le cas, au tiers
constituant du gage.
Les instruments financiers ainsi substitués
suivent
le
même
régime
que
les
instruments financiers donnés initialement
en gage sans qu'ils ne puissent être
considérés comme une sûreté nouvelle.
Les instruments financiers ainsi substitués
suivent
le
même
régime
que
les
instruments financiers donnés initialement
en gage sans qu'ils ne puissent être
considérés comme une sûreté nouvelle.
§ 3. A défaut pour le créancier gagiste
d'avoir satisfait à son obligation de
substituer
les
instruments
financiers
équivalents à ceux originellement donnés
en gage à la date d'exigibilité de la créance
garantie,
le
débiteur
peut
imputer,
conformément à l'article 1254. du Code
civil, la valeur des instruments financiers
initialement engagés sur la créance en
principal, intérêts et frais, du créancier
gagiste, dans le respect des règles
convenues en ce qui concerne l'évaluation
§ 3. A défaut pour le créancier gagiste
d'avoir satisfait à son obligation de
substituer
les
instruments
financiers
équivalents à ceux originellement donnés
en gage à la date d'exigibilité de la créance
garantie,
le
débiteur
peut
imputer,
conformément à l'article 1254. du Code
civil, la valeur des instruments financiers
initialement engagés sur la créance en
principal, intérêts et frais, du créancier
gagiste, dans le respect des règles
convenues en ce qui concerne l'évaluation
197
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
des instruments financiers engagés et de la
dette garantie. A défaut de telles règles, la
valorisation des instruments financiers
engagés s'effectue par référence à leur
valeur à la date d'exigibilité de la dette
garantie.
des instruments financiers engagés et de la
dette garantie. A défaut de telles règles, la
valorisation des instruments financiers
engagés s'effectue par référence à leur
valeur à la date d'exigibilité de la dette
garantie.
§ 4. Le présent article ne porte pas
préjudice à la possibilité pour les cours et
tribunaux de contrôler ultérieurement les
conditions d'évaluation des instruments
financiers donnés en garantie ou du
montant de la créance garantie.
§ 4. Le présent article ne porte pas
préjudice à la possibilité pour les cours et
tribunaux de contrôler ultérieurement les
conditions d'évaluation des instruments
financiers
donnés en garantie ou du
montant de la créance garantie.
Art. 12
Art. 12
§ 1er. L'article 1328 et les dispositions du
livre III, titre XVII du Code civil ainsi que
les dispositions du livre Ier, titre VI du
Code de commerce ne sont pas applicables
aux transferts de propriété d'instruments
financiers, d'espèces ou de créances
bancaires
en
vue
de
garantir
des
engagements,
qui
comprennent
un
engagement du cessionnaire de rétrocéder
les instruments financiers, les espèces ou
les créances bancaires cédés, ou des
instruments ou valeurs équivalents, sauf en
cas d'inexécution totale ou partielle de
l'engagement garanti.
§ 1er. L'article 1328 et les dispositions
du livre III, titre XVII, du Code civil
ainsi que les dispositions des articles 7 à
10 de la présente loi
ne sont pas
applicables aux transferts de propriété
d'instruments financiers, d'espèces ou de
créances bancaires en vue de garantir des
engagements,
qui
comprennent
un
engagement du cessionnaire de rétrocéder
les instruments financiers, les espèces ou
les créances bancaires cédés, ou des
instruments ou valeurs équivalents, sauf en
cas d'inexécution totale ou partielle de
l'engagement garanti.
Il en va de même des appels de marge
ainsi que de la substitution en cours de
contrat
de
nouveaux
instruments
financiers, autres espèces ou créances
bancaires aux avoirs cédés initialement.
Il en va de même des appels de marge
ainsi que de la substitution en cours de
contrat
de
nouveaux
instruments
financiers, autres espèces ou créances
bancaires aux avoirs cédés initialement.
§ 2. Les transferts de propriété visés au §
1er sont valables et opposables aux tiers,
en ce compris les prérogatives découlant
de la propriété permettant notamment
l'aliénation des avoirs qui en forment
l'objet ou la compensation des créances y
afférentes,
nonobstant
une
procédure
d'insolvabilité, la saisie ou la survenance
de toute situation de concours entre les
créanciers
d'une
des
parties
à
ces
conventions.
§ 2. Les transferts de propriété visés au §
1er sont valables et opposables aux tiers,
en ce compris les prérogatives découlant
de la propriété permettant notamment
l'aliénation des avoirs qui en forment
l'objet ou la compensation des créances y
afférentes,
nonobstant
une
procédure
d'insolvabilité, la saisie ou la survenance
de toute situation de concours entre les
créanciers
d'une
des
parties
à
ces
conventions.
§ 3. En cas d'inexécution totale ou partielle
de l'engagement garanti, le montant des
§ 3. En cas d'inexécution totale ou partielle
de l'engagement garanti, le montant des
198
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
espèces ou des créances bancaires ou la
valeur des instruments financiers engagés,
fixé par référence à la date d'exigibilité de
la
créance
garantie,
est
imputé(e),
conformément à l'article 1254 du Code
civil, sur la créance en principal, intérêts et
frais, du cessionnaire. Le solde éventuel
revient au cédant.
espèces ou des créances bancaires ou la
valeur des instruments financiers engagés,
fixé par référence à la date d'exigibilité de
la
créance
garantie,
est
imputé(e),
conformément à l'article 1254 du Code
civil, sur la créance en principal, intérêts et
frais, du cessionnaire. Le solde éventuel
revient au cédant.
§ 4. Le présent article ne s'applique pas
aux conventions conclues entre ou avec
des personnes physiques.
§ 4. Le présent article ne s'applique pas
aux conventions conclues entre ou avec
des personnes physiques.
Art. 13
Art. 13
§ 1er. L'article 1328 et les dispositions du
livre III, titre XVII, du Code civil et du
livre Ier, titre VI, du Code de commerce ne
sont pas applicables aux opérations de
vente
au
comptant
d'instruments
financiers,
comportant
simultanément,
entre les mêmes parties, un rachat à terme
déterminé ou indéterminé d'instruments
financiers équivalents, quelles que soient
les modalités de prix, de livraison ou
d'échéance convenues.
§ 1er. L'article 1328 et les dispositions des
articles 7 à 10 de la présente loi ne sont
pas applicables aux opérations de vente au
comptant
d'instruments
financiers,
comportant
simultanément,
entre
les
mêmes
parties,
un
rachat
à
terme
déterminé ou indéterminé d'instruments
financiers équivalents, quelles que soient
les modalités de prix, de livraison ou
d'échéance convenues.
Les appels de marge sont considérés
comme relevant des modalités de prix
afférentes aux opérations de cession-
rétrocession au sens de la présente
disposition.
Les appels de marge sont considérés
comme relevant des modalités de prix
afférentes aux opérations de cession-
rétrocession au sens de la présente
disposition.
Relèvent des modalités de livraison au
sens de la présente disposition, la
substitution en cours de contrat de
nouveaux
instruments
financiers
aux
instruments financiers livrés initialement
en exécution de la vente au comptant.
Relèvent des modalités de livraison au
sens de la présente disposition, la
substitution en cours de contrat de
nouveaux
instruments
financiers
aux
instruments financiers livrés initialement
en exécution de la vente au comptant.
§ 2. Sauf convention contraire, le non-
paiement à échéance du prix de rachat à
terme oblige le vendeur à terme à réaliser
les instruments financiers au prix le plus
avantageux et dans les meilleurs délais
possibles, compte tenu du volume des
transactions.
§ 2. Sauf convention contraire, le non-
paiement à échéance du prix de rachat à
terme oblige le vendeur à terme à réaliser
les instruments financiers au prix le plus
avantageux et dans les meilleurs délais
possibles, compte tenu du volume des
transactions.
Le produit de la réalisation de ces
instruments
financiers
est
imputé,
conformément à l'article 1254 du Code
Le produit de la réalisation de ces
instruments
financiers
est
imputé,
conformément à l'article 1254 du Code
199
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
civil, sur la créance en principal, intérêts et
frais, du vendeur à terme. Le solde
éventuel du produit de cette réalisation
revient à l'acheteur à terme.
civil, sur la créance en principal, intérêts et
frais, du vendeur à terme. Le solde
éventuel du produit de cette réalisation
revient à l'acheteur à terme.
L'exercice des droits conférés au vendeur à
terme par le présent paragraphe n'est
suspendu
ni
par
une
procédure
d'insolvabilité de sa contrepartie ni par une
saisie effectuée sur un élément de son
patrimoine ni par la survenance de toute
situation de concours entre ses créanciers.
L'exercice des droits conférés au vendeur à
terme par le présent paragraphe n'est
suspendu
ni
par
une
procédure
d'insolvabilité de sa contrepartie ni par une
saisie effectuée sur un élément de son
patrimoine ni par la survenance de toute
situation de concours entre ses créanciers.
§ 3. Sauf convention contraire, le défaut de
livraison à échéance des instruments
financiers
rachetés
à
terme
oblige
l'acheteur à terme à acquérir sur le marché
des instruments financiers équivalents, au
prix le plus avantageux et dans les
meilleurs délais possibles, compte tenu du
volume des transactions.
§ 3. Sauf convention contraire, le défaut de
livraison à échéance des instruments
financiers
rachetés
à
terme
oblige
l'acheteur à terme à acquérir sur le marché
des instruments financiers équivalents, au
prix le plus avantageux et dans les
meilleurs délais possibles, compte tenu du
volume des transactions.
Si
l'acquisition
de
tels
instruments
financiers, dans les conditions visées à
l'alinéa 1er, s'effectue à un prix inférieur
au prix convenu pour le rachat à terme, le
surplus éventuel revient au vendeur à
terme, après déduction des frais et intérêts
dus, s'il échet, à l'acheteur à terme.
Si
l'acquisition
de
tels
instruments
financiers, dans les conditions visées à
l'alinéa 1er, s'effectue à un prix inférieur
au prix convenu pour le rachat à terme, le
surplus éventuel revient au vendeur à
terme, après déduction des frais et intérêts
dus, s'il échet, à l'acheteur à terme.
L'exercice des droits conférés à l'acheteur
à terme par le présent paragraphe n'est
suspendu
ni
par
une
procédure
d'insolvabilité de sa contrepartie ni par une
saisie effectuée sur un élément de son
patrimoine ni par la survenance de toute
situation de concours entre ses créanciers.
L'exercice des droits conférés à l'acheteur
à terme par le présent paragraphe n'est
suspendu
ni
par
une
procédure
d'insolvabilité de sa contrepartie ni par une
saisie effectuée sur un élément de son
patrimoine ni par la survenance de toute
situation de concours entre ses créanciers.
Art. 15
Art. 15
§ 1er. Les conventions constitutives de
sûreté réelle et les conventions de netting
sont valables et opposables aux tiers et
peuvent donc sortir leurs effets y compris
en cas de procédure d'insolvabilité ou de
saisie ou en cas de situation de concours, si
la conclusion de ces conventions précède
le moment de l'ouverture d'une procédure
d'insolvabilité, la survenance d'une saisie
ou d'une situation de concours, ou si ces
conventions ont été conclues après ce
§ 1er. Les conventions constitutives de
sûreté réelle et les conventions de netting
sont valables et opposables aux tiers et
peuvent donc sortir leurs effets y compris
en cas de procédure d'insolvabilité ou de
saisie ou en cas de situation de concours, si
la conclusion de ces conventions précède
le moment de l'ouverture d'une procédure
d'insolvabilité, la survenance d'une saisie
ou d'une situation de concours, ou si ces
conventions ont été conclues après ce
200
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
moment, dans la mesure où la contrepartie
peut se prévaloir au moment où la
convention a été conclue d'une ignorance
légitime de l'ouverture ou de la survenance
antérieure
d'une
telle
procédure
ou
situation.
moment, dans la mesure où la contrepartie
peut se prévaloir au moment où la
convention a été conclue d'une ignorance
légitime de l'ouverture ou de la survenance
antérieure
d'une
telle
procédure
ou
situation.
§ 2. Le § 1er est également applicable en
ce qui concerne les paiements, opérations
et actes effectués en exécution des
conventions qui y sont visées et les
opérations d'appel de marge ou de
substitution visées aux articles 7, § 2, 12, §
1er, alinéa 2, 13, § 1er, alinéas 2 et 3, et
16.
§ 2. Le § 1er est également applicable en
ce qui concerne les paiements, opérations
et actes effectués en exécution des
conventions qui y sont visées et les
opérations d'appel de marge ou de
substitution visées aux articles 7, § 5, 12,
§ 1er, alinéa 2, 13, § 1er, alinéas 2 et 3, et
16.
L'alinéa 1er est applicable sans préjudice
de l'article 17, 3°, de la loi du 8 août 1997
sur les faillites pour les hypothèses où une
sûreté est consentie pour la première fois
pour garantir une dette antérieurement
contractée.
L'alinéa 1er est applicable sans préjudice
de l'article 17, 3°, de la loi du 8 août 1997
sur les faillites pour les hypothèses où une
sûreté est consentie pour la première fois
pour garantir une dette antérieurement
contractée.
§ 3. Les §§ 1er et 2 du présent article ne
s'appliquent pas aux conventions de
netting ainsi qu'aux clauses et conditions
résolutoires ou de déchéance du terme
stipulées pour permettre la novation ou la
compensation, conclues entre ou avec des
personnes physiques non commerçantes.
§ 3. Les §§ 1er et 2 du présent article ne
s'appliquent pas aux conventions de
netting ainsi qu'aux clauses et conditions
résolutoires ou de déchéance du terme
stipulées pour permettre la novation ou la
compensation, conclues entre ou avec des
personnes physiques non commerçantes.
Le § 1er du présent article reste toutefois
d'application concernant les conventions
de netting ainsi que les clauses et
conditions résolutoires ou de déchéance du
terme stipulées pour permettre la novation
ou la compensation qui ont été conclues à
un moment où la personne physique avait
la qualité de commerçant à condition que
la novation ou la compensation porte sur
au moins une créance née à un moment où
la personne physique était commerçante.
Le § 1er du présent article reste toutefois
d'application concernant les conventions
de netting ainsi que les clauses et
conditions résolutoires ou de déchéance du
terme stipulées pour permettre la novation
ou la compensation qui ont été conclues à
un moment où la personne physique avait
la qualité de commerçant à condition que
la novation ou la compensation porte sur
au moins une créance née à un moment où
la personne physique était commerçante.
L'alinéa 1er du présent paragraphe ne porte
pas préjudice au droit d'imputation sur la
créance garantie dans le cadre de la
réalisation d'une convention constitutive
de sûreté réelle.
L'alinéa 1er du présent paragraphe ne porte
pas préjudice au droit d'imputation sur la
créance garantie dans le cadre de la
réalisation d'une convention constitutive
de sûreté réelle.
201
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Loi du 3 août 2012 relative à des
mesures diverses pour faciliter la
mobilisation de créances dans le secteur
financier
Loi du 3 août 2012 relative à des
mesures diverses pour faciliter la
mobilisation de créances dans le secteur
financier
Art. 2
Art. 2
Pour l'application de la présente loi, il y a
lieu d'entendre par :
Pour l'application de la présente loi, il y a
lieu d'entendre par :
1° " la loi relative aux sûretés financières "
: la loi du 15 décembre 2004 relative aux
sûretés
financières
et
portant
des
dispositions fiscales diverses en matière de
conventions constitutives de sûreté réelle
et de prêts portant sur des instruments
financiers;
1° " la loi relative aux sûretés financières "
: la loi du 15 décembre 2004 relative aux
sûretés
financières
et
portant
des
dispositions fiscales diverses en matière de
conventions constitutives de sûreté réelle
et de prêts portant sur des instruments
financiers;
2° " créance bancaire " : une créance
bancaire au sens de l'article 3, 10°, de la
loi relative aux sûretés financières;
2° " créance bancaire " : une créance
bancaire au sens de l'article 3, 10°, de la
loi relative aux sûretés financières;
3° " personne morale publique ou
financière " : un établissement au sens de
l'article 3, 11°, de la loi relative aux sûretés
financières
et
un
organisme
de
mobilisation belge ou étranger;
3° " personne morale publique ou
financière " : un établissement au sens de
l'article 3, 11°, de la loi relative aux sûretés
financières
et
un
organisme
de
mobilisation belge ou étranger;
4° un " établissement financier " : un
établissement au sens de l'article 3, 12°, de
la loi relative aux sûretés financières;
4° un " établissement financier " : un
établissement au sens de l'article 3, 12°, de
la loi relative aux sûretés financières;
5° un " organisme de mobilisation " :
5° un " organisme de mobilisation " :
a) un organisme qui est inscrit auprès de la
FSMA en tant qu'organisme de placement
collectif en créances; ou
a) un organisme qui est inscrit auprès de la
FSMA en tant qu'organisme de placement
collectif en créances; ou
b) un organisme qui est inscrit sur la liste
des
organismes
institutionnels
de
placement en créances auprès du Service
public fédéral Finances, conformément à
l'article 108 de la loi du 20 juillet 2004
relative à certaines formes de gestion
collective
de
portefeuilles
d'investissement; ou
b) un organisme qui est inscrit sur la liste
des
organismes
institutionnels
de
placement en créances auprès du Service
public fédéral Finances, conformément à
l'article 108 de la loi du 3 août 2012 ; ou
c) les autres organismes, belges ou
étrangers :
c) les autres organismes, belges ou
étrangers :
(i) qui accomplissent et réalisent de
manière autonome l'opération de titrisation
et ceux qui participent à ce type
(i) qui accomplissent et réalisent de
manière autonome l'opération de titrisation
et ceux qui participent à ce type
202
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
d'opérations par la prise en charge de tout
ou partie des risques titrisés (appelés les
organismes d'acquisition) ou par l'émission
des valeurs mobilières destinées à en
assurer
le
financement
(appelés
les
organismes d'émission); ou
d'opérations par la prise en charge de tout
ou partie des risques titrisés (appelés les
organismes d'acquisition) ou par l'émission
des valeurs mobilières destinées à en
assurer
le
financement
(appelés
les
organismes d'émission); ou
(ii) qui acquièrent des créances ou d'autres
biens en émettant des valeurs mobilières
dont la valeur ou le rendement dépend de
ces créances ou de ces biens ou qui sur la
base d'une couverture par ces créances ou
par ces biens émettent une garantie pour le
bénéfice
des
titulaires
de
valeurs
mobilières;
(ii) qui acquièrent des créances ou d'autres
biens en émettant des valeurs mobilières
dont la valeur ou le rendement dépend de
ces créances ou de ces biens ou qui sur la
base d'une couverture par ces créances ou
par ces biens émettent une garantie pour le
bénéfice
des
titulaires
de
valeurs
mobilières;
6° " la loi du 22 mars 1993 " : la loi du 22
mars 1993 relative au statut et au contrôle
des établissements de crédit; et
6° " la loi du 25 avril 2014 ": la loi du
25 avril 2014 relative au statut et au
contrôle des établissements de crédit
6°/1 " la loi du 3 août 2012 " : la loi du 3
août 2012 relative aux organismes de
placement collectif qui répondent aux
conditions de la Directive 2009/65/CE et
aux
organismes
de
placement
en
créances ;
6°/2 " la loi du 11 juillet 2013 " : la loi
du 11 juillet 2013 modifiant le Code civil
en ce qui concerne les sûretés réelles
mobilières ; et
7° une " titrisation " : l'opération par
laquelle un organisme de mobilisation
acquiert ou assume, directement ou par
l'intermédiaire d'un autre organisme, les
risques liés à des créances, à d'autres
biens, ou à des engagements assumés par
des tiers ou inhérents à l'ensemble ou une
partie des activités réalisées par des tiers
en recueillant des moyens financiers dont
le rendement dépend de ces risques sous-
jacents.
7° une " titrisation " : l'opération par
laquelle un organisme de mobilisation
acquiert ou assume, directement ou par
l'intermédiaire d'un autre organisme, les
risques liés à des créances, à d'autres
biens, ou à des engagements assumés par
des tiers ou inhérents à l'ensemble ou une
partie des activités réalisées par des tiers
en recueillant des moyens financiers dont
le rendement dépend de ces risques sous-
jacents.
Art. 4
Art. 4
Si une ouverture de crédit n'est pas
garantie par une hypothèque, un privilège
sur immeuble, un mandat hypothécaire ou
une promesse d'hypothèque au sens de
l'article 50 de la loi du 4 août 1992 relative
Si une ouverture de crédit n'est pas
garantie par une hypothèque, un privilège
sur immeuble, un mandat hypothécaire ou
une promesse d'hypothèque au sens de
l'article 81ter de la loi hypothécaire du
203
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
au crédit hypothécaire, les dispositions
suivantes sont applicables :
16 décembre 1851, les dispositions
suivantes sont applicables :
1° une créance bancaire qui découle d'une
avance consentie dans le cadre d'une
ouverture de crédit peut être cédée;
1° une créance bancaire qui découle d'une
avance consentie dans le cadre d'une
ouverture de crédit peut être cédée;
2° dans l'hypothèse d'une cession visée au
point 1°, le cessionnaire jouit également, à
concurrence de la créance bancaire cédée,
des
privilèges
et
des
sûretés
qui
garantissent l'ouverture de crédit, sans
préjudice du montant qui restera dû en
vertu de l'ouverture du crédit;
2° dans l'hypothèse d'une cession visée au
point 1°, le cessionnaire jouit également, à
concurrence de la créance bancaire cédée,
des
privilèges
et
des
sûretés
qui
garantissent l'ouverture de crédit, sans
préjudice du montant qui restera dû en
vertu de l'ouverture du crédit;
3° sauf convention contraire entre le
cédant et le cessionnaire, la créance
bancaire cédée visée au point 1° est payée
par priorité par rapport aux créances
bancaires du chef d'avances consenties
dans le cadre de l'ouverture de crédit après
cette cession; les créances bancaires du
chef d'avances qui sont nées avant ou à la
date de la cession, sont payées au même
rang que les créances bancaires cédées à
moins que le cédant et le cessionnaire
n'aient convenu contractuellement d'un
règlement de rang ou d'une subordination;
3° sauf convention contraire entre le
cédant et le cessionnaire, la créance
bancaire cédée visée au point 1° est payée
par priorité par rapport aux créances
bancaires du chef d'avances consenties
dans le cadre de l'ouverture de crédit après
cette cession; les créances bancaires du
chef d'avances qui sont nées avant ou à la
date de la cession, sont payées au même
rang que les créances bancaires cédées à
moins que le cédant et le cessionnaire
n'aient convenu contractuellement d'un
règlement de rang ou d'une subordination;
4° le droit à l'utilisation de l'ouverture de
crédit est suspendu à concurrence du
montant de l'avance cédée restant dû par
l'emprunteur;
4° le droit à l'utilisation de l'ouverture de
crédit est suspendu à concurrence du
montant de l'avance cédée restant dû par
l'emprunteur;
5° le cédant peut à tout moment exiger que
le cessionnaire l'informe du montant dû
visé au point 4.
5° le cédant peut à tout moment exiger que
le cessionnaire l'informe du montant dû
visé au point 4.
Art. 5
Art. 5
Sauf convention contraire, lorsqu'un même
privilège, gage, gage sur fonds de
commerce, ou sûreté personnelle garantit
plusieurs
créances
bancaires,
chaque
créance garantie peut être cédée et chaque
cessionnaire jouit à concurrence de la
créance cédée de l'avantage des privilèges
et des sûretés. Sans préjudice des articles
51 à 53 de la loi du 4 août 1992 relative au
crédit hypothécaire, les règlements de rang
et les subordinations établis afin de régler
Sauf convention contraire, lorsqu'un même
privilège, gage, gage sur fonds de
commerce, ou sûreté personnelle garantit
plusieurs
créances
bancaires,
chaque
créance garantie peut être cédée et chaque
cessionnaire jouit à concurrence de la
créance cédée de l'avantage des privilèges
et des sûretés. Sans préjudice des articles
81ter à 81undecies de la loi hypothécaire
du 16 décembre 1851, les règlements de
rang et les subordinations établis afin de
204
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
l'ordre des paiements de ces créances
bancaires, y compris de tels règlements ou
subordinations en faveur d'un patrimoine
spécial d'un établissement de crédit ayant
émis des covered bonds belges, sont
opposables de plein droit à tous tiers autres
que les débiteurs des créances bancaires
subordonnées ou les débiteurs des sûretés
personnelles et seront opposables aux
débiteurs concernés dès qu'ils auront été
notifiés à ces derniers. Un tel règlement de
rang ou une telle subordination ne peut
porter préjudice aux droits acquis par des
tiers avant la date de la cession ou, le cas
échéant, avant la date du règlement de
rang ou de la subordination, sauf accord
exprès de ces tiers.
régler l'ordre des paiements de ces
créances bancaires, y compris de tels
règlements ou subordinations en faveur
d'un patrimoine spécial d'un établissement
de crédit ayant émis des covered bonds
belges, sont opposables de plein droit à
tous tiers autres que les débiteurs des
créances bancaires subordonnées ou les
débiteurs des sûretés personnelles et seront
opposables aux débiteurs concernés dès
qu'ils auront été notifiés à ces derniers. Un
tel règlement de rang ou une telle
subordination ne peut porter préjudice aux
droits acquis par des tiers avant la date de
la cession ou, le cas échéant, avant la date
du
règlement
de
rang
ou
de
la
subordination, sauf accord exprès de ces
tiers.
Art. 6
Art. 6
§ 1er. Lorsque la cession ou la mise en
gage d'une créance sur un établissement de
crédit ou un établissement financier liée à
des services visés à l'article 3, § 2, de la loi
du 22 mars 1993 a été notifiée à cet
établissement ou a été reconnue par celui-
ci, ce dernier ne peut plus invoquer à
l'égard du cessionnaire ou du créancier
gagiste, nonobstant tout lien de connexité :
§ 1er. Lorsque la cession ou la mise en
gage d'une créance sur un établissement de
crédit ou un établissement financier liée à
des services visés à l'article 4 de la loi du
25 avril 2014
a été notifiée à cet
établissement ou a été reconnue par celui-
ci, ce dernier ne peut plus invoquer à
l'égard du cessionnaire ou du créancier
gagiste, nonobstant tout lien de connexité :
1°
la
compensation
légale
ou
conventionnelle de la créance cédée ou
mise en gage si les conditions de la
compensation n'ont été remplies qu'après
la notification ou la reconnaissance;
1°
la
compensation
légale
ou
conventionnelle de la créance cédée ou
mise en gage si les conditions de la
compensation n'ont été remplies qu'après
la notification ou la reconnaissance;
2° l'exception d'inexécution par laquelle le
paiement de la créance cédée ou mise en
gage serait suspendu ou diminué si les
conditions de l'exception d'inexécution ne
sont remplies qu'après la notification ou la
reconnaissance.
2° l'exception d'inexécution par laquelle le
paiement de la créance cédée ou mise en
gage serait suspendu ou diminué si les
conditions de l'exception d'inexécution ne
sont remplies qu'après la notification ou la
reconnaissance.
§ 2. Lorsque la cession ou la mise en gage
d'une créance bancaire par ou à un
établissement de crédit, un établissement
financier ou un organisme de mobilisation
a été notifiée au débiteur ou a été reconnue
par lui, ce dernier ne peut plus invoquer la
§ 2. Lorsque la cession ou la mise en gage
d'une créance bancaire par ou à un
établissement de crédit, un établissement
financier ou un organisme de mobilisation
a été notifiée au débiteur ou a été reconnue
par lui, ce dernier ne peut plus invoquer la
205
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
compensation légale ou conventionnelle de
la créance cédée ou mise en gage à l'égard
du cessionnaire ou du créancier gagiste,
nonobstant tout lien de connexité, si les
conditions de la compensation ne sont
remplies qu'après la notification ou la
reconnaissance.
compensation légale ou conventionnelle de
la créance cédée ou mise en gage à l'égard
du cessionnaire ou du créancier gagiste,
nonobstant tout lien de connexité, si les
conditions de la compensation ne sont
remplies qu'après la notification ou la
reconnaissance.
Après la cession ou la mise en gage d'une
créance bancaire par ou à un établissement
de crédit, un établissement financier ou un
organisme de mobilisation, que la cession
ou la mise en gage ait été préalablement
notifiée au débiteur ou non, ou qu'elle ait
été reconnue par celui-ci ou non, le
débiteur ne peut plus invoquer à l'égard du
cessionnaire ou du créancier gagiste,
nonobstant tout lien de connexité, la
compensation légale ou conventionnelle si
les conditions de la compensation n'ont été
remplies qu'à l'occasion ou à la suite de la
procédure d'insolvabilité ou d'une situation
de concours relative au cédant ou au
constituant du gage.
Après la cession ou la mise en gage d'une
créance bancaire par ou à un établissement
de crédit, un établissement financier ou un
organisme de mobilisation, que la cession
ou la mise en gage ait été préalablement
notifiée au débiteur ou non, ou qu'elle ait
été reconnue par celui-ci ou non, le
débiteur ne peut plus invoquer à l'égard du
cessionnaire ou du créancier gagiste,
nonobstant tout lien de connexité, la
compensation légale ou conventionnelle si
les conditions de la compensation n'ont été
remplies qu'à l'occasion ou à la suite de la
procédure d'insolvabilité ou d'une situation
de concours relative au cédant ou au
constituant du gage.
§ 3. Lorsque la cession ou la mise en gage
d'une créance bancaire par ou à un
établissement de crédit, un établissement
financier ou un organisme de mobilisation
a été notifiée au débiteur ou a été reconnue
par le débiteur, ce dernier ne peut plus
invoquer à l'égard du cessionnaire ou du
créancier gagiste, nonobstant tout lien de
connexité, l'exception d'inexécution par
laquelle le paiement de la créance cédée ou
mise en gage serait suspendu ou diminué si
les conditions de l'exception d'inexécution
ne sont remplies qu'après la notification ou
la reconnaissance.
§ 3. Lorsque la cession ou la mise en gage
d'une créance bancaire par ou à un
établissement de crédit, un établissement
financier ou un organisme de mobilisation
a été notifiée au débiteur ou a été reconnue
par le débiteur, ce dernier ne peut plus
invoquer à l'égard du cessionnaire ou du
créancier gagiste, nonobstant tout lien de
connexité, l'exception d'inexécution par
laquelle le paiement de la créance cédée ou
mise en gage serait suspendu ou diminué si
les conditions de l'exception d'inexécution
ne sont remplies qu'après la notification ou
la reconnaissance.
Après la cession ou la mise en gage d'une
créance bancaire par ou à un établissement
de crédit, un établissement financier ou un
organisme de mobilisation, que la cession
ait été préalablement notifiée au débiteur
ou non, ou que celui-ci l'ait reconnue ou
non, le débiteur ne peut plus invoquer à
l'égard du cessionnaire ou du créancier
gagiste, nonobstant tout lien de connexité,
l'exception d'inexécution par laquelle le
paiement de la créance cédée ou mise en
gage serait suspendu ou diminué si les
Après la cession ou la mise en gage d'une
créance bancaire par ou à un établissement
de crédit, un établissement financier ou un
organisme de mobilisation, que la cession
ait été préalablement notifiée au débiteur
ou non, ou que celui-ci l'ait reconnue ou
non, le débiteur ne peut plus invoquer à
l'égard du cessionnaire ou du créancier
gagiste, nonobstant tout lien de connexité,
l'exception d'inexécution par laquelle le
paiement de la créance cédée ou mise en
gage serait suspendu ou diminué si les
206
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
conditions de l'exception d'inexécution
n'ont été remplies qu'à l'occasion ou à la
suite de la procédure d'insolvabilité ou
d'une situation de concours relative au
cédant ou au constituant du gage.
conditions de l'exception d'inexécution
n'ont été remplies qu'à l'occasion ou à la
suite de la procédure d'insolvabilité ou
d'une situation de concours relative au
cédant ou au constituant du gage.
§ 4. Ne sont pas applicables :
§ 4. Ne sont pas applicables :
1° le § 1er, au cas où le cédant ou le
constituant du gage est une personne
morale publique ou financière et que
l'établissement de crédit ou l'établissement
financier peut invoquer une convention de
netting au sens de la loi relative aux
sûretés financières qui fait partie d'une
convention constitutive de sûreté réelle au
sens de la loi relative aux sûretés
financières ou d'une convention qui
contient une sûreté réelle;
1° le § 1er, au cas où le cédant ou le
constituant du gage est une personne
morale publique ou financière et que
l'établissement de crédit ou l'établissement
financier peut invoquer une convention de
netting au sens de la loi relative aux
sûretés financières qui fait partie d'une
convention constitutive de sûreté réelle au
sens de la loi relative aux sûretés
financières ou d'une convention qui
contient une sûreté réelle;
2° les §§ 2 et 3 au cas où le débiteur de la
créance cédée ou mise en gage peut
invoquer l'article 27 de la loi du 12 juin
1991 relative au crédit à la consommation;
2° les §§ 2 et 3 au cas où le débiteur de la
créance cédée ou mise en gage peut
invoquer l'article VII.104 du Code de
droit économique;
3° le § 2 en ce qui concerne la
compensation conventionnelle, au cas où
le débiteur est une personne morale
publique ou financière qui peut invoquer
une convention de netting au sens de la loi
relative aux sûretés financières qui fait
partie d'une convention constitutive de
sûreté réelle ou d'une convention qui
contient une telle sûreté réelle.
3° le § 2 en ce qui concerne la
compensation conventionnelle, au cas où
le débiteur est une personne morale
publique ou financière qui peut invoquer
une convention de netting au sens de la loi
relative aux sûretés financières qui fait
partie d'une convention constitutive de
sûreté réelle ou d'une convention qui
contient une telle sûreté réelle.
§ 5. Les dispositions des §§ 1er à 5 ne font
pas obstacle à la compensation qui serait
invoquée ou effectuée en vue de la
réalisation d'un nantissement ou d'une
autre sûreté réelle qui grèverait la créance
à compenser.
§ 5. Les dispositions des §§ 1er à 5 ne font
pas obstacle à la compensation qui serait
invoquée ou effectuée en vue de la
réalisation d'un nantissement ou d'une
autre sûreté réelle qui grèverait la créance
à compenser.
Art. 7
Art. 7
§ 1er. Sans préjudice de l'article 22, alinéa
3, de la loi du 20 juillet 2004 relative à
certaines formes de gestion collective de
portefeuilles d'investissement, lorsqu'une
créance bancaire est cédée à ou par un
établissement de crédit, un établissement
financier ou un organisme de mobilisation,
§ 1er. Sans préjudice de l'article 271/8,
alinéa 1er, de la loi du 3 août 2012,
lorsqu'une créance bancaire est cédée à
ou par un établissement de crédit, un
établissement financier ou un organisme
de mobilisation, les articles 1328 du
Code civil, VII.103 du Code de droit
207
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
les articles 1328 du Code civil, 26 de la loi
du 12 juin 1991 relative au crédit à la
consommation, 8 du Chapitre II, Titre Ier
du Livre II du Code de Commerce et les
articles 18 et 20 de la loi du 15 avril 1884
sur les prêts agricoles, ne s'appliquent pas
à cette cession. Ces mêmes dispositions ne
s'appliquent pas à la mise en gage d'une
créance au profit de ou par un tel
établissement ou organisme.
économique, 8 du livre II, titre Ier,
chapitre II, du Code de commerce, ainsi
que l'article 23, alinéa 2, du livre III,
titre XVII, section 1re, du Code civil ne
s'appliquent pas à cette cession. Ces
mêmes dispositions ne s'appliquent pas
à la mise en gage d'une créance au
profit de ou par un tel établissement ou
organisme.
§ 2. Sans préjudice de l'article 22, alinéa 4,
de la loi du 20 juillet 2004 relative à
certaines formes de gestion collective de
portefeuilles d'investissement, lorsqu'une
créance bancaire est cédée à ou par un
établissement de crédit, un établissement
financier ou un organisme de mobilisation,
le cessionnaire acquiert, par le simple
respect des prescriptions du Livre III, Titre
VI, Chapitre VIII du Code civil, tous les
droits
découlant
des
conventions
d'assurance dont le cédant dispose comme
garantie pour ou en relation avec les
créances cédées. Une mise en gage de ces
mêmes droits au profit de ou par un tel
établissement, organisme ou patrimoine
spécial résulte du simple respect des
prescriptions du Livre III, Titre XVII du
Code Civil ou du Titre VI, Livre I du Code
de Commerce.
§ 2. Sans préjudice de l'article 271/8,
alinéa 2, de la loi du 3 août 2012,
lorsqu'une créance bancaire est cédée à
ou par un établissement de crédit, un
établissement financier ou un organisme
de mobilisation, le cessionnaire acquiert,
par le simple respect des prescriptions
du livre III, titre VI, chapitre VIII du
Code civil, tous les droits découlant des
conventions d'assurance dont le cédant
dispose comme garantie pour ou en
relation avec les créances cédées. Une
mise en gage de ces mêmes droits au
profit de ou par un tel établissement,
organisme ou patrimoine spécial résulte
du simple respect des dispositions de
l'article 7 de la loi relative aux sûretés
financières.
§ 3. Un mandat de constituer un gage sur
fonds de commerce est, sauf clause
contraire
expresse
dans
le
mandat,
considéré de plein droit comme stipulé au
profit des successeurs à titre universel ou
particulier du titulaire de la créance
bancaire garantie, en ce compris les
cessionnaires de la créance bancaire. A
condition que le créancier originel ait
répondu, au moment de la première
cession, aux critères légaux pour devenir le
titulaire d'un gage sur fonds de commerce,
les cessionnaires ultérieurs de la créance
bancaire et des droits relatifs au mandat,
ne sont pas soumis au respect de ces
critères légaux.
§ 3. Un mandat de constituer un gage sur
fonds de commerce est, sauf clause
contraire
expresse
dans
le
mandat,
considéré de plein droit comme stipulé au
profit des successeurs à titre universel ou
particulier du titulaire de la créance
bancaire garantie, en ce compris les
cessionnaires de la créance bancaire.
Lorsqu'une créance bancaire est cédée à ou
par un établissement de crédit, un
établissement financier ou un organisme
Lorsqu'une créance bancaire est cédée à ou
par un établissement de crédit, un
établissement financier ou un organisme
208
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
de mobilisation, le cessionnaire acquiert,
sauf convention contraire entre le cédant et
le cessionnaire, les droits dont jouit le
cédant au titre du mandat et ce, à
concurrence de la créance cédée. Le
cessionnaire
peut,
sauf
convention
contraire entre le cédant et le cessionnaire,
exercer ces droits à l'égard du mandant et
envers les mandataires désignés dans le
mandat. Sur la base du mandat, le gage sur
fonds de commerce peut être constitué au
profit du cessionnaire avant que le ou les
mandant(s) et le débiteur des obligations
cédées aient connaissance de la cession.
de mobilisation, le cessionnaire acquiert,
sauf convention contraire entre le cédant et
le cessionnaire, les droits dont jouit le
cédant au titre du mandat et ce, à
concurrence de la créance cédée. Le
cessionnaire
peut,
sauf
convention
contraire entre le cédant et le cessionnaire,
exercer ces droits à l'égard du mandant et
envers les mandataires désignés dans le
mandat. Sur la base du mandat, le gage sur
fonds de commerce peut être constitué au
profit du cessionnaire avant que le ou les
mandant(s) et le débiteur des obligations
cédées aient connaissance de la cession.
Lorsqu'une ou plusieurs créances qui sont
garanties
par
un
mandat
sont,
préalablement à la constitution de ce gage
sur fonds de commerce, cédées à ou par un
établissement de crédit, un établissement
financier ou un organisme de mobilisation,
le gage qui est constitué en exécution du
mandat garantit, sauf convention contraire
entre le cédant et le cessionnaire, non
seulement les créances existantes et futures
du
cédant
décrites
dans
l'acte
d'hypothèque, mais garantit aussi de plein
droit
les
créances
qui
ont
été
précédemment cédées par le cédant au
cessionnaire. Le gage peut, au choix, être
inscrit, soit au seul nom du cédant, soit au
nom du cédant et du cessionnaire, soit au
seul nom du cessionnaire. Quel que soit le
choix
du
mode
d'inscription,
le
cessionnaire jouit des droits en vertu du
gage à concurrence de la (des) créance(s)
qui lui a (ont) été cédée(s) et il peut
exercer ces droits à l'égard de celui qui
consent le gage et à l'égard des tiers.
Lorsqu'une ou plusieurs créances qui sont
garanties
par
un
mandat
sont,
préalablement à la constitution de ce gage
sur fonds de commerce, cédées à ou par un
établissement de crédit, un établissement
financier ou un organisme de mobilisation,
le gage qui est constitué en exécution du
mandat garantit, sauf convention contraire
entre le cédant et le cessionnaire, non
seulement les créances existantes et futures
du
cédant
décrites
dans
l'acte
d'hypothèque, mais garantit aussi de plein
droit
les
créances
qui
ont
été
précédemment cédées par le cédant au
cessionnaire. Le gage peut, au choix, être
inscrit, soit au seul nom du cédant, soit au
nom du cédant et du cessionnaire, soit au
seul nom du cessionnaire. Quel que soit le
choix
du
mode
d'inscription,
le
cessionnaire jouit des droits en vertu du
gage à concurrence de la (des) créance(s)
qui lui a (ont) été cédée(s) et il peut
exercer ces droits à l'égard de celui qui
consent le gage et à l'égard des tiers.
§ 4. Les dispositions de l'article 5 et de
l'article 3, § 3, sont applicables par
analogie en ce qui concerne les gages
enregistrés ou dont l'enregistrement est
envisagé conformément au livre III,
titre XVII, section 2, du Code civil et les
termes
"inscription"
ou
"inscrit"
renvoient à l'enregistrement prévu dans
ladite section.
§ 5. Lorsqu'une ou plusieurs créances
garanties
sont,
préalablement
à
209
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
l'enregistrement, cédées à ou par un
établissement
de
crédit,
un
établissement financier ou un organisme
de mobilisation, un gage ou un privilège
enregistré conformément à l'article 107,
alinéa 1er ou 3, de la loi du 11 juillet
2003 modifiant le Code civil en ce qui
concerne les sûretés réelles mobilières et
abrogeant diverses dispositions en cette
matière peut, au choix, être enregistré
soit au seul nom du cédant, soit au nom
du cédant et du cessionnaire, soit au seul
nom du cessionnaire. Quel que soit le
choix du mode d'enregistrement, le
cessionnaire jouit des droits en vertu du
gage
à
concurrence
de
la
(des)
créance(s) qui lui est (sont) cédée(s) et il
peut exercer ces droits à l'égard de celui
qui consent le gage et à l'égard des tiers.
Art. 8
Art. 8
§ 1er. La cession de créances bancaires,
d'instruments
financiers
et
de
leurs
accessoires ou autres droits y relatifs par
ou à un établissement de crédit émetteur de
covered bonds belges, qui en vertu d'une
convention de cession est stipulée comme
une cession contre un prix :
§ 1er. La cession de créances bancaires,
d'instruments
financiers
et
de
leurs
accessoires ou autres droits y relatifs par
ou à un établissement de crédit émetteur de
covered bonds belges, qui en vertu d'une
convention de cession est stipulée comme
une cession contre un prix :
1° sera considérée comme une vente de
ces actifs si la cession a lieu dans le cadre
de ou en vue de l'émission de covered
bonds
belges
ou
d'un
programme
d'émission de covered bonds belges;
1° sera considérée comme une vente de
ces actifs si la cession a lieu dans le cadre
de ou en vue de l'émission de covered
bonds
belges
ou
d'un
programme
d'émission de covered bonds belges;
2° est valable et opposable aux tiers et peut
donc sortir ses effets y compris en cas de
procédure d'insolvabilité ou de saisie ou en
cas de situation de concours, si la cession
précède le moment de l'ouverture d'une
procédure d'insolvabilité, la survenance
d'une saisie ou d'une situation de concours,
ou si la cession s'est réalisée après ce
moment, si la contrepartie peut se
prévaloir au moment où la convention a
été conclue d'une ignorance légitime de
l'ouverture ou de la survenance antérieure
d'une telle procédure ou situation.
2° est valable et opposable aux tiers et peut
donc sortir ses effets y compris en cas de
procédure d'insolvabilité ou de saisie ou en
cas de situation de concours, si la cession
précède le moment de l'ouverture d'une
procédure d'insolvabilité, la survenance
d'une saisie ou d'une situation de concours,
ou si la cession s'est réalisée après ce
moment, si la contrepartie peut se
prévaloir au moment où la convention a
été conclue d'une ignorance légitime de
l'ouverture ou de la survenance antérieure
d'une telle procédure ou situation.
210
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
§ 2. L'enregistrement d'un actif visé à
l'article 64/20, § 2, de la loi du 22 mars
1993 par un établissement de crédit
émetteur de covered bonds belges est
valable et opposable aux tiers et peut donc
sortir ses effets si l'enregistrement :
§ 2. L'enregistrement d'un actif visé à
l'article 15, § 2, de l'annexe III à la loi
du 25 avril 2014 par un établissement de
crédit émetteur de covered bonds belges
est valable et opposable aux tiers et peut
donc sortir ses effets si l'enregistrement :
a) précède le moment de l'ouverture d'une
procédure d'insolvabilité, la survenance
d'une saisie ou d'une situation de concours;
ou
a) précède le moment de l'ouverture d'une
procédure d'insolvabilité, la survenance
d'une saisie ou d'une situation de concours;
ou
b) a été réalisé le jour même de l'ouverture
de la procédure d'insolvabilité pour autant
que l'établissement puisse se prévaloir
d'une ignorance légitime de l'ouverture de
la procédure d'insolvabilité.
b) a été réalisé le jour même de l'ouverture
de la procédure d'insolvabilité pour autant
que l'établissement puisse se prévaloir
d'une ignorance légitime de l'ouverture de
la procédure d'insolvabilité.
§ 3. Les articles 8, alinéa 8, 17 et 18, de la
loi sur les faillites du 8 août 1997 ne sont
pas applicables aux cessions visées au §
1er, ni aux enregistrements visés au § 2.
§ 3. Les articles 8, alinéa 8, 17 et 18, de la
loi sur les faillites du 8 août 1997 ne sont
pas applicables aux cessions visées au §
1er, ni aux enregistrements visés au § 2.
§ 4. Il ne peut être porté atteinte à
l'opposabilité d'une cession ou d'un
enregistrement d'actifs visés aux §§ 1er et
2 qu'en application de l'article 1167 du
Code civil ou en application de l'article 20
de la loi sur les faillites du 8 août 1997.
§ 4. Il ne peut être porté atteinte à
l'opposabilité d'une cession ou d'un
enregistrement d'actifs visés aux §§ 1er et
2 qu'en application de l'article 1167 du
Code civil ou en application de l'article 20
de la loi sur les faillites du 8 août 1997.
Art. 9
Art. 9
§ 1er. L'enregistrement d'une créance
bancaire conformément à l'article 64/20, §
2, de la loi du 22 mars 1993 ou le retrait
d'une créance de ce registre pour un
remploi dans le patrimoine général de
l'établissement de crédit émetteur de
covered bonds belges pour lesquels le
registre est tenu, est traité de la même
manière qu'une cession de ces créances
pour
l'application
des
dispositions
contenues dans les articles 2 à 7. Le
patrimoine spécial a alors la qualité de
cessionnaire en cas d'enregistrement et la
qualité de cédant en cas de retrait du
registre.
§ 1er. L'enregistrement d'une créance
bancaire conformément à l'article 15, §
2,
de
l'annexe
III
à
la loi du
25 avril 2014 ou le retrait d'une créance de
ce registre pour un remploi dans le
patrimoine général de l'établissement de
crédit émetteur de covered bonds belges
pour lesquels le registre est tenu, est traité
de la même manière qu'une cession de ces
créances pour l'application des dispositions
contenues dans les articles 2 à 7. Le
patrimoine spécial a alors la qualité de
cessionnaire en cas d'enregistrement et la
qualité de cédant en cas de retrait du
registre.
§ 2. Si le retrait du registre a lieu suite à
une cession de créances bancaires à un
cessionnaire autre que l'établissement de
§ 2. Si le retrait du registre a lieu suite à
une cession de créances bancaires à un
cessionnaire autre que l'établissement de
211
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
crédit émetteur de covered bonds belges
pour lesquels le registre est tenu, les
dispositions des articles 2 à 7 sont
applicables à la cession au cessionnaire et
le
retrait
constitue
un
simple
acte
d'exécution relatif à cette cession.
crédit émetteur de covered bonds belges
pour lesquels le registre est tenu, les
dispositions des articles 2 à 7 sont
applicables à la cession au cessionnaire et
le
retrait
constitue
un
simple
acte
d'exécution relatif à cette cession.
§ 3. L'enregistrement ou le retrait d'un actif
du registre constitue la preuve à part
entière de l'enregistrement ou du retrait de
l'actif en question du patrimoine spécial
auquel se rapporte ce registre, ainsi que de
la date de cet enregistrement ou de ce
retrait, si le registre est tenu conformément
aux dispositions de l'article 64/20, § 2, de
la loi du 22 mars 1993 et des arrêtés
d'exécution concernés, pris sur la base de
l'article 64/20, § 3, de la loi du 22 mars
1993.
§ 3. L'enregistrement ou le retrait d'un actif
du registre constitue la preuve à part
entière de l'enregistrement ou du retrait de
l'actif en question du patrimoine spécial
auquel se rapporte ce registre, ainsi que de
la date de cet enregistrement ou de ce
retrait,
si
le
registre
est
tenu
conformément
aux
dispositions
de
l'article 15, § 2, de l'annexe III à la loi
du 25 avril 2014 et des arrêtés
d'exécution concernés, pris sur la base
de l'article 15, § 2, de l'annexe III à la
loi du 25 avril 2014.
Code des droits d'enregistrement,
d'hypothèque et de greffe
Code des droits d'enregistrement,
d'hypothèque et de greffe
Art. 29
Art. 29
Hors le cas prévu par l'article 173, 1°,
aucune transcription, inscription, radiation
ou mention marginale soit dans les
registres
des
conservateurs
des
hypothèques, soit dans les registres aux
inscriptions du privilège agricole, ne peut
être effectuée en vertu d'actes qui n'ont pas
été préalablement enregistrés.
Hors le cas prévu par l'article 173, 1°,
aucune transcription, inscription, radiation
ou mention marginale dans les registres
des conservateurs des hypothèques ne
peut être effectuée en vertu d'actes qui
n'ont pas été préalablement enregistrés.
Titre I : Droit d'enregistrement
Titre I : Droit d'enregistrement
Chapitre IV : Fixation des droits
Chapitre IV : Fixation des droits
Section VI : Constitutions d'hypothèque,
de gage sur fonds de commerce ou de
privilège agricole
Section VI : Constitutions d'hypothèque
212
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 88
Art. 88
Sont assujetties à un droit de 0,50 p.c. :
Les constitutions d'hypothèque sur un
navire qui n'est pas destiné par nature
au transport maritime, sont assujetties à
un droit de 0,50 p.c.
- les constitutions d'hypothèque sur un
navire qui n'est pas destiné par nature au
transport maritime;
- les constitutions d'un gage sur fonds de
commerce; et
- les constitutions d'un privilège agricole.
Art. 89
Art. 89
Les droits établis par les articles 87 et 88
sont
applicables
même
lorsque
l'hypothèque, le gage ou le privilège sont
constitués pour sûreté d'une dette future,
d'une dette conditionnelle ou éventuelle ou
d'une obligation de faire.
Les droits établis par les articles 87 et 88
sont
applicables
même
lorsque
l'hypothèque est constituée pour sûreté
d'une
dette
future,
d'une
dette
conditionnelle ou éventuelle ou d'une
obligation de faire.
Art. 91
Art. 91
La constitution d'une hypothèque sur un
immeuble situé en Belgique pour sûreté
d'une dette garantie par une hypothèque
sur un navire qui n'est pas destiné par
nature au transport maritime, par un gage
sur fonds de commerce ou par un privilège
agricole est assujettie au droit de 1 p.c.
sous déduction, le cas échéant, du droit de
0,50 p.c. perçu en vertu de l'article 88.
La constitution d'une hypothèque sur un
immeuble situé en Belgique pour sûreté
d'une dette garantie par une hypothèque
sur un navire qui n'est pas destiné par
nature au transport maritime, est assujettie
au droit de 1 p.c. sous déduction, le cas
échéant, du droit de 0,50 p.c. perçu en
vertu de l'article 88.
Art. 92/1
Art. 92/1
Sans préjudice de l'article 91, le droit visé
aux articles 87 et 88 couvre toute
constitution d'hypothèque, de gage ou de
privilège agricole qui serait consentie dans
la suite pour sûreté d'une même créance et
du même montant garanti.
Sans préjudice de l'article 91, le droit visé
aux articles 87 et 88 couvre toute
constitution
d'hypothèque
qui
serait
consentie dans la suite pour sûreté d'une
même créance et du même montant
garanti.
213
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Art. 92/2
Art. 92/2
La transmission d'une hypothèque sur un
bien immeuble situé en Belgique, en ce
compris les privilèges visés à l'article 27
de la loi du 16 décembre 1851, d'une
hypothèque sur un navire qui n'est pas
destiné par nature au transport maritime,
d'un gage sur fonds de commerce ou d'un
privilège agricole, par suite de la cession à
titre onéreux de la créance, de la
subrogation conventionnelle ou de toute
autre convention à titre onéreux, est
assujettie à un droit de 1 p.c. ou de 0,50
p.c., selon que la transmission se rapporte
ou non à une hypothèque sur un immeuble.
La transmission d'une hypothèque sur un
bien immeuble situé en Belgique, en ce
compris les privilèges visés à l'article 27
de la loi du 16 décembre 1851, ou d'une
hypothèque sur un navire qui n'est pas
destiné par nature au transport maritime,
par suite de la cession à titre onéreux de la
créance, de la subrogation conventionnelle
ou de toute autre convention à titre
onéreux, est assujettie à un droit de 1 p.c.
ou de 0,50 p.c., selon que la transmission
se rapporte ou non à une hypothèque sur
un immeuble.
Art. 93
Art. 93
Le droit de 1 % ou de 0,50 % est liquidé
sur le montant des sommes garanties par
l'hypothèque, le gage ou le privilège
agricole, à l'exclusion des intérêts ou
arrérages de trois années garantis par
l'article 87 de la loi du 16 décembre1851.
Le droit de 1 % ou de 0,50 % est liquidé
sur le montant des sommes garanties par
l'hypothèque à l'exclusion des intérêts ou
arrérages de trois années garantis par
l'article 87 de la loi du 16 décembre1851.
Loi hypothécaire
Loi hypothécaire
Art. 20
Art. 20
Les créances privilégiées sur certains
meubles sont :
Les créances privilégiées sur certains
meubles sont :
1° Les loyers et fermages des immeubles,
sur les fruits de la récolte de l'année, et sur
le prix de tout ce qui garnit la maison
louée ou la ferme, et de tout ce qui sert à
l'exploitation de la ferme, savoir :
1° Les loyers et fermages des immeubles,
sur les fruits de la récolte de l'année, et sur
le prix de tout ce qui garnit la maison
louée ou la ferme, et de tout ce qui sert à
l'exploitation de la ferme, savoir :
S'il s'agit d'une maison, pour deux années
échues en outre, pour l'année courante
ainsi que pour celle qui suivra, et même, si
les baux sont authentiques ou si, étant sous
S'il s'agit d'une maison, pour deux années
échues en outre, pour l'année courante
ainsi que pour celle qui suivra, et même, si
les baux sont authentiques ou si, étant sous
214
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
signature privée, ils ont une date certaine,
pour tout ce qui est à échoir; dans ce
dernier cas, les autres créanciers ont le
droit de relouer la maison, pour le restant
du bail, et de faire leur profit des loyers, à
la
charge,
toutefois,
de
payer
au
propriétaire tout ce qui lui serait encore dû;
signature privée, ils ont une date certaine,
pour tout ce qui est à échoir; dans ce
dernier cas, les autres créanciers ont le
droit de relouer la maison, pour le restant
du bail, et de faire leur profit des loyers, à
la
charge,
toutefois,
de
payer
au
propriétaire tout ce qui lui serait encore dû;
S'il s'agit d'une ferme, pour une année
échue des fermages et pour l'année
courante.
S'il s'agit d'une ferme, pour une année
échue des fermages et pour l'année
courante.
Le même privilège a lieu pour les
réparations locatives pour tout ce qui
concerne l'exécution du bail.
Le même privilège a lieu pour les
réparations locatives pour tout ce qui
concerne l'exécution du bail.
Le propriétaire peut saisir les meubles qui
garnissent sa maison ou sa ferme,
lorsqu'ils ont été déplacés sans son
consentement, et il conserve sur eux son
privilège, pourvu qu'il en ait fait la
revendication; savoir : lorsqu'il s'agit d'un
mobilier qui garnissait une ferme, dans le
délai de quarante jours; et dans celui de
quinzaine, s'il s'agit de meubles garnissant
une maison;
Le propriétaire peut saisir les meubles qui
garnissent sa maison ou sa ferme,
lorsqu'ils ont été déplacés sans son
consentement, et il conserve sur eux son
privilège, pourvu qu'il en ait fait la
revendication; savoir : lorsqu'il s'agit d'un
mobilier qui garnissait une ferme, dans le
délai de quarante jours; et dans celui de
quinzaine, s'il s'agit de meubles garnissant
une maison;
2° Les sommes dues pour les semences ou
pour les frais de la récolte de l'année, sur le
prix de cette récolte, et celles dues pour
ustensiles, servant à l'exploitation, sur le
prix de ces ustensiles;
2° Les sommes dues pour les semences ou
pour les frais de la récolte de l'année, sur le
prix de cette récolte, et celles dues pour
ustensiles, servant à l'exploitation, sur le
prix de ces ustensiles;
3° La créance, sur le gage dont le créancier
est saisi;
3° La créance, sur le gage dont le créancier
est saisi;
4° Les frais faits pour la conservation de la
chose.
4° Les frais faits pour la conservation de la
chose.
5° Les prix d'effets mobiliers non payés,
s'ils sont encore en la possession du
débiteur, soit qu'il ait acheté à terme ou
sans terme.
5° Les prix d'effets mobiliers non payés,
s'ils sont encore en la possession du
débiteur, soit qu'il ait acheté à terme ou
sans terme.
Les dommages-intérêts alloués à la partie
civile sur le véhicule qui a servi à
commettre l'infraction.
Les dommages-intérêts alloués à la partie
civile sur le véhicule qui a servi à
commettre l'infraction.
Le privilège établi par les nos 4 et 5 cesse
d'avoir effet si ces objets mobiliers sont
devenus immeubles par destination ou par
incorporation, sauf s'il s'agit de machines,
appareils, outillage et autre matériel
d'équipement
professionnel,
employés
dans
les
entreprises
industrielles,
Le privilège établi par les nos 4 et 5 cesse
d'avoir effet si ces objets mobiliers sont
devenus immeubles par destination ou par
incorporation, sauf s'il s'agit de machines,
appareils, outillage et autre matériel
d'équipement
professionnel,
employés
dans
les
entreprises
agricoles,
215
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
commerciales ou artisanales.
industrielles, commerciales ou artisanales.
Dans ce cas, et pour ces objets, le privilège
est maintenu pendant cinq ans à partir de
la livraison.
Dans ce cas, et pour ces objets, le privilège
est maintenu pendant cinq ans à partir de
la livraison.
La livraison est établie, sauf la preuve
contraire, par les livres du vendeur.
La livraison est établie, sauf la preuve
contraire, par les livres du vendeur.
En cas de saisie immobilière pratiquée sur
les machines, appareils, outillage et autre
matériel d'équipement professionnel, ou de
faillite
du
débiteur
déclarée
avant
l'expiration de cinq années, le privilège
continue
à
subsister
jusqu'après
la
distribution des deniers ou la liquidation
de la faillite.
En cas de saisie immobilière pratiquée sur
les machines, appareils, outillage et autre
matériel d'équipement professionnel, ou de
faillite
du
débiteur
déclarée
avant
l'expiration de cinq années, le privilège
continue
à
subsister
jusqu'après
la
distribution des deniers ou la liquidation
de la faillite.
Si la vente a été faite sans terme, le
vendeur peut même revendiquer les objets
vendus tant qu'ils sont en la possession de
l'acheteur, et en empêcher la revente,
pourvu que la revendication soit faite dans
la huitaine de la livraison et qu'ils se
trouvent dans le même état que lors de la
livraison.
Si la vente a été faite sans terme, le
vendeur peut même revendiquer les objets
vendus tant qu'ils sont en la possession de
l'acheteur, et en empêcher la revente,
pourvu que la revendication soit faite dans
la huitaine de la livraison et qu'ils se
trouvent dans le même état que lors de la
livraison.
La déchéance de l'action revendicatoire
emporte également celle de l'action en
résolution, à l'égard des autres créanciers.
La déchéance de l'action revendicatoire
emporte également celle de l'action en
résolution, à l'égard des autres créanciers.
Il n'est rien innové aux lois et usages du
commerce sur la revendication.
Il n'est rien innové aux lois et usages du
commerce sur la revendication.
6° Les fournitures d'un hôtelier, sur les
effets du voyageur qui ont été transportées
dans son hôtel ;
6° Les fournitures d'un hôtelier, sur les
effets du voyageur qui ont été transportées
dans son hôtel ;
7° Les frais de voiture et les dépenses
accessoires, sur la chose voiturée, pendant
que le voiturier en est saisi, et pendant les
vingt-quatre heures qui suivront la remise
au propriétaire ou au destinataire, pourvu
qu'ils en aient conservé la possession;
7° Les frais de voiture et les dépenses
accessoires, sur la chose voiturée, pendant
que le voiturier en est saisi, et pendant les
vingt-quatre heures qui suivront la remise
au propriétaire ou au destinataire, pourvu
qu'ils en aient conservé la possession;
8° Les créances résultant d'abus et
prévarications
commis
par
les
fonctionnaires publics dans l'exercice de
leurs fonctions, sur les fonds de leur
cautionnement, et sur les intérêts qui en
peuvent être échus.
8° Les créances résultant d'abus et
prévarications
commis
par
les
fonctionnaires publics dans l'exercice de
leurs fonctions, sur les fonds de leur
cautionnement, et sur les intérêts qui en
peuvent être échus.
9° Pour les contrats d'assurance auxquels
la loi du 25 juin 1992 sur le contrat
d'assurance terrestre n'est pas applicable,
9° Pour les contrats d'assurance auxquels
la loi du 25 juin 1992 sur le contrat
d'assurance terrestre n'est pas applicable,
216
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
les créances nées d'un accident au profit
d'un tiers lésé par cet accident ou de ses
ayants
droit
sont
privilégiées
sur
l'indemnité
que
l'assureur
de
la
responsabilité civile doit à raison du
contrat d'assurance. Aucun paiement à
l'assuré ne sera libératoire tant que les
créanciers privilégiés n'auront pas été
désintéressés.
les créances nées d'un accident au profit
d'un tiers lésé par cet accident ou de ses
ayants
droit
sont
privilégiées
sur
l'indemnité
que
l'assureur
de
la
responsabilité civile doit à raison du
contrat d'assurance. Aucun paiement à
l'assuré ne sera libératoire tant que les
créanciers privilégiés n'auront pas été
désintéressés.
10° (...)
10° (...)
11° Les avances qui, conformément à la
législation relative à la réparation des
dommages provoqués par les prises et
pompages d'eau souterraine, ont été
liquidées,
pour
la
réparation
des
dommages aux récoltes, sur les fruits de la
récolte de l'année ou sur le prix de cette
récolte.
11° Les avances qui, conformément à la
législation relative à la réparation des
dommages provoqués par les prises et
pompages d'eau souterraine, ont été
liquidées,
pour
la
réparation
des
dommages aux récoltes, sur les fruits de la
récolte de l'année ou sur le prix de cette
récolte.
12° pendant cinq ans à dater de la facture,
la créance du sous-traitant contre son
cocontractant-entrepreneur
pour
les
travaux qu'il a effectués ou fait effectuer à
l'immeuble du maître de l'ouvrage, sur la
créance se rapportant à la même entreprise
qu'a ce cocontractant-entrepreneur contre
le maître de l'ouvrage.
12° pendant cinq ans à dater de la facture,
la créance du sous-traitant contre son
cocontractant-entrepreneur
pour
les
travaux qu'il a effectués ou fait effectuer à
l'immeuble du maître de l'ouvrage, sur la
créance se rapportant à la même entreprise
qu'a ce cocontractant-entrepreneur contre
le maître de l'ouvrage.
Le sous-traitant est considéré comme
entrepreneur et l'entrepreneur comme
maître de l'ouvrage à l'égard des propres
sous-traitants du premier.
Le sous-traitant est considéré comme
entrepreneur et l'entrepreneur comme
maître de l'ouvrage à l'égard des propres
sous-traitants du premier.
12° Les créances des membres d'une
mutualité et d'une union nationale sur les
fonds de réserve constitués par celles-ci en
vertu des dispositions de la législation
relative aux mutualités et aux unions
nationales.
12° Les créances des membres d'une
mutualité et d'une union nationale sur les
fonds de réserve constitués par celles-ci en
vertu des dispositions de la législation
relative aux mutualités et aux unions
nationales.
Art. 81quater
Art. 81quater
§ 1er. Lorsqu'une créance visée à l'article
81ter est cédée ou donnée en gage par ou à
une institution ou, le cas échéant, à ou par
un patrimoine spécial ou un compartiment
d'une institution qui, au moment de la
cession ou de la mise en gage :
§ 1er. Lorsqu'une créance visée à l'article
81ter est cédée ou donnée en gage par ou à
une institution ou, le cas échéant, à ou par
un patrimoine spécial ou un compartiment
d'une institution qui, au moment de la
cession ou de la mise en gage :
217
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
1° est un organisme de mobilisation au
sens de l'article 2 de la loi du 3 août 2012
relative à des mesures diverses pour
faciliter la mobilisation de créances dans le
secteur financier, ou
1° est un organisme de mobilisation au
sens de l'article 2 de la loi du 3 août 2012
relative à des mesures diverses pour
faciliter la mobilisation de créances dans le
secteur financier, ou
2° est un établissement de crédit belge, y
compris, le cas échéant, un patrimoine
spécial d'un
établissement
de crédit
émetteur de covered bonds belges au sens
de loi du 25 avril 2014 relative au statut et
au contrôle des établissements de crédit,
ou
2° est un établissement de crédit belge, y
compris, le cas échéant, un patrimoine
spécial d'un
établissement de crédit
émetteur de covered bonds belges, un
établissement de crédit relevant du droit
d'un autre État membre ou une
succursale d'un établissement de crédit
relevant du droit d'un pays tiers au sens
de la loi du 25 avril 2014 relative au
statut et au contrôle des établissements
de crédit, ou
3° est un établissement financier au sens
de l'article 3, 12° de la loi relative aux
sûretés financières,
3° est un établissement financier au sens
de l'article 3, 12° de la loi relative aux
sûretés financières,
les articles 5 et 92, alinéa 3, ne
s'appliquent pas à cette cession ou à cette
mise en gage. Le cédant ou le débiteur
gagiste de la créance est tenu de fournir, à
la demande de tiers, les informations
nécessaires
quant
à
l'identité
du
cessionnaire ou du créancier gagiste.
les articles 5 et 92, alinéa 3, ne
s'appliquent pas à cette cession ou à cette
mise en gage. Le cédant ou le débiteur
gagiste de la créance est tenu de fournir, à
la demande de tiers, les informations
nécessaires
quant
à
l'identité
du
cessionnaire ou du créancier gagiste.
§ 2. Une avance consentie dans le cadre
d'une ouverture de crédit privilégiée ou
hypothécaire ou dans le cadre d'une
ouverture de crédit stipulée avec le droit
d'exiger une garantie hypothécaire, en ce
compris un mandat hypothécaire ou une
promesse d'hypothèque peut être cédée.
§ 2. Une avance consentie dans le cadre
d'une ouverture de crédit privilégiée ou
hypothécaire ou dans le cadre d'une
ouverture de crédit stipulée avec le droit
d'exiger une garantie hypothécaire, en ce
compris un mandat hypothécaire ou une
promesse d'hypothèque peut être cédée.
Dans le cas visé à l'alinéa précédent, le
cessionnaire
profite
également
des
privilèges et sûretés qui garantissent
l'ouverture de crédit et, sauf convention
contraire entre le cédant et le cessionnaire,
des
droits
d'exiger
une
garantie
hypothécaire, quel que soit le montant qui
reste dû en vertu de l'ouverture de crédit.
L'avance cédée est payée par priorité aux
avances consenties dans le cadre de
l'ouverture de crédit après la cession ou la
subrogation.
Dans le cas visé à l'alinéa précédent, le
cessionnaire
profite
également
des
privilèges et sûretés qui garantissent
l'ouverture de crédit et, sauf convention
contraire entre le cédant et le cessionnaire,
des
droits
d'exiger
une
garantie
hypothécaire, quel que soit le montant qui
reste dû en vertu de l'ouverture de crédit.
L'avance cédée est payée par priorité aux
avances consenties dans le cadre de
l'ouverture de crédit après la cession ou la
subrogation.
Les avances consenties avant ou à la date
de la cession sont payées à un rang égal
Les avances consenties avant ou à la date
de la cession sont payées à un rang égal
218
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
aux avances cédées, sauf si le cédant et le
cessionnaire se sont accordés sur un autre
règlement de rang ou de subordination.
L'article 5 ne s'applique pas à un tel
règlement de rang ou à une telle
subordination. Un tel règlement de rang ou
une telle subordination ne peut porter
préjudice aux droits acquis par des tiers
avant la date de la cession ou, le cas
échéant, avant la date du règlement de
rang ou de la subordination, en ce compris
les droits du cessionnaire ou du créancier
gagiste de créances existantes relatives à
des avances qui ont été préalablement
cédées ou mises en gage, sauf accord
exprès de ces tiers.
aux avances cédées, sauf si le cédant et le
cessionnaire se sont accordés sur un autre
règlement de rang ou de subordination.
L'article 5 ne s'applique pas à un tel
règlement de rang ou à une telle
subordination. Un tel règlement de rang ou
une telle subordination ne peut porter
préjudice aux droits acquis par des tiers
avant la date de la cession ou, le cas
échéant, avant la date du règlement de
rang ou de la subordination, en ce compris
les droits du cessionnaire ou du créancier
gagiste de créances existantes relatives à
des avances qui ont été préalablement
cédées ou mises en gage, sauf accord
exprès de ces tiers.
Le droit à l'utilisation de l'ouverture de
crédit est suspendu à concurrence du
montant de l'avance cédée ou objet de la
subrogation restant dû par le débiteur. Le
cédant peut à tout moment exiger d'être
informé par le cessionnaire du montant
restant dû visé à l'alinéa précédent.
Le droit à l'utilisation de l'ouverture de
crédit est suspendu à concurrence du
montant de l'avance cédée ou objet de la
subrogation restant dû par le débiteur. Le
cédant peut à tout moment exiger d'être
informé par le cessionnaire du montant
restant dû visé à l'alinéa précédent.
§ 3. Sans préjudice de l'article 92, alinéa 2,
l'acte du consentement à radiation ou à
réduction est accompagné d'une copie
certifiée conforme ou d'un extrait littéral
certifié conforme de l'acte sous seing privé
de cession.
§ 3. Sans préjudice de l'article 92, alinéa 2,
l'acte du consentement à radiation ou à
réduction est accompagné d'une copie
certifiée conforme ou d'un extrait littéral
certifié conforme de l'acte sous seing privé
de cession.
§ 4. Sauf convention contraire, une
hypothèque constituée pour des dettes
existantes et futures, déterminées ou
déterminables sur base de la description
des créances garanties figurant dans l'acte
d'hypothèque, garantit également de plein
droit les créances qui correspondent à cette
description et qui ont été précédemment
cédées par le prêteur à une institution, à un
compartiment d'une institution ou à un
patrimoine spécial, tel que visé au § 1er, à
condition que cette cession n'ait pas encore
été notifiée au débiteur ni reconnue par le
débiteur au moment de la constitution de
l'hypothèque.
§ 4. Sauf convention contraire, une
hypothèque constituée pour des dettes
existantes et futures, déterminées ou
déterminables sur base de la description
des créances garanties figurant dans l'acte
d'hypothèque, garantit également de plein
droit les créances qui correspondent à cette
description et qui ont été précédemment
cédées par le prêteur à une institution, à un
compartiment d'une institution ou à un
patrimoine spécial, tel que visé au § 1er, à
condition que cette cession n'ait pas encore
été notifiée au débiteur ni reconnue par le
débiteur au moment de la constitution de
l'hypothèque.
L'alinéa 1er s'applique également à des
créances cédées qui, au moment de la
cession, ne sont pas garanties par une
hypothèque, un privilège sur immeuble ou
L'alinéa 1er s'applique également à des
créances cédées qui, au moment de la
cession, ne sont pas garanties par une
hypothèque, un privilège sur immeuble ou
219
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
un
droit
d'exiger
une
garantie
hypothécaire,
y
compris
un
mandat
hypothécaire
ou
une
promesse
d'hypothèque.
un
droit
d'exiger
une
garantie
hypothécaire,
y
compris
un
mandat
hypothécaire
ou
une
promesse
d'hypothèque.
Arrêté royal n° 62 coordonné relatif au
dépôt d'instruments financiers fongibles
et à la liquidation d'opérations sur ces
instruments
Arrêté royal n° 62 coordonné relatif au
dépôt d'instruments financiers fongibles
et à la liquidation d'opérations sur ces
instruments
Art. 7
Art. 7
§ 1er. Pour la constitution d'un gage civil
ou commercial sur instruments financiers
fongibles, la mise en possession se réalise
valablement par l'inscription de ces
instruments financiers à un compte spécial
ouvert auprès de l'organisme de liquidation
ou auprès d'un affilié au nom d'une
personne à convenir. Les instruments
financiers donnés en gage sont identifiés
par leur nature sans spécification de
numéro. Le gage ainsi constitué est valable
et opposable aux tiers sans autre formalité.
§
1er.
Un
gage
sur
instruments
financiers
fongibles
est
constitué
conformément à la loi du 15 décembre
2004 relative aux sûretés financières et
portant des dispositions fiscales diverses
en matière de conventions constitutives
de sûreté réelle et de prêts portant sur
des
instruments
financiers.
Les
instruments financiers donnés en gage
sont identifiés par leur nature sans
spécification de numéro.
Le constituant du gage est présumé être
propriétaire des instruments financiers
donnés en gage. La validité du gage n'est
pas affectée par l'absence de droit de
propriété du constituant du gage sur les
instruments financiers remis en gage, sans
préjudice
de
la
responsabilité
du
constituant du gage à l'égard du véritable
propriétaire des instruments financiers
remis en gage. Si le constituant du gage a
averti le créancier gagiste, au préalable et
par écrit, qu'il n'est pas le propriétaire des
instruments financiers donnés en gage, la
validité du gage est subordonnée à
l'autorisation
du
propriétaire
de
ces
instruments financiers de les donner en
gage.
Le constituant du gage est présumé être
propriétaire des instruments financiers
donnés en gage. La validité du gage n'est
pas affectée par l'absence de droit de
propriété du constituant du gage sur les
instruments financiers remis en gage, sans
préjudice
de
la
responsabilité
du
constituant du gage à l'égard du véritable
propriétaire des instruments financiers
remis en gage. Si le constituant du gage a
averti le créancier gagiste, au préalable et
par écrit, qu'il n'est pas le propriétaire des
instruments financiers donnés en gage, la
validité du gage est subordonnée à
l'autorisation
du
propriétaire
de
ces
instruments financiers de les donner en
gage.
§ 2. (abrogé)
§ 2. (abrogé)
220
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Loi du 2 janvier 1991 relative au
marché des titres de la dette publique et
aux instruments de la politique
monétaire
Loi du 2 janvier 1991 relative au
marché des titres de la dette publique et
aux instruments de la politique
monétaire
Art. 7
Art. 7
Pour la constitution d'un gage civil ou
commercial sur des titres dématérialisés, la
mise en possession se réalise valablement
par l'inscription du montant des titres
gages sur un compte spécial auprès du
teneur de comptes ou auprès du système de
compensation de titres de la Banque
Nationale de Belgique, agissant soit
comme créancier gagiste, soit comme tiers
détenteur.
Un gage sur des titres dématérialisés est
constitué conformément à la loi du 15
décembre 2004 relative aux sûretés
financières et portant des dispositions
fiscales
diverses
en
matière
de
conventions
constitutives
de
sûreté
réelle et de prêts portant sur des
instruments financiers.
Le gage ainsi constitué est valable et
opposable aux tiers sans autre formalité.
Le constituant du gage est présumé être
propriétaire
des
titres
dématérialisés
donnés en gage. La validité du gage n'est
pas affectée par l'absence de droit de
propriété du constituant du gage sur les
titres remis en gage, sans préjudice de la
responsabilité du constituant du gage à
l'égard du véritable propriétaire des titres
remis en gage. Si le constituant du gage a
averti le créancier gagiste, au préalable et
par écrit, qu'il n'est pas le propriétaire des
titres donnés en gage, la validité du gage
est
subordonnée
à
l'autorisation
du
propriétaire de ces titres de les donner en
gage.
Le constituant du gage est présumé être
propriétaire
des
titres
dématérialisés
donnés en gage. La validité du gage n'est
pas affectée par l'absence de droit de
propriété du constituant du gage sur les
titres remis en gage, sans préjudice de la
responsabilité du constituant du gage à
l'égard du véritable propriétaire des titres
remis en gage. Si le constituant du gage a
averti le créancier gagiste, au préalable et
par écrit, qu'il n'est pas le propriétaire des
titres donnés en gage, la validité du gage
est
subordonnée
à
l'autorisation
du
propriétaire de ces titres de les donner en
gage.
Code des sociétés
Code des sociétés
Art. 470
Art. 470
Pour la constitution d'un gage civil ou
commercial sur les valeurs mobilières
dématérialisées visées à l'article 469, la
Un gage sur des titres dématérialisés est
constitué conformément à la loi du 15
décembre 2004 relative aux sûretés
221
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
mise en possession se réalise valablement
par l'inscription de ces valeurs à un compte
spécial ouvert chez un teneur de comptes
au nom d'une personne à convenir. Les
valeurs données en gage sont identifiées
par nature sans spécification de numéro.
Le gage ainsi constitue est valable et
opposable aux tiers sans autre formalité.
financières et portant des dispositions
fiscales
diverses
en
matière
de
conventions
constitutives
de
sûreté
réelle et de prêts portant sur des
instruments financiers.
Le constituant du gage est présumé être
propriétaire
des
valeurs
mobilières
dématérialisées
données en gage. La
validité du gage n'est pas affectée par
l'absence
de
droit
de
propriété
du
constituant du gage sur les valeurs
mobilières dématérialisées remises en
gage, sans préjudice de la responsabilité du
constituant du gage à l'égard du véritable
propriétaire
des
valeurs
mobilières
dématérialisées remises en gage. Si le
constituant du gage a averti le créancier
gagiste, au préalable et par écrit, qu'il n'est
pas le propriétaire des valeurs mobilières
dématérialisées données en gage, la
validité du gage est subordonnée à
l'autorisation du propriétaire de ces valeurs
mobilières de les donner en gage.
Le constituant du gage est présumé être
propriétaire
des
valeurs
mobilières
dématérialisées données en gage. La
validité du gage n'est pas affectée par
l'absence
de
droit
de
propriété
du
constituant du gage sur les valeurs
mobilières dématérialisées remises en
gage, sans préjudice de la responsabilité du
constituant du gage à l'égard du véritable
propriétaire
des
valeurs
mobilières
dématérialisées remises en gage. Si le
constituant du gage a averti le créancier
gagiste, au préalable et par écrit, qu'il n'est
pas le propriétaire des valeurs mobilières
dématérialisées données en gage, la
validité du gage est subordonnée à
l'autorisation du propriétaire de ces valeurs
mobilières de les donner en gage.
Loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui
répondent aux conditions de la Directive
2009/65/CE et aux organismes de
placement en créances
Loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui
répondent aux conditions de la Directive
2009/65/CE et aux organismes de
placement en créances
Art. 271/8
Art. 271/8
Lorsqu'une créance est cédée par ou à un
organisme de placement en créances au
sens de la présente loi, l'article 1328 du
Code civil et l'article 26 de la loi du 12
juin
1991
relative
au
crédit
à
la
consommation, l'article 8 du Chapitre II,
Titre Ier du Livre II du Code du commerce
et les articles 18 et 20 de la loi du 15 avril
1884 relative aux emprunts agricoles ne
Lorsqu'une créance est cédée par ou à
un organisme de placement collectif en
créances au sens de la présente loi,
l'article 1328 du Code civil et l'article
VII.103 du Code de droit économique,
l'article 8 du Livre II, Titre Ier,
Chapitre II, du Code du commerce et
l'article 23, alinéa 2, de la loi du 11
juillet 2013 modifiant le Code civil en ce
222
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
sont pas applicables à cette cession. Les
mêmes dispositions ne sont pas applicables
lorsqu'une créance est donnée en gage à ou
par un organisme de placement en
créances au sens de la présente loi.
qui
concerne
les
sûretés
réelles
mobilières ne sont pas applicables à
cette cession. Les mêmes dispositions ne
sont pas applicables lorsqu'une créance est
donnée en gage à ou par un organisme de
placement en créances au sens de la
présente loi.
Lorsque des créances sont cédées à ou par
un organisme de placement en créances au
sens de la présente loi, le cessionnaire
obtient, par le seul accomplissement des
formalités prescrites par le Livre III, Titre
VI, Chapitre VIII du Code civil, tous les
droits dans les conventions d'assurance
que le cédant possède pour garantir les
créances cédées. Un nantissement de ces
mêmes droits à ou par un organisme de
placement
en
créances
se
fait
par
l'accomplissement
des
formalités
prescrites par les dispositions du Livre III,
Titre XVII du Code civil ou titre VI, livre
Ier du Code de commerce.
Lorsque des créances sont cédées à ou par
un organisme de placement en créances au
sens de la présente loi, le cessionnaire
obtient, par le seul accomplissement des
formalités prescrites par le Livre III, Titre
VI, Chapitre VIII du Code civil, tous les
droits dans les conventions d'assurance
que le cédant possède pour garantir les
créances cédées. Un nantissement de ces
mêmes droits à ou par un organisme de
placement
en
créances
se
fait
par
l'accomplissement des dispositions de
l'article 7 de la loi du 15 décembre 2004
relative aux sûretés financières.
Loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui
répondent aux conditions de la Directive
2009/65/CE et aux organismes de
placement en créances
Loi du 3 août 2012 relative aux
organismes de placement collectif qui
répondent aux conditions de la Directive
2009/65/CE et aux organismes de
placement en créances
Art. 513
Art. 513
Dans l'article 271/8 de la loi du 3 août
2012, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui
suit à la date d'entrée en vigueur des
articles 98 et 99 de la loi du 11 juillet 2013
modifiant le Code Civil en ce qui concerne
les sûretés réelles mobilières et abrogeant
diverses dispositions en cette matière :
[abrogé]
"Lorsqu'une créance est cédée par ou à un
organisme de placement en créances au
sens de la présente loi, l'article 1328 du
Code civil et l'article 26 de la loi du 12
juin
1991
relative
au
crédit
à
la
consommation et l'article 8 du Chapitre II,
223
2138/001
DOC 54
2016
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 5 4 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 4 e Z I T T I N G VA N DE 5 4 e ZIT T IN GSP ERIOD E
2017
Titre Ier du Livre II du Code du commerce
ne sont pas applicables à cette cession. Les
mêmes dispositions ne sont pas applicables
lorsqu'une créance est donnée en gage à ou
par un organisme de placement en
créances au sens de la présente loi."
Centrale drukkerij – Imprimerie centrale