Document 51K1767/005

🏛️ KAMER Legislatuur 51 📁 1767 Verslag 🌐 NL

Inhoud

CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS 3574 DOC 51 1767/005 DOC 51 1767/005 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 30 mei 2005 30 mai 2005 PROJET DE LOI WETSONTWERP portant diverses dispositions relatives à la concertation sociale NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE ZAKEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW Annemie TURTELBOOM FAIT AU NOM DE LA COMMISSION DES AFFAIRES SOCIALES PAR MME Annemie TURTELBOOM SOMMAIRE I. Exposés introductifs . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 A.Exposé introductif de Mme Freya Van den Bossche, ministre de l’Emploi . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 B.Exposé introductif de Mme Nahima Lanjri, coauteur de la proposition de loi supprimant les cotisations sociales afférentes aux primes aux suggestions (DOC 51 1679/001) . . . . . . . . . . . 4 II. Discussion générale . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 A. Interventions et questions des membres . . . . . . . 5 B. Réponse du ministre de l’Emploi . . . . . . . . . . . . 11 C. Répliques des membres . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 III. Discussion des articles et votes . . . . . . . . . . . . . . . . 13 Annexe. Avis de la commission des Finances et Budget . . . 23 INHOUD I. Inleidende uiteenzettingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 A. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk . . . . . . . . . . 3 B. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Nahima Lanjri, mede-indienster van het wetsvoorstel tot afschaffing van de sociale bijdragen op de suggestiepremies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 II. Algemene bespreking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 A. Uiteenzettingen en vragen van de leden . . . . . . . . 5 B. Antwoord van de minister van Werk . . . . . . . . . . 11 C. Replieken van de leden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 III. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen . . . . . . 13 Bijlage. Advies van de commissie voor Financiën en de Begroting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23 VERSLAG RAPPORT Documents précédents : Doc 51 1767/ (2004/2005) : 001: Projet de loi. 002 à 004: Amendements. Voir aussi : 006: Texte adopté par la commission. Doc 51 1679/ (2004/2005) : 001: Proposition de loi déposée par Mmes Lanjri, D’hondt et Pieters. Voorgaande documenten : Doc 51 1767/ (2004/2005) : 001 : Wetsontwerp. 002 tot 004 : Amendementen. Voir aussi : 006: Tekst aangenomen door de commissie. Doc 51 1679/ (2004/2005) : 001 : Wetsvoorstel ingediend door de dames Lanjri, D’hondt en Pieters. houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg PROPOSITION DE LOI WETSVOORSTEL tot afschaffing van de sociale bijdragen op de suggestiepremies supprimant les cotisations sociales afférentes aux primes aux suggestions 2 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 Abréviations dans la numérotation des publications : DOC 51 0000/000 : Document parlementaire de la 51e législature, suivi du n° de base et du n° consécutif QRVA : Questions et Réponses écrites CRIV : Version Provisoire du Compte Rendu intégral (couverture verte) CRABV : Compte Rendu Analytique (couverture bleue) CRIV : Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes) (PLEN: couverture blanche; COM: couverture saumon) PLEN : Séance plénière COM : Réunion de commission MOT : Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) Publications officielles éditées par la Chambre des représentants Commandes : Place de la Nation 2 1008 Bruxelles Tél. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.laChambre.be Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers Bestellingen : Natieplein 2 1008 Brussel Tel. : 02/ 549 81 60 Fax : 02/549 82 74 www.deKamer.be e-mail : publicaties@deKamer.be cdH : Centre démocrate Humaniste CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams ECOLO : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales FN : Front National MR : Mouvement Réformateur N-VA : Nieuw - Vlaamse Alliantie PS : Parti socialiste sp.a - spirit : Socialistische Partij Anders - Sociaal progressief internationaal, regionalistisch integraal democratisch toekomstgericht. Vlaams Belang : Vlaams Belang VLD : Vlaamse Liberalen en Democraten Afkortingen bij de nummering van de publicaties : DOC 51 0000/000 : Parlementair document van de 51e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA : Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV : Voorlopige versie van het Integraal Verslag (groene kaft) CRABV : Beknopt Verslag (blauwe kaft) CRIV : Integraal Verslag, met links het definitieve integraal verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) (PLEN: witte kaft; COM: zalmkleurige kaft) PLEN : Plenum COM : Commissievergadering MOT : Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) Composition de la commission à la date du dépôt du rapport / Samenstelling van de commissie op datum van indiening van het verslag: Président/Voorzitter : Hans Bonte A. — Vaste leden / Titulaires : VLD Maggie De Block, Sabien Lahaye-Battheu, Annemie Turtelboom PS Jean-Marc Delizée, Bruno Van Grootenbrulle, Danielle Van Lombeek-Jacobs MR Pierrette Cahay-André, Denis Ducarme, Charles Michel sp.a-spirit Hans Bonte, Annelies Storms, Greet Van Gool CD&V Greta D’hondt, Nahima Lanjri Vlaams Belang Koen Bultinck, Guy D’haeseleer cdH Benoît Drèze C. — Membre sans voix délibérative/ Niet-stemgerechtigd lid : ECOLO Zoé Genot B. — Plaatsvervangers / Suppléants : Filip Anthuenis, Yolande Avontroodt, Hilde Dierickx, Pierre Lano Mohammed Boukourna, Yvan Mayeur, Sophie Pécriaux, André Perpète Jacqueline Galant, Luc Gustin, Josée Lejeune, Dominique Tilmans Maya Detiège, David Geerts, Karine Jiroflée, Annemie Roppe Roel Deseyn, Luc Goutry, Trees Pieters Alexandra Colen, Staf Neel, Frieda van Themsche Jean-Jacques Viseur, David Lavaux. 3 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 DAMES EN HEREN, Uw commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 10, 17, 19 en 25 mei 2005. Tij- dens haar vergadering van 17 mei besliste de commissie het advies van de commissie voor de Financiën en de Begroting in te winnen over de artikelen 23 tot 27 en over het nieuwe artikel 29, vervat in amendement nr. 1. De commissie heeft tijdens de vergadering van 19 mei be- slist het wetsvoorstel tot afschaffing van de sociale bij- dragen op de suggestiepremies (DOC 51 1679/001) aan de bespreking van het wetsontwerp toe te voegen. I.— INLEIDENDE UITEENZETTINGEN A. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Freya van den Bossche, minister van Werk Het centraal overleg tussen de sociale partners was moeizaam en heeft geleid tot een akkoord op 18 januari 2005. Jammer genoeg is reeds op 8 februari gebleken dat het niet door alle betrokken partijen zou worden be- krachtigd. De regering was van oordeel dat het akkoord evenwichtig was en dat het dus ondanks alles moest worden uitgevoerd. De elementen van evenwicht waarvoor het akkoord zorgt, beogen een grotere soepelheid van de arbeids- markt. Het betreft onder meer een soepeler regeling voor de overuren en de ploegenarbeid, een betere be- scherming van de werknemers in geval van faillisse- ment van de werkgever, een matige stijging van de lo- nen met indicatieve norm, een verbetering van de koopkracht van de minima en een inspanning om per- sonen met een handicap aan de slag te krijgen. De regering heeft met het oog op de uitvoering van dat akkoord een aanzienlijke budgettaire inspanning gedaan: – een fiscale maatregel van 80 miljoen euro voor de nieuwe regeling inzake overuren; – een verbreding van de maatregel van niet-stor- ting van de voorheffing voor de vennootschappen, wat neerkomt op een fiscale uitgave van 120 miljoen euro; – een belastinguitgave van 80 miljoen euro ten be- hoeve van de minima; – een uitbreiding van het geldingsgebied van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, wat 7 miljoen euro zal kosten; MESDAMES, MESSIEURS, Votre commission a examiné le présent projet de loi en ses réunions des 10, 17,19 et 25 mai 2005. Lors de sa réunion du 17 mai, la commission a décidé de de- mander l’avis de la commission des Finances et du Budget sur les articles 23 à 27 et sur le nouvel article 29 contenu dans l’amendement n° 1. Lors de sa réunion du 19 mai, elle a décidé de joindre la proposition de loi supprimant les cotisations sociales afférentes aux pri- mes aux suggestions (DOC 51 1679/001) I. — EXPOSÉS INTRODUCTIFS A. Exposé introductif de Mme Freya Van den Bossche, ministre de l’Emploi Les négociations interprofessionnelles entre partenai- res sociaux ont difficilement débouché sur un accord le 18 janvier 2005. Malheureusement, il s’est avéré dès le 8 février que cet accord ne serait pas ratifié par toutes les parties. Le gouvernement a estimé que l’accord con- clu était équilibré et qu’il convenait donc de l’appliquer malgré tout. Les éléments de l’équilibre mis en place par l’accord visent une plus grande flexibilité du marché du travail. Il s’agit notamment d’un régime plus souple pour les heu- res supplémentaires et le travail en équipe, d’une meilleure protection des travailleurs en cas de faillite de l’employeur, d’une évolution modérée des salaires avec norme indicative, d’un renforcement du pouvoir d’achat des travailleurs à bas salaires et un effort pour la mise au travail des personnes handicapées. Le gouvernement a consenti un effort budgétaire im- portant pour l’exécution de cet accord: – une mesure fiscale de 80 millions d’euros pour le nouveau régime des heures supplémentaires; – un renforcement de la mesure de non versement de précompte pour les sociétés, soit une dépense fis- cale de 120 millions d’euros; – une dépense fiscale de 80 millions d’euros en faveur des travailleurs à bas salaires; – une extension du champ d’intervention du Fonds de fermeture des entreprises d’un coût de 7 millions d’euros; 4 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 – een toewijzing van 5 miljoen euro voor het Fonds ter bevordering van de toegang tot arbeid voor perso- nen met een handicap. Sommige aspecten van het centraal akkoord kunnen echter tot tal van uiteenlopende interpretaties aanlei- ding geven. Als gevolg van de aard van het akkoord zal het niet gemakkelijk zijn van de sociale partners een eenduidige interpretatie van de verschillende bepalin- gen te verkrijgen. De minister is er echter van over- tuigd dat de ontworpen tekst de intenties van de onder- handelaars correct weergeeft. Voorts kondigt de minister de indiening aan van een amendement in verband met de innovatiepremies. Dat amendement strekt ertoe de innovatiepremies die aan de gestelde voorwaarden voldoen vrij te stellen van belasting. De regering zal nog een ander amendement indienen dat tot doel heeft te zorgen voor meer rechts- zekerheid bij de inning van de sociale bijdragen, door een aanpassing van de verjaringstermijnen. B. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Nahima Lanjri (CD&V), mede-indienster van het wetsvoorstel tot afschaffing van de sociale bijdragen op de suggestie- premies (DOC 51 1679/001) Dit wetsvoorstel gaat uit van de vaststelling dat al- maar meer ondernemingen hun personeelsleden wen- sen aan te moedigen door hen premies toe te kennen voor innoverende ideeën en voor voorstellen waardoor de bedrijfsresultaten kunnen worden verbeterd. Dat gedrag moet worden aangemoedigd want het leidt in de betrokken onderneming vaak tot een verbetering van de productie en van de werkomstandigheden. Jammer genoeg worden die premies zwaar belast: voor elke euro die als premie wordt uitbetaald, moet de werkgever 3,24 euro meer aan de overheid betalen. Onze buur- landen voorzien in een heel wat fiscaalvriendelijker be- leid voor die specifieke bezoldigingsmethode. In België verdient de Staat het meest aan die premies. In een economie die almaar meer tot een kennis- economie uitgroeit, is het belangrijk dat de voor ons land kenmerkende hoge loonkosten worden gecompenseerd door de personeelsleden in aanzienlijke mate te betrek- ken bij het vergaren van die nieuwe kennis. Daarenbo- ven is het belangrijk dat de werknemers van een onder- neming zich niet uitgesloten voelen, maar kunnen deelnemen aan het functioneren en aan de ontwikke- ling ervan. Die persoonlijke betrokkenheid behoort – ook financieel – te worden gewaardeerd. – l’affectation de 5 millions d’euros au Fonds visant à promouvoir l’accès au travail des personnes handica- pées. Certains aspects de l’accord interprofessionnel sont toutefois susceptibles d’interprétations multiples. La nature de l’accord fait qu’il ne sera pas aisé d’obtenir des partenaires sociaux une interprétation univoque des différentes dispositions. Le ministre est cependant con- vaincu que le texte en projet reflète correctement les intentions des négociateurs. Le ministre annonce en outre le dépôt d’un amende- ment concernant les primes à l’innovation. Cet amen- dement vise à exonérer d’impôts les primes à l’innova- tion qui répondent aux conditions prévues. Le gouvernement déposera encore un autre amendement visant à assurer plus de sécurité juridique dans la per- ception des cotisations sociales, par une adaptation des délais de prescription. B. Exposé introductif de Mme Nahima Lanjri (CD&V), coauteur de la proposition de loi supprimant les cotisations sociales afférentes aux primes aux sug- gestions (DOC 51 1679/001) La présente proposition de loi part du constat que de plus en plus d’entreprises cherchent à stimuler leur per- sonnel en lui offrant des primes aux innovations et aux propositions de nature à améliorer les résultats de l’en- treprise. Ce comportement doit être encouragé, car les conséquences en sont souvent une amélioration de la productivité et des conditions de travail dans l’entreprise concernée. Malheureusement, ces primes sont lourde- ment imposées: pour chaque euro octroyé en prime, l’employeur doit débourser 3,24 euros de plus aux pou- voirs publics. Les pays voisins pratiquent une politique fiscale bien plus avantageuse pour cette méthode parti- culière de rémunération. Dans une économie de plus en plus basée sur la con- naissance, il importe que les hauts coûts salariaux qui caractérisent notre pays soient compensés par une im- plication importante du personnel dans l’acquisition de ces nouvelles connaissances. En outre, il est important que les travailleurs d’une entreprise ne se sentent pas exclus de celle-ci, mais puissent participer à son fonc- tionnement et son développement. Cette implication personnelle doit aussi être valorisée, y compris finan- cièrement. 5 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 Tevens zij opgemerkt dat het wetsvoorstel niet alleen betrekking heeft op de premies die worden toegekend voor inspanningen op het vlak van de creativiteit die rechtstreeks de onderneming ten goede komen. Het voorstel slaat ook op de premies die worden toegekend aan werknemers voor de initiatieven die ze inzake de verbetering van de arbeidsomstandigheden nemen. De indieners zijn niet naïef en beseffen terdege dat dit wetsvoorstel aanleiding kan geven tot misbruiken. Daarom wordt inzake vrijstelling van sociale bijdragen in bovengrenzen voorzien. II.— ALGEMENE BESPREKING A. Uiteenzettingen en vragen van de leden De heer Guy D’haeseleer (Vlaams Belang) wijst erop dat het ter bespreking voorliggende wetsontwerp lang op zich liet wachten. Na de beëindiging van de onder- handelingen tussen de sociale partners was het nog drie maanden wachten vooraleer een tekst in de Ka- mer werd ingediend. Het centraal akkoord waaraan dit wetsontwerp con- creet invulling wil geven, zal geen grote mijlpaal in de geschiedenis van het sociaal overleg vormen. De so- ciale partners zijn er overigens niet in geslaagd de on- derhandelingen op een normale manier af te ronden, met andere woorden een door alle partijen aanvaard akkoord. Die toestand voorspelt weinig goeds voor de uitdagingen waarmee de sociale partners de komende maanden zullen worden geconfronteerd, zoals bijvoor- beeld het eindeloopbaanvraagstuk. De aanpassing van het aantal toegestane overuren is een stap in de goede richting. De oprichting van een «Fonds ter bevordering van de toegang tot arbeid voor personen met een handi- cap» is een goed initiatief. Terzake moeten echter nog belangrijke inspanningen worden geleverd. Dat geldt tevens voor de uitbreiding van het werkingsveld van het «Fonds voor de sluiting van ondernemingen». De frac- tie van de spreker pleit ervoor dat die inspanning wordt voortgezet en vindt het jammer dat de regering in dat domein geen concreter engagement opneemt. De Raad van State merkt op dat bij de uitwerking van dit wetsontwerp bepaalde vormvereisten niet werden geëerbiedigd. Dezelfde Raad formuleert een aantal opmerkingen over de bevoegdheidsoverdrachten waarin het wetsontwerp voorziet. De spreker had graag verno- men waarom de regering geen rekening heeft gehou- den met die opmerkingen. De memorie van toelichting verwijst slechts naar de bestaande praktijk. Il convient également de remarquer que la proposi- tion de loi ne vise pas seulement les primes octroyées pour les efforts de créativité bénéficiant directement à l’entreprise. Elle concerne également les primes oc- troyées aux travailleurs pour leurs initiatives en matière d’amélioration des conditions de travail. Les auteurs ne sont pas naïfs et sont conscients que la présente proposition de loi pourrait donner lieu à des abus. C’est pourquoi les exonérations de cotisations so- ciales sont plafonnées. II. — DISCUSSION GÉNÉRALE A. Interventions et questions des membres M. Guy D’haeseleer (Vlaams Belang) rappelle que le projet de loi à l’examen s’est longtemps fait attendre. Les négociations entre partenaires sociaux se sont ter- minées trois mois avant son dépôt à la Chambre. L’accord interprofessionnel que le présent projet de loi tend à concrétiser ne laissera pas de grandes mar- ques dans l’histoire de la concertation sociale. Les par- tenaires sociaux ne sont d’ailleurs pas parvenus à me- ner les négociations à leur terme normal, soit la conclusion d’un accord accepté par toutes les parties. Cette situation n’est pas de bon augure pour les défis qui attendent encore les partenaires sociaux pour les prochains mois, comme, par exemple, la question des fins de carrière. L’adaptation du nombre d’heures supplémentaires autorisées est un pas dans la bonne direction. La création d’un Fonds visant à promouvoir l’accès au travail des personnes handicapées est une bonne initiative. Il reste cependant encore des efforts impor- tants à faire dans ce domaine. Il en est de même de l’extension du champ d’intervention du Fonds de fer- meture des entreprises. Le groupe de l’orateur plaide pour que cet effort soit poursuivi et regrette que le gou- vernement ne prenne pas d’engagement plus concret en ce domaine. Le Conseil d’État fait remarquer que certaines for- malités n’ont pas été respectées lors de l’élaboration de ce projet de loi. Il émet aussi des objections quant aux délégations de compétences que le projet de loi prévoit. L’orateur souhaiterait savoir pourquoi le gou- vernement n’a pas tenu compte de ces remarques. L’ex- posé des motifs renvoie seulement à la pratique existante. 6 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 De actieve begeleiding van de werklozen stuit op het probleem van de bevoegdheidsverdeling. De fractie van de spreker pleit sinds lang voor een meer coherente bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de deelentiteiten. Mevrouw Greet van Gool (sp.a-spirit) kreeg graag nadere toelichting omtrent de maatregelen die ten gun- ste van de personen met een handicap werden geno- men. Zo vraagt zij hoe personen met een handicap ge- definieerd zullen worden, m.a.w. wat juist het toepassingsgebied van deze maatregel zal zijn. Zij vraagt tevens hoe die maatregelen bestaanbaar zijn met de maatregelen die reeds door de deelentiteiten genomen zijn. Die hebben immers op dat vlak eveneens een aan- tal bevoegdheden. Zetten de werkgroepen die indertijd werden opgericht om de door de diverse bevoegdheids- niveaus genomen maatregelen te coördineren, hun werkzaamheden voort? Wat de maatregelen inzake overuren en ploegarbeid betreft, verwijst zij naar de vraag die ze eerder in com- missie gesteld heeft over de problematiek in de automobielsector. Wat is de stand van zaken van de verschillende werkgroepen die in dat kader opgericht werden? Zal er verder overleg gepleegd worden? Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) is van mening dat het centraal akkoord niet dankzij maar ondanks de re- gering tot stand gekomen is. De eerste minister heeft de werkgevers beloftes gedaan die hij niet kon inlossen. Tijdens de onderhandelingen heeft de regering aan de werkgevers moeten meedelen dat zij die beloften niet gestand kon doen. Gelukkig hebben de sociale part- ners, die meer beslagen zijn inzake het sociaal overleg dan de regering, het hoofd koel gehouden en zijn ze in die moeilijke omstandigheden tot een akkoord gekomen. Men moet zich dus verheugen over het feit dat, ondanks die moeilijke omstandigheden, toch een wetsontwerp aan de Kamer kan worden voorgelegd. De spreekster vestigt de aandacht op het feit dat het ter bespreking voorliggende wetsontwerp zowel bepa- lingen bevat om het concurrentievermogen van de on- dernemingen te waarborgen als bepalingen met betrek- king tot de arbeidsvoorwaarden van de werknemers. Het betreft een zeer belangrijk evenwicht. De uitvoe- ringsbesluiten van het wetsontwerp zullen dat evenwicht moeten handhaven. Het is belangrijk dat deze uitvoeringsbesluiten eveneens correct de afspraken van het IPA vertalen.Tevens vraagt spreekster de bevesti- ging van de minister dat deze uitvoeringsbesluiten tijdeig zullen aangenomen worden. De fractie waartoe mevrouw Greta D’hondt behoort, verheugt zich over de in het wetsontwerp vervatte maat- L’accompagnement actif des chômeurs se heurte au problème du partage des compétences. Le groupe de l’orateur plaide depuis longtemps pour un partage plus cohérent des compétences entre l’autorité fédérale et les collectivités fédérées. Mme Greet van Gool (sp.a-spirit) souhaiterait plus de précision à propos des mesures prises en faveur des personnes handicapées. Ainsi, elle s’interroge quant à la manière dont sera définie la notion de personnes handicapées; en d’autres termes, elle s’enquiert du champ d’application exact de cette mesure. Elle de- mande également comment ces mesures se combinent avec les mesures déjà prises par les entités fédérées. En effet, celles-ci disposent également d’un certain nom- bre de compétences en la matière. Les groupes de tra- vail jadis mis en place pour coordonner les mesures prises par les différents niveaux de pouvoir poursuivent- ils leurs travaux? S’agissant des mesures relatives aux heures supplé- mentaires et au travail en équipe, elle renvoie à la ques- tion qu’elle avait posée en commission concernant la problématique dans le secteur de l’automobile. Qu’ad- vient-il des différents groupes de travail qui ont été cons- titués dans ce cadre ? Poursuivra-ton la concertation? Mme Greta D’hondt (CD&V) estime que l’accord in- terprofessionnel est intervenu non pas grâce au gou- vernement, mais malgré le gouvernement. Le premier ministre a fait aux employeurs des promesses qu’il ne pouvait pas tenir. Pendant les négociations, le gouver- nement a dû annoncer aux employeurs que le gouver- nement ne pourrait honorer ces promesses. Heureuse- ment, les partenaires sociaux, plus expérimentés en matière de concertation sociale que le gouvernement, ont gardé la tête froide et sont arrivés à un accord dans ces conditions difficiles. Il faut donc se réjouir que, mal- gré ces conditions difficiles, un projet de loi puisse être soumis à la Chambre. L’intervenante attire l’attention sur le fait que le projet de loi à l’examen contient à la fois des dispositions vi- sant à assurer la compétitivité des entreprises et des dispositions relatives à la condition des travailleurs. Il s’agit d’un équilibre très important. Les arrêtés d’exécu- tion du projet de loi devront maintenir cet équilibre. Il est important que ces arrêtés d’exécution soient également le juste reflet des accords conclus dans le cadre de l’ac- cord interprofessionnel. L’intervenante demande éga- lement que le ministre confirme que ces arrêtés d’exé- cution seront adoptés à temps. Le groupe de Mme D’hondt se réjouit des mesures en projet en ce qui concerne les fermetures d’entrepri- 7 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 regelen met betrekking tot de sluiting van ondernemin- gen. Terzake moet echter nog een belangrijke inspan- ning worden geleverd. De tijd toen de ondernemingen van de social-profitsector geen faillisementen kenden, is voorbij. Het wordt tijd de bepalingen met betrekking tot de sluiting van ondernemingen op hen toepasselijk te maken. Het onderdeel van het wetsontwerp met betrekking tot de overuren is van essentieel belang. De onderhan- delingen daarover verliepen moeilijk. De ontworpen re- geling lijkt een eerbaar compromis tussen de concur- rentiële eisen waarmee de ondernemingen te maken krijgen en het behoud van de arbeidsomstandigheden. De spreekster hoopt dat de in het wetsontwerp vervatte bepalingen echt het middel zullen vormen om de extra uren die thans in het zwart worden betaald, te witten. Zo niet, zal de doelstelling niet worden gehaald. Dat onderstelt onder meer dat de werkgevers bereid moe- ten zijn zelf een deel te dragen van de flexibiliteit die zij van de werknemers vragen. De daartoe vereiste controlemechanismen zullen moeten worden uitgewerkt. Ook in uitzicht gestelde maatregelen om mensen met een handicap aan te moedigen om aan de slag te gaan, worden als positief aangemerkt. De spreekster twijfelt evenwel of ze wel efficiiënt zijn. De jongste jaren wer- den gekenmerkt door een teruggang op het vlak van de tewerkstelling van die personen. Zelfs een openbare werkgever stuit op tal van praktische hinderpalen om personen met een handicap in dienst te nemen en aan het werk te zetten. In de privé-sector is de toestand nog erger. De spreekster vernam graag welke budgettaire middelen de regering wil uittrekken voor de tenuitvoer- legging van de bepalingen van het wetsontwerp met betrekking tot de indienstneming van personen met een handicap en hoe het de budgettaire middelen de vol- gende jaren wil doen evolueren. Voorts had ze willen weten wat er met de niet-aangewende middelen zal gebeuren. Zullen die naar het volgende jaar worden overgedragen? De heer Jean-Marc Delizée (PS) wijst erop dat het centraal akkoord kennelijk niet veel enthousiasme op- wekt bij de sociale partners – zelfs niet bij de organisa- ties die er hun goedkeuring aan hebben gegeven. Niettemin vindt de spreker dat het ter bespreking voor- liggende wetsontwerp zo spoedig mogelijk moet wor- den aangenomen. Het bevat positieve elementen, zelfs al valt het te betreuren dat sommige andere aspecten minder eensgezindheid wegdragen. Wat de loonnorm betreft, is het positief dat werkne- mers en werkgevers het eindelijk eens zijn geworden ses. Il reste cependant encore un effort important à faire. Le temps où les entreprises du secteur non marchand n’étaient pas concernées par les faillites est révolu. Il est temps de leur appliquer les dispositions relatives aux fermetures d’entreprises. La partie du projet relative aux heures supplémentai- res est essentielle. Elle a fait l’objet de négociations dif- ficiles. Le système en projet semble être un compromis valable entre les impératifs de compétitivité des entre- prises et le maintien des conditions de travail. L’interve- nante espère que les dispositions en projet constitue- ront effectivement le moyen d’effectuer régulièrement les heures supplémentaires actuellement prestées en noir. Sans cela, l’objectif ne sera pas atteint. Cela sup- pose notamment que les employeurs soient prêts à as- sumer une part de la flexibilité qu’ils demandent aux travailleurs. Les mécanismes de contrôle adéquats de- vront être mis en place. Les mesures prévues pour encourager la mise au travail des personnes handicapées font également l’ob- jet d’une appréciation positive. L’oratrice doute cepen- dant de leur efficacité. Ces dernières années ont été marquées par un recul en matière de mise au travail de ces personnes. Même un employeur public se heurte à de nombreux obstacles pratiques pour embaucher des personnes handicapées et les mettre au travail. Dans le secteur privé, la situation est encore pire. L’interve- nante souhaiterait savoir quel budget le gouvernement entend consacrer à la mise en œuvre des dispositions du projet concernant l’embauche des personnes handi- capées, et comment il est prévu de faire évoluer ce bud- get pendant les années suivantes. Elle souhaite égale- ment savoir ce qu’il adviendra des moyens inutilisés. Ceux-ci seront-ils reportés à l’année suivante? M. Jean-Marc Delizée (PS) rappelle que les parte- naires sociaux n’ont pas manifesté beaucoup d’enthou- siasme à l’égard de l’accord interprofessionnel, même parmi les organisations qui ont approuvé celui-ci. L’intervenant estime néanmoins que le projet de loi à l’examen doit être approuvé au plus tôt. Il contient des éléments positifs, même s’il faut regretter que certains autres éléments prêtent plus à discussion. En ce qui concerne la norme salariale, un élément positif est qu’employeurs et travailleurs se sont enfin 8 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 over een gemeenschappelijke interpretatie. Volgens die interpretatie is draagwijdte van de maximumverhoging indicatief en niet imperatief. Afhankelijk van de betrok- ken sector zal het dus mogelijk zijn dat maximum al dan niet te overschrijden. Tevens zij herinnerd aan het be- ginsel op grond waarvan loonsverhogingen altijd een verworven recht zijn voor de werknemers; ze mogen dus niet in mindering worden gebracht van eventuele latere correcties. Zulks ligt overduidelijk in het verlengde van het «Toekomstcontract voor de werkgelegenheid», dat heeft geleid tot de wet van 26 juli 1996 tot bevorde- ring van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwa- ring van het concurrentievermogen. Het vraagstuk van de loonmarge impliceert dat moet worden gezocht naar een evenwicht tussen het inko- men van de werknemers enerzijds, en het scheppen van banen anderzijds. In het raam van het bij dit wets- ontwerp bekrachtigde akkoord hebben de werkgevers een zekere loonmatiging verkregen, aangezien nu de laagste maximumnorm sinds 1999 geldt. Daar staat jam- mer genoeg tegenover dat geen concrete beloftes wer- den gedaan inzake werkgelegenheid en meer bepaald inzake de creatie van jobs voor jongeren, ofschoon de regering dat had gevraagd. De Staat zal 250.000.000 euro uittrekken voor de fi- nanciering van het akkoord. De regering is dus substan- tieel tussenbeide gekomen om de onderhandelingen tussen de sociale partners uit het slop te halen. Het bipartiete overlegmodel lijkt dan ook steeds meer naar een tripartiet overlegmodel te evolueren. De vraag is of dat een positieve evolutie is. De bijdrage van 0,05% voor de begeleiding en de follow-up van werklozen was al opgenomen in het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004. Het advies van de Raad van State toont aan dat de versnippering van de bevoegdheden inzake werkgelegenheid soms een coherente aanpak van het vraagstuk in de weg staat, maar van de werkgevers had terzake een grotere in- spanning kunnen zijn gevraagd. Voorts formuleert de spreker nog een aantal opmer- kingen in verband met de bedrijfssluitingen. De uitbrei- ding van de interventieradius van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen is een belangrijke verwor- venheid, maar de Raad van State laat verstaan dat er een discriminatie kan schuilen in het feit dat het Fonds niet optreedt ten gunste van de werknemers van onder- nemingen die om andere redenen dan een aangifte van faillissement hun deuren sluiten. De heer Delizée onderstreept dat de social-profit- sector in dit verband niet over het hoofd mag worden gezien. Terzake is de wet van 2002 nog steeds niet van accordés sur une interprétation commune. Selon celle- ci, le maximum d’augmentation est une valeur indica- tive et non impérative. Selon le secteur concerné, il sera donc possible de dépasser ce maximum. Il faut égale- ment rappeler le principe selon lequel les augmenta- tions barémiques sont toujours acquises aux travailleurs et qu’elles ne peuvent être imputées sur une éventuelle correction ultérieure. Ceci découle clairement du «Con- trat d’avenir pour l’emploi», qui a initié la loi du 26 juillet 1996 relative à l’emploi et à la compétitivité. La question de la marge salariale est une question d’équilibre entre revenus des travailleurs et création d’emplois. Lors de l’accord consacré par le présent pro- jet de loi, les employeurs ont obtenu une certaine rigu- eur salariale, avec la norme maximale la plus basse depuis 1999. Il faut cependant regretter qu’il n’y ait aucun engagement concret en matière de création d’emplois, et notamment en matière d’emploi des jeunes, ce que le gouvernement avait pourtant demandé. L’État consacrera 250.000.000 euros au financement de l’accord. Le gouvernement est donc intervenu de manière substantielle pour débloquer les négociations entre partenaires sociaux. Le modèle de négociations bipartites semble ainsi évoluer de plus en plus claire- ment vers un modèle triparti. On ne doit pas forcément s’en réjouir. La cotisation de 0,05% affectée à l’accompagnement et au suivi des chômeurs était convenue dans l’accord de coopération du 30 avril 2004. L’avis du Conseil d’État montre que le morcellement des compétences en ma- tière d’emploi ne permet pas toujours une approche co- hérente de cette problématique, mais on aurait pu de- mander un effort supplémentaire aux employeurs. L’orateur formule encore quelques observations con- cernant les fermetures d’entreprises. L’extension du champ d’intervention du Fonds de fermeture des entre- prises est un acquis important. Mais le Conseil d’État laisse entendre que l’exclusion des travailleurs des en- treprises fermant pour un autre motif que l’aveu de faillite pourrait être considéré comme discriminatoire. M. Delizée insiste pour que le secteur non-marchand ne soit pas laissée pour compte. La loi de 2002 n’est toujours pas d’application et, en outre, les travailleurs 9 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 toepassing; voorts hebben de werknemers van de social- profitsector nog altijd geen recht op de sluitingspremie, wat echt uit de tijd is. Hoofdstuk VIII van het wetsontwerp heeft betrekking op de fiscale regeling inzake overwerk. De eerste 65 uur overwerk per werknemer worden minder zwaar belast, wat aantrekkelijk moet zijn voor zowel de werk- nemer als de werkgever. Die nieuwe regeling dreigt ech- ter een negatieve weerslag te hebben op de uitzend- arbeid en de arbeid die wordt verricht onder een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Wellicht zal de nieuwe regeling dus geen nieuwe banen opleveren. Voor de eerste schijf van 65 overuren wordt komaf gemaakt met de verplichting te werken via een CAO waarin wordt vastgesteld dat het onmogelijk is meer mensen in dienst te nemen. De vakbonden kunnen weliswaar nog altijd toezicht op een en ander uitoefenen. In geval via een CAO die grens van 65 overuren op 135 overuren per jaar wordt gebracht, vraagt de spreker of de keuze tus- sen recuperatie en niet-recuperatie individueel dan wel collectief dient te worden gemaakt. Kan de CAO voor- zien in de mogelijkheid dat de werknemer een indivi- duele keuze maakt? Mevrouw Maggie De Block (VLD) is ingenomen met de beslissing van de regering om uitvoering te geven aan een centraal akkoord dat pas na moeizame onder- handelingen tot stand is gekomen. Weliswaar lijkt de economische activiteit aan een opleving toe, maar het herstel is nog zwak en dat maakt onderhandelen er niet makkelijker op. De fractie waartoe de spreekster behoort, is ingeno- men met de maatregelen inzake overwerk, al had die fractie gewenst dat het wetsontwerp eveneens bepalin- gen zou bevatten tot aanpassing van de regeling van het vervroegd pensioen – een thema dat kennelijk is verschoven naar het debat over het loopbaaneinde. De spreekster dringt erop aan dat debat zo spoedig moge- lijk aan te gaan. Vervolgens staat de spreekster stil bij de bijzondere bijdrage voor de begeleiding van werklozen. Haar frac- tie heeft geen principieel bezwaar tegen die maatregel, maar wenst wel te vernemen welke resultaten de in het verleden genomen maatregelen hebben opgeleverd. Kennelijk is de situatie van de doelgroepen amper ver- beterd. In dat verband is het van belang te hameren op een correcte uitvoering van de samenwerkings- akkoorden met de deelgebieden. De RVA-facilitatoren lijken nog al te veel moeilijkheden te ondervinden bij de uitoefening van hun taak. Rapporteur Annemie Turtelboom (VLD) stelt vast dat een centraal akkoord per definitie een compromis is tus- du non-marchand sont toujours exclus de la prime de fermeture, ce qui est anachronique. Le chapitre VIII du projet de loi concerne le régime fiscal des heures supplémentaires. Le coût fiscal des 65 premières heures supplémentaires de chaque tra- vailleur est réduit, ce qui devrait être attrayant tant pour le travailleur que pour l’employeur. Le travail intérimaire et le travail à durée déterminée risquent cependant de supporter les conséquences de ce nouveau système. Le nouveau dispositif ne permettra donc vraisemblable- ment pas de créer de nouveaux emplois. Pour la pre- mière tranche de 65 heures supplémentaires, l’obliga- tion d’une CCT constatant l’impossibilité de procéder à des engagements supplémentaires est supprimée. Cer- tes, il existe toujours un contrôle syndical. Lorsque la limite des 65 heures est portée à 135 heures par an par CCT, l’orateur souhaiterait savoir si le choix entre la ré- cupération et la non-récupération reste individuel ou s’il doit être collectif. La CCT peut-elle opter pour le choix individuel dans le chef du travailleur? Mme Maggie De Block (VLD) se réjouit que le gou- vernement ait décidé d’exécuter un accord interprofes- sionnel conclu au terme de négociations difficiles. Si l’ac- tivité économique semble reprendre, cette reprise est encore faible, ce qui ne facilite pas les négociations. Le groupe de l’oratrice se réjouit des mesures relati- ves aux heures supplémentaires. Il aurait également souhaité trouver dans le projet de loi des dispositions adaptant le régime des retraites anticipées, thème qui semble reporté au débat général sur les fins de car- rière. L’intervenante insiste pour que ce débat débute au plus tôt. La cotisation spéciale destinée à l’accompagnement des chômeurs retient également l’attention de l’oratrice. Son groupe n’a pas d’objection de principe contre cette mesure, mais souhaiterait savoir quels résultats ont obtenus les mesures prises dans le passé. Il semble que la situation des groupes-cibles ne se soit guère améliorée. A ce propos, il convient d’insister pour la bonne exécution des accords de coopération avec les collectivités fédérées. Les facilitateurs de l’ONEm sem- blent encore éprouver trop de difficultés à exercer leur mission. Mme Annemie Turtelboom (VLD), votre rapporteur, constate qu’un accord professionnel est, par hypothèse, 10 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 sen de belangen van de werkgevers en die van de werk- nemers. Misschien ware het beter die logica achterwege te laten en te kiezen voor een algemenere aanpak van de problemen inzake economie en werkgelegenheid, zonder nog langer het gewicht van het verleden mee te dragen. Wat de bepalingen van het ter bespreking voorlig- gende wetsontwerp betreft, gaat de spreekster allereerst dieper in op het vraagstuk van de bedrijfssluitingen. Ie- dereen is het erover eens dat het oneerlijk is dat werk- nemers van kleine ondernemingen anders worden be- handeld dan werknemers van grote ondernemingen. De uitbreiding van de actieradius van het Fonds voor Slui- ting van Ondernemingen tot álle kleine ondernemingen zou evenwel kosten meebrengen die de Staat momen- teel onmogelijk kan dragen. De regering heeft op dat vlak al een grote inspanning geleverd. Overwerk is een ander gewichtig thema. De ver- soepeling van de overurenregeling is interessant, maar nog ontoereikend. Er is nood aan meer flexibiliteit in de ondernemingen: onze concurrentiekracht en groei han- gen daarvan af. Gelet op de weinig rooskleurige omstandigheden biedt het ter bespreking voorliggende wetsontwerp een eerbaar compromis, en verdient het dan ook te worden gesteund. Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V) vraagt nadere toe- lichting bij de bijdrage van 0,1% die wordt ingehouden op de loonmassa, teneinde risicogroepen aan werk te helpen. Het betreft hier de verlenging van een maatre- gel waarvan de spreekster eerst wenst te vernemen of hij al dan niet doeltreffend is. Over welke risicogroepen gaat het? Hoeveel jobs heeft die maatregel opgeleverd? Wat de werkgelegenheid voor allochtonen betreft, heeft de minister al toegegeven dat de diverse maatregelen nog geen effect hebben gesorteerd. Zullen de allochto- nen dan ook een doelgroep zijn van de hier in uitzicht gestelde maatregel? De Vlaamse regering heeft op dit vlak al concrete maatregelen genomen; misschien ware het interessant zich daarop te inspireren. Volgens voorzitter Hans Bonte (sp.a-spirit) levert het traditionele sociaal overleg in ons land met twee of drie partijen vaak goede resultaten op. Die resultaten vol- staan evenwel niet om alle sociale en economische knel- punten die zich voordoen, op te lossen. De politieke wereld moet op die moeilijkheden bedacht blijven, en moet met betrekking tot zijn beslissingen zijn verant- woordelijkheden nemen. Het ter bespreking voorlig- gende wetsontwerp moet dan ook worden beschouwd als een werkbasis, maar mag niet tot politieke inertie un compromis entre les intérêts des employeurs et les intérêts des travailleurs. Peut-être serait-il bon de sortir de cette logique pour aborder la problématique de l’éco- nomie et de l’emploi de manière plus globale et sans être lié par le poids du passé. Quant aux disposition du projet de loi à l’examen, l’in- tervenante aborde d’abord la question des fermetures d’entreprises. Chacun s’accorde à reconnaître qu’il n’est pas équitable que les travailleurs des petites entrepri- ses ne soient pas traités de la même manière que les travailleurs des grandes entreprises. Cependant, éten- dre le champ d’intervention du Fonds de fermeture des entreprises à toutes les petites entreprises engendre- rait des coûts que l’État n’est pas actuellement en me- sure d’assumer. Le gouvernement a déjà fait un effort important dans ce domaine. Le thème des heures supplémentaires est également important. L’assouplissement du régime des heures supplémentaires est intéressant, mais n’est pas encore suffisant. Il faut plus de flexibilité dans les entreprises: c’est une condition de compétitivité et de croissance. Compte tenu des circonstances peu favorables, le projet à l’examen constitue donc un compromis accep- table et doit être soutenu. Mme Nahima Lanjri (CD&V) se réfère à la cotisation de 0,1% perçue sur la masse salariale en faveur de la mise au travail des groupes à risque. Il s’agit de la pro- longation d’une mesure existante dont l’oratrice souhai- terait avoir une évaluation. De quels groupes à risque s’agit-il? Quels sont les résultats de cette mesure en termes d’embauche? En ce qui concerne la mise au travail des allochtones, le ministre a déjà admis que les différentes mesures prises n’avaient pas encore porté leurs fruits. Les allochtones constituent-ils dès lors un groupe-cible pour cette mesure? Le gouvernement fla- mand a pris des mesures concrètes en cette matière; il conviendrait sans doute de s’en inspirer. M. Hans Bonte (sp.a-spirit), président, estime que la concertation sociale bipartite ou tripartite traditionnelle dans notre pays livre souvent de bons résultats. Ce- pendant, ceux-ci ne sont pas suffisants pour répondre à l’ensemble des problèmes rencontrés sur le plan éco- nomique et social. Le monde politique doit rester atten- tif à ces problèmes et prendre ses responsabilités dans leur résolution. Le projet de loi à l’examen doit donc être considéré comme une base de travail, mais ne doit pas conduire à l’inertie politique. Il serait également in- 11 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 leiden. Voorts ware het interessant mochten de sociale partners binnen de Nationale Arbeidsraad geregeld een rapport uitbrengen over de maatregelen die werden genomen met uitvoering van de centrale akkoorden, en dat rapport ter kennis brengen van de regering en het parlement. Dat het vraagstuk van de beroepsopleiding belang- rijk is, ontgaat niemand. Maar er bestaat geen enkele nauwkeurige evaluatie van de situatie wat de opleiding betreft. Een dergelijke evaluatie is des te moeilijker te verrichten omdat de verantwoordelijkheden terzake erg versnipperd zijn. De spreker vraagt welke methodes momenteel worden aangewend om de beleidslijnen in- zake opleiding te evalueren. Het beleid ten gunste van risicogroepen bestaat reeds lang. Het is sedert verscheidene jaren opgenomen in de centrale akkoorden. Maar ook hier rijst die moeilijk- heid met de evaluatie. Het ware wenselijk dat de so- ciale partners jaarlijks een rapport zouden uitbrengen over de aanwending van de voor dat beleid bestemde middelen. Het betreft een verbintenis die sinds verschil- lende jaren in de centrale akkoorden opgenomen is, doch nooit naar behoren is nagekomen. De onderschei- den rapporten zouden moeten worden gestandaar- diseerd om ze vlotter leesbaar te maken en om ze beter onderling te kunnen vergelijken. Indien nodig zou die verplichting in de wet zelf moeten worden opgenomen. Ook aan het oude onderscheid tussen arbeiders en bedienden dient aandacht te worden besteed. De so- ciale partners hebben al te omzichtig erin voorzien een hervorming voor te stellen wat dat onderscheid betreft. Tegen eind 2005 moest een paritaire werkgroep onder het voorzitterschap van een onafhankelijke voorzitter worden opgericht. Hoe staat het met die krachtens het huidige centraal akkoord aangegane verbintenis? B. Antwoord van de minister van Werk Pas op 8 februari 2005 duidelijk gebleken dat het ontwerp van centraal akkoord niet volgens de normale procedure in werking zou treden. De regering heeft daarom besloten het om te zetten in een wetsontwerp. De termijn die is verstreken tussen die beslissing en de indiening van het ter bespreking voorliggende wetsont- werp is de normale tijdspanne om een dusdanig tech- nisch wetsontwerp op te stellen en om de benodigde adviezen in te winnen. De Raad van State heeft een opmerking gemaakt betreffende de bevoegdheidsmachtigingen ten gunste téressant que les partenaires sociaux établissent, au sein du Conseil national du travail, un rapport régulier sur les mesures prises en exécution des accords inter- professionnels et le transmettent au gouvernement et au Parlement. L’importance de la question de la formation profes- sionnelle n’échappe à personne. Mais il n’existe aucune évaluation précise de la situation en matière de forma- tion. Une telle évaluation est d’autant plus difficile a éta- blir que les responsabilités en la matière sont fort mor- celées. L’orateur demande quelles sont les méthodes actuellement utilisées pour évaluer les politiques de for- mation. La politique en faveur des groupes à risque est an- cienne. Elle figure depuis plusieurs années dans les accords interprofessionnels. Mais ici aussi se pose la question de l’évaluation. Il serait opportun qu’un rap- port annuel soit établi par les partenaires sociaux sur l’utilisation des moyens affectés à cette politique. Il s’agit d’un engagement figurant depuis plusieurs années dans les accords interprofessionnels. Cet engagement n’a cependant jamais été tenu de manière satisfaisante. Il conviendrait de standardiser les différents rapports afin de les rendre plus lisibles et plus comparables entre eux. Au besoin, cette obligation devrait être inscrite dans la loi elle-même. La vieille distinction entre ouvriers et employés doit également retenir l’attention. Les partenaires sociaux ont prévu, trop timidement, de proposer une réforme de cette distinction. Un groupe de travail paritaire présidé par un président indépendant devait être mis en place et publier un rapport pour la fin 2005. Quel sort est réservé à cet engagement par l’actuel accord interpro- fessionnel? B. Réponse du ministre de l’Emploi C’est seulement le 8 février 2005 qu’il est apparut clairement que le projet d’accord interprofessionnel n’en- trerait pas en vigueur par la procédure normale. Le gou- vernement a donc décidé de le transcrire dans un pro- jet de loi. Le délai intervenu entre cette décision et le dépôt du projet de loi à l’examen est le délai normal de rédaction d’un projet aussi technique et de collecte des avis nécessaires. Le Conseil d’État a formulé une remarque concer- nant les délégations de compétences au Roi. Selon le 12 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 van de Koning. Volgens de Raad van State zijn die machtigingen niet nauwkeurig genoeg geformuleerd. De gekozen formulering is nochtans conform een sinds ja- ren bestaande werkwijze. Tot dusver heeft de Raad van State zich daar echter nog nooit tegen verzet. Daarom is besloten de tekst van het voorontwerp te handhaven. Met betrekking tot het gehandicaptenbeleid is een werkgroep opgericht. Hij komt eerlang bijeen om het respectieve beleid terzake van de federale overheid en van de overheden van de deelgebieden te coördineren. De uitbreiding van het toepassingsgebied van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers geldt voorals- nog niet voor de non profit-sector. Het gaat hoofdzake- lijk om een technische moeilijkheid die spoedig zou moeten worden opgelost. Het budget waarin voor 2005 is voorzien, zal propor- tioneel worden aangerekend. Voor dit jaar zal er dus geen overschot zijn. Het ter bespreking voorliggende wetsontwerp heeft niet uitdrukkelijk betrekking op de indienstneming van jongeren. Zulks kan weliswaar worden betreurd, maar zou moeten worden gecompenseerd door de initiatie- ven die de regering de komende maanden op dat vlak zal nemen. De sociale partners hebben de verschillende rappor- ten ingediend waarin is voorzien inzake opleiding. Zo- dra die rapporten in een gestandaardiseerde en defini- tieve vorm beschikbaar zijn, zullen ze aan het parlement worden bezorgd. De sociale partners genieten een erg ruime autonomie wat het opleidingsbeleid betreft. Zij zijn alleen verplicht 0,1% van hun budget daaraan te beste- den. Er wordt een methode gehanteerd om het opleidingsbeleid te evalueren. Het toezicht op de overuren zal geschieden via de persoonlijke belastingfiche van de werknemers. Die fiche zal dienovereenkomstig worden aangepast. Voorts wordt overwogen de loonfiche aan te passen. Een ont- werp van koninklijk besluit dat uitvoering geeft aan de maatregelen die inzake overuren werden genomen, werd voor advies bij de Raad van State ingediend. De tenuitvoerlegging van dit wetsontwerp zal dus geen gertraging oplopen. Het centraal akkoord bevat geen enkele bepaing die specifiek voor de automobielsector geldt. Dat aspect moet nog worden behandeld. Conseil d’État, ces délégations ne sont pas assez pré- cisément formulées. La formulation choisie est pourtant conforme à une pratique existant depuis plusieurs an- nées. Or, jamais le Conseil d’État ne s’y est opposé jus- qu’ici. C’est pourquoi il a été décidé de maintenir le texte de l’avant-projet. En ce qui concerne la politique des personnes handi- capées, un groupe de travail est mis en place. Il se réu- nira sous peu pour coordonner les politiques fédérale et fédérées en la matière. L’extension du champ d’intervention du Fonds de fer- meture des entreprises ne concerne pas encore le sec- teur non marchand. Il s’agit essentiellement d’un pro- blème technique qui devrait être résolu rapidement. Le budget prévu pour 2005 sera imputé proportion- nellement. Il n’y aura donc pas d’excédent pour cette année. Le projet de loi à l’examen ne concerne pas expres- sément l’embauche des jeunes. On peut le regretter. Ceci devrait toutefois être compensé par les initiatives que le gouvernement prendra dans ce domaine dans les prochains mois. Les différents rapports prévus en matière de forma- tion ont été déposés par les partenaires sociaux. Une fois que ceux-ci seront disponibles en version uniformi- sée et définitive, ils seront transmis au Parlement. Les partenaires sociaux jouissent d’une très grande auto- nomie en matière de politique de formation. Leur seule obligation est de consacrer 0,1% du budget à celle-ci. Une méthode d’évaluation de la politique de formation est retenue. Le contrôle des heures supplémentaires se fera par le biais de la fiche fiscale personnelle des travailleurs. Celle-ci sera adaptée en conséquence. Une adaptation de la fiche salariale est également envisagée. Un pro- jet d’arrêté royal d’exécution des mesures prises en ma- tière d’heures supplémentaires est actuellement sou- mis au Conseil d’État. L’exécution du projet de loi ne souffrira donc aucun retard. L’accord interprofessionnel ne contient aucune dis- position spécifique au secteur automobile. Ce point doit encore être examiné. 13 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 C. Replieken van de leden Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) betreurt dat de non- profit sector nog altijd buiten het toepassingsgebied van het Fonds voor sluiting van ondernemingen valt. Zij dringt erop aan dat de vertraging die dat dossier heeft opgelo- pen, zo snel mogelijk zou worden weggewerkt. De spreekster betreurt ook dat de sociale partners dat toepassingsgebied niet tot de kleinste ondernemin- gen hebben willen uitbreiden. Die maatregel is op fi- nancieel vlak wellicht begrijpelijk, maar niet op ethisch vlak. Het is naïef te geloven dat de werknemers van kleine ondernemingen er bij de sluiting van hun onder- neming beter aan toe zouden zijn dan de werknemers uit grotere ondernemingen die sluiten. Voorzitter Hans Bonte (sp.a-spirit) herinnert eraan dat de waarde van een centraal akkoord afhangt van het engagement van de sociale partners. Het zou ontoe- laatbaar zijn mocht alleen de regering haar verbintenis- sen nakomen. De sociale partners mogen zich niet aan hun verantwoordelijkheden onttrekken. III.— ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN Artikel 1 Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Het wordt aangenomen met 8 stemmen en 2 onthou- dingen. Art. 2 Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Het wordt aangenomen met 9 stemmen en 1 onthou- ding. Art. 3 Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) verwijst naar de al- gemene bespreking, waarin zij de opmerking van de Raad van State over de bevoegdheidsdelegatie aan de Koning ter sprake heeft gebracht. Als die bepaling niets anders beoogt dan de bestaande praktijk te bevestigen, heeft zij geen enkel bezwaar. De minister van Werk bevestigt die interpretatie. * * * C. Répliques des membres Mme Greta D’hondt (CD&V) déplore que le secteur non marchand soit toujours exclu du champ d’interven- tion du Fonds de fermeture des entreprises. Elle insiste pour que le retard pris dans ce dossier soit comblé au plus vite. L’intervenante déplore également que les partenai- res sociaux n’aient pas voulu étendre ce champ d’inter- vention aux plus petites entreprises. Cette mesure est sans doute compréhensible du point de vue financier, mais pas sur le plan de l’éthique. Il est naïf de croire que les travailleurs de petites entreprises s’en sortent mieux que les autres lorsque que leur entreprise doit fermer. Le président rappelle que la valeur d’un accord inter- professionnel dépend des engagements qu’y prennent les partenaires sociaux. Il ne serait pas admissible que seul le gouvernement tienne ses engagements. Les partenaires sociaux ne peuvent pas se soustraire à leurs responsabilités. III. — DISCUSSION DES ARTICLES ET VOTES Article 1er Cet article ne donne lieu à aucune observation. Il est adopté par 8 voix et 2 abstentions. Art. 2 Cet article ne donne lieu à aucune observation. Il est adopté par 9 voix et 1 abstention. Art. 3 Mme Greta D’hondt (CD&V) renvoie à la discussion générale, dans laquelle elle évoquait la remarque du Conseil d’État concernant la délégation de compétence au Roi. Si cette disposition ne vise rien d’autre que la confirmation de la pratique existante, elle n’a aucune objection à émettre. Le ministre de l’Emploi confirme cette interprétation. * * * 14 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 Artikel 3 wordt aangenomen met 9 stemmen en 1 onthouding. Art. 4 tot 6 Over deze artikelen worden geen opmerkingen ge- maakt. Ze worden achtereenvolgens aangenomen met 9 stemmen en 1 onthouding. Art. 7 Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 3. Artikel 7 wordt aangenomen met 9 stemmen en 1 onthouding. Art. 8 Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) verwijst naar het advies van de Raad van State, die opmerkt dat die be- paling voorziet in een financiële bijdrage van de fede- rale overheid voor een activiteit die niet tot haar bevoegd- heden behoort. Zonder de relevantie van de maatregel te betwisten, moet men toch erkennen dat er een juri- disch probleem is. De financiële middelen van een ge- meenschap moeten worden toegewezen aan de uitoe- fening van haar materiële bevoegdheden. De spreekster vreest dat die wet wegens een bevoegdheidsconflict bij het Arbitragehof zal worden aangevochten. Dit samenwerkingsakkoord zou wel eens ongrondwettig kunnen zijn, hetgeen momenteel uiteraard geen enkel probleem doet rijzen, maar dat zal zeker veranderen zodra een beroep wordt ingesteld. De minister van Werk antwoordt dat de federale over- heid de deelgebieden al sinds de jaren ’90 financiert bij de begeleiding van de werklozen. De indertijd gekozen procedure voorzag niet in het advies van de Raad van State. Het is de eerste maal dat die Raad wordt ver- zocht zich over het probleem te buigen. Een essentieel punt in het samenwerkingsakkoord is echter de fede- rale financiering van de begeleiding van de werklozen. Zonder die financiering valt te vrezen dat het hele ak- koord tenietgaat. * * * Artikel 8 wordt aangenomen met 9 stemmen en 1 onthouding. L’article 3 est adopté par 9 voix et 1 abstention. Art. 4 à 6 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Ils sont successivement adoptés par 9 voix et 1 abs- tention. Art. 7 Il est renvoyé à la discussion de l’article 3. L’article 7 est adopté par 9 voix et 1 abstention. Art. 8 Mme Greta D’hondt (CD&V) se réfère à l’avis du Con- seil d’État, qui remarque que cette disposition prévoit une contribution financière de l’autorité fédérale pour une activité qui ne relève pas de ses compétences. Sans contester la pertinence de la mesure, il faut reconnaître qu’il y a là un problème juridique. Les moyens finan- ciers d’une collectivité doivent être affectés à l’exercice de ses compétences matérielles. L’oratrice craint que cette loi soit contestée devant la Cour d’arbitrage pour conflit de compétence. L’illégalité dont est entaché l’ac- cord de coopération ne pose bien entendu pas de pro- blème concret actuellement, mais ce sera le cas pour peu qu’un tel recours soit introduit. Le ministre de l’Emploi répond que c’est depuis les années 1990 que l’autorité fédérale finance les collecti- vités fédérées pour l’accompagnement des chômeurs. La procédure choisie à l’époque ne prévoyait pas d’avis du Conseil d’État. C’est la première fois que celui-ci est invité à se pencher sur ce problème. Toujours est-il que le financement de l’accompagnement des chômeurs par l’autorité fédérale est un point essentiel de l’accord de coopération. Sans ce financement, il est à craindre que l’ensemble de l’accord soit annihilé. * * * L’article 8 est adopté par 9 voix et 1 abstention. 15 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 Art. 9 tot 11 Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) verheugt er zich over dat het centraal akkoord tot stand is gekomen zonder aan de regeling van het vervroegd pensioen te raken. Dat debat moet plaatshebben in het kader van het rui- mere eindeloopbaandebat. * * * De artikelen 9 tot 11 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 1 onthouding. Art. 12 tot 15 Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) betreurt dat deze artikelen geen bekrachtiging zijn van een meer vastbe- raden wil om gevolg te geven aan de conclusies van de Sabena-onderzoekscommissie, die door de Kamer nochtans eenparig zijn goedgekeurd. Concreet vraagt de spreekster of de wijziging in de wet van 1966 zal moeten worden opgenomen in de wet van 2002, wanneer die in werking treedt. De minister van Werk bevestigt die analyse. Voorzitter Hans Bonte (sp.a-spirit) vindt dat er zeker een politieke meerderheid is om initiatieven in de door mevrouw D’hondt gewenste zin te nemen. Een parle- mentair initiatief zou dat dossier dus kunnen versnel- len. * * * De artikelen 12 tot 15 worden achtereenvolgens aan- genomen met 9 stemmen en 1 onthouding. Art. 16 en 17 Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) vreest dat deze be- palingen niet in de middelen voorzien om misbruiken inzake overuren tegen te gaan. Zij suggereert dat een evaluatie zou worden gehouden na twee jaar toepas- sing. Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V) vraagt of de verplich- ting dat de werknemer zelf moet vragen dat zijn over- uren als inhaalrust worden toegekend, ook geldt voor de overuren die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn gepresteerd. Art. 9 à 11 Mme Greta D’hondt (CD&V) se réjouit que l’accord interprofessionnel ait abouti sans porter atteinte au ré- gime des préretraites. Ce débat doit prendre place dans le débat plus large des fins de carrière. * * * Les articles 9 à 11 sont successivement adoptés par 9 voix et 1 abstention. Art. 12 à 15 Mme Greta D’hondt (CD&V) regrette que les présents articles ne consacrent pas une volonté plus résolue de donner suite aux conclusions de la commission d’en- quête sur la Sabena, qui avaient pourtant été approu- vées à l’unanimité par la Chambre. Concrètement, l’oratrice demande si la modification opérée dans la loi de 1966 doit être reprise dans la loi de 2002 lorsque celle-ci entrera en vigueur. Le ministre de l’Emploi confirme cette analyse. M. Hans Bonte (sp.a-spirit) estime qu’il existe certai- nement une majorité politique pour prendre des initiati- ves dans le sens souhaité par Mme D’hondt. Une initia- tive parlementaire pourrait donc être de nature à accélérer ce dossier. * * * Les articles 12 à 15 sont successivement adoptés par 9 voix et 1 abstention. Art. 16 et 17 Mme Greta D’hondt (CD&V) craint que les présentes dispositions ne donnent pas les moyens d’éviter les abus en matière d’heures supplémentaires. Elle suggère de procéder à une évaluation après deux ans d’applica- tion. Mme Nahima Lanjri (CD&V) demande si l’obligation faite au travailleur de demander lui-même à ne pas ré- cupérer ses heures supplémentaires est applicable aux heures supplémentaires prestées avant l’entrée en vi- gueur de cette disposition. 16 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 De minister van Werk beantwoordt die laatste vraag bevestigend. Mevrouw Greet van Gool (sp.a-spirit) c.s. dient amen- dement nr. 3 (DOC 51 1767/003) in, dat ertoe strekt artikel 17 van het wetsontwerp aan te vullen. De indien- ster geeft aan dat dit amendement een oplossing aan- reikt voor de moeilijkheid in de automobielsector. Zij licht haar amendement toe, zoals zulks is vervat in haar schriftelijke verantwoording van het amendement. * * * Artikel 16 wordt aangenomen met 9 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 3 wordt eenparig aangenomen. Het aldus geamendeerde artikel 17 wordt eenparig aangenomen. Art. 18 tot 22 Over deze artikelen worden geen opmerkingen ge- maakt. Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Art. 28 tot 31 (nieuw) De regering dient amendement nr. 1 (DOC 51 1767/ 002) in, dat ertoe strekt in het wetsontwerp een hoofd- stuk IX in te voegen, dat de artikelen 28 tot 31 omvat en betrekking heeft op de regeling van de innovatiepremies. Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V) constateert dat het opzet van amendement nr. 1 nauw aansluit bij dat van het wetsvoorstel tot afschaffing van de sociale bijdra- gen op de suggestiepremies (DOC 51 1679/001). Ze heeft echter enkele opmerkingen over dat amendement. De spreekster wenst eerst te weten wat het woord «innovatie» betekent in het kader van de ter tafel lig- gende bepalingen. Vervolgens heeft ze vragen over de beperkingen die inzake de vrijstellingen worden opgelegd. Waarom wor- den ze beperkt tot 10 % van de werknemers van de onderneming en tot 10 werknemers per innovatie? Waarom mag het bedrag van de premie per kalender- jaar niet meer bedragen dan een maandloon? Het lijkt de spreekster weinig opportuun de stimulering van de creativiteit op die manier in te perken. Le ministre de l’Emploi répond à cette dernière ques- tion par l’affirmative. Mme Greet van Gool (sp.a-spirit) et consort dépo- sent un amendement n° 3 visant à compléter l’article 17 du projet. Mme van Gool explique que cet amendement répond à un problème rencontré dans le secteur auto- mobile. Elle expose la portée de son amendement, ainsi qu’elle est formulée dans la justification écrite. * * * L’article 16 est adopté par 9 voix et 1 abstention. L’amendement n° 3 est adopté à l’unanimité. L’article 17 tel qu’amendé est adopté à l’unanimité. Art. 18 à 22 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Ils sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 28 à 31 (nouveaux) Le gouvernement dépose un amendement n°1 visant à insérer un nouveau chapitre IX dans le projet de loi. Ce chapitre contient les articles 28 à 31 et concerne le régime des primes à l’innovation. Mme Nahima Lanjri (CD&V) constate que l’amende- ment n° 1 est proche dans son esprit de la proposition de loi supprimant les cotisations sociales afférentes aux primes aux suggestions (doc 51 1679). Elle formule cependant quelques observations à son propos. L’intervenante souhaiterait d’abord savoir comment doit s’interpréter le terme «innovation» dans le cadre des présentes dispositions. Ensuite, l’intervenante s’interroge sur les limitations qui sont imposées aux exonérations. Pourquoi limiter celles-ci à 10% des travailleurs de l’entreprise et à 10 travailleurs par innovation? Pourquoi limiter le montant de la prime à un mois de salaire par année civile? L’ora- trice estime peu opportun de limiter de la sorte la stimu- lation de la créativité. 17 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 Tot slot dringt de spreekster erop aan dat de onder- nemingen, voor de toepassing van deze bepalingen, niet aan buitensporige administratieve verplichtingen wor- den onderworpen. Volgens de minister van Sociale Zaken en Volksge- zondheid strookt amendement nr. 1 met de wensen van de sociale partners. Zulks doet geenszins afbreuk aan de kwaliteiten van het wetsvoorstel tot afschaffing van de sociale bijdragen op de suggestiepremies. De beperking van de vrijstelling van sociale- zekerheidsbijdragen tot de premies die zijn toegekend aan 10 % van het personeel van de onderneming kan arbitrair lijken, maar dat geldt voor alle drempels en bovengrenzen die de sociale wetgeving heeft vastge- steld. Die bovengrens leek de regering en de sociale partners redelijk. Er zij echter opgemerkt dat het niet om een absolute bovengrens gaat. Het staat de onder- nemingen steeds vrij aan meer dan 10 % van hun per- soneel innovatiepremies te geven, maar ze zullen socialezekerheidsbijdragen moeten betalen op het ge- deelte dat die 10 % overschrijdt. De mechanismen van externe controle zijn noodza- kelijk. De minister is geen voorstander van over- regulering, maar hij wil niet het risico lopen dat de in- voering van dat mechanisme aanleiding geeft tot misbruik. Het is omwille van de transparantie nodig ge- bleken te bepalen dat de minister van Economie in ken- nis moet worden gesteld van de toekenning van pre- mies waarop de voorliggende bepalingen van toepassing zijn. De uitvoeringsmaatregelen zullen ervoor zorgen dat de informatieprocedure verenigbaar is met de industriële geheimhouding. Om iedere moeilijkheid inzake uitlegging van de wet te voorkomen, vraagt mevrouw Nahima Lanjri (CD&V) of voor het bepalen van het maximumbedrag van de innovatiepremie het nettoloon dan wel het brutoloon in aanmerking wordt genomen. De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid antwoordt dat het brutoloon van de werknemer in aan- merking wordt genomen. Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) brengt de kwestie van de intellectuele eigendom van de door de werkne- mers aangebrachte innovaties te berde. Doorgaans komt dat eigendom toe aan de onderneming waar ze werken. Nadat de betrokken werknemers ontslagen zijn, blijft voor hen niets over van de rechten van hun inno- vatie. Het zou gepast zijn zich over dat probleem te buigen zodat de werknemers de zekerheid hebben dat ze een deel van de door de octrooien gegenereerde opbrengst zullen krijgen. Enfin, l’oratrice insiste pour que les entreprises ne soient pas, pour l’application des présentes dispositions, soumises à des contraintes administratives exagérées. Selon le ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, M. Rudy Demotte, l’amendement n° 1 est con- forme à la volonté des partenaires sociaux, ce qui ne retire rien aux qualités de la proposition de loi suppri- mant les cotisations sociales afférentes aux primes aux suggestions. La limitation de l’exonération de cotisations sociales aux primes octroyées à 10% du personnel de l’entre- prise peut paraître arbitraire. Mais c’est le cas de tous les seuils et de tous les plafonds fixés par la législation sociale. Cette limite a semblé raisonnable au gouver- nement et aux partenaires sociaux. Il faut toutefois re- marquer qu’il ne s’agit pas d’une limite absolue. Les entreprises seront toujours libres d’octroyer des primes d’innovation à plus de 10% de leur personnel. Mais el- les seront tenues de payer des cotisations sociales sur la part excédant ces 10%. Les mécanismes de contrôle externe sont nécessai- res. Le ministre se dit adversaire des excès de régle- mentation, mais refuse de prendre le risque d’abus dans la mise en place de ce mécanisme. Dans un souci de transparence, il a semblé nécessaire de prévoir l’obli- gation d’informer le ministre de l’Économie de l’octroi de primes auxquelles les présentes dispositions sont applicables. Les mesures d’exécution veilleront à ce que la procédure d’information soit compatible avec le se- cret industriel. Afin d’éviter toute difficulté d’interprétation de la loi, Mme Nahima Lanjri (CD&V) demande si le salaire pris en considération pour déterminer le montant maximal de la prime d’innovation est le salaire net ou le salaire brut. Le ministre des Affaires sociales et de la Santé publi- que répond que le salaire pris en considération est le salaire brut du travailleur. Mme Greta D’hondt (CD&V) évoque la question de la propriété intellectuelle des innovations apportées par les travailleurs. En général, cette propriété revient à l’en- treprise qui les emploie. Une fois les travailleurs con- cernés licenciés, ils ne leur reste rien des droits de leur création. Il serait opportun de se pencher sur ce pro- blème, afin de garantir aux travailleurs une part des re- venus produits par les brevets. 18 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 * * * De artikelen 28 tot 31 worden achtereenvolgens een- parig aangenomen. Art. 32 tot 50 De regering dient amendement nr. 2 (DOC 51 1767/ 003) in, dat ertoe strekt in het wetsontwerp een hoofd- stuk X in te voegen, dat de artikelen 32 tot 50 omvat. De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid geeft aan dat dit amendement tot doel heeft concreet uitvoering te geven aan een van de punten van het cen- traal akkoord dat betrekking heeft op de verjaringstermijn van de bijdragen. Het amendement omvat 3 afdelingen: de eerste betreft de verjaringstermijn van de socialezekerheidsbijdragen, de tweede en de derde maken het voor de inninginstellingen mogelijk over betere juridische instrumenten te beschikken om ze te helpen bij het innen van de socialezekerheidsbijdragen. 1° De verjaringstermijn van de socialezekerheids- bijdragen Op verzoek van de sociale partners wordt die verjaringsgtermijn ingekort (3 jaar in plaats van 5 jaar). De inwerkingtreding van die wijziging is op 1 januari 2009 vastgesteld, teneinde de diverse instellingen die de socialezekerheidsbijdragen innen de nodige tijd te geven om hun intern systeem van controle van de aan- giften en van inning van de schuldvorderingen te wijzi- gen. Een te snelle wijziging zou technische moeilijkhe- den met zich brengen die de correcte inning van de socialezekerheidsbijdragen in het gedrang kunnen bren- gen. 2° Een betere invordering van de socialezekerheids- bijdragen De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid krijgt de mo- gelijkheid onder bepaalde voorwaarden uitstel te verle- nen aan de werkgevers die te kampen hebben met tij- delijke liquiditeitsproblemen, alvorens ze te dagvaarden voor de bevoegde rechtbanken. Feit is immers dat 70 % van de gedingen die de RSZ instelt aanleiding geven tot een verstekvonnis. In de meeste van die gevallen vraagt de werkgever uitstel om de tenuitvoerlegging van het vonnis op te schorten en komt hij zijn verbintenissen na. * * * Les articles 28 à 31 sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 32 à 50 Le gouvernement dépose un amendement n° 2, in- sérant un chapitre X dans le projet. Ce chapitre contient les articles 32 à 50. Selon le ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, le présent amendement vise à concrétiser un des points repris dans l’accord interprofessionnel qui concerne le délai de prescription des cotisations. Il est composé de 3 sections. La première est relative au dé- lai de prescription des cotisations de sécurité sociale. Les deuxième et troisième parties permettent aux orga- nismes percepteurs de bénéficier de meilleurs instru- ments juridiques pour les aider dans leur tâche de per- ception des cotisations de sécurité sociale. 1° Le délai de prescription des cotisations de sécu- rité sociale La demande des partenaires sociaux est de faire re- venir ce délai de prescription de 5 à 3 ans. L’entrée en vigueur de ce changement a est fixée au 1er janvier 2009, pour laisser le temps nécessaire aux différents organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale pour modifier leur système interne de contrôle des déclarations et de récupération de créan- ces. Un changement trop rapide engendrerait des diffi- cultés techniques qui risqueraient de mettre en péril la correcte perception des cotisations de sécurité sociale. 2° L’amélioration du recouvrement des cotisations de sécurité sociale L’Office national de Sécurité sociale reçoit la possibi- lité d’octroyer des termes et délais sous certaines con- ditions aux employeurs qui éprouvent des difficultés passagères de trésorerie, et ce avant de citer devant les juridictions compétentes. En effet, force est de constater que 70% des procé- dures introduites par l’ONSS aboutissent à des juge- ments rendus par défaut. Dans la plupart de ces cas, l’employeur demande des termes et délais pour sus- pendre l’exécution du jugement rendu et respecte ses engagements. 19 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 De toekenning van die faciliteiten doet geenszins af- breuk aan het recht van de RSZ de betrokken bijdragen in te vorderen door de werkgever voor de bevoegde rechter te dagen of door zich een dwangbevel te laten afleveren zo de niet verschenen schuldenaar de afbetalingstermijnen die hem in minnelijke zin werden toegekend, niet naleeft. Die werkwijze zou echter de arbeidsgerechten ontlasten en zou het in tal van geval- len mogelijk maken te voorkomen dat de werkgever hoge gerechtskosten moet betalen. Overeenkomstig het advies van de Raad van State zullen de voorwaarden voor de toekenning van die betalingsfaciliteiten worden bepaald via een koninklijk besluit dat zal worden vastgesteld nadat het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Ze- kerheid is ingewonnen. 3° Een betere inning van de sociale bijdragen De derde afdeling van het amendement beoogt de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen een waaier van rechtsmiddelen ter beschikking te stellen teneinde een betere inning van die bijdragen te waar- borgen. Daartoe wordt de beperking in de tijd van het voor- recht dat reeds bestaat in artikel 19, eerste lid, 4°ter, van de wet van 16 december 1851 betreffende de voor- rechten en hypotheken afgeschaft. Het tweede juridisch instrument biedt de innings- instelling van de socialezekerheidsbijdragen de moge- lijkheid op al de aan de schuldenaar toebehorende goe- deren een wettelijke hypotheek te laten inschrijven voor elke schuldvordering waarover hij beschikt ten aanzien van de schuldenaar. Die inschrijving geschiedt op verzoek van de inning- instelling van de sociale zekerheidsbijdragen op basis van een uitvoerbare titel of van een titel die recht geeft op conservatoir beslag of voor een vordering die het voorwerp was van een beschikking die conservatoir beslag toestond. Het derde instrument betreft de verantwoordelijk- heidstoedeling van de notarissen en van de openbare of ministeriële ambtenaren die belast zijn met het ver- lijden van bepaalde akten of met de verkoop van roe- rende goederen. Bedoeling is dat de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen over dezelfde inlich- tingen en rechten beschikken als de belastingdiensten. L’octroi de ces facilités ne préjudicierait en rien au droit de l’Office à procéder au recouvrement des cotisa- tions en question en citant devant le juge compétent ou en se délivrant une contrainte dès lors que le débiteur défaillant ne respecte pas les termes et délais qui lui ont été octroyés à l’amiable. Il permettrait cependant de soulager les juridictions du travail et d’éviter dans de nombreux cas des frais de justice élevés à charge de l’employeur. Conformément à l’avis du Conseil d’État, les condi- tions dans lesquelles ces facilités de paiement pourront être octroyées seront déterminées par un arrêté royal après avis du comité de gestion de l’Office. 3° L’amélioration de la perception des cotisations sociales La troisième section vise à mettre à la disposition de l’organisme percepteur des cotisations de sécurité so- ciale un éventail de moyens juridiques en vue d’assurer une meilleure perception des cotisations de sécurité sociale. À cette fin, la limite dans le temps du privilège qui existe déjà dans l’article 19, alinéa 1er, 4°ter, de la loi du 16 décembre 1851 sur les privilèges et hypothèques est supprimée Le deuxième instrument juridique donne la possibi- lité à l’organisme percepteur des cotisations de sécu- rité sociale de faire inscrire une hypothèque légale sur tous les biens appartenant à son débiteur afin de ga- rantir la créance généralement quelconque dont il dis- pose à l’égard de ce débiteur. Cette inscription est faite à la requête de l’organisme percepteur de cotisations sociales sur base d’un titre exécutoire ou d’un titre donnant lieu à saisie conserva- toire ou pour une créance qui a fait l’objet d’une ordon- nance autorisant la saisie conservatoire. Le troisième instrument concerne la responsa- bilisation des notaires ainsi que celles des fonctionnai- res publics ou les officiers ministériels chargés de la passation de certains actes ou de la vente de biens meubles. Il s’agit de permettre aux organismes percep- teurs de cotisations de sécurité sociale de bénéficier des mêmes informations et droits dont dispose déjà le fisc. 20 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 Er werden evenwel bepaalde nuances aangebracht, met name om zowel de notarissen, de ministeriële amb- tenaren als de betrokken instellingen geen werkoverlast te bezorgen. Daarbij gaat het er meer bepaald om de informatieverstrekking te beperken tot de akten betref- fende de rechtspersonen en de natuurlijke personen die op het ogenblik van het verlijden van de akte een activi- teit als zelfstandige uitoefenen. Weinig andere perso- nen hebben immers het statuut van werkgever en kun- nen dus schulden inzake socialezekerheidsbijdragen hebben. De elektronische overzending geschiedt in het raam van de programma’s inzake e-notariaat en e-gerechts- deurwaarders die werden opgezet om de communica- tie tussen die personen en de overheid te vereenvoudi- gen. De praktische wijze waarop invulling zal worden gegeven aan de uitwerking van dat informatiecircuit zal door de Koning worden vastgesteld teneinde alle be- trokken personen te raadplegen. In een streven om bijkomende gerechtskosten te voor- komen, zal de kennisgeving door de instelling de schuld- vordering int, gelden als beslag onder derden in han- den van de notarissen of van de ministeriële ambtenaren. Het laatste instrument strekt ertoe de overnemers solidair te maken bij de betaling van de sociale schul- den van de overdrager bij een overdracht, in eigendom of in vruchtgebruik, van een geheel van goederen, die worden aangewend voor de uitoefening van een vrij beroep, een ambt of een post, dan wel van een indus- triële, commerciële of landbouwexploitatie alsmede de vestiging van een vruchtgebruik op diezelfde goederen. Als beginsel geldt dat die overdracht pas tegenstel- baar is na het verstrijken van de maand die volgt op die waarin een authentiek afschrift van de akte van over- dracht of van de akte van vestiging ter kennis werd ge- bracht van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Die solidariteit is beperkt tot het bedrag dat reeds door hem werd gestort of verstrekt of tot een bedrag dat over- eenstemt met de nominale waarde van de aandelen die in ruil voor de overdracht zijn toegekend vóór het ver- strijken van voormelde termijn. Die bepaling strekt ertoe te voorkomen dat overdrach- ten plaatsvinden die bedoeld zijn om de betaling van socialezekerheidsbijdragen te omzeilen door het vermo- gen van de schuldenaar te verminderen. Teneinde evenwel te voorkomen dat het economisch leven wordt lamgelegd en bepaalde transacties worden verhinderd omdat ze geen rechtszekerheid zouden heb- ben, zal de overdrager bij de RSZ een certificaat kun- nen aanvragen waaruit blijkt dat er geen sociale schul- den zijn, en de overdracht meteen tegenstelbaar maken. Certaines nuances ont néanmoins été apportées notamment pour éviter une surcharge de travail tant pour les notaires et officiers ministériels que pour les orga- nismes concernés. Il s’agit notamment de la limitation de la communication des informations aux seules per- sonnes morales et physiques exerçant une activité d’in- dépendant au moment de la passation de l’acte. En effet, peu d’autres personnes ont le statut d’employeurs et sont dès lors susceptibles d’avoir des dettes de coti- sations de sécurité sociale. La transmission par voie électronique s’inscrit dans le cadre des programmes d’e-notariat et e-huissiers qui ont été mis en place pour simplifier la communication de ces personnes avec les pouvoirs publics. Les moda- lités pratiques de la mise en place de ce circuit d’infor- mations seront déterminées par le Roi afin de consulter toutes les personnes concernées. Dans le souci d’éviter de nouveaux frais de justice, la notification par l’organisme percepteur de sa créance emportera saisie-arrêt entre les mains des notaires ou des officiers ministériels. Le dernier instrument vise à solidariser les cession- naires au paiement des dettes sociales du cédant lors d’une cession, en propriété ou en usufruit, d’un ensem- ble de biens affectés à l’exercice d’une profession libé- rale, charge ou office ou d’une exploitation industrielle, commerciale ou agricole ainsi que la constitution d’un usufruit sur les mêmes biens. Le principe est que cette cession ne sera opposable qu’à l’expiration du mois qui suit celui au cours duquel une copie authentique de l’acte translatif ou constitutif a été notifiée à l’Office national de sécurité sociale. Cette solidarité est limitée à concurrence du montant déjà payé ou attribué par lui ou d’un montant corres- pondant à la valeur nominale des actions ou parts attri- buées en contrepartie de la cession, avant l’expiration dudit délai. Cette disposition vise à éviter que des cessions n’aient lieu dans un objectif d’éviter le paiement de cotisations de sécurité sociale en appauvrissant le patrimoine du débiteur. Néanmoins, afin d’éviter de paralyser la vie écono- mique et d’empêcher certains transactions faute de sé- curité juridique , un certificat pourra être demandée par le cédant à l’ ONSS pour attester de l’absence de dette sociales et rendre la cession directement opposable. 21 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 In twee gevallen zal dat certificaat worden geweigerd: zo, op de datum van de aanvraag, ten laste van de over- drager een liquide en vaststaande schuld werd vastge- steld ten opzichte van de instelling of wanneer de aan- vraag werd ingediend na de aankondiging van of tijdens een controle door een sociaal inspecteur. Vanaf de datum waarop de overdrager de aanvraag voor dat certificaat heeft ingediend, beschikt de RSZ over een termijn van dertig dagen om dat certificaat af te leveren of het te weigeren. Het laatste artikel regelt de inwerkingtreding van deze bepalingen: voor de eerste afdeling zou dat 1 januari 2009 worden, voor de tweede en de derde afdeling zou dat gebeuren op een door de Koning vastgestelde da- tum. Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) heeft geen princi- pieel bezwaar tegen amendement nr. 2. Zij wenst even- wel te worden gerustgesteld op een aantal punten. Ten eerste vraagt de spreekster zich af of de nieuwe, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toegekende rechten geen afbreuk doen aan het voorrecht van de werknemer. Voorts is het positief dat de arbeidsrechtbanken van een aantal geschillen worden ontlast, maar rijst op die manier niet het risico dat er zich een trend zal afteke- nen waarbij men sneller dan thans het geval is om een aanzuiveringsplan zal vragen? Ten derde lijkt het billijk dat de overnemer van een gefailleerd bedrijf de schulden van de gefailleerde ten opzichte van de RSZ overneemt, maar dreigt zulks niet ontradend te werken voor bepaalde potentiële overnemers? Volgens de minister van Sociale Zaken en Volksge- zondheid doet amendement nr. 2 geen afbreuk aan de rechten van de werknemers. De termijnen, toegestaan voor de betaling van de sociale bijdragen werden even- min gewijzigd. Amendement nr. 2 strekt er ten slotte toe te voorkomen dat een werkgever een deel van zijn vermogen overdraagt aan een derde, zonder de op- brengst van die overdracht aan de aanzuivering van zijn sociale schulden te besteden. Het ligt dus niet in de bedoeling overnames van gefailleerde bedrijven te ver- hinderen of de economische activiteit af te remmen, maar te voorkomen dat bepaalde werkgevers hun insolventie ten nadele van de sociale zekerheid organi- seren. Ce certificat sera refusé dans deux cas: si, à la date de la demande, il a été établi à charge du cédant une dette qui constitue une dette liquide et certaine vis-à-vis de l’organisme ou si la demande est introduite après l’annonce ou au cours d’un contrôle par un inspecteur social. L’ONSS dispose d’un délai de trente jours à dater de la demande par le cédant de ce certificat pour le déli- vrer ou le refuser. Le dernier article règle la date d’entrée en vigueur qui est le 1er janvier 2009 pour la première section et à une date déterminée par le Roi pour les 2 et 3ème sec- tions Mme Greta D’hondt (CD&V) n’a pas d’objection de principe à l’encontre de l’amendement n° 2. Elle sou- haite cependant être rassurée sur certains points. Premièrement, l’intervenante se demande si les nou- veaux droits octroyés à l’Office national de sécurité so- ciale ne dérogent pas au privilège du travailleur. Deuxièmement, il est positif que les tribunaux du tra- vail soient libérés d’une série de litiges. Mais n’y a-t-il pas de risque de voir se développer une tendance à demander plus rapidement qu’actuellement un plan d’apurement? Troisièmement, il semble équitable que le repreneur d’une entreprise faillie soit tenu des dettes du failli à l’égard de l’Office national de sécurité sociale. Cela ne risque-t-il cependant pas de décourager certains repreneurs potentiels? Selon le ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, l’amendement n° 2 ne porte pas atteinte aux droits des travailleurs. Les termes accordés pour le paie- ment des cotisations sociales ne sont pas modifiés non plus. L’amendement n° 2 vise enfin à éviter qu’un em- ployeur cède une partie de son patrimoine à un tiers sans affecter le produit de cette cession à l’apurement de ses dettes sociales. Il ne s’agit pas d’empêcher les reprises d’entreprises faillies ni de faire obstacle à l’ac- tivité économique, mais d’éviter que certains employeurs organisent leur insolvabilité au détriment de la sécurité sociale. 22 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 M. Bruno Van Grootenbrulle (PS) et consort dépo- sent un sous-amendement n° 4 visant à rendre plus souple la procédure de communication entre l’organisme percepteur des cotisations sociales et les tiers. Les mêmes auteurs déposent un sous-amendement n° 5 visant à corriger l’article 49 proposé par l’amende- ment n° 2. * * * Les articles 32 à 47 sont successivement adoptés à l’unanimité. L’amendement n° 4 est adopté à l’unanimité. L’article 48 tel qu’amendé est adopté à l’unanimité. L’amendement n° 5 est adopté à l’unanimité. L’article 49 tel qu’amendé est adopté à l’unanimité. L’article 50 est adopté à l’unanimité. * * * L’ensemble du projet de loi tel qu’amendé est adopté par 10 voix et 1 abstention. La commission s’accorde en outre sur un certain nom- bre de corrections techniques. La proposition de loi supprimant les cotisations so- ciales afférentes aux primes aux suggestions (DOC 51 1679/001) devient sans objet. Le rapporteur, Le président, Annemie TURTELBOOM Hans BONTE De heer Bruno Van Grootenbrulle (PS) c.s. dient sub- amendement nr. 4 in, dat ertoe strekt de communicatie tussen de inningsinstelling van de sociale bijdragen en derden procedureel vlotter te doen verlopen. Dezelfde indieners dienen subamendement nr. 5 in, tot verbetering van het bij amendement nr. 2 voorge- stelde artikel nr. 49. * * * De artikelen 32 tot 47 worden achtereenvolgens een- parig aangenomen. Amendement nr. 4 wordt eenparig aangenomen. Het aldus geamendeerde artikel 48 wordt eenparig aange- nomen. Amendement nr. 5 wordt eenparig aangenomen. Het aldus geamendeerde artikel 49 wordt eenparig aange- nomen. Artikel 50 wordt eenparig aangenomen. * * * Het geheel van het aldus geamendeerde wetsont- werp wordt aangenomen met 10 stemmen en 1 onthou- ding. Voorts wordt de commissie het eens over een aantal technische verbeteringen. Dientengevolge vervalt het wetsvoorstel tot afschaf- fing van de sociale bijdragen op de suggestiepremies (DOC 51 1679/001). De rapporteur, De voorzitter, Annemie TURTELBOOM Hans BONTE 23 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 A. — Membres titulaires/Vaste leden : VLD Hendrik Daems, Bart Tommelein, Luk Van Biesen PS Jacques Chabot, Eric Massin, Alain Mathot MR François-Xavier de Donnea, Luc Gustin, Marie-Christine Marghem sp.a-spirit Anne-Marie Baeke, Annemie Roppe, Dirk Van der Maelen CD&V Hendrik Bogaert, Carl Devlies Vlaams Belang Marleen Govaerts, Hagen Goyvaerts cdH Jean-Jacques Viseur C.— Membre sans voix délibérative/ Niet-stemgerechtigd lid : ECOLO Jean-Marc Nollet B. — Membres suppléants/Plaatsvervangers : Alfons Borginon, Willy Cortois, Karel Pinxten, Annemie Turtelboom Thierry Giet, Karine Lalieux, Marie-Claire Lambert, André Perpète Francois Bellot, Alain Courtois, Denis Ducarme, Olivier Maingain Cemal Cavdarli, Maya Detiège, David Geerts, Karine Jiroflée Greta D’hondt, Herman Van Rompuy, Trees Pieters Guy D’haeseleer, Bart Laeremans, Bert Schoofs Joseph Arens, David Lavaux BIJLAGE ANNEXE UITGEBRACHT DOOR DE HEER Éric MASSIN FAIT PAR M. Éric MASSIN SOMMAIRE I. Procédure . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 II. Exposé du vice-premier ministre et ministre des Finances . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 III. Discussion et vote . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 INHOUD I. Procedure . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 II. Uiteenzetting van de vice-eerste minister en minister van Financiën . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 III. Bespreking en stemming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 VERSLAG RAPPORT ADVIES AVIS DE LA COMMISSION DES FINANCES ET DU BUDGET VAN DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN DE BEGROTING Composition de la commission à la date du dépôt du rapport / Samenstelling van de commissie op datum van indiening van het verslag: Président/Voorzitter : François-Xavier de Donnea 24 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 DAMES EN HEREN, Uw commissie heeft deze bepalingen besproken tij- dens haar vergadering van 18 mei 2005. I.— PROCEDURE De vice-eerste minister en minister van Financiën heeft op 13 mei 2005 de voorzitter van de Kamer per faxbericht verzocht de fiscale bepalingen van het voormelde wetsontwerp (artikelen 23 tot 27, alsmede amendement nr. 1 van de regering) naar de commissie voor de Financiën en de Begroting te verwijzen. Het wetsontwerp werd ter bespreking voorgelegd aan de commissie voor de Sociale Zaken, die tijdens haar vergadering van 17 mei 2005, overeenkomstig artikel 28.4 van het Reglement van de Kamer, te kennen heeft gegeven dat ze onverwijld het advies van de commis- sie voor de Financiën en de Begroting wenste te vra- gen over de voormelde artikelen (artikel 23 tot 27, en artikel 29 (nieuw), dat wordt ingevoegd bij amendement nr. 1 van de regering). De heer Delizée, eerste onder- voorzitter van de Kamer, heeft daarmee ingestemd. De vice-eerste minister en minister van Financiën heeft tijdens de vergadering van de commissie voor de Financiën en de Begroting van 18 mei 2005 aangege- ven dat hij met die werkwijze kon instemmen op voor- waarde dat de commissie voor de Sociale Zaken de voormelde fiscale bepalingen, waarvoor hijzelf en de commissie voor de Financiën en de Begroting speci- fiek bevoegd zijn, niet amendeert. De minister wijst op de talrijke wetsvoorstellen die ertoe strekken de fiscale wetgeving te wijzigen. Die wetsvoorstellen impliceren voor de Staat al te vaak hoge budgettaire uitgaven. De commissie voor de Financiën en de Begroting moet alle fiscale dossiers onder con- trole kunnen houden. Bijgevolg beslist de commissie wetsontwerp DOC 51 1767/001 (artikelen 23 tot 27 en 29 (nieuw)) te agenderen en advies uit te brengen. II.— UITEENZETTING VAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN FINANCIEN De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën, wijst erop dat de regering zich ertoe heeft verbonden het ontwerp van centraal akkoord voor 2005 en 2006 te verwezenlijken. MESDAMES, MESSIEURS, Votre commission a examiné les présentes disposi- tions au cours de sa réunion du 18 mai 2005. I. — PROCÉDURE En date du 13 mai 2005, le vice-premier ministre et ministre des Finances a demandé par fax au président de la Chambre que les dispositions fiscales du projet susmentionné (articles 23 à 27, ainsi que l’amendement n° 1 du gouvernement) soient renvoyées à la commis- sion des Finances et du Budget. Au cours de sa réunion du 17 mai 2005, la commis- sion des Affaires sociales, saisie du projet de loi, a émis le souhait, conformément à l’article 28.4 du Règlement de la Chambre, de demander en urgence l’avis de la commission des Finances et du Budget sur les articles susvisés (articles 23 à 27, ainsi que l’article 29 (nou- veau), tel qu’inséré par l’amendement n°1 du gouver- nement). Le premier vice-président de la Chambre, M. Delizée, a donné son assentiment à cette demande. Au cours de la réunion de la commission des Finan- ces et du Budget du 18 mai 2005, le vice-premier minis- tre et ministre des Finances a indiqué qu’il pouvait mar- quer son accord sur cette procédure pour autant que la commission des Affaires sociales n’amende pas les dis- positions fiscales susvisées, qui relèvent spécifiquement de sa compétence et de celle de la commission des Finances et du Budget. Le ministre rappelle le nombre important de proposi- tions de loi visant à modifier la législation fiscale. Ces propositions de loi ont bien souvent un coût budgétaire élevé pour l’État. La commission des Finances et du Budget doit pouvoir garder la maîtrise sur l’ensemble des dossiers fiscaux. En conséquence, la commission décide d’inscrire le projet de loi DOC 51 1767/001 (articles 23 à 27 et 29 (nouveau)) à son ordre du jour et de rendre un avis. II. — EXPOSÉ DU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DES FINANCES M. Didier Reynders, vice-premier ministre et ministre des Finances, rappelle que le gouvernement s’est en- gagé à concrétiser le projet d’accord professionnel 2005- 2006. 25 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 Dit wetsontwerp beoogt de verdere uitbouw van acti- viteiten en de creatie van bijkomende werkgelegenheid in ons land te stimuleren, voornamelijk door de belas- tingdruk met zowat 200 miljoen euro te verminderen. Die maatregel wordt aangevuld met een vermindering van de sociale lasten met ongeveer 50 miljoen euro, met name ten voordele van de lage lonen. Hoofdstuk VIII van het wetsontwerp (artikelen 23 tot 27) bevat fiscale bepalingen inzake overwerk en ploegenarbeid. Wat de ploegenarbeid betreft, wordt de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing die de ondernemingen op de loon- massa betalen, opgetrokken van 1% naar 2,5%. Inzake overwerk bepaalt artikel 25 van het wetsont- werp dat de werkgever gedeeltelijk wordt vrijgesteld van de bedrijfsvoorheffing die hij aan de Schatkist moet af- dragen. Bovendien verleent artikel 23 een belasting- vermindering aan werknemers die in het belastbaar tijd- perk overuren hebben gepresteerd. Het ontwerp van centraal akkoord bepaalt het vol- gende: «Het voordeel zal verdeeld worden in gelijke delen tussen de werknemer en de werkgever voor elk van deze gepresteerde overuren. Het voordeel is voor elk van de beide partijen gelijk aan de uitkomst van de volgende berekening: 16,5% berekend op alle loon- bestanddelen die met het overuur verband houden (basisloon en overurentoeslag).» Het wetsontwerp voorziet in een voordeel van 24,75%. Dat verschil is louter toe te schrijven aan het feit dat het percentage berekend is op basis van het brutobedrag (en dus niet van het nettobedrag) van de vergoedingen die aan de berekening ten grondslag lig- gen. Het wetsontwerp neemt dus gewoon over wat in het akkoord staat. Artikel 27 van het wetsontwerp regelt de inwerking- treding van de voormelde bepalingen. Amendement nr. 1 (DOC 51 1767/002) van de rege- ring heeft betrekking op de eenmalige innovatiepremies. Artikel 29 (nieuw), dat bij amendement nr. 1 wordt inge- voegd, bepaalt dat eenmalige innovatiepremies, die aan werknemers worden uitbetaald of toegekend, vrijgesteld zijn van de personenbelasting dan wel van de belasting van niet-verblijfhouders. Die premies zijn bestemd voor de personeelsleden van een onderneming die vernieuwende voorstellen in- dienen welke de activiteiten van de onderneming ten goede komen. Het totale jaarbedrag van die premies Le présent projet de loi vise à encourager le dévelop- pement d’activités et la création d’emplois dans notre pays, principalement par des réductions importantes de charges fiscales pour un montant de quelque 200 mil- lions d’euros. Ces mesures sont complétées par des réductions de charges sociales, notamment à l’avan- tage des bas salaires, pour un montant d’environ 50 millions d’euros. Le chapitre VIII du projet de loi (articles 23 à 27) con- tient des dispositions fiscales en matière de travail sup- plémentaire et de travail en équipes. En ce qui concerne le travail en équipes, l’exonéra- tion du versement du précompte professionnel par les entreprises à concurrence de la masse salariale passe de 1 à 2,5%. Pour ce qui est des heures supplémentaires, l’article 25 du projet de loi instaure pour l’employeur une dis- pense de versement d’une partie du précompte profes- sionnel à verser au Trésor. En outre, l’article 23 ac- corde une réduction d’impôt au travailleur lorsqu’il a presté, durant la période imposable, du travail supplé- mentaire. Le projet d’accord professionnel dispose que «l’avan- tage fiscal sera réparti à part égale entre le travailleur et l’employeur pour chacune de ces heures supplémen- taires prestées. Pour chacune des deux parties, l’avan- tage est égal au résultat du calcul suivant: 16,5% de tous les éléments du salaire liées à l’heure supplémen- taire (salaire de base et sursalaire).» Le projet de loi prévoit un avantage de 24,75%. Cette différence s’explique uniquement par le fait que ce pour- centage est calculé sur la base du montant brut (et non du montant net) des rémunérations qui servent de base de calcul. Le projet de loi est la traduction pure et sim- ple de ce qui était prévu dans l’accord. L’article 27 du projet de loi règle l’entrée en vigueur des dispositions susvisées. Quant à l’amendement n° 1 du gouvernement (DOC 51 1767/002), il porte sur les primes uniques d’in- novation. L’article 29 (nouveau), tel qu’inséré par l’amen- dement n° 1, exonère de l’impôt des personnes physi- ques ou de l’impôt des non-résidents les primes uniques d’innovation payées ou octroyées aux travailleurs. Ces primes sont destinées aux membres du person- nel d’une entreprise qui formulent des propositions d’in- novation qui ont un effet positif sur les activités de l’en- treprise. Le montant total annuel des primes ne peut 26 1767/005 DOC 51 K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E C H A M B R E 3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E 2005 2004 mag niet hoger zijn dan 1 % van de loonmassa van de onderneming. Premies voor eenzelfde vernieuwing die aan een team worden toegekend, moeten tot tien per- sonen worden beperkt. In een onderneming met 30 of meer werknemers mag het aantal premiegerechtigden niet meer dan 10 % van het totale aantal werknemers bedragen. Dat percentage wordt beperkt tot 3 % in de ondernemingen met minder dan 30 werknemers. Het premiebedrag per werknemer mag per boekjaar een maandsalaris niet te boven gaan. III.— BESPREKING EN STEMMING De heer Hagen Goyvaerts (Vlaams Belang) vindt het percentage van 1% van de loonmassa te gering. Waarom heeft de regering voor zo’n laag percentage gekozen en bijvoorbeeld niet voor een percentage van 10%? Zo vraagt de spreker zich ook af waarom het fiscaal voordeel is beperkt tot een ploeg van 10 personen. Is zulks niet onvoldoende voor de grote farmaceutische ondernemingen, die inzake onderzoek bijvoorbeeld heel actief zijn? Hoe wordt het begrip ploeg gedefinieerd? De minister geeft aan dat de regering een budget- taire raming van de geplande maatregelen heeft ver- richt. Als men uitgaat van maximum 10 % van het perso- neel en als de uitkering van de premie beperkt blijft tot één maandsalaris per boekjaar, komt men automatisch tot een percentage van 1 % van de loonmassa. Het is niet mogelijk voor al het personeel een innovatiepremie toe te kennen. * * * De commissie brengt met 9 stemmen en 4 onthou- dingen een gunstig advies uit over de haar voorgelegde bepalingen, mits zij zonder enige wijziging worden aan- genomen. De rapporteur, De voorzitter, Éric MASSIN F.-X. de DONNEA pas dépasser 1% de la masse salariale de l’entreprise. Les primes accordées à une équipe pour une même innovation doivent se limiter à maximum 10 personnes. Dans une entreprise occupant 30 personnes ou plus, le nombre de travailleurs bénéficiant de ces primes ne peut dépasser 10% du nombre total de travailleurs. Ce pour- centage est limité à 3% dans les entreprises occupant moins de 30 travailleurs. Le montant de la prime par travailleur ne peut dépas- ser un mois de salaire par année civile. III. — DISCUSSION ET VOTE M. Hagen Goyvaerts (Vlaams Belang) considère que le pourcentage de 1% de la masse salariale est trop peu élevé. Pourquoi le gouvernement a-t-il retenu un pourcentage aussi bas plutôt que, par exemple, un pour- centage de 10%? De même, le membre se demande pourquoi l’octroi de l’avantage fiscal est limité à une équipe de 10 per- sonnes? N’est-ce pas insuffisant pour les grandes en- treprises pharmaceutiques, très actives en matière de recherche, par exemple? Comment définit-on la notion d’équipe? Le ministre indique que le gouvernement a procédé à une évaluation budgétaire des mesures en projet. Si l’on prend en considération 10% au maximum du personnel et si l’octroi de la prime est limité à un mois de salaire par année civile, on arrive automatiquement à un pourcentage de 1% de la masse salariale. Il n’est pas possible d’octroyer une prime d’innovation à l’en- semble des travailleurs. * * * La commission émet par 9 voix et 4 abstentions, un avis favorable sur les dispositions qui lui sont soumises pour autant qu’elles soient adoptées sans aucune mo- dification. Le rapporteur, Le président, Éric MASSIN F.-X. de DONNEA Centrale drukkerij – Deze publicatie wordt uitsluitend gedrukt op volledig gerecycleerd papier Imprimerie centrale – Cette publication est imprimée exclusivement sur du papier entièrement recyclé

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot