Inhoud
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
3574
DOC 51 1767/005
DOC 51 1767/005
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
30 mei 2005
30 mai 2005
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
portant diverses dispositions relatives
à la concertation sociale
NAMENS DE COMMISSIE VOOR
DE SOCIALE ZAKEN
UITGEBRACHT DOOR
MEVROUW Annemie TURTELBOOM
FAIT AU NOM DE LA COMMISSION
DES AFFAIRES SOCIALES
PAR
MME Annemie TURTELBOOM
SOMMAIRE
I. Exposés introductifs . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
A.Exposé introductif de Mme Freya Van den Bossche,
ministre de l’Emploi . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
B.Exposé introductif de Mme Nahima Lanjri,
coauteur de la proposition de loi supprimant
les cotisations sociales afférentes aux primes
aux suggestions (DOC 51 1679/001) . . . . . . . . . . . 4
II. Discussion générale . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
A. Interventions et questions des membres . . . . . . . 5
B. Réponse du ministre de l’Emploi . . . . . . . . . . . . 11
C. Répliques des membres . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
III. Discussion des articles et votes . . . . . . . . . . . . . . . . 13
Annexe.
Avis de la commission des Finances et Budget . . . 23
INHOUD
I. Inleidende uiteenzettingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
A. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Freya
Van den Bossche, minister van Werk . . . . . . . . . . 3
B. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Nahima
Lanjri, mede-indienster van het wetsvoorstel
tot afschaffing van de sociale bijdragen op de
suggestiepremies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4
II. Algemene bespreking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
A. Uiteenzettingen en vragen van de leden . . . . . . . . 5
B. Antwoord van de minister van Werk . . . . . . . . . . 11
C. Replieken van de leden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
III. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen . . . . . . 13
Bijlage.
Advies van de commissie voor Financiën en
de Begroting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
VERSLAG
RAPPORT
Documents précédents :
Doc 51 1767/ (2004/2005) :
001:
Projet de loi.
002 à 004: Amendements.
Voir aussi :
006:
Texte adopté par la commission.
Doc 51 1679/ (2004/2005) :
001:
Proposition de loi déposée par Mmes Lanjri, D’hondt et Pieters.
Voorgaande documenten :
Doc 51 1767/ (2004/2005) :
001 :
Wetsontwerp.
002 tot 004 : Amendementen.
Voir aussi :
006:
Tekst aangenomen door de commissie.
Doc 51 1679/ (2004/2005) :
001 :
Wetsvoorstel ingediend door de dames Lanjri, D’hondt en Pieters.
houdende diverse bepalingen betreffende
het sociaal overleg
PROPOSITION DE LOI
WETSVOORSTEL
tot afschaffing van de sociale bijdragen
op de suggestiepremies
supprimant les cotisations sociales afférentes
aux primes aux suggestions
2
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Abréviations dans la numérotation des publications :
DOC 51 0000/000 :
Document parlementaire de la 51e législature, suivi
du n° de base et du n° consécutif
QRVA :
Questions et Réponses écrites
CRIV :
Version Provisoire du Compte Rendu intégral
(couverture verte)
CRABV :
Compte Rendu Analytique (couverture bleue)
CRIV :
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte
rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique
traduit des interventions (avec les annexes)
(PLEN: couverture blanche; COM: couverture
saumon)
PLEN :
Séance plénière
COM :
Réunion de commission
MOT :
Motions déposées en conclusion d’interpellations
(papier beige)
Publications officielles éditées par la Chambre des représentants
Commandes :
Place de la Nation 2
1008 Bruxelles
Tél. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.laChambre.be
Officiële publicaties, uitgegeven door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Bestellingen :
Natieplein 2
1008 Brussel
Tel. : 02/ 549 81 60
Fax : 02/549 82 74
www.deKamer.be
e-mail : publicaties@deKamer.be
cdH
:
Centre démocrate Humaniste
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
ECOLO
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales
FN
:
Front National
MR
:
Mouvement Réformateur
N-VA
:
Nieuw - Vlaamse Alliantie
PS
:
Parti socialiste
sp.a - spirit
:
Socialistische Partij Anders - Sociaal progressief internationaal, regionalistisch integraal democratisch toekomstgericht.
Vlaams Belang
:
Vlaams Belang
VLD
:
Vlaamse Liberalen en Democraten
Afkortingen bij de nummering van de publicaties :
DOC 51 0000/000 :
Parlementair document van de 51e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA :
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV :
Voorlopige versie van het Integraal Verslag (groene kaft)
CRABV :
Beknopt Verslag (blauwe kaft)
CRIV :
Integraal Verslag, met links het definitieve integraal
verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de
toespraken (met de bijlagen)
(PLEN: witte kaft; COM: zalmkleurige kaft)
PLEN :
Plenum
COM :
Commissievergadering
MOT :
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier)
Composition de la commission à la date du dépôt du rapport /
Samenstelling van de commissie op datum van indiening van het verslag:
Président/Voorzitter : Hans Bonte
A. — Vaste leden / Titulaires :
VLD
Maggie De Block, Sabien Lahaye-Battheu, Annemie
Turtelboom
PS
Jean-Marc Delizée, Bruno Van Grootenbrulle, Danielle
Van Lombeek-Jacobs
MR
Pierrette Cahay-André, Denis Ducarme, Charles
Michel
sp.a-spirit
Hans Bonte, Annelies Storms, Greet Van Gool
CD&V
Greta D’hondt, Nahima Lanjri
Vlaams Belang Koen Bultinck, Guy D’haeseleer
cdH
Benoît Drèze
C. — Membre sans voix délibérative/ Niet-stemgerechtigd lid :
ECOLO
Zoé Genot
B. — Plaatsvervangers / Suppléants :
Filip Anthuenis, Yolande Avontroodt, Hilde Dierickx, Pierre Lano
Mohammed Boukourna, Yvan Mayeur, Sophie Pécriaux, André
Perpète
Jacqueline Galant, Luc Gustin, Josée Lejeune, Dominique Tilmans
Maya Detiège, David Geerts, Karine Jiroflée, Annemie Roppe
Roel Deseyn, Luc Goutry, Trees Pieters
Alexandra Colen, Staf Neel, Frieda van Themsche
Jean-Jacques Viseur, David Lavaux.
3
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
DAMES EN HEREN,
Uw commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens
haar vergaderingen van 10, 17, 19 en 25 mei 2005. Tij-
dens haar vergadering van 17 mei besliste de commissie
het advies van de commissie voor de Financiën en de
Begroting in te winnen over de artikelen 23 tot 27 en over
het nieuwe artikel 29, vervat in amendement nr. 1. De
commissie heeft tijdens de vergadering van 19 mei be-
slist het wetsvoorstel tot afschaffing van de sociale bij-
dragen op de suggestiepremies (DOC 51 1679/001) aan
de bespreking van het wetsontwerp toe te voegen.
I.— INLEIDENDE UITEENZETTINGEN
A. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Freya
van den Bossche, minister van Werk
Het centraal overleg tussen de sociale partners was
moeizaam en heeft geleid tot een akkoord op 18 januari
2005. Jammer genoeg is reeds op 8 februari gebleken
dat het niet door alle betrokken partijen zou worden be-
krachtigd. De regering was van oordeel dat het akkoord
evenwichtig was en dat het dus ondanks alles moest
worden uitgevoerd.
De elementen van evenwicht waarvoor het akkoord
zorgt, beogen een grotere soepelheid van de arbeids-
markt. Het betreft onder meer een soepeler regeling
voor de overuren en de ploegenarbeid, een betere be-
scherming van de werknemers in geval van faillisse-
ment van de werkgever, een matige stijging van de lo-
nen met indicatieve norm, een verbetering van de
koopkracht van de minima en een inspanning om per-
sonen met een handicap aan de slag te krijgen.
De regering heeft met het oog op de uitvoering van
dat akkoord een aanzienlijke budgettaire inspanning
gedaan:
–
een fiscale maatregel van 80 miljoen euro voor
de nieuwe regeling inzake overuren;
–
een verbreding van de maatregel van niet-stor-
ting van de voorheffing voor de vennootschappen, wat
neerkomt op een fiscale uitgave van 120 miljoen euro;
–
een belastinguitgave van 80 miljoen euro ten be-
hoeve van de minima;
–
een uitbreiding van het geldingsgebied van het
Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van
ondernemingen ontslagen werknemers, wat 7 miljoen
euro zal kosten;
MESDAMES, MESSIEURS,
Votre commission a examiné le présent projet de loi
en ses réunions des 10, 17,19 et 25 mai 2005. Lors de
sa réunion du 17 mai, la commission a décidé de de-
mander l’avis de la commission des Finances et du
Budget sur les articles 23 à 27 et sur le nouvel article 29
contenu dans l’amendement n° 1. Lors de sa réunion
du 19 mai, elle a décidé de joindre la proposition de loi
supprimant les cotisations sociales afférentes aux pri-
mes aux suggestions (DOC 51 1679/001)
I. — EXPOSÉS INTRODUCTIFS
A. Exposé
introductif
de
Mme
Freya
Van den Bossche, ministre de l’Emploi
Les négociations interprofessionnelles entre partenai-
res sociaux ont difficilement débouché sur un accord le
18 janvier 2005. Malheureusement, il s’est avéré dès le
8 février que cet accord ne serait pas ratifié par toutes
les parties. Le gouvernement a estimé que l’accord con-
clu était équilibré et qu’il convenait donc de l’appliquer
malgré tout.
Les éléments de l’équilibre mis en place par l’accord
visent une plus grande flexibilité du marché du travail. Il
s’agit notamment d’un régime plus souple pour les heu-
res supplémentaires et le travail en équipe, d’une
meilleure protection des travailleurs en cas de faillite de
l’employeur, d’une évolution modérée des salaires avec
norme indicative, d’un renforcement du pouvoir d’achat
des travailleurs à bas salaires et un effort pour la mise
au travail des personnes handicapées.
Le gouvernement a consenti un effort budgétaire im-
portant pour l’exécution de cet accord:
–
une mesure fiscale de 80 millions d’euros pour le
nouveau régime des heures supplémentaires;
–
un renforcement de la mesure de non versement
de précompte pour les sociétés, soit une dépense fis-
cale de 120 millions d’euros;
–
une dépense fiscale de 80 millions d’euros en
faveur des travailleurs à bas salaires;
–
une extension du champ d’intervention du Fonds
de fermeture des entreprises d’un coût de 7 millions
d’euros;
4
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
–
een toewijzing van 5 miljoen euro voor het Fonds
ter bevordering van de toegang tot arbeid voor perso-
nen met een handicap.
Sommige aspecten van het centraal akkoord kunnen
echter tot tal van uiteenlopende interpretaties aanlei-
ding geven. Als gevolg van de aard van het akkoord zal
het niet gemakkelijk zijn van de sociale partners een
eenduidige interpretatie van de verschillende bepalin-
gen te verkrijgen. De minister is er echter van over-
tuigd dat de ontworpen tekst de intenties van de onder-
handelaars correct weergeeft.
Voorts kondigt de minister de indiening aan van een
amendement in verband met de innovatiepremies. Dat
amendement strekt ertoe de innovatiepremies die aan
de gestelde voorwaarden voldoen vrij te stellen van
belasting. De regering zal nog een ander amendement
indienen dat tot doel heeft te zorgen voor meer rechts-
zekerheid bij de inning van de sociale bijdragen, door
een aanpassing van de verjaringstermijnen.
B. Inleidende uiteenzetting van mevrouw Nahima
Lanjri (CD&V), mede-indienster van het wetsvoorstel tot
afschaffing van de sociale bijdragen op de suggestie-
premies (DOC 51 1679/001)
Dit wetsvoorstel gaat uit van de vaststelling dat al-
maar meer ondernemingen hun personeelsleden wen-
sen aan te moedigen door hen premies toe te kennen
voor innoverende ideeën en voor voorstellen waardoor
de bedrijfsresultaten kunnen worden verbeterd. Dat
gedrag moet worden aangemoedigd want het leidt in
de betrokken onderneming vaak tot een verbetering van
de productie en van de werkomstandigheden. Jammer
genoeg worden die premies zwaar belast: voor elke euro
die als premie wordt uitbetaald, moet de werkgever
3,24 euro meer aan de overheid betalen. Onze buur-
landen voorzien in een heel wat fiscaalvriendelijker be-
leid voor die specifieke bezoldigingsmethode. In België
verdient de Staat het meest aan die premies.
In een economie die almaar meer tot een kennis-
economie uitgroeit, is het belangrijk dat de voor ons land
kenmerkende hoge loonkosten worden gecompenseerd
door de personeelsleden in aanzienlijke mate te betrek-
ken bij het vergaren van die nieuwe kennis. Daarenbo-
ven is het belangrijk dat de werknemers van een onder-
neming zich niet uitgesloten voelen, maar kunnen
deelnemen aan het functioneren en aan de ontwikke-
ling ervan. Die persoonlijke betrokkenheid behoort – ook
financieel – te worden gewaardeerd.
–
l’affectation de 5 millions d’euros au Fonds visant
à promouvoir l’accès au travail des personnes handica-
pées.
Certains aspects de l’accord interprofessionnel sont
toutefois susceptibles d’interprétations multiples. La
nature de l’accord fait qu’il ne sera pas aisé d’obtenir
des partenaires sociaux une interprétation univoque des
différentes dispositions. Le ministre est cependant con-
vaincu que le texte en projet reflète correctement les
intentions des négociateurs.
Le ministre annonce en outre le dépôt d’un amende-
ment concernant les primes à l’innovation. Cet amen-
dement vise à exonérer d’impôts les primes à l’innova-
tion qui répondent aux conditions prévues. Le
gouvernement déposera encore un autre amendement
visant à assurer plus de sécurité juridique dans la per-
ception des cotisations sociales, par une adaptation des
délais de prescription.
B. Exposé introductif de Mme Nahima Lanjri
(CD&V), coauteur de la proposition de loi supprimant
les cotisations sociales afférentes aux primes aux sug-
gestions (DOC 51 1679/001)
La présente proposition de loi part du constat que de
plus en plus d’entreprises cherchent à stimuler leur per-
sonnel en lui offrant des primes aux innovations et aux
propositions de nature à améliorer les résultats de l’en-
treprise. Ce comportement doit être encouragé, car les
conséquences en sont souvent une amélioration de la
productivité et des conditions de travail dans l’entreprise
concernée. Malheureusement, ces primes sont lourde-
ment imposées: pour chaque euro octroyé en prime,
l’employeur doit débourser 3,24 euros de plus aux pou-
voirs publics. Les pays voisins pratiquent une politique
fiscale bien plus avantageuse pour cette méthode parti-
culière de rémunération.
Dans une économie de plus en plus basée sur la con-
naissance, il importe que les hauts coûts salariaux qui
caractérisent notre pays soient compensés par une im-
plication importante du personnel dans l’acquisition de
ces nouvelles connaissances. En outre, il est important
que les travailleurs d’une entreprise ne se sentent pas
exclus de celle-ci, mais puissent participer à son fonc-
tionnement et son développement. Cette implication
personnelle doit aussi être valorisée, y compris finan-
cièrement.
5
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Tevens zij opgemerkt dat het wetsvoorstel niet alleen
betrekking heeft op de premies die worden toegekend
voor inspanningen op het vlak van de creativiteit die
rechtstreeks de onderneming ten goede komen. Het
voorstel slaat ook op de premies die worden toegekend
aan werknemers voor de initiatieven die ze inzake de
verbetering van de arbeidsomstandigheden nemen.
De indieners zijn niet naïef en beseffen terdege dat
dit wetsvoorstel aanleiding kan geven tot misbruiken.
Daarom wordt inzake vrijstelling van sociale bijdragen
in bovengrenzen voorzien.
II.— ALGEMENE BESPREKING
A. Uiteenzettingen en vragen van de leden
De heer Guy D’haeseleer (Vlaams Belang) wijst erop
dat het ter bespreking voorliggende wetsontwerp lang
op zich liet wachten. Na de beëindiging van de onder-
handelingen tussen de sociale partners was het nog
drie maanden wachten vooraleer een tekst in de Ka-
mer werd ingediend.
Het centraal akkoord waaraan dit wetsontwerp con-
creet invulling wil geven, zal geen grote mijlpaal in de
geschiedenis van het sociaal overleg vormen. De so-
ciale partners zijn er overigens niet in geslaagd de on-
derhandelingen op een normale manier af te ronden,
met andere woorden een door alle partijen aanvaard
akkoord. Die toestand voorspelt weinig goeds voor de
uitdagingen waarmee de sociale partners de komende
maanden zullen worden geconfronteerd, zoals bijvoor-
beeld het eindeloopbaanvraagstuk.
De aanpassing van het aantal toegestane overuren
is een stap in de goede richting.
De oprichting van een «Fonds ter bevordering van
de toegang tot arbeid voor personen met een handi-
cap» is een goed initiatief. Terzake moeten echter nog
belangrijke inspanningen worden geleverd. Dat geldt
tevens voor de uitbreiding van het werkingsveld van het
«Fonds voor de sluiting van ondernemingen». De frac-
tie van de spreker pleit ervoor dat die inspanning wordt
voortgezet en vindt het jammer dat de regering in dat
domein geen concreter engagement opneemt.
De Raad van State merkt op dat bij de uitwerking van
dit wetsontwerp bepaalde vormvereisten niet werden
geëerbiedigd. Dezelfde Raad formuleert een aantal
opmerkingen over de bevoegdheidsoverdrachten waarin
het wetsontwerp voorziet. De spreker had graag verno-
men waarom de regering geen rekening heeft gehou-
den met die opmerkingen. De memorie van toelichting
verwijst slechts naar de bestaande praktijk.
Il convient également de remarquer que la proposi-
tion de loi ne vise pas seulement les primes octroyées
pour les efforts de créativité bénéficiant directement à
l’entreprise. Elle concerne également les primes oc-
troyées aux travailleurs pour leurs initiatives en matière
d’amélioration des conditions de travail.
Les auteurs ne sont pas naïfs et sont conscients que
la présente proposition de loi pourrait donner lieu à des
abus. C’est pourquoi les exonérations de cotisations so-
ciales sont plafonnées.
II. — DISCUSSION GÉNÉRALE
A. Interventions et questions des membres
M. Guy D’haeseleer (Vlaams Belang) rappelle que le
projet de loi à l’examen s’est longtemps fait attendre.
Les négociations entre partenaires sociaux se sont ter-
minées trois mois avant son dépôt à la Chambre.
L’accord interprofessionnel que le présent projet de
loi tend à concrétiser ne laissera pas de grandes mar-
ques dans l’histoire de la concertation sociale. Les par-
tenaires sociaux ne sont d’ailleurs pas parvenus à me-
ner les négociations à leur terme normal, soit la
conclusion d’un accord accepté par toutes les parties.
Cette situation n’est pas de bon augure pour les défis
qui attendent encore les partenaires sociaux pour les
prochains mois, comme, par exemple, la question des
fins de carrière.
L’adaptation du nombre d’heures supplémentaires
autorisées est un pas dans la bonne direction.
La création d’un Fonds visant à promouvoir l’accès
au travail des personnes handicapées est une bonne
initiative. Il reste cependant encore des efforts impor-
tants à faire dans ce domaine. Il en est de même de
l’extension du champ d’intervention du Fonds de fer-
meture des entreprises. Le groupe de l’orateur plaide
pour que cet effort soit poursuivi et regrette que le gou-
vernement ne prenne pas d’engagement plus concret
en ce domaine.
Le Conseil d’État fait remarquer que certaines for-
malités n’ont pas été respectées lors de l’élaboration
de ce projet de loi. Il émet aussi des objections quant
aux délégations de compétences que le projet de loi
prévoit. L’orateur souhaiterait savoir pourquoi le gou-
vernement n’a pas tenu compte de ces remarques. L’ex-
posé des motifs renvoie seulement à la pratique
existante.
6
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
De actieve begeleiding van de werklozen stuit op het
probleem van de bevoegdheidsverdeling. De fractie van
de spreker pleit sinds lang voor een meer coherente
bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en
de deelentiteiten.
Mevrouw Greet van Gool (sp.a-spirit) kreeg graag
nadere toelichting omtrent de maatregelen die ten gun-
ste van de personen met een handicap werden geno-
men. Zo vraagt zij hoe personen met een handicap ge-
definieerd zullen worden, m.a.w. wat juist het
toepassingsgebied van deze maatregel zal zijn. Zij vraagt
tevens hoe die maatregelen bestaanbaar zijn met de
maatregelen die reeds door de deelentiteiten genomen
zijn. Die hebben immers op dat vlak eveneens een aan-
tal bevoegdheden. Zetten de werkgroepen die indertijd
werden opgericht om de door de diverse bevoegdheids-
niveaus genomen maatregelen te coördineren, hun
werkzaamheden voort?
Wat de maatregelen inzake overuren en ploegarbeid
betreft, verwijst zij naar de vraag die ze eerder in com-
missie gesteld heeft over de problematiek in de
automobielsector. Wat is de stand van zaken van de
verschillende werkgroepen die in dat kader opgericht
werden? Zal er verder overleg gepleegd worden?
Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) is van mening dat
het centraal akkoord niet dankzij maar ondanks de re-
gering tot stand gekomen is. De eerste minister heeft
de werkgevers beloftes gedaan die hij niet kon inlossen.
Tijdens de onderhandelingen heeft de regering aan de
werkgevers moeten meedelen dat zij die beloften niet
gestand kon doen. Gelukkig hebben de sociale part-
ners, die meer beslagen zijn inzake het sociaal overleg
dan de regering, het hoofd koel gehouden en zijn ze in
die moeilijke omstandigheden tot een akkoord gekomen.
Men moet zich dus verheugen over het feit dat, ondanks
die moeilijke omstandigheden, toch een wetsontwerp
aan de Kamer kan worden voorgelegd.
De spreekster vestigt de aandacht op het feit dat het
ter bespreking voorliggende wetsontwerp zowel bepa-
lingen bevat om het concurrentievermogen van de on-
dernemingen te waarborgen als bepalingen met betrek-
king tot de arbeidsvoorwaarden van de werknemers.
Het betreft een zeer belangrijk evenwicht. De uitvoe-
ringsbesluiten van het wetsontwerp zullen dat evenwicht
moeten handhaven. Het is belangrijk dat deze
uitvoeringsbesluiten eveneens correct de afspraken van
het IPA vertalen.Tevens vraagt spreekster de bevesti-
ging van de minister dat deze uitvoeringsbesluiten tijdeig
zullen aangenomen worden.
De fractie waartoe mevrouw Greta D’hondt behoort,
verheugt zich over de in het wetsontwerp vervatte maat-
L’accompagnement actif des chômeurs se heurte au
problème du partage des compétences. Le groupe de
l’orateur plaide depuis longtemps pour un partage plus
cohérent des compétences entre l’autorité fédérale et
les collectivités fédérées.
Mme Greet van Gool (sp.a-spirit) souhaiterait plus
de précision à propos des mesures prises en faveur
des personnes handicapées. Ainsi, elle s’interroge quant
à la manière dont sera définie la notion de personnes
handicapées; en d’autres termes, elle s’enquiert du
champ d’application exact de cette mesure. Elle de-
mande également comment ces mesures se combinent
avec les mesures déjà prises par les entités fédérées.
En effet, celles-ci disposent également d’un certain nom-
bre de compétences en la matière. Les groupes de tra-
vail jadis mis en place pour coordonner les mesures
prises par les différents niveaux de pouvoir poursuivent-
ils leurs travaux?
S’agissant des mesures relatives aux heures supplé-
mentaires et au travail en équipe, elle renvoie à la ques-
tion qu’elle avait posée en commission concernant la
problématique dans le secteur de l’automobile. Qu’ad-
vient-il des différents groupes de travail qui ont été cons-
titués dans ce cadre ? Poursuivra-ton la concertation?
Mme Greta D’hondt (CD&V) estime que l’accord in-
terprofessionnel est intervenu non pas grâce au gou-
vernement, mais malgré le gouvernement. Le premier
ministre a fait aux employeurs des promesses qu’il ne
pouvait pas tenir. Pendant les négociations, le gouver-
nement a dû annoncer aux employeurs que le gouver-
nement ne pourrait honorer ces promesses. Heureuse-
ment, les partenaires sociaux, plus expérimentés en
matière de concertation sociale que le gouvernement,
ont gardé la tête froide et sont arrivés à un accord dans
ces conditions difficiles. Il faut donc se réjouir que, mal-
gré ces conditions difficiles, un projet de loi puisse être
soumis à la Chambre.
L’intervenante attire l’attention sur le fait que le projet
de loi à l’examen contient à la fois des dispositions vi-
sant à assurer la compétitivité des entreprises et des
dispositions relatives à la condition des travailleurs. Il
s’agit d’un équilibre très important. Les arrêtés d’exécu-
tion du projet de loi devront maintenir cet équilibre. Il est
important que ces arrêtés d’exécution soient également
le juste reflet des accords conclus dans le cadre de l’ac-
cord interprofessionnel. L’intervenante demande éga-
lement que le ministre confirme que ces arrêtés d’exé-
cution seront adoptés à temps.
Le groupe de Mme D’hondt se réjouit des mesures
en projet en ce qui concerne les fermetures d’entrepri-
7
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
regelen met betrekking tot de sluiting van ondernemin-
gen. Terzake moet echter nog een belangrijke inspan-
ning worden geleverd. De tijd toen de ondernemingen
van de social-profitsector geen faillisementen kenden,
is voorbij. Het wordt tijd de bepalingen met betrekking
tot de sluiting van ondernemingen op hen toepasselijk
te maken.
Het onderdeel van het wetsontwerp met betrekking
tot de overuren is van essentieel belang. De onderhan-
delingen daarover verliepen moeilijk. De ontworpen re-
geling lijkt een eerbaar compromis tussen de concur-
rentiële eisen waarmee de ondernemingen te maken
krijgen en het behoud van de arbeidsomstandigheden.
De spreekster hoopt dat de in het wetsontwerp vervatte
bepalingen echt het middel zullen vormen om de extra
uren die thans in het zwart worden betaald, te witten.
Zo niet, zal de doelstelling niet worden gehaald. Dat
onderstelt onder meer dat de werkgevers bereid moe-
ten zijn zelf een deel te dragen van de flexibiliteit die zij
van de werknemers vragen. De daartoe vereiste
controlemechanismen zullen moeten worden uitgewerkt.
Ook in uitzicht gestelde maatregelen om mensen met
een handicap aan te moedigen om aan de slag te gaan,
worden als positief aangemerkt. De spreekster twijfelt
evenwel of ze wel efficiiënt zijn. De jongste jaren wer-
den gekenmerkt door een teruggang op het vlak van de
tewerkstelling van die personen. Zelfs een openbare
werkgever stuit op tal van praktische hinderpalen om
personen met een handicap in dienst te nemen en aan
het werk te zetten. In de privé-sector is de toestand nog
erger. De spreekster vernam graag welke budgettaire
middelen de regering wil uittrekken voor de tenuitvoer-
legging van de bepalingen van het wetsontwerp met
betrekking tot de indienstneming van personen met een
handicap en hoe het de budgettaire middelen de vol-
gende jaren wil doen evolueren. Voorts had ze willen
weten wat er met de niet-aangewende middelen zal
gebeuren. Zullen die naar het volgende jaar worden
overgedragen?
De heer Jean-Marc Delizée (PS) wijst erop dat het
centraal akkoord kennelijk niet veel enthousiasme op-
wekt bij de sociale partners – zelfs niet bij de organisa-
ties die er hun goedkeuring aan hebben gegeven.
Niettemin vindt de spreker dat het ter bespreking voor-
liggende wetsontwerp zo spoedig mogelijk moet wor-
den aangenomen. Het bevat positieve elementen, zelfs
al valt het te betreuren dat sommige andere aspecten
minder eensgezindheid wegdragen.
Wat de loonnorm betreft, is het positief dat werkne-
mers en werkgevers het eindelijk eens zijn geworden
ses. Il reste cependant encore un effort important à faire.
Le temps où les entreprises du secteur non marchand
n’étaient pas concernées par les faillites est révolu. Il
est temps de leur appliquer les dispositions relatives aux
fermetures d’entreprises.
La partie du projet relative aux heures supplémentai-
res est essentielle. Elle a fait l’objet de négociations dif-
ficiles. Le système en projet semble être un compromis
valable entre les impératifs de compétitivité des entre-
prises et le maintien des conditions de travail. L’interve-
nante espère que les dispositions en projet constitue-
ront effectivement le moyen d’effectuer régulièrement
les heures supplémentaires actuellement prestées en
noir. Sans cela, l’objectif ne sera pas atteint. Cela sup-
pose notamment que les employeurs soient prêts à as-
sumer une part de la flexibilité qu’ils demandent aux
travailleurs. Les mécanismes de contrôle adéquats de-
vront être mis en place.
Les mesures prévues pour encourager la mise au
travail des personnes handicapées font également l’ob-
jet d’une appréciation positive. L’oratrice doute cepen-
dant de leur efficacité. Ces dernières années ont été
marquées par un recul en matière de mise au travail de
ces personnes. Même un employeur public se heurte à
de nombreux obstacles pratiques pour embaucher des
personnes handicapées et les mettre au travail. Dans
le secteur privé, la situation est encore pire. L’interve-
nante souhaiterait savoir quel budget le gouvernement
entend consacrer à la mise en œuvre des dispositions
du projet concernant l’embauche des personnes handi-
capées, et comment il est prévu de faire évoluer ce bud-
get pendant les années suivantes. Elle souhaite égale-
ment savoir ce qu’il adviendra des moyens inutilisés.
Ceux-ci seront-ils reportés à l’année suivante?
M. Jean-Marc Delizée (PS) rappelle que les parte-
naires sociaux n’ont pas manifesté beaucoup d’enthou-
siasme à l’égard de l’accord interprofessionnel, même
parmi les organisations qui ont approuvé celui-ci.
L’intervenant estime néanmoins que le projet de loi à
l’examen doit être approuvé au plus tôt. Il contient des
éléments positifs, même s’il faut regretter que certains
autres éléments prêtent plus à discussion.
En ce qui concerne la norme salariale, un élément
positif est qu’employeurs et travailleurs se sont enfin
8
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
over een gemeenschappelijke interpretatie. Volgens die
interpretatie is draagwijdte van de maximumverhoging
indicatief en niet imperatief. Afhankelijk van de betrok-
ken sector zal het dus mogelijk zijn dat maximum al dan
niet te overschrijden. Tevens zij herinnerd aan het be-
ginsel op grond waarvan loonsverhogingen altijd een
verworven recht zijn voor de werknemers; ze mogen
dus niet in mindering worden gebracht van eventuele
latere correcties. Zulks ligt overduidelijk in het verlengde
van het «Toekomstcontract voor de werkgelegenheid»,
dat heeft geleid tot de wet van 26 juli 1996 tot bevorde-
ring van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwa-
ring van het concurrentievermogen.
Het vraagstuk van de loonmarge impliceert dat moet
worden gezocht naar een evenwicht tussen het inko-
men van de werknemers enerzijds, en het scheppen
van banen anderzijds. In het raam van het bij dit wets-
ontwerp bekrachtigde akkoord hebben de werkgevers
een zekere loonmatiging verkregen, aangezien nu de
laagste maximumnorm sinds 1999 geldt. Daar staat jam-
mer genoeg tegenover dat geen concrete beloftes wer-
den gedaan inzake werkgelegenheid en meer bepaald
inzake de creatie van jobs voor jongeren, ofschoon de
regering dat had gevraagd.
De Staat zal 250.000.000 euro uittrekken voor de fi-
nanciering van het akkoord. De regering is dus substan-
tieel tussenbeide gekomen om de onderhandelingen
tussen de sociale partners uit het slop te halen. Het
bipartiete overlegmodel lijkt dan ook steeds meer naar
een tripartiet overlegmodel te evolueren. De vraag is of
dat een positieve evolutie is.
De bijdrage van 0,05% voor de begeleiding en de
follow-up van werklozen was al opgenomen in het
samenwerkingsakkoord van 30 april 2004. Het advies
van de Raad van State toont aan dat de versnippering
van de bevoegdheden inzake werkgelegenheid soms
een coherente aanpak van het vraagstuk in de weg staat,
maar van de werkgevers had terzake een grotere in-
spanning kunnen zijn gevraagd.
Voorts formuleert de spreker nog een aantal opmer-
kingen in verband met de bedrijfssluitingen. De uitbrei-
ding van de interventieradius van het Fonds voor
Sluiting van Ondernemingen is een belangrijke verwor-
venheid, maar de Raad van State laat verstaan dat er
een discriminatie kan schuilen in het feit dat het Fonds
niet optreedt ten gunste van de werknemers van onder-
nemingen die om andere redenen dan een aangifte van
faillissement hun deuren sluiten.
De heer Delizée onderstreept dat de social-profit-
sector in dit verband niet over het hoofd mag worden
gezien. Terzake is de wet van 2002 nog steeds niet van
accordés sur une interprétation commune. Selon celle-
ci, le maximum d’augmentation est une valeur indica-
tive et non impérative. Selon le secteur concerné, il sera
donc possible de dépasser ce maximum. Il faut égale-
ment rappeler le principe selon lequel les augmenta-
tions barémiques sont toujours acquises aux travailleurs
et qu’elles ne peuvent être imputées sur une éventuelle
correction ultérieure. Ceci découle clairement du «Con-
trat d’avenir pour l’emploi», qui a initié la loi du 26 juillet
1996 relative à l’emploi et à la compétitivité.
La question de la marge salariale est une question
d’équilibre entre revenus des travailleurs et création
d’emplois. Lors de l’accord consacré par le présent pro-
jet de loi, les employeurs ont obtenu une certaine rigu-
eur salariale, avec la norme maximale la plus basse
depuis 1999. Il faut cependant regretter qu’il n’y ait aucun
engagement concret en matière de création d’emplois,
et notamment en matière d’emploi des jeunes, ce que
le gouvernement avait pourtant demandé.
L’État consacrera 250.000.000 euros au financement
de l’accord. Le gouvernement est donc intervenu de
manière substantielle pour débloquer les négociations
entre partenaires sociaux. Le modèle de négociations
bipartites semble ainsi évoluer de plus en plus claire-
ment vers un modèle triparti. On ne doit pas forcément
s’en réjouir.
La cotisation de 0,05% affectée à l’accompagnement
et au suivi des chômeurs était convenue dans l’accord
de coopération du 30 avril 2004. L’avis du Conseil d’État
montre que le morcellement des compétences en ma-
tière d’emploi ne permet pas toujours une approche co-
hérente de cette problématique, mais on aurait pu de-
mander un effort supplémentaire aux employeurs.
L’orateur formule encore quelques observations con-
cernant les fermetures d’entreprises. L’extension du
champ d’intervention du Fonds de fermeture des entre-
prises est un acquis important. Mais le Conseil d’État
laisse entendre que l’exclusion des travailleurs des en-
treprises fermant pour un autre motif que l’aveu de faillite
pourrait être considéré comme discriminatoire.
M. Delizée insiste pour que le secteur non-marchand
ne soit pas laissée pour compte. La loi de 2002 n’est
toujours pas d’application et, en outre, les travailleurs
9
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
toepassing; voorts hebben de werknemers van de social-
profitsector nog altijd geen recht op de sluitingspremie,
wat echt uit de tijd is.
Hoofdstuk VIII van het wetsontwerp heeft betrekking
op de fiscale regeling inzake overwerk. De eerste
65 uur overwerk per werknemer worden minder zwaar
belast, wat aantrekkelijk moet zijn voor zowel de werk-
nemer als de werkgever. Die nieuwe regeling dreigt ech-
ter een negatieve weerslag te hebben op de uitzend-
arbeid en de arbeid die wordt verricht onder een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Wellicht zal de
nieuwe regeling dus geen nieuwe banen opleveren. Voor
de eerste schijf van 65 overuren wordt komaf gemaakt
met de verplichting te werken via een CAO waarin wordt
vastgesteld dat het onmogelijk is meer mensen in dienst
te nemen. De vakbonden kunnen weliswaar nog altijd
toezicht op een en ander uitoefenen. In geval via een
CAO die grens van 65 overuren op 135 overuren per
jaar wordt gebracht, vraagt de spreker of de keuze tus-
sen recuperatie en niet-recuperatie individueel dan wel
collectief dient te worden gemaakt. Kan de CAO voor-
zien in de mogelijkheid dat de werknemer een indivi-
duele keuze maakt?
Mevrouw Maggie De Block (VLD) is ingenomen met
de beslissing van de regering om uitvoering te geven
aan een centraal akkoord dat pas na moeizame onder-
handelingen tot stand is gekomen. Weliswaar lijkt de
economische activiteit aan een opleving toe, maar het
herstel is nog zwak en dat maakt onderhandelen er niet
makkelijker op.
De fractie waartoe de spreekster behoort, is ingeno-
men met de maatregelen inzake overwerk, al had die
fractie gewenst dat het wetsontwerp eveneens bepalin-
gen zou bevatten tot aanpassing van de regeling van
het vervroegd pensioen – een thema dat kennelijk is
verschoven naar het debat over het loopbaaneinde. De
spreekster dringt erop aan dat debat zo spoedig moge-
lijk aan te gaan.
Vervolgens staat de spreekster stil bij de bijzondere
bijdrage voor de begeleiding van werklozen. Haar frac-
tie heeft geen principieel bezwaar tegen die maatregel,
maar wenst wel te vernemen welke resultaten de in het
verleden genomen maatregelen hebben opgeleverd.
Kennelijk is de situatie van de doelgroepen amper ver-
beterd. In dat verband is het van belang te hameren op
een correcte uitvoering van de samenwerkings-
akkoorden met de deelgebieden. De RVA-facilitatoren
lijken nog al te veel moeilijkheden te ondervinden bij de
uitoefening van hun taak.
Rapporteur Annemie Turtelboom (VLD) stelt vast dat
een centraal akkoord per definitie een compromis is tus-
du non-marchand sont toujours exclus de la prime de
fermeture, ce qui est anachronique.
Le chapitre VIII du projet de loi concerne le régime
fiscal des heures supplémentaires. Le coût fiscal des
65 premières heures supplémentaires de chaque tra-
vailleur est réduit, ce qui devrait être attrayant tant pour
le travailleur que pour l’employeur. Le travail intérimaire
et le travail à durée déterminée risquent cependant de
supporter les conséquences de ce nouveau système.
Le nouveau dispositif ne permettra donc vraisemblable-
ment pas de créer de nouveaux emplois. Pour la pre-
mière tranche de 65 heures supplémentaires, l’obliga-
tion d’une CCT constatant l’impossibilité de procéder à
des engagements supplémentaires est supprimée. Cer-
tes, il existe toujours un contrôle syndical. Lorsque la
limite des 65 heures est portée à 135 heures par an par
CCT, l’orateur souhaiterait savoir si le choix entre la ré-
cupération et la non-récupération reste individuel ou s’il
doit être collectif. La CCT peut-elle opter pour le choix
individuel dans le chef du travailleur?
Mme Maggie De Block (VLD) se réjouit que le gou-
vernement ait décidé d’exécuter un accord interprofes-
sionnel conclu au terme de négociations difficiles. Si l’ac-
tivité économique semble reprendre, cette reprise est
encore faible, ce qui ne facilite pas les négociations.
Le groupe de l’oratrice se réjouit des mesures relati-
ves aux heures supplémentaires. Il aurait également
souhaité trouver dans le projet de loi des dispositions
adaptant le régime des retraites anticipées, thème qui
semble reporté au débat général sur les fins de car-
rière. L’intervenante insiste pour que ce débat débute
au plus tôt.
La cotisation spéciale destinée à l’accompagnement
des chômeurs retient également l’attention de l’oratrice.
Son groupe n’a pas d’objection de principe contre cette
mesure, mais souhaiterait savoir quels résultats ont
obtenus les mesures prises dans le passé. Il semble
que la situation des groupes-cibles ne se soit guère
améliorée. A ce propos, il convient d’insister pour la
bonne exécution des accords de coopération avec les
collectivités fédérées. Les facilitateurs de l’ONEm sem-
blent encore éprouver trop de difficultés à exercer leur
mission.
Mme Annemie Turtelboom (VLD), votre rapporteur,
constate qu’un accord professionnel est, par hypothèse,
10
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
sen de belangen van de werkgevers en die van de werk-
nemers. Misschien ware het beter die logica achterwege
te laten en te kiezen voor een algemenere aanpak van
de problemen inzake economie en werkgelegenheid,
zonder nog langer het gewicht van het verleden mee te
dragen.
Wat de bepalingen van het ter bespreking voorlig-
gende wetsontwerp betreft, gaat de spreekster allereerst
dieper in op het vraagstuk van de bedrijfssluitingen. Ie-
dereen is het erover eens dat het oneerlijk is dat werk-
nemers van kleine ondernemingen anders worden be-
handeld dan werknemers van grote ondernemingen. De
uitbreiding van de actieradius van het Fonds voor Slui-
ting van Ondernemingen tot álle kleine ondernemingen
zou evenwel kosten meebrengen die de Staat momen-
teel onmogelijk kan dragen. De regering heeft op dat
vlak al een grote inspanning geleverd.
Overwerk is een ander gewichtig thema. De ver-
soepeling van de overurenregeling is interessant, maar
nog ontoereikend. Er is nood aan meer flexibiliteit in de
ondernemingen: onze concurrentiekracht en groei han-
gen daarvan af.
Gelet op de weinig rooskleurige omstandigheden
biedt het ter bespreking voorliggende wetsontwerp een
eerbaar compromis, en verdient het dan ook te worden
gesteund.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V) vraagt nadere toe-
lichting bij de bijdrage van 0,1% die wordt ingehouden
op de loonmassa, teneinde risicogroepen aan werk te
helpen. Het betreft hier de verlenging van een maatre-
gel waarvan de spreekster eerst wenst te vernemen of
hij al dan niet doeltreffend is. Over welke risicogroepen
gaat het? Hoeveel jobs heeft die maatregel opgeleverd?
Wat de werkgelegenheid voor allochtonen betreft, heeft
de minister al toegegeven dat de diverse maatregelen
nog geen effect hebben gesorteerd. Zullen de allochto-
nen dan ook een doelgroep zijn van de hier in uitzicht
gestelde maatregel? De Vlaamse regering heeft op dit
vlak al concrete maatregelen genomen; misschien ware
het interessant zich daarop te inspireren.
Volgens voorzitter Hans Bonte (sp.a-spirit) levert het
traditionele sociaal overleg in ons land met twee of drie
partijen vaak goede resultaten op. Die resultaten vol-
staan evenwel niet om alle sociale en economische knel-
punten die zich voordoen, op te lossen. De politieke
wereld moet op die moeilijkheden bedacht blijven, en
moet met betrekking tot zijn beslissingen zijn verant-
woordelijkheden nemen. Het ter bespreking voorlig-
gende wetsontwerp moet dan ook worden beschouwd
als een werkbasis, maar mag niet tot politieke inertie
un compromis entre les intérêts des employeurs et les
intérêts des travailleurs. Peut-être serait-il bon de sortir
de cette logique pour aborder la problématique de l’éco-
nomie et de l’emploi de manière plus globale et sans
être lié par le poids du passé.
Quant aux disposition du projet de loi à l’examen, l’in-
tervenante aborde d’abord la question des fermetures
d’entreprises. Chacun s’accorde à reconnaître qu’il n’est
pas équitable que les travailleurs des petites entrepri-
ses ne soient pas traités de la même manière que les
travailleurs des grandes entreprises. Cependant, éten-
dre le champ d’intervention du Fonds de fermeture des
entreprises à toutes les petites entreprises engendre-
rait des coûts que l’État n’est pas actuellement en me-
sure d’assumer. Le gouvernement a déjà fait un effort
important dans ce domaine.
Le thème des heures supplémentaires est également
important. L’assouplissement du régime des heures
supplémentaires est intéressant, mais n’est pas encore
suffisant. Il faut plus de flexibilité dans les entreprises:
c’est une condition de compétitivité et de croissance.
Compte tenu des circonstances peu favorables, le
projet à l’examen constitue donc un compromis accep-
table et doit être soutenu.
Mme Nahima Lanjri (CD&V) se réfère à la cotisation
de 0,1% perçue sur la masse salariale en faveur de la
mise au travail des groupes à risque. Il s’agit de la pro-
longation d’une mesure existante dont l’oratrice souhai-
terait avoir une évaluation. De quels groupes à risque
s’agit-il? Quels sont les résultats de cette mesure en
termes d’embauche? En ce qui concerne la mise au
travail des allochtones, le ministre a déjà admis que les
différentes mesures prises n’avaient pas encore porté
leurs fruits. Les allochtones constituent-ils dès lors un
groupe-cible pour cette mesure? Le gouvernement fla-
mand a pris des mesures concrètes en cette matière; il
conviendrait sans doute de s’en inspirer.
M. Hans Bonte (sp.a-spirit), président, estime que la
concertation sociale bipartite ou tripartite traditionnelle
dans notre pays livre souvent de bons résultats. Ce-
pendant, ceux-ci ne sont pas suffisants pour répondre
à l’ensemble des problèmes rencontrés sur le plan éco-
nomique et social. Le monde politique doit rester atten-
tif à ces problèmes et prendre ses responsabilités dans
leur résolution. Le projet de loi à l’examen doit donc
être considéré comme une base de travail, mais ne doit
pas conduire à l’inertie politique. Il serait également in-
11
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
leiden. Voorts ware het interessant mochten de sociale
partners binnen de Nationale Arbeidsraad geregeld een
rapport uitbrengen over de maatregelen die werden
genomen met uitvoering van de centrale akkoorden, en
dat rapport ter kennis brengen van de regering en het
parlement.
Dat het vraagstuk van de beroepsopleiding belang-
rijk is, ontgaat niemand. Maar er bestaat geen enkele
nauwkeurige evaluatie van de situatie wat de opleiding
betreft. Een dergelijke evaluatie is des te moeilijker te
verrichten omdat de verantwoordelijkheden terzake erg
versnipperd zijn. De spreker vraagt welke methodes
momenteel worden aangewend om de beleidslijnen in-
zake opleiding te evalueren.
Het beleid ten gunste van risicogroepen bestaat reeds
lang. Het is sedert verscheidene jaren opgenomen in
de centrale akkoorden. Maar ook hier rijst die moeilijk-
heid met de evaluatie. Het ware wenselijk dat de so-
ciale partners jaarlijks een rapport zouden uitbrengen
over de aanwending van de voor dat beleid bestemde
middelen. Het betreft een verbintenis die sinds verschil-
lende jaren in de centrale akkoorden opgenomen is,
doch nooit naar behoren is nagekomen. De onderschei-
den rapporten zouden moeten worden gestandaar-
diseerd om ze vlotter leesbaar te maken en om ze beter
onderling te kunnen vergelijken. Indien nodig zou die
verplichting in de wet zelf moeten worden opgenomen.
Ook aan het oude onderscheid tussen arbeiders en
bedienden dient aandacht te worden besteed. De so-
ciale partners hebben al te omzichtig erin voorzien een
hervorming voor te stellen wat dat onderscheid betreft.
Tegen eind 2005 moest een paritaire werkgroep onder
het voorzitterschap van een onafhankelijke voorzitter
worden opgericht. Hoe staat het met die krachtens het
huidige centraal akkoord aangegane verbintenis?
B. Antwoord van de minister van Werk
Pas op 8 februari 2005 duidelijk gebleken dat het
ontwerp van centraal akkoord niet volgens de normale
procedure in werking zou treden. De regering heeft
daarom besloten het om te zetten in een wetsontwerp.
De termijn die is verstreken tussen die beslissing en de
indiening van het ter bespreking voorliggende wetsont-
werp is de normale tijdspanne om een dusdanig tech-
nisch wetsontwerp op te stellen en om de benodigde
adviezen in te winnen.
De Raad van State heeft een opmerking gemaakt
betreffende de bevoegdheidsmachtigingen ten gunste
téressant que les partenaires sociaux établissent, au
sein du Conseil national du travail, un rapport régulier
sur les mesures prises en exécution des accords inter-
professionnels et le transmettent au gouvernement et
au Parlement.
L’importance de la question de la formation profes-
sionnelle n’échappe à personne. Mais il n’existe aucune
évaluation précise de la situation en matière de forma-
tion. Une telle évaluation est d’autant plus difficile a éta-
blir que les responsabilités en la matière sont fort mor-
celées. L’orateur demande quelles sont les méthodes
actuellement utilisées pour évaluer les politiques de for-
mation.
La politique en faveur des groupes à risque est an-
cienne. Elle figure depuis plusieurs années dans les
accords interprofessionnels. Mais ici aussi se pose la
question de l’évaluation. Il serait opportun qu’un rap-
port annuel soit établi par les partenaires sociaux sur
l’utilisation des moyens affectés à cette politique. Il s’agit
d’un engagement figurant depuis plusieurs années dans
les accords interprofessionnels. Cet engagement n’a
cependant jamais été tenu de manière satisfaisante. Il
conviendrait de standardiser les différents rapports afin
de les rendre plus lisibles et plus comparables entre
eux. Au besoin, cette obligation devrait être inscrite dans
la loi elle-même.
La vieille distinction entre ouvriers et employés doit
également retenir l’attention. Les partenaires sociaux
ont prévu, trop timidement, de proposer une réforme de
cette distinction. Un groupe de travail paritaire présidé
par un président indépendant devait être mis en place
et publier un rapport pour la fin 2005. Quel sort est
réservé à cet engagement par l’actuel accord interpro-
fessionnel?
B. Réponse du ministre de l’Emploi
C’est seulement le 8 février 2005 qu’il est apparut
clairement que le projet d’accord interprofessionnel n’en-
trerait pas en vigueur par la procédure normale. Le gou-
vernement a donc décidé de le transcrire dans un pro-
jet de loi. Le délai intervenu entre cette décision et le
dépôt du projet de loi à l’examen est le délai normal de
rédaction d’un projet aussi technique et de collecte des
avis nécessaires.
Le Conseil d’État a formulé une remarque concer-
nant les délégations de compétences au Roi. Selon le
12
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
van de Koning. Volgens de Raad van State zijn die
machtigingen niet nauwkeurig genoeg geformuleerd. De
gekozen formulering is nochtans conform een sinds ja-
ren bestaande werkwijze. Tot dusver heeft de Raad van
State zich daar echter nog nooit tegen verzet. Daarom
is besloten de tekst van het voorontwerp te handhaven.
Met betrekking tot het gehandicaptenbeleid is een
werkgroep opgericht. Hij komt eerlang bijeen om het
respectieve beleid terzake van de federale overheid en
van de overheden van de deelgebieden te coördineren.
De uitbreiding van het toepassingsgebied van het
Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van
ondernemingen ontslagen werknemers geldt voorals-
nog niet voor de non profit-sector. Het gaat hoofdzake-
lijk om een technische moeilijkheid die spoedig zou
moeten worden opgelost.
Het budget waarin voor 2005 is voorzien, zal propor-
tioneel worden aangerekend. Voor dit jaar zal er dus
geen overschot zijn.
Het ter bespreking voorliggende wetsontwerp heeft
niet uitdrukkelijk betrekking op de indienstneming van
jongeren. Zulks kan weliswaar worden betreurd, maar
zou moeten worden gecompenseerd door de initiatie-
ven die de regering de komende maanden op dat vlak
zal nemen.
De sociale partners hebben de verschillende rappor-
ten ingediend waarin is voorzien inzake opleiding. Zo-
dra die rapporten in een gestandaardiseerde en defini-
tieve vorm beschikbaar zijn, zullen ze aan het parlement
worden bezorgd. De sociale partners genieten een erg
ruime autonomie wat het opleidingsbeleid betreft. Zij zijn
alleen verplicht 0,1% van hun budget daaraan te beste-
den. Er wordt een methode gehanteerd om het
opleidingsbeleid te evalueren.
Het toezicht op de overuren zal geschieden via de
persoonlijke belastingfiche van de werknemers. Die
fiche zal dienovereenkomstig worden aangepast. Voorts
wordt overwogen de loonfiche aan te passen. Een ont-
werp van koninklijk besluit dat uitvoering geeft aan de
maatregelen die inzake overuren werden genomen,
werd voor advies bij de Raad van State ingediend. De
tenuitvoerlegging van dit wetsontwerp zal dus geen
gertraging oplopen.
Het centraal akkoord bevat geen enkele bepaing die
specifiek voor de automobielsector geldt. Dat aspect
moet nog worden behandeld.
Conseil d’État, ces délégations ne sont pas assez pré-
cisément formulées. La formulation choisie est pourtant
conforme à une pratique existant depuis plusieurs an-
nées. Or, jamais le Conseil d’État ne s’y est opposé jus-
qu’ici. C’est pourquoi il a été décidé de maintenir le texte
de l’avant-projet.
En ce qui concerne la politique des personnes handi-
capées, un groupe de travail est mis en place. Il se réu-
nira sous peu pour coordonner les politiques fédérale
et fédérées en la matière.
L’extension du champ d’intervention du Fonds de fer-
meture des entreprises ne concerne pas encore le sec-
teur non marchand. Il s’agit essentiellement d’un pro-
blème technique qui devrait être résolu rapidement.
Le budget prévu pour 2005 sera imputé proportion-
nellement. Il n’y aura donc pas d’excédent pour cette
année.
Le projet de loi à l’examen ne concerne pas expres-
sément l’embauche des jeunes. On peut le regretter.
Ceci devrait toutefois être compensé par les initiatives
que le gouvernement prendra dans ce domaine dans
les prochains mois.
Les différents rapports prévus en matière de forma-
tion ont été déposés par les partenaires sociaux. Une
fois que ceux-ci seront disponibles en version uniformi-
sée et définitive, ils seront transmis au Parlement. Les
partenaires sociaux jouissent d’une très grande auto-
nomie en matière de politique de formation. Leur seule
obligation est de consacrer 0,1% du budget à celle-ci.
Une méthode d’évaluation de la politique de formation
est retenue.
Le contrôle des heures supplémentaires se fera par
le biais de la fiche fiscale personnelle des travailleurs.
Celle-ci sera adaptée en conséquence. Une adaptation
de la fiche salariale est également envisagée. Un pro-
jet d’arrêté royal d’exécution des mesures prises en ma-
tière d’heures supplémentaires est actuellement sou-
mis au Conseil d’État. L’exécution du projet de loi ne
souffrira donc aucun retard.
L’accord interprofessionnel ne contient aucune dis-
position spécifique au secteur automobile. Ce point doit
encore être examiné.
13
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
C. Replieken van de leden
Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) betreurt dat de non-
profit sector nog altijd buiten het toepassingsgebied van
het Fonds voor sluiting van ondernemingen valt. Zij dringt
erop aan dat de vertraging die dat dossier heeft opgelo-
pen, zo snel mogelijk zou worden weggewerkt.
De spreekster betreurt ook dat de sociale partners
dat toepassingsgebied niet tot de kleinste ondernemin-
gen hebben willen uitbreiden. Die maatregel is op fi-
nancieel vlak wellicht begrijpelijk, maar niet op ethisch
vlak. Het is naïef te geloven dat de werknemers van
kleine ondernemingen er bij de sluiting van hun onder-
neming beter aan toe zouden zijn dan de werknemers
uit grotere ondernemingen die sluiten.
Voorzitter Hans Bonte (sp.a-spirit) herinnert eraan dat
de waarde van een centraal akkoord afhangt van het
engagement van de sociale partners. Het zou ontoe-
laatbaar zijn mocht alleen de regering haar verbintenis-
sen nakomen. De sociale partners mogen zich niet aan
hun verantwoordelijkheden onttrekken.
III.— ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
EN STEMMINGEN
Artikel 1
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Het wordt aangenomen met 8 stemmen en 2 onthou-
dingen.
Art. 2
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Het wordt aangenomen met 9 stemmen en 1 onthou-
ding.
Art. 3
Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) verwijst naar de al-
gemene bespreking, waarin zij de opmerking van de
Raad van State over de bevoegdheidsdelegatie aan de
Koning ter sprake heeft gebracht. Als die bepaling niets
anders beoogt dan de bestaande praktijk te bevestigen,
heeft zij geen enkel bezwaar.
De minister van Werk bevestigt die interpretatie.
*
* *
C. Répliques des membres
Mme Greta D’hondt (CD&V) déplore que le secteur
non marchand soit toujours exclu du champ d’interven-
tion du Fonds de fermeture des entreprises. Elle insiste
pour que le retard pris dans ce dossier soit comblé au
plus vite.
L’intervenante déplore également que les partenai-
res sociaux n’aient pas voulu étendre ce champ d’inter-
vention aux plus petites entreprises. Cette mesure est
sans doute compréhensible du point de vue financier,
mais pas sur le plan de l’éthique. Il est naïf de croire
que les travailleurs de petites entreprises s’en sortent
mieux que les autres lorsque que leur entreprise doit
fermer.
Le président rappelle que la valeur d’un accord inter-
professionnel dépend des engagements qu’y prennent
les partenaires sociaux. Il ne serait pas admissible que
seul le gouvernement tienne ses engagements. Les
partenaires sociaux ne peuvent pas se soustraire à leurs
responsabilités.
III. — DISCUSSION DES ARTICLES ET VOTES
Article 1er
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
Il est adopté par 8 voix et 2 abstentions.
Art. 2
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
Il est adopté par 9 voix et 1 abstention.
Art. 3
Mme Greta D’hondt (CD&V) renvoie à la discussion
générale, dans laquelle elle évoquait la remarque du
Conseil d’État concernant la délégation de compétence
au Roi. Si cette disposition ne vise rien d’autre que la
confirmation de la pratique existante, elle n’a aucune
objection à émettre.
Le ministre de l’Emploi confirme cette interprétation.
*
* *
14
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Artikel 3 wordt aangenomen met 9 stemmen en 1
onthouding.
Art. 4 tot 6
Over deze artikelen worden geen opmerkingen ge-
maakt.
Ze worden achtereenvolgens aangenomen met 9
stemmen en 1 onthouding.
Art. 7
Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 3.
Artikel 7 wordt aangenomen met 9 stemmen en 1
onthouding.
Art. 8
Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) verwijst naar het
advies van de Raad van State, die opmerkt dat die be-
paling voorziet in een financiële bijdrage van de fede-
rale overheid voor een activiteit die niet tot haar bevoegd-
heden behoort. Zonder de relevantie van de maatregel
te betwisten, moet men toch erkennen dat er een juri-
disch probleem is. De financiële middelen van een ge-
meenschap moeten worden toegewezen aan de uitoe-
fening van haar materiële bevoegdheden. De spreekster
vreest dat die wet wegens een bevoegdheidsconflict bij
het Arbitragehof zal worden aangevochten. Dit
samenwerkingsakkoord zou wel eens ongrondwettig
kunnen zijn, hetgeen momenteel uiteraard geen enkel
probleem doet rijzen, maar dat zal zeker veranderen
zodra een beroep wordt ingesteld.
De minister van Werk antwoordt dat de federale over-
heid de deelgebieden al sinds de jaren ’90 financiert bij
de begeleiding van de werklozen. De indertijd gekozen
procedure voorzag niet in het advies van de Raad van
State. Het is de eerste maal dat die Raad wordt ver-
zocht zich over het probleem te buigen. Een essentieel
punt in het samenwerkingsakkoord is echter de fede-
rale financiering van de begeleiding van de werklozen.
Zonder die financiering valt te vrezen dat het hele ak-
koord tenietgaat.
*
* *
Artikel 8 wordt aangenomen met 9 stemmen en 1
onthouding.
L’article 3 est adopté par 9 voix et 1 abstention.
Art. 4 à 6
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont successivement adoptés par 9 voix et 1 abs-
tention.
Art. 7
Il est renvoyé à la discussion de l’article 3.
L’article 7 est adopté par 9 voix et 1 abstention.
Art. 8
Mme Greta D’hondt (CD&V) se réfère à l’avis du Con-
seil d’État, qui remarque que cette disposition prévoit
une contribution financière de l’autorité fédérale pour
une activité qui ne relève pas de ses compétences. Sans
contester la pertinence de la mesure, il faut reconnaître
qu’il y a là un problème juridique. Les moyens finan-
ciers d’une collectivité doivent être affectés à l’exercice
de ses compétences matérielles. L’oratrice craint que
cette loi soit contestée devant la Cour d’arbitrage pour
conflit de compétence. L’illégalité dont est entaché l’ac-
cord de coopération ne pose bien entendu pas de pro-
blème concret actuellement, mais ce sera le cas pour
peu qu’un tel recours soit introduit.
Le ministre de l’Emploi répond que c’est depuis les
années 1990 que l’autorité fédérale finance les collecti-
vités fédérées pour l’accompagnement des chômeurs.
La procédure choisie à l’époque ne prévoyait pas d’avis
du Conseil d’État. C’est la première fois que celui-ci est
invité à se pencher sur ce problème. Toujours est-il que
le financement de l’accompagnement des chômeurs par
l’autorité fédérale est un point essentiel de l’accord de
coopération. Sans ce financement, il est à craindre que
l’ensemble de l’accord soit annihilé.
*
* *
L’article 8 est adopté par 9 voix et 1 abstention.
15
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Art. 9 tot 11
Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) verheugt er zich over
dat het centraal akkoord tot stand is gekomen zonder
aan de regeling van het vervroegd pensioen te raken.
Dat debat moet plaatshebben in het kader van het rui-
mere eindeloopbaandebat.
*
* *
De artikelen 9 tot 11 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 1 onthouding.
Art. 12 tot 15
Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) betreurt dat deze
artikelen geen bekrachtiging zijn van een meer vastbe-
raden wil om gevolg te geven aan de conclusies van de
Sabena-onderzoekscommissie, die door de Kamer
nochtans eenparig zijn goedgekeurd.
Concreet vraagt de spreekster of de wijziging in de
wet van 1966 zal moeten worden opgenomen in de wet
van 2002, wanneer die in werking treedt.
De minister van Werk bevestigt die analyse.
Voorzitter Hans Bonte (sp.a-spirit) vindt dat er zeker
een politieke meerderheid is om initiatieven in de door
mevrouw D’hondt gewenste zin te nemen. Een parle-
mentair initiatief zou dat dossier dus kunnen versnel-
len.
*
* *
De artikelen 12 tot 15 worden achtereenvolgens aan-
genomen met 9 stemmen en 1 onthouding.
Art. 16 en 17
Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) vreest dat deze be-
palingen niet in de middelen voorzien om misbruiken
inzake overuren tegen te gaan. Zij suggereert dat een
evaluatie zou worden gehouden na twee jaar toepas-
sing.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V) vraagt of de verplich-
ting dat de werknemer zelf moet vragen dat zijn over-
uren als inhaalrust worden toegekend, ook geldt voor
de overuren die vóór de inwerkingtreding van de wet
zijn gepresteerd.
Art. 9 à 11
Mme Greta D’hondt (CD&V) se réjouit que l’accord
interprofessionnel ait abouti sans porter atteinte au ré-
gime des préretraites. Ce débat doit prendre place dans
le débat plus large des fins de carrière.
*
* *
Les articles 9 à 11 sont successivement adoptés par
9 voix et 1 abstention.
Art. 12 à 15
Mme Greta D’hondt (CD&V) regrette que les présents
articles ne consacrent pas une volonté plus résolue de
donner suite aux conclusions de la commission d’en-
quête sur la Sabena, qui avaient pourtant été approu-
vées à l’unanimité par la Chambre.
Concrètement, l’oratrice demande si la modification
opérée dans la loi de 1966 doit être reprise dans la loi
de 2002 lorsque celle-ci entrera en vigueur.
Le ministre de l’Emploi confirme cette analyse.
M. Hans Bonte (sp.a-spirit) estime qu’il existe certai-
nement une majorité politique pour prendre des initiati-
ves dans le sens souhaité par Mme D’hondt. Une initia-
tive parlementaire pourrait donc être de nature à
accélérer ce dossier.
*
* *
Les articles 12 à 15 sont successivement adoptés
par 9 voix et 1 abstention.
Art. 16 et 17
Mme Greta D’hondt (CD&V) craint que les présentes
dispositions ne donnent pas les moyens d’éviter les abus
en matière d’heures supplémentaires. Elle suggère de
procéder à une évaluation après deux ans d’applica-
tion.
Mme Nahima Lanjri (CD&V) demande si l’obligation
faite au travailleur de demander lui-même à ne pas ré-
cupérer ses heures supplémentaires est applicable aux
heures supplémentaires prestées avant l’entrée en vi-
gueur de cette disposition.
16
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
De minister van Werk beantwoordt die laatste vraag
bevestigend.
Mevrouw Greet van Gool (sp.a-spirit) c.s. dient amen-
dement nr. 3 (DOC 51 1767/003) in, dat ertoe strekt
artikel 17 van het wetsontwerp aan te vullen. De indien-
ster geeft aan dat dit amendement een oplossing aan-
reikt voor de moeilijkheid in de automobielsector. Zij licht
haar amendement toe, zoals zulks is vervat in haar
schriftelijke verantwoording van het amendement.
*
* *
Artikel 16 wordt aangenomen met 9 stemmen en 1
onthouding.
Amendement nr. 3 wordt eenparig aangenomen.
Het aldus geamendeerde artikel 17 wordt eenparig
aangenomen.
Art. 18 tot 22
Over deze artikelen worden geen opmerkingen ge-
maakt.
Ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art. 28 tot 31 (nieuw)
De regering dient amendement nr. 1 (DOC 51 1767/
002) in, dat ertoe strekt in het wetsontwerp een hoofd-
stuk IX in te voegen, dat de artikelen 28 tot 31 omvat en
betrekking heeft op de regeling van de innovatiepremies.
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V) constateert dat het
opzet van amendement nr. 1 nauw aansluit bij dat van
het wetsvoorstel tot afschaffing van de sociale bijdra-
gen op de suggestiepremies (DOC 51 1679/001). Ze
heeft echter enkele opmerkingen over dat amendement.
De spreekster wenst eerst te weten wat het woord
«innovatie» betekent in het kader van de ter tafel lig-
gende bepalingen.
Vervolgens heeft ze vragen over de beperkingen die
inzake de vrijstellingen worden opgelegd. Waarom wor-
den ze beperkt tot 10 % van de werknemers van de
onderneming en tot 10 werknemers per innovatie?
Waarom mag het bedrag van de premie per kalender-
jaar niet meer bedragen dan een maandloon? Het lijkt
de spreekster weinig opportuun de stimulering van de
creativiteit op die manier in te perken.
Le ministre de l’Emploi répond à cette dernière ques-
tion par l’affirmative.
Mme Greet van Gool (sp.a-spirit) et consort dépo-
sent un amendement n° 3 visant à compléter l’article 17
du projet. Mme van Gool explique que cet amendement
répond à un problème rencontré dans le secteur auto-
mobile. Elle expose la portée de son amendement, ainsi
qu’elle est formulée dans la justification écrite.
*
* *
L’article 16 est adopté par 9 voix et 1 abstention.
L’amendement n° 3 est adopté à l’unanimité.
L’article 17 tel qu’amendé est adopté à l’unanimité.
Art. 18 à 22
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Ils sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 28 à 31 (nouveaux)
Le gouvernement dépose un amendement n°1 visant
à insérer un nouveau chapitre IX dans le projet de loi.
Ce chapitre contient les articles 28 à 31 et concerne le
régime des primes à l’innovation.
Mme Nahima Lanjri (CD&V) constate que l’amende-
ment n° 1 est proche dans son esprit de la proposition
de loi supprimant les cotisations sociales afférentes aux
primes aux suggestions (doc 51 1679). Elle formule
cependant quelques observations à son propos.
L’intervenante souhaiterait d’abord savoir comment
doit s’interpréter le terme «innovation» dans le cadre
des présentes dispositions.
Ensuite, l’intervenante s’interroge sur les limitations
qui sont imposées aux exonérations. Pourquoi limiter
celles-ci à 10% des travailleurs de l’entreprise et à 10
travailleurs par innovation? Pourquoi limiter le montant
de la prime à un mois de salaire par année civile? L’ora-
trice estime peu opportun de limiter de la sorte la stimu-
lation de la créativité.
17
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Tot slot dringt de spreekster erop aan dat de onder-
nemingen, voor de toepassing van deze bepalingen, niet
aan buitensporige administratieve verplichtingen wor-
den onderworpen.
Volgens de minister van Sociale Zaken en Volksge-
zondheid strookt amendement nr. 1 met de wensen van
de sociale partners. Zulks doet geenszins afbreuk aan
de kwaliteiten van het wetsvoorstel tot afschaffing van
de sociale bijdragen op de suggestiepremies.
De beperking van de vrijstelling van sociale-
zekerheidsbijdragen tot de premies die zijn toegekend
aan 10 % van het personeel van de onderneming kan
arbitrair lijken, maar dat geldt voor alle drempels en
bovengrenzen die de sociale wetgeving heeft vastge-
steld. Die bovengrens leek de regering en de sociale
partners redelijk. Er zij echter opgemerkt dat het niet
om een absolute bovengrens gaat. Het staat de onder-
nemingen steeds vrij aan meer dan 10 % van hun per-
soneel innovatiepremies te geven, maar ze zullen
socialezekerheidsbijdragen moeten betalen op het ge-
deelte dat die 10 % overschrijdt.
De mechanismen van externe controle zijn noodza-
kelijk. De minister is geen voorstander van over-
regulering, maar hij wil niet het risico lopen dat de in-
voering van dat mechanisme aanleiding geeft tot
misbruik. Het is omwille van de transparantie nodig ge-
bleken te bepalen dat de minister van Economie in ken-
nis moet worden gesteld van de toekenning van pre-
mies waarop de voorliggende bepalingen van toepassing
zijn. De uitvoeringsmaatregelen zullen ervoor zorgen dat
de informatieprocedure verenigbaar is met de industriële
geheimhouding.
Om iedere moeilijkheid inzake uitlegging van de wet
te voorkomen, vraagt mevrouw Nahima Lanjri (CD&V)
of voor het bepalen van het maximumbedrag van de
innovatiepremie het nettoloon dan wel het brutoloon in
aanmerking wordt genomen.
De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
antwoordt dat het brutoloon van de werknemer in aan-
merking wordt genomen.
Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) brengt de kwestie
van de intellectuele eigendom van de door de werkne-
mers aangebrachte innovaties te berde. Doorgaans
komt dat eigendom toe aan de onderneming waar ze
werken. Nadat de betrokken werknemers ontslagen zijn,
blijft voor hen niets over van de rechten van hun inno-
vatie. Het zou gepast zijn zich over dat probleem te
buigen zodat de werknemers de zekerheid hebben dat
ze een deel van de door de octrooien gegenereerde
opbrengst zullen krijgen.
Enfin, l’oratrice insiste pour que les entreprises ne
soient pas, pour l’application des présentes dispositions,
soumises à des contraintes administratives exagérées.
Selon le ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique, M. Rudy Demotte, l’amendement n° 1 est con-
forme à la volonté des partenaires sociaux, ce qui ne
retire rien aux qualités de la proposition de loi suppri-
mant les cotisations sociales afférentes aux primes aux
suggestions.
La limitation de l’exonération de cotisations sociales
aux primes octroyées à 10% du personnel de l’entre-
prise peut paraître arbitraire. Mais c’est le cas de tous
les seuils et de tous les plafonds fixés par la législation
sociale. Cette limite a semblé raisonnable au gouver-
nement et aux partenaires sociaux. Il faut toutefois re-
marquer qu’il ne s’agit pas d’une limite absolue. Les
entreprises seront toujours libres d’octroyer des primes
d’innovation à plus de 10% de leur personnel. Mais el-
les seront tenues de payer des cotisations sociales sur
la part excédant ces 10%.
Les mécanismes de contrôle externe sont nécessai-
res. Le ministre se dit adversaire des excès de régle-
mentation, mais refuse de prendre le risque d’abus dans
la mise en place de ce mécanisme. Dans un souci de
transparence, il a semblé nécessaire de prévoir l’obli-
gation d’informer le ministre de l’Économie de l’octroi
de primes auxquelles les présentes dispositions sont
applicables. Les mesures d’exécution veilleront à ce que
la procédure d’information soit compatible avec le se-
cret industriel.
Afin d’éviter toute difficulté d’interprétation de la loi,
Mme Nahima Lanjri (CD&V) demande si le salaire pris
en considération pour déterminer le montant maximal
de la prime d’innovation est le salaire net ou le salaire
brut.
Le ministre des Affaires sociales et de la Santé publi-
que répond que le salaire pris en considération est le
salaire brut du travailleur.
Mme Greta D’hondt (CD&V) évoque la question de
la propriété intellectuelle des innovations apportées par
les travailleurs. En général, cette propriété revient à l’en-
treprise qui les emploie. Une fois les travailleurs con-
cernés licenciés, ils ne leur reste rien des droits de leur
création. Il serait opportun de se pencher sur ce pro-
blème, afin de garantir aux travailleurs une part des re-
venus produits par les brevets.
18
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
*
* *
De artikelen 28 tot 31 worden achtereenvolgens een-
parig aangenomen.
Art. 32 tot 50
De regering dient amendement nr. 2 (DOC 51 1767/
003) in, dat ertoe strekt in het wetsontwerp een hoofd-
stuk X in te voegen, dat de artikelen 32 tot 50 omvat.
De minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid
geeft aan dat dit amendement tot doel heeft concreet
uitvoering te geven aan een van de punten van het cen-
traal akkoord dat betrekking heeft op de
verjaringstermijn van de bijdragen. Het amendement
omvat 3 afdelingen: de eerste betreft de verjaringstermijn
van de socialezekerheidsbijdragen, de tweede en de
derde maken het voor de inninginstellingen mogelijk over
betere juridische instrumenten te beschikken om ze te
helpen bij het innen van de socialezekerheidsbijdragen.
1° De verjaringstermijn van de socialezekerheids-
bijdragen
Op verzoek van de sociale partners wordt die
verjaringsgtermijn ingekort (3 jaar in plaats van 5 jaar).
De inwerkingtreding van die wijziging is op 1 januari
2009 vastgesteld, teneinde de diverse instellingen die
de socialezekerheidsbijdragen innen de nodige tijd te
geven om hun intern systeem van controle van de aan-
giften en van inning van de schuldvorderingen te wijzi-
gen. Een te snelle wijziging zou technische moeilijkhe-
den met zich brengen die de correcte inning van de
socialezekerheidsbijdragen in het gedrang kunnen bren-
gen.
2° Een betere invordering van de socialezekerheids-
bijdragen
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid krijgt de mo-
gelijkheid onder bepaalde voorwaarden uitstel te verle-
nen aan de werkgevers die te kampen hebben met tij-
delijke liquiditeitsproblemen, alvorens ze te dagvaarden
voor de bevoegde rechtbanken.
Feit is immers dat 70 % van de gedingen die de RSZ
instelt aanleiding geven tot een verstekvonnis. In de
meeste van die gevallen vraagt de werkgever uitstel om
de tenuitvoerlegging van het vonnis op te schorten en
komt hij zijn verbintenissen na.
*
* *
Les articles 28 à 31 sont successivement adoptés à
l’unanimité.
Art. 32 à 50
Le gouvernement dépose un amendement n° 2, in-
sérant un chapitre X dans le projet. Ce chapitre contient
les articles 32 à 50.
Selon le ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique, le présent amendement vise à concrétiser un
des points repris dans l’accord interprofessionnel qui
concerne le délai de prescription des cotisations. Il est
composé de 3 sections. La première est relative au dé-
lai de prescription des cotisations de sécurité sociale.
Les deuxième et troisième parties permettent aux orga-
nismes percepteurs de bénéficier de meilleurs instru-
ments juridiques pour les aider dans leur tâche de per-
ception des cotisations de sécurité sociale.
1° Le délai de prescription des cotisations de sécu-
rité sociale
La demande des partenaires sociaux est de faire re-
venir ce délai de prescription de 5 à 3 ans.
L’entrée en vigueur de ce changement a est fixée au
1er janvier 2009, pour laisser le temps nécessaire aux
différents organismes percepteurs de cotisations de
sécurité sociale pour modifier leur système interne de
contrôle des déclarations et de récupération de créan-
ces. Un changement trop rapide engendrerait des diffi-
cultés techniques qui risqueraient de mettre en péril la
correcte perception des cotisations de sécurité sociale.
2° L’amélioration du recouvrement des cotisations
de sécurité sociale
L’Office national de Sécurité sociale reçoit la possibi-
lité d’octroyer des termes et délais sous certaines con-
ditions aux employeurs qui éprouvent des difficultés
passagères de trésorerie, et ce avant de citer devant
les juridictions compétentes.
En effet, force est de constater que 70% des procé-
dures introduites par l’ONSS aboutissent à des juge-
ments rendus par défaut. Dans la plupart de ces cas,
l’employeur demande des termes et délais pour sus-
pendre l’exécution du jugement rendu et respecte ses
engagements.
19
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
De toekenning van die faciliteiten doet geenszins af-
breuk aan het recht van de RSZ de betrokken bijdragen
in te vorderen door de werkgever voor de bevoegde
rechter te dagen of door zich een dwangbevel te laten
afleveren zo de niet verschenen schuldenaar de
afbetalingstermijnen die hem in minnelijke zin werden
toegekend, niet naleeft. Die werkwijze zou echter de
arbeidsgerechten ontlasten en zou het in tal van geval-
len mogelijk maken te voorkomen dat de werkgever hoge
gerechtskosten moet betalen.
Overeenkomstig het advies van de Raad van State
zullen de voorwaarden voor de toekenning van die
betalingsfaciliteiten worden bepaald via een koninklijk
besluit dat zal worden vastgesteld nadat het advies van
het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Ze-
kerheid is ingewonnen.
3° Een betere inning van de sociale bijdragen
De derde afdeling van het amendement beoogt de
inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen een
waaier van rechtsmiddelen ter beschikking te stellen
teneinde een betere inning van die bijdragen te waar-
borgen.
Daartoe wordt de beperking in de tijd van het voor-
recht dat reeds bestaat in artikel 19, eerste lid, 4°ter,
van de wet van 16 december 1851 betreffende de voor-
rechten en hypotheken afgeschaft.
Het tweede juridisch instrument biedt de innings-
instelling van de socialezekerheidsbijdragen de moge-
lijkheid op al de aan de schuldenaar toebehorende goe-
deren een wettelijke hypotheek te laten inschrijven voor
elke schuldvordering waarover hij beschikt ten aanzien
van de schuldenaar.
Die inschrijving geschiedt op verzoek van de inning-
instelling van de sociale zekerheidsbijdragen op basis
van een uitvoerbare titel of van een titel die recht geeft
op conservatoir beslag of voor een vordering die het
voorwerp was van een beschikking die conservatoir
beslag toestond.
Het derde instrument betreft de verantwoordelijk-
heidstoedeling van de notarissen en van de openbare
of ministeriële ambtenaren die belast zijn met het ver-
lijden van bepaalde akten of met de verkoop van roe-
rende goederen. Bedoeling is dat de inningsinstellingen
van de socialezekerheidsbijdragen over dezelfde inlich-
tingen en rechten beschikken als de belastingdiensten.
L’octroi de ces facilités ne préjudicierait en rien au
droit de l’Office à procéder au recouvrement des cotisa-
tions en question en citant devant le juge compétent ou
en se délivrant une contrainte dès lors que le débiteur
défaillant ne respecte pas les termes et délais qui lui
ont été octroyés à l’amiable. Il permettrait cependant de
soulager les juridictions du travail et d’éviter dans de
nombreux cas des frais de justice élevés à charge de
l’employeur.
Conformément à l’avis du Conseil d’État, les condi-
tions dans lesquelles ces facilités de paiement pourront
être octroyées seront déterminées par un arrêté royal
après avis du comité de gestion de l’Office.
3° L’amélioration de la perception des cotisations
sociales
La troisième section vise à mettre à la disposition de
l’organisme percepteur des cotisations de sécurité so-
ciale un éventail de moyens juridiques en vue d’assurer
une meilleure perception des cotisations de sécurité
sociale.
À cette fin, la limite dans le temps du privilège qui
existe déjà dans l’article 19, alinéa 1er, 4°ter, de la loi du
16 décembre 1851 sur les privilèges et hypothèques
est supprimée
Le deuxième instrument juridique donne la possibi-
lité à l’organisme percepteur des cotisations de sécu-
rité sociale de faire inscrire une hypothèque légale sur
tous les biens appartenant à son débiteur afin de ga-
rantir la créance généralement quelconque dont il dis-
pose à l’égard de ce débiteur.
Cette inscription est faite à la requête de l’organisme
percepteur de cotisations sociales sur base d’un titre
exécutoire ou d’un titre donnant lieu à saisie conserva-
toire ou pour une créance qui a fait l’objet d’une ordon-
nance autorisant la saisie conservatoire.
Le troisième instrument concerne la responsa-
bilisation des notaires ainsi que celles des fonctionnai-
res publics ou les officiers ministériels chargés de la
passation de certains actes ou de la vente de biens
meubles. Il s’agit de permettre aux organismes percep-
teurs de cotisations de sécurité sociale de bénéficier
des mêmes informations et droits dont dispose déjà le
fisc.
20
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Er werden evenwel bepaalde nuances aangebracht,
met name om zowel de notarissen, de ministeriële amb-
tenaren als de betrokken instellingen geen werkoverlast
te bezorgen. Daarbij gaat het er meer bepaald om de
informatieverstrekking te beperken tot de akten betref-
fende de rechtspersonen en de natuurlijke personen die
op het ogenblik van het verlijden van de akte een activi-
teit als zelfstandige uitoefenen. Weinig andere perso-
nen hebben immers het statuut van werkgever en kun-
nen dus schulden inzake socialezekerheidsbijdragen
hebben.
De elektronische overzending geschiedt in het raam
van de programma’s inzake e-notariaat en e-gerechts-
deurwaarders die werden opgezet om de communica-
tie tussen die personen en de overheid te vereenvoudi-
gen. De praktische wijze waarop invulling zal worden
gegeven aan de uitwerking van dat informatiecircuit zal
door de Koning worden vastgesteld teneinde alle be-
trokken personen te raadplegen.
In een streven om bijkomende gerechtskosten te voor-
komen, zal de kennisgeving door de instelling de schuld-
vordering int, gelden als beslag onder derden in han-
den van de notarissen of van de ministeriële
ambtenaren.
Het laatste instrument strekt ertoe de overnemers
solidair te maken bij de betaling van de sociale schul-
den van de overdrager bij een overdracht, in eigendom
of in vruchtgebruik, van een geheel van goederen, die
worden aangewend voor de uitoefening van een vrij
beroep, een ambt of een post, dan wel van een indus-
triële, commerciële of landbouwexploitatie alsmede de
vestiging van een vruchtgebruik op diezelfde goederen.
Als beginsel geldt dat die overdracht pas tegenstel-
baar is na het verstrijken van de maand die volgt op die
waarin een authentiek afschrift van de akte van over-
dracht of van de akte van vestiging ter kennis werd ge-
bracht van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Die solidariteit is beperkt tot het bedrag dat reeds door
hem werd gestort of verstrekt of tot een bedrag dat over-
eenstemt met de nominale waarde van de aandelen die
in ruil voor de overdracht zijn toegekend vóór het ver-
strijken van voormelde termijn.
Die bepaling strekt ertoe te voorkomen dat overdrach-
ten plaatsvinden die bedoeld zijn om de betaling van
socialezekerheidsbijdragen te omzeilen door het vermo-
gen van de schuldenaar te verminderen.
Teneinde evenwel te voorkomen dat het economisch
leven wordt lamgelegd en bepaalde transacties worden
verhinderd omdat ze geen rechtszekerheid zouden heb-
ben, zal de overdrager bij de RSZ een certificaat kun-
nen aanvragen waaruit blijkt dat er geen sociale schul-
den zijn, en de overdracht meteen tegenstelbaar maken.
Certaines nuances ont néanmoins été apportées
notamment pour éviter une surcharge de travail tant pour
les notaires et officiers ministériels que pour les orga-
nismes concernés. Il s’agit notamment de la limitation
de la communication des informations aux seules per-
sonnes morales et physiques exerçant une activité d’in-
dépendant au moment de la passation de l’acte. En
effet, peu d’autres personnes ont le statut d’employeurs
et sont dès lors susceptibles d’avoir des dettes de coti-
sations de sécurité sociale.
La transmission par voie électronique s’inscrit dans
le cadre des programmes d’e-notariat et e-huissiers qui
ont été mis en place pour simplifier la communication
de ces personnes avec les pouvoirs publics. Les moda-
lités pratiques de la mise en place de ce circuit d’infor-
mations seront déterminées par le Roi afin de consulter
toutes les personnes concernées.
Dans le souci d’éviter de nouveaux frais de justice, la
notification par l’organisme percepteur de sa créance
emportera saisie-arrêt entre les mains des notaires ou
des officiers ministériels.
Le dernier instrument vise à solidariser les cession-
naires au paiement des dettes sociales du cédant lors
d’une cession, en propriété ou en usufruit, d’un ensem-
ble de biens affectés à l’exercice d’une profession libé-
rale, charge ou office ou d’une exploitation industrielle,
commerciale ou agricole ainsi que la constitution d’un
usufruit sur les mêmes biens.
Le principe est que cette cession ne sera opposable
qu’à l’expiration du mois qui suit celui au cours duquel
une copie authentique de l’acte translatif ou constitutif
a été notifiée à l’Office national de sécurité sociale.
Cette solidarité est limitée à concurrence du montant
déjà payé ou attribué par lui ou d’un montant corres-
pondant à la valeur nominale des actions ou parts attri-
buées en contrepartie de la cession, avant l’expiration
dudit délai.
Cette disposition vise à éviter que des cessions n’aient
lieu dans un objectif d’éviter le paiement de cotisations
de sécurité sociale en appauvrissant le patrimoine du
débiteur.
Néanmoins, afin d’éviter de paralyser la vie écono-
mique et d’empêcher certains transactions faute de sé-
curité juridique , un certificat pourra être demandée par
le cédant à l’ ONSS pour attester de l’absence de dette
sociales et rendre la cession directement opposable.
21
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
In twee gevallen zal dat certificaat worden geweigerd:
zo, op de datum van de aanvraag, ten laste van de over-
drager een liquide en vaststaande schuld werd vastge-
steld ten opzichte van de instelling of wanneer de aan-
vraag werd ingediend na de aankondiging van of tijdens
een controle door een sociaal inspecteur.
Vanaf de datum waarop de overdrager de aanvraag
voor dat certificaat heeft ingediend, beschikt de RSZ
over een termijn van dertig dagen om dat certificaat af
te leveren of het te weigeren.
Het laatste artikel regelt de inwerkingtreding van deze
bepalingen: voor de eerste afdeling zou dat 1 januari
2009 worden, voor de tweede en de derde afdeling zou
dat gebeuren op een door de Koning vastgestelde da-
tum.
Mevrouw Greta D’hondt (CD&V) heeft geen princi-
pieel bezwaar tegen amendement nr. 2. Zij wenst even-
wel te worden gerustgesteld op een aantal punten.
Ten eerste vraagt de spreekster zich af of de nieuwe,
aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toegekende
rechten geen afbreuk doen aan het voorrecht van de
werknemer.
Voorts is het positief dat de arbeidsrechtbanken van
een aantal geschillen worden ontlast, maar rijst op die
manier niet het risico dat er zich een trend zal afteke-
nen waarbij men sneller dan thans het geval is om een
aanzuiveringsplan zal vragen?
Ten derde lijkt het billijk dat de overnemer van een
gefailleerd bedrijf de schulden van de gefailleerde ten
opzichte van de RSZ overneemt, maar dreigt zulks niet
ontradend te werken voor bepaalde potentiële
overnemers?
Volgens de minister van Sociale Zaken en Volksge-
zondheid doet amendement nr. 2 geen afbreuk aan de
rechten van de werknemers. De termijnen, toegestaan
voor de betaling van de sociale bijdragen werden even-
min gewijzigd. Amendement nr. 2 strekt er ten slotte
toe te voorkomen dat een werkgever een deel van zijn
vermogen overdraagt aan een derde, zonder de op-
brengst van die overdracht aan de aanzuivering van zijn
sociale schulden te besteden. Het ligt dus niet in de
bedoeling overnames van gefailleerde bedrijven te ver-
hinderen of de economische activiteit af te remmen,
maar te voorkomen dat bepaalde werkgevers hun
insolventie ten nadele van de sociale zekerheid organi-
seren.
Ce certificat sera refusé dans deux cas: si, à la date
de la demande, il a été établi à charge du cédant une
dette qui constitue une dette liquide et certaine vis-à-vis
de l’organisme ou si la demande est introduite après
l’annonce ou au cours d’un contrôle par un inspecteur
social.
L’ONSS dispose d’un délai de trente jours à dater de
la demande par le cédant de ce certificat pour le déli-
vrer ou le refuser.
Le dernier article règle la date d’entrée en vigueur
qui est le 1er janvier 2009 pour la première section et à
une date déterminée par le Roi pour les 2 et 3ème sec-
tions
Mme Greta D’hondt (CD&V) n’a pas d’objection de
principe à l’encontre de l’amendement n° 2. Elle sou-
haite cependant être rassurée sur certains points.
Premièrement, l’intervenante se demande si les nou-
veaux droits octroyés à l’Office national de sécurité so-
ciale ne dérogent pas au privilège du travailleur.
Deuxièmement, il est positif que les tribunaux du tra-
vail soient libérés d’une série de litiges. Mais n’y a-t-il
pas de risque de voir se développer une tendance à
demander plus rapidement qu’actuellement un plan
d’apurement?
Troisièmement, il semble équitable que le repreneur
d’une entreprise faillie soit tenu des dettes du failli à
l’égard de l’Office national de sécurité sociale. Cela ne
risque-t-il cependant pas de décourager certains
repreneurs potentiels?
Selon le ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique, l’amendement n° 2 ne porte pas atteinte aux
droits des travailleurs. Les termes accordés pour le paie-
ment des cotisations sociales ne sont pas modifiés non
plus. L’amendement n° 2 vise enfin à éviter qu’un em-
ployeur cède une partie de son patrimoine à un tiers
sans affecter le produit de cette cession à l’apurement
de ses dettes sociales. Il ne s’agit pas d’empêcher les
reprises d’entreprises faillies ni de faire obstacle à l’ac-
tivité économique, mais d’éviter que certains employeurs
organisent leur insolvabilité au détriment de la sécurité
sociale.
22
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
M. Bruno Van Grootenbrulle (PS) et consort dépo-
sent un sous-amendement n° 4 visant à rendre plus
souple la procédure de communication entre l’organisme
percepteur des cotisations sociales et les tiers.
Les mêmes auteurs déposent un sous-amendement
n° 5 visant à corriger l’article 49 proposé par l’amende-
ment n° 2.
*
* *
Les articles 32 à 47 sont successivement adoptés à
l’unanimité.
L’amendement n° 4 est adopté à l’unanimité. L’article
48 tel qu’amendé est adopté à l’unanimité.
L’amendement n° 5 est adopté à l’unanimité. L’article
49 tel qu’amendé est adopté à l’unanimité.
L’article 50 est adopté à l’unanimité.
*
* *
L’ensemble du projet de loi tel qu’amendé est adopté
par 10 voix et 1 abstention.
La commission s’accorde en outre sur un certain nom-
bre de corrections techniques.
La proposition de loi supprimant les cotisations so-
ciales afférentes aux primes aux suggestions (DOC
51 1679/001) devient sans objet.
Le rapporteur,
Le président,
Annemie TURTELBOOM
Hans BONTE
De heer Bruno Van Grootenbrulle (PS) c.s. dient sub-
amendement nr. 4 in, dat ertoe strekt de communicatie
tussen de inningsinstelling van de sociale bijdragen en
derden procedureel vlotter te doen verlopen.
Dezelfde indieners dienen subamendement nr. 5 in,
tot verbetering van het bij amendement nr. 2 voorge-
stelde artikel nr. 49.
*
* *
De artikelen 32 tot 47 worden achtereenvolgens een-
parig aangenomen.
Amendement nr. 4 wordt eenparig aangenomen. Het
aldus geamendeerde artikel 48 wordt eenparig aange-
nomen.
Amendement nr. 5 wordt eenparig aangenomen. Het
aldus geamendeerde artikel 49 wordt eenparig aange-
nomen.
Artikel 50 wordt eenparig aangenomen.
*
* *
Het geheel van het aldus geamendeerde wetsont-
werp wordt aangenomen met 10 stemmen en 1 onthou-
ding.
Voorts wordt de commissie het eens over een aantal
technische verbeteringen.
Dientengevolge vervalt het wetsvoorstel tot afschaf-
fing van de sociale bijdragen op de suggestiepremies
(DOC 51 1679/001).
De rapporteur,
De voorzitter,
Annemie TURTELBOOM
Hans BONTE
23
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
A. — Membres titulaires/Vaste leden :
VLD
Hendrik Daems, Bart Tommelein, Luk Van Biesen
PS
Jacques Chabot, Eric Massin, Alain Mathot
MR
François-Xavier de Donnea, Luc Gustin,
Marie-Christine Marghem
sp.a-spirit
Anne-Marie Baeke, Annemie Roppe, Dirk Van der
Maelen
CD&V
Hendrik Bogaert, Carl Devlies
Vlaams Belang Marleen Govaerts, Hagen Goyvaerts
cdH
Jean-Jacques Viseur
C.— Membre sans voix délibérative/ Niet-stemgerechtigd lid :
ECOLO
Jean-Marc Nollet
B. — Membres suppléants/Plaatsvervangers :
Alfons Borginon, Willy Cortois, Karel Pinxten, Annemie Turtelboom
Thierry Giet, Karine Lalieux, Marie-Claire Lambert, André Perpète
Francois Bellot, Alain Courtois, Denis Ducarme, Olivier Maingain
Cemal Cavdarli, Maya Detiège, David Geerts, Karine Jiroflée
Greta D’hondt, Herman Van Rompuy, Trees Pieters
Guy D’haeseleer, Bart Laeremans, Bert Schoofs
Joseph Arens, David Lavaux
BIJLAGE
ANNEXE
UITGEBRACHT DOOR
DE HEER Éric MASSIN
FAIT PAR
M. Éric MASSIN
SOMMAIRE
I.
Procédure . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
II. Exposé du vice-premier ministre et ministre
des Finances . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
III. Discussion et vote . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
INHOUD
I.
Procedure . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
II. Uiteenzetting van de vice-eerste minister en
minister van Financiën . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
III. Bespreking en stemming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
VERSLAG
RAPPORT
ADVIES
AVIS
DE LA COMMISSION DES FINANCES ET DU BUDGET
VAN DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN
EN DE BEGROTING
Composition de la commission à la date du dépôt du rapport /
Samenstelling van de commissie op datum van indiening van het verslag:
Président/Voorzitter : François-Xavier de Donnea
24
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
DAMES EN HEREN,
Uw commissie heeft deze bepalingen besproken tij-
dens haar vergadering van 18 mei 2005.
I.— PROCEDURE
De vice-eerste minister en minister van Financiën
heeft op 13 mei 2005 de voorzitter van de Kamer per
faxbericht verzocht de fiscale bepalingen van het
voormelde wetsontwerp (artikelen 23 tot 27, alsmede
amendement nr. 1 van de regering) naar de commissie
voor de Financiën en de Begroting te verwijzen.
Het wetsontwerp werd ter bespreking voorgelegd aan
de commissie voor de Sociale Zaken, die tijdens haar
vergadering van 17 mei 2005, overeenkomstig artikel
28.4 van het Reglement van de Kamer, te kennen heeft
gegeven dat ze onverwijld het advies van de commis-
sie voor de Financiën en de Begroting wenste te vra-
gen over de voormelde artikelen (artikel 23 tot 27, en
artikel 29 (nieuw), dat wordt ingevoegd bij amendement
nr. 1 van de regering). De heer Delizée, eerste onder-
voorzitter van de Kamer, heeft daarmee ingestemd.
De vice-eerste minister en minister van Financiën
heeft tijdens de vergadering van de commissie voor de
Financiën en de Begroting van 18 mei 2005 aangege-
ven dat hij met die werkwijze kon instemmen op voor-
waarde dat de commissie voor de Sociale Zaken de
voormelde fiscale bepalingen, waarvoor hijzelf en de
commissie voor de Financiën en de Begroting speci-
fiek bevoegd zijn, niet amendeert.
De minister wijst op de talrijke wetsvoorstellen die
ertoe strekken de fiscale wetgeving te wijzigen. Die
wetsvoorstellen impliceren voor de Staat al te vaak hoge
budgettaire uitgaven. De commissie voor de Financiën
en de Begroting moet alle fiscale dossiers onder con-
trole kunnen houden.
Bijgevolg beslist de commissie wetsontwerp DOC 51
1767/001 (artikelen 23 tot 27 en 29 (nieuw)) te
agenderen en advies uit te brengen.
II.— UITEENZETTING VAN DE VICE-EERSTE
MINISTER EN MINISTER VAN FINANCIEN
De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en
minister van Financiën, wijst erop dat de regering zich
ertoe heeft verbonden het ontwerp van centraal akkoord
voor 2005 en 2006 te verwezenlijken.
MESDAMES, MESSIEURS,
Votre commission a examiné les présentes disposi-
tions au cours de sa réunion du 18 mai 2005.
I. — PROCÉDURE
En date du 13 mai 2005, le vice-premier ministre et
ministre des Finances a demandé par fax au président
de la Chambre que les dispositions fiscales du projet
susmentionné (articles 23 à 27, ainsi que l’amendement
n° 1 du gouvernement) soient renvoyées à la commis-
sion des Finances et du Budget.
Au cours de sa réunion du 17 mai 2005, la commis-
sion des Affaires sociales, saisie du projet de loi, a émis
le souhait, conformément à l’article 28.4 du Règlement
de la Chambre, de demander en urgence l’avis de la
commission des Finances et du Budget sur les articles
susvisés (articles 23 à 27, ainsi que l’article 29 (nou-
veau), tel qu’inséré par l’amendement n°1 du gouver-
nement). Le premier vice-président de la Chambre, M.
Delizée, a donné son assentiment à cette demande.
Au cours de la réunion de la commission des Finan-
ces et du Budget du 18 mai 2005, le vice-premier minis-
tre et ministre des Finances a indiqué qu’il pouvait mar-
quer son accord sur cette procédure pour autant que la
commission des Affaires sociales n’amende pas les dis-
positions fiscales susvisées, qui relèvent spécifiquement
de sa compétence et de celle de la commission des
Finances et du Budget.
Le ministre rappelle le nombre important de proposi-
tions de loi visant à modifier la législation fiscale. Ces
propositions de loi ont bien souvent un coût budgétaire
élevé pour l’État. La commission des Finances et du
Budget doit pouvoir garder la maîtrise sur l’ensemble
des dossiers fiscaux.
En conséquence, la commission décide d’inscrire le
projet de loi DOC 51 1767/001 (articles 23 à 27 et 29
(nouveau)) à son ordre du jour et de rendre un avis.
II. — EXPOSÉ DU VICE-PREMIER MINISTRE ET
MINISTRE DES FINANCES
M. Didier Reynders, vice-premier ministre et ministre
des Finances, rappelle que le gouvernement s’est en-
gagé à concrétiser le projet d’accord professionnel 2005-
2006.
25
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
Dit wetsontwerp beoogt de verdere uitbouw van acti-
viteiten en de creatie van bijkomende werkgelegenheid
in ons land te stimuleren, voornamelijk door de belas-
tingdruk met zowat 200 miljoen euro te verminderen.
Die maatregel wordt aangevuld met een vermindering
van de sociale lasten met ongeveer 50 miljoen euro,
met name ten voordele van de lage lonen.
Hoofdstuk VIII van het wetsontwerp (artikelen 23 tot
27) bevat fiscale bepalingen inzake overwerk en
ploegenarbeid.
Wat de ploegenarbeid betreft, wordt de vrijstelling van
de bedrijfsvoorheffing die de ondernemingen op de loon-
massa betalen, opgetrokken van 1% naar 2,5%.
Inzake overwerk bepaalt artikel 25 van het wetsont-
werp dat de werkgever gedeeltelijk wordt vrijgesteld van
de bedrijfsvoorheffing die hij aan de Schatkist moet af-
dragen. Bovendien verleent artikel 23 een belasting-
vermindering aan werknemers die in het belastbaar tijd-
perk overuren hebben gepresteerd.
Het ontwerp van centraal akkoord bepaalt het vol-
gende: «Het voordeel zal verdeeld worden in gelijke
delen tussen de werknemer en de werkgever voor elk
van deze gepresteerde overuren. Het voordeel is voor
elk van de beide partijen gelijk aan de uitkomst van de
volgende berekening: 16,5% berekend op alle loon-
bestanddelen die met het overuur verband houden
(basisloon en overurentoeslag).»
Het wetsontwerp voorziet in een voordeel van
24,75%. Dat verschil is louter toe te schrijven aan het
feit dat het percentage berekend is op basis van het
brutobedrag (en dus niet van het nettobedrag) van de
vergoedingen die aan de berekening ten grondslag lig-
gen. Het wetsontwerp neemt dus gewoon over wat in
het akkoord staat.
Artikel 27 van het wetsontwerp regelt de inwerking-
treding van de voormelde bepalingen.
Amendement nr. 1 (DOC 51 1767/002) van de rege-
ring heeft betrekking op de eenmalige innovatiepremies.
Artikel 29 (nieuw), dat bij amendement nr. 1 wordt inge-
voegd, bepaalt dat eenmalige innovatiepremies, die aan
werknemers worden uitbetaald of toegekend, vrijgesteld
zijn van de personenbelasting dan wel van de belasting
van niet-verblijfhouders.
Die premies zijn bestemd voor de personeelsleden
van een onderneming die vernieuwende voorstellen in-
dienen welke de activiteiten van de onderneming ten
goede komen. Het totale jaarbedrag van die premies
Le présent projet de loi vise à encourager le dévelop-
pement d’activités et la création d’emplois dans notre
pays, principalement par des réductions importantes de
charges fiscales pour un montant de quelque 200 mil-
lions d’euros. Ces mesures sont complétées par des
réductions de charges sociales, notamment à l’avan-
tage des bas salaires, pour un montant d’environ 50
millions d’euros.
Le chapitre VIII du projet de loi (articles 23 à 27) con-
tient des dispositions fiscales en matière de travail sup-
plémentaire et de travail en équipes.
En ce qui concerne le travail en équipes, l’exonéra-
tion du versement du précompte professionnel par les
entreprises à concurrence de la masse salariale passe
de 1 à 2,5%.
Pour ce qui est des heures supplémentaires, l’article
25 du projet de loi instaure pour l’employeur une dis-
pense de versement d’une partie du précompte profes-
sionnel à verser au Trésor. En outre, l’article 23 ac-
corde une réduction d’impôt au travailleur lorsqu’il a
presté, durant la période imposable, du travail supplé-
mentaire.
Le projet d’accord professionnel dispose que «l’avan-
tage fiscal sera réparti à part égale entre le travailleur et
l’employeur pour chacune de ces heures supplémen-
taires prestées. Pour chacune des deux parties, l’avan-
tage est égal au résultat du calcul suivant: 16,5% de
tous les éléments du salaire liées à l’heure supplémen-
taire (salaire de base et sursalaire).»
Le projet de loi prévoit un avantage de 24,75%. Cette
différence s’explique uniquement par le fait que ce pour-
centage est calculé sur la base du montant brut (et non
du montant net) des rémunérations qui servent de base
de calcul. Le projet de loi est la traduction pure et sim-
ple de ce qui était prévu dans l’accord.
L’article 27 du projet de loi règle l’entrée en vigueur
des dispositions susvisées.
Quant à l’amendement n° 1 du gouvernement
(DOC 51 1767/002), il porte sur les primes uniques d’in-
novation. L’article 29 (nouveau), tel qu’inséré par l’amen-
dement n° 1, exonère de l’impôt des personnes physi-
ques ou de l’impôt des non-résidents les primes uniques
d’innovation payées ou octroyées aux travailleurs.
Ces primes sont destinées aux membres du person-
nel d’une entreprise qui formulent des propositions d’in-
novation qui ont un effet positif sur les activités de l’en-
treprise. Le montant total annuel des primes ne peut
26
1767/005
DOC 51
K A M E R 3e Z I T T I N G V A N D E 5 1e Z I T T I N G S P E R I O D E
C H A M B R E
3e S E S S I O N D E L A 51e L É G I S L A T U R E
2005
2004
mag niet hoger zijn dan 1 % van de loonmassa van de
onderneming. Premies voor eenzelfde vernieuwing die
aan een team worden toegekend, moeten tot tien per-
sonen worden beperkt. In een onderneming met 30 of
meer werknemers mag het aantal premiegerechtigden
niet meer dan 10 % van het totale aantal werknemers
bedragen. Dat percentage wordt beperkt tot 3 % in de
ondernemingen met minder dan 30 werknemers.
Het premiebedrag per werknemer mag per boekjaar
een maandsalaris niet te boven gaan.
III.— BESPREKING EN STEMMING
De heer Hagen Goyvaerts (Vlaams Belang) vindt het
percentage van 1% van de loonmassa te gering.
Waarom heeft de regering voor zo’n laag percentage
gekozen en bijvoorbeeld niet voor een percentage van
10%?
Zo vraagt de spreker zich ook af waarom het fiscaal
voordeel is beperkt tot een ploeg van 10 personen. Is
zulks niet onvoldoende voor de grote farmaceutische
ondernemingen, die inzake onderzoek bijvoorbeeld heel
actief zijn? Hoe wordt het begrip ploeg gedefinieerd?
De minister geeft aan dat de regering een budget-
taire raming van de geplande maatregelen heeft ver-
richt.
Als men uitgaat van maximum 10 % van het perso-
neel en als de uitkering van de premie beperkt blijft tot
één maandsalaris per boekjaar, komt men automatisch
tot een percentage van 1 % van de loonmassa. Het is
niet mogelijk voor al het personeel een innovatiepremie
toe te kennen.
*
* *
De commissie brengt met 9 stemmen en 4 onthou-
dingen een gunstig advies uit over de haar voorgelegde
bepalingen, mits zij zonder enige wijziging worden aan-
genomen.
De rapporteur,
De voorzitter,
Éric MASSIN
F.-X. de DONNEA
pas dépasser 1% de la masse salariale de l’entreprise.
Les primes accordées à une équipe pour une même
innovation doivent se limiter à maximum 10 personnes.
Dans une entreprise occupant 30 personnes ou plus, le
nombre de travailleurs bénéficiant de ces primes ne peut
dépasser 10% du nombre total de travailleurs. Ce pour-
centage est limité à 3% dans les entreprises occupant
moins de 30 travailleurs.
Le montant de la prime par travailleur ne peut dépas-
ser un mois de salaire par année civile.
III. — DISCUSSION ET VOTE
M. Hagen Goyvaerts (Vlaams Belang) considère que
le pourcentage de 1% de la masse salariale est trop
peu élevé. Pourquoi le gouvernement a-t-il retenu un
pourcentage aussi bas plutôt que, par exemple, un pour-
centage de 10%?
De même, le membre se demande pourquoi l’octroi
de l’avantage fiscal est limité à une équipe de 10 per-
sonnes? N’est-ce pas insuffisant pour les grandes en-
treprises pharmaceutiques, très actives en matière de
recherche, par exemple? Comment définit-on la notion
d’équipe?
Le ministre indique que le gouvernement a procédé
à une évaluation budgétaire des mesures en projet.
Si l’on prend en considération 10% au maximum du
personnel et si l’octroi de la prime est limité à un mois
de salaire par année civile, on arrive automatiquement
à un pourcentage de 1% de la masse salariale. Il n’est
pas possible d’octroyer une prime d’innovation à l’en-
semble des travailleurs.
*
* *
La commission émet par 9 voix et 4 abstentions, un
avis favorable sur les dispositions qui lui sont soumises
pour autant qu’elles soient adoptées sans aucune mo-
dification.
Le rapporteur,
Le président,
Éric MASSIN
F.-X. de DONNEA
Centrale drukkerij – Deze publicatie wordt uitsluitend gedrukt op volledig gerecycleerd papier
Imprimerie centrale – Cette publication est imprimée exclusivement sur du papier entièrement recyclé